BIJLAGE 1: TERMINOLOGIE
|
|
|
- René Desmet
- 7 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 BIJLAGE 1: TERMINOLOGIE 1.13 Deelcompartiment : deel van een compartiment begrensd door wanden die de branduitbreiding vertragen en de geteisterde oppervlakte beperken. ( ) 7 TERMINOLOGIE BETREFFENDE PARKEERGEBOUWEN 7.1 Parkeerbouwlaag: ruimte van het parkeergebouw tussen een vloer en een plafond die de parkeerzones voor voertuigen, de circulatiewegen en eventueel lokalen omvat. De vloer van deze ruimte kan horizontaal of hellend zijn. 7.2 Helling: hellend vlak dat enkel het verkeer van voertuigen mogelijk maakt tussen twee parkeerbouwlagen en dat geen parkeerzones voor voertuigen bevat. 7.3 Diepte p van een ondergrondse parkeerbouwlaag: De diepte p van een ondergrondse parkeerbouwlaag is conventioneel de grootste afstand tussen het afgewerkte vloerpeil van een willekeurige parkeerplaats van deze parkeerbouwlaag en het peil van iedere ingang van het parkeergebouw bestemd voor de tussenkomst van de brandweer op deze parkeerplaats. Als de opstelplaats bestemd voor de voertuigen van de brandweer voor deze ingang van het parkeergebouw zich echter hoger dan 1 m boven deze ingang bevindt, moet de afstand tussen het peil van deze ingang van het parkeergebouw en het vloerpeil van deze parkeerplaats toegevoegd worden om de diepte p te bepalen. 7.4 Open parkeerbouwlaag: bouwlaag van een parkeergebouw die beschikt over twee tegenovergestelde gevels die aan de volgende voorwaarden voldoen: - deze gevels staan over hun gehele lengte maximaal 60 m uit elkaar; - elk van deze gevels bevat openingen waarvan de nuttige oppervlakte minstens 1/6de van de totale oppervlakte van de verticale binnen- en buitenwanden van de omtrek van deze bouwlaag beslaat; - de openingen zijn gelijkmatig verdeeld over de lengte van elk van de twee gevels; - tussen deze twee gevels zijn eventuele obstakels toegestaan, voor zover de nuttige oppervlakte voor de luchtdoorstroming, waarbij rekening gehouden wordt met een volledige bezetting van de parkeerplaatsen, minstens gelijk is aan de oppervlakte van de openingen die vereist is in elk van deze gevels; - de horizontale afstand in open lucht tussen deze gevels en elk buitenobstakel moet minstens 5 m bedragen. 7.5 Open parkeergebouw: een parkeergebouw waarvan elk niveau een open parkeerbouwlaag is, zoals gedefinieerd in het punt Autolift: lift gebruikt voor het verplaatsen van de voertuigen met hun passagiers tussen de verschillende parkeerbouwlagen. 7.7 Parkeerbox: binnenruimte van een parkeergebouw, begrensd door wanden en bedoeld om één of meer voertuigen te parkeren. 1/21
2 BIJLAGE 2/1: LAGE GBOUWEN BIJLAGE 3/1: MIDDELHOGE GEBOUWEN BIJLAGE 4/1: HOGE GEBOUWEN 3 VOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE BOUWELEMENTEN. ( ) 3.2 Structurele elementen. De structurele elementen beschikken, in functie van hun situatie, over een brandweerstand zoals weergegeven in tabel 2.1, waarin Ei het laagste gelegen evacuatieniveau voorstelt. De structurele elementen beschikken over een brandweerstand zoals weergegeven in tabel 3.1, waarin Ei het laagst gelegen evacuatieniveau voorstelt: De structurele elementen hebben R 120. Structurele elementen van het dak Overige structurele elementen Structurele elementen Boven Ei Eén bouwlaag R 30 (*) R 30 Boven Ei R 60 Meerdere bouwlagen R 30 (*) R 60 Onder Ei met inbegrip van de vloer van Ei R 120 Onder Ei met inbegrip van de vloer van Ei Niet van toepassing R 60 Tabel 3.1 Brandweerstand van structurele elementen. Tabel 2.1 Brandweerstand van structurele elementen. (*) Geen eisen voor de structurele elementen van het dak indien het aan de binnenkant beschermd is door middel van een bouwelement EI 30. ( ) 5 CONSTRUCTIEVOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE LOKALEN EN TECHNISCHE RUIMTEN. 2/21
3 BIJLAGE 2/1: LAGE GBOUWEN BIJLAGE 3/1: MIDDELHOGE GEBOUWEN BIJLAGE 4/1: HOGE GEBOUWEN ( ) 5.2 Parkeergebouwen. Bij afwijking van het in punt 2.1 gestelde grondbeginsel kan een parkeergebouw een compartiment vormen waarvan de oppervlakte niet beperkt is, zelfs wanneer er verscheidene communicerende bouwlagen zijn Structurele elementen In afwijking van het punt 3.2 hebben de structurele elementen van het parkeergebouw R 120 en de vloeren van de parkeerbouwlagen en de hellingen hebben REI 120. In afwijking van het punt 3.2 hebben de structurele elementen van het parkeergebouw R 240 en de vloeren van de parkeerbouwlagen en de hellingen hebben REI 120. Wanneer het dak geen andere functie heeft dan alleen het beschermen van het parkeergebouw tegen de weersomstandigheden: - hebben de structurele elementen van het dak R 30; - of worden de structurele elementen van het dak gescheiden van de rest van het parkeergebouw door een bouwelement EI 30. Wanneer het dak geen andere functie heeft dan alleen het beschermen van het parkeergebouw tegen de weersomstandigheden: - hebben de structurele elementen van het dak R 60; - of worden de structurele elementen van het dak gescheiden van de rest van het parkeergebouw door een bouwelement EI 60. Wanneer het dak geen andere functie heeft dan alleen het beschermen van het parkeergebouw tegen de weersomstandigheden: - hebben de structurele elementen van het dak R 120; - of worden de structurele elementen van het dak gescheiden van de rest van het parkeergebouw door een bouwelement EI 120. Voor de open parkeerbouwlagen worden de structurele elementen aan geen enkele vereiste onderworpen inzake brandweerstand, op voorwaarde: - dat de vloeren en de hellingen tussen beide open parkeerbouwlagen minstens REI 60 hebben; - en dat deze structurele elementen geen ander compartiment dragen. Voor de open parkeerbouwlagen hebben de structurele elementen R 60, op voorwaarde: - dat de vloeren en de hellingen tussen beide open parkeerbouwlagen minstens REI 60 hebben; - en dat deze structurele elementen geen ander compartiment dragen Compartiment De wanden en de verbindingen tussen het parkeergebouw en de rest van het gebouw zijn conform het punt 4.1, met de volgende aanpassingen: - de wanden hebben EI 60; - de deuren van de verbindingen kunnen zelfsluitend zijn bij brand. De wanden en de verbindingen tussen het parkeergebouw en de rest van het gebouw zijn conform het punt 4.1, met de volgende aanpassing : de deuren van de verbindingen kunnen zelfsluitend zijn bij brand Parkeergebouw onder verschillende gebouwen 3/21
4 BIJLAGE 2/1: LAGE GBOUWEN BIJLAGE 3/1: MIDDELHOGE GEBOUWEN BIJLAGE 4/1: HOGE GEBOUWEN In afwijking van het punt 1.3 moeten de parkeergebouwen van aangrenzende gebouwen niet door een wand worden afgescheiden. Die parkeergebouwen vormen bijgevolg slechts één en hetzelfde parkeergebouw. In dat geval: - hebben de structurele elementen van het parkeergebouw R 240, met inbegrip van de structurele elementen van de open parkeerbouwlagen; - hebben de wanden tussen het parkeergebouw en de rest van de gebouwen EI Gemeenschappelijke bepalingen Het ontwerp, de bouw en de inrichting van het parkeergebouw voldoen aan de bepalingen van het punt 3 van de bijlage Voor de gebouwen waarvoor een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning werd ingediend vóór 1 december De punten tot zijn niet van toepassing op het parkeergebouw van een gebouw waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning werd ingediend vóór 1 december 2016 als het voldoet aan de volgende voorwaarden: In afwijking van het punt 3.2, worden er geen eisen voor brandweerstand gesteld aan de structurele elementen van open parkeergebouwen waarvan de horizontale wanden REI 60 bezitten. De wanden tussen het parkeergebouw en de rest van het gebouw hebben EI 60. De wanden tussen het parkeergebouw en de rest van het gebouw voldoen aan de voorschriften van 4.1. In het parkeercompartiment mogen sommige, niet voor verblijf bestemde lokalen worden opgenomen, zoals: transformatorlokalen, bergingen, archieflokalen, technische ruimten... De wanden van deze lokalen vertonen EI 60 en de toegang geschiedt door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. De wanden van deze lokalen vertonen EI 60 en: - de toegang geschiedt door een sas met wanden EI 60 en zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren EI1 30; - of de toegang tot elk lokaal geschiedt door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 60. De wanden van deze lokalen vertonen EI 120 en: - de toegang geschiedt door een sas met wanden EI 120 en zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren EI1 30; - of de toegang tot elk lokaal geschiedt door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 60. Als de deuren bij brand zelfsluitend zijn, moet het parkeercompartiment uitgerust zijn met een branddetectie-installatie. De specifieke voorschriften betreffende de stookafdelingen, de transformatorlokalen en de lokalen voor vuilnisopslag blijven van toepassing (cf. respectievelijk de punten 5.1.2, en 5.1.4). 4/21
