Wijziging Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek



Vergelijkbare documenten
Regeling wijziging Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Wijziging van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Titel. Subtitle. >> Als het gaat om energie en klimaat

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek

Voorbeeld aanvraagformulier EDZ

Ontwerpregeling mep-subsidiebedragen voor afvalverbrandingsinstallaties

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek.

Nadere regels subsidiëring energiebesparing sport- en welzijnsaccommodaties. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik;

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Samenvatting EIA regeling 2015

Inleiding 3. Wijzigingen ten opzichte van vorig jaar 4. Hoe werkt de Energie-investeringsaftrek? 8. Hoe vraagt u Energie-investeringsaftrek aan?

Belangrijkste wijzigingen EIA EIA regeling

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Energie en Bedrijven. energielijst >> Als het gaat om energie en klimaat

Uitspraak. uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN. Zaaknummer: 12/

Energie en Bedrijven. energielijst >> Als het gaat om energie en klimaat

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds DB M Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken; Directie Directe Belastingen

ECLI:NL:CBB:2003:AI1144

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Wijziging van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Sportverenigingen scoren met energiebesparing

Energie - investeringsaftrek (EIA)

kwaliteit dient te worden verklaard middels een ondertekende Verklaring Aannemer/Installateur.

ECLI:NL:CBB:2002:AE1630

Warmtepompen en warmtebronnen. Warmtepompen

slibvergisting, wordt omgezet in elektric iteit 0,029 per kwh. slibvergisting, wordt omgezet in elektriciteit 0,029 per kwh.

Kenniscentrum InfoMil Energiebesparing bij een sportclub

Energie - investeringsaftrek (eia)

energieprestatiecertificaat

Trias energetica. Verdiepende opdracht

368 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

Wijziging Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

227 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van appartementen te vergelijken.

Activiteitenregeling milieubeheer Geldend van t/m heden

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Wijziging van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

1216 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

energieprestatiecertificaat

319 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

Thema-avond Warmte. 28 februari 2018

558 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

Ministerieel besluit houdende de organisatie van een call voor het indienen van steunaanvragen voor nuttigegroenewarmte-installaties

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

ENERGIE PRESTATIE ADVIES VOOR WONINGEN

energieprestatiecertificaat

Energie en Bedrijven. energielijst >> Als het gaat om energie en klimaat

energieprestatiecertificaat

Energie Investeringsaftrek (EIA)

bestaand gebouw met woonfunctie

525 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

575 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van collectieve woongebouwen te vergelijken.

energieprestatiecertificaat

457 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

energieprestatiecertificaat bestaand gebouw met woonfunctie

418 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

energieprestatiecertificaat

571 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

Kees Bakker

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

Meer wooncomfort. en minder energieverbruik door een warmtepomp. voltalimburg.nl/warmtepomp

energieprestatiecertificaat

4 Energiebesparingsadvies

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

Agentschap NL Ministerie van Economische Zaken. Energie en Bedrijven. energielijst >> Als het gaat om energie en klimaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

105 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van appartementen te vergelijken.

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

312 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

ENERGIE PRESTATIE ADVIES VOOR WONINGEN

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

energieprestatiecertificaat

159 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van appartementen te vergelijken.

Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan de artikelen 2, derde lid, en 3 van het Besluit energieprestatievergoeding huur (hierna: het besluit).

energieprestatiecertificaat

497 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

474 De energiescore laat toe om de energiezuinigheid van woningen te vergelijken.

energieprestatiecertificaat

Minder, anders en efficiënter

Transcriptie:

