AANVULLING VAN HET OFFICIERSKADER.

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "AANVULLING VAN HET OFFICIERSKADER."

Transcriptie

1 AANVULLING VAN HET OFFICIERSKADER. Men heeft wel eens beweerd dat het in geenen deele noodig is, maatregelen te nemen waardoor, onfeilbaar ieder jaar, een zeker aantal officiersplaatsen voor de onderofficieren wordt beschikbaar gesteld, dewijl er tot nog toe altijd belangrijk meer aspiranten voor dan vacatures in den rang van 2den luitenant zijn geweest. Hierop kan worden geantwoord, dat men ook geenszins aan het ten allen tijde aanwezig zijn eener voldoende hoeveelheid van aspiranten behoeft te twijfelen, maar tevens dat men zich bij het plotseling aangroeien der behoefte met zeer onvoldoend^ stof zal moeten tevreden stellen. Reeds thans, in dagen van rust en kalmte, kost het meer en meer moeite en opofferingen, niet orn het getal, maar wel om de vereischte kwaliteit te vinden. Aan de eerste examens na 1830 namen jongelieden deel die, bij hunne bataillons en in hunne vrije uren, een' cursus hadden gevolgd, dooreen hunner officieren uit welwillendheid voor hen gehouden. Er werd maar eens daags les gegeven, en noch leerlingen noch onderwijzers waren vrij van eenige dienst. Later moest men tweemaal daags les geven; de aspiranten konden daardoor aan sommige diensten geen deel nemen, de onderwijzer evenmin, en voor den een' zoowel als voor de anderen moesten kameraden invallen, die van de zaak hoegenaamd geen voordeel hadden. Al weder later werd liet nog erger. Wilde men de aspiranten niet al te weinig beslagen ten ijs brengen, dan moest men hen en hunnen onder wijzer, eenige maanden voor het examen, geheel van de dienst vrij stellen, ten einde hun gelegenheid te geven zich uitsluitend aan de studie wijden. Kameraden waren weder de slachtoffers, en de taak van den onderwijzer werd bovendien allengskens belangrijk genoeg om hem met eene jaarlijksche gratificatie te beloonen. Maar ook dit was niet voldoende; de stof waaruit men officieren moest vormen liet nog altijd te wenschen over. Men /ag zich verplicht de aspiranten in twee garnizoenen te vereenigen en afzonderlijke inrichtingen van onderwijs voor hen te stichten. Dit ging gepaard met niet onaanzienlijke

2 643 l kosten. De formatie der infanterie werd bovendien met acht luitenants vermeerderd, om aan die inrichtingen werkzaam te zijn. Ieder dezer H.H. bekwain ecne toelage van ƒ 200 'sjaars. De jongelieden werden er voor een jaar gedetacheerd, aanvankelijk met titulaire onderofficiersrangen, en dus met soldaten-tractemeut, doch thans grootendeels in hunne eflective rangen, zoodat hunne plaatsen bij de regementen, waartoe zij behooren, onvervuld blijven en kameraden hun dienst moeten verrichten. De gewone cursus die bij de regementen infanterie werd gehouden, is blijven bestaan en slechts in naam en eenigzins in omvang gewijzigd. Hij heet 2de klasse van den Wetenschappelijken Cursus, en gaat niet verder dan noodig is om de jongelieden op de beide bedoelde hoofdinrichtingen van onderwijs te brengen. Een officier die eene toelage geniet van ƒ 200, wordt er door aan zijn gewonen werkkring onttrokken. De aspiranten ontvangen tweemaal daags les en moeten dus van sommige diensten vrij zijn. Behalve dezen cursus wordt er bij de korpsen nog een andere gehouden, die ten doel heeft de jongelieden op den zoo even genoemden te brengen. De eischen van bekwaamheid werden voor de aanstaande officieren slechts weinig verhoogd, in weerwil der betere gelegenheid die hun gegeven werd om zich in staat te stellen er aan te voldoen. Wanneer men het programma van 1826 vergelijkt met dat van 1869, dan staat men verbaasd over het weinige dat meer gevorderd wordt, nadat de wereld 43 jaren lang in wetenschappelijke ontwikkeling is vooruit gegaan. Eene oude en zeer schoone instelling veranderde daarenboven, door al het genoemde, geheel van aard. Er was een ligter examen voorgeschreven, waaraan zich konden onderwerpen oude en zeer verdienstelijke onderofficieren, die in hunne jeugd geen voldoende opleiding hadden genoten om zich de bekwaamheden voor het zwaarder examen eigen te maken, maar van wie men regt had te verwachten dat zij degelijke praktische officieren zouden zijn. Deze krijgen nu tot concurrenten les fruits secs van den hoogeren cursus. Sukkelaars en stumpers, die jaren achtereen dien cursus hebben bijgewoond, en langer of korter vrij van dienst zijn geweest, zonder ooit de bekwaamheden van het zwaarder examen te kunnen magtig worden, kapen nu plaatsen weg, bestemd voor diezelfde oude onderofficieren, die intusschen hun dienst hebben verricht. Dit is tegenwoordig de stand van zaken, en er blijkt mijns inziens onwederlegbaar uit, dat de stof, die zich bij het leger aanbiedt om officier te worden, in wetenschappelijk gehalte van jaar tot jaar minder wordt. Immers, de middelen om dat gehalte op de vereischte hoogte te brengen, zijn van jaar tot jaar moeten worden uitgebreid, ten koste der schatkist en onder het opleggen van lasten aan een aantal personen, tot het leger behoorende, die met de zaak niets gemeen hebben. Verschillende oorzaken hebben dien toestand in het leven geroepen. Het onzekere der kans op een voldoend aantal plaatsen waarnam' gedongen kan

