Bepalingen over de ouderbijdrage
|
|
|
- Marleen de Smedt
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Bepalingen over de ouderbijdrage Jeugdwet 8.2. Ouderbijdrage Artikel De volgende personen zijn een ouderbijdrage verschuldigd in de kosten van de aan een jeugdige geboden jeugdhulp, voor zover deze jeugdhulp verblijf buiten het gezin inhoudt, of in de kosten van verblijf in een justitiële jeugdinrichting van een jeugdige die met toepassing van artikel 265b, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aldaar is geplaatst: a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige. 2. In afwijking van het eerste lid is in ieder geval geen ouderbijdrage verschuldigd indien: a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed; b. de ouders van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of ontzet, of c. het verblijf en de verzorging worden aangeboden in een acute noodsituatie, voor de duur van ten hoogste zes weken. 3. Indien ten aanzien van een jeugdige meer dan één van de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde personen de ouderbijdrage is verschuldigd, is ieder der bijdrageplichtigen de ouderbijdrage verschuldigd, met dien verstande dat indien de een heeft betaald, de ander is bevrijd. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de ouderbijdrage, waaronder regels ten aanzien van: a. de hoogte van de ouderbijdrage, b. de termijn waarbinnen de verschuldigde ouderbijdrage moet zijn voldaan, c. de wijze van invordering van de ouderbijdrage, en d. de overige uitzonderingsgronden voor het verschuldigd zijn van een ouderbijdrage. Artikel Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en er geen bedrag is bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is de ouder of stiefouder die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de jeugdhulp recht op kinderbijslag heeft, de ouderbijdrage verschuldigd.
2 Artikel De ouderbijdrage wordt vastgesteld en ten behoeve van de gemeente geïnd door het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast. 2. Het college doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast van de aanvang, de wijziging en de beëindiging van jeugdhulp waarvoor een ouderbijdrage is verschuldigd. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. Onze Ministers kunnen regels stellen over de wijze waarop deze mededeling wordt gedaan. 3. Het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning is belast kan de ouderbijdrage invorderen bij dwangbevel. Voor de toepassing van deze wet kan het bestuursorgaan executoriaal beslag onder derden leggen door van het dwangbevel in afschrift mededeling te doen aan de derde-beslagene. Artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. 4. De bijdrageplichtige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Het verzet vangt aan met een dagvaarding door de bijdrageplichtige als eiser aan degene die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat de mededeling dat de ouderbijdrage is opgelegd of de aanmaning ter zake niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de ouderbijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. 5. Het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast kan artikel 8.2.1, eerste lid, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel De bijdrageplichtige, bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, is verplicht aan het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast desgevraagd alle inlichtingen te geven die nodig zijn voor de vaststelling en inning van de ouderbijdrage. 2. De inlichtingen worden op verzoek schriftelijk verstrekt binnen een door het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast, schriftelijk te stellen, redelijke termijn. Artikel Indien naar het oordeel van Onze Ministers het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast zijn wettelijke taak niet naar behoren verricht, kunnen Onze Ministers bepalen dat de bevoegdheden die met die taak verband houden overgaan op Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel Het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast kan het burgerservicenummer van een persoon die een ouderbijdrage verschuldigd is, gebruiken: a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking heeft, en
3 b. in zijn contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het gebruik van het nummer. Artikel De rijksbelastingdienst verstrekt het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast de persoonsgegevens die voor die rechtspersoon noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel Verwerking van persoonsgegevens Artikel Het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de jeugdige en zijn ouders, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en inning van een bijdrage, voor zover deze op rechtmatige wijze zijn verkregen en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak ingevolge deze wet. 2. Het bestuursorgaan is de verantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid. Artikel De Sociale verzekeringsbank is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de jeugdige en zijn ouders, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor het verrichten van betalingen en het budgetbeheer, bedoeld in artikel 8.1.8, voor zover deze op rechtmatige wijze zijn verkregen en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak ingevolge deze wet. 2. De Sociale verzekeringsbank is de verantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid. Artikel Op het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast en op de Sociale verzekeringsbank, zijn de artikelen tot en met van toepassing. 2. De in het eerste lid bedoelde instanties kunnen van tot en met afwijken voor zolang dit noodzakelijk is met betrekking tot spoedeisende gevallen. In zodanig geval is artikel niet van toepassing. Artikel Op het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast en op de Sociale verzekeringsbank: a. zijn de artikelen tot en met van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 van overeenkomstige toepassing; b. is artikel van toepassing.
