CRITERIADOCUMENT FUNCTIONELE



Vergelijkbare documenten
CRITERIADOCUMENT SANITAIR

Led in algemene verlichting

Zo kiest u de juiste lampen voor uw woning

Folder Lichtbronnen. Productinformatie

Verlichting. 1 Inleiding Gewenste lichtsterkte Verlichtingssystemen... 3

Beschrijving. Hoe weet u of u conventionele TL hebt?

PRODUCTINFORMATIE VERVANG JE GLOEILAMP

R.I.P gloeilamp welk alternatief is er voor de traditionele gloeilamp?

Zo kiest u de juiste lampen voor uw woning

Toelichting Ecodesignverordeningen. Verlichting

Flare. Comfort en rendement met leds

LED en Verlichting. Van fakkel naar oled. Pieter Ledeganck Charlotte Claessens.

PRODUCTINFORMATIE. Schakelen en dimmen van energiezuinige lampen

energiecoach verlichting

Vragen en antwoorden energiezuinige verlichting

Energiezuinige verlichting

LUX op energiezuinige stand

Natuurlijk een Philips! Alle energiezuinige alternatieven op een rijtje.

BELEIDSPLAN OPENBARE VERLICHTING BIJLAGE 2 VERLICHTINGSTECHNIEK

++Van Gloeilamp naar Ledlamp uitgave: JS

BNR PRODUCTS LED GROEN BOEK. Een kostenvergelijking van led met traditionele gloeilampen, halogeen spots en CFL spaarlampen

Tools voor energie-efficiënte apparaten en green IT. Melinde De Groote

LED TL BUIZEN. Hoogste kwaliteit LED TL verlichting tegen de beste prijs.

L 76/24 Publicatieblad van de Europese Unie BIJLAGE III

Overstappen naar energiezuinige lichtbronnen

Zuinig licht, heldere keuze

1) Waar op letten bij het opstellen van een verlichtingsplan? (tekst van interieurdesigners.be)

Feiten en Mythes rond Spaarlampen

Een beginnershandleiding voor energiezuinige verlichting

LED VERLICHTING & VvE s

Energiebesparing met leds

VERLICHTINGSWIZARD Bespaar energie met de juiste lamp!

LED. begrippen kleur levensduur rendement besparing

Energiezuinige verlichting

Verlichting. Samen sparen we energie

Sportveldverlichting EEN STAND VAN ZAKEN. Hoevelaken, 29 januari 2015

Deel 1: Beter verlichten met minder energie - Algemene richtlijnen

Opleiding Duurzaam Gebouw:

Product naam: MM08122

Vermindering total cost of ownership in bestaande verlichtingsinstallaties

Dag van het Licht 3 oktober 2011

We... maken! -25% kunnen. willen. Made in. Germany

ENCON INGENIEURSBUREAU

Beter licht met minder energie

Presentatie IGOV Kenniscafé. Armaturen openbare verlichting

Een beginners handleiding voor de aankoop van energiezuinige apparatuur

1) Kahoot.it 2) Pin 3) voornaam

Introductie Totstandkoming

Prestaties van LED beoordelen? Jacob Nuesink

Deze dame of heer vertelt over hoe het mogelijk is om het energie verbruik te verminderen en laat energie besparende manieren zien.

Philips Lighting Eenvoudig het leven verbeteren met licht

NBN-EN : Werkplekverlichting binnen

Basic Creative Engineering Skills

LUX op energiezuinige stand

GreenSpace de. rendement. GreenSpace 2 DN460B/DN461B/DN470B/DN471B. Voordelen. Kenmerken

Ecodesign en energielabel

CoreLine Waterdicht kwaliteit met een scherpe prijs

LEDLAMPEN LICHTEND VOORBEELD IN DUURZAAMHEID

Product naam: MM03594

Openbare verlichting: hoe kan het efficiënter?

Het automatisch in- en uitschakelen en regelen van verlichting. Detectoren bieden meer comfort en helpen om behoorlijk wat energie te besparen.

Energie en kosten besparen door kleinere maatregelen van gebouwenbeheer - Verlichting

klasniveau Stap 1. De nulmeting De meterstanden Verbruik meterstand week x - week (x-1) Gem. verbruik na week 4 Elektriciteit datum/uur Meterstand KWh

Wase Klimaattop. Openbare verlichting. 14 oktober

Armaturen met vlakke diffusor

Levensduur van lampen

e-book Thuis in Licht

Quickscan energiebesparing

Spaar de natuur - Gebruik het juiste licht. Philips MASTER TL-D Eco. Energiezuinige TL-D verlichting waarmee u geld bespaart en de natuur spaart.

Transcriptie:

CRITERIADOCUMENT FUNCTIONELE BINNENVERLICHTING INHOUDSOPGAVE 1. Bereik Fluorescentielampen Retrofit ledlampen Vervangbare en vaste ledmodules Klassieke armaturen (fluorescentie en ledlampen) Regelsystemen 2. Voornaamste milieucriteria 2.1. Lampen en lichtbronnen 2.1.1 Energie-efficiëntie 2.1.3 Voorschakelapparatuur 2.1.2 Levensduur Fluorescentielampen Ledlampen (retrofit) 2.1.4 Kwikgehalte 2.1.5 Verpakking 2.2 Klassieke armaturen 2.2.1 Geschikt voor fluorescentielampen of retrofit ledverlichting 2.2.2 Verlichtingsrendement en stralingsprofiel 2.2.3 Gecombineerd met regelsystemen 1

2.2.4 Materiaalkeuze 2.3 Vervangbare en vaste ledmodule (inclusief armatuur) 2.3.1 Energie-efficiëntie 2.3.2 Levensduur 2.3.3 Verlichtingsrendement 2.3.3 Gecombineerd met regelsystemen 2.3.4 Vervangbare onderdelen demonteerbaar 2.3.5 Demonteerbaar 2.2.6 Materiaalkeuze 2.4 Regelsystemen 3. Rangorde 4. Tips voor aankopers 5. Bronnen De Milieukoopwijzer 1. Bereik Deze productgroep betreft lampen en lichtbronnen, bijhorende armaturen en regelsystemen voor functionele binnenverlichting. Gezien de doelgroep van de Milieukoopwijzer focussen we ons op het professionele gamma. Bij de lampen en lichtbronnen beperken we ons tot de fluoresentielampen en de ledsystemen. Gloeilampen zijn niet energiezuinig. Sinds 1 januari 2013 is de verkoop 1 van bijna alle gloeilampen verboden in Europa. Tegen 2016 zullen ze allemaal verboden zijn (zie tabel 1). Metaalhalidelampen kunnen een energiezuinig alternatief zijn. Soms zijn ze zelfs energie-efficiënter dan ledlampen. De best beschikbare technologie die voor metaalhalidelampen op dit moment op de markt is, zijn lampen met 100lm/Watt. Vaak bevatten ze echter vrij veel kwik. Deze lampen worden vooral voor specifieke toepassingen (accentverlichting, verlichting van hoge industriële ruimtes) gebruikt en vallen dus niet onder het bereik van dit document (functionele binnenverlichting). Daarom worden ze niet op de Milieukoopwijzer opgenomen. Daglichtsystemen, zoals bijvoorbeeld (intelligente) daglichtkoepels of daglichtbuizen, zijn systemen die natuurlijk licht (zonlicht) in het gebouw binnen laten. Sommige daglichtsystemen combineren het natuurlijk binnenkomend licht met extra lichtbronnen, zoals ledlampen of halogeenlampen. Daglichtsystemen kunnen als een energiezuinige 1 Europese verordening EG 244/2009 2

