Universiteit Gent Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen Academiejaar

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Universiteit Gent Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen Academiejaar 2010-2011"

Transcriptie

1 Universiteit Gent Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen Academiejaar DRUGHULPVERLENING EN BIJZONDERE JEUGDBIJSTAND, EEN ONDERSTEUNENDE SAMENWERKING? Masterproef neergelegd tot het behalen van de graad van Master in de Pedagogische Wetenschappen, afstudeerrichting Orthopedagogiek Deschijnck Kim Pype Amoury Promotor: Prof. Dr. E. Broekaert

2

3 Drughulpverlening en bijzondere jeugdbijstand, een ondersteunende samenwerking? Ondergetekenden, Kim Deschijnck en Amoury Pype geven toestemming tot het raadplegen van de scriptie door derden.

4 Universiteit Gent Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen Academiejaar DRUGHULPVERLENING EN BIJZONDERE JEUGDBIJSTAND, EEN ONDERSTEUNENDE SAMENWERKING? Masterproef neergelegd tot het behalen van de graad van Master in de Pedagogische Wetenschappen, afstudeerrichting Orthopedagogiek Deschijnck Kim Pype Amoury Promotor: Prof. Dr. E. Broekaert

5 INHOUD LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN ABSTRACT VOORWOORD INLEIDING VIII IX X XI DEEL I - LITERATUURSTUDIE 1. THEORETISCH KADER Drugs Definiëring Drughulpverlening algemeen Aanbod Begeleidingsactiviteiten Preventie Behandeling Nazorg Terugvalpreventie Onderscheid jongeren en volwassenen Jongeren en drugs Bijzondere jeugdbijstand Algemeen Risico- en beschermende factoren Drugs in de bijzondere jeugdbijstand Samenwerking Samenwerking algemeen Samenwerking in de drughulpverlening Samenwerking in de bijzondere jeugdbijstand Voorbeelden Samenwerking tussen drughulpverlening en bijzondere jeugdbijstand Randvoorwaarden Oorsprong Vlaamse drugprojecten 21 -V-

6 1.5 Rapport Situering Resultaten PROBLEEMSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN 26 DEEL II - ONDERZOEK 1. METHODE Keuzeverantwoording Onderzoeksgroep Onderzoeksinstrument Onderzoeksopzet Analyses Validiteits- en betrouwbaarheidscriteria en ethische overwegingen ONDERZOEKSRESULTATEN Onderzoeksvraag een Aanleiding Ontstaan en proces Reden niet-deelname Onderzoeksvraag twee Algemene opmerkingen Wat loopt goed? Wat loopt niet goed? Voordelen Nadelen Ondersteunend bevorderend Niet-ondersteunend beperkend 49 -VI-

7 2.3 Onderzoeksvraag drie Preventie Behandeling Nazorg Terugvalpreventie Begeleiding algemeen Onderzoeksvraag vier Drugbeleid Product Stellingen DISCUSSIE Bespreking onderzoeksresultaten Beperkingen Aanbevelingen voor verder onderzoek en praktijk CONCLUSIE 70 REFERENTIELIJST 71 BIJLAGE 78 -VII-

8 LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN APA BJB CANO CAD CAW CBJ CGG CLB DrugSlink DSM GGZ GROB HAS ICD IVA JAC MMM MOF MSOC OCMW OOOC OSBJ POS RKJ SCODA SEM-J STUFF TCK TG VAD VK American Psychiatric Association Bijzondere Jeugdbijstand Centrum voor Actieve Netwerkontwikkeling en Omgevingsondersteuning Centra voor Alcohol- en andere Drugproblemen Centrum Algemeen Welzijnswerk Comité Bijzondere Jeugdzorg Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Centrum voor Leerlingenbegeleiding Druggerelateerd Samenwerkingsverband Limburg Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders Geestelijke Gezondheidszorg Gentse Regionale Organisatie Bijzondere Jeugdbijstand Health Advisory Service International Classification of Diseases Intern Verzelfstandigd Agentschap Jongeren Advies Centrum Mens Middel Milieu als Misdrijf Omschreven Feit Medisch Sociaal Opvangcentrum Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum Ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdzorg Problematische Opvoedingssituatie Residentieel Kortdurend Jongerenprogramma Standing Conference on Drug Abuse Screeningsinstrument Ervaringen met Middelengebruik Jongeren Samenwerking/Traject/Uitwisseling/Flexibiliteit/Filter Trainingscentrum voor Kamertraining Therapeutische Gemeenschap Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen Vertrouwenscentrum Kindermishandeling -VIII-

9 ABSTRACT Drughulpverlening en bijzondere jeugdbijstand, een ondersteunende samenwerking? Deze kwalitatieve studie onderzoekt samenwerking tussen de drughulpverlening en de bijzondere jeugdbijstand (BJB) met de Vlaamse drugprojecten als tussenschakel. Middelengebruik in de BJB kan volgens eerder onderzoek (Baeten, 2006; Van den Hove, 2008; Wells et al., 2011) niet alleen aangepakt worden, samenwerking met gespecialiseerde hulpverlening is noodzakelijk. Er werd nagegaan hoe samenwerking ontstaat, het proces, de randvoorwaarden, de impact op begeleidingsactiviteiten en de manieren waarop samenwerking cliënten, begeleiders en de begeleiding kan ondersteunen. De onderzoeksgroep (n=27) bestond uit de drugprojecten, organisaties in de BJB en drughulpverlening, organisaties die niet deelnemen aan de drugprojecten alsook extra organisaties. Deze werden geïnterviewd met een semigestructureerde vragenlijst, opgesteld door de onderzoekers op basis van eerder onderzoek (Baeten & Rosiers, 2010). Het doel was kwalitatieve parameters voor samenwerking selecteren. Een eerste resultaat is dat er heel wat mensen in verschillende mate samenwerken. Dit kan gezien worden op een continuüm van minimale naar maximale samenwerking. In dit onderzoek bleek de oproep van het Intern Verzelfstandigd Agentschap (IVA) Jongerenwelzijn een belangrijke aanleiding om tot samenwerking met de drugprojecten te komen. Belangrijk is een verantwoordelijke die het initiatief neemt naar en/of verantwoordelijkheid draagt voor het hele samenwerkingsproces. In het onderzoek werden zowel bevorderende als beperkende factoren voor samenwerking gevonden. Daarnaast werd nagegaan hoe men samenwerkt voor begeleidingsactiviteiten (preventie, behandeling, nazorg en terugvalpreventie). De laatste onderzoeksvraag belicht elementen die ondersteunend kunnen zijn voor cliënten, begeleiders en begeleiding in samenwerking. Aanvullend worden de aanwezigheid van een drugbeleid en de producten van samenwerking besproken. De onderzoeksresultaten bevestigen eerder onderzoek. Samenwerken is belangrijk. Dit wordt onder andere door drugprojecten gefaciliteerd, hun toekomst blijft echter een vraagteken. Trefwoorden: bijzondere jeugdbijstand (BJB), drughulpverlening, drugprojecten, samenwerking -IX-

10 VOORWOORD De masterproef waar u nu in leest, is het resultaat van intensief werk van en samenwerking tussen twee studenten. Graag willen wij enkele mensen bedanken. In de eerste plaats willen wij de respondenten bedanken voor hun tijd en inspanningen. Het waren stuk voor stuk interessante en leerrijke gesprekken. Wij hebben dankzij jullie de sectoren bijzondere jeugdzorg (BJB) en drughulpverlening beter leren kennen. Daarnaast willen wij onze promotor Prof. Dr. Eric Broekaert bedanken. Ook hartelijk dank aan Ilse Goethals, onze begeleidster, die ons intensief heeft begeleid, ons met raad en daad heeft bijgestaan en ons moed heeft ingesproken. Een andere dankjewel gaat naar Veerle Soyez en Inge Baeten om ons met dit nieuwe en tweede onderzoek op weg te helpen. Last but not least bedanken wij onze ouders omdat wij de kans kregen om deze opleiding te volgen, alsook onze familie en vrienden voor alle steun tijdens het hele proces van de masterproef. Wij hopen dat deze masterproef een meerwaarde biedt voor zowel de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD), de Stuurgroep Drugprojecten als anderen geïnteresseerd in samenwerking tussen deze specifieke sectoren en in samenwerking algemeen. Deschijnck Kim en Pype Amoury -X-

11 INLEIDING Middelengebruik bij jongeren in de bijzondere jeugdbijstand (BJB) is een maatschappelijk feit. De sectoren BJB en drughulpverlening werken samen om dit op te vangen, bijvoorbeeld onder de vorm van drugprojecten. De oproep tot dergelijke projecten vanuit het Intern Verzelfstandigd Agentschap (IVA) Jongerenwelzijn en toenmalig minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Veerle Heeren stimuleerde hen hierbij. De aanzet tot dergelijke projecten kwam oorspronkelijk uit het Globaal Plan Jeugdzorg (Vervotte, 2006). Naar een cultuur van samenwerking gaan wordt momenteel belangrijk geacht. Uit het onderzoek van Baeten en Rosiers (2010) blijkt dat de BJB tevreden is over de huidige samenwerking met externe diensten om jongeren met alcohol- of andere drugproblemen te kunnen blijven begeleiden. Uit persoonlijk contact met een van deze auteurs bleek dat verder onderzoek naar samenwerking tussen de BJB en drughulpverlening nodig was. Dit onderzoek gebeurde op vraag van de Stuurgroep Drugprojecten en de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD). Met deze masterproef wordt dan ook getracht om na te gaan hoe samenwerkingsverbanden tussen deze sectoren opgezet worden, welke rol de drugprojecten hierin spelen en als laatste welke de randvoorwaarden hiertoe zijn. Het doel is om uit dit onderzoek kwalitatieve parameters voor samenwerking te halen. Voor dit wetenschappelijk onderzoek wordt een heel diverse populatie aangeschreven waarmee de onderzoekers hopen een beter beeld te schetsen van samenwerking over verschillende sectoren. Aan de hand van het bestuderen van literatuur en het voeren van onderzoek in de praktijk willen de onderzoekers op een kwalitatieve manier tewerk gaan om waardevolle resultaten te bekomen. In de eerste plaats grijpen de onderzoekers naar literatuur om eerste inzichten te krijgen over de te onderzoeken sectoren en samenwerking. Het eerste deel met de titel Drugs werd door Amoury Pype geschreven, het tweede Bijzondere jeugdbijstand door Kim Deschijnck. De daaropvolgende hoofdstukken werden door beide studenten samen geschreven. Na de literatuur wordt overgegaan naar de methode, waarin het hele onderzoeksproces zal geïllustreerd worden. Als de onderzoekers spreken over begeleiders ligt het accent op de BJB; drughulpverleners omvat de gespecialiseerde drughulpverlening en onder hulpverleners worden de drugprojecten, de BJB, de drughulpverlening en eventuele andere hulpverleners verstaan. Informatie over drugprojecten wordt eveneens expliciet vermeld. Deze scriptie is geschreven op basis van de stijlkenmerken van de American Psychological Association (APA) Richtlijnen van de Faculteit Taal & Letteren (editie 2010) van de Hogeschool- Universiteit Brussel. -XI-

12 DEEL I LITERATUURSTUDIE

13 1. THEORETISCH KADER Het onderwerp van dit onderzoek is samenwerking tussen de drughulpverlening en de BJB. Er dienen eerst een aantal theoretische inzichten verduidelijkt te worden op basis van literatuur van voorgaand onderzoek. Er wordt ingegaan op het thema drugs en daarna komt de BJB aan bod. Dit deel wordt gevolgd door het belichten van samenwerking en de oorsprong van de Vlaamse drugprojecten. De literatuurstudie eindigt met het bespreken van een onderzoeksrapport van de VAD. 1.1 Drugs Definiëring Volgens Dom (in Broekaert, 2005) vallen onder de term drugs alle stoffen die een invloed hebben op de manier waarop men denkt, zich voelt, zich gedraagt en de wereld rondom, anderen en zichzelf waarneemt. De Standing Conference on Drug Abuse (SCODA, 1998) nuanceert dit: er zijn verschillende definities van druggebruik en deze zijn vaak dubbel en controversieel. Voor de classificatie en definiëring van stoornissen in middelengebruik kunnen de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV) en de International Classification of Diseases (ICD-10) geraadpleegd worden. De DSM-IV (APA, 2000, pp ) geeft definiëringen van afhankelijkheid en misbruik van een middel. Voordat er sprake kan zijn van dergelijke stoornissen dient men eerst aan een aantal criteria te voldoen. De volledige definities zijn in bijlage 1 terug te vinden. Franken en van den Brink (2009) halen hierbij het onderscheid tussen afhankelijkheid en verslaving aan. Bij afhankelijkheid kent de stoornis een gunstig verloop en is de kans op herstel binnen het jaar groot, al dan niet spontaan. Verslaving wordt gebruikt voor verslavingsgedrag dat sterk geautomatiseerd is en gekenmerkt wordt door een chronisch karakter. Afhankelijkheid wordt gekenmerkt door een combinatie van psychische afhankelijkheid, fysieke afhankelijkheid, controleverlies en fysieke en/of sociale gevolgen van het ongecontroleerde gebruik Drughulpverlening algemeen Wat de behandeling van drugproblematiek betreft, kan deze volgens Raes (1996) gaan van vergaande symptoombehandeling tot een totaalbenadering, dit elk met eigen doelstellingen. Bij het eerste wordt sterk gefocust op de symptomen en minder op bijkomende factoren, zoals de context. Er wordt gesteld dat de vergaande symptoombehandeling in vergelijking met vroeger in mindere mate voorkomt. In therapie werkt men nu vaak samen met de cliënt, het gezin en/of de familie, de maatschappij en de hulpverleningssetting op zich. De auteur haalt in haar besluit het -2-

14 belang van een totaalbenadering in de hulpverlening aan, dit omwille van de complexiteit van de drugproblematiek in de samenleving. Een geïntegreerde strategie in de drughulpverlening is hierbij wenselijk. De VAD benoemt problemen met alcohol en andere verslavende middelen als complex, waardoor de hulpverlening een langdurig proces zal zijn dat verschilt van cliënt tot cliënt. Het moment van de interventie, de hulpverleningsgeschiedenis, de hulpvraag, de mogelijkheden en de motivatie van de cliënt bepalen welke interventies al dan niet aangewezen zijn. Doorheen het hele proces zullen meerdere interventies plaatsvinden, vaak door verschillende organisaties aangeboden (VAD, z.j., Wegwijs in de drughulpverlening ). Elke hulpverleningsvorm legt met andere woorden zijn eigen accenten in de behandeling van hun cliënten. Voorbeelden zijn korte of lange verblijfsduur, gericht op fysieke ontwenning of gericht op abstinentie (Keymeulen, 1995). Er zijn drie kernprincipes van drughulpverlening voor jongeren, geformuleerd door de Health Advisory Service (HAS), deze kunnen ondergebracht worden in drie C s. Child centered betekent dat hulpverlening moet gericht zijn naar kinderen, jongeren en hun familie. De hulpverlening moet voor hen toegankelijk en relevant zijn. Comprehensive betekent dat de hulpverlening holistisch en multidisciplinair moet zijn, het moet een waaier aan diverse drughulpverleningsorganisaties bevatten en het moet de hele laag van jonge druggebruikers bereiken. Ten slotte betekent competent dat de hulpverleners over de nodige vaardigheden moeten beschikken en getraind moeten worden in het werken met jongeren en hun familie. Er zijn hierbij twee kritische implicaties: de belangen van de kinderen moeten altijd behartigd worden en hulpverleningsdiensten moeten duidelijk zijn over de regelgeving wat betreft de geboden hulp- en dienstverlening voor jongeren (SCODA, 1998) Aanbod Volgens Keymeulen (1995) kan er een onderscheid gemaakt worden in soorten hulpverlening aan drugverslaafden. Enerzijds is er algemene hulpverlening en anderzijds gespecialiseerde hulpverlening. Volgens de VAD (VAD, z.j., Wegwijs in de drughulpverlening ) bestaat het aanbod van de welzijns- en gezondheidssector uit al dan niet (categoriale) gespecialiseerde hulpverlening. Bij algemene hulpverlening geeft Keymeulen aan dat cliënten terecht kunnen bij huisartsen, algemene ziekenhuizen en justitieel welzijnswerk. De VAD vult dit aan met mantelzorg (ouders, familie, vrienden, ), zelfhulp (onder andere praatgroepen) en eerstelijnsvoorzieningen (huisarts, Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW), Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), Medisch Sociaal Opvang Centrum (MSOC), Centrum Geestelijke Gezondheidszorg (CGG), ). Deze spelen allen een belangrijke rol in het vroegtijdig signaleren, de opvang en de begeleiding van personen die kampen met problematisch middelengebruik. De telefonische hulpverleningslijnen kunnen hierbij een voorbeeld zijn. Evenepoel (2008) geeft aan dat dergelijke telefoonlijnen als het ware als tussenvlak fungeren tussen personen geconfronteerd met drugs en de hulpverlening. België kent twee telefonische drughulpverleningslijnen: de Druglijn en Infor-Drogues. Mensen doen vooral via de telefoon of -3-

15 via internet (chatten en ) beroep op deze vorm van hulpverlening. Het zijn voornamelijk personen in de omgeving van druggebruikers die contact opnemen met dergelijke organisaties. Het gaat dan om ouders, partners, vrienden of andere belangrijke anderen. Onder gespecialiseerde hulpverlening wordt residentiële en ambulante hulpverlening begrepen. Crisiscentra, psychiatrische centra en therapeutische gemeenschappen (TG) behoren tot de residentiële hulpverlening. De ambulante hulpverlening omvat voornamelijk dagcentra (onder andere straathoekwerking). Deze dagcentra vormen vaak de schakel tussen de druggebruiker en andere hulpverleningscentra. Daarnaast wordt er gesproken van de oprichting van Mobiele Ambulante Teams (Keymeulen, 1995) Begeleidingsactiviteiten Preventie Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen drie soorten preventieve interventies, namelijk universele, geselecteerde en geïndiceerde preventie. De geïndiceerde preventie hangt nauw samen met vroeginterventie. Deze preventieve interventies kunnen door behandeling gevolgd worden (Snoek, Wits, van der Stel & van de Mheen, 2010a). Mrazek en Haggerty (1994) alsook Botvin en Griffin (2007) geven aan dat de terminologie van bovenstaande begrippen reeds een evolutie onderging. De eerdere primaire, secundaire en tertiaire preventie werd vervangen door universele, selectieve en geïndiceerde preventie. Het verschil tussen tertiaire preventie en behandeling was niet duidelijk genoeg, waardoor nieuwe meer beschrijvende termen ontstonden. Naast preventie is er volgens het continuüm van hulpverlening ook een fase van behandeling en een fase van onderhoud op lange termijn. Behandeling betekent dan volgens Mrazek en Haggerty caseidentificatie en/of een standaardbehandeling. Het lange termijnperspectief houdt een lange termijn behandeling en/of nazorg in. Wat betreft deze preventieve interventies kan er volgens Franken en van den Brink (2009) een onderscheid gemaakt worden tussen schoolgerichte interventies (bijvoorbeeld programma s om vaardigheden als weerstand bieden te ontwikkelen, programma s voor het versterken van persoonlijke en sociale vaardigheden), gezinsgerichte interventies (bijvoorbeeld het gebruik van middelen door jongeren verminderen), massamediale interventies (bijvoorbeeld campagnes) en wijkgerichte interventies (bijvoorbeeld interventies voor een specifieke regio, gericht op individuen, organisaties en gemeenschap). Daarnaast is er disseminatie, waar de verspreiding van effectieve preventieprogramma s in de reguliere praktijk van belang is. Snoek et al. (2010a, p. 20) schetsen een preventieve aanpak voor een meervoudige problematiek. Het gaat om een omvattende en integrale aanpak. Preventieactiviteiten zijn gericht op het veranderen van psychosociale risicofactoren samenhangend met het starten of voortzetten van middelengebruik, en hebben betrekking op diverse invloedsfactoren en settings. De preventieactiviteiten hebben betrekking op een lange ontwikkelingsperiode (niet enkel één -4-

16 leeftijdsperiode of schoolfase). Volgens Botvin en Griffen (2007) worden drugpreventieprogramma s echter voornamelijk in scholen toegepast. Deze vormen van drugpreventie vallen onder de universele preventie en zijn ontworpen om alle studenten in een school te bereiken voordat zij alcohol, tabak of andere drugs gaan gebruiken Behandeling Wat volgt zijn theoretische concepten rond drugs en druggebruik, misbruik of afhankelijkheid: het MMM-schema (Mens-Middel-Milieu), de stadia van verandering van Prochaska en DiClemente en motiverende gespreksvoering. Deze laatste twee elementen zijn voornamelijk terug te vinden in de behandelingsfase. Hieronder volgen de belangrijkste aspecten van deze modellen voor de masterproef, meer uitleg is in bijlage 2 terug te vinden. De alcohol- en drughulpverlening maakt reeds jaren gebruik van een multifactorieel verklaringsmodel, ook gekend als het MMM-schema. Om te bepalen hoe ernstig het gebruik is, maakt deze gespecialiseerde hulpverlening gebruik van drie groepen factoren, namelijk: - de kenmerken van de gebruiker (mens); - het middel (drug of alcohol) op zich (middel); - de context of omgeving van het gebruik (milieu). Deze factoren werken allen op elkaar in. Dit complexe proces kan gezien worden als een driehoek waarbij de drie elementen mens, middel en milieu de hoekpunten vormen. Aan de hand van deze driehoek kan bepaald worden of mensen wel of niet (op problematische manier) middelen gebruiken (VAD, z.j. Mens-middel-milieu ). In de behandelingsfase kan er gebruik gemaakt worden van het transtheoretische model van Prochaska en DiClemente. Dit bestaat uit vijf stadia en beschrijft de manier waarop mensen veranderen. Een zesde fase, terugvalpreventie, kan eventueel toegevoegd worden. In deze verschillende fasen dienen verschillende interventies te worden toegepast om effectief te zijn (Broekaert & Van Hove, 2005). Het stadium waarin iemand zich bevindt, voorspelt of personen mee participeren aan interventies, of zij vroegtijdig kunnen uitvallen, of de interventies effect hebben en of de verandering bij personen zal volgehouden worden (Prochaska, Redding & Evers, 2008). Dit model kent echter zijn tegenkantingen. Een van de meest voorkomende kritieken is het feit dat er te weinig evidentie is voor de interventies gebaseerd op dit transtheoretische model in vergelijking met interventies die niet op dat model gebaseerd zijn. Een andere kritiek komende van De Leon (Broekaert & Van Hove, 2005), is dat dit model enkel bruikbaar is voor personen met een alcoholprobleem en rokers en dus niet voor meer ernstige gebruikers en voor subgroepen anders dan de lagere of middenklasse die middelen gebruiken. Een andere kritiek komende van het Nederlandse Trimbos-instituut (z.j.) stelt dat er in het algemeen door hulpverleners weinig aandacht wordt besteed aan de eerste fasen van dit proces. Het vertrekpunt is dat de gebruiker -5-