4 Artikel Indien de verschuldigdheid van een ouderbijdrage onderdeel uitmaakt van de rechten en verplichtingen als bedoeld in het tweede lid, verstrekt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen aan het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage is belast, ten behoeve van de goede uitvoering van de taak van dat bestuursorgaan, alsmede aan de gemeente waar de jeugdige als bedoeld in deze wet zijn woonplaats heeft en op wie het indicatiebesluit als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft, een afschrift van de in artikel 12, derde volzin, van de Wet op de jeugdzorg bedoelde formulieren. Artikel Het bestuursorgaan dat op grond van artikel 8.2.3, eerste lid, van deze wet met de vaststelling en inning van ouderbijdragen is belast, stelt een persoon aan die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, bedoeld in artikel 73 van de Wet op de jeugdzorg, in dienst is en die is belast met het vaststellen en innen van ouderbijdragen en in verband met die inwerkingtreding naar het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 8.2.3, overgaat. 2. Op een persoon als bedoeld in het eerste lid, zijn de rechtspositieregels die gelden voor de ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, van overeenkomstige toepassing. De in die regels neergelegde bevoegdheden, met uitzondering van de aan Ons dan wel de aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekende bevoegdheden tot stellen van regels worden uitgeoefend door het bestuursorgaan dat op grond van artikel 8.2.3, eerste lid, van deze wet met de vaststelling en inning van ouderbijdragen is belast. Voor zover in die regels is bepaald dat bevoegdheden worden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden deze bevoegdheden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel De Wet op de jeugdzorg wordt ingetrokken, met dien verstande dat: a. zij van toepassing blijft op de financiële verantwoording, vaststelling, uitbetaling van op grond van die wet verleende subsidies en uitkeringen en op de vaststelling en inning op grond van die wet van de ouderbijdragen, en b. hoofdstuk VII van de Wet op de jeugdzorg van toepassing blijft op het verstrekken en verwerken van gegevens die betrekking hebben op het laatste kalenderjaar voor die intrekking. 2. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Wet op de jeugdzorg zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van toepassing, die golden voor de intrekking van die wet. Indien het een besluit betreft dat is genomen door een stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, treedt het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft in de plaats van die stichting.
5 Besluit Jeugdwet Hoofdstuk 8 Financiën en verantwoording 8.1 Ouderbijdrage Artikel In deze paragraaf wordt verstaan onder: - verblijf: aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf bij een pleegouder of in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of in een justitiële jeugdinrichting; - ouderbijdrage: ouderbijdrage, bedoeld in artikel van de wet. Artikel De ouderbijdrage bedraagt: a. voor verblijf gedurende het etmaal: 1. van een jeugdige tot en met vijf jaar: 74,93 per maand; 2. van een jeugdige van zes tot en met elf jaar: 103,03 per maand; 3. van een jeugdige van twaalf tot en met twintig jaar: 131,12 per maand; b. voor verblijf gedurende een deel van een etmaal: de helft van het voor de jeugdige ingevolge het onder onderdeel a geldende bedrag per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt de leeftijd van de jeugdige op de eerste dag van de betreffende maand. 3. Bij regeling van Onze Ministers worden de bedragen, genoemd in het eerste lid, onder a, jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Artikel Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien aan een jeugdige nog jeugdhulp wordt geboden als bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, van de wet, nadat bezwaar is gemaakt tegen het besluit tot verlening van deze jeugdhulp. Het college stelt het bestuursorgaan dat met de inning is belast onverwijld in kennis van het bezwaar. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel is getroffen die tot verlening van zodanige jeugdhulp strekt of die deze noodzakelijk maakt. 3. Geen ouderbijdrage is verschuldigd door de ouder of stiefouder ten aanzien van wie de rechter op voet van de artikelen 406 en 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een bedrag heeft bepaald dat hij periodiek moet betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind of stiefkind. Artikel Onverminderd artikel 8.2.3, tweede lid, van de wet, stelt het bestuursorgaan dat met de inning is belast op verzoek van de bijdrageplichtige de verschuldigde ouderbijdrage buiten invordering, indien de bijdrageplichtige aantoont dat hij: a. algemene bijstand ontvangt als bedoeld in artikel 20, eerste lid, of artikel 23, eerste lid, onder a, van de Participatiewet,
