Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven aan de Hoogemierdseweg 37, te Lage Mierde, gemeente Reusel- De Mierden, NB. HOLLANDIA reeks 434

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven aan de Hoogemierdseweg 37, te Lage Mierde, gemeente Reusel- De Mierden, NB. HOLLANDIA reeks 434"

Transcriptie

1 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven aan de Hoogemierdseweg 37, te Lage Mierde, gemeente Reusel- De Mierden, NB HOLLANDIA reeks 434

2

3 COLOFON Hollandia reeks nr. 434 Titel: Toponiem: Gemeente: Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven aan de Hoogemierdseweg 37, te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden, NB Hoogemierdseweg - De Hasfels Reusel-De Mierden Onderzoeksmeldingsnummer Archis: Hoekcoördinaten: Auteur: Uitvoering: In opdracht van: Contactpersoon opdrachtgever: Wetenschappelijke leiding: (ZW) (NW) (NO) (ZO) K.T. Salomons A. Hakvoort (Senior KNA-archeoloog), J.T. Verduin (KNA-archeoloog) & K.T. Salomons (Archeoloog) Dhr. J. Huijbregts Dhr. J. Huijbregts M.J.J. Dautzenberg Autorisatie: Met medewerking van: Illustraties: J.T. Verduin K.T. Salomons, tenzij anders vermeld Definitieve versie: 2013 Oplage: 6 ISSN: Hollandia archeologen, Zaandijk 2013 HOLLANDIA archeologen Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk

4

5 Inhoudsopgave Samenvatting 7 1. Inleiding Algemeen Doel en onderzoeksvragen Opbouw rapport Onderzoeksgebied Stratigrafie Methode Onderzoeksresultaten Beantwoording van de onderzoeksresultaten Archeologische monumentenzorg Conclusie en advies 27 Literatuur 28 Bijlagen 29 Bijlage 1: Sporenlijst 30 Bijlage 2: Vondstenlijst 31 Bijlage 3: Allesporenkaart 32 Bijlage 4: Profielen 33 Bijlage 5: Archeologische perioden 34 Bijlage 6: Archeologische stappenplan 35

6

7 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37 7 Samenvatting Op 14 mei 2012 heeft Hollandia archeologen in opdracht van de heer J. Huijbregts een inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven uigevoerd op het perceel aan de Hoogemierdseweg 37, te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden. De directe aanleiding voor het uitvoeren van het archeologisch onderzoek is de wens om het perceel als bouwkavel aan te bieden. Eventuele archeologische waarden dienen in kaart gebracht te worden, alvorens het perceel als bouwkavel aangeboden kan worden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Reusel-De Mierden geniet het perceel een middelhoge archeologische verwachting op archeologische resten uit het neolithicum tot de nieuwe tijd. Doel van het inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven is om de vooropgestelde archeologische verwachting te toetsen. Hiermee wordt extra informatie gewonnen over de afen aanwezigheid van archeologica en worden eventuele archeologische vindplaatsen gewaardeerd. Met het inventariserend veldonderzoek zijn geen archeologische sporen aangetroffen uit het neolithicum tot en met de late middeleeuwen. Met het proefsleuvenonderzoek is aan het licht gekomen dat zich binnen het plangebied moesbedden bevinden. Op basis van aardewerk worden de moesbedden in de 18 de eeuw tot 20 ste eeuw gedateerd. Selectieadvies De aanwezigheid van moesbedden en de afwezigheid van archeologisch sporen leidt tot het advies om het plangebied vrij te stellen van archeologisch vervolgonderzoek. Er kunnen zich echter onverhoopt archeologische resten in de bodem bevinden. Als deze aan het licht komen tijdens grondroering, dienen deze archeologische waarden conform de Wet op de Archeologische Monumentenzorg onverwijld aan de gemeente Reusel-De Mierden gemeld te worden.

