LASTENBOEKBESCHRIJVING *

Vergelijkbare documenten
MD644 Conventionele brandmeldcentrale Lastenboekbeschrijving

LASTENBOEKBESCHRIJVING *

Gebruikershandleiding Brandmeldcentrale MD 640

GEBRUIKERSHANDLEIDING

MD300 Conventionele brandmeldcentrale Lastenboekbeschrijving

Gebruikershandleiding Brandmeldcentrale MD 644

Gebruikershandleiding Brandmeldcentrale MD 400

HANDLEIDING VOOR DE GEBRUIKER

MD2000 HERHAALBORD GEBRUIKERSHANDLEIDING

MD741 GASDETECTIECENTRALE MET 1 ZONE

Gebruikershandleiding Brandmeldcentrale MD 400. ELVA Security Puurs

MD 100. Modulaire klassieke Brandmeldcentrale. Beknopte beschrijving

Gebruikershandleiding

HANDLEIDING VOOR DE GEBRUIKER

Gebruikershandleiding Brandmeldcentrale MD 100

MD2400 Analoog, adresseerbare brandmeldcentrale Lastenboekbeschrijving

LASTENBOEKBESCHRIJVING

Gebruikershandleiding Brandmeldcentrale MD ELVA Security Puurs

MD6140 BLUSCENTRALE HANDLEIDING

LASTENBOEKBESCHRIJVING *

MD780 Gas- & CO-detectie Lastenboekbeschrijving

INSTALLATIEHANDLEIDING

De indienststelling van een nieuwe centrale dient door Argina of een door Argina opgeleid persoon te worden uitgevoerd.

MD744 GASDETECTIECENTRALE MET 4 ZONES GEBRUIKERSHANDLEIDING

MD770 Analoog, adresseerbare gas- & CO-detectiecentrale Lastenboekbeschrijving

FP400-serie. Klassieke microprocessorgestuurde brandmeld- en detectiepanelen. Gebruikershandleiding

TEXECOM Vocale Telefoonkiezer Installatie- & programmatiehandleiding

Hieronder volgt een voorbeeld van een detectorlijst, deze lijst moet in digitaal formaat aan STB Security bezorgt worden voor de indienststelling.

MD751 CO-detectiecentrale Gebruikershandleiding

LASTENBOEKBESCHRIJVING *

BEDIENINGSINSTRUCTIES

De indienststelling van een nieuwe centrale dient door Argina of een door Argina opgeleid persoon te worden uitgevoerd.

Algemeen... blz 2. Blokschema... blz 2. Beschrijving besturingseenheid type blz 2 en 3

Gebruikershandleiding

BRANDCENTRALE GMC+ ARGINA TECHNICS

INSTALLATIE INSTRUCTIES Alleen geschikt als permanente installatie, onderdelen genoemd in de handleiding kunnen niet buiten gemonteerd worden.

Kanaalrookdetectoren, SR-K-.. Omschrijving

Gebruikershandleiding. Bluscentrale MD ELVA Security Puurs

De nieuwe regel voor branddetectie DTD S Inhoudelijke verschillen


Bedieningshandleiding FC 10/4 1zone

HANDLEIDING CIFERO XT CODEKLAVIER

Bedieningshandleiding FC10 FC10-02 A FC10-04 A FC10-08 A FC10-12 A. Fire & Security Products. Siemens Building Technologies

Conventionele Brandmeldcentrale ALPHA 4/8/12

Gebruikershandleiding

HANDLEIDING VOOR DE GEBRUIKER

BDS-001, besturing voor handbediende schuifdeuren

Bestelnummer: : Opbouw drukknop gebroken wit met sleutelsymbool.

VERZEKERAARSVOORSCHRIFTEN VOOR DE INSTALLATIE VAN AUTOMATISCHE BRANDDETECTIESYSTEMEN

Idee, ontwerp en realisatie : Marc Van den Schoor. PICAXE-18M2+Rotor speed controller V1 Manual.docx pagina 1 van 7

Bedieningshandleiding FC 1004 E

MotorControl gebruiksaanwijzing V3 vanaf softwareversie 2.0e

BEDIENINGSINSTRUCTIE BLUSCENTRALE TYPE 8010

De indienststelling van een nieuwe centrale dient door Argina of een door Argina opgeleid persoon te worden uitgevoerd.