6 b. een verstrekking ontvangt als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en geen ander inkomen heeft, c. zak- en kleedgeld ontvangt op grond van artikel 41 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden, of d. een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel ondergaat in een penitentiaire inrichting, in een inrichting voor de verpleging van ter beschikking gestelden, in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en geen inkomen heeft. Artikel De ouderbijdrage is verschuldigd over elke dag dat het verblijf heeft geduurd, daarbij inbegrepen de dag van aankomst en niet inbegrepen de dag van vertrek. Wordt het verblijf beëindigd op de dag waarop deze is aangevangen, dan is over deze dag de bijdrage verschuldigd. 2. Een ouderbijdrage die over een gedeelte van een maand is verschuldigd bedraagt het voor een maand geldende bedrag, gedeeld door 30 en vermenigvuldigd met het aantal dagen dat het verblijf heeft geduurd. Artikel De bijdrageplichtige betaalt de ouderbijdrage binnen dertig dagen nadat de beschikking is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. 2. Indien de ouderbijdrage geheel of gedeeltelijk niet tijdig is betaald, kan het bestuursorgaan dat met de inning is belast van een bijdrageplichtige als bedoeld in artikel van de wet het verschuldigde bedrag invorderen. Onverminderd het eerste lid is titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Artikel De ouderbijdrage wordt vastgesteld uiterlijk twaalf maanden na het tijdstip waarop het bestuursorgaan dat met de vaststelling en inning van de ouderbijdrage is belast van de oplegging ervan in kennis is gesteld. 2. Indien het bestuursorgaan dat met de vaststelling en inning van de ouderbijdrage is belast heeft verzuimd de ouderbijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan deze ouderbijdrage op een later tijdstip alsnog worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de ouderbijdrage wordt betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan twaalf maanden voor de dag waarop het besluit waarin de ouderbijdrage wordt vastgesteld, aan die persoon is verzonden. Artikel De ouderbijdrage wordt herzien uiterlijk twaalf maanden na het tijdstip waarop het bestuursorgaan dat met de vaststelling en inning van de ouderbijdrage is belast, in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging. 2. De herziene ouderbijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde ouderbijdrage. 3. Indien het bestuursorgaan dat met de vaststelling en inning van de ouderbijdrage is belast heeft verzuimd de ouderbijdrage te herzien binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan deze ouderbijdrage op een later tijdstip worden herzien, met dien verstande
7 dat de ingangsdatum van de periode waarover de ouderbijdrage wordt betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan twaalf maanden voor de dag waarop het besluit waarin de ouderbijdrage wordt herzien, aan die persoon is verzonden. 4. Voor zover de bevoegdheid tot herziening van de ouderbijdrage is vervallen op grond van het eerste lid, wordt de eerder vastgestelde ouderbijdrage van rechtswege definitief. Hoort bij: Factsheet: Ouderbijdrage in de Jeugdwet VNG, 25 november 2014
Factsheet. Ouderbijdrage in de Jeugdwet
JStelselwijziging Jeugd Factsheet Ouderbijdrage in de Jeugdwet Ouderbijdrage in de Jeugdwet In de Jeugdwet worden gemeenten verantwoordelijk voor de ouderbijdrage. Vanaf 1 januari 2015 gaat het CAK (Centraal
Aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming
anpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming VOORSTEL VN WET Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 299 Wijziging van de Drank- en Horecawet in verband met de introductie van de bestuurlijke boete Nr. 1 KONINKLIJKE BOODSCHAP Aan de Tweede Kamer
Ouderbijdrage Jeugdwet
Ouderbijdrage Jeugdwet 1 van 6 / Ouderbijdrage Jeugdwet Ouderbijdrage Jeugdwet Vanaf 1 januari 2015 vervangt de Jeugdwet de Wet op de Jeugdzorg. In de Jeugdwet is geregeld dat voor jeugdhulp, waarbij er
Ouderbijdragen Jeugdzorg
54066882_Brochure2008 03-01-2008 10:10 Pagina 1 Ouderbijdragen Jeugdzorg Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen LBIO 54066882_Brochure2008 03-01-2008 10:10 Pagina 2 Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen LBIO. LBOI_broch.OJ.indd 1 12-01-2009 16:38:59
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen LBIO Ouderbijdragen jeugdzorg LBOI_broch.OJ.indd 1 12-01-2009 16:38:59 Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is een incassobureau dat in opdracht van
Wij Willem Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, enz. enz. enz.
34 154 Voorstel van wet van de leden Recourt en Van der Steur tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de herziening van het stelsel van kinderalimentatie (Wet
Bijlage: 3 Onderwerp: Opschorting uitvoering Ouderbijdrage Jeugdwet (OBJW) 2015 en gevolgen voor ouders
In Holland Rijnland werken samen: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude
BELEIDSREGEL BIJSTANDSVERHAAL 2015
BELEIDSREGEL BIJSTANDSVERHAAL 2015 Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht; BESLUIT: Vast te stellen het volgende BELEIDSREGELS BIJSTANDSVERHAAL 2015 FORMELE GRONDSLAG Wettelijk kader 1.