8 8 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37

9 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Inleiding Op 14 mei 2012 heeft Hollandia archeologen in opdracht van dhr. J. Huijbregts een inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd aan de Hoogemierdseweg 37 te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden. Aanleiding voor het archeologisch onderzoek is het plan om de grond als bouwgrond aan te bieden. Hiervoor dient de bouwgrond op eventuele archeologische waarden onderzocht zijn. Uit de gemeentelijke archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied zich binnen een zone bevindt met een middelhoge archeologische verwachting. Hierop is door de bevoegde overheid besloten dat een inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven uitgevoerd dient te worden (Berkvens 2012, 4). Het veldwerk is uitgevoerd door drs. A. Hakvoort (Senior KNA-Archeoloog, drs. J.T. Verduin (KNA-Archeoloog) en drs. K.T. Salomons (Archeoloog). Het onderzoek heeft in het archeologisch informatiesysteem ARCHIS2 onderzoeksmeldingsnummer toegekend gekregen. Naderhand wordt de onderzoeksdocumentatie aan het archeologisch depot van Noord-Brabant, te s-hertogenbosch, overgedragen. 1.2 Doel en onderzoeksvragen Het doel van het inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven is om te bepalen of zich archeologische resten in het plangebied bevinden en om deze te waarderen in verband met de selectieprocedure. Hiervoor zijn onderzoeksvragen opgesteld die beantwoord dienen te worden. Het programma van eisen is van de hand van mevr. R. Berkvens. De definitieve versie is goedgekeurd door mevr. drs. J. Bosman. Beide zijn werkzaam voor de SWE Milieudienst, die als archeologisch adviseur voor de gemeente Reusel-De Mierden optreedt. De onderzoeksvragen in het programma van eisen richten zich met name op het vaststellen van het type vindplaats, de aard, ligging, omvang, datering, gaafheid en conserveringstoestand ervan. Daarnaast richten de onderzoeksvragen zich ook op de relaties van de onderzoekslocatie met het landschap. Dit alles teneinde tot een waardestelling te komen, op basis waarvan besloten kan worden of de eventuele vindplaats behoudenswaardig is. In het programma van eisen zijn om deze redenen de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: - Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? - Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? - Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? - Welke post-depositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan?

10 10 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37 - Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? - Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang? - Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard /complextype /functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie - Kunnen per vindplaats meerdere bewoningsfasen onderscheiden worden? Zo ja in welke mate zijn deze aaneensluitend? - In hoeverre zijn binnen de site(s) op grond van de verspreiding van vondsten en/of grondsporen voormalige activiteitengebieden te onderscheiden en hoe moeten die geduid worden? - Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site-patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc? - Wanneer en waarom zijn de sites en het gebied in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? - Zijn de onderkant van het plaggendek ontginningssporen, zoals spitsporen of esgreppels, aanwezig? - Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? - Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het esdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming van dit esdek? - Wat is de invloed van het gevormde esdek op de archeologische niveaus? Dekt het esdek alle sporen af of zijn er ook sporen gegraven vanuit of door het esdek?

11 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Opbouw rapport Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk twee wordt het onderzoeksgebied nader beschreven. Het daaropvolgend hoofdstuk gaat over de gehanteerde methode voor het onderzoek (hoofdstuk 3). In hoofdstuk vier worden de onderzoeksresultaten behandeld. Vervolgens worden in hoofdstuk vijf de onderzoeksvragen beantwoord. Dat hoofdstuk wordt gevolgd door een archeologische waardebepaling van het onderzoeksgebied (hoofdstuk zes). In hoofdstuk zeven staat de conclusie en een advies met betrekking tot te nemen archeologische vervolgstappen km Uitgeest Afbeelding 1. De onderzoekslocatie, in rood met pijl, op de topografische kaart van Nederland (1:25000) en in kader binnen Nederland.

12 12 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37

13 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied bevindt zich aan de Hoogemierdseweg 37 te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden. De RD-hoekcoördinaten zijn: / (ZW), / (NW), / (NO) en / (ZO). De totale oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt 1430 m2. Deze oppervlakte behelst het gehele perceel dat in de toekomst als bouwkavel wordt aangeboden (zie afb. 2). Afbeelding 2. Overzichtsfoto van het onderzoeksgebied ten tijde dat het inventariserend veldonderzoek plaatsvond. Kijkrichting is naar het noorden.