ELVA Security

NBN S en 2 Een nieuwe aanpak van branddetectie

Syncro AS. Analoge Brandmeldcentrale. Gebruikershandleiding. Man V1.0NL

Bedieningshandleiding FC 1008 E

PROGRAMMEERBARE TEMPERATUUR DETECTOR TD-1_NL 07/11

Brandbeveiliging met Wi-Safe 2 technologie

GOEDGEKEURDE LUSGEVOEDE ALARMGEVERKAART MET ISOLATIE-EENHEDEN EN BEWAAKTE EVACUATIE-INGANG

COMPACT GEBRUIKERSHANDLEIDING

Technische handleiding Versie 01/11 SERVER-CONTROL

Brandmeldcentrale BMC-V

Gebruikershandleiding

HANDLEIDING VOOR DE GEBRUIKER

TECHNISCHE NOTA. ALGEMEEN Technische kenmerken voor de batterijen op CE-CPD gecertificeerde centrales voor branddetectie

PACK TYXIA 541 et 546

HANDLEIDING: BUITEN BEWEGINGSMELDER

GOEDGEKEURDE LUSGEVOEDE ALARMGEVERKAART MET BEWAAKTE EVACUATIE-INGANG EN ISOLATIE-EENHEDEN

GECODEERDE FOTOCELLEN IR/IT 2241

CENTRALE CONVENTIONELE GASDETECTIE G8

Toonaangevend in veiligheid. Detect De juiste mensen op de juiste plek

U heeft zowel een AudioCast Zender als een AudioCast Ontvanger nodig om een compleet SoundCast AudioCast systeem te vormen!

DRAADLOZE ROOK EN HITTE DETECTOR MSD300_NL 03/12

BRANDCENTRALE GMC+ ARGINA TECHNICS

Beknopte handleiding NF3000 INHOUDSOPGAVE

Gebruikershandleiding

PDM-8-MB POM (VOEDING OVER MODBUS) Montage & gebruiksvoorschriften

BRANDMELDCENTRALE TYPE 8000X

De beste Technologie voor uw Veiligheid

HANDLEIDING WINDMETER IED SAG-105WR (10/2009)

GEBRUIKERSHANDLEIDING

MD770 Analoog, adresseerbare gas- & CO-detectiecentrale Gebruikershandleiding

NP GEBRUIKERS HANDLEIDING BRANDMELDCENTRALE BMC-708

GA-1 Alarmtoestel vetafscheider Installatie- en bedieningsinstructies

Codeerschakelapparaat GIRA

Tinyserir-RC5. Datasheet. Tinyserir-RC5 Page: 1 of 8

27/03/2014. GSM102 2 relais GSM OPENER PROGRAMMATIE HANDLEIDING

Leveren en plaatsen van een waterlekdetektie systeem TraceTek.

Inhoudsopgave. Handleiding: MC v2.0a. Pagina - 1 -

Brandmeldcentrale BMC M12

Domotica in drie stappen: Systeem omschrijving: DDNET:

MD300 Conventionele brandmeldcentrale Gebruikershandleiding

Syncro. Multi-loop Analoog adresseerbaar Brandmeldpaneel. Gebruikershandleiding. Issue 27 Feb fnv1.1. Product Manuals/Man-1057 Syncro User

GPRS-A. Universele monitoringsmodule. Quick start. De volledige handleiding is verkrijgbaar op Firmware versie 1.00 gprs-a_sii_nl 02/18

BLUSCENTRALE TYPE BMC 8010

Melding, Waarschuwing & Alarm

KEYSTONE. OM8 - EPI 2 AS-Interface module Handleiding voor installatie en onderhoud.

CS series LED-gebruikersgids

Transcriptie:

LASTENBOEKBESCHRIJVING * MD644 centrale voor branddetectie * op aanvraag beschikbaar in Word formaat 01-07-2017 LIMOTEC bvba Bosstraat 21 B 8570 Vichte Tel +32 (0) 56 650 660 www.limotec.be 1

1 INHOUD 2 ALGEMEEN... 3 3 DE CENTRALE VOOR BRANDDETECTIE... 3 3.1 OPBOUW VAN DE CENTRALE... 3 3.2 BEDIENING VAN DE CENTRALE... 4 3.3 VISUELE AANDUIDINGEN OP DE CENTRALE... 4 3.3.1 VISUELE AANDUIDINGEN PER LUS... 4 3.3.2 ALGEMENE VISUELE AANDUIDINGEN... 4 3.4 INGANGEN & UITGANGEN OP DE CENTRALE... 5 3.4.1 ALGEMENE UITGANGEN... 5 3.4.2 UITGANGEN PER CIRCUIT... 5 3.4.3 ALGEMENE INGANGEN... 5 3.5 VOEDING EN NOODVOEDING... 5 4 HET HERHAALBORD... 6 5 TELEFOONKIEZER... 6 6 AUTOMATISCHE DETECTOREN... 7 6.1 OPTISCHE ROOKDETECTOR... 7 6.2 THERMISCHE DETECTOR... 7 6.3 MULTISENSOR DETECTOR... 8 7 HANDBRANDMELDERS... 8 8 ACOUSTISCHE ALARMMIDDELEN... 9 9 AFSTANDSINDICATOR... 9 10 DEURMAGNETEN... 10 11 BEKABELING EN AANSLUITINGEN... 10 12 IN BEDRIJFSTELLING... 11 13 OPLEIDING GEBRUIKER... 11 14 OPLEVERING... 12 2

