Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 21 501-21 Jeugdraad Nr. 7 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 27 oktober 2000 Hierbij bied ik u voor het Algemeen Overleg op 1 november a.s. mijn annotaties aan over de Jeugdonderwerpen bij de voorlopige agenda van de zitting van de EU Jeugdraad van 9 november a.s. te Brussel. De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, A. M. Vliegenthart KST48832 ISSN 0921-7371 Sdu Uitgevers s-gravenhage 2000 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 21 501-21, nr. 7 1
Annotaties bij de voorlopige agenda 1 van de EU Jeugdraad van 9 november 2000 (middag) te Brussel 11. De jongeren en Europa welk gevolg wordt er gegeven aan de raadpleging van jongeren in Europa? (openbaar debat) Pas recentelijk is door het Frans voorzitterschap een document naar de lidstaten gestuurd. Voorafgaand aan de Jeugdraad vindt op 9 november in het kader van de voorbereiding van het witboek over het Europees jeugdbeleid een zgn. «publiek debat» plaats Aan het debat nemen 18 jongeren deel: 15 jongeren uit de EU-lidstaten en 3 jongeren uit de pre-accessielanden. Niet iedere jongere zal het woord voeren. Zij zullen onderling beslissen wie dat zal (zullen) doen. Verwacht wordt dat de jongeren tijdens het debat met de Jeugdministers: zullen laten weten welke onderwerpen zij in het Witboek EU Jeugdbeleid opgenomen willen zien; willen horen dat de nationale en Europese consultaties niet éénmalig zijn geweest, maar dat voortzetting zal plaatsvinden, ook over andere onderwerpen die hen aangaan. Nederland verwelkomt de inbreng van jongeren bij de voorbereiding van het witboek over het Europees Jeugdbeleid. Het toekomstig Europees Jeugdbeleid zal immers worden gekenmerkt door jeugdparticipatie en in samenspraak met jeugdigen tot stand komen. Nederland zal de door de jongeren aangedragen onderwerpen dan ook zeker serieus in overweging nemen. In het kader van die jeugdparticipatie staat Nederland daarnaast op het standpunt dat er extra aandacht moet zijn voor de positie en participatie van jongeren in achterstandsituaties. 12. Uitvoering van het programma «Jeugd» (Informatie van de Commissie en gedachtewisseling) 1 Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie. Het Communautair Jeugdprogramma is vastgesteld voor de duur van zeven jaren, van 2000 tot en met 2006. Het Europees Jeugdprogramma omvat vijf onderdelen omvat, te weten: uitwisselingen van groepen jongeren (kortdurend: van één tot drie weken); Europees vrijwilligerswerk (European Voluntary Service, EVS): voor projecten op diverse terreinen kunst, milieu, bestrijding van racisme en projecten op sociaal gebied kunnen jongeren worden uitgezonden gedurende kortere tijd (drie weken tot zes maanden) of langere tijd (maximaal een jaar); jongeren-initiatieven: transnationale projecten die door jongeren zelf worden geïnitieerd en uitgevoerd; gezamenlijke acties van het Jeugdprogramma met de EU-programma s Leonardo en Socrates (respectievelijk gericht op jongeren in het beroeps- en hoger onderwijs), met name op het gebied van informatie en ICT; begeleidende maatregelen: voorbereidende bezoeken van jongerenwerkers en projectorganisatoren, studies, bijeenkomsten van deskundigen, verspreiding van informatie en publicaties. Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 21 501-21, nr. 7 2
Het accent in alle onderdelen ligt op participatie van de jongeren zelf. Jongeren dienen zelf het initiatief voor projecten te nemen en daaraan vorm te geven. Het programma richt zich in principe tot jongeren in de leeftijd van 15 tot 25 jaar, met dien verstande dat de leeftijdsgrenzen voor de EVS zijn vastgesteld op 18 tot 25 jaar. Het jeugdprogramma staat ook open voor jongeren uit de zogenoemde derde landen, met name de EVA/EER landen, Midden- en Oost-Europese landen, Cyprus, Malta en Turkije. Het Jeugdprogramma en de programma s Leonardo en Socrates passen in de doelstellingen die de Europese Top van Lissabon (maart 2000) zich heeft gesteld op het gebied van mobiliteit. De aanbeveling Mobiliteit waarover in de Onderwijsraad van 9 november as. zal worden gesproken heeft mede tot doel knelpunten die thans in het EU-jeugdprogramma ervaren worden op het gebied van sociale verzekeringen, ziektekostenverzekeringen en verblijfsvergunningen voor met name jonge vrijwilligers uit derde landen een oplossing te creëren. Voor de duur van het Europees Jeugdprogramma, 7 jaar, is in totaal 520 miljoen Euro uitgetrokken. In 2000 wordt ruim 80 000 000 Euro voor het programma beschikbaar gesteld. Een gedeelte daarvan, 55 500 000 Euro, is bestemd voor de gedecentraliseerde activiteiten. Conform de verdeelsleutel die de Europese Commissie voor dit programma hanteert, komt hiervan 4,22% aan Nederlandse activiteiten toe, dat is een bedrag van 2 413 097 Euro. In dit bedrag zijn de