Knowledge Portal. M en R 2015/102
|
|
|
- Robert van der Woude
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Knowledge Portal M en R 2015/102 Aflevering M en R 2015, afl. 7 Publicatiedatum Rolnummer /1/A4 Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 januari 2015 (Scholten-Hinloopen, Van den Broek, Jurgens) Annotator A. Collignon ECLI ECLI:NL:RVS:2015:65 Wetsbepaling (art. 2.6 Wabo) Download pdf Titel Mestvergistingsinstallatie Sterksel; beleidsvrijheid bij verlangen revisievergunning. Voortzetting jurisprudentielijn Wm. Met name het belang van een overzichtelijk vergunningenbestand kan reden kan zijn een revisievergunning te verlangen. De omstandigheid dat in het deel van een inrichting waarop de gevraagde veranderingsvergunning geen betrekking heeft, niet de beste beschikbare technieken worden toegepast, geeft geen aanleiding om het aanvragen van een revisievergunning te verlangen. Samenvatting Met name het belang van een overzichtelijk vergunningenbestand kan reden kan zijn een revisievergunning te verlangen. De omstandigheid dat in het deel van een inrichting waarop de gevraagde veranderingsvergunning geen betrekking heeft, niet de beste beschikbare technieken worden toegepast, geeft geen aanleiding om het aanvragen van een revisievergunning te verlangen. Partijen Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1], gevestigd te [plaats], gemeente Heeze-Leende, 2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 april 2014 in zaak nr. 13/774 in het geding tussen: de vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, en een aantal natuurlijke personen, wonend te Sterksel, Leende en Maarheeze, en het college. Tekst Procesverloop
2 Bij besluit van 18 december 2012 heeft het college aan [appellant sub 1] krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het veranderen of veranderen van de werking van haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], en daarbij mede een aantal voor de gehele inrichting geldende voorschriften ingetrokken en een aantal voorschriften gesteld. Bij uitspraak van 8 april 2014 heeft de rechtbank het door een aantal van de appellanten daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het door de vereniging Leefmilieu (hierna: Leefmilieu) en de overige appellanten daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 december 2012 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend. Leefmilieu heeft bij brief van 17 juni 2014 een stuk ingediend. Overwegingen Verleende en bestreden vergunning 1. Bij het besluit van 18 december 2012 heeft het college aan [appellant sub 1] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het veranderen en uitbreiden van de activiteiten en capaciteiten van de inrichting. Geen incidenteel hoger beroep 2. Leefmilieu heeft op haar stuk van 17 juni 2014 vermeld dat daarmee voorwaardelijk incidenteel hoger beroep wordt ingesteld Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 februari 2014 in zaak nr /1/A3 is voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt, niet beslissend dat uitdrukkelijk gesteld is dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling ( Kamerstukken II 2009/10, , nr. 3, blz. 23 en 24) is met het bieden van de mogelijkheid van het instellen van incidenteel hoger beroep beoogd een partij de bevoegdheid te geven om naar aanleiding van het principaal hoger beroep van een wederpartij alsnog ook zelf in hoger beroep te komen. Het incidenteel hoger beroep dient daarom gronden te bevatten die gericht zijn tegen de rechtbankuitspraak. Leefmilieu heeft in haar stuk geen gronden aangevoerd die zich richten tegen de rechtbankuitspraak, maar uitsluitend gereageerd op de door [appellant sub 1] en het college ingediende hoger beroepsgronden. Dit stuk van Leefmilieu is dus geen incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb, maar moet worden aangemerkt als een verweerschrift. 9. De rechtbank heeft geoordeeld dat de aanvraag voor de vergunning geen niet-technische samenvatting bevat waarin alle ingevolge artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling omgevingsrecht te verschaffen informatie is opgenomen, met name omdat niet alle belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden genoemd. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank hiermee heeft miskend dat het college in redelijkheid tot het oordeel mocht komen dat de bij haar aanvraag gevoegde niet-technische samenvatting in tabelvorm toereikend is om de aanvraag te behandelen Ingevolge artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling omgevingsrecht gaat de aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of in werking hebben van een inrichting vergezeld van een niet-technische samenvatting van de informatie die zo n aanvraag ingevolge het eerste lid moet bevatten.