oplossingen beschouwd worden. Op de Milieukoopwijzer beperken we ons voorlopig tot kunstmatige lichtbronnen, armaturen en regelsystemen, waardoor we geen criteria hebben voor daglichtsystemen noch voor daglichtbuizen. Het gebruik van daglichtbuizen vereist een architecturale ingreep om in het dak, muur of vloer te worden ingebouwd. Daarom zijn deze systemen vooral aangewezen bij nieuwbouw en renovatie. Verlichting van buitenruimtes is een volledig ander domein. Milieutips en advies hiervoor vindt u bij http://www.preventielichthinder.be en http://www.vvs.be/werkgroepen/werkgroep-lichthinder. Op Europees niveau heeft het GPP (Green Public Procurement) criteria uitgewerkt voor een milieuvriendelijke aanbesteding van straatverlichting en verkeerssignalen: http://ec.europa.eu/environment/gpp/pdf/criteria/street_lighting_nl.pdf. Ook in Nederland kan u inspiratie vinden, zij stelden in oktober 2011 criteria op voor duurzaam inkopen van Openbare Verlichting (OVL): http://www.pianoo.nl/sites/default/files/documents/documents/criteriaopenbareverlichtin g.pdf. Fluorescentielampen We behandelen drie types fluorescentielampen: Compacte fluorescentielampen: ze zijn in de handel vaak verkrijgbaar onder de naam spaarlampen. Omdat die naam ook voorbehouden is voor andere lampen die belangrijke energiebesparingen realiseren, wordt daarom hier de meer technische benaming gebruikt. Lineaire, rechte of buisvormige fluorescentielampen: ze zijn beter bekend onder de naam tl-lampen. Circulaire fluorescentielampen. Er bestaan lampen met enkele fitting (met een enkele bajonet-, schroef- of penfitting) en lampen met twee fittingen (één aan elk uiteinde). Lampen met twee fittingen zijn in hoofdzaak de zogenaamde tl-lampen. Retrofit ledlampen Retrofit ledlampen zijn ledlampen die er uit zien als een klassieke lamp. Ze zijn zo gemaakt dat ze passen in een armatuur voor fluorescentie- of retrofit ledlamp. De vervanging van de lamp is eenvoudig uit te voeren door de eindklant. Vervangbare en vaste ledmodules Een ledmodule is een inrichting zonder voet die bestaat uit één of meer ledpakketten op een printplaat. De inrichting kan zijn voorzien van elektrische, optische, mechanische en 2 thermische onderdelen, interfaces en voorschakelapparaten. Omdat bij ledmodules de lamp en de armatuur een geheel vormen vormen, zijn de criteria hiervoor anders dan de andere lichtbronnen, waar we de criteria hebben voor enerzijds de lichtbron en anderzijds de armatuur. Een ledmodule wordt vervangbaar genoemd, als een specialist de 2 Ecodsign richtlijn 2012/119 3

ledmodules kan vervangen. Deze vervangbaarheid is dus niet uitvoerbaar door de eindklant. Bij vaste ledmodules vormen de lamp en de armatuur een geheel en zijn de onderdelen niet vervangbaar en/of verwisselbaar, ook niet door een expert. Klassieke armaturen (fluorescentie en ledlampen) Enkel verlichtingsarmaturen met fitting of lamphouder voor gebruik met fluorescentielampen of retrofit ledlampen worden op de Milieukoopwijzer besproken. Regelsystemen Enkel automatische regelsystemen komen aan bod. Via een manueel regelsysteem (bijvoorbeeld door de armaturen te verdelen in groepen die door aparte knoppen worden bediend) kan ook energie bespaard worden. Dit is wel sterk afhankelijk van het gebruikersgedrag. Daarom behandelt de Milieukoopwijzer dit niet. 2. Voornaamste milieucriteria 2.1. Lampen en lichtbronnen 2.1.1 Energie-efficiëntie Bij lampen/lichtbronnen is de gebruiksfase de fase binnen de levenscyclus met de grootste milieu-impact: ca. 90-99% van de energie verbruikt gedurende de totale levenscyclus wordt verbruikt tijdens de gebruiksfase (zie figuur 1). Figuur 1: energieverbruik (25 000 lichturen) van GLS (gloeilamp), HAL (halogeenlamp), 3 CFL (compacte fluorescentielamp) en LED. Sinds 1 september 2013 moeten alle huishoudelijke elektrische lampen die rechtstreeks 3 http://www.osram.com/osram_com/sustainability/sustainable-products/life-cycle-analysis/i ndex.jsp (16/12/2013) 4

op het elektriciteitsnet worden aangesloten voorzien zijn van een energielabel dat gaat 4 van A++ tot E. Het energielabel geeft inzicht in de energie-efficiëntie van een lichtbron. Energie-efficiëntie is de hoeveelheid licht die gegeven wordt per verbruikte energie. Dit wordt uitgedrukt in aantal lumen per Watt. Lampen met een E-label geven het minste licht per Watt. Momenteel (anno eind 2013) zijn lampen met een A+ label de meest zuinige lampen die op de Belgische markt te vinden zijn. Voor drie duimpjes eisen we steeds het beste energielabel waarvoor reeds lampen/lichtbronnen op de markt zijn, momenteel dus A+. Aangezien de lichttechnologie snel evolueert, zullen we dit criterium aanpassen naar een hogere klasse, van zodra er lampen van drie verschillende producenten van deze hogere energieklasse op de markt zijn. 5 De Europese ecodesignrichtlijn 2009/125/EG 6 Via de Europese ecodesignrichtlijn kan de Europese Commissie ecologische eisen stellen aan het ontwerp van energiegerelateerde producten, waaronder verlichting. Hieruit volgt dat de minst energie-efficiënte lampen gefaseerd van de markt zullen verdwijnen (tabel 1). De eerste fase ging in op 1 september 2009 en bepaalt dat alle matte lampen die op de markt komen een A-label moeten dragen. Onder de matte lampen vallen alle compacte fluorescentielampen, tl-lampen, maar ook de meeste ledlampen. Heldere niet-richtbare lampen moeten momenteel minimaal een C-label hebben. Vanaf 2016 zullen ze minimaal een B-label moeten hebben. Met deze ecodesignrichtlijn wil Europa op termijn de energie-onzuinige huishoudelijke apparatuur van de markt halen. Gloeilampen behoren hiertoe. Slechts 3 tot 9 % van de elektriciteit die een gloeilamp verbruikt, wordt omgezet in licht, de rest wordt omgezet in warmte. Traditionele gloeilampen bereiken de energie-eis van de Europese verordening niet en mogen momenteel niet meer verkocht worden. Er bestaan echter wel gloeilampen op basis van ecohalogeen die een C- of zelfs een B-label dragen. De gloeilampen op basis van ecohalogeen verdwijnen dus niet van de markt, tegen 2016 dienen ze wel allemaal aan de vereisten van het B-label te voldoen. Tijdstip Bepaling in verordening Gevolg voor gloeilampen Vanaf 1 september 2009 Matte lampen moeten A-label hebben Heldere lampen > 100 Watt moeten minimaal C-label hebben Matte gloeilampen en traditionele heldere gloeilampen van 100 Watt of meer zijn verdwenen. Vanaf 1 september 2010 Heldere lampen > 75 Watt Ook traditionele heldere 4 Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 874/2012 van de commissie van 12 juli 2012 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van elektrische lampen en verlichtingsarmaturen. 5 http://eur-lex.europa.eu/lexuriserv/lexuriserv.do?uri=oj:l:2009:285:0010:0035:nl:pdf 6 gebaseerd op de Europese verordeningen EG 244/2009 en EG 245/2009 5

