DE ANDERE KANT VAN ZSM

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "DE ANDERE KANT VAN ZSM"

Transcriptie

1 NEDERLANDS JURISTENBLAD DE ANDERE KANT VAN ZSM Rechtsherstel voor Somaliërs Sancties zonder houdbaarheidsdatum Kiss of life voor de Grondwet The world according to overheid.nl P JAARGANG JUNI

2 VERMOGENSRECHT Onder redactie van: J.H. Nieuwenhuis C.J.J.M. Stolker W.L. Valk M.H. Wissink Boek: ISBN e druk pagina s 315 (incl. btw) Online: 126 (excl. btw) E-book: 267 (excl. btw) ) KIES UIT: ONLINE E-BOOK BOEK IN 5 TOT 10 MINUTEN TOT DE KERN VAN DE ZAAK Tekst & Commentaar Vermogensrecht bevat een groot aantal Bijlagen met commentaar op relevante richtlijnen, aanverwante verdragen, wetten en verordeningen, welke van belang zijn voor de vermogensrechtpraktijk én voor onroerendgoedspecialisten. Daarnaast vindt u o.a. belangrijke internationaal privaatrechtelijke regelingen op het gebied van het vermogensrecht (inclusief uittreksel uit Boek 10 BW en commentaar op het ipr-verdrag vertegenwoordiging). Prijswijzigingen voorbehouden. Meer informatie en bestellen op TEKST & COMMENTAAR Kunt u zonder?

3 Inhoud Vooraf Prof. mr. T. Barkhuysen Toetsing van procesbeslissingen in het bestuursrecht Focus Mr. dr. P.P.J. van der Meij De andere kant van de ZSM-medaille Het gebrek aan controle op beleid en beslissingen van het Openbaar Ministerie Praktijk Prof. mr. T.P. Spijkerboer Rechtsherstel voor Somaliërs Wetenschap Mr. dr. W.F. van Hattum Sancties zonder houdbaarheidsdatum Reactie op Belangrijke beperkingen van de gerechtelijke onderzoekmethode Focus Mr. K.E. Haan M.E. de Boer R. Dekker Prof. mr. R. Nehmelman Mr. J.W.C. van Rossem M. Vetzo De kiss of life voor de Grondwet Een voorstel tot aanpassing van de wijzigingsprocedure van de Grondwet Opinie Mr. F.J. Fernhout The world according to Rubrieken Rechtspraak Boeken Tijdschriften Wetgeving Nieuws Universitair nieuws Personalia Agenda 1726 Het nader onder zoeken van de MOGELIJKHEID om een ZELFSTANDIGE TOETSING van PROCESBESLISSINGEN in te voeren is de MOEITE WAARD Pagina 1665 In de meest NEGATIEVE zin uitgelegd is ZSM vooral een manier om ZOVEEL mogelijk VERDACHTEN zo efficiënt mogelijk te BESTRAFFEN en dan vallen maar WEINIG zaken van de WAGEN Pagina 1666 Omdat ASIELAANVRAGEN worden beoordeeld naar het MOMENT van de meest RECENTE AANVRAAG, betekent dat dat SOMALIËRS die in de periode TEN ONRECHTE asiel is onthouden dat nu NIET meer krijgen Pagina 1673 De TBS-MAATREGEL na vele jaren in gevangenisstraf WIJZIGEN komt in STRIJD met artikel 6 EVRM, de eis dat bij the determination of the charge, de RECHTER de straf VASTSTELT Pagina NEDERLANDS JURISTENBLAD DE ANDERE KANT VAN ZSM Rechtsherstel voor Somaliërs Sancties zonder houdbaarheidsdatum Kiss of life voor de Grondwet The world according to overheid.nl 25 P JAARGANG JUNI 2014 Het wetsvoorstel beoogt de WIJZIGINGSPROCEDURE van de GRONDWET zo te VERANDEREN dat alleen in geval van een wijziging die aan de IDENTITEIT van het Nederlandse constitutionele BESTEL raakt, een TWEEDE lezing nodig is Pagina 1682 OVERHEID.NL meent het ook BETER te WETEN dan de wetgever en heeft steeds haar EIGEN versies van de Nederlandse WET op de site geplaatst Pagina 1685 In 2014 zijn er nog altijd TIENDUIZENDEN kinderen in NEDERLAND het SLACHTOFFER van ernstige kinderrechtenschendingen Pagina 1719 Omslag: Ambulance Mediscan/Corbis

4 NEDERLANDS JURISTENBLAD Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven Erevoorzitter J.M. Polak Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion, Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins (vz.), Taru Spronken, Peter J. Wattel Medewerkers Barend Barentsen, sociaal recht (socialezekerheidsrecht), Stefaan Van den Bogaert, Europees recht, Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen - beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht, Remy Chavannes, technologie en recht, Eric Daalder, bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens, Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechts pleging, Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechtssociologie, P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht, C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Piet Hein van Kempen, straf(proces)recht, Harm-Jan de Kluiver, ondernemingsrecht, Willemien den Ouden, bestuursrecht, Stefan Sagel, arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht, Thomas Spijkerboer, migratierecht, T.F.E. Tjong Tjin Tai, verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht, Dirk J.G. Visser, auteursrecht en intellectuele eigendom, Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling, mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht, Willem J. Witteveen, staatsrecht Auteursaanwijzingen Zie Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert toestemming voor openbaarmaking en ver veelvoudiging t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB. Logo Artikelen met dit logo zijn door externe peer reviewers beoordeeld. Citeerwijze NJB 2014/[publicatienr.], [afl.], [pag.] Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84, Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag, tel. (0172) , Internet en Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman Adjunct-secretaris Berber Goris Secretariaat Nel Andrea-Lemmers Vormgeving Colorscan bv, Voorhout, Uitgever Simon van der Linde Uitgeverij Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer. Op alle uitgaven van Kluwer zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zie Abonnementenadministratie, productinformatie Kluwer Afdeling Klantcontacten, tel. (0570) Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: 310 (incl. btw.). NJB Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker 340 (excl. btw), extra gebruiker 100 (excl. btw). Combinatieabonnement: Licentieprijs incl. eerste gebruiker 340 (excl. btw). Prijs ieder volgende gebruiker 100 (excl. btw). Bij dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt u toegang tot NJB Online. Zie voor details: (bij abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers 7,50. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de volledige periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnementsjaar worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd. Gebruik persoonsgegevens Kluwer BV legt de gegevens van abonnees vast voor de uitvoering van de (abonnements-)over eenkomst. De gegevens kunnen door Kluwer, of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te informeren over relevante producten en diensten. Indien u hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen. Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél Capital Media Services Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen Tel , ISSN NJB verschijnt iedere vrijdag, in juli en augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m 16m Auteurswet j. Besluit van 29 december 2008, Stb. 2008, 583, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofd dorp (Postbus 3051, 2130 KB). de Tijdstroom PROFILERING + NEW BUSINESS Mr. september Opleidingen Recruitment Bouwrecht Mr. oktober ICT Grote kantoren vs niche kantoren Intellectueel Eigendomsrecht (IE) Bel: óf mail:

5 Vooraf 1224 Toetsing van procesbeslissingen in het bestuursrecht 25 Onwelgevallige procesbeslissingen zijn in het bestuursprocesrecht niet zelfstandig aanvechtbaar. Wanneer een bestuursrechter, bijvoor- beeld, tegen de zin van een partij een zaak verdaagt, een getuige niet oproept, bepaalde bewijsmiddelen niet accepteert of een pleidooi aan het begin van de zitting niet toestaat, kan daartegen alleen worden opgekomen in het kader van een hoger beroep. Wanneer dergelijke beslissingen in hoogste instantie aan de orde zijn, bestaat er in het geheel geen rechtsmiddel (de alleen in theorie bestaande mogelijkheid van een geslaagde civiele procedure uit onrechtmatige rechtspraak tegen de staat en het klachtrecht daargelaten). Op zich valt er het nodige te zeggen voor deze beperkte aanvechtbaarheid van procesbeslissingen. Het zou een procedure namelijk kunnen vertragen wanneer elke procesbeslissing zelfstandig aanvechtbaar is. Het streven naar een snelle en efficiënte rechtsgang zou daarmee in het gedrang kunnen komen. Dit geldt temeer nu misbruik niet uitgesloten kan worden. Ervaringen met de wel bestaande mogelijkheid een rechter te wraken wijzen ook in die richting, zij het dat er wel de nodige mogelijkheden bestaan hieraan paal en perk te stellen. Tegelijk laat de praktijk van de afgelopen jaren met name sinds de invoering van de nieuwe zaaksbehandeling zien dat er bij partijen wel een serieuze behoefte bestaat om procesbeslissingen te laten toetsen voordat een zaak verder wordt behandeld. Daarvoor wordt vaak gegrepen naar het instrument van de wraking. Gesteld wordt dan dat als gevolg van het nemen van een bepaalde procesbeslissing de partijdigheid van de betreffende rechter(s) is gebleken. Zo zijn er wrakingsverzoeken ingediend vanwege de rechterlijke beslissing: om een zitting te laten beginnen met het stellen van vragen en niet met een pleidooi (ECLI:NL:CRVB:2014:1518), om niet in te gaan op in een vertrouwelijke brief neergelegde verzoeken (ECLI:NL: RBZWB:2013:7031), het pas tijdens de zitting uitleggen van de gang van zaken in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling (ECLI:NL:RBAMS:2013:8995), het verdagen van een mondelinge behandeling (ECLI:NL:RBGRO: 2012:BY8240), de weigering van toestemming een zitting met video op te nemen (ECLI:NL:RVS:2013BZ0709), de beslissing om getuigen op te roepen (ECLI:NL:RBARN: 2012:BX2312), het tijdens de zitting niet ingaan op bepaalde beroepsgronden (ECLI:NL:RBZLY:2011:BW1437), het in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling betrekken van andere procedures bij de voorliggende zaak (ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6565) en het niet langer wachten op een advocaat alvorens met de mondelinge behandeling van een zaak te beginnen (ECLI:NL:RBROT:2013:CA2207). Al deze wrakingsverzoeken zijn vanzelfsprekend afgewezen. Volgens vaste jurisprudentie is het instrument van wraking namelijk niet bedoeld als rechtsmiddel tegen dit soort procesbeslissingen. Alleen in het hele uitzonderlijke geval dat processuele beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daaruit een zwaarwegende aanwijzing kan worden afgeleid voor de partijdigheid van de betrokken rechter(s) is dat anders (ECLI:NL:RVS:2007:BA3209; ECLI:NL:CRVB:2004:AO5507). Toch komt de vraag op of er niet nagedacht zou moeten worden over het mogelijk maken van een zelfstandige toetsing van dergelijke procesbeslissingen hangende een procedure (zie ook Koenraad & Verbeek, JB-plus 2014, p. 54 e.v.). Bij partijen blijkt er mede gelet op de hiervoor geschetste wrakingspraktijk een behoefte aan te bestaan, hetgeen logisch is omdat dergelijke beslissingen een belangrijke invloed kunnen hebben op de uitkomst van een zaak. Aan het verwijzen van deze toetsing naar het hoger beroep kleeft het bezwaar dat er dan een instantie verloren gaat met alle tijdverlies van dien. Daar komt bij dat toetsing van in hoogste instantie genomen procesbeslissingen nu helemaal niet aan de orde is. Verder heeft de rechter in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling een veel grotere vrijheid gekregen om de procedure naar eigen goeddunken in te richten (vergelijk de aanbevelingen van het Landelijk Symposium NZB d.d. oktober 2012). Het ligt in de lijn der verwachting dat er daardoor ook meer discussie zal ontstaan over procesbeslissingen. Zou deze grotere vrijheid van de rechter die te prijzen is omdat daarmee maatwerk kan worden geleverd niet gepaard moeten gaan met ruimere controlemogelijkheden ten aanzien van diens beslissingen? Daarmee zou ook de legitimiteit van de procedure kunnen zijn gediend. Gelet daarop is het nader onderzoeken van de mogelijkheid om een zelfstandige toetsing van procesbeslissingen in te voeren de moeite waard. Daarmee is niet gezegd dat dit geen complexe afwegingen vraagt. Zo zou het vraagstuk van misbruik om procedures te frustreren de volle aandacht vergen. Tegelijkertijd zijn er best modaliteiten denkbaar waarmee problemen op dit punt kunnen worden voorkomen. Een denkrichting zou kunnen zijn het uitbreiden van de taken van de al bestaande wrakingskamers met de toetsing van een beperkt aantal in de wet op te sommen procesbeslissingen (deze zou dan wrakingsen procesinstructiekamer kunnen gaan heten). Daarbij zou het moeten gaan om beslissingen die daadwerkelijk de uitkomst van een procedure kunnen beïnvloeden. Dan zou, bijvoorbeeld, wel toetsbaar zijn de beslissing een bepaalde getuige al dan niet te horen terwijl dat niet aan de orde zou zijn als het gaat om het niet verlenen van toestemming om videopnamen van een zitting te maken. Eventueel zou deze kamer ook de bevoegdheid moeten krijgen om in het kader van de redelijke termijn instructies te geven aan de behandelende rechter(s). Idealiter zouden procesbeslissingen zoveel mogelijk plaatsvinden in het kader van een regiezitting die aan het begin van een procedure plaatsvindt en waarbij de rechter het dossier al moet hebben bestudeerd. Ontstaat daarbij discussie over een procesbeslissing dan zou de wrakings- en procesinstructiekamer snel beschikbaar moeten zijn, hetgeen overigens ook geldt bij beslissingen verderop in de procedure. Wellicht kan deze handschoen worden opgepakt in het kader van het KEI-project waarbij dan ook het civiele recht zou kunnen worden betrokken. Tom Barkhuysen Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

6 1225 Focus De andere kant van de ZSM-medaille Het gebrek aan controle op beleid en beslissingen van het Openbaar Ministerie Patrick van der Meij 1 De speerpunten van het ZSM-beleid zijn snelheid, daadkracht en efficiëntie. Het beleid wordt gepresenteerd als succesverhaal in de categorieën lik-op-stuk, genoegdoening en capaciteitsbesparing. Het succes van het beleid lijkt echter mede te zijn ingegeven door een pragmatische aanpak aan de selectietafel, door het afhouden van effectieve rechtsbijstand en door de afwezigheid van controle door de strafrechter. Indien op deze punten niets verandert, raakt de efficiënte en daadkrachtige ZSM-aanpak al te gemakkelijk vele burgers die anders buiten het strafrecht, met alle bijbehorende negatieve consequenties, zouden zijn. Inleiding In 2012 is de ZSM-werkwijze met betrekking tot de afdoening van strafzaken landelijk uitgerold en zijn in alle arrondissementen ZSM-units aanwezig die dagelijks de instroom van nieuwe strafzaken beoordelen. De afkorting ZSM staat voor Zo Selectief, Snel, Samen, Slim, Simpel en Samenlevingsgericht Mogelijk. 2 Het aantal strafzaken dat langs deze weg wordt afgedaan, blijft groeien. Naar schatting zal het in 2014 uiteindelijk gaan om zaken. 3 Uitgangspunt bij ZSM is dat het OM en de politie na ruggespraak met ketenpartners als de reclassering en slachtofferhulp zo spoedig mogelijk beslissen over de afdoening van de zaak van een aangehouden verdachte. De ZSM-werkwijze kent ook voor verdachten positieve effecten, althans voor de verdachten die duidelijkheid en snelheid boven een trage afhandeling en onzekere uitkomst verkiezen. 4 Het is alleen de vraag of de meeste verdachten wel kunnen overzien welke weerslag een snelle afhandeling kan hebben in de toekomst. Het beeld van de mondige burger uit de 21ste eeuw wordt juist voor het strafrecht gelogenstraft door de ervaring dat de meeste verdachten niet-mondig en zelfs ronduit kwetsbaar zijn (beperkte verstandelijke vermogens, verslaafden, veelplegers, vreemdelingen). 5 Het uitgangspunt van ZSM dat meer dan voorheen een bewustere keuze wordt gemaakt om het strafrecht al dan niet toe te passen, 6 impliceert echter dat ook voor die kwetsbaren een zorgvuldige afweging kan worden gemaakt. ZSM faciliteert weliswaar dat meer zaken kunnen worden beoordeeld, maar ook dat meer zaken van de wagen afvallen door alternatieve oplossingen als buurtbemiddeling of mediation. Toch wordt vanuit het OM ook erkend dat bij een al te grote toestroom van zaken wel wordt teruggegrepen op de traditionele werkwijze waardoor de beoogde selectiviteit die ZSM kenmerkt, onder druk komt te staan. Dit leidt ertoe dat juist meer zaken via het strafrecht worden afgedaan. 7 Als daarbij wordt betrokken dat de ZSM-werkwijze tot op heden steeds de nodige drukte met zich heeft gebracht en sterker nog: lijkt te zijn ingericht op het genereren van zoveel mogelijk drukte, boet het genoemde uitgangspunt aanzienlijk aan kracht in. In de meest negatieve zin uitgelegd is ZSM vooral een manier om zoveel mogelijk verdachten zo efficiënt mogelijk te bestraffen en dan vallen maar weinig zaken van de wagen. Onderbezetting op de ZSM-units kan voorts bijdragen aan het noodgedwongen teruggrijpen op de klassieke strafrechtelijke afdoening: nuance en creativiteit vergen tijd. In deze bijdrage wordt ten eerste geschetst welke afdoeningsmodaliteiten de officier van justitie ter beschikking staan in het kader van de ZSM-werkwijze en de respectieve gevolgen voor een verdachte. Vervolgens wordt iets dieper ingegaan op de haken en ogen aan de ZSM-werkwijze. Aan de hand van een schets van de ZSMbeslissingen in combinatie met de beperkingen van de strafrechtspraktijk, wordt geïllustreerd dat een snelle, efficiënte afdoening zeker niet in het belang van een verdachte hoeft te zijn. Daaruit volgt de noodzaak van meer controlemogelijkheden ten aanzien van het beleid en de beslissingen van de officier van justitie. Het selectief afdoen van strafzaken De officier van justitie, die in het Nederlandse strafproces belast is met het nemen van de vervolgingsbeslissing met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel, heeft in het kader van ZSM een groot arsenaal aan afdoeningsmogelijkheden. Hij kan in de eerste plaats op gronden aan het 1666 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

7 algemeen belang ontleend, beslissen af te zien van vervolging en de zaak te seponeren, al dan niet onder voorwaarden. Op dat moment worden geen consequenties verbonden aan een geconstateerde wetsovertreding. In dit verband staat de officier van justitie een groot aantal sepotcodes ter beschikking, uiteenlopend van technische sepots indien iemand ten onrechte als verdachte is aangemerkt (code 01) of indien het bewijs ontbreekt (code 02), tot beleidssepots indien sprake is van een gering feit of een gering aandeel in het feit (code 40 respectievelijk 41) of indien de verhouding tot de benadeelde is geregeld (code 70). 8 Hoewel het verschil in betekenis van de diverse sepotcodes soms klein lijkt, kunnen wel degelijk verstrekkende nadelige gevolgen kleven aan net de verkeerde sepotcode. Dit is niet alleen het geval in verband met de latere waardering van de justitiële documentatie van een verdachte, maar bijvoorbeeld ook bij het verkrijgen van een visum voor de Verenigde Staten. De officier van justitie kan de strafzaak tegen een verdachte uiteraard ook doorzetten, door over te gaan tot dagvaarden of te besluiten de zaak buitengerechtelijk af te doen. Het dagvaarden brengt met zich dat een strafrechter bij de zaak wordt betrokken die uiteindelijk vonnis zal wijzen. De officier van justitie kiest ingegeven door de ernst en de complexiteit van de zaak en door afwegingen rondom de hoogte van de te vorderen gevangenisstraf voor het aanbrengen van de zaak bij de meervoudige kamer dan wel bij de politierechter. Het aanbrengen van eenvoudige zaken met relatief lage strafeisen bij de politierechter zorgt voor weer een keuzemoment: gaat de zaak naar een normale politierechterzitting gepland over enkele weken, maanden of zelfs meer dan een jaar nadien; komt de zaak in aanmerking voor snelrecht, waarbij de zitting plaatsvindt tijdens de bewaring; of is het zelfs een supersnelrechtzaak waarbij de zaak nog binnen de termijn van de inverzekeringstelling kan worden berecht? Het merendeel van deze beslissingen omtrent het dagvaarden van eenvoudige zaken wordt eveneens aan de ZSM-selectietafel genomen. De belangrijkste afdoeningsmogelijkheden aan de selectietafel betreffen die van de buitengerechtelijke afdoening. De officier van justitie kan eenvoudige zaken in plaats van aan de rechter voorleggen, zelfstandig afdoen. De buitengerechtelijke afdoening bestaat op dit moment nog in twee vormen, te weten in de transactie en de strafbeschikking. Deze modaliteiten zijn tot op zekere hoogte complementair omdat door de wetgever is bepaald dat de strafbeschikking gefaseerd wordt ingevoerd (met steeds een aanvulling van de strafbare feiten waarvoor die kan worden uitgevaardigd) met als uiteindelijke doel de vervanging van de transactie. 9 Toch is het mogelijk dat voor een bepaald strafbaar feit alsnog een keuze gemaakt mag worden tussen de transactie en de strafbeschikking, bijvoorbeeld bij het bestaan van contra-indicaties 10 tegen de strafbeschikking of omdat met een strafbeschikking anders dan bij een transactie nog niet alle sancties kunnen worden opgelegd waarin de wet voorziet. 11 Ook de keuze tussen strafbeschikking of transactie ligt als beslispunt op de selectietafel. Indien de verdachte een taakstraf aangeboden krijgt, volgt doorgaans een TOM-zitting waarop de parketsecretaris het aanbod afhandelt. Hier komt evenmin een rechter aan te pas. Hoewel de ene modaliteit tegen de andere wordt ingewisseld, verschillen de aard en consequenties van de strafbeschikking aanzienlijk van die van de transactie. Het aanvaarden van een transactie komt feitelijk neer op het afkopen of afwenden van een strafrechtelijke vervolging. Er is dan geen vaststelling van schuld door de strafrechter, waardoor als het ware nooit komt vast te staan dat de verdachte daadwerkelijk het strafbare feit heeft gepleegd. Indien de verdachte het transactieaanbod afwijst, dient het OM actie te ondernemen om de zaak alsnog voor de rechter te krijgen. Het direct betalen van een transactie betekent dat het feit onherroepelijk is afgedaan en dat geen rechtsmiddel meer kan worden ingesteld. Het uitvaardigen van een strafbeschikking is daarentegen wel een daad van vervolging. De straf in de beschikking behoeft in beginsel geen aanvaarding, die wordt gewoonweg opgelegd, met dien verstande dat ten aanzien van enkele sancties afhankelijk van aard en hoogte een plicht tot horen van de verdachte geldt (artikel 257c Sv). De officier van justitie stelt met de strafbeschikking de schuld van de verdachte vast. De bestrafte heeft door de bank genomen twee weken de tijd om verzet tegen de strafbeschikking te doen, waarbij het laten verstrijken van die termijn ervoor zorgt dat die strafrechtelijk onherroepelijk is geworden. Van de piketadvocaat wordt verwacht dat hij dit hele scala aan afdoeningsmodaliteiten tijdens de consultatieronde meegeeft aan zijn cliënt, aangezien hij niet weet welke weg de officier van justitie zal bewandelen en zelfs niet weet of het wel om een strafbaar feit gaat en wat de bijzonderheden van de zaak zijn. De gedachte dat de piketadvocaat als enige echt toegang heeft tot de aangehouden verdachte en rechtstreeks zijn informatie kan krijgen van de direct betrokkene, miskent dat de verdachte mogelijk niet betrokken is geweest bij het feit, dat hij onder invloed kan zijn of overweldigd door zijn verblijf op het politiebureau, of dat hij anderszins redenen heeft ook tegen zijn advocaat te zwijgen en de waarheid te verdraaien. Kanttekeningen bij de korte klap De kern van de overstap van transactie naar strafbeschikking is de aanpassing van de grondslag van de buitengerechtelijke afdoening: [De strafbeschikking] strekt niet tot voorkoming van vervolging maar is een vorm waarin het Auteur Noten 2. Zie onder meer het Jaarbericht OM 2011 en (laatstelijk bezocht op 16 juni 2014). Zie voor de nadere invulling van de verschillende S-en J. Bac en M. Vink, ZSM, Zo selectief mogelijk Triage in de strafrechtsketen, Proces 2014/1, p , Mr. dr. P.P.J. van der Meij is strafrechtadvocaat bij Cleerdin & Hamer Advocaten te Amsterdam en is tevens als research fellow verbonden aan het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden. Met dank aan mr. L.M. Hartjes. 3. J. Bac en M. Vink, a.w., p Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013, Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013, 33003, p. 1 en Bijlage 1A en 1B. 11. Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013, 33003, p I. van den Brûle, Gezocht: rol voor de advocatuur bij ZSM, Proces 2014/1, p I. van den Brûle, a.w., p J. Bac en M. Vink, a.w., p J. Bac en M. Vink, a.w., p Aanwijzing gebruik sepotgronden, Stcrt. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

8 Focus Het oplossen van een verstopping door het creëren van meer capaciteit zal ruimte scheppen voor nieuwe vraag, waardoor de hypertrofie weer toeneemt en opnieuw verstopping ontstaat 1668 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

9 OM de zaak kan vervolgen en bestraffen. Daarmee komt de strafbeschikking, wat haar rechtskarakter betreft, meer overeen met een rechterlijke veroordeling. 12 Al ten tijde van de parlementaire behandeling zijn principiële kanttekeningen geplaatst bij de aard en implicaties van de strafbeschikking. 13 Die kanttekeningen zien onder meer op het feit dat de strafbeschikking het gehele proces van opsporing-vervolging-berechting-executie exclusief in handen legt van het OM, zonder dat is voorzien in een controle door de strafrechter of een raadsman. Die kanttekeningen strekken zich eveneens uit tot de selectietafel, bijvoorbeeld als daarbij wordt betrokken dat het voor een verdachte wel degelijk uitmaakt of hij een transactie krijgt aangeboden of een strafbeschikking krijgt uitgevaardigd. De wetgever heeft echter expliciet overwogen dat de Richtlijnen van het OM met betrekking tot de wijze van afdoening er niet toe strekken de belangen van de verdachte te beschermen. [De Richtlijnen] faciliteren de overgang van het ene naar het andere systeem; een overgang die noodzakelijkerwijs enige ongelijkheid in behandeling met zich brengt. Een verweer met de strekking dat een transactie had moeten worden aangeboden, en dat niet een strafbeschikking had moeten worden uitgevaardigd, heeft dan ook geen kans van slagen. 14 Het beknopte overzicht van de keuzes die worden gemaakt aan de selectietafel en de schets van het verschil in consequenties voor de verdachte, maken duidelijk dat met de snelle, daadkrachtige en efficiënte afdoening grote belangen gemoeid zijn, ook al gaat het om relatief eenvoudige zaken. Belangen die verband houden met de toekomst van de verdachte na de afdoening, zoals bij het aanvragen van een VOG, bij het verlenen en controleren van vergunningen in het kader van de Wet Bibob of bij een eventuele ongewenstverklaring in het kader van de Vreemdelingenwet. Er kan met recht worden getwijfeld of al deze belangen bij de verdachten bekend zijn en of die bij de korte klap aan de selectietafel worden meegewogen. De drukte is immers ongekend: volgens twitterberichten worden op een doordeweekse dag wel 70 zaken beoordeeld. 15 Het sneller en gemakkelijker afdoen van eenvoudige strafzaken heeft voorts als effect dat meer zaken kunnen worden afgedaan. Het vrijkomen van capaciteit in de handhaving als gevolg van ver doorgevoerde efficiëntie, kan betekenen dat de ontstane ruimte wordt opgevuld met strafzaken die anders vanwege capaciteitsproblemen niet zouden zijn opgepakt. Hoewel deze ontwikkeling vanuit de handhavingsgedachte positief is, draagt die ook het risico in zich dat flutzaken ineens binnen het bereik van een strafrechtelijke afdoening vallen. 16 Daar komt bij dat vanaf het moment dat het OM - halverwege de jaren tachtig - beleid is gaan voeren, de vraag naar meer efficiëntie nooit is afgenomen en het handhavingsapparaat nooit toegerust is geweest op de niet-aflatende stroom aan zaken. Anders gezegd: het oplossen van een verstopping door het creëren van meer capaciteit zal ruimte scheppen voor nieuwe vraag, waardoor de hypertrofie weer toeneemt en opnieuw verstopping ontstaat. 17 De vraag dringt zich op hoe de belangen aan de selectietafel of in de fase daarna worden gewaarborgd, als een burger vanwege ZSM eerder dan voorheen in aanraking kan komen met justitie en de gevolgen steeds verstrekkender worden. Aanvankelijk stelde het OM zich op het standpunt dat juist de officier van justitie vanuit zijn magistratelijke hoedanigheid goed in staat zou zijn de belangen van de verdachte te wegen. 18 Naast de zaaksorientatie van de officier van justitie (goed, snel en efficiënt afdoen) waarin diens magistratelijkheid zou kunnen worden getoond, benadrukt het OM juist in het beleidsstuk Perspectief op 2015 dat de officier van justitie zich ook steeds meer zal oriënteren op zijn omgeving (sturen op instroom en selectiviteit). In die omgevingsoriëntatie functioneert de officier van justitie als gelijkwaardige partner die zich wil openstellen voor de belangen van de ketenpartners en zich door de prioriteiten en strategieën Hoe verenigt of verbindt de officier van justitie zijn rol als magistraat met zijn rol als netwerkspeler? van die ketenpartners laat beïnvloeden. 19 Hoe verenigt of verbindt de officier van justitie zijn rol als magistraat met zijn rol als netwerkspeler? 20 De officier van justitie opereert letterlijk op het politiebureau [ ]. De vraag is hoe binnen deze setting, waarin de officier van justitie dicht op het vuur van de opsporing zit, kan worden gewaarborgd dat met voldoende kritische distantie magistratelijke afdoeningsbeslissingen kunnen worden genomen. 21 Het aannemen van magistratelijkheid van de officier van justitie als vaststaand gegeven bij intensieve beleidsvoering door het OM is mijns inziens misplaatst. De rol van de raadsman in de ZSM-praktijk Inmiddels lijkt ook het OM te zijn doordrongen van de noodzaak de advocatuur bij ZSM te betrekken. 22 Over de rol 12. Kamerstukken II 2004/05, 29849, 3, p Zie voor kritiek op de strafbeschikking in het kader van ZSM N.J.M. Kwakman, Snelrecht en de ZSM-aanpak, DD 2013/ Kamerstukken II 2004/05, 29849, 3, p. 88 (MvT bij de Wet OM-afdoening). 15. Zie het bericht van woensdag 16 oktober 2013 Het aantal van 70 zaken op een woensdag steekt af tegen de schets van Bac en Vink, a.w., p. 85: Op een gemiddelde zaterdag of zondag passeren vele tientallen zaken. 16. Y. Buruma, Flutzaken, een pleidooi voor rechterlijke toetsing van vervolgingsbeslissingen, DD 2006/22. lijk beleid, Rechtsstaat en sturing, Zwolle: 1987, p Zie hierover I. van den Brûle, a.w., p Zie het beleidsstuk Perspectief op Een zichtbaar, merkbaar en kenbaar Openbaar Ministerie, p. 4. (http://www. (laatstelijk bezocht op 16 juni 2014)). 20. J.H. Crijns, F.P. Ölçer en G.K. Schoep, De officier van justitie van de 21ste eeuw, in: Roosachtig Strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, p J.H. Crijns, F.P. Ölçer en G.K. Schoep,a.w., p J.J.A. Lucas, ZSM een huis dat samen gebouwd wordt, staat steviger, Strafblad 2013, p. 282 e.v. 17. Vergelijk A.C. t Hart reeds in 1987 ten aanzien van het beleid dat het OM destijds voerde in Instrumentalisme en strafrechte- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

10 Focus van de raadsman is echter bepaald nog niet nagedacht, laat staan dat die is opgenomen in de ZSM-werkwijze. Het kaatsen van de bal vanuit het OM dat het de advocatuur vrijstaat mee te denken over de eigen rol binnen ZSM, getuigt niet van realiteitszin. Het zijn de wetgever en beleidsmakers die de effectieve rechtsbijstand in het strafproces dienen te waarborgen en te organiseren, en het is aan de advocatuur om daar vervolgens uitvoering aan te geven. Omdat het bij ZSM doorgaans gaat om zaken waarin de verdachte afstand kan doen van het consultatierecht en hij pas bij een eventuele inverzekeringstelling de mogelijkheid van een piketadvocaat opnieuw krijgt voorgelegd, waarbij geldt dat die inverzekeringstelling door de geboekte tijdwinst vaak niet eens aan de orde is, is een voorlichting van een verdachte door een raadsman ten aanzien van de afdoening van de zaak gemakkelijk te omzeilen. Oftewel: ZSM is het perfecte antwoord van het OM op Salduz. 23 De onbestemde rol van de strafrechtadvocaat binnen ZSM miskent dat aan de selectietafel diverse essentiële beslissingen worden genomen waarbij de belangen van de verdachte in het geding zijn en waarop van de kant van de verdediging invloed behoort te worden uitgeoefend. Het is onzinnig te veronderstellen dat een verdachte zonder raadsman zijn belangen kan overzien en weet hoe en wanneer hij de zaak in zijn belang kan bijsturen. De afwezigheid van de raadsman kan grote schade toebrengen aan de belangen van de verdachte. Niet voor niets spreekt de Commissie Innovatie Strafrechtadvocatuur van een leemte in de rechtshulp. 24 Bac en Vink beschrijven de essentiële beslissingen die door de officier van justitie aan de selectietafel worden genomen. 25 In de eerste plaats dient de strafrechtelijke basis te worden vastgesteld: is er een strafbaar feit, is er genoeg bewijs en is de verdachte strafbaar? Ten tweede zal worden beslist over de route van de zaak (binnen of buiten het strafrecht, buitengerechtelijk of naar de rechter). Een volgende beslissing die zou worden genomen is die met betrekking tot de wenselijkheid de zaak snel of langzaam af te doen. Aan de selectietafel wordt tot slot ook gekeken naar eventuele voorlopige maatregelen, zoals het contactverbod. Dit redelijk overzichtelijke beslismodel leidt af van het feit dat de meeste van die beslissingen niet zo gemakkelijk kunnen worden genomen. Bovendien zijn sommige van die beslissingen niet eens aan de officier van justitie. Zo komt de vraag naar de wenselijkheid van de snelheid van de afdoening als gekunsteld voor. Binnen ZSM zal de officier van justitie alle zaken snel willen afdoen en niet snel kiezen voor een inefficiënte langzame afdoening. Bovendien is de snelheid van de procedure vaak ironisch Capaciteit om die overvloed aan strafzaken daadkrachtig op te pakken is er nu al niet en met de aangekondigde bezuinigingen zal dat niet veranderen genoeg afhankelijk van factoren die buiten de beschikkingsmacht van de officier van justitie liggen. Elke advocaat weet dat indien wordt besloten tot dagvaarden en zich geen (super)snelrecht aandient, de zaak bij het OM op de plank komt te liggen. Capaciteit om die overvloed aan strafzaken daadkrachtig op te pakken is er nu al niet en met de aangekondigde bezuinigingen zal dat niet veranderen. In dat verband kan het pleidooi vanuit de advocatuur om de parketsecretaris te behouden voor de strafrechtspraktijk, hier als ingelast worden beschouwd. 26 Juist in het allereerste begin van het onderzoek is het vaak lastig in te schatten hoeveel bewijs er tegen de verdachte ligt. In die fase is immers nog niets op schrift gesteld, laat staan dat een dossier over de strafzaak is samengesteld. Hoe voortvarend een zaak ook wordt opgepakt, er kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat het Nederlandse strafproces in belangrijke mate steunt op processen-verbaal. Het is wat mij betreft feitelijk onmogelijk een beoordeling te maken of er genoeg wettig en overtuigend bewijs is als dat niet naar voren komt uit het dossier. Bovendien is dat een beslissing waartoe de strafrechter het best is uitgerust, in plaats van de officier van justitie die gevoed door de mondelinge overdracht vanuit het politieapparaat wel aanneemt dat er genoeg ligt tegen de verdachte. Het is opmerkelijk dat vanuit het OM de bereidheid bestaat een beslissing te nemen puur op mondelinge informatie die vanwege de drukte en hectiek snel wordt gegeven. Een belangrijk struikelpunt in dezen is het recht van de verdediging op kennisneming van de processtukken (artikel 30 Sv), welk recht in elk geval bestaat na het eerste verhoor van de aangehouden verdachte. 27 Zelfs indien de raadsman een ingang heeft bij de organisatie van het OM (de zogenoemde servicepunten) duurt het na de ontvangstbevestiging op z n minst enkele weken voordat het dossier wordt verstrekt. Het beslismoment rondom de juiste kwalificatie van het strafbare feit is ronduit intrigerend. De praktijk leert namelijk dat in het vroege stadium van het onderzoek de verdenking door de politie dezelfde verbalisanten die ook de mondelinge overdracht van het bewijs faciliteren doorgaans bij voorkeur zo zwaar mogelijk wordt aangezet met het oog op de eventuele noodzaak de verdachte aan de voorlopige hechtenis te onderwerpen. Dit wordt ook door Bac en Vink erkend: Een poging tot doodslag is soms niet meer dan een eenvoudige mishandeling. 28 In de normale gang van het strafproces is het de raadsman die de tenlastelegging tracht te nuanceren, bijvoorbeeld al in de fase van de gevangenhouding in een uiterste poging de gemakkelijk toegepaste voorlopige hechtenis te doen opheffen of schorsen. Het valt mij op hoe stellig de officier van justitie in de meeste raadkamerprocedures zich hard blijft maken voor de gehele tenlastelegging. Het komt bovendien maar weinig voor dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling door de officier van justitie wordt geschrapt in die tenlastelegging. Het is met deze ervaring in het achterhoofd mijns inziens gevaarlijk erop te vertrouwen dat aan de drukke selectietafel wel veel gelegenheid en bereidwilligheid bestaan tot overdenking en nuancering van de kwalificatie. De kanttekeningen bij het ZSM-beslismodel mogen duidelijk maken dat vanuit de advocatuur in elk geval geen behoefte bestaat aan de selectietafel aan te schuiven NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

11 ZSM kan wel degelijk van meerwaarde zijn voor de verdediging, indien de officier van justitie eenmaal goed bereikbaar is voor de raadsman en hij de kanttekeningen bij de gang van zaken of bij de inhoud van de strafzaak kenbaar kan maken. Daarvoor geldt wel dat ZSM geen noodzakelijke voorwaarde is voor overleg tussen OM en verdediging. Communicatie is altijd mogelijk geweest, als maar duidelijk was welke officier van justitie kon worden gebeld. Zo bezien, met alle hierboven genoemde bezwaren, is er geen rol weggelegd voor de raadsman, laat staan als een van de ketenpartners van het OM binnen ZSM. De strafrechtadvocatuur [moet] aan deze werkwijze geen schijn van legitimiteit geven door bijvoorbeeld aan de ZSM-afdoeningstafel plaats te nemen of door informatie in het kader van een videoconsult te verstrekken. 29 Uitleiding De vraag rest nu op welke wijze de beslissingen en het beleid van het OM het beste kunnen worden gecontroleerd. Door de achterstand in informatie en zijn verantwoordelijkheid naar zijn cliënt toe om niet klakkeloos aan te nemen wat vanuit justitie over de verdachte en diens zaak mondeling wordt overgebracht, kan de advocaat zijn cliënt eigenlijk slechts adviseren de transactie niet te aanvaarden, zich tegen de strafbeschikking te verzetten en niet akkoord te gaan met supersnelrecht of snelrecht. Dit mag niet worden versleten voor onbereidwilligheid mee te werken aan een efficiënte afdoening in het belang van cliënt, omdat juist die belangen niet zijn te toetsen op het moment kort na de aanhouding. De grote afwezige in deze snelkookpan van beslismomenten is gelukkig de rechter. Dit terwijl vanuit het OM juist gemakkelijk wordt gedreigd met de gang naar de rechter in die zin dat bij het afwijzen van het transactievoorstel wordt voorspeld dat later op zitting een hogere taakstraf zal worden geëist. De ervaring leert echter dat indien de zaak eenmaal op zitting staat de rechter juist vanwege het tijdsverloop en andere nuancerende factoren al snel geneigd is de uiteindelijke straf naar beneden bij te stellen. Veel van de zaken die echter buitengerechtelijk worden afgedaan, halen nooit de zittingszaal omdat de transactie al is voldaan of omdat het verzet te laat is ingesteld. Indien de rechter uiteindelijk wel de zaak krijgt te beoordelen (na afwijzing van het aanbod of gedaan verzet), is het wat mij betreft geboden dat deze veel indringender dan tot op heden het geval is geweest, zal toetsen of de aan de selectietafel genomen beslissingen wel juist zijn. Hoewel van oudsher de rechter met het oog op het opportuniteitsbeginsel en de magistratelijkheid van het OM de uiterste terughoudendheid betracht in de beoordeling van de vervolgingsbeslissing, ben ik van mening dat het wellicht meest intensieve en alomvattende beleid van het OM sinds de historie van ons strafproces ook een verschuiving op dit punt rechtvaardigt. De stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad houdt dit vooralsnog tegen, 30 maar in elk geval één van de raadsheren lijkt hiervoor te voelen. 31 Het is immers geen rare gedachte dat bij een vastomlijnd beleid dat voortvloeit uit talrijke onderling consistente richtlijnen, aanwijzingen en beleidsstukken, de verdachte daadwerkelijk het vertrouwen kan ontlenen dat zijn zaak niet of anders wordt vervolgd. De gedachte dat de officier van justitie te allen tijde bepaalt hoe een strafzaak afloopt is op sommige punten zelfs in de wet al losgelaten, als wordt bedacht dat de rechter-commissaris de officier van justitie een uiterste termijn voor de opsporing kan stellen en zelfs het einde van de zaak in gang kan zetten (artikel 180 Sv). Wat mij betreft dient de rechter de terughoudendheid in de toets van het vervolgingsbeleid van het OM los te laten, zelfs met in het achterhoofd de jurisprudentie van de Hoge Raad. De feitenrechter heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en daarbij hoort ook de beantwoording van de vraag of een strafzaak wel echt een strafzaak is. Dit wringt des te meer nu het OM door de ZSM-werkwijze meer zaken kan afdoen en zo ook de allerlichtste zaken binnen het bereik van het strafrecht komen, met alle consequenties van dien. Er zijn reeds voorbeelden te noemen uit de feitenrechtspraak waarbij de rechter goed gemotiveerd zijn weg zoekt in de beperkte mogelijkheden die de Hoge Raad-jurisprudentie biedt. 32 Ik durf zelfs te bepleiten dat de politierechters zich heel wat meer ruimte kunnen permitteren, omdat de kans dat een beslissing op een verzet tegen een strafbeschikking ooit de cassatiefase haalt, erg klein is. Wellicht dat aan de hand van de feitenrechtspraak duidelijk kan worden welke zaken nu echt flutzaken zijn. De officier van justitie kan dat dan weer meenemen bij zijn beoordeling van de stortvloed aan nieuwe zaken op de selectietafel. Wellicht dat aan de hand van de feitenrechtspraak duidelijk kan worden welke zaken nu echt flutzaken zijn 23. Aldus I. van den Brûle, a.w., p En vaak eerder: In de praktijk [vinden geregeld onderzoeken plaats] waarbij de verdachte pas laat in het onderzoekstraject wordt verhoord, terwijl hij veel eerder weet of vermoedt dat hij als verdachte wordt aangemerkt. [ ] Voor dit soort gevallen is het alleszins redelijk dat de verdachte, nog voordat hij als zodanig voor de eerste keer wordt verhoord, inzage kan krijgen in het procesdossier, aldus de minister in Kamerstukken II, 32468, 3, p HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/ Zie het rapport Herbezinning op de rol van de raadsman in de voorfase van het strafproces, Den Haag Zie Y. Buruma, a.w. 28. J. Bac en M. Vink, a.w., p Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2013:5945 of het ronduit schrijnende ECLI:NL:GHARL:2013:BZ J. Bac en M. Vink, a.w., p A.A. Franken en P.T.C. van Kampen, Een herbezinning op de rol van de raadsman in het vooronderzoek, in: Roosachtig strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, p Zie het blog Red de parketsecretaris! op (laatstelijk bezocht op 16 juni 2014). NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