5 BIJLAGE 2/1: LAGE GBOUWEN BIJLAGE 3/1: MIDDELHOGE GEBOUWEN BIJLAGE 4/1: HOGE GEBOUWEN Op elke bouwlaag is de evacuatie als volgt geregeld: - ten minste twee trappenhuizen of buitentrappen voldoen aan de voorschriften vervat in 4.2 of 4.3 en zijn vanuit ieder punt van de bouwlaag toegankelijk; de af te leggen weg naar de dichtstbijzijnde trap mag niet meer dan 45 m bedragen; de minimale nuttige breedte van deze trappen bedraagt 0,80 m; - zoals gesteld in 2.2.2, derde lid, mag op de beschouwde bouwlaag de vereiste toegang tot één van de twee trappenhuizen vervangen worden door een rechtstreekse uitgang naar buiten; - op de bouwlaag die het dichtst bij het uitritniveau ligt, mag de hellende rijweg één der trappenhuizen of buitentrappen vervangen indien zijn wanden EI 60 hebben en zijn wanden EI 120 hebben en de helling gemeten in haar hartlijn niet meer dan 10 % bedraagt - de beperking van de helling tot 10% geldt niet voor de compartimenten waarvan de oppervlakte gelijk of kleiner is dan 500 m², indien evacuatie via de helling mogelijk blijft; - buiten de signalisatie bepaald in 4.5 worden de evacuatiewegen, op elke bouwlaag, ook nog aangeduid op de vloer of juist erboven. Eén enkele uitgang per bouwlaag (binnentrappenhuis, buitentrap, rechtstreekse uitgang naar buiten of hellende rijweg op de bouwlaag die het dichtst bij het uitritniveau ligt) is evenwel voldoende op voorwaarde: - dat het parkeergebouw zich in de hoogte uitstrekt over maximum twee bouwlagen; - dat geen enkele van deze beide bouwlagen zich op meer dan twee bouwlagen boven of onder het uitritniveau voor voertuigen bevindt; - dat geen enkel punt van het parkeergebouw zich op een afstand verder dan 15m van de toegang tot de evacuatieweg naar de uitgang bevindt; - en dat geen enkel punt van het parkeergebouw zich op een afstand verder dan 30m van de toegang tot de uitgang bevindt. In de gesloten parkeergebouwen met een totale oppervlakte groter dan 2500 m², moeten de maatregelen genomen worden die noodzakelijk zijn om de verspreiding van rook te voorkomen. ( ) 5/21
6 BIJLAGE 5/1: REACTIE BIJ BRAND ( ) 3 LOKALEN De vereisten inzake de reactie bij brand die van toepassing zijn op de bouwproducten die gebruikt worden voor de bekleding van verticale wanden, plafonds en vloeren van lokalen met een verhoogd brandrisico omwille van hun gebruik, worden vermeld in tabel I. TABEL I : RUIMTEN MET VERHOOGD BRANDRISICO INGEVOLGE GEBRUIK H.G. M.G. L.G. Technische ruimten, parkeerruimten, machinekamers, technische schachten Verticale wanden A2-s3, d2 A2-s3, d2 A2-s3, d2 Plafonds en verlaagde plafonds A2-s3, d0** A2-s3, d0** A2-s3, d0** Vloeren A2 Fl-s2 A2 Fl-s2 A2 Fl-s2 Thermische isolatie van de leidingen* C L-s3, d2 C-s3, d2*** C L-s3, d2 C-s3, d2*** C L-s3, d2 C-s3, d2*** Liftkooien Verticale wanden C-s2, d2 C-s2, d2 E-d2 Plafonds C-s2, d2 C-s2, d2 E-d2 Vloeren C Fl-s2 C Fl-s2 E Fl Collectieve keukens Verticale wanden A2-s3, d2 A2-s3, d2 A2-s3, d2 Plafonds A2-s3, d0 A2-s3, d0 A2-s3, d0 Vloeren B Fl-s2 B Fl-s2 B Fl-s2 H.G. hoge gebouwen M.G. middelhoge gebouwen L.G. lage gebouwen * behalve luchtkanalen ** d2 in lokalen 30 m² *** voor kanalen >300 mm interieur ( ) Thermische isolatie van de leidingen* C L-s3, d2 C-s3, d2*** C L-s3, d2 C-s3, d2*** C L-s3, d2 C-s3, d2*** 6/21
7 ( ) 3 DE PARKEERGEBOUWEN 3.1 Voorwerp Dit hoofdstuk bepaalt de voorwaarden waaraan het ontwerp, de bouw en de inrichting van de parkeergebouwen moeten voldoen om: a) het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen; b) de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen; c) preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken. 3.2 Toepassingsgebied De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de parkeergebouwen bedoeld in het punt van de bijlagen 2/1, 3/1 et 4/1 van dit besluit. 3.3 Brandbeveiliging Het ontwerp, de uitvoering, het gebruik en het nazicht van de brandbeveiligingsinstallaties voldoen aan de regels van goed vakmanschap en aan de geldende normen terzake. De actieve brandbeveiligingsinstallaties zijn daarbij zo uitgevoerd dat de verschillende componenten onderling compatibel zijn. Zij werken in synergie zodat de werking of het defect van een component, de werking van de andere installaties en componenten niet in het gedrang brengt. De actieve brandbeveiligingsinstallaties worden op regelmatige tijdstippen nagekeken en onderhouden door een ter zake bevoegd organisme of persoon. De specifieke voorschriften betreffende de elektrische leidingen voor bediening en voeding van de actieve brandbeveiligingsinstallaties blijven van toepassing (cf. punt van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1) Beveiligingstype Er worden verschillende beveiligingstypes geïdentificeerd op basis van het toegepaste brandbeveiligingsconcept: - & Ventilatieopening - Open In de parkeergebouwen met een totale oppervlakte groter dan 250 m² (*), moet één van deze beveiligingstypes worden toegepast op iedere parkeerbouwlaag, zoals aangegeven in onderstaande tabel: 7/21
8 Totale oppervlakte van het parkeergebouw S S 250 m² (*) 250 m² (*) < S m² Oppervlakte van het deelcompartiment S sc Ssc m² m² < Ssc m² m² < Ssc m² m² < Ssc S > m² Bovengrondse bouwlaag / (** of vereenvoudigde) (***) Ventilatieopening Open (**) Open Open & Open & Open Ondergrondse bouwlaag 0 m < p 6 m 6 m < p 12 m 12 m < p 18 m > 18 m / (** of vereenvoudigde) (***) Ventilatieopening Open (**) & (**) Open & Open & & Open & & Open & 8/21
9 (*) Deze grens wordt verhoogd tot 500 m² op voorwaarde: - dat de interventie van de brandweer kan gebeuren via een hellend vlak of rechtstreeks vanaf de ingang van het parkeergebouw bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.3 van de bijlage 1); - dat het parkeergebouw zich in de hoogte over maximum twee bouwlagen uitstrekt; - dat geen enkele van deze beide bouwlagen zich ondergronds bevindt op een diepte groter dan 3 m of bovengronds hoger dan 3 m; Deze grens wordt verder verhoogd tot 625 m² onder de volgende bijkomende voorwaarde: - dat de verhouding van de breedte tot de lengte van elke parkeerbouwlaag hoger of gelijk is aan 0,7. (**) -installatie ontworpen en uitgevoerd volgens de norm NBN S , maar met afwijkingen toegekend voor bepaalde voorschriften van bijlage A «door mechanische horizontale ventilatie Type-oplossing» van deze norm (cf. punt ). (***)installatie ontworpen en uitgevoerd volgens de norm NBN EN of iedere andere regel van goed vakmanschap met een gelijkwaardig veiligheidsniveau, maar met afwijkingen toegekend voor bepaalde voorschriften van de norm NBN EN (cf. punt ). Alle ondergrondse parkeerbouwlagen moeten van hetzelfde beveiligingstype zijn. Alle bovengrondse parkeerbouwlagen, met uitzondering van de open bouwlagen, moeten van hetzelfde beveiligingstype zijn. Het beveiligingstype van de bovengrondse bouwlagen mag wel verschillen van dat van de ondergrondse bouwlagen Branddetectie- en alarminstallatie De parkeerbouwlagen zijn uitgerust met een automatische branddetectie- en alarminstallatie die het hele parkeergebouw bewaakt (met inbegrip van de in het compartiment aanwezige lokalen). Deze vereiste is niet van toepassing op: - de parkeergebouwen met een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan de grens vermeld in punt waarboven één van de beveiligingstypes dient toegepast te worden op elke parkeerbouwlaag; - de parkeergebouwen van uitsluitend type "Ventilatieopening" of "Open", op voorwaarde: - dat er geen deelcompartimenten zijn; - dat ze geen bij brand zelfsluitende deur heeft; - dat ze geen deur heeft die bij brand automatisch ontgrendelen; - en dat ze geen autolift heeft Uitvoering van de branddetectie-installatie De automatische branddetectie-installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de norm NBN S De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand. Voor de parkeerbouwlagen uitgerust met een sprinklerinstallatie, kan deze installatie de functie van automatische branddetectie verzekeren in de zones die zij beschermt, op voorwaarde: - dat het leidingnet van de sprinklerinstallatie is uitgerust met waterstroomdetectors en/of drukschakelaars die het leidingnet opdelen in detectiezones; - dat deze detectiezones voldoen aan de overeenkomstige voorschriften van de norm NBN S ; - dat voor de parkeerbouwlagen van het type &, elke detectiezone ten hoogste één -zone omvat; - dat elke onderverdeling van het leidingnet is voorzien van een testklep; - en dat deze installatie in de omgeving van bij brand zelfsluitende deuren of deuren die bij brand automatisch ontgrendelen aangevuld wordt met rookdetectoren. De branddetectie-installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan. 9/21
10 Werking van de alarminstallatie Alle gebruikers van het gebouw worden tijdig op de hoogte gebracht dat er brand is in het parkeergebouw en dat er tot ontruiming van het gebouw overgegaan moet worden. Wanneer het parkeergebouw onder toezicht staat van één of meer bevoegde personen, dan wordt een voorafgaande waarschuwing gestuurd naar die personen die de passende maatregelen nemen en de brandweer verwittigen installatie Voor de parkeerbouwlagen uitgerust met een rook- en warmteafvoerinstallatie (-installatie), moet deze installatie de parkeerplaatsen van de voertuigen en de circulatiewegen beveiligen. Het is niet vereist om in een installatie te voorzien voor de hellingen en de in het compartiment aanwezige lokalen Uitvoering van de -installatie De -installatie is ontworpen en uitgevoerd: - hetzij volgens de norm NBN S ; - hetzij volgens de bepalingen van het punt (Vereenvoudigde -installatie); De rookafvoer van het getroffen deelcompartiment mag niet gebeuren via een ander deelcompartiment. De luchttoevoer naar het getroffen deelcompartiment kan daarentegen gebeuren via een ander deelcompartiment Afwijkingsbepaling Autonome stroombron. In afwijking van de norm NBN S en van het punt van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1, moet de -installatie niet gevoed worden met een autonome stroombron voor de parkeergebouwen die een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m² hebben Afwijkingsbepaling - Bijlage A van de norm NBN S Voor een deelcompartiment met beveiligingstype "": a) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m² en bovengronds; b) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m² en een diepte kleiner dan of gelijk aan 6 m; c) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m² en een diepte kleiner dan of gelijk aan 12 m; en op voorwaarde dat de totale oppervlakte van het parkeergebouw kleiner dan of gelijk is aan m²; worden de volgende afwijkingen op bijlage A van de norm NBN S toegekend: - het deelcompartiment wordt opgesplitst in -zones met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m²; - de breedte van het deelcompartiment kan groter zijn dan Wref; - het ontwerpdebiet Qd wordt bepaald zonder rekening te houden met het debiet Qref; - voor een breedte w groter dan 20 m, is de vereiste snelheid die in rekening dient gebracht te worden gegeven in tabel A.1 voor een breedte w tussen 12 m en 20 m. 10/21