14 14 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37

15 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Stratigrafie Het onderzoeksgebied bevindt zich in het beekdal van de Reusel. Aan de hand van de dwarsdoorsneden van de bodemopbouw is een duidelijk beeld verkregen van de geologie (zie afb. 3). In de natuurlijke ondergrond (C-Horizont) dagzoomde grindhoudend zand met leem, behorend tot de Sterksel formatie (Berendsen 2004, 137). Dit zijn fluviatiele afzettingen die aan het einde van het vroege pleistoceen werden afgezet door de Rijn, omstreeks jaar BP.1 Op de formatie van Sterksel bevindt zich dekzand (Formatie van Boxtel), dat ten tijde van de laatste ijstijd (Weichselien) door de wind is afgezet. In het Weichselien breidde het landijs zich uit, maar bereikte Nederland niet. Het landijs bevond zich ter hoogte van Engeland en Denemarken. Nederland was toentertijd een open poolwoestijn waar de wind een grote rol speelde in het verplaatsen van zanddeeltjes. Hierdoor ontstonden plaatselijk dekzandruggen. Ten westen van de onderzoekslocatie is een beekdal gelegen, waarvan de beek zelf heden ten dage genormaliseerd en gekanaliseerd is.2 Beekdalen zijn relatief lagergelegen, natte en voedselrijke gebieden die in het hogere, voedselarme en droge (dek)zandlandschap liggen (Berendsen 2005, ). De beken worden gevoed door regen- en grondwater. In de bovenloop zijn vooral voedselarme omstandigheden en in de benedenloop voedselrijke omstandigheden. Dit levert een beduidend verschil in de door grondwater gevoedde vegetaties. Meer stroomafwaarts zal er broekbos overheersen, in de benedenloop zullen zich vooral zeggemoerassen bevinden (Berendsen 2005, 269). De bodem binnen het onderzoekgebied bestaat uit een esdek, met een minimale dikte van 40 cm. Er zijn geen vondsten in het esdek aangetroffen. Onder het esdek zijn spitsporen waargenomen. Op de kadastrale minuur uit de 19de eeuw is te zien dat het gebied reeds in gebruik was als akker. Het esdek verhoudt mogelijk tot deze tijd. Afbeelding 3. Stratigrafische opbouw van het onderzoeksgebied. De toplaag betrof een opgebracht esdek. Daaronder bevond zich het dekzand behorende tot de formatie van Boxtel. Onderin dook de formatie van Sterksel op. Esdek Boxtel Sterksel 1 2 BP: Niet gecalibreerde jaren voor Mond. med. dhr. J. Huijbregts.

16 16 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37 wp2 wp1 25 m Afbeelding 4. Overzicht van de proefsleuven, geprojecteerd op de kadasterkaart. Met geel is het plangebied aangegeven. Het deel wat

17 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Methode De gehanteerde methode volgt de strategie die in het programma van eisen is bepaald (Berkvens 2012). Er is gekozen voor een karterend- en waarderend proefsleuvenonderzoek om de onderzoeksvragen te beantwoorden (Berkvens 2012, 12). Er zijn twee proefsleuven aangelegd, haaks op de Hoogemierdseweg. De eerste proefsleuf (werkput 1) had een lengte van 15,5 m. De tweede proefsleuf (werkput 2) had een lengte van 19,5 m. De breedte was 1,5 m. Hiervoor is gebruik gemaakt van een mobiele kraan met gladde bak. De totale oppervlakte van de proefsleuf was respectievelijk 23,25 en 29,25 m 2. De ligging wijkt af van de in het programma van eisen voorgestelde puttenplan. Reden hiervoor is de aanwezigheid van een boom ter hoogte van werkput 1 en een heg met daarachter een greppel, een boom en vervolgens de Hoogemierdseweg. 1 Werkput 2 is direct na de aanwezige heg aangelegd. Ook is de totale oppervlakte minder. Reden hiervoor was vooral de beperkte ruimte binnen het deel waar de proefsleuven oorspronkelijk gepland waren. Er bevonden zich binnen het onderzoeksgebied een stortbult, bouwmateriaal, een schuur en de eerder genoemde bomen. In de werkputten is een vlak op de schone C-horizont aangelegd en vervolgens gedocumenteerd. Beide vlakken lagen op 24,5 m +NAP. Het maaiveld bevond zich op 25,1 m +NAP. Conform het programma van eisen zijn verschillende profielkolommen gedocumenteerd die inzage gaven in de bodemopbouw. In totaal zijn drie profielkolommen (A,B en C) in werkput 1 gedocumenteerd. In werkput 2 zijn twee profielkolommen (D en E) gedocumenteerd. De profielen zijn analoog getekend (schaal 1:20) en beschreven middels de Archeologische Standaard Boorbeschrijving. Tijdens de aanleg van de vlakken is de grond met behulp van een metaaldetector onderzocht. De vlakken zijn gedocumenteerd conform OS02 tot en met OS10 uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.2. Daarvoor is onder andere gebruik gemaakt van een GPS-instrument om de sporen in te meten en de hoogtes te bepalen. Doorsneden door de sporen zijn analoog getekend (schaal 1:20). De sporen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijving. Vondsten afkomstig uit de sporen zijn per laag verzameld. 1 Vanwege het ontbreken van een goede foto van de situatie wordt verwezen naar Google streetview..

