Samenvatting van het arrest
|
|
|
- Simon Abbink
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 1 van 7 20/11/ :41 Zaak C 128/04 Strafzaak tegen Annic Andréa Raemdonck en Raemdonck-Janssens BVBA (verzoek van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde om een prejudiciële beslissing) Wegvervoer Sociale bepalingen Verordening (EEG) nr. 3821/85 Verplichting tot installatie en gebruik van tachograaf Verordening (EEG) nr. 3820/85 Afwijking voor voertuigen voor vervoer van materieel of uitrusting Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 maart 2005 Samenvatting van het arrest Vervoer Wegvervoer Sociale bepalingen Afwijkingen Verplichting tot installatie en gebruik van tachograaf Afwijkingen voor voertuigen voor vervoer van materieel of uitrusting Begrip Goederen noodzakelijk voor uitvoering van tot hoofdactiviteit van bestuurder behorende werken Hoofdactiviteit andere activiteit dan besturen van voertuig Daaronder begrepen (Verordeningen van de Raad nr. 3820/85, art. 13, lid 1, sub g, en nr. 3821/85, art. 3, lid 2) De in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer gebruikte begrippen materieel of uitrusting moeten in het kader van de bij artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer ingevoerde uitzonderingsregeling, die bepaalde voertuigen vrijstelt van de verplichte uitrusting met een tachograaf, aldus worden uitgelegd dat zij niet alleen betrekking hebben op gereedschappen en werkmiddelen, maar eveneens de goederen, zoals bouwstoffen of kabels, omvatten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de werken die tot de hoofdactiviteit van de bestuurder van het betrokken voertuig behoren. Een dergelijke activiteit, die in de zin van dat artikel 13, lid 1, sub g, niet kan bestaan in het besturen van het voertuig, moet de hoofdactiviteit van die bestuurder en niet die van de betrokken onderneming zijn. (cf. punten 16, 24 en dictum) ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 17 maart 2005(1) Wegvervoer Sociale bepalingen Verordening (EEG) nr. 3821/85 Verplichting tot installatie en gebruik van tachograaf Verordening (EEG) nr. 3820/85 Afwijking voor voertuigen voor vervoer van materieel of uitrusting In zaak C-128/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG,
2 2 van 7 20/11/ :41 ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde (België) bij beslissing van 19 januari 2004, ingekomen bij het Hof op 9 maart 2004, in de strafzaak tegen Annic Andréa Raemdonck, Raemdonck-Janssens BVBA, wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),, samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, A. La Pergola, J. P. Puissochet, U. Lõhmus en A. Ó Caoimh, rechters, advocaat-generaal: M. Poiares Maduro, griffier: R. Grass, gezien de stukken, gelet op de opmerkingen van: de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door K. Manji als gemachtigde, bijgestaan door M. Demetriou, barrister, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils als gemachtigde, gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten, het navolgende Arrest 1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, lid 1, sub g, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 370, blz. 1). 2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen de vennootschap naar Belgisch recht Raemdonck-Janssens BVBA (hierna: Raemdonck-Janssens ) en tegen A. A. Raemdonck, zaakvoerster van deze vennootschap, die worden verdacht van inbreuk op de bepalingen van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 370, blz. 8).
3 3 van 7 20/11/ :41 Toepasselijke bepalingen Bepalingen van gemeenschapsrecht 3 Verordening nr. 3821/85 eist dat voertuigen die voor het vervoer over de weg worden gebruikt, uitgerust zijn met een tachograaf. Artikel 14, lid 2, daarvan luidt als volgt: De onderneming moet de registratiebladen na het gebruik ten minste één jaar geordend bewaren; de onderneming verstrekt de betrokken bestuurders op verzoek een kopie van de registratiebladen. De registratiebladen moeten op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren worden overgelegd of overhandigd. 4 Ingevolge artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3821/85 mogen de lidstaten de in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 3820/85 bedoelde voertuigen van de toepassing van deze verordening vrijstellen. Zij stellen de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van alle krachtens bovengenoemde bepaling verleende vrijstellingen. 5 Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 3820/85 bepaalt: 1. Elke lidstaat kan voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken staat, voor het grondgebied van een andere lidstaat afwijkingen van de bepalingen van deze verordening toestaan voor vervoer dat wordt verricht met een voertuig dat behoort tot één of meer van onderstaande categorieën: [ ] [ ] g) voertuigen voor het vervoer van het materieel of de uitrusting die de bestuurder beroepshalve gebruikt, binnen een straal van 50 km rond de gebruikelijke standplaats van het voertuig, op voorwaarde dat dit vervoer niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is en dat door de afwijking de doelstellingen van de verordening niet ernstig worden geschaad. De lidstaten kunnen deze afwijking onderwerpen aan individuele voorwaarden; De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de afwijkingen die zij uit hoofde van dit lid hebben toegestaan. 