11 Vereenvoudigde -installatie Deze vereenvoudigde type-oplossing is slechts van toepassing op een deelcompartiment van het type "": a) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m² en bovengronds; b) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m² en een diepte kleiner dan of gelijk aan 6 m; waarvan de afstand d groter dan of gelijk is aan 0,6 D (zie punt 7.5); en op voorwaarde dat de totale oppervlakte van het parkeergebouw kleiner dan of gelijk is aan m². waarbij D d de kortste horizontale afstand is af te leggen binnen het deelcompartiment tussen de verst gelegen punten van dit deelcompartiment; de kortste horizontale afstand is af te leggen binnen het deelcompartiment tussen het midden van de luchtuitlaatmond en de meest nabijgelegen rand van de luchtinlaatmond; Het principe bestaat erin de brandweer toe te laten een horizontale ventilatie mogelijk te maken zonder hun eigen ventilatoren, om zodoende een interventieweg vrij te maken die relatief rookvrij is vanaf de ingang van het parkeergebouw tot in de nabijheid van de brandhaard. Elk deelcompartiment vormt een -zone Uitvoering van de vereenvoudigde -installatie Het rookafvoersysteem is: - ofwel een mechanische rookafzuigventilator; - ofwel een afzuigmond die via een rookafvoerkanaal verbonden is met een mechanisch rookafzuigventilator. Als het kanalennet verschillende afzuigmonden heeft die zijn aangesloten op een gemeenschappelijke mechanische rookafzuigventilator, is deze uitgerust met kleppen en/of rookregisters die worden geactiveerd in functie van de plaats van de brand. Het rookafvoersysteem verzekert een afvoerdebiet van minstens m³/h. Het rookafvoersysteem kan ook gebruikt worden voor het beheersen van de reglementair bepaalde maximale concentratie aan schadelijke gassen, zoals vereist bij permanente ventilatie 11/21
12 (zonder brand). In geval van brand moet de aansturing van het rookafvoersysteem voorrang hebben op de sturing van de permanente ventilatie. De rookafzuigtoestellen moeten voldoen aan de norm NBN EN Hun toebehoren (rookkleppen, rookregisters, ) die hen beschermen ten opzichte van de buitenomgeving moeten voldoen aan de norm NBN EN De afzuigtoestellen en hun toebehoren moeten eveneens voldoen aan de prestatie-eisen volgens de vereiste klassering gedefinieerd in de tabel hieronder: Prestatie-eisen Vereiste klassen Referentienormen Weerstand tegen hitte van de ventilator F 300 NBN EN (proef: Bijlage C) Werking onder sneeuwlast van het toebehoren van de ventilator, geplaatst op het eind van een netwerk en in buitenomgeving, behalve bij verwarmde gebouwen waarbij het toebehoren niet thermisch geïsoleerd is Werking van het toebehoren van de ventilator dat kan worden blootgesteld aan lage omgevingstemperatuur en dat niet werkt door het drukverschil geproduceerd door de ventilator Betrouwbaarheid van het toebehoren van de ventilator dat niet werkt door het drukverschil geproduceerd door de ventilator SL 125 NBN EN (proef: Bijlage E) T (-15) NBN EN (proef: Bijlage E) Re 1000 (*) NBN EN (proef: bjilage C) (*) Als het afvoersysteem twee functies heeft, moeten cycli worden uitgevoerd in de normale positie voor comfortventilatie, vooraleer over te gaan tot de test om de betrouwbaarheidsklasse ervan te bepalen. De afzuigkanalen, hun toebehoren en hun ophangingen moeten minstens de klasse E (ve-ho) single hebben volgens NBN EN De rookkleppen en rookregisters moeten conform zijn aan NBN EN Ze moeten minimaal van klasse E (ve-ho i o) MA single zijn en zich automatisch in de positie bepaald door het brandscenario stellen Bediening van de -installatie De -installatie wordt bediend door de automatische branddetectie-installatie voorzien in punt De -installatie moet ook manueel kunnen worden bediend Afwijkingsbepaling - Norm NBN S In afwijking van de norm NBN S , voor de parkeerbouwlagen met beveiligingstype & : - kan de automatische sturing worden verzekerd door een branddetectie-installatie waarvan de functie van automatische branddetectie gebeurt via de sprinklerinstallatie in de zones die zij beschermt, zoals voorzien in punt ; - wordt het brandscenario geactiveerd ten vroegste 3 minuten na de ontvangst van het signaal van het waterstromingsalarm van de sprinklerinstallatie; - moet het gehele systeem operationeel zijn in een tijdspanne van maximaal 10 minuten na de detectie van brand. 12/21
13 3.3.4 installatie Voor de parkeerbouwlagen uitgerust met een sprinklerinstallatie, moet deze installatie de parkeerplaatsen van de voertuigen, de circulatiewegen en de hellingen en de lokalen in het compartiment beveiligen, behalve deze die gecompartimenteerd zijn van de rest van het parkeercompartiment Uitvoering van de sprinklerinstallatie De sprinklerinstallatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de norm NBN EN of iedere andere regel van goed vakmanschap met een gelijkaardig veiligheidsniveau. Die normen en regels van goed vakmanschap moeten integraal toegepast worden, zonder hun specificaties onderling te mengen Afwijkingsbepaling Autonome stroombron. In afwijking van het punt van de bijlagen 2/1, 3/1 et 4/1, moeten eventuele elektrische pompen van de sprinklerinstallatie niet gevoed worden met een autonome stroombron voor de parkeergebouwen met het beveiligingstype "" die een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m² hebben Afwijkingsbepaling - Norm NBN EN Voor een deelcompartiment met het beveiligingstype "": a) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m² en bovengronds; b) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m² en een diepte kleiner dan of gelijk aan 6 m; en op voorwaarde dat de totale oppervlakte van het parkeergebouw kleiner dan of gelijk is aan m²; worden de volgende afwijkingen op de norm NBN EN toegekend: - de risicoklasse is OH1; - de watervoorraad moet een voldoende capaciteit hebben om gedurende 30 minuten de voorwaarden van druk/debiet vereist voor het systeem te verzekeren Deelcompartimentering Het principe geldt van de automatische onderverdeling bij brand in verschillende deelcompartimenten om de branduitbreiding te vertragen en de geteisterde oppervlakte te beperken. Deze vereiste is niet van toepassing: a) op de parkeergebouwen met een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan de grens vermeld in punt waarboven één van de beveiligingstypes dient toegepast te worden op elke parkeerbouwlaag; b) op de parkeergebouwen met een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 2500 m² die zich in de hoogte over maximum twee bouwlagen uitstrekt; c) op de parkeergebouwen van het beveiligingstype " & " of "Open". Een parkeerbouwlaag kan een enkel deelcompartiment vormen op voorwaarde dat de voorschriften hieronder worden nageleefd Afmeting van de deelcompartimenten Een deelcompartiment mag zich niet over verschillende parkeerbouwlagen uitstrekken. De oppervlakte van een deelcompartiment is beperkt afhankelijk van de diepte ervan, teneinde rekening te houden met de moeilijkheid voor de interventie van de brandweer in de diepste bouwlagen (cf. punt 3.3.1). 13/21
14 De oppervlakte van de vloer van een deelcompartiment moet continu zijn: de oppervlakte kan horizontaal zijn of in helling, maar er mag geen onderbreking zijn (bijvoorbeeld: vloer in schaar of met split-levels) Wanden van een deelcompartiment De wanden van een deelcompartiment hebben EI 60. Elke opening in de wanden van een deelcompartiment bestemd voor doorgang van de bezetters en de brandweer is afgesloten: - hetzij door een sas met wanden EI 60 en zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren EI1 30; - hetzij door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 60. De openingen in de wanden voor deelcompartimentering voor de doorgang van voertuigen zijn uitgerust met bij brand zelfsluitende afsluitingen E 60, zoals draaideuren, schuifwanden, oprolbare luiken en schermen. In geval van activering van de afsluitingen vermeld in het derde lid van dit punt, moet de verbinding met ieder deelcompartiment verzekerd blijven: - hetzij via een opening conform het tweede lid van dit punt, voorzien in de nabijheid van elk van de openingen bedoeld in het derde lid van dit punt; - hetzij via een andere welbepaalde toegang, bepaald in overeenstemming met de brandweer. Doorvoeringen doorheen wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen van een bouwelement mogen de vereiste weerstand tegen brand van dit bouwelement niet nadelig beïnvloeden Werking bij brand De deuren en afsluitingen van de deelcompartimenten sluiten automatisch bij brand, behalve deze die nodig zijn voor de interventie van de brandweer en voor de werking van de eventuele installatie. 14/21