2 ALGEMEEN De huidige aanneming omvat de levering, de plaatsing en de indienststelling van een automatische branddetectie installatie die voldoet aan de hierna beschreven voorschriften. Bijkomend dient de installatie te worden uitgevoerd conform: De voorschriften van de lokale brandweer Het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (A.R.E.I.) Het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming (A.R.A.B.) De Belgische Norm NBN S 21-100-1 en NBN S21-100-2 Het hierna beschreven systeem is een conventioneel detectiesysteem met lussen, dit is een systeem met identificatie van de lus. De brandcentrale en de aangesloten branddetectoren dienen op datum van aanbesteding BOSEC gecertificeerd te zijn. De voorgestelde installatie zal de aangeduide lokalen permanent bewaken tegen brand en zal verdeeld worden in lokalisatiegroepen, waarvan het getal en de verdeling bepaald zijn in het bijgevoegde lastenboek. De bij het lastenboek gevoegde plannen geven enkel een aanduiding van de te beschermen lokalen. De juiste positie van de brandmelders zal bepaald worden door de inschrijver. De gebruikte procedés en toestellen moeten aan de striktste veiligheidsnormen voldoen. Met dit doel moeten alle voorzorgen worden genomen om: De storingen tot een strikt minimum te herleiden. Men zal dus alleen componenten gebruiken die aan vervroegde veroudering weerstaan. Een gemakkelijke toegang aan de onderdelen en verbindingen te verlenen. De herstellingen te bespoedigen en de mogelijkheid te bieden om delen van de installatie uit te schakelen. Al het materiaal zal standaard, courant, nieuw en van eerste kwaliteit zijn. Een oorsprongscertificaat kan bij de levering worden gevraagd en zal moeten bewijzen dat de fabricagedatum geen jaar verstreken is. Al het aangeboden materiaal dient van één en dezelfde constructeur afkomstig te zijn. De inschrijver dient bij de materiaalvoorstelling een gedetailleerde omschrijving van de voorgestelde installatie met de bijhorende technische fiches van de voorgestelde materialen te bezorgen. 3 DE CENTRALE VOOR BRANDDETECTIE TOTAAL : GLOBALE PRIJS 3.1 OPBOUW VAN DE CENTRALE De conventionele centrale voor branddetectie is opgebouwd overeenkomstig de Europese Normen EN54-2:1997/A1:2006 en EN54-4:1997/A1:2002/A2:2006 en dient BOSEC gecertificeerd te zijn in combinatie met de aangesloten automatische brandmelders. De centrale heeft als doel het vroegtijdig melden van het ontstaan van een brand door middel van automatische rook- en/of warmtedetectoren en het waarschuwen van de verantwoordelijke in verband met een mogelijk gevaar door middel van handbrandmelders. 3