3 Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 26 november 2003 in zaak nr /1) is de betekenis van deze samenvatting gezien de toelichting bij deze bepaling die destijds was opgenomen in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer dat voor een algemeen publiek voldoende inzicht bestaat om zich een oordeel te kunnen vormen over de vergunningaanvraag en de gevolgen die de inrichting voor het milieu zou kunnen hebben De aanvraag kent in tabelvorm een beschrijving van, kort weergegeven, de veranderingen van de activiteiten in de inrichting. De milieugevolgen van die veranderingen zijn niet in één samenhangende samenvatting beschreven, maar worden inzichtelijk gemaakt door met name de bij de aanvraag behorende rapporten. Het college staat op het standpunt dat de aanvraag hiermee ook voor een algemeen publiek voldoende inzicht geeft om zich een oordeel te kunnen vormen over de aanvraag en de gevolgen voor het milieu. Dit geldt volgens het college te meer daar de diverse milieugevolgen van de voorgenomen veranderingen op een ook voor het algemene publiek begrijpelijke wijze op een rij zijn gezet in onder meer het ten behoeve van de aanvraag opgestelde m.e.r.-beoordelingsbesluit. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich met deze motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag in dit opzicht voldoende informatie bevatte om deze in behandeling te nemen. De rechtbank heeft wat betreft dit punt ten onrechte geoordeeld dat het besluit tot vergunningverlening op dit punt niet aan de ter zake geldende regelgeving voldoet. Het betoog slaagt. 10. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat ten onrechte niet is verlangd dat een zogenoemde revisievergunning wordt gevraagd (onder gelijktijdige buiten behandeling stelling van de aanvraag om de veranderingsvergunning) doorslaggevend geacht, in de woorden van de Afdeling weergegeven, dat niet is beoordeeld of bij de bestaande activiteiten van de inrichting (met name groencompostering) de beste beschikbare technieken worden toegepast en dat in samenhang met de vergunde verandering geurvoorschriften met betrekking tot de gehele inrichting zijn gesteld [appellant sub 1] en het college betogen dat de door de rechtbank genoemde omstandigheden niet meebrengen dat geen veranderingsvergunning zou mogen worden gevraagd en verleend Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo kan het bevoegd gezag, voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting, en met betrekking tot die inrichting al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de inrichting na die verandering (de zogenoemde revisievergunning). Ingevolge het tweede lid moet het bevoegd gezag, indien het heeft bepaald dat een revisievergunning moet worden aangevraagd, besluiten om de aanvragen met betrekking tot de betrokken activiteit die daarop geen betrekking hebben, niet te behandelen. Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan artikel 2.6, eerste lid, komt het bevoegd gezag beleidsvrijheid toe. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met name het belang van een overzichtelijk vergunningenbestand reden kan zijn een revisievergunning te verlangen (Kamerstukken II, 1988/89, , nr. 3, blz. 31 en 2006/07, , nr. 3, blz. 100) De Afdeling heeft onder de werking van de Wet milieubeheer geoordeeld (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 18 juli 2007, zaak nr /1), dat de omstandigheid dat in het deel van een inrichting waarop de gevraagde veranderingsvergunning geen betrekking heeft, niet de beste beschikbare technieken worden toegepast, geen aanleiding geeft om het aanvragen van een revisievergunning te verlangen. Deze omstandigheid brengt immers niet mee dat bij verlening van de veranderingsvergunning een onoverzichtelijk vergunningenbestand zou ontstaan. Er is geen aanleiding om onder de werking van de Wabo op andere wijze te oordelen. Anders dan Leefmilieu gezien haar betoog ter zitting meent, staat het voorgaande niet op gespannen voet met de taak van het bevoegd gezag om waar nodig de voor een inrichting geldende vergunningen aan te passen met het oog op toepassing van de beste beschikbare technieken. Het bevoegd gezag is daartoe