12 1226 Praktijk Rechtsherstel voor Somaliërs Thomas Spijkerboer 1 Momenteel verblijven enige honderden Somaliërs in Nederland die tussen december 2010 en 2013 ten onrechte geen asiel in Nederland hebben gekregen. Hoe kan dit worden rechtgezet? Het argument Van december 2010 tot februari 2013 oordeelde de staatssecretaris (in het voetspoor van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 later gevolgd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens 3 ) dat de situatie in Mogadishu zo ernstig was dat verwijdering van een ieder naar Mogadishu in strijd met artikel 3 EVRM zou zijn. Op grond daarvan meende de Afdeling dat ook uitzetting via Mogadishu (waarbij de vreemdeling zelf zou moeten doorreizen naar een veilig geacht deel van Somalie) in strijd met artikel 3 EVRM zou zijn. Omdat uitzetting naar Somalië alleen via Mogadishu mogelijk is, was uitzetting naar Somalië niet mogelijk. 4 Dus: in de periode december februari 2013 was uitzetting van Somaliërs niet mogelijk, omdat Somaliërs bij uitzetting een reëel risico liepen om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Artikel 29 lid 1 onder b onder 2 Vreemdelingenwet 2000 bepaalt dat een vreemdeling asiel krijgt als hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De Vreemdelingenwet is op dit punt in overeenstemming met Richtlijn 2011/95 van de EU. Op grond van het Nederlandse en Europese recht zou je verwachten dat Somaliërs tussen december 2010 en februari 2013 asiel hadden gekregen, omdat de staatssecretaris en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vastgesteld hadden dat zij bij uitzetting naar of via Mogadishu een reëel risico liepen om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Dat is echter niet gebeurd. Minister Leers was van In recente rechtspraak heeft de Raad van State het argument waarmee hij eerder Somaliërs asiel heeft onthouden verworpen in de context van het Vluchtelingenverdrag mening dat Somaliërs in deze periode wel vrijwillig terug konden, mits zij afkomstig waren uit een ander deel van Somalië dan Mogadishu. 5 Hij zei er niet bij hoe dat zou kunnen, en dat is dan ook onduidelijk gebleven. De enige mogelijke route via Mogadishu kon immers niet vanwege het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State accepteerde echter dit argument. De Afdeling ging akkoord omdat niet de uitzetting zelf in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM, maar slechts de wijze van uitzetting. 6 De achterliggende gedachte moet zijn dat slechts de reis naar het relatief veilige deel van Somalië in strijd met artikel 3 EVRM was (en niet het verblijf zelf in dat veilig geachte deel). De Afdeling bestuursrechtspraak maakte dus een onderscheid tussen de situatie dat de uitzetting zelf in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM (wel recht op asiel) en de situatie dat slechts de wijze van uitzetting in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM (geen recht op asiel). Dit onderscheid is dubieus. Immers, de wijze van uitzetting kan in strijd zijn met artikel 3 EVRM zonder dat de uitzetting zelf dat is, als er bijvoorbeeld excessief geweld wordt gebruikt om de uitzetting te realiseren. In het geval van Somalië daarentegen was het wel degelijk de uitzetting zelf die in strijd was met artikel 3 EVRM, en niet slechts de wijze van uitzetting. Het was immers niet wat er dreigde te gebeuren tijdens de uitzetting dat strijd met artikel 3 EVRM opleverde, maar wat er dreigde te gebeuren na de uitzetting, zodra de Somaliërs voet zouden zetten in hun land van herkomst. In een vergelijkbare context (nl. die van het binnenlands vluchtalternatief) bepaalt artikel 8 lid 1 Richtlijn 2011/95 dat een afgewezen asielzoeker op een veilige en wettige manier moet kunnen reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat (veilige, TS) deel van het land. 7 Het ligt voor de hand dit beginsel niet alleen toe te passen op de reis naar het veilige deel van het land van herkomst waar de vreemdeling oorspronkelijk niet vandaan komt, maar ook naar het deel waar hij oorspronkelijk wel vandaan komt. De Afdeling bestuursrechtspraak had dit in ieder geval niet anders kunnen beslissen zonder prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. Bovendien heeft de Afdeling recentelijk in vergelijkbare zaken een oordeel gegeven dat niet gemakkelijk in 1672 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

13 overeenstemming te brengen is met de hier besproken jurisprudentie. 1) In een uitspraak van 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:627) over een ICC getuige die asiel vroeg in Nederland overwoog de Afdeling dat een vreemdeling als vluchteling moet worden aangemerkt als hij bij terugkeer naar het land van herkomst gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat uitzetting nog niet aan de orde zou zijn 8 staat daarmee niet in de weg aan erkenning als vluchteling. Hoewel deze redenering over het Vluchtelingenverdrag ging, zijn er sterke paralellen met artikel 3 EVRM. Ook daar is de redenering immers: verwijdering zou in strijd met artikel 3 EVRM zijn, maar u wordt nu even niet verwijderd dus u heeft geen aanspraak op asiel ondanks het feit dat artikel 29 lid 1 onder b, ten tweede Vreemdelingenwet 2000 in het voetspoor van Europees recht bepaalt dat een vreemdeling asiel krijgt als bij uitzetting een schending van artikel 3 EVRM dreigt. Deze redenering is door de Raad van State nu verworpen in de context van het Vluchtelingenverdrag. Maar de argumentatie van de Afdeling betreft niet alleen het Vluchtelingenverdrag, maar ook artikel 2 onder d jo. artikel 13 Definitierichtlijn. Daarom ligt het voor de hand hem mutatis mutandis ook toe te passen op de parallelle artikelen 2 onder f jo. 18 Definitierichtlijn. 2) In uitspraken van 24 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1578 en ECLI:NL:RVS:2014:1522) had de staatssecretaris m.b.t. Eritrea een standpunt bepleit dat vrijwel identiek is aan zijn standpunt m.b.t. Somalië. Het standpunt van de staatssecretaris kwam er op neer dat weliswaar gedwongen verwijdering naar Eritrea zou leiden tot een reëel risico van behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, maar dat vrijwillige terugkeer niet een dergelijk risico met zich mee bracht. 9 Deze zaken zijn ter zitting behandeld, waarbij de Afdeling de staatssecretaris vooraf gevraagd had aan te geven hoe het standpunt dat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM, maar toch geen asiel werd verleend, verenigbaar was met de tekst van de Vreemdelingenwet In haar uitspraken van 24 april 2014 kwam de Afdeling aan deze principiële kwestie niet toe, omdat zij het standpunt van de staatssecretaris m.b.t. feiten niet sterk genoeg vond. De Raad van State vond onvoldoende overtuigend dat bij vrijwillige terugkeer geen reëel risico bestond op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Dus: in recente rechtspraak heeft de Raad van State het argument waarmee hij eerder Somaliërs asiel heeft onthouden verworpen in de context van het Vluchtelingenverdrag. En in de Eritrese uitspraken heeft hij de vraag of Bewoner Ton Hendriks / Hollandse Hoogte de door haar in Somalische zaken gehanteerde constructie wel houdbaar is in de loop van de procedure op tafel gelegd, maar is hij er in de einduitspraak omheen gelopen. Het argument waarmee hij eerder Somaliërs asiel heeft onthouden is evident in strijd met tekst en strekking van artikel 29 lid 1 onder b, ten tweede Vw 2000 en de artikelen 2 onder f jo. 18 Definitierichtlijn. Als de Afdeling de constructie desondanks wil gebruiken, moet hij middels prejudiciële vragen worden voorgelegd aan het Hof van Justitie van de EU. Probleem bij rechtsherstel; twee oplossingen Je zou dus denken dat Somaliërs die nu opnieuw asiel vragen rechtsherstel kunnen krijgen. Maar inmiddels wordt de situatie in Mogadishu niet meer zo gevaarlijk gevonden als voorheen. Daarom kunnen Somaliërs nu wel weer uitgezet worden. 11 Omdat asielaanvragen worden beoordeeld naar het moment van de meest recente aanvraag, Auteur 11449/07, Sufi en Elmi vs. Verenigd Koninkrijk; EHRM 5 september 2013 in het arrest K.A.B. vs. Zweden, nr. 886/ Deze bepaling is een positivering van rechtsoverweging 141 van EHRM 7 januari 2007, 1948/04, Salah Sheekh vs. Nederland, zodat de norm ook in de periode al gold. 8. Het Internationaal Strafhof zou bezig zijn een veilig derde land voor de vreemdeling te vinden. 9. Brief van de Staatsscretaris van VenJ aan de Raad van State d.d. 9 december 2013, Vluchtweb. 10. Brief van de Raad van State aan I.J.M. Oomen d.d. 27 november 2013, Vluchtweb. 11. De Afdeling bestuursrechtspraak accepteerde dit in ABRvS 23 mei 2013, JV 2013/ Prof. mr. T.P. Spijkerboer is hoogleraar Migratierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam. 4. ABRvS 17 juli 2012, JV 2012/JV 2012/ Aanhangsel TK 2011/12, 3263 Noten 2. ABRvS 26 januari 2010, JV 2010/78; en ABRvS 9 september 2010, JV 2010/ ABRvS 21 februari 2014, JV 2014/126, in het voetspoor van ABRvS 9 juni 2011, JV 2011/ EHRM 28 juni 2011, nr. 8319/07 en NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

14 Praktijk Immers, de staatssecretaris vindt de gestelde verbetering van de situatie in Mogadishu nog te onzeker om al tot intrekking van reeds verleende asielvergunningen te kunnen overgaan. Maar omdat de staatssecretaris in weerwil van nationaal en Europees recht heeft nagelaten asiel te verlenen, zouden Somaliërs die het slachtoffer zijn geweest van deze inbreuk op hun subjectieve recht geen rechtsherstel kunnen krijgen. Het Nederlandse bestuursrecht voorziet niet in de mogelijkheid om hen in de situatie te brengen waarin zij geweest zouden zijn als de staatssecretaris en de Raad van State geen beslissingen hadden genomen die in strijd zijn met het nationale en het Europese recht. Hiervoor zijn twee oplossingen denkbaar. De eerste is dat de staatssecretaris het er niet op aan laat komen, en aan alle Somaliërs die zich tussen december 2010 en februari 2013 aantoonbaar in Nederland bevonden asiel verleent (behoudens weigeringsgronden zoals Dublin en openbare orde). 13 Hierdoor wordt rechtsherstel bewerkstelligd. Als de staatssecretaris daartoe niet bereid is, zal de rechter in de procedures die hier uit voortkomen op dit punt prejudiciële vragen moeten stellen aan het Hof van Justitie, met als kern de vraag of het effectiviteitsbeginsel er aan in de weg staat dat vreemdelingen worden onttrokken aan de bescherming van artikel 3.37e VV 2000 en artikel 11 lid 2 Definitierichtlijn. Door deze constructie wordt hen rechtsherstel onthouden, en wordt (anders gezegd) de staatssecretaris beloond voor handelen in strijd met het recht. Bewoonster Ton Hendriks / Hollandse Hoogte betekent dat dat Somaliërs die in de periode ten onrechte asiel is onthouden dat nu niet meer krijgen omdat die periode niet meer relevant is vanwege de actuele, veiliger geachte situatie in Mogadishu. Het schrijnende is dat de staatsecretaris de asielvergunningen die in die periode wel zijn verleend thans nog niet herbeoordeelt (en dus ook niet intrekt) omdat hij vindt dat de door hem geconstateerde verbetering van de situatie in Somalië nog onvoldoende ingrijpend en nietvoorbijaand is. 12 Intrekking is pas mogelijk als er sprake is van een verbetering van de situatie in Mogadishu die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (artikel 3.37e VV 2000, artikel 11 lid 2 Definitierichtlijn), en daarvan is ook volgens de staatssecretaris nog geen sprake. Dit leidt tot de volgende situatie. Als de staatssecretaris wel asiel had verleend aan Somaliërs in de periode omdat hun uitzetting (zoals de staatssecretaris en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zelf vaststelden) hen had blootgesteld aan een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, dan hadden deze Somaliërs nu nog steeds een vergunning gehad. Een pragmatische overweging De staatssecretaris is er nog maar in twee gevallen in geslaagd om Somaliërs daadwerkelijk uit te zetten. 14 Eén van deze twee raakte drie dagen na zijn uitzetting in Mogadishu gewond bij een bomaanslag. 15 De Somalische autoriteiten weigeren nu, net als voorheen, medewerking. Vrijwillige terugkeer komt in enkele gevallen voor. 16 Maar de aantallen mensen die vrijwillig terugkeren zullen klein blijven. Het idee dat veel mensen vrijwillig terugkeren naar Somalië is, voor wie even stil staat bij wat dat betekent, irreëel en dus ongeschikt als uitgangspunt van beleid. Ondertussen worden Somaliërs door lokale gemeenschappen (kerken, krakers, medici, activisten) en lokale overheden opgevangen, met meer of minder openlijke steun van lokale autoriteiten (en in het geval van de Amsterdamse Vluchthaven zelfs van de staatssecretaris). Deze opvang verloopt door zijn incidentele karakter (het gaat immers om vreemdelingen die geen formeel verblijfsrecht hebben) chaotisch en is belastend, zowel voor de Somaliërs zelf als voor lokale gemeenschappen en overheden. Als de staatssecretaris zelf besluit over te gaan tot rechtsherstel, kunnen de daarvoor bestaande faciliteiten voor opvang en inburgering worden gebruikt. Dat zou een aanmerkelijke beperking opleveren van de lokale opvangproblematiek. 12. Vc 2000, C7/ Op het eerste gezicht lijkt het voor de hand te liggen asielverlening te beperken tot Somaliërs die in deze periode in procedure waren. Dat zou echter onzuiver zijn omdat, als de staatssecretaris in deze periode wel in overeenkomst met het geldend recht asiel had verleend, ook Somaliërs die wel in Nederland waren maar die niet in procedure waren, asiel zouden hebben aangevraagd in de wetenschap dat ze dat ook hadden gekregen. Dat hebben velen nu niet gedaan, omdat een herhaalde aanvraag zinloos was omdat de staatssecretaris zich niet aan het geldend recht hield. 14. Eén op 16 september en één op 5 november Amnesty International, 29 november Aanhangsel Handelingen 2013/14, NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

15 Wetenschap 1227 Sancties zonder houdbaarheidsdatum Reactie op Belangrijke beperkingen van de gerechtelijke onderzoekmethode Wiene van Hattum 1 Gedragskundige rapportage die onder druk van de naderende terechtzitting tot stand komt, kent vaak zodanige beperkingen, is vaak dermate onvoldoende uitgewerkt en prematuur en kent zo n foutmarge dat het de strafrechter voor de onmogelijke taak stelt om - indien het feit bewezen is - de juiste keuze te maken tussen langdurige gevangenisstraf en TBS. Om tot een betere straftoemeting te komen, bepleitten de hoogleraren Anton Loonen (farmacologie), Peter van Panhuis (forensische psychiatrie), en Ronald Meester (wiskunde) in een eerder dit jaar in het NJB verschenen artikel een aantal veranderingen in het strafproces. Maar de oplossing voor de door de auteurs vastgestelde problemen bij de straftoemeting moeten niet worden gezocht in de heropening van onherroepelijke einduitspraken. Dat is in strijd met de rechtszekerheid. Ook bestaat er geen aanleiding de vaststelling van de mate van schuld, in casu de toerekening, anders vorm te geven dan nu het geval is. Hoe dan het gesignaleerde probleem van de foutmarge in de straftoemeting aan te pakken? Gedragskundige rapportage die onder druk van de naderende terechtzitting tot stand komt, kent vaak zodanige beperkingen, is vaak dermate onvoldoende uitgewerkt en prematuur en kent zo n foutmarge dat het de strafrechter voor de onmogelijke taak stelt om - indien het feit bewezen is - de juiste keuze te maken tussen langdurige gevangenisstraf en TBS. Dat is de boodschap van de hoogleraren Anton Loonen (farmacologie), Peter van Panhuis (forensische psychiatrie), en Ronald Meester (wiskunde) in hun artikel Belangrijke beperkingen van de gerechtelijke onderzoekmethode in het NJB, aflevering 14, van dit jaar. 2 Om tot een betere straftoemeting te komen, bepleiten zij drie veranderingen in het strafproces. Ten eerste zouden procedures makkelijker heropend moeten kunnen worden, ten tweede zou de huidige wijze van toerekening moeten worden vervangen door één op basis van de in de medische wetenschap gehanteerde differentiële diagnostiek die gebaseerd is op kansberekening. Op deze twee voorstellen zal ik hieronder ingaan. De derde verandering die de auteurs voorstellen ziet op de wijziging van de juridische bewijsconstructie van opzet. Dit voorstel is gebaseerd op een opvatting over opzet en vrije wil ( Het is vanzelfsprekend dat van opzet geen sprake kan zijn wanneer een persoon niet over een vrije wil beschikt, p. 905, l.k.), die door de auteurs niet wordt onderbouwd en die overigens ook niet gedeeld wordt in de literatuur. Ik verwijs naar het proefschrift van A.A. van Dijk en de door hem geciteerde auteurs Arenella, Morse en Moore die er allen van uit gaan dat opzet en toerekening te onderscheiden begrippen zijn. 3 Tevens berust hun kritiek op de opzetleer van de Hoge Raad op een misvatting, dan wel een verkeerd begrip van het strafprocessuele model. 4 Dit derde punt zal ik daarom verder onbesproken laten. Auteur Noten 2. A.J.M. Loonen, P.J.A. van Panhuis en R.W.J. Meester, Belangrijke beperkingen van de gerechtelijke onderzoekmethode, NJB 2014/721, afl. 14, p lijkheid heroverwogen. Over opzet, schuld, schulduitsluitingsgronden en straf (diss. c.l. Groningen), Maklu-Uitgevers: Apeldoorn/ Antwerpen 2008, i.h.b. p Met het bewezen verklaren van opzet wordt nog niets aangerekend, zoals de auteurs betogen, p. 905, l.k. 1. Mr. dr. W.F. van Hattum is universitair docent straf(proces)recht aan de Rijksuniversitieit Groningen en voorzitter van het Forum humane tenuitvoerlegging levenslange gevangenisstraf. 3. A.A. van Dijk, Strafrechtelijk aansprake- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

16 Wetenschap Aanleiding voor het artikel vormt de Baflose asielzoekerzaak. 5 Loonen en nog een deskundige hebben in deze zaak naar voren gebracht, aldus het vonnis, dat de mogelijkheid bestaat dat de afbouw van het gebruik van het geneesmiddel Paroxetine mogelijk als één van meerdere factoren bijgedragen zou kunnen hebben aan de gemoedstoestand van de verdachte in die zin dat hij daardoor minder stabiel zou kunnen zijn geweest. De rechtbank merkt vervolgens op dat de deskundigen niet kunnen zeggen (o)f er daadwerkelijk invloed is geweest van de afbouw van Paroxetine op de stabiliteit van de verdachte. Onder deze omstandigheden, vervolgt de Rechtbank, kan zij dan ook geen rekening houden met de theoretisch mogelijke gevolgen van de afbouw van Paroxetine. Loonen c.s. leiden hieruit af dat de rechter alleen bij grote zekerheid rekening wil houden met door deskundigen aangedragen gegevens. Hierover straks meer, eerst ga ik in op de gesignaleerde kans op onjuiste straftoemeting. Het punt dat de auteurs hier aansnijden is niet onbelangrijk en strafrechtjuristen niet onbekend. 6 Het bestaan van een niet onderkende stoornis bij een gedetineerde in een penitentiaire inrichting kan levensgevaarlijk zijn. Ik breng in herinnering dat in 2003 in De Marwei een vrouwelijk teamlid door een gedetineerde met een beitel werd gedood. Hij was met haar alleen gelaten op de crea. Als gevolg van onbekendheid met de werkelijke psychische gesteldheid van de man - die overigens daar was geplaatst in afwachting van zijn overplaatsing naar een TBS-kliniek - had niemand van het personeel het gevaar gezien. De oplegging van de TBS was kennelijk juist geweest, de plaatsing in een gewone gevangenis niet. 7 Ook wil ik wijzen op een casus waarin aan de verdachte wegens een dubbele moord en drie verkrachtingen een levenslange straf was opgelegd, zowel in eerste als in tweede instantie. Wegens een motiveringsgebrek in de bewezenverklaring van één van die verkrachtingen wees de Hoge Raad de zaak terug naar hetzelfde hof. 8 Daar kwam de zaak na drie en een half jaar terug. Het hof zag ditmaal af van levenslang en legde in plaats daarvan een straf op van twintig jaar en TBS; 9 de deskundigen hadden inmiddels meer fiducie gekregen in de mogelijkheid van behandeling van de verdachte. Het gewijzigde inzicht in de straftoemeting was in dit geval dus te danken aan het toeval dat het jaren had geduurd voordat de zaak weer bij de feitenrechter terugkwam. Het hoeft geen betoog dat in de huidige tijd twintig jaar en TBS de verdachte meer perspectief biedt op invrijheidstelling dan de levenslange straf, een straf waarin geen interventies mogen plaats vinden die zijn gericht op een succesvolle voorbereiding van de terugkeer in de samenleving. 10 Een derde voorbeeld is de oplegging van de levenslange gevangenisstraf aan de schutter van het Koetsiertje (zes doden, Delft 1983). Deze straf was - en is nog steeds - (mede) gebaseerd op het oordeel dat een terbeschikkingstelling van de regering (toen) gemiddeld vier jaar duurde en de rechtbank het niet aanvaardbaar achtte dat de verdachte na betrekkelijke korte tijd weer in de maatschappij zou terugkeren. Een lange gevangenisstraf met TBR werd volgens de rechtbank over het algemeen weinig zinvol geacht. 11 Zestien jaar later werd ánders geoordeeld en werd de man alsnog overgebracht naar een behandelkliniek waar - na achttien jaar - aan zijn behandeling kon worden begonnen. 12 Een voorbeeld van een onterecht opgelegde TBS kwam in 2009 aan het licht toen de Rechtbank Breda oordeelde dat er ten tijde van het delict toch niet sprake was geweest van een stoornis. 13 De man had inmiddels vijftien jaar in een behandelkliniek doorgebracht. Zo zijn er mogelijk meer gevallen van onjuiste inschatting van de geestelijke gesteldheid van de dader ten tijde van het delict. 14 Om redenen die de auteurs noemen is dit ongewenst. Onjuiste straftoemeting komt bovendien in strijd met artikel 5 EVRM, het verbod van willekeurige vrijheidsbeneming 15 en kan zelfs schending van artikel 3 EVRM opleveren, het verbod van inhumane behandeling of bestraffing. 16 Een oplossing voor deze problematiek binnen de structuur van het strafproces is niet eenvoudig. De rapporteurs sneller bedienen opdat zij meer tijd krijgen voor hun rapportage is kennelijk niet voldoende. Het komt volgens de auteurs regelmatig voor dat een diagnose na het volgen van een beloop van een half jaar of langer althans na vele maanden moet worden bijgesteld (p. 902, r.k.). Waar deze termijnen wellicht nog kunnen worden ondervangen door de duur van het strafproces (twee instanties doorlopen duurt al snel meer dan een jaar) geldt dit niet voor situaties waarin nog meer tijd nodig is. Volgens de auteurs wordt de problematiek namelijk ook regelmatig teruggezien bij de zesjaarlijkse onafhankelijke rapportage of nadat een patiënt in de kliniek is geplaatst. Dat betekent dat er jaren overheen kunnen gaan voordat er helderheid ontstaat omtrent het ziektebeeld (zoals in het geval van de schutter van het Koetsiertje). Zolang kan het strafproces niet wachten. Vandaar het pleidooi van de auteurs voor verruiming van de mogelijkheden van heropening van definitief geworden veroordelingen. Maar stellen wij ons dat eens voor: de TBS-maatregel na vele jaren in gevangenisstraf wijzigen. Dit komt in strijd met artikel 6 EVRM, de eis dat bij the determination of the charge, de rechter de straf vaststelt. 17 Of een vaste tijdelijke gevangenisstraf na jaren wijzigen in een TBS: dat berooft de veroordeelde van zijn perspectief op invrijheidstelling en komt in strijd met artikel 5 en/of 7 EVRM, de eis van voorzienbaarheid 18 en rechtszekerheid. 19 Juist in verband met deze rechtszekerheid zijn de mogelijkheden van wijziging beperkt en in beginsel alleen toegelaten indien die in het voordeel van de veroordeelde uitpakt. Het Nederlandse strafproces kent dan ook slechts twee middelen om de tenuitvoerlegging open te breken: het instituut van gratie en het bijzonder rechtsmiddel van herziening. Gratie wordt beschouwd als een gunst en is in beginsel dus niet geschikt om de tenuitvoerlegging bij te sturen. 20 Herziening kan alleen plaatsvinden - althans in de gevallen waar het hier om draait - indien de nieuwe Juist in verband met de rechtszekerheid zijn de mogelijkheden van wijziging beperkt 1676 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

17 Gespräch under Gelehrten die Kleinert / Alamy 5. Rb Noord-Nederland, 5 maart 2013, bord/ /herdenken-gewelddadige- is de strafmotivering overgenomen, gen (tariff) moet door de rechter worden ELCI:NL:RBNNE:2013:BZ3265. In deze zaak dood-van-collega-carien-hofman, geraad- Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 1984, bepaald bij oplegging van de straf, en niet stond de verdachte terecht wegens het pleegd op 31 mei ECLI:NL:GHSGR:1984:1. pas na jaren door de secretary of state doden van zijn vriendin en van een politie- 8. HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:BA Rb Den Haag 28 april 2014, (EHRM 12 juni 2003, Easterbrook vs. VK). agent en pogingen nog anderen om het 9. Gerechtshof s-gravenhage 25 juni 2008, ECLI:NL:RBDHA:2014: EHRM 17 december 2012 (M. vs. leven te brengen. De zaak is nog in hoger parketnummer (M.H.). Niet 13. Rb Breda 20 maart 2009, Duitsland). beroep. gepubliceerd. ECLI:NL:RBBRE:2009:BH De intrinsieke aard van de sanctie mag 6. Zie bijvoorbeeld T. de Bont en S. Meijer, 10. Brief van de Minister van Justitie Hirsch 14. Zie bijvoorbeeld de klachten wegens ten niet met terugwerkende kracht worden Hoe te reageren op de allerergste misda- Ballin en Staatssecretaris van Justitie Albay- onrechte opgelegde TBS in: HR 13 juli gewijzigd, EHRM 17 december 2012, par. den. Over de rol van vergelding en beveili- rak, Gratieprocedure en tenuitvoerlegging 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1023 en HR (M. vs. Duitsland) en EHRM 21 okto- ging bij de levenslange gevangenisstraf, in: levenslange gevangenisstraf, Kamerstukken juni 2007; ECLI:NL:HR:2007:BA6851. ber 2013 (Del Rio Prada vs. Spanje). J. Ouwerkerk e.a (red.), Hoe te reageren op II 2009/10, VI, nr. 10, o.m. bespro- 15. EHRM 18 september 2012 (James, 20. Tenzij het gaat om een levenslange misdaad. Op zoek naar de hedendaagse ken in: W.F. van Hattum, Levenslang post Wells and Lee vs.vk), par straf, zie W.F. van Hattum, In de daad een betekenis van preventie, vergelding en Vinter, NJB 2013/1775, afl. 29, p EHRM (GK) 9 juli 2013,Vinter e.a. vs. mens. De gratieprocedure levenslangge- herstel, Den Haag: SDU Uitgevers 2013, p. 1964, i.h.b. p l.k. VK, i.h.b. par. 83. straften: departementaal beleid en magis , i.h.b Rb Den Haag 13 maart 1984, parketnr. 17. De minimale termijn die een levenslang- tratelijk toezicht, vroeger en nu, DD 2009, (niet gepubliceerd). In beroep gestrafte in de gevangenis moet doorbren- afl. 4, p NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

18 Wetenschap omstandigheid - indien die bij de stafoplegging aan de rechter bekend zou zijn geweest - zou hebben geleid tot eene minder zware strafbepaling (art c Sv). Daaronder moet volgens vaste jurisprudentie worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt en dus niet de oplegging van een minder zware, of andere sanctie. 21 De huidige herzieningsregeling biedt derhalve geen uitkomst 22 en dat lijkt mij, met het oog op de rechtszekerheid, maar goed ook. Dat betekent dat wijziging alleen kan plaats hebben binnen de wijze van tenuitvoerlegging. Voorbeelden daarvan zijn de opname van een tot gevangenisstraf veroordeelde in een TBS-kliniek indien blijkt van een al bestaande of later ontstane geestelijke stoornis, en de niet-verlenging van een opgelegde TBS zodra de stoornis niet (meer) aanwezig blijkt te zijn. Om het aantal fout opgelegde sancties terug te brengen is overigens nog winst is te behalen in het vooronderzoek. Aanhakend bij de situatie die voor de auteurs aanleiding was hun verontrusting te uiten, namelijk zaken waarin het gebruik of de afbouw van geneesmiddelen mogelijk een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het delict, kan gedacht worden aan een protocol op basis waarvan in alle gevallen van verdenking In de ons omringende landen zien we wel sancties die meer zijn toegesneden op de niet geheel duidelijke beginsituatie van een levensdelict bij de verdachte én bij het slachtoffer bloed- en maagmonsters worden genomen. Dan staan de feiten omtrent eventueel gebruik van medicijnen, alcohol en andere drugs, in elk geval (beter) vast. 23 In de tweede plaats zou in geval van twijfel aan de (mate van) schuld, zoals in onderhavige zaak, eerder gedacht kunnen worden aan de oplegging van een combinatievonnis, dus gevangenisstraf en TBS. Snelle overplaatsing van gevangenis naar behandelkliniek is dan iets eenvoudiger. Bedacht moet echter worden dat de straffen tegenwoordig zwaar zijn, tijdens de behandeling álle risico s op herhaling worden uitgesloten, de Fokkensregeling is afgeschaft 24 en in plaats daarvan slachtoffers een stem hebben gekregen in het moment van overplaatsing de TBS. 25 Onder deze omstandigheden kan de TBS lang duren. Heel aanlokkelijk is het combinatievonnis voor verdachten die toerekeningsvatbaar worden geacht, zoals de Baflose asielzoeker, dus niet. Complicerend in die zaak is bovendien het beleid dat aan vreemdelingen zonder verblijfspapieren verlof wordt onthouden. 26 Daarmee wordt hun behandeling onmogelijk gemaakt en is een zeer langdurig verblijf in de TBS verzekerd, tenzij er genoegzame opvang in het land van herkomst wordt gevonden, iets wat in de Baflose zaak niet direct aannemelijk lijkt. Kijken we buiten de bestaande mogelijkheden, dan zien we in de ons omringende landen wel sancties die meer zijn toegesneden op de niet geheel duidelijke beginsituatie. Te denken valt aan het Engelse tariff-systeem in geval van oplegging van een levenslange straf. De rechter splitst de straf in een vergeldend en een beveiligend deel. Het vergeldend deel, de tariff, ligt vast; de duur van het beveiligend deel is afhankelijk van de mate waarin de veroordeelde nog een gevaar vormt voor de samenleving. 27 Het verschil met het Nederlandse combinatievonnis (gevangenisstraf en TBS) is, dat de stoornis ten tijde van het delict en de gevaarlijkheid voor de toekomst niet al bij oplegging hoeven te zijn vastgesteld, maar pas tijdens de tenuitvoerlegging van het vergeldende deel. Een enigszins vergelijkbaar model is de met maatregel verlengbare straf, zoals ooit door Rijksen ontvouwd. 28 Een heroverweging van ons sanctiesysteem met betrekking tot langdurige opsluiting van daders van zeer ernstige geweldsdelicten lijkt op haar plaats. 29 Niet alleen het gesignaleerde probleem van de onjuiste straftoemeting maar ook de kritiek op de tenuitvoerlegging van de levenslange straf 30 vormen daartoe aanleiding. Maar ik merk alvast op dat welk model men ook zal kiezen, vonnissen in zaken als de Baflose geen houdbaarheidsdatum hebben. De uitkomst van toekomstig gedragskundig onderzoek is immers niet te voorspellen en de mate van schuld blijft dus een onzekere factor. De conclusie moet zijn dat het met het onherroepelijk worden van het vonnis niet is afgelopen en de beoordeling van de juiste straftoemeting dus een vervolg moet krijgen in de tenuitvoerlegging. Als eerste stap op weg naar verbetering zou de vroegere Volgprocedure weer in het leven geroepen kunnen worden, een procedure waarin met regelmatige tussenpozen (levens)langgestraften worden onderzocht op de mogelijkheid van hun resocialiseerbaarheid. 31 Nu het tweede punt, de vaststelling van de mate van toerekenbaarheid. Zoals ik hiervoor heb geopperd zou de lezer na bestudering van het vonnis tot de conclusie kunnen komen dat de rechter alleen met het bestaan van een schuldverminderende omstandigheid rekening wil houden indien hij over het bestaan van die grond (vrijwel) absolute zekerheid heeft gekregen. Zo begrijpen de auteurs het vonnis ook. Omdat zij dit een te zware eis vinden, bepleiten zij een andere bewijsvoering van de toerekening. Zij leggen hieraan de stelling ten grondslag dat ook toerekening een vorm van waarheidsvinding is, (h)et gaat er immers om zich een goed beeld te verwerven over de waarheid wat betreft de rol van eventuele pathologie (p. 905, r.k.). Hoewel strafrechtjuristen hier niet spreken van waarheidsvinding bestaat over de noodzaak om zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen geen verschil van mening. Ook juristen zullen onmiddellijk beamen dat het belangrijk is dat de rechter zich een zo precies mogelijk beeld vormt van de geestelijke gezondheid van de verdachte tijdens het plegen van het delict. Anders dan de auteurs beredeneren, doét de rechter dit ook, 32 en wel aan de hand van de vraag wat aannemelijk is geworden. Hiertoe laat hij zich in het algemeen voorlichten door één of meer gedragskundigen. Indien die oordeelt dat er geen sprake is van enige schuld, bijvoorbeeld veroorzaakt door een psychose, en de rechter de deskundige deskundig acht, dan zal hij diens oordeel overnemen omdat het ontbreken van de schuld 1678 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

19 aannemelijk is geworden. Dan zal hij de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. Aan ons recht ligt immers het beginsel geen straf zonder schuld ten grondslag. Onder omstandigheden kan hij in dat geval nog wel de maatregel TBS of plaatsing in een APZ bevelen. Indien de schuld verminderd aanwezig is, ligt de straftoemeting gecompliceerder. De rechter kan dan straf opleggen en heeft daarbij een zeer grote marge. Hij is slechts gebonden aan het algemene minimum (een dag) en het bijzondere maximum (bij moord is dit dertig jaar of levenslang). Daartussen is hij vrij. 33 De rechter kan kiezen voor een lagere of een hogere straf, of voor TBS en daarbij geheel afzien van straf (mits aan de voorwaarden van artikel 37a Sr is voldaan), of voor een combinatie van beide sancties. De maatstaf die hij daarbij hanteert is de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte, een en ander zoals ter zitting is gebleken. Hij neemt dus ook eventuele verklaringen van gedragskundigen in aanmerking. Keren we terug naar de aanleiding voor het artikel, de Baflose zaak, dan moet worden geconstateerd dat de rechtbank zich door vijf deskundigen heeft laten voorlichten en dat zij zich door het rapport van twee van hen, beiden verbonden zijn aan het PBC, heeft laten overtuigen, kennelijk omdat zij deze deskundigen het meest deskundig acht. De rechtbank rekende de verdachte de feiten op basis van dit rapport volledig toe; er was met andere woorden naar het oordeel van het PBC en van de rechtbank geen verminderde mate van schuld. Dat oordeel lijkt een doorn in het oog van de auteurs. Volgens de auteurs was er sprake van een man met recidiverende psychosen die daarvoor langdurig onder behandeling was van een ambulant werkend zogenoemd FACT-team van een instelling voor Geestelijke Gezondheidszorg (p. 903 r.k.). Uit het vonnis blijkt dat de man onder behandeling stond van een psychiater, dat hij in de loop van de asielprocedure gediagnosticeerd was met PTSS vanwege traumatische gebeurtenissen in zijn jeugd en hij bezig was het in verband met die stoornis voorgeschreven gebruik van Haldol, en later Seroquel, af te bouwen. Onder de deskundigenverklaringen bevond zich ook het rapport van een forensisch psychiater die stelde dat het delict zulke trekken vertoonde dat er wel sprake moest zijn geweest van een psychose, ofwel, dat de man volledig ontoerekeningsvatbaar was geweest tijdens zijn daad. Het oordeel van deze deskundige volgde de rechtbank niet. Het lijkt de auteurs te verbazen dat deze gegevens bij elkaar niet genoeg waren om verminderde toerekening of misschien zelfs ontoerekeningsvatbaarheid aan te nemen. Zij wraken in elk geval de redenering die de rechter bij het aannemen van volledige toerekening hanteert, namelijk die van een afzonderlijke afweging - i.c. verwerping - van de bruikbaarheid van het overige materiaal. Zij betogen dat de rechter de verschillende gegevens bij elkaar zou moeten nemen. Daarbij zou als uitgangspunt moeten gelden dat statistisch gezien degene die een levensdelict pleegt een verhoogde kans op de aanwezigheid van een stoornis heeft. De statistische benadering zou een realistischer benadering van de toerekening geven, zo begrijp ik de auteurs, en ik voeg er aan toe: realistischer dus dan op basis van het rapport van het PBC. Allereerst merk ik op dat de kritiek van Loonen c.s. zich in feite richt op de deskundigen van het PBC (die immers de werking van toxische stoffen in hun rapportage kunnen verdisconteren en dit hier kennelijk in de ogen van de auteurs niet of te weinig hebben gedaan). Ten tweede zij aangetekend dat volgens het PBC de verdachte in het verleden niet bekend was met psychoses; dat is dus een ander feitelijk uitgangspunt dan de auteurs hebben ingenomen. Deze feitelijke vaststelling heeft de rechtbank uit het rapport van het PBC overgenomen. De auteurs verschillen dus met de rechtbank en met het PBC op een 21. Deze voorwaarde is niet gewijzigd ter gelegenheid van de wetswijziging van 1 oktober 2012, hierover: Kamerstukken II, 32045, 3, , p. 8 en Herziening ten nadele, ingevoerd op 1 oktober 2013, is niet aan de orde omdat het hier geen vrijspraken betreft of vonnissen tot stand gekomen door omkoping van de rechter, art. 482a leden 1 en 2 Sv. 23. Momenteel is een wetsvoorstel in behandeling in verband met het terugdringen van geweld onder invloed van middelen, Kamerstukken II 33799, 2013/14. Het wil de verdachte van een geweldsdelict verplichten mee te werken aan een onderzoek naar het gebruik van alcohol of andere drugs met als doel de vaststelling van middelengebruik als zelfstandige strafverhogende factor bij de strafeis te kunnen betrekken. Dit wetsvoorstel zou zo kunnen worden omgebogen dat de politie in alle gevallen van ernstig geweld verplicht wordt om ten behoeve van de waarheidsvinding zo spoedig mogelijk na ontdekking van het misdrijf en de aanhouding van de verdachte direct een onderzoek in te stellen naar diens eventuele middelengebruik. 24. De Fokkensregeling hield in dat een veroordeelde met een combinatievonnis in beginsel na een derde van zijn straf in aanmerking kwam voor overplaatsing naar een TBS-kliniek. 25. BC 3 mei 2012, 11/3312/TR. 26. Art. 2 lid 6 onder a Verlofregeling TBS, 24 december In samenhang hiermee wordt in de Aanwijzing TBS bij vreemdelingen (2010A019) het OM aanbevolen tegen ongewenst verklaarde vreemdelingen geen TBS te vorderen. 27. In 2005 heeft Engeland daarnaast, voor plegers van iets lichtere geweldsdelicten, de indeterminate sentences for the public protection (IPP sentences) ingevoerd. Zie voor een korte beschrijving EHRM 18 september 2012 (James Wells and Lee vs. VK), par. 6 en par R. Rijksen, Vijf jaar tot levenslang. Langgestraften in de gevangenis te Breda. Alphen aan de Rijn: Samson 1967, p. 149 e.v. 29. Een nieuw model van een aan de omstandigheden aanpasbare sanctie is opgenomen in het wetsvoorstel langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking. Het richt zich in het bijzonder op zedendelinquenten. De tenuitvoerlegging van een opgelegde maatregel van toezicht is afhankelijk van de situatie op het moment dat de straf is ondergaan of de TBS wordt beëindigd. Een dergelijke onzekerheid lijkt toegelaten, omdat al op het moment van oplegging bekend is dat de maatregel van (levenslang) toezicht de veroordeelde boven het hoofd hangt. Vgl. de nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II, 33816, , 6, p J. Claessen en S. Meijer, De levenslange gevangenisstraf: hoe lang nog? Redactioneel NBSr, 2013, afl Zie over deze vroegere Volgprocedure punt 3 van de nota Zorg behandeling en perspectief, de volgprocedure levenslanggestraften, juni 2012, nl, onder nieuws (geraadpleegd 16 juni 2014). 32. De auteurs hebben slechts in zoverre gelijk dat zolang er geen verweer wordt gevoerd op dit punt, en het dossier of de verdachte geen aanleiding geven om te veronderstellen dat er met de toerekening iets loos is, de rechter uitgaat van de vrije wil. 33. Zelfs bestaat er volgens de HR geen regel die de rechter verbiedt hoger te straffen dan de mate van schuld (HR 24 juli 1967, NJ 1969, 63 (Amok op de Antillen). In de praktijk past de rechter de regel echter wel toe, al is dat niet steeds even consistent, J. Claessen en D. de Vocht, Straf naar de mate van schuld?, DD 2012, 63. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

20 Wetenschap cruciaal en feitelijk onderdeel van mening. Dat vertroebelt de discussie en wel zodanig dat toepassing van kansberekening daarom al niet voor de hand ligt. Er bestaat echter ook een fundamenteel bezwaar tegen toepassing van kansberekening zoals door Loonen c.s. voorgesteld. Dat bezwaar is gebaseerd op het juridische principe dat de rechter niet alle gegevens die voorhanden zijn, mag gebruiken. Hij wordt in zijn keuze beperkt door normatieve regels. Zo moet hij een verklaring die is verkregen met ernstige schending van de wet soms terzijde leggen, ook al is de inhoud ervan wellicht nog zo betrouwbaar. Denk aan een verklaring onder folter verkregen of met voorbijgaan aan andere grondrechten. En ook indien de kans negentig procent is dat deze verdachte het feit heeft gepleegd omdat hij behoort tot een groep van wie 90 procent dit soort delicten pleegt, dan nog moet de rechter dat gegeven terzijde laten omdat het niet bruikbaar is voor de vaststelling dat déze verdachte het feit heeft begaan. 34 Statistiek zou in dit geval leiden tot discriminatie. Hetzelfde uitgangspunt heeft te gelden voor de vraag naar de mate van toerekening. De rechter Statistiek zou in dit geval leiden tot discriminatie moet onderzoeken wat in déze zaak ter zake van déze verdachte aannemelijk is geworden. Dit is slechts anders indien de verdachte door toepassing van statistiek wordt ontlast, of, in juridische termen, hij het voordeel van de twijfel krijgt. Of verminderde toerekening met de daaraan verbonden mogelijkheid van TBS in het voordeel van de Baflose asielzoeker is, staat echter, zoals hiervoor uitgelegd, te bezien. Het vonnis in de Baflose zaak moet nu zo worden gelezen dat de rechter het bestaan van de aangedragen mogelijkheid van instabiliteit als gevolg van afbouw van Paroxetine heeft verworpen op basis van de overige aanwezige informatie. Zo werden bij de verdachte 581 tabletten Seroquel aan getroffen. Daaruit werd afgeleid dat de verdachte al geruime tijd geen pillen meer slikte, terwijl dat geen negatieve bijwerkingen had gehad. Het was daarom in de ogen van de rechtbank niet aannemelijk dat het laten staan van dit geneesmiddel (mede) een psychose zou hebben veroorzaakt. Zo waren er meer gegevens voorhanden die de verminderde toerekening weerspraken. Het eindoordeel berust aldus, net als in de bètaonderzoeksmethoden, op het totaal van de gewogen bevindingen. Samenvatting en slot De oplossing voor de door de auteurs vastgestelde problemen bij de straftoemeting moeten niet worden gezocht in de heropening van onherroepelijke einduitspraken. Dat is in strijd met de rechtszekerheid. Er bestaat voorts geen aanleiding de vaststelling van de mate van schuld, in casu de toerekening, anders vorm te geven dan nu het geval is. De andersluidende mening van de auteurs is gebaseerd op een misvatting van het strafrechtelijk model. De rol van de statistiek kan voorts slechts beperkt zijn omdat het plakken van etiketten stigmatiseert en discrimineert. Kansberekening zou alleen ten gunste van een verdachte mogen worden toegepast. Hoe dan het gesignaleerde probleem van de foutmarge in de straftoemeting aan te pakken? Allereerst moet er een protocol worden ontwikkeld dat de opsporing beter afstemt op mogelijk later opkomende informatie over middelengebruik. Bloed- en maagmonsters zouden standaard moeten worden afgenomen in alle gevallen waarin sprake is van een ernstig gewelds- c.q. levensdelict. Vervolgens zou in het kader van de gedragskundige rapportage een betere afstemming kunnen plaats vinden tussen de diverse rapporteurs. Ten derde, in gevallen van twijfel over de toerekening, zou er vaker gebruik kunnen worden gemaakt van een combinatievonnis, overigens met alle voorzichtigheid van dien. Dit ondervangt echter het probleem van gewijzigde inzichten niet. De conclusie moet dus zijn dat hoe weloverwogen het rechterlijk oordeel ook is, dit geen garantie is voor een blijvend passende straftoemeting. De administratie zal tijdens de tenuitvoerlegging de sanctie zo nodig moeten bijsturen. Daarom is het van belang om voor langgestraften en levenslanggestraften een zogenaamde Volgprocedure te ontwikkelen. 34. Denk aan de uitglijder die is gemaakt in de strafzaak tegen Lucia de B., HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496. Hierover R. Meester, Lucia de B. en de statistiek, 2007, onderwijs/hovo/lucia_euclides.pdf NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