moeten minimaal C-label hebben gloeilampen van meer dan 75 Watt zijn verdwenen. Vanaf 1 september 2011 Heldere lampen > 60 Watt moeten minimaal C-label hebben Ook traditionele heldere gloeilampen van meer dan 60 Watt verdwijnen. Vanaf 1 september 2012 Alle heldere lampen moet minimaal C-label hebben Alle traditionele gloeilampen verdwijnen van de markt. Vanaf 1 september 2013 S14, S15 en S19-voet verdwijnen van de markt Vanaf 1 september 2016 Alle heldere lampen moeten minimaal B-label hebben Alle heldere lampen met C-label verdwijnen van de markt Tabel 1: overzicht van de uitfasering van energie-onzuinige lampen Naast vereisten rond energie-efficiëntie bevat de Europese ecodesignrichtlijn ook een aantal productinformatievereisten. Deze bepalen welke informatie op de verpakking en op de website moet vermeld worden. Op die manier wil men de consument helpen om de juiste keuze te maken (zie tips voor aankopers). 2.1.3 Voorschakelapparatuur Fluorescentielampen worden opgestart aan de hand van een voorschakelapparaat of ballast. Het voorschakelapparaat of de ballast is het toestel dat bij fluorescentielampen de gasontlading op gang brengt, zodat de lamp gaat branden. Naast het opstarten zorgt het voorschakelapparaat ook voor het constant houden van de lampstroom. Ledlampen/ledmodules hebben geen voorschakelapparaat. Daar spreekt men over een aansturing. Met betrekking tot deze aansturing werd nog geen vereiste opgenomen in deze rangorde. Extern of intern Bij compacte fluorescentielampen met een schroeffitting is dit voorschakelapparaat geïntegreerd in de voet van de lamp. Bij compacte fluorescentielampen met een steekfitting (2- of 4-pins) is een extern voorschakelapparaat nodig. Bij lineaire en circulaire fluorescentielampen is het voorschakelapparaat steeds extern. Het voorschakelapparaat kan vele malen duurder zijn dan de lamp zelf. Het is daarom interessant om lampen met externe ballast te kopen. De ballast gaat immers gemiddeld langer mee dan de lamp zodat enkel de lamp vervangen moet worden als die stuk is. Bovendien laten fluorescentielampen met een externe elektronische ballast een nog 6

grotere energiewinst toe. Elektronisch of conventioneel Voorschakelapparaten kunnen elektronisch of conventionee zijn. Op dit moment zijn alle interne voorschakelapparaten al elektronisch, bij de externe bestaan zowel conventionele als elektronische voorschakelapparaten. Door toepassing van een elektronisch voorschakelapparaat wordt een energiebesparing behaald van 20 tot 25 %. Zo n elektronisch voorschakelapparaat biedt nog een aantal voordelen ten opzichte van een conventioneel voorschakelapparaat: De levensduur van de lampen verlengt, waardoor het aantal af te voeren lampen, het aantal nieuwe lampen en de personeelskosten voor de vervanging van de lampen verminderen. De vermindering van de lichtopbrengst van de lampen in functie van de ouderdom is kleiner. Het comfort verbetert door de afwezigheid van flikkerende lampen of hinderlijk zoemende voorschakelapparaten. De fluorescentielampen geven een hogere lichtstroom. 7 De Europese richtlijn 2000/55/EG verdeelt de voorschakelapparaten voor fluorescentielampen in zeven energie-efficiëntieklassen (A1, A2, A3, B1, B2, C en D). De klassen C en D zijn ondertussen verboden. De elektronische voorschakelapparaten 8 bestaan enkel in de klassen A1 (tevens de energiezuinigste klasse), A2 en A3. Lampen met een extern elektronisch voorschakelapparaat kunnen gebruikt worden in combinatie met een bewegingsmelder of sensor. Wanneer dit extern elektronisch voorschakelapparaat van het type A1 is, kan dit ook in combinatie met een dimmer. Wanneer lampen met een intern elektronisch voorschakelapparaat gebruikt kunnen worden in combinatie met een bewegingsmelder of sensor of dimmer, dient dit expliciet op de verpakking vermeld te zijn. 2.1.2 Levensduur Een langere levensduur zorgt ervoor dat lampen minder snel vervangen moeten worden, dat er minder lampen verbruikt worden en dat er minder afval geproduceerd wordt. Naast de levensduur van de lamp is ook de handhaving van de initiële lichtstroom belangrijk. De lamp moet gedurende voldoende lange tijd nog voldoende licht geven, anders moet ze voortijdig vervangen worden. De levensduur van een lamp wordt uitgedrukt in uren. Gemiddeld rekent men dat een lamp 1.000 uren per jaar brandt. Onder de levensduur wordt verstaan: de werkingsperiode waarna het deel van het totale aantal lampen dat blijft werken overeenstemt met de lampoverlevingsfactor onder bepaalde omstandigheden en bij wisselende frequenties. Fluorescentielampen 7 http://eur-lex.europa.eu/lexuriserv/lexuriserv.do?uri=oj:l:2000:279:0033:0038:nl:pdf 8 De energie-efficiëntieklassen werden opgesteld door CELMA, De Europese Federatie van de Nationale Vakverenigingen voor fabrikanten van armaturen en controleapparatuur. 7