17 eerst een beslissing neemt om te veranderen en dan naar de hulpverlening komt, maar in veel situaties is dit niet het geval. Als een hulpverlener niet weet in welke fase de gebruiker zich bevindt, kan onmogelijk de gepaste techniek gebruikt worden. Hierdoor kan de cliënt zijn motivatie verliezen en uit de hulpverlening stappen, waardoor de behandeling mislukt. Daarom wordt best gebruik gemaakt van motiverende gespreksvoering waarbij de hulpverlener door de juiste (timing van) interventies de cliënt tracht te bewegen vanuit de precontemplatiefase (voorbeschouwingsfase) via de contemplatiefase (overpeinzingsfase) naar de beslissingsfase (Trimbos-instituut). Bij motiverende gespreksvoering is gebrek aan motivatie of weerstand tot verandering volgens Miller (Trimbos-instituut, z.j.) geen persoonskenmerk van de cliënt, maar kan dit gezien worden als een resultaat van de interactie tussen persoon en omgeving waarvan de hulpverlener ook een onderdeel is. Op de balans naar verandering staat in dit model aan de ene kant de (h)erkenning van een probleem en er effectief iets aan willen doen. De andere kant van de balans omvat vermijding, omdat de persoon positieve effecten van zijn gedrag ervaart. Daarom moet een hulpverlener een bepaalde houding aannemen, daarin zitten onder andere het tonen van empathie en het verhogen van de autonomie van de cliënt. De twee bovenstaande modellen - model van Prochaska en DiClemente en motiverende gespreksvoering - worden in de praktijk vaak samen gebruikt en worden beschreven als een natuurlijke samenhang (Franken & van den Brink, 2009). Motiverende gespreksvoering wordt hier gezien als een belangrijk instrument om ervoor te zorgen dat mensen overgaan tot actie Nazorg Het ontbreekt aan initiatieven voor nazorg of continuïteit van behandeling voor jongeren met alcohol en andere drugproblemen. De programma s die er zijn, dienen effectiever te zijn. Er heerst bovendien onduidelijkheid over wat nabehandeling kan inhouden. Soms spreekt men van nazorg, dan weer over continuering van zorg en soms ook over overgang van zorg (Kaminer & Napolitano, 2004). Nochtans is nazorg van belang om het succes van de behandeling te behouden en terugval te voorkomen. Hulpverleners zouden via verschillende strategieën (zoals coördinatie tussen hulpverleners, behouden van contact met cliënten over een langere periode, continuïteit aan hulpverlening waarborgen, ) cliënten in het nazorgtraject moeten krijgen en houden (Schaefer, Ingudomnukul, Harris & Cronkite, 2005). Volgens Pelissier, Jones en Cadigan (2007) heeft nazorg tot doel de continuïteit van hulpverlening te garanderen. Zo kunnen resultaten behaald in de behandeling behouden blijven en worden de kosten behorende tot intensieve behandeling beperkt. Deze auteurs geven aan dat er heel wat variatie bestaat in de soorten nazorgprogramma s. Programma s van nazorg dienen net als behandelprogramma s rekening te houden met de context waarin een cliënt zich bevindt. -6-

18 Terugvalpreventie Terugvalpreventie houdt volgende belangrijke aspecten in: identificeren van risicosituaties en antecedenten; identificeren van herval of keuzes/beslissingen die tot terugval kunnen leiden en aanleren van strategieën om te leren omgaan met risicovolle situaties, herval en terugval. Bij jongeren is het belangrijk oplossingsvaardigheden en assertiviteit te ontwikkelen in het omgaan met drugs. Zo kunnen jongeren over alternatieven beschikken wanneer zij in hun vriendengroep met middelen geconfronteerd worden (Stathis, Letters, Doolan & Whittingham, 2006) Onderscheid jongeren en volwassenen In de literatuur wordt de nadruk gelegd op het verschil tussen jongeren en volwassenen. Dit heeft zijn gevolgen voor de behandeling van cliënten. Broekaert (Broekaert & Van Hove, 2005) geeft aan dat adolescenten in heel wat opzichten verschillen van volwassenen en daar moet in de behandeling van drugproblemen zeker rekening mee worden gehouden. Zo gaat bij adolescenten sporadisch gebruik sneller over in afhankelijkheid; komen er meer dubbeldiagnoses voor bij adolescenten; moeten adolescenten nog niet instaan voor een eigen huishouden (financieel en praktisch) en het feit dat adolescenten andere gevolgen van hun afhankelijkheid ervaren dan volwassenen is een groot verschil. Ook Deas en Clark (2009) stellen dat adolescenten verschillen van volwassenen. Als jongeren een ontwikkelingsstoornis hebben, kan dit zowel het behandelingsproces als de resultaten van de behandeling beïnvloeden, alsook de therapietrouw die de jongere toont. Naast de verschillen qua problematiek is er ook een verschil qua behandeling. Volgens Ashton (in Lloyd, 1998) worden volwassenen eerder individueel behandeld en jongeren eerder in groep. Jongeren die weinig te verliezen en minder probleeminzicht hebben, zouden hun drugprobleem minder vlug opbiechten dan volwassenen. Omwille van dit beperkte probleeminzicht kunnen secundaire preventie en harm reduction aangewezen zijn. Een aanvulling van Snoek, Wits, van de Mheen en Wilbers (2010b) omtrent dit onderwerp is dat middelenmisbruik bij jongeren en jongvolwassenen meer risicovol is dan bij volwassenen. Dit omdat jongeren zich zowel lichamelijk als psychisch in een kwetsbare fase bevinden. Hier komt het belang van vroegsignalering aan te pas. Het doel hiervan is om problemen met middelen zo vroeg mogelijk op te sporen en te interveniëren Jongeren en drugs SCODA (1998) stelt dat het druggebruik bij jongeren in het algemeen toeneemt en dat dit fenomeen de nodige aandacht vereist. Hoewel de meeste jongeren hun experimenteel gedrag rond drugs beëindigen, zijn er ook een aantal jongeren die dit niet doen en overgaan tot regelmatig en problematisch druggebruik. Alle druggebruik, in welke vorm dan ook, houdt een risico tot -7-

19 beschadiging in. Volgens deze organisatie hebben alle jongeren dan ook nood aan educatie rond drugs die afgestemd is op hun omstandigheden. Daarnaast hebben zij behoefte aan toegang tot drughulpverlening die hen advies en begeleiding kan geven, ook voor hun gezin/familie. Volgens Botvin en Griffen (2007) neemt het gebruik van middelen (alcohol, tabak, marihuana en andere illegale drugs) toe tijdens de adolescentie en kent het zijn piek in de late adolescentie. Het gebruik kan dan weer dalen eenmaal personen zich in de jonge volwassenheid bevinden, dit omdat personen onder andere nieuwe rollen en verantwoordelijkheden toegekend krijgen. Deze piek komt overeen met een periode waarin jongeren meer vrijheid en onafhankelijkheid kennen. De adolescentie is dan ook een belangrijke periode voor het ontwikkelen van patronen van druggebruik en drugmisbruik. Deze patronen kunnen doorgetrokken worden naar de volwassenheid, maar dit hoeft echter niet zo te zijn. Er is een algemeen patroon van middelengebruik, onset en veranderingen in het gebruik bij jongeren op te merken. Dit patroon zou gelinkt kunnen worden aan ontwikkelingsfasen en overgangen van de jonge adolescentie naar jonge volwassenheid. Wat typisch start als experimenteergedrag in sociale situaties kan in bepaalde situaties leiden tot meer druggebruik en drugmisbruik. Dit kan gedreven worden door psychologische motivaties en farmacologische factoren. Er zijn ook mensen die hun gebruik stopzetten na hun experimenteerfase (Botvin & Griffen). Deze auteurs bevestigen daarmee de bevindingen van SCODA (1998). Deze organisatie (SCODA) stelt dat hoe meer jongeren drugs gebruiken, hoe meer dat zij problemen zullen ondervinden in de toekomst. Een oplossing hiervoor is het ontwikkelen van een adequaat aanbod voor alle jongeren om het escaleren van drugproblemen in de toekomst te voorkomen. Bij druggebruik dient men de vraag te stellen of het gebruik op zich problemen veroorzaakt. Onderliggende problemen of de context kunnen eveneens het druggebruik veroorzaken of verklaren. Het gaat hier eigenlijk om een wederzijdse beïnvloeding en wisselwerking tussen beide factoren. Een drugproblematiek wordt het best in haar geheel gezien. Het is ingebed in een cluster van maatschappelijke en individuele factoren. Die factoren hangen dan rechtstreeks of onrechtstreeks met elkaar samen. Raes (1996) geeft een verklaringsmodel voor drugconsumptie bij jongeren waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijk bepaalde en individueel bepaalde determinanten. De eerste groep omvat de sociaal-culturele context van een jongere en de tweede groep, de individueel bepaalde elementen, omvat de familiaal/individueel psychologische context. Gebruik, misbruik van middelen en ander probleemgedrag is volgens Botvin en Griffen (2007) sociaal geleerd, het heeft een doel en is functioneel voor de jongere. Jongeren met beperkte persoonlijke en sociale vaardigheden zijn vatbaarder voor sociale invloeden die drugs promoten. Deze jongeren kunnen hierbij gemotiveerd worden om drugs als alternatief te gebruiken, als copingstrategie. -8-

20 Wat interventies bij druggebruikende jongeren betreft, hebben meerdere studies volgens Grella, Hser, Joshi en Rounds-Bryant (2001) aangetoond dat een adolescent zowel tijdens als na een drugbehandeling verdere nood heeft aan een psychiatrische behandeling. SCODA (1998, p. 5) geeft wat effectieve interventies voor jongeren betreft het volgende aan: Supportive intervention at an early age has the potential to be more effective than either reactive interventions once problem behaviours have developed or ill-focused educational interventions during adolescence (Coggans and Watscon, 1995). 1.2 Bijzondere jeugdbijstand Algemeen De doelgroep van de BJB wordt door het Steunpunt Jeugdhulp vzw omschreven als: Kinderen en Jongeren van 0 tot 18 jaar en hun gezinnen kunnen begeleid worden door een voorziening, project of dienst binnen de Bijzondere Jeugdzorg op basis van een verwijzing door het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg (CBJ) of via de Jeugdrechtbank (Steunpunt Jeugdhulp vzw, z.j., POS en MOF ). Wanneer een jongere meerderjarig wordt, kan er verdere hulpverlening voorzien worden. Dit gebeurt door het CBJ. Er wordt nagegaan of het vervolg binnen de sector BJB zal worden doorgebracht of dat de jongere doorverwezen wordt (bijvoorbeeld naar het algemeen welzijnswerk of de geestelijke gezondheidszorg (GGZ)). Deze voortgezette hulpverlening kan tot de leeftijd van maximum 21 jaar. Het aantal jongeren dat in 2008 begeleiding kreeg komt op (Studiedienst van de Vlaamse Regering, 2009). In de BJB gaat het voornamelijk om jongeren die doorverwezen werden omwille van een problematische opvoedingssituatie (POS) en/of een als misdrijf omschreven feit (MOF). Het decreet geeft onderstaande doelstellingen, zo dient de BJB: 1. hulp en bijstand te organiseren of te verlenen ten behoeve van minderjarigen die zich in een POS bevinden of die een MOF hebben gepleegd en eventueel van de personen die over hen het ouderlijk gezag uitoefenen of hen onder bewaring hebben; 2. voorzieningen en projecten te organiseren, te erkennen of te subsidiëren met het oog op de hulp- en bijstandsverlening, vermeld in 1; 3. initiatieven op te zetten, te bevorderen, te ondersteunen of te coördineren om POS te voorkomen of te bestrijden; 4. een beleid te voeren, gericht op de realisatie van de doeleinden, vermeld in 1 tot en met 3 (Peeters & Vanackere, 2008). Dit wordt onder andere gedaan door het subsidiëren van voorzieningen die een aanbod van hulpof dienstverlening geven aan minderjarigen en hun gezinnen (Peeters & Vanackere, 2008). Onder -9-

21 de term voorzieningen verstaat men de erkende private voorzieningen en deze worden in negen categorieën ingedeeld, namelijk: - categorie 1 en 1bis: begeleidingstehuizen; - categorie 2: gezinstehuizen; - categorie 3: opvang-, oriëntatie- en observatiecentra (OOOC); - categorie 4: dagcentra; - categorie 5: thuisbegeleidingsdiensten; - categorie 6: diensten voor begeleid zelfstandig wonen; - categorie 7: diensten voor pleegzorg; - categorie 8: diensten herstelgerichte en constructieve afhandeling; - categorie 9: diensten crisishulp aan huis (Steunpunt Jeugdhulp vzw, z.j., Private voorzieningen ). Naast deze voorzieningen die erkend en gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap, financiert het Intern Verzelfstandigd Agentschap Jongerenwelzijn nog tal van projecten en experimenten. Deze privévoorzieningen worden aangevuld door de gemeenschapsinstellingen, de vroegere rijksopvoedingsgestichten. Hiervan zijn er slechts twee in Vlaanderen: De Zande (Ruislede en Beernem) en De Kempen (Mol-Hutten en Mol-Markt). Deze staan in voor hun eigen financiële beheer en kregen als taken het opvangen, oriënteren en observeren van deze jongeren alsook residentiële begeleiding. Doordat deze voorzieningen verplicht zijn de jongeren op te nemen die aan hen worden toegewezen, nemen zij een specifieke plaats in. Daarnaast is er nog het federale centrum De Grubbe in Everberg-Kortenberg dat instaat voor de pedagogische en didactische begeleiding van jongens, geplaatst door een jeugdrechter (Steunpunt Jeugdhulp vzw, z.j. Gemeenschapsinstellingen ) Risico- en beschermende factoren Algemene risicofactoren zijn volgens Aarons et al. (2008) in te delen in drie groepen, namelijk demografische gegevens, individuele karakteristieken en omgevingsvariabelen. Daarnaast vormen te jong en te frequent gebruik belangrijke risicofactoren om in het gebruik te volharden. Dit wordt nogmaals versterkt wanneer jongeren een positieve betekenis linken aan het gebruik en hierdoor extra winst ervaren (Tack, 2007). Ook Dom (2010) stelt dat hoe vroeger je begint, hoe meer kans je hebt om de ziekte te krijgen, waarmee hij bedoelt dat je meer kans hebt om verslaafd te worden. Daarnaast poneert hij ook dat hoe vroeger je ermee begint, hoe ernstiger en agressiever het ziekteverloop zal zijn. Er doen zich vaak meerdere problemen tegelijkertijd voor bij jongeren die kwetsbaar zijn voor en met een middelenproblematiek (Snoek et al., 2010a). Een waaier aan risico- en beschermende factoren vormen de basis van deze problemen. Deze auteurs sommen een aantal risico- en beschermende factoren op ten aanzien van middelengebruik. Deze situeren zich in de brede -10-

22 sociale omgeving, in de institutionele omgeving (instituties zoals voorzieningen en scholen), in de directe leefomgeving (gezin en ouders, leeftijdsgenoten) en op persoonlijk niveau. Risicofactoren bij de brede sociale omgeving zijn onder andere lage sociaal-economische status, armoede, ongunstige buurtkenmerken, grote beschikbaarheid van middelen, lage wettelijk toegestane leeftijd voor het gebruik, Een beschermende factor bij de brede sociale omgeving is een goede sociale controle. Risicofactoren in de institutionele omgeving zijn ondermeer onveiligheid, beschikbaarheid van middelen, schoolgerelateerde problemen, Beschermende factoren hierbij zijn onder andere goede en toegankelijke sociale en pedagogische infrastructuur van instituties, veilige (school)omgeving, anti-middelenbeleid op school, Mogelijke risicofactoren bij de directe leefomgeving zijn gebrek aan ouderlijk toezicht, middelengebruik van ouder(s)/broer(s)/zus(sen)/leeftijdsgenoten, mishandeling, verwaarlozing, echtscheiding, attitude van leeftijdsgenoten, positieve verwachtingen rond middelengebruik, Een warme en sociale familie-omgeving, goede sociale binding, positieve externe steunsystemen, goede zelfregulatie zijn enkele voorbeelden van beschermende factoren bij de directe leefomgeving. Op persoonlijk niveau zijn risicofactoren ondermeer vroege onset gebruik, persoonlijkheidskenmerken, psychische en gedragsproblemen, Beschermende factoren op dit niveau zijn onder andere goede zelfcontrole, gevoel van eigenwaarde. Geslacht, culturele en religieuze achtergrond kunnen zowel een beschermende als een risicofactor vormen. De auteurs trekken volgende conclusies. Bij jongeren is er een sterke clustering te zien van risicofactoren voor verslavingsgedrag en een middelengebonden problematiek. Deze factoren hangen samen met problemen op andere leefgebieden. Daarnaast is er een wisselwerking tussen risicofactoren enerzijds en stoornissen anderzijds. Een risicofactor kan leiden tot meer stoornissen en een stoornis kan voortkomen uit verschillende risicofactoren. Een derde conclusie is de volgende: risicofactoren die zich opstapelen verhogen de kans tot verscheidene problemen. Ten vierde wordt er aangegeven dat er minder uitgesproken problematieken zijn wanneer een persoon jonger is en dat men bijgevolg succesvoller kan interveniëren. Een laatste besluit is dat men aandachtig moet zijn voor het ontstaan van kwetsbaarheid voor psychische problemen en de relatie met de sociale omgeving. Men moet de kansen om vroegtijdig in te grijpen optimaal gebruiken. Initiatieven gericht op jongeren moeten vanuit dit opzicht gerealiseerd worden. Jongeren in het child welfare system worden aan unieke ervaringen blootgesteld waardoor zij een hoger risico hebben op problemen met middelengebruik, maar jammer genoeg is onderzoek naar deze specifieke doelgroep enorm schaars. Deze jongeren hebben een hoger risico op psychologische en gedragsmoeilijkheden. Het meerdere keren verhuizen naar verschillende settings heeft invloed op het schoolgaan, op hun gedrag en op het zich aanpassen aan nieuwe situaties. Het voorspelt ook de toekomstige contacten met justitie. Hoe vroeger een jongere in de BJB terecht komt, hoe meer kans om delinquent te zijn (of worden). Delinquent gedrag kan een sterke voorspeller voor middelenmisbruik bij jongeren zijn. Bovengenoemde factoren zijn echter niet uitsluitend determinerend voor deze jongeren (Aarons et al., 2008). Lloyd (in Roe & Becker, -11-

23 2005) haalt eveneens aan dat jongeren uit de BJB een kwetsbare groep zijn. Hij beschrijft heel wat risicofactoren, zoals ouders met alcohol- of andere drugproblemen, echtscheiding, relatie tussen ouders en hun kinderen (bijvoorbeeld belang van een aanwezige vader, negatieve communicatiepatronen, ), peers die middelen gebruiken, Williams et al. (2001) hebben de vergelijking gemaakt tussen de gezondheid van kinderen die in local authority care leven voor minimum zes maanden en kinderen die thuis bij hun ouders leven. Onder die local authority care vallen ook pleeggezinnen, plaatsing bij vrienden en familie of plaatsing in voorzieningen. Uit hun onderzoek bleek onder andere dat kinderen die geplaatst waren meer rookten, meer illegale drugs gebruikten en meer dingen deden die hen in serieuze moeilijkheden konden brengen. Ook Backovic, Marinkovic, Grujicic-Sipetic, en Maksimovic (2006) hebben de psychosociale context onderzocht waarom jongeren sigaretten roken en alcohol en drugs gebruiken. Zij maakten eveneens de vergelijking tussen adolescenten die leven in foster homes alsook kinderen uit nietintacte gezinnen (bijvoorbeeld gezinnen met stiefouders) en zij die bij hun ouders wonen. Zij vonden dat jongeren in foster homes meer tabak en cannabis consumeren. Dit wordt bevestigd door Thompson en Auslander (2007) die stellen dat vrienden die bijvoorbeeld marihuana gebruiken aanzetten tot het gebruik van alcohol en/of marihuana bij peers. Daarop gaan Backovic et al. verder door te stellen dat jongeren er vroeger mee starten en dat zij dit vooral doen omdat hun peers ook roken en om hun eenzaamheid te compenseren. Wanneer jongeren niet meer bij hun familie wonen, worden zij kwetsbaarder. De auteurs suggereren passende preventieprogramma s die de nadruk leggen op het sociale, want omgaan met vrienden kan een stressvolle situatie zijn. Ook hier stellen zij dat er meer onderzoek nodig is. In de voorzieningen worden de jongeren gesuperviseerd door hun begeleiders, daar is het dus moeilijker om zaken binnen te smokkelen en te gebruiken. Kinderen die thuis wonen, worden volgens dit onderzoek minder streng gecontroleerd. Vanuit het opzicht van de risico- en beschermende factoren wordt volgens Snoek et al. (2010a) gepleit voor een integrale aanpak en dit steunt op vier kernelementen. Een eerste element is dat deze jongeren gekenmerkt worden door een meervoudige problematiek. Daarvoor is een samenhangende benadering van belang die rekening houdt met de achterliggende oorzaken. Een tweede element omvat het ontwikkelingsperspectief. Psychopathologie dient hier gezien te worden als elementen behorende tot de zich ontwikkelende persoon. Het derde element houdt het systemische karakter in, wat wil zeggen dat er aandacht moet zijn voor de sociale en culturele context waarin stoornissen zich ontwikkelen en zich herstellen. Dit betekent bijgevolg dat er aandacht moet zijn voor de interacties en overdracht tussen jongeren en hun omgeving. Het laatste element benadrukt dat verschillende disciplines moeten gebruikt worden die de focus op jongeren leggen. Hierbij moet de aanpak allesomvattend en integraal zijn. -12-