21 Focus 1228 De kiss of life voor de Grondwet Een voorstel tot aanpassing van de wijzigingsprocedure van de Grondwet Karin Haan, Mathilde de Boer, Rik Dekker, Remco Nehmelman, Jan Willem van Rossem en Max Vetzo 1 In deze bijdrage wordt het winnende voorstel besproken van de Grondwetstrijd 2014, welke werd uitgeschreven door het Nationaal Comité in het kader van 200 jaar Koninkrijk. 2 Het idee achter de wedstrijd was burgers meer bewust te maken van het belang van de Grondwet en de Grondwet te laten herleven in de samenleving. 1. Inleiding De Nederlandse Grondwet vervult een belangrijke rol in ons constitutionele bestel. Het constitueert de staatsinstellingen, attribueert aan deze instellingen bevoegdheden en reguleert deze bevoegdheden. Echter, er wordt al menig jaar op gewezen dat de Grondwet niet leeft onder burgers. 3 Het document is nu enkel een technisch instrument dat de verhoudingen tussen de staatsinstellingen en de samenleving regelt. 4 Er klinkt een roep om een meer levende Grondwet. 5 Een levende Grondwet is richtinggevend voor de leden van de samenleving en biedt een sterk(er) maatschappelijk draagvlak voor de Grondwettelijke normen. 6 De Grondwet moet nieuw leven worden ingeblazen. Het statisch gegeven van de Grondwet wordt onder meer ingegeven door de starre Grondwetsherzieningsprocedure zoals vastgelegd in artikel 137 van de Grondwet. Weliswaar wordt met deze starheid stabiliteit bewerkstelligd, maar de zware grondwetsherzieningsprocedure vormt veelal ook een barrière om de Grondwet voldoende bij de tijd te houden. Bovendien is de beoogde volksinvloed in de huidige procedure onzichtbaar. In deze bijdrage wordt daarom voorgesteld om de grondwetsherzieningsprocedure van artikel 137 van de Grondwet op een dergelijke manier te wijzigen dat stabiliteit behouden blijft maar tegelijkertijd de flexibiliteit en volksinvloed kunnen worden vergroot. Hieronder wordt eerst de problematiek omtrent de huidige wijzigingsprocedure uiteengezet, waarna vervolgens wordt ingegaan op de inhoud van het voorstel. 2. Huidige wijzigingsprocedure De huidige wijzigingsprocedure bestaat uit twee lezingen door de Staten-Generaal. Na een relatief lichte lezing wordt eerst de Tweede Kamer ontbonden, waarop een zware tweede lezing volgt, waarbij beide Kamers met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen met de voorgestelde grondwetswijziging moeten instemmen. De zwaarte van deze procedure draagt ertoe bij dat de Grondwet een stabiel document is, met historische wortels. 7 Het is niet voor niets dat onze Grondwet één van de oudste ter wereld is. 8 Dit brengt echter ook een zekere inflexibiliteit met zich mee. De betreffende procedure geldt voor alle wijzingen, ongeacht de grootte en zwaarte van de te dienen belangen. Hierdoor kan moeilijk op Auteurs Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht. De auteurs zijn de schrijvers/ bedenkers van het winnende voorstel. Grondwet als bron van normativiteit en identiteit, Civis Mundi 2003, p. 127; W.J.M. Voermans, Juist nu stabiliteit zo gewenst is, hebben we niets aan de Grondwet, De Volkskrant 9 november 2013, p T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik, W.J.M. Voermans e.a., De Nederlandse Grondwet geëvalueerd, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2009, p Kamerstukken II 2007/08, 31570, 3, p Mr. K.E. Haan heeft de Master Staats- en Bestuursrecht afgerond aan de Universiteit Utrecht. M.E. de Boer is masterstudent Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht. R. Dekker is masterstudent Public International Law en Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Prof. mr. R. Nehmelman en mr. J.W.C. van Rossem zijn verbonden aan de Universiteit Utrecht. M. Vetzo is bachelorstudent Noten J.A. Peters, Wie beschermt onze Grondwet? (inaugurele rede UvA), Amsterdam: Vossiuspress 2003; S.W. Couwenberg, De 4. Zie bijvoorbeeld de toespraak van oudminister G. ter Horst bij het symposium De Onzichtbare Grondwet, 27 februari J.A. Peters, Wie beschermt onze Grondwet? (inaugurele rede UvA), Amsterdam: Vossiuspress W.J.M. Voermans, Onze oude onbeminde Grondwet, NJB 2014/623, afl. 12, p NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

22 Focus 3. Voorstel Het winnende team met de Minister voor BZK, foto op academievoorwetgeving.nl maatschappelijke ontwikkelingen worden ingespeeld. Gevolg is dat burgers zich niet kunnen identificeren met het document. Dit wringt omdat uit onderzoek is gebleken dat 94% van de Nederlanders de Grondwet belangrijk vindt. 9 Door het inflexibele karakter is de Grondwet voor burgers echter verworden tot een dode letter. 10 Een Grondwet die niet aansluit bij maatschappelijke, politieke en juridische ontwikkelingen dreigt aan kracht te verliezen en aan belang in te boeten. 11 Een ander probleem van de huidige procedure is dat het daarin beoogde element van volksinvloed niet goed uit de verf komt. Artikel 137 van de Grondwet schept de mogelijkheid een voorstel tot wijziging inzet van parlementsverkiezingen te maken. Na een succesvolle eerste lezing volgt verplicht ontbinding van de Tweede Kamer. In de praktijk laat men deze ontbindingsverkiezingen echter samenvallen met reguliere verkiezingen na afloop van de vierjarige zittingstermijn of ontbindingsverkiezingen naar aanleiding van een politieke crisis. Actuele en maatschappelijk relevante voorstellen worden hierdoor niet snel verwerkt. Zij worden op de lange baan geschoven en niet zelden afgesteld. Vervroegde ontbinding van de Tweede Kamer speciaal voor een grondwetsherzieningsprocedure is sinds 1948 niet meer voorgekomen. Bij verkiezingen staan vrijwel altijd andere onderwerpen centraal in partijprogramma s. De belangstelling voor herzieningsvoorstellen is nihil; het verkiezingsdebat gaat over de algemene politieke vragen en niet over een op handen zijnde herziening van de Grondwet. Gesteld kan dan ook worden dat in het huidige systeem daadwerkelijke volksinvloed ontbreekt bij een herziening van de Grondwet. De huidige wijzigingsprocedure biedt enerzijds stabiliteit, anderzijds vormt deze stabiliteit een te hoge barrière voor constitutionele vernieuwing. De procedure is te zwaar en te rigide, waardoor de Grondwet een inflexibel document wordt dat niet leeft onder de bevolking. Bovendien komt, zoals hiervoor is uiteengezet, het element van volksinvloed niet goed uit de verf. Voor deze problemen biedt ons inziens het volgende voorstel tot wijziging van artikel 137 Grondwet een goede oplossing: Artikel De Grondwet wordt bij wet gewijzigd. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen. 2. Indien een voorstel tot wijziging van de Grondwet een verandering aanbrengt in de identiteit van het Nederlandse constitutionele bestel, overweegt een daartoe ingestelde Grondwetskamer in tweede lezing het voorstel tot verandering bedoeld in het eerste lid. De Grondwetskamer kan dit voorstel alleen aannemen met ten minste drie vijfden van het aantal uitgebrachte stemmen. 3. Indien de wetgever besluit uitsluitend de procedure van het eerste lid te volgen, wordt na indiening van een daartoe strekkend burgerinitiatief, getekend door minimaal tweeëneenhalf procent van de kiesgerechtigden, het voorstel alsnog in tweede lezing overwogen door een daartoe ingestelde Grondwetskamer. De procedure en formele vereisten van het burgerinitiatief worden bij wet bepaald. 4. De Grondwetskamer bestaat uit de leden van de Staten- Generaal aangevuld met een gelijk aantal kiesgerechtigden. De procedure van selectie van deze kiesgerechtigden wordt bij wet vastgesteld. Het wetsvoorstel beoogt de wijzigingsprocedure van de Grondwet zo te veranderen dat alleen in geval van een wijziging die aan de identiteit van het Nederlandse constitutionele bestel raakt, een tweede lezing nodig is. Als dit niet het geval is, is slechts één lezing met een twee derde meerderheid vereist. Dit is de zogenaamde lichte In het huidige systeem ontbreekt daadwerkelijke volksinvloed bij een herziening van de Grondwet procedure, die flexibiliteit van de Grondwet beoogt. Als een wijziging wel aan de identiteit van het constitutionele bestel raakt, dient de zogenaamde zware procedure te worden gevolgd. Het is in eerste instantie aan de wetgever om te bepalen of daarvan sprake is. De zware procedure waarborgt de stabiliteit van de Grondwet. In tweede lezing oordeelt een Grondwetskamer over het voorstel. De Grondwetskamer bestaat uit de Staten-Generaal aangevuld met eenzelfde aantal burgers. In het geval dat de lichte procedure wordt gevolgd, kan via een bindend burgerinitiatief alsnog de zware procedure worden afgedwongen. Dit burgerinitiatief kan worden geïnitieerd indien een groep burgers van mening is dat er wel sprake is van een grondwetswijziging die aan de identiteit van het Nederlandse constitutionele bestel raakt en de zware procedure daarom alsnog moet worden gevolgd. Op deze manier hebben 1682 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

23 Of de zware procedure moet worden gevolgd is afhankelijk van het antwoord op de vraag of een wijziging raakt aan de identiteit van het constitutionele bestel van Nederland burgers invloed op en raken zij betrokken bij (wijzigingen van) de Grondwet Flexibiliteit: de lichte procedure Om de flexibiliteit van de Grondwet te vergroten, moet het mogelijk zijn om een Grondwetswijziging in een enkele lezing door te voeren. In één lezing stemmen de beide Kamers dan met ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen in met de voorgestelde wijziging. Wanneer de wetgever het voorstel tot wijziging van de Grondwet niet ziet als een wijziging die een verandering aanbrengt in de identiteit van het Nederlandse constitutionele bestel, is deze procedure van toepassing. Er vindt dan één lezing plaats, waarin beide Kamers een voorstel aan kunnen nemen met twee derde meerderheid van de stemmen. Daarmee wordt voorzien in een flexibele procedure, die grondwettelijke vernieuwingen eenvoudiger maakt Stabiliteit; de zware procedure De zware procedure moet worden gevolgd indien de wetgever hiertoe besluit of indien deze procedure door het hierna te bespreken burgerinitiatief wordt afgedwongen. Dan volgt na de eerste, lichte procedure een zware tweede lezing. Deze tweede lezing wordt gedaan door de Staten- Generaal, en een gelijk aantal burgers; de Grondwetskamer. 12 Het wetsvoorstel dient te worden aangenomen met een drie vijfde meerderheid van de Grondwetskamer. Deze tweede lezing vormt een waarborg voor stabiliteit. Het voorkomt dat in eerste lezing haastig genomen beslissingen doorgang vinden en biedt een extra controle op de wenselijkheid van het doorvoeren van het voorstel. Ook het vereiste van de gekwalificeerde meerderheid in tweede lezing draagt bij aan deze controlefunctie. Tevens is deze zware procedure bedoeld om de volksinvloed op de grondwetsherzieningsprocedure aanzienlijk te vergroten. De geselecteerde burgers krijgen gedurende een aantal maanden een training waarna zij vervolgens goed geïnformeerd kunnen meestemmen over de aanhangige herziening. Deze burgers worden bovendien uitdrukkelijk aangemoedigd om aan het publieke debat over de op handen zijnde grondwetsherzieningsprocedure deel te nemen. Of de zware procedure moet worden gevolgd is, als gezegd, afhankelijk van het antwoord op de vraag of een wijziging raakt aan de identiteit van het constitutionele bestel van Nederland. De constitutionele identiteit is een inhoudelijk en naar zijn aard open criterium. Het begrip is ontleend aan het debat over Europese integratie en werd voor het eerst gebruikt in de jurisprudentie van constitutionele rechters in Duitsland en Italië in de jaren zeventig van de vorige eeuw. 13 Deze rechters gebruikten de notie ter afbakening van een nationale constitutionele sfeer die niet mag worden aangetast door Europese normen en handelingen. In de jaren negentig, bij de sluiting van het Verdrag van Maastricht, werd dit uitgangspunt vertaald in Europees recht. Vanaf dat moment bevatte het Unieverdrag namelijk een bepaling waarin de Europese Unie wordt verplicht om de nationale identiteit van de lidstaten te eerbiedigen. 14 In het wetsvoorstel is niet gekozen voor het begrip constitutionele identiteit om bepaalde grenzen te stellen ten aanzien van de Europese Unie. Deze keuze is ingegeven door de overtuiging dat de Grondwet baat heeft bij een flexibel begrip waaronder de essentialia van het constitutionele recht kunnen worden uitgelicht. Dat laat onverlet dat de keuze wel de gelegenheid biedt om meer aansluiting te zoeken bij het debat over Europese integratie. Er is bewust gekozen voor een open norm, omdat het vastleggen van een limitatieve opsomming kan leiden tot een wederom rigide Grondwet die niet aansluit bij de samenleving. Het is aan de wetgever en de burgers (door middel van een bindend burgerinitiatief) om te bepalen wat onder dit begrip valt. Gedacht kan hierbij worden aan bijvoorbeeld de monarchie, de kern van in de Grondwet opgenomen klassieke grondrechten, bijvoorbeeld artikel 23 van de Grondwet (onderwijsvrijheid) en de organisatie van Nederland als gedecentraliseerde eenheidsstaat. Heel nadrukkelijk is het echter niet de bedoeling om hier een limitatieve opsomming te geven. Door inpassing van het criterium constitutionele identiteit wordt een dynamisch element in de wijzigingsprocedure ingevoegd. Wat als onderdeel van de identiteit van het Nederlandse staatsbestel geldt, zal onderhevig zijn aan maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende opvattingen. Anno 2014 zal de inrichting van de Staten-Generaal in twee Kamers misschien als een dergelijk onderdeel worden beschouwd. Het is echter denkbaar dat dit over een aantal decennia anders zal zijn. Het omgekeerde kan natuurlijk ook gebeuren. Neem bijvoorbeeld artikel 81 van de Grondwet, dat bepaalt dat de vaststelling van wetten door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk geschiedt. Mogelijk brengt het toevoegen van een bindend referendum aan 9. Onderzoek van TNS-NIPO in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, De Grondwet: wat weet en vindt de Nederlander, , p. 35. een verandering komt in het aantal Kamerleden in de toekomst, waaraan het aantal burgers in de Grondwetkamer wordt gespiegeld. 13. BVerfGE 29 mei 1974, E37/271 (Solange I); Corte Costituzionale 27 december 1973, zaak nr. 183/73 (Frontini). 14. Art. 4 lid 2 VEU luidt: De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. ( ). 11. Rapport Staatscommissie Grondwet van 12 november 2010, p.15, bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 31570, D. 10. W.J.M. Voermans, Juist nu stabiliteit zo gewenst is, hebben we niets aan de Grondwet, De Volkskrant 9 november 12. Een Grondwetskamer zou nu bestaan uit 225 Kamerleden plus 225 burgers, dus in totaal 450 leden. Het is denkbaar dat er NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

24 Focus dit artikel op dit moment geen verandering aan in de Nederlandse constitutionele identiteit. Zou vervolgens later een voorstel worden gedaan om artikel 81 van de Grondwet weer in zijn oude staat terug te brengen, dan is het denkbaar dat deze wijziging wel aan de constitutionele identiteit raakt. Met de Grondwettelijke verankering van het begrip constitutionele identiteit wordt niet alleen gepoogd om de stabiliteit en continuïteit van de Grondwet te waarborgen, maar tevens de mogelijkheid geboden om deze dynamischer te maken Volksinvloed; Grondwetskamer en burgerinitiatief Het wetsvoorstel beoogt op twee manieren volksinvloed te introduceren in de Grondwet; de Grondwetskamer en een bindend burgerinitiatief. Grondwetskamer De Grondwetskamer geeft burgers de mogelijkheid om volksinvloed uit te oefenen op voorgenomen Grondwetswijzigingen. De Grondwetskamer bestaat voor de helft uit willekeurig geselecteerde stemgerechtigde burgers. De Er is uitdrukkelijk niet gekozen voor een referendum precieze invulling hiervan dient nader bij wet te worden vastgesteld, maar de insteek voor de selectie van de burgers is dat zij willekeurig geselecteerd worden door middel van steekproeven. Van een compleet willekeurige samenstelling is echter geen sprake. Gestreefd wordt naar het selecteren van een groep personen die tezamen representatieve vertegenwoordiging van de Nederlandse kiesgerechtigden vormt. Geselecteerde burgers hoeven niet mee te doen, deelname is vrijwillig. De geselecteerde burgers krijgen, zoals reeds opgemerkt, gedurende een bepaalde periode een grondige training over de voorgenomen wijziging, waarna zij uiteindelijk goed geïnformeerd kunnen stemmen over het voorstel. Er is uitdrukkelijk niet gekozen voor een referendum. Belangrijke nadelen van een referendum over een Grondwetsherziening zijn dat het voorstel wordt gesimplificeerd en er kan om oneigenlijke redenen voor of tegen een voorstel worden gestemd. Door een willekeurige selectie van kiesgerechtigde burgers worden deze nadelen ondervangen. Zij krijgen gedurende een bepaalde periode een grondige voorlichting over het wijzigingsvoorstel. Bovendien worden zij actief aangespoord om het maatschappelijk debat over het voorstel in te luiden, waardoor er een brede maatschappelijke discussie zal ontstaan over het belang van Grondwet en de onderhavige wijziging in het bijzonder. In het buitenland, in het bijzonder in IJsland en Ierland, is gebleken dat met sterk vergelijkbare procedures voor herziening van de Grondwet of organieke wetten (bijvoorbeeld wijziging van de Kieswet) een nieuwe manier is gevonden voor volksinvloed op wijzigingen in het staatsbestel met onder andere als doel verhoging van de legitimiteit van het staatsgezag. 15 Burgerinitiatief De Grondwetskamer vervult enkel een rol in de zware procedure. Wat nu als de wetgever besluit tot de lichte procedure terwijl een aanzienlijk deel van het Nederlandse volk meent dat alsnog de zware procedure moet worden gevolgd? Dan kan via een bindend burgerinitiatief alsnog een tweede zware lezing worden afgedwongen. Het initiatief voor de te volgen procedure ligt dus in eerste instantie bij de wetgever. De wetgever kan echter worden teruggefloten door de bevolking. Het kiesgerechtigde deel kan door middel van een burgerinitiatief, getekend door minimaal tweeëneenhalf procent van de kiesgerechtigden, de zware procedure afdwingen als de wetgever daarvan heeft afgezien. Met het initiatief in handen van de wetgever en een correctiemogelijkheid in handen van de kiesgerechtigde bevolking, wordt met dit voorstel een ideaal en dynamisch midden gevonden tussen het principe van representatieve democratie en het principe van directe democratie. We leven in een tijd waarin burgers zich door gebruikmaking van social media niet alleen gemakkelijker organiseren, maar zich ook steeds vaker waakzaam opstellen. Op dit organisatievermogen en op deze waakzaamheid van de burger wordt gerekend. Op deze manier houdt de burger altijd het laatste woord over welke procedure moet worden gevolgd om een wijziging in zijn Grondwet te bewerkstelligen. 4. Conclusie In deze bijdrage is uiteengezet dat met een verandering van de wijzigingsprocedure de Grondwet nieuw leven in kan worden geblazen. Aan de ene kant wordt flexibiliteit gefaciliteerd, doordat met toepassing van de lichte procedure in een enkele lezing kan worden ingespeeld op maatschappelijke ontwikkelingen. Aan de andere kant wordt de stabiliteit van de Grondwet gewaarborgd, doordat wijzigingen die aan de identiteit van het constitutionele bestel raken langs een Grondwetkamer moeten. Het bindende burgerinitiatief vormt een vangnet in gevallen waarin onterecht de lichte procedure wordt toegepast. Met de Grondwetskamer en het burgerinitiatief geeft de Grondwet ruimte voor daadwerkelijke volksinvloed. Het voorstel draagt bij aan een flexibeler Grondwet, maar op de punten waarop dit door de wetgever of de Nederlandse bevolking nodig wordt geacht, zijn essentiële waarborgen ingebouwd voor behoud van de constitutionele stabiliteit. Daarmee wordt recht gedaan aan de Grondwet als een hogere regeling, maar wordt tegelijkertijd voorkomen dat dit hogere karakter van de Grondwet haar eigen ontwikkeling afremt. De inpassing van volksinvloed in de wijzigingsprocedure draagt bij aan een levendige Grondwet die voor burgers van wezenlijk maatschappelijk belang is. Hiermee wordt de Grondwet een nieuw leven ingeblazen. Dit is, niet in de laatste plaats vanwege het 200-jarig bestaan van het Koninkrijk, geen overbodige en ons inziens een noodzakelijke ontwikkeling. 15. Zie o.a. article ece/ijsland_laat_burgers_ grondwet_schrijven en https://www.constitution.ie/. Een parallel is ook te trekken met het Nederlandse Burgerforum kiesstelsel, NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

25 Opinie 1229 The world according to Fokke Fernhout 1 Overheid.nl plaatst haar eigen versies van de Nederlandse wet op de site. Dat is bijzonder onwenselijk, omdat het alleen aan de democratisch gelegitimeerde wetgever is om fouten te verbeteren. Tot overmaat van ramp is de communicatie over de inhoud van de site verbureaucratiseerd naar een mistige voorlichtingsinstantie. Met de jurisprudentie op en de regelgeving (inclusief de kamerstukken) op heeft Nederland een juridische informatievoorziening waar de rest van de wereld alleen maar watertandend van kan dromen. Beide sites hebben een goede en begrijpelijke interface en zijn (afgezien van incidentele oprispingen) snel genoeg. Zonder dat daarnaar onderzoek is gedaan mag daarom worden aangenomen dat de juridische goegemeente inmiddels volledig op de inhoud van de sites vertrouwt. Bij rechtspraak.nl is dat geen probleem. De rechterlijke uitspraken zullen digitaal worden aangeleverd en worden integraal (na anonimisering) geplaatst. Dan kan er weinig mis gaan. Bij overheid.nl ligt dat kritischer, want de site publiceert geconsolideerde wetgeving. Daarbij kan van alles mis gaan en bovendien zal een redacteur moeten bepalen hoe de wijzigingen in de bestaande regelgeving moeten worden verwerkt. Dat is een lastig karwei, waarbij een dergelijke redacteur zelfs voor moeilijke keuzes kan komen te staan. Hoe ga je bijvoorbeeld om met een wet die ertoe leidt dat artikel 111 lid 2 sub a Rv komt te luiden: Naast de gegevens bedoeld in artikel 45, derde lid, vermeldt het exploot van dagvaarding: a. de door eiser gekozen woonplaats de door eiser gekozen woonplaats in Nederland (Stb. 2005, 455)? Ga je dat verbeteren of doe je gewoon wat de wetgever zegt? De uitgevers van wettenedities voerden een verschillend beleid. De Staatsuitgeverij voelde zich altijd al boven God en iedereen verheven en publiceerde een eigen versie van de wet; Kluwer wist tot 2013 haar plaats en publiceerde de wetten in de tekst zoals die door de wetgever was vastgesteld. En overheid.nl? Overheid.nl meent het ook beter te weten dan de wetgever en heeft steeds haar eigen versies van de Nederlandse wet op de site geplaatst. Dat is bijzonder onwenselijk, want het is immers alleen aan de democratisch gelegitimeerde wetgever om fouten te verbeteren. Het valt echter weer mee als over de teksten op overheid.nl te communiceren valt. In het verleden was dat het geval. In 2008 werd bijvoorbeeld op de site vermeld dat de artikelen 14a t/m 14e van de Wet op de rechterlijke organisatie waren ingetrokken. Niet de eerste de beste regeling, want het ging juist om de mogelijkheid te klagen over rechterlijke ambtenaren bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Op grond van een overgangsregeling opgenomen in artikel XIII Wet organisatie bestuur en gerechten (Stb. 2001, 582) waren die bepalingen echter gehandhaafd in afwachting van de inwerkingtreding van een andere regeling, die er in 2008 nog niet was (en pas jaren later zou komen). Het kostte een paar mailtjes (via het op de site opgenomen adres) met juridische argumenten, maar binnen een paar dagen waren de artikelen weer terug op de site en deze bleven daar staan totdat zij daadwerkelijk werden ingetrokken. Tot zover is er niets aan de hand. Het lijkt alsof overheid.nl een coupe heeft gepleegd en definitief de wetgever als primaire bron van recht heeft vervangen Onder de huidige bewindslieden zijn de zaken echter aan het ontsporen. Het lijkt alsof overheid.nl een coupe heeft gepleegd en definitief de wetgever als primaire bron van recht heeft vervangen. Ik kwam daar voor het eerst achter toen ik een onjuistheid vond bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Via de site stuurde ik het volgende bericht: Bij het i tje op Rv vind ik als eerste aanhangige wetsontwerp Dit wetsontwerp is echter op 22 november 2011 verworpen door de Iste Kamer. Dan is het toch niet meer aanhangig?. Het duurde een kleine drie weken, maar toen kwam het volgende bericht terug van een vriendelijke mevrouw: U heeft een vraag gesteld via Auteur 1. mr. F.J. Fernhout is UHD burgerlijk procesrecht aan de Universiteit Maastricht. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

26 Opinie graag verzoeken om contact op te nemen met Informatie Rijksoverheid (voormalige Postbus 51) zie weten precies bij welke instantie u dient te zijn zodat zij hun tekst kunnen wijzigen. Communicatie over overheid.nl, dus over de primaire bron voor de inhoud van de Nederlandse wetgeving, is met andere woorden verbureaucratiseerd naar een mistige voorlichtingsinstantie, die hoge barrières inbouwt om überhaupt benaderd te kunnen worden, laat staan dat er veel van te verwachten valt. Intussen gaat overheid.nl onverstoorbaar verder met haar eigen versie van het Nederlandse recht Through the wrong holes Sarah Jones / Ikon Images/Alamy Overheid.nl. De publieksvoorlichting van Overheid.nl is ondergebracht bij Informatie Rijksoverheid. U kunt hierom uw vraag stellen via de website https://www.rijksoverheid.nl/ contact/contactformulier. Informatie Rijksoverheid (voorheen Postbus 51) Telefoonnummer: 1400 (lokaal tarief) Ik hoop dat ik uw vraag naar tevredenheid heb beantwoord. Dat laatste was zeker niet het geval, maar toen ik vroeg wat dit nu voor een malligheid was, antwoordde ditmaal een meneer in elegant Nederlands: KOOP is een organisatie wat webapplicaties bouwt voor overheden om hun informatie op te publiceren. Wij gaan helaas niet inhoudelijk over de publicaties die u op overheid.nl aantreft. Hierom willen wij u Intussen gaat overheid.nl onverstoorbaar verder met haar eigen versie van het Nederlandse recht. Dat kwam pijnlijk aan het licht na mijn stukje in het Advocatenblad van mei 2014, Zijn de griffierechten 2014 echt verschuldigd? (p ). Daarin werd gesignaleerd dat de Regeling (...) tot indexering van bedragen in (...) de Wet griffierechten burgerlijke zaken (...) (Stcrt. 2013, 35871) hetzij onverbindend is doordat wijzigingen worden aangebracht in een formele wet, hetzij bedragen wijzigt die er niet zijn en dus geen gevolg heeft. Overheid.nl blijkt hard terug te slaan door met een eigen visie op de genoemde regeling te komen en koelbloedig zelf te bedenken wat er volgens overheid.nl eigenlijk in de regeling had moeten staan. Kan dat zomaar in Nederland?, vragen wij ons af in het koor der leefbaren en verontruste burgers. Hopelijk niet. Het zal de advocaten enige moeite kosten om de rechters te overtuigen, maar dat moet op den duur toch gaan lukken. De rechters die moeten oordelen over een verzet tegen vaststelling van de griffierechten zullen in eerste instantie overheid.nl raadplegen en daar een Wet griffierechten burgerlijke zaken aantreffen, waarin keurig alle bedragen voor 2014 zijn aangepast. Met de originele tekst van de regeling in de hand moet het echter mogelijk zijn de rechters te laten zien dat de world according to overheid.nl toch niet de wereld is waarin wij leven. En intussen hopen we dan maar dat overheid.nl wat meer respect gaat tonen voor de wetgever en weer open zal gaan staan voor redelijke opmerkingen vanuit het publiek NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

27 Rechtspraak Aanbevolen citeerwijze: NJB 2014/ (nummer uitspraak) Eur. Hof v.d. Rechten v.d. Mens 1687 Hof van Justitie EU 1688 Hoge Raad (civiele kamer) 1690 Hoge Raad (strafkamer) 1694 Afd. Bestuursrechtspraak RvS 1698 Europees Hof voor de Rechten van de Mens Deze rubriek wordt verzorgd door onderzoekers van de Universiteit Leiden, de VU Amsterdam en de RU Nijmegen. Onderstaande bewerking is verzorgd door mw. N.R. Koffeman LL.M. (Universiteit Leiden). Alle uitspraken van het EHRM staan op int; een selectie verschijnt uiteindelijk in Reports of Judgments and Decisions. De uitspraken van kamers van het EHRM worden drie maanden na de uitspraakdatum definitief, tenzij er intern appel wordt ingesteld bij de Grote Kamer van het Hof maart 2014, appl.nr /08 Art. 3 jo. 14 EVRM. Onderzoeksplicht naar racistisch motief bij geweldsmisdrijf. Schending. (EVRM art. 3 jo. 14) Abdu vs. Bulgarije A. Feiten Klager in deze zaak is de Soedanese heer Abdu. Hij is geboren in 1968 en woont in Sofia. Op 13 mei 2007 raakte hij, terwijl hij met een Soedanese vriend door het centrum van Sofia liep, verwikkeld in een vechtpartij met twee Bulgaarse jongeren. Volgens Abdu werd hij zonder aanleiding door een van hen tegen de grond geduwd en geschopt, terwijl de andere een mes trok en zijn vriend bedreigde. De twee Bulgaren riepen daarbij Vuile negers, wat doen jullie hier? De aanvallers vluchtten, maar werden kort daarna door de politie gearresteerd. De twee, die in het politierapport werden omschreven als skinheads, bleken al vaker met de politie in aanraking te zijn geweest. Tijdens het politieonderzoek werden zowel de vier direct betrokkenen als een getuige gehoord. Volgens de twee Bulgaren was de vechtpartij uitgelokt door Abdu en zijn vriend, maar de getuige verklaarde te hebben gezien dat een van de Bulgaren een van de Soedanezen had doen struikelen waarna een vechtpartij tussen de vier ontstond. Een forensisch arts stelde vast dat Abdu diverse verwondingen had die konden zijn opgelopen tijdens een vechtpartij. De politie stuurde het bewijs door naar de openbaar aanklager zodat deze kon beslissen om al dan niet vervolging in te stellen voor een geweldpleging met racistisch motief, zoals strafbaar gesteld in art. 168 lid 2 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht. In juni 2007 liet de openbaar aanklager weten dat er onvoldoende bewijs was voor het instellen van een dergelijke vervolging. Abdu stelde beroep in tegen deze beslissing. Hij voerde aan dat de politie de twee Bulgaren had moeten ondervragen over hun motieven en over hun kleding. Volgens Abdu droeg een van hen bijvoorbeeld een t-shirt met een naziteken. Het beroep werd, evenals een verzoek van de advocaat van Abdu tot inzage in het dossier, afgewezen. B. Procedure Abdu heeft op 15 april 2008 een klacht ingediend bij het EHRM. Met een beroep op art. 3 EVRM (verbod op vernederende en onmenselijke behandeling) in combinatie met art. 14 EVRM (verbod van discriminatie) klaagt hij dat de autoriteiten geen effectief onderzoek hebben ingesteld naar de racistische aard van de geweldpleging. Hij stelt bovendien dat een dergelijk onderzoek niet is ingesteld omdat de politieagenten niet onpartijdig waren. C. Uitspraak van het Hof (Vierde kamer: Ziemele (President), Hirvelä, Nicolaou, Bianku, Kalaydjieva, Mahoney, Wojtyczek). Het Hof herhaalt dat discriminatie op grond van ras in sommige omstandigheden op zichzelf als onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van art. 3 EVRM kan worden aangemerkt. In ieder geval zijn discriminatoire opmerkingen of beledigingen met racistische ondertonen verzwarende omstandigheden bij het beoordelen van een klacht onder art. 3 EVRM. Staten hebben op grond van het EVRM de plicht te voorzien in een wettelijk kader dat individuen beschermt tegen onmenselijke en vernederende behandeling. Ook moeten zij zorgdragen voor een effectief onderzoek dat het mogelijk maakt daders te vervolgen. Bij het onderzoeken van geweldsdelicten met een mogelijk racistisch motief moeten de autoriteiten bovendien alle redelijke stappen nemen om vast te stellen of sentimenten van haat of vooroordelen jegens een bepaalde etniciteit inderdaad een rol hebben gespeeld. Het behandelen van dergelijke zaken op gelijke voet met zaken zonder met racistische connotaties is niet verenigbaar met art. 14 EVRM. De klacht van dhr. Abdu komt volgens het Hof binnen de reikwijdte van art. 3 EVRM. Hij heeft lichamelijk letsel opgelopen door de gewelddadige aanval. Daar komt bij dat hij vanaf het begin van het politieonderzoek gesteld heeft dat de twee aanvallers, die in het politierapport werden omschreven als skinheads, racistische opmerkingen maakten. Hoewel het vaak bijzonder moeilijk is een racistisch motief te bewijzen, hebben staten in ieder geval een inspanningsverplichting hier onderzoek naar te doen. Het Hof besluit de zaak te onderzoeken onder art. 3 zelfstandig, alsmede onder art. 3 EVRM in combinatie met art. 14 EVRM. Aangezien geweldpleging met een racistisch oogmerk in de Bulgaarse wetgeving strafbaar is gesteld, is voorzien in het vereiste wettelijk kader. De autoriteiten hebben echter niet alle redelijke stappen ondernomen om het geclaimde racistische motief van het delict te onderzoeken. Zij hebben zich met name gericht op de vraag wie de vechtpartij had uitgelokt. Bij het horen van de getuige hebben zij niet gevraagd of hij ook racistische uitlatingen had gehoord. Ook hebben zij nagelaten de twee Bulgaarse jongens te ondervragen over een mogelijk racistische motief voor hun daden. Dit terwijl Abdu vanaf het begin had aangevoerd dat het geweld een racistisch motief had en skinheads bovendien bekend staan om hun extremistische en racistische ideologie. Ondanks dat er aannemelijk bewijs voor een mogelijk racistisch motief lag, is de accuraatheid daarvan niet onderzocht. Het Hof verwerpt het argument van de Bulgaarse regering dat zij hadden kunnen voldoen aan hun procedurele verplichtingen als klager nog andere rechtsmiddelen had ingesteld, zoals het aansprakelijk stellen van de twee Bulgaarse jongeren. D. Slotsom Met vijf stemmen tegen twee stelt het Hof een schending vast van het procedurele aspect van art. 3 EVRM, zowel zelfstandig, als in combinatie met art. 14 EVRM. De klacht over vooringenomenheid van de politieagenten wordt wegens een gebrek onderbouwing kennelijk ongegrond verklaard. Het Hof kent aan een klager een billijke genoegdoening toe van Aan de uitspraak is een partly dissenting opinion van rechters Mahoney en Wojtyczek gehecht. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

28 Rechtspraak Hof van Justitie van de Europese Unie Deze rubriek is verzorgd door M. Bulterman, medewerker van de Directie Juridische Zaken, Afdeling Europees Recht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De volledige uitspraken van het EU-Hof zijn beschikbaar via Arrest van 8 april 2014, C-293/12 & C-594/12 (Grote kamer: L: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, T. von Danwitz (rapporteur), E. Juhász, A. Borg Barthet, C. G. Fernlund en J. L.da Cruz Vilaça, kamerpresidenten, A. Rosas, G. Arestis, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader en C. Vajda, rechters) Digital Rights Ireland Ltd vs. Minister for Communications e.a. en Kärntner Landesregierung vs. Michael Seitlinger e.a. Elektronische communicatie Richtlijn 2006/24/EG Openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of openbare communicatienetwerken Bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in het kader van aanbieding van dergelijke diensten Geldigheid Artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Feiten en nationale procedure Voor de Ierse rechter wordt door Digital Rights Ireland de wettigheid van de bepalingen ter omzetting van richtlijn 2006/24 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG (PB L 105, blz. 54, hierna: de dataretentierichtlijn) aangevochten. Op grond van de dataretentierichtlijn geldt voor telecomaanbieders een bewaarplicht van door hen gegenereerde of verwerkte gegevens. Het gaat daarbij niet om de inhoud van de communicatie, maar om bijvoorbeeld de bestemming van een communicatie, het tijdstip en de duur van de communicatie en het type communicatie. Deze gegevens moeten tenminste 6 maanden worden bewaard om ze in voorkomend geval ter beschikking te stellen van de bevoegde autoriteiten. De Ierse en Oostenrijkse rechter twijfelen of de dataretentierichtlijn verenigbaar is met de bepalingen van het Handvest en besluiten hierover vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Prejudiciële vragen Het Hof van Justitie wordt gevraagd zich uit te spreken over de geldigheid van de dataretentierichtlijn in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 van het EU-Grondrechtenhandvest. De uitspraak van het Hof Het Hof merkt op dat telecomaanbieders op grond van de datarententierichtlijn gegevens moeten bewaren die nodig zijn om de bron en de bestemming van een communicatie te traceren en te identificeren, om de datum, het tijdstip en de duur van de communicatie en het type communicatie te bepalen, om de communicatieapparatuur van de gebruikers te identificeren en om de locatie van mobiele communicatieapparatuur te bepalen. Deze gegevens omvatten met name de naam en het adres van de gebruiker, het telefoonnummer van de oproeper en het opgeroepen nummer, alsook een IP-adres voor internetdiensten. Uit deze gegevens kunnen zeer precieze conclusies worden getrokken over het privéleven van de personen van wie de gegevens zijn bewaard, zoals hun dagelijkse gewoonten, hun permanente of tijdelijke verblijfplaats, hun dagelijkse of andere verplaatsingen, de activiteiten die zij uitoefenen, hun sociale relaties en de sociale kringen waarin zij verkeren. Het Hof concludeert dat hoewel de dataretentierichtlijn niet het recht verleent om de inhoud van de communicatie te bewaren, het dus niet is uitgesloten dat de bewaring van de betrokken gegevens een invloed heeft op de wijze waarop gebruikers communicatiemiddelen gebruiken en derhalve op de wijze waarop zij hun door artikel 11 van het EU-Grondrechtenhandvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting uitoefenen. Ook de door de artikelen 7 (privéleven) en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest (verwerking van persoonsgegevens) gewaarborgde rechten zijn in het geding. Volgens het Hof vormt de dataretentierichtlijn een zeer ruime en bijzonder zware inmenging in deze rechten. Het Hof merkt op dat deze inmenging voldoet aan een doel van algemeen belang, namelijk de bestrijding van ernstige criminaliteit en aldus uiteindelijk tot de openbare veiligheid. Vervolgens gaat het Hof na of deze inmenging evenredig is. Wat betreft het rechterlijk toezicht merkt het Hof op dat wanneer sprake is van een inmenging in fundamentele rechten, de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever van de Unie beperkt kan zijn. Dit hangt af van een aantal factoren, waaronder met name het betrokken domein, de aard van het door het EU-Grondrechtenhandvest gewaarborgde recht dat aan de orde is, alsook de aard, de ernst en het doel van de inmenging (zie naar analogie met betrekking tot artikel 8 EVRM, arrest EHRM, S en Marper vs. Verenigd Koninkrijk, nrs /04 en 30566/04, 102, CEDH 2008-V). Gelet op de belangrijke rol die de bescherming van persoonsgegevens speelt in het licht van het fundamentele recht op bescherming van het privéleven, alsook op de omvang en de ernst van de door richtlijn 2006/24 veroorzaakte inmenging in dit recht is de beoordelingsbevoegdheid van de Uniewetgever volgens het Hof in casu beperkt, zodat een strikt toezicht moet worden uitgeoefend. De dataretentierichtlijn doorstaat deze strikte toets niet. Volgens het Hof kan een doelstelling van algemeen belang als criminaliteitbestrijding, hoe wezenlijk zij ook is, niet rechtvaardigen dat een bewaringsmaatregel zoals ingevoerd in de dataretentierichtlijn noodzakelijk wordt geacht voor het voeren van deze strijd. De richtlijn strekt zich uit tot alle elektronischecommunicatiemiddelen, die een steeds belangrijker plaats innemen in het dagelijkse leven van de mensen. Bovendien ziet deze richtlijn op alle abonnees en geregistreerde gebruikers. Zij leidt dus tot inmenging in de fundamentele rechten van bijna de gehele Europese bevolking. De richtlijn is om te beginnen algemeen van toepassing op alle personen die gebruikmaken van elektronischecommunicatiediensten, zonder dat de personen van wie de gegevens worden bewaard zich echter, zelfs niet indirect, in een situatie bevinden die aanleiding kan geven tot strafrechtelijke vervolging. Verder bevat de richtlijn geen objectieve criteria ter begrenzing van de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de gegevens en het latere gebruik ervan met het oog op het voorkomen, opsporen of strafrechtelijk vervolgen van inbreuken. Bovendien plaatst het Hof kanttekeningen bij de termijn van de bewaarplicht. Deze varieert van ten minste zes maanden tot ten hoogste vierentwintig maanden, zonder dat wordt gepreciseerd dat deze termijn op basis van objectieve criteria moet worden vastgesteld om te waarborgen dat hij beperkt is tot wat strikt noodzakelijk is. Het Hof concludeert dat de datarententierichtlijn geen duidelijke en precieze regels bevat betreffende de omvang van de inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest erkende fundamentele rechten. Vastgesteld moet dus worden dat deze richtlijn een zeer ruime en bijzonder zware inmenging in deze fundamentele rechten in de rechtsorde van de Unie impliceert, zonder dat deze inmenging nauwkeurig is omkaderd door bepalingen die kunnen waarborgen dat zij daadwerkelijk beperkt is tot het strikt noodzakelijke NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

29 Rechtspraak Conclusie De dataretentierichtlin is ongeldig Arrest van 15 mei 2014, C-521/12 (Tweede kamer: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis (rapporteur), J.C. Bonichot en A. Arabadjiev, rechters) T.C. Briels e.a. vs. Minister van Infrastructuur en Milieu Milieu Richtlijn 92/43/EEG Artikel 6, leden 3 en 4 Instandhouding van natuurlijke habitats Speciale beschermingszones Beoordeling van gevolgen van plan of project voor beschermd gebied Vergunning voor plan of project voor beschermd gebied Compenserende maatregelen Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Project voor tracé van Rijksweg A2, s-hertogenbosch- Eindhoven Feiten en nationale procedure Op 6 juni 2011 heeft de minister van I&M een besluit betreffende de verbreding van het tracéproject Rijksweg A2 vastgesteld. Dit project heeft negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek. Dit gebied is door de Nederlandse autoriteiten als een speciale beschermingszone aangewezen voor onder meer het habitattype blauwgraslanden. Om de impact van dit project op het milieu te verminderen wordt bij besluit van 25 januari 2012 een aantal maatregelen genomen. Zo voorziet het tracéproject Rijksweg A2 in de verbetering van de hydrologische situatie in de zone Vlijmens Ven, waardoor de blauwgraslanden binnen dit gebied kunnen worden uitgebreid. Volgens de minister kan op die manier de omvang en de kwaliteit van de blauwgraslanden worden verhoogd ten opzichte van het bestaande areaal. Aan de instandhoudingsdoelstellingen voor dit type habitat wordt dus voldaan doordat nieuwe blauwgraslanden worden aangelegd. Briels e.a. zijn het hier niet mee eens en stellen beroep in tegen de twee besluiten van de minister bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgen hen kon de minister het tracéproject Rijksweg A2 niet vaststellen, gelet op de negatieve gevolgen van de verbreding van de snelweg A2 voor het betrokken Natura 2000-gebied. Zij betogen dat de ontwikkeling van nieuwe blauwgraslanden niet in aanmerking had mogen worden genomen ter beantwoording van de vraag of de natuurlijke kenmerken van dit gebied worden aangetast. De minister is daarentegen van mening dat ingeval een project negatieve gevolgen kan hebben voor een bestaand areaal van een beschermd habitattype in een Natura 2000-gebied, bij de beoordeling of er sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van dat gebied betekenis toekomt aan de omstandigheid dat in hetzelfde gebied een areaal van gelijke of grotere omvang van dat habitattype tot ontwikkeling zal worden gebracht op een locatie waar dit habitattype geen negatieve gevolgen van het project zal ondervinden. Kern van het geschil tussen Briels en de minister betreft de vraag op welke wijze dient te worden beoordeeld of de natuurlijke kenmerken van het gebied in kwestie worden aangetast in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7; hierna: habitatrichtlijn). De Raad van State besluit deze vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen. Prejudiciële vragen De Raad van State legt de vraag voor of artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een plan of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied van communautair belang, dat negatieve gevolgen heeft voor een type natuurlijke habitat dat in dit gebied voorkomt, en dat voorziet in maatregelen voor de ontwikkeling van een areaal van gelijke of grotere omvang van dat habitattype in dit gebied, de natuurlijke kenmerken van dat gebied aantast, en of dergelijke maatregelen in voorkomend geval als compenserende maatregelen in de zin van lid 4 van dit artikel kunnen worden aangemerkt. De uitspraak van het Hof Het Hof verwijst naar zijn arrest Sweetman (C258/11, punt 39) waarin het heeft geoordeeld een ingreep geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van een gebied meebrengt, indien dat gebied wordt bewaard in een gunstige staat van instandhouding, hetgeen neerkomt op het duurzame behoud van de bepalende kenmerken van het betrokken gebied die verband houden met de aanwezigheid van een type natuurlijke habitat waarvan de instandhoudingsdoelstelling rechtvaardigde dat dit gebied in de lijst van gebieden van communauteir belang (GCB) in de zin van de habitatrichtlijn werd opgenomen. In het hoofdgeding staat vast dat het betrokken Natura 2000-gebied door de Commissie als GCB en door het Koninkrijk der Nederlanden als speciale beschermingszone is aangewezen, met name wegens de aanwezigheid in dit gebied van het natuurlijke habitattype blauwgraslanden. Bovendien blijkt dat het tracéproject Rijksweg A2 significante negatieve gevolgen heeft voor de blauwgraslanden, wegens de uitdroging en de verzuring van de bodem door stikstofdepositie. Dit betekent volgens het Hof dat het project het duurzame behoud van de wezenlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied in gevaar dreigt te brengen en bijgevolg de natuurlijke kenmerken van het gebied kan aantasten in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn. De door de minister voorgestelde beschermingsmaatregelen doen niet af aan die vaststelling. De beschermingsmaatregelen die in een project worden opgenomen om de schadelijke gevolgen van dit project voor een Natura 2000-gebied te compenseren, kunnen volgens het Hof bij de door artikel 6, lid 3, opgelegde beoordeling van de gevolgen van dit project niet in aanmerking worden genomen. Het Hof constateert dat de maatregelen van de minister er niet toe strekken om de significante negatieve gevolgen die voor het habitattype blauwgraslanden rechtstreeks uit het tracéproject Rijksweg A2 voortvloeien, te voorkomen of te verminderen, maar beogen deze gevolgen nadien te compenseren. In die omstandigheden kunnen die maatregelen niet garanderen dat het project de natuurlijke kenmerken van dit gebied niet zal aantasten in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn. Het Hof wijst er bovendien op dat de eventuele positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling brengen van een nieuwe habitat waarmee het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van ditzelfde type habitat in een beschermd gebied dient te worden gecompenseerd in de regel onzeker zijn, en dat deze gevolgen hoe dan ook slechts binnen enkele jaren zichtbaar zullen worden. Bijgevolg kan daarmee in het kader van de bij artikel 6, lid 3, vastgestelde procedure geen rekening worden gehouden. Het ondermijnt volgens het Hof bovendien de nuttige werking van de in artikel 6 van de habitatrichtlijn indien de bevoegde nationale instantie via zogenoemde mitigerende maatregelen die in werkelijkheid compenserende maatregelen zijn, de in dit artikel vastgelegde specifieke procedures ontwijkt door krachtens lid 3 van dat artikel projecten toe te staan die de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied aantasten. Dit betekent dat de maatregelen van minister als compenserende maatregelen in de zin van artikel 6, lid 4 van de habitatrichtlijn kunnen worden aangemerkt, mits de bij deze bepaling gestelde voorwaarden zijn vervuld. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

