MODEL ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING
|
|
|
- Dennis van der Horst
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 MODEL ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING BACHELORopleidingen A. Model facultair deel B. Model opleidingsspecifiek deel Studiejaar
2 Inleiding bij de Model Onderwijs- en Examenregeling BACHELOR Algemeen Sinds de invoering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) in 1993 moeten de hoofdlijnen van het onderwijsprogramma en de examinering voor elke opleiding in een onderwijs- en examenregeling (OER) worden vastgelegd. De UvA en VU hebben er voor gekozen een geharmoniseerd model onderwijs- en examenregelingen (model-oeren) voor de bachelor- en masteropleidingen op te stellen. Voor wat betreft de inhoud is gekozen voor een volledig geharmoniseerde tekst van de model-oer. Voor wat betreft de vraag in hoeverre van de bepalingen mag worden afgeweken is er voor gekozen vast te houden aan de situatie zoals deze voor iedere instelling afzonderlijk gold in het voorgaande model, hetgeen is verwerkt in dit model. Ingevolge artikel 7.13 lid 1 WHW bevat de OER adequate en heldere informatie over de opleiding of groep van opleidingen. In artikel 7.13, lid 2 WHW staan de onderwerpen opgesomd die in de OER ten minste moeten zijn geregeld voor de voor elke opleiding of groep van opleidingen geldende procedures en rechten en plichten met betrekking tot het onderwijs en de examens. Daarnaast bevat de wet nog enkele afzonderlijke verplichtingen tot het opnemen van regels in de OER. In bijlage I bij deze toelichting is een overzicht gegeven van de betreffende artikelen uit de OER en de daarbij behorende artikel uit de WHW. De model OER is onderverdeeld in twee delen (deel A en deel B) die tezamen de OER vormen. In deel A, dat kan worden beschouwd als het facultaire gedeelte, zijn bepalingen opgenomen die voor meerdere opleidingen kunnen gelden. In het B gedeelte zijn de opleidingsspecifieke bepalingen opgenomen. Hoewel de delen bij elkaar horen en tezamen de OER van een opleiding of groep van opleidingen vormen kunnen deze afzonderlijk van elkaar worden gewijzigd. De model OER is voor wat betreft de indeling een format dat door het College van Bestuur van de UvA als richtlijn aan de decanen ex. artikel 9.5 WHW (hierna: richtlijn) is vastgesteld. In het model zijn vier soorten bepalingen opgenomen. De meeste artikelen betreffen onderwerpen die op basis van artikel 7.13 of overige artikelen uit de WHW in de OER moeten worden opgenomen. Deze artikelen zijn omkaderd. Voor zover deze artikelen niet als richtlijn zijn vastgesteld mag van de tekst van deze artikelen, worden afgeweken, zolang het onderwerp volgens de voorgeschreven indeling beschreven wordt in de OER. De artikelen die in een kader zijn geplaatst met een grijze arcering geven aan dat het betreffende onderwerp op deze wijze geregeld moet worden, omdat het een richtlijn voor de UvA betreft. De richtlijnen worden, met in achtneming van de bevoegdheden van de medezeggenschapsorganen ter zake, vastgesteld door het College van Bestuur. De decaan is niet vrij om hier van af te wijken. In bijlage II is een overzicht gegeven van de richtlijnen die in het kader van deze model OER van belang zijn, met daarbij vermeld de datum waarop het besluit is genomen en de datum van inwerkingtreding. Bij artikelen die niet voor beide instellingen of alle opleidingen van toepassing zullen zijn staat tussen haakjes: [Keuze:] Delen van artikelen die optioneel zijn worden eveneens tussen haakjes weergegeven. De overige -niet omkaderde- artikelen betreffen artikelen waarvan niet in de WHW is bepaald dat deze in de OER moeten worden opgenomen en die eveneens niet als richtlijn zijn vastgesteld. Het Pagina 2
3 betreft deels onderwerpen die wel in de WHW worden geregeld, maar waarvan niet expliciet is vermeld dat deze onderwerpen in de OER moeten worden opgenomen. Voor het overige zijn het artikelen die met het oog op een heldere en adequate informatieverstrekking, dan wel op basis van een UvA of VU regeling in het model zijn opgenomen. Het verdient aanbeveling deze artikelen overeenkomstig het model op te nemen in de OER. Indien nodig kunnen extra artikelen worden toegevoegd vanwege bijzonderheden in het programma. In dat geval dient de indeling en de nummering van de artikelen van deze model OER zoveel mogelijk aangehouden te worden. Eventuele extra artikelen dienen zoveel mogelijk aan het einde van een hoofdstuk geplaatst te worden en worden aangeduid met een hoger nummer In het geval dat een artikel tussen de bestaande artikelen wordt geplaatst dient dit artikel aangeduid te worden met een tussennummer door een letter aan het nummer toe te voegen (bijvoorbeeld artikel 1.1a) Het bevordert de transparantie en verbetert de kwaliteitsbewaking indien een bepaald onderwerp in elke OER in hetzelfde artikelnummer is geregeld. Pagina 3
4 Deel A: facultair deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Toepasselijkheid regeling Artikel 1.2 Begripsbepalingen Artikel 1.3 Taaltoets en beheersing Nederlands 2. Vooropleiding en Toelating Artikel 2.1 Vooropleiding Artikel 2.2 Equivalente vooropleiding Artikel 2.3 Colloquium doctum Artikel 2.4 Weigering of beëindiging inschrijving/iudicium abeundi 3. Inrichting opleiding Artikel 3.1 Indeling studiejaar Artikel 3.2 Inrichting opleiding Artikel 3.3 Internationalisering 4. Toetsing en Examinering Artikel 4.1 Intekening voor tentamens Artikel 4.2 Vorm van tentaminering Artikel 4.3 Mondelinge tentamens Artikel 4.4 Vaststelling en bekendmaking van de uitslag Artikel 4.5 Herkansing Artikel 4.6 Cijfers Artikel 4.7 Vrijstelling Artikel 4.8 Geldigheidsduur resultaten Artikel 4.9 Inzagerecht Artikel 4.10 Nabespreking Artikel 4.11 Bachelorexamen Artikel 4.12 Getuigschrift en verklaring Artikel 4.13 Fraude en plagiaat 5. Honoursprogramma Artikel 5.1 Honoursprogramma 6. Studiebegeleiding, Studieadvies en Studievoortgang Artikel 6.1 Studievoortgangsadministratie en studiebegeleiding Artikel 6.2 Studieadvies Artikel 6.3 Bindend (Negatief) Studieadvies Artikel 6.4 Persoonlijke omstandigheden Artikel 6.5 Aanpassingen ten behoeve van een student met een functiebeperking 7. Hardheidsclausule Artikel 7.1 Hardheidsclausule Pagina 4
5 Deel B: opleidingsspecifiek deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.2 Gegevens opleiding 2. Doelstellingen en eindtermen van de opleiding Artikel 2.1 Doelstelling opleiding Artikel 2.2 Eindtermen 3. Nadere toelatingseisen Artikel 3.1 Nadere vooropleidingseisen Artikel 3.2 Colloquium doctum Artikel 3.3 Taaleisen Nederlands bij Nederlandstalige bacheloropleidingen of Artikel 3.3 Taaleisen Engels bij Engelstalige bacheloropleidingen Artikel 3.4 Vrij programma 4. Opbouw van het curriculum Artikel 4.1 Samenstelling opleiding Artikel 4.2 Academische vorming Artikel 4.3 Onderwijseenheden Artikel 4.4 De major/ verplichte onderwijseenheden Artikel 4.5 Keuzeruimte Artikel 4.6 Praktische oefening] [of: niet van toepassing; n.v.t.] Artikel 4.7 Volgordelijkheid tentamens Artikel 4.8 Intekenen voor tentamens Artikel 4.9 Deelname aan praktische oefening en werkgroepbijeenkomsten [of: n.v.t.] Artikel 4.10 Maximale vrijstelling Artikel 4.11 Geldigheidsduur resultaten Artikel 4.12 Graad 5. Keuzeruimte 5.1. Minoren 5.2 Keuzevakken 6. Honoursprogramma Artikel 6.1 Honoursprogramma 7. Studiebegeleiding en studieadvies Artikel 7.1 Studiebegeleiding Artikel 7.2 Bindend (negatief) studieadvies 8. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8.1 Wijziging en periodieke beoordeling Artikel 8.2 Overgangsbepalingen Artikel 8.3 Bekendmaking Artikel 8.4 Inwerkingtreding Pagina 5
6 Deel A: facultair deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Toepasselijkheid regeling 1. Deze regeling is van toepassing op het onderwijs en de examens van de bacheloropleidingen (hierna ook te noemen: de opleiding) die worden verzorgd aan de Faculteit der (hierna ook te noemen: de faculteit) van de Universiteit van Amsterdam/Vrije Universiteit Amsterdam. 2. Deze regeling bestaat uit een facultair (A) deel en een opleidingsspecifiek deel (B). Deel A bevat algemene bepalingen en is van toepassing op het onderwijs en de examens van de bacheloropleidingen van de Faculteit der Deel B bevat opleidingsspecifieke bepalingen. Deel A en deel B samen vormen de onderwijs- en examenregeling van de opleiding. 3. Deze regeling kan van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de gezamenlijke opleidingen en onderwijseenheden, bedoeld in artikel 7.3c WHW, die mede door de faculteit worden verzorgd. 4. Deze regeling is van toepassing op een ieder die voor de opleiding is ingeschreven, ongeacht het studiejaar, waarin de student voor het eerst voor de opleiding werd ingeschreven. 5. Deel B van deze onderwijs- en examenregeling kan voor de desbetreffende opleiding aanvullende algemene bepalingen omvatten. Artikel 1.2 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. EC (European Credit) een studiepunt met een studielast van 28 uren studie; b. examen: het bachelorexamen van de opleiding; c. fraude en plagiaat: het handelen of nalaten van een student waardoor een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt; d. joint degree: een graad die een instelling verleent, samen met een of meer instellingen in binnen- of buitenland, nadat de student een studieprogramma (een opleiding, afstudeerrichting of specifiek programma binnen een opleiding) heeft doorlopen waarvoor de samenwerkende instellingen samen verantwoordelijk zijn; e. onderdeel: een onderwijseenheid van de opleiding in de zin van de wet; f. periode: een deel van een semester; g. praktische oefening: het deelnemen aan een practicum of andere onderwijsleeractiviteit, die gericht is op het bereiken van bepaalde (academische) vaardigheden. Voorbeelden van een praktische oefening: het maken van een scriptie of thesis; het uitvoeren van een onderzoekopdracht; het deelnemen aan veldwerk of een excursie; het deelnemen aan een andere onderwijsleeractiviteit die gericht is op het verwerven van bepaalde vaardigheden of het doorlopen van een stage; h. programma: het totaal en de samenhang van de onderdelen, de onderwijsvormen, de contacturen, de toets- en tentamenvormen, de voorgeschreven literatuur; i. scriptie: een onderdeel dat bestaat uit literatuuronderzoek en/of een bijdrage aan wetenschappelijk onderzoek, in alle gevallen leidend tot een schriftelijk verslag daarover; j. UvA: SIS/ VU: VUnet: het Studenten Informatie Systeem; k. studiegids: de gids van de opleiding die een nadere uitwerking van de opleidingsspecifieke bepalingen en overige opleidingspecifieke informatie bevat. De studiegids is elektronisch beschikbaar via www ; Pagina 6
7 l. studielast: de studielast van de onderwijseenheid waarop een tentamen betrekking heeft, uitgedrukt in studiepunten = EC. De studielast van 1 jaar (1680 uur) is 60 studiepunten/ec; m. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daarop volgende kalenderjaar n. tentamen: onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de student betreffende een onderdeel. De beoordeling wordt uitgedrukt in een eindcijfer. Een tentamen kan in gedeeltes worden afgenomen met behulp van één of meer deeltentamens. Een hertentamen bestrijkt altijd dezelfde materie als het tentamen; o. universiteit: [keuze:] de Universiteit van Amsterdam/Vrije Universiteit van Amsterdam; p. wet: de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De overige begrippen hebben de betekenis die de wet daaraan toekent. Artikel 1.3 Taaltoets en beheersing Nederlands [keuze UvA, verplicht VU] 1. Iedere student van een Nederlandstalige bacheloropleiding legt bij aanvang van zijn eerste studiejaar aan de instelling de diagnostische taaltoets Nederlands af. 2. De taaltoets is gericht op schrijfvaardigheid en bestaat uit de onderdelen grammatica, spelling, woordenschat, structuur en formuleren. 3. De student die geen voldoende als beoordeling voor de taaltoets Nederlands behaalt, volgt de Bijspijkercursus Nederlands van het Taalloket. 4. In Deel B kan zijn bepaald dat pas een cijfer wordt vastgesteld voor de onderwijseenheid, waartoe de taaltoets behoort indien de student een voldoende beoordeling heeft behaald voor de taaltoets Nederlands of de Bijspijkercursus Nederlands heeft afgerond. 5. Taalbeheersing kan worden meegewogen bij de beoordeling van een toets indien dat in Deel B is bepaald. 2. Vooropleiding en Toelating Artikel 2.1 Vooropleiding 1. Een persoon wordt tot de opleiding toegelaten indien deze in het bezit is van een VWO-diploma bedoeld in artikel 7.24 van de wet, dan wel indien deze op grond van de wet hiervan is vrijgesteld, ingevolge artikel 7.28 van de wet. [Keuze: 2. Bezitters van een buitenlands diploma voldoen aan de eis inzake voldoende beheersing van de Nederlandse taal nadat een van de examens, vermeld in deel B met goed gevolg is afgelegd, dan wel door het verkrijgen van een vrijstelling voor het afleggen van dit examen. of 2. Aan de eis inzake beheersing van de instructietaal Engels, is voldaan na het met goed gevolg afleggen van één van de examens, vermeld in deel B, op het daar vermelde niveau.] Artikel 2.2 Equivalente vooropleiding 1. Een bezitter van een diploma, met de nationaliteit van een staat die geen verdragspartij is bij het Verdrag van Lissabon (Trb. 2002, 137), legt het diploma voor aan het college van bestuur (via [keuze: Studenten Services /Student- en Onderwijszaken/Centrale studentenadministratie]). Deze stelt aan de hand van het diploma en eventuele aanvullende bewijsstukken vast of de bezitter aan de eisen voor de toelating tot de opleiding voldoet. 2. De bezitter van een diploma dat niet is afgegeven in Nederland, wordt niet ingeschreven alvorens deze heeft aangetoond over een voldoende beheersing van de instructietaal te beschikken om het onderwijs te kunnen volgen. Pagina 7