15 3.3.6 Verluchtingsopening Dit beveiligingstype is slechts van toepassing op een deelcompartiment: a) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m² en bovengronds; b) met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 1250 m² en een diepte kleiner dan of gelijk aan 6 m; waarvan de afstand d groter dan of gelijk is aan 0,6 D (zie punt 7.5); en op voorwaarde dat de totale oppervlakte van het parkeergebouw kleiner dan of gelijk is aan m². waarbij D d de kortste horizontale afstand is af te leggen binnen het deelcompartiment tussen de verst gelegen punten van dit deelcompartiment; de kortste horizontale afstand is af te leggen binnen het deelcompartiment tussen het midden van de luchtuitlaatmond en de meest nabijgelegen rand van de luchtinlaatmond; Het principe bestaat erin de brandweer toe te laten een horizontale ventilatie mogelijk te maken met hun eigen ventilatoren, om zodoende een interventieweg vrij te maken die relatief rookvrij is vanaf de ingang van het parkeergebouw tot in de nabijheid van de brandhaard. De rookafvoer en de luchttoevoer van het getroffen deelcompartiment mag niet gebeuren via een ander deelcompartiment Uitvoering van de verluchtingsopening De verluchtingsopening mondt rechtstreeks uit in open lucht. Deze opening kan uitgerust zijn met een klep of een kleppenregister. De verluchtingsopening heeft een doorsnede van minstens 5 m². De doorsnede van de verluchtingsopening wordt bepaald door eventuele obstructies aan de binnenkant van het afvoersysteem af te trekken, zoals bedieningen, verluchtingsluiken en schoepen. De verhouding van de lengte tot de breedte van de verluchtingsopening is kleiner dan of gelijk aan 5. De verluchtingsopening kan ook gebruikt worden voor het beheersen van de reglementair 15/21
16 bepaalde maximale concentratie aan schadelijke gassen, zoals vereist bij permanente ventilatie (zonder brand). In geval van brand moet de aansturing van het rookafvoersysteem voorrang hebben op de sturing van de permanente ventilatie. De prestaties van de eventuele klep of kleppenregister van de verluchtingsopening worden bepaald overeenkomstig de proefmethoden bepaald door de norm NBN EN De volgende tabel definieert de klassen waaraan de klep of kleppenregister moet voldoen: Prestatie-eisen Vereiste klassen Referentienormen Weerstand tegen hitte B 300 NBN EN (proef: Bijlage G) Opening onder sneeuwlast SL 125 (**) (***) NBN EN (proef: Bijlage D) Opening aan lage omgevingstemperatuur T (-15) NBN EN (proef: Bijlage E) Betrouwbaarheid Re 50 (*) NBN EN (proef: Bijlage C) Weerstand tegen windbelasting WL 1500 NBN EN (proef: Bijlage F) (*) Als het afvoersysteem twee functies heeft, moeten cycli worden uitgevoerd in de normale positie voor comfortventilatie, vooraleer over te gaan tot de test om de betrouwbaarheidsklasse ervan te bepalen (**) Een afvoersysteem geklasseerd als SL 0 kan worden geïnstalleerd overeenkomstig de instructies van de fabrikant, met een minimale installatiehoek groter dan 45 (hellingen van het dak en van het evacuatiesysteem opgeteld in gesloten stand), behalve als de sneeuw niet van het afvoersysteem kan afglijden (door winddeflectoren bijvoorbeeld). (***) Met uitzondering van de afvoersystemen geklasseerd als SL 0, volstaat het voor de afvoersystemen uitgerust met deflectoren of gelijkaardige elementen, dat de classificatie van de sneeuwbelasting niet lager is dan SL = 2000 d, waarbij d staat voor de sneeuwdikte, uitgedrukt in meters, die kan worden tegengehouden binnen de grenzen van de deflectoren. De opening van de eventuele klep of kleppenregister van elke ventilatieopening wordt als volgt bevolen: - automatisch bij het detecteren van een brand in een parkeergebouw indien dit is uitgerust met een branddetectie-installatie; - automatisch bij een defect aan de energiebron, de voeding of de bediening (toestel met positieve veiligheid); - automatisch wanneer de temperatuur van de omgevingslucht in contact met het toestel 80 C overschrijdt (toestel met smeltzekering); - manueel via een bediening bestemd voor de brandweer. In afwijking van het punt kunnen, als er geen andere actieve beschermingsinstallatie is, de manuele bedieningen van de eventuele kleppen en kleppenregisters aan de ingang van het parkeergebouw geplaatst worden, die dient als interventieweg. Die bedieningen worden aangegeven met een signalisatie die voor de brandweer duidelijk zichtbaar en herkenbaar is. 16/21
17 3.3.7 Open parkeerbouwlagen Dit beveiligingstype is slechts van toepassing op een open parkeerbouwlaag (cf. punt van de bijlage 1). Het principe bestaat erin dat deze parkeerbouwlaag voldoende verlucht wordt, waardoor er bij brand een vlotte afvoer van rook en warmte en aanvoer van verse lucht is, en dat actieve beschermingsmaatregelen in deze bouwlaag niet nodig zijn Centrale controle- en bedieningspost Het toezicht op de werking en de bediening van de verschillende actieve brandbeveiligingsinstallaties gebeuren vanuit een centrale controle- en bedieningspost. De centrale controle- en bedieningspost heeft een synoptische bord waarop de brand kan gelokaliseerd worden, waarmee de verschillende voorziene beschermingsmiddelen kunnen worden vastgesteld en waarmee hun activering kan worden gecontroleerd. De ligging van de centrale controle- en bedieningspost wordt bepaald in overleg met de territoriaal bevoegde brandweer, zodat de maximale loopafstand van buiten tot het lokaal 15 m bedraagt. De centrale controle- en bedieningspost is geplaatst: - hetzij in een lokaal conform het punt 3.6 dat van buiten toegankelijk is ofwel rechtstreeks, ofwel via een evacuatieweg conform het punt 3.7.4; - hetzij in een ander compartiment. Het lokaal wordt aangegeven met een signalisatie die duidelijk zichtbaar en herkenbaar is door de brandweer, en is uitgerust met veiligheidsverlichting. 3.4 Blusmiddelen In afwijking van het punt van de bijlagen 2/1, 3/1 et 4/1 is voor de parkeerbouwlagen uitgerust met een sprinklerinstallatie geen enkele muurhaspel vereist. De muurhydranten blijven vereist. 3.5 In het compartiment aanwezige lokalen In het parkeercompartiment mogen de volgende lokalen worden opgenomen: - niet voor verblijf bestemde lokalen (bijvoorbeeld: technische lokalen, transformatorlokalen, bergingen, archieflokalen, lokalen voor vuilnisopslag, tellerlokalen, verwarmingslokalen, ); - de lokalen die rechtstreeks dienen voor de uitbating van het parkeergebouw (betaalposten, bewakingslokalen, sanitair, kantoren, werkplaatsen, centrale controle- en bedieningspost, ). Het is niet toegelaten om in het parkeercompartiment bijkomende activiteiten uit te voeren zoals automatische carwash-stations, laadkades, tankstations of vulstations voor brandstof. In alle gevallen moet de hoofdactiviteit van het parkeercompartiment het parkeren van voertuigen blijven Binnenwanden en -deuren De binnenwanden van de in het compartiment aanwezige lokalen hebben dezelfde brandweerstand als de wanden van het parkeercompartiment en: - ofwel geschiedt de toegang door een sas met wanden die dezelfde brandweerstand hebben als de wanden van het parkeercompartiment en zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren EI1 30; - ofwel geschiedt de toegang tot elk lokaal door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI /21
18 Deze vereiste is niet van toepassing op de betaalposten, de bewakingslokalen, het sanitair en de kantoren nodig voor de uitbating van het parkeergebouw Specifieke lokalen De specifieke voorschriften betreffende de stookafdelingen, de transformatorlokalen en de lokalen voor vuilnisopslag blijven van toepassing (cf. respectievelijk de punten 5.1.2, en van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1). 3.6 Uitrusting Autoliften De specifieke voorschriften betreffende de liften blijven van toepassing (cf. punten 6.1 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1), met toepassing van de volgende afwijkingsbepalingen: - het punt van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1 is niet van toepassing; - bij branddetectie worden de kooien van de autoliften naar het aangeduide bordes gebracht zodat de passagiers kunnen uitstappen, vervolgens worden ze uit normale dienst gehaald, behalve bij storing van de stroomvoorziening; - bij storing van de stroomvoorziening worden de kooien van de liften naar het eerste bordes gebracht dat technisch mogelijk is, zodat de passagiers kunnen uitstappen, vervolgens worden ze uit normale dienst gehaald. Hiertoe beschikt elke autolift over een autonome stroombron met een toereikende capaciteit en vermogen Parkeerbox De parkeerboxen maken deel uit van de parkeerzones en hun hoofdactiviteit moet het parkeren van voertuigen blijven. De oppervlakte van een parkeerbox is beperkt tot maximaal twee parkeerplaatsen. De wanden en deuren die de parkeerboxen scheiden van de parkeerzones voor voertuigen en de circulatiewegen, zijn niet onderworpen aan een vereiste inzake brandweerstand. De vereisten inzake reactie bij brand blijven van toepassing. Elke parkeerbox moet uitgerust zijn met twee verluchtingsopeningen: - één bovenaan, met een oppervlakte van minstens 500 cm² en een hoogte van minstens 15 cm; - de andere onderaan, met een oppervlakte van minstens 200 cm². Deze verluchtingsopeningen verbinden elke parkeerbox rechtstreeks met een circulatieweg van het parkeergebouw. Deze verluchtingsopeningen mogen met een traliewerk tegen het inbraak voorzien zijn. De wanden die de parkeerboxen van elkaar of van de parkeerzones voor voertuigen scheiden hebben geen openingen of verluchtingsopeningen Gasleidingen De aanwezigheid van gasleidingen in het parkeergebouw is toegelaten op voorwaarde: - dat deze gasleidingen uit staal zijn en gelast; - dat de leidingonderdelen en de toestellen van deze gasleidingen van het type RHT zijn, zoals bepaald in de normen NBN D en NBN D ; - dat deze gasleidingen beschermd zijn tegen eventuele schokken afkomstig van voertuigen; - dat deze gasleidingen boven de circulatiewegen worden geplaatst. Wanneer de positie van de binnenkomende of van de verticale aansluiting zich evenwel boven een parkeerplaats bevindt, dan is een verbindingsleiding naar de leidingen boven de circulatiewegen toegestaan; - en dat een afsluitklep voor de gasvoorziening wordt voorzien aan de buitenzijde van het 18/21