Fluorescentielampen gaan lang mee, al zijn er wel grote verschillen tussen de bestaande merken. De levensduur van fluorescentielampen, die steeds moet vermeld staan op de verpakking, wordt uitgedrukt in uren en bedraagt al snel 10.000 tot 20.000 uren (ter 9 info: traditionele gloeilampen hebben een gemiddelde levensduur van 1.000 uren). Als we spreken over levensduur bij fluorescentielampen, doen we dit met een failure rate van 10% (F10): een statistisch uitval van 10% (slechts 10 % van de lampen mogen een kortere levensduur hebben dan de in de technische documentatie opgegeven levensduur). In de uitgebreide criteria van de GPP (Green Public Procurement) staat dat de lineaire fluorescentielampen een levensduur van minimum 25.000 uren moeten hebben. De 10 stakeholders lieten weten dat zo n lamp die ook aan de overige criteria voldoet niet op de markt is. Daarom stellen we 20.000 uren voorop. 11 De meeste compacte fluorescentielampen op www.topten.be halen 15.000 uren, de E14 zelf 20 000 uren. In overleg met de stakeholders stellen we als criterium 15.000 uren. Voor de circulaire fluorescentielampen vragen we een levensduur van 12.000 uren. Ledlampen (retrofit) Ledlampen gaan over het algemeen langer mee dan fluorescentielampen. De levensduur van ledlampen wordt gedefinieerd als de brandtijd waarbij de lichtflux (de hoeveelheid licht die de lamp geeft) tot 70 % van de initiële waarde is teruggevallen (L70). De producenten zijn echter vrij om op de verpakking een levensduur bij andere L te vermelden. Voor ledlampen eist BBL op www.topten.be een minimale levensduur van 15.000 uren (L70). De meeste ledlampen op de Topten hebben een levensduur van 25.000 uren (L70) en meer. Uit een onderzoek in opdracht van SenterNovem (nu Agentschap NL) blijkt 12 echter dat er ledverlichting bestaat met een levensduur van 60.000 uren (L70). Het voorstel om 40.000 uren te eisen voor drie duimpjes en 25.000 voor twee duimpjes (cfr. vorige versie van het criteriadocument, 2009) is volgens onze stakeholders haalbaar. 2.1.4 Kwikgehalte Ledlampen/ledmodules bevatten geen kwik en zijn op dat vlak te verkiezen. Fluorescentielampen bevatten een kleine hoeveelheid kwik, essentieel bij de werking 13 14 ervan. De Europese RoHS richtlijn 2002/95/EC en Richtlijn 2011/65/EU laten het gebruik van kwik toe bij de productie van ontladingslampen, waartoe ook de fluorescentielampen behoren. Vanaf 31 december 2012 mag voor compacte fluorescentielampen nog maximum 2,5 mg kwik per lamp gebruikt worden. Voor lineaire 9 Brochure: Feiten en mythes rond spaarlampen, 2005. Groen Licht Vlaanderen met de steun van IWT Vlaanderen. Http://ingenieur.kahosl.be/projecten/groenlicht/spaarlampen.pdf 10 Stakeholderoverleg vond plaats op 15/01/2014 11 Topten.be is een website van BBL die de meest energiezuinige producten en diensten voor thuis en op kantoor bekend maakt. Deze site is niet afhankelijk van merken noch van de mode. 12 http://www.rvo.nl/sites/default/files/bijlagen/upgrade%20quick%20scan%20ledverlichting%20huishoudens %20%26%20utiliteitsbouw.pdf 13 http://eur-lex.europa.eu/lexuriserv/lexuriserv.do?uri=oj:l:2003:037:0019:0023:nl:pdf 14 http://eur-lex.europa.eu/lexuriserv/lexuriserv.do?uri=oj:l:2011:174:0088:0110:nl:pdf 8

fluorescentielampen is dit, afhankelijk van de lampdiameter, nog tussen 3 en 4 mg per lamp. Het Europees ecolabel legt op dat lampen met enkele fitting maximaal 1,5 mg kwik en lampen met een dubbele fitting (lineaire fluorescentielampen) maximaal 3 mg kwik mogen bevatten. De Europese milieubewegingen (coördinatie EEB) zijn van mening dat het maximale kwikgehalte van een milieuverantwoorde lamp van eender welk type slechts 1,5 mg zou mogen zijn, BBL volgt deze stelling. Het kwik komt niet vrij bij normaal gebruik van de lampen. Maar als de lamp breekt komt deze kleine hoeveelheid kwik wel vrij. Het is niet zichtbaar maar zorgt wel voor een verhoogde concentratie kwik in de lucht. De kwikconcentratie is niet zo hoog dat gezondheidsklachten te verwachten zijn. Toch is zorgvuldig opruimen en nadien langere tijd verluchten noodzakelijk om chronische blootstelling aan lage concentraties kwik te 15 voorkomen. Op dit moment bestaan er fluorescentielampen waarbij geen vloeibare kwik gebruikt wordt, maar kwikamalgamen. Kwikamalgaam is eigenlijk een vaste vorm van kwik, die niet verdampt, waardoor de gezondheidsrisico s bij breuk kleiner zijn. Er wordt wel iets meer kwik gebruikt, daarom stellen we hier als grens 2 mg pure kwik in het amalgaam. Verder hebben verschillende compacte fluorescentielampen een plastic omhulsel. Ook dit biedt bescherming tegen het vrijkomen van kwik bij een breuk. Om te voorkomen dat kwik na de levensduur van fluorescentielampen in de atmosfeer terecht komt, zijn producenten en invoerders in Europa verplicht om gebruikte fluorescentielampen terug te nemen en te recycleren. In België collecteert Recupel, sinds 2004, alle gasontladingslampen, dus ook de fluorescentielampen. Ook retrofit ledlampen worden door Recupel ingezameld. Bij de inzameling is het van belang dat de lampen niet gebroken zijn. Op die manier komt kwik ook op het einde van de levensduur van de lamp niet in de atmosfeer terecht. 2.1.5 Verpakking De milieu-impact van de verpakking van een lamp is minimaal ten opzichte van de milieu-impact van de lamp zelf. Daarom is het niet als criterium opgenomen op de Milieukoopwijzer. Uiteraard is een milieuvriendelijke verpakking te verkiezen. Lampen kunnen eenvoudigweg in een kartonnen doosje verpakt worden. Het karton is bij voorkeur gerecycleerd karton. Kartonnen verpakking is te verkiezen boven verpakking uit plastiek, of verpakking die uit gemengde materialen bestaat. 2.2 Klassieke armaturen Voor armaturen geldt minder is beter. Door de plaatsing van de armaturen aan te passen, kan in een ruimte vaak met een kleiner aantal armaturen eveneens de minimaal vereiste lichtsterkte gecreëerd worden. Bij grondige verbouwingen is het aan te raden om een bureau te contacteren voor een relightingstudie. 2.2.1 Geschikt voor fluorescentielampen of retrofit ledverlichting De armaturen moeten geschikt zijn voor het gebruik met lineaire, circulaire of compacte 15 Schriftelijke vraag Vlaams parlement, vraag nr. 205, 6 januari 2014 9