3 644 worden, is er gewis eene van. Ouders en voogden die alleszins in staat waren hunne kinderen of pupillen eene goede opleiding te laten geven, moesten er meer en meer door teruggehouden worden, hen eenen stand te laten omhelzen, waarin men op rijper leeftijd nog bovendien eene schrale bezoldiging geniet, en waaraan geheel ontoereikende pensioenen zijn verbonden. Zelfs ouders die zich in minder gunstige omstandigheden bevonden, maar hunne zonen toch ongaarne, als onderofficier met of zonder pensioen, de dienst weder wilden doen verlaten, moesten huiverig worden hen voor den militairen stand te bestemmen. De examens, die thans niet eens geregeld ieder jaar gehouden worden, zijn vergelijkende examens geworden; er is geen sprake meer van slechts aan het programma te voldoen, men moet tot de zooveel of liever tot de zóó weinig kundigste behooren, als de Minister plaatsen heeft gelieven open te stellen. Ik moet bekennen dat het onfeilbaar zeker jaarlijks openstellen van een voldoend aantal plaatsen, alléén het kwaad niet zou vermogen te stuiten. Ik heb dan ook reeds toegegeven dat het nog andere oorzaken had. Op eene dezer, ontoereikende bezoldigingen en pensioenen, heb ik ter loops reeds gewezen. Eene andere is te zoeken in de inrichting van ons lager- en middelbaar onderwijs, en in het tijdperk van overgang waarin wij ons ten deze nog bevinden. Vóór 1858 strekte iedere lagere school haar programma zóó ver uit als de hoofdonderwijzer goed vond. Na dit jaar sprak de wet: tot hiertoe en niet verder. Het lager onderwijs werd om het meer algemeen te kunnen maken voor de behoeften die het hier geldt, op een inderdaad zeer laag peil gehouden; wat daarboven ging werd aan de hoogere burgerschool opgedragen. Zelfs de inrichtingen voor meer uitgebreid lager onderwijs mogten bijv. niet eens jongelieden opleiden tot kadet aan de Kon. Milit. Akademie. Een gevolg daarvan was o. a. ook, dat de kinderen de lagere school vroeger gingen verlaten dan weleer; hun cursus was geëindigd, wat zouden zij er langer doen? In de verslagen die jaarlijks aan de Staten-Generaal over het lager onderwijs worden aangeboden, vindt men geen melding meer gemaakt van leerlingen boven de 13 jaren. Hun getal is daartoe blijkbaar te onbeduidend. Gingen zij nu van de lagere school terstond naar de hoogere burgerschool, dan was het kwaad niet groot; maar dit is geenszins het geval. Het getal dezer scholen is daartoe te gering en zal wel altijd gering blijven in verhouding tot de behoefte. Slechts vrij aanzienlijke gemeenten kunnen ze bezitten, en een groot aantal ouders zijn buiten de mogelijkheid en zullen buiten de mogelijkheid blijven er hunne kinderen heen te zenden. Met het 13de of 14de jaar houdt derhalve voor de groote meerderheid der Nederlandsche knapen alle geregeld onderwijs op. De betrekkelijk weinigen die niet voor een enkel of voor een paar jaren, maar met het doel orn den geheelen cursus te doorloopeu, naar de hoogere burgerschool gaan, zijn niet