30 Rechtspraak Conclusie Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat een plan of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied van communautair belang, dat negatieve gevolgen heeft voor een in dit gebied voorkomend type natuurlijke habitat en dat voorziet in maatregelen voor het tot ontwikkeling brengen in dit gebied van een areaal van gelijke of grotere omvang van dit habitattype, de natuurlijke kenmerken van dat gebied aantast. Deze maatregelen kunnen in voorkomend geval slechts als compenserende maatregelen in de zin van lid 4 van dit artikel worden aangemerkt, voor zover de bij deze bepaling gestelde voorwaarden vervuld zijn. Hoge Raad (civiele kamer) Deze rubriek wordt verzorgd door mr. G.C.C. Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van het Caribische deel van het Koninkrijk. De uitspraken zijn integraal in te zien op juni 2014, nr. 13/02097 (Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. L.A.D. Keus) ECLI:NL:HR:2014:1402 Curaçao. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Pensioenverrekening. HR: Naar het (toenmalige) recht van de Nederlandse Antillen geldt voor pensioenverrekening de Boon vs. Van Loon-maatstaf. Deze maatstaf laat de rechter een grote mate van vrijheid. Het hof heeft zijn oordeel dat pensioenverrekening achterwege moet blijven, gebaseerd op feiten en omstandigheden die dat oordeel kunnen dragen. (BW art. 1:100, 3:166 lid 3, 6 lid 2) De vrouw, adv. mr. M.E. Bruning, vs. de man, niet verschenen. Feiten en procesverloop Partijen zijn in 1993 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en in 2011 gescheiden. In dit Curaçaose geding heeft de vrouw vaststelling van partneralimentatie en verdeling van de pensioenrechten van de man verzocht. Het gerecht heeft de verzoeken afgewezen. Het hof heeft de partneralimentatie alsnog vastgesteld op NAF 250 per maand en de beslissing over de pensioenrechten bevestigd. Hoge Raad Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat pensioenrechten - waaronder niet zijn begrepen aanspraken krachtens de AOV - in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. Het (toenmalige) recht van de Nederlandse Antillen kent niet een met de in Nederland geldende Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vergelijkbare wettelijke regeling. Derhalve geldt voor verrekening van pensioenrechten zoals hier aan de orde de maatstaf van HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/503 (Boon vs. Van Loon). Deze maatstaf laat de rechter een grote mate van vrijheid bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre verrekening van pensioenrechten in een bepaald geval dient plaats te vinden. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen, gelet op de omstandigheden van het geval, meebrengen dat verrekening van pensioenrechten achterwege blijft. Het hof heeft zijn oordeel dat pensioenverrekening achterwege moet blijven, gebaseerd op de omstandigheden 1. dat het hier gaat om een bescheiden pensioen, 2. dat tussen partijen een groot leeftijdsverschil bestaat, 3. dat van de man, die 62 jaar is, niet kan worden verwacht dat hij betaalde arbeid verricht, 4. dat de vrouw, die 48 jaar is, geacht wordt haar verdiencapaciteit te benutten, en 5. dat het hier geen eerste huwelijk betreft. Het hof heeft zijn oordeel aldus gegrond op een afweging van feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang beschouwd. Deze feiten en omstandigheden kunnen het oordeel van het hof dragen. Volgt verwerping. De A-G concludeert tot vernietiging en terugwijzing. Hij meent dat het hof zijn oordeel dat pensioenverrekening achterwege moet blijven, heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden die dat oordeel niet zonder meer kunnen dragen (2.13) juni 2014, nr. 13/03768 (Mrs. E.J. Numann, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent) ECLI:NL:HR:2014:1384 Procesrecht. 1. Afwijking van rolbeslissing. Het hof heeft hetzij ten onrechte geconstateerd dat geïntimeerden een akte hebben genomen, hetzij nagelaten te vermelden dat en op welke grond het is afgeweken van de rolbeslissing waarbij de akte is geweigerd. 2. Motivering. Het hof heeft niet kenbaar geoordeeld over een tegen de afwijzing van de reconventionele vordering gerichte grief. In zijn overwegingen ligt niet besloten dat die vordering diende te worden afgewezen. (Rv art. 19, 20, 82; RO art. 79 lid 1) A c.s., adv. mr. M.J. van Basten Batenburg, vs. Dudok v.s., adv. mr. B. Winters. Feiten en procesverloop In 1913 is een erfdienstbaarheid gevestigd waarin beperkingen worden gesteld aan de mogelijkheden tot bebouwing van een terrein. In 2007 hebben Dudok c.s. dat terrein verworven. A c.s. zijn eigenaren van een in de nabijheid gelegen perceel. In dit geding hebben Dudok c.s. primair een verklaring voor recht gevorderd dat A c.s. aan de erfdienstbaarheid geen rechten kunnen ontlenen en subsidiair opheffing van de erfdienstbaarheid. In reconventie hebben A c.s. schadevergoeding in verband met de opheffing van de erfdienstbaarheid gevorderd, op te maken bij staat. De rechtbank heeft de vorderingen van Dudok c.s. grotendeels toegewezen en de reconventionele vordering afgewezen. Het hof heeft bij tussenarrest de zaak naar de rol verwezen voor akte zijdens Dudok c.s. Bij eindarrest heeft het hof vermeld dat Dudok c.s. een akte hebben genomen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Hoge Raad Onderdeel 1 klaagt erover dat het hof de akte van Dudok c.s. in de beoordeling heeft betrokken. Het voert daartoe aan dat de rolraadsheer de akte heeft geweigerd. Het onderdeel slaagt. A c.s. hebben rolberichten van het hof overgelegd die geen andere conclusie toelaten dan dat de akte is geweigerd, dat de zaak naar de rol van 27 november 2013 is verwezen om Dudok c.s. in de gelegenheid te stellen een gewijzigde akte te nemen en dat op die rol is geconstateerd dat Dudok c.s. de akte niet hebben genomen. Deze gang van zaken wordt bevestigd door de inlichtingen die de A-G ambtshalve bij het hof heeft ingewonnen. De overgelegde stukken en ingewonnen inlichtingen bieden geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de rolraadsheer de akte slechts gedeeltelijk zou hebben geweigerd. Aldus heeft het hof hetzij ten onrechte geconstateerd dat Dudok c.s. een akte hebben genomen en vervolgens die akte in zijn beoordeling betrokken, hetzij nagelaten te vermelden dat en op welke grond het is afgeweken van de rolbeslissing waarbij de akte is geweigerd. Onderdeel 2 verwijt het hof dat het niet, althans niet gemotiveerd, heeft beslist op grief VIII die opkwam tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering van A c.s. in 1690 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

31 Rechtspraak reconventie. Dit onderdeel slaagt eveneens. A c.s. hebben in de toelichting op grief VIII betoogd dat hun woning door realisatie van de bouwplannen in waarde zal dalen en hebben hiervan bewijs aangeboden. Het hof heeft niet kenbaar over deze grief geoordeeld en evenmin kan worden gezegd dat in de overwegingen van zijn arrest besloten ligt dat de vordering in reconventie, ook na de onderbouwing daarvan in hoger beroep, diende te worden verworpen. Na verwijzing dient zo nodig alsnog over deze vordering te worden geoordeeld. Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G meent dat in de overwegingen van het hof besloten ligt dat de reconventionele vordering diende te worden afgewezen (ECLI:NL:PHR:2014:296, onder 2.13). 13 juni 2014, nr. 13/03767 (Mrs. E.J. Numann, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent) ECLI:NL:HR:2014:1383 Procesrecht. Samenhang met HR 13 juni 2014, nr. 13/03768, ECLI:NL:HR:2014:1384, hiervóór afgedrukt, met de eigenaren van een ander perceel als partij. HR: 1. Geen afwijking van rolbeslissing. In deze zaak heeft de rolraadsheer de akte van geïntimeerden niet geweigerd. 2. Motivering. Gelijke beslissing als in de andere zaak. (Rv art. 19, 20, 82; RO art. 79 lid 1) juni 2014, nr. 13/04169 (Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent) ECLI:NL:HR:2014:1403 Enquêterecht. Onderzoeker. Inrichting van het onderzoek. Een belanghebbende verzoekt de ondernemingskamer de onderzoeker te bevelen a. een kopie te verstrekken van de opnames die de onderzoeker heeft gemaakt van interviews en b. gespreksverslagen aan te passen. HR: 1. Belanghebbende. De onderzoeker is niet te beschouwen als partij of belanghebbende. 2. Vastgelegde verklaringen. Van de onderzoeker die verklaringen van gehoorde personen vastlegt, mag worden verwacht dat hij de vastlegging doet toekomen aan de gehoorde persoon en deze gelegenheid biedt daarover opmerkingen te maken. De onderzoeker dient in zijn verslag te vermelden dat de gehoorde persoon opmerkingen heeft gemaakt. Indien de onderzoeker verklaringen vastlegt met audiovisuele middelen, mag in beginsel worden verwacht dat hij de gehoorde persoon desgevraagd gelegenheid geeft de opname te zien of te beluisteren, opdat deze opmerkingen kan maken. De gehoorde persoon heeft geen aanspraak op een kopie van de beeld- of geluidsopname, noch op aanpassing van het gespreksverslag. (BW art. 2:345 lid 1, 2:350 lid 4, 2:351, 2:352 en 2:352a; Rv art. 426b lid 1) Energie Concurrent, adv. mr. J.W.H. van Wijk, vs. Eneco, adv. mrs. F.E. Vermeulen en B.F. Assink, en Greenchoice en X, niet verschenen. Procesverloop In dit geding heeft de ondernemingskamer op verzoek van Eneco een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Greenchoice. De onderzoeker mr. P. Cronheim heeft A c.s. gehoord, die indirect bestuurders van Greenchoice zijn geweest. Energie Concurrent is bestuurder van Greenchoice en heeft de ondernemingskamer verzocht de onderzoeker te bevelen a. een kopie te verstrekken van de opnames die zijn gemaakt van de interviews met A c.s., en b. de verslagen van de gesprekken met A c.s. zodanig aan te passen dat alle opmerkingen die zij hebben gemaakt en na het beluisteren van de opnames nog zullen maken, en alle wijzigingen die zij hebben voorgesteld en na het beluisteren van de opnames nog zullen voorstellen, daarin zijn verwerkt. De ondernemingskamer heeft de verzoeken afgewezen. Hiertegen heeft Energie Concurrent cassatieberoep ingesteld. De A-G heeft in haar eerste conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:72) geconcludeerd tot rolverwijzing om de onderzoeker in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen. De rolraadsheer heeft als beslissing van de Hoge Raad meegedeeld dat de onderzoeker niet wordt opgeroepen. Hoge Raad Voor de beslissing van de Hoge Raad dat de onderzoeker niet wordt opgeroepen is redengevend dat de onderzoeker zijn onderzoek verricht in opdracht en naar de aanwijzingen van de ondernemingskamer. Als een belanghebbende de ondernemingskamer vraagt aan de onderzoeker bepaalde aanwijzingen te geven, zal de ondernemingskamer alvorens te beslissen de onderzoeker in de gelegenheid kunnen stellen daarop te reageren. Als de onderzoeker hiervan gebruik maakt, brengt dat evenwel niet mee dat hij nadien, als een verzoeker of belanghebbende in cassatie komt van de beslissing van de ondernemingskamer, is te beschouwen als een partij of belanghebbende die in de vorige instantie is verschenen in de zin van art. 426b lid 1 Rv. Het voorgaande is niet anders onder het sinds 1 januari 2013 geldende enquêterecht, waarin is bepaald dat de ondernemingskamer bij de benoeming van de onderzoeker tevens een raadsheer-commissaris benoemt die aan de onderzoeker aanwijzingen kan geven met het oog op de goede gang van het onderzoek (art. 2:350 lid 4 BW). Bij de beoordeling van de cassatieklachten wordt het volgende vooropgesteld. De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot taak een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De onderzoeksbevoegdheden van de onderzoeker zijn in de wet summier geregeld (de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker is, behoudens eventuele aanwijzingen van de ondernemingskamer - en inmiddels ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4 BW) -, in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke voorschriften met betrekking tot de verslaglegging van verklaringen van personen die door de onderzoeker worden gehoord. De Ondernemingskamer heeft Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers opgesteld (www.rechtspraak.nl; volgt een citaat daaruit). Verklaringen van door de onderzoeker gehoorde personen zijn in het algemeen van invloed op diens bevindingen in het verslag. Daarmee kunnen zij ook van invloed zijn op de oordeelsvorming van de ondernemingskamer indien een tweedefaseprocedure volgt. Tegen de achtergrond van het voorgaande mag van de onderzoeker die verklaringen van door hem gehoorde personen (schriftelijk of elektronisch) vastlegt, worden verwacht dat hij de vastlegging doet toekomen aan de gehoorde persoon en aan deze persoon gelegenheid biedt binnen een door de onderzoeker te stellen redelijke termijn daarover opmerkingen te maken. Indien de gehoorde persoon zodanige opmerkingen maakt, is het aan de onderzoeker om te bepalen of en in hoeverre hij deze in de vastlegging verwerkt. De onderzoeker dient in zijn verslag in elk geval melding te maken van het feit dat de gehoorde persoon opmerkingen over de vastlegging heeft gemaakt. Indien de onderzoeker aanleiding ziet verklaringen van door hem gehoorde personen vast te leggen met audiovisuele middelen, mag voorts in beginsel van de onderzoeker worden verwacht dat hij de gehoorde persoon desgevraagd gelegenheid geeft de opname te zien of te beluisteren, opdat de gehoorde persoon opmerkin- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

32 Rechtspraak gen kan maken naar aanleiding van de vastgelegde verklaring. Behoudens andersluidende aanwijzingen van de ondernemingskamer of de raadsheer-commissaris, is het aan de onderzoeker om te bepalen op welke wijze hij hiertoe gelegenheid biedt. Op de onderzoeker rust in beginsel niet de verplichting om een kopie van de opname aan de gehoorde persoon ter beschikking te stellen. Gezien het voorgaande gaan de klachten uit van eisen die niet voortvloeien uit de wettelijke taak en bevoegdheden van de onderzoeker of de van de onderzoeker te verlangen zorgvuldigheid in de inrichting en verslaglegging van het onderzoek. Bovendien is het niet aan Energie Concurrent, maar aan A c.s. als gehoorde personen, om desgewenst bij de onderzoeker opmerkingen te maken naar aanleiding van de vastlegging van de eigen verklaring, al dan niet na het beluisteren van de opname daarvan. Ook A c.s. hebben echter, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, geen aanspraak op een kopie van de geluidsopname van de eigen verklaring, noch op aanpassing van het verslag daarvan overeenkomstig ieders opmerkingen. De slotsom is dat de klachten falen. Volgt verwerping, overeenkomstig de tweede conclusie van de A-G (ECLI:NL:PHR:2014:287). De A-G bespreekt de taak van de onderzoeker ( ), de inrichting van het onderzoek ( ), de functie van gespreksverslagen ( ) en de positie van de onderzoeker in vergelijking met die van de deskundige in een civiele procedure ( ) juni 2014, nr. 13/04341 (Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. M.H. Wissink) ECLI:NL:HR:2014:1385 Prejudiciële vraag. Koop op afbetaling. Dient een telefoonabonnement waarbij de consument een gratis mobiele telefoon ontvangt, te worden aangemerkt als koop op afbetaling? En tevens als krediettransactie/kredietovereenkomst? HR: In beginsel wel, tenzij de aanbieder stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat de verschuldigde abonnementskosten niet (mede) strekken tot afbetaling van de telefoon. (BW art. 3:41, 7:57 lid 1, 7:58 lid 2, 7:73 lid 2, 7A:1576; Wck (oud) art. 1, 4 lid 1; Wft art. 1:20, 4:32-34; Rv art. 392, 393) A, adv. mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, vs. B, adv. mr. K. Aantjes, met als indieners van schriftelijke opmerkingen: CAIW c.s., mr. E.M. Tjon-En-Fa. Feiten en procesverloop In 2010 heeft B in een belwinkel twee overeenkomsten (telefoonabonnementen) gesloten met KPN. In beide gevallen heeft zij bij het afsluiten van het abonnement een mobiele telefoon ontvangen met een verkoopwaarde van ongeveer 475. B heeft de facturen ter zake van beide abonnementen gedeeltelijk onbetaald gelaten. In 2011 heeft B de vernietiging van de overeenkomsten ingeroepen op de grond dat deze niet voldoen aan de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck). KPN heeft haar vordering op B overgedragen aan A. In dit geding heeft A betaling gevorderd van het onbetaald gebleven gedeelte van de facturen. De kantonrechter heeft een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Hoge Raad De vraag heeft in het bijzonder betrekking op overeenkomsten a. die gesloten zijn tussen enerzijds een in het kader van zijn beroep of bedrijf handelende (rechts)persoon (hierna: de aanbieder) en anderzijds een natuurlijk persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn beroeps- of bedrijfsactiviteiten vallen (hierna: de consument), b. en waarbij een abonnement wordt afgesloten voor mobiele telefonie met eventuele daarmee verbonden diensten, met een bepaalde (minimum)looptijd van meer dan drie maanden, c. en waarbij gekoppeld aan het abonnement een mobiele telefoon gratis (dat wil zeggen zonder dat daarvoor een bepaald bedrag als vergoeding tot uitdrukking is gebracht) ter beschikking van de consument wordt gesteld, welke telefoon eigendom van de consument wordt of (onder de opschortende voorwaarde van betaling van de overeengekomen termijnen) kan worden. Een dergelijke overeenkomst wordt hierna aangeduid als een telefoonabonnement inclusief toestel. De prejudiciële vraag stelt aan de orde of een telefoonabonnement inclusief toestel moet worden aangemerkt: 1. als koop op afbetaling (in de zin van art. 7A:1576 e.v. BW); 2. als krediettransactie (in de zin van de Wck (oud)); 3. als kredietovereenkomst (in de zin van Titel 2A van Boek 7 BW). Voor een bevestigende beantwoording is telkens vereist dat de overeengekomen maandelijkse betalingen van de consument mede aangemerkt kunnen worden als (deel)betalingen ter zake van een koopsom voor de mobiele telefoon. De prejudiciële vraagstelling is kennelijk ingegeven door de omstandigheid dat, volgens de letterlijke tekst van de desbetreffende overeenkomst, de telefoon om niet ter beschikking wordt gesteld en de maandelijkse betalingen slechts betrekking hebben op het gebruik door de consument van de telecommunicatiediensten van de aanbieder. De vraag of een telefoonabonnement inclusief toestel aangemerkt kan worden als koop op afbetaling, krediettransactie of kredietovereenkomst ter zake van de mobiele telefoon, moet evenwel mede beoordeeld worden aan de hand van de strekking van de overeenkomst (of het samenstel van overeenkomsten). Nu het bij de hier bedoelde wettelijke regelingen gaat om bepalingen die ten doel hebben consumenten te beschermen, met name tegen overkreditering, komt bij het vaststellen van de strekking van de desbetreffende overeenkomsten bijzonder gewicht toe aan het perspectief en de belangen van de consument. De gebezigde vormgeving, benaming en formulering van de overeenkomsten - die door de aanbieder worden bepaald en niet door de consument - kunnen niet beslissend zijn, omdat anders de beoogde bescherming van de consument zou kunnen worden ontgaan. Voor een consument vertegenwoordigt een nieuwe mobiele telefoon in het algemeen, zowel in absolute zin als in verhouding tot de voor het gebruik van telecommunicatiediensten maandelijks te betalen kosten, een aanzienlijke waarde. Daarom moet worden aangenomen dat een consument doorgaans tot het afsluiten van een nieuw telefoonabonnement inclusief toestel overgaat mede met het oog op het in eigendom verkrijgen van een dergelijke mobiele telefoon. In het algemeen zal hij, gelet op de waarde van de telefoon, niet (mogen) verwachten dat hij deze daadwerkelijk geheel kosteloos verkrijgt, maar ermee rekening (moeten) houden dat in de overeengekomen maandelijkse betalingen een vergoeding voor de mobiele telefoon is verwerkt. Omgekeerd geldt ook voor de aanbieder dat de door hem gemaakte inkoopkosten voor de mobiele telefoon in het algemeen geheel of voor een (aanzienlijk) gedeelte terugverdiend zullen (moeten) worden uit de door de consument te betalen maandelijkse abonnementskosten. Gelet op het voorgaande is het het meest in overeenstemming met de financiële en bedrijfseconomische werkelijkheid, de verwachtingen die partijen mogen hebben en de consumentenbeschermende strekking van de hiervoor bedoelde wettelijke regelingen, om tot uitgangspunt te nemen dat de overeengekomen, door de consument te betalen maandbedragen niet alleen betrekking hebben op de vergoeding voor de door deze af te nemen tele NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

33 Rechtspraak communicatiediensten, maar mede strekken tot afbetaling van een koopprijs voor de mobiele telefoon. Dat brengt mee dat een telefoonabonnement inclusief toestel, zoals hiervoor omschreven, ter zake van de mobiele telefoon in beginsel is aan te merken als een koop op afbetaling, en tevens als een krediettransactie dan wel kredietovereenkomst. Het ligt op de weg van de aanbieder om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken, waaruit volgt dat de maandelijkse betalingen van de consument ter zake van een bepaald telefoonabonnement inclusief toestel niet (mede) strekken tot vergoeding van de door de consument in eigendom te verkrijgen mobiele telefoon. Daartoe zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat door de consument daadwerkelijk niet betaald behoeft te worden voor het verkrijgen van de mobiele telefoon. Ter zake van een telefoonabonnement inclusief toestel, gesloten op of na 25 mei 2011, zal de aanbieder bovendien kunnen stellen en aannemelijk maken dat het gaat om een kredietovereenkomst (goederenkrediet) met een zogenoemd zacht krediet als omschreven in art. 7:58 lid 2, onder e, eerste gedeelte, BW (een krediet zonder rente en andere kosten). Dat geldt niet voor een telefoonabonnement inclusief toestel, gesloten vóór 25 mei 2011, nu dat zou ingaan tegen de duidelijke tekst van art. 4 lid 1, aanhef en onder a, Wck (oud) en de nationale rechter niet gehouden is tot richtlijnconforme uitleg contra legem. In voorkomend geval zal de consument een overeenkomst die aangemerkt kan worden als een telefoonabonnement inclusief toestel, kunnen vernietigen wegens strijd met de in verband met koop op afbetaling, krediettransactie dan wel kredietovereenkomst geldende wettelijke bepalingen. Opmerking verdient dat de overeenkomst in zodanig geval, indien aan de voorwaarden van art. 3:41 BW is voldaan (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2123 (BP vs. Benschop)), in stand kan blijven voor zover deze betrekking heeft op de telecommunicatiediensten. Dat laatste geldt ook voor zover een telefoonabonnement inclusief toestel ingevolge art. 7A:1576 lid 2 BW niet van kracht is geworden omdat de door de consument te betalen koopprijs voor de mobiele telefoon niet in de overeenkomst is bepaald; deze wetsbepaling ziet immers niet op het gedeelte van de overeenkomst dat betrekking heeft op het verlenen van telecommunicatiediensten. A heeft aangevoerd dat toepasselijkheid van de wettelijke regelingen inzake krediettransactie dan wel kredietovereenkomst, ingrijpende en kostbare gevolgen heeft voor aanbieders van telefoonabonnementen. Dit betoog kan niet tot een ander oordeel leiden. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om op grond van die gestelde gevolgen generieke uitzonderingen op deze wettelijke regelingen te aanvaarden. Voor zover de minister niet bij algemene maatregel van bestuur afwijkt van bepaalde regels van de Wft of nadere regels stelt (zie bijv. art. 4:32-34 Wft), is het aan de (Europese dan wel Nederlandse) wetgever om te beoordelen of moet worden voorzien in generieke uitzonderingen. Volgt dienovereenkomstige beantwoording van de prejudiciële vraag. De A-G beantwoordt de vraag dienovereenkomstig (4.61). Hij geeft de juridische kaders onder juni 2014, nr. 13/05774 (Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. L. Timmerman) ECLI:NL:HR:2014:1404 Faillissement. Vereenvoudigde afwikkeling. Voorrang. Een faillissement wordt afgewikkeld zonder verificatievergadering. Een schuldeiser komt in verzet tegen de uitdelingslijst met het betoog dat er geen rekening is gehouden met de voorrang van zijn vordering. De rechtbank verklaart hem niet-ontvankelijk. HR: In het systeem van vereenvoudigde afwikkeling past dat het aan de curator is om na te gaan welke vorderingen bevoorrecht zijn of zijn gedekt door pand, hypotheek of retentierecht, en daarover in geval van geschil in overleg te treden met de desbetreffende schuldeiser. De rechtbank heeft ten onrechte de schuldeiser de mogelijkheid onthouden om bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst aanspraak te maken op voorrang. (Fw art , 137a-137g, 184) Verzoeker, adv. mr. M.A.M. Essed, vs. mr. H.M. Eijking q.q., curator in het faillissement van A, niet verschenen. Procesverloop Verzoeker heeft op 9 september 2012 bij de curator in het faillissement van A een vordering ingediend van , met de vermelding dat de vordering verband houdt met door hem betaalde belastingschulden van A. Bij beschikking van 19 augustus 2013 heeft de rechter-commissaris bepaald dat de behandeling van concurrente vorderingen achterwege blijft en dat geen verificatievergadering wordt gehouden. Op 9 september 2013 is de (slot)uitdelingslijst in het faillissement van genoemde vennootschap ter griffie neergelegd. Verzoeker is op 19 september 2013 in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst en heeft aangevoerd dat in de uitdelingslijst ten onrechte geen bedrag is opgenomen voor de betaling van zijn vordering en dat hij is gesubrogeerd in het voorrecht van de fiscus. De rechtbank heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en daartoe overwogen dat verzoeker zich in dit stadium niet meer kan beroepen op een recht van voorrang. Hoge Raad Ingevolge art. 137e Fw kan een schuldeiser in verzet komen tegen de uitdelingslijst die is opgemaakt in het kader van een vereenvoudigde afwikkeling van het faillissement (art. 137a-137g Fw). Behoudens omstandigheden waarvan in het onderhavige geval geen sprake is, is bij de vereenvoudigde afwikkeling uitgangspunt dat geen verificatievergadering plaatsvindt. Een schuldeiser heeft dan ook geen mogelijkheid zich ter gelegenheid van zodanige vergadering op een recht van voorrang te beroepen. Evenmin kan een bevoorrechte vordering in een van zodanige vergadering op te maken proces-verbaal met kracht van gewijsde worden erkend of, in geval van betwisting van de voorrang, daarover eerder dan bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst een beslissing van de rechter worden verkregen (vgl. art Fw). In dit systeem van vereenvoudigde afwikkeling past dat het aan de curator is om na te gaan welke vorderingen bevoorrecht zijn of zijn gedekt door pand, hypotheek of retentierecht, en daarover in geval van geschil in overleg te treden met de desbetreffende schuldeiser (art. 137b Fw). Hieruit volgt dat bij de vereenvoudigde afwikkeling van een faillissement waarin geen verificatievergadering is gehouden, geen sprake is van een situatie die op één lijn kan worden gesteld met die van HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2728, NJ 1999/467 (Alsag vs. Kamphuisen q.q.). Voorts vindt de opvatting van de rechtbank dat de schuldeiser die meent een recht van voorrang te hebben, zich daarop bij de indiening van zijn vordering bij de curator moet beroepen, mede gelet op het bepaalde in art. 137b Fw, geen steun in de wet. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte verzoeker de mogelijkheid onthouden om bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst aanspraak te maken op voorrang, op de grond dat hij van zijn aanspraak op voorrang geen melding heeft gemaakt bij de indiening van zijn vordering. Volgt vernietiging en terugwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

34 Rechtspraak De A-G noemt literatuur (2.5) en wetsgeschiedenis (2.6) juni 2014, nr. 13/05858 (Mrs. F.B. Bakels, A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders; A-G mr. M.H. Wissink) ECLI:NL:HR:2014:1405 Prejudiciële vraag. Buitengerechtelijke kosten. Veertiendagenbrief. HR: Indien de schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten van incassohandelingen is overgegaan en de veertiendagenbrief heeft gestuurd, wordt de consument-schuldenaar bij uitblijven van de betaling binnen veertien dagen de genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke incassohandelingen verschuldigd zonder dat de schuldeiser gehouden is nadere incassohandelingen te verrichten. (BW art. 6:96 lid 5-7) Fa-Med, adv. mr. A.C. van Schaick, vs. A, niet verschenen, met als indiener van schriftelijke opmerkingen: Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, mr. M.A.J.G. Janssen. Feiten en procesverloop Aan Fa-Med zijn twee vorderingen gecedeerd van een zorgverlener die een kind van A heeft behandeld. A is ter zake van beide vorderingen in verzuim geraakt. A is vervolgens schriftelijk tot betaling gemaand, met aanzegging van kosten van 173 respectievelijk van 40 voor het geval zij de gevorderde bedragen niet binnen veertien dagen heeft betaald. De facturen zijn onbetaald gebleven. In de onderhavige procedure heeft Fa-Med betaling van de facturen gevorderd, te vermeerderen met de aangezegde buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft de volgende prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad: Dient art. 6:96 lid 6 BW aldus te worden uitgelegd dat na het verzenden van de daarin genoemde veertiendagenbrief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, dus zonder dat de crediteur na het verzenden van die (veertiendagen)brief nog een nadere incassohandeling verricht? Hoge Raad De vraag houdt verband met de toepassing van de leden 5-7 van art. 6:96 BW, die met ingang van 1 juli 2012 van kracht zijn geworden, tezamen met het in lid 5 bedoelde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, Stb. 2012, 141 (het Besluit). Met deze nieuwe regelgeving heeft de wetgever beoogd houvast te bieden omtrent de hoogte van de in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW genoemde redelijke kosten. De in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde aanmaning wordt hierna aangeduid als de veertiendagenbrief. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze nieuwe regels blijkt dat de wetgever met name de tweede redelijkheidstoets (de hoogte van de kosten) heeft willen normeren. Niet is beoogd ook de eerste redelijkheidstoets (de vraag of het redelijk is dat kosten zijn gemaakt) in te vullen (volgt een citaat uit Kamerstukken II 2010/11, 32418, 5, p. 5). Hieruit blijkt dat ook in de nieuwe wettelijke regeling pas recht bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, indien daadwerkelijk incassohandelingen zijn verricht (zodat vermogensschade bestaat in de zin van art. 6:96 lid 1 BW). Niet beoogd is recht te geven op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, wanneer in redelijkheid onvoldoende aanleiding bestond incassohandelingen te verrichten. Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht. De maximale hoogte van de vergoeding is immers uitsluitend gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom en niet aan de aard en omvang van de verrichte incassowerkzaamheden. De wetgever heeft uitdrukkelijk ervoor gekozen de schuldeiser vrij te laten in de manier waarop het incassotraject wordt ingekleed. Dit stelsel brengt mee dat, indien de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser incassohandelingen heeft verricht waartoe hij in redelijkheid kon overgaan, de volgens het Besluit genormeerde vergoeding door de schuldenaar verschuldigd is ongeacht de aard en omvang van de verrichte incassohandelingen. Alleen ten aanzien van een consument-schuldenaar is voorgeschreven dat de schuldeiser hem eerst nog een veertiendagenbrief moet sturen (art. 6:96 lid 6 BW). Daarmee is beoogd dat de consument niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten: hij krijgt na de waarschuwing in de veertiendagenbrief nog veertien dagen de gelegenheid het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden (volgt een citaat uit Kamerstukken II 2010/11, 32418, 5, p. 6). Dit brengt mee dat (ervan uitgaande dat de schuldeiser in redelijkheid tot het nemen van incassomaatregelen kon overgaan, hetgeen in de regel het geval is indien de schuldenaar in verzuim verkeert) de consumentschuldenaar de in het Besluit genormeerde incassokosten verschuldigd wordt indien hij, nadat de schuldeiser hem de veertiendagenbrief heeft gestuurd, zijn schuld niet binnen veertien dagen voldoet. Daartoe zijn geen nadere incassohandelingen van de zijde van de schuldeiser vereist. Volgt dienovereenkomstige beantwoording van de prejudiciële vraag. De A-G beantwoordt de vraag dienovereenkomstig (3.50). Hij deelt de conclusie als volgt in: het basisstelsel van art. 6:96 BW ( ), het stelsel van de forfaitaire kosten in art. 6:96 leden 5-7 BW ( ), de totstandkomingsgeschiedenis van het nieuwe stelsel ( ) en de standpunten in onder meer literatuur en feitenrechtspraak en de gebruiken in het buitenland ( ). Onder bepaalt hij zijn eigen standpunt. Hoge Raad (strafkamer) Deze rubriek wordt verzorgd door prof. mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen, hoogleraar straf(proces)recht Radboud Universiteit Nijmegen juni 2014, nr. 13/01309 (Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan) (Na conclusie van A-G mr. W.H. Vellinga, strekkende tot vernietiging en tot terugwijzing; adv. mr. M.G. Cantarella, s-gravenhage) ECLI:NL:HR:2014:1307 Medeplegen woninginbraak: in casu kan uit de bewijsvoering niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte een zodanig significante bijdrage heeft geleverd aan de woninginbraak dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededaders kan worden gesproken, nu slechts is vastgesteld dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt. (Sr art. 47) Inleiding: Verdachte is veroordeeld wegens kort gezegd diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. In appel bepleit de raadsman van de verdachte vrijspraak. Daartoe voert hij aan dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden 1694 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

35 Rechtspraak vastgesteld dat tussen de verdachte en de medeverdachten die in de woning zijn geweest, een nauwe en bewuste samenwerking is geweest, gericht op die woninginbraak en dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een strafbare rol in het geheel heeft gespeeld. Het hof overweegt hierover onder meer: [Het hof stelt] vast dat een van de verdachten van de woninginbraak na die inbraak rechts achter in de auto is gesprongen en dat - zo blijkt uit hetgeen de verbalisant heeft waargenomen - op dat moment die auto met hoge snelheid wegreed. Het hof leidt uit de waarneming van de verbalisant af dat de auto daar met draaiende motor moet hebben gestaan en dat de bestuurder reeds achter het stuur moet hebben gezeten op het moment dat de medeverdachte in de auto stapte. De verdachte heeft erkend dat hij de auto heeft bestuurd. Verdachtes verklaring dat hij op de bijrijderstoel is gaan zitten om naar muziek te luisteren, dat hij pas achter het stuur heeft plaatsgenomen nadat de medeverdachte achter in de auto was gestapt en dat de motor van de auto op dat moment niet draaide, acht het hof dan ook niet aannemelijk. In samenhang met de in de bewijsmiddelen vermelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof de gedraging van de verdachte, te weten: het plaatsnemen achter het stuur, het draaiend houden van de motor, het onmiddellijk met hoge snelheid wegrijden op het moment dat de medeverdachte achter in de auto springt, naar uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als het door de verdachte faciliteren van de vluchtmogelijkheid bij die inbraak. Het kan niet anders zijn dan dat hierover van te voren door de verdachte en zijn medeverdachten afspraken zijn gemaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte naar s hofs oordeel een zodanig significante bijdrage geleverd dat sprake is van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders welke gericht was op het plegen van de woninginbraak. Het hof verwerpt het verweer. Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde diefstal met braak in vereniging niet uit de bewijsvoering kan volgen. Hoge Raad, onder meer: 2.3. Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan uit de bewijsvoering niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte een zodanig significante bijdrage heeft geleverd aan de woninginbraak dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededaders kan worden gesproken, nu het hof ten aanzien van die samenwerking niet meer heeft vastgesteld dan dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld. Volgen vernietiging en terugwijzing juni 2014, nr. 12/05208 (Mrs. A.J.A. van Dorst, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend) (Na conclusie van A-G mr. T.N.B.M. Spronken, strekkende tot vernietiging en tot terugwijzig; adv. mr. J. Kuijper, Amsterdam) ECLI:NL:HR:2014:1301 Medeplegen voorhanden hebben vuurwapens en munitie: in casu kan uit de bewijsvoering niet volgen dat de verdachte wat betreft het tezamen en in vereniging met anderen vuurwapens en munitie voorhanden hebben zo nauw en bewust met die anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedraging. (Sr art. 47) Inleiding: Verdachte is veroordeeld wegens kort gezegd medeplegen van handelen in strijd met art. 26 lid 1 WWM en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met art. 26 lid 1 WWM, meermalen gepleegd. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden bewezen dat cliënt wetenschap van de aanwezigheid van de wapens had. Daartoe voert zij het volgende aan. Beide wapens zijn aangetroffen onder de bijrijdersstoel. De verdachte heeft niet gezien dat de medeverdachten wapens bij zich hadden. Er is volgens de raadsvrouw dan ook geen sprake van beschikkingsmacht. Bovendien stelt zij dat nergens uit af te leiden valt dat de verdachte eigenaar was van de wapens. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw. Het hof verwerpt het verweer en komt tot een bewezenverklaring. Het middel klaagt over de bewijsvoering van het medeplegen van het voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring omschreven vuurwapens en munitie. Hoge Raad, onder meer: 3.2. Uit s hofs bewijsvoering kan niet volgen dat de verdachte wat betreft het bewezenverklaarde tezamen en in vereniging met anderen vuurwapens en munitie voorhanden hebben zo nauw en bewust met die anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedraging. De door het hof in dit verband in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat (i) de verdachte de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] al jaren kende, (ii) de verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op de hoogte waren van elkaars criminele antecedenten en (iii) [betrokkene 1] een kogelwerend vest bij zich had en droeg toen hij in de auto van de verdachte stapte, zijn onvoldoende om een dergelijke bewuste en nauwe samenwerking te kunnen aannemen. De bewezenverklaring is dus in zoverre ontoereikend gemotiveerd Het middel is terecht voorgesteld. Volgen vernietiging en terugwijzing juni 2014, nr. 11/00786 (Mrs. G.J.M. Corstens, J. de Hullu, N. Jörg) (Na conclusie van A-G mr. G. Knigge, strekkende tot vernietiging wat betreft de aan feit 1 gegeven kwalificatie en tot verbetering daarvan, tot vernietiging wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping voor het overige; adv. mr. R.J. Baumgardt, Spijkenisse) ECLI:NL:HR:2014:1299 Persoonlijk werkende strafverhogende omstandigheid art. 50 Sr: onjuist is de opvatting dat als zodanige omstandigheid dient te worden aangemerkt art. 11 lid 3 Ow, welke bepaling betrekking heeft op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een verbod gegeven in art. 3, onder B, Ow. Toepasselijkheid art. 11 lid 3 Ow: deze bepaling is in een geval als het onderhavige alleen toepasselijk indien het opzet van de verdachte mede gericht is geweest op de omstandigheid dat zijn mededader in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld. Kwalificatie als medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd : deze kwalificatie is onjuist nu de omstandigheid van het beroeps- of bedrijfsmatig handelen in strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven verbod in het onderhavige geval reeds omvat NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

36 Rechtspraak dat het opzettelijk telen en/of verwerken en/of bewerken van hennepplanten meermalen heeft plaatsgevonden. (Sr art. 50; Opiumwet art. 3 en 11) Inleiding: Verdachte is veroordeeld wegens kort gezegd (feit 1) medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven verbod, meermalen gepleegd, (feit 2) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven verbod, en (feit 3) deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in art. 11 lid 3 en lid 5 Ow. Hoge Raad, onder meer: 2.5. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof ten onrechte art. 11, derde lid, Ow heeft toegepast, nu het niet de verdachte, maar de medeverdachte is geweest die in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld. De klacht berust op de opvatting dat art. 11, derde lid, Ow als een persoonlijk werkende strafverhogende omstandigheid in de zin van art. 50 Sr moet worden aangemerkt. Die opvatting is echter, gelet op het volgende, onjuist Art. 50 Sr is blijkens de wetsgeschiedenis eener uitzondering op de gewone regelen van strafregtelijke verantwoordelijkheid (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, 1881, p. 419). De in de conclusie van de advocaat-generaal onder 14.4 weergegeven wetsgeschiedenis van art. 11, derde lid, Ow wijst niet in de richting dat het in dit lid opgenomen beroeps- of bedrijfsmatige handelen als een uitzondering in de zin van art. 50 Sr dient te worden beschouwd Opmerking verdient nog dat art. 11, derde lid, Ow in een geval als het onderhavige alleen toepasselijk is - hetgeen het hof ook niet heeft miskend - indien het opzet van de verdachte mede gericht is geweest op de omstandigheid dat zijn mededader in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld (vgl. dezelfde wetsgeschiedenis over de gewone regelen van strafregtelijke verantwoordelijkheid. Iedere mededader of medepligtige aan het misdrijf, die bekend was met en wiens opzet ook gerigt was op deze omstandigheid, moet in hare strafregtelijke gevolgen deelen, al betreft zij hem niet persoonlijk, H.J. Smidt, o.c., p. 416, en HR 21 juni 1926, NJ 1926, p. 955) In de tweede plaats klaagt het middel dat het hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. De klacht is terecht voorgesteld. De in de bewezenverklaring tot uitdrukking gebrachte, aan art. 11, derde lid, Ow ontleende omstandigheid van het beroeps- of bedrijfsmatig handelen in strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven verbod omvat in het onderhavige geval immers reeds dat het opzettelijk telen en/of verwerken en/of bewerken van hennepplanten meermalen heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft daarom ten onrechte de kwalificatie meermalen gepleegd toegevoegd. De Hoge Raad zal de kwalificatie verbeteren als in het dictum te vermelden. Deze verbetering heeft, gelet op art. 57 Sr, geen invloed op het toepasselijke strafmaximum voor de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten tezamen. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde en de duur van de opgelegde gevangenisstraf; kwalificeert het onder 1 bewezenverklaarde als medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, Opiumwet gegeven verbod ; vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze 27 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, beloopt; verwerpt het beroep voor het overige. A-G Knigge, onder meer: [ ] De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van art. 11 lid 3 Opiumwet houdt onder meer het volgende in. 7 Wij stellen voor het telen van hennep expliciet strafbaar te stellen en de strafmaat voor de verboden gedraging fors te verhogen, voor zover deze plaatsvindt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Gelet op het hierboven geschetste beeld van de grootschalige hennepteelt, stellen wij voor niet alleen de strafmaat voor de professionele hennepteelt te verhogen, maar ook de strafmaat voor het beroeps- of bedrijfsmatige bereiden, verwerken, verkopen en afleveren van hennepplanten. Daardoor wordt het mogelijk doeltreffend op te treden tegen de professionele en grootschalige hennepteelt en de gedragingen die daar doorgaans onlosmakelijk mee zijn verbonden. Met een verhoging van de strafmaat voor het kweken van hennepplanten, kan niet worden volstaan. Een effectieve aanpak van de grootschalige hennepteelt is slechts mogelijk als de strafmaat voor de daarbij behorende gedragingen, voor zover die beroeps- of bedrijfsmatig worden verricht, zoals het verwerken, verkopen en afleveren van deze planten, eveneens wordt verhoogd. Zou hierin niet worden voorzien dan zouden criminelen die zich hiermee bezig houden, het telen van hennep kunnen overlaten aan stromannen, zodat de strafmaatverhoging niet op hen van toepassing is. De Nota naar aanleiding van het verslag houdt voorts onder meer het volgende in. 8 Mede gelet op het feit dat een aantal vragen betrekking heeft op de effectiviteit van de voorgestelde wetswijziging, achten wij het van belang erop te wijzen dat het onderhavige wetsvoorstel een onderdeel vormt van het reeds ingezette proces van intensivering van de bestrijding van de professionele illegale teelt van hennep en handel in cannabis. Zo zijn mede naar aanleiding van de nota «Het Nederlands drugbeleid Continuïteit en verandering» (hierna te noemen: de drugnota) de richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet aangepast (Stcrt. 1996, 187; voortaan te noemen: de OM-richtlijnen). Een van die wijzigingen betreft de expliciete aandacht voor de illegale hennepteelt. Deze is thans vervolgbaar als overtreding van het in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod van het aanwezig hebben. Met het oog op de beoordeling van het karakter van de teelt zijn in de richtlijnen een aantal indicatoren vermeld voor bedrijfsmatige teelt. Zo zijn niet alleen het aantal planten maar ook de te behalen oogsten per jaar van belang. Voorts kan uit de wijze waarop de teelt in concreto plaatsvindt, zoals het gebruik van technische hulpmiddelen, het bedrijfsmatige karakter daarvan worden afgeleid. 7. Kamerstukken II, 1996/97, 25325, 3, p Kamerstukken II, 1997/98, 25325, 6, p juni 2014, nr. 13/00991 (Mrs. A.J.A. van Dorst, N. Jörg V. van den Brink) (Na conclusie van A-G mr. F.W. Bleichrodt, strekkende tot verwerping van het beroep; adv. mr. R.J. Baumgardt, Spijkenisse) ECLI:NL:HR:2014:1306 Door advocaat-generaal gewekt vertrouwen dat geen voordeelsontneming meer zou plaatsvinden? In casu geen sprake van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen, 1696 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