De centrale is een compact detectiesysteem, ingebouwd in een kunststof behuizing. De behuizing bevat het bedieningsfront, de voeding en de noodstroombatterijen en alle elektronica voor het inlezen van de circuits en voor het aansturen van de uitgangen. De niet-modulaire centrale is uitgerust met 4 circuits voor het aansluiten van brandmelders. Elk circuit beschikt over een individuele aanduiding voor «Brand», «Storing» en «Uit dienst» en een bedieningsdruktoets voor het uit dienst plaatsen van het circuit. Elk circuit dient te worden afgesloten met een einde-lus-weerstand. Het detectieprincipe is gebaseerd op het stroomverbruik van het circuit. Een toestandswijziging van één of meerdere brandmelders wijzigt het totale stroomverbruik en resulteert in een alarm- of een foutmelding. De centrale is uitgerust met 2 bedieningsniveaus. Beide niveaus worden met behulp van een sleutelschakelaar «Bediening» ingesteld: Bedieningsniveau 1: enkel de druktoetsen «stilte» en «Test LED» zijn beschikbaar. Bedieningsniveau 2: de druktoetsen «Reset», «Sirenes uit» en de druktoetsen voor het individueel «Uit dienst» plaatsen van de detectielussen zijn eveneens beschikbaar. 3.2 BEDIENING VAN DE CENTRALE Het bedieningsfront van de centrale voor branddetectie bevat minstens: - Een sleutelschakelaar Bediening voor het selecteren van het gewenste bedieningsniveau. - Een druktoets per circuit voor het Uit dienst plaatsen van het circuit. - Een druktoets Stilte voor het stoppen van de interne waarschuwingszoemer in de centrale. - Een druktoets Reset voor het resetten van de centrale. - Een druktoets Sirenes uit. Deze druktoets heeft een dubbele functie en laat toe om enerzijds de sirenes, aangesloten op de overwaakte uitgang, uit dienst te plaatsen en anderzijds om deze sirenes, na een brandalarmmelding, stop te zetten. - Een druktoets Test Led voor het nazicht op goede werking van de ingebouwde waarschuwingszoemer en van de LED-aanduidingen op het bedieningsfront van de centrale. 3.3 VISUELE AANDUIDINGEN OP DE CENTRALE Het bedieningsfront van de centrale voor branddetectie bevat minstens: 3.3.1 VISUELE AANDUIDINGEN PER LUS - Rode LED «A»: licht op bij detectie van een brandalarm in het circuit. - Gele LED «F»: licht op bij detectie van een storing (open-kring of kortsluiting) in het circuit. - Gele LED «0/1»: licht op bij het uit dienst plaatsen van het circuit. 3.3.2 ALGEMENE VISUELE AANDUIDINGEN - Rode LED «Brandalarm»: licht op bij detectie van een brandalarm in één of meerdere circuits. - Rode LED «Sirenes aan»: licht op bij aansturing van de sirenes en dooft terug na bediening van de druktoets «Reset» of na bediening van de druktoets «Sirenes uit». - Gele LED «Storing sirenes»: licht op bij detectie van een onderbreking of een kortsluiting in de bekabeling van de sirenes aangesloten op de overwaakte uitgang. - Gele LED «Algemene storing»: licht op ingeval van een technische storing. 4

- Gele LED «Uit dienst»: licht op bij het uit dienst plaatsen van één of meerdere circuits of bij het uit dienst plaatsen van de sirenes. - Groene LED «In bedrijf»: licht op bij het onder spanning plaatsen van de centrale. - Gele LED «Noodvoeding»: licht op ingeval van een storing in de noodvoeding. - Gele LED «Netvoeding»: licht op ingeval van een storing in de netvoeding. - Gele LED «Bediening»: licht op van de centrale in bedieningsniveau 2 geplaatst wordt. - Gele LED «Stilte»: licht op bij bediening van de druktoets «Stilte» en dooft terug ingeval van een nieuwe melding op het systeem of na bediening van de druktoets «Reset». - Gele LED «Sirenes uit»: licht op bij het uit dienst plaatsen van de sirenes. 3.4 INGANGEN & UITGANGEN OP DE CENTRALE De centrale voor branddetectie bevat minstens: 3.4.1 ALGEMENE UITGANGEN - 1 overwaakte sirene-uitgang 500mA. - 1 dubbel spanningsloos wisselcontact (3A/230Vac) «Algemeen alarm». - 1 spanningsloos wisselcontact (1A/30Vdc fail-safe) «Algemene storing». - 1 transistor uitgang «Algemeen alarm» (50mA inductief 80mA resistief) voor het aansturen van een extra relaiscontact. - 1 transistor uitgang «Algemene storing» (50mA inductief 80mA resistief) voor het aansturen van één of meerdere herhaalborden of voor het aansturen van een extra relaiscontact. - 1 transistor uitgang «Voedingsfout» (50mA inductief 80mA resistief) voor het aansturen van een extra relaiscontact. 3.4.2 UITGANGEN PER CIRCUIT 1 transistor uitgang per lus (50mA inductief 80mA resistief) voor het aansturen van één of meerdere herhaalborden of voor het aansturen van een extra relaiscontact per circuit. 3.4.3 ALGEMENE INGANGEN - 1 ingang «Storing bekabeling geluidsmiddelen» voor het aansluiten van een externe overwaakte uitgang. - 1 testingang voor het aansturen van de alarm- en/of sirenerelais. Deze ingang kan verbonden worden met de evacuatieschakelaar van een aangesloten herhaalbord. - 1 ingang voor de externe bediening van de stiltefunctie vanop afstand. 3.5 VOEDING EN NOODVOEDING De centrale voor branddetectie wordt op het lichtnet aangesloten. Het geheel functioneert op een spanning van 27V. Deze basisspanning wordt met behulp van aansluitpunten op de klemmenrij van de centrale ter beschikking gesteld. Een secundaire voedingsbron bestaat uit een set onderhoudsvrije loodbatterijen en laat een autonomie van 24u toe bij eventuele stroomonderbrekingen. Enkel de installatie voor automatische detectie mag op de noodvoeding aangesloten worden. De centrale bevat één voedingsmonitor. Teneinde de autonomie van de centrale te garanderen voert de voedingsmonitor de volgende controles uit: 5