8 Artikel 2.3 Colloquium doctum 1. Personen van 21 jaar en ouder die niet voldoen aan de vooropleidingseisen, vermeld in artikel 2.1 of 2.2, kunnen het college van bestuur verzoeken een colloquium doctum af te leggen, als bedoeld in artikel 7.29 WHW. 2. In Deel B zijn de eisen vermeld die bij een onderzoek worden gesteld. Artikel 2.4 Weigering of beëindiging inschrijving/iudicium abeundi 1. Op grond van het bepaalde in artikel 7.42a van de wet kan [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] of de examencommissie in uitzonderlijke gevallen het college van bestuur verzoeken de inschrijving van een student voor een opleiding te beëindigen dan wel te weigeren, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. 2. Indien jegens een student vermoedens van ongeschiktheid bestaan zoals omschreven in het eerste lid, stelt de examencommissie of [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] een onderzoek in, waarvan de student onverwijld op de hoogte wordt gesteld. De examencommissie of [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] brengt geen advies uit dan na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen en nadat de betrokken student in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. 3. Inrichting opleiding Artikel 3.1 Indeling studiejaar 1. De opleiding wordt verzorgd in een jaarindeling met twee semesters. 2. Elk semester bestaat uit drie perioden van achtereenvolgens acht, acht en vier weken. 3. In het eerste opleidingsjaar biedt de opleiding ten minste twaalf contacturen aan. 4. [VU verplicht:] In het tweede en derde opleidingsjaar biedt de opleiding ten minste twaalf contacturen aan. Artikel 3.2 Inrichting opleiding 1. De opleiding omvat de onderwijseenheden die in Deel B van de onderwijs- en examenregeling zijn opgenomen. 2. De opleiding heeft een omvang van 180 EC. 3. Een onderwijseenheid omvat 6 EC of een veelvoud hiervan. 4. In afwijking van het derde lid omvat een stage of scriptie ten minste 6 EC of een veelvoud daarvan. 5. In afwijking van het derde lid kan in deel B worden bepaald dat een onderwijseenheid [keuze:] 3 EC (UvA) / 9 EC (VU) omvat. Van elke opleiding maakt academische vorming deel uit. 6. Voorafgaande toestemming van de examencommissie is vereist, indien de student zijn keuzeruimte wenst in te vullen met een andere onderwijseenheid of een andere minor dan in deel B is omschreven. 7. Indien intekening is vereist voor deelname aan een onderwijseenheid, kan de intekening slechts plaatsvinden in de daartoe aangewezen periodes. Artikel 3.3 Internationalisering In de bacheloropleiding wordt aandacht besteed aan internationalisering. Pagina 8
9 4. Toetsing en Examinering Artikel 4.1 Intekening voor tentamens 1. Elke student dient zich voor elke tentamengelegenheid in te tekenen. De intekenprocedure wordt beschreven in de studiegids. Indien de intekening niet of niet tijdig heeft plaatsgevonden, wordt deelname aan het tentamen geweigerd. 2. In uitzondering op het in lid 1 bepaalde geldt dat iedere student die zich op de juiste wijze heeft ingetekend voor deelname aan het onderwijs voor een bepaald vak en hiervoor is toegelaten, voor dat vak tevens is ingetekend voor het aansluitende tentamen, tenzij door de opleiding een andere werkwijze is bepaald. Artikel 4.2 Vorm van tentaminering 1. De wijze waarop en de vorm waarin een onderwijseenheid wordt afgesloten, zijn bepaald in Deel B. 2. Op verzoek van de student kan de examencommissie toestaan dat een tentamen op een andere wijze dan in de studiegids is bepaald, wordt afgenomen. Nadere regels hieromtrent zijn, indien van toepassing, opgenomen in de Regels en richtlijnen van de examencommissie. 3. Van een onderwijseenheid die niet meer wordt verzorgd, wordt in het studiejaar na beëindiging van dat onderwijs ten minste eenmaal de gelegenheid gegeven de (deel)tentamen(s) af te leggen en wordt voor de navolgende tijd een overgangsregeling in het opleidingsspecifieke deel opgenomen. Artikel 4.3 Mondelinge tentamens 1. Mondeling wordt niet meer dan één student tegelijk getentamineerd, tenzij in Deel B voor de desbetreffende onderwijseenheid anders is bepaald. 2. Het mondeling afnemen van een toets is openbaar, tenzij de examencommissie of de examinator in een bijzonder geval anders heeft bepaald. Een student kan een gemotiveerd verzoek indienen bij de examencommissie om af te wijken van het openbare karakter van de zitting. De examencommissie weegt het belang van de student tegen het belang van de openbare zitting af. 3. Bij het afnemen van een mondeling tentamen is een tweede examinator aanwezig, tenzij de examencommissie anders heeft bepaald. Artikel 4.4 Vaststelling en bekendmaking van de uitslag 1. De examinator stelt de uitslag van een schriftelijke tentamen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien werkdagen vast. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin is de beoordelingstermijn voor scripties [: en eindopdrachten] is niet langer dan twintig werkdagen. De examinator verschaft [keuze: het onderwijsbureau/-administratie] van de opleiding de nodige gegevens en [keuze: het onderwijsbureau/-administratie] draagt direct hierna zorg voor registratie van de beoordeling. Het [keuze: het onderwijsbureau/-administratie] draagt tevens zorg voor onverwijlde bekendmaking van de beoordeling aan de student, met in achtneming van de geldende normen van vertrouwelijkheid 2. De examinator stelt terstond na het afnemen van een mondeling tentamen de uitslag vast en maakt deze bekend aan de student. De derde volzin van het eerste lid is van toepassing. 3. Ten aanzien van een op andere wijze dan mondeling of schriftelijk af te leggen tentamen bepaalt de examencommissie vooraf op welke wijze en binnen welke termijn de student in kennis wordt gesteld van de uitslag. 4. Bij de uitslag van een tentamen wordt de student gewezen op het inzage- en nabesprekingsrecht als bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.10, alsmede op zijn beroepsmogelijkheid bij het college van beroep voor de examens. 5. Een student kan beroep aantekenen tegen de wijze waarop de uitslag tot stand is gekomen bij het college van beroep voor de examens binnen een termijn van zes weken na bekendmaking van de uitslag. [keuze: Ook kan een verzoek tot herbeoordeling worden ingediend bij de examinator. Een verzoek tot herbeoordeling schort de termijn voor het indienen van een beroepschrift niet op.] Pagina 9
10 Artikel 4.5 Herkansing 1. Tot het afleggen van tentamens van de opleiding wordt twee maal per studiejaar de gelegenheid gegeven. 2. Lid 1 is niet van toepassing op het herkansen van een onvoldoende voor een stage of een scriptie. In de desbetreffende stagehandleiding of afstudeerregeling zijn de herkansingsmogelijkheden vermeld. 3. Ingeval van een herkansing geldt de laatste beoordeling. 4. De herkansing voor een tentamen vindt niet plaats binnen 10 werkdagen na de bekendmaking van de uitslag van het te herkansen tentamen. Artikel 4.6 Cijfers 1. Cijfers worden gegeven op een schaal van 1 tot en met 10. Cijfers worden gegeven met maximaal 1 decimaal achter de komma. 2. De eindcijfers 5,1 tot en met 5,9 worden niet toegekend. Artikel 4.7 Vrijstelling 1. De examencommissie kan op schriftelijk verzoek van een student vrijstelling verlenen voor het afleggen van een of meer examenonderdelen, indien de student: a) hetzij een qua inhoud en niveau overeenkomstig onderdeel van een universitaire of hogere beroepsopleiding heeft voltooid; b) hetzij aantoont door werk- en/of beroepservaring over voldoende kennis en vaardigheden te beschikken op het desbetreffende onderdeel. 2. De bachelorscriptie is van deze vrijstellingsmogelijkheid uitgezonderd. 3. De examencommissie beslist binnen twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek. Artikel 4.8 Geldigheidsduur resultaten 1. De geldigheidsduur van behaalde tentamens en vrijstellingen voor tentamens is beperkt tot..., tenzij in deel B anders is bepaald. 2. De geldigheidsduur van een deeltentamen is beperkt tot het studiejaar waarin het is afgelegd, of tot het einde van het betreffende vak, zoals in deel B voor de desbetreffende onderwijseenheid is bepaald. 3. De examencommissie kan de beperkte geldigheidsduur van een tentamen of vrijstelling verlengen, indien een student daarom gemotiveerd verzoekt. De examencommissie kan besluiten de verlenging van de geldigheid slechts toe te staan nadat de verzoeker een aanvullend tentamen van de desbetreffende stof met goed gevolg heeft afgelegd. Artikel 4.9 Inzagerecht 1. Gedurende ten minste twintig werkdagen na de bekendmaking van de uitslag van een schriftelijk tentamen krijgt de student op zijn verzoek inzage in zijn beoordeelde werk, de daarin gestelde vragen en opdrachten, alsmede zo mogelijk van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden. 2. De examencommissie kan bepalen dat de in het eerste lid bedoelde inzage of kennisneming geschiedt op een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip. De in de vorige volzin bedoelde plaats en tijd worden bij het tentamen en op de website van de faculteit bekendgemaakt. 3. Indien de student buiten zijn schuld verhinderd was op de in het tweede lid bedoelde plaats en tijdstip te verschijnen, wordt hem een alternatieve mogelijkheid geboden. 4. Indien een student voornemens is beroep aan te tekenen tegen de wijze waarop zijn werk is beoordeeld, kan hem op zijn verzoek een kopie van zijn beoordeelde werk worden verstrekt. Pagina 10
11 Artikel 4.10 Nabespreking 1. Indien een collectieve nabespreking is georganiseerd, vindt individuele nabespreking eerst plaats indien de student bij de collectieve bespreking aanwezig is geweest of wanneer hem niet kan worden verweten niet bij de collectieve bespreking aanwezig te zijn geweest. 2. De student die voldoet aan het vereiste in lid 1, kan aan de desbetreffende examinator om een individuele nabespreking verzoeken. De nabespreking geschiedt op een door de examinator te bepalen plaats en tijdstip. Artikel 4.11 Bachelorexamen 1. De examencommissie stelt de uitslag en de datum van afstuderen vast, indien zij heeft vastgesteld dat de student de tot de opleiding behorende onderwijseenheden met goed gevolg heeft afgelegd. 2. Een getuigschrift kan slechts worden uitgereikt, nadat het College van Bestuur heeft verklaard dat de student aan alle procedurele vereisten heeft voldaan, waaronder de betaling van het collegegeld. Artikel 4.12 Getuigschrift en verklaring 1. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Het model van het getuigschrift is vastgesteld door het college van bestuur. Aan het getuigschrift voegt de examencommissie een diplomasupplement toe dat inzicht verschaft in de aard en de inhoud van de afgeronde opleiding. Het diplomasupplement is gesteld in het Nederlands of in het Engels en voldoet aan het Europese format. 2 Degene die meer dan één tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd, met daarbij vermeld welke onderwijseenheden dit betrof, het aantal EC dat daarmee is verkregen en wanneer de tentamens zijn behaald. 3. De student kan onder opgave van redenen de examencommissie verzoeken nog niet over te gaan tot uitreiking van het getuigschrift, tenzij hij het verzoek tot afgifte zelf heeft ingediend. Artikel 4.13 Fraude en plagiaat 1. Het bepaalde in de [keuze: UvA:] fraude- en plagiaatregeling studenten [VU:] Regels en Richtlijnen examencommissie is onverkort van toepassing. 2. Bij de detectie van plagiaat in teksten kan gebruik worden gemaakt van elektronische detectieprogramma s. Met het aanleveren van de tekst geeft de student impliciet toestemming tot het opnemen van de tekst in de database van het betreffende detectieprogramma. 5. Honoursprogramma Artikel 5.1 Honoursprogramma 1. Een examencommissie kan een student uitnodigen om deel te nemen aan het honoursprogramma. De student volgt dit programma naast het reguliere programma van de bacheloropleiding. 2. Het honoursprogramma omvat 30 EC. De keuzemogelijkheden worden via [keuze: website/keuzegids etc] bekend gemaakt. 3. Om toegelaten te worden tot het honoursprogramma dient de student alle studiepunten van het eerste jaar behaald te hebben en een gewogen gemiddelde van een 7,5 of hoger behaald te hebben. 4. Het aantal deelnemers, de selectieprocedure en de selectiecriteria voor het honoursprogramma worden jaarlijks aan het begin van het studiejaar, na advies van de examencommissie, door het faculteitsbestuur vastgesteld en bekendgemaakt. 5. Ter voorkoming van onbillijkheid van overwegende aard, kan de examencommissie afwijken van in het derde of vierde lid bedoelde selectiecriteria. Pagina 11