18 18 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg , ,02 25,24 25,10 24,98 S15 24,55 S16 25,13 24,47 S17 24,92 S14 S18 24,55 24,65 prof D S20 24,56 S13 S19 24,48 S21 24,52 25,09 S23 S25 S24 25,10 25,14 S22 24,55 25,05 S26 25,15 S28 S30 S27 24,53 prof E S29 25,25 25,05 S31 24,58 S33 25,17 S32 24,58 25,13 25,23 S34 24,62 25,14 25,00 S35 25,16 25,00 25,02 24,60 S2 25,06 24,51 25,05 25,11 24,95 S3 25,18 25,16 25,10 prof A 25,12 S1 24,51 prof B 25,12 24,97 S4 24,53 S13 24,97 S5 S6 24,56 S9 S10 24,47 24,92 S7 S12 25,16 25,01 24,54 24,52 S8 prof C 25,03 S11 25, cm 25,13 25,10 25, Afbeelding 5. Digitaal overzicht van de aangetroffen sporen in beide proefsleuven , ,02 25,10 24,98 S15 24,55 S16 24,47 S17 24,92 24,55 24,65 prof D 24,56 25,00 25,00 24,60 24,95 prof A 24, cm 25,24 25,13 24,48 24,52 25,09 S24 25,10 25,14 S13 24,55 25,05 25,15 24,53 prof E 25,25 25,05 S31 24,58 25,17 24,58 25,13 25,23 24,62 25,14 25,16 25,02 25,06 24,51 25,05 25,11 25,18 25,16 25,10 24,51 prof B 25,12 25,12 S13 24,53 24,97 24,56 24,47 24,92 S7 24,54 S12 25,16 25,01 24,52 prof C 25,03 S11 25,08 25,13 25,10 25, Afbeelding 6. Digitaal overzicht van de aangetroffen boomvallen (in bruin).