Wijziging Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek FI 13 april 1999/nr. WDB99/28M De Staatssecretaris van Financiën, Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, en twaalfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; Besluit: De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 1 wordt als volgt gewijzigd. Artikel I Bijlage I en bijlage II worden vervangen door de bij deze regeling behorende bijlage I onderscheidenlijk bijlage II. Artikel II Aan artikel 5 wordt toegevoegd: 3. De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een berekening van de energiebesparing over. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van bijlage II, die ter inzage ligt bij de Afdeling Bibliotheek en Documentatie van de Centrale directie Voorlichting van het Ministerie van Financiën. De Staatssecretaris van Financiën, W.A. Vermeend. 1 Regeling van 20 december 1996 (Stcrt. 1996/248), laatstelijk gewijzigd bij regeling van 18 december 1997 (Stcrt. 1997/250). Toelichting Algemeen Sinds 1 januari 1997 is in artikel 11 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de mogelijkheid van een energie-investeringsaftrek opgenomen. De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek geeft invulling aan de in het genoemde artikel 11 opgenomen bevoegdheden. Om verschillende redenen is een wijziging van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek noodzakelijk. De opzet van bijlage I waarin de aangewezen energie-investeringen zijn opgenomen, is gewijzigd. Dit brengt ook een wijziging van het meldingsformulier met zich mee. Voor de goede orde zij erop gewezen dat het van toepassing verklaren van de energie-investeringsaftrek op investeringen in de Nederlandse Antillen en Aruba in een separate ministeriële regeling is neergelegd. De ontwerpregeling is op 6 april 1999 ingevolge artikel 8, lid 1, Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217), voorgelegd aan de Europese Commissie. Aangewezen energie-investeringen Tot de bedrijfsmiddelen die in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de energie-investeringsaftrek, worden uitsluitend gerekend bedrijfsmiddelen of onderdelen van bedrijfsmiddelen (hierna bedrijfsmiddelen) die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. Tot de bestanddelen van deze bedrijfsmiddelen kunnen tevens gerekend worden voorzieningen (zoals leidingen, appendages, en meet- en regelapparatuur) die technisch noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen en derhalve geen zelfstandige betekenis hebben. In de bijlage I behorende bij deze regeling zijn de investeringen opgenomen die na inwerkingtreding van deze regeling in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek. Deze bijlage, de Energielijst 1999, vervangt de huidige bijlage, de zogeheten Energielijst 1998. Artikel I van deze regeling voorziet daarin. De opzet van bijlage 1 is gewijzigd hetgeen heeft geleid tot enige vertraging. De gewijzigde opzet behelst nu de indeling van de aangewezen energie-investeringen in vijf categorieën met bijbehorende energieprestatieeisen. Investeringen (uitbreidings- en vervangingsinvesteringen) die binnen de categorie waarin zij vallen, voldoen aan de vereiste energieprestatie, kwalificeren als aangewezen energie-investering. Met deze benadering wordt meer het gewicht gelegd op het doel energiebesparing dan op de middelen waarmee dat doel wordt bereikt. Door deze opzet wordt een verdere objectivering gerealiseerd, terwijl tevens de criteria waaraan een investering moet voldoen inzichtelijker worden gemaakt. Daarbij is aansluiting gezocht bij de energiebesparingsnormen die reeds van toepassing waren voor de generiek omschreven investeringen in de Energielijst 1998, namelijk een bepaalde besparing aardgas(equivalenten) per jaar per geïnvesteerde gulden. Een verschil ten opzichte van de Energielijst 1998 bij het hanteren van de besparingsnormen is dat geen onderscheid meer wordt gemaakt naar de grootte van het energiegebruik door de belastingplichtige. De hoogte van de besparingsnorm is in de gewijzigde opzet afhankelijk van de categorie waarin de investering valt. Gelet op de ervaringen die in de praktijk zijn opgedaan met de zogenoemde generiek omschreven bedrijfsmiddelen is dit een bruikbare indeling. Consequentie van het gebruik van uitsluitend energiebesparingsnormen zou zijn dat een aantal vanuit energetisch oogpunt wenselijke investeringen in breed toepasbare energiezuinige bedrijfsmiddelen niet langer voor de energie-investeringsaftrek in aanmerking zouden komen. Het kan daarbij gaan om investeringen met bij voorbeeld een relatief hoog investeringsbedrag (vanwege recente marktintroductie) of met bij voorbeeld een lange levensduur (zoals isolatie en beglazing Uit: Staatscourant 1999, nr. 72 / pag. 10 1