- Spanningscontroles: zodra de netspanning onderbroken is, wordt de technische storing Storing netvoeding op de centrale aangestuurd. Na het wegvallen van de netspanning zijn de noodstroombatterijen in staat om de centrale gedurende 24 uur te laten verder werken. De batterijen worden stelselmatig ontladen van zodra zij de voeding van het systeem overnemen. Op het einde van de autonomie naderen de batterijen de totale ontlading. Dit wordt gemeld door de technische storing «Storing noodvoeding». - Batterij temperatuur: teneinde de levensduur van de batterijen te optimaliseren, wordt de batterijlaadspanning bepaald in functie van de temperatuur. - Interne batterij weerstand: teneinde de autonome werking van de centrale te verzekeren, moeten de batterijen in goede staat zijn. Een veroudering van de batterijen kan de vooropgestelde autonomie van de centrale gevoelig verminderen. Ingeval van verouderde of defecte batterijen neemt de interne weerstand toe. De voedingsmonitor controleert om de 3 uur de interne weerstand. Een te hoge interne weerstand wordt gemeld door de technische storing Storing noodvoeding. 4 HET HERHAALBORD Het herhaalbord is uitgerust met een rode LED per circuit voor de alarmmelding, een gele LED voor stilte en algemene storing en een groene LED voor in bedrijf. Het herhaalbord is standaard uitgerust met een stiltetoets en een evacuatieschakelaar. 5 TELEFOONKIEZER TOTAAL: GLOBALE PRIJS De centrale voor branddetectie wordt met een microprocessor gecontroleerde telefoonkiezer gekoppeld, geschikt voor het versturen van spraak- en/of tekstboodschappen via een standaard analoge telefoonlijn naar een vast telefoontoestel of naar een GSM. De telefoonkiezer is met vier ingangen uitgerust. Elke ingang verstuurt één gesproken en/of tekstboodschap naar één of meerdere telefoonnummers uit een lijst die maximaal acht nummers kan bevatten. Elk nummer wordt maximum 10-maal opgebeld. Bij het ontvangen van een oproep kan een bevestiging naar de telefoonkiezer worden teruggezonden. Deze bevestiging zorgt voor het volledig of gedeeltelijk stopzetten van de alarmcyclus. De boodschappen worden via een ingebouwde microfoon opgenomen en zijn te beluisteren via de ingebouwde luidspreker. De SMS tekstberichten worden via het klavier geprogrammeerd. De programmatie is menugestuurd en via een installateurscode beveiligd. De telefoonkiezer bevat een logboek met een lijst van de laatste 64 uitgevoerde meldingen en bedieningen. Alle gegevens worden in een niet-vluchtig geheugen opgeslagen zodat deze na een spanningsuitval behouden blijven. Het toestel werkt op een 12Vdc voedingsspanning en wordt hiervoor op de secundaire spanning van de brandcentrale aangesloten. 6