fluorescentielampen of retrofit ledlampen. 2.2.2 Verlichtingsrendement en stralingsprofiel De energie-efficiëntie van een verlichtingssysteem hangt mede af van het verlichtingsrendement η of de LOR (Light Output Ratio) van de armatuur. Het verlichtingsrendement is de verhouding tussen de hoeveelheid licht die door de armatuur wordt uitgestraald en de door de lampen uitgestraalde lichtstroom. Dit rendement hangt onder andere af van het materiaal van de armatuur en de hoeveelheid licht die erdoor geabsorbeerd wordt. Het rendement van de armatuur wordt uitgedrukt in %. Het rendement van de lampen en de armatuur kan verhoogd worden door gebruik te maken van goede spiegeloptiek, ook wel reflector genoemd. Hierdoor wordt het licht gereflecteerd en gestuurd in de richting waar de verlichting bedoeld is. Dit wordt weergegeven via het stralingsprofiel. In een stralingsprofiel wordt de lichtsterkte l weergegeven in de vorm van een polaire lichtsterkteverdeling. Deze wordt uitgedrukt in candela per 1000lm (cd/klm). Je kan hierin duidelijk zien hoeveel licht in welke richting verspreid wordt. Kies voor een armatuur die het licht zo gericht mogelijk stuurt daar waar het nodig is. Indirecte verlichting is minder efficiënt dan directe verlichting. Voor armaturen die zowel direct als indirect licht verspreiden, let men dan ook het beste op de parameter DLOR (down) die het rendement van het licht dat direct invalt op het te verlichten oppervlak weergeeft. De ULOR (up) is best zo klein mogelijk. Beiden samen geven in dit geval de LOR-waarde. Voor de reflector is het gebruik van materiaal met een hoge en weinig diffuse reflectie zoals aluminium aan te bevelen. Vaak bestaat de reflector in armaturen uit niets meer dan wit geverfd bladstaal. Een aanzienlijke hoeveelheid licht wordt hierdoor weerkaatst in optisch ongunstige richtingen en vervolgens geabsorbeerd binnenin de armatuur. Bovendien daalt de reflectiegraad van dergelijk geverfde materialen zeer snel. Toch bestaan vandaag ook witte coatings die gekenmerkt worden door een zeer hoge graad van reflectie. Aangezien ledverlichting meestal in een halve bol (hemisferisch) gericht licht verspreidt, wordt meestal geen spiegeloptiek gebruikt. Meestal wordt hier gebruik gemaakt van lenzen om het licht te sturen in een bepaalde stralingshoek. Naast het rendement en het stralingsprofiel van de armatuur, moeten ook storende, directe verblinding en hinderlijke weerkaatsing (bv. op computerschermen) vermeden worden. Wat de directe verblinding betreft, legt de norm EN 12464-1 voor werkplekverlichting in binnenruimten beperkingen op onder de vorm van een maximale UGR-waarde. UGR is een benaderend model dat de kans op directe verblinding door armaturen uitdrukt. Hoe hoger dit getal, hoe groter de kans op verblinding. Per armatuur kan een gestandaardiseerde tabel berekend worden met UGR waarden, met als parameters de afmetingen van het lokaal, de reflectiefactoren en de oriëntatie van de waarnemer in het lokaal. De maximumwaarde van de UGR-waarde is afhankelijk van de kamer waarin de 10

verlichting geplaatst wordt. Voor een typische kantoorruimte waar zaken als kopiëren, lezen, schrijven, typen, gegevens verwerken op pc gebeuren, mag de UGR-waarde maximaal 19 zijn. Wanneer er technisch tekenwerk gebeurt, mag dit maximaal 16 zijn. Aan de receptie of voor algemeen industrieel werk mag deze waarde iets hoger zijn met 16 een maximum van 22. In de technische fiche van een armatuur is een tabel opgenomen waarin deze UGR-waarden weergegeven zijn. Let er op dat de norm voor verlichting op de werkplek ten minste gerespecteerd wordt (EN 12464-1 voor werkplekverlichting in binnenruimten - zie http://www.ergonomiesite.be/arbeid/en12464.htm). Naast de directe verblinding moeten ook de piekluminanties beperkt worden. Piekluminanties zijn lichtspots in de reflector, veroorzaakt door weerkaatsingen van de lamp. Ze zijn niet alleen hinderlijk bij directe inkijk van de armatuur, maar ook bij beeldschermwerk. De meeste armaturen worden onderaan afgedekt met een diffuser (glazen/plastieken lens) of met een rooster respectievelijk om de verdeling van het licht te controleren, of om storende verblinding en hinderlijke weerkaatsing (bv. op computerschermen!) te vermijden. Deze mogen de lichtinval echter niet belemmeren of verstrooien. Plastieken diffusers zoals opaal of prismakappen zijn liefst te vermijden omdat zij gewoon een deel van het uitgestraalde licht absorberen, maar zijn soms nodig om de verblinding te beperken. Goed ontworpen armaturen combineren een goede afscherming tegen verblinding met slechts een gering verlies van de lichtstroom. 2.2.3 Gecombineerd met regelsystemen Regelsystemen kunnen energie helpen besparen doordat ze het licht doven of dimmen wanneer dit niet meer hoeft te branden of minder hard hoeft te branden. Deze regelsystemen werken op basis van tijdscenario s, daglicht- of afwezigheidsdetectie. Armaturen die combineerbaar zijn met een dergelijk regelsysteem of waarin een regelsysteem met dimbare ballast in geïntegreerd zit, verdienen de voorkeur. Let hierbij wel op het sluipverbruik van dergelijke regelsystemen. 2.2.4 Materiaalkeuze Bij voorkeur is de armatuur opgebouwd uit gerecycleerde materialen. Aangezien het er naar uitziet dat deze nog niet op de markt zijn, hebben we hier nog geen criterium van gemaakt. 2.3 Vervangbare en vaste ledmodule (inclusief armatuur) Bij vervangbare en vaste ledmodules vormt de lamp en de armatuur een geheel, waardoor een ander criteriaset van toepassing is dan voorgaande. 16 Code van goede praktijk voor binnenverlichting. Referentiedocument als aanvulling op de NBN EN 12464-1 norm 11

2.3.1 Energie-efficiëntie Momenteel (anno eind 2013) dragen de meest zuinige ledmodules op de Belgische markt een A++ label. Voor drie duimpjes eisen we dan momentdeel ook een energielabel A++. Aangezien de lichttechnologie snel evolueert, zullen we dit criterium aanpassen naar een hogere klassen, van zodra er lampen van drie verschillende producenten van deze hogere energieklasse op de markt zijn. 2.3.2 Levensduur Bij ledmodules loopt de levensduur van de lichtbron op tot 50 000 uren bij een lumenbehoud van minstens 70%. In dat geval zal de armatuur rapper uit de mode of versleten zijn dan de lichtbron zelf. 2.3.3 Verlichtingsrendement Bij ledmodules is een LOR van 100% mogelijk, wat logisch is als de armatuur rond een ledmodule gebouwd wordt er zijn namelijk geen losse onderdelen in een led armatuur. Het verlichtingsrendement wordt daarom aangegeven via de LER (Luminaire Efficacy Rate), uitgedrukt in lm/w. De best gehaalde waarden voor LER zijn nu ca. 100 lm/w, dit is onze eis voor drie duimpjes. 2.3.3 Gecombineerd met regelsystemen Regelsystemen kunnen energie helpen besparen doordat ze het licht doven of dimmen wanneer dit niet meer hoeft te branden of minder hard hoeft te branden. Deze regelsystemen werken op basis van tijdscenario s, daglicht- of afwezigheidsdetectie. Een ledmodule is bij voorkeur dimbaar. 2.3.4 Vervangbare onderdelen demonteerbaar Per definitie kan in een vervangbare ledmodule één (van de vele) led die zou kapot gaan, vervangen worden. Een ledmodule is opgebouwd uit diverse elementen. Bij voorkeur zijn de andere onderdelen van de ledmodule (de driver en het laagje fosfor) eveneens vervangbaar. Indien de ledmodule uit vervangbare onderdelen bestaat, kan er aan materiaalreductie gewerkt worden. Bovendien laat dit ook toe om na enkele jaren de leds te vervangen door performantere leds. Daarom waardeert de Milieukoopwijzer deze vervangbare ledmodules hoger op milieuvlak. Bij vaste ledmodules (op een printplaat) moet de volledige armatuur weggegooid worden als één of meerdere led zou kapot gaan. Dit is een milieunadeel. Ook al doet dit zich niet vaak voor, blijft de vervangbaarheid een milieuvoordeel. 2.3.5 Demonteerbaar Nadat de ledmodule volledig is afgeschreven, is de mate van demonteerbaarheid bepalend voor de recycleerbaarheid van de diverse elementen. In eerste instantie moet de elektronica (o.a. driver) kunnen gescheiden worden van de andere materialen (aluminium, kunststof ). 2.2.6 Materiaalkeuze 12