in gebouwen). Voorts kan het gaan om het vanuit energetisch oogpunt beste, beschikbare alternatief (bijvoorbeeld de HR-ketel) waarbij ofwel niet wordt voldaan aan de energieprestatie-eis ofwel de energieprestatie-eis alleen niet voldoende is. Derhalve wordt een beperkt aantal investeringen wel specifiek aangewezen. Voor de omschrijving van dergelijke investeringen is zoveel mogelijk aangesloten bij objectieve energieprestatie-eisen (zoals het HR-keurmerk of Europese Energielabels). In artikel 1 van bijlage I zijn de aangewezen energie-investeringen opgenomen. De aangewezen investeringen zijn gegroepeerd naar toepassingsgebied. Er zijn vijf toepassingsgebieden te onderscheiden. Deze zijn in de bijlage verdeeld in categorie A tot en met E, te weten: A. bouwwerken B. apparatuur en processen C. het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht D. transportmiddelen E. het aanwenden of toepassen van duurzame energie Artikel 2 van bijlage I heeft betrekking op onder meer de energieprestatie-eisen. Voor investeringen in categorie A geldt een energiebesparingsnorm van ten minste 0,25 m 3 aardgasequivalenten (a.e.) per jaar per geïnvesteerde gulden. Voor investeringen in categorie B geldt een energiebesparingsnorm van ten minste 0,5 m 3 a.e. per jaar per geïnvesteerde gulden. Met betrekking tot investeringen in categorie C het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht geldt een andersoortige energieprestatie-eis, namelijk een rendementseis. Het totaal energetisch rendement moet gemiddeld op jaarbasis ten minste 70% bedragen (In artikel 2 van de bijlage wordt aangegeven wat onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan). Voor investeringen in categorie D geldt een energiebesparingsnorm van ten minste 0,25m 3 a.e. per jaar per geïnvesteerde gulden. Op grond van artikel 5, derde lid, van deze regeling dient de belastingplichtige een berekening van de energiebesparing te overleggen indien de Minister van Economische Zaken om die berekening verzoekt met het oog op het verstrekken van de verklaring. Deze berekening moet aannemelijk maken dat aan de energieprestatie-eis wordt voldaan. Op grond van artikel 2 van de bijlage geldt de eis van een berekening niet als het gaat om een nader omschreven bedrijfsmiddel. Zoals in het bovenstaande is aangegeven, kan ook sprake zijn van een nader omschreven bedrijfsmiddel indien de energieprestatie-eis alleen tot een onvoldoende energiebesparing zou leiden. Het gaat dan om bedrijfsmiddelen waarvoor vanuit energetisch oogpunt betere alternatieven beschikbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn isolatie waar aanvullende eisen met betrekking tot de warmteweerstandswaarde worden gesteld en bedrijfsmiddelen die voorzien moeten zijn van een HoogRendement-keurmerk. Voor investeringen die naar aard, toepassing en gebruik overeenkomen met een nader omschreven investering zijn de eisen die worden gesteld aan zo n nader omschreven investering eveneens van toepassing. Het is derhalve niet zo dat bij zulke investeringen kan worden teruggevallen op de niet nader omschreven investering en slechts wordt voldaan aan de energieprestatie-eis. De in de bijlage opgenomen investeringen zijn nevengeschikt ten opzichte van elkaar. Bij de berekening van de energiebesparing dient bij bestaande bouwwerken, bestaande apparatuur/processen en bestaande transportmiddelen het historisch energiegebruik als referentie. Bij nieuwe processen, nieuwe bouwwerken of nieuwe transportmiddelen dient het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij (soortgelijke) nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie. In een aantal gevallen kan aansluiting worden gezocht bij wettelijke eisen, zoals bij voorbeeld bouwvoorschriften, milieueffectrapportages. De opgelegde wettelijke eis kan in dat geval als een indicatie voor het gemiddeld gangbare energiegebruik worden beschouwd. Sommige bedrijfsmiddelen (bij voorbeeld utiliteiten waarmee warmte wordt geleverd aan gebouwen of processen) kunnen onder meerdere toepassingscategorieen vallen, bijvoorbeeld bouwwerken en processen. Indien dit het geval is, geldt de energieprestatie-eis van de categorie waarin of waarvoor het bedrijfsmiddel hoofdzakelijk wordt toegepast. Ook indien een besparing wordt gerealiseerd op het gebruik van fossiele brandstoffen, die bij de belastingplichtige worden ingezet als grondstof, kan de belastingplichtige in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek. De besparing dient te voldoen aan de energieprestatie-eis van de categorie waartoe het bedrijfsmiddel behoort. Ten aanzien van de investeringen in categorie E moeten deze voorzieningen ertoe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door in belangrijke mate gebruik te maken van duurzame energie. Onder duurzame energie wordt verstaan energie uit hernieuwbare bronnen die worden omgezet in secundaire energie(dragers) waardoor vrijwel geen beroep wordt gedaan op eindige voorraden. Hiertoe behoren: zonne-energie, windenergie, waterkracht, biomassa of het benutten of opslaan van omgevingswarmte. Gezien de opzet van bijlage I is een codering van bedrijfsmiddelen niet meer aan de orde. Mutaties van bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek zijn daarom niet te geven. Teneinde het bedrijfsleven behulpzaam te zijn zal door het agentschap Senter regelmatig een toegankelijke brochure worden uitgegeven. Hierin zullen, bij wijze van voorbeeld, bedrijfsmiddelen worden genoemd waarvan bekend is dat zij voldoen aan de energieprestatieeisen van de regeling. Artikel 3 van bijlage I bevat omrekenfactoren voor brandstof anders dan aardgas die worden gehanteerd bij de berekening van de besparing in aardgasequivalent. Indien in bijlage I sprake is van meetvoorschriften of tests, of van verklaringen of certificaten, worden bedrijfsmiddelen die getoetst zijn met gelijkwaardige meetvoorschriften of tests, onderscheidenlijk voorzien zijn van gelijkwaardige verklaringen of certificaten, gelijkgesteld met de aangewezen bedrijfsmiddelen. Melding De gewijzigde opzet van bijlage I heeft ook consequenties voor het meldingsformulier. Een andere wijziging is dat het plafondbedrag van f 200 mln is verhoogd ten gevolge van de inflatiecorrectie. Van het bedrag aan energieinvesteringen in een kalenderjaar wordt in 1999 ten hoogste f 205 mln in aanmerking genomen. Daarnaast is aanpassing van het formulier noodzakelijk als gevolg van invoering van de euro per 1 januari 1999. Het voorgaan- Uit: Staatscourant 1999, nr. 72 / pag. 10 2