12 6. De student die binnen de nominale studieduur aan de eisen van het reguliere bachelorprogramma heeft voldaan en ten minste een 7,5 gemiddeld (gewogen) heeft behaald over alle onderdelen van de bachorloropleiding en bovendien aan de eisen van het honoursprogramma heeft voldaan, ontvangt een bachelorgetuigschrift met een verklaring, waaruit blijkt dat hij het honoursprogramma met succes heeft afgerond. 6. Studiebegeleiding, Studieadvies en Studievoortgang Artikel 6.1 Studievoortgangsadministratie en studiebegeleiding 1 [keuze: UvA: De decaan/ VU: het faculteitsbestuur] van de faculteit is verantwoordelijk voor een goede registratie van de studieresultaten van de studenten in [keuze: UvA: SIS/ VU: VUnet]. Iedere student heeft na de registratie van de beoordeling van een examenonderdeel via [keuze: UvA: SIS/ VU: VUnet] inzage in de uitslag van dat onderdeel en beschikt via [keuze: UvA: SIS/ VU: VUnet] tevens over een overzicht van de behaalde resultaten. 2. Ingeschreven studenten kunnen aanspraak maken op studiebegeleiding. De vormen van studiebegeleiding worden vermeld in deel B. Artikel 6.2 Studieadvies 1. Zo spoedig mogelijk na afloop van de herkansingstentamens van het eerste semester van het eerste jaar van inschrijving, doch in ieder geval voor 1 februari, ontvangt de student een schriftelijk studieadvies over de voortzetting van zijn opleiding. 2. De studenten die een negatief advies als bedoeld in lid 1 krijgen, worden uitgenodigd voor een gesprek met als doel het bespreken van de studiemethode, een heroverweging van de studiekeuze, bespreken van mogelijke bijzondere persoonlijke omstandigheden en een eventuele verwijzing. 3. [keuze: UvA: De decaan/ VU: Het faculteitsbestuur] brengt aan iedere student van een voltijdse bacheloropleiding uiterlijk aan het eind van diens eerste jaar van inschrijving advies uit over de voortzetting van de studie. Het studieadvies wordt namens [keuze: De decaan/het faculteitsbestuur] uitgebracht [keuze: door de facultaire BSA-commissie]. 4. Voor studenten die een deeltijdopleiding volgen, gelden afwijkende termijnen. Deze staan in deel B vermeld dat de deeltijdopleiding beschrijft. 5. Indien aan het studieadvies een afwijzing wordt verbonden ( negatief studieadvies ) zijn de bepalingen uit artikel 6.3 van toepassing. Artikel 6.3 Bindend (Negatief) Studieadvies 1. Aan het studieadvies dat aan het eind van het studiejaar wordt uitgebracht, wordt een afwijzing met een bindend karakter verbonden, indien de student niet de norm heeft behaald voor een positief advies. Een negatief advies blijft achterwege, als de student aantoont niet aan de norm te hebben voldaan als gevolg van persoonlijke omstandigheden, zoals genoemd in artikel 6.4. De norm is omschreven in artikel 7. 2 deel B. 2. Bij het vaststellen van het aantal behaalde studiepunten als bedoeld in lid 1 tellen de studiepunten van verworven vrijstellingen niet mee. 3. Zo spoedig mogelijk na afloop van de herkansingstentamens van het tweede semester van het eerste jaar van inschrijving, wordt aan de student die niet aan de norm heeft voldaan, schriftelijk medegedeeld dat [keuze: UvA: de decaan/ VU: het FB] voornemens is hem een negatief bindend studieadvies te geven. Dezelfde procedure geldt in het volgende jaar van inschrijving als de student op grond van persoonlijke omstandigheden (zie artikel 6.4) zijn opleiding mag voortzetten en dan niet alle verplichtingen van het eerste studiejaar met succes heeft afgerond. 4. In de in het vorige lid genoemde mededeling wordt de student er tevens op gewezen dat hij in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord door [keuze: UvA: door of namens de decaan/vu: de BSA-commissie] en op welke wijze hij zich voor de hoorzitting kan aanmelden. Pagina 12
13 5. Zo spoedig mogelijk na afloop van de hoorzitting wordt, [na advies van de BSA-commissie], door [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] bepaald aan welke studenten een negatief bindend studieadvies zal worden gegeven. 6. Tegen een besluit inzake een negatief bindend studieadvies kan binnen zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, beroep worden ingesteld bij het college van beroep voor de examens van de instelling. 7. Een negatief bindend studieadvies heeft tot gevolg dat de betrokken student zich gedurende de daarop volgende drie studiejaren niet kan inschrijven voor de bacheloropleidingen die worden vermeld in artikel 7.2 Deel B. [8. [keuze: UvA: De decaan/ VU: Het faculteitsbestuur] brengt aan iedere student van de deeltijdse variant van de bacheloropleiding uiterlijk [datum/periode] advies uit over de voortzetting van de studie. [Het studieadvies wordt namens [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] uitgebracht door de facultaire BSA-commissie.] Artikel 6.4 Persoonlijke omstandigheden 1. [keuze: UvA: de decaan/ VU: Het faculteitsbestuur] verbindt geen afwijzing aan het studieadvies, indien er sprake is van persoonlijke omstandigheden en de betrokken student als gevolg hiervan in redelijkheid niet geacht kan worden te hebben voldaan aan de gestelde BSA-norm. 2. Indien een omstandigheid, als bedoeld in het vierde lid, zich voordoet, maakt de student daarvan zo spoedig mogelijk melding bij de studieadviseur onder opgave van: a. de periode waarin de omstandigheid zich voordoet of voordeed; b. een omschrijving van de omstandigheid en de ernst ervan; c. de mate waarin hij niet aan het onderwijs of een tentamen kan deelnemen of heeft kunnen deelnemen. De student draagt zorg voor het aanleveren van bewijsstukken om zijn melding te onderbouwen. 3. De studieadviseur stelt binnen vier weken na ontvangst van de melding een schriftelijk en gemotiveerd advies op of sprake is van persoonlijke omstandigheden als bedoeld in het vierde lid. Is er sprake van persoonlijke omstandigheden dan doet de studieadviseur in zijn advies een voorstel voor een afwijkende studievoortgangsregeling, zoals bedoeld in het vijfde lid. 4. Als persoonlijke omstandigheden in de zin van dit artikel worden uitsluitend aangemerkt: a. ziekte van de student; b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis van de student; c. zwangerschap van de studente; d. bijzondere familieomstandigheden; e. het lidmaatschap van een medezeggenschapsraad of opleidingscommissie van de universiteit; f. het lidmaatschap van een visitatiecommissie bedoeld in hoofdstuk 5a van de WHW; g. het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie die door de minister is aangewezen in het kader van de Regeling administratieve bepalingen landelijke afstudeersteun hoger onderwijs; h. individueel bepaalde andere persoonlijke omstandigheden en andere in individuele gevallen omschreven activiteiten met een algemeen maatschappelijk nut of in het belang van de universiteit, zulks, met inachtneming van de richtlijnen van het college van bestuur, ter bepaling van [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur]. 5. Indien [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] op advies van de studieadviseur of op grond van rechtstreeks van de student ontvangen informatie vaststelt dat er sprake is van persoonlijke omstandigheden in de zin van dit artikel, stelt [deze/het] een periode vast die recht doet aan de aard en de ernst van de persoonlijke omstandigheden van de student, om de onderdelen van het eerste jaar van de opleiding met goed gevolg af te ronden. Artikel 6.5 Aanpassingen ten behoeve van een student met een functiebeperking 1. Een student met een functiebeperking kan op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek, in te dienen bij de studieadviseur, in aanmerking komen voor aanpassingen in het onderwijs, de practica en tentamens. Deze aanpassingen worden zoveel mogelijk op hun individuele Pagina 13
14 functiebeperking afgestemd, maar mogen de kwaliteit of moeilijkheidsgraad van een vak of een tentamen niet wijzigen. In alle gevallen zal de student moeten voldoen aan de eindtermen van de opleiding. 2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt vergezeld van een aanbeveling van een studentendecaan. De aanbeveling is niet ouder dan twaalf weken en is mede gebaseerd op een recente verklaring van een arts of psycholoog. 3. Op verzoeken over aanpassingen van onderwijsorganisatie en -logistiek, beslist [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] of namens deze de onderwijsdirecteur dan wel opleidingsdirecteur. Op verzoeken voor aanpassingen die de tentaminering betreffen beslist de examencommissie. 4. Indien positief op een in lid 1 bedoeld verzoek is beslist, maakt de student een afspraak met de studieadviseur om te bespreken hoe de voorzieningen worden vormgegeven. 5. Een verzoek tot aanpassing wordt geweigerd indien toekenning ervan een buitenproportioneel beslag legt op de organisatie of de middelen van de faculteit of universiteit. 6. Indien de beperking aanleiding geeft tot verlenging van de tentamentijd verstrekt de examencommissie een verklaring, waaruit het recht op die verlenging blijkt. Indien een beperking aanleiding is tot het treffen van andere voorzieningen, kan de studieadviseur [keuze: de nodige maatregelen initiëren/een pas Voorzieningen inzake Beperkingen toekennen]. Op deze pas staat vermeld op welke voorziening(en) betrokkene aanspraak kan maken.] 7. De verklaring [optioneel: en pas], zoals bedoeld in het zesde lid is/zijn ten hoogste één jaar geldig. Op aanbeveling van een studentendecaan kan de geldigheidsduur worden verlengd. 7. Hardheidsclausule Artikel 7.1 Hardheidsclausule In gevallen waarin de onderwijs- en examenregeling niet voorziet, en in gevallen waarin sprake is van onevenredige benadeling of onbillijkheid van overwegende aard, beslist [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] waaronder de opleiding valt, tenzij het de bevoegdheid van de examencommissie betreft. 8. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8.1 Wijziging en periodieke beoordeling deel A 1. Een wijziging van deel A van de onderwijs- en examenregeling wordt door [keuze: UvA: de decaan/ VU: Het faculteitsbestuur] vastgesteld na advies van de desbetreffende opleidingscommissie. Het advies wordt in afschrift verzonden aan het bevoegde medezeggenschapsorgaan. 2. Een wijziging van de onderwijs- en examenregeling behoeft de instemming van het bevoegde medezeggenschapsorgaan op de onderdelen die niet de onderwerpen van artikel 7.13, tweede lid onder a t/m g en v, alsmede het vierde lid WHW betreffen. 3. Een wijziging van de onderwijs- en examenregeling kan slechts betrekking hebben op een lopend studiejaar, indien de belangen van de studenten daardoor aantoonbaar niet worden geschaad. Artikel 8.2 Overgangsbepalingen In afwijking van de vigerende onderwijs- en examenregeling gelden voor de studenten die met de opleiding zijn begonnen onder een eerdere onderwijs- en examenregeling de volgende overgangsbepalingen:.... Artikel 8.3 Bekendmaking 1. [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] draagt zorg voor een passende bekendmaking van deze regeling, alsmede van elke wijziging daarvan. Pagina 14