6 AUTOMATISCHE DETECTOREN De automatische detectoren dienen over een EG-conformiteitscertificaat te beschikken en zijn BOSEC gecertificeerd in combinatie met de centrale voor branddetectie. Het te gebruiken type detector dient in functie van het doel van de te bewaken ruimte te worden bepaald. De detectoren mogen geen enkel onderdeel bevatten dat kan oxideren, roesten of slijten door de normale temperatuur- en vochtigheidsomstandigheden waarin zij zijn opgesteld. De detectoren mogen geen alarm veroorzaken door: - Normale variaties in de toestand en samenstelling van de lucht - Normale trillingen van het plafond waaraan zij zijn bevestigd - Statische elektriciteit De detectoren moeten het alarmsignaal behouden tot het door handbediening op de centrale wordt gewist. Op dat ogenblik moeten ze zich automatisch terug in rusttoestand plaatsen, met dien verstande dat de oorzaak van de alarmmelding verdwenen is. De gevoeligheid van iedere detector moet vooraf in de fabriek zijn ingesteld om een uiterste bedrijfszekerheid te bieden en om iedere aanpassing door niet gespecialiseerd personeel te vermijden. De detectoren moeten met een elektronische beveiliging tegen diefstal worden uitgevoerd. Bij het wegnemen van een detector dient op de centrale een storingssignaal in werking te treden. 6.1 OPTISCHE ROOKDETECTOR De optische rookdetector is uit samengesteld een witte, zelfdovende polycarbonaat behuizing. De werking van de optische rookdetector is gebaseerd op het lichtverstrooiingsprincipe. De optische rookdetector is uitgerust met een analysekamer met IR-LED, die gepulseerd wordt aangestuurd. De ingang van de analysekamer heeft de vorm van een labyrint, zodat alle externe lichtinval wordt uitgesloten. Bij het binnendringen van zichtbare rook in de detector zal de gepulseerde IR-straal op de fotodiode gereflecteerd worden. Na het detecteren op de fotodiode herhaalt de IR-LED iedere 2 seconden het gepulseerd signaal. Indien de fotodiode gedurende 3 opeenvolgende pulsen het signaal ontvangt, zal het alarm geactiveerd worden. De detector is uitgerust met een witte LED die rood oplicht ingeval van alarm. 6.2 THERMISCHE DETECTOR De thermische detector is samengesteld uit een witte, zelfdovende polycarbonaat behuizing. De thermische detector is uitgerust met 2 thermistors, waarvan één blootgesteld is aan de omgevingstemperatuur en snel reageert op temperatuurschommelingen. De andere thermistor bevindt zich in een afgesloten ruimte, waardoor hij minder gevoelig reageert op temperatuurstijgingen. In normale omstandigheden bevinden beide thermistoren zich in thermisch evenwicht met de omgevende lucht. 7

Ingeval van brand zal de temperatuur gemeten door de blootgestelde thermistor snel stijgen, waardoor het thermisch evenwicht verbroken wordt en er een alarm gegenereerd wordt. De thermovelocimetrische detectoren schakelen naar de alarmtoestand ingeval van een ontoelaatbare temperatuurstijging en bij het overschrijden van de vast ingestelde alarmdrempel. De thermo-maximaal detectoren schakelen naar de alarmtoestand bij het overschrijden van de vast ingestelde alarmdrempel. De detector is uitgerust met een rode LED die oplicht ingeval van alarm. 6.3 MULTISENSOR DETECTOR De multisensor detector is samengesteld uit een witte, zelfdovende polycarbonaat behuizing. De multisensor detector is uitgerust met een optische detectiekamer en een temperatuursensor. De gevoeligheid van de optische detectiekamer wordt door de temperatuursensor gestuurd. Een stijging van de temperatuur veroorzaakt een automatische verlaging van de interne alarmdrempel en zal de detector sneller laten reageren ten opzichte van zichtbare rook. Dit werkingsprincipe maakt deze detector zeer geschikt voor het detecteren van brandhaarden met een snelle temperatuurstijging en een minimale rookontwikkeling. De multisensor detector dient standaard met volgende functies te zijn uitgerust: - de ingebouwde software algoritmes filteren de kortstondige, abnormale signalen in het uitgangssignaal van de sensor en zorgen voor een maximale onderdrukking van valse alarmen - driftcompensatie zorgt voor een behoud van de gevoeligheid bij vervuiling van de sensorkamer - DustDefy vermijdt het binnendringen van stof in de optische sensor zonder de luchtstroom te hinderen door het ontwerp van de detectoropeningen - DirtAlert meldt een ontoelaatbare vervuilde optische sensorkamer - SensAlert meldt een slecht werkende optische sensor 7 HANDBRANDMELDERS De handbrandmelders moeten in de evacuatieroutes bij elke toegang van de trappenhuizen en aan elke uitgang naar buiten worden geïnstalleerd. Ze worden tevens bij alle plaatsen met een bijzonder risico voorzien. Men moet er voor zorgen dat de handbrandmelders duidelijk te onderscheiden zijn van de andere apparaten met andere doeleinden. De waarschuwingsdrukknop is in een rode, zelfdovende kunststofbehuizing (ABS) uitgevoerd. De waarschuwingsdrukknop dient voor de manuele melding bij het vaststellen van een brandgevaar. In rust wordt een microschakelaar ingedrukt gehouden door een flexi-element. Het indrukken van het glaasje moet met de blote hand kunnen, zonder dat er ook maar enig gevaar op verwondingen bestaat. 8