4 645 voor den krijgsstand bestemd, of zullen eeiie plaatsing op de Milit. Akademie zoeken. Uit de hierboven bedoelde groote meerderheid intusschen moeten wij onze aanstaande officieren putten. Deze hebben na het verlaten der lagere school tot zij bij de korpsen op den zoogenaamden Voorbereideuden Cursus komen, geen noemenswaard onderwijs genoten. Wat hun daarvan ten deel viel, hetzij bij het Instructiebataillon, hetzij op de inrichtingen van lager onderwijs bij de regementen, stond geheel in verband met hunne vorming tot rangen beneden dien van officier. Zij hebben dus 3, 4 of 5 jaren stil gestaan; zij zijn achteruit gegaan. Zelfs de hoogere cursus die bij het Instructie-bataillon met sommige meer ontwikkelde en beter onderwezene jongelingen wordt gehouden, kan dewijl hij natuurlijk geen hoofdzaak is ons dit nadeel niet vrijwaren. Men behoeft zich dus niet te verwonderen over de opofferingen die de Staat moet doen en over de moeilijkheden die hij zich moet getroosten om het officierskader voltallig te houden. Hij kon daarbij echter eenen beteren weg bewandelen dan dien welken hij thans volgt. Er moet partij getrokken worden van het middelbaar onderwijs. Aan jongelieden die den cursus eener hoogere burgerschool ten einde toe hebben gevolgd, moeten voordeelen boven andere worden aangeboden wanneer zij in het leger willen treden. Na een toelatings-exanien ondergaan te hebben, zou men hen kunnen aannemen ouder het vooruitzicht van na drie jaren tij ds, en al weder na voldoend examen, tot officieren te worden bevorderd, liet toelatings-exarnen moet loopen over alles wat de aanstaande officier uit de wis-, natuur- en letterkundige vakken behoort te weten. De cursus der hoogere burgerscholen gaat zelfs verder. Het eind-examen moet slechts de zuivere militaire vakken betreffen. Op die wijze zou men kundige officieren erlangen, en de taak deiopleiding zou in het leger zeer worden vereenvoudigd. Men moet den leeftijd, tot welken de kweekelingen der hoogere burgerscholen in het leger kunnen worden toegelaten, zoodanig stellen, dat zij, die bij de loting voor de militie een ongelukkig nommer trekken, en hetzij door gebrek aan middelen, hetzij doordien de wet het wellicht niet meer zal vergunnen, geen plaatsvervanger kunnen stellen, met den maatregel noch hun voerdeel kunnen doen. Daar de opleiding aan de Milit. Akadeniie korter duurt, aangenamer is, verder gaat en voor de toekomst kansen op een schoonere loopbaan geeft, zullen de twee instellingen elkaar geene schadelijke concurrentie aandoen. Mochten er te veel vrijwilligers voor driejaren komen, dan zijn aan deze noch altijd gunstige vooruitzichten te openen bij het Indische leger, waar men nog meer dan hier met moeilijkheden worstelt om het officierskorps uit wezenlijk geschikte stof compleet te houden. Dat men aan de gewone vrijwilligers niet alle kansen op den officiersraug zou mogen afsnijden, spreekt van zelf. Voor deze zou men als van ouds eenen Cursus bij de korpsen kunnen houden; maar al zeer spoedig zouden

5 de instellingen té 's Bosch en Maastricht ontbeerd kunnen worden, terwijl het leger uit den nieuwen stand van zaken nog groot voordeel zou trekken. Zonder bedenking blijft het echter, dat geregeld ieder jaar een voldoend aantal plaatsen zou moeten worden opengesteld; aan de hoogst onzekere kansen der laatste jaren onderwerpt zich niemand die beter kan. M I L IT A R l S M K. Militarisme is een nieuw woord, zoo ik mij niet bedrieg, uitgevonden op Belgischen bodem en van daar gecolporteerd door geheel Europa om er te worden gebruikt en misbruikt. Het is uitstekend geschikt om, volgens het recept van MEPHISTOPHELES, aich einzusteilen, eben wo Begriffen fehlen. Zijne etymologie is moeilijk te maken. Vóór zijn bestaan kende men reeds Archaïsmen, Gallicismen, Barbarismen en zelfs Idiotismen; de Catechismen der stadhuiswoorden-smeders verklaarden zelfs wat men door Sophismen en Morosophismen had te verstaan, doch al die woorden waren naar geheel andere regels gevormd. Het schijnt dat men, in onze dagen, meent de oude gebruiken die bij het vervaardigen van ismen werden in acht genomen, geweld te mogen aandoen om nieuwe Laconismen in de wereld te helpen. Ik zeg Laconismen, want het doel is toch met een enkel woord, veel, zeer veel te zeggen. Jammer slechts dat de duidelijkheid er soms onder lijdt, maar daar schijnt men niet veel om te geven en ebeit wo Begriffen fehlen enz. Wetende o. a. wat een barbarisme is, dan zou men, door toepassing van het analogisme, tot de gevolgtrekking komen, dat door militarisme moet worden verstaan eene uitdrukking die een bepaald militair karakter' heeft; zoo als: in de bres springen; de piek schuren; met het geweer op schouder 's lands i-aadzaal binnentreden; de alarm-trom roeren enz., enz. Zelfs pseudomilitarismen zijn er op dien weg te vinden, bijv. naar een WACHTWOORD handelen, eene uitdrukking waarvan onze dagbladen schromelijk veel misbruik maken en die eigenlijk niets dan onzin zegt. Men handelt niet naai' een wachtwoord of contresigne, maar wel naar een consigne. Ik moet evenwel bekennen, dat het woord militarisme slechts zelden in grammaticalen zin wordt gebezigd. Men spreekt schier nooit over een militarisme of over eenige militarismen, maar daarentegen, in de laatste tijden, zeer veel over HET militarisme. Ik herhaal, het is een nieuw laconisme, en men wil er mede zeggen: «hartstochtelijke althans groote ingenomenheid met het militaire wezen." Het behoor! in eene rubriek met Caesarisme, Bisrnarckisme, en in ons land met ïhorbeckisme en Groenianisme.