de leidt tot een aanpassing in de bijlage II van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek, het meldingsformulier. Daarnaast zijn er enkele aanpassingen van technische aard in het meldingsformulier aangebracht die ertoe strekken de procedure te verduidelijken. Overigens blijft de mogelijkheid gehandhaafd dat bij investeringen die in aanmerking komen voor de VAMIL, de melding voor de energie-investeringsaftrek van een investering op verzoek tevens geldt als melding voor de VAMIL. In tegenstelling tot voorgaande jaren kan echter niet voor elke investering uit hoofdstuk 6 van de VAMIL een dergelijk verzoek worden gedaan. Inwerkingtreding De regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Ingevolge artikel 11b van de wet is zij van toepassing op verplichtingen die zijn aangegaan of voortbrengingskosten die zijn gemaakt op of na deze datum. De Staatssecretaris van Financiën, W.A. Vermeend. Bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek Artikel 1 Als investeringen in bedrijfsmiddelen in het belang van een doelmatig gebruik van energie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, worden aangemerkt: A Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken, 1. De verbetering van de energie-efficiëntie 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regel 1.2.A. Toepassing van efficiëntere 1.2.B. Een HR-ketel voor het verwarmen van bedrijfsgebouwen of van tapwater door middel van een condenserende gasgestookte ketel, met een nominale belasting op onderwaarde van niet meer dan 900 kw, dat voorzien is van het Gaskeur HR-107, en bestaande uit: HR-ketel met verbrandingsgasafvoersysteem (eventueel) gecombineerd met luchttoevoer in een concentrisch kanaal, (eventueel) weersafhankelijke ketelregeling, (eventueel) motorbediende vlinderklep voor afsluiten ketelwatercirculatie. 1.2.C. Een toestel voor HR-luchtverwarming voor het verwarmen van binnenruimten van bedrijfsgebouwen (niet zijnde tuinbouwkassen) door middel van een hoog rendement direct gasgestookte luchtverwarmer, die voorzien is van het Gaskeur HR, en bestaande uit: een HR-luchtverwarmer met verbrandingsgasafvoer-systeem. 1.2.D. Een warmtepomp of warmtepompboiler bestemd voor het opwaarderen van omgevingswarmte naar hoogwaardige warmte, waarbij de hoogwaardige warmte wordt aangewend voor de verwarming van ruimten of tapwater (warmtepompboiler) in woningen of bedrijfsgebouwen, met uitzondering van omkeerbare systemen die buitenlucht als warmtebron benutten. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,2, en bestaande uit: gesloten warmtepomp op basis van een medium dat geen cfk s of hcfk s bevat, (eventueel) bronsysteem bestaande uit een grondwaterbron of een bodemwarmtewisselaar, (eventueel) lage-temperatuur verwarmingsnet (bedrijfstemperatuur / ontwerp toevoertemperatuur verwarmingsnet maximaal 60 0C), (eventueel) warmteopslagvat. 1.2.E. Vermindering van de inzet van energie voor het conditioneren van ventilatielucht met behulp van: a. een droog- of bevochtigingsrotor voor het drogen of bevochtigen van lucht ten behoeve van klimaatbeheersing in bedrijfsgebouwen door middel van een roterende schijf, die vocht opneemt en afgeeft, en bestaande uit: droog- of bevochtigingsrotor, aandrijving, of b. een ultrasone of infrasone bevochtigingsinstallatie voor het regelen van het vochtgehalte in lucht ten behoeve van klimaatbeheersing door middel van een ultrasone of infrasone luchtbevochtiging, en bestaande uit: ultrasone of infrasone bevochtigingsinstallatie, of c. een gasgestookte stoomvormer voor bevochtiging van ventilatielucht of ruimten, en bestaande uit: direct gasgestookte lagedruk stoomvormer met een nominale belasting op onderwaarde van maximaal 100 kw, stoomlans, of d. een verdampingsbevochtiger voor bevochtiging van ventilatielucht, en bestaande uit: nozzles, drukverhoger, vernevelaar met druppelvanger, naverdampingspaneel van poreus keramisch materiaal, (eventueel) waterbehandelings 1.3.A. Additionele efficiency-verhogende 2. Vermindering van de warmte- of koellast 2.1.A. Thermische isolering. 2.1.B. Isolatie voor het isoleren van vloeren, daken, plafonds of wanden van verwarmde ruimten van bedrijfsgebouwen(uitgezonderd koel-, droogof klimatiseercellen), die grenzen aan de buitenlucht of die grenzen aan onverwarmde en ongekoelde ruimten, en bestaande uit: isolatiemateriaal met een warmteweerstand R (isolatie) = d/λ van ten minste 3,0 m 2 K/W of isolatiekussens met een warmteweerstand van ten minste 3,0 m 2 K/W. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt f 50,-/m 2 exclusief BTW. De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997). 2.1.C. Isolatie voor het isoleren van vloeren, daken, plafonds of wanden van verwarmde droog- of klimatiseercellen, die grenzen aan de buitenlucht of die grenzen aan onverwarmde ruimten, en bestaande uit: isolatiemateriaal met een warmteweerstand R (isolatie) = d/λ van ten minste 6,0 m 2 K/W. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt f 90,-/m 2 exclusief BTW. De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997). 2.1.D. Isolatie voor het isoleren van daken of wanden van gekoelde ruimten van bedrijfsgebouwen, die grenzen aan de buitenlucht of aan ongekoelde of verwarmde ruimten, en bestaande uit: panelen, voorzien Uit: Staatscourant 1999, nr. 72 / pag. 10 3