Bij voorkeur is de ledmodule opgebouwd uit gerecycleerde materialen. Aangezien het er naar uitziet dat deze nog niet op de markt zijn, hebben we hier nog geen criterium van gemaakt. 2.4 Regelsystemen Een belangrijke energiebesparende maatregel is het uitschakelen van de verlichting wanneer deze niet meer nodig is, bijvoorbeeld wanneer de verlichte ruimte wordt verlaten of wanneer er voldoende daglicht aanwezig is. Dit regelen van de verlichting kan handmatig en/of elektronisch en bestaat uit het dimmen en/of aan-/uitschakelen van de verlichting. Enkel elektronische regelsystemen komen hier aan bod. Dergelijke regelsystemen laten toe om gemiddeld 20-40 % energie te besparen. Er zijn zelf al projecten bekend waar een besparing van 75% werd gerealiseerd. Er zijn verschillende elektronische regelsystemen mogelijk: Het daglichtafhankelijk systeem bepaalt aan de hand van het binnenvallend daglicht of extra verlichting noodzakelijk is en stemt hier zelf de verlichtingssterkte op af. Verlichting kan zowel aan- en uitgeschakeld als traploos geregeld (bv. via dimmers of voorschakelapparatuur) worden. Het aanwezigheidssysteem detecteert beweging in de ruimte en schakelt de verlichting bij aanwezigheid aan en schakelt na het verlaten van de ruimte weer automatisch uit. Nog beter is het aanbrengen van een afwezigheidsschakeling. Met andere woorden als in een ruimte gedurende een bepaalde (instelbare) tijd niemand aanwezig is, gaat de verlichting automatisch uit. De verlichting moet dus handmatig ingeschakeld worden bij binnenkomst. Het voordeel boven aanwezigheidsschakeling is dat de verlichting niet automatisch aangaat terwijl er reeds voldoende zonlicht aanwezig is. Een tijdschakelklok kan worden toegepast om de verlichting uit te schakelen als hier geen behoefte aan is. De schakelaar kan gekoppeld zijn aan een armatuur, aan de verlichting in een ruimte of aan de verlichting van het gehele gebouw. Om dergelijke systemen op te zetten maakt men gebruik van volgende technische hulpmiddelen of een combinatie daarvan: Tijdschakelklok Aanwezigheids- of bewegingsdetector per armatuur of per ruimte (bijv. gebaseerd op het passief infrarood principe). Lichtsensoren. Er zijn lichtsensoren voor meting op één of meer centrale punten in een gebouw en voor lokale toepassingen. Systemen waarbij de sensor is ingebouwd in de verlichtingsarmaturen bieden de meest directe en op de situatie afgestemde mogelijkheden. Er zijn sensoren beschikbaar die in armaturen zijn aangebracht en systemen waarbij de sensor met behulp van een speciale beugel op de lamp is bevestigd. Bij indirecte lichtmeting wordt de verlichtingssterkte door lichtreflectie van het daglicht en kunstlicht op het werkoppervlak gemeten. Een ander type lichtsensor wordt dicht bij het venster geplaatst en meet de luminantie van het daglicht. Op basis van deze meting varieert de lichtstroom van de armaturen op basis van een vooraf ingestelde verlichtingssterkte. Combinatie van aanwezigheidsdetector en daglichtsensor 13

Stuursysteem voor veegpuls. Op een ingestelde tijd (bijvoorbeeld bij aanvang van de pauze) wordt alle verlichting even 'gereset' (=uitgeschakeld) door een veegpuls op het stroomnet. Als er nog ergens personen aanwezig zijn, moeten ze handmatig opnieuw de verlichting aan doen. Elektronische voorschakelapparaten met specifieke eigenschappen (vb. dimbaar, met analoge sturing, of via een gestandaardiseerd digitaal protocol voor lichtsturing ). Control units, of stuureenheden, deze verzamelen de gewenste informatie door middel van sensoren/detectoren en vertalen deze informatie in een aangepaste aansturing voor de verlichtingsarmaturen in de betreffende ruimte(s). Het nadeel van regelsystemen is dat ze een sluipverbruik hebben. Zowel de sensoren als de controllers dragen hiertoe bij. Er zijn sensoren die zeer weinig verbruiken (2-12mA) zoals passief infraroodsensoren en je hebt er die tot 30-40mA vragen zoals US. Verder blijven sommige DALI ballasten continu onder spanning staan (is ook beter voor het systeem). Deze verbruiken typisch 2mA. En daarnaast heb je natuurlijk de control units die kunnen gaan van zeer kleine eenheden tot volledige computers met typische verbruiken tussen de 80 en 200W. De markten van LED en van lichtregelsystemen zijn nog relatief nieuw, maar ze zijn vooral volop in verandering waardoor het moeilijk wordt om goed te kiezen. Bijgevolg zijn hier nog geen criteria voor opgesteld. Een voordeel van dimbare systemen is dat de lampen minder snel verslijten. Let er wel op dat u hier voor lampen kiest die speciaal hiervoor geschikt zijn. Dit dient uitdrukkelijk op de verpakking vermeld te staan (Europese verordening EG 244/2009). Zorg er voor dat het dimsysteem past bij de lamp: de elektronica in ledlampen is niet afgestemd op halogeendimmers waardoor de ledlampen kunnen gaan flikkeren, of zelfs kapot gaan. Voor ledlampen bestaan er verschillende types dimmers: let er hier dus ook op dat u een 17 geschikte lamp koopt. Systemen die aan-/uitschakelen hebben geen sluipverbruik. Let er echter op dat u lampen koopt waarvan de levensduur niet beïnvloed wordt door het aantal in- en uitschakelingen. Want bij fluorescentielampen kan het veelvuldig aan- en uitschakelen 18 van lampen de levensduur verkorten. Ledlampen zijn daar veel minder gevoelig aan. Het soort regelsysteem en de technische hulpmiddelen die nodig zijn, is afhankelijk van de plaats waar het gebruikt zal worden en de vereiste toepassing. Welk systeem de voorkeur verdient, moet dus per situatie nagegaan worden. Waar mogelijk is het gebruik van een afwezigheidsschakeling aan te raden. Er bestaan lokale en centrale regelsystemen. Er is nog onvoldoende informatie hierover om een voorkeur te geven aan één van deze systemen. 3. Rangorde 17 http://www.huisvolenergie.nl/blogs/het dimmen van led/ (16/12/2013) 18 http://www.energiesparen.be/node/2014 (16/12.2013) 14