19 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Onderzoeksresultaten 5.1 Sporen en structuren Tijdens het inventariserend veldonderzoek zijn vijfendertig spoornummers uitgeschreven. Met uitzondering van S13 (vlak) zijn de sporen toegekend aan een paalgat, kuilen, boomvallen en moesbedden. Er zijn geen structuren aangetroffen. In totaal zijn eenentwintig moesbedden gedocumenteerd, die in beide proefsleuven over het grootste gedeelte aanwezig waren. De moesbedden reikten dieper dan het esdek, tot in het natuurlijke dekzand. Hierdoor zijn delen van het oorspronkelijke loopoppervlak opgegaan in de moesbedden. In profiel E is in een moesbed (S29/30) een fragment roodbakkend aardewerk en een fragment pijpaarde gevonden (V1). Het fragment aardewerk was aan de binnenzijde deels met loodglazuur bedekt. Dit fragment is waarschijnlijk te dateren in de 15 de tot begin 17 de eeuw na Chr. In combinatie met het fragment pijpaarde, dat zeer waarschijnlijk in de 18 de -20 ste eeuw dateert, komen de vondsten van elders en liggen zij niet meer in primaire context. Een terminus post quem dateert deze moesbed in de 18 de eeuw of later. Een extrapolatie van deze datering zou betekenen dat de overige moesbedden in dezelfde fase te plaatsen zijn. De datering komt overeen met bekende historische gegevens. Op de kadastrale minuut uit het begin van de 19 de eeuw is te zien dat het land als akkerland in gebruik was. Overigens is niet uit te sluiten dat de moesbedden zandwinningskuilen zijn of dat ze ter verbetering van het akkerland zijn aangebracht. Om meer inzicht te krijgen in het landgebruik binnen het onderzoeksgebied zou uitgebreid historisch onderzoek gewenst zijn. Op de plekken waar geen moesbedden aanwezig waren, vertoonden zich een paalgat, enkele kuilen en boomvallen. Het paalgat (S9) bevond zich in werkput 1. Het paalgat, met een afmeting van 30 bij 35 cm, was van recente aard. Eveneens van recente aard waren twee kuilen (S10 en S14) in respectievelijk werkput 1 en werkput 2. Spoor 10, met een breedte van 2,6 m, was gevuld met moderne bakstenen en mortel. De gehele afmeting van de kuil kon vanwege de omvang van de werkput niet worden gedocumenteerd. De eigenaar van de grond kon zich nog herinneren dat de vorige eigenaar hier een kuil gegraven had. Mogelijk verhoudt het daarnaast gelegen paalgat (S9) zich tot deze kuil. In werkput 2 werd eveneens een kuil aangetroffen (S14). Deze kuil had een diameter van 2,0 m en was 60 cm diep. In de kuil bevond zich kunststof en bakstenen, wat deze kuil eveneens recent maakt. Tot slot werd in werkput 2 een tweede kuil (S18) aangetroffen met een diameter van 60 cm. De kuil was 24 cm diep en opgevuld met bruin zand (Zs2). De vulling van de kuil doet vermoeden dat deze kuil van recente aard is. In de werkputten zijn in totaal negen boomvallen gedocumenteerd, van variërende omvang. Hieruit kan opgemaakt worden dat er in het verleden een bos gegroeid heeft, waarvan verschillende bomen door harde wind zijn omgevallen. Dit komt overeen met de geomorfologie dat het onderzoeksgebied zich in een beekdal bevindt, waar vanwege natte omstandigheden vegetatie kon groeien. Coupe s18 schaal 1:20 Foto 7 KS Wp2 w s43 s18 o Afbeelding 7. Coupetekening van S18. Dit spoor betreft vermoedelijk een recente kuil.

20 20 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg , ,02 25,24 25,10 24,98 24,55 25,13 24,47 24,92 24,55 24,65 prof D S20 24,56 S13 S19 24,48 S21 24,52 25,09 S23 S25 S24 25,10 25,14 S22 24,55 25,05 S26 25,15 S28 S30 S27 24,53 prof E S29 25,25 25,05 S31 24,58 S33 25,17 S32 24,58 25,13 25,23 S34 24,62 25,14 25,00 S35 25,16 25,00 25,02 24,60 S2 25,06 24,51 25,05 25,11 24,95 S3 25,18 25,16 25,10 prof A 25,12 S1 24,51 prof B 25,12 24,97 S4 24,53 S13 24,97 S5 S6 24,56 24,47 24,92 24,54 25,16 25,01 24,52 S8 prof C 25,03 25, cm 25,13 25,10 25, Afbeelding 8. Digitaal overzicht van de aangetroffen moesbedden (zwart) , ,02 25,10 24,98 24,55 24,47 24,92 S14 24,55 prof D 24,56 S18 24,65 24,48 25,24 24,52 25,13 25,09 25,14 25, ,05 24,55 25,05 S13 24,53 25,15 prof E 24,58 25,13 25,25 24,58 25,17 25,23 25,00 25,14 24,62 25,00 24,60 25,02 25, ,95 prof A 24,97 24,51 24,97 25,06 24,51 24,92 25,05 prof B 25,10 24,53 S13 24,56 25,01 25,03 25,12 S9 24,54 25,18 S10 24,52 25,11 25,16 25,12 24,47 25,16 prof C cm 25,08 25,13 25,10 25, Afbeelding 9. Digitaal overzicht van de aangetroffen recente (paal)kuilen (geel).