6 In artikel 1, lid 3, van dezelfde verordening wordt de bestuurder omschreven als iedere persoon die het voertuig bestuurt, zelfs gedurende een korte periode, of die zich in het voertuig bevindt om het in voorkomende gevallen te kunnen besturen. Bepalingen van nationaal recht 7 De bepalingen van verordening nr. 3821/85 zijn in België ten uitvoer gelegd bij koninklijk besluit van 13 juli 1984 ( Belgisch Staatsblad van 4 oktober 1984, blz ), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 november 1987 ( Belgisch Staatsblad van 19 december 1987, blz ). Ingevolge artikel 1, tweede alinea, van dit besluit geldt de verplichte uitrusting met een tachograaf voor in België ingeschreven voertuigen die voor het vervoer over de weg worden gebruikt, niet voor de in bijlage 1 bij dat besluit vermelde voertuigen. Bijlage 1, B, punt 8,
4 4 van 7 20/11/ :41 vermeldt de voertuigen voor het vervoer van het materieel of de uitrusting die de bestuurder beroepshalve gebruikt, binnen een straal van 50 km rond de gebruikelijke standplaats van het voertuig, op voorwaarde dat dit vervoer niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is. Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag 8 De activiteit van Raemdonck-Janssens op het gebied van algemene infrastructuurwerken omvat horizontale boringen en vervolgens de aanleg van leidingen, kabels en telecommunicatienetwerken. Deze onderneming zet haar eigen chauffeurs, vijf in het totaal, in voor het vervoer van het noodzakelijke materiaal naar de bouwplaatsen. 9 Op 18 oktober 2001 werd een vrachtwagen van Raemdonck-Janssens gecontroleerd. Uit het onderzoek van de tachograafschijven van dit voertuig is gebleken dat W. Burm, de bestuurder daarvan, overuren had gemaakt. 10 Daarop heeft de ambtenaar die met de controle van de toepassing van de sociale wetgeving is belast, verzocht om toegang tot de registratiebladen van de tachografen over een periode van één jaar voor alle door Raemdonck-Janssens tewerkgestelde chauffeurs. Hij kreeg aanvankelijk alleen toegang tot de registratiebladen van het laatste kwartaal van 2001 voor Burm en tot diens individuele loonbriefjes met betrekking tot deze periode. Uit het onderzoek van deze documenten is gebleken dat Burm overuren had gemaakt zonder dat hem daarvoor overloon was uitbetaald of inhaalrust was verleend. Bovendien is vastgesteld dat Burm in strijd met de bepalingen inzake de uitvoering van bouwwerken op zaterdag had gewerkt. Nadien verkreeg de met de controle belaste ambtenaar eveneens toegang tot de individuele loonbriefjes van andere door Raemdonck-Janssens tewerkgestelde chauffeurs. Bij het aflezen daarvan is gebleken dat deze chauffeurs nooit waren vergoed voor overuren. 11 Het Openbaar Ministerie heeft bij de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde een strafprocedure ingeleid tegen Raemdonck en Raemdonck-Janssens. Verdachten stellen dat het door de onderneming verrichte vervoer onder de in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 bedoelde afwijking valt. De chauffeurs zijn in dienst genomen om het nodige materieel en de nodige uitrusting, namelijk graafmachines, kabels en tegels, naar de bouwplaatsen te brengen. Deze bouwplaatsen bevinden zich binnen een straal van 50 kilometer rond de zetel van deze onderneming. Volgens hen omvatten de begrippen materieel of uitrusting in de context van deze bepaling de bouwstoffen en het te installeren materiaal, zoals de kabels. 12 Van oordeel dat de bij haar aanhangige strafzaak betrekking heeft op bepalingen van gemeenschapsrecht, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: Moeten de begrippen het materieel of de uitrusting zoals opgenomen in artikel 13, [lid 1,] sub g, van verordening [...] nr. 3820/85 [...] zo worden uitgelegd dat het uitsluitend gaat om gereedschappen en werkmiddelen of vallen onder die begrippen daarentegen ook de voor de te verrichten bouwwerken noodzakelijke goederen die al dan niet samen met de gereedschappen en de werkmiddelen worden vervoerd, zoals bouwstoffen of kabels? Beantwoording van de prejudiciële vraag
5 5 van 7 20/11/ :41 13 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 gebruikte begrippen materieel of uitrusting in het kader van de bij artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3821/85 ingevoerde uitzonderingsregeling aldus moeten worden uitgelegd dat zij alleen betrekking hebben op gereedschappen en werkmiddelen, dan wel aldus dat zij eveneens de voor de uitvoering van de bouwwerken noodzakelijke goederen, zoals bouwstoffen of kabels, omvatten, die al dan niet afzonderlijk van de gereedschappen en werkmiddelen kunnen worden vervoerd. 14 Om een nuttig antwoord te kunnen geven op deze vraag moeten de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 bedoelde afwijking worden onderzocht, en moet tevens worden nagegaan welke strekking deze bepaling heeft. 15 Wat die voorwaarden betreft, betwijfelen de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie of deze in het hoofdgeding volledig zijn vervuld. Zij hebben met name vragen over het statuut van de bestuurders van de voertuigen waarmee materieel of uitrusting wordt vervoerd, en over de aard van de activiteiten die deze verrichten. Daarentegen wordt niet betwist dat de betrokken voertuigen binnen een straal van 50 kilometer rond hun gebruikelijke standplaats zijn gebruikt. 