Het moet mogelijk zijn de goede werking van de drukknop te testen zonder het glaasje te breken, noch de drukknop te demonteren, noch gebruik te maken van speciaal gereedschap. De waarschuwingsdrukknoppen zijn overeenkomstig de Europese Norm EN54-11 en dienen aan de volgende specificaties te voldoen: - Voedingsspanning: 24Vdc - Kleur: rood - Beschermingsklasse: IP24D - EN54 vlamsymbool - Flexi-element, herstelbaar met universele testsleutel - Drukknop met ingebouwde alarmweerstand 470Ω/1W 8 ACOUSTISCHE ALARMMIDDELEN De elektronische sirenes worden toegepast voor het geven van een evacuatiesignaal. De evacuatiesirenes zijn te plaatsen zodat het evacuatiesignaal in gans het gebouw kan worden gehoord. De sirenes worden in opbouw geplaatst, onmiddellijk onder de plafonds. Het aansturen van de sirenes gebeurt door een sirene-uitgang in de brandcentrale. Alle sirenes, aangesloten op eenzelfde sirene-uitgang, worden gelijktijdig aangestuurd en blijven synchroon loeien. De sirene werkt op 24Vdc en het stroomverbruik zal niet meer dan 20mA bedragen. De geluidssterkte bedraagt minimaal 102dB@1m. Aan de hand van dipschakelaars wordt de tonaliteit van de sirene ingesteld. Men heeft een keuze tussen 32 verschillende toonaarden. De evacuatiesirene is in een rode kunststofbehuizing gemonteerd. De evacuatiesirenes zijn overeenkomstig de Europese Norm EN54-3:2001+A1:2002+A2:2006 en dienen aan de volgende specificaties te voldoen: - Voedingsspanning: 18 28Vdc - Kleur: rood - Beschermingsklasse: IP65 - Stroomverbruik: 12mA@24Vdc - Geluidssterkte: 102dB@1m - Aantal instelbare tonen: 32 9 AFSTANDSINDICATOR Goed zichtbare optische herhaallampen dienen op een gemakkelijk zichtbare plaats voorzien te worden indien: - een detector niet zichtbaar is in het lokaal (detectoren in afgeschermde ruimtes, in HVACkanalen en elektronische apparaten). In dit geval dient er voor elke detector, op een gemakkelijk zichtbare plaats, een visuele aanduiding te worden voorzien. 9

- een zone meerdere lokalen bevat. In dit geval dient er voor elk lokaal een controlelampje op afstand te worden voorzien zodat het lokaal, waarin een detector geactiveerd is, kan worden aangeduid. De afstandslamp is uitgerust met een rode ingebouwde LED om een duidelijk optisch signaal te krijgen. Het signaal van de optische herhaallamp wordt rechtstreeks van de detector gehaald. 10 DEURMAGNETEN Teneinde een vlot intern verkeer te verzekeren, worden de branddeuren open gehouden door een vastzetinrichting. In geval van een brandalarmmelding op de brandcentrale sluiten de branddeuren het compartiment af. De bediening gebeurt door een in de brandcentrale ingebouwd relaiscontact dat de voeding van de deurmagneten onderbreekt, zodat de deur automatisch kan sluiten. De deurmagneten, met flexibele ankerplaat, zijn voorzien van een ingebouwde onderbrekingsknop voor het manueel sluiten van de branddeuren. In functie van het type deur kan de magneet op een voetstuk, geschikt voor vloer- of wandmontage, worden gemonteerd. De deurmagneten zijn overeenkomstig de Europese Norm EN1155:1997/A1:2002 en dienen aan de volgende specificaties te voldoen: - Voedingsspanning: 24Vdc - Stroomverbruik: 75mA@24Vdc - Trekkracht: minimum 400 Newton - Beschermingsgraad: IP42 De voeding van de deurmagneten gebeurt door een externe voeding met noodvoeding. Deze externe voeding, met aangepaste capaciteit, dient overeenkomstig de Europese Norm EN54-4 gecertificeerd te zijn. Deze voeding met noodvoeding is in een afzonderlijke behuizing gemonteerd. 11 BEKABELING EN AANSLUITINGEN TOTAAL: GLOBALE PRIJS Alle leidingen en bedradingen, nodig voor het uitvoeren van de installatie en om een perfecte werking toe te laten, behoren tot deze aanneming. De reglementaire bepalingen betreffende bekabeling en bedrading van elektrische installaties (AREI, NBN S21-100-1, enz.) moeten in acht worden genomen. Bovendien moet zij verwezenlijkt worden volgens de regels van goed vakmanschap. De kenmerken van de kabels moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van de fabrikant van de apparatuur. Er zal gebruik gemaakt worden van geleiders met een doorsnede van minimum 0,8 mm. In algemene zin moeten de elektrische kabels van een branddetectie installatie niet brandbestendig zijn, behalve in niet bewaakte lokalen of wanneer ze hun functie moeten behouden. 10