van isolatiemateriaal met een minimale warmteweerstand R = d/λ, die afhankelijk van de minimale ontwerp bewaartemperatuur ten minste bedraagt: het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt (exclusief BTW) bedraagt: a. minimale bewaartemperatuur T min 0 C: R > 4,0 m 2 K/W, f 60,-/m 2 b. minimale bewaartemperatuur 0 C >T min -6 C: R > 5,2 m 2 K/W, f 75,-/m 2 c. minimale bewaartemperatuur -6 C > T min -11 C: R > 7,3 m 2 K/W, f 100,-/m 2 d. minimale bewaartemperatuur -11 C >T min -16 C: R > 8,9 m 2 K/W, f 110,-/m 2 e. minimale bewaartemperatuur -16 C > T min -22 C: R > 10,5 m 2 K/W, f 120,-/m 2 f. minimale bewaartemperatuur -22 C > T min R > 12,0 m 2 K/W, f 130,-/m 2 De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997). 2.1.E. HR-glas voor beglazing in buitengevelconstructies van bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat voldoet aan de KOMO-certificaten voor warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating of gasgevulde spouw, exclusief kozijnen of constructie waarin of waarop het glas gemonteerd wordt, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 1,2 W/m 2 Ken met: a: een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van ten minste 70% of b: met een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van ten minste 60% gecombineerd met een zontoetredingscoëfficiënt (ZTAN) van ten hoogste 40%. 2.1.F. Energieschermen voor het verminderen van het warmteverlies in bedrijfsgebouwen door het aanbrengen van beweegbare schermen, en bestaande uit: schermdoek niet zijnde een (AC)folie, dat blijkens een meting conform de Nationale Beoordelingsrichtlijn nr. 2365/01 d.d. 1994.01.19, een warmtedoorgangscoëfficiënt k 2 heeft van ten hoogste 8,0 W/m 2 K en een lichtdoorlatendheid Td 1 > 0,1, mechanisch bedieningsmechanisme. 2.1.G. Een kunststof lichttoetredingssysteem voor daglichttoetreding via dakconstructies van bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: kunststof panelen met een warmtedoorlatingscoëfficiënt (U-waarde) van maximaal 1,35 W/m 2 K en een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van minimaal 65%, profielen, afdichtingsmateriaal. 2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen. 3. Warmtehergebruik 3.1.A. Warmteterugwinning. 3.2.A. Systemen voor de aanwending van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van de besparingsnorm. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen. Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Verwarmingsnetten waarbij de warmte afkomstig is van nieuw te bouwen elektrisch vermogen worden uitgezonderd van deze regeling. 4. Efficiëntere verlichting 4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regel 4.2.A. Toepassing van efficiëntere 4.2.B. Een vlakkeplaatlamp of elektroluminescentieverlichting voor het verlichten of markeren van ruimten of niet-mobiele objecten door middel van elektroluminescentie tape of elektroluminescentie plaat, en bestaande uit: elektroluminescentietape of elektroluminescentieplaat, regelaar, voeding. 4.2.C. Energie efficiënt verlichtingssysteem voor: a. Binnenverlichting in bedrijfsgebouwen en bestaande uit: spiegeloptiek-armaturen in combinatie met hoogfrequent elektronisch voorschakelapparaat en fluorescentielampen, (eventueel) regelinstallatie voor het regelen van de verlichting afhankelijk van daglichtintensiteit, (eventueel) automatisch gedetecteerde aanwezigheid van personen, (eventueel) reagerend op veegpulsen, of b. Accent- en spotverlichting in bedrijfsgebouwen met uitzondering van tuinbouwkassen, en bestaande uit: armaturen met een bundelbreedte van maximaal 40º, die uitsluitend geschikt zijn voor compacte gasontladingslampen met elektronisch voorschakelapparaat, bijbehorende lampen, (eventueel) regelinstallatie of centrale lichtbron met een gasontladingslamp en met lichttransporterende kabels of c. Binnenverlichting in bedrijfsgebouwen met uitzondering van tuinbouwkassen, en bestaande uit: spiegeloptiekarmaturen die uitsluitend geschikt zijn voor compact fluorescentielampen met elektronisch voorschakelapparaat of hogedruk gasontladingslampen met elektronisch voorschakelapparaat, bijbehorende lampen, (eventueel) regelinstallatie voor aanwezigheidsafhankelijk schakelen, of d. Ruimteverlichting in koel- of vrieshuizen en bestaande uit: centrale lichtbron met een gasontladingslamp geplaatst buiten de gekoelde ruimte met lichtbuizen of lichtkanalen of lichttransporterende kabels naar de gekoelde ruimte. 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende B Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing van apparatuur of processen 1. De verbetering van de energie-efficiëntie 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regel 1.1.B. Een frequentieregelaar voor pompen, ventilatoren en compressoren voor het automatisch optimaliseren van het toerental van pompen, ventilatoren en compressoren door middel van frequentieregeling, en bestaande uit: frequentieregelaar, sensoren. 1.1.C. Een verbeterde expansieregeling voor koelinstallaties voor het optimaliseren van installaties voor het koelen van producten, processen of bedrijfsgebouwen, door middel van: a. elektronische expansieregeling, waarbij de expansie van een koelmedium in een koelcircuit elektronisch wordt geregeld, en bestaande uit: sensoren, pulsmodulerend of versterkt-thermisch of magnetisch of met een stappenmotor uit- Uit: Staatscourant 1999, nr. 72 / pag. 10 4