16 Volgens artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 is de bedoelde afwijking slechts van toepassing op voorwaarde dat het besturen van het voertuig niet de hoofdactiviteit van de bestuurder vormt. De bestuurder moet het betrokken materieel of de uitrusting bovendien beroepshalve gebruiken. Deze twee voorwaarden houden dus verband met de activiteiten van de bestuurder en niet met die van de betrokken onderneming. 17 Op basis van de gegevens waarover het Hof beschikt, kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de door Raemdonck-Janssens tewerkgestelde chauffeurs voldoen aan die vereisten. In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om gelet op de feiten van de zaak na te gaan of aan deze voorwaarden is voldaan. 18 Wat de uitlegging van de in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 gebruikte begrippen materieel of uitrusting betreft, betogen de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie dat deze niet alleen de gereedschappen en werkmiddelen omvatten, maar dat ook bouwstoffen en kabels daaronder kunnen vallen. 19 Deze uitlegging wordt bevestigd door de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, door de context waarvan zij deel uitmaakt en door de doelstellingen van de regeling waartoe zij behoort. 20 Allereerst zij opgemerkt dat een uitlegging van de begrippen materieel of uitrusting volgens welke deze alleen betrekking hebben op gereedschappen en werkmiddelen, niet overeenstemt met de bewoordingen van artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85. Het begrip uitrusting dekt weliswaar met name de door de bestuurder voor de uitoefening van zijn beroep vervoerde gereedschappen en werkmiddelen, maar het begrip materieel heeft een ruimere strekking en ziet ook op de voor de uitoefening van dit beroep benodigde materialen. 21
6 6 van 7 20/11/ :41 Wat vervolgens de context betreft waarin de begrippen materieel of uitrusting worden gebruikt, zij opgemerkt dat deze begrippen moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van de in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 gestelde voorwaarden, met name die welke voortvloeien uit de zinsdelen die de bestuurder beroepshalve gebruikt en op voorwaarde dat dit vervoer niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is. De bestuurder van een voertuig die het besturen daarvan niet als hoofdactiviteit heeft, kan zich voor de uitoefening van zijn beroep genoodzaakt zien, niet alleen gereedschappen en uitrusting te vervoeren maar ook materialen, zoals bouwstoffen, die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van dit beroep. Welnu, niets staat eraan in de weg dat deze materialen eveneens onder deze bepaling vallen. 22 Wat ten slotte het onderzoek van de doelstellingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling betreft, zij niet alleen gewezen op de doelstelling van de in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 bedoelde afwijking, maar ook op de doelstellingen die met laatstgenoemde verordening alsmede met verordening nr. 3821/85 worden nagestreefd. Vaststaat dat deze verordeningen de verkeersveiligheid en de arbeidsvoorwaarden van de bestuurders beogen te verbeteren. Deze doelstellingen komen met name tot uiting in de verplichting om de voertuigen voor vervoer over de weg uit te rusten met een tachograaf, waarmee de rij en rusttijden van de bestuurders kunnen worden gecontroleerd. 23 Zoals evenwel uit de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 3821/85 en uit artikel 13, lid 1, van verordening nr. 3820/85 blijkt, kunnen bepaalde voertuigen en bepaalde vormen van vervoer die daarmee worden verricht, zonder bezwaar van de werkingssfeer van de bij deze verordeningen ingevoerde regeling worden uitgesloten. De lidstaten kunnen immers onder bepaalde voorwaarden en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van deze regeling, voor hun grondgebied afwijkingen toestaan voor vervoer dat wordt verricht met voertuigen, als die welke worden bedoeld in het genoemde artikel 13, lid 1, sub g. Aangezien laatstgenoemde bepaling aan strenge toepassingsvoorwaarden is gebonden, kan een uitlegging van de begrippen materieel of uitrusting volgens welke deze eveneens voor de uitvoering van bouwwerken noodzakelijke goederen omvatten, niet indruisen tegen het nagestreefde doel, namelijk de verbetering van de verkeersveiligheid en de arbeidsvoorwaarden van de bestuurders. Deze uitlegging waarborgt overigens het nuttig effect van de afwijking waarin artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 voorziet. 24 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de in artikel 13, lid 1, sub g, van verordening nr. 3820/85 gebruikte begrippen materieel of uitrusting in het kader van de bij artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3821/85 ingevoerde uitzonderingsregeling aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet alleen betrekking hebben op gereedschappen en werkmiddelen, maar eveneens de goederen, zoals bouwstoffen of kabels, omvatten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de werken die tot de hoofdactiviteit van de bestuurder van het betrokken voertuig behoren. Kosten 25 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
7 7 van 7 20/11/ :41 Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht: ondertekeningen 1 Procestaal: Nederlands.