37 Rechtspraak onder meer omdat de advocaat-generaal vrijwel onmiddellijk na zijn onjuiste uitlating een rectificatie heeft gestuurd aan de raadsman van de verdachte. (Sr art. 36e; Sv art. 311) Inleiding: Veroordeelde is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Door de verdediging is betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege schending van het vertrouwensbeginsel. De verdediging voert hiertoe aan dat de raadsman heeft aangevoerd dat de advocaat-generaal tijdens de behandeling van de strafzaak van veroordeelde in hoger beroep heeft meegedeeld dat er geen ontnemingsvordering meer aanhangig zou worden gemaakt. De advocaat-generaal heeft kort daarna deze mededeling door middel van een brief aan de raadsman van verdachte van 28 april 2008 herroepen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze brief niet af doet aan het door de advocaatgeneraal ter zitting opgewekte vertrouwen dat er geen ontnemingsvordering meer zou komen. Het hof stelt onder meer het volgende vast: Het hof heeft kennis genomen van het dossier in de hoofdzaak. [ ] In dit dossier bevinden zich voorts de aantekeningen van de griffier waarbij als opmerking van de advocaat-generaal Frielink met betrekking tot de ontnemingsvordering is opgenomen: Ontnemingsvordering is er niet gekomen en dat kan ook niet meer. Ter terechtzitting op 18 december 2012 is de advocaat-generaal Frielink als getuige gehoord en deze heeft alstoen, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij voorafgaande aan de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2008 in de hoofdzaak heeft geprobeerd contact te krijgen met de zaaksofficier van justitie. Toen dit niet mogelijk bleek, heeft hij aan een medewerker van het functioneel parket gevraagd om in het automatiseringssysteem de stand van zaken met betrekking tot een eventuele ontnemingsvordering tegen verdachte na te zoeken. Deze medewerker gaf de advocaat-generaal te kennen hierover niets in het systeem te kunnen vinden. Naar aanleiding hiervan heeft hij op de zitting van het gerechtshof van 23 april 2008 op een daartoe strekkende vraag van de voorzitter de mededeling gedaan dat er geen ontnemingsvordering gedaan was of gedaan zou worden. Wat hij toen precies gezegd heeft weet hij niet meer. Direct na afloop van de zitting werd hij door een in de zittingszaal aanwezige FIOD-medewerker aangesproken met de mededeling dat er wel degelijk een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde aanhangig zou worden gemaakt. Gelet hierop heeft hij toen de brief van 28 april 2008 aan de raadsman van verdachte geschreven. Het hof overweegt omtrent het verweer betreffende schending van het vertrouwensbeginsel onder meer: Slechts wanneer sprake is van een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke toezegging door een tot het nemen van de vervolgingsbeslissing bevoegde autoriteit om van vervolging af te zien, kan vanwege een opgewekt vertrouwen een beroep op nietontvankelijkheid worden gehonoreerd. Bij de behandeling in hoger beroep van de hoofdzaak is ter zitting aan de advocaat-generaal door het gerechtshof naar de stand van zaken in de ontnemingsprocedure gevraagd. Deze heeft hierop naar achteraf bleek een foutieve mededeling gedaan, die hij kort daarna door middel van een brief aan de raadsman van verdachte heeft herroepen. Aan de uitlatingen van de advocaat-generaal, hoe deze ook precies hebben geluid, kon en mocht verdachte naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet zonder meer het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen van een toezegging dat er geen ontnemingsprocedure meer zou volgen, nu deze uitlatingen - gedaan naar aanleiding van een vraag van de voorzitter - informatief van aard waren en niet gezien kunnen worden als een formele toezegging van het openbaar ministerie jegens verdachte dat er geen ontnemingsprocedure (meer) zou volgen. Het feit dat door de officier van justitie eerder, te weten bij de behandeling van de hoofdzaak ter zitting van 24 februari 2006 aan verdachte is medegedeeld dat het Openbaar Ministerie voornemens was om een ontnemingsvordering in te dienen, het feit dat er een proces-verbaal SFO was opgemaakt, dat naar hetgeen de advocaat-generaal ter zitting van het hof onweersproken heeft gesteld ter hand was gesteld van veroordeelde, in welk proces-verbaal sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim anderhalf miljoen euro met vermelding van een groot aantal goederen waarop beslag is gelegd tijdens de doorzoekingen op 14 april 2004, en het feit dat de uitlatingen weliswaar zijn gedaan door een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie maar niet door de zaaksofficier van justitie als eerstverantwoordelijke, hadden in ieder geval voor verdachte aanleiding moeten zijn om de uitlatingen te verifiëren bij de zaaksofficier van justitie teneinde zekerheid te verkrijgen over de juistheid van de door de advocaat-generaal verstrekte informatie. Door dit na te laten kan er geen sprake zijn van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen. Van schending van het vertrouwensbeginsel is derhalve geen sprake. Het middel bevat de klacht dat het hof het in hoger beroep gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Hoge Raad, onder meer: 2.3. Het hof heeft het verweer dat het Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, verworpen op de grond dat geen sprake [kan] zijn van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld (i) dat er een proces-verbaal van strafrechtelijk financieel onderzoek was opgemaakt hetwelk aan de betrokkene ter hand was gesteld, waarin melding werd gemaakt van een bedrag van ruim anderhalf miljoen euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel, (ii) dat aan de betrokkene door de officier van justitie bij de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting van 24 februari 2006 is medegedeeld dat het Openbaar Ministerie voornemens was om een ontnemingsvordering in te dienen, en (iii) dat de advocaat-generaal vrijwel onmiddellijk na zijn onjuiste uitlating een rectificatie heeft gestuurd aan de raadsman van de verdachte. Dat oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig, zodat hetgeen het hof voor het overige heeft overwogen, buiten bespreking kan blijven Het middel faalt juni 2014, nr. 12/04867 (Mrs. A.J.A. van Dorst, N. Jörg, V. van den Brink) (Na conclusie van A-G mr. T.N.B.M. Spronken, strekkende tot vernietiging en tot terugwijzing; adv. mr. R.J. Baumgardt, Spijkenisse) ECLI:NL:HR:2014:1277 Inhoud en motivering vonnis bij bekennende verdachte, art. 359 lid 3 Sv: met een opgave van de bewijsmiddelen kan slechts worden volstaan indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit. Onjuist is de stelling dat geen sprake is van een zogenoemde bekennende verdachte als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv vanwege de NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

38 Rechtspraak enkele omstandigheid dat blijkens het vonnis de bewezenverklaring niet (volledig) steunt op een opgave van bewijsmiddelen doch op een of meer uitgewerkte bewijsmiddelen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. In casu terechte klacht dat s hofs kennelijke oordeel dat de verdachte de feiten heeft bekend in de zin van art. 359 lid 3 Sv onbegrijpelijk is, mede omdat de bekennende verklaringen van verdachte niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde omvatten. Bewijsmotivering steunt op niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens: indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus al dan niet in reactie op een bewijsverweer beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging a. die feiten of omstandigheden aan te duiden, en b. het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. In casu heeft hof hieraan niet voldaan door diens oordeel te doen steunen op de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting. (Sv art. 359) Inleiding: Verdachte is veroordeeld wegens kort gezegd (feit 1) medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren en (feit 2) deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het hof heeft ten aanzien van feit 2 onder meer nog het volgende overwogen: Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat gedurende de tenlastegelegde periode sprake is van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Tot die organisatie behoorden in ieder geval verdachte en de medeverdachte [medeverdachte]. De organisatie was gericht op het kopen van goederen zonder deze te betalen Dat de organisatie een duurzaam karakter had, leidt het hof af uit het feit dat het samenwerkingsverband bijna een halfjaar heeft bestaan. Binnen de organisatie was voorts sprake van een zekere verdeling van de werkzaamheden. De rol van verdachte was onder andere gelegen in het bellen van winkeliers om onder valse voorwendselen en met gebruikmaking van valse namen goederen te bestellen, het zich voordoen als bankmedewerker naar de winkeliers met de mededeling dat de goederen betaald zouden zijn en het inschakelen van koeriersdiensten om de door hem bestelde goederen op te laten halen en naar een door hem opgegeven adres te laten brengen. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Hoge Raad, onder meer: Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk is, luidt - voor zover hier van belang - als volgt: De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit In het licht van de wetsgeschiedenis, die is weergegeven in HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776, NJ 2006/542, moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen Voor zover het middel steunt op de stelling dat uit de enkele omstandigheid dat blijkens het vonnis of arrest de bewezenverklaring niet (volledig) steunt op een opgave van bewijsmiddelen doch op een of meer uitgewerkte bewijsmiddelen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, moet worden afgeleid dat geen sprake is van een zogenoemde bekennende verdachte als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv, faalt het, aangezien die stelling geen steun vindt in het recht Wat betreft het onder 1 in de zaken 1 en 2 bewezenverklaarde klaagt het middel evenwel terecht dat s hofs kennelijke oordeel dat de verdachte deze feiten heeft bekend in de zin van voormelde wetsbepaling, onbegrijpelijk is. Immers, de tot het bewijs van het in die zaken tenlastegelegde gebezigde verklaringen van de verdachte houden in Ik heb op 25 april 2008 gebeld naar de drogist, het koeriersbedrijf en de koerier, daarbij gebruikmakend van het telefoonnummer 06-[0001] (bewijsmiddel VI) en Ik heb op 18 april 2008 gebeld met telefoonnummer 06-[0001] en met het nummer 06-[0005] naar de computerzaak, het koeriersbedrijf en de koerier (bewijsmiddel XIII). Deze verklaringen betreffen niet alle onderdelen van het onder 1 als zaken 1 en 2 bewezenverklaarde. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat - anders dan in de strafzaak die heeft geleid tot HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB in het bestreden arrest noch in het daarbij bevestigde vonnis van de Politierechter het wettig bewijsmiddel is aangeduid waaraan een mogelijk bekennende verklaring van de verdachte is ontleend, zodat het hof wat betreft de zaken 1 en 2 niet kon volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen III-V onderscheidenlijk VIII-XI. 3.5 Wat betreft feit 2 heeft het hof geoordeeld dat gedurende de in de tenlastelegging vermelde periode sprake was van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Het hof heeft dat oordeel doen steunen op de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting. Aldus heeft het hof miskend dat indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165). Ook in zoverre slaagt het middel. Volgen vernietiging en verwijzing. Raad van State Deze rubriek wordt verzorgd door mr. B. Klein Nulent en mr. drs. J. de Vries werkzaam bij de directie bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volledige versies van deze uitspraken zijn te vinden op mei 2014, nr /1/A1 (Mrs. Van Kreveld, Timmerman-Buck, Van den Broek) ECLI:NL:RVS:2014:1624 Invordering dwangsom. Vraag wie overtreding heeft begaan kan bij beoordeling invorderingsbesluit niet meer aan de orde komen. Overdracht activa niet aangemerkt als bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. (Awb art. 5:37) 1698 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

39 Rechtspraak Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante A] en [appellante B], beide gevestigd te Opheusden, gemeente Neder-Betuwe, vs. de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 18 december 2012 in zaken nrs. 10/3547, 10/3601 en 11/76 in het geding tussen: [appellante A] en [appellante B] en het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe. Procesverloop Bij besluit van 10 februari 2010, voor zover thans van belang, heeft het college [appellante B] gelast: 1. op het perceel aan de [locatie 1] te Dodewaard: a. voor 1 maart 2010 de aldaar aanwezige afvalstoffen, zoals gebroken puin, asfalt, dakdekking, oud ijzer, bielzen, autobanden, sloophout en bouw- en sloopafval en groenafval te verwijderen en verwijderd te houden; b. uiterlijk op 1 november 2010 de gebouwde portable cabins, de keerwanden, de pakketteermachine en het hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden; c. uiterlijk op 1 november 2010 de bedrijfsactiviteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan en die niet vallen onder de last onder a. te staken en gestaakt te houden; 2. op het perceel [locatie 2] te Opheusden uiterlijk 1 mei 2010 alle bedrijfsactiviteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan (de stalling van vrachtwagens, shovels en kranen, alsmede het wassen van deze voertuigen en ook het onderhouden van deze voertuigen) te staken en gestaakt te houden (hierna: besluit 1). Bij afzonderlijk besluit van 10 februari 2010 heeft het college dezelfde lasten onder gelijke dwangsommen opgelegd aan [appellante A] (hierna: besluit 2). Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college geweigerd aan [appellante A] bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor het plaatsen van vier portable cabins, keerwanden, hekwerk en romney-loods op het perceel [locatie 1] te Dodewaard (hierna: besluit 3). Bij besluit van 27 augustus 2010, voor zover thans van belang, heeft het college het door de [appellante B] tegen besluit 1 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (hierna: besluit 4). Bij afzonderlijk besluit van 27 augustus 2010, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellante A] tegen de besluiten 2 en 3 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: besluit 5). Bij besluit van 17 november 2010 heeft het college besloten tot invordering bij [appellante B] van verbeurde dwangsommen ten bedrage van ter zake van overtredingen van hetgeen is gelast bij besluit 1, onder 1.a (vier keer ) en van hetgeen daarbij is gelast onder 2 ( ) (hierna: besluit 6). Bij afzonderlijk besluit van 17 november 2010 heeft het college besloten tot invordering bij [appellante A] van verbeurde dwangsommen van hetzelfde bedrag ter zake van dezelfde overtredingen (hierna: besluit 7). Bij uitspraak van 18 december 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door [appellante B] tegen besluit 4 en door [appellante A] tegen besluit 5 en 7 ingestelde beroepen ongegrond verklaard, het door [appellante B] tegen besluit 6 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij is beslist tot invordering van ter zake van niet-nakoming van de bij besluit 1, onder 2, opgelegde last. ( ) Overwegingen ( ) 9. [appellante B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de haar bij besluit 1, onder 1a, opgelegde last niet heeft nageleefd. Hiertoe voert zij aan dat zij haar activa in januari 2010 aan [appellante A] heeft overgedragen en daarom de opgelegde lasten niet heeft overtreden. Het oordeel van de rechtbank dat [appellante B] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij al hetgeen redelijkerwijs in haar vermogen lag heeft gedaan om de verwijdering van de betreffende afvalstoffen te bevorderen, staat haaks op de overweging van de rechtbank dat [appellante B] de in besluit 1, onder 2, opgelegde last niet heeft overtreden nu niet aannemelijk is geworden dat [appellante B] na de begunstigingstermijn nog de in die last bedoelde bedrijfsactiviteiten heeft verricht, aldus [appellante B] Vast staat dat de afvalstoffen niet van het perceel aan de [locatie 1] zijn verwijderd, zoals [appellante B] was opgedragen bij de last die haar bij besluit 1, onder 1a was opgelegd en dat de aan die last verbonden dwangsommen zijn verbeurd Voor zover [appellante B] heeft beoogd te betogen dat niet zij maar [appellante A] de overtreding heeft begaan, die tot het opleggen van deze last heeft geleid, overweegt de Afdeling dat dit bij de beoordeling van het terzake van die last genomen invorderingsbesluit niet meer aan de orde kan komen Voor zover [appellante B] beoogt te betogen dat de omstandigheid dat zij haar activa aan [appellante A] had overgedragen, een bijzondere omstandigheid was, op grond waarvan het college van invordering van die dwangsommen had dienen af te zien, wordt overwogen dat de rechtbank die omstandigheid terecht niet als bijzondere omstandigheid heeft aangemerkt, nu [appellante B] door die overdracht niet was opgehouden te bestaan Dat, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, [appellante B] door het staken van activiteiten op het perceel [locatie 2] aan de bij besluit 1, onder 2, opgelegde last had voldaan zodat terzake geen dwangsommen zijn verbeurd, vormt evenmin een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college ook van invordering van de dwangsommen die terzake van de bij besluit 1, onder 1a, opgelegde last waren verbeurd, had dienen af te zien Het betoog faalt. ( ) juni 2014, nr /1/A4 (Mrs. Drupsteen, Helder en Michiels) ECLI:NL:RVS:2014:1982 Hoewel handhavingsbeleid er niet toe mag strekken dat tegen overtredingen met een lage prioriteit nimmer wordt opgetreden, betekent dit niet dat bij de handhaving geen prioriteiten mogen worden gesteld. Wanneer door een belanghebbende om handhaving wordt verzocht, kan niet uitsluitend onder verwijzing naar de prioriteitstelling van handhaving worden afgezien. College van burgemeester en wethouders heeft afwijzing van verzoek om handhaving ten onrechte gebaseerd op prioriteringsbeleid. Het gelijkheidsbeginsel brengt niet met zich dat het college gehouden was om onjuist beleid toe te passen. (Gemeentewet art. 125; Wet algemene bepalingen omgevingsrecht art. 2.1, 5.2) Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, appellant, vs. de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2013 in zaak nr. 12/5627 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad, en het college. Procesverloop Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen een door [belanghebbende] in het verlengde van het perceel aan de [locatie] te Zaandam geplaatste meerpaal, afgewezen. Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 juli 2013 heeft de recht- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

40 Rechtspraak bank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 oktober 2012 vernietigd. ( ) Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. ( ) Overwegingen 1. Het college heeft het verzoek om handhaving bij besluit van 16 april 2012, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 29 oktober 2012, afgewezen, omdat de aanwezigheid van illegale bebouwingen rondom het water volgens het Beleidsplan Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving , vastgesteld door de gemeenteraad (hierna: het Handhavingsbeleidsplan), en het Handhavingsprogramma, vastgesteld door het college, een lage prioriteit heeft en tegen overtredingen met een lage prioriteit vooralsnog niet handhavend wordt opgetreden. Daarbij is overwogen dat zich in dit geval geen zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat direct ingrijpen noodzakelijk is. 2. Het college betoogt dat de rechtbank bij haar oordeel dat het verzoek om handhaving ten onrechte met verwijzing naar het Handhavingsbeleidsplan is afgewezen, heeft miskend dat een verzoek om handhaving er niet toe kan leiden dat wordt afgeweken van een algemene gedragslijn ten aanzien van vergelijkbare gevallen. Volgens het college is het niet juist en bovendien ongewenst om de beginselplicht tot handhaving zover op te rekken dat dit zou betekenen dat, ondanks de lage prioriteit die aan een overtreding in een bepaalde beleidsperiode wordt gegeven, er voor het einde van de looptijd van deze beleidsperiode hoe dan ook handhavend dient te worden opgetreden De rechtbank heeft voorop gesteld dat zij het beleid van het college, waarin prioriteiten bij handhaving zijn gesteld, in beginsel niet onredelijk acht. Op alle momenten handhavend optreden tegen alle mogelijke overtredingen van wettelijke voorschriften kan, gelet op de beschikbare capaciteit, niet van het college worden gevergd. In dit geval wordt echter binnen de looptijd van het Handhavingsbeleidsplan volledig afgezien van handhavend optreden tegen overtredingen als hier aan de orde. Een dergelijke consequentie van een beleid is volgens de rechtbank niet redelijk. Gelet op de beginselplicht om te handhaven dient een burger, bijzondere omstandigheden daargelaten, uitzicht te hebben op handhaving binnen de looptijd van een beleidsplan, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het gelijkheidsbeginsel niet meebrengt dat een bestuursorgaan naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek kan besluiten af te zien van handhavend optreden, omdat in vergelijkbare gevallen ook niet tot handhaving wordt overgegaan. Volgens de rechtbank dient het bestuursorgaan de verzoeker, gelet op de beginselplicht tot handhaving, dan ten minste een moment in het vooruitzicht te stellen waarop het verzoek om handhaving alsnog kan worden ingewilligd Niet in geschil is dat het zonder vergunning plaatsen van de meerpaal in strijd is met artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien Uit het Handhavingsbeleidsplan volgt dat vooralsnog niet handhavend wordt opgetreden tegen het zonder omgevingsvergunning plaatsen van meerpalen in openbaar water, aan welke overtreding een lage prioriteit is toegekend. In het Handhavingsbeleidsplan is vermeld dat alsnog kan worden besloten om tegen laag geprioriteerde situaties handhavend op te treden indien deze in de toekomst meer prioriteit krijgen. Ook kan worden besloten om in het kader van een speciaal handhavingsproject op te treden tegen overtredingen die al jaren bestaan. Die projecten worden dan in het handhavingsprogramma vermeld. Blijkens het Handhavingsprogramma 2012 en het Handhavingsprogramma 2013 zou in de jaren 2012 en 2013 in ieder geval nog niet projectmatig worden opgetreden tegen illegale bouwwerken met een lage prioriteit. Het college heeft gesteld dat dit ook in 2014 niet het geval zal zijn Beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen die in het handhavingsbeleid een lage prioriteit hebben in het geheel niet handhavend zal worden opgetreden, is rechtens niet aanvaardbaar, omdat daarmee het te handhaven wettelijk voorschrift wordt ondergraven. Dat het beleid van het college niet uitsluit dat tegen dergelijke overtredingen in de toekomst alsnog handhavend zal worden opgetreden, doet er niet aan af dat het beleid inhoudt dat tegen die overtredingen niet handhavend wordt opgetreden Handhavingsbeleid mag er niet toe strekken dat tegen overtredingen met een lage prioriteit nimmer wordt opgetreden. Dit betekent niet dat bij de handhaving geen prioriteiten mogen worden gesteld. Prioriteitstelling is toegestaan om in het kader van doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak. Zo kan prioritering bepalend zijn voor de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften. Ook mag prioritering inhouden dat bij bepaalde lichte overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden. Wanneer door een belanghebbende om handhaving wordt verzocht, kan echter niet uitsluitend onder verwijzing naar de prioriteitstelling van handhaving worden afgezien. Alleen onder bijzondere omstandigheden immers mag van handhaving worden afgezien. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2010, nr /1/H1, geldt de keuze van een bestuursorgaan om in verband met een beperkte handhavingscapaciteit een bepaalde overtreding een lage prioriteit toe te kennen, niet als een bijzondere omstandigheid. Het orgaan zal dus na een verzoek om handhaving een afweging moeten maken in het individuele geval, waarbij de belangen van de verzoeker worden betrokken. Bij deze afweging moet het bestuursorgaan bezien of het ondanks de prioritering in dit geval toch moet optreden Het resultaat van die afweging kan zijn dat van handhaving wordt afgezien, gelet op het karakter van het overtreden voorschrift, het daarbij betrokken algemene belang en de belangen van de verzoeker. Leidt de naar aanleiding van een verzoek van een belanghebbende uitgevoerde beoordeling of handhavend moet worden opgetreden daarentegen tot het nemen van een sanctiebesluit, dan levert dat, anders dan het college veronderstelt, op zichzelf geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op ten opzichte van gevallen waarin niet om handhaving is verzocht en geen sanctiebesluit is genomen. In die gevallen doet zich immers niet de omstandigheid voor dat een verzoek is gedaan waarmee in de bestuurlijke afweging rekening moet worden gehouden. De drie uitspraken van de Afdeling waarop het college ter verdediging van zijn standpunt heeft gewezen, zijn met het voorgaande verenigbaar en verhouden zich daartoe als volgt. De uitspraak van 11 juni 2008, nr /1 heeft betrekking op de noodzaak van een consistent en doordacht bestuursbeleid; het stellen van prioriteiten is daarmee niet in strijd. In de zaken 1700 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

41 Rechtspraak die leidden tot de uitspraken van 11 maart 2009, nr /1, en 11 juli 2012, nr /1/A1 werd handhavend optreden door de betrokken bestuursorganen slechts overwogen in de gevallen waarin daarom door derden werd verzocht, maar ontbrak een consistent en doordacht prioriteringsbeleid. In die uitspraken overwoog de Afdeling dat het enkele feit dat in bepaalde gevallen anders dan in het onderhavige geval door een derde niet om handhavend optreden was verzocht, het verschil in handelwijze van het bestuursorgaan niet kon rechtvaardigen. Het enkele feit dat een verzoek is gedaan, brengt inderdaad niet mee dat de belangenafweging reeds daarom tot een andere uitkomst moet leiden. Indien een consistent en doordacht bestuursbeleid wordt gevoerd, inhoudende dat bij overtredingen waaraan een lage prioriteit is toegekend alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een derde wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden, betekent een besluit tot handhaving naar aanleiding van een klacht of verzoek echter niet dat het college alsdan in alle vergelijkbare gevallen uit eigen beweging tot handhaving moet overgaan Uit het voorgaande volgt dat het college de afwijzing van het verzoek om handhaving ten onrechte heeft gebaseerd op het prioriteringsbeleid, neergelegd in het Handhavingsbeleidsplan en het Handhavingsprogramma. Het beginsel om gelijke gevallen gelijk te behandelen brengt niet met zich dat het college gehouden was om onjuist beleid toe te passen De conclusie is dat de rechtbank terecht, zij het op enigszins andere gronden, heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en derhalve in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het betoog faalt derhalve. 3. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust. ( ) AANWIJZINGEN VOOR AUTEURS Het verdient aanbeveling vóór het inzenden van artikelen contact op te nemen met het redactiebureau; dit kan dubbel of vergeefs werk voorkomen. Het NJB kent verschillende soorten hoofdartikelen. Voor alle artikelen geldt dat de auteur in de eerste alinea s duidelijk maakt aan de NJBlezers waarom dit artikel interessant is om verder te lezen. Wetenschappelijke artikelen: omvang inclusief notenapparaat tot maximaal woorden. Uitgebreidere versies kunnen op de NJB-site worden geplaatst. Deze artikelen voldoen aan de maatstaven van het wetenschappelijk forum. Zij vermeerderen de bestaande kennis met relevante nieuwe inzichten die methodisch worden verantwoord. Auteurs van wetenschappelijke artikelen kunnen de redactie verzoeken hun artikel aan peer review te laten onderwerpen. Meer informatie op onder Voor Auteurs Lessen voor de praktijk: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat woorden. Dit is een analyse van een expert met als doel de praktijk te informeren over best practices. Focus: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2500 woorden. Deze artikelen geven een schets en ordening van interessante actuele ontwikkelingen in een deelgebied. Essays: indicatie van de omvang woorden. Dit is een prikkelende beschouwing over een breder onderwerp. Verwijzingen staan bij voorkeur in de tekst zelf. Opinies zijn in beginsel gebonden aan de omvang van één pagina. Dit is 800 woorden. O&M omvatten maximaal 1200 woorden. Reacties blijven binnen de 600 woorden en een naschrift binnen de 300 woorden. - Noten kunnen alleen bij artikelen worden geplaatst; daarin geen meningen, toelichtingen of andere uitweidingen, maar alleen vindplaatsen. - Meestal ontvangt de auteur binnen 1 maand bericht of de inzending zal worden geplaatst. - Artikelen of andere bijdragen die elders in dezelfde of vrijwel dezelfde vorm zijn of worden gepubliceerd worden niet aanvaard. Bij inzending dient vermeld te worden of en waar het artikel of de andere bijdrage eveneens ter plaatsing is aangeboden. - Auteurs die bij een zaak of onderwerp waarover zij in het NJB willen schrijven, betrokken zijn of zijn geweest, dienen dat in een voetnoot te vermelden met een korte uitleg van de aard van hun betrokkenheid. - Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen aan het NJB impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB. Een uitgebreide toelichting op het bovenstaande is te lezen in de brochure Schrijven voor het NJB, te vinden op onder Voor Auteurs NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

42 1246 Boeken Obstructionist Behavior in International Commercial Arbitration Legal Analysis and Measures Available to the Arbitral Tribunal Arbitration is still a time- and costefficient, professional way of resolving cross-border disputes. However, its advantages seem to vanish if one party is obstructive and tries to delay or even sabotage the proceedings. This work first deals with the obligations that arise from an arbitration agreement. Subsequently, the author introduces obstructionist behavior as a generic term and identifies situations in which, according to case law, mere tactical behavior turns into obstructionist behavior. Finally, the author extensively discusses measures against obstructionist behavior such as adverse inferences, interim measures and astreintes. The author examines the jurisdictions of Switzerland, England, the US and France as well as the established arbitration rules. As this work relies to a substantial extent on unpublished ICC arbitral awards, the author provides a valuable insight in arbitral tribunals dealings with obstructionist parties. Alain Hosang Eleven International Publishing 2014, 318 p., 45,00 ISBN jaar Hoge Raad der Nederlanden Bijdragen aan de samenleving Op 1 oktober 2013 bestond de Hoge Raad der Nederlanden 175 jaar. Tijdens een bijeenkomst in de Haagse Koninklijke Schouwburg is bij dit jubileum stilgestaan. Bijdragen aan de samenleving was het thema van deze viering: welke rol vervult de hoogste nationale rechter binnen de samenleving? Deze bundel bevat de bijdragen van de zes sprekers die dit thema vanuit verschillende invalshoeken hebben belicht. G.J.M. Corstens, Lord Mance, C.W.A. Timmermans, D.J.C. Aben, G. de Groot, J.W. Fokkens Boom Juridische Uitgevers 2014, 191 p., 44,50 ISBN De vennootschap en de geconstrueerde werkelijkheid Op 24 oktober 2013 sprak prof. mr. C.D.J. (Claartje) Bulten haar oratie uit. Zij is als hoogleraar Ondernemingsrecht verbonden aan het Van der Heijden Instituut van de Radboud Universiteit Nijmegen. Dit boekje bevat de uitgebreide schriftelijke tekst van haar rede, getiteld De vennootschap en de geconstrueerde werkelijkheid. De gedachte die aan haar prikkelende verhaal ten grondslag ligt, is dat de wil, de keuzes en het handelen van betrokkenen door kunnen werken in de vennootschap. Aan de hand van voorbeelden, zoals de wijziging van het BV-recht, betoogt zij dat de partijautonomie en de contractsvrijheid weer meer ruimte in het ondernemingsrecht krijgen. Claartje Bulten Uitgeverij Kluwer B.V. 2014, 36 p., 24,50 ISBN Realistische en pragmatische rechtsvinding Taak en taakopvatting van de rechter in de westerse wereld In dit boek vergelijkt de auteur, emeritushoogleraar burgerlijk recht en Anglo-Amerikaans recht, de wijze van rechtsvinding in vijf landen van de westerse wereld, te weten de Verenigde Staten, Nederland, Duitsland, Engeland en Frankrijk, en bepleit de noodzaak van een meer pragmatische rechtsvinding. Pragmatisme houdt in dat gestreefd moet worden naar beslissingen met een aanvaardbare uitkomst. De realisten predikten in de jaren dertig hun rule and fact scepticism en voorzagen het pragmatisme van een theoretisch kader. Na de oorlog is het pragmatisme vanuit de VS overgewaaid naar Duitsland. Sinds 1970 oordeelt de Nederlandse rechter meer en meer pragmatisch, waarmee een einde lijkt te zijn gekomen aan een tijdperk waarin Scholtens Algemeen Deel min of meer als maatstaf gold. Langzaam werd ingezien dat taal, geschiedenis en systeem van de wet teveel een barrière vormden voor de rechter om te komen tot een bevredigende beslissing. Het denken vanuit beginselen is steeds belangrijker geworden, mede onder invloed van het publiekrecht, het Europees recht en de mensenrechten. Op basis van zijn onderzoek, waarbij ook aandacht voor de rechtsfilosofie en Wittgensteins taalfilosofie is voor de auteur maar één conclusie mogelijk: het recht moet dienstbaar zijn aan een maatschappij die altijd in beweging is en niet angstvallig vasthouden aan de wettekst. H.C.F. Schoordijk Wolf Legal Publishers 2014, 352 p., 27,50 ISBN Contract Law in Russia The book explains Russian contract law in a form understandable to lawyers qualified in other countries, especially common law countries. The introduction gives a concise overview of the Russian legal system in general and contract law in particular as well as a brief insight into the history of contract law in Russia. Then the main concepts of Russian contract law are explained, using the conceptual framework of English contract law to make them accessible to someone not familiar with the codified Russian system. The book not only considers the legislation regulating Russian contractual relations but also includes appropriate case law to show how the legislation is interpreted. The focus is on contract law in Russia as it actually operates, rather than merely the legislative texts, so that it will be directly relevant to legal practitioners and others who wish to acquire knowledge of the practical application of an important element of the Russian legal system, as well as those seeking an insight into the realities of codified law in action. The target readership therefore includes legal practitioners who have to deal with Russian law, academics and students with an interest in Russian law, the law of contract and comparative civil law, as well as scholars of comparative legal systems and Russian area studies. Maria Yefremova, Svetlana Yakovleva, Jane Henderson Hart Publishing 2014, 326 p., 32,50 ISBN NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

43 Tijdschriften 1247 Burgerlijk (proces)recht Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging Nr. 2, juni 2014 F.J.P. Lock Ambtshalve toetsing in hoger beroep. Over de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied. Op 13 september 2013 (Heesakkers/Voets) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de appelrechter gehouden is ambtshalve na te gaan of een beding uit het oogpunt van de in de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten gegeven criteria onredelijk bezwarend is. Met dit arrest is de vraag onder de aandacht gekomen welke plaats ambtshalve toetsing inneemt in het Nederlandse appelprocesrecht en meer in het bijzonder hoe die toetsing zich verhoudt tot het grievenstelsel. Het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter in hoger beroep buiten de grieven om tot ambtshalve toetsing gehouden is, blijkt subtiel te liggen en kan gemakkelijk tot verwarring leiden. Volgens schr. heeft de Hoge Raad met het oordeel in Heesakkers/Voets recht gedaan aan de wijze waarop het arrest Asbeek Brusse van het Hof van Justitie moet worden toegepast in het Nederlandse appelprocesrecht. Er is bewustzijn van de Europeesrechtelijke normen vereist die gelijkwaardig zijn aan regels van openbare orde en een alertheid om daaraan ambtshalve te toetsen. Het is duidelijk dat aan consumenten de bescherming moet worden geboden, maar schr. van deze bijdrage wil ook in andere gevallen de bevoegdheid aan de appelrechter zien om in te grijpen, indien er sprake is van een ongelijkheid tussen partijen. WPNR 145e jrg. nr. 7023, 14 juni 2014 Prof. dr. S. Perrick Aandelen in het BV in het erfrecht Schr. analyseert enkele bepalingen van het flex-bvrecht vanuit het algemeen vermogensrecht, waaronder het erfrecht, en beziet voorts hoe het algemeen vermogensrecht op aandelen in een BV moet worden toegepast. Mr. S.H. Barten Het Verdrag van Kaapstad: een nieuw eenvormig regime voor schepen? Besproken worden de mogelijke juridische knelpunten verbonden aan de door UNIDROIT verkende introductie van een maritiem protocol bij het Verdrag van Kaapstad vanuit een Nederlands perspectief. WPNR 145e jrg. nr. 7024, 21 juni 2014 Themanummer: Nieuw IPR- Erfrecht: de Erfrechtverordening Met ingang van 17 augustus 2015 wordt de Erfrechtverordening van toepassing in de lidstaten van de EU. Voor Nederland brengt deze verordening belangrijke wijzigingen met zich wat betreft de behandeling van nalatenschappen met grensoverschrijdende aspecten. Niet langer zullen daarop de bepalingen van het Haagse Erfrechtverdrag van toepassing zijn maar die van de verordening. In de themanummer worden de verschillende onderdelen van de Erfrechtverordening gedetailleerd besproken en wordt ook ingegaan op de praktische toepassing ervan voor het notariaat. De tekst van de verordening is in het nummer opgenomen. Het nummer bevat de volgende bijdragen: Prof. mr. P. Vlas, Het notariaat en de Erfrechtverordening - het aftellen is begonnen; Mr. F. Ibili, Procederen over internationale nalatenschappen; Mr. E.N. Frohn, Art. 21 Erfrechtverordening: de objectieve verwijzingsregel nader belicht; Prof. mr. F.W.J.M. Schols, De Europese erfrechtelijke rechtskeuze - Een enkel stapje terug, maar een reuzenstap vooruit; Mr. J.G. Knot, Internationale boedelafwikkeling volgens de regels van de Erfrechtverordening: vereffening, verdeling en Näherberechtigung vanaf 17/8/2015; Prof. dr. J.H.M. van ERp, LLM, De Europese erfrechtverklaring; prof. mr. T.J. Mellema-Kranenburg, mr. C. Van der Plas, In hoeverrre lost de ERfrechtverodening praktische problemen voor het notariaat bij internationale nalatenschappen op? 1248 Handels- & economisch recht Bedrijfsjuridische berichten Nr. 12, 19 juni 2014 Mr. M. Mussche, Bb 2014/34 De invloed van het arrest Spaanse villa: een tussenbalans Schr. beoordeelt in deze bijdrage de invloed die het arrest Spaanse villa heeft op de lagere jurisprudentie. Hij bespreekt daartoe de gepubliceerde uitspraken waarin naar dit arrest is verwezen. Mr. G.H. Lankhorst, Bb 2014/35 Evaluatie wetswijziging schuldsaneringsregeling Op 24 april jl. heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een evaluatie van de Wsnp aan de Eerste Kamer aangeboden. Hieruit blijkt dat een aantal wetswijzigingen die in 2008 zijn doorgevoerd (zoals het dwangakkoord, minnelijk moratorium en voorlopige voorziening) naar behoren functioneert. Juridisch up to Date Nr. 12, 12 juni 2014 Mr. ing. J. Bessems EU richtlijn inzake schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht. Een welkome aanvulling voor slachtoffers van mededingingsinbreuken? In juni 2013 bracht de Commissie het richtlijnvoorstel uit betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de Europese lidstaten. Op 17 april 2014 stemde het Europees Parlement met dit voorstel in. Schr. bespreekt deze richtlijn waarbij onder meer wordt ingegaan op het doel en de reikwijdte van de richtlijn en op bepalingen met betrekking tot bewijsgaring, verjaring, aansprakelijkheid en schadeberekening. Deze richtlijn dient volgens schr. de uniformering van de schadevorderingsprocedure binnen de verschillende lidstaten. De impact voor Nederland is beperkt, omdat het Nederlands procesrecht al dergelijke regels kent. Daarnaast verschaft de richtlijn een kader voor de civiele en publieke handhaving. De richtlijn lijkt volgens schr. een welkome aanvulling voor slachtoffers van mede- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

44 Tijdschriften dingingsinbreuken. De Raad moet deze richtlijn nog aannemen en vaststellen waarna de lidstaten deze binnen twee jaar, naar verwachting in het najaar van 2016, moeten hebben geïmplementeerd. Ondernemingsrecht Nr. 8, 12 juni 2014 Mr. E. Schmieman, Ondernemingsrecht 2014/77 De aanbeveling van de Europese Commissie inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie Schr. geeft een update van de onderhandelingen over de wijziging van de Europese Insolventieverordening en bespreekt de aanbeveling Faillissement en insolventie van de Europese Commissie. Deze is gericht op het bevorderen van vroegtijdige herstructurering, zoveel mogelijk buiten faillissement. Aangegeven wordt dat de herijking van het Nederlandse faillissementsrecht goed aansluit bij de aanbeveling. Voorts wordt bezien hoe zij met het aangekondigde wetsvoorstel Dwangakkoord buiten faillissement verder kan worden ingevuld. C.M. Harmsen, Ondernemingsrecht 2014/78 De curator en de bestrijding van fraude In het kader van het wetgevingsprogramma herijking van het faillissementsrecht zijn drie wetsvoorstellen voorzien in het kader van de pijler fraudebestrijding. Deze drie wetsvoorstellen worden besproken en van enkele kritische kanttekeningen voorzien. Prof. mr. J.J. van Hees, Ondernemingsrecht 2014/79 Stille bewindvoering: pre-packen en wegwezen? De voorbereide doorstart van een onderneming uit faillissement met behulp van een door de rechtbank aangestelde stille bewindvoerder, de pre-pack, is de laatste jaren sterk in opkomst. Belicht worden de achtergronden van deze figuur, de bestaande praktijk alsmede het voorstel voor een wettelijke regeling daarvan. M.L.H. Reumers, Ondernemingsrecht 2014/80 Wijziging van de Insolventieverordening: de voorstellen van de Commissie en het Europees Parlement In december 2012 heeft de Commissie een voorstel gepubliceerd tot wijziging van de Insolventieverordening. Het Europees Parlement heeft recentelijk aangegeven het Commissievoorstel grotendeels te steunen. Deze bijdrage bespreekt diverse wijzigingsvoorstellen, inclusief het standpunt van het Parlement dienaangaande. R.J. van Galen, Ondernemingsrecht 2014/81 Knelpunten in ons insolventierecht De Nederlandse insolventiepraktijk doet het helemaal niet zo slecht, maar de Faillissementswet kent een aantal knelpunten, die onder meer in de weg staan aan geavanceerde reorganisatiescenario s. De belangrijkste wijzigingen die moeten plaatsvinden, zijn invoering van een effectievere akkoordprocedure, oplossing van de lege boedelproblematiek en invoering van de UNCITRAL Modelwet. Tijdschrift voor de Ondernemingsrechtpraktijk Nr. 4, juni 2014 J. van Bekkum, R.B. van Hees De internationaal bevoegde rechter bij aansprakelijkheid van in het buitenland wonende bestuurders en commissarissen In procedures over aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen van Nederlandse rechtspersonen is er vaak een internationale component omdat veel Nederlandse ondernemingen buitenlandse functionarissen hebben. Regelmatig komt de vraag aan bod welke rechter internationaal bevoegd is van een geschil kennis te nemen. Een civielrechtelijke vordering tegen een functionaris van een Nederlandse rechtspersoon kan worden ingesteld door de rechtspersoon, zijn aandeelhouder(s), de curator en de crediteuren van de rechtspersoon. In een dergelijke procedure is het niet eenvoudig om vast te stellen welke rechter internationaal bevoegd is. In deze bijdrage wordt beoogd een handvat te bieden aan de praktijkbeoefenaar die in een niet zuiver Nederlandse context te maken krijgt met (de wens tot) aansprakelijkstelling van functionarissen van Nederlandse rechtspersonen voor de Nederlandse rechter. S. Rietveld Verschillende toepassingen van de limiteringsregeling nader beschouwd Bij het voorstellen van kandidaten voor (her)benoeming als bestuurder of toezichthouder dienen bepaalde rechtspersonen aandacht te besteden aan de vraag of deze bestuurders en toezichthouders niet te veel functies tegelijkertijd bekleden. Dit heet overboarding. Om overboarding tegen te gaan worden steeds meer regelingen ingevoerd die zien op de limitering van het aantal functies. In Nederland worden vanaf 1 juli 2014 vier verschillende limiteringsregelingen naast elkaar geldend. In deze bijdrage wordt ingegaan op de vier limiteringsregelingen. De vraag is of de beoogde doelstelling om de kwaliteit van bestuur en toezicht te bevorderen wordt gehaald. Volgens schr. is het al de vraag of de keuze voor weten regelgeving de juiste is. Bovendien is de wijze van regulering hier en daar gebrekkig. Een basisregeling in Boek 2 BW met aanvullingen in specifieke wetgeving lijkt de bezwaren te kunnen wegnemen. E. Loesberg Hoe gaat het met de pre-pack? In deze bijdrage worden de vooren nadelen van de pre-pack behandeld. Volgens schr. kan dat een nuttig reorganisatiemiddel zijn. De stille bewindvoerder dient bij de voorbereiding van de na de faillietverklaring van de schuldenaar te effectueren doorstart van de onderneming vanuit het perspectief van de schuldeisers mee te denken en aan te geven wat mogelijk wel en wat in ieder geval niet kan, zonder dat hij de curator kan binden. Pre-pack is wettelijk (nog) niet geregeld, zodat in theorie ook de schuldenaar zelf de rechtbank een verzoek om aanstelling van een stille bewindvoerder kan doen. Er is inmiddels een wetsvoorstel Wet continuïteit van ondernemingen I opgesteld. Schr. bespreekt in deze bijdrage de voors en tegen van de pre-pack en de voorstellen zoals verwoord in het wetsvoorstel Sociaal Recht ArbeidsRecht 21e jrg. nr. 6/7, juni/juli 2014 Mr. C.C. Zillinger Molenaar, ArbeidsRecht 2014/ NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