24 1.2.3 Drugs in de bijzondere jeugdbijstand Nijs (1998) geeft aan dat men in de BJB een toename van het druggebruik bij jongeren opmerkt. Residentiële voorzieningen worden vaak geconfronteerd met druggebruik bij hun jongeren. Voorzieningen zijn namelijk geen geïsoleerde eilanden waar de jongeren heen gaan, wel staan ze in een voortdurende wisselwerking met de maatschappij en worden ze door maatschappelijke evoluties beïnvloed. De voorzieningen hebben dan ook op diverse wijzen gereageerd op het fenomeen van toenemend druggebruik bij jongeren, maar Nijs stelt dat er nergens een adequaat begeleidingsantwoord geformuleerd werd dat aansloot op dit fenomeen. Deze auteur onderscheidt voorzieningen die een drugvrij klimaat proberen na te streven en voorzieningen die een begeleidingsaanbod voor de druggebruikende jongeren opzetten. Deze laatste zien het druggebruik van een jongere als een deel van de totale problematiek en ze formuleren bijgevolg een totaal begeleidingsaanbod. Een eerste factor bij het formuleren van een begeleidingsaanbod is het vermijden van te resultaatgerichte doelstellingen. Ook moet men het druggebruik van jongeren deproblematiseren door het te kaderen in hun ontwikkelingsfase. Experimenteren met middelen komt bijvoorbeeld vaak voor tijdens de adolescentiefase en kan verdwijnen na deze periode. Daarnaast dient men rekening te houden met het feit dat jongeren in de BJB meerdere problemen hebben, waarvan druggebruik een aspect kan zijn. Bij dit deproblematiseren is het eveneens van belang om hun probleembewustzijn te verhogen, aangezien dit besef in mindere mate aanwezig kan zijn. Een laatste aspect is dat zij vaak niet terecht kunnen in de gespecialiseerde drughulpverlening. Men is als het ware verplicht om met de jongeren verder te werken in de BJB. Daarnaast zijn er ook mogelijke knelpunten bij het formuleren van een totaal begeleidingsaanbod, zoals weerstand tegen dit deproblematiseren. Begeleiders hebben het namelijk soms moeilijk om objectief naar het druggebruik van de jongeren te kijken en ze hanteren vaak een beschermingsreflex. Bovendien ontstaat er een grotere onzekerheid bij begeleiders door het feit dat er steeds nieuwe middelen op de markt komen waarvan de effecten nog onduidelijk of ongekend zijn. Omwille van bovenstaande elementen wordt het probleem niet altijd correct ingeschat. Druggebruik in de BJB ontsnapt ook vaak aan de invloed van begeleiders, dit omdat men soms weinig zicht en impact heeft op het gebruik, wanneer, waar en hoe jongeren gebruiken. Daarnaast is het zo dat jongeren in een residentiële voorziening vaak in leefgroepen samen leven en er geconfronteerd worden met jongeren die wel en die geen middelen gebruiken. Deze groepen kunnen elkaar dan onderling beïnvloeden. Gebruikende jongeren bevinden zich officieel gezien in een illegale sfeer. Dit betekent dat ook de voorziening gebonden is aan wettelijke voorschriften wat betreft de begeleiding van de jongeren en het formuleren van een begeleidingsaanbod (Nijs, 1998). Als conclusie stelt Nijs (1998) dat druggebruik bij jongeren slechts een van de problemen is waar zij mee geconfronteerd worden. Dit betekent dat de hulpverlening zich dient te richten op de totale problematiek van de jongeren. -13-

25 1.3 Samenwerking In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op enkele mogelijke samenwerkingsverbanden tussen de BJB enerzijds en de drughulpverlening anderzijds. Het gaat voornamelijk om samenwerking in functie van de hulpverlening aan jongeren die drugs gebruiken of misbruiken Samenwerking algemeen Er zijn verschillende vormen van samenwerking tussen diensten gaande van een laag niveau, zoals weinig delen in bronnen en beslissingen, tot veelzijdige geïntegreerde diensten (Darlington, Feeney & Rixon, 2005). Lubman, Hides en Elkins (2008) vinden een integrale aanpak noodzakelijk. De vraag is voor welke sector die taak weggelegd is: de GGZ, de BJB, de gespecialiseerde drughulpverlening of nog een andere hulp- of dienstverleningsvorm? Hoe dan ook blijkt geïntegreerde hulpverlening van belang te zijn. Hean, Heaslip, Warr en Staddon (2011) onderstrepen hierbij het belang van samenwerking tussen de justitiële sector en de GGZ, dit onder andere voor effectieve screening en hulpverlening aan personen met geestelijke gezondheidsproblemen in het justitiële systeem. Vaak wordt dit samenwerken als problematisch gezien. Er wordt aangegeven dat personeelsleden zich onzeker voelen in het werken met de andere sector, dat men weinig vertrouwen heeft in de eigen mogelijkheden en dat men weinig ondersteuning en training in de werkwijze van de andere sector krijgt. Vaak heeft men verschillende verwachtingen, prioriteiten en een andere cultuur. Elkaar negeren is eveneens niet bevorderlijk voor de hulpverlening en samenwerking. Gezamenlijke training wordt door de GGZ wel en door de justitiële sector niet als behulpzaam omschreven. Het ontwikkelen van trainingsprogramma s zou volgens de auteurs voor deze sectoren waardevol zijn voor het vergroten van het vertrouwen, het ontwikkelen en het verbeteren van hulpverlening aan cliënten. Ook Darlington et al. (2005) geven aan dat hulpverleners vonden dat zij te weinig ondersteuning en training kregen vanuit hun dienst in het samenwerken met andere sectoren Samenwerking in de drughulpverlening Doorheen de literatuurstudie bleek reeds dat druggebruik een complexe problematiek omvat. Dit betekent volgens Vanderplasschen, De Bourdeauhuij en Van Oost (2002) dat er geïntegreerde en geïndividualiseerde hulpverleningsdiensten nodig zijn om tegemoet te komen aan deze verschillende en complexe problemen. Enkel zo kan de kwaliteit van de hulpverlening aan cliënten verhoogd worden. Van den Hove (2008) pleit voor het goed uitbouwen van een gespecialiseerde drughulpverlening. Zodoende kunnen er effectieve samenwerkingsverbanden opgezet worden. Het dichtbij hebben van gespecialiseerde drughulpverlening (ambulant, semiresidentieel en residentieel) gericht naar jongeren is een determinerende factor om tot effectieve samenwerkingsverbanden te komen. Dit -14-

26 gebeurt dan met wederzijds engagement tussen de private voorzieningen BJB, de gemeenschapsinstellingen en de gespecialiseerde drughulpverlening. Wat het huidige aanbod aan hulpverlening voor druggebruikers betreft, is dit volgens Vanderplasschen et al. (2002) uitgebreid en gedifferentieerd. Er ontbreekt echter een netwerk tussen instanties voor drughulpverlening, net omwille van het gebrek aan coördinatie tussen de verscheidene hulpverleningsvormen. Dit heeft als gevolg dat er recent meer aandacht gaat naar coördinatie en samenwerking tussen verscheidene instanties. Het betreft dan coördinatie en samenwerking op meerdere niveaus (lokaal, regionaal, nationaal en Europees) en tussen verscheidene betrokkenen (gezondheidszorg, onderwijs, sociaal en algemeen welzijn, juridisch systeem, gespecialiseerde drughulpverlening etc.). Vanderplasschen et al. geven eveneens aan dat samenwerking tussen hulpverleningsdiensten over het algemeen positief geëvalueerd wordt in België. Samenwerking en overleg tussen diensten is toegenomen en de diensten staan bovendien meer open voor elkaar. Wat de behandeling van druggebruikers betreft, is er echter weinig sprake van systematische samenwerking. Volgens hun respondenten is goede samenwerking afhankelijk van de persoon waarmee samengewerkt wordt en minder afhankelijk van structurele overeenkomsten of de dienst waarmee samengewerkt wordt. Samenwerking zou eveneens bevorderd worden wanneer hulpverleners van verschillende diensten elkaar beter kennen. Samenwerking wordt volgens de auteurs bemoeilijkt door competitie tussen diensten. Deze competitie zou ontstaan door de aanwezigheid van overeenstemmende programma s en diensten, door het financieringssysteem, de schaarse middelen en door conflicterende doelstellingen van de diensten Samenwerking in de bijzondere jeugdbijstand Bij het binnenkomen in de BJB kunnen jongeren reeds kampen met geestelijke gezondheidsproblemen, maar de mentale problemen kunnen zich ook later ontwikkelen. Hiervoor kunnen deze jongeren en hun begeleiders beroep doen op de GGZ. Ondanks de erkenning van het belang van de geestelijke gezondheid, wijzen onderzoeksgegevens op een aanzienlijke kloof tussen jongeren die behoefte hebben aan geestelijke gezondheidszorg en jongeren die deze diensten effectief ontvangen. Als deze nood zo hoog blijkt, moeten mentale problemen beschouwd worden als een van de belangrijkste bedreigingen voor het welzijn van deze jongeren. Daarom zou de BJB moeten samenwerken met de algemene gezondheidszorg, scholen en GGZ volgens Wulczyn, Barth, Yuan, Jones-Harden en Landsverk (in Mass Levitt, 2009) maar om samen te werken vormen de financiële middelen vaak een probleem. Daarnaast zijn heel wat personeelsleden overwerkt en verkeren ze in tijdsnood, dit om onder andere een behoefteonderzoek te doen en jongeren daarbij gepast door te verwijzen. Verder mag het personeel zijn rol niet zien als enkel het onderkennen van de noden en het zorgen dat deze adequaat worden aangepakt. Daarnaast is het personeel niet getraind in hoe ze accuraat en op gepaste wijze deze noden kunnen identificeren. Toch is het belangrijk dat personeelsleden in de BJB getraind worden in het opsporen van geestelijke gezondheidsproblemen. Zij gaan sneller een -15-

27 informeel gesprek aan met de jongeren en ouders dan dat zij een gestandaardiseerde vragenlijst gebruiken (Gardner, Kelleher, Pajer, & Campo, in Mass Levitt). Naast het aanleren van het gebruiken van vragenlijsten moeten zij volgens Mass Levitt ook beroep kunnen doen op gespecialiseerde hulpverleners in de GGZ. Als men in de BJB meer gebruik maakt van deze sector kunnen volgende zaken vereist worden: een nieuw beleid goedkeuren, personeel opleiden en evidence-based screening integreren in de interventiemethoden. Samenwerking tussen de jeugdzorg en de (geestelijke) gezondheidszorg is dus belangrijk. Daarnaast wordt het belang van de samenwerking tussen welzijnszorg en jeugdzorg aangetoond door Ehrle, Andrews Scarcella en Geen (2004), net omdat deze beide sectoren een groot gedeelte gedeelde cliënten hebben (bijvoorbeeld gezinnen en kinderen waar armoede heerst, kindermisbruik, ). Gezinnen die met beide instanties werken, worden soms overspoeld door een veelheid aan (tegenstrijdige) eisen (Ehrle et al.). Als men inspanningen zou leveren om samen te werken, zou deze last voor ouders aanzienlijk verminderen en het welzijn van kinderen verbeteren. Het gebeurt wel dat de ene sector contact opneemt met de andere, maar enkel voor basiszaken (zoals telefoneren met een vraag om informatie). Daarnaast is het wenselijk om een meer intensieve samenwerking te starten, maar dit vergt een tijdsinvestering van beide sectoren, wat moeilijk is in een al overbelast systeem. Samenwerking zal overlap tussen beide diensten echter vermijden en daardoor de efficiëntie verhogen. Volgens Farmer et al. (2010) toont eerder uitgevoerd onderzoek aan dat contact met child welfare een rol van gatekeeping kan betekenen waardoor ingang naar de GGZ vergemakkelijkt. Nochtans blijven er bij deze doelgroep een groot aantal noden niet opgevuld. Daarnaast werd eerder ook aangetoond dat het van cruciaal belang is dat de brede waaier van diensten voor kinderen ( child-serving sectors en daar wordt niet alleen GGZ mee bedoeld) deze mentale gezondheidsproblemen aanpakken. Opmerkelijk is dat deze diensten meer jongeren ontvangen die niet bij familie geplaatst worden ( non-relative foster care ) dan deze die in kinship care of thuis verblijven. Ook scholen spelen een belangrijke rol in het verlenen van diensten aan deze jongeren Voorbeelden Hieronder volgen twee voorbeelden van samenwerkingsverbanden tussen de BJB en één of meerdere andere sectoren. In Vlaanderen werken scholen en Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) samen met de residentiële voorzieningen BJB. Het doel van deze engagementsverklaring is dat men wil voorkomen dat een verblijf van een jongere in een voorziening de schoolcarrière belemmert. Daarnaast moet men ook het nut van deze samenwerking inzien, namelijk dat de residentiële voorziening het CLB en de school kan helpen bij het omgaan met deze jongere. Belangrijk is om ook de ouders hierbij te betrekken. Dit wordt verankerd in een netwerkfiche waarin een aantal afspraken staan, gemaakt in samenspraak met de school, de jongere, de ouders, het CLB en de -16-

28 voorziening. Deze afspraken kunnen gaan over wie het rapport zal ondertekenen, wie in de voorziening de contactpersoon wordt voor de school en dergelijke zaken (Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, 2009). Ook wordt in deze fiche rekening gehouden met beroepsgeheim en de rechten van de jongere in het decreet rechtspositie van de minderjarige in de jeugdhulp. Zo kan de BJB geen informatie doorgeven aan de school of het CLB zonder eerst toestemming te krijgen van de minderjarige en/of zijn ouders. Momenteel is er nog geen sprake van een uitbreiding naar pleegzorgdiensten (OSBJ vzw, 2009). De BJB werkt in Vlaanderen ook samen met de GGZ, dit bijvoorbeeld in het STENT-project. Samenwerken vergroot de wederzijdse kennis, maakt werken rond complexe dossiers mogelijk en stimuleert vroegdetectie. Voor de geestelijke gezondheidszorg kan samenwerken een middel zijn om de instroom te reguleren en de uitstroom te ondersteunen en te verzekeren. Samenwerking bevordert volgens de bijzondere jeugdzorg de eigen deskundigheid en is een manier om te groeien naar partnerschap in zorg en gezamenlijke cliëntsystemen (Deboutte & Janssens, in Aerts, 2009). Aerts (2009) formuleert enkele aspecten die ervoor zorgen dat de samenwerking tussen de BJB en de GGZ vlotter verloopt. Dit zijn onder andere de cliënt centraal stellen (samenwerking als middel), wederzijdse afhankelijkheid en complementariteit waardoor het vertrouwen tussen de sectoren groeit, kennismaken en afspraken maken, een zorgcoördinator aanstellen als case manager, engagement alsook flexibiliteit, een goede communicatie- en informatiedoorstroming (bijvoorbeeld het verklaren van vakjargon) en samenwerkende overheden die het beleid coördineren. Als besluit stelt Aerts dat coördinatie enorm belangrijk is, zowel van de zorg als van de samenwerking als van het beleid. Alleen dan kunnen samenwerkingsverbanden verder uitgebouwd worden en is het voortbestaan ervan verzekerd Samenwerking tussen drughulpverlening en bijzondere jeugdbijstand Beleidsmakers stimuleren volgens Wells, Chuang, Haynes, Lee en Bai (2011) samenwerking tussen hulpverleningsdiensten voor kinderen. Samenwerking tussen child welfare agency (BJB), drughulpverlening en scholen is noodzakelijk voor de behandeling van jongeren. Toch kunnen er enkele beperkende factoren voor die samenwerking gegeven worden. Deze zijn onder andere schaarste aan hulpverleningsdiensten, inadequaat financieel systeem, beperkte transportmogelijkheden, ontoegankelijkheid van diensten, weinig variërende behandelingsmodellen en een tijdsperiode voor afspraken. Daarnaast is het faciliteren van diensten afhankelijk van hoe diensten en hun personeel samenwerken. Wanneer er specifiek naar de link tussen BJB en drughulpverlening gekeken wordt, kunnen uiteenlopende ideeën over druggebruik ervoor zorgen dat coördinatie wordt belemmerd. Beperkingen vanuit overheidswege zijn eveneens nefast voor de communicatie tussen sectoren. De integratie tussen child welfare en drughulpverlening is bevorderend voor de hulpverlening. Hierbij geven Wells et al. aan dat er -17-

29 slechts weinig onderzoek gebeurde naar mogelijke effecten van de verschillende types van coördinatie voor die samenwerking. Wel geven de auteurs een opsomming van mogelijke coöperatieve strategieën: gedeelde strategie, gedeeld beleid tussen directieleden, personeel van beide sectoren samen trainen en financiële bronnen delen. Het effect van deze strategieën werd echter minder onderzocht. Naast de samenwerking van BJB met drughulpverlening is dit er ook tussen de BJB en het onderwijs. De school wordt hier gezien als toegangspoort tot hulpverlening, mede omdat jongeren heel veel tijd spenderen in scholen en het onderwijs bijgevolg problemen kan detecteren. Het is echter zo dat het onderwijs en child welfare een andere focus hanteren, wat nefast kan zijn voor de samenwerking. Overeenkomsten tussen de diensten, gedeeld beleid, training van personeel en gedeelde financiële middelen zijn van belang. Als conclusie stellen de auteurs dat integratie binnen diensten en samenwerking met scholen de drugbehandeling en hulpverlening voor jongeren verbetert. Zij geven daarbij aan dat een drugbehandeling kan bevorderd worden wanneer scholen, child welfare en drughulpverlening samenwerken. Vaak is het zo dat drugbehandeling door de gespecialiseerde drughulpverlening voor jongeren extern gebeurt aan een organisatie van de BJB. Het integreren van een drugbehandeling in de BJB levert verbeterde resultaten op. Dit betekent dat de beschikbaarheid van in-house drugbehandeling ervoor zorgt dat meer jongeren gebruik maken van de drughulpverlening. Wat de link tussen de sectoren drughulpverlening en BJB in Vlaanderen betreft, geeft Van den Hove (2008) aan dat er minder doorverwezen wordt van de BJB naar de specifieke drughulpverlening. Dit gebeurt meestal pas bij verslaving of bij het overtreden van grenzen door het gebruik van middelen. Daarnaast stelt Van den Hove dat voorzieningen in de BJB nood hebben aan ondersteuning in het omgaan met drugproblemen bij jongeren. Ook hebben zij nood aan een goede samenwerking met gespecialiseerde externe drughulpverlening, zowel ambulant als residentieel, bij problematisch gebruik van jongeren. Onder de nood aan expertise wordt nood aan informatie begrepen, dus informatie over producten en middelen, de effecten van de middelen, de (fysieke) impact bij de jongeren, de verschillende fasen van gebruik, Daarnaast is er nood aan de mogelijkheid tot teamcoaching. De voornaamste vragen hierbij zijn een vraag naar hulp bij het opstellen van een drugbeleidsplan, de vraag naar informatie en vragen rond aanpak van jongeren met problematisch druggebruik. Ten slotte is er eveneens een nood merkbaar aan het omgaan met thema s als privacy van minderjarigen en ouderbegeleiding. Het gaat hierbij zowel om de begeleiding van jongeren met problematisch druggebruik als om de begeleiding van ouders die zelf gebruiken en/of dealen. Dit onder andere in functie van het stellen van een diagnose, de externe begeleiding van jongeren - al dan niet aanvullend op de begeleiding vanuit de BJB -, voor ontwenning bij verslaving, het begeleiden van jongeren met een dubbeldiagnose,... Voorwaarden tot samenwerking zijn: een duidelijke bereidwilligheid van alle partijen, dicht bij elkaar gelegen zijn en kennis van de gespecialiseerde ambulante drughulpverlening. Het is van belang om goede en duidelijke afspraken (bijvoorbeeld samenwerkingsprotocollen) te maken. Daarnaast moeten de diensten bekend zijn met elkaars visie en werkwijze. Hier worden regionale verschillen opgemerkt wat betreft mogelijkheden tot samenwerking. Een samenwerking -18-