4 immers, los van enige aanvraag om vergunning, ingevolge artikel 2.30 in samenhang met artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo bevoegd. In zoverre bestond geen aanleiding om een revisievergunning te verlangen Bij verlening van een vergunning voor het veranderen van een deel van de inrichting kan het nodig of wenselijk zijn om voorschriften te stellen die voor de gehele inrichting gelden, bijvoorbeeld omdat de verandering invloed heeft op een type emissie dat zowel afkomstig is van het bestaande deel van de inrichting als van het te veranderen deel. Onder de werking van de Wet milieubeheer werd dit niet in strijd met het stelsel van de wet geacht (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2012 in zaak nr /1/T1/A4). Hetzelfde heeft te gelden onder de werking van de Wabo. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning voor een inrichting wijzigen, ongeacht of dit gebeurt zonder of in combinatie met de verlening van een veranderingsvergunning. Dat in combinatie met de verlening van de veranderingsvergunning gewijzigde voorschriften worden gesteld voor de gehele inrichting, brengt niet mee dat een onoverzichtelijk vergunningenbestand ontstaat. Ook dit is dus geen reden om te verlangen dat een revisievergunning wordt gevraagd Gezien het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college vanwege de in het onveranderde deel van de inrichting gebruikte technieken en vanwege de keuze om voorschriften voor de gehele inrichting te stellen, niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verlangen van een aanvraag om een revisievergunning. De rechtbank heeft het besluit van 18 december 2012 ten onrechte op deze grond onrechtmatig geacht. Het betoog slaagt. Conclusie 12. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en het college zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd met uitzondering van de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Nu alle gronden waarop de rechtbank het besluit van 18 december 2012 onrechtmatig heeft geacht in hoger beroep geen stand houden en tegen de overige gronden geen hoger beroep is ingesteld, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit, voor zover ontvankelijk, alsnog ongegrond verklaren. Noot Noot 1. In de hier geannoteerde uitspraak vernietigt de Afdeling een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant op diverse onderdelen. In deze noot ga ik in op één onderdeel terug te vinden in r.o. 10, namelijk de vraag wanneer een revisievergunning mag worden verlangd. Ter signalering verwijs ik ook naar r.o. 9, waarin de Afdeling onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie uiteenzet welke informatie een aanvraag moet bevatten om voor een algemeen publiek voldoende inzicht te geven om zich een oordeel te kunnen vormen over de vergunningaanvraag en de gevolgen voor het milieu. Dat hoeft niet allemaal in één samenhangende niet-technische samenvatting. 2. Terug naar de revisievraag. Onderwerp van de procedures is een veranderingsvergunning voor een afvalstoffeninrichting. De inrichting wordt gedreven op basis van een revisievergunning d.d. 9 november Na die revisievergunning zijn er, tot aan de verandering die in de hier besproken uitspraak centraal staat, drie wijzigingen vergund; tweemaal in 2008 en eenmaal in Deze laatste wijziging zag op een milieuneutrale wijziging waarvoor een kortere procedure bestaat. Verder zijn er vier andere milieuneutrale wijzigingen geweest die onder het systeem van de oude Wm zijn toegestaan door meldingen op basis van art Wm (oud). 3. De in 2012 aangevraagde verandering die ziet op het veranderen en uitbreiden van de activiteiten en capaciteiten van de inrichting staat in de hier geannoteerde uitspraak centraal. Tegen de verlening van de veranderingsvergunning door GS van Noord-Brabant is beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 8 april 2014 ( MenR 2014/95, m.nt. Arentz) heeft de rechtbank het besluit vernietigd, onder meer omdat er ten onrechte geen revisievergunning is verlangd door het bevoegd gezag. Dit had volgens de rechtbank wel