19 3.7 Evacuatie Aantal uitgangen parkeercompartiment, die door de brandweer kan worden gebruikt. Elke parkeerbouwlaag beschikt over minstens twee uitgangen. Voor de parkeergebouwen wordt beschouwd als een uitgang: - een binnentrappenhuis conform het punt 4.2 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1, met de volgende aanpassing: de deuren van de communicerende delen kunnen bij brand zelfsluitend zijn; - een buitentrap conform het punt 4.3 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1; - een rechtstreekse toegang tot de buitenlucht op een evacuatieniveau. De toegang tot een uitgang kan geschieden via een hellend vlak. De uitgangen bevinden zich in de tegenovergestelde zones van de parkeerbouwlagen en moeten toegankelijk blijven in geval van activering van eventuele rookschermen voor de -installatie en van eventuele afsluitingen van de deelcompartimentering. De toegangsdeuren tot de uitgangen mogen geen vergrendeling hebben die de evacuatie bij brand verhindert Af te leggen afstand In afwijking van punt van de bijlagen 2/1, 3/1 et 4/1 mag geen enkel punt van het parkeergebouw zich bevinden op een afstand van meer dan: - 45 m van de toegang tot een evacuatieweg die naar een uitgang leidt, behalve voor de open parkeerbouwlagen; - 60 m van de toegang tot een uitgang. Deze afstanden worden gemeten rekening houdend met het sluiten van de eventuele afsluitingen van de deelcompartimentering Eén enkele uitgang In afwijking van het punt is één enkele uitgang per parkeerbouwlaag voldoende, op voorwaarde: - dat het parkeergebouw zich in de hoogte uitstrekt over maximum twee bouwlagen; - dat geen enkele van deze beide bouwlagen zich ondergronds bevindt op een diepte groter dan 6 m of bovengronds hoger dan 6 m; - dat geen enkel punt van het parkeergebouw zich op een afstand verder dan 15m bevindt van de toegang tot de evacuatieweg die naar de uitgang leidt; - en dat geen enkel punt van het parkeergebouw zich op een afstand verder dan 30m van de toegang tot de uitgang bevindt Evacuatiewegen De evacuatiewegen in een parkeergebouw voldoen aan het punt 4.4 van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1, met de volgende aanpassingen: - de binnenwanden van de evacuatiewegen hebben EI 60 en de deuren die er toegang tot geven hebben EI1 30 en zijn zelfsluitend of zelfsluitend bij brand; - de verbinding tussen de trappen moet niet verplicht worden verzekerd door evacuatiewegen of vluchtterrassen; - voor de open parkeerbouwlagen kan de verbinding tussen het parkeergebouw en een binnentrappenhuis dat enkel het parkeergebouw bedient, verzekerd worden door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. Wanneer de toegang van binnentrappenhuizen tot de openbare weg of tot een buitenruimte die 19/21
20 het mogelijk maakt deze te bereiken, geschiedt via een parkeergebouw, dan wordt die verbinding verzekerd door een evacuatieweg; Breedte van de uitgangen en evacuatiewegen De nuttige breedte van de evacuatiewegen, vluchtterrassen, uitgangen en hun toegangs-, uitgangs- of doorgangsdeuren bedraagt ten minste 0,80 m voor de evacuatiewegen, de uitgangen en de deuren en ten minste 0,60 m voor de vluchtterrassen Signalisatie en veiligheidsverlichting De uitgangen, evacuatiewegen en brandbeveiligingsmiddelen worden aangeduid met goed waarneembare en herkenbare signalisatie die voldoet aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Zij zijn uitgerust met een veiligheidsverlichting. De specifieke voorschriften hiervoor blijven van toepassing (cf. punt van de bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1). Het volgnummer van elke bouwlaag is duidelijk aangebracht op de overlopen en in evacuatiewegen ter hoogte van trappen, liften en hellingen. 3.8 Interventie Interventiewegen De specifieke eisen betreffende de interventiewegen hangen af van het beveiligingstype van de parkeerbouwlaag Beveiligingstype "" De interventie van de brandweer moet kunnen gebeuren via een hellend vlak of rechtstreeks vanaf de ingang van het parkeergebouw bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.3 van de bijlage 1). Ter hoogte van het getroffen deelcompartiment moet de toegang tot dit deelcompartiment vanaf het hellend vlak of de ingang van het parkeergebouw bestemd voor de tussenkomst van de brandweer hetzij rechtstreeks gebeuren, hetzij via ten hoogste één ander deelcompartiment Beveiligingstype "" De interventie van de brandweer moet kunnen gebeuren via een hellend vlak, een uitgang van het parkeergebouw (cf. punt 3.7.1) of rechtstreeks vanaf de ingang van het parkeergebouw bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.3 van de bijlage 1). Ter hoogte van het getroffen deelcompartiment moet de toegang tot dit deelcompartiment vanaf het hellend vlak, de uitgang van het parkeergebouw of de ingang van het parkeergebouw bestemd voor de tussenkomst van de brandweer rechtstreeks zijn Beveiligingstype "Ventilatieopening" De interventie van de brandweer moet kunnen gebeuren via een hellend vlak of rechtstreeks vanaf de ingang van het parkeergebouw bestemd voor de tussenkomst van de brandweer (cf. punt 7.3 van de bijlage 1). Ter hoogte van het getroffen deelcompartiment moet de toegang tot dit deelcompartiment vanaf het hellend vlak of de ingang van het parkeergebouw bestemd voor de tussenkomst van de brandweer rechtstreeks zijn Centrale controle- en bedieningspost 20/21
21 Bij elke ingang van het parkeergebouw geeft een signalisatie die duidelijk zichtbaar en herkenbaar is voor de brandweer, aan of het parkeergebouw beschikt over een centrale controle- en bedieningspost en de plaats ervan in het gebouw Plannen van het parkeergebouw Een exemplaar van de plannen van het parkeergebouw (inplanting, plannen, doorsnedes, ) is ter beschikking van de brandweer in de centrale controle- en bedieningspost, of als het niet over een dergelijke post beschikt, bij elke ingang van het parkeergebouw. De beschermingsmiddelen, blusmiddelen en interventiewegen zijn aangegeven op die plannen. 21/21
Fireforum Congress 20/11/2018. Maj. Dieter Brants (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Robby De Roeck (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent)
Maj. Dieter Brants (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Robby De Roeck (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) 1 Parkeergebouwen Toekomstige wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling
Maj. Dieter Brants (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Robby De Roeck (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent)
Maj. Dieter Brants (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Robby De Roeck (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Parkeergebouwen: De toekomstige aanpassing van KB Basisnormen Brand Toekomstige wijziging van
BIJLAGE 5/1: REACTIE BIJ BRAND
0 PLATEN [De platen zijn opgenomen bij de betreffende tekst] Plaat 5.1 - Groendaken 1 VOORWERP De vereisten inzake de reactie bij brand en het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde die vermeld zijn
BIJLAGE 6: INDUSTRIEGEBOUWEN. Deze bijlage bepaalt de eisen waaraan het ontwerp, de bouw en de inrichting van industriegebouwen moeten voldoen om:
1 ALGEMEENHEDEN 1.1 Doelstelling Deze bijlage bepaalt de eisen waaraan het ontwerp, de bouw en de inrichting van industriegebouwen moeten voldoen om: a) het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting
Branden in parkeergarages Problematiek
18 oktober 2008 Preventiemaatregelen in ondergrondse parkeergarages Nu en in de toekomst Branden in parkeergarages Problematiek Brandende auto produceert veel warmte en rook - Stijgend gebruik van kunststoffen
BIJLAGE 5: REACTIE BIJ BRAND : Gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde
BIJLAGE 5: REACTIE BIJ BRAND : Gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde INHOUD. 1. Voorwerp 2. Indeling van gebouwen 3. Lokalen 4. Evacuatiewegen en trappenhuizen 4.1. Bouwproducten 4.2. Productenvoor
LAGE GEBOUWEN MIDDELHOGE GEBOUWEN HOGE GEBOUWEN
0. ALGEMEEN. 0.1 Doel. Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van lage gebouwen (LG) moeten voldoen om : Deze basisreglementering bepaalt de minimale
KB 12 juli 2012 - Bijlage 4/1
BIJLAGE 4/1: HOGE GEBOUWEN. INHOUD. 0. ALGEMEEN...5 0.1. Doel...5 0.2. Toepassingsgebied...5 0.3. Terminologie...5 0.4. Reactie bij brand...5 0.5 Platen...5 1. INPLANTING EN TOEGANGSWEGEN...7 2. COMPARTIMENTERING
Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van middelhoge (MG) gebouwen moeten voldoen om:
0. ALGEMEEN. BIJLAGE 4/1: HOGE GEBOUWEN 0.1 Doel. Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van lage gebouwen (LG) moeten voldoen om: Deze basisreglementering
BIJLAGE 2/1: LAGE GEBOUWEN BIJLAGE 3/1: MIDDELHOGE GEBOUWEN BIJLAGE 4/1: HOGE GEBOUWEN
0 ALGEMEEN. 0.1 Doel. Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van lage gebouwen (LG) moeten voldoen om: Deze basisreglementering bepaalt de minimale
KB met de algemene bepalingen van de norm NBN inzake brandbescherming in hoge gebouwen
Informatie en ondersteuning Basisnormen Naar aanleiding van een aantal rampen (dancing in La Louvière, Innovation in Brussel) en verschillende alleenstaande gevallen, werd de wet van 30 juli 1979 opgesteld.