kosten van het Nationaal Agentschap begrepen. Ten opzichte van 1999 is er sprake van een stijging van 16,6%. Karakter bespreking Er is vooralsnog geen document over dit onderwerp beschikbaar. De Commissie zal dit agendapunt benutten om informatie van haar kant met betrekking tot het Jeugdprogramma te geven. Daarnaast zal een uitwisseling van gedachten plaatsvinden. Nederland zal kennis nemen van de informatie van de Commissie. In de daarop volgende gedachtewisseling zal Nederland de stand van zaken, zoals eerder in mijn brief aan de kamer van 10 oktober jl. (DJB/APJB- 2115 695) met betrekking tot het Europees Jeugdprogramma weergegeven, onder de aandacht van de Commissie en de overige lidstaten kunnen brengen. Het programma is in Nederland op 9 september jl. officieel van start gegaan. Voor de uitvoering van het programma is in iedere lidstaat een Nationaal Agentschap aangewezen. In Nederland is het Nationale Agentschap ondergebracht bij het NIZW. Aan de groepsuitwisselingen nemen, volgens de ramingen van het Agentschap, jaarlijks 1 500 jongeren uit Nederland deel; een ongeveer gelijk aantal jongeren uit andere landen bezoekt in het kader van groepsuitwisselingen ons land; voor deelname aan vrijwilligersprojecten in het buitenland kunnen volgens de berekeningen van het Nationaal Agentschap in 2000 ongeveer 80 jongeren worden uitgezonden, een ongeveer even groot aantal komt naar ons land om vrijwilligerswerk te verrichten. Er blijkt behoefte te bestaan aan een vorm van erkenning van in het buitenland opgedane ervaring in vrijwilligersprojecten, vooral met het oog op beoordeling door werkgevers van ervaring bij sollicitaties. Nagegaan wordt hoe hieraan, zo mogelijk in Europees verband, vorm gegeven kan worden. Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 21 501-21, nr. 7 3
13. Resolutie van de Raad en de ministers van jeugdzaken in het kader van de Raad bijeen, inzake sociale integratie van jongeren (aanneming) Deze resolutie, die op 14 juli jl. door het Franse voorzitterschap werd geïntroduceerd, beoogt: 1) De verbetering van de sociaal economische situatie van jongeren. Het bevorderen van hun sociale insluiting en participatie én dit tot een gemeenschappelijke prioriteit van de Europese Unie; 2) Het bevorderen dat jongeren toegang krijgen tot de voorheen bestemde communautaire of nationale programma s, met name op het terrein van mobiliteit. Dit betreft met name terreinen zoals onderwijs, werkgelegenheid en gezondheid. Nederland kan met deze resolutie instemmen. 14. De bescherming van jonge sporters (informatie van de Commissie en gedachtewisseling) Op 14 juli jl. heeft de Commissie in samenwerking met de huidige voorzitter van de EU, Frankrijk, aan de lidstaten van de EU een vragenlijst over de bescherming van jeugdige sporters toegezonden. De lidstaten kregen tot 15 september de tijd om de vragenlijst te beantwoorden, zodat de conclusies tijdens het Europees Sportforum in Lille (26 en 27 oktober 2000) en op de informele bijeenkomst voor sportministers van de lidstaten van de EU (6 november 2000) besproken zouden kunnen worden. Helaas hebben nog niet alle lidstaten deze vragenlijst beantwoord. De bespreking van de conclusies uit de vragenlijst is daarom uitgesteld. Vooralsnog kan de Commissie alleen maar voorlopige conclusies trekken, zoals de conclusie dat er geen specifieke wetgeving inzake de bescherming van jonge sporters bestaat. Karakter bespreking De Commissie zal dit agendapunt benutten om informatie van haar kant met betrekking tot stand van zaken te geven. Daarnaast zal een uitwisseling van gedachten plaatsvinden. Nederland zal kennisnemen van de informatie van de Commissie. In de daaropvolgende gedachtewisseling zal Nederland, indien de discussie dit toelaat, het volgende opmerken: Het Ministerie van VWS heeft in samenwerking met het Ministerie van SZW, NOC*NSF en de KNVB tijdig de enquête beantwoord. Uit deze antwoorden blijkt dat men in Nederland van mening is dat de jongere sporter bijzondere aandacht verdient. Op het gebied van sport is er echter geen specifieke regelgeving, ook niet inzake de bescherming van jonge sporters. Wel zijn algemene wettelijke bepalingen ook van toepassing op de sport, zoals bijvoorbeeld die ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de mens. Daarbij wordt wel rekening wordt gehouden met het specifieke karakter en eigenschappen van de sport. Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 21 501-21, nr. 7 4
15. De strijd tegen racisme onder de jongeren (Bijdrage van de Duitse delegatie) Het betreft hier een bijdrage van de Duitse delegatie. Vooralsnog is deze bijdrage echter nog niet beschikbaar. Nederland zal deze mondelinge toelichting aanhoren. 16. Diversen Er is vooralsnog geen informatie beschikbaar. Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 2001, 21 501-21, nr. 7 5