30 realiseren tussen private voorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen is eveneens van belang en noodzakelijk. Volgens Baeten (2006) kan de welzijnssector enkele taken overnemen van de gespecialiseerde hulpverlening, zoals de detectie en inschatting van middelengebruik, doorverwijzing naar de gespecialiseerde hulpverlening en het verstrekken van nazorg. Dit zijn aspecten van preventie, vroeginterventie, harm reduction en integratie in de maatschappij. Bij het preventieve luik moet men zich richten op specifieke doelgroepen die meer risico lopen, zoals kinderen van ouders die een middelenprobleem hebben, achtergestelde gezinnen, Er kan individueel gewerkt worden maar ook structureel, denk dan aan een drugbeleid in een voorziening. Naast het signaleren van alcohol- en druggebruik kunnen er ook andere leemtes in het aanbod van hulpverlening aangetoond worden door de welzijnssector. Hulpverleners hebben met heel veel verschillende instanties contact en hierdoor is er een grote behoefte aan afstemming. In het Globaal Plan Jeugdzorg wordt de belofte gemaakt om een aangepast aanbod op te zetten voor jongeren uit de BJB die een probleem met middelengebruik hebben. Vijf vzw s kregen hiervoor extra middelen om er samen met CGG s werk van te maken. De betoelaagde voorzieningen zijn de vzw GROB (Gentse Regionale Organisatie Bijzondere Jeugdbijstand, Oost- Vlaanderen), De Patio (West-Vlaanderen), De Wissel (Vlaams-Brabant), Jongerenwerking Pieter Simenon (Limburg) en Cirkant (Antwerpen). Drugpreventie bij Vlaamse jongeren wordt beschreven in het Vlaams Actieplan Tabak, Alcohol en drugs Dit stelt een geïntegreerde werkwijze voorop: overheden en hulpverleners die samenwerken en het differentiëren naar doelgroepen en het soort verslaving. In het plan staat onder andere dat minderjarigen met een verslaving dikwijls in de BJB terechtkomen. Dat komt doordat hun middelengebruik onder andere samenvalt met opvoedingsmoeilijkheden, mishandeling, armoede en/of delinquentie. Hierdoor wordt het risico op problematisch gebruik groter. Door hun kluwen van problemen wordt het begeleiden van deze doelgroep bemoeilijkt, er moeten extra inspanningen gedaan worden om onderbrekingen in hun hulpverleningstraject te voorkomen. De taken van voorzieningen BJB zijn vroegdetectie, jongeren motiveren om hun gedrag te veranderen en indien nodig doorverwijzen naar de gespecialiseerde hulpverlening ( Preventie: aangepast aanbod voor jongeren met drugsprobleem, z.j.) Randvoorwaarden Een aantal respondenten in het onderzoek van Vanderplasschen et al. (2002) bekritiseren het gebrek aan flexibiliteit, de lange wachtlijsten en het niet willen werken met druggebruikers in CGG s. Sociale dienstverleningscentra geven dan weer aan dat essentiële informatie vanuit de centra voor drughulpverlening niet wordt meegegeven. Het gebrek aan samenwerking en coördinatie wordt volgens deze respondenten het best geïllustreerd door de drugbehandelingstoerist. Deze cliënten maken het gebrek aan communicatie tussen diensten tot hun voordeel. -19-

31 Als er rekening gehouden wordt met onderstaande elementen, wordt volgens SCODA (1998) het falen van een project vermeden. Ondermeer volgende factoren zijn van belang: gebrek aan leiderschap, slechte strategische planning en weinig meten van de noden, slechte coördinatie, onrealistische doelen en gebrek aan expertise in het werken met jongeren. Omgekeerd geldt dat bij het opzetten van succesvolle hulp- en dienstverlening volgende aspecten van belang kunnen zijn: strategische planning, meten van de noden, maximaal gebruik maken van bestaande bronnen, tijdsplanning gebruiken, implementeren in een netwerk van diensten en gebruik maken van de expertise van het netwerk aan jeugdhulpverleningdiensten, specificeren van de hulpverlening, gebruik beleids- en praktische richtlijnen, personeel screenen, monitoring en evaluatie. SCODA geeft een aantal factoren die kwetsbaarheid bij jongeren verhogen en die veerkracht tegemoet komen. Veel jongeren kunnen drugs gebruiken, maar sommige lopen een grotere kans op problemen omwille van determinerende factoren. Dan zijn er projecten nodig die multidisciplinair ingebed zijn in de hulpverlening. Er is nood aan een holistische benadering voor drugpreventie en behandeling en deze projecten dienen zich te richten naar een waaier van individuele en sociale factoren. De preventie en behandeling moeten ook beantwoorden aan de context van de jongere. Voor een efficiënte hulpverlening aan jongeren verwijst SCODA naar het belang van samenwerking, aangezien geen enkele organisatie drugs op zichzelf kan aanpakken. Samenwerking, een duidelijk beleid en een goede praktijk kunnen ervoor zorgen dat het werken met en voor jonge cliënten effectief en efficiënt is. Goede samenwerking tussen diensten is volgens Vanderplasschen et al. (2002) gebaseerd op positieve informele contacten tussen individuele personeelsleden in plaats van op gestructureerde overeenkomsten tussen diensten. Fragmentarisering en gebrek aan coördinatie tussen diensten blijft echter aanwezig en beheerst het institutionele gedachtegoed en doen. Wells et al. (2011) vullen aan door te stellen dat face to face contact tussen de sectoren als positief geëvalueerd wordt. Gezamenlijke planning of een gezamenlijk beleid kan hulpverlening faciliteren op manieren die algemene overeenkomsten tussen diensten niet kunnen. Deze algemene overeenkomsten kunnen wel waardevol zijn doordat ze eerder bestaande moeilijkheden van de samenwerkingsrelatie kunnen opvangen. Positieve uitkomsten van samenwerking zijn volgens Darlington et al. (2005) onder andere vluggere respons, meer continuïteit in de zorg, meer omvattende hulpverlening, vluggere toegang tot hulpverlening etc. Er zijn verschillende barrières voor samenwerking op het niveau van hulpverleners en op organisatieniveau. Door vijandigheid tussen partners kunnen alle interacties met en informatie over andere diensten op negatieve wijze geïnterpreteerd worden. Daarom is elkaar respecteren en een positieve kijk hebben op de rol en het personeel van andere diensten een determinerende factor. Het handelen volgens verschillende theoretische basissen is eveneens nefast, net als het toekennen van een ongelijke status en het hebben van verschillende autonomieniveaus. Zowel conflicten op niveau van hulpverleners als op niveau van diensten en de afwezigheid van effectieve samenwerkingsstructuren en beleid kan er voor zorgen dat samenwerking faalt. De afwezigheid van middelen, zoals tijd om andere diensten te contacteren, en concurrerende -20-

32 financiële regelingen zijn eveneens nefast voor samenwerking. Een andere hinderpaal is de verschillen tussen beleid en praktijk van de diensten. Er wordt vaak samengewerkt tussen sectoren aan de hand van cases, maar de samenwerking gaat dan niet zo diep. Andere structurele beperkende factoren voor samenwerking kunnen zijn: gebrek aan bronnen als tijd, communicatiemethoden, vertrouwelijkheid en delen van informatie, gaten op niveau van de dienst zoals gebrek aan informatie over de andere dienst en beperkingen in het complexe proces van informatie delen. Individueel georiënteerde hinderpalen zijn onrealistische verwachtingen en beschermen van de eigen professionaliteit en het handelen vanuit verschillende theoretische kaders. Deze laatste factor betekent dat de communicatie kan verstoord worden (Darlington, et al., 2005). Samenwerkingsstrategieën en -structuren zijn noodzakelijk wil men tot effectieve en efficiënte samenwerking komen. Hierbij besluiten Darlington et al. (2005): Effective interagency is a complex process that needs to be fully supported in policy development and resource allocation. (p. 1095). 1.4 Oorsprong Vlaamse drugprojecten Bovenstaande informatie over projecten in het algemeen wordt nu verder toegespitst op de Vlaamse drugprojecten. Om een duidelijk beeld te krijgen van wat een project is, volgt uit het decreet inzake BJB deze definitie: bijzondere initiatieven die zich richten tot een specifieke doelgroep of op een bijzondere probleemsituatie (Peeters & Vanackere, 2008, p.2). Sinds 1 januari 2010 is er in elke Vlaamse provincie een project gestart dat zich richt op de preventie, de vroegdetectie en het inzetten van complementaire zorgtrajecten bij druggerelateerde problematieken in de bijzondere jeugdzorg (Jongerenwelzijn, z.j., para. 1). Deze projecten zijn tot stand gekomen door een samenwerkingsovereenkomst met CGG s en andere relevante zorgaanbieders. Na de oproep op 2 maart 2009 gericht aan de private voorzieningen van de BJB, ontstonden de vijf projecten. Toenmalig minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Veerle Heeren en het IVA Jongerenwelzijn riepen op om een gepast aanbod te ontwikkelen voor jongeren die in de BJB verbleven en met een middelenproblematiek kampten. Deze oproep kaderde in doelstelling 15 van het Globaal Plan Jeugdzorg dat zegt: We onderzoeken hoe we jongeren met een druggerelateerde problematiek die binnen de Bijzondere Jeugdzorg vertoeven naar een gepast hulpaanbod kunnen toeleiden. (Vervotte, 2006, p. 42). De vergaderingen van de Stuurgroep Drugprojecten worden door IVA Jongerenwelzijn georganiseerd om de continuïteit binnen de projecten te garanderen, de resultaten te evalueren en indien nodig globale doelstellingen bij te sturen (Jongerenwelzijn, z.j., para. 1). Naar de stuurgroep komen er van elk project vertegenwoordigers en deze worden ondersteund door zowel de VAD als de vakgroep Orthopedagogiek van de Universiteit Gent. -21-

33 De druggerelateerde problematiek maakt het begeleidingstraject moeilijker, vandaar dat IVA Jongerenwelzijn aan de hand van deze projecten meerdere sectoren bijeen brengt om: de complexiteit van deze doelgroep binnen een gezamenlijk engagement aan te gaan. Door diverse expertise te bundelen, het drugbeleid binnen de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand op punt te stellen en vorming aan te bieden aan jongeren, hun context en aan hulpverleners en teams, trachten de initiatiefnemers voor deze jongeren en hun context een volledig en succesvol traject binnen de jeugdhulpverlening te realiseren. (Jongerenwelzijn, z.j. para.1). 1.5 Rapport Situering Baeten en Rosiers (2010) voerden een nodenbevraging uit bij begeleiders in de BJB naar het alcohol- en druggebruik van jongeren in de BJB. Dit onderzoek vormt de basis voor dit masterproefonderzoek. Hun onderzoek, in opdracht van de VAD, had als titel Alcohol- en druggebruik in de bijzondere jeugdzorg: vragen over aanpak en begeleiding anno De VAD stuurde 432 s naar alle voorzieningen en afdelingen BJB waarvan zij een adres hadden. 164 respondenten vulden de vragenlijst in, waarvan 117 volledig en 47 gedeeltelijk. Dit betekent een response rate van 38 procent. De verhouding in categorieën blijft hetzelfde als in 2002 (Baeten & Rosiers): begeleidingstehuizen categorie 1 en 1bis vormen de grootste groep (37,2%), dan volgen de dagcentra (17,1%), de thuisbegeleidingsdiensten (11,6%) en de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra (8,5%). In 2010 werden ook diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandelingen, crisishulp aan huis en projecten mee opgenomen, maar deze vormden slechts een beperkte groep deelnemers Resultaten De respondenten gaven aan dat 20,7 procent betrokken was bij de drugprojecten die op 1 januari 2010 gestart zijn. 59,8 procent gaven aan hier niet bij betrokken te zijn en 19,5 procent van de respondenten gaf aan dit niet te weten. De begeleiders benoemden een aantal belangrijke taken wat middelengebruik betreft. Deze taken omvatten preventie en aspecten van vroeginterventie. Het begeleiden van cliënten voor middelengebruik in de voorziening komt minder vaak voor. Als een top vijf gemaakt wordt van de belangrijkste taken die een voorziening zelf kan invullen wat middelengebruik betreft, geeft meer dan de helft van de respondenten (57,7%) de bespreekbaarheid van middelengebruik aan als voornaamste taak. Een derde van de respondenten geeft volgende drie taken aan als belangrijk: jongeren motiveren iets te doen aan hun middelengebruik (33,1%), gevolgd door hen te informeren over de risico s van gebruik (31,7%) en als laatste het werken aan sociale -22-

34 vaardigheden van de jongeren (31,7%). Het vijfde element omvat doorverwijzen naar externe hulpverleningsdiensten (30,3%). Volgens Baeten (2011) zijn er enkele redenen waardoor voorzieningen BJB zelf de begeleiding opnemen: - als het gaat om beperkte problemen en het gebruik niet als problematisch ervaren wordt; - als de begeleiders de situatie kunnen hanteren; - als de jongere zich laat begeleiden. Enkele redenen waardoor voorzieningen niet zelf begeleiden zijn: - als het gaat om ernstig, problematisch gebruik; - als de jongere zelf een vraag naar doorverwijzing stelt; - als het functioneren van een jongere in het gedrang komt; - als de jongere de voorziening overlast bezorgt. Hierbij aanvullend worden in het rapport van Baeten en Rosiers (2010) de twee uitersten nooit zelf begeleiden (14,9% en 23,3%) en altijd zelf begeleiden (9,1%) geschetst. Opvallend hierbij zijn de twee verschillende uitkomsten bij nooit zelf begeleiden. Daarnaast formuleert 45,8 procent van de voorzieningen een grens voor wat wel en niet begeleidbaar is wat betreft problematisch middelengebruik van een jongere. In het kader van het begeleiden van jongeren met middelenproblemen antwoordt 78,4 procent dat er wordt samengewerkt met externe diensten. De samenwerking ziet er als volgt uit: doorverwijzen naar ambulante diensten voor individuele begeleiding (91,2%), advies vragen om zelf te blijven begeleiden (56%), doorverwijzen om residentieel te begeleiden (45,1%), doorverwijzen naar een ambulant aanbod in groep (42,9%), doorverwijzen om ouders te ondersteunen wat betreft het middelengebruik van hun kind (33%), supervisie vanuit de gespecialiseerde alcohol- en drughulpverlening (19,8%) (Baeten & Rosiers, 2010). Uit deze nodenbevraging blijkt dat 62,9 procent een drugbeleid heeft. Dit drugbeleid is een uitgewerkt, neergeschreven werkstuk en het wordt bovendien vaak toegepast. Daarbij zegt 58,7 procent samen te werken met externen om dit drugbeleid uit te werken en op te volgen. Als men specifieker doorvraagt met wie er samengewerkt wordt, volgt onder andere deze opsomming: CGG, drughulpverleningscentra of lokale drughulpverleners, VAD, CAW en specifiek het Jongeren Advies Centrum (JAC), (stedelijke) preventiediensten. Een opmerkelijke vaststelling hierbij is dat slechts een drugproject vermeld wordt. Een samenvatting van de positieve ervaringen van samenwerking toont aan dat de deskundigheid van externe hulpverlening sterk gewaardeerd wordt (70,1%). 54 procent van de respondenten vindt het positief dat er via samenwerking ruimte gemaakt wordt om aandacht te schenken aan andere aspecten. Daarnaast verlicht het de draaglast van de begeleiders en de begeleiding (52,9%). Volgens 48,3 procent is er een vlotte samenwerking, daarenboven benoemt 27,6 procent -23-

35 de positieve resultaten bij de jongeren. Opvallend is dat er niemand aangeeft geen positieve ervaringen te hebben (Baeten & Rosiers, 2010). Een jongere die niet gemotiveerd is (73,3%) of afhaakt (50%) wordt als moeilijkheid bij samenwerking gezien. Een te vrijblijvend aanbod (36,7%), wachtlijsten (30%) en de hoogdrempeligheid van gespecialiseerde hulpverlening (24,4%) vormen eveneens beperkende factoren voor het samenwerken met externe diensten (Baeten & Rosiers, 2010). Begeleiders hebben volgens Baeten en Rosiers (2010) behoefte aan advies op maat (74,2%), samenwerking en/of netwerking (70%), materialen en/of methodieken (55%), vorming (46,7%) en informatie (46,7%) om de ondersteuning te optimaliseren. In een eerdere bevraging van Baeten en Rosiers (2002) zagen de cijfers voor de wenselijke ondersteuning er anders uit: preventiemateriaal/methodieken (75,6%), informatie (74%), samenwerking/netwerking (73,8%), vorming (72%) en pas op de laatste plaats advies (70,2%). Op basis van deze data is er weinig verschil te merken van wat het belangrijkste is. Hierbij werden deze categorieën geconcretiseerd, zo werd advies bijvoorbeeld onderverdeeld in ondersteuning/advies bij aanpak, screening, drugbeleidsplan, doorverwijzing en preventie. In de bevraging van 2010 werden de termen niet geconcretiseerd. Vorming voor eerstelijnsdiensten kan een taak voor de CGG s zijn, als zij hiervoor de middelen verwerven (VAD, 2009). Volgens Ward (1998) moeten begeleiders in residentiële voorzieningen training krijgen in druggerelateerde thema s, zo kunnen zij correct en doeltreffend inspelen op druggerelateerde situaties bij jongeren. Door de illegale status van drugs, kan een begeleider niet de eerste optie zijn om jongeren te helpen met hun drugproblemen. Begeleiders moeten over de nodige kennis beschikken over het aanbod van de drughulpverlening om eventueel te kunnen doorverwijzen. Zij moeten ook jongeren ondersteunen wanneer deze doorverwezen worden naar andere hulpverlening. Wat betreft nazorg moeten jongeren de ruimte krijgen om terug te vallen op hun drughulpverlener, wanneer zij niet terecht kunnen bij een begeleider in de voorziening. Daarnaast moeten deze CGG volgens de VAD regionale en/of doelgroepgerichte leemten en behoeftes opvullen want jongeren met een psychische of psychiatrische problematiek kunnen later in de drughulpverlening terecht komen en kunnen dubbeldiagnosepatiënten worden. Men moet verder kijken dan het hier en nu en nadenken over een visie op langere termijn zodat kan afgestemd worden met de drughulpverlening. In de nodenbevraging werden ook een aantal stellingen geponeerd. Voor deze masterproef werden enkel deze stellingen rond samenwerking geselecteerd. De overgrote meerderheid (92,2%) is het (eerder) eens met: Wij nemen contact op met de alcohol- en of drughulpverlening als we advies nodig hebben bij de begeleiding van een jongere met alcohol- of andere drugproblemen. (Baeten & Rosiers, 2010, p. 38). Met de stelling Wij voelen ons deskundig genoeg om jongeren met alcohol- of ander druggebruik te begeleiden is 65,6 procent het (eerder) oneens (Baeten & Rosiers, 2010, p. 38). Wij hebben te weinig zicht op het -24-

36 hulpverleningsaanbod van de alcohol- en drughulpverlening, hiermee is 63,4 procent het (eerder) oneens (Baeten & Rosiers, 2010, p. 39). Meer dan de helft van de respondenten (63%) is het (eerder) oneens met de stelling Wij hebben nood aan alcohol- en drughulpverleners die in de voorziening/afdeling gesprekken komen voeren met jongeren. (Baeten & Rosiers, 2010, p. 39). Verscheidene factoren spelen mee in de begeleiding van jongeren met alcohol- en/of andere drugproblemen. Er zijn heel wat mogelijkheden om met een dergelijke problematiek om te gaan. Op een continuüm bekeken kan het gaan van volledig zelfstandig begeleiden tot het volledig uit handen geven van de begeleiding. -25-

37 2. PROBLEEMSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat samenwerking tussen en integratie van sectoren van belang is voor het garanderen van een kwaliteitsvolle hulpverlening. Er is echter weinig informatie te vinden rond samenwerking tussen de BJB en drughulpverlening in Vlaanderen. In deze masterproef wordt hier concreet op ingegaan. Er wordt onder andere nagegaan wat samenwerking betekent, hoe dit tot stand komt, welke factoren hiervoor nodig zijn. Dit onderzoek gebeurde op vraag van de Stuurgroep Drugprojecten van het IVA Jongerenwelzijn en de VAD. Het IVA Jongerenwelzijn beschikt momenteel over een Stuurgroep Drugprojecten. Deze stuurgroep maakt gebruik van een kwantitatief registratiesysteem wat betreft samenwerkingsverbanden. Dit betekent dat zij registeren volgens vier vaststaande categorieën, namelijk registratie op niveau van de voorziening; kenmerken van de voorzieningen BJB; registratie op niveau van de jongere en kenmerken van de doelgroep (VAD, z.j., Sjabloon Registratiegegevens Drugprojecten ). Zij stelden de vraag of er eveneens een kwalitatief onderzoek kon gebeuren rond samenwerking. Dit masterproefonderzoek spitst zich dan ook toe op het kwalitatieve onderzoek voor de Stuurgroep Drugprojecten. Daarnaast kan dit onderzoek relevant zijn voor de geïnteresseerden in samenwerking tussen deze specifieke sectoren en in samenwerking algemeen. Het kan eveneens nieuwe theoretische inzichten naar voor brengen rond samenwerking tussen de BJB en de drughulpverlening. Voor er overgegaan wordt naar de onderzoeksvragen, wordt eerst de basis hiertoe belicht. Uit het onderzoek van Baeten en Rosiers (2010) wordt samenwerking en netwerking als een belangrijke ondersteuningsnood geformuleerd. Deze behoefte werd reeds in hun onderzoek van 2002 aangehaald. Een vijfde van de respondenten in het onderzoek van 2010 blijkt betrokken te zijn bij de opstart van de drugprojecten op 1 januari Daarnaast werkt drie vierde van de respondenten wel degelijk samen met andere hulpverleningsdiensten om jongeren met een middelenprobleem te begeleiden. Uit de literatuurstudie bleek reeds dat men deze samenwerking als positief evalueert. Dit betekent echter niet dat er geen specifieke aandacht meer moet aan geschonken worden, mede omdat deze samenwerking als een belangrijk aspect gezien wordt. Dit masterproefonderzoek wil nagaan wat van belang is voor deze samenwerking. Volgende onderzoeksvragen vormen de basis voor dit masterproefonderzoek: 1) Welke factoren spelen een rol om al dan niet tot een samenwerkingsverband tussen de drughulpverlening en de bijzondere jeugdbijstand in Vlaanderen te komen? 2) Welke zijn de randvoorwaarden voor een effectief en efficiënt samenwerkingsverband? -26-

38 3) Hoe ziet concrete samenwerking er uit bij begeleidingsactiviteiten wat betreft eventueel druggebruik van jongeren (begeleidingsactiviteiten omvatten zowel preventieve activiteiten, behandeling, nazorg als terugvalpreventie)? 4) Op welke manieren kan samenwerking cliënten, begeleiders en het begeleiden van jongeren ondersteunen? -27-