24 & 30 november Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er? Bijlage 5/1
24 & 30 november 2012 Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er? Bijlage 5/1 Inleiding Probleem Hoe klassen vertalen bij gebrek aan correlatie? Hoe rekening houden met rook (s) en brandende
II. 12 BVCHECK MC Checklist voor de preventie van brand in de mini-crèches
II. 12 BVCHECK MC Checklist voor de preventie van brand in de mini-crèches Deze checklist helpt bepalen aan welke vereisten de mini-crèche op het vlak van brandveiligheid aan het besluit van de Vlaamse
Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er?
Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er? Lage gebouwen 3.5.1 Enkelwandige gevels 3.5.1.1 Scheiding tussen compartimenten Wat verandert wordt onderstreept (+ Euroclasses) Bevestigingen v.d.
Norm NBN S21-204: Brandbeveiliging in gebouwen: Schoolgebouwen 1. ALGEMEEN 2
Norm NBN S21-204: Brandbeveiliging in gebouwen: Schoolgebouwen INHOUD 1. ALGEMEEN 2 1.1 Doel 2 1.2 Toepassingsgebied 2 1.3 Terminologie 2 1.3.1 Algemene terminologie 2 1.3.2 Terminologie eigen aan de schoolgebouwen
VOORAL DE ALINEA S IN HET ROOD ZIJN ZEER BELANGRIJK VOOR HET JAARMARKTGEBEUREN
DIT BRANDWEERREGLEMENT IS ZEER BELANGRIJK ONDERMEER VOOR DE UITBATERS VAN KRAMEN WAAR VERWARMINGSTOESTELLEN WORDEN GEBRUIKT. GELIEVE HIERMEE REKENING TE HOUDEN EN NA TE LEVEN VOORAL DE ALINEA S IN HET
BIJLAGE 2: LAGE GEBOUWEN BIJLAGE 3: MIDDELHOGE GEBOUWEN BIJLAGE 4: HOGE GEBOUWEN
0 ALGEMEEN. 0.1 Doel. Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van lage gebouwen (LG) moeten voldoen om: Deze basisreglementering bepaalt de minimale
NBN S21-204 - Brandbeveiliging in Schoolgebouwen
NBN S21-204 - Brandbeveiliging in Schoolgebouwen NBN S 21-204 - 1. Algemeen NBN S 21-204 - 1.1. Doel Deze norm bepaalt de minimum voorwaarden waaraan de conceptie, de constructie, de uitrusting en de inrichting
RICHTLIJNEN STAD ANTWERPEN
TO-1001 SCHOLEN RICHTLIJNEN STAD ANTWERPEN VOOR BOUWEN, BIJBOUWEN, AANBOUWEN EN VERGROTEN VAN SCHOOLGEBOUWEN ONAFGEZIEN DE WETTELIJKE BEPALINGEN TERZAKE VAN HET A.R.A.B. EN EVENTUEEL DEZE VAN HET MINISTERIEEL
Algemene inleiding Brandreglementering en normen. Inhoud Programma Algemene inleiding Reglementering en normen
Infosessies Brand Algemene inleiding Brandreglementering en normen Tisselt, Geel en Oosterzele April 2013 Infosessies Brand - Y. Martin Yves Martin, Afdelingshoofd 1 WTCB Inhoud Programma Algemene inleiding
FOD Binnenlandse Zaken
KONINKLIJK BESLUIT VAN 17 MEI 2007 TOT VASTSTELLING VAN DE MAATREGELEN VOOR DE PREVENTIE VAN BRAND EN ONTPLOFFING WAARAAN DE GESLOTEN PARKEERGEBOUWEN MOETEN VOLDOEN OM LPG-VOERTUIGEN TE PARKEREN. (B.S.
Bijlage 2. Specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor groepsopvang als vermeld in artikel 23
Bijlage 2. Specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor groepsopvang als vermeld in artikel 23 Inhoudsopgave 1. Algemene bepalingen 2. Inplanting en toegangswegen 3. Compartimentering 4. Voorschriften
Brandveilig afdichten van doorvoeringen in brandwerende wanden
S. Eeckhout, Senior Hoofdadviseur, WTCB Brandveilig afdichten van doorvoeringen in brandwerende wanden 29 oktober 2015 Brandwerende doorvoeringen S. Eeckhout 1 1. Inhoud van de presenta1e 1. Inleiding
Welke elementen ondernemen om oudere appartementsgebouwen veiliger maken
Welke elementen ondernemen om oudere appartementsgebouwen veiliger maken Randvoorwaarden Wetgeving brandveiligheid van toepassing op het gebouw? Een wetgeving helpt ons een bepaald brandveiligheidsniveau
BELGISCH STAATSBLAD 17.09.2014 Ed. 2 MONITEUR BELGE
73465 Afdeling 2. Bestaande en nieuwe opvanglocaties Art. 65. Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit gelden de volgende overgangsperiodes voor de opvanglocaties, vermeld in artikel 62, en voor de opvanglocaties
Prev 1. Wat in de vorige hoofdstukken?
Prev 1 Carlos Schellinck HVZ Zuid-Oost Wat in de vorige hoofdstukken? Reactie bij brand? Weerstand tegen brand? Onafgewerkte vloer, plafond, afgewerkte vloer, verlaagd plafond? Zelfsluitende, bij brand
OLR 3. Duurzaamheid verhogen
OLR 3. Duurzaamheid verhogen LR 3.5 Je beoordeelt de brandveiligheid van een gebouw. LR 3.6 Je stelt mogelijke aanpassingen voor om de brandveiligheid van een gebouw te garanderen. Kristof Vercaigne Bachelor
Wetgeving in stooklokalen
Wetgeving in stooklokalen Wat wordt er verwacht van U? Welke norm is van toepassing? Waar moet of kan u op letten? Is het een nieuw stooklokaal of renovatie? Stookplaats boven 70kW volgens NBN B61-001
Bijlage 6 Industrie gebouwen KB 1 maart Basisnorm KB 7 juli 1999
Bijlage 6 Industrie gebouwen KB 1 maart 2009 Basisnorm KB 7 juli 1999 Bijlage 6 Kader bijlage 6 binnen de basisnorm Bijlage 1 Terminologie Bijlage 2/1 Lage gebouwen H < 10m Bijlage 3/1 Middelhoge gebouwen
1.3 Bouwmateriaal : materiaal gebruikt in de bouw, de afwerking of de blijvende versiering van een gebouw.
Basisnormen bijlage 1 Definities: (met wijzigingen van KB van 4 april 2003) Opmerking : de definities zijn rond een aantal onderwerpen gegroepeerd. De nummering van bijlage 1 is aangehouden, maar de weergave
1. Inplanting en toegangswegen
Herinnering aan de grote preventieprincipes: 1. Bewaren van het draagvermogen van het bouwwerk 2. Beperking van het ontstaan en de ontwikkeling van vuur en rook binnen het bouwwerk 3. Beperking van de
HOOFDSTUK XII JEUGDLOKALEN: REGLEMENTERING MET BETREKKING TOT DE BRANDVEILIGHEID IN JEUGDLOKALEN
HOOFDSTUK XII JEUGDLOKALEN: REGLEMENTERING MET BETREKKING TOT DE BRANDVEILIGHEID IN JEUGDLOKALEN Art. 224. ALGEMEEN JEUGDLOKALEN 1. Doel Deze reglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting,
Rook-en wamte afvoer in de praktijk L Evacuation des fumées et de la chaleur en pratique
Rook-en wamte afvoer in de praktijk L Evacuation des fumées et de la chaleur en pratique 20 10 2011 1 Vanbever Bart 2 RWA in parkeergarages Bart Vanbever [email protected] Antwerpen, 22 februari Wetgeving
KB 4 april 0. ALGEMEEN Doel Toepassingsgebied DEFINITIE PROEFMETHODEN...2
BIJLAGE 5: REACTIE BIJ BRAND VAN DE MATERIALEN. INHOUD. 0. ALGEMEEN...2 0.1. Doel...2 0.2. Toepassingsgebied...2 1. DEFINITIE...2 2. PROEFMETHODEN...2 2.1. Methode nr. 1...2 2.2. Methode nr. 2...2 2.3.