5 moeten gebeuren omdat dan had kunnen worden bezien of voor de bestaande activiteiten de beste beschikbare technieken ( BBT ) worden toegepast. De rechtbank kwam hiertoe omdat met het vergunningsbesluit ook voorschriften zijn gegeven die op de bestaande activiteiten zien. De rechtbank oordeelde dat dit in het kader van een revisieaanvraag had moeten worden meegenomen. Vergunninghoudster en GS zijn in hoger beroep gegaan, en vergunninghoudster heeft hangende het hoger beroep een schorsing van de rechtbankuitspraak gevraagd en gekregen (ABRvS (vz.) 16 mei 2014, M en R 2014/105 ). 4. Het oordeel van de Afdeling is een voortzetting van de vaste jurisprudentielijn over de vraag wanneer een revisievergunning door het bevoegd gezag kan worden verlangd, zoals ik hierna nader zal toelichten. Daarnaast is het een voortzetting van de praktijk dat de Afdeling in dezen het oordeel van het bevoegd gezag volgt (zie o.a. V.M.Y. van t Lam, De (deel)revisievergunning in de Wm, Nieuwsbrief StAB 2008/4). Dat hangt samen met de beleidsvrijheid van het bevoegd gezag om al dan niet een revisievergunning te verlangen, zoals door de Afdeling standaard voorop wordt gesteld (zie in deze uitspraak r.o. 10.2). De uitspraak van de rechtbank was dan ook een afwijkende uitspraak die geen stand heeft gehouden. Dat is conform de door Arentz opgeworpen vraag in dit blad of de rechtbank zijn hand niet heeft overspeeld ( M en R 2014/95, zoals hiervoor aangehaald). 5. Voordat ik inga op de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling kort nog wat over het wettelijk systeem van de revisievergunning. Art. 2.6 lid 1 Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid te bepalen dat een revisievergunning moet worden aangevraagd in plaats van een ingediende veranderingsaanvraag voor een inrichting of mijnbouwwerk. De achterliggende gedachte is dat er een overzichtelijk vergunningenbestand voorhanden is ( Kamerstukken II 1988/89, 21087, nr. 3 p. 31). Het bevoegd gezag dwingt dit af door aanvragen die niet zien op de gewenste revisie buiten behandeling te laten (art. 2.6 lid 2 Wabo). Bestaande rechten moeten op basis van art. 2.6 lid 3 Wabo worden gerespecteerd tenzij er een zelfstandige bevoegdheid bestaat om de rechten te wijzigen (zie over de beperkte omvang van bestaande rechten o.a. ABRvS 17 april 2012, M en R 2012/51, m.nt. A. Collignon). Tot slot bepaalt art. 2.6 lid 4 Wabo dat eerdere omgevingsvergunningen voor milieu voor de inrichting vervangen worden door de revisievergunning zodra de revisievergunning in werking treedt, en de eerdere vergunningen vervallen bij het onherroepelijk worden van de revisievergunning. Art. 2.6 Wabo is hiermee bijna één-op-één een voortzetting van de bevoegdheid die art. 8.4 Wm gaf. Let wel: omdat milieuneutrale wijzigingen onder de Wabo veranderingsvergunningplichtig zijn geworden in plaats van de eerdere melding, geldt het stelsel van de revisiemogelijkheden onverkort voor milieuneutrale aanvragen (ABRvS 31 december 2014, M en R 2015/43, m.nt. Nijmeijer. Het is thans na opgeworpen vragen in de literatuur alleen niet duidelijk of de figuur van de deelrevisievergunning die onder de Wm expliciet werd toegestaan, onder de Wabo mogelijk is (zie o.a. de noot van Van der Velde bij ABRvS 31 december 2014, AB 2015/71 ). 6. Waarom verbaast de uitspraak van de Afdeling niet? Onder de oude Wm heeft de Afdeling reeds uitgesproken dat het bevoegd gezag beleidsvrijheid toekomt bij het al dan niet verlangen van een aanvraag om een revisievergunning indien een veranderingsvergunning is aangevraagd, en dat daarbij moet worden gekeken naar het belang van een overzichtelijk vergunningenbestand (o.a. ABRvS 16 december 2009, M en R 2010/47 ). De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak een koppeling gelegd tussen de BBT-beoordeling van de bestaande activiteiten en een onoverzichtelijk vergunningenbestand; omdat niet helder is of voor de bestaande activiteiten aan BBT wordt voldaan, terwijl er wel een samenhang is tussen de bestaande en nieuwe activiteiten omdat er met het bestreden besluit ook voorschriften aan de bestaande activiteit worden verbonden, is er geen duidelijk en overzichtelijk stelsel van voorschriften. De rechtbank sluit dan ook terecht aan bij het toetsingscriterium, maar legt daarbij wel een onjuiste koppeling. Eerder heeft de Afdeling namelijk al onder de Wm expliciet uitgesproken dat de vraag of de eerdere activiteiten voldoen aan de toepassing van BBT, geen te betrekken onderdeel is bij de vraag of een revisievergunning kan worden verlangd (ABRvS 18 juli 2007, JM 2007/130, m.nt. Zigenhorn; zie ook ABRvS 28 mei 2014, M en R 2015/4, m.nt. Arentz). Daarnaast kan het bevoegd gezag (wederom beleidsvrijheid) voorschriften voor bestaande activiteiten wijzigen. Ook als die wijzigingen onmiddellijk