21 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Vondsten Er is een fragment aardewerk en een fragment steel van een keilen pijp aangetroffen (V1, n=2). Dit fragment aardewerk betreft roodbakkend aardewerk, waarvan de binnenzijde deels voorzien was van loodglazuur. Het kwam uit een moesbed (S29/S30). Het fragment dateert waarschijnlijk in de 15 de tot begin 17 de eeuw. Deze datering is gebaseerd op de magering, het spaarzaam aangebrachte loodglazuur en de kleur van het baksel. Ondanks dat roodbakkend aardewerk heden ten dage nog voorkomt, zijn dit de kenmerken voor een vroeg exemplaar. Samen met het fragment aardewerk werd een fragment van een steel van een kleien pijp gevonden. Op basis van de slanke vorm van het steeltje dateert deze waarschijnlijk in de 18 de of 20 ste eeuw. De samenhang van deze vondsten suggereert dat de vondsten van elders afkomstig zijn en in het moesbed terecht gekomen zijn.

22 22 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37

23 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Beantwoording van de onderzoeksvragen - Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? Er zijn geen overtuigende archeologische resten aangetroffen. De moesbedden kunnen uit de 18 de of 19 de eeuw stammen, maar een 20 ste eeuwse datering is eveneens mogelijk. De overige sporen, drie kuilen en een paalgat, waren van recente aard. Er zijn geen aanwijzingen dat er zich archeologische resten binnen het plangebied bevinden. - Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Ten grondslag aan het ontbreken van archeologische resten ligt wellicht het voorkomen van veel moesbedden die tot in het oude oppervlak reikten. Hierdoor zijn eventuele aanwezige archeologische sporen opgegaan in de moesbedden. - Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? De aanwezigheid van moesbedden over het gehele onderzoeksgebied heeft voor vergravingen gezorgd. Hierdoor zijn eventuele aanwezige archeologische sporen opgegaan in het moesbed. Er waren verder geen beperkende omstandigheden die er voor gezorgd hebben dat archeologische sporen als afwezig zijn gedocumenteerd. - Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. - Welke post-depositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan? Een belangrijk post-depositioneel proces dat zich binnen de onderzoeklocatie heeft afgespeeld, is het aanbrengen van moesbedden en een esdek. Het esdek heeft het oude oppervlak afgedekt. De moesbedden werden echter tot in het oude oppervlak gegraven, waardoor deze deels vergraven is. - Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. - Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang?

24 24 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37 Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. - Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard /complextype /functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. Er is geen sprake van een vindplaats. - Kunnen per vindplaats meerdere bewoningsfasen onderscheiden worden? Zo ja in welke mate zijn deze aaneensluitend? Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. - In hoeverre zijn binnen de site(s) op grond van de verspreiding van vondsten en/of grondsporen voormalige activiteitengebieden te onderscheiden en hoe moeten die geduid worden? Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. Er is geen sprake van een vindplaats. - Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site-patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc? Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. - Wanneer en waarom zijn de sites en het gebied in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. - Zijn de onderkant van het plaggendek ontginningssporen, zoals spitsporen of esgreppels, aanwezig? Er zijn onder het esdek spitsporen aangetroffen.

25 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? Deze vraag kan met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek niet beantwoord worden. Er is geen sprake van een vindplaats. Het onderzoeksgebied bevindt zich in een beekdal. - Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het esdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming van dit esdek? Aan de hand van het vondstmateriaal uit een moesbed in werkput 2 kan gesteld worden dat het esdek 18 de eeuws of jonger is. - Wat is de invloed van het gevormde esdek op de archeologische niveaus? Dekt het esdek alle sporen af of zijn er ook sporen gegraven vanuit of door het esdek? Het esdek dekt het sporenniveau op de natuurlijke ondergrond af. Het is vanwege dezelfde aard van de vullingen onduidelijk of het esdek de moesbedden afdekt, of dat de moesbedden door de esdekken heen zijn gegraven. Beide opties behoren tot de mogelijkheden. Dit kan betekenen dat men eerst moesbedden heeft aangebracht en vervolgens een esdek of dat de moesbedden later zijn gegraven. Het is niet uit te sluiten dat de moesbedden voor bijvoorbeeld bodemverbetering of zandwinning zijn gegraven.