45 Tijdschriften Jaaroverzicht jurisprudentie concurrentiebeding en onrechtmatige concurrentie - In dit artikel geeft schr. een overzicht van de meest interessante en belangrijke uitspraken over het non-concurrentiebeding en onrechtmatige concurrentie uit Schr. bespreekt de geldigheidsvereisten, gehele of gedeeltelijke vernietiging, boetebeding en matigingsrecht, billijke vergoeding, onrechtmatige concurrentie en het wetsvoorstel Werk en Zekerheid. Mr. B. Degelink CPL, ArbeidsRecht 2014/31 Bestuurdersaansprakelijkheid voor pensioenpremie Bestuurders zijn op grond van de wet hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van pensioenpremies door hun onderneming aan een verplicht bedrijfstakpensioenfonds. Deze wettelijke aansprakelijkheid geldt niet voor de betaling van pensioenpremies aan andere soorten pensioenuitvoerders zoals verzekeraars, ondernemingspensioenfonden of niet-verplichte bedrijfstakpensioenfondsen. Het bijzondere karakter van pensioen kan echter in die gevallen sneller leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Schr. bespreekt in dit artikel de bestuurdersaansprakelijkheid, de verplichte bedrijfstakpensioenfondsen, de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders, de rechtvaardiging van deze hoofdelijke aansprakelijkheid en het begrip bestuurder. Vervolgens komen de mededeling van betalingsonmacht, verwijtbaar niet-nakomen van de mededelingsplicht, de positie van de nieuwe bestuurder en de positie van de gewezen bestuurder aan de orde, alsmede de positie van andere soorten pensioenuitvoerders. Schr. concludeert dat de hoofdelijke aansprakelijkheid de bestuurder ertoe aanspoort om de premieschuld niet te hoog te laten oplopen, precies zoals de wetgever beoogde met deze wet. Mr. A. Avci, mr. N. Koene, ArbeidsRecht 2014/32 Wet arbeid vreemdelingen: Alert anno 2014! De Wet arbeid vreemdelingen (WAV) is bij werkgevers niet altijd even goed bekend, terwijl de boete bij tewerkstelling van een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning fors kan zijn. Aangezien de WAV per 1 januari 2014 op diverse onderdelen strikter en formeler is geworden, verwachten schrs. dat het aantal boeteopleggingen toeneemt. Mede aan de hand van de rechtspraak schetsen schrs. de essentiële aandachtspunten voor werkgevers die te maken hebben of kunnen krijgen met de (gewijzigde) WAV. Schrs bespreken achtereenvolgens het juridisch kader, boeteoplegging, boetevoorkoming en de gevolgen van de wijzigingen per 1 januari Mr. S. Schmeetz, mr. I. van Kronenburg, ArbeidsRecht 2014/33 Wat brengt de Afroomregeling voor bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (in mindering)? Op 1 januari 2014 is de Wet claw back in werking getreden. Naast een redelijkheidstoets en een claw back bevoegdheid is met de inwerkingtreding van de Wet claw back in Nederland een regeling geïntroduceerd om een meer zuivere belangenafweging door bestuurders in overnamesituaties te bewerkstelligen: de Afroomregeling. Nederland is (vooralsnog) het enige land dat een regeling in deze vorm kent. In dit artikel geven schrs. een uitgebreide beschouwing over de afroomregeling zoals neergelegd in art. 2:135 lid 7 BW. Onder andere komen de geschiedenis, de techniek, en de toegevoegde waarde van de Afroomregeling ten opzichte van de tegenstrijdigbelangregeling uit de Wet bestuur en toezicht aan de orde. Vervolgens bespreken schrs. de effectiviteit en de arbeidsrechtelijke consequenties van de regeling. Mr. F.M. Dekker, ArbeidsRecht 2014/34 De formulering van een boetebeding De regeling van het boetebeding in artt. 7:650 en 7:651 BW doet bij eerste lezing ouderwets aan. Dat komt doordat deze artikelen sinds 1909 vrijwel ongewijzigd zijn gebleven. Het verouderde systeem van art. 7:650 BW is moeilijk werkbaar en kent tal van onduidelijkheden. Met een zorgvuldige formulering van het boetebeding in een arbeidsovereenkomst meent schr. evenwel dat nietigheid ervan moet worden voorkomen. In dit artikel beoogt schr. daartoe enkele praktische tips te geven. In de volgende paragraaf wordt in dat kader eerst kort de regeling van art. 7:650 en 7:651 BW geschetst. Daarna wordt aandacht besteed aan een drietal aspecten die blijkens de jurisprudentie vaak tot discussie leiden. Mr. P.G. Vestering, ArbeidsRecht 2014/35 Clawback en contractuele afspraken met de bestuurder Op 1 januari 2014 is de Wet claw back in werking getreden. Deze wet biedt vennootschappen onder meer de mogelijkheid excessieve bonussen en ontslagvergoedingen voor de bestuurder aan te passen, of terug te vorderen indien deze onterecht betaald blijken te zijn. Hoewel het de vraag is of deze wet juridisch veel toevoegt aan al bestaande bevoegdheden op dat vlak, zet de wet deze bevoegdheden wel nadrukkelijker op de kaart en moet (meestal) de raad van commissarissen over de toepassing hiervan verantwoording afleggen in het jaarverslag. Indien commissarissen hierdoor meer aandacht krijgen voor de clawback-mogelijkheden komt ook de vraag op wat deze wet betekent voor de bestaande beloningsafspraken of vertrekafspraken met de bestuurder. Moet bijvoorbeeld de raad van commissarissen zich altijd de aanpassings- of terugvorderbevoegdheid voorbehouden, ook in een beëindigingsovereenkomst? Of kan de bestuurder juist contractueel bedingen dat hij niet meer wordt lastig gevallen met deze bevoegdheden? Dit artikel gaat in op de vraag wat partijen contractueel hierover kunnen afspreken. Bedrijfsjuridische berichten Nr. 12, 19 juni 2014 Mr. T.L.C.W. Noordoven, Bb 2014/33 Naar een nieuw ontslagrecht (3): arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en ketenregeling De inwerkingtreding van de eerste onderdelen van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) per 1 juli 2014 komt steeds naderbij. Daarom worden de belangrijkste aanpassingen die deze wet meebrengt in een reeks artikelen uiteengezet. In Bb 2014/26 is een overzichtsartikel verschenen. In Bb 2014/29 is vervolgens ingegaan NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

46 Tijdschriften op de gevolgen die de WWZ heeft voor de loondoorbetalingsverplichting, proeftijd en het concurrentiebeding. In dit derde artikel van de reeks wordt ingegaan op de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en de beëindiging daarvan en worden de gevolgen die de WWZ heeft voor de ketenregeling besproken. PIV Bulletin Nr. 3, juni 2014 Mr. R. Meelker De Gedragscode Persoonlijk Onderzoek; wel of geen fraude De uitspraak van de Hoge Raad op 18 april betrof een geschil over een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Verzekerde meldde zich 8 april 2003 arbeidsongeschikt. Vervolgens volgden drie jaren waarin Interpolis uitkering deed aan verzekerde op basis van arbeidsongeschiktheidspercentages die varieerden van 50 tot 100%. In juli 2006 heeft Interpolis een persoonlijk onderzoek als bedoeld in de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (GPO) laten instellen. Aan verzekerde heeft zij gevraagd een vragenlijst in te vullen en gedurende een week een dagboek van zijn activiteiten bij te houden. Voorts is hij in september 2006 gedurende acht dagen geobserveerd. In het onderzoeksrapport is als conclusie vermeld dat verzekerde bewust onjuiste informatie aan Interpolis heeft verstrekt. Mr. H.W.M. Nacinovic Schadevergoeding en de Wet werk en bijstand Met enige regelmaat wordt de vraag voorgelegd wat de gemeente gaat doen met de schadevergoeding. Bedoeld wordt of de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en/of de Wet werk en bijstand (WWB) een claim op de te betalen letselschadevergoeding kan leggen. Praktijkblad Salarisadministratie 16e jrg. nr. 9, 13 juni 2014 Mr. B. Agerbeek Inlenersbeloning voor ingeleende arbeidskrachten. Loonverhoudingsvoorschrift uit WAADI Uitzendkrachten moeten dezelfde beloning krijgen als reguliere werknemers in de onderneming en branche van de inlenende onderneming. In dit artikel wordt aandacht besteed aan het spanningsveld dat in de praktijk ontstaat omdat verplichtingen worden opgelegd aan de inlenende onderneming en de uitlenende uitzendorganisatie. Ook als een werkgever arbeidskrachten inleent (en niet alleen van uitzendbureaus) kan de op de onderneming toepasselijke cao regels bevatten ter waarborg van betaling van de inlenersbeloning door de uitlenende organisatie. W. Bolderman Tegemoetkomingen partner- en wezen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid De wijzigingen in de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd kunnen fikse gevolgen hebben voor partner- en wezenpensioenen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. In een besluit van 20 december 2013 geeft de Staatssecretaris van Financiën een aantal tegemoetkomingen hiervoor. S. Schijf Personeelsdossier bij outsourcing. Denk aan de privacybelangen van werknemers Welke regels gelden bij de overdracht van personeelsdossiers ter bescherming van de privacy van werknemers? J. Boulet Omvang loondoorbetalingsplicht tijdens het derde ziektejaar Hoe zit het met de omvang van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij een loonsanctie tijdens het derde ziektejaar? De kantonrechter in Rotterdam is hier recent op ingegaan. Rechtskundig Weekblad 77e jrg. nr. 40, 7 juni 2014 P. Waterschoot De CAO nr. 81 en de privacybescherming van de werknemer, een afdwingbare norm of een papieren tijger? (België) In deze openingsrede uitgesproken door de advocaat-generaal op de openingszitting van het Arbeidshof te Gent op 3 september 2013 onderzoekt de spreker aan de hand van een aantal onuitgegeven arresten van het Arbeidshof te Gent de stand van zaken in verband met de waarde van het bewijsmateriaal, verkregen door de controle van internet- en gebruik van de werknemers door de werkgever in zaken van ontslag om dringende redenen. Hij stelt vast dat in de meeste uitspraken de Antigoonleer ten volle wordt toegepast, op twee dissidente uitspraken na. Zijn conclusie is dan ook dat de cao nr. 81 verworden is tot wat hij noemt een papieren tijger Staats- & bestuursrecht Bedrijfsjuridische berichten Nr. 12, 19 juni 2014 Mr. dr. C.N.J. Kortmann, Bb 2014/36 Chemie-Pack, doorbraakjurisprudentie van de bestuursrechter In een aantal recente uitspraken naar aanleiding van de brand bij Chemie-Pack te Moerdijk in 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet alleen verhaal van de saneringskosten op de drijver van de inrichting mogelijk geacht, maar ook op diverse andere vennootschappen uit het concern. De hoogste bestuursrechter lijkt daarbij beduidend verder te gaan dan tot nu toe volgde uit de jurisprudentie van de strafrechter over functioneel daderschap en van de civiele rechter over bestuurdersaansprakelijkheid. Met name eigenaren van industriële gronden en opstallen moeten op hun tellen passen. Nieuw Juridisch Weekblad 13e jrg. nr. 304, 11 juni 2014 E. Brewaeys Raad van State. Procesrechtelijke vernieuwingen (deel 2) (België) De wetgever heeft de Raad van State grondig hervormd bij wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State. Deze tweedelige bijdrage bespreekt minutieus de procesrechtelijke vernieuwingen voor de Raad van State. In het eerste deel komt de wettelijke hervorming aan bod. Het tweede deel behandelt de inwerkingtreding van de procedurevoorschriften, de kosten, de burgerlijke bevoegdheid, enkele organisatorische maatregelen en de elektronische procesvoering NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

47 Wetgeving Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen en gepubliceerde staatsbladen met links naar de integrale Kamerstukken is opgenomen op de NJB-site Staatsblad Dublinclaimanten Besluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, houdende een nadere regeling inzake de rust- en voorbereidingstermijn bij asielaanvragen In dit besluit wordt geregeld dat vreemdelingen ten aanzien van wie eerder is vastgesteld dat een andere lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek geen rust- en voorbereidingstermijn wordt gegeven indien zij vanuit bewaring een (volgend) asielverzoek indienen. Verder wordt de mogelijkheid geschrapt om bij ministeriële regeling te bepalen dat de rust- en voorbereidingstermijn niet van toepassing is indien de aanvraag wordt ingediend in het Aanmeldcentrum Schiphol. Nu het Justitiecomplex op Schiphol inmiddels tot stand is gekomen, is dit overbodig. Tot slot wordt geregeld dat een vreemdeling die in afwachting is van overdracht op grond van de Dublinverordening zich periodiek moet melden bij de korpschef. Inwerkingtreding Besluit van , Stb. 2014, 199 (Kamerstukken ) Modernisering arbitrage Wet tot wijziging van Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht Deze wet tot wijziging van de Nederlandse arbitrageregels is één van de maatregelen in het kader van de Innovatieagenda. Deze innovatiemaatregel brengt wijziging in het arbitragerecht op verschillende fron- ten, die er alle toe bijdragen dat bepaalde belemmeringen voor het gebruik van arbitrage worden weggenomen. De arbitrageprocedure wordt waar mogelijk vereenvoudigd en administratieve lasten worden verlicht, bijvoorbeeld door afschaffing van de verplichting tot deponering van het arbitrale vonnis. Ook wordt nadrukkelijk de mogelijkheid geschapen om ook gebruik te maken van eigentijdse elektronische middelen. Verder worden best practices uit de bestaande arbitragepraktijk gecodificeerd, zoals de regels over de schriftelijke fase in een arbitragegeding en de plaatsopneming en bezichtiging. Onduidelijkheden in de wet worden opgehelderd door bijvoorbeeld alle bepalingen betreffende het hoger beroep in één overzichtelijke afdeling te plaatsen. Het beleid van het kabinet om de rechter zo gericht mogelijk in te zetten leidt tot een aantal aanpassingen die de tussenkomst van de gewone rechter in de arbitrageprocedure betreffen. Zo komen er ruimere mogelijkheden voor al dan niet voorlopige bewijsmaatregelen in de arbitrageprocedure. Slechts bij uitzondering ligt hier een rol voor de gewone rechter. De procedure tot vernietiging van een arbitraal vonnis is teruggebracht tot een rechtsgang in één instantie, namelijk bij het gerechtshof. Ten slotte regelt de wet dat partijen ruimere mogelijkheden krijgen om zelf afwijkende afspraken voor hun arbitrageprocedure te maken. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bewijsvoering en het hoger beroep, waar de meeste bepalingen in het voorstel van regelend recht zijn. Afwijkende afspraken kunnen dan zowel blijken uit het door partijen gekozen arbitragereglement als uit door partijen zelf gemaakte afspraken. Het arbitraal beding wordt op de zwarte lijst van onredelijke bezwarende bedingen geplaatst. Dit zorgt ervoor dat een geschil tussen een consument en een ondernemer niet zomaar door middel van arbitrage kan worden beslecht. Naast het uitvoeren van de Innovatieagenda is het verbeteren van de concurrentiepositie van Nederland ook een aanleiding voor deze wet. Het bieden van een hoogwaardige geschilbeslechting zowel bij de overheidsrechter als in arbitrage is daarvoor essentieel. In de wet worden de Nederlandse arbitrageregels daarom, nog meer dan nu het geval is, geschoeid op de internationale leest van de modelwet van de Verenigde Naties op dit terrein (de Uncitral Model Law voor arbitrage) en gemoderniseerd. De wet maakt ook institutionele wraking mogelijk. Dit sluit aan bij de internationale arbitragepraktijk. Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip. Wet van , Stb. 2014, 200 (Kamerstukken ) Verruiming fouilleerbevoegdheden Inwerkingtreding Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen I en II van de Wet van 21 mei 2014 tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet wapens en munitie en de Politiewet 2012 (verruiming fouilleerbevoegdheden) (Stb. 2014, 191) Deze artikelen treden in werking met ingang van 1 juli Inwerkingtredingsbesluit van , Stb. 2014, 201 Legalisatie handtekeningen notarissen Wet tot wijziging van de Wet op het notarisambt en enkele andere wetten in verband met onder meer een gewijzigde regeling van de legalisatie van handtekeningen van notarissen De aanleiding voor deze wet is gelegen in de gewijzigde regeling van de legalisatie van handtekeningen van notarissen, zoals voorzien in de Wet van 29 september 2011 tot wijziging van de Wet op het notarisambt naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede regeling van enkele andere onderwerpen in die wet en wijziging van de Wet op het centraal testamentenregister en van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Stb. 2011, 470) (hierna: de evaluatiewet). In die wet was geregeld dat de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) voortaan de handtekeningen van de notarissen zou legaliseren. Deze regeling blijkt op zodanige prakti- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

48 Wetgeving Voorstel van rijkswet ( ) houdende regeling voor Nederland en Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf- en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Curaçao) De regeling bevat bepalingen ter vermijding van dubbele belasting en tegen het ontgaan van belasting. Vanwege de staatkundige verhouding tussen Nederland en Curaçao heeft deze regeling de vorm van een rijkswet. De structuur, inhoud en bewoorsche bezwaren te stuiten verband houdende met de grote aantallen legalisaties, de samenhang met de afgifte van apostilles door de rechtbanken en de toegankelijkheid van deze dienstverlening voor de burger, dat aanpassing is geboden. Door deze wet blijkt legalisatie van de handtekening van de notaris mogelijk bij de president van de rechtbank in het arrondissement waar de kamer voor het notariaat is gevestigd waaronder de notaris ressorteert. Verder wordt er op verzoek van de KNB in voorzien dat de versoepeling van de verplichte stageduur voor kandidaatnotarissen die in deeltijd werken ook wordt toegepast bij de eisen voor de benoeming tot notaris en de benoeming tot waarnemer. Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip, deels met terugwerkende kracht tot en met 1 januari Wet van , Stb. 2014, 202 (Kamerstukken ) Limitering aansprakelijkheid luchtvaart Besluit houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 110 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (Tijdelijk besluit limitering aansprakelijkheid voor terrorismeschade luchtvaart) Op 23 juli 2004 is het Tijdelijk besluit limitering aansprakelijkheid voor terrorismeschade in verband met wijziging van de Luchtvaartwet (Stb. 2004, 358) in werking getreden. Ingevolge het derde artikel van dit besluit vervalt het tien jaar na inwerkingtreding, te weten op 24 juli Het besluit bevat een beperking van de aansprakelijkheid van luchthavenexploitanten en luchtvervoerders voor terrorismeschade. De kans op een terroristische aanslag, de onmogelijkheid om volledig waterdichte veiligheidscontroles uit te voeren en de beperkte mogelijkheid van luchthavenexploitanten en luchtvervoerders zich te verzekeren tegen aansprakelijkheid voor terrorismeschade, zijn ten opzichte van de situatie in 2004 niet zodanig veranderd dat luchthavenexploitanten en luchtvervoerders het nu zonder beperking van hun aansprakelijkheid kunnen stellen. Gelet daarop wordt het aangewezen geacht om de aansprakelijkheidsbeperking te verlengen en wel weer met een termijn van tien jaar. Inwerkingtreding m.i.v en verval tien jaar na die datum. Besluit van 5 juni 2014, Stb. 2014, 203 Modernisering huurcommissie Wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte in verband met de modernisering en vereenvoudiging van de werkwijze van de huurcommissie Gezien het streven naar een goedkoper, flexibeler en efficiënter werkende overheid en een meer efficiënte en doeltreffende ondersteuning van huurders en verhuurders bevat deze wet een aantal samenhangende maatregelen, op basis van signalen uit de uitvoeringspraktijk, om te komen tot transparantere en eenvoudiger procedures binnen de huurprijsregelgeving. Dit leidt tegelijkertijd tot een efficiëntere uitvoering van de beslechting van geschillen over de huurprijs. De in deze wet opgenomen maatregelen betreffen de vereenvoudiging van: de legesregeling bij de huurcommissie; de huurprijsregeling indien een zogenaamde all-in prijs is overeengekomen; de beoordeling van de servicekosten door de huurcommissie; de beoordeling van onderhoudsgebreken door de huurcommissie; de zogenaamde rappelprocedure inzake de huurverhoging. Wet van , Stb. 2014, 205 (Kamerstukken ) Nieuwe wetsvoorstellen Europees Beschermingsbevel Wetsvoorstel ( ) tot implementatie van richtlijn 2011/99/ EU van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338) De richtlijn Europees Bescher- mingsbevel (hierna: de richtlijn) beoogt maatregelen die een slachtoffer beschermen en zijn opgelegd in de ene lidstaat, te kunnen uitbreiden naar een andere lidstaat. Een Europees beschermingsbevel kan alleen worden uitgevaardigd indien in de beslissingsstaat al een nationale beschermingsmaatregel is vastgesteld. Het moet daarbij gaan om beslissingen in strafzaken. Drie typen beschermingsmaatregelen kunnen worden omgezet in een Europees beschermingsbevel: locatieverboden, contactverboden en benaderingsverboden. Andere maatregelen kunnen niet worden overgedragen op basis van de richtlijn. Nederland heeft een taak als uitvoerende lidstaat, als Nederland een EB uit een andere lidstaat ontvangt. Hiernaast heeft Nederland een rol als uitvaardigende lidstaat, in het geval een Nederlandse autoriteit een EB uitvaardigt en een andere lidstaat dit EB tenuitvoer moet leggen. De richtlijn laat een aantal punten expliciet over aan de nationale wetgever. Bovendien wordt een aantal aspecten niet geregeld in de richtlijn en is op nationaal niveau aanvullende regelgeving nodig met het oog op de zorgvuldigheid van procedures en op de uitvoerbaarheid in de praktijk. Een voorbeeld hiervan betreft het kennisgeven van beslissingen die de bevoegde autoriteit heeft genomen, aan alle betrokken partijen en de wijze waarop dit moet geschieden. Kamerstukken II 2013/14, , nrs. 1-4 Belastingregeling Nederland Curaçao 1708 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

49 Wetgeving dingen van de regeling stemmen echter in grote mate overeen met hetgeen bij belastingverdragen gebruikelijk is. De belangrijkste onderwerpen waar beide landen vooraf verschillende standpunten over innamen en die tijdens de besprekingen uitgebreid aan de orde zijn gekomen, hadden betrekking op: de behandeling van deelnemingsdividenden, de artikelen die zien op het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de in de regeling opgenomen bepalingen, de verdeling van heffingsrechten over pensioenen en hoe om te gaan met de waarborging van nationale successie- en schenkingsheffingen en heffingsrechten over voordelen uit aanmerkelijk belang na emigratie van een natuurlijk persoon. Verder is een belangrijk onderwerp van de regeling de uitwisseling van informatie tussen de belastingdiensten van beide landen. In zijn algemeenheid kan hierover worden opgemerkt dat Nederland en Curaçao op dit punt aansluiting zoeken bij de mondiale ontwikkelingen. Kamerstukken II 2013/14, (R2032), nrs. 1-3 Elektronisch bekendmaken Wetsvoorstel ( ) tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met bekendmakingen aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats Met dit wetsvoorstel wordt mogelijk gemaakt dat bekendmakingen aan personen zonder bekende woonof verblijfplaats elektronisch worden gedaan. Deze publicaties vinden thans in dagbladen plaats. Het wetsvoorstel ziet op vier categorieën publicaties aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats die via het internet zullen worden gedaan. Het betreft ten eerste de uittreksels van exploten op grond van artikel 54 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de zogenoemde openbare exploten. In de tweede plaats betreft het de bekendmakingen van oproepingen van verkeersovertreders in het kader van gijzeling op grond van artikel 28 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Met betrekking tot de uittreksels van openbare exploten is door de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) geadviseerd om deze elektronisch te publiceren. Voorts betreft het de oproepingen aan personen zonder bekend adres in het kader van gijzeling van degenen aan wie in een strafbeschikking een geldboete is opgelegd (art. 578b Wetboek van Strafvordering) en de oproepingen van belanghebbenden zonder bekende woon- of verblijfplaats in civiele verzoekschriftprocedures (art. 272 Rv). Tevens wordt in verband met het voorgaande een wijziging in de Bekendmakingswet voorgesteld, strekkend tot het in rekening kunnen brengen van kosten van publicaties in de Staatscourant. Kamerstukken II 2013/14, , nrs. 1-4 Financieel toezicht Wetsvoorstel ( ) tot wijziging van de Wet bekostiging financieel toezicht in verband met de afschaffing van de overheidsbijdrage, de invoering van Europees bankentoezicht en de bestemming van door de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank opgelegde dwangsommen en boetes De Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft) dient op een aantal punten te worden gewijzigd. Directe aanleiding hiervoor is het voornemen, vastgelegd in het regeerakkoord Bruggen slaan van 29 oktober 2012, tot afschaffing van de overheidsbijdrage voor het door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) uit te oefenen toezicht op de financiële markten. Daarnaast is rekening te houden met de nieuwe toezichttaken van de Europese Centrale Bank (ECB) die voortvloeien uit verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287). Tevens voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid om een bepaald deel van de opbrengsten uit dwangsommen en bestuurlijke boetes toe te laten komen aan de Staat. Kamerstukken II 2013/14, , nrs Vervolgstukken Winstuitkering medisch-specialistische zorgaanbieders Nota n.a.v. het verslag ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en enkele andere wetten om het mogelijk te maken dat aanbieders van medischspecialistische zorg, mits zij aan een aantal voorwaarden voldoen, winst uitkeren (voorwaarden voor winstuitkering aanbieders medisch-specialistische zorg). Kamerstukken I 2013/14, , nr. 18 Verticale integratie zorg Brief van Minister van VWS ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten, teneinde te voorkomen dat zorgverzekeraars zelf zorg verlenen of zorg laten aanbieden door zorgaanbieders waarin zij zelf zeggenschap hebben. Brief met reactie op bericht inzake uitspraken over verschillende polissen en vergoeding van niet-gecontracteerde zorg in verhouding tot het aanhangige wetsvoorstel. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 22 Flexibel cameratoezicht Voorlopig verslag van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Gemeentewet in verband met de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester tot de inzet van cameratoezicht. Kamerstukken I 2013/14, , A Financieel-economische criminaliteit Nota van wijziging ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing, vervolging, alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

50 Wetgeving criminaliteit). Kamerstukken II 2013/14, , nr. 10 Digitale handhaving Memorie van Antwoord ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, het Wetboek van Strafvordering en de Gemeentewet in verband met de digitalisering van de handhaving van veelvoorkomende overtredingen (Wet digitale handhaving veelvoorkomende overtredingen). Kamerstukken I 2013/14, , B Versobering kindregelingen Brief van de Minister van SZW ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet studiefinanciering 2000 en enige andere wetten in verband met hervorming en versobering van de kindregelingen (Wet hervorming kindregelingen). Brief inzake de toezegging van de uitbreiding van het extra overgangsvan alleenstaande ouders in de bijstand. Kamerstukken I 2013/14, , H Voortgezette tenuitvoerlegging Eindverslag ( ) over het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen in verband met aanvulling van de bepaling over de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. Kamerstukken I 2013/14, , A Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Memorie van antwoord ( ) bij het wetsvoorstel houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Kamerstukken I 2013/14, , G Kapitaalvereisten Memorie van antwoord ( ) en eindverslag ( ) bij het wetsvoorstel voor een implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten. Kamerstukken I 2013/14, , C en D Verzamelwet pensioenen 2014 Brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( ) en de tweede nota van wijziging ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enkele andere wetten in verband met het van toepassing worden van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten en in verband met enkele andere wijzigingen (Verzamelwet pensioenen 2014). Brief met het verzoek de plenaire behandeling van de Verzamelwet pensioenen 2014 uit te stellen, zodat de Tweede Kamer over het gehele wetsvoorstel, inclusief deze nota van wijziging, kan debatteren. Kamerstukken II 2013/14, , nr Wijziging Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof Nota n.a.v. het verslag ( ) bij Voorstel van Rijkswet houdende Goedkeuring en uitvoering voor de wetgeving op Koninkrijksniveau van de op 10 en 11 juni 2010 te Kampala aanvaarde wijzigingen van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2011, 73). Kamerstukken II 2013/14, (R2024), nr. 6 Langdurige Zorg Nota van wijziging ( ) bij het wetsvoorstel met Regels inzake de verzekering van zorg aan mensen die zijn aangewezen op langdurige zorg (Wet langdurige zorg). Kamerstukken II 2013/14, , nr. 10 Kiesrecht niet-nederlandse ingezetenen BES-eilanden Nota naar aanleiding van het verslag Wetsvoorstel ( ) bij de wijziging van de Kieswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende aanpassing van de regeling met betrekking tot het kiesrecht van niet-nederlanders bij eilandsraadsverkiezingen. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 6 CO2 opslag in zee Goedkeuring Eindverslag ( ) over het wetsvoorstel tot Goedkeuring van de op 30 oktober 2009 te Londen tot stand gekomen wijziging van artikel 6 van het Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972, zoals opgenomen in Resolutie LP.3(4) (Trb. 2011, 72) Kamerstukken I 2013/14, , A CO2 opslag in zee Uitvoering Eindverslag ( ) over het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES in verband met de uitvoering van de op 30 oktober 2009 tot stand gekomen wijziging van artikel 6 van het op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van de verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972, zoals opgenomen in Resolutie LP.3(4) (Trb. 2011, 72) Kamerstukken I 2013/14, , A Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Verslag ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen in verband met het aansluiten van zelfstandige bestuursorganen op de rijksinfrastructuur en enkele technische aanpassingen. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 5 Wijzigingswet financiële markten 2015 Verslag ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2015). Kamerstukken II 2013/14, , nr. 7 Elektronische vispas Verslag ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Visserijwet 1963 om de mogelijkheid op te nemen om gegevens van de schriftelijke toestemming voor sportvisserij op de binnenwateren elektronisch te kunnen verstrekken in plaats van uitsluitend op schrift. Kamerstukken II 2013/14, , nr NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

51 Wetgeving 1262 Nota s, rapporten & verslagen Informatie herkomstlanden asielzoekers Brief van de Staatssecretaris van VenJ en de Minister van BuZa ( ) over de Europese samenwerking op het gebied van het verzamelen en publiceren van landeninformatie over herkomstlanden van asielzoekers. de Europese samenwerking op het gebied van landeninformatie moet gezien worden in het licht van harmonisatie van het Europees asielsysteem. De komende jaren zullen vooral in het teken staan van de implementatie van de tweede fase van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (GEAS) zoals dat in verschillende Europese richtlijnen en verordeningen is vorm gegeven. De ontwikkeling naar een GEAS zou er in de visie van Nederland uiteindelijk toe moeten leiden dat een vergelijkbaar asielverzoek in alle lidstaten tot dezelfde uitkomst leidt. Vanuit de gedachte van verdere harmonisatie is het gewenst dat parallel aan het implementatietraject gestreefd wordt naar gezamenlijke Europese ambtsberichten op basis waarvan uiteindelijk een gezamenlijk Europees beleidsoordeel kan worden gegeven over de situatie in relevante landen van herkomst van asielzoekers. Het Ministerie van BuZa is, zoals bekend, verantwoordelijk voor het opstellen van algemene en thematische ambtsberichten op het gebied van herkomstlanden van asielzoekers. Het Ministerie van VenJ is verantwoordelijk voor het bepalen van het asielbeleid, mede gebaseerd op deze ambtsberichten. In de huidige praktijk is de wijze van het opstellen van ambtsberichten zeer uiteenlopend in de verschillende lidstaten. In sommige lidstaten mag alleen gebruik worden gemaakt van openbare bronnen terwijl in andere lidstaten (waaronder Nederland) ook gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke bronnen. Andere verschillen zijn gelegen in de inhoudelijke diepgang van de informatie, het al dan niet publiceren van landenrapportages en de Terms of Reference (TOR), het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de TOR en het trekken van conclusies in de landenrapportage (dit laatste is geen gebruik in Nederland). Het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) heeft bevoegdheid op het terrein van het verzamelen en verspreiden van informatie over landen van herkomst van asielzoekers vanuit een Europees perspectief. Het ligt dus voor de hand om vanuit het EASO de Europese samenwerking van lidstaten op het gebied van landeninformatie verder te versterken. De door EASO in 2012 opgestelde thematische ambtsberichten over Afghanistan zijn een eerste aanzet van wat op termijn kan uitgroeien tot Europese ambtsberichten. Nederland is voorstander van het verder ontwikkelen van algemene ambtsberichten via EASO en is uiteraard bereid zijn expertise daarvoor beschikbaar te stellen. In EASOverband zijn inmiddels drie expertnetwerken opgericht waarin landeninformatie wordt gedeeld met alle lidstaten op de specifieke landen Somalië, Syrië en Pakistan. Ook met betrekking tot Iran, Afghanistan en de Russische Federatie zullen in de loop van 2014 expertnetwerken worden opgericht binnen welke op gelijke wijze informatie zal worden gedeeld. Parallel aan de activiteiten die binnen EASO vorm krijgen, heeft Nederland Noorwegen, Zweden en België benaderd om te bekijken of er een nauwere samenwerking mogelijk is bij het ontwikkelen van gezamenlijke algemene ambtsberichten die direct kunnen dienen als substituut voor de nationale berichten van deze landen. EASO is bij de totstandkoming hiervan niet betrokken aangezien de inhoudelijke eisen die de genoemde landen stellen aan een zodanige rapportage niet aansluiten bij de behoefte/wens van een groot aantal lidstaten. Tussen de samenwerkende landen is afgesproken om nog dit jaar gezamenlijk een algemeen ambtsbericht op te stellen over Libië. Indien het resultaat positief is en aan de kwaliteitseisen voldoet die voor Nederland van belang zijn, is het de bedoeling dat dit ambtsbericht dienst zal doen als een regulier ambtsbericht. Kamerstukken II 2013/14, , nr Asielbeleid voor LHBT s Brief van de Staatssecretaris van VenJ ( ) over het eventueel schrappen van een passage inzake de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in het land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten en de aannemelijkheid daarvan in de Vreemdelingencirculaire (Vc). De bewindsman heeft eerder toegezegd te bezien of de passage in de Vc inzake de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in het land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten en de aannemelijkheid daarvan, verwijderd kan worden. De huidige passage in de Vc luidt als volgt: Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling betrekt de IND ook de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in zijn land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten en de aannemelijkheid daarvan. Hiertoe onderzoekt de IND hoe de vreemdeling in het verleden en heden, in Nederland of elders, invulling heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Punt van kritiek vanuit de Kamer was dat deze formulering in de Vc in strijd zou zijn met het beginsel dat geen terughoudendheid mag worden gevraagd. Daarom zou deze passage geschrapt moeten worden. De vraag naar de wijze van uiten wordt echter gesteld om te kunnen beoordelen of de persoon bij terugkeer zal worden blootgesteld aan vervolging en is zeker geen verkapte terughoudendheidstoets. De toetsing als opgenomen in de Vc volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overweegt dat bij de beoordeling of een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft ook de verklaringen van een vreemdeling betrokken moeten worden over de wijze waarop hij na terugkeer in zijn land van herkomst invulling aan zijn seksuele gerichtheid zal geven. De Afdeling geeft met deze uitspraak uitleg aan de uitspraak van het Europese Hof van Justitie over de door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen. Ook al zou de betreffende passage uit de Vc geschrapt worden, dan nog zouden de rechtbanken en de Afdeling NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

52 Wetgeving asielverzoeken van LHBT s in voorkomende gevallen blijven toetsen zoals in de uitspraak van de Afdeling vermeld staat. Dat is immers blijkens de rechtspraak de juiste uitleg van de EU-kwalificatierichtlijn. In de praktijk toetst de IND in een gehoor van een asielzoeker die stelt dat hij lesbisch, homo, biseksueel of transgender is, allereerst of het geloofwaardig is dat de vreemdeling LHBT is. Op basis van de tekst in de Vc waar het in deze brief om gaat zullen, met het doel te kunnen vaststellen of de (geloofwaardige) LHBT asielzoeker een reële vrees voor vervolging heeft, aan de vreemdeling vragen worden gesteld over de beleving van zijn LHBT-zijn en de wijze waarop hij voornemens is die gerichtheid bij terugkeer te uiten. Bij de individuele toetsing wordt het relaas beoordeeld tegen het licht van de situatie van LHBT s in het land van herkomst. Bij die toetsing hanteert de IND een bepaalde ondergrens die voor iedereen geldt. Dit betekent dat iemand invulling aan zijn gerichtheid moet kunnen geven op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst wordt geaccepteerd. Juist in een situatie waarin een asielzoeker aangeeft zijn gerichtheid op een manier te zullen gaan uiten die aanzienlijk verder gaat dan de genoemde ondergrens, is het van belang om ten aanzien van de individuele vreemdeling te kunnen beoordelen of hij vanwege de invulling van zijn gerichtheid risico loopt op vervolging. Indien de IND het aannemelijk acht dat hij inderdaad op een extreme manier uiting zal geven aan zijn seksuele gerichtheid en dit een reëel risico op vervolging meebrengt, zal een vergunning verstrekt worden. Indien de asielzoeker stelt zijn gerichtheid te gaan uiten op een manier die niet strookt met de beleving van de gerichtheid in Nederland of elders, voorafgaand aan het vertrek naar Nederland, kunnen de verklaringen hierover ongeloofwaardig worden geacht. Indien de verklaringen hieromtrent ongeloofwaardig worden geacht zullen deze ongeloofwaardige uitingen verder buiten de beoordeling worden gelaten en zal worden beoordeeld welk risico de vreemdeling in zijn land loopt als hij een normaal leven zal gaan leiden. Als hij in die situatie een risico loopt op vervolging, krijgt hij een verblijfsvergunning. Dit betekent dus geen eis om zich terughoudend op te stellen. Voorts zal de IND niet afzien van het verlenen van een vergunning omdat een LHBT asielzoeker aangeeft zijn gerichtheid vanwege de sociale druk of schaamte, bijvoorbeeld voor zijn ouders, verborgen te zullen houden, terwijl het tot vervolging zou leiden als hij dat niet zou doen. De jurisprudentie lijkt die ruimte wel te bieden, maar van deze ruimte wordt geen gebruik gemaakt. De huidige tekst van de Vc sluit goed aan bij de uitspraak van de Afdeling naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Nu de tekst van de Vc blijkbaar tot onduidelijkheid leidt is besloten om deze als volgt aan te passen: De IND moet beoordelen of de aannemelijk geachte uitingen van de seksuele gerichtheid van de vreemdeling in het land van herkomst tot vervolging zullen leiden. Hiertoe toetst de IND of de wijze waarop de vreemdeling aangeeft zijn seksuele gerichtheid te zullen uiten na terugkeer in het land van herkomst aannemelijk wordt geacht. Indien een deel van die verklaringen als onaannemelijk moet worden gezien, bijvoorbeeld omdat deze niet stroken met de uitingen in Nederland of elders voorafgaand aan zijn vertrek naar Nederland, zullen de gestelde uitingen niet bij de beoordeling worden betrokken. De IND beoordeelt de wel aannemelijk geachte uitingen tegen het licht van de situatie in het land van herkomst. De IND verlangt van de vreemdeling geen terughoudendheid bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid en hanteert om die reden, bij de beoordeling van het risico op vervolging, steeds een zekere ondergrens. Uitgangspunt is dat iemand zijn gerichtheid zal uiten en relaties zal aangaan op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst is geaccepteerd. Voorts gaat de IND er bij de beoordeling van het risico op vervolging vanuit dat de directe omgeving van de vreemdeling op de hoogte is of zou kunnen geraken van de seksuele gerichtheid. Kamerstukken II 2013/14, , nr Eritrea Brief van de Staatssecretaris van VenJ ( ) over betrokkenheid van de Eritrese overheid bij mensensmokkel en bij de afpersing van vluchtelingen. Berichten over de betrokkenheid van de Eritrese overheid bij mensensmokkel en afpersing van vluchtelingen zijn bij de bewindsman bekend en hebben zijn aandacht. Op dit moment worden alle signalen van mensensmokkel, binnen de ter beschikking staande juridische kaders, nader onderzocht. De heffing van de zogenoemde diaspora belasting is op zichzelf niet illegaal. Dit geldt ook voor het onthouden van overheidsdiensten door Eritrea bij een weigering om te betalen. Als de heffing echter onder dwang of intimidatie gebeurt, is dit wel illegaal en kunnen er stappen worden ondernomen tegen de betrokkenen. Voor het vaststellen of misdrijven als afpersing en soortgelijke delicten aan de orde zijn, zijn politie en OM in belangrijke mate afhankelijk van aangifte en melding door de slachtoffers. Zodra er aangifte is gedaan zal de politie onder leiding van het OM daar onderzoek naar doen. Lopende een onderzoek worden geen mededelingen daarover gedaan. Dit probleem wordt overigens door Nederland ook in EU-verband geagendeerd. De Nederlandse ambassade in Eritrea is sinds december 2011 gesloten. De Eritrese ambassade in Nederland wordt al enige jaren geleid op niveau van tijdelijk zaakgelastigde. Vanwege de economische situatie en het slechte investeringsklimaat van Eritrea is er nauwelijks sprake van bilaterale economische betrekkingen tussen beide landen. Kamerstukken II 2013/14, , nr Schaliegas Brief van de Minister van BuZa ( ) met een fiche inzake een Mededeling en aanbeveling minimumbeginselen exploratie en productie schaliegas. Aardgas uit schalielagen kan volgens de Commissie een mogelijk alternatief zijn voor meer koolstofintensieve fossiele brandstoffen welke de afhankelijkheid van energieleveranciers van buiten de EU vermindert. Er zijn echter ook onzekerheden en risico s te benoemen bij het explo NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

53 Wetgeving reren en winnen van schaliegas. De voornaamste zorg van de Commissie is het risico op verontreiniging van grond- en oppervlaktewateren, mede in relatie tot de drinkwaterwinning. Daarnaast heeft de Commissie zorgen over bodemverontreiniging, de verwerking van afvalstoffen, gevolgen voor de leefomgeving (verkeersbewegingen, infrastructurele aanpassingen) en transparante besluitvorming. De Commissie geeft in haar mededeling aan dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming over hun energiemix. Het is dan ook aan de lidstaten om te beslissen of zij de exploratie of productie van aardgas uit schalieformaties of andere niet-conventionele bronnen van koolwaterstoffen toestaan. De lidstaten die dat doen, zullen er echter voor moeten zorgen dat aan voorwaarden is voldaan met betrekking tot duidelijkheid en voorspelbaarheid voor exploitanten en burgers over toelating van schaliegaswinning en de eisen waaronder de toelating wordt gegeven, en dat er terdege rekening wordt gehouden met de uitstoot van broeikasgassen en klimaat- en milieurisico s. De Commissie geeft in de mededeling aan met minimumbeginselen voor milieubescherming en publieksparticipatie te komen voor die landen die tot schaliegasboringen overgaan. Kamerstukken II 2013/14, , nr Socialezekerheidsverdrag Marokko, woonlandbeginsel Brief van de Minister van SZW ( ) over de laatste stand van zaken met betrekking tot de verdragsonderhandelingen met Marokko over aanpassing van het bilaterale socialezekerheidsverdrag. Ook wordt ingegaan op de recente rechterlijke uitspraken over de toepassing van het woonlandbeginsel. Er dienen 19 bilaterale sociale zekerheidsverdragen te worden aangepast met het oog op het stopzetten van de export van kinderbijslag en kindgebonden budget. Bij een deel van deze verdragen, waaronder het verdrag met Marokko, dient het verdrag ook te worden aangepast met het oog op het beëindigen van de werelddekking bij tijdelijk verblijf in het kader van de Zorgverzekeringswet. Naar aanleiding van deze wens zijn Nederland en Marokko sinds 1 jaar in overleg over aanpassing van het verdrag. In april van dit jaar heeft de laatste onderhandelingsronde met Marokko plaatsgevonden. Het overleg met Marokko heeft nog niet tot resultaten geleid. De standpunten liggen nog steeds ver uit elkaar. Afgesproken is om in principe in september van dit jaar de onderhandelingen voort te zetten. Dit in de veronderstelling dat tegen die tijd het wetsvoorstel Herziening exportbeperking kinderbijslag (Whek) is aangenomen en de meest relevante vonnissen inzake het woonlandbeginsel zijn gewezen. De minister geeft in deze brief ook een overzicht van de jurisprudentie die tot nu toe gewezen is inzake de toepassing van het woonlandbeginsel. Gelet op deze jurispudentie wil de minister aan het woonlandbeginsel als zodanig vasthouden. Met betrekking tot de Anw-uitkering naar Turkije en Marokko ziet hij ruimte om onderscheid te maken tussen oude en nieuwe gevallen. Wat betreft de overige (verdrags)landen is de SVB in overleg met het departement doende per land te bezien wat de gevolgen van de uitspraken van de CRvB over de Turkse en Marokkaanse zaken zijn voor de toepassing van het woonlandbeginsel op Anw-uitkeringen. Niet uitgesloten wordt dat voor meer landen geldt dat hetzelfde onderscheid moet gelden tussen oude en nieuwe gevallen als bij Marokko en Turkije. Daarnaast worden op dit moment de rechtszaken afgewacht over de AKW en de WGA-vervolguitkering. Daarnaast kan de onderhoudseis zo nodig via wetswijziging worden gerepareerd. Waarbij wordt opgemerkt dat de uitspraken van de CRvB weliswaar worden gevolgd maar nog niet gecodificeerd. Tot slot geeft de minister aan waarom het zijns inziens niet verstandig is om tot opzegging van het bilaterale verdrag met Marokko over te gaan. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 517 Biotechnologie Brief van de Staatssecretaris van IenM ( ) over het voorstel van de Europese Commissie (EC) over de nationale bevoegdheid om de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen (gg-gewassen) op eigen grondgebied geografisch te beperken of te verbieden. Dit voorstel werd besproken tijdens de Milieuraad van 12 juni In de huidige situatie is het zo dat gggewassen in de gehele EU mogen worden geteeld als deze gewassen de Europese toelatingsprocedure hebben doorlopen. Aan de toelating van gg-gewassen gaat een uitvoerige en zorgvuldige veiligheidsbeoordeling vooraf. Lidstaten kunnen echter andere redenen dan veiligheid hebben om de teelt van gg-gewassen te willen weren. Nederland zet zich daarom al een aantal jaren ervoor in, dat lidstaten de mogelijkheid krijgen de teelt van in de EU toegelaten gggewassen op eigen grondgebied geografisch te beperken of te verbieden. Het voorstel omvat twee fasen. Direct nadat een aanvraag voor toelating voor teelt in de EU van een gg-gewas is gepubliceerd, kan een lidstaat in de eerste fase de aanvrager verzoeken (een deel van) het grondgebied van die lidstaat uit te sluiten van de aanvraag. De aanvrager kan er dan voor kiezen om zijn aanvraag aan te passen. Wil de aanvrager dit niet, dan kan een lidstaat in de tweede fase zelf een nationale beperkingsmaatregel nemen om alsnog de teelt van het Europees toegelaten gg-gewas geografisch te beperken of te verbieden op eigen grondgebied. Een nationale beperkingsmaatregel mag pas in werking treden vanaf het moment van toelating van het gggewas. Een belangrijke conclusie uit de eerdere analyses is, dat lidstaten de juridische validiteit zelf in de hand hebben bij het nemen van een beslissing over het gebruik maken van de mogelijkheid die door het voorstel wordt geboden. Of een maatregel die een lidstaat op grond van het voorstel neemt juridisch valide is, is afhankelijk van de onderbouwing die de lidstaat voor die maatregel geeft. In de juridische analyses is tevens aandacht besteed aan de voorwaarden waaraan een nationale maatregel moet voldoen om juridisch valide en WTO conform te zijn. Deze voorwaarden zijn, kort gezegd: een maatregel moet proportioneel, non-discriminatoir en goed onderbouwd zijn, en moet gebaseerd zijn op een specifieke, case-by-case afweging, dat wil zeggen gericht op één gg-gewas of gericht op één gebied. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 282 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