15 2. De onderwijs- en examenregeling wordt geplaatst op de website van de faculteit en wordt geacht te zijn opgenomen in de studiegids. Artikel 8.4 Inwerkingtreding Deel A van deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september Aldus vastgesteld door [keuze: UvA: de decaan/vu: het faculteitsbestuur].. op 20. Advies opleidingscommissies,., d.d.., d.d.., d.d. Instemming bevoegd medezeggenschapsorgaan, d.d. Vastgesteld door [keuze: UvA: de decaan/vu: het faculteitsbestuur] op Pagina 15
16 Deel B: opleidingsspecifiek deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen [a. xxx xxxx b. xxx xxxx etc.] Artikel 1.2 Gegevens opleiding 1. De opleiding [.] CROHOnummer [ ] wordt in [keuze: voltijdse, deeltijdse, duale] vorm verzorgd, en in het [keuze: Nederlands /Engels] uitgevoerd. [1a keuze: 1a. De deeltijdse vorm heeft een nominale studieduur van [ ] jaar]. [1b keuze: Deze opleiding wordt aangeboden in samenwerking met de Universiteit. en leidt tot een joint degree.] 2. Een onderwijseenheid omvat 6 EC of een veelvoud daarvan. [keuze: Onderstaande onderwijseenheden hebben een afwijkende omvang: - EC - EC] 3. De opleiding kent de volgende afstudeerrichtingen: Doelstellingen en eindtermen van de opleiding Artikel 2.1 Doelstelling opleiding Met de opleiding wordt beoogd:. Artikel 2.2 Eindtermen De afgestudeerde van de opleiding heeft in ieder geval: 1. kennis van en inzicht in het vakgebied [2. Keuze: Onverminderd het bepaalde in lid 1 heeft de afgestudeerde van afstudeerrichting X - kennis van en inzicht in het vakgebied - etc.] 3. Nadere toelatingseisen Artikel 3.1 Nadere vooropleidingseisen 1. Voor toelating tot de opleiding is het navolgende VWO-profiel vereist [keuze: en gelden navolgende aanvullende eisen]: [VWO-profiel Cultuur & Maatschappij /]Economie & Maatschappij / Natuur & Gezondheid/Natuur & Techniek]; [keuze: aanvullende eisen:.]. 2. Degene die niet voldoet aan de nadere vooropleidingseisen verkrijgt toegang tot de opleiding door het met goed gevolg afleggen van een of meer van de volgende toetsen: Pagina 16
17 3. [keuze] Degene die niet voldoet aan de vooropleidingseisen, maar wel het propedeutisch examen van een hogere beroepsopleiding heeft behaald, verkrijgt toelating tot de opleiding door het met goed gevolg afleggen van een of meer van de volgende toetsen: Artikel 3.2 Colloquium doctum 1. Het toelatingsonderzoek, bedoeld in artikel 2.3 (deel A), heeft betrekking op de volgende vakken op het eindexamenniveau VWO:. 2. Het bewijs dat het colloquium doctum met voldoende resultaat is afgelegd, geeft uitsluitend in het studiejaar na het afleggen ervan recht op toelating tot de beoogde opleiding of opleidingen. Artikel 3.3 Taaleisen Nederlands bij Nederlandstalige bacheloropleidingen De student die zijn vooropleiding niet in een Nederlandstalig land heeft genoten, toont aan dat hij het Nederlands voldoende beheerst om het wetenschappelijk onderwijs met succes te kunnen volgen. Aan de eis kan worden voldaan door het met goed gevolg afleggen van één van de volgende examens: [keuze] - het staatsexamen Nederlands Tweede Taal, examen II (NT2 II); - CNaVT (Certificaat Nederlands als Vreemde Taal) examens PAT en PTHO; - door [keuze: de VU/UvA] aangewezen buitenlandse examens, waarvan Nederlands deel uitmaakte]. of Artikel 3.3 Taaleisen Engels bij Engelstalige bacheloropleidingen 1. Aan de eis inzake beheersing van de instructietaal Engels, is voldaan na het met goed gevolg afleggen van één van de volgende examens of een equivalent daarvan: - IELTS: TOEFL paper based test: TOEFL internet based test: Cambridge Advanced English: A, B of C. 2. [keuze] Vrijstelling van het een in het eerste lid genoemd examen Engels wordt verleend aan degene die niet langer dan twee jaar voor aanvang van de opleiding heeft voldaan aan de eisen van de VU-test Engelse Taalvaardigheid TOEFL ITP, minimaal met de scores zoals bepaald in het eerste lid, of - een vooropleiding secundair of tertiair onderwijs heeft genoten in een Engelstalig land dat als zodanig is vermeld op de website van de [UvA/ VU], of - die over een diploma international baccalaureate (Engelstalig) beschikt.] Artikel 3.4 Vrij programma 1. De student heeft de mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden, een eigen onderwijsprogramma samen te stellen dat afwijkt van de door de opleiding voorgeschreven onderwijsprogramma s. 2. De samenstelling van een dergelijk programma behoeft de voorafgaande goedkeuring van de examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt. 3. Het vrije programma wordt door de student samengesteld uit de onderwijseenheden die door de [keuze: Vrije Universiteit/Universiteit van Amsterdam] worden verzorgd en heeft ten minste de omvang, breedte en diepgang van een reguliere bacheloropleiding. De student waakt er voor dat het voorgestelde programma toelating tot in elk geval één masteropleiding mogelijk maakt. Hij verplicht zich hiermee niet die masteropleiding daadwerkelijk te gaan volgen. Pagina 17
18 [keuze: 4. Om in aanmerking te komen voor de bachelorgraad dient in ieder geval voldaan te zijn aan de volgende voorwaarden: a. tenminste EC uit de reguliere onderwijsprogramma s zijn behaald b. het vrije programma bevat tenminste EC op postpropedeutisch niveau (niveau 200 en hoger).] 4. Opbouw van het curriculum Artikel 4.1 Samenstelling opleiding 1. De opleiding omvat de volgende onderdelen: a. academische vorming [b. major/verplichte onderwijseenheden] [c. praktische oefening] Artikel 4.2 Academische vorming 1. Onderdeel van de opleiding is de academische vorming. Hieronder wordt begrepen: [keuze voor UvA, verplicht voor VU] (1) Wijsgerige vorming/ Wetenschapsfilosofie/ wetenschapsgeschiedenis (2) Methoden & technieken (3) Kritisch redeneren / academische vaardigheden [en optioneel: Academisch Engels] Artikel 4.3 Onderwijseenheden De major omvat een pakket van verplichte en eventueel facultatieve onderwijseenheden. [Voor VU: Daarbij is voorzien in een ordening van onderwijseenheden op inleidend (100), verdiepend (200) en gevorderd (300) niveau.] Artikel 4.4 De [major/verplichte] onderwijseenheden zijn: eerste studiejaar naam onderwijsonderdeel vakcode Aantal studiepunten periode of semester werkvorm toetsvorm niveau tweede studiejaar naam onderwijsonderdeel vakcode aantal studiepunten periode of semester werkvorm toetsvorm niveau Pagina 18
19 Artikel 4.5 Keuzeruimte Het eerste semester van het derde jaar van het curriculum bestaat uit onderwijseenheden uit de vrije keuzeruimte. [Voor VU verplicht: Van deze onderwijseenheden zijn er ten minste twee op het niveau 300.] De student kan de keuzeruimte invullen met als zodanig aangewezen facultatieve onderwijseenheden, met een minor die door de faculteit wordt aangeboden, met een als zodanig aangewezen universiteitsminor, of met een minor die door de examencommissie is aangewezen en als zodanig in Deel B is vermeld. [Voor VU: Een minor bestaat uitonderwijseenheden waarvan er ten minste twee op niveau 300 en maximaal één op niveau 100 zijn ingeschaald.] derde studiejaar naam onderwijsonderdeel vakcode aantal studiepunten periode of semester werkvorm toetsvorm niveau [keuze: 4.6 Praktische oefening] naam onderwijsonderdeel vakcode aantal studiepunten periode of semester werkvorm toetsvorm niveau Artikel 4.7 Volgordelijkheid tentamens 1. Aan de tentamens [of praktische oefeningen] van de hierna te noemen onderdelen kan niet eerder worden deelgenomen dan nadat het tentamen of de tentamens van de genoemde onderdelen is/zijn behaald:... ná behalen van ná behalen van... en Etc. [2. keuze: Binnen de postpropedeutische fase [voor afstudeerrichtingen X, Y ] is er een / geen voorgeschreven volgorde voor het deelnemen aan het onderwijs in de onderdelen van die fase.] 3. Aan de tentamens c.q. praktische oefeningen van de hierna te noemen postpropedeutische onderdelen kan slechts worden deelgenomen indien de tentamens van de hierna vermelde examenonderdelen met goed gevolg zijn afgelegd: [voor afstudeerrichting X] [voor afstudeerrichting Y] In bijzondere gevallen kan de examencommissie op gemotiveerd verzoek van de student al dan niet onder voorwaarden afwijken van de in het derde lid genoemde volgorde. [keuze: Artikel 4.8 Intekenen voor tentamens Een student die een tentamen af wenst te leggen, dient zich daarvoor in te tekenen op de door de examencommissie voorgeschreven wijze.] Pagina 19
20 [keuze: Artikel 4.9 Deelname aan praktische oefening en werkgroepbijeenkomsten 1. In geval van een practicum is de student verplicht ten minste % van de practicumbijeenkomsten bij te wonen. Ingeval de student minder dan % heeft bijgewoond dient het practicum opnieuw te worden gevolgd, dan wel kan de examencommissie aanvullende opdracht(en) laten verstrekken. 2. In geval van werkgroepbijeenkomsten met opdrachten is de student verplicht tenminste % van de werkgroepbijeenkomsten bij te wonen. Ingeval de student minder dan % heeft bijgewoond dient de werkgroep opnieuw te worden gevolgd, dan wel kan de examencommissie aanvullende opdracht(en) laten verstrekken. 3. In bijzondere gevallen kan de examencommissie, op verzoek van de student, van deze verplichting vrijstelling verlenen in geval het onderzoek naar en de beoordeling van de beoogde vaardigheden naar haar oordeel ook kan plaatsvinden bij een geringer deelnamepercentage, al dan niet onder oplegging van aanvullende eisen. Artikel 4.10 Maximale vrijstelling [Keuze: Maximaal. studiepunten van het onderwijsprogramma kunnen worden behaald op basis van verleende vrijstellingen.] Artikel 4.11 Geldigheidsduur resultaten De geldigheidsduur van onderstaande tentamens en vrijstellingen voor tentamens is beperkt, en wel als volgt a.. b.. ect Artikel 4.12 Graad Aan degene die het examen met goed gevolg heeft afgelegd en aan de overige door de wet gestelde eisen heeft voldaan, wordt de graad Bachelor of [keuze Arts/Science/Laws], afgekort tot [BA, BSc en LLB], toegevoegd. De verleende graad wordt op het getuigschrift aangetekend. Ingeval het een gezamenlijke opleiding ( joint degree ) betreft, wordt dat vermeld op het getuigschrift. 5. Keuzeruimte 5.1. Minoren De student kan een van de volgende minoren volgen: naam onderwijsonderdeel vakcode aantal studiepunten periode of semester werkvorm toetsvorm niveau 5.2. Keuzevakken De student kan een van de volgende keuzevakken volgen: naam onderwijsonderdeel vakcode aantal studiepunten periode of semester werkvorm toetsvorm niveau Pagina 20
21 5.3 Overige keuzeruimte [keuze] De student die een ander vak wil volgen, dan bedoeld in artikel 5.1 of 5.2, dient vooraf schriftelijk toestemming van de examencommissie verkregen te hebben. 6. Honoursprogramma Het honoursprogramma is als volgt samengesteld: naam onderwijsonderdeel vakcode aantal studiepunten periode of semester werkvorm toetsvorm niveau 7. Studiebegeleiding en studieadvies Artikel 7.1 Studiebegeleiding 1. De studiebegeleiding bij deze opleiding bestaat uit:.. (bv tutoren, mentoren, studieadviseurs etc) Artikel 7.2 Bindend (negatief) studieadvies 1. Om een positief studieadvies te krijgen, moet de student ten minste. EC hebben behaald aan het einde van het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van de opleiding. [2. keuze: De kwalitatieve eisen om aan de norm voor een positief studieadvies te voldoen zijn:.] 3. De student die aan het eind van het eerste jaar van inschrijving niet aan de norm heeft voldaan voor een positief studieadvies, maar schriftelijk toestemming van [keuze: of namens het faculteitsbestuur/de decaan] heeft gekregen om de opleiding voort te zetten, ontvangt aan het eind van het volgende studiejaar opnieuw een advies met in achtneming van de norm van 60 EC. 4. Een negatief bindend studieadvies heeft tot gevolg dat de betrokken student zich gedurende de daarop volgende drie studiejaren niet kan inschrijven voor de volgende bacheloropleiding(en) die door de faculteit worden aangeboden: [5. keuze: Voor studenten die een deeltijdopleiding volgen, gelden afwijkende termijnen. Het studieadvies wordt uitgebracht aan het eind van.]. 8. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8.1 Wijziging en periodieke beoordeling deel B 1. Een wijziging van deel B van de onderwijs- en examenregeling wordt door [keuze: UvA: de decaan/ VU het faculteitsbestuur] vastgesteld na advies van de desbetreffende opleidingscommissie. Het advies wordt in afschrift verzonden aan / het bevoegde medezeggenschapsorgaan. 2. Een wijziging van de onderwijs- en examenregeling behoeft de instemming van het bevoegde medezeggenschapsorgaan op de onderdelen die niet de onderwerpen van artikel 7.13, tweede lid onder a t/m g en v, alsmede het vierde lid WHW betreffen. 3. Een wijziging van de onderwijs- en examenregeling kan slechts betrekking hebben op een lopend studiejaar, indien de belangen van de studenten daardoor aantoonbaar niet worden geschaad. Pagina 21