Wetgeving rond brandveiligheid voor de kinderdagverblijven
Wetgeving rond brandveiligheid voor de kinderdagverblijven Voorstelling Vrijwillig Brandweerkorps Zoersel Brandweertaken Preventie - Lt-dienstchef Yves Sepot - Olt Bart Van Winckel - Bwm Els Haest Wetgeving
FOD Binnenlandse Zaken Algemene Directie van de Civiele Veiligheid
FOD Binnenlandse Zaken Algemene Directie van de Civiele Veiligheid KONINKLIJK BESLUIT VAN 7 JULI 1994 TOT VASTSTELLING VAN DE BASISNORMEN VOOR DE PREVENTIE VAN BRAND EN ONTPLOFFING WAARAAN DE NIEUWE GEBOUWEN
Brandveiligheid in parkeergarages
Inhoud Reglementering Normen Technische invulling Ontwerpmethodiek Voorbeeldproject - Ontwerp Inhoud Reglementering Normen Technische invulling Ontwerpmethodiek Voorbeeldproject - Ontwerp Voorbeelden van
BIJLAGE 5: REACTIE BIJ BRAND VAN DE MATERIALEN
BIJLAGE 5: REACTIE BIJ BRAND VAN DE MATERIALEN 0 ALGEMEEN. 0.1 Doel. Deze bijlage bepaalt de classificatie inzake reactie bij brand van materialen gebruikt bij de constructie en de inrichting van gebouwen.
BIJLAGE I : NORMEN VOOR DE SPECIFIEKE BRANDVEILIGHEIDSASPECTEN WAARAAN DE OUDERENVOORZIENINGEN EN DE CENTRA VOOR HERSTELVERBLIJF MOETEN VOLDOEN
BIJLAGE I : NORMEN VOOR DE SPECIFIEKE BRANDVEILIGHEIDSASPECTEN WAARAAN DE OUDERENVOORZIENINGEN EN DE CENTRA VOOR HERSTELVERBLIJF MOETEN VOLDOEN INHOUDSTAFEL HOOFDSTUK I: INFRASTRUCTURELE MAATREGELEN 0.
Brandweerzone Centrum
Brandweerzone Centrum Politieverordening Publiek Toegankelijke Inrichtingen Regelgeving sinds 2003 en 2007 Wijzigingen => nieuw reglement sinds 1 januari 2016 Brandweerzone Centrum Aanleiding 1 januari
Brandveiligheid Brandwerende bouwelementen
Brandveiligheid Brandwerende NBN 713-020 1968 Beveiliging tegen brand - Gedrag bij brand bij bouwmaterialen en - Weerstand tegen brand van ) (met erratum) NBN 713-020/A1 1982 Beveiliging tegen brand -
BIJLAGE 7: GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
0 ALGEMEEN 0.1 Toepassingsgebied Deze bijlage bevat voorschriften die van toepassing zijn op de lage, middelhoge en hoge gebouwen en op industriegebouwen. 0.2 Platen [De platen zijn opgenomen bij de betreffende
Pascal van den Heuvel. wetgevend kader voor brandbare afdichtingen bijlage 7 type-oplossingen
Pascal van den Heuvel wetgevend kader voor brandbare afdichtingen bijlage 7 type-oplossingen 1 AGENDA - Wetgeving ifv. leidingdoorvoeringen - Bijlage 7 - Benadering probleem - Vragen 2 Basis normen 21
BRANDVEILIGHEIDSNORMEN VOOR OUDERENVOORZIENINGEN
BRANDVEILIGHEIDSNORMEN VOOR OUDERENVOORZIENINGEN Eindversie 1-04-2002 HOOFDSTUK I Infrastructurele maatregelen Eindversie 01 april 2002 Pagina 1 van 33 0. ALGEMEEN 0.1 Doel Deze reglementering bepaalt
Politiereglement met betrekking tot de brandveiligheid in horecazaken
Politiereglement met betrekking tot de brandveiligheid in horecazaken Artikel 1 : Algemeen 1.1 Doel Deze reglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van horecazaken
BIJLAGE 6 & ROOK-EN WARMTE AFVOER IN INDUSTRIEGEBOUWEN
BIJLAGE 6 & ROOK-EN WARMTE AFVOER IN INDUSTRIEGEBOUWEN Inleiding Bijlage 6 voor nieuwe industriegebouwen en opslagplaatsen Op 15 juli 2009 is in het Staatsblad de aangepaste versie van het koninklijk besluit
BIJLAGE 4: HOGE GEBOUWEN
BIJLAGE 4: HOGE GEBOUWEN KB 19.12.97 - HG - Art. 0 ALGEMEEN. KB 19.12.97 - HG - Art. 0.1 Doel. Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van hoge
BIJLAGE 3. FAQ link :
BIJLAGE 3 16 01 2018 FAQ link : http://www.toerismevlaanderen.be/logiesdecreet/brandveiligheid Vragen: 1. Heeft de hoogte van een gebouw waarin het logies is gevestigd invloed op de brandnormen? 2. Welke
FICHE UITRUSTING VAN DE ARBEIDSPLAATSEN
FICHE UITRUSTING VAN DE ARBEIDSPLAATSEN Afmetingen van lokalen en werkruimten : de lokalen zijn tenminste 2,5 m hoog (de delen die geen 2,5 m hoogte bereiken worden niet meegeteld voor de bepaling van
GOEDKEURING VAN HET POLITIEREGLEMENT OP INRICHTINGEN VAN TIJDELIJKE AARD
GEMEENTERAAD 22 mei 2007 AGENDAPUNT 19c Ref. 580.1/MF GOEDKEURING VAN HET POLITIEREGLEMENT OP INRICHTINGEN VAN TIJDELIJKE AARD DE GEMEENTERAAD, Gelet het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, inzonderheid
KB 19 december ALGEMENE DEFINITIES... 3
BIJLAGE 1: TERMINOLOGIE. INHOUD. 1. ALGEMENE DEFINITIES... 3 1.1 Brand...3 1.2. Definities inzake het geheel van het gebouw...3 1.2.1. Hoogte h van een gebouw...3 1.2.2. HG, MG, LG...3 1.3. Bouwmateriaal...3
2. KWALITEITS- EN VEILIGHEIDSNORMEN VOOR KAMERS
Gids voor kotbazen: Wijzigingen en aanvullingen In de brochure Gids voor kotbazen vindt u heel wat informatie en tips over studentenhuisvesting met een handig overzicht van alle regel- en wetgeving indien
TECHNISCH BUREAU VERBRUGGHEN VADEMECUM ELEKTRICITEIT RUIMTEN VAN ELEKTRISCHE INSTALLATIES Artikel A.R.E.I
47.01 Codificatie 47.01.a Bekwaamheid van personen: Om de bekwaamheid van personen te bepalen wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters BA gevolgd door een cijfer van 1 tot 5, zoals in
Inlichtingenformulier brandpreventie
Inlichtingenformulier brandpreventie A. PROJECTGEGEVENS 1. Bouwplaats Vul hieronder de gegevens in over het goed. Dit is de plaats waar u de werken of handelingen zal uitvoeren. Naam project / inrichting:
Brandveiligheidsnormen en veiligheid in het algemeen
BIJLAGE 1 Brandveiligheidsnormen en veiligheid in het algemeen 0. Indeling van de inrichtingen. De inrichtingen worden ingedeeld in 3 categorieën: - Categorie 1: de lage gebouwen: dit wil zeggen gebouwen
Bijlage Vuistregels Brandveiligheid
Bijlage Vuistregels Brandveiligheid Nieuwe regelgeving brandreactie (Bijlage 5 KB 12/07/2012) Voorschriften inzake brandwerende doorvoering (Bijlage 7 KB 12/07/2012) In samenwerking met WTCB Voorwoord
HOOFDSTUK XIV GEBOUWEN VOOR MEERVOUDIGE BEWONING: REGLEMENTERING MET BETREKKING TOT DE BRANDVEILIGHEID VAN GEBOUWEN VOOR MEERVOUDIGE BEWONING
HOOFDSTUK XIV GEBOUWEN VOOR MEERVOUDIGE BEWONING: REGLEMENTERING MET BETREKKING TOT DE BRANDVEILIGHEID VAN GEBOUWEN VOOR MEERVOUDIGE BEWONING Art. 235. ALGEMEEN BRANDVEILIGHEID VAN GEBOUWEN VOOR MEERVOUDIGE
Rook en warmteafvoerinstallaties in industriegebouwen
Rook en warmteafvoerinstallaties in industriegebouwen door Jean Philippe VERITER, 05.10.2017 Inhoudstafel A. Uitvoering van RWA installaties volgens Bijlage 6 2 1 WANNEER DIENT EEN RWA INSTALLATIE VOORZIEN
15036 BELGISCH STAATSBLAD 09.03.2012 Ed. 2 MONITEUR BELGE
15036 BELGISCH STAATSBLAD 09.03.2012 Ed. 2 MONITEUR BELGE VLAAMSE OVERHEID N. 2012 799 [C 2012/35247] 9 DECEMBER 2011. Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen
1392 S N. Pagina 1 van 7
1392 S N Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken Algemene Directie Civiele Veiligheid Hoge Raad voor Beveiliging tegen Brand en Ontploffing Suggestie CS/1392/ 11 007 - Stabiliteit bij brand van verlaagde
HOOFDSTUK XI - BRANDVEILIGHEID IN HORECAZAKEN: REGLEMENTERING MET BETREKKING TOT DE BRANDVEILIGHEID IN DE HORECAZAKEN
HOOFDSTUK XI - BRANDVEILIGHEID IN HORECAZAKEN: REGLEMENTERING MET BETREKKING TOT DE BRANDVEILIGHEID IN DE HORECAZAKEN Art. 214. ALGEMEEN 1. Doel Deze reglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de
www.brugge.be ALGEMENE RICHTLIJNEN dansgelegenheden en dansactiviteiten
www.brugge.be 1 ALGEMENE RICHTLIJNEN dansgelegenheden en dansactiviteiten 2 3 Naast een leuke vorm van ontspanning is dansen voor velen een belangrijke manier om mensen te ontmoeten. Het is echter belangrijk
Historiek van Bijlage 6 1999: Voorstel van een tekst goedgekeurd door de Hoge Raad Wordt niet gepubliceerd 2004: oprichting van een werkgroep aangedui
Nationale reglementering Bijlage 6 Historiek van Bijlage 6 1999: Voorstel van een tekst goedgekeurd door de Hoge Raad Wordt niet gepubliceerd 2004: oprichting van een werkgroep aangeduid door de Hoge Raad
- de op te richten gebouwen; - de uitbreidingen aan bestaande gebouwen maar beperkt tot het gedeelte van de uitbreiding.