54 Wetgeving Integriteit overheid Brief van de Minister van BZK ( ) bij de aanbieding van het Jaarverslag van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid Het jaarverslag is als bijlage bij deze brief te vinden. In 2013, het eerste volle jaar van het bestaan van de Onderzoeksraad, hebben drie activiteiten centraal gestaan: 1. Allereerst het doen van onderzoeken naar aanleiding van meldingen van vermoedens van misstanden. 2.Daarnaast heeft de Onderzoeksraad de aansluiting van de gemeenten en waterschappen voorbereid, samen met betrokken koepelorganisaties VNG en UVW. Het hebben van één loket voor het melden van misstanden, één begrippenkader, één meldprocedure en één methode van onderzoek voor het openbaar bestuur, schept voor iedereen duidelijkheid en expertise wordt gedeeld. 3. Tot slot heeft de Onderzoeksraad gewerkt aan de verhoging van de naamsbekendheid bij de sectoren en binnen de politiek. In 2013 konden ambtenaren van Rijk, Politie, Defensie, Provincies en een aantal zelfstandige bestuursorganen melding doen bij de Onderzoeksraad Integriteit Overheid van vermoedens van een misstand, zij het nadat in beginsel eerst intern was gemeld. In het verslagjaar 2013 hebben in totaal 74 personen een beroep gedaan op de Onderzoeksraad. Met deze meldingen is het volgende gebeurd: delen verzoeken: 3 advies: in portefeuille: 4 advies zijn als volgt geklassificeerd: tie: 33 anders: 3 torenorganisaties: 4 De afhandeling verliep als volgt: Eind 2013 is de Onderzoeksraad gestart met de ontwikkeling van een onderzoeksprotocol. Dit protocol heeft tot doel de kwaliteit van onderzoeken en het verloop van het onderzoeksproces te waarborgen. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 77 Agentenoperaties AIVD 2014) over een onderzoek door Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van enkele langlopende agentenoperaties door de Algemene Inlichtingenen Veiligheidsdienst (AIVD). Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de CTIVD een toezichtsrapport vastgesteld (rapportnummer 37). Dit rapport is deels openbaar, deels geheim. Het openbare deel van het toezichtsrapport wordt als bijlage bij deze brief aangeboden. De minister geeft tevens zijn reactie. De geheime bijlage van het rapport is aan de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer toegezonden. Het onderzoek van de Commissie heeft zich toegespitst op vijf agentenoperaties met een looptijd van meer dan een jaar, die in het kader van de veiligheidstaak van de AIVD zijn ingezet, meer specifiek in het kader van het onderzoek naar terrorisme, radicalisering en extremisme. Daarbij is in het bijzonder gekeken naar de vragen omtrent de instructie en de aansturing van agenten door de AIVD. Onderzocht is hoe de AIVD de regie houdt over de inzet van de agent, hoe de belangen van de agent en de AIVD tegen elkaar worden afgewogen en hoe wordt gestuurd op de doelen die men beoogt te bereiken. De Commissie stelt vast dat in alle gevallen sprake lijkt te zijn van een samenwerkingsrelatie waarbij de AIVD de controle heeft over hoe de agent wordt ingezet in de targetomgeving en dat de veiligheid van de agenten ten gevolge van hun inzet door de AIVD niet in gevaar is gekomen. Daarnaast is veel aandacht besteed aan de wijze waarop er bij de inzet van langlopende agentenoperaties wordt omgegaan met de betrokkenheid van agenten bij het plegen van strafbare feiten. Het uitgangspunt van de dienst is dat een agent slechts bij uitzondering strafbare feiten pleegt. De agenten in de onderzochte operaties hebben slechts dan een instructie gekregen voor het plegen van strafbare feiten, wanneer dit noodzakelijk was in het kader van de goede taakuitvoering van de dienst dan wel de veiligheid van de agent. De agenten hebben evenmin andere personen aangezet tot het plegen van strafbare feiten. De CTIVD heeft in het rapport geen onrechtmatigheden geconstateerd. Wel heeft zij een aantal kritiekpunten en heeft zij daartoe een aantal aanbevelingen gedaan waar de minister zich in kan vinden. De belangrijkste kritiekpun- breken van evaluaties bij langlopende operaties, zowel tussentijds als na agent niet altijd duidelijk welke strafbare feiten hij mag plegen, onder welke omstandigheden hij dat mag doen en wat de gevolgen kunnen zijn wanneer hij door zijn handelen in aanraking komt met politie en justi- zien van operaties waarbij strafbare feiten (voorzienbaar) een rol spelen Openbaar Ministerie moeten goede en toetsbare afspraken worden gemaakt over de toestemming voor het plegen van strafbare feiten door agenten van de AIVD. Met deze laatste aanbeveling worden eventuele bezwaren inzake het niet opstellen van een AMvB over strafbare feiten, waartoe het kabinet heeft besloten (Kamerstuk , nr. 2, p. 7), weggenomen. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 108 Lokale democratie 2014) over de uitkomsten van de monitoring van Nederland over de toepassing en naleving van het Europees handvest inzake lokale autonomie en het aanvullend protocol burgerparticipatie. In mei 2013 bracht een monitoringscomité van het Congres van lokale en regionale overheden (kortweg Congres), onderdeel van de Raad van Europa (RvE), voor de derde maal een bezoek aan Nederland (eerdere toepassing en naleving van het Europees handvest inzake lokale autonomie en het aanvullend protocol burgerparticipatie. Het als bijlage 1714 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

55 Wetgeving meegestuurde eindrapport is op 26 maart 2014 vastgesteld tijdens de plenaire vergadering van het Congres. Het congres is van mening dat het goed gesteld is met de lokale en regionale autonomie in Nederland en kijkt met tevredenheid naar de in zijn algemeenheid goede verhouding en samenwerking tussen de nationale overheid en de decentrale overheden. In de vorm van zeven aanbevelingen zijn aandachtsgebieden voor Nederland geformuleerd. Deze aanbevelingen richten zich op de verankering van het begrip lokale autonomie in de grondwet, de balans tussen autonomie en medebewind, de financiële middelen van gemeenten en provincies, de interbestuurlijke dialoog en de uitzonderingen die Nederland destijds heeft gemaakt bij de ratificatie van het handvest. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 35 Matchfixing Brief van de Minister van VWS ( ) over o.a. de stand van zaken omtrent matchfixing. Recent is gestart met de inrichting van een nationaal platform om een structureel overleg te realiseren tussen de opsporingspartners, toezichthouder(s), de sportsector en de kansspelsector. Het doel van dit nationale platform is om de informatiepositie van alle stakeholders te verbeteren, zodat meer signalen worden gedetecteerd, meer signalen tijdig via de juiste kanalen bij de juiste stakeholders terecht komen en de meest passende interventie kan worden ingezet om matchfixing te bestrijden. Het kan de sportsector helpen om adequate maatregelen te nemen op persoons- en clubniveau en anderzijds de justitiële partners helpen om meer concrete signalen binnen te krijgen en inkomende signalen beter te beoordelen door een verbeterde informatiepositie. Het Functioneel Parket (FP) coördineert dit overleg, bereidt het inhoudelijk voor en is tevens voorzitter. Verder nemen aan dit overleg deel: Belastingdienst Doelgroep sport, FIOD, Kansspelautoriteit, Politie, KNVB, integriteitsloket NOC*NSF, KNLTB en de Lotto. Er wordt gestart met de voetbalsector, omdat dit de grootste sport is in Nederland. Dit platform zal vier keer per jaar bijeen komen. Voor de opsporing en vervolging van matchfixing en daaraan gerelateerde risico s als fraude, witwassen en illegaal gokken is een goede informatiepositie belangrijk. De samenwerking in het nationaal platform draagt daaraan bij. Naast het operationele platform is een strategisch beraad matchfixing ingesteld. Het doel van dit platform is om de aanpak van matchfixing te besturen, toe te zien op goede informatiedeling en samenwerking te realiseren tussen betrokken partijen. Onderwerp van gesprek zijn ontwikkelingen op beleidsniveau, majeure incidenten, de samenwerking tussen de partijen en de internationale ontwikkelingen zoals implementatie van het verdrag ter bestrijding van matchfixing van de Raad van Europa. Bij het Vertrouwenspunt Sport kunnen onder andere sporters, topsporters, scheidsrechters, coaches en managers vanaf 20 mei 2014 terecht met vertrouwelijke kwesties en meldingen over matchfixing, doping en grensoverschrijdend gedrag. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 99 Crisis- en herstelwet Brief van de Minister van IenM ( ) bij de aanbieding van de rapportage Praktijkervaringen Crisisen herstelwet; Voortgangsrapport Tijdens de parlementaire behandeling van de Crisis- en herstelwet is toegezegd om vinger aan de pols te houden bij de implementatie van de wet en jaarlijks te rapporteren over de voortgang. De vierde rapportage over wordt als bijlage bij deze brief toegezonden. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 198 Hulp bij zelfdoding Brief van de Ministers van VWS en VenJ ( ) over instelling van een commissie van wijzen die zich zal buigen over de juridische mogelijkheden en de maatschappelijke dilemma s met betrekking tot hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. Kern van het onderzoek van deze commissie zal zijn hoe invulling kan worden gegeven aan de wens van een toenemende groep Nederlanders om meer zelfbeschikkingsrecht in de vorm van te ontvangen hulp wanneer zij hun leven voltooid achten. Tegelijkertijd is van wezenlijk belang dat misbruik wordt voorkomen en mensen zich veilig voelen. De uitkomsten van dit onderzoek staan niet op voorhand vast. Het kan zo zijn dat dit leidt tot eventuele voorstellen voor nieuwe regelgeving, maar er kan ook sprake zijn van het herbevestigen van bestaande wettelijke grenzen. Een zorgvuldige aanpak is daarbij uitgangspunt. Daarnaast wordt de commissie gevraagd hoe kan worden voorkomen dat mensen hun leven voltooid achten. De commissie richt zich niet op gerelateerde onderwerpen rond het levenseinde, zoals euthanasie bij psychiatrisch patiënten en bij dementie. De focus is hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. Het vertrekpunt van de commissie is de bestaande wet- en regelgeving; artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht aan de ene kant en aan de andere kant het kader van de Euthanasiewet. Bij de analyse zullen ook de dilemma s worden betrokken die in het standpunt van het kabinet op de evaluatie van de Euthanasiewet zijn benoemd, zoals de mogelijke gevolgen van een systeem van hulp bij zelfdoding door een ander dan een arts (Kamerstuk , nr. 7). De volgende personen zullen in de commissie worden benoemd: Prof. dr. P. Schnabel (voorzitter), universiteitshoogleraar, Universiteit Utrecht; Prof. dr. B. Meyboom-de Jong, em. hoogleraar huisartsengeneeskunde, Universiteit Groningen; Prof. dr. W.J. Schudel, em. hoogleraar klinische en sociale psychiatrie, Erasmus Universiteit Rotterdam; Prof. dr. C.P.M. Cleiren, hoogleraar straf- en strafprocesrecht, Universiteit Leiden; Prof. mr. P.A.M. Mevis, hoogleraar straf- en strafprocesrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam; Prof. dr. M.J. Verkerk, hoogleraar reformatorische wijsbegeerte, Technische Universiteit Eindhoven; Prof. dr. A. van der Heide, hoogleraar Besluitvorming en zorg rond het levenseinde, Erasmus Universiteit Rotterdam; Mw. G. Hesselmann, RN, MSc, consulent palliatieve zorg Universitair Medisch Centrum Utrecht. De bewindslieden verwachten in het voorjaar van 2015 de resultaten van de commissie te kunnen ontvangen. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 26 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

56 Wetgeving EU nabuurschap, mensenrechten en vluchtelingen Brief van de Minister van BuZa ( ) over de wijze waarop de EU de naleving van mensenrechten van migranten en vluchtelingen inbrengt in de gesprekken en relaties met buurlanden, in het bijzonder waar het Marokko betreft. Bescherming van mensenrechten van migranten en vluchtelingen is een dwarsdoorsnijdend thema in de door de EU nagestreefde migratiesamenwerking met derde landen, waaronder nabuurlanden. Tijdens de EU- Marokko Associatieraad op 16 december 2013 kwamen onderwerpen als migratie, mobiliteit en mensenrechten aan de orde. In de EU-verklaring stelt de EU besluiten te verwelkomen die leiden tot een nieuw asiel en migratiebeleid, in overeenstemming met mensenrechten en de aanbevelingen van de Marokkaanse nationale mensenrechtenraad CNDH). In het EU-Marokko actieplan wordt het bevorderen van bescherming van migranten en het versterken van het asielbeleid specifiek genoemd. Hierbij wordt verwezen naar specifieke aanbevelingen van de CNDH op dit gebied, evenals rapportages van internationale organisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen. Mede op basis hiervan is een algemeen beleidskader geformuleerd en is een aantal interministeriele en ad-hoc commissies opgericht om onder andere een nieuw juridisch en institutioneel kader op te zetten, in regionaal en internationaal verband activiteiten op te zetten en om de individuele status van een groot aantal vluchtelingen vast te stellen. In afwachting van de aanbevolen wetgeving, blijft de uitvoering van de bestaande wetgeving echter nog een uitdaging volgens de EU. De Marokkaanse overheid is in september 2013 begonnen met verstrekken van vluchtelingenidentiteitsbewijzen en verblijfsvergunningen aan vluchtelingen erkend door UNHCR. Ook biedt Marokko gedurende het jaar 2014 illegaal in Marokko verblijvende migranten de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden in aanmerking te komen voor regularisatie van hun situatie. Niettegenstaande deze positieve beleidsontwikkelingen, moet ook geconstateerd worden dat de toestroom van migranten uit Sub-Sahara landen aanzienlijke druk legt op de Marokkaanse samenleving en de beschikbare voorzieningen alsmede op de grensbewaking in het bijzonder in de Middellandse Zee regio en bij de Spaanse enclaves. Marokko verwijdert illegaal aangetroffen migranten in het gebied rondom de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla vanwaar migranten zeer tegen hun zin verwijderd worden en teruggebracht naar de grote steden. Dit gaat niet zelden met fel verzet gepaard waar (zwaar) gewonden bij vallen. De Europese Unie heeft de Marokkaanse overheid daarop aangesproken; Marokko ontkent het niet, maar laat het bieden van opvang en andere hulp over aan de NGO-sector. Het recent door de EU met Marokko overeengekomen mobiliteitspartnerschap, waarbij Nederland een van de deelnemende EU lidstaten is, biedt een goed kader om Marokko te ondersteunen bij de ontwikkeling van zijn migratie- en asielbeleid. Ook in de relatie met andere buurlanden is er aandacht voor de bescherming van mensenrechten van migranten. Zo stelde de Europese Commissie in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid eind 2013 een bedrag van 10 mln. euro beschikbaar voor het ontwikkelen van een op mensenrechten gebaseerd migratie- en asielbeleid dat in lijn in met internationale standaarden. Het gaat hierbij om steun aan de Libische overheid en NGO s om instrumenten en capaciteiten te ontwikkelen om migratie in goede banen te leiden en de leefomstandigheden van migranten te verbeteren. In Tunesië heeft de EU een studie gefinancierd naar onder andere grensbewaking, migratie en bescherming van migranten. Dit rapport moet het begin zijn van intensievere samenwerking op deze terreinen. Het Europees Agentschap voor Asiel (EASO) en Frontex hebben een project opgezet om samenwerking tussen de EU, lidstaten en Tunesië, Marokko en Jordanië te verbeteren op het terrein van asiel en migratie in het kader van de externe dimensie van het Gemeenschappelijk Europees Asielsysteem. Dit project wordt financieel ondersteund vanuit het Europees Nabuurschapsbeleid. Kamerstukken I 2013/14, V, H Europese samenwerking Brief van de Minister van BuZa ( ) met de kabinetsreactie op het AIV advies Naar een gedragen Europese samenwerking; werken aan vertrouwen. Op 24 april jl. verscheen het AIV advies. Middels deze brief reageert het kabinet op de conclusies en aanbevelingen van de AIV. Daarnaast is in deze kabinetsappreciatie opgenomen de aanvullende reactie op het verzoek van de vaste Commissie voor Europese Zaken over de rol van nationale parlementen in het besluitvormingsproces en een overzicht van het krachtenveld op het terrein van democratische legitimiteit en institutionele hervormingen. Daarnaast wordt ingegaan op een aantal aangenomen moties op het terrein van de Europese Unie. De AIV schetst in zijn rapport een herkenbaar beeld van het afnemend vertrouwen en draagvlak voor de EU, onderzoekt mogelijke oorzaken daarvoor en doet aanbevelingen voor de versterking van de democratische legitimiteit van de EU. Daarbij benadrukt de AIV dat enkel institutionele maatregelen onvoldoende oplossing voor de geconstateerde problemen bieden. De AIV staat een meersporenbeleid voor, zowel op nationaal niveau als op EUniveau, variërend van het optimaliseren van bestaande instrumenten, het doen van voorstellen voor nieuwe instrumenten, tot politisering en versterking van burgerparticipatie. De AIV doet in het bijzonder ook aanbevelingen op het terrein van het economische en monetair beleid omdat de AIV op dit terrein specifieke knelpunten identificeert. De bevindingen leveren een interessante bijdrage aan de gedachtevorming van het kabinet over hoe de EU dichter bij de mensen kan worden gebracht en het draagvlak voor de EU kan worden vergroot. Het kabinet is het met de AIV eens dat er geen simpele remedie voor de geconstateerde problemen is en dat een breed scala aan maatregelen nodig is om de EU te laten ontwikkelen tot een democratisch breed gedragen bestuurslaag. Kamerstukken I 2013/14, V, I 1716 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

57 Wetgeving Gemeenten, decentralisaties en persoonsgegevens Brief van de Minister van BZK ( ) bij de aanbieding van een beleidsvisie met richtlijnen voor het zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens in de gemeentelijke praktijk in het kader van de decentralisaties. Bij de totstandkoming van deze visie is vooralsnog geconcludeerd dat er voor het mogelijk maken van de gewenste gegevensdeling geen noodzaak is voor een nieuw juridisch kader voor gegevensverwerking en privacy in het sociaal domein. De (toekomstige) wettelijke kaders, bieden ruimte om de noodzakelijke gegevensdeling te kunnen realiseren en tegelijkertijd de privacy te borgen. Met deze visie wordt daarin een eerste stap gezet. Minstens zo belangrijk zijn de vervolgacties die al worden aangekondigd bij de verschillende uitgangspunten. Die vervolgacties zullen de komende maanden verder worden uitgewerkt en in gang gezet. Het gaat om de volgende acties: privacy impact assessments (PIA s), op basis van deze PIA s kunnen de dienstverleningsmodellen doorontwikkeld worden tot voorbeeldmodellen waarin de privacy goed is geborgd. Gemeenten kunnen hierop hun eigen praktijk enten; ondersteuningsprogramma s voor gemeenten om hun beleid en uitvoering privacyproof te maken; ontwikkelen van een helpdesk voor gemeenten om vragen te stellen over privacy in het sociaal domein; en versterking van de positie van de burger door het instellen van een laagdrempelig loket waar men terecht kan indien men meent dat de gemeente onzorgvuldig met de persoonsgegevens omgaat. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 62 Rondreisvisum Brief van de Minister van BuZa ( ) met een fiche inzake een Verordening rondreisvisum. Dit voorstel heeft als doel een nieuw type visum in te voeren, een zogenaamd rondreisvisum Het rondreisvisum maakt het mogelijk om in twee of meer lidstaten tot maximaal een jaar in het Schengengebied te verblijven, te verlengen tot maximaal twee jaar, zolang men niet langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in dezelfde lidstaat verblijft. Het rondreisvisum kan bijvoorbeeld worden aangevraagd door zakenlieden, rondreizende artiesten, sporters en toeristen. De Commissie stelt tevens voor om de Schengenuitvoeringsovereenkomst zodanig te wijzigen dat Nederland, en andere lidstaten, verplicht zullen zijn bilaterale overeenkomsten, die betrekking hebben op visumvrij kort verblijf, met een tiental bevriende staten buiten werking te stellen. Ten aanzien van de introductie van een rondreisvisum kan Nederland de subsidiariteit van dit voorstel positief beoordelen. Het betreft een visum dat in alle lidstaten geldig is; dit kan niet op nationaal niveau worden gerealiseerd. Nederland beoordeelt de proportionaliteit deels positief, deels negatief. Nederland vindt de handhaving in de verordening onvoldoende gewaarborgd. Die aandacht is van belang, bijvoorbeeld met het oog op mogelijke risico s van illegale immigratie die het voorstel met zich kan brengen. Nederland is bereid in te stemmen met de introductie van het rondreisvisum, mits de handhaving en controle kan worden gewaarborgd. Nederland oordeelt vooralsnog negatief ten aanzien van de proportionaliteit van de gedeeltelijke intrekking van artikel 20, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Dit artikel vormt de grondslag voor geldigheid van oude bilaterale overeenkomsten met bevriende, niet-risicolanden die zien op het recht van kort verblijf. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 2 Visumcode Brief van de Minister van BuZa ( ) met een fiche inzake een Herschikking en wijziging verordening Visumcode. Met dit voorstel wordt de in 2009 in werking getreden Visumcode vervangen. Het doel van het voorstel is om de procedures voor bonafide reizigers die voor een kort verblijf naar de EU willen komen te bekorten en te vereenvoudigen. Dit moet de economie en werkgelegenheid in het Schengengebied stimuleren en leiden tot minder kosten en minder bureaucratie. Hiertoe wordt onder meer voorgesteld verkorte beslistermijnen te introduceren, verplichte vertegenwoordiging in te voeren en sneller over te gaan tot het verstrekken van meervoudige visa aan regel- matige reizigers. Tegelijkertijd blijft de veiligheid aan de buitengrenzen van het Schengengebied gehandhaafd. Het subsidiariteitsoordee is positief, omdat visumbeleid in de Schengenzone per definitie gemeenschappelijk is. Het proportionaliteitsoordeel is positief met kanttekeningen: er dient wat Nederland betreft in het voorstel meer aandacht te komen voor handhaving om illegale migratie tegen te gaan en onder meer de door de Commissie voorgestelde beperking van de mogelijkheid nationale luchthaventransitvisa in te voeren, de invoering van zgn. verplichte vertegenwoordiging en de voorgestelde verkorting van de beslistermijnen gaan wat Nederland betreft te ver. Kamerstukken II 2013/14, , nr. 3 Nationale Fraude Autoriteit Geleidende brief bij (nr. 1) en Initiatiefnota (nr. 2) ( ) van het lid Gesthuizen Naar een Nationale Fraude Autoriteit (NFA). Fraude is een hardnekkig verschijnsel dat voorkomt in alle sectoren en alle lagen van de samenleving. Om de fraudebestrijding naar een hoger plan te tillen wordt voorgesteld een Nationale Fraude Autoriteit op te richten, naar Brits voorbeeld. Deze Autoriteit krijgt doorzettingsmacht en bepaalde bevoegdheden die nodig zijn om de haar opgedragen taken te vervullen. De Fraudehelpdesk, die zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld tot een belangrijke kennisbank en aanjager van fraudebestrijding, zou op termijn kunnen opgaan in de Nationale Fraude Autoriteit. Een apart loket voor slachtoffers zal immers nodig blijven. De doelstellingen en taken van deze op te richten Nationale Fraude Autoriteit zouden in ieder geval, maar mogelijk niet uitsluitend, kunnen zijn: financieel-economische criminaliteit; omvang van fraude; schuivingen in criminaliteit; fraudebestrijding, zoals knelpunten in wetten en regels, maar ook gebrekkige samenwerking tussen betrokken partijen; omvang van fraude, verschuivingen, NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

58 Wetgeving Kamerstukken II 2013/14, , nrs. 1 en 2 Overnemen moties Kamerstukken II 2013/14, , nrs. 1 en 2 Overnames en nationale veiligheid Kamerstukken I 2013/14, C, S Cyberintelligence en publiek belang Thema 1 Technologische ontwikkelingen - - Thema 2 Toezicht: Thema 3 Bedrijfsspionage: Thema 4 Rechtspositie burger: Kamerstukken I 2013/14, CVIII, C 1718 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

59 Nieuws 1263 Kinderrechten in Nederland Werk aan de winkel Wat betreft de naleving van kinderrechten is in Nederland al veel bereikt, maar toch zijn er ook hier nog altijd tienduizenden kinderen het slachtoffer van (ernstige) kinderrechtenschendingen. Juist voor kwetsbare kinderen verbetert er weinig. Dat melden UNICEF Nederland en Defence for Children naar aanleiding van de presentatie van het Jaarbericht Kinderrechten Het Jaarbericht Kinderrechten werd op 17 juni aangeboden aan de Vaste Kamercommissie van Veiligheid en Justitie. Het analyseert de kinderrechtensituatie van vijf groepen kwetsbare kinderen in Nederland: kinderen in de jeugdzorg, slachtoffers van kindermishandeling en van uitbuiting, kinderen die te maken hebben met het jeugd strafrecht en met het migratierecht. Per onderwerp worden vanuit het VN-Kinderrechtenverdrag beginselen vastgesteld die het uitgangspunt moeten vormen voor het desbetreffende beleidsterrein. Op basis van de beginselen zijn meetbare indicatoren vastgesteld. Om ontwikkelingen in de kinderrechtensituatie te kunnen signaleren zijn, waar mogelijk, de indicatoren door de jaren heen hetzelfde gehouden. Het VN-Kinderrechtenverdrag bestaat dit jaar 25 jaar. Samen met vijf vakdeskundigen wordt in het rapport teruggeblikt op de winst die op het terrein van kinderrechten is geboekt en vooruit op de agenda voor de toekomst. De cijfers Het Jaarbericht Kinderrechten zet elk jaar de belangrijkste cijfers over de kinderrechtensituatie in Nederland op een rij. In 2014 zijn er nog altijd tienduizenden kinderen in Nederland het slachtoffer van ernstige kinderrechtenschendingen. Juist voor kwetsbare kinderen verbetert er weinig: minderjarige slachtoffers van uitbuiting, een toename van 17% ten opzichte van 2012 en ruim een verdubbeling sinds meldingen over kinderporno. In 2010 ging het nog om meldingen. Het gaat om kinderpornografie die in Nederland op servers staat, daarmee staat Nederland in de top 3 van landen waar kinderporno wordt gehost, op basis van cijfers van gemeld strafbaar materiaal. - Van alle strafrechtelijk opgesloten kinderen in justitiële jeugdinrichtingen zit 74% in voorarrest in afwachting van een uitspraak van de rechter over hun zaak. Bijna Uitbuiting Indicatoren Aantal minderjarige slachtoffers uitbuiting (jongens-meisjes) 118 (7j-111m) 152 (7j-145m) 195 (10j-185m) 223 (25j-198m) 260 (32j-228m) Verschil met % Aantal minderjarige slachtoffers seksuele uitbuiting (jongensmeisjes) (8j-105m) 111 (5j-106m) -2% Aantal minderjarige slachtoffers overige uitbuiting (jongensmeisjes) Aantal minderjarige slachtoffers criminele uitbuiting Aantal slachtoffers economische uitbuiting (4j-8m) % Aantal buitenlandse minderjarige slachtoffers uitbuiting (m-v) (21-61) 94 (30-65) +15% Top 2 herkomstlanden (naast Nederland) Nigeria, Guinee Nigeria, Guinee Guinee, Sierra Leone Guinee, Sierra Leone Guinee, Sierra Leone Aantal mogelijke minderjarige slachtoffers dat een tijdelijke vergunning heeft gekregen (m-v) % Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

60 Nieuws kinderen zijn in verzekering gesteld, waarbij de meeste een nacht of meer doorbrengen in een politiecel. - In 2013 werd er van minderjarigen DNA-materiaal opgeslagen in de DNA-databank voor Strafzaken. Eind 2013 stonden er in deze databank maar liefst DNA-profielen geregistreerd op basis van een jeugdveroordeling. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van kinderen uit het buitenland mochten niet naar hun vader of moeder komen die legaal in Nederland woont door de bijzonder kindonvriendelijke gezinsmigratieregels. De aanbevelingen Hieronder volgen in het kort de aanbevelingen uit het rapport. Uitbuiting 1. Zorg dat alle medewerkers bij instanties die contact hebben met (potentiële) minderjarige slachtoffers van uitbuiting getraind zijn in het herkennen van signalen en deze melden bij CoMensha. 2. Werk aan de (h)erkenning van uitbuiting van bedelarij/criminaliteit. 3. Stel het belang van het kind voorop bij beslissingen over verblijfsrecht van buitenlandse minderjarige slachtoffers van mensenhandel en pas de B8/3- procedure toe. 4. Stimuleer de ICT-sector, met name (hosting) providers, om de verspreiding van kinderpornografie tegen te gaan en (internationaal) online kindermisbruik te bestrijden. Jeugdstrafrecht 1. Zorg dat de speciale rechtspositie van minderjarigen in het strafrecht ook bij de ZSM-werkwijze (Zo Simpel, Selectief, Slim en Samenlevingsgericht Mogelijk) gewaarborgd is en dat politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke instanties voldoende gespecialiseerd zijn in het werken met minderjarigen. 2. Zorg dat minderjarigen tot maximaal drie dagen in een politiecel verblijven. Onderzoek of de plaatsing van minderjarigen in voorarrest in justitiële jeugdinrichtingen een uiterste maatregel is. 3. Sluit 12- en 13-jarigen niet in justitiële jeugdinrichtingen op, maar pas alternatieven toe. 4. Maak een niet-ontvankelijkverklaring mogelijk indien de redelijke termijn in zaken van minderjarigen ruim overschreden wordt. 5. Schaf het voorbehoud van Nederland af, dat toepassing van volwassenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen mogelijk maakt. Pas de wet aan zodat een pij-maatregel niet omgezet kan worden in een TBS-maatregel die levenslang kan duren. 6. Betrek jongeren bij het nazorg- en resocialisatiebeleid. 7. Maak herstelrechtinterventies toegankelijk voor alle jongeren in het jeugdstrafrecht. 8. Neem een aparte bepaling op voor minderjarigen in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Jeugdzorg 1. Waarborg de continuïteit van alle jeugdhulp in het nieuwe jeugdstelsel en waak ervoor dat er geen ongerechtvaardigde landelijke verschillen ontstaan in de toegang tot en de kwaliteit van jeugdhulp. 2. Garandeer dat alle minderjarigen de jeugdhulp krijgen die ze nodig hebben en stel hiervoor landelijk uniforme minimumeisen. 3. Pas de Jeugdwet zo aan dat deze geen onderscheid maakt tussen rechtmatig en niet-rechtmatig in Nederland verblijvende minderjarigen. 4. Zie erop toe dat een plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg een uiterste middel is en plaats geen minderjarigen in de gesloten jeugdzorg zonder voorafgaande rechterlijke toets. 5. Zie erop toe dat de besluitvorming over een ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing van een kind zorgvuldiger plaatsvindt. 6. Verbeter de zorg aan zestien-plussers die een pleeggezin of instelling verlaten. Jeugdstrafrecht Indicatoren Totaal aantal door de politie gehoorde minderjarige verdachten Verschil met % Totaal aantal inverzekeringstellingen minderjarigen Totaal aantal minderjarigen in justitiële jeugdinrichtingen % % % minderjarigen in voorlopige hechtenis in justitiële jeugdinrichting op peildatum 73% (=265) 79% (-252) 74% (=219) 75% (=171) 74% (=137) -1% Gemiddeld aantal dagen voorlopige hechtenis % Totaal aantal minderjarigen met een pij-maatregel op peildatum % Opname 12- en 13-jarigen in een justitiële jeugdinrichting Aantal als minderjarige opgenomen personen in de DNA databank voor strafzaken Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014 Niet bekend (peildatum 23/09) % % 1720 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

61 Nieuws In 2014 zijn er nog altijd tienduizenden kinderen in Nederland het slachtoffer van ernstige kinderrechtenschendingen Kindermishandeling 1. Voer landelijke regie over de preventie en aanpak van kindermishandeling door gemeenten te sturen in het beschikken over een gedegen beleid en de monitoring daarvan. 2. Betrek het perspectief van kinderen in de ontwikkeling en uitvoering van beleid gericht op de preventie en aanpak van kindermishandeling. 3. Geef specifieke aandacht aan kinderen die extra risico lopen om slachtoffer te worden van mishandeling. 4. Maak vaart met het toezicht op de implementatie van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. 5. Investeer in het vergroten van de deskundigheid en vaardigheden van (toekomstige) beroepskrachten over kindermishandeling en zorg voor structurele aandacht voor kindermishandeling in beroepsopleidingen. 6. Zorg dat ieder mishandeld kind een zorgvuldig en deskundig diagnostisch multidisciplinair onderzoek en gespecialiseerde hulp kan krijgen. 7. Verbeter de rechtspositie van minderjarige slachtoffers en getuigen en investeer in de strafrechtelijke aanpak van kindermishandeling. Migratie 1. Pas het Kinderpardon toe op alle kinderen en jongeren die voor hun achttiende levensjaar langer dan vijf jaar in Nederland waren en een verblijfsprocedure hebben doorlopen. 2. Zet geen kinderen in vreemdelingendetentie en creëer een wettelijk verbod op het toepassen van grensdetentie en vreemdelingenbewaring bij kinderen. 3. Stop het voortdurend verhuizen van asielzoekerskinderen. 4. Vang gezinnen met kinderen op in kindvriendelijke asielzoekerscentra, schaf de gezinslocaties af, regel terugkeer vanuit reguliere asielzoekerscentra. 5. Creëer een speciale kindervergunning voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen als zij (nog) niet terug kunnen keren naar hun land van herkomst. 6. Sluit de grootschalige opvangcentra voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen en vang hen zoveel mogelijk op in pleeggezinnen of in kleine woongroepen. 7. Geef achtergebleven jongeren die eerder nadeel ondervonden van inmiddels hersteld gezinsherenigingsbeleid maar die nu volwassen zijn, een nieuwe kans om zich bij hun ouders in Nederland te voegen. Migratie Indicatoren Aantal alleenstaande minderjarigen in vreemdelingenbewaring/ grensdetentie Aantal kinderen in gezinnen vreemdelingenbewaring/ grensdetentie Aantal aanvragen verblijf van kind bij ouder in Nederland Aantal afgehandelde aanvragen kind bij ouder in Nederland Percentage afwijzingen aanvragen verblijf van kind bij ouder in Nederland Aantal minderjarigen langer dan vijf jaar in Ne-derland en in procedure Aantal minderjarigen langer dan vijf jaar in de asielopvang Bron: Jaarbericht Kinderrechten % 48% 59% 57% 27% X Verschil met % -20% -10% -7% -30% +6% Gezinshereniging Wat betreft de laatste aanbeveling: de verbeteringen die in de vorige kabinetsperiode zijn doorgevoerd voor nareizende biologische kinderen die zich willen herenigen met hun vluchtelingenouder(s) in Nederland, zijn voor het eerst zichtbaar in de cijfers. Sinds 16 juli 2012 mogen zij hun familieband aantonen met een DNA-test (Kamerstukken II 2011/12, 19637, nr. 1568). Voorheen werden de kinderen onderworpen aan voor hen moeilijke en lange interviews. Het percentage afwijzingen van deze specifieke groep daalde daarmee van 78% in 2012 tot 37% in Voor kinderen die gedurende voorgaande jaren nog wel te maken hadden met de moeilijke interviews op de ambassade, en die inmiddels achttien jaar zijn geworden, wordt geen rechtsherstel geboden (Kamerstukken II 2013/14, , nr. 1797). UNI- CEF Nederland en Defence for Children vinden dat zij recht hebben op een tweede kans om eindelijk naar hun ouders te kunnen komen. Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014, www. defenceforchildren.nl NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

62 Nieuws 1264 Nieuw Wetboek van Strafvordering Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) is begonnen aan een ambitieus wetgevingsprogramma met als inzet een nieuw Wetboek van Strafvordering dat beter aansluit bij een moderne, digitale samenleving en toegankelijker is voor de rechtspraktijk en de burger. Ook moet het de prestaties van de strafrechtsketen verbeteren. De bewindsman ontvouwde zijn plannen bij de opening van het congres Modernisering Wetboek van Strafvordering op 19 juni in Amersfoort. Hij wil het wetgevingsprogramma nog deze kabinetsperiode afronden. Het congres vormde een eerste stap naar een serie wetsvoorstellen dat het Wetboek van Strafvordering een ander aanzien zal geven, maar niet zal leiden tot een stelselwijziging. De inbreng vanuit het congres wordt meegenomen bij de voorbereiding van de uiteindelijke wetsvoorstellen die vanaf eind dit jaar formeel in consultatie zullen gaan. Het pakket Het gaat om in totaal 19 wetsvoorstellen. De meeste zijn in voorbereiding, maar 2 wetsvoorstellen liggen al voor advies bij de Raad van State, het wetsvoorstel digitale processtukken en de herziening van de tenuitvoerlegging van straffen. Streven is de overige 17 wetsvoorstellen in 2015 voor advies bij de Raad van State hebben. Voorop staat dat de uitgangspunten en beginselen van de Nederlandse strafvordering niet worden gewijzigd. Al langer wordt gepleit voor een herziening van het Wetboek van Strafvordering. Zowel vanuit de wetenschap als de rechtspraktijk is de wens geuit een inzichtelijk en goed hanteerbaar wetboek te maken en om knelpunten weg te werken. In het huidige wetboek staan niet alleen verouderde, onnodige of complexe procedures, maar door de vele wijzigingen in de afgelopen jaren keer sinds is de rek eruit. Het wordt steeds moeilijker om de juiste regels te vinden Door de vele wijzigingen in de afgelopen jaren keer sinds is de rek eruit. in het oerwoud van wettelijke maatregelen en oplossingen. Ook valt het niet mee om Europese richtlijnen in te passen. De administratieve belasting is volgens de bewindsman ook te ver doorgeschoten vanwege verplichtingen die geen toegevoegde waarde hebben, maar wel het opsporingsproces sterk belasten. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering moet straks duidelijk de taken en bevoegdheden weergeven van de verschillende organen van de strafrechtspleging, zoals de politie, het openbaar ministerie en de rechter. Ook beschrijft het de positie van de verdachte en het slachtoffer en van andere personen die incidenteel betrokken kunnen zijn bij een strafrechtelijke procedure, zoals de getuigen en de deskundige. De belangen van deze personen worden afgewogen tegen het belang van het onderzoek en de opsporing. Er komen geen nieuwe algemene bevoegdheden voor de opsporing. Het wetboek moet (zoveel mogelijk) techniekonafhankelijk en toekomstbestendig worden en de ruimte bieden om in te spelen op nieuwe nationale en internationale ontwikkelingen. bron: persbericht VenJ 1265 Rechter moet juist afstand houden In tegenstelling tot wat rechters denken, pleiten mensen juist voor een zekere afstand tussen rechters en samenleving. Dat blijkt uit onderzoek van SSR, het opleidingsinstituut van Rechtspraak en Openbaar Ministerie. Voor het onderzoek werd eerder onderzoek uit 2004 naar de mening van burgers en rechters over elkaar, over gedaan. Uit dat onderzoek bleek in grote lijnen ook al dat rechters denken dat zij hun oren meer te luisteren moeten leggen in de samenleving, terwijl die samenleving dat juist niet wil. Rechters denken, ten onrechte, dat burgers willen dat de rechter dichter bij hen op schoot komt zitten, zegt onderzoeker Albert Klijn in een toelichting op de site van SSR NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

63 Nieuws Spagaat Het door rechters zichzelf toedichten van opvattingen die in de samenleving zouden spelen, kan problematisch zijn, legt Klijn uit. Dat verkeerd percipiëren veroorzaakt schadelijke kortsluitingen en miscommunicatie. De rechter krijgt hierdoor het gevoel in een spagaat te zitten tussen zijn eigen onafhankelijkheid en hetgeen de samenleving zou willen. Rechters gaan doen wat ze denken dat de burger wil, terwijl de burger zélf iets heel anders wenst, aldus Albert Klijn. Afstandelijkheid Uit het onderzoek, dat het doel had eventuele kloven tussen burgers en rechters inzichtelijk te krijgen, blijkt voorts dat er een klein verschil van mening is over de invulling van het begrip afstandelijkheid door de rechter. Waar rechters denken dat zij een open oor hebben voor geluiden in de samenleving en dat tot uitdrukking laten komen in hun uitspraken, ervaren burgers dat niet zo. Maar dat vinden zij niet erg, omdat Rechters gaan doen wat ze denken dat de burger wil terwijl de burger zélf iets heel anders wenst zij van mening zijn dat rechters in hun werk juist een zekere afstand moeten bewaren. Reputatie De conclusie van het SSR-onderzoek vertoont overeenkomsten met een onderzoek van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, die in 2012 in opdracht van de Raad voor de rechtspraak opinieleiders ondervroeg over de reputatie van de Rechtspraak. De conclusie van dat onderzoek was dat de Rechtspraak aan haar beeldvorming moest werken, juist door afstand te houden van de samenleving. Deelname Het onderzoek werd gehouden onder ruim 500 burgers en slechts enkele tientallen rechters. Teleurstellend, vindt Albert Klijn. Als er méér rechters hadden meegedaan dan was ook wat hen betreft deze steekproef representatief geweest. Nu was het aantal deelnemende rechters te laag om, wat hen betreft, steekhoudende resultaten te kunnen opleveren. Terwijl toch ook uit dit onderzoek blijkt dat er interessante en leerzame conclusies getrokken kunnen worden. Ik wil er dan ook erg voor pleiten dat rechters méér zouden moeten deelnemen aan wetenschappelijke onderzoeken. Dat is in het belang van henzelf, de rechterlijke organisatie en de samenleving. bronnen: rechtspraak.nl en ssr.nl, op beide plekken is het onderzoek te vinden 1266 Nederland, Aruba, Curacao en Sint- Maarten gaan DNA profielen delen Nederland, Aruba, Curacao en Sint-Maarten hebben afspraken gemaakt om vergelijkingen van DNA daderprofielen te vergemakkelijken. De landen krijgen rechtstreeks toegang tot elkaars databanken waardoor vergelijkingen sneller tot stand komen. Minister Opstelten heeft dit met zijn justitiecollega s afgesproken tijdens het Justiteel Vierpartijenoverleg in Willemstad (Curaçao) op 11 juni j.l. De benodigde wijzigingen van wetgeving in de landen wordt met voorrang behandeld om deze uitwisselingen van gegevens mogelijk te maken. In Nederland wordt het DNA-besluit aangepast en nog dit jaar in consultatie gebracht. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

64 1267 Universitair Nieuws Wilt u dat uw (juridische) proefschrift of dat van iemand die u kent aangekondigd wordt in deze rubriek dan kunt u het proefschrift en een samenvatting sturen naar het redactiebureau; zie colofon. Oratie On 24 June 2014, Prof. Giuseppe Falcone gave his solemn address marking his acceptance of the H.J. Scheltema-chair of Byzantine Law at the University of Groningen. Preceding this festive occasion, the Department of Legal History in cooperation with the University of Palermo (Italy) hosted a Symposium on Byzantine Law in Groningen. The aim of the symposium was to present the results of the two year cooperation between Groningen and Palermo following the establishment of the H.J. Scheltema-chair. The beauty of the laws, proclaimed by Justinian in the constitutions which introduce his juridical monument (the Digest), far from being an empty rhetoric image, is a fundamental propaganda-motif. It alludes to the result achieved through the grandiose work of compilation concerning both the imperial constitutions and the texts of the classical jurists: result, which does not relate to the external form of the texts, but to a substantial characteristic. Such a reference to beauty is expression of a precise Byzantine conception of the law and of the imperial power; and the dimension of mysteriousness calls into question, from a particular point of view, the peculiar perspective of sacralisation of legal texts. The re-reading, in the modern age, of the relationship between beauty and mystery in relation to the laws marks a radical change of perspective: it is an example of that encounter between Byzantine propositions and ideas, on the one hand, and Western legal culture, on the other, which is one of the components, yet little explored, of the European legal tradition. Promoties Publicity in Secured Transactions Law Er wordt in toenemende mate gepleit voor de invoering van een Europees openbaar register voor zekerheidsrechten op verschillende typen goederen, naar het voorbeeld van het Amerikaanse notice filing-systeem (Art. 9 van de Uniform Commercial Code, Art. 9 UCC ). Een voorstel voor de invoering van een dergelijk register is opgenomen in Book IX van de Draft Common Frame of Reference ( Book IX DCFR ), dat een veelomvattend raamwerk van regels ten aanzien van zekerheidsrechten op roerende goederen biedt. Het doel van dit proefschrift van Dewi Hamwijk is te onderzoeken of het raadzaam is een Europees notice filing systeem voor zekerheidsrechten op roerende zaken in te voeren en zo ja, in hoeverre Art. 9 UCC hierbij als voorbeeld zou moeten dienen. Bij het formuleren van een antwoord op deze vraag ligt de focus op de belangen van verschillende partijen die doorgaans betrokken zijn bij zekerheidstransacties met betrekking tot roerende zaken binnen de grenzen van de Europese Unie. Centraal staat de vraag of het waarschijnlijk is dat deze partijen beter af zijn in een systeem waarin een openbaar notice filing-systeem is ingevoerd, gelet op de effectiviteit en kosten-efficiëntie van de voorgestelde oplossing. Bij deze evaluatie is van de vooronderstelling uitgegaan dat het wenselijk is om een openbaar register in te voeren als het register (i) de problemen en risico s vermindert waaraan partijen blootstaan wanneer publiciteit afwezig is, en (ii) dit doet op een wijze die kosten-efficiënt is voor de betrokken partijen; oftewel in lijn met een (positief uitvallende) kosten-batenanalyse. De uitkomst van dit onderzoek is dat de invoering van een Europees registerstelsel zinvol kan zijn; het succes ervan zal echter in grote mate afhangen van de vraag hoe dit wordt ingericht en geïmplementeerd. Het notice filing-systeem zoals (in concept) opgenomen in Book IX DCFR, the European Register for Proprietary Security ( ERPS ), is veelbelovend in verschillende opzichten. Dit proefschrift doet enkele suggesties voor verbetering. Hamwijk verdedigde haar proefschrift op 16 mei jl. aan de Universiteit van Amsterdam. Haar promotoren waren Prof. dr. A.F. Salomons en dr. G.J.P. de Vries. D. Hamwijk Publicity in Secured Transactions Law Towards a European public notice filing system for non-possessory security rights in movable assets Een commerciële uitgave van het proefschrift zal binnenkort verschijnen Barred from employment? Een gevangenisstraf is in Nederland de zwaarste straf die kan worden opgelegd. Over de bedoelde en onbedoelde effecten van deze straf is echter weinig bekend. De algemene doelstelling van dit proefschrift van Anke Ramakers is om de ervaringen op de arbeidsmarkt voor en na detentie in kaart te brengen. Meer specifiek is getracht inzicht te krijgen in het effect van detentie op arbeidsmarktervaringen. Daarnaast is onderzocht in hoeverre een baan ex-gedetineerden ervan weerhoudt opnieuw delicten te plegen. Vrijwel alle gedetineerden keren terug in de vrije maatschappij en hun recidivecijfers zijn hoog. Veel ex-gedetineerden lijken er dus niet in te slagen te re-integreren. Behalve de hoge recidivecijfers is echter weinig bekend over de levensomstandigheden na detentie en effectieve methoden om de re-integratie te verbeteren. Daarnaast is onbekend in hoeverre detentie de oorzaak is van deze relatief slechte maatschappelijke positie van ex-gedetineerden. Werk wordt door gedetineerden en professionals belangrijk geacht voor een succesvolle re-integratie. Een detentie maakt reguliere arbeid echter tijdelijk onmogelijk en kan de arbeidsmarktperspectieven na afloop verder beperken. In dit proefschrift is gebruikgemaakt van een longitudinale dataverzameling (het Prison Project) over ongeveer mannelijke gedetineerden om de arbeidsmarktperspectieven voor en na detentie te onderzoeken. Deze rijke data maken het ook mogelijk om het effect van detentie op werk en het effect van werk op recidive te onderzoeken. Eerder onderzoek impliceert dat veel gedetineerden al voorafgaand aan detentie kenmerken bezitten die conventionele deelname aan de maatschappij bemoeilijken (o.a. laag opge NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