39 DEEL II ONDERZOEK

40 1. METHODE 1.1 Keuzeverantwoording Voor de keuze van het onderwerp van deze masterproef zijn een student, de begeleidster en de ex-promotor te rade gegaan bij de VAD, meer bepaald Inge Baeten. Zij bracht een aantal onderwerpen naar voor waar de VAD verder verdieping in wenste. De organisatie had reeds onderzoek gevoerd naar de noden binnen de bijzondere jeugdzorg. Daaruit kwamen een aantal elementen naar voor die de mogelijkheid boden tot verder onderzoek. De studenten hebben alle thema s meegenomen in een denkproces en bediscussieerd. Uiteindelijk kozen zij voor het onderwerp zoeken naar randvoorwaarden voor een goede samenwerking tussen de BJB enerzijds en de drughulpverlening anderzijds. Eenmaal dit onderwerp gekozen, zaten zij terug met de begeleidster en de ex-promotor samen om na te gaan wat dit onderzoek kon inhouden. In de tussenperiode werd dit voorstel op tafel gelegd bij de Vlaamse Stuurgroep Drugprojecten, behorende tot het IVA Jongerenwelzijn. Vlaanderen kent namelijk vijf drugprojecten gestuurd vanuit dit agentschap en deze komen allen samen in een stuurgroep, samen met nog andere belangrijke betrokkenen (zoals medewerkers VAD, medewerkers Universiteit Gent). Het doel was om kwalitatief onderzoek te voeren en zicht te krijgen op indicatoren voor samenwerking: Wat is effectief en wat niet?. Aangezien de Stuurgroep Drugprojecten vooral kwantitatief registreert (bijvoorbeeld het aantal deelnemende voorzieningen, het aantal jongeren etc.) en minder aandacht besteedt aan wat ondersteunend kan zijn voor de samenwerking tussen beide sectoren, zou een kwalitatief aspect de focus van dit onderzoek worden. De keuze werd in dit gesprek gemaakt om verschillende actoren behorende tot die samenwerking tussen de twee sectoren te bevragen, dit aan de hand van kwalitatieve interviews. De respondenten van het onderzoek zouden de coördinatoren van bovengenoemde drugprojecten in Vlaanderen worden, drughulpverleningsinstanties die in het drugproject participeren en instanties van de BJB die wel of niet in het drugproject participeren. Concreet zag het opzet per provincie er als volgt uit: een coördinator van het project, een instantie drughulpverlening, een instantie BJB die wel participeert en een instantie BJB die niet participeert. Dat kwam op een totaal van vier respondenten per provincie. Deze steekproeftrekking werd uiteindelijk aangepast (zie verder). Aan de hand van de gegevens uit de nodenbevraging van de VAD werden de onderzoeksvragen opgesteld. 1.2 Onderzoeksgroep Dit masterproefonderzoek is gericht op de sectoren drughulpverlening en BJB, met de drugprojecten van het IVA Jongerenwelzijn als schakel hiertussen. Het voorgaande valt volgens Mortelmans (2007) onder de noemer onderzoekspopulatie, wat concreter wordt in onderstaand steekproefkader. Deze projecten omvatten Druglink (Antwerpen), DrugSlink (Druggerelateerd -29-

41 Samenwerkingsverband Limburg), Keep It Clean (Oost-Vlaanderen), LiNK-drugs (Vlaams- Brabant) en STUFF (Samenwerking/Traject/Uitwisseling/Flexibiliteit/Filter, West-Vlaanderen). Voor het selecteren van respondenten vertrokken de onderzoekers vanuit de drugprojectfiches en de informatie verkregen vanuit de Stuurgroep Drugprojecten. Dit betekent dat voorzieningen van de BJB, drughulpverlening of andere organisaties gecontacteerd werden. Bij de voorzieningen van de BJB werd geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën van deze sector. Naast deze private voorzieningen richt dit onderzoek zich ook naar extra organisaties, zoals de gemeenschapsinstellingen. De drughulpverlening behoort eveneens tot de totale onderzoeksgroep. Een laatste onderdeel van de onderzoeksgroep omvat voorzieningen BJB die niet deelnemen aan een van de bovenstaande drugprojecten. Op basis van informatie verkregen van de drugprojectcoördinatoren werden deze niet-deelnemende organisaties gecontacteerd. Verder werden geen andere in- of exclusiecriteria gehanteerd. De studenten peilden naar de medewerking van de respondenten. Daarnaast werd verwacht dat respondenten informatie konden verschaffen over samenwerkingsverbanden in hun organisatie, ongeacht hun functie. Het doel was om de vijf Vlaamse drugprojecten te bevragen, een aantal organisaties BJB, alsook drughulpverleningsinstanties die deelnemen aan bovenstaande drugprojecten. Niet-deelnemende organisaties BJB in het drugproject werden eveneens opgenomen in de onderzoeksgroep. Elk project heeft een projectfiche waarop een lijst van deelnemende organisaties staat, waaronder ook enkele die niet onder de koepel BJB of drughulpverlening behoren (zoals een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) of een stedelijke preventiedienst). Deze worden benoemd als extra organisaties. De concrete onderzoeksgroep ziet er als volgt uit: - coördinatoren van de vijf Vlaamse drugprojecten (5); - deelnemende organisaties BJB aan een drugproject (10); - instanties drughulpverlening deelnemend aan een drugproject (5); - organisaties BJB niet-deelnemend aan een drugproject (5); - extra organisatie deelnemend aan een drugproject (1); - extra organisatie gemeenschapsinstellingen (1). In het totaal werden 101 respondenten aangeschreven. Daarvan hebben de onderzoekers 54 antwoorden ontvangen (43 positieve en 11 negatieve). De response rate bedraagt 53,47 procent. Hiervan werden 27 instanties geïnterviewd (n=27). In het totaal werd er bij 26,73 procent van het steekproefkader een interview afgenomen. Dit betekent dat de onderzoekers bij de helft van de response rate zijn langsgegaan. Bij drie interviews waren twee personen aanwezig. Dit brengt het totaal aantal respondenten op 30. Het uitgangspunt voor deze masterproef is echter het totaal aantal interviews (n=27), omdat -30-

42 twee respondenten in eenzelfde interview elkaar voornamelijk aanvulden en geen extreem tegenstrijdige informatie meegaven. De meest voorkomende redenen voor het weigeren van deelname aan het onderzoek worden hieronder weergegeven. - Vanuit het kader van time management. (1) - Minimale bijdrage voor het onderzoek, vanuit diverse redenen. (4) Er is weinig samenwerking met het drugproject. Er zijn weinig minderjarigen in begeleiding en er is doorverwijzing vanuit de BJB. Er is een deelname aan het drugproject, maar vanuit een ander kader. In de organisatie zijn er geen concrete ervaringen met drugs. - Men is geen onderdeel van een drugproject. (1) - Men behoort niet tot de doelgroep van het onderzoek. (3) - Men kan de onderzoekers niet verder helpen met hun onderzoek. (1) - Men heeft geen interesse in het onderzoek. (1) Alle interviews werden in de context van de respondent afgenomen, meer bepaald de organisatie of voorziening. Een interview vond uitzonderlijk in een andere context plaats, namelijk in de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent. De context van de organisaties in de BJB waren voornamelijk voorzieningen uit volgende categorieën: categorie 1, categorie 1 bis, categorie 2, categorie 3, categorie 4, categorie 7, multifunctionele centra, Trainingscentra voor Kamerbewoning (TCK) en Centra voor Actieve Netwerkontwikkeling en Omgevingsondersteuning (CANO). De onderzoekssetting in de drughulpverlening omvatte ambulante dagcentra en Residentieel Kortdurend Jongerenprogramma (RKJ). Daarnaast werd er een interview afgenomen in een gemeenschapsinstelling en een stedelijke preventiedienst (respectievelijk niet-deelnemend en deelnemend), beiden werden als extra organisatie gecategoriseerd. 1.3 Onderzoeksinstrument Om dit onderzoek te voeren werd door de studenten een vragenlijst opgesteld op basis van het eerder vermeld onderzoek van Baeten en Rosiers (2010). Hiervoor werd een mixed model gebruikt, wat inhoudt dat er een kwalitatief en een kwantitatief deel is. Het kwalitatieve luik omvat een afwisseling van gesloten en open vragen, voor het kwantitatieve luik wordt gebruik gemaakt van een Likertschaal van nul tot tien. Het interview is half-gestandaardiseerd, hierbij werd het onderwerp gekozen door de onderzoekers en was de respondent vrij in de wijze van antwoord geven (Heerink, Pinkster & Bratti-van der Werf, 2009). -31-

43 Om een duidelijke structuur in het interview te krijgen, werden per onderwerp enkele hoofdthema s gekozen. Deze vallen volgens Mortelmans (2007) onder de noemer topiclijst. Vervolgens werd deze uitgewerkt tot een vragenprotocol. Deze vragen bedekken het opzet van de onderzoeksvragen, passen in de onderzoeksopzet en worden in een doordachte volgorde aangebracht (Mortelmans). Zowel de hoofdthema s als de hoofdvragen zijn in de volgorde van het interview: factoren die een rol spelen in het ontstaan van de samenwerking, mogelijke diensten, randvoorwaarden, begeleidingsactiviteiten (preventie, behandeling, nazorg en terugvalpreventie), drugbeleid en enkele stellingen uit het onderzoek van Baeten & Rosiers (2010). Elk thema werd opgesplitst in een aantal subvragen, telkens met de focus op samenwerking. De interviews bestaan vooral uit sociodemografische vragen, kennisvragen, ervaringsgerichte vragen en vragen naar opinies en waarden (Mortelmans). Het opgestelde interview is terug te vinden in bijlage 3. Er werden vier versies van het interview gehanteerd: voor de drugprojecten, voor voorzieningen met een samenwerkingsverband, voor voorzieningen zonder een samenwerkingsverband (focus op niet-deelname) en voor de organisaties die behoren tot de categorie extra. Tijdens de dataverzameling werd bij een type interview na de eerste afname een vraag verwijderd, aangezien deze vraag verder meer specifiek gesteld werd. Al deze interviews kennen eenzelfde inhoudelijke opzet, enkel de volgorde van de vragen verschilt. Elke respondent en onderzoeker ondertekende een formulier geïnformeerde toestemming (bijlage 4) vooraleer van start gegaan werd. De interviews werden opgenomen met een voice recorder, daarnaast maakten de onderzoekers notities tijdens de afname. Om de interviews uit te schrijven werden de audio-opnames en notities gebruikt. 1.4 Onderzoeksopzet Zoals eerder vermeld, voerden de studenten dit onderzoek uit in opdracht van de Stuurgroep Drugprojecten en de VAD. In februari 2011 werden de coördinator en/of medewerker van ieder drugproject in Vlaanderen via mail aangeschreven. Na het krijgen van bevestiging voor afname van het interview werden alle andere organisaties op de projectfiches gecontacteerd. De onderzoekers hanteerden onderstaande methode. Per provincie werden de eerste twee deelnemende organisaties BJB bezocht wanneer zij bevestiging en mogelijke data voor het interview gaven. De eerste instantie drughulpverlening die bevestigde voor het interview werd geselecteerd. Ook de eerste instantie BJB die niet participeert aan het drugproject werd zo geselecteerd. Iedere eerste extra organisatie per provincie die met een positief antwoord reageerde, werd bezocht. De gemeenschapsinstellingen werden via hun algemeen contactadres g d en de eerste afdeling die het interview bevestigde, werd eveneens geselecteerd. Bij nonrespons na twee weken werd in alfabetische volgorde telefonisch contact opgenomen met de -32-

44 respectievelijke organisaties. Op deze wijze werden alle afspraken vastgelegd. De dataverzameling liep van 28 februari 2011 tot en met 20 mei Bij de interviews werd gebruik gemaakt van een actieve geïnformeerde toestemming waarbij onder andere de anonimiteit verzekerd werd. Elk interview verliep als volgt: de onderzoekers stelden zichzelf en hun onderzoek voor; de formulieren geïnformeerde toestemming werden door beide partijen ondertekend; het interview werd afgenomen en afgesloten met een bedanking. De voice recorder werd telkens gebruikt bij het eigenlijke interview. De interviews gebeurden in een directe interactie (Mortelmans, 2007). Tijdens de afname van het interview werden alle vragen overlopen. Er werd gestart met gestandaardiseerde, sociodemografische vragen, die fungeerden als openingsvragen. Zo bekwamen de onderzoekers algemene informatie, zoals de naam en functie van de respondent. Bij elk onderdeel van het interview werden de vragen ingeleid. Zo kon overgegaan worden naar de eigenlijke sleutelvragen. Bij het afsluiten van het interview werd telkens gevraagd of de respondenten nog belangrijke informatie wilden toevoegen. Onderzoeker en geïnterviewde wisselden elkaar tijdens het interview af. De onderzoekers hielden een rustig tempo aan, werkten vragen niet te snel af, gebruikten een open houding naar de respondenten toe en waakten over het verloop van het interview. Zoals Mortelmans het aanbeveelt, gingen de onderzoekers de validiteit en volledigheid van de antwoorden van de respondenten na tijdens de interviews. Wanneer bleek dat antwoorden van de respondenten te vaag of te onduidelijk waren, werd er verder ingegaan op de desbetreffende vraag. Dit gebeurde op verschillende manieren zoals samenvatten, herhalen, stiltes hanteren, antwoorden spiegelen, expliciete verduidelijking vragen en bevestigende tussenwoorden of gedragingen (Heerink et al., 2009; Mortelmans). Bij het niet begrijpen van bepaalde begrippen door de respondenten gaven de onderzoekers verduidelijking. De duur van het interview was afhankelijk van de respondent. Het kortste interview duurde 28 minuten en 14 seconden en het langste 1 uur en 48 minuten en 30 seconden. De interviews hebben een gemiddelde duur van 59 minuten en 30 seconden. 1.5 Analyses Alle interviews werden volgens het Verbatim-principe uitgetikt (Mortelmans, 2007). Er werd bewust de keuze gemaakt om geen bijkomende aspecten als gevoelens of wachttijden te betrekken in het uitschrijven van de interviews. Dergelijke informatie zou geen relevante gegevens opleveren voor de focus van dit onderzoek. Wel werd ervoor gekozen om tussenvoegsels op de juiste plaats weer te geven. Na het uitschrijven van de interviews werden deze doorgestuurd naar de respondenten ter goedkeuring. In de interviewtekst werd een onderscheid gemaakt tussen de oorspronkelijke -33-

45 gesprekken, de later toegevoegde aanvullingen van de respondenten en/of eventuele opmerkingen van de onderzoekers. Alle interviewteksten werden in eerste instantie door beide onderzoekers afzonderlijk doorgenomen. De onderzoekers brachten een eigen structuur aan in de data om deze in een latere fase samen te brengen. Daarnaast creëerden de onderzoekers elk voor zichzelf mogelijke labels of codes en een voorlopige boomstructuur. Na deze individuele verwerking werd alle informatie samengebracht. In een tweede fase werden alle interviews door beide onderzoekers samen doorgenomen en werden er voorlopige codes toegekend. De definities van de codes zijn in bijlage 5 terug te vinden. Doordat alles samen gecodeerd werd, kan men stellen dat de interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid matig tot hoog is. De derde fase omvatte het gebruik van NVivo 9 voor de ordening en verwerking van de data. De onderzoekers maakten gebruik van een boomstructuur (bijlage 6), die tijdens de analyse deels werd aangevuld, om te starten met de methodiek open coderen voor het ordenen van de data. Codes werden volgens de onderzoeksvragen en extra onderwerpen (drugbeleid, product, diensten en stellingen) aan grote stukken tekst toegekend, daarna werd overgegaan tot axiaal coderen. Hier werden de onderzoeksvragen verder opgedeeld in vaak voorkomende concepten. Bij het axiaal coderen werden er eveneens thema s en subthema s bepaald. Een laatste fase was het selectief coderen, waar gezocht werd naar verbanden. Zo ontwikkelden de onderzoekers bepaalde hypothesen, die een antwoord vormden op de onderzoeksvragen (Mortelmans, 2007). Voor het uitwerken van de resultaten werden alle codes overlopen. Na een verdeling van de subthema s werd er opnieuw een clustering gemaakt van de resultaten over alle interviews heen. Via deze werkwijze legden de onderzoekers samen onderlinge verbanden. Het al dan niet hebben van een drugbeleid werd geturfd en in tabelvorm en grafiek weergegeven. Informatie over de producten van samenwerking werd gebundeld over alle interviews heen. De voornaamste onderwerpen worden in de resultaten weerspiegeld. De diensten waar men mee samenwerkt, werden in categorieën onderverdeeld. Deze categorieën worden voorgesteld in een staafdiagram. Een laatste onderwerp in de resultaten zijn de stellingen. Hier werden de toegekende scores op de beoordelingsschaal in een staafdiagram voorgesteld. Wanneer respondenten twee opeenvolgende scores gaven, werd het grootste getal gekozen. 1.6 Validiteits- en betrouwbaarheidscriteria en ethische overwegingen Uit de resultaten blijkt dat de verkregen informatie de onderzoeksvragen meer dan voldoende bedekt. Het onderzoeksdoel werd bereikt, er werd gemeten wat de onderzoekers beweerden te meten (Mortelmans, 2007). Het doorsturen van de interviews had als doel de validiteit van het onderzoek te vergroten. Op deze manier kregen de studenten een extra bevestiging dat de antwoorden aansloten op de vragen (Heerink et al., 2009). Inhoudelijke aanpassingen van -34-

46 respondenten werden mee opgenomen in de verwerking van de gegevens. Tijdens de analyse van de data werd rekening gehouden met negatieve bewijzen, eveneens om de validiteit te versterken (Mortelmans). De onderzoeksprocedure werd volledig uitgeschreven opdat het onderzoek(sproces) duidelijk, controleerbaar en herhaalbaar zou zijn. De interviews werden telkens vraag per vraag afgenomen. Elke vraag werd gesteld, ook al wisten de onderzoekers dat een vraag niet (of niet helemaal) van toepassing was voor een bepaalde organisatie. De standaardvragen werden gesteld en daar werd indien nodig op doorgevraagd. Dit doorvragen is echter een aspect eigen aan kwalitatief onderzoek, hierdoor zou de inbreng van een andere onderzoeker anders kunnen zijn. Als een andere onderzoeker deze werkwijze zou hanteren, zou die tot dezelfde resultaten moeten komen. Dit onderzoek werd gevoerd door twee personen, dus moesten de onderzoekers goed op elkaar afgestemd zijn om tot dezelfde werkwijze te komen. Hiervoor gingen de onderzoekers vaak in overleg en discussie en hanteerden zij een kritische houding. Tot slot dienen de ethische overwegingen vermeld te worden. In deze masterproef werden er geen namen vermeld en de gegevens werden anoniem verwerkt. Opdat alles ethisch correct zou verlopen, werd gebruik gemaakt van een formulier actieve geïnformeerde toestemming. -35-

47 2. ONDERZOEKSRESULTATEN Enkel bij specifieke vermelding van sectoren of drugprojecten door de respondenten wordt dit expliciet in deze resultaten vermeld. Dit betekent begeleiders/bjb, drughulpverleners/drughulpverlening, projectmedewerkers/drugproject of hulpverleners in het algemeen. De gedetailleerde lijst met antwoorden op de onderzoeksvragen is terug te vinden in bijlage 7. Er werd gekozen om hier zoveel mogelijk de woorden van de respondenten te gebruiken, dit omwille van de authenticiteit. 2.1 Onderzoeksvraag een Welke factoren spelen een rol om al dan niet tot een samenwerkingsverband tussen de drughulpverlening en de bijzondere jeugdbijstand in Vlaanderen te komen? Aanleiding De aanleiding voor samenwerking met drugproject en/of andere diensten is onder te verdelen in drie groepen (zie figuur 1). Aanleiding samenwerking 38% 40% Intern (eigen nood) Extern (Initiatief andere dienst) 22% Jongerenwelzijn Figuur 1 Alle onderzoeksgroepen, behalve de groep niet-deelnemend, gaven aan dat de oproep vanuit het IVA Jongerenwelzijn een aanleiding tot samenwerking was met het drugproject (38%). Er wordt ook samengewerkt vanuit een eigen nood (40%) en ook op initiatief van andere diensten (22%). Respondenten konden meerdere antwoorden geven op deze vraag. Een gedetailleerde uitwerking is in bijlage 8 te vinden. De respondenten geven ook aan waarom er soms minder snel tot samenwerking wordt overgegaan: er zijn verschillen in uitgangspunten, in aanpak en/of visie; de beslissing tot samenwerking wordt voor de dienst genomen want deze is lid van een koepelorganisatie; men -36-