gerust gestuurd expansieventiel of een elektronisch expansieventiel, elektronische regeleenheid, of b. vloeistofonderkoeling voor het expansieventiel en bestaande uit: aan het expansieventiel gekoppelde warmtewisselaar, of c. het verzorgen van een constante druk van het condensaat bij de ventielinlaat, waardoor een lagere condensordruk mogelijk wordt, en bestaande uit: pomp, drukopnemers, regeleenheid. 1.2.A. Toepassing van efficiëntere 1.2.B. Een gasgestookt HR-frituurtoestel voor het bereiden van maaltijden door middel van een gasgestookt hoogrendement frituurtoestel, met een Gastec QA label (volgens Gastec criteria 174 en 175), of waarvan het thermisch rendement (gemeten volgens Gastec criteria nr 174) ten minste 75% bedraagt en de NO x uitstoot (gemeten volgens Gastec criteria nr 175) niet meer bedraagt dan: a. 40 ppm voor toestellen met een belasting t/m 40 kw, of b. 1 ppm per kw belasting voor toestellen met een belasting tussen 40 kw en 60 kw, of c. 60 ppm voor toestellen met een belasting van 60 kw of meer, en bestaande uit: hoogrendement gastoeste, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief au bain marie, bakplaat, e.d.. 1.2.C. Hoogrendementmotoren voor het aandrijven van proceswerktuigen, en bestaande uit: asynchrone elektromotoren met een rendement van: a. ten minste 92% bij een vermogen van minder dan 50 kw, b. ten minste 94% bij een vermogen van 50 tot 100 kw, c. ten minste 96% bij een vermogen van 100 kw of meer, gemeten volgens de voorschriften van de IEC. 1.2.D. Een warmtepomp of warmtepompboiler bestemd voor het opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte, waarbij de hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend voor processen, met uitzondering van omkeerbare systemen die uitsluitend buitenlucht als warmtebron benutten. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,2, en bestaande uit: compressie-warmtepomp of absorptiewarmtepomp op basis van een medium dat geen cfk s of hcfk s bevat en die gebruik maakt van procesrestwarmte of condensatiewarmte uit industriële koelinstallaties of luchtbehandelingsinstallaties, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) lage-temperatuur verwarmingsnet (bedrijfstemperatuur / ontwerp toevoertemperatuur verwarmingsnet maximaal 60 C), (eventueel) warmteopslagvat. 1.2.E. Energiezuinig koel- of vriesmeubel met label A / B voor: het gekoeld bewaren van levensmiddelen in de verkoopruimte, en bestaande uit: energiezuinig koelof vriesmeubel voorzien van TNO-label klasse A / B (eventueel) nachtafdekking, exclusief accessoires. 1.3.A. Additionele efficiency-verhogende 2. Vermindering van de warmte- of koellast 2.1.A. Thermische isolering. 3. Warmtehergebruik 3.1.A. Warmteterugwinning. 3.2.A. Systemen voor de aanwending van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van de besparingsnorm. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen. Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Verwarmingsnetten waarbij de warmte afkomstig is van nieuw te bouwen elektrisch vermogen worden uitgezonderd van deze regeling. 4. Efficiëntere verlichting 4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regel 4.2.A. Toepassing van efficiëntere 4.2.B. Energie efficiënte verlichtingssysteem voor: a. terreinverlichting en bestaande uit: spiegeloptiek-armaturen in combinatie met hoogfrequent elektronisch voorschakelapparaat en fluorescentielampen, (eventueel) regelinstallatie voor het regelen van de verlichting afhankelijk van daglichtintensiteit, (eventueel) automatisch gedetecteerde aanwezigheid van personen, (eventueel) reagerend op veegpulsen, of b. buitenverlichting voor bedrijfsterreinen, of publieke terreinen, of openbare wegen, en bestaande uit: armaturen, exclusief lampen, exclusief lantaarnpalen en exclusief aansluiting op het elektriciteitsnet, die uitsluitend geschikt zijn voor gasontladingslampen met hoogfrequent elektronisch voorschakelapparaat en die geen aparte starter bevatten. Het lamprendement dient te voldoen aan: lichtstroom/p(systeem) > 60 Lumen/Watt bij lagedruk kwikfluorescentielampen lichtstroom/p(systeem) > {0,4 * P(systeem) + 98} Lumen/Watt bij andere soorten gasontladingslampen. P(systeem) is het totaal opgenomen vermogen van het gehele lichtconversiesysteem en de lichtstroom betreft de lichtstroom van de kale lamp. 4.2.C. LED s in verkeerslichten bij wegen of vaarwegen of seinen bij spoorwegen, en bestaande uit: light emitting diodes (led s) inclusief armatuur of behuizing exclusief palen, exclusief regeling en exclusief aansluiting op het elektriciteitsnet. 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende C. Investeringen ten behoeve van het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing 1. Een warmtekrachtinstallatie voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis tenminste 70% bedraagt. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van aardgas. Uit: Staatscourant 1999, nr. 72 / pag. 10 5

D. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij transportmiddelen Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij voertuigen voor het vervoer over de weg, bij de binnenvaart of bij railgebonden voertuigen 1. Verbetering van de energie-efficiency 1.1.A. Toepassing van automatische meet en regelapparatuur 1.1.B. Een snelheidsbegrenzer voor bestelauto s en vrachtauto s voor goederenvervoer met een maximum massa beladen voertuig van ten hoogste 12.000 kg, en bestaande uit: snelheids- of toerentalbegrenzer. 1.2.A. Toepassing van efficiëntere 1.3.A. Additionele efficiency verhogende 1.3.B. Een driedimensionale dakspoiler voor het beter geleiden van de rijwind, ter vermindering van de aërodynamische weerstand van voertuigen met een maximum massa beladen voertuig van meer dan 3500 kg, en bestaande uit: 3-D dakspoiler van kunststof of staalplaat. 1.3.C. Een neuskegel of een spoiler intermodaal chassis voor het beter geleiden van de rijwind, ter vermindering van de aërodynamische weerstand van opleggers met een maximum massa beladen voertuig van meer dan 3500 kg, en bestaande uit: vast aan de oplegger of het chassis gemonteerde kunststof of metalen 3-D spoiler. 1.3.D. Lichtgewicht velgen voor wielen van vrachtwagens, trekkers en opleggers voor het transport van goederen over de openbare weg, met een maximum massa beladen voertuig groter dan 12 ton, en bestaande uit: velgen van aluminium of kunststof. 1.3.E. Zij-afscherming voor het verminderen van de aërodynamische weerstand van voertuigen in het goederenwegtransport door middel van panelen ter afsluiting van de open ruimte aan de zijkant van motorwagens, aanhangers, trekkers en opleggers die tevens voldoen aan de eisen voor de verkeersveiligheid conform EEG-richtlijn 89/297, en bestaande uit: zij-afscherming. 2. Vermindering van de warmte- of koellast 2.1.A. Thermische isolering. 2.1.B. Een lichtgewicht aramide koelcontainer bestemd voor het wegvervoer, railvervoer, watervervoer of intermodaal vervoer, en bestaande uit: koelcontainer of opbouw van koelwagens of -opleggers, exclusief het aanwezige koelaggregaat, met aramide wanden met een lengte van ten minste 6 meter en met een dikte van het isolatiemateriaal van ten minste 42 mm. Hierbij dienen alle zijwanden ten minste 220 g/m 2 aramideweefsel of -legsel te bevatten. 2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverlies. 3. Warmtehergebruik door 3.1.A. Warmteterugwinning 4. Efficiënte verlichting 4.1.A. Toepassing van automatische meet en regel 4.2.A. Toepassing van efficiëntere 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende E. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van duurzame energie 1. Zonne-energie 1.1.A. Conversie naar elektriciteit of warmte (met uitzondering van het gebruik van passieve zonne-energie). 1.1.B. Een foto-voltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk piek-vermogen van ten minste100 Watt, stroom/spanningsomvormers, (eventueel) accumulator. 2. Windenergie 2.1.A. Een windturbine voor het opwekken van elektrische energie en bestaande uit: windturbine met rotorbladen gecertificeerd volgens voorontwerp van de norm NEN 6096/2 en haar opvolgers, mast, netaansluiting. 3. Waterkracht 3.1.A. Conversie naar elektrische of mechanische energie. 4. Benutten of opslaan van omgevingswarmte 4.1.A. Een aardwarmtewinningssysteem voor het winnen van warmte uit diepe aardlagen ten behoeve van de verwarming van processen of van gebouwen, en bestaande uit: aardwarmtewinningsinstallatie, aansluiting op verwarmingsnet, (eventueel) lage-temperatuur verwarmingsnet (bedrijfstemperatuur verwarmingsnet maximaal 60 C). 4.1.B. Een grondwarmtewisselaar voor: a. het conditioneren van de temperatuur van lucht, bestemd voor gebruik in gebouwen ofbij processen, met behulp van ondergrondse buizen als warmtewisselaar, en bestaande uit: grondbuizen, ventilatoren, water/lucht-warmtewisselaar, of b. het koelen of verwarmen van water met behulp van een in het grondwater liggende warmtewisselaar, en bestaande uit: pomp(en), ondergrondse warmtewisselaar. 4.1.C. Een warmte- of koude-opslag in de bodem (aquifer) voor het opslaan van warmte of koude in de bodem met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve van het koelen of verwarmen van gebouwen of processen, en bestaande uit: een gesloten systeem met grondwaterbronnen/putten, die voor onttrekking en injectie worden gebruikt en waarbij de jaarlijkse netto thermische balans van de bodem nagenoeg neutraal is, grondwaterpompen, transportleiding van putten naar applicatievestiging, warmtewisselaar voor zover niet zijnde verwarmingsradiatoren. 5. Biomassa 5.1.A. Conversie naar mechanische of elektrische energie, warmte, of gasvormige, vloeibare of vaste energiedragers en waarbij sprake moet zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct. Onder biomassa wordt hier verstaan: houtafval, sloophout, snoeihout, Uit: Staatscourant 1999, nr. 72 / pag. 10 6