http://eur-lex.europa.eu/lexuriserv/lexuriserv.do?uri=celex:61992...
1 van 5 20/11/2008 15:07 Beheerd door Avis het juridique Publicatiebureau important 61992J0394 ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 9 JUNI 1994. - STRAFZAAK TEGEN MARC MICHIELSEN EN GEYBELS TRANSPORT SERVICE
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 7 september 2006 *
HEGER ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 7 september 2006 * In zaak C-166/05, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk)
ARREST VAN HET HOF (Zesde Kamer) 8 februari 1990*
ARREST VAN 8. 2. 1990 ZAAK C-320/88 ARREST VAN HET HOF (Zesde Kamer) 8 februari 1990* In zaak C-320/88, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Hoge Raad der Nederlanden,
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989*
SKATTEMINISTERIET / HENRIKSEN ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* In zaak 173/88, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Højesteret, in het aldaar aanhangig
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 9 november 2000 *
INGMAR ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 9 november 2000 * In zaak C-381/98, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de Court of Appeal (England
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 13 december 1989 *
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 13 december 1989 * In zaak C-322/88, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhangig
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 13 december 2001 *
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 13 december 2001 * In zaak C-206/00, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Tribunal administratif de Châlons-en-Champagne (Frankrijk), in
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 10 mei 2001 *
ARREST VAN 10. 5. 2001 ZAAK C-144/99 ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 10 mei 2001 * In zaak C-144/99, Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. van Nuffel als gemachtigde, bijgestaan
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 29 juni 1988*
ARREST VAN 29. 6. 1988 ZAAK 240/87 ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 29 juni 1988* In zaak 240/87, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het tribunal de grande instance
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen
JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1991 BLADZIJDEN I-1401 ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 20 MAART 1991. ERMINIA CASSAMALI TEGEN OFFICE NATIONAL DES PENSIONS. VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL
1 van 6 20/11/2008 16:10 Beheerd door Avis het juridique Publicatiebureau important 61999J0297 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 18 januari 2001. - Strafzaak tegen Skills Motor Coaches Ltd, B.J. Farmer,
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer) 26 april 2012 (*)
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer) 26 april 2012 (*) BTW Richtlijn 2006/112/EG Vrijstellingen Artikel 151, lid 1, sub c, Ontmanteling van verouderde schepen van Amerikaanse marine op grondgebied van lidstaat
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 22 september 1988*
ARREST VAN 22. 9. 1988 ZAAK 236/87 ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 22 september 1988* In zaak 236/87, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Landessozialgericht
ARREST VAN HET HOF VAN 12 DECEMBER 1974.
ARREST VAN HET HOF VAN 12 DECEMBER 1974. B. N. O. WALRAVE, L. J. N. KOCH TEGEN ASSOCIATION UNION CYCLISTE INTERNATIONALE, KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE WIELREN UNIE EN FEDERATION ESPANOLA CICLISMO. (VERZOEK
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 9 juli 1992 *
K" LINE AIR SERVICE EUROPE ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 9 juli 1992 * In zaak C-131/91, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel,
Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1995 bladzijden I-3551
Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1995 bladzijden I-3551 ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 26 OKTOBER 1995. S. E. KLAUS TEGEN BESTUUR VAN DE NIEUWE ALGEMENE BEDRIJFSVERENIGING. VERZOEK OM EEN