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2015 2016 34 238 Wijziging van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met het wettelijk regelen van kwaliteitseisen
Zorgverzekeringswet. Zorgverzekeringswet
Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (), laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 15178 (uittreksel) Zorgverzekering
BELEIDSREGELS TERUGVORDERING PARTICIPATIEWET GEMEENTE HELLEVOETSLUIS
BELEIDSREGELS TERUGVORDERING PARTICIPATIEWET GEMEENTE HELLEVOETSLUIS Het college van de gemeente Hellevoetsluis B E S L U I T : Vast te stellen: De volgende beleidsregels terugvordering Participatiewet
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2014 131 Wet van 12 maart 2014 tot aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2009 383 Wet van 28 augustus 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met doeltreffendere rechtsmiddelen tegen niet tijdig beslissen
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 621 Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet
Wet op de jeugdzorg REGELING PLEEGZORG
Nadere regelgeving Wet op de jeugdzorg REGELING PLEEGZORG Tekst zoals deze geldt op 29 januari 2011 van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 december 2004, nr. DJB/JZ- 2540277,
Handreiking Ouderbijdrage jeugdwet. Versie: 30 januari 2015
Handreiking Ouderbijdrage jeugdwet Versie: 30 januari 2015 1 1. Waarom deze handreiking? Gemeenten bepalen vanaf 1 januari 2015 welke ouders een ouderbijdrage opgelegd krijgen. De VNG heeft over de ouderbijdrage
Beleidsregels terugvordering & verhaal WWB, IOAW, IOAZ
Beleidsregels terugvordering & verhaal WWB, IOAW, IOAZ Afdeling Samenleving, mei 2010 HOOFDSTUK 1 TERUGVORDERING ALGEMENE BEPALINGEN 1 Algemeen Alle begripsbepalingen die in deze beleidsregels worden gebruikt
==================================================================== Artikel 1
Intitulé : LANDSBESLUIT, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van enkele artikelen van het Wetboek van Strafvordering van Aruba (AB 1996 no. 75) inzake de verlening van toevoegingen in strafzaken
Regels ter implementatie van richtlijn (EU) 2016/1148 (Cybersecuritywet)
consultatieversie 16 juni 2017 Regels ter implementatie van richtlijn (EU) 2016/1148 (Cybersecuritywet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen
Gelet op artikel 97, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006 [Regeling vervalt per 01-04-2015.] Zichtdatum 07-02-2018 Geldend van 01-01-2010 t/m 31-03-2015 Regeling uitkering substantieel bezwarende functies
Artikel 1 Verhaal van bijstand Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand:
GEMEENTEBLAD Officiële uitgave van gemeente Apeldoorn. Nr. 9486 24 februari 2014 Beleidsregels verhaal WWB 2013 BESLUIT: Het college van de gemeente Apeldoorn; gelet op de artikelen 61 en 62 van de Wet
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2016-2017 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de afschaffing van de voorwaardelijke invrijheidstelling en aanpassing van de voorwaardelijke
Beleidsregels terugvordering & verhaal WWB
Beleidsregels terugvordering & verhaal WWB Afdeling Samenleving, november 2009 HOOFDSTUK 1 TERUGVORDERING ALGEMENE BEPALINGEN 1 Algemeen Alle begripsbepalingen die in deze beleidsregels worden gebruikt
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waddinxveen
Beleidsregels briefadres Gemeente Waddinxveen 2014 Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd 1. Wet basisregistratie personen (wet BRP), artikelen 2.23, 2.39, 2.40, 2.41,
Regeling Briefadres gemeente Zoeterwoude 2014
Regeling Briefadres gemeente Zoeterwoude 2014 Het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude, gelet op: - artikelen 2.23, 2.40, 2.41, 2.42, 2.45 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP);
Gemeente Nijkerk Verordening jeugdhulp
Gemeente Nijkerk Verordening jeugdhulp versie 6-24072014 De raad van de gemeente Nijkerk; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [9 september 2014]; gelet op de artikelen
Verordening jeugdhulp
Verordening jeugdhulp De raad van de gemeente...; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van... 2014 met nummer...; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid,
Beleidsregels terugvordering & verhaal WIJ
Beleidsregels terugvordering & verhaal WIJ Afdeling Samenleving, januari 2010 HOOFDSTUK 1 TERUGVORDERING ALGEMENE BEPALINGEN 1 Algemeen Alle begripsbepalingen die in deze beleidsregels worden gebruikt