KONINKLIJK BESLUIT VAN 7 JULI 1994 TOT VASTSTELLING VAN DE BASISNORMEN VOOR DE PREVENTIE VAN BRAND EN ONTPLOFFING WAARAAN DE NIEUWE GEBOUWEN MOETEN VOLDOEN. (B.S. 26.04.1995) (err. B.S. 19.03.1996 en B.S.
24 & 30 november 2012. Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er? Bijlage 7 Gemeenschappelijke bepalingen
24 & 30 november 2012 Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er? Bijlage 7 Gemeenschappelijke bepalingen Bijlage 7 Inhoud Inleiding tot de problematiek Algemene principes - toepassingsgebied
Brandreactie en Brandweerstand HVAC brandwerende isolatie Bijlage 7 KB 12 juni mei 2018, Pascal van den Heuvel
Brandreactie en Brandweerstand HVAC brandwerende isolatie Bijlage 7 KB 12 juni 2012 22 mei 2018, Pascal van den Heuvel REACTIE BIJ BRAND + Europese normering NBN EN 13501-1 rook wordt ingedeeld als volgt:
BRANDROOSTERS NATUURLIJKE VENTILATIE RF-TECHNOLOGIES EEN WAAIER AAN GECERTIFICEERDE OPLOSSINGEN
NATUURLIJKE VENTILATIE BRANDROOSTERS EEN WAAIER AAN GECERTIFICEERDE OPLOSSINGEN De brandwerende doorvoerroosters worden in de wanden of de deuren geïnstalleerd om de verspreiding van vuur en hitte tegen
INFORMATIEFICHE VRIJWILLIGE BRANDWEER SCHOTEN 1/7
INFORMATIEFICHE VRIJWILLIGE BRANDWEER SCHOTEN 1/7 In te vullen door betreffende diensten Brandweerdossiernummer: Bouwdossiernummer: Exploitatienummer: Gebouw Benaming Bestemming I. Persoonsgegevens Eigenaar
Brandveilig ontwerp en uitvoering van industriële gebouwen
Source: SRI Charleroi S. Eeckhout, Senior Hoofdadviseur Departement Technisch Advies en Consultancy 1 Inhoud Wetgeving Toepassingsdomein Klassering (A/B/C) Compartimentsgrootte Structurele elementen Type
Brandveilig renoveren
Brandveilig renoveren De renovatie van appartementen Bouwunie september 2018 Appartementrenovatie Brandveilig renoveren 18-09-18 - Pagina 1 De syllabi die uitgedeeld worden bij uiteenzettingen die gegeven
15036 BELGISCH STAATSBLAD Ed. 2 MONITEUR BELGE
15036 BELGISCH STAATSBLAD 09.03.2012 Ed. 2 MONITEUR BELGE VLAAMSE OVERHEID N. 2012 799 [C 2012/35247] 9 DECEMBER 2011. Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen
1. Inhoud van de presentatie
S. Eeckhout, Senior Hoofdadviseur, WTCB Brandwerende doorvoeringen: Wetgeving, praktijk en correcte uitvoering 16 oktober 2015 Edubuild & IT PFPA TV 254 Brandwerende doorvoeringen S. Eeckhout 1 1. Inhoud
Module 2.6. Ventilatie van niet-residentiële gebouwen: Concreet voorbeeld. Versie 2.1 februari 2006. Module 2.6
Ventilatie van niet-residentiële gebouwen: Concreet voorbeeld Voorbeeld: het PROBE gebouw Verdieping 1 : kantoren Verdieping 0 : kantoren Verdieping -1 : archief + stookplaats Het PROBE-gebouw bestaat
Vuistregels Brandveiligheid
Vuistregels Brandveiligheid Volgens Belgische reglementeringen Het Koninklijk Besluit (Basisnormen 1994 1997 2003 2007 2009) en goedgekeurde nieuwe bijlagen 1, 2, 3, 4, en 6 NBN S21-204, NBN S21-205 Gewestelijke
AFD BEPERKING ONTSTAAN BRANDGEVAARLIJKE SITUATIE
UITGANGSPUNTEN Regelgeving Tekeningen Gebouw LEGENDA UITGANGSPUNTEN..P LEGENDA VOORZIENINGEN BRANDVEILIGHEID Opmerking 1 Opmerking 2 Het bouwplan is getoetst aan: - Bouwbesluit 2012; - 2.2 Sterkte bij
Overzicht wetgeving brandpreventie. Ir. Pieter De Munck
Overzicht wetgeving brandpreventie Ir. Pieter De Munck Inleiding In België zijn de federale overheid, de gemeenschappen, de gewesten en zelfs de gemeenten in diverse hoedanigheden verantwoordelijk voor
Bijlage Vuistregels Brandveiligheid
Bijlage Vuistregels Brandveiligheid Nieuwe regelgeving brandreactie (Bijlage 5 KB 12/07/2012) Voorschriften inzake brandwerende doorvoering (Bijlage 7 KB 12/07/2012) In samenwerking met WTCB VOORWOORD
KB 4 april ALGEMEEN Doel Toepassingsgebied Terminologie Reactie bij brand Platen...
BIJLAGE 3: MIDDELHOGE GEBOUWEN. INHOUD. 0. ALGEMEEN...3 0.1. Doel...3 0.2. Toepassingsgebied...3 0.3. Terminologie... 3 0.4. Reactie bij brand...3 0.5 Platen...3 1. INPLANTING EN TOEGANGSWEGEN...7 2. COMPARTIMENTERING
KB 19.12.97 - LG - Art. 0.4 Reactie bij brand van de materialen - zie bijlage 5.
BIJLAGE 2: LAGE GEBOUWEN KB 19.12.97 - LG - Art. 0 ALGEMEEN. KB 19.12.97 - LG - Art. 0.1 Doel. Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van lage
Overdrukinstallaties. Whitepaper. Uw volgende stappen: Bel ons: 0485-39 99 99 Email ons: [email protected] Bezoek onze website: www.coltinfo.
Overdrukinstallaties Uw volgende stappen: Bel ons: 0485-39 99 99 Email ons: [email protected] Bezoek onze website: www.coltinfo.nl Whitepaper 2015 Colt International Licensing Ltd. Overdrukinstallaties:
De basisnormen zijn niet van toepassing op bestaande gebouwen. Als «bestaande gebouwen» worden beschouwd :
KONINKLIJK BESLUIT VAN 7 JULI 1994 TOT VASTSTELLING VAN DE BASISNORMEN VOOR DE PREVENTIE VAN BRAND EN ONTPLOFFING WAARAAN DE NIEUWE GEBOUWEN MOETEN VOLDOEN. (26.04.1995) (err. B.S. 19.03.1996) Gelet op
Artikel 4. De normen met de betrekking tot de toegang zijn de volgende:
Koninklijk Besluit van 9 mei 1977 (BS van 8 juni 1977) genomen in uitvoering van de Wet van 17 juli 1975 betreffende de toegang van gehandicapten tot gebouwen toegankelijk voor het publiek. Artikel 1.
Permanente borstweringen van gebouwen
Preventiefiche 1028-01-2016 Permanente borstweringen van gebouwen 1 Beschrijving 1.1 Borstwering Borstwering is een generieke term die alle bouwelementen aanduidt die bestemd zijn om bescherming te bieden
AANVRAAG BRANDPREVENTIE
AANVRAAG BRANDPREVENTIE PROJECTGEGEVENS 1. Aanvrager Naam & functie: Organisatie: Adres: E-mail: Telefoon: 2. Geografische situering Naam inrichting: Adres/ligging: CRAB: Kadaster: 3. Architect Naam: Adres:
INLICHTINGENFORMULIER BRANDPREVENTIE
INLICHTINGENFORMULIER BRANDPREVENTIE A. PROJECTGEGEVENS 1. Bouwplaats Naam inrichting:... Adres/ligging:...... CRAB (indien gekend):... Kadaster:... 2. Bouwheer Firmanaam:... Adres:... Telefoon:... E-mail:...
INSTALLATIES 12 ONAFHANKELIJKHEID VAN EEN ELEKTRISCHE INSTALLATIE TEN OVERSTAAN VAN ANDERE INSTALLATIES
9 9.01 ELEKTRISCHE Nominale spanning Elektrische installaties moeten in al hun onderdelen onderworpen en uitgevoerd worden in functie van hun nominale spanning 9.02 Regels van goed vakmanschap gelijkvormigheid
Rook- en Warmte Afvoer installaties
Rook- en Warmte Afvoer installaties VBE Themabijeenkomst 2 juni 2010 Introductie P.T.J.M. (Peter) Janssen RSE Senior projectleider brandbeveiliging R2B Inspecties B.V. Docent Avans+ en Haagse Hogeschool
Rapport Wet- en normgeving
Rapport Wet- en normgeving Inventarisatie in functie van het Model Brandveiligheid Project: IWT 060872 Ontwikkeling van een model voor de evaluatie van de toegankelijkheid, brandveiligheid en evacuatie
Basisnormen bijlage 2: Lage gebouwen (met wijzigingen van KB van 4 april 2003)
Basisnormen bijlage 2: Lage gebouwen (met wijzigingen van KB van 4 april 2003) Doel en toepassingsgebied 0.1 Doel Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de