22 Artikel 8.2 Overgangsbepalingen In afwijking van de vigerende onderwijs- en examenregeling gelden voor de studenten die met de opleiding zijn begonnen onder een eerdere onderwijs- en examenregeling de volgende overgangsbepalingen:.... Artikel 8.3 Bekendmaking 1. [keuze: UvA: de decaan/ VU: het faculteitsbestuur] draagt zorg voor een passende bekendmaking van deze regeling, alsmede van elke wijziging daarvan. 2. De onderwijs- en examenregeling wordt geplaatst op de website van de faculteit en wordt geacht te zijn opgenomen in de studiegids. Artikel 8.4 Inwerkingtreding Deel B van deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september Aldus vastgesteld door [keuze: de decaan of het faculteitsbestuur]... op Advies opleidingscommissies,..., d.d......, d.d......, d.d... Instemming bevoegd medezeggenschapsorgaan, d.d... Vastgesteld door [keuze: de decaan/het bestuur van de Faculteit] op 20. Pagina 22
23 Bijlage I Overzicht artikelen waarvan in de WHW is bepaald dat deze in de OER moeten worden opgenomen (omkaderde artikelen): Deel A art lid 1 WHW art lid 2 art lid 2 sub e art lid 2 sub h en l art lid 2 sub n art lid 2 sub o art lid 2 sub j, h art lid 2 sub r art lid 2 sub k art lid 2 sub p art lid 2 sub q art lid 2 sub a art lid 2 sub v art lid 2 sub u art lid 2 sub f art lid 2 sub f art lid 2 sub f art lid 2 sub m Deel B art lid 2 sub i art lid 1 sub b, c art lid 2 sub c art lid 4 art lid 2 art lid 2 sub a art lid 2 sub e, h, j, l, art lid 2 sub e, h, j, l, art lid 2 sub t art lid 2 sub s art lid 2 sub d art lid 2 sub k art lid 2 sub f Pagina 23
24 Bijlage II Overzicht richtlijnen ex. 9.5 WHW UvA: De indeling is een format dat als richtlijn is vastgesteld: datum besluit: 20 november 2012 inwerking getreden:1 september 2013 Deel A Art. 4.5 lid 3 laatste uitslag geldt datum besluit: 14 februari 2008 inwerking getreden: 14 maart 2008 Art. 4.6 Cijfers (5,5 als voldoendegrens) datum besluit: 14 februari 2008 inwerking getreden: 14 maart 2008 (5,1 t/m 5,9 worden niet gegeven als datum besluit: 27 januari 2014 eindcijfer) inwerking getreden:1 september 2014 Art lid 3 Examendata 12 per jaar datum besluit: 14 februari 2008 inwerking getreden: 14 maart 2008 ingetrokken: 4 april 2014 Art Fraude en plagiaat datum besluit: 25 mei 2010 inwerking getreden:1 september 2010 Pagina 24
25 Bijlage III Overzicht van (model) regelingen of reglementen waarnaar in de model OER wordt verwezen of die anderszins in het kader van de model OER van belang kunnen zijn: Fraude en plagiaat regeling studenten UvA 2008, laatstelijk gewijzigd in 2010; Gedragscode vreemde talen UvA, 2000; Handreiking Examencommissies, 2012; Kader toetsbeleid UvA 2010; Model Regels- en richtlijnen examencommissie; Model Opleidingsstatuut; Kader Honoursprogramma. Pagina 25
26 Toelichting bij de Model Onderwijs- en Examenregeling BACHELOR Toelichting per artikel Deel A Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Artikel Toepasselijkheid van de regeling Het A gedeelte kan worden beschouwd als het facultaire gedeelte. In dit artikel wordt vermeld op welke opleiding, of groepen van opleidingen dit gedeelte van toepassing is. Dit deel kan tezamen met diverse B delen meerdere OERen vormen. In een B deel worden de opleidingsspecifieke bepalingen opgenomen. De vermelding van de verantwoordelijke faculteit berust op het wettelijke uitgangspunt dat onderwijs en onderzoek plaatsvinden in de faculteit (art WHW) en dat opleidingen binnen een faculteit worden ingesteld (artt en 9.17 WHW). Artikel Begripsbepalingen Bij de definiëring van de begrippen is ervoor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de terminologie van de WHW. Ter bevordering van de eenduidigheid binnen de UvA wordt gevraagd hier niet van af te wijken. Ad g) de omschrijving voor praktische oefening omvat niet alleen het traditionele practicum in een laboratorium maar ook alle leeractiviteiten van de student, die gericht zijn op bepaalde vaardigheden. Als deze worden afgesloten met een beoordeling, is tevens sprake van een tentamen. Hoofdstuk 2 - Vooropleiding en toelating Artikel 2.1 en Vooropleiding en Equivalente vooropleiding In artikel 7.24 WHW is de hoofdregel opgenomen. De vooropleidingseis voor een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs is het bezit van een vwo-diploma. In het vwo worden vier profielen onderscheiden, d.w.z. afstudeerrichtingen waarvan de inhoud is omschreven in verplichte vakken en keuzevakken. In verband daarmee is de toegang tot het hoger onderwijs voor elke opleiding afzonderlijk als volgt geregeld: allereerst is bepaald welk profiel (of welke profielen) zonder meer toegang geeft tot die opleiding; vervolgens zijn eventueel een of meer profielen aangewezen, die ook toegang geven mits de student in de keuzeruimte van zijn eindexamen een of twee bepaalde vakken heeft gedaan. Ontbreken deze vakken, dan moet de student daarin alsnog worden getoetst, vóór hij met de universitaire opleiding kan beginnen. Uit de Regeling nadere vooropleidingseisen hoger onderwijs kan voor de afzonderlijke opleidingen worden afgelezen: 1) welke profielen zonder meer toegang geven; 2) welke profielen toegang geven mits bepaalde vakken deel uit hebben gemaakt van het eindexamen. De aspirant-student die niet volgens een van de aangewezen profielen het vwo-examen heeft afgelegd, kan niettemin worden toegelaten mits hij bij een toelatingsonderzoek laat zien over vergelijkbare kennis te beschikken. Dat betekent, dat hij moet worden getoetst in de verplichte vakken van een profiel, dat rechtstreeks toegang geeft tot de opleiding in kwestie. Ook dit onderzoek moet vóór het begin van de opleiding zijn afgerond (een uitzondering geldt voor de opleidingen Grieks en Latijn). De eisen die bij deze toelatingsonderzoeken door de faculteit worden gehanteerd, Pagina 26
27 dienen volgens artikel 7.25 lid 5 van de wet te worden vastgelegd in de OER. Door verwijzing in artikel 7.28 lid 3 zijn deze eisen ook van toepassing op ieder, die met een andere vooropleiding dan vwo (met een aangewezen profiel) wordt toegelaten tot de betreffende opleiding. De nadere vooropleidingseisen die gelden voor HBO- propedeuse worden vermeld in deel B. Aspirant studenten met een oud VWO diploma worden behandeld als vwo er met een niet-passend profiel en moeten derhalve worden getoetst in de profielvakken van het aangewezen profiel. In het Inschrijvingsbesluit is bepaald dat bezitters van een diploma VWO oude stijl zich kunnen inschrijven voor een bacheloropleiding van de UvA. De inschrijving wordt geweigerd indien de kandidaat deficiënt is. De voor een opleiding vereiste vakken dienen te worden vermeld in de OER van de betreffende opleiding. Degene die op grond van een buitenlands diploma ingeschreven wil worden voor een Nederlandstalige bacheloropleiding moet voorafgaande aan de inschrijving aangetoond hebben in voldoende mate de Nederlandse taal te beheersen door de NT2-II toets met goed gevolg te hebben afgelegd, of op grond van zijn vooropleiding vrijgesteld zijn van het afleggen van deze toets door de directeur van het Instituut voor Nederlands als Tweede Taal (INTT). In bijzondere gevallen kan de examencommissie van de desbetreffende opleiding voorafgaande aan de inschrijving ontheffing verlenen van deze eis. Nederlanders met een buitenlandse vooropleiding en anderen die van huis uit Nederlands spreken (bijvoorbeeld Antilianen en Vlamingen) kunnen bijvoorbeeld zonder toetsing worden toegelaten. Artikel Colloquium doctum Wie niet beschikt over een vwo-diploma noch over een ander diploma dat equivalent is verklaard en 21 jaar of ouder is, kan via een algemeen toelatingsonderzoek (zgn. colloquium doctum) worden toegelaten. De eisen die bij dit onderzoek worden gehanteerd, moeten in de OER worden vastgelegd (artikel 7.29 lid 2 WHW). Het ligt voor de hand daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij een vwoprofiel dat rechtstreeks toegang geeft tot de opleiding. Ten aanzien van buitenlandse aspirant studenten met een buiten Nederland afgegeven diploma dat in eigen land toegang geeft tot het hoger onderwijs, kan worden afgeweken van de leeftijdsgrens van 21 jaar. De beschikking na het behalen van het colloquium doctum is opleidingsgebonden en geeft slechts toelating tot de opleiding waarvoor het toelatingsonderzoek is afgelegd. De beschikking is voor onbeperkte duur tenzij anders bepaald in de OER. Artikel Weigering of beëindiging inschrijving/iudicium abeundi In artikel 7.42a WHW is geregeld dat in uitzonderlijke situaties de inschrijving van een student kan worden beëindigd of geweigerd indien die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de opleiding opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. Deze mogelijkheid wordt slechts voor zeer bijzondere situaties opengesteld De Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) heeft een Protocol Iudicium Abeundi opgesteld als (procedureel) hulpmiddel bij de advisering c.q. de voorbereiding van de besluitvorming door het College van Bestuur met betrekking tot het beëindigen van, of het weigeren van het verzoek tot, inschrijving als student of als extraneus (= iudicium abeundi) binnen de opleidingen van de faculteiten geneeskunde, tandheelkunde en diergeneeskunde. Dit protocol kan ook voor andere faculteiten als hulpmiddel dienen. Pagina 27
28 Hoofdstuk 3 - Inrichting opleiding Artikel Indeling studiejaar In het tweede lid is aangegeven dat het studiejaar bestaat uit drie perioden van weken. In het derde lid is, conform de prestatieafspraken, opgenomen dat in het eerste opleidingsjaar ten minste 12 contacturen worden aangeboden. Hoofdstuk 4 - Toetsing en examinering Artikel Vorm van tentaminering Onderdeel l van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen Indien wordt bepaald dat een (deel)tentamen digitaal wordt afgelegd dient een zodanige alternatieve voorziening te worden getroffen dat in het geval van een technische storing het (deel)tentamen toch op de geplande dag kan worden afgelegd. De examencommissie kan hiervoor nadere regels stellen in de Regels en richtlijnen van de examencommissie. Artikel Mondelinge tentamens Gelet op de rechtszekerheid van de student verdient het aanbeveling het mondelinge tentamen door twee examinatoren te laten afnemen. Artikel Vaststelling en bekendmaking uitslag Onderdeel o van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld de termijn waarbinnen de uitslag van een tentamen bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken. In dit modelartikel wordt, uitgaande van het recht van de student op een zo spoedig mogelijke vaststelling van zijn tentamenuitslag, onderscheid gemaakt tussen mondelinge en andere tentamens. Binnen10 werkdagen nadat het schriftelijke tentamen is afgenomen of het werkstuk is ingeleverd moet de beoordeling bekend worden gemaakt aan de student. De nakijktermijn (van uiterlijk 20 werkdagen) is hiermee belangrijk ingekort. De Centrale Studentenraad (CSR) heeft in zijn advies aan het College van Bestuur aangegeven dat het voor opleidingen mogelijk moet blijven om, indien noodzakelijk, af te wijken van de termijn van 10 werkdagen, om mogelijk negatieve gevolgen hiervan voor de toetskwaliteit te voorkomen. De CSR hoopt dat deze afweging wordt meegenomen bij het vaststellen van de OER per opleiding. Bij de VU is de nakijktermijn van 10 werkdagen een richtlijn. De uitslag moet in geval van een herkansing minstens 10 werkdagen voor een mogelijke herkansing bekend zijn gemaakt in verband met de voorbereidingstijd voor studenten. Ingevolge art. 3:45 Algemene wet bestuursrecht dient op het (schriftelijke of elektronische) tentamenbriefje melding te worden gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij het College van beroep voor de examens (COBEX) (binnen zes weken na verzending of uitreiking). Het verdient aanbeveling de student erop te wijzen dat administratieve fouten niet via een beroepsgang bij de COBEX hoeven worden opgelost, maar bij de onderwijsbalie kenbaar kunnen worden gemaakt. Artikel Herkansing In het Kader toetsbeleid UvA 2010, dat onder meer is opgesteld om het universitair niveau van afgestudeerden aan de UvA te kunnen garanderen, is bepaald dat het College van Bestuur een onderwijs- en toetscultuur stimuleert, waarin een nu-of-nooit karakter tot uitdrukking komt. In dit Pagina 28