Voorafgaande opmerking: Voor de criteria voor één duimpje ( ) volgt de Milieukoopwijzer de minimumcriteria zoals die geformuleerd worden door de verschillende overheden (Vlaams en federaal). Voor verlichting werden echter nog geen criteria geformuleerd door de federale of Vlaamse overheid, bijgevolg konden nog geen criteria geformuleerd worden. Fluorescentielampen Er zijn geen criteria. Deze lampen kunnen nooit drie duimpjes krijgen. Energielabel: min. A+ Levensduur: Compacte: min. 15 000 uren bij failure rate F10. Lineaire: min. 20 000 uren bij failure rate F10. Circulaire: min. 12 000 uren bij failure rate F10. Voorschakelapparaat Extern & elektronisch Energie-efficiëntieklasse: min. A1 (indien dimbaar); min. A2 (indien niet dimbaar) Kwik: max. 1,5 mg (vloeibaar), max. 2 mg (kwik in een amalgaam) Geen criteria. De federale noch de Vlaamse overheid hebben milieusparend aankoopadvies inzake verlichting. Retrofit ledlampen 15

Energielabel: min. A+ Levensduur: min. 40 000 uren met lichtbehoud van 70 % van de initiële lichtstroom (L70) Energielabel: min. A Levensduur: min. 25 000 uren met lichtbehoud van 70 % van de initiële lichtstroom (L70) Geen criteria. De federale noch de Vlaamse overheid hebben milieusparend aankoopadvies inzake verlichting. Klassieke armaturen De armatuur is geschikt voor het gebruik met lineaire, circulaire of compacte fluorescentielampen of retrofit ledlampen. De armatuur beschikt over een dimsysteem of is combineerbaar met een dimsysteem. Rendement van de armatuur: LOR (η) > 80 % (muv T5 lampen) Bij gebruik T5 lampen: LOR (η) > 90 % De armatuur is geschikt voor het gebruik met lineaire, circulaire of compacte fluorescentielampen of retrofit ledlampen. Rendement van de armatuur: LOR (η) > 80 % (muv T5 lampen) Bij gebruik T5 lampen: LOR (η) > 90 % Geen criteria. De federale noch de Vlaamse overheid hebben milieusparend aankoopadvies inzake verlichting. Vaste en vervangbare ledmodules (inclusief armatuur) 16

Energielabel: Min. A++ OF Energielabel: A+ indien de leds vervangbaar zijn De ledmodule beschikt over een dimsysteem of is combineerbaar met een dimsysteem. De armatuur kan na gebruik gedemonteerd worden (elektronica van de rest) Rendement: LER >100 lm/w Levensduur: min. 50 000 uren met lichtbehoud van 70 % van de initiële lichtstroom (L70) Energielabel: min. A+ De armatuur kan na gebruik gedemonteerd worden (elektronica van de rest) Rendement: LER >75 lm/w Levensduur: min. 50 000 uren met lichtbehoud van 70 % van de initiële lichtstroom (L70) Geen criteria. De federale noch de Vlaamse overheid hebben milieusparend aankoopadvies inzake verlichting. Regelsystemen Regelsystemen die werken met behulp van een afwezigheidsschakelaar in combinatie met daglichtregeling. Regelsystemen die werken met daglichtregeling in combinatie met minstens één van onderstaande systemen: aanwezigheidsschakeling tijdschakelklok. 17

Geen criteria. De federale noch de Vlaamse overheid hebben milieusparend aankoopadvies inzake verlichting. 4. Tips voor aankopers Verpakking: Kies voor een verpakking uit één grondstof, bij voorkeur gerecycleerd karton. Metaalhalidelampen worden niet op de Milieukoopwijzer opgenomen (zie bereik), ondanks dat ze een energiezuinig alternatief kunnen zijn. De best beschikbare technologie die voor metaalhalidelampen op dit moment op de markt is, zijn 19 lampen met 80lm/Watt. Deze lampen geven een zeer wit licht en zijn bijgevolg bijzonder goed geschikt voor de vervanging van halogeenspots in winkels, etalages, tentoonstellingsruimtes, accentverlichting Het plaatsen van metaalhalidelampen vraagt echter wel nieuwe armaturen. Bovendien moeten 20 metaalhalidelampen niet aan de RoHS-richtlijn voldoen en ook het kwikgehalte moet niet vermeld worden. Voor de technologie van metaalhalidelampen zou meer kwik nodig zijn, vaak zelfs meer dan 5,0 mg. Enkele andere belangrijke gebreken van metaalhalidelampen: Het duurt een tijd vooraleer zij 100% licht geven Er is een wachttijd (afkoeling) nodig tussen twee inschakelingen Het minimum vermogen is relatief hoog Ze zijn niet dimbaar Binnen de ledverlichting zijn er momenteel ook zogenaamde ledtubes of ledbuizen op de markt. Het totale energierendement en de lichtverspreiding van elke installatie met dergelijke lampen wordt bepaald door het ontwerp van de installatie. Zo n ledlamp kan pas een vervanging vormen voor een fluorescentielamp zonder geïntegreerde ballast van een bepaald vermogen op voorwaarde dat: - de lichtsterkte in elke richting rond de as van de buis niet meer dan 25% van de gemiddelde lichtsterkte rond de buis afwijkt, en - de lichtstroom van de ledlamp niet kleiner is dan de lichtstroom van de fluorescentielamp van het beweerde vermogen. - het vermogen van de ledlamp niet groter is dan het vermogen van de 21 fluorescentielamp die deze vervangt. Houd bij aankoop van een ledtube of ledbuis rekening dat die niet zomaar past op de armatuur van een lineaire fluorescentielamp. Let er bij de aanschaf van 19 http://eur-lex.europa.eu/lexuriserv/lexuriserv.do?uri=oj:l:2009:076:0017:0044:nl:pdf 20 De RoHS-richtlijn beperkt het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen waaronder kwik in elektrische en elektronische apparaten 21 Verordenng (EU) Nr. 1194/2012 van de commissie van 12 december 2012, punt 3.2. 18

fluorescentielampen goed op dat u de speciaal voor deze toepassingen geschikte fluorescentielampen koopt: Voor lampen die vaak aan- en uitgeschakeld dienen te worden, bv. in trappenhallen of die werken met een bewegingssensor of lichtsensor, worden best geen klassieke fluorescentielampen gebruikt. Dit verkort immers hun levensduur aanzienlijk. Ook voor fluorescentielampen die versneld opstarten geldt dat deze de levensduur van de klassieke fluorescentielampen niet bereiken. Klassieke fluorescentielampen kunnen niet gebruikt worden in combinatie met een gewone dimmer. Als de spanning te laag wordt, zal de lamp immers gaan flikkeren. Hierdoor neemt de levensduur van de lamp snel af. Verkies bij aankoop van fluorescentielampen voor een lamp met een plastic omhulsel. Dit biedt bescherming tegen het vrij komen van kwik bij een breuk. Voor armaturen geldt minder is beter. Door de plaatsing van de armaturen aan te passen, kan in een ruimte vaak met een kleiner aantal armaturen eveneens de minimaal vereiste lichtsterkte gecreëerd worden. Bij grondige verbouwingen is het aan te raden om een bureau te contacteren voor een relightingstudie. Op de verpakking en op de website moet de producent verplicht heel wat informatie vermelden die u als klant kan gebruiken om makkelijker uw keuze te 22 maken : Energieverbruik (energielabel) Vermogen (Watt) Lichtstroom (lumen) Levensduur (uren) Aantal schakelcycli voor voortijdig lampdefect Kleurtemperatuur Opwarmingstijd tot 60 % van de volledige lichtopbrengst Waarschuwing dimmen (of niet) Indien ontworpen voor optimaal gebruik in niet-standaard omstandigheden Afmetingen Bij kwik: Kwikgehalte (mg) Bij kwik: Aanduiding welke website dient geraadpleegd te worden voor info over het opruimen van brokstukken En op de website moet naast de informatie die op de verpakking staat ook nog volgende bijkomende informatie te staan: Opgegeven vermogen Opgegeven lichtstroom Opgegeven levensduur Lampvermogen/arbeidsfactor Lumenbehoudfactor Ontbrandingstijd Kleurweergave Bij kwik: instructies opruimen brokstukken Bij kwik: aanbevelingen over verwijdering bij einde levensduur 22 Verordening (EU) Nr. 1194/2012 van de commissie van 12 december 2012 19