65 Universitair Nieuws leid, psychische problematiek). Dit compliceert het vaststellen van de causaliteit (oorzaak-gevolg relaties) in onderzoek naar straffen. De vraag is namelijk in hoeverre de relatief slechte positie van ex-gedetineerden veroorzaakt wordt door een periode van detentie, of dat de ex-gedetineerden sowieso lagere kansen hebben in de maatschappij en die dus ook al hadden voorafgaand aan detentie. In dit proefschrift wordt getracht het effect van detentie op werk (en het effect van werk op recidive) te isoleren door te controleren voor een uitgebreide reeks aan kenmerken van de gedetineerden. Begeleiding naar werk is, naast het strafrechtssysteem, één van de weinige beleidsinstrumenten die de overheid in kan zetten om criminaliteit te verminderen. Kennis over arbeidsmarktervaringen kan leiden tot een meer doelgerichte hulpverlening. Daarnaast geeft dit proefschrift inzicht in twee bedoelde effecten van detentie: resocialisatie en specifieke preventie. De resultaten wijzen uit dat gedetineerden al lang voorafgaand aan detentie een marginale positie innemen op de arbeidsmarkt. Ook na vrijlating blijken velen niet te (re-)integreren op de arbeidsmarkt: ongeveer de helft vindt werk in het eerste half jaar na detentie en meer dan een vijfde recidiveert. Criminologische theorieën stellen dat detentie een negatief effect heeft op arbeidsmarktperspectieven doordat (a) detentie conventionele bindingen aantast (o.a. werkcontract), (b) detentie de accumulatie van werkervaring onmogelijk maakt en (c) het detentie-stigma ex-gedetineerden onaantrekkelijk maakt op de arbeidsmarkt. In dit proefschrift wordt gevonden dat niet iedere detentie zorgt voor een verslechtering van werkkansen. Een detentieduur van meer dan zes maanden zorgt echter wél voor een achteruitgang in arbeidsmarktperspectieven bovenop de bestaande achterstand. Werk zorgt volgens theorieën voor recidivevermindering door het inkomen, de sociale controle en conventionele bindingen die een baan opleveren. De resultaten wijzen uit dat ex-gedetineerden met een baan minder recidiveren indien zij in staat zijn om hun nieuwe baan voor langere tijd te behouden of naar een vorige werkgever terugkeren. Ramakers promoveerde op donderdag 19 juni jl. aan de Universiteit Leiden. Haar promotor was Prof.dr. P. Nieuwbeerta. A.A.T. Ramakers Barred from employment? A study of labor market prospects before and after imprisonment Meijers Reeks 2014 ISBN Scriptie Met boeven vang je boeven Onder het mom van het politie gezegde - met boeven vang je boeven - heeft minister Opstelten van Veiligheid en Justitie het voorstel gedaan het verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten op te heffen (Kamerstukken II , , nr. 83. Het verbod op de inzet van criminele burgerinfiltratie is opgenomen in de motie Kalsbeek, zie Kamerstukken II , en , nr 33). Dit heeft geleid tot de aanname van de motie Recourt in de Tweede Kamer (Kamerstukken II , , nr. 192). Als gevolg daarvan is het sinds kort (weer) toegestaan dat politie en justitie gebruik maken van criminele burgerinfiltratie bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. In deze scriptie van Oscar Pluimer staat de vraag centraal in hoeverre de risico s van criminele burgerinfiltratie als opsporingsbevoegdheid worden ondervangen door de voorwaarden en waarborgen, zoals opgenomen in het voorstel van de minister en in de motie Recourt. De scriptie handelt over zowel de rechtspolitieke keuze criminele burgerinfiltranten in te zetten waarbij de vraag centraal staat of het wenselijk is dat politie en justitie bij de opsporing van strafbare feiten nauw samenwerken met criminelen als de juridische problemen van criminele burgerinfiltratie waarbij de aandacht vooral is gericht op het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel en het instigatieverbod. In antwoord op de onderzoeksvraag wordt geconcludeerd dat de voorwaarden en waarborgen uit het voorstel van de minister en uit de motie Recourt, in onvoldoende mate de risico s van criminele burgerinfiltratie ondervangen. Daarvoor is mede van belang dat de argumentatie van de minister om het verbod op te heffen niet overtuigt en innerlijk tegenstrijdig is. Derhalve wordt de scriptie afgesloten met enkele aanbevelingen. Zo wordt onder meer een wetswijziging aanbevolen, waarbij een specifieke wettelijke bepaling ten aanzien van criminele burgerinfiltratie wordt opgesteld en het verbod op de zogenoemde groei-infiltrant een expliciete, wettelijke basis krijgt. Voorts wordt een toetsing door de rechter(-commissaris) voorafgaand aan het infiltratie-traject, voorgesteld. Deze aanbevelingen moeten voorkomen dat de inzet van criminele burgerinfiltranten opnieuw uit de hand loopt en de integriteit van de opsporing wederom wordt aangetast, met een mogelijke nieuwe IRT-affaire als gevolg. Oscar Pluimer Een oude bekende in het Nederlandse strafproces, de criminele burgerinfiltrant. Met boeven vang je boeven. Masterscriptie Strafrecht Universiteit Utrecht Beoordeling: 8,5 Begeleider: prof. mr. A.A. Franken De gehele scriptie is te lezen op ons blog: njblog.nl Scripties De redactie biedt aan studenten de mogelijkheid om met een korte samenvatting van hun masterscriptie in dit tijdschrift te komen. Hiernaast wordt de gehele versie van het document op het blog van het NJB geplaatst (www.njblog.nl). De redactie wil graag een podium bieden voor de vele mooie juridische teksten en innovatieve opvattingen van studenten die tot nu toe nog te weinig onder de aandacht komen van de vele juristen die in ons land werkzaam zijn. Heb je belangstelling om te worden geselecteerd voor opname van een samenvatting van je masterscriptie in het NJB? Stuur dan je scriptie, voorzien van een samenvatting van maximaal 200 woorden, het eindcijfer (minimaal een acht) dat je voor de scriptie hebt ontvangen en ook je afstudeerrichting en de naam van je scriptiebegeleider, naar het redactiebureau van het NJB, postbus 30104, 2500 GC Den Haag of NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

66 1268 Personalia NJV-prijs 2014 De Nederlandse Juristen-Vereniging heeft op 13 juni 2014 aan prof. dr. E.M.H. Hirsch Ballin de NJV-prijs 2014 uitgereikt. De prijs is in het leven geroepen om juristen te eren die metterdaad door hun werkzaamheden een bijzondere bijdrage hebben geleverd aan de rechtsontwikkeling en/of rechtstoepassing in het Koninkrijk der Nederlanden. Uit het rapport van de jury, bestaande uit prof. mr. J.E. Goldschmidt, mr. C.A. Fonteijn en mr. G.J. Kemper: Door het combineren van een bijzonder scherp wetenschappelijk inzicht, die zich uit in een groot aantal vernieuwende publicaties over actuele vraagstukken (zoals recent zijn boek over burgerschap), met een grote maatschappelijke betrokkenheid en integriteit is hij een van de belangrijkste woordvoerders geworden op het terrein van het verdedigen en versterken van de rechtsstaat, grondrechten en internationale en Europese rechtsvorming, juist waar deze onder druk komen te staan. Hij schroomt daarbij niet om tegen de stroom in te gaan, waar de genoemde waarden dat vereisen. In het bijzonder mogen met lof zijn inspanningen worden genoemd om duidelijk te maken dat begrippen als democratie en rechtsstaat verder strekken dan de eenvoudige notie dat de meerderheid beslist. Hirsch Ballin is hoogleraar Nederlands en Europees constitutioneel recht aan de Universiteit Tilburg en hoogleraar mensenrechten aan de Universiteit van Amsterdam. Daarvoor was hij onder meer Minister van Justitie, lid van de Tweede en Eerste Kamer, lid van de Raad van State en hoogleraar staats- en bestuursrecht in Tilburg. Verder is Hirsch Ballin lid van de KNAW en lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), voorzitter van de Commissie mensenrechten van die raad en lid van de Raad van Toezicht van Cordaid. In het verleden heeft hij talloze functies bekleed op maatschappelijk terrein ten behoeve van uiteenlopende soorten organisaties werkzaam op het terrein van speciaal onderwijs, mensenrechten en internationale samenwerking. Voor het plaatsen van berichten in deze rubriek kunt u uw tips en informatie sturen naar NFI Dr. ir. Reinout Woittiez wordt per 1 september de nieuwe algemeen directeur van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Woittiez is op dit moment algemeen directeur Omgevingsdienst Noordzee-kanaalGebied. ILO Dr. Paul van der Heijden is voor een nieuwe periode ( ) verkozen tot onafhankelijk Voorzitter van het Committee on Freedom of Associationvan de International Labour Organization. Het is tamelijk uniek dat een Nederlander lange tijd zo n belangrijke post in de VN bekleedt. Van der Heijden is oud-rector magnificus van de Universiteit Leiden en oud-redacteur van het Nederlands Juristenblad Agenda 2 t/m Congres informatierecht Van de NSA tot Wikileaks; van Spotify tot Facebook. Stuk voor stuk onderwerpen die de laatste jaren volop in de belangstelling hebben gestaan. Deze en vele andere thema s komen aan de orde tijdens het internationale congres Information Influx, ter viering van het 25-jarige bestaan van het IViR. De centrale vraag van het congres is hoe het informatierecht zich in de komende 25 jaar zal ontwikkelen. Naast Yochai Benkler, die in zijn keynote speech Degrees of Freedom zal spreken over recht en vrijheid in de internetsamenleving, biedt het congres een platform voor circa zestig sprekers en tweehonderd deelnemers uit wetenschap, politiek, bedrijfsleven, de kunstwereld en online activisme. Andere hoofdsprekers zijn Fred von Lohmann (Google) die ingaat op de toekomst van het auteursrecht. Prof. Deirdre Mulligan (UC Berkeley) laat haar licht schijnen op privacy. Naast de keynote-lezingen van deze internationale topwetenschappers, behandelen 14 panels het gehele spectrum van het informatierecht. Zo zijn er panels over intellectuele eigendomsrechten rondom het WK voetbal, de (il)legalisering van file sharing en het blokkeren van The Pirate Bay, over de privacyaspecten van online adverteren en natuurlijk over de terugkomst van Big Brother en de Snowden-onthullingen. Tijd: Woensdag 2 juli van tot uur, donderdag 3 juli van 9.00 tot uur, vrijdag 4 juli van 9.00 tot uur. Plaats: De opening en de keynote speech van prof. Benkler zijn op woensdag 2 juli om 17 uur in de Aula (aan de Singel 411) van de UvA en is vrij toegankelijk. Het congres wordt gehouden op 3 en 4 juli in De Rode Hoed (Keizersgracht 102) Amsterdam. Inlichtingen: via: Kosten voor deelname (v.a.) 295,- (incl. lunch en diner) Aanmelding: via: NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

67 Algemeen overeenkomstenrecht Verbintenissenrecht, deel 6 -III ASSER-SERIE Met de Asser-serie bent u verzekerd van hoge kwaliteit, dankzij topauteurs en kwaliteitsbewaking door de Asser Adviesraad. De voorzitter van de Adviesraad is prof.mr. A.S. Hartkamp. Assertiviteit is voor u als jurist een belangrijke eigenschap. Bent u werkzaam binnen het civiele recht dan is Assertiviteit minstens zo belangrijk. De Asser-serie is de onmisbare kennisbron van civielrechtelijk Nederland en biedt sinds jaar en dag toonaangevend commentaar op het burgerlijk recht. Op papier en online (uiteraard ook in Kluwer Navigator Collecties) verkrijgbaar. Recent verschenen in deze serie: Asser 4 Erfrecht en schenking ISBN: Asser 3-IV Algemeen goederenrecht ISBN: Asser 7-VI Aanneming van werk ISBN: Dit Asser-deel behandelt het algemene overeenkomstenrecht. Aan de orde komen: overeenkomst en eenzijdige rechtshandeling; totstandkoming van de overeenkomst; inhoud van de overeenkomst; gevolgen van de overeenkomst ten aanzien van derden; nietigheid, vernietigbaarheid en ontbinding van de overeenkomst. Veel nieuwe rechtspraak verwerkt Sinds de dertiende druk besteedt dit Asser-deel meer aandacht aan Europees recht en rechtsvergelijking. In deze veertiende druk zijn de sinds de vorige druk verschenen rechtspraak (waaronder ruim vijftig nieuwe arresten van de Hoge Raad) en literatuur op de gebruikelijke wijze verwerkt. De auteurs hebben het hoofdstuk over de nulliteiten in verband met recente ontwikkelingen in de rechtspraak ingrijpend bewerkt. Korte cursieve introductietekstjes en een uitgebreide inhoudsopgave vergroten voor u de toegankelijkheid van de uitgave. Auteurs: prof.mr.drs. C.H. Sieburgh prof.mr. A.S. Hartkamp Druk: 14 ISBN: ISBN e-book: Verschijningsdatum: 3 juli 2014 Aantal pagina s: 776 Prijs: 139,- incl. btw. in onze shop bestelt u zonder verzendkosten

68

De andere kant van de ZSM-medaille

De andere kant van de ZSM-medaille 1225 Focus De andere kant van de ZSM-medaille Het gebrek aan controle op beleid en beslissingen van het Openbaar Ministerie Patrick van der Meij 1 De speerpunten van het ZSM-beleid zijn snelheid, daadkracht

Nadere informatie

De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren

De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren Dit document beoogt de strafrechtelijke consequenties voor de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling

Nadere informatie

Gemeentelijke handhaving en strafrecht

Gemeentelijke handhaving en strafrecht Gemeentelijke handhaving en strafrecht Prof. mr.dr. A.R. Hartmann Erasmus Universiteit Rotterdam d.d. 14 april 2011 Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam Overzicht: 1 Inleiding 2 Strafrechtelijke afdoening

Nadere informatie

U wordt verdacht. Inhoud

U wordt verdacht. Inhoud Inhoud Deze brochure 3 Aanhouding en verhoor 3 Inverzekeringstelling 3 Uw advocaat 4 De reclassering 5 Verlenging van de inverzekeringstelling of niet 5 Beperkingen en rechten 5 Voorgeleiding bij de officier

Nadere informatie

Leidraad voor het nakijken van de toets

Leidraad voor het nakijken van de toets Leidraad voor het nakijken van de toets STRAFPROCESRECHT 14 OKTOBER 2011 (Uit het antwoord moet blijken dat de cursist de stof heeft begrepen en juist heeft toegepast; een enkel ja of nee is niet voldoende)

Nadere informatie

Rapport. Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148

Rapport. Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148 Rapport Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148 2 Klacht Op 1 februari 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer Y. te Zwolle, ingediend door de Stichting Rechtsbijstand Asiel

Nadere informatie

`Voorheen kon ook zonder machtiging de raadsman de verdediging voeren voor zijn afwezige cliënt, sedert het Bouterse-arrest niet meer.

`Voorheen kon ook zonder machtiging de raadsman de verdediging voeren voor zijn afwezige cliënt, sedert het Bouterse-arrest niet meer. 3.8 Meningen van bevraagden ten aanzien van de verstekregeling 3.8.1 Verruiming mogelijkheden verdachte? Uit de verkregen reacties wordt duidelijk dat er uiteenlopende antwoorden zijn gegeven op de vraag

Nadere informatie

NEDERLANDsE ORDE VAN ADVOCATEN. Strafprocesrecht

NEDERLANDsE ORDE VAN ADVOCATEN. Strafprocesrecht 4. NEDERLANDsE ORDE VAN ADVOCATEN. Strafprocesrecht Samsom H.D. Tjeenk Willink Alphen aan den Rijn 1992 Derde druk Prof. mr M. Wladimiroff Mr S.E. Marseille Dr mr J.M. Sjöcrona Mr P.R. Wery Strafprocesrecht

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek te Den Haag. Datum: 14 mei 2012. Rapportnummer: 2012/081

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek te Den Haag. Datum: 14 mei 2012. Rapportnummer: 2012/081 Rapport Rapport over een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek te Den Haag. Datum: 14 mei 2012 Rapportnummer: 2012/081 2 Klacht Verzoekster, een advocaat, klaagt erover dat de Dienst Terugkeer en

Nadere informatie

Inhoudsopgave. N.B. Waar in deze brochure hij staat, kan ook zij worden gelezen.

Inhoudsopgave. N.B. Waar in deze brochure hij staat, kan ook zij worden gelezen. U wordt verdacht Inhoudsopgave Deze brochure 2 Aanhouding en verhoor 2 Inverzekeringstelling 2 Uw advocaat 3 De reclassering 3 Verlenging van de inverzekeringstelling of niet 4 Beperkingen en rechten

Nadere informatie

Strafprocesrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep Wetsverwijzingen: Wetboek van Strafrecht 197a, geldigheid: 2014-05-11

Strafprocesrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep Wetsverwijzingen: Wetboek van Strafrecht 197a, geldigheid: 2014-05-11 ECLI:NL:GHSHE:2015:3566 Instantie: Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak: 16-09-2015 Datum publicatie: 17-09-2015 Zaaknummer: 20-002514-14 Rechtsgebieden: Materieel strafrecht Strafprocesrecht Bijzondere

Nadere informatie

de bank ambtshalve onderzoek de bank Definitieve Bevindingen

de bank ambtshalve onderzoek de bank Definitieve Bevindingen POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Prins Clauslaan 20 TEL 070-381 13 00 FAX 070-381 13 01 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN de bank DATUM 17 maart 2006 CONTACTPERSOON

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010

Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010 Rapport Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014 Rapportnummer: 2014/010 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het College van procureurs-generaal

Nadere informatie

De strafbeschikking. Ü) Kluwer a Wolters Kluwer business. M. Kessler B.F. Keulen. Deventer - 2008

De strafbeschikking. Ü) Kluwer a Wolters Kluwer business. M. Kessler B.F. Keulen. Deventer - 2008 38 De strafbeschikking M. Kessler B.F. Keulen Ü) Kluwer a Wolters Kluwer business Deventer - 2008 INHOUDSOPGAVE Woord vooraf Afkortingen Verkort aangehaalde literatuur V XII! XV HOOFDSTUK 1 Inleiding 1

Nadere informatie

U moet terechtstaan. Inhoud

U moet terechtstaan. Inhoud U moet terechtstaan Inhoud Deze brochure 3 Dagvaarding 3 Bezwaarschrift 3 Rechtsbijstand 4 Slachtoffer 4 Inzage in uw dossier 4 Getuigen en deskundigen 5 Uitstel 5 Aanwezigheid op de terechtzitting 6 Verstek

Nadere informatie

Aanhouding en inverzekeringstelling

Aanhouding en inverzekeringstelling Aanhouding en inverzekeringstelling 1 U bent aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Wat zijn uw rechten? U wordt verdacht van een strafbaar feit. De Rechercheur Opsporing van de Inspectie SZW

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van: Raad vanstate 201112733/1/V1. Datum uitspraak: 23 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen

Nadere informatie

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: 200904515/1/V1. Datum uitspraak: 13 januari 2010 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

Wet OM-afdoening en de (fiscale) transactie: tijdsbesparing?

Wet OM-afdoening en de (fiscale) transactie: tijdsbesparing? Discussie, Nieuws & Analyse Mr. M. Rosing is advocaat bij Stibbe te Amsterdam. Wet OM-afdoening en de (fiscale) transactie: tijdsbesparing? Sinds 1 februari 2008 wordt de strafbeschikking gefaseerd ingevoerd

Nadere informatie

Advies Conceptwetsvoorstel implementatie EU-richtlijn minimumnormen slachtoffers van strafbare feiten

Advies Conceptwetsvoorstel implementatie EU-richtlijn minimumnormen slachtoffers van strafbare feiten contactpersoon De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 EH Den Haag datum 7 oktober 2014 Voorlichting e-mail voorlichting@rechtspraak.nl telefoonnummer 06-46116548

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201110274/1 NA. Datum uitspraak: 20 december 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Rapport. Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/192

Rapport. Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/192 Rapport Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/192 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie haar klacht van 16 april 2004 over de lange duur van de behandeling

Nadere informatie

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Minister van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht

Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht Mr. J. Kronenberg Mr. B. de Wilde Vijfde druk Kluwer a Kluwer business Deventer - 2012 Inhoudsopgave Voorwoord 13 Aanbevolen literatuur 15 Afkortingenlijst 17

Nadere informatie

Datum 1 juni 2012 Betreft Het bericht dat Afghanistan wil dat Nederland onderzoek gaat doen naar oorlogsmisdadigers

Datum 1 juni 2012 Betreft Het bericht dat Afghanistan wil dat Nederland onderzoek gaat doen naar oorlogsmisdadigers > Retouradres Postbus 20011 2500 EA Den Haag de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Directie Migratiebeleid Afdeling Asiel, Opvang en Terugkeer Postbus 20011

Nadere informatie

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Uitspraak Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-gravenhage sector bestuursrecht vreemdelingenkamer UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht Reg.nr : AWB 08/11247 BEPTDN Inzake : [verzoekster],

Nadere informatie

De concrete voorstellen in dit pamflet dragen in de optiek van de VVD bij aan het verwezenlijken van deze doelstellingen.

De concrete voorstellen in dit pamflet dragen in de optiek van de VVD bij aan het verwezenlijken van deze doelstellingen. Slachtoffer zijn van een misdrijf is ingrijpend. Het draagt bij aan de verwerking van dit leed als slachtoffers het gevoel hebben dat zij de aandacht krijgen die zij verdienen. Dat zij zo goed mogelijk

Nadere informatie

Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord-Nederland. Datum: 28 juli 2014

Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord-Nederland. Datum: 28 juli 2014 Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord-Nederland. Datum: 28 juli 2014 Rapportnummer: 2014/082 2 Klacht Verzoeker klaagt er over dat de politie-eenheid

Nadere informatie

Kwetsbare minderheidsgroep

Kwetsbare minderheidsgroep IND-werkinstructie nr. 2013/14 (AUA) Openbaar/ Extern Aan Directeur klantdirectie Asiel c.c. DDMB Van Hoofddirecteur IND Datum 26 juni 2013 Geldig vanaf 26 juni 2013 Geldig tot Onderwerp Vindplaats Bijlage(n)

Nadere informatie

ARRESTANTENVERZORGING. Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek

ARRESTANTENVERZORGING. Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek ARRESTANTENVERZORGING Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek januari 2013 Doel van het strafproces / strafvordering = het nemen van strafvorderlijke beslissingen Bestaat uit =

Nadere informatie

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 31 januari 2013 in de zaak tussen

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 31 januari 2013 in de zaak tussen Uitspraak RECHTBANK 's-gravenhage Nevenzittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 12 / 26425(beroep) AWB 12 / 26426 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

Nadere informatie

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 april 2011

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 april 2011 Uitspraak RECHTBANK s-gravenhage Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 10 / 6592 uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 april 2011 in de zaak van: [naam

Nadere informatie

Als uw kind in aanraking komt met de politie

Als uw kind in aanraking komt met de politie Als uw kind in aanraking komt met de politie Inhoud 3 > Als uw kind in aanraking komt met de politie 4 > De Raad voor de Kinderbescherming 6 > Het traject in jeugdstrafzaken 7 > Officier van justitie en

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 070.00 ingediend door: hierna te noemen klager`, tegen: hierna te noemen 'verzekeraar. De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft

Nadere informatie

Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving

Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving ϕ1 Ministerie van Justitie Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de

Nadere informatie

In bezwaar of beroep

In bezwaar of beroep In bezwaar of beroep Wanneer u het niet eens bent met een beslissing van de Nederlandse overheid op grond van de Vreemdelingenwet, dan kunt u hiertegen juridische stappen ondernemen. Dit informatieblad

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie

Artikel 1 - Geschillencommissie

Artikel 1 - Geschillencommissie Reglement Geschillencommissie inzake de kwaliteit van Marktonderzoek zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 van de statuten van de MarktonderzoekAssociatie MOA vastgesteld door het Bestuur van de MOA op 11

Nadere informatie

Vreemdelingenrecht & algemeen bestuursrecht. Thomas Spijkerboer Alumnidag Vrije Universiteit Amsterdam 23 januari 2015

Vreemdelingenrecht & algemeen bestuursrecht. Thomas Spijkerboer Alumnidag Vrije Universiteit Amsterdam 23 januari 2015 Vreemdelingenrecht & algemeen bestuursrecht Thomas Spijkerboer Alumnidag Vrije Universiteit Amsterdam 23 januari 2015 Vreemdelingenrecht: het grootste deelgebied van het bestuursrecht (cijfers 2013) binnengekomen

Nadere informatie

JURISPRUDENTIE STRAFRECHT. Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop

JURISPRUDENTIE STRAFRECHT. Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop JURISPRUDENTIE STRAFRECHT Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop HR uitspraken 10 februari 2015 Beslissingen voorlopige hechtenis (Cassatie in het belang der wet) HR:2015:247 HR:2015:255 HR:2015:256

Nadere informatie

GEZAMENLIJKE BEHANDELING VAN EEN ONTBINDINGSVERZOEK EN KORT GEDING: EEN GEZAMENLIJK BELEID ONTBREEKT

GEZAMENLIJKE BEHANDELING VAN EEN ONTBINDINGSVERZOEK EN KORT GEDING: EEN GEZAMENLIJK BELEID ONTBREEKT GEZAMENLIJKE BEHANDELING VAN EEN ONTBINDINGSVERZOEK EN KORT GEDING: EEN GEZAMENLIJK BELEID ONTBREEKT E.I. Bouma 1 Inleiding In de praktijk komt het regelmatig voor dat de werkgever de kantonrechter verzoekt

Nadere informatie

Vervolging. Getuigenverhoor rechter-commissaris

Vervolging. Getuigenverhoor rechter-commissaris Als u in de strafzaak door een advocaat wordt bijgestaan, is het van belang dat u de advocaat op de hoogte houdt van de voortgang in het onderzoek. Na aangifte zal het politieonderzoek waarschijnlijk nog

Nadere informatie

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden Permanente commissie Secretariaat van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, telefoon 31 (30) 297 42 14/43 28 telefax 31 (30) 296 00 50 e-mail cie.meijers@forum.nl postbus 201, 3500 AE Utrecht/Nederland

Nadere informatie

Nederlands Instituut van Psychologen 070-8888500. inzagerecht testgegevens

Nederlands Instituut van Psychologen 070-8888500. inzagerecht testgegevens POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN Nederlands Instituut van Psychologen

Nadere informatie

Recht en bijstand bij juridische procedures

Recht en bijstand bij juridische procedures Recht en bijstand bij juridische procedures In deze folder leest u meer 0900-0101 (lokaal tarief) over de juridische bijstand door Slachtofferhulp Nederland en de rechten van slachtoffers. Een wirwar van

Nadere informatie

LJN: BJ3621, Raad van State, 200805962/1. Datum uitspraak: 21-07-2009 Datum publicatie: 24-07-2009

LJN: BJ3621, Raad van State, 200805962/1. Datum uitspraak: 21-07-2009 Datum publicatie: 24-07-2009 LJN: BJ3621, Raad van State, 200805962/1 Datum uitspraak: 21-07-2009 Datum publicatie: Rechtsgebied: 24-07-2009 Vreemdelingen Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Toetsingskader / realiteitsgehalte

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe,

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, X Z (belanghebbende), \ beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013. Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de griffier mij

Nadere informatie

33000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2012

33000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2012 33000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2012 Nr. 75 Brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Aan de Voorzitter van

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 14/06/2013

Datum van inontvangstneming : 14/06/2013 Datum van inontvangstneming : 14/06/2013 Vertaling C-258/13-1 Zaak C-258/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 13 mei 2013 Verwijzende rechter: Varas Cíveis de Lisboa (Portugal)

Nadere informatie

Reglement voor Klachtenbehandeling

Reglement voor Klachtenbehandeling Reglement voor Klachtenbehandeling Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 25 t/m 28 de Gedragscode van NOLOC, zoals vastgesteld door de algemene ledenvergadering. Algemeen Artikel 1 Dit Reglement voor

Nadere informatie

Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG

Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Post Bits of Freedom Bank 55 47 06 512 M +31 613380036 Postbus 10746 KvK 34 12 12 86 E ton.siedsma@bof.nl 1001 ES Amsterdam W https://www.bof.nl Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus

Nadere informatie

Datum 24 april 2015 Onderwerp Antwoorden kamervragen over de rol van advocaten en accountants bij fraudeonderzoeken

Datum 24 april 2015 Onderwerp Antwoorden kamervragen over de rol van advocaten en accountants bij fraudeonderzoeken 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

Als uw kind in aanraking komt met de politie

Als uw kind in aanraking komt met de politie Als uw kind in aanraking komt met de politie Inhoud 3 > Als uw kind in aanraking komt met de politie 4 > De Raad voor de Kinderbescherming 6 > Het traject in jeugdstrafzaken 7 > Officier van justitie en

Nadere informatie

Een onderzoek naar een onduidelijk instemmingsformulier bij een taakstrafaanbod van het Openbaar Ministerie.

Een onderzoek naar een onduidelijk instemmingsformulier bij een taakstrafaanbod van het Openbaar Ministerie. Rapport Instemming of niet? Een onderzoek naar een onduidelijk instemmingsformulier bij een taakstrafaanbod van het Openbaar Ministerie. Oordeel Op basis van het onderzoek vindt de klacht over het Openbaar

Nadere informatie

Schema werkwijze LANGZS-advocaten. De financiering

Schema werkwijze LANGZS-advocaten. De financiering Schema werkwijze LANGZS-advocaten De financiering Wanneer een cliënt zich meldt bij de advocaat zal deze, net als in andere zaken, een kennismakingsgesprek plannen. Doorgaans is dit niet vrijblijvend.

Nadere informatie

verklaring omtrent rechtmatigheid

verklaring omtrent rechtmatigheid POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Prins Clauslaan 20 TEL 070-381 13 00 FAX 070-381 13 01 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN Raad Nederlandse Detailhandel DATUM 17 juni

Nadere informatie

Convenant ten behoeve van de werkafspraken Huiselijk Geweld Midden en West Brabant

Convenant ten behoeve van de werkafspraken Huiselijk Geweld Midden en West Brabant Convenant ten behoeve van de werkafspraken Huiselijk Geweld Midden en West Brabant Partijen: Politie Midden en West Brabant vertegenwoordigd door mevrouw W. Nijssen Instituut Maatschappelijk Werk Tilburg

Nadere informatie

613093 omslag terechtstaan 16-08-2006 10:07 Pagina 2. U moet terechtstaan

613093 omslag terechtstaan 16-08-2006 10:07 Pagina 2. U moet terechtstaan 613093 omslag terechtstaan 16-08-2006 10:07 Pagina 2 U moet terechtstaan 613093 binnenwerk terechtstaan 16-08-2006 10:08 Pagina 2 613093 binnenwerk terechtstaan 16-08-2006 10:08 Pagina 1 Inhoud Deze brochure

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2005.2662 (068.05) ingediend door: hierna te noemen 'klagers', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht

Nadere informatie

REGLEMENT GESCHILLENCOMMISSIE DEFENSIE GENEESKUNDIGE ZORG Per 1 januari 2016

REGLEMENT GESCHILLENCOMMISSIE DEFENSIE GENEESKUNDIGE ZORG Per 1 januari 2016 REGLEMENT GESCHILLENCOMMISSIE DEFENSIE GENEESKUNDIGE ZORG Per 1 januari 2016 Begripsomschrijving Artikel 1. In dit reglement wordt verstaan onder: stichting : de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken;

Nadere informatie

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2013 in de zaak tegen: thans gedetineerd in de.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2013 in de zaak tegen: thans gedetineerd in de. vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Schiphol Meervoudige strafkamer Parketnummer: Uitspraakdatum: 8 april 2013 Tegenspraak Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar

Nadere informatie

Slachtofferhulp. concept wetsvoorstel betreffende hétieggen van conservatoir beslag door de staat voor slachtoffers van misdrijven.

Slachtofferhulp. concept wetsvoorstel betreffende hétieggen van conservatoir beslag door de staat voor slachtoffers van misdrijven. ~,tl~ 3 / Nootailfafiltoor 7: ~.,1 e d 1ff 0 Postbus 14208 3508 SH Utrecht Pallas Athertedreef 27 3561 PE Utrecht 03023401 16 F 030 231 76 55 info@s~achtofferhuip.fli w www.s}achtofferhulp.ni / Ministerie

Nadere informatie

nota Ministerie van Veiligheid en Justitie Raad voor de Kinderbescherming Minister van Veiligheid en Justitie, Mr I.W.

nota Ministerie van Veiligheid en Justitie Raad voor de Kinderbescherming Minister van Veiligheid en Justitie, Mr I.W. Contactpersoon Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Nummei www.klnderbescherming.nl 3501 D Utrecht 1, S Landelijke Directie Ministerie van Justitie - (J Ministerie van Veiligheid en Justitie Raad voor de Kinderbescherming

Nadere informatie

Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over het Ministerie van Veiligheid. en Justitie. Publicatiedatum: 23 september 2014

Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over het Ministerie van Veiligheid. en Justitie. Publicatiedatum: 23 september 2014 Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Publicatiedatum: 23 september 2014 Rapportnummer: 2014 /122 20 14/122 d e Natio nale o mb ud sman 1/5 Feiten

Nadere informatie

Camera-toezicht op de werkplek

Camera-toezicht op de werkplek Camera-toezicht op de werkplek december 2006 mr De auteur heeft grote zorgvuldigheid betracht in het weergeven van delen uit het geldende recht. Evenwel noch de auteur noch kan aansprakelijk worden gesteld

Nadere informatie

De Salduzwet: welke rechten hebt u bij een verhoor?

De Salduzwet: welke rechten hebt u bij een verhoor? De Salduzwet: welke rechten hebt u bij een verhoor? Is er in uw bedrijf al eens een ernstig arbeidsongeval gebeurd? Dan bent u als werkgever, als lid van de hiërarchische lijn, als preventieadviseur, als

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstatc 201107210/1/V1. Datum uitspraak: 21 juni 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

Gezondheidsstrafrecht

Gezondheidsstrafrecht Gezondheidsstrafrecht Mr. dr. W.L.J.M Duijst Deventer 2014 Omslagontwerp: H2R creatievecommunicatie ISBN 978-90-13-12600-6 E-book 978-90-13-12601-3 NUR 824-410 2014, W.L.J.M. Duijst Alle rechten voorbehouden.

Nadere informatie

De positie van het slachtoffer in het strafproces. 3.2. De benadeelde. 3.3. Nabestaanden. 3.4. Splitsing van de vordering door de benadeelde

De positie van het slachtoffer in het strafproces. 3.2. De benadeelde. 3.3. Nabestaanden. 3.4. Splitsing van de vordering door de benadeelde 3. Schadevergoeding (voegen) 3.2. De benadeelde Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen

Nadere informatie

TOEZICHT OPSPORING. Jan Willem van Veenendaal MEC.

TOEZICHT OPSPORING. Jan Willem van Veenendaal MEC. TOEZICHT EN/OF OPSPORING Jan Willem van Veenendaal MEC. Rechtshandhavingsystemen Onderwerpen: Iets over Bestuursrechtelijke bevoegdheden De sfeerovergang Iets over Strafrechtelijke bevoegdheden Toezicht

Nadere informatie

B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf

B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf 7 Klemmende redenen van humanitaire aard Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.50

Nadere informatie

De Minister van Justitie

De Minister van Justitie = POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN De Minister van Justitie DATUM

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal.

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal. Uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/2308 WWB uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde mr. W.G. Fischer,

Nadere informatie

Werkwijze (rolreglement) Rekestenkamer Strafsector. Rechtbank Amsterdam

Werkwijze (rolreglement) Rekestenkamer Strafsector. Rechtbank Amsterdam Werkwijze (rolreglement) Rekestenkamer Strafsector Rechtbank Amsterdam I Algemeen deel 1.1 Algemene bepalingen 1.1.1 Strekking werkwijze Dit reglement heeft betrekking op de behandeling van strafrechtelijke

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2003.1733 (052.03) ingediend door: hierna te noemen 'klager', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen

Nadere informatie

Mr Henk van Asselt. Werkzaam op het advocatenkantoor te Roosendaal. Strafrechtadvocaat. Lid van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten

Mr Henk van Asselt. Werkzaam op het advocatenkantoor te Roosendaal. Strafrechtadvocaat. Lid van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten Mr Henk van Asselt Werkzaam op het advocatenkantoor te Roosendaal Strafrechtadvocaat Lid van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten Jeugdstrafrecht Leeftijdscategorieën Jeugdstrafrecht: - 12

Nadere informatie

ARRONDISSEMENTSPARKET Oost-Nederland

ARRONDISSEMENTSPARKET Oost-Nederland Openbaar Ministerie ARRONDISSEMENTSPARKET Oost-Nederland Postadres Postbus 9032, 6800 EP Arnhem J.A.E. Dijkstra Bietenakker 43 8091 MC Wezep Bezoekadres Eusebiusbinnensingel 28 6811 BX Arnhem Tel. 088-6991900

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 35062 17 december 2013 Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten

Nadere informatie

Stagereglement Togamaster

Stagereglement Togamaster Stagereglement Togamaster Doelstelling, stageplaatsaanbieder, begeleiding, inhoud van de stage. I. De doelstelling van de stage 1. De stage heeft tot doel de student in een leerproces, bij en onder toezicht

Nadere informatie

Rapport. Datum: 12 februari 2004 Rapportnummer: 2004/048

Rapport. Datum: 12 februari 2004 Rapportnummer: 2004/048 Rapport Datum: 12 februari 2004 Rapportnummer: 2004/048 2 Klacht Verzoeker, die op 20 juli 2002 is aangehouden op grond van verdenking van belediging van een politieambtenaar, klaagt erover dat het Korps

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van het Detentiecentrum Rotterdam. Datum: 27 maart 2014. Rapportnummer: 2014/027

Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van het Detentiecentrum Rotterdam. Datum: 27 maart 2014. Rapportnummer: 2014/027 Rapport Rapport over een klacht over de directeur van het Detentiecentrum Rotterdam. Datum: 27 maart 2014 Rapportnummer: 2014/027 2 Algemeen Vreemdelingen spreken doorgaans geen Nederlands, althans niet

Nadere informatie

N.V. Univé Schade, gevestigd te Assen, hierna te noemen Aangeslotene.

N.V. Univé Schade, gevestigd te Assen, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-233 d.d. 6 juni 2014 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter en mevrouw mr. I.M.L. Venker, secretaris) Samenvatting Consument en Aangeslotene hebben

Nadere informatie

De uitvoering van het jeugdstrafrecht

De uitvoering van het jeugdstrafrecht Stelselwijziging Jeugd Factsheet De uitvoering van het jeugdstrafrecht Na inwerkingtreding van de Jeugdwet De uitvoering van het jeugdstrafrecht 1 De uitvoering van het jeugdstrafrecht 2 Inleiding Deze

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057 Rapport Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge Datum: 24 mei 2013 Rapportnummer: 2013/057 2 Klacht Verzoeker, een advocaat, klaagt erover dat het

Nadere informatie

BOA PV. + combibon juni 2013/4 e druk lesboek. proces-verbaal = een woordelijk verslag van de gang van zaken

BOA PV. + combibon juni 2013/4 e druk lesboek. proces-verbaal = een woordelijk verslag van de gang van zaken BOA PV + combibon juni 2013/4 e druk lesboek proces-verbaal = een woordelijk verslag van de gang van zaken - wettelijke en administratieve eisen + combibon 1 Verbaliseringsplicht (notificatieplicht) voor

Nadere informatie

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 TITEL I TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Deze wet regelt een

Nadere informatie

Adviesaanvraag werklastgevolgen kostenverhaal rechtsbijstand draagkrachtige veroordeelden (34 159)

Adviesaanvraag werklastgevolgen kostenverhaal rechtsbijstand draagkrachtige veroordeelden (34 159) De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie dr. K.H.D.M. Dijkhoff Postbus 20301 2500 EH Den Haag datum 19 oktober 2015 contactpersoon Voorlichting e-mail voorlichting@rechtspraak.nl telefoonnummer 06-46

Nadere informatie

Onderwerp: Te volgen procedure voor gewijzigd bouwplan voor Nieuwkuijksestraat 72

Onderwerp: Te volgen procedure voor gewijzigd bouwplan voor Nieuwkuijksestraat 72 College V200901050 Onderwerp: Te volgen procedure voor gewijzigd bouwplan voor Nieuwkuijksestraat 72 Collegevoorstel Inleiding: Op 14 juli 2009 heeft u beslist op het bezwaarschrift van mevrouw Van Loon

Nadere informatie

3.2.1 Aard en karakter van de gedragsaanwijzing

3.2.1 Aard en karakter van de gedragsaanwijzing 3.2 De bevoegdheid van de officier van justitie tot het geven van een gedragsaanwijzing 3.2.1 Aard en karakter van de gedragsaanwijzing Zoals in het voorgaande aan de orde kwam, kunnen bepaalde tot ernstige

Nadere informatie

Rapport naar aanleiding van een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek. Publicatiedatum 22 juli 2014 Rapportnummer 2014/077

Rapport naar aanleiding van een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek. Publicatiedatum 22 juli 2014 Rapportnummer 2014/077 Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek. Publicatiedatum 22 juli 2014 Rapportnummer 2014/077 2014/077 de Nationale ombudsman 1/7 Verzoekster klaagt erover dat

Nadere informatie

Gehoord de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 3

Gehoord de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 3 Aan de minister van Justitie Dr. E.M.H. Hirsch Ballin Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Afdeling Ontwikkeling datum 7 januari 2010 doorkiesnummer 070-361 9721 e-mail Voorlichting@rechtspraak.nl onderwerp

Nadere informatie

Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie De heer mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 EH Den Haag

Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie De heer mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 EH Den Haag Parkstraat 83 Den Haag Raad voor Strafrech tstoepassing Correspondentie: Postbus 30137 en Jeugdbescherming 2500 CC Den Haag ~ Telefoon (070) 361 93 00 Fax algemeen (070) 361 9310 Fax rechtspraak (070)

Nadere informatie

U bent gedagvaard. >voor de politierechtbank >voor de correctionele rechtbank. Wegwijs in justitie. In de hoofdrol bij justitie.

U bent gedagvaard. >voor de politierechtbank >voor de correctionele rechtbank. Wegwijs in justitie. In de hoofdrol bij justitie. Wegwijs in justitie In de hoofdrol bij justitie De instellingen Meer informatie Justitie in de praktijk Federale Overheidsdienst Justitie U bent gedagvaard >voor de politierechtbank >voor de correctionele

Nadere informatie

Toelichting op de Coördinatieverordening

Toelichting op de Coördinatieverordening Toelichting op de Coördinatieverordening Hoofdstuk 1: Algemene toelichting 1. Coördinatieregeling ex artikel 3.30 Wro Afdeling 3.6 Wro bevat verschillende coördinatieregelingen voor Rijk, provincie en

Nadere informatie

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder.

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder. HOF VAN DISCIPLINE No. 4516 ------------ HET HOF VAN DISCIPLINE heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder. Bij beslissing van 6 februari 2006 heeft de Raad

Nadere informatie