26 26 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37

27 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Archeologische monumentenzorg Het voornaamste doel van het inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven is om de eventueel aanwezige archeologie te waarderen. Zodoende kan een selectieadvies geformuleerd worden of de vindplaats behoudenswaardig is. Op basis van dit selectieadvies besluit de bevoegde overheid over te nemen archeologische vervolgstappen. Om een vindplaats te waarderen is in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (versie 3.2) een richtlijn opgesteld. In deze richtlijn worden bepaalde aspecten onderscheiden die moeten worden gescoord met hoog (3) midden (2) en laag (1). De aspecten zijn de: -Beleving; -Fysieke kwaliteit; -Inhoudelijke kwaliteit. Met het onderzoek is geen vindplaats aangetroffen. De aantroffen sporen zijn van recente aard en behoeven als zodanig geen waardering. Op basis van deze resultaten wordt geadviseerd om het plangebied niet aan verder archeologisch onderzoek te onderwerpen.

28 28 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37

29 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Conclusie en advies Het inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven heeft geen archeologische resten opgeleverd uit het neolithicum tot late middeleeuwen. Het onderzoeksgebied bleek op veel plekken vergraven te zijn door moesbedden uit de 18 de tot 20 ste eeuw. Hoe en waarom de moesbedden zijn gegraven is met het archeologisch onderzoek niet vastgesteld. Tussen de moesbedden in zijn boomvallen waargenomen. De aanwezigheid van boomvallen komt overeen met het paleogeografische beeld van de aanwezigheid van beekdalvegetatie. Op basis van de afwezigheid van archeologische sporen en de aanwezigheid van moesbedden wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een archeologische vindplaats waar verder archeologisch onderzoek gewenst is. Om die reden wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven van archeologisch vervolgonderzoek. Selectieadvies De aanwezigheid van moesbedden en de afwezigheid van archeologisch sporen leidt tot het advies om het plangebied vrij te stellen van archeologisch vervolgonderzoek. Er kunnen zich echter onverhoopt archeologische resten in de bodem bevinden. Als deze aan het licht komen tijdens grondroering, dienen deze archeologische waarden conform de Wet op de Archeologische Monumentenzorg onverwijld aan de gemeente Reusel-De Mierden gemeld te worden.

30 30 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37 Literatuur Berendsen, H.J.A., 2004: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie, Assen. Berkvens, R., 2012: Archeologisch Programma van Eisen IVO-P Lage Mierde Hoogmierdseweg 37, gemeente Reusel-De Mierde, SRE Milieudienst, Eindhoven (PvE 2012 nr 6).

31 31 Bijlagen Inhoudsopgave Bijlage 1: Sporenlijst Bijlage 2: Vondstenlijst Bijlage 3: Allesporenkaart Bijlage 4: Profielen Bijlage 5: Archeologische perioden Bijlage 6: Archeologische stappenplan

32 32 Bijlage 1 Sporenlijst sporen Spoor WP Vlak tek litho definitie ouder_dan jonger_danass_met datering Beschrijving datum 1 1 ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ######## 3 1 ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 NV boomval ZS2 REC moesbed PG recent KL recent puinkuil moderne baksteen en mortel ZS2 NV boomval ZS2 NV boomval ZS2 NV vlak, zs2, Ro2, veel boomvallenoranjegeel met grind ZS2 KL ronde kuil, br/gl gvl,recent plastic en baksteen (niet verzameld) ZS2 NV boomval ZS2 NV boomval ZS2 NV boomval ZS2 KL Zs2 br egaal ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 NV boomval ZS2 REC moesbed ZS2 NV boomval ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 NV boomval ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed ZS2 REC moesbed Page 1

33 33 Bijlage 2 Vondstenlijst vondsten Vnr Spoor WP Vlak Vak Tek vz_vlak vz_prof vz_afw vz_stort MatCode MatSpecifiek Beschrijving datum datering WAAR KER KER uit moesbed Page 1