48 legt prioriteiten (bijvoorbeeld omwille van het tijdelijk karakter van het drugproject neemt men niet deel, een eigen project moet wijken voor het drugproject); men heeft schrik om aan autonomie te moeten inboeten; Ontstaan en proces Geschiedenis en traditie in samenwerken wordt door veel respondenten vermeld als een belangrijke rol om te komen tot samenwerking. Dus een stuk voorsprong in zeg maar de koepel die er bestaat binnen de jeugd, binnen de bijzondere jeugdzorg zelf en dan ja de traditie van samenwerken met de drughulpverlening die er al was hé. En ik spreek nu voor de drughulpverlening, maar hetzelfde kan gezegd worden voor de andere partner in het project en dat is X hé. Hieronder wordt door de respondenten nog verstaan: er was voordien al (formele) samenwerking en hierdoor kent men elkaar; er werden reeds inhoudelijke discussies gevoerd; de drughulpverleningsinstantie had vroeger een erkenning als BJB; de samenwerking vloeit verder uit eerdere projectgroepen; men werkte eerder in een andere of zelfde sector, voorziening; Een andere reden om tot samenwerking te komen is beschikken over kennis. Dit betekent: elkaar(s aanbod) kennen, kennis van de sociale kaart, profilering, de eigen grenzen en die van de ander (er)kennen, het eigen leerproces kennen en gebruiken, Daarnaast is bewustwording van het thema drugs en samenwerking van belang. Gedeelde medewerkers (werken in het drugproject en een drughulpverleningsinstantie tegelijkertijd) en het hebben van ervaring in een andere sector spelen ook een rol. Motivatie, bereidheid en engagement van verscheidene personen in verschillende diensten (zoals blijven deelnemen aan bijeenkomsten, het aanbod blijven voorstellen, afstemming op onder andere doelgroepen en leeftijdscategorieën of gedragenheid) zijn determinerende factoren bij uitstek. Iemand die de aanzet geeft tot samenwerking, deze leidt en vooruithelpt, wordt meerdere keren als belangrijk aangegeven. Sommige respondenten vermelden echter dat samenwerking enkel gebaseerd op goodwill en motivatie onvoldoende is. Structurele en officiële aspecten zijn ook belangrijk: regelmatig samenkomen, door het officiële karakter van de samenwerking komen extra middelen vrij, subsidies kunnen eventuele uitbreiding mogelijk maken, het uitschrijven van samenwerkingsverbanden in protocollen, een al dan niet duidelijk afgebakende samenwerking (aantal samenkomsten, duidelijk doel of verschillende niveaus van samenwerking (advies vragen versus begeleiding van cliënt), tussentijdse instapmogelijkheid in het samenwerkingsverband), een stevige basis met toekomstperspectief (na het drugproject) of bruggen steviger maken. Anderzijds werd ook aangegeven dat een officieel/structureel samenwerkingsverband niet altijd hoeft. -37-

49 Sommige respondenten kiezen bewust ofwel voor samenwerking ofwel niet voor samenwerking. Dus in die zin is het aanbod van project X ons bekend, maar wij hebben er dus bewust voor gekozen om daar niet aan te sluiten, wegens reeds actief in een ander netwerk hé. (Toekomstige) partners moeten kunnen communiceren om tot samenwerking te komen. Openheid, discussie voeren, elkaar respecteren en erkennen alsook gelijkwaardig partnerschap zijn hierin belangrijke aspecten. Eerder bestaande misverstanden moeten opgehelderd worden voor men kan samenwerken. Tijdswinst speelt een belangrijke rol om tot samenwerking te komen, niet iedereen moet het warm water uitvinden en door samenwerking wordt dubbel werk vermeden. Daarnaast vraagt het de nodige tijdsinvestering. Krachten en expertise worden gebundeld of zoals een respondent het verwoordt: Ja, gedragen gewicht weegt half zo, gedeeld gewicht weegt half zo zwaar of zoiets ja. Blijven zoeken naar aanpakmogelijkheden voor problematieken, het continu in netwerk gaan en dat verbreden en het hebben van een verbindingspersoon of project houdt samenwerken levendig. Mogelijks toekomstig druggebruik in de voorziening zou wel kunnen leiden tot het participeren aan een drugproject. Te rade gaan bij een ander netwerk gebeurt omdat cliënten in de BJB kwetsbaar zijn en een respondent stelt dat deze kwetsbaarheid kan vergroot worden door het zien van druggebruik bijvoorbeeld bij ouders. Samenwerking wordt verankerd in een netwerk en in een bestaande structuur opdat het zou doorleven. Voorzieningen die echter niet intekenen in een drugproject maken geen gebruik van de middelen die hen toekomen. De context bepaalt het proces van samenwerking: bijvoorbeeld de traditie van de verdeling van het hulpverleningslandschap (zo is er enkel een Centrum voor Alcohol- en andere Drugproblemen (CAD) in Limburg) alsook de geografische ligging van diensten bepaalt wie men zal contacteren. Ik denk dat elke voorziening daarin zijn eigen strategie heeft. Ik weet bijvoorbeeld, en dat is ook heel verstaanbaar, voorziening X dat ligt aan de grens van D. Dus op drie kilometer van hun deur ligt organisatie Y en Y doet drughulpverlening. Moeten zij naar organisatie Z doorverwijzen hé. Dat ligt op twintig kilometer bijvoorbeeld er van af. Ja, allee dus afhankelijk van de plek Reden niet-deelname Redenen om niet deel te nemen aan een van de drugprojecten volgens dit onderzoek zijn: - geringe problematiek in de voorziening, dus geen noodzaak om verder op zoek te gaan; - het aanbod van het drugproject wel kennen, maar al in een ander netwerk geëngageerd; - energie is nodig voor andere dingen; -38-

50 - het aanbod of drugproject niet kennen; - door de tijdelijkheid van het drugproject niet deelnemen; - een andere reden waarom men niet deelneemt: Goh, bewuste keuze, wij hebben dat hier wel overwogen, maar wij werken met kinderen van zes tot veertien jaar en dus staat dat thema minder op de voorgrond. 2.2 Onderzoeksvraag twee Welke zijn de randvoorwaarden voor een effectief en efficiënt samenwerkingsverband? Er werd een selectie gemaakt in de onderzoeksresultaten omwille van de aanzienlijke hoeveelheid informatie. Hieronder worden de voornaamste thema s weergegeven Algemene opmerkingen De respondenten geven aan dat drughulpverlening en BJB twee verschillende sectoren zijn. Hierbij wordt de vraag gesteld of iedere begeleider wel zo deskundig moet zijn als een drughulpverlener, want die hoeft volgens hen geen drugsdeskundige te worden. Een gering probleem willen ze zelf aanpakken, voor een groter probleem wordt doorverwezen naar een expert. De meerderheid geeft aan dat het beter is om de hulpverlening goed op elkaar af te stemmen Wat loopt goed? Over het algemeen geven de respondenten aan tevreden te zijn over de samenwerkingsverbanden. Men omschrijft het als een aangename wisselwerking of samenwerking die naadloos verloopt. Kennis faciliteert samenwerking. Daaronder begrijpen de respondenten onder andere dat men het aanbod en elkaar leert kennen. Eens men de weg naar elkaar gevonden heeft, blijft men elkaar vinden als partners, dit voornamelijk na een goed contact. Bovenstaande is mogelijk door mondaan-mondreclame en het blijven profileren van de diensten. Vorming en intervisie openen nieuwe perspectieven. Onderstaand aspect loopt eveneens goed bij samenwerking. Dus als ik zie door de jaren heen, dan hebben we wel al wat samenwerkingsverbanden eigenlijk in dit of in deze sector eigenlijk wel wat opgebouwd eigenlijk, met heel wat diensten, met heel wat personen en daar kunnen wij onze weg zeer goed in terug vinden eigenlijk hé, en ja, die mensen kennen ons ook vrij goed, hé, zij zijn ook hier geweest en zo verder, dus dat zit stevig in mekaar. -39-

51 Sneller geholpen worden en kort op de bal spelen zijn elementen die goed lopen door de samenwerking. Men krijgt vlugger tips en advies en wachtlijsten kunnen vermeden worden. Indien nodig vangen interne therapeuten de lange wachttijden op. Bereidheid en engagement om mee te werken alsook de betrokkenheid van de hulpverleners zijn elementen die over het algemeen goed lopen. Er is hierbij wederzijds respect voor elkaars rol en sterktes. Men toetst af of men goed bezig is. Kunnen terugvallen op andere hulpverleners om zaken te bespreken loopt ook goed. Het is, zeker dan mijn eerste vergadering, je hebt soms wel dingen, allee, die ik niet begrijp omdat dat al zoveel weken, al zoveel keren daarvoor is afgesproken, maar dan is de projectcoördinator zeker bereid om, om daar een keer met mij bij samen te zitten, dus heb ik zo het gevoel van oké, ja. Regelmatige samenkomsten en de grote opkomst naar projectgroepen waardoor contacten onderhouden worden, omschrijven de respondenten eveneens als goedlopend. Door het engagement dat er is, komt er terug een gedrevenheid binnen de sector en wordt het thema drugs ernstig genomen. Een meerderheid van de respondenten geeft aan dat men niet echt conflicten in samenwerking ondervindt. Hulpverleners zijn beschikbaar en bereikbaar: een dienst dichtbij huis, de klik met de hulpverlener, goede (door)verwijzingen en het hebben van een netwerk lopen goed. Het kunnen bellen naar de projectcoördinator als gekende tussenpersoon werkt drempelverlagend. Er wordt aangegeven dat er voldoende aanbod en inschrijvingen op vormingen zijn, alsook een vrij grote opkomst naar de projectgroepen. Samenwerking zorgt voor actie en brengt dynamiek in de werking. Wat nog goed loopt, is dat men concreet mag blijven. Beleid, visies en modellen krijgen een vertaling naar de praktijk. Hierdoor kan op de werkvloer veel bereikt worden. Een traditie van samenwerken maakt integreren gemakkelijker, men constateert een evolutie in de werking en men groeit naar elkaar toe. Organisaties stellen spontaner hun hulpvraag en kunnen sinds het drugproject met anderen in dialoog gaan. Sommige respondenten merken echter geen extra toename van vragen sinds het ontstaan van het drugproject. Het structurele karakter van een samenwerkingsverband vraagt duidelijke afspraken en verwachtingen. Wat ook goed loopt: de deskundigheid in de samenwerking, continuïteit (in de stuurgroep, bij trajecten, ), de uitval van de jongeren in de BJB met een drugproblematiek wordt voorkomen (de opzet van het drugproject is geslaagd), het hebben van een medewerker die zorgt voor de dispatching van het materiaal, tekorten worden aangevoeld, er zijn geen dubbele agenda s en een andere dienst kan als externe druk voor een jongere fungeren. Een belangrijke opmerking is dat de stedelijke context een rol kan spelen in het bepalen van de problematiek. -40-

52 Ik denk dat A geen stad is die te vergelijken is qua problematiek met bijvoorbeeld B of C, het maakt het wel iets comfortabeler om te werken Wat loopt niet goed? De meerwaarde van samenwerking is vaak onvoldoende gekend. Daarnaast kennen de verscheidene sectoren elkaar soms te weinig of kennen drugprojectmedewerkers of drughulpverleners de BJB onvoldoende. Daardoor kan oriëntatie moeilijk lopen. De drughulpverlening bekijkt de doelgroep van de BJB soms als eenzelfde groep waardoor men de verscheidenheid in de doelgroep negeert. En X bekijkt al onze gasten als dezelfde groep jongeren, terwijl dat we hier wel een heel verschillende populatie hebben. Gebrekkige profilering van de drughulpverlening naar de BJB zorgt voor een onvoldoende gekend aanbod en men weet niet wie gecontacteerd kan worden. Er kan ook sprake zijn van foute kennis of informatie. Bewust handelen impliceert niet dat alles goed verloopt, daarnaast kan handelen uitsluitend op basis van vermoedens voor problemen zorgen aangezien dit ondoordacht werken is. Een respondent omschrijft dat training van begeleiders in het thema drugs vroeger veel beter was dan nu. Andere respondenten geven aan dat begeleiders vaak de pedalen verliezen als het over drugs gaat, ze vergeten dat ze het wel kunnen. Een volgende oorzaak waardoor samenwerking niet goed kan verlopen omvat ethische en deontologische aspecten. Respondenten geven aan dat openheid en (cliënt)informatieoverdracht moeizaam kunnen verlopen. Er is niet altijd een goede informatiestroom naar de werkvloer van wat gezegd wordt op projectbijeenkomsten, want het is moeilijk om het evenwicht te behouden tussen informatie doorgeven en het respecteren van het beroepsgeheim. Te veel dingen zelf willen doen en hierdoor kostbare tijd verliezen zijn zaken die niet goed lopen in samenwerking. Men heeft te weinig de reflex om beroep te doen op deskundigen, zelfs binnen de eigen voorziening; er wordt te weinig doorverwezen van de BJB naar de drughulpverlening. Door te lang aanmodderen, grijpt men te laat in. Door te lange wachtlijsten staan cliënten in de kou. Als er wachtlijsten zijn, dat is ook heel moeilijk hé. Dus dat gebeurt ook wel dat mensen moeten wachten en net als ze dan eindelijk die vraag stellen en dan krijgen ze te horen we moeten drie maand wachten, ja dat is niet goed hé. Wat bereikbaarheid betreft, geven respondenten aan dat er soms onvoldoende inschrijvingen op vormingen zijn ondanks de duidelijke vraag van de BJB; dat mensen onvoldoende bereikt worden en dat men zich assertiever moet opstellen tegenover de BJB. -41-

53 Een overdaad aan hulpverleners rond een cliënt, het ontbreken van belangrijke personen op samenkomsten en het ontbreken van goede afspraken zijn elementen die niet goed lopen bij de cluster engagement. Daarnaast wordt vermeld dat het outreachend werken van de drughulpverlening naar de BJB beter zou kunnen. Prioriteiten leggen is een ander punt waarop het soms mank loopt. Respondenten geven aan dat er soms te veel gepraat wordt in plaats van werkelijk iets te doen, agenda s stemmen niet altijd overeen en soms moet de BJB te veel bezig zijn met registratie. Een andere respondent geeft dan weer aan dat er meer dossiers en casussen aangebracht moeten worden op de projectbijeenkomsten. Het thema drugs wordt niet altijd als een prioriteit gezien, zo wordt druggebruik geminimaliseerd en kan de BJB de ernst van de problematiek onderschatten. Daarnaast moet de BJB het behandelen van drugproblemen er extra bijnemen, want enkel de drughulpverlening is daarvoor professioneel tewerkgesteld. Wanneer de sectoren andere vertrekpunten en belangen hanteren, kan de samenwerking verkeerd lopen. Ook een verschillend zicht op de nood van de cliënt kan de begeleiding en samenwerking bemoeilijken. Externen hebben bij de behandeling van de cliënten soms een te grote focus op het verleden in plaats van op de toekomst. De drempel om samen te werken wordt door enkele respondenten als te hoog gezien. Het tijdelijk karakter van samenwerking is niet altijd een aanlokkelijke factor. Door het korte termijnperspectief blijven dingen niet kleven. Eens het verkeerd loopt, kan dit lang in het geheugen blijven hangen en dit bemoeilijkt toekomstige samenwerking. Als de klik met de hulpverlener er niet is, kan de hulpverlening stroever verlopen. Daarnaast zijn er veel personeelswissels waardoor veel zaken ongekend blijven zoals het drugproject in de provincie, samenwerkingsverbanden en bepaalde regels. Korte verblijfstermijnen, zoals in een OOOC, bemoeilijken het opzetten van samenwerkingsverbanden. Elke sector heeft zijn eigenheid, soms erkent men elkaar hier niet in en dit kan doorverwijzing verhinderen. Verschillende verwachtingen van de sectoren worden niet altijd op elkaar afgestemd. Andere factoren bij afstemming die moeilijk lopen: het lokaal niveau is te beperkt (Vlaams niveau beter) en dit botst met het regionaal niveau; gerichtheid op kinderen versus jongeren; samenwerking en beleid worden niet altijd gedragen door begeleiders. Het financieringssysteem (op basis van prestaties, te weinig middelen) en een beperkte regelgeving zorgen voor weinig manoeuvreerruimte. In een gesloten groep is het mogelijk dat niet alle gewilde partners aan tafel zitten. Investeren in samenwerking en dit onderhouden vraagt tijd en inspanning, wat niet altijd mogelijk is omdat de begeleiding van cliënten reeds veel vraagt. Eens de samenwerking geïnstalleerd is, weet men een betere balans te vinden. Aanklampend werken versus vrijwilligheid in de sectoren botst wel eens. Wanneer de cliënt uit de drughulpverlening is en de jongere terug in de BJB komt, weet men niet altijd wat te doen. Tussen een organisatie kennen en de stap ernaartoe zetten is er een groot verschil, er wordt niet altijd overgegaan tot actie. -42-

54 Of ook wel soms gewoon omdat er nog zoveel andere problematieken bij die jongere zijn dat drugs niet op de voorgrond komt. En omdat, soms kiezen ze er, denk ik, bewust voor om niet te werken rond die drugs om hun relatie met de jongere niet te verstoren. Wat respondenten nog begrijpen onder niet goed lopen, is dat de BJB de drughulpverlening als stok achter de deur houdt bij de begeleiding. Dit kan ervoor zorgen dat de behandeling voor het druggebruik bemoeilijkt wordt. Een respondent geeft aan moeite te hebben met het verdedigen van regels tegenover andere diensten, wanneer je er als persoon niet achter staat. Andere aspecten zijn het niet goed lopen van nazorg; het hebben van een grijze zone tussen laagdrempelige en specifieke drughulpverlening; het ontbreken van duidelijkheid en eenduidigheid; men reageert nog te vaak op het moment zelf Voordelen En samenwerking is winst, allee, dat is, denk ik, al altijd de vaststelling, hé? Door samen te werken worden kennis en deskundigheid binnengebracht, worden deze vergroot en gedeeld; heeft men vertrouwen in de andere sector; biedt men andere aanpakmogelijkheden etc. Partners leren elkaar kennen door rond de tafel te zitten en er ontstaat een netwerk, wat zorgt voor gemakkelijker doorverwijzen. Sectoren leren elkaar kennen en appreciëren. Het aanbod wordt meer in de aandacht gebracht, is beter gekend en duidelijk en iedereen kan er gebruik van maken, wat de drempel verlaagt. Hierdoor weet men elkaar te vinden en heeft men (vaste) contactpersonen. Als men een duidelijk kader heeft en elkaars visie kent, weet men wat te verwachten en wordt samenwerken meer draagbaar en werkbaar. Vormingen, intervisies en bijscholingen bieden volgende voordelen: men voelt zich ondersteund en kan feedback vragen en krijgen; methodieken worden er gedeeld. De respondenten geven aan dat er door samenwerking gemakkelijker cliëntinformatie wordt uitgewisseld, dit met respect voor de privacy en het beroepsgeheim. Werken met gedeelde medewerkers biedt eveneens voordelen. Door op eenzelfde lijn te staan en naar een gemeenschappelijk doel te werken, vermijdt men dubbel werk en overlap. Visieafstemming, gemeenschappelijke en gestroomlijnde afspraken worden door samenwerking mogelijk gemaakt en leiden tot duidelijkere verwachtingen. Men verkrijgt een andere kijk. Door samenwerking komt er alertheid voor het thema drugs ; er is een signalering aan de cliënt dat het probleem ernstig genomen wordt; taboes worden doorbroken en het thema komt op de agenda. In een provincie komt de BJB hierdoor op de stadsagenda. Samenwerking zorgt voor een snellere, effectievere en kwaliteitsvollere hulpverlening. Het begeleidingsengagement kan men beter waarmaken, het aanbod is beter afgestemd op de nood van de cliënten, er is meer subsidiariteit mogelijk (bijvoorbeeld het drugproject als back-up en -43-

55 minder ingrijpende stap dan drughulpverlening) en men krijgt transparantie. Daarnaast is er meer continuïteit in de behandeltrajecten en wordt doorstroming gecontinueerd. Er ontstaan toegangspoorten (onder andere door het drugproject), individuele trajecten en men krijgt voorrang op wachtlijsten. Door beroep te doen op gespecialiseerde diensten om zich te laten coachen en ondersteunen, vindt men een partner om zich te laten leiden waar nodig. Als men extern gaat, wordt verzuring van de band tussen begeleider en cliënt vermeden. De jongere vertelt soms meer over (zijn) druggebruik aan een externe dienst dan aan zijn begeleider. En nog één ding dat misschien wel goed is, dat is dat jongeren in voorzieningen vaak al soms, allee, een positieve of een negatieve band opbouwen met een individuele begeleider of zo. En als dat misschien al wat verzuurd is, dat dat moeilijk is om nog rond dat thema, dat toch een zeer moeilijk thema is, om daar nog rond te werken. Als je met een externe dienst samenwerkt, kun je zeggen: kijk, voilà, die gaat met u in een nieuwe lei starten of zo. Dankzij de drugprojecten wordt een antwoord geboden aan de nood vanuit BJB. Ook hebben heel wat respondenten dankzij deelname aan dergelijke projecten een drugbeleid ontwikkeld. Een belangrijk voordeel is de standvastigheid van het drugproject als contactpersoon. Drugprojectmedewerkers zorgen voor de praktische organisatie van samenwerking. Deze projecten maken homogeniteit in de samenwerking mogelijk. Dankzij hun ontstaan komen extra middelen vrij waardoor het engagement om samen te werken verhoogt. Doordat men in voorzieningen zelf kan komen, wordt een dialoog aangegaan en kan men elkaar ondersteunen. Communicatie wordt verbeterd en discussie wordt op gang gebracht. Professionele krachten op verschillende niveaus worden gebundeld. Hierdoor wordt diepgang gecreëerd Nadelen Bij het stellen van de vraag naar nadelen geven bijna alle respondenten aan dat er weinig of geen nadelen zijn aan samenwerken. Wanneer de onderzoekers dieper ingaan op de vraag, blijken er toch nadelen aanwezig te zijn. Een eerste aspect is tijd en energie. Men geeft aan dat het een tijdsinvestering vraagt (maar het rendeert), dat het energie opslorpt (maar het brengt op) en dat het extra werk geeft. Sommigen geven aan dat al deze investeringen niet altijd tot het gewenste resultaat leiden. Vergaderen en teveel intervisie in plaats van echt samen te werken zorgt ervoor dat er weinig daadwerkelijk gebeurt. Een ander element is het financiële: de middelen en ruimte zijn niet in verhouding tot wat je erin stopt, er is te weinig geld beschikbaar en bijvoorbeeld werken met privétherapeuten (om wachtlijsten op te vangen) kost veel geld. De uitspraak kiezen is verliezen vormt een derde cluster. Als men kiest voor een beperkt aantal deelnemers (bijvoorbeeld uitsluitend de leden van een koepelorganisatie mogen deelnemen aan een drugproject) kan het een gesloten groep worden. Uit een te uitgebreid netwerk (teveel partners) volgt dat men niet snel beslissingen kan nemen en dat niet iedereen evenveel uit een samenkomst haalt. Kiezen voor breedte impliceert minder diepgang en omgekeerd. Men zal soms te -44-