29 Kader toetsbeleid is derhalve bepaald dat ieder curriculumonderdeel maximaal één herkansing per collegejaar kent. Dit houdt in dat er, naast de eerste tentamenkans, één hertentamenkans, al dan niet onder nadere voorwaarden, wordt geboden voor het begin van het volgende studiejaar. Door het College van Bestuur is middels een richtlijn ex artikel 9.5 WHW bepaald dat de laatst behaalde tentamenuitslag geldt en niet de tentamenuitslag met het hoogste cijfer. Dat betekent dat een eerder behaalde uitslag komt te vervallen, ook indien dit een voldoende was. De praktijk bij enkele opleidingen dat slechts onvoldoende resultaten herkanst mogen worden, is hiermee niet strijdig. Artikel Cijfers Onder meer in het belang van de uitwisselbaarheid van onderdelen binnen de universiteit moet elke toets een ondubbelzinnig oordeel opleveren over slagen of zakken. Daartoe heeft het College van Bestuur middels een richtlijn ex artikel 9.5 WHW bepaald dat een 5,5 of hoger universiteitsbreed geldt als een voldoende resultaat. In aanvulling hierop heeft het College bepaald dat met ingang van 1 september 2014 in het geval van eindcijfers het cijfer 5,1 t/m 5,9 niet gegeven mag worden. In die gevallen geldt de 6,0 als voldoendegrens. Door het College van Bestuur is middels een richtlijn ex artikel 9.5 WHW bepaald dat de laatst behaalde tentamenuitslag geldt en niet de tentamenuitslag met het hoogste cijfer. Dat betekent dat een eerder behaalde uitslag komt te vervallen, ook indien dit een voldoende was. De praktijk bij enkele opleidingen dat slechts onvoldoende resultaten herkanst mogen worden, is hiermee niet strijdig. Artikel Vrijstelling Onderdeel r van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens. Het verdient aanbeveling om het aantal te verlenen vrijstellingen te maximeren en te bepalen dat een student alleen een diploma van de UvA kan ontvangen indien een substantieel van de opleiding daadwerkelijk aan de UvA is gevolgd (nav de Commissie Schutte). Dit geeft enerzijds de grens aan m.b.t. de hoeveelheid studiepunten waarvoor vrijstelling verleend kan worden resp. waarvoor vakken ingebracht kunnen worden. Afgifte van een diploma louter op basis van vrijstellingen is niet mogelijk. Voorts is bepaald dat van de bachelorscriptie - indien dit een wezenlijk onderdeel van het examen is - geen vrijstelling kan worden verleend. De termijn waarop beslist moet worden op een verzoek om een vrijstelling is gewijzigd van 28 dagen naar 20 werkdagen. Artikel Geldigheidsduur resultaten Onderdeel k van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur te verlengen. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat om kwalitatieve redenen aan bepaalde resultaten een beperkte geldigheid kan worden verbonden. Indien aan een tentamen een bepaalde geldigheidsduur is verbonden, kan de examencommissie deze geldigheidsduur in individuele gevallen verlengen. Pagina 29
30 Artikel Inzagerecht Onderdeel p van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk. De termijn is gewijzigd van 30 dagen in 20 werkdagen. Een termijn van 20 werkdagen wordt algemeen als een redelijke termijn beschouwd. De student heeft recht op een kopie van zijn werk, onder meer met het oog op een eventueel bij het College van beroep voor de examens in te stellen beroep. Voor de kopie mag een vergoeding van de kosten worden gevraagd. Onderdeel q van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen, en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden. Achtergrond van deze bepaling is het belang dat overige studenten kennis kunnen krijgen van de vragen en modelantwoorden en zo inzicht kunnen verkrijgen in de omvang en zwaarte van de eisen die bij het tentamen worden gesteld. Artikel Nabespreking Hoewel de inzage en de nabespreking veelal plenair plaatsvinden is het van belang dat de student in de gelegenheid wordt gesteld individueel feedback te krijgen op het door hem gemaakte werk, door de examinator. Dit kan plaatsvinden op een vooraf vastgestelde plaats en tijdstip, zoals na afloop van de plenaire inzage en nabespreking. In geval van overmacht aan de zijde van de student, om op de vooraf vastgestelde plaats en tijd te verschijnen, wordt zo mogelijk aan de student op een ander moment inzage en nabespreking geboden. Artikel Bachelorexamen De leden van de examencommissie worden door de decaan benoemd op basis van hun deskundigheid en kunnen ook externen zijn. Ten minste één lid moet als docent verbonden zijn aan de opleiding(en) waarover de examencommissie gaat. Het bestuur draagt zorg voor het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie. Leden van de examencommissie mogen niet deelnemen aan de behandeling van verzoeken of klachten waar zij zelf als examinator bij betrokken zijn: zij moeten zich dan verschonen. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden ten behoeve van de decaan. Op objectieve en deskundige wijze stelt de examencommissie vast of een student beschikt over kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad. De examencommissie borgt de kwaliteit van de tentamens en examens en stelt binnen het kader van de OER richtlijnen en aanwijzingen vast om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen. Hiertoe behoren nadere regels over toekenning van judicia. De wettelijke bepalingen over het afstuderen luiden als volgt (7.10, 2 e lid jo. 1 e lid WHW): Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase van een bacheloropleiding behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus. Pagina 30
31 Uit het tweede lid van deze wettelijke bepaling blijkt dat het examen in beginsel de som is van de met goed gevolg afgelegde tentamens. De examencommissie kan bepalen dat het examen ook een door haarzelf te verrichten onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de student omvat. De examencommissie mag hier slechts toe overgaan als deze mogelijkheid vooraf expliciet is vastgelegd in de OER. Immers studenten mogen hierdoor niet worden verrast. Dit zou in strijd zijn met de eis van behoorlijke examinering. Het College van Bestuur heeft als richtlijn ex artikel 9.5 WHW vastgesteld dat er per studiejaar 12 examendata zijn voor het bachelorexamen. Deze data zijn gekozen op de laatste werkdag van de maand zodat maximale restitutie van het collegegeld mogelijk is. Artikel Getuigschriften en verklaringen (art. 7.11, 2 e lid WHW): Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt, nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat aan de procedurele eisen voor de afgifte is voldaan. Artikel 7.11 lid 2 bepaalt dat de examencommissie een getuigschrift uitreikt ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd. Op het getuigschrift wordt vermeld welke opleiding zoals vermeld in het CROHO het betreft, welke onderdelen het examen omvatte, welke graad is verleend. Per 1 september 2010 is in de wet geregeld dat per opleiding één getuigschrift wordt uitgereikt. In voorkomende gevallen dient het getuigschrift te vermelden welke bevoegdheid aan het examen is verbonden, de zgn. beroepsvereisten (bijvoorbeeld ten aanzien van het beroep als leraar, arts of tandarts). Waar voorheen een student pas zijn diploma ontving nadat hij daarom verzocht, is het met ingang van 1 september 2010 de examencommissie die de datum van afstuderen en van de uitreiking van het diploma bepaalt. Dit zal in de regel de laatste werkdag van de maand zijn waarin aan alle verplichtingen is voldaan. De wet maakt uitstel van afstuderen mogelijk voor de student die hier belang bij heeft, bijvoorbeeld omdat hij nog een extra vak wenst te volgen waarvan hij melding wil laten maken op het getuigschrift. De examencommissie beslist op basis van een gemotiveerd verzoek van de student of uitstel wordt verleend. Artikel 7.11 lid 4 bepaalt dat de examencommissie aan een getuigschrift een supplement toe voegt. Het supplement heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid van opleidingen. Het supplement bevat in elk geval de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt, of het een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft, een beschrijving van de inhoud van de opleiding en de studielast van de opleiding. Het supplement wordt opgesteld in het Engels. De wet schrijft met ingang van 1 september 2010 voor dat het supplement voldoet aan het Europese overeengekomen standaardformat. Hier kan (op grond van de wet) niet van worden afgeweken. Artikel Fraude en Plagiaat Gezien het belang van een uniforme regeling inzake fraude en plagiaat is de Fraude en plagiaat regeling studenten UvA door het College van Bestuur als richtlijn ex artikel 9.5 WHW vastgesteld. Dat wil zeggen dat decanen verplicht zijn de regeling onverkort op te nemen in de onderwijs- en examenregeling, sinds het studiejaar Specifieke situaties bij de opleiding (bijv. de landelijke afspraken bij het AMC of de Verklaring van eigen werk bij de opleiding Psychologie) kunnen als aanvulling op de regeling worden opgenomen. Pagina 31
32 Artikel 7.12b, tweede lid, WHW geeft als maximum sanctie bij fraude uitsluiting van deelname aan de tentamens voor ten hoogste de duur van één jaar. De wet voorziet m.i.v. 1 september 2010 in de mogelijkheid voor het College van Bestuur om bij ernstige fraude op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van die student of extraneus definitief te beëindigen. De Fraude en plagiaat regeling is hierop aangepast. In artikel 5.1 en 6.1 van de Fraude en plagiaat regeling studenten UvA is opgenomen dat als minimum sanctie bij fraude en plagiaat geldt ongeldig verklaring van het ingeleverde tentamen en uitsluiting van deelname aan de eerstkomende tentamengelegenheid van het desbetreffende vak. Strikte hantering van deze sanctie kan in de praktijk echter tot grote verschillen leiden, omdat de eerstkomende tentamengelegenheid zich soms pas na lange tijd voordoet. Examencommissies hebben dan ook altijd de vrijheid om de sanctie af te stemmen op de omstandigheden van het individuele geval. Hoofdstuk 5 - Honoursprogramma Artikel Honoursprogramma De criteria voor een UvA-honourscertificaat zijn in dit artikel opgenomen. De Regeling Honoursprogramma en -certificaat UvA versie 20 december 2010, welke regeling door het College van Bestuur is vastgesteld en per 1 september 2011 inwerking is getreden, is vervallen. In december 2013 is een nieuw Kader Honoursprogramma vastgesteld. Hoofdstuk 6 - Studiebegeleiding en studievoortgang Artikel Studievoortgangsadministratie en studiebegeleiding Onderdeel u van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( )tenminste geregeld de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding. Met de invoering van SIS kunnen studenten te allen tijde beschikken over een overzicht van de behaalde resultaten. Artikel Studieadvies Krachtens artikel 7.8b WHW dient elke eerstejaarsstudent voor het einde van zijn eerste inschrijving advies te krijgen over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de opleiding. Dit studieadvies moet vóór 1 september aan alle eerstejaarsstudenten worden uitgebracht. Dit advies mag ook nog worden uitgebracht zolang een student het propedeutische examen niet met goed gevolg heeft afgelegd. Een dergelijke afspraak moet dan wel in de OER worden vastgelegd en is met name bedoeld voor deeltijdstudenten. Indien een bacheloropleiding alleen nog een propedeutische fase heeft en geen propedeuse-examen meer kent, moet dit advies over de voortzetting van de bacheloropleiding toch op dezelfde wijze worden uitgebracht. Het eerste voorlopige studieadvies moet vóór 1 februari worden uitgebracht, om de student de gelegenheid te bieden zich voor die datum te laten uitschrijven zodat zijn studiefinanciering zonder schuld kan worden afgesloten. Bij het geven van het schriftelijk studieadvies na het tweede semester, moeten studenten nadrukkelijk worden gewezen op de mogelijkheid met de studieadviseur of een ander daartoe aangewezen persoon een afspraak te maken om dit advies te bespreken. Pagina 32