dunningshout en andere houtachtige stromen; stro, bermmaaisel, riet, kippenmest en overige agrarische residuen, exclusief natte drijfmest; residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten; oud papier en karton; steekvast papierslib en rioolwaterzuiveringsslib; specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen daarvan. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook of bijmenging van kunststoffen. 5.1.B. Een biomassavergassingsinstallatie voor het opwekken van warmte, mechanische of elektrische energie door het vergassen van biomassa, waarbij geen sprake mag zijn van bijstook of bijmenging van kunststoffen en waarbij wel sprake moet zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct en onder de voorwaarden dat het thermisch vermogen ten minste 100 kw bedraagt en het totaal energetisch rendement ten minste 35% bedraagt. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van de nuttig aangewende warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, en bestaande uit: vergassingsreactor, (eventueel) gasmotor of -turbine, (eventueel) rookgasreinigingsapparatuur, (eventueel) generator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) gasreinigingsapparatuur, (eventueel) warmtewisselaar. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E 5.1.A. 5.1.C. Een biomassaverbrandingsinstallatie voor het opwekken van warmte, mechanische of elektrische energie door verbranding van biomassa, en waarbij warmte nuttig wordt aangewend, onder de voorwaarden dat het thermisch vermogen ten minste 100 kw bedraagt en het totaal energetisch rendement ten minste 50% bedraagt. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van de nuttig aangewende warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof. Daarnaast mag geen sprake zijn van bijstook of bijmenging van kunststoffen en moet wel sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct, en bestaande uit: voorbewerkingsapparatuur, verbrandingsinstallatie, ketel, (eventueel) stoomexpansieturbine, (eventueel) rookgasreinigingsapparatuur, (eventueel) generator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E 5.1.A. 5.1.D. Een stortgaswinningsinstallatie voor het onttrekken van (stort)gas uit gestort afval, en het nuttig aanwenden van de daarin aanwezige energie met een rendement van ten minste 50%, en bestaande uit: stortgasonttrekkingssysteem, gasbehandelingsapparatuur, (eventueel) compressor, (eventueel) gasmotor, (eventueel) generator, (eventueel) warmtewisselaar. 5.1.E. Een biogasbenuttingsinstallatie voor het omzetten van biogas, afkomstig van anaërobe vergisting, in mechanische of elektrische energie of warmte, met een rendement van ten minste 50%, waarbij geen sprake mag zijn van bijstook of bijmenging van kunststoffen en waarbij wel sprake moet zijn van een netto opbrengst van energie gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct, en bestaande uit: gasbehandelingsapparatuur, (eventueel) compressor, (eventueel) gasmotor, (eventueel) generator, (eventueel) warmtewisselaar. 5.1.F. Een anaërobe-vergistingsinstallatie voor het anaëroob vergisten van organische reststromen of mest en het daarbij opwekken van warmte en mechanische of elektrische energie, waarbij een deel van de niet in mechanische of elektrische energie omgezette warmte nuttig wordt aangewend en het totaal energetisch rendement ten minste 35% bedraagt. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van mechanische of elektrische energie en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof. Daarnaast mag geen sprake zijn van bijstook of bijmenging van kunststoffen en moet wel sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct, en bestaande uit: reactor, menger, biogashouder, warmtewisselaar, silo, biogasbehandelingsapparatuur (eventueel) compressor, (eventueel) gasmotor, (eventueel) generator. 5.1.G. Een biomassavoorbewerkingsinstallatie voor het voorbewerken en opslaan van biomassa tot direct inzetbare brandstof, door middel van drogen of verkleinen of pelletteren of briketteren, waarbij geen sprake mag zijn van bijstook of bijmenging van kunststoffen en waarbij wel sprake moet zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct, en bestaande uit: ontvangstinstallatie, opslagsilo s, (eventueel) transportschroeven of -banden, (eventueel) verkleiningsapparatuur, (eventueel) droogapparatuur, (eventueel) pelletteer- of briketteer Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E 5.1.A. Artikel 2 Bij de investeringen voor de technische voorzieningen als omschreven in artikel 1 dient de energiebesparing voor de investeringen onder: A 1.1.A, A 1.2.A, A.1.3.A, A 2.1.A, A 2.2.A, A 3.1.A, A 3.2.A, A 4.1.A, A 4.2.A en A 4.3.A ten minste 0,25 m 3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde gulden te bedragen; B 1.1.A, B 1.2.A, B.1.3.A, B 2.1.A, B 3.1.A, B 3.2.A, B 4.1.A, B 4.2.A en B 4.3.A ten minste 0,5 m 3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde gulden te bedragen; D 1.1.A, D 1.2.A, D.1.3.A, D 2.1.A, D 2.2.A, D 3.1.A, D 4.1.A, D 4.2.A en D 4.3.A ten minste 0,25 m 3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde gulden te bedragen. Als referentie voor de berekening van de energiebesparing dient bij bestaande bouwwerken, bestaande processen en bestaande transportmiddelen het historisch energiegebruik. Bij nieuwe processen, nieuwe bouwwerken of nieuwe transportmiddelen dient het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij (soortgelijke) nieuwe investeringen Uit: Staatscourant 1999, nr. 72 / pag. 10 7

bij vergelijkbare toepassingen als referentie. De bovenstaande systematiek is ook van toepassing indien een besparing plaatsvindt op fossiele brandstoffen die bij de belastingplichtige als grondstof worden ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen. Met betrekking tot de investeringen omschreven onder C dient het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 70% te bedragen. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van aardgas. Ten aanzien van de investeringen omschreven onder E moeten deze voorzieningen er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door in belangrijke mate gebruik te maken van duurzame energie. Onder duurzame energie valt: zonne-energie, windenergie, waterkracht, het benutten of opslaan van omgevingswarmte en biomassa. Bij de nader omschreven bedrijfsmiddelen als omschreven in de (sub) paragrafen: A 1.2.B tot en met A 1.2 E, A 2.1.B tot en met A 2.1.G, A 4.2.B en A 4.2.C; B 1.1.B, B 1.1.C, B1.2.B tot en met B 1.2.E, B 4.2.B en B 4.2.C; D 1.1.B, D 1.3.B tot en met D 1.3.E en D 2.1.B, geldt geen energiebesparingsnorm. Artikel 3 Bij de berekening van de besparing gelden de volgende omrekenfactoren: 1 kwh elektrische energie komt overeen met 0,28 m 3 aardgas; 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 m 3 aardgas; 1 ton stookolie komt overeen met 1300 m 3 aardgas; 1 ton steenkool komt overeen met 925 m 3 aardgas; 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 m 3 aardgas. Uit: Staatscourant 1999, nr. 72 / pag. 10 8