56 gemakkelijk zaken installeren om snel resultaat te zien of om hulpverleners te helpen. Het kan nadelig zijn om té procesmatig te werken alsook om té taak- of resultaatsgericht te werken. Sommige respondenten gaven aan op voorhand schrik te hebben om aan autonomie te moeten inboeten door samenwerking. Men moet zich schikken naar het aanbod, de agenda en de mogelijkheden van een externe dienst. Dan blijft er nog een restgroep van nadelen over. Het is nadelig als drughulpverlening door de BJB gezien wordt als straf voor de jongere. Men kan samenwerken niet loskoppelen van het relationele aspect, als er bijvoorbeeld personeelswissels zijn, is men zijn vaste contactpersoon kwijt. Omdat begeleiders de continuïteit van het hulpverleningstraject wil waarborgen moet men na een doorverwijzing de jongere terug opnemen in de BJB, maar de begeleiders weten dat dit geen goede plaats is voor hun cliënt. Dit vormt een nadeel van samenwerking. Het optreden van concurrentie is een laatste nadeel. Concurrentiestrijd in het sociale werkveld kan er voor zorgen dat samenwerking niet goed loopt. Een nadeel kan zijn dat je elkaar gaat bekampen. Dat is iets wat ik echt niet wil. En ik had dat nooit gedacht totdat ik in het sociaal werk stapte, dat er ook wel concurrentie is Ondersteunend - bevorderend Om herhaling te vermijden wordt hier enkel ingegaan op nog niet vermelde elementen. Heel wat zaken die vallen onder loopt goed en voordelen horen ook bij ondersteunende en bevorderende factoren. Het uitgangspunt hoe men hulpverlening kwaliteitsvoller kan maken; de cliënt als gemeenschappelijke drive hebben en bewust kiezen om in een samenwerkingsverband te stappen werken stimulerend voor samenwerking. Het kunnen aansluiten bij een bestaand aanbod zorgt voor het comfort niets nieuws te moeten uitvinden. Het idee dat dé oplossing niet bestaat zet aan tot samen zoeken, delen en uitwisselen. Weten dat hulp klaar staat is bevorderend om naar raad of hulp te durven vragen. De drugprojecten werden meermaals als antwoord gegeven op de vraag wat ondersteunend is voor samenwerking. Zij structureren, ondersteunen, stimuleren en werken misverstanden weg. Belangrijk hierbij is een draagvlak voor drugprojecten creëren, monitoren en opvolgen. Dankzij het drugproject kunnen organisaties uitklaren waar nood aan is. Daarnaast werd ook vermeld dat organisaties hun weg vinden zonder tussenkomst van een drugproject. Een respondent omschrijft de meerwaarde van een drugproject als: Die allee mensen of diensten die samen met ons eigenlijk aan die problematieken kunnen en willen werken. En soms lukt dat en soms gaat dat moeilijk. En dergelijke projecten maken dat een stuk gemakkelijker. -45-

57 Hulpverleners die een professionele houding aannemen en hun job kennen, zijn ondersteunend voor samenwerking. De kennis van het aanbod en uit opleidingen moeten regelmatig opgefrist worden. Kennis van de sociale kaart zorgt voor een breder zicht op het hulpverleningsaanbod. Hulpverleners die zich persoonlijk komen voorstellen, zorgen ervoor dat men elkaar (bij naam en gezicht) kent. Daarnaast moet ook het aanbod en de inhoud ervan gekend zijn. Dit kan doordat externe diensten zelf hun hulp- en dienstverlening aanbieden of via overlegmomenten. Het idee te kunnen terugvallen op een andere persoon, er niet alleen voor te staan, feedback te mogen vragen en krijgen en niet zelf de specialist te moeten zijn, werken ondersteunend. Het zien van eigen beperkingen wordt eveneens door enkele respondenten aangehaald. Een eerdere samenwerkingstraditie en een (positieve) ervaring hebben in samenwerking of in een andere sector wordt als ondersteunend gezien. Ervaring bepaalt waar men terecht kan en wat men zelf zal opnemen of doorverwijzen. Samenwerking zorgt voor nieuwe inzichten. Doordat een van de drughulpverleningsinstanties vroeger een erkenning als BJB had, hebben zij meer voeling met beide sectoren. Na heel wat gezien, gehoord en geleerd te hebben in samenwerking, zal men op lange termijn dingen overnemen en gebruiken in de toekomst. Samenwerking met focus op lange termijn brengt zekerheid en continuïteit. Daarnaast is het ook wel zo, allee omdat je het daarnet had over ik heb zelf vroeger in L. gewerkt op het X. Dus als er hier een vraag is rond, een specifieke vraag rond informatie, dan bel ik ook wel eens naar daar, gewoon om te vragen. Door samenwerking wordt expertise en knowhow van een andere dienst of sector binnengebracht, afgestemd, uitgewisseld en worden andere invalshoeken en visies verkend. Een helikopterperspectief werpt een nieuw licht. Krachten kunnen gebundeld worden. Enkele respondenten geven aan dat volgende producten ondersteunend zijn voor samenwerking: vorming; coaching door de drughulpverlening; mond-aan-mondreclame; terecht kunnen bij onder andere casus-, intervisie- en supervisiegroepen; een nieuwsbrief; een overkoepelende website met informatie; folders; studiedagen; een beknopt overzicht van de sociale kaart in plaats van aparte folders etc. Een respondent geeft aan dat de organisatie een eigen budget voorziet om personeel te vormen, wat bevorderend werkt. Er is motivatie in de sectoren om samen te werken aan een drugproblematiek. Men is betrokken, wil inspanningen doen, gaat regelmatig naar overlegmomenten en is bereid te zoeken naar partners en aanpakmogelijkheden. Vaak gaat het om een verhaal van geven en nemen waar wederzijdsheid centraal staat. Er is een bereidheid nodig om elk van hun eigen eiland te komen en te delen. De drughulpverlening doet inspanningen om de instap naar hun organisaties meer laagdrempelig te maken. -46-

58 Een hulpverlener die tijd wil vrij maken en zich beschikbaar opstelt is volgens de respondenten ondersteunend, alsook een goede communicatie en openheid. Bepaalde organisaties kunnen zich assertiever opstellen om ondersteunend in samenwerking te zijn. Begrip voor de rol van de andere en openstaan voor de ander stimuleert. Het sneller geholpen worden zorgt voor de vinger aan de pols houden en continuïteit. Men informeert vlugger om af te toetsen en snel concrete informatie te krijgen. In een organisatie is er een medewerker voor de dispatching van informatie waardoor er een vlotte transfer naar de werkvloer is. Enkele andere respondenten leggen de nadruk op het feit dat er geen wachtlijsten in hun of andere organisaties zijn, wat ondersteunend werkt. Door een gratis of vriendschappelijk tarief voor hulp- en dienstverlening wordt de financiële drempel weggenomen. Enkele respondenten geven aan dat de extra middelen en de vergoeding vanuit het drugproject voldoende is. Maar je steekt daar tijd in, nu het grote voordeel daarvan is dat wij daar nu voor betaald worden dus ik kan daar ook niet over klagen. Als een samenwerkingsverband te officieel, te moeilijk of te verplichtend wordt, kan dit hoogdrempelig zijn. De drempel om andere diensten te contacteren verlaagt als een dienst een gezicht krijgt. De afwezigheid van conflicten tussen partners en elkaar niet tegenwerken, maar wel vooruit helpen werkt ondersteunend. De eerder vermelde alertheid zien respondenten als ondersteunend, net als de verminderde naïviteit. Het klinkt onnozel maar het feit dat zij post krijgen van de burgemeester is natuurlijk wel weer een extra motivatie om mee te werken en om dat zeker niet overboord te gooien. Dat thema en het ook au sérieux te nemen. Enkele respondenten geven aan dat zoveel mogelijk registreren voor alertheid zorgt. Bij vermoedens is het belangrijk om oplettend te zijn en deze zo snel mogelijk te uiten zodat zo vroeg mogelijk gedetecteerd kan worden. Of dat er, dat sowieso dat er een alertheid bij de voorzieningen ook is van dat er, allee, dat ze bij bepaalde voorzieningen, dat ze er zeker alert bij moeten zijn dat er gebruik is in de voorzieningen of van bepaalde verslavingen of afhankelijkheden of. Enkele belangrijke waarden voor samenwerking luiden als volgt: een waarderende benadering, wederzijds vertrouwen, gelijk(waardig)heid, een kritische attitude, anonimiteit, de autonomie van de andere respecteren, elkaars werkwijze begrijpen, vertrekken vanuit elkaars competenties en sterkten, wederzijds respect en begrip hebben voor de rol van de andere. Ondersteunend kan zijn dat er een verbinding gemaakt wordt zowel met het werkveld, met het thema drugs als tussen de drughulpverleners en begeleiders. Het drugproject kan eveneens -47-

59 fungeren om de weg naar mogelijke hulp te vereenvoudigen. Verbindend en procesmatig te werk gaan vinden sommige respondenten ondersteunend. En in die verbinding, dat denken wij dat de beste bescherming is. Een contactpersoon die de functie van trekker inneemt, net als gedragenheid in het team werken ondersteunend. Achter het idee staan van samenwerking geeft ook een stimulans. Enkele elementen rond communicatie die door de respondenten als bevorderend aangehaald worden: kunnen praten over zaken die fout of moeilijk lopen; openheid naar de ander toe; elkaars taal leren praten; de dialoog aangaan tussen BJB en drughulpverlening, zodat beide modellen op mekaar afgestemd worden; in discussie kunnen gaan; transparantie en duidelijke verwachtingen en regelmatige overlegmomenten. Wat zou ik daar noemen, transparantie zeker weer. Dat er in alle openheid zonder verborgen agenda s kan gepraat worden. Daarnaast kan het drugproject de contacten tussen de beide sectoren onderhouden, wat voor allebei ondersteunend is. Duidelijke en heldere afspraken waarop men kan terugvallen, zijn een basis om op te bouwen. Door samen te werken in een sociaal landschap kan men op verschillende terreinen actief zijn. Samenwerken rond andere onderwerpen kan samenwerking rond het thema drugs stimuleren. Door het stelselmatig uitbreiden worden samenwerkingsverbanden vergroot. Zaken geleerd uit samenwerking kunnen een inspiratiebron zijn voor samenwerking met andere diensten, wanneer deze beklijven. Formaliseren van samenwerking door er visie, structuur, systematiek en stroomlijning in te brengen is meer ondersteunend dan werken vanuit een buikgevoel. Gezond verstand gebruiken primeert. Het hebben van een gedragen (drug)beleid zorgt voor duidelijkheid. Samenwerking moet de tijd krijgen om efficiënt en effectief te worden en zijn. Hiaten opmerken en verkleinen zijn hierbij ondersteunend. Samenwerking zorgt voor concrete en praktische resultaten. Contracten worden door enkele respondenten omschreven als enkel nodig bij ruzie of problemen. Ik hou niet van contracten. Dat is maar papier en papier is weinig levend Dat werkt toch niet zo. Maar allee dat is goed als je ruzie krijgt, daarvoor is papier goed, maar Met papier doe je niets, maar het kan wel goed zijn als je ruzie krijgt hé. Voor sommige respondenten kan samenwerking alleen wanneer het gekoppeld is aan een cliëntsysteem. Tijdens en na een samenwerking kan het van belang zijn om te evalueren. Evaluaties en tevredenheidsmetingen geven resultaten die men kan gebruiken als basis voor het bijsturen van samenwerking. Bij het samenwerken wisselt men van gedachten, geeft en krijgt men feedback of wordt men bevestigd in zijn handelen. -48-

60 Het is belangrijk de ruimte te krijgen om dingen te mogen doen. Bijvoorbeeld moet volgens enkele respondenten de mogelijkheid er zijn om de drughulpverlening naar de BJB te laten komen voor gesprekken met jongeren. Een drugproblematiek wordt beter losgekoppeld van de begeleiding in de BJB. Drughulpverlening en BJB worden volgens dit onderzoek het best gescheiden gehouden, al kunnen deze onderling verschillende sectoren elkaar wel bestuiven. Stilstaan bij allerhande factoren rond samenwerking faciliteert het samenwerken. Geloven in wat men doet en zich goed voelen bij het thema maken hulpverleners sterker om te zoeken naar doorverwijsmogelijkheden Niet-ondersteunend beperkend Ondanks dat veel respondenten in eerste instantie aangeven geen beperkende factoren te kennen, volgt hieronder een overzicht met een aantal niet ondersteunende elementen. Soms is de naam van een dienst wel gekend, maar niet de mogelijkheden van hun aanbod. Hierdoor kunnen onrealistische verwachtingen ontstaan. Het aanbod van de drughulpverlening is niet altijd afgestemd op de doelgroep in de BJB. Diensten onder dezelfde noemer hebben vaak een verschillende werking. Men mag niet verwachten dat iemand de volledige sociale kaart kent. Het komt vaak neer op: wie je kent, zal je contacteren en daarmee samenwerking aangaan. Dus wie men niet kent, contacteert men niet, wat beperkend is voor samenwerking. De informatiewegen naar het aanbod zijn ontoereikend, het is niet ondersteunend om te vaak zelf op zoek te moeten gaan naar informatie. Daarnaast zwemmen hulpverleners in de informatiestroom en wat bestaat aan informatie, zoals folders en websites, is volgens enkele respondenten inhoudelijk onvoldoende. Soms beschikt men over foute informatie, kan het delen van cliëntinformatie verkeerd lopen of wordt deze helemaal niet doorgegeven. Meerdere respondenten geven aan dat sommige drugprojecten te weinig kennis van de BJB hebben. Het is eveneens niet ondersteunend om geen weet te hebben van de overlegmomenten, geen zicht te hebben op resultaten of producten van samenwerking. Het gebeurt te vaak dat men door paniek zijn eigen deskundigheid vergeet en te snel denkt dat men het niet kan. Omgekeerd geldt dat de deskundigheid van de expert niet altijd erkend wordt. Ontbreken van (formeel) engagement en hierop afhaken, werkt niet ondersteunend. Enkel drijven op goodwill, vrijwilligheid en motivatie is volgens de respondenten onvoldoende en fragiel. En als je dan op goodwill en op motivatie drijven bezig bent geweest en alleen op dat vlak, ja dan kan je wel eens op het einde van de rit heel veel problemen krijgen. Dat zo, ik vind dat niet zo evident. Ik vind dat we soms meer op voorhand moeten nadenken als je zoiets opstart. Een andere beperkende factor is dat de drughulpverlening motivatie en vrijwilligheid van de cliënt vraagt, maar dit is niet altijd aanwezig bij jongeren. -49-

61 De eigen deskundigheid hoger achten dan die van de ander; wederzijdse minachting; het beter weten dan de andere en rolverwarring (andermans rol willen invullen) zijn beperkende factoren. Als de drughulpverlening het projectaanbod voor jongeren in de BJB bepaalt zonder overleg, ontstaat er weerstand vanuit de BJB. Terughoudendheid van begeleiders om naar andere diensten te gaan staat haaks op het willen overnemen van de hulpverlening die betuttelt en zorg wil dragen voor de andere hulpverlener. Een verschillende visie, andere cultuur, verschillende bril hanteren, andere belangen tussen sectoren, geen rekening houden met de achtergrond van partners kunnen zorgen voor het ontstaan van misverstanden of verwijten. Het afschermen van de eigen deskundigheid, het hanteren van een eigen jargon, enkel vanuit de ene sector denken en de andere negeren, concurrerend werken door eenzelfde bron aan middelen en de ongelijkheid van een vragende en een gevende partij zijn eveneens niet ondersteunend. Dat zijn allemaal zo van die eilandjes en op den duur, wie dat het meeste hard roept, daar ga je uw tijd aan besteden hé. De meerderheid van de respondenten vermeldt dat er tijd te kort is omdat samenwerking een job op zich is. Daarnaast zorgt de tijdelijkheid van drugprojecten vooral voor een focus op korte termijn, impliceert dit het verliezen van middelen na een bepaalde periode en zorgt voor onduidelijkheid over het toekomstperspectief. Hulpverleners kunnen slechts een aantal keer naar samenkomsten gaan omwille van de minimale personeelsbezetting. Ook eenmalige acties hebben volgens de respondenten weinig zin. Sommigen roepen te snel de hulp van de drughulpverlening in, anderen veel te laat. Dit zorgt voor wrijvingen tussen hulpverleners. Werken binnen een stadscontext zorgt soms voor beperkingen, er is onder andere geen tijd om partners rond de tafel te krijgen (te snel resultaat willen). Een andere hinderpaal is strenge toelatingscriteria en: In bepaalde situaties wachtlijsten. Ja en tijd, dat mensen niet altijd tijd hebben om vrij onmiddellijk op onze vraag te reageren. Daar moeten wij ook mee leren leven Door negatieve ervaringen in samenwerking zal men nog eens nadenken vooraleer men energie in een volgend project stopt. Ook vooringenomenheid door vroegere ervaringen bemoeilijkt samenwerking. Enkele officiële beperkingen zijn: concrete wet- en regelgeving, administratieve rompslomp, beperkte inzet van middelen, projectfinanciering en beroepsgeheim. Soms werkt men enkel samen om een quotum te behalen in plaats van het belang van de cliënt voorop te stellen. Een respondent geeft het volgende als beperking aan: Omdat die net iets sneller. Nu ik vermoed in de privé, in sommige privé dingen dat je ook nog sneller, allee kan geholpen worden, maar de kostprijs is Onvoldoende transparantie rond financiële aspecten of afspraken zorgt ervoor dat men minder vlug overgaat tot samenwerking. Het onbewust handelen tijdens samenwerking, te fragmentarische of ad hoc samenwerking en handelen vanuit een buikgevoel vormen beperkende factoren. Ook onzekerheid en het werken -50-

62 met vermoedens horen hierbij. Zowel uitgaan van de veronderstellingen het loopt goed, het loopt al een tijd goed, dus het zal zo blijven als het ontbreken van een lijn in samenwerking (handelen naar eigen goeddunken en bestvermogen) zijn eveneens niet ondersteunend. Het relationele aspect in samenwerking is volgens de respondenten niet te verwaarlozen. Samenwerking is enkel mogelijk met de beschikbare partners waardoor men soms het gevoel heeft nog zaken tekort te hebben. Te veel hulpverleners rond een cliënt is daarentegen ook beperkend. Het idee dat het relationele belangrijk is voor de cliënt en daarom geen beroep doen op externen of de cliënt niet kunnen loslaten, bemoeilijken samenwerking. Het niet verzorgen van netwerken doet de kwaliteit van hulp- of dienstverlening en doorverwijzing afnemen. Enerzijds is te resultaatsgericht werken een te nauwe focus in samenwerking, anderzijds blijft men door te procesgericht werken op zijn honger zitten. Te theoretisch handelen en te weinig praktisch werken, waardoor er geen resultaatsverbintenissen aangegaan worden, zorgt voor te weinig slagkracht. Het ontbreken van bepaalde hulpverleningsvormen in de nabije omgeving en de daardoor beperkte doorverwijsmogelijkheden zorgen voor het moeilijk realiseren van trajectwerking in de praktijk. Het ontbreekt volgens enkele respondenten aan een rechtstreekse ingang naar de drughulpverlening. De drugprojecten beantwoorden niet altijd aan de kernnood die de BJB voelt. Er is een grote verscheidenheid in de doelgroepen, wat vaak teniet gedaan wordt door deze verscheidenheid in hokjes onder te brengen, zoals de stempel BJB. Een volle agenda beperkt samenwerking, het komt er volgens sommige respondenten bovenop. Er is een overbevraging van de drugprojecten omwille van de zeer complexe casussen. Voor sommige drugprojecten betekent dit veel werk voor slechts een projectcoördinator. Een taboesfeer maakt dat het soms nog moeilijk is om over het thema drugs te spreken en het impliceert een hoge drempel om toe te geven dat men het niet alleen aankan en externe hulp nodig heeft. Sommige respondenten geven aan dat er weinig drugproblemen zijn in hun organisatie, waardoor samenwerking met een drugproject geen prioriteit is. Te veel bijeenkomen, geen transfer naar de werkvloer en geen gedragenheid door begeleiders zijn niet ondersteunend. Er is soms onzekerheid bij de begeleiders en advies is niet altijd concreet genoeg. Daarnaast zijn verborgen agenda s zoals de drughulpverlening als stok achter de deur beperkend voor samenwerking. -51-

63 2.3 Onderzoeksvraag drie Hoe ziet concrete samenwerking er uit bij begeleidingsactiviteiten wat betreft eventueel druggebruik van jongeren (begeleidingsactiviteiten omvatten zowel preventieve activiteiten, behandeling, nazorg als terugvalpreventie)? De diensten waarmee er voor onderstaande begeleidingsactiviteiten wordt samengewerkt, zijn in bijlage 9 terug te vinden Preventie In dit onderzoek is vorming een vaak voorkomend element bij de vraag naar samenwerking voor preventie. Dit kan volgens de respondenten het volgende omvatten: vorming over motivationele gespreksvoering, productinformatie, het instrument SEM-J (Screeningsinstrument Ervaringen met Middelengebruik Jongeren) promoten en hoe af te nemen, consulting, coaching, opleiding, een uiteenzetting rond het thema drugs voor cliënten en begeleiders, werken aan sociale vaardigheden van cliënten, lunchdebat, studiedagen, psycho-educatie voor cliënten en begeleiders, informatiemomenten en lessenreeksen voor jongeren met thema drugs als een onderdeel. Verder geven wij ook heel wat open vormingen, dus niet enkel op vraag, op maat. Maar open vormingen zoals een speedcursus of maat in de shit-cursus. Het opmaken en aftoetsen van een drugbeleid ziet men ook als preventie. Een andere vorm zijn gesprekken met cliënten: een bewonersvergadering in BJB, psycho-educatie, een gespreksvoorof namiddag, een drughulpverlener die gesprekken aangaat met jongeren in de BJB. Bij een nietdeelnemende organisatie maakt men gebruik van een ervaringsdeskundige die zijn verhaal doet aan cliënten. Daarnaast valt ook vroeginterventie volgens enkele respondenten onder preventie. Sommigen doen niet aan specifieke drugpreventie, maar dit valt dan onder de algemene ontwikkelingsgerichte preventie waar drugs een onderdeel van is. Gedurende de dagelijkse werking wordt ook gewerkt aan sociale vaardigheden en weerbaarheid. Hulpbronnen ter beschikking hebben is eveneens een aspect van preventie: materiaal uitlenen bij een preventiedienst, een stutbegeleider (een interne persoon verantwoordelijk voor onder andere preventie), een prikbord, folders, een informatiefilm, een drugpreventieteam en informatiepakketten. Specifiek in de drughulpverlening is er een aanbod van jongerengroepen. Een respondent vermeldt dat een peergroep zichzelf reguleert. Jongeren beschikken over een goede attitude tegenover middelen en geven dit door aan volgende generaties. Enkele drugprojecten geven onder het luik preventie ook aan dat er een nauwe samenwerking is met diensten als politie en een preventiedienst. -52-