33 Artikel Bindend (negatief) studieadvies Ingevolge het bepaalde in artikel 7.8b, derde lid van de wet kan aan het studieadvies een afwijzing worden verbonden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd. Een student kan alleen worden afgewezen, indien zijn studieresultaten niet voldoen aan de studievereisten die zijn vastgesteld. Andere factoren kunnen geen grond zijn voor een afwijzing. Alvorens een bindend studieadvies kan worden gegeven, moet de betrokken student zijn gewaarschuwd. Dit advies, dat gebaseerd is op de op dat moment geregistreerde studieresultaten van het eerste semester, is niet bindend maar geeft een waarschuwing bij onvoldoende studievoortgang, zodat de student nog de gelegenheid heeft om zijn prestaties te verbeteren. De wet legt een hoorplicht op die moet zijn nagekomen voordat tot afwijzing wordt besloten. Het is van groot belang om bij het horen van de student en het uitbrengen van het advies een reëel tijdspad te hanteren. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid voor de student om in beroep te gaan tegen een afwijzend advies bij het College van Beroep voor de Examens. Dit beroep moet voor aanvang van het nieuwe studiejaar behandeld kunnen worden. Om misbruik te voorkomen (uitschrijven voor de studie en inschrijven voor andere studie aan de UvA waarbij in de keuzeruimte vakken gevolgd kunnen worden binnen de opleiding waarvoor de student zich heeft uitgeschreven) is het zesde lid opgenomen. Dat bepaalt dat de student die zich uitschrijft voor bijvoorbeeld Rechten, maar zich wel inschrijft bij een andere opleiding van de UvA (bijvoorbeeld Geschiedenis) daarmee niet een negatief bindend studieadvies ontloopt als de student minder dan 30 studiepunten van de bacheloropleiding Rechten heeft behaald. De student aan wie een afwijzing is gegeven kan, ingevolge het bepaalde in artikel 7.8b, vijfde lid niet meer aan de UvA voor dezelfde opleiding als student of extraneus worden ingeschreven. Het derde lid van artikel 7.8b maakt het mogelijk om het bindend afwijzend studieadvies uit te strekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen dan wel propedeutische fase gemeen hebben. De wet maakt het voorts mogelijk dat aan het bindend afwijzend studieadvies een termijn wordt verbonden. Tegen een beslissing tot afwijzing staat ingevolge artikel 7.61, eerste lid onder a, WHW binnen een termijn van zes weken beroep open op het College van beroep voor de examens. Artikel Persoonlijke omstandigheden Bij de beslissing tot afwijzing dient het instellingsbestuur persoonlijke omstandigheden van de student te betrekken. De genoemde persoonlijke omstandigheden volgen uit het bepaalde in artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit WHW. Artikel Aanpassingen t.b.v. studenten met een functiebeperking Onderdeel m van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld de wijze waarop studenten met een handicap of chronische ziekte redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen. Voor studenten met een blijvende functiebeperking, waaronder begrepen worden alle aandoeningen die chronisch of blijvend van aard zijn en die de student structureel beperken bij het volgen van Pagina 33
34 onderwijs of deelnemen aan praktische oefeningen of het op de gebruikelijke wijze doen van tentamens, is er een mogelijkheid te verzoeken om aanpassingen, dan wel speciale faciliteiten. Bij de verzoeken dienen alle bescheiden te worden gevoegd, die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het verzoek. In ieder geval valt daaronder een recente verklaring van een medicus of van een psycholoog, dan wel van een BIG-, NIP-, of NVO- geregistreerd testbureau. Het gaat er daarbij om dat een ter zake formeel erkende deskundige op het gebied van de specifieke functiebeperking van de desbetreffende student een verklaring afgeeft omtrent de aard en de duur van de functiebeperking, die van invloed zijn op mogelijkheden van de student voor het volgen van onderwijs en praktische oefeningen en voor het afleggen van tentamens. Op verzoeken over aanpassingen die de onderwijsvoorzieningen betreffen beslist de decaan of namens hem de onderwijsdirecteur dan wel opleidingsdirecteur. Op verzoeken over aanpassingen die de examinering betreffen, beslist de examencommissie. De examencommissie dient daarbij uitdrukkelijk te waarborgen dat de kwaliteit en het niveau van het tentamen in stand blijven. (BIG = Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg, NVO = Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen, NIP = Nederlands Instituut Psychologen) Hoofdstuk 7 - Hardheidsclausule Art Hardheidsclausule Dit artikel geeft de decaan en examencommissie, afhankelijk van het geval, de bevoegdheid om in individuele gevallen van de regeling af te wijken in het geval toepassing van de regeling onbedoeld en onvoorzien buitengewoon onbillijk uitwerkt. Hoofdstuk 8 - Overgangs- en slotbepalingen Artikel Wijzigingen deel A Deel A kan afzonderlijk van deel B worden gewijzigd. Artikel Overgangsbepalingen Met het oog op de rechtszekerheid van studenten is het van belang te bepalen hoe met oude rechten wordt omgegaan. Dit vraagt om een overgangsregeling. Het verdient aanbeveling om bij een overgangsregeling te werken met een transponeringstabel van vakken in een bijlage bij de OER. Artikel Bekendmaking De onderwijs- en examenregeling dient voor studenten makkelijk vindbaar te zijn. Artikel Inwerkingtreding Deel A treedt afzonderlijk van deel B inwerking. Van belang is wel dat op het moment dat voor de eerste maal met dit format wordt gewerkt, zowel een deel A als de bijbehorende B delen op hetzelfde moment inwerking treden. Pagina 34
35 Deel B Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Artikel Gegevens opleiding Het B gedeelte kan worden beschouwd als het opleidingsspecifieke gedeelte. In dit artikel wordt vermeld op welke opleiding, of groepen van opleidingen dit gedeelte van toepassing is en worden algemene gegevens van de opleiding(en) vermeld. Dit deel B vormt tezamen met een bijbehorend A gedeelte de OER voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen. Onderdeel e van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden. Hierbij geldt het internationale stelsel European Credit Transfer System (ECTS). Artikel 7.4 van de wet bepaalt dat de studielast voor een studiejaar 60 studiepunten bedraagt. Dit staat gelijk aan 1680 uren studie, een studiepunt is 28 uur studie. Ingevolge artikel 7.4, lid 1 WHW moet de studielast van elke onderwijseenheid worden uitgedrukt in hele studiepunten. Een onderwijseenheid kan bestaan uit onderdelen, waarvan de studielast niet in hele studiepunten behoeft te worden uitgedrukt, mits de studielast van de desbetreffende onderwijseenheid in totaal wel in hele studiepunten is uitgedrukt. In artikel 7.4a WHW is de studielast van de opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bepaald. Onderdeel i van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding. De voltijdse, de deeltijdse en de duale varianten van dezelfde opleiding mogen in één document worden geregeld. Met het oog op adequate en heldere informatieverstrekking aan studenten verdient het aanbeveling om in de OER alleen de deeltijdse of duale variant te vermelden als voor de betreffende opleiding in het CROHO ook daadwerkelijk deze variant is geregistreerd. Hoofdstuk 2 - Doelstellingen en eindtermen van de opleiding Artikel 2.1 en Doelstelling opleiding en Eindtermen Onderdeel c van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven. Daarmee wordt aangesloten bij art. 7.3 lid 2 WHW dat een opleiding definieert als: een samenhangend geheel van onderwijseenheden gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene, die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Eindtermen kunnen bijvoorbeeld als volgt worden geformuleerd: De afgestudeerde: o heeft kennis van en inzicht in het vakgebied., in het bijzonder. o heeft kennis van en inzicht in de theoretische en methodologische grondslagen van... o beschikt over algemene academische vaardigheden, in het bijzonder met betrekking tot: o is in staat om kennis en inzicht op dusdanige wijze toe te passen, dat Pagina 35
36 Indien de opleiding afstudeerrichtingen kent dienen de eindtermen ook per afstudeerrichting te worden weergegeven. Hoofdstuk 3 - Nadere toelatingseisen Artikel Nadere vooropleidingseisen Met ingang van 1 september 2014 heeft een kandidaat met een HBO-propedeuse niet meer automatisch toelatingsrecht. De opleiding kan bepalen dat nadere toetsen moeten worden afgelegd om aan te tonen over kennis, inzicht en vaardigheden te beschikken om de bedoelde bacheloropleiding met goed gevolg af te ronden (artikel 7.28, lid 1a, WHW). Artikel Taaleisen De hoofdregel is dat het Nederlands de voertaal is bij het geven van het onderwijs en het afnemen van de examens. Op deze regel geeft de wet in artikel 7.2 drie uitzonderingen. Een andere taal kan worden gebezigd: a. wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft; b. wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige docent wordt gegeven; c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaken. De uitzonderingsgrond onder punt c is nader uitgewerkt in de Gedragscode vreemde talen UvA. Bij een anderstalige opleiding moet de OER ook in de betreffende taal beschikbaar zijn. Artikel Vrij programma Artikel 7.3d WHW luidt: Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast. Uit de wet vloeit voort, dat een student het recht heeft zelf een onderwijsprogramma samen te stellen. De goedkeuring van de examencommissie is vereist om vast te stellen, of het (vrije) programma het vereiste niveau heeft, de studielast voldoende is en aan de eindtermen van de opleiding voldoet. De examencommissie die de goedkeuring geeft aan het vrij onderwijsprogramma bepaalt tot welke opleiding dat programma voor de toepassing van de WHW wordt geacht te behoren. Dit kan alleen een opleiding zijn waarvoor die examencommissie bevoegd is. Omdat het kan voorkomen dat een examencommissie zich, gelet op de samenstelling van het vrij programma, niet als de meest aangewezen commissie beschouwt om over goedkeuring van dat programma te beslissen, is bepaald, dat, indien nodig, de decaan de examencommissie aanwijst die over die goedkeuring moet beslissen. Het is tevens mogelijk om in de OER criteria op te nemen, waaraan in ieder geval voldaan moet zijn om voor een diploma van deze opleiding in aanmerking te komen. Indien het, in het geval van wettelijke beroepsvereisten, niet mogelijk is een diploma van de opleiding te behalen met een vrij onderwijsprogramma dient dit in de OER te worden vermeld. Pagina 36
37 Hoofdstuk 4 - Opbouw van het curriculum Artikel Samenstelling opleiding Uitgangspunt is dat het onderwijsprogramma opgenomen wordt in de OER. Voor een nadere beschrijving van de onderdelen kan verwezen worden naar de studiegids. Indien de opleiding afstudeerrichtingen kent dient het onderwijsprogramma per afstudeerrichting te worden vermeld. Artikel Academische vorming De toetsing van de academische vorming van de student kan worden gespecificeerd op bijvoorbeeld: het zelfstandig wetenschappelijk denken en handelen; het wetenschappelijk communiceren in de eigen en tenminste één vreemde taal; het hanteren van vakwetenschappelijke kennis in een bredere c.q. wijsgerige en maatschappelijke context. Artikel 4.3 en Onderwijseenheden Het wordt aangeraden om de extra mogelijkheden die de major-minorcombinatie aan de UvA biedt te vermelden en daarbij onder meer aandacht te besteden aan een invulling van de minor met het oog op de masterkeuze. Portfolio (optioneel) Aangegeven dient te worden welke rol en status het portfolio vervult binnen de opleiding: is dit in het kader van een assessment, een beoordeling of wordt slechts een overzicht gegeven van wat een student gepresteerd heeft (zoals werkstukken, cijferlijsten, presentaties, beoordelingen). Voorts dient duidelijk te zijn of het portfolio een verplicht karakter heeft, of er studiepunten aan verbonden zijn en of een voldoende portfolio geldt als exameneis. Artikel Keuzeruimte Zoals vermeld in de Onderwijsvisie zijn opleidingen gehouden in de bachelorfase een keuzeruimte van 30 ects te bieden. De vrije ruimte in de curricula dient inzetbaar te zijn voor het volgen van onderwijs in het buitenland. Indien een student zich in een semester wenst in te schrijven voor vakken waarmee in totaal meer dan 30 studiepunten kunnen worden behaald, kan de student verzocht worden zijn studieprogramma te bespreken met een studieadviseur. De student kan niet geweigerd worden zich voor meer dan 30 studiepunten in te schrijven. Artikel Volgordelijkheid tentamens Onderdeel h van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden. Ingevolge deze bepaling moet het aantal tentamens en de onderlinge volgorde van de tentamens worden geregeld. Daarbij kan volgens onderdeel s van art lid 2 WHW een bepaalde volgorde verplicht worden gesteld. Onderdeel s van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens. Voor elk onderdeel in de studiegids moet worden aangegeven welke voorkennis gewenst is. In de OER kan de verplichte volgorde van onderdelen worden aangegeven, voor die gevallen waarin dat in het belang van de voortgang van het onderwijs en/of de inzet van middelen nodig is. Ook de veiligheid kan een reden zijn om bepaalde voorkennis d.m.v. een voorafgaand onderdeel verplicht te stellen. Pagina 37
