1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Wij gaan voor even uit elkaar 1. Wij gaan voor e-ven uit el-kaar en de-len nu het licht. Dat.. Licht ver telt ons iets van God op hem zijn wij ge - richt. Straks zoeken wij el-kaar weer op en elk heeft zijn ver-haal. Het. Licht verb-indt ons met el - kaar: het is voor al le - maal
16
Psalm 139 L14206 1 Voor de koorleider. Van David, een psalm. HEER, u kent mij, u doorgrondt mij, 2 u weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten. 3 Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, met al mijn wegen bent u vertrouwd. 4 Geen woord ligt op mijn tong, of u, HEER, kent het ten volle. 5 U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij. 17
6 Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven. 7 Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen? 8 Klom ik op naar de hemel u tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk u bent daar. 9 Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee, 10 ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden. 18
11 Al zei ik: Laat het duister mij opslokken, het licht om mij heen veranderen in nacht, 12 ook dan zou het duister voor u niet donker zijn de nacht zou oplichten als de dag, het duister helder zijn als het licht. 13 U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. 14 Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel. 19
15 Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim. 16 Uw ogen zagen mijn vormeloos begin, alles werd in uw boekrol opgetekend, aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één. 17 Hoe rijk zijn uw gedachten, God, hoe eindeloos in aantal, 18 ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn. Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u. 20
19 God, breng de zondaars om, weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten 20 ze spreken kwaadaardig over u, uw vijanden misbruiken uw naam. 21 Zou ik niet haten wie u haten, HEER, niet verachten wie tegen u opstaan? 22 Ik haat hen, zo fel als ik haten kan, ze zijn mijn vijand geworden. 23 Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt, 24 zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij over de weg die eeuwig is. 21
22
23
24
25
Psalm 139 in een bewerking van Anton Korteweg L14206 Wij samen Onder en boven, je bent om me heen, ik in je, je weet van mij alles. Dat je me omringt, vooruit, me doordringt, alles weet uit hoofde van jij, nou ja, maar dat je daar ook nog op uit bent! Geen plaats van je is er die, wil hij, niet ziet mij, die niet in zich heeft mij. Ver weg of dichtbij, in de kraag pak je me; geen kant kan ik op, in Den Haag niet en nergens - licht is er niets bij. 26
Niet raak ik me ergens in kwijt en niet in de tijd; wat ik ook maar van plan ben, waar en wanneer, je wist allang dat ik toen dat en dat dat ik knap in elkaar, heb je wel voor gezorgd. Enfin, gebonden zijn, gekend, in iemand zijn - erg is het, maar niet is nog erger misschien. En altijd, hoe dan ook: ik denk aan je, op de gekste momenten en nooit niet eens niet. Het moet wel dat ik van je hou, de pest heb aan wie de pest aan je heeft. Ken me dan maar, weet wie ik ben en doe maar. 27
28
29
30
31
Psalm 139, Sytze de Vries L14206 Voor jou ben ik een open boek, doorzichtig tot op mijn ziel. Mijn gedachten, ze zijn je vertrouwd. Thuis weet ik mij door jou omgeven, ook onderweg kom jij me te na. Geen woord op mijn tong of jij kent het. Rondom mij rust jouw hand op mij. Het gaat mijn begrip te boven. Hoe je ontlopen, aan je aandacht ontsnappen? 32
Hemelhoog klom ik jou vind ik daar, diep in de aarde jij bent er ook. Vluchtte ik weg op de stralen van het licht, school ik de overzij nog voorbij, even ver reikt jouw hand. Zei ik: duister mag mij bedekken, nacht mag het worden voorgoed, helder als daglicht zou het blijven, dan nog is de nacht als een licht voor jou. Ik weet mij gekend in hart en nieren, 33
in de schoot van mijn moeder door jou geweven. Godlof om dit wonder van mijn bestaan! Het staat in mijn hart gegrift. In het verborgene was mijn oorsprong, jou wel bekend. Nog vormeloos, maar jij zag mij al. Wie ik zou zijn stond voor jou al vast. Groots, overweldigend zijn jouw gedachten, meer dan er zandkorrels zijn. Als ik ontwaak, dan nog ben ik bij jou. 34
Wie jou verraden, kwaad van je spreken, laat ze toch vallen! Ik verafschuw ze, zoals ze jou doen. Ze zijn ook mijn tegenstanders! Lees mij, diep tot op mijn bodem, peil mijn hart en toets mijn gangen. Neem mijn hand. 35
36
Psalm 139, Huub Oosterhuis Ken je mij? Wie ken je dan? Weet je mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet je mij beter dan ik? L14206 Ogen die door de zon heen kijken Zoekend de plek waar ik woon Ben jij. beeldspraak voor iemand die aardig is en onmetelijk ver, die niet staat en niet valt en niet voelt als ik, niet koud en hooghartig. 37
Ken je mij? Wie ken je dan? Weet je mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet je mij beter dan ik? Hier is de plek waar ik woon Een stoel op het water, een raam waarlangs het opklarend weer of het vallende duister voorbij vaart. Heb je geroepen? Hier ben ik 38
Ik zou één woord willen spreken ooit, dat waar en van mij is Dat draagt wie ik ben, dat het houdt, en rechtop staat. als mens die mij aankijkt en zegt: Ik ben jouw zuiverste zelf, Vrees niet, versta mij, ik ben. Ken je mij? Wie ben je dan? Weet jij mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet jij mij beter dan ik? 39
Ben jij de enige voor wiens ogen niet is verborgen mijn naaktheid? Kan jij het hebben, als niemand anders, dat ik geen licht heb, niet warm ben, dat ik niet mooi ben, niet veel dat geen bron ontspringt in mijn diepte dat ik alleen dit gezicht heb, geen ander. Ben ik door jou, zonder schaamte, gezien, genomen, door niemand minder? Zou dat niet veel te veel waar zijn? 40
Ken je mij? Wie ken je dan? Weet jij mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet jij mij beter dan ik? 41
42
Geloofsbelijdenis Ik geloof in de Geest van leven en liefde, ver aan mij vooraf, royaal aan mij vooruit, maar ook in mij aanwezig. Soms noem ik Hem God, maar het liefste noem ik Haar Schepper. Ik geloof in mensen, gedreven door de Geest, die mij voorleven wat leven betekent en wat liefde vermag. Daarom geloof ik in Jezus en in zoveel anderen die leefden en leven zoals hij. 43
Ik geloof in de Gemeenschap van de Geest: mensen die samen zich oefenen in recht doen en vrede stichten, in breken en delen. Ik geloof in het goede, dat wij nu eens verbergen dan weer openbaren, En ik geloof dat het goede het kwade zal overleven; dat niet het laatste woord zal zijn aan de dood, maar aan het leven en de liefde. Amen 44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
Liefde is zien hoe fout je iets deed, vragen aan God om genade. Maar wie vol trots zich heel wat verbeeldt, leeft zonder Hem hier op aarde. refrein: Jezus is liefde, in overvloed, gaf Zijn leven op Golgota. Hij maakte alles voor ons weer goed, dus vertrouw Hem en volg Hem na. 57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68