34 34 Bijlage 3 Allesporenkaart 25,13 25,02 24,98 S15 24,55 24,92 24,55 25,24 25,10 S16 25,13 24,47 S17 S14 prof D 24,56 25,00 24,95 S18 24,65 S20 S13 S19 24,48 S21 24,52 S23 S24 25,14 S22 25,05 25,00 25,02 24,60 S2 25,06 24,51 S3 prof A S1 24,51 24,97 S4 24,97 S5 24,92 25,09 S25 25,10 24,55 S26 S27 25,05 25,05 prof B 24,53 S13 S6 25,01 25,03 S28 24,53 S29 25,15 S30 prof E 25,25 S31 24,58 S33 S32 24,58 25,13 S34 25,14 25,10 25,12 25,18 24,56 S7 S8 S9 S10 24,54 24,52 S11 25,17 25,23 24,62 S35 25,16 25,11 25,16 25,12 24,47 S12 25,16 prof C 25, cm 25,13 25,10 25,

35 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg Bijlage 4 Profielen 1:50 Profiel A Foto 3 KS Wp1 o w BV Zs3 dobr H2 24,75 m NAP Profiel B F:4 KS WP1 W O BV Zs3 Dobr H2 s1 S13 s13 + grind1 opm: in s13 opduiking Formatie van Sterksel N Z Profiel C F:5 KS WP1 BV Zs3 Dobr H2 24,8 +NAP S12 Zs1 mg gr-ligr gevlkt E-horizont S13 Zs1 mg Dobr-zw-libr gevlkt B-horizont Profiel D F:6 KS WP2 O BV Zs3 Dobr H2 W S14 S13 24,75 m NAP 24,75 +NAP Profiel E F8 KS WP2 W O BV Zs3 Dobr H2 V1 S13 24,8 +NAP

36 36 Inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven Hoogemierdseweg 37 Bijlage 5: Archeologische perioden Nieuwe tijd Nieuwe tijd Nieuwe tijd Late-Middeleeuwen Late-Middeleeuwen Vroege-Middeleeuwen Laat-Romeinse tijd B A Miden-Romeinse tijd Vroeg-Romeinse tijd Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Vroege-Bronstijd C heden B A B A D C B A B A B A na Chr v. Chr A BRONSTIJD IJZERTIJD ROMEINSE TIJD MIDDELEEUWEN NIEUWE TIJD Laat-Neolithicum B A Midden-Neolithicum B A Vroeg-Neolithicum B A Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum Laat-Paleolithicum B A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum PALEOLITHICUM MESOLITHICUM NEOLITHICUM

37 37 Bijlage 6: Archeologische stappenplan In het stappenplan archeologie wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gericht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijke-ordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen - over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder). Een bureauonderzoek bestaat uit een archiefen literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RCE, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v. universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: * aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat. Dit in verband met het bepalen van het onderzoekskader; * beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens; * beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch geografische gegevens o een korte impressie over de onstaansgeschiedenis van het landschap o een impressie van de bewoningsgeschiedenis; * beschrijven bekende archeologische waarden o archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RCE. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische escherming te krijgen binnen het bestemmingsplan; o archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn. Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewonings-sporen uit het verleden; * beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden: o aan de hand van de door de RCE ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch

38 38 onderzoek in aanmerking; o aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart; * rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces. II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gericht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: * non-destructieve methoden: geofysische methoden ; * weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); * destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Nadere toelichting onderzoeksmethoden: 1 en 2: Bij non-destructieve methoden moet men denken aan elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden, eventueel in combinatie met remote sensing technieken. Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het belopen van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek. Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven. Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem).

39 39 Eventueel: III. Opgraven ofwel archeologisch vervolgonderzoek Indien het niet mogelijk is een behoudenswaardige of beschermenswaardige vindplaats in situ te bewaren, zal het hier aanwezige bodemarchief voor het nageslacht bewaard dienen te worden door middel van een vlakdekkend onderzoek. Alleen dan is deze stap (stap III) noodzakelijk. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)

40 40