38 Op praktische gronden (bijv. beperkte laboratoriumruimte of beperkte capaciteit) kan soms slechts een beperkt aantal studenten tegelijk deelnemen aan bepaalde studieonderdelen. Het is redelijk in dergelijke situaties voorrang te geven aan de studenten voor wie het betreffende onderdeel verplicht is. Dit moet vantevoren bekend zijn gemaakt. Artikel Deelname aan praktische oefening en werkgroepbijeenkomsten Onderdeel t van art lid 2 WHW luidt: In de onderwijs- en examenregeling worden ( ) ten minste geregeld waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen. Onder praktische oefeningen worden onder meer begrepen: het maken van scripties, het maken van werkstukken of proefontwerpen, het uitvoeren van onderzoekopdrachten, het deelnemen aan veldwerk en excursies, het doorlopen van stages en het deelnemen aan andere noodzakelijk geachte onderwijsleeractiviteiten, gericht op het bereiken van de beoogde vaardigheden. De beoordeling van het deelnemen aan praktische oefeningen staat gelijk aan een tentamen of is daar onderdeel van. Er kan voor worden gekozen om een minimale aanwezigheidsplicht op te nemen. Artikel Graad Artikel 7.10a, lid 1 luidt: Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding heeft afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science» ( ) De minister kan bepalen of een opleiding of een groep van opleidingen een andere toevoeging krijgt. Dit heeft hij gedaan voor de wo-opleiding Nederlands Recht (Regeling andere toevoeging aan WO graden). Als toevoeging aan de graden Bachelor en Master wordt vastgesteld of Laws. Met ingang van 1 augustus 2010 is de mogelijkheid opengesteld gezamenlijke opleidingen of afstudeerrichtingen met Nederlandse en internationale partners op te zetten en een joint degree af te geven (artikel 7.3c WHW). Een joint degree is een graad die een instelling verleent, samen met een of meer instellingen in binnen- of buitenland, nadat de student een studieprogramma heeft doorlopen waarvoor de samenwerkende instellingen samen verantwoordelijk zijn. Het is niet mogelijk om gezamenlijke opleiding met een HBO- programma te vormen. Het instellen van een gezamenlijke opleiding, afstudeerrichting of specifiek programma binnen een opleiding is aan goedkeuring van het CvB onderhevig. Hoofdstuk 5 - Keuzeruimte Artikel Overige keuzeruimte Dit kunnen onderdelen zijn aan een andere instelling van het Nederlandse hoger onderwijs of aan een buitenlandse instelling. Bij het volgen van onderdelen in het buitenland kunnen zich complicaties voordoen, omdat het vooraf opgegeven onderwijsprogramma tussentijds wijzigt. In zulke gevallen kan alsnog achteraf toestemming worden gegeven. Hoofdstuk 6 - Honoursprogramma Hier kan de opleidingsspecifieke invulling van het honoursprogramma worden vermeld. Pagina 38
39 Hoofdstuk 7 - Studiebegeleiding en studieadvies Artikel Bindend (negatief) studieadvies Dit artikel is bedoeld als aanvulling op en specificatie van artikel 6.2 van deel A voor de desbetreffende opleiding(en). Hoofdstuk 8 - Overgangs- en slotbepalingen Artikel Wijzigingen deel B Deel B kan afzonderlijk van deel A worden gewijzigd. Speciale aandacht wordt gevraagd voor de leden 2 en 3. Artikel Inwerkingtreding deel B Deel B treedt afzonderlijk van deel A in werking. Van belang is wel dat op het moment dat voor de eerste maal met dit format wordt gewerkt, zowel een A deel als de B delen op hetzelfde moment inwerking treden. Pagina 39
40 Addendum bij model onderwijs- en examenregeling BACHELORopleidingen Deel A artikel 4.11, derde lid, alsmede de toelichting bij dit artikellid, is vervallen per 4 april Pagina 40
Onderwijs- en Examenregeling 2012/2013
Onderwijs- en Examenregeling 2012/2013 Masteropleidingen Leraar Voorbereidend Hoger Onderwijs in Biologie Leraar Voorbereidend Hoger Onderwijs in Natuurkunde Leraar Voorbereidend Hoger Onderwijs in Scheikunde
Onderwijs- en Examenregeling (OER)
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Nederlandstalige versie 1 Academisch jaar 2014-2015 Vrije Universiteit Amsterdam Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde Bacheloropleidingen Bedrijfskunde
Onderwijs- en examenregeling 2004-2005 Masteropleiding Spaanse taal en cultuur. Paragraaf 1 Algemene bepalingen
[66810] Onderwijs- en examenregeling 2004-2005 Masteropleiding Spaanse taal en cultuur Paragraaf 1 Algemene bepalingen art. 1.1 toepasselijkheid van de regeling Deze regeling is van toepassing op het onderwijs
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bachelor Geschiedenis. Studiejaar 2014-2015. Vrije Universiteit Amsterdam Faculteit der Geesteswetenschappen
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bachelor Geschiedenis Studiejaar 2014-2015 Vrije Universiteit Amsterdam Faculteit der Geesteswetenschappen Deel A: facultair deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Toepasselijkheid
Onderwijs- en examenregeling 2005-2006 Masteropleiding Italiaanse taal en cultuur. Paragraaf 1 Algemene bepalingen
[66809] Onderwijs- en examenregeling 2005-2006 Masteropleiding Italiaanse taal en cultuur Paragraaf 1 Algemene bepalingen art. 1.1 toepasselijkheid van de regeling Deze regeling is van toepassing op het
Onderwijs- en Examenregeling 2010/2011
Onderwijs- en Examenregeling 2010/2011 Masteropleidingen Leraar Voorbereidend Hoger Onderwijs in Biologie Leraar Voorbereidend Hoger Onderwijs in Natuurkunde Leraar Voorbereidend Hoger Onderwijs in Scheikunde
B. OPLEIDINGSSPECIFIEK DEEL VAN DE ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING VAN DE DUALE PROGRAMMA NEDERLANDS ALS TWEEDE TAAL FACULTEIT DER GEESTESWETENSCHAPPEN
B. OPLEIDINGSSPECIFIEK DEEL VAN DE ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING VAN DE DUALE MASTEROPLEIDING TAALWETENSCHAPPEN 90 EC PROGRAMMA NEDERLANDS ALS TWEEDE TAAL FACULTEIT DER GEESTESWETENSCHAPPEN 2015-201 Deel
Onderwijs- en examenregeling 2004-2005 Masteropleiding Dramaturgie. Paragraaf 1 Algemene bepalingen. art. 1.1 toepasselijkheid van de regeling
[60717] Onderwijs- en examenregeling 2004-2005 Masteropleiding Dramaturgie Paragraaf 1 Algemene bepalingen art. 1.1 toepasselijkheid van de regeling Deze regeling is van toepassing op het onderwijs en
ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING BACHELOROPLEIDING
ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING BACHELOROPLEIDING Onderwijs- en examenregeling zoals bedoeld in art. 7.13 van de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek, voor de bacheloropleiding Technische
Onderwijs- en examenregeling. BACHELOR Politicologie
Onderwijs- en examenregeling BACHELOR Politicologie Studiejaar 2014-2015 Vrije Universiteit Amsterdam 1 Inhoudsopgave DEEL A: FACULTAIR DEEL 4 1 Algemene bepalingen 4 Artikel 1.1 Toepasselijkheid regeling
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bachelor Communicatie- en Informatiewetenschappen. Studiejaar 2014-2015
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bachelor Communicatie- en Informatiewetenschappen Studiejaar 2014-2015 Vrije Universiteit Amsterdam Faculteit der Geesteswetenschappen Deel A: facultair deel 1. Algemene
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bacheloropleiding Theologie. Studiejaar 2014-2015. Vrije Universiteit Amsterdam Faculteit der Godgeleerdheid
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bacheloropleiding Theologie Studiejaar 2014-2015 Vrije Universiteit Amsterdam Faculteit der Godgeleerdheid Protestantse Theologische Universiteit 1 Deel A: facultair
Universiteit van Amsterdam Economie en Bedrijfskunde
Universiteit van Amsterdam Economie en Bedrijfskunde Onderwijs- en Examenregeling (OER) 2015-2016 Bacheloropleidingen Actuariële Wetenschappen Econometrie en Operationele Research Economie en Bedrijfskunde
Onderwijs- en examenregeling 2006-2007. Masteropleiding Medische Psychologie. Faculteit Sociale Wetenschappen. Universiteit van Tilburg
Onderwijs- en examenregeling 2006-2007 Masteropleiding Medische Psychologie Faculteit Sociale Wetenschappen Universiteit van Tilburg 30 juni 2006 Inhoud: 1. Algemene bepalingen 3 2. Masterprogramma 5 3.
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bacheloropleidingen. Faculteit der Bètawetenschappen Vrije Universiteit Amsterdam. Deel A: Facultair deel
Onderwijs- en Examenregeling (OER) Bacheloropleidingen Faculteit der Bètawetenschappen Vrije Universiteit Amsterdam Studiejaar 2018-2019 Deel A: Facultair deel VERSIE DATUM VOORGELEGD AAN OPMERKING 0.1
ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING. van de masteropleiding. Bedrijfscommunicatie. studierichtingen: Bedrijfscommunicatie, Cultuur & Organisaties (BCO)
FACULTEIT DER LETTEREN RADBOUD UNIVERSITEIT NIJMEGEN ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING van de masteropleiding Bedrijfscommunicatie studierichtingen: Bedrijfscommunicatie, Cultuur & Organisaties (BCO) Internationale
ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING. van de masteropleiding. Algemene Cultuurwetenschappen
FACULTEIT DER LETTEREN RADBOUD UNIVERSITEIT NIJMEGEN ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING van de masteropleiding Algemene Cultuurwetenschappen 2009-2010 Par. 1 - Algemene bepalingen Artikel 1 - Toepasselijkheid
Algemene bepaling DEEL 3: VOOROPLEIDINGSEISEN EN EISEN PROPEDEUSE
DEEL 3: VOOROPLEIDINGSEISEN EN EISEN PROPEDEUSE Algemene bepaling De specifieke vooropleidingseisen van elke opleiding zijn vermeld op de website van Zuyd Hogeschool bij de informatie van de desbetreffende
ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING VOOR DE MASTEROPLEIDINGEN VAN DE FACULTEIT DER GEESTESWETENSCHAPPEN STUDIEJAAR 2015-2016
ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING VOOR DE MASTEROPLEIDINGEN VAN DE FACULTEIT DER GEESTESWETENSCHAPPEN STUDIEJAAR 2015-2016 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Toepasselijkheid regeling Artikel 1.2 Begripsbepalingen
Vastgesteld door de decaan van de faculteit Wiskunde&Informatica op 28 augustus 2003
Onderwijs- en examenregeling 2003 van de Masteropleiding Computer Science Vastgesteld door de decaan van de faculteit Wiskunde&Informatica op 28 augustus 2003 Inhoud: 1. Algemeen 2. Inrichting van de opleiding
Geen instemming met de OER van ACASA, deel A
Dhr. prof. dr. F.P. Weerman Kloverniersburgwal 48 1012 CX Amsterdam Spuistraat 134 1012 VB Amsterdam (020) 525 3278 [email protected] studentenraad.nl/fgw Datum 31 oktober 2017 Ons kenmerk 17fgw039 Contactpersoon
Faculteit der Letteren. Onderwijs- en examenregeling voor de bacheloropleiding Geschiedenis
Faculteit der Letteren Onderwijs- en examenregeling voor de bacheloropleiding Geschiedenis artikel 1 - toepasselijkheid van de regeling Deze regeling is van toepassing op het onderwijs en de examens van
Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen. Onderwijs- en examenregeling. Bacheloropleiding
Onderwijs- en examenregeling Inhoud: Paragraaf 1 Algemene bepalingen Paragraaf 2 Opbouw van de opleiding Paragraaf 3 Onderwijs Paragraaf 4 Tentamens Paragraaf 5 Vooropleiding Paragraaf 6 Studiebegeleiding
MODEL REGELS EN RICHTLIJNEN EXAMENCOMMISSIE
MODEL REGELS EN RICHTLIJNEN EXAMENCOMMISSIE Vastgesteld bij besluit nr. 2015cb0178 van het College van Bestuur van 1 juni 2015 Inhoud 1. Toepassingsgebied 2. Algemeen 3. Samenstelling van de examencommissie
B. OPLEIDINGSSPECIFIEK DEEL VAN DE ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING FACULTEIT DER GEESTESWETENSCHAPPEN
B. OPLEIDINGSSPECIFIEK DEEL VAN DE ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING VAN DE DUALE MASTEROPLEIDING NEERLANDISTIEK (PROGRAMMA REDACTEUR-EDITOR) FACULTEIT DER GEESTESWETENSCHAPPEN 2016-2017 Deel B: opleidingsspecifiek
ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING. Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen. Deel 2 (Opleidingsspecifiek deel): Bachelor Wijsbegeerte
ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING 2015-2016 Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen Deel 2 (Opleidingsspecifiek deel): Bachelor Wijsbegeerte Deze onderwijs- en examenregeling (OER-FFTR) treedt