5. Bronnen 1. Verordening (EU) Nr. 1194/2012 van de commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor gerichte lampen, ledlampen en gerelateerde uitrusting betreft. 2. Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 874/2012 van de commissie van 12 juli 2012 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van elektrische lampen en verlichtingsarmaturen. 3. Verordening (EG) Nr. 244/2009 van de commissie van 18 maart 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor niet-gerichte lampen voor huishoudelijk gebruik. 4. Verordening (EU) Nr. 347/2010 van de commissie van 21 april 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 245/2009 van de Commissie betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp voor fluorescentielampen zonder ingebouwd voorschakelapparaat, voor hogedrukgasontladingslampen en voor voorschakelapparaten en armaturen die deze lampen kunnen laten branden. 5. Verordening (EG) Nr. 245/2009 vna de commissie van 18 maart 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp voor fluorescentielampen zonder ingebouwd voorschakelapparaat, voor hogedrukgasontladingslampen en voor voorschakelapparaten en armaturen die deze lampen kunnen laten branden. 6. Besluit van de commissie van 6 juni 2011 tot vaststelling vna de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor lichtbronnen. 7. Richtlijn 2011/65/EU Van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur. 8. Preparatory Studies for Eco-design Requirements of EuPs: Final report Lot 19: Domestic Lighting, oktober 2009 9. Richtlijn 98/11/EG van de Commissie van 27 januari 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 92/75/EEG van de Raad wat de etikettering van het energieverbruik van lampen voor huishoudelijk gebruik betreft 10. Brochure Led s toegelicht, 2009. Groen Licht Vlaanderen met de steun van IWT Vlaanderen. http://ingenieur.kahosl.be/projecten/licht/downloads/groenlichtvlaanderen/folders /LEDs_toegelicht_Groen_Licht_Vlaanderen.pdf 11. Brochure: Feiten en Mythes rond spaarlampen, 2005. Groen Licht Vlaanderen met de steun van IWT Vlaanderen http://ingenieur.kahosl.be/projecten/groenlicht/spaarlampen.pdf Rapport upgrade Quick scan ledverlichtinging huishoudens en utiliteitsbouw in opdracht van Senternovem, nov. 2009. 12. Richtlijn 2002/95/EC van het Europees parlement en de raad van 27 januari 2003 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur. 13. Preparatory Studies for Eco-design Requirements of EuPs: Final report Lot 19: Domestic Lighting, oktober 2009. 20

14. Dossier, 2009, WWF, NBV, Greenpeace Belgium, Ecolife vzw en BBL, De spaarlamp: een gezonde oplossing? 15. O.a. Montani, (M.) & Cesarei (G.), 2009, Study for the copying and graphic paper criteria revision EU ecolabel. 16. Code van goede praktijk voor binnenverlichting. Referentiedocument als aanvulling op de NBN EN 12464-1 norm 17. Schriftelijke vraag Vlaams parlement, vraag nr. 205, 6 januari 2014 18. http://www.ergonomiesite.be/arbeid/en12464.htm (geraadpleegd in maart 2014) 19. www.energiesparen.be (geraadpleegd in januari 2014) 20. www.topten.be (geraadpleegd in januari 2014) 21. http://www.huisvolenergie.nl/blogs/het-dimmen-van-led/ (geraadpleegd in januari 2014) 22. http://www.energiesparen.be/node/2014 (geraadpleegd in januari 2014) 23. http://www.valosto.com/tiedostot/8.celma_elc_led_forum_lb_2010_peter_b ESTING_LED_modules.pdf (geraadpleegd in januari 2014) De Milieukoopwijzer De Milieukoopwijzer wijst grootgebruikers de weg naar duurzame producten en diensten, en dit voor negen productgroepen. Iedere productgroep heeft criteria en een rangorde op drie niveaus. Het onderscheid tussen de ambitieniveaus wordt aan de hand van duimpjes weergegeven (één, twee en drie duimpjes). De criteria worden volgens een cyclus van drie jaar herbekeken. Bij de herziening vormen de voorliggende criteria steeds de basis. De bedoeling van de herziening is tweeërlei: Rekening houden met nieuwe ontwikkelingen en actuele informatie die van belang is voor de inhoud van de criteria. Knelpunten oplossen. Een belangrijk knelpunt heeft veelal betrekking op de complexiteit om aan te tonen dat aan de criteria wordt voldaan. De criteria moeten zowel voor BBL als voor de leverancier of producent eenvoudig te controleren zijn. In de loop van de jaren ontstonden instrumenten waarvan gebruik kan worden gemaakt (bv. ontwikkelingen m.b.t. milieulabels, vrijwillige initiatieven van de sector). Bij een herziening wordt bekeken in welke mate de Milieukoopwijzer hiermee rekening kan houden en eventueel kan verwijzen naar dergelijke instrumenten. We vragen stakeholders vooraf om input te geven voor de herziening en toetsen een eerste voorstel van nieuwe criteria af met hen via een stakeholderconsultatie. De criteria om één duim te krijgen, zijn de milieucriteria van de federale en/of de Vlaamse overheid. Hiermee willen we bijdragen aan de vergroening van de overheidsaankopen. Indien de overheden nog geen criteria opstelden, zijn er geen criteria voor dit niveau. De Milieukoopwijzer bouwt verder op deze milieucriteria voor de criteria voor twee duimpjes: hier gelden strengere en/of bijkomende criteria. De strengste criteria gelden voor de drie duimpjes. Enkel de producten van de koplopers 21

voldoen hieraan. Na de inhoudelijke herziening wordt de databank met product- en leveranciersgegevens aangepast. Het hele proces van herziening van criteria tot en met de update van de databank van producten en leveranciers neemt ongeveer een jaar in beslag. De Milieukoopwijzer is een product van de Bond Beter Leefmilieu, in opdracht van de Vlaamse overheid. en de Vlaamse overheid. De Milieukoopwijzer, Tweekerkenstraat 47 1000 Brussel Office: +32(0)2 282.17.31 Fax +32 (0)2 230.53.89 info@milieukoopwijzer.be Websites: www.milieukoopwijzer.be 22