samenhangen met de aangevraagde veranderingen is dat geen aanleiding om een revisievergunning te verlangen (o.a. ABRvS 16 december 2009, MenR 2010/47). In de hier geannoteerde uitspraak geeft de Afdeling expliciet aan dat deze lijn onder de Wm wordt voortgezet onder de Wabo. Hoewel de wetgever hier al een voorschot op had genomen door in de memorie van toelichting op de Wabo uitdrukkelijk op te merken dat beoogd wordt de huidige praktijk te continueren ( Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, in de toelichting bij art. 2.7), heeft de Afdeling met deze uitspraak dit ook voor wat betreft de jurisprudentielijnen bevestigd. A. Collignon copyright Kluwer last update:
Knowledge Portal. M en R 2015/123
Knowledge Portal M en R 2015/123 Aflevering M en R 2015, afl. 8 Publicatiedatum 16-09-2015 Rolnummer 201311005/1/R4 Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 juli 2015 (Van Diepenbeek,
14-09. ABRvS 24 december 2013, nr. 201304161/1/A4 (Nijmegen) (ECLI:NL:RVS:2013:2610) Milieu/natuur/water
47 zitting betoogd dat deze stukken aldus mede namens haar dochtermaatschappijen, meer in het bijzonder namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cycleon Netherlands B.V. (hierna:
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Datum 27 januari 2016 ECLI:NL:RVS:2016:155
M en R 2016 afl. 5 Eventuele toekomstige gaswinning hoeft niet te worden betrokken bij de beoordeling of in verband met de exploratieboring een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Instantie Afdeling
Uitspraak /1/A1
pagina 1 van 5 Uitspraak 201506029/1/A1 Datum van uitspraak: woensdag 14 september 2016 Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug Proceduresoort: Hoger beroep Rechtsgebied:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BioEnergy-Maasland B.V., gevestigd te Maren-Kessel, gemeente Oss,
Knowledge Portal M en R 2013/92 Aflevering M en R 2013, afl. 7 Publicatiedatum 12-07-2013 Rolnummer 201205193/1/A4. Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 17 april 2013 (Van Kreveld)
ECLI:NL:RVS:2017:1997
ECLI:NL:RVS:2017:1997 Instantie Raad van State Datum uitspraak 26-07-2017 Datum publicatie 26-07-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201604542/1/A1 Eerste
Uitspraak /1/A1
Uitspraak 201701470/1/A1 Datum van uitspraak: woensdag 7 maart 2018 Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Staphorst Proceduresoort: Hoger beroep Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep
Inhoud. Te behandelen onderwerpen: 1. Onlosmakelijke samenhang
Inhoud Te behandelen onderwerpen: 1. Onlosmakelijke samenhang 2. Grondslag aanvraag omgevingsvergunning voor artikel 2.1 lid 1 onder e- activiteiten (milieu) 3. OBM en milieuneutrale verandering 4. Overig
PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen
PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is a publisher's version. For additional information about this publication click this link. http://hdl.handle.net/2066/77981
«JM» Milieueffectrapportage
(Kamerstukken II 2009/10, 30 654, nr. 76 en de bijlage bij deze gedoogbrief). Op grond van dit beleid kan tijdelijk gedoogd worden dat veehouderijen niet voldoen aan het Besluit huisvesting. Veehouderijen
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
Raad vanstate 201112733/1/V1. Datum uitspraak: 23 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen
Uitspraak /1/A1
Uitspraak 201803876/1/A1 Datum van uitspraak: woensdag 17 oktober 2018 Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck Proceduresoort: Hoger beroep Rechtsgebied: Kapvergunningen ECLI:
Uitspraak. Partijen. Auteurs: Verschenen in: Datum: Instantie:
Auteurs: Verschenen in: Datum: Instantie: Titel: mrs. M.A.J. West & D. Fejzović de Gemeentestem (Gst.), augustus 2018, Afl. 7476, Gst. 2018/116 augustus 2018 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
vanstate /1/V6. Datum uitspraak: 28 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad vanstate 201108441/1/V6. Datum uitspraak: 28 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het
ECLI:NL:RVS:2014:3998
ECLI:NL:RVS:2014:3998 Instantie Raad van State Datum uitspraak 05-11-2014 Datum publicatie 05-11-2014 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201403900/1/A3 Eerste
LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB
LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB Datum uitspraak: 20-01-2009 Datum publicatie: 04-02-2009 Rechtsgebied: Bijstandszaken Soort procedure:
ECLI:NL:CRVB:2013:2879
ECLI:NL:CRVB:2013:2879 Instantie Datum uitspraak 17-12-2013 Datum publicatie 19-12-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 13-211 WWB Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RVS:2001:AB2287
ECLI:NL:RVS:2001:AB2287 Instantie Raad van State Datum uitspraak 31-05-2001 Datum publicatie 13-11-2001 Zaaknummer 200003521/1 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht Omgevingsrecht
Knowledge Portal. M en R 2014/59
Knowledge Portal M en R 2014/59 Aflevering M en R 2014, afl. 4 Publicatiedatum 03-04-2014 Rolnummer 201211894/1/A1 Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 22 januari 2014 (Van Kreveld,
ECLI:NL:RVS:2016:2466
ECLI:NL:RVS:2016:2466 Instantie Raad van State Datum uitspraak 14-09-2016 Datum publicatie 14-09-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden 201506742/1/A3 Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. OGR-Updates.nl JOM 2017/58 AR 2017/177 Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7492
ECLI:NL:RVS:2017:20 Instantie Raad van State Datum uitspraak 11-01-2017 Datum publicatie 11-01-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201600568/1/A1 Bestuursrecht Hoger beroep
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7684, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:RVS:2017:313 Instantie Raad van State Datum uitspraak 08-02-2017 Datum publicatie 08-02-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201600609/1/A1 Eerste
Rb. Noord-Holland, , HAA 13/1804, ECLI:NL:RBNHO:2013:12968, BR Mr. J.M. Janse van Mantgem. Tijdelijke omgevingsvergunning
Rb. Noord-Holland, 31-12-2013, HAA 13/1804, ECLI:NL:RBNHO:2013:12968, BR Mr. J.M. Janse van Mantgem Tijdelijke omgevingsvergunning Tijdelijke omgevingsvergunning Omgevingsvergunning met instandhoudingstermijn
ECLI:NL:RVS:2015:3038
ECLI:NL:RVS:2015:3038 Instantie Raad van State Datum uitspraak 30-09-2015 Datum publicatie 30-09-2015 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201500566/1/A2 Bestuursrecht Hoger
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sita Recycling Services Zuid B.V., gevestigd te Arnhem,
Knowledge Portal M en R 2014/47 Aflevering M en R 2014, afl. 3 Publicatiedatum 22-01-2014 Rolnummer 201305129/1/A4 Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 22 januari 2014 (Van Kreveld,
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad vanstate 201 304470/1/RI. Datum uitspraak: 27 november 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke Jongeneel
Uitspraak /1/R2
pagina 1 van 5 Uitspraak 201404071/1/R2 Datum van uitspraak: woensdag 28 januari 2015 Tegen: Proceduresoort: Rechtsgebied: 201404071/1/R2. Datum uitspraak: 28 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
ECLI:NL:CRVB:2017:2833
ECLI:NL:CRVB:2017:2833 Instantie Datum uitspraak 09-08-2017 Datum publicatie 18-08-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/8007 ZVW Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RVS:2012:BY2512
ECLI:NL:RVS:2012:BY2512 Instantie Raad van State Datum uitspraak 07-11-2012 Datum publicatie 07-11-2012 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201203945/1/A2 Eerste
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State 201200615/1/V4. Datum uitspraak: 13 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad vanstatc 201112531/1/V1. Datum uitspraak: 11 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op
Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Infomil Wet milieubeheer Algemene wet bestuursrecht Awb, Procedures
Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu Infomil Wet milieubeheer Algemene wet bestuursrecht Awb, Procedures 16 juni 2016 Inhoudsopgave en antwoord 3 Wanneer treedt een besluit in werking?
ECLI:NL:RVS:2016:2348
ECLI:NL:RVS:2016:2348 Instantie Raad van State Datum uitspraak 31-08-2016 Datum publicatie 31-08-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201506454/1/A3 Bestuursrecht Hoger
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 31 december 2009 in zaak nr. 09/272 in het geding tussen:
Uitspraak 201001294/ 1/H2 gevonden via " pagina l van 5 Uitspraken ZAAKNUMMER 201001294/1/H2 DATUM VAN UITSPRAAK woensdag 13 oktober 2010 TEGEN het college van burgemeester en wethouders van Emmen PROCEDURESOORT