In het geval van niet bewaakte lokalen, moeten de elektrische kabels van een branddetectie installatie ofwel van het type FR2 zijn (in overeenstemming met de norm NBN C30-004) ofwel beschermde kabels zijn indien ze geïnstalleerd zijn in niet bewaakte lokalen anders dan deze beschreven in paragraaf 5.2.9. van de NBN S21-100-1. Kabels waarvan de werking gedurende meer dan 1 minuut na de detectie van de brand onaangetast moeten blijven, moeten van het type FR2 zijn (in overeenstemming met de norm NBN C30-004) ofwel beschermde kabels zijn). De kabels moeten op passende wijze beschermd worden, met behulp van aangepaste kabelgoten, kokers, leidingen of omkasting. De leidingen van het branddetectiesysteem moeten gescheiden zijn van alle andere leidingen en mogen nooit parallel lopen met sterkstroomleidingen of ze moeten op zijn minst gescheiden blijven door een scheidingschot in de kabelbanen. Alvorens de werken aan te vatten, moet de aannemer een uitvoeringsplan voorleggen met aanduiding van leidingen, trek- en aasluitdozen, toestellen, enz. die hij voorneemt te plaatsen. Na uitvoering van de installatie en voor de voorlopige oplevering bezorgt de aannemer een stel uitvoeringsplannen en documenten As Built van de installatie aan de bouwheer. 12 IN BEDRIJFSTELLING TOTAAL: GLOBALE PRIJS Het doel van de in bedrijfstelling is het systeem operationeel maken. De in bedrijfstelling moet onder andere uit volgende acties bestaan: - het onder spanning plaatsen - de configuratie van teksten van de detectiezones en de alarmzones - de programmatie van de sturingen De correcte werking van het branddetectiesysteem moet getest en geverifieerd worden bij de in bedrijfstelling. De in bedrijfstelling van het branddetectiesysteem, de koppeling van de onderlinge onderdelen, de aansluiting van de aankomende leidingen in de brandcentrale en het testen van alle apparatuur zal geschieden door de fabrikant of door zijn bevoegde vertegenwoordiger (gespecialiseerde onderneming). Een verslag hieromtrent dient te worden opgemaakt. 13 OPLEIDING GEBRUIKER TOTAAL: GLOBALE PRIJS De aannemer zal instaan voor een behoorlijke opleiding van de gebruiker in het Nederlands. Deze opleiding dient voor de voorlopige oplevering te zijn voltooid. 11

14 OPLEVERING Huidige automatische branddetectie-installatie dient opgeleverd te worden. De bevoegde brandweerdienst moet verwittigd worden van de datum van de oplevering en zal oordelen of haar aanwezigheid noodzakelijk is. Het nagaan of de automatische detectie-installatie conform is aan de bepalingen van huidig lastenboek geschiedt door een bevoegde instelling die hiervoor is uitgerust, dit in de aanwezigheid van de exploitant of de eigenaar en de installateur. Bij de opleveringsproeven is de afstelling van de installatie identiek aan die welke voorzien is voor de werkelijke exploitatie van de installatie. Die afstelling stemt overeen met de vermeldingen welke voorkomen in de handleiding van de fabrikant betreffende de verschillende onderdelen van de automatische installatie. De oplevering zal tenminste betrekking hebben op de volgende punten: - Conformiteit van de installatie met huidig lastenboek. - Het geheel van de werking van de installatie. - Beproeving van ten minste 20% van de detectoren per lus of net, met behulp van een inrichting die werd aanvaard in gemeenschappelijk overleg tussen de persoon die de oplevering doet en de fabrikant. - Meting van het elektriciteitsverbruik van de installatie, om het te vergelijken met de capaciteit van de secundaire bron en bepaling van de tijd gedurende dewelke de installatie kan werken terwijl ze door deze secundaire bron wordt gevoed. - Nazicht, in voorkomend geval, van de doeltreffendheid van de transmissie naar een centraal bewakingsstation of naar een territoriaal bevoegde brandweer. De resultaten van de keuring worden vastgelegd in een geschreven verslag. 12