64 2.3.2 Behandeling Enerzijds wordt vaak aangegeven dat men zelf zaken opneemt in de behandeling, zoals bij een aanwijzing zelf gesprekken voeren of jongeren bespreken op een teamoverleg om daarna in te grijpen. Een cliënt kan ook voorbereid worden op de behandeling in de drughulpverlening. Anderzijds wordt meermaals vermeld dat er wordt samengewerkt met andere diensten, men verwijst bijvoorbeeld cliënten door voor individuele consulten of de drughulpverlening neemt de behandeling op. Een doorverwijzing kan gebeuren tussen en in sectoren. Hierbij is een verschil op te merken dat een jongere niet altijd zeker is dat die automatisch mag terugkeren naar de oorspronkelijk hulpverleningssetting. Andere respondenten geven aan dat een terugkeer sowieso verzekerd wordt. Enkele respondenten stellen resoluut dat de hulpverlening in de BJB wordt stopgezet bij een te zware drugproblematiek. Doorverwijzing gebeurt naar de best passende hulpverlening voor de cliënt, vooral naar leden van het drugproject en soms ook naar nietdrugprojectleden. Het aanbieden en gebruiken van een time-outmodule in de BJB of drughulpverlening is een andere behandelingsvorm. Daarnaast doet de BJB beroep op nietdruggerelateerde time-outmodules. Algemeen wordt door een meerderheid van de respondenten aangegeven dat de behandeling van een drugproblematiek niet het enige aan te pakken probleem is en dat de BJB zich vooral richt op het binnen de perken houden van de verslavingsproblematiek Nazorg Meermaals wordt aangegeven door de onderzoeksgroep BJB dat er door henzelf geen nazorg aangeboden wordt. Andere respondenten geven aan dat er wel een aanbod van nazorg is wanneer drughulpverlening wordt stopgezet. Op vraag van de behandelende instantie in de drughulpverlening kan de nazorg uitgevoerd worden door de BJB. Die kan tevens een vervolgtraject uitstippelen nadat BJB of drughulpverlening zou stoppen. Na de behandeling in een drughulpverleningsinstantie volgt nazorg in dezelfde dienst, aangezien nazorg door sommige respondenten als een logisch vervolg wordt gezien van de behandelingsfase. Opvolggesprekken door de drughulpverlening zijn hier een voorbeeld van. Nazorg kan ook onderstaande aspecten omvatten. Enkele respondenten doen beroep op drughulpverlening die nazorg aanbiedt, zoals nazorgprogramma s of terugkomdagen. Anderen verwijzen door naar een interne of externe dienst en volgen de doorverwijzing op. Drugprojecten volgen eveneens nazorg op of voeren dit uit. Een andere vorm van nazorg is outreachend werken, waarbij drughulpverlening naar de BJB gaat. Doordat het onderscheid tussen nazorg en terugvalpreventie niet voor elke respondent duidelijk was, volgen hier enkele antwoorden die eerder bij het vierde luik van de behandelingsactiviteiten horen. Belangrijk is de informatieoverdracht en feedback tussen drughulpverlening en BJB om herval van de cliënt te voorkomen. Het beschikbaar opstellen zodat jongeren een blijvend beroep kunnen doen op de BJB kan er eveneens voor zorgen dat een jongere niet hervalt. -53-

65 2.3.4 Terugvalpreventie Er zijn drie vormen van terugvalpreventie: ten eerste geen, ten tweede neemt de BJB dit zelf op en ten derde kan een externe organisatie dit opnemen. Dit laatste wordt concreter gemaakt: het drugproject inschakelen, bij een crisis na behandeling doorverwijzen naar een crisiseenheid, informatieaanbod van de drughulpverlening (bijvoorbeeld informatiepakketten voor begeleiders of feedback aan het begeleidingsteam) en intervisie door een criminoloog met informatie rond delictketens en terugvalpreventie. Daarnaast zien enkele drugprojecten en organisaties van de drughulpverlening dit als een onderdeel van het behandelingsprogramma waardoor zijzelf de terugvalpreventie zullen opnemen Begeleiding algemeen In de begeleiding wordt volgens de respondenten beroep gedaan op de expertise en deskundigheid van de ander. Het belang van de cliënt staat voorop en men wil de continuïteit in het hele hulpverleningstraject waarborgen door nauw samen te werken. De eerste inschatting en de ernst van het probleem zullen de doorverwijzing bepalen. Men kan bijvoorbeeld advies vragen bij externen maar kan ook doorverwijzen om hen de eerste verkennende gesprekken te laten voeren. Soms blijft de BJB haar cliënt begeleiden, maar is samenwerking met andere diensten nodig. De BJB schetst de mogelijkheden van de cliënt opdat gepast zou doorverwezen worden (kompasfunctie), terwijl de regiefunctie bij de BJB blijft. Belangrijk hierbij is elkaars deskundigheid te erkennen. Volgens de drughulpverlening kan de BJB vroegtijdige detectie en de eerste gesprekken doen, anderzijds voert de drughulpverlening zelf gesprekken in hun eigen of een andere hulpverleningscontext. Taken van het drugproject kunnen zijn dat zij de hulpvragen verfijnen, een inschatting maken (ernst van het probleem, in welke mate is er hulpverlening nodig, ), de andere leren inschatten en werken rond motivatie om het gebruik te stoppen of om in begeleiding te gaan. 2.4 Onderzoeksvraag vier Op welke manieren kan samenwerking cliënten, begeleiders en het begeleiden van jongeren ondersteunen? Uit het gevoerde onderzoek blijkt dat begeleiding verbetert en kwaliteitsvoller wordt door samenwerking en door de aandacht op het thema drugs. Het pedagogisch aanbod van de BJB staat sterker door samenwerking, het draagvlak van de cliënten verbreedt en hun kansen vergroten. Zo wordt continuïteit in de hulpverlening gegarandeerd en worden trajecten niet onderbroken. Van het mag geen, het mag geen kermis worden want soms geraken ze op een roetsjbaan van hulpverlener naar hulpverlener. -54-

66 Samenwerken moet op een veilige manier gebeuren, dit betekent onder andere de privacy waarborgen. Men spreekt van gebruiksvriendelijkheid: erkenning dat het drugprobleem belangrijk genoeg is. Overproblematiseren of overreageren is echter niet nodig volgens de respondenten. Een externe deskundige die helpt bij de begeleiding, een cliënt motiveert en het besef van de ernst van het probleem stimuleert, is ondersteunend. Het is voor de begeleider zinvol om handvaten te krijgen van een externe om zelf met de cliënt te werken en van gedachten te kunnen wisselen met een deskundige. Vaak doet men beroep op externe hulp bij acute of vastgelopen situaties. Door samen te werken kan men sneller ingrijpen in probleemsituaties. Laagdrempeligheid van diensten zorgt voor het sneller aanspreken ervan. Ook vlugger een adequaat antwoord krijgen werkt ondersteunend. Het splitsen van de functies van begeleider en drughulpverlener werkt ondersteunend voor de cliënt, aangezien die meer zaken kan vertellen tegen de drughulpverlener en zo komt de begeleiding in de BJB niet in het gedrang. De begeleider neemt afstand van deze problematiek en informatie wordt niet zomaar doorgegeven. In de samenwerking kan elke sector haar specifieke taak opnemen: de BJB eerder het pedagogische en de drughulpverlening eerder het therapeutische. De BJB kan gecoacht worden door externe deskundigen om de hulpverlening te verbeteren, zo kan men expertise binnenbrengen via vorming en training voor begeleiders wat de begeleiding ten goede komt. Kennis en bewustwording in welke fase de cliënt zich bevindt, kan ervoor zorgen dat begeleiders effectievere hulpverlening zullen toepassen. Als de begeleider het traject van de jongere van dichtbij volgt, kan hij co-begeleider van de drughulpverlener worden. Daardoor krijgt de begeleider in de BJB informatie en/of vorming. Beide hulpverleners gaan samen met de cliënt op weg. Bij doorverwijzing wordt vaak het subsidiariteitsprincipe gehanteerd. Door het bestaan van een netwerk wordt sneller gedacht aan doorverwijzen. Een goede inschatting wordt als belangrijk aangegeven voor een (eventuele) correcte doorverwijzing. Een time-out kan ruimte bieden voor ventilatie voor zowel cliënt als begeleider. Bij het peilen naar de setting waar drughulpverleners gesprekken moeten voeren, zijn er twee pistes: enerzijds kan de jongere van de BJB naar de drughulpverleningsinstantie gaan, wat enige inspanning vraagt maar deze ook activeert. Anderzijds kan de drughulpverlener naar de BJB komen, wat drempelverlagend werkt maar waarbij de motivatie niet geactiveerd wordt. Wanneer een jongere in de BJB het perspectief heeft van een mogelijke terugkeer in de BJB, kan die zich meer engageren in externe hulpverlening. Het deelnemen aan een drugproject kan op meerdere manieren ondersteunend zijn voor begeleiding. Sommigen volgen het cliënttraject van nabij; enkelen zorgen voor afstemming tussen de jongere, de BJB en de drughulpverlening; met het drugproject als brugfunctie wordt een filter ingeschakeld en kan men vroeger ingrijpen en continuïteit bieden. Dus jongeren die afhaken in de gespecialiseerde hulpverlening, gaan wij terug gaan opvissen, hé. -55-

67 Daarnaast zijn een gemeenschappelijke visie en thema s rond samenwerking eveneens ondersteunend. Door overleg denkt men in dezelfde richting en creëert men gedragenheid. Het hebben van een uitgewerkt drugbeleid en het belang van goede afspraken zijn daar voorbeelden van. 2.5 Drugbeleid In dit onderzoek werd er bij elke organisatie nagegaan of een drugbeleid aanwezig was. Hieronder is een diagram (zie figuur 2) met resultaten te vinden. Bij het stellen van deze vraag werd geen definitie gegeven om het begrip drugbeleid zo ruim mogelijk te houden. De onderzoekers gingen af op wat de respondenten onder dit begrip verstonden. De concrete uitwerking is in bijlage 10 terug te vinden. Drugbeleid aanwezig? 33% 11% 56% Ja Nee Andere Figuur 2 Wanneer respondenten bevestigden zonder aanvulling, werd dit gezien als het hebben van een drugbeleid. Aanvullingen als visietekst, protocol, afspraken, huisreglement werden gecategoriseerd als andere. Alle respondenten gaven aan dat een drugbeleid duidelijkheid brengt en zorgt voor goede afspraken. Andere manieren waarop een drugbeleid ondersteunend kan zijn: een expliciete en eenduidige visie om naar andere organisaties toe te stappen, een terugvalbasis, een fundament om op te bouwen, het is neergeschreven waardoor men het er in nood kan bij nemen en misverstanden kan vermijden, het zet aan tot nadenken en discussie. Ervaring in het uitwerken van een drugbeleid bij andere diensten zorgt voor het ontwikkelen van een eigen drugbeleid. Daarnaast stelt een respondent het zo: En het is eigenlijk op basis daarvan dat wij de stap gezet hebben om hen, ja te vragen om ons een stukje te ondersteunen bij het, bij een drugbeleid. Het is echt op, op maat van -56-

68 de voorziening, om ons te helpen bij het uitwerken van maatregelen om, ja, om te gaan met drugs op ons domein. In een drugbeleid worden procedures omschreven en deze worden toegepast. Het kan de vorm aannemen van een stappenplan. Een beperkt aantal regels schept duidelijkheid en zijn meer ondersteunend dan een resem aan regels. Andere respondenten vermelden dat een drugbeleid niet (voldoende) ondersteunend is, omdat men eerder op het moment zelf kijkt wat er moet gebeuren in een bepaalde situatie. 2.6 Product Er zijn heel wat producten van samenwerking, deze worden geclusterd onder een aantal grote groepen. Knowhow is de eerste, hieronder wordt verstaan: het delen van cliëntinformatie; expertise en deskundigheid in de sector brengen en gebruiken; tools ter beschikking hebben (informatieboeken, brochures, nieuwsbrieven, ); het aanbod bekend maken; elkaar en het aanbod kennen en gemakkelijker de weg naar hulpverlening vinden. Een tweede groep is vorming: infodagen, informatiemomenten van de VAD, trainingen, lunchdebatten, opleidingen, cursussen, (psycho-)educatieve programma s, coachen van begeleiders onder andere vanuit preventie. De onderwerpen: van de vorming zijn voornamelijk productinformatie, het screeningsinstrument SEM-J en motivationele gespreksvoering. Participatie in en organisatie van overleggroepen vormen een derde cluster. Werkgroepen (drugbeleid, voorbereiden lunchdebat, met andere dan de onderzoeksgroepen), casusgroepen (informatie uitwisselen, expertise delen, advies bij vastgelopen dossiers), intervisie en supervisie (team, netwerk, project, onder andere door drughulpverlener gegeven), teamconsulten, stuurgroepen, stuwgroepen, adviesraad, netwerkbijeenkomst en cliëntoverleg zijn manieren waarop overleg kan gehouden worden. Een drugbeleid ontwikkelen, aanpassen, actualiseren, aftoetsen en een visietekst ontwikkelen horen bij beleid als vierde product. Daarnaast zijn het hebben van eenzelfde structuur in het beleid, acties neerschrijven in een beleids- en actieplan en informatie vragen aan externen (bijvoorbeeld wat kan wel en niet in het beleid) beleidsmatig belangrijke producten. Hulpverleningsaspecten zijn een volgende en vijfde groep. Deze omvat het toe leiden naar hulp, screening door externen, testing door een externe, individuele hulpverlening aan cliënten (ambulant en residentieel), extra hulpverlening bovenop de bestaande begeleiding, timeoutmogelijkheden, problematieken worden extern aangepakt, een jongerenwerking aanbieden, gespreksdagen voor cliënten in BJB organiseren, de ernst en de nood aan verdere begeleiding door drughulpverlening laten inschatten, aanbod van een outreachmodule, drughulpverleners voeren gesprekken met jongeren in de BJB, cliënten krijgen informatie en vorming, specifieke (voor)trajecten opzetten: Dus die projectmedewerkers moeten er eigenlijk voor zorgen dat jongeren die daar dreigen uit de boot te vallen binnen de bijzondere jeugdzorg omwille van druggebruik zo lang mogelijk houden en ze gaan een aantal trajecten opzetten met die jongeren. -57-

69 Producten van drugprojecten zijn: detectie en screening, inschatting, (verkennende) gesprekken met cliënten, probleeminzicht bij de cliënten stimuleren, individuele trajecten voor cliënten uitzetten, voortrajecten opzetten, brugfunctie vormen, hiaten vaststellen en opvullen, contacten leggen, aanbod van mogelijke hulpverlening en drugproject bekend maken via verschillende kanalen en voeden tot langdurige vaste samenwerking. Een laatste groep zijn de andere producten, zoals ondersteuning, raad en advies vragen en krijgen; officiële en structurele samenwerkingsverbanden, protocolovereenkomsten, convenanten; deelname aan drughulpverlening als voorwaarde voor cliënten; vaste contactpersonen bij projectleden; coördinatie door projectcoördinator; een registratiesysteem; de regierol blijft bij de BJB; passieve plaatsen en voorrang krijgen op wachtlijsten; een externe persoon komt op vergaderingen; (structurele) consulten en alertheid voor drugproblematiek worden aangewakkerd. 2.7 Stellingen Een laatste deel zijn de stellingen die de respondenten tijdens de interviews voorgelegd kregen. Hieronder volgt een overzicht van de verkregen scores. In de staafdiagrammen vindt u op de Y-as de mogelijke scores van de stellingen, op de X-as het aantal respondenten die deze score gegeven hebben. Op de eerste stelling (zie figuur 3) de meerderheid van niet-drughulpverleners voelt zich niet deskundig genoeg om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden is het opvallend dat niemand nul antwoordt en de meerderheid akkoord gaat met deze stelling. Niet-drughulpverleners hebben te weinig zicht op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening is de tweede stelling (zie figuur 4) en daar neigt het staafdiagram naar een Gauss-curve. Dit wil zeggen dat heel weinig respondenten de uitersten hebben aangegeven en de meeste in het midden scoorden Stelling Figuur 4 Figuur Stelling

70 Bij stelling drie (zie figuur 5) alcohol- en/of drughulpverleners moeten gesprekken voeren met de jongeren in voorzieningen zijn de antwoorden meer verdeeld. Vier respondenten gaan volledig akkoord. Bij de vierde stelling (zie figuur 6) er moet contact opgenomen worden met de alcohol- en/of drughulpverlening om advies te vragen bij de begeleiding van een jongere is de scoring anders. Nul is bij geen enkel alcohol- of drugprobleem contact opnemen en bij tien wordt voor elk probleem contact opgenomen. Contact wordt heel breed opgevat, dit kan heel miniem of heel ingrijpend zijn. De antwoorden neigen eerder naar contact opnemen, maar dit is afhankelijk van de ernst van de problematiek Figuur 5 Stelling Stelling Figuur Op de vijfde stelling (zie figuur 7) begeleiders moeten getraind worden door deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening antwoordt iedereen behalve een respondent dat zij akkoord tot helemaal akkoord zijn Stelling Figuur

71 3. DISCUSSIE Voorzieningen in de BJB staan in de maatschappij, net als de jongeren die er verblijven. Deze beïnvloeden elkaar onderling. Maatschappelijke trends vinden er hun ingang. Volgens Nijs (1998) is er geen sprake van isolatie. Het is een realiteit dat middelen in organisaties worden binnengebracht. Dit betekent dat men samenwerkt om het bovenstaande aan te pakken en sterker te staan. Dé oplossing bestaat echter niet, men moet op zoek gaan naar partners om te delen en uit te wisselen. Uit het onderzoek bleek dat dit over een continuüm van minimaal tot maximaal samenwerken kan verlopen. Verschillende sectoren, zoals de BJB en drughulpverlening, werken samen. De drugprojecten zijn hier een voorbeeld van, zij faciliteren samenwerking. Hun toekomst blijft echter een vraagteken. Een eerste discussiepunt rond middelen is dat dit begrip door de respondenten heel breed gezien worden. Er valt te discussiëren wat onder de noemer drugs hoort: roken, alcohol, cocaïne, medicatie, lijm, cannabis, Het is afhankelijk van het soort middel en de ernst van de problematiek of men de hulp van een externe inroept. Een andere belangrijke opmerking is dat jongeren een grotere risicogroep tot middelenmisbruik vormen dan volwassenen (Snoek et al., 2010b). Jongeren bevinden zich om allerlei redenen in een kwetsbare fase. In de BJB verblijven, geeft volgens Lloyd (1998) extra risicofactoren voor een al kwetsbare groep. Enkele respondenten bevestigen dit, dat betekent niet dat dit determinerend is Dit heeft volgens de respondenten implicaties voor begeleiding in de BJB en behandeling door een externe, men moet deze afstemmen op leeftijd en doelgroep. In het algemeen krijgt samenwerking tussen hulpverleningsdiensten in België een positieve evaluatie (Vanderplasschen et al., 2002). Uit dit masterproefonderzoek bleek dat samenwerking een leerproces is met vallen en opstaan. Niemand geeft op het moment van het interview aan conflicten te ondervinden, wel dat samenwerking steeds in evolutie is. Ook de drugprojecten hebben nog een looptijd te gaan, wat betekent dat dit onderzoek plaats vond in de periode dat de drugprojecten halverwege waren. Het kan gezien worden als een tussentijdse evaluatie. 3.1 Bespreking onderzoeksresultaten Het is moeilijk een antwoord te formuleren op wat ideale samenwerking is. In dit onderzoek werd getracht enkele parameters en een overzicht te schetsen van belangrijke elementen voor samenwerking, om te versterken wat goed loopt en om wat minder goed loopt te verbeteren. Bij de vraag naar de aanleiding van de samenwerking met de drugprojecten, duidden alle respondenten het IVA Jongerenwelzijn aan. Dit was enigszins te verwachten omdat uit de -60-

72 literatuurstudie (Vervotte, 2006) bleek dat IVA Jongerenwelzijn en minister Heeren de oproep deden voor deze drugprojecten. Daarnaast werkt men ook samen zonder tussenkomst van de drugprojecten, dit gebeurt vooral vanuit het ervaren van een eigen nood. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen organisaties die initiatief nemen om samenwerkingsverbanden op te zetten en/of te leiden en anderen die bij een bestaand verband aansluiten. Bij goede contacten en na positieve ervaringen zullen organisaties vlugger naar (dezelfde) diensten toestappen om (opnieuw) samen te werken. Dit bepaalt ook de manier van samenwerken. Als er iets minder goed loopt, kan deze samenwerking afspringen of bemoeilijkt worden. Het decreet inzake bijzondere jeugdbijstand (Peeters & Vanackere, 2008) schrijft voor om onder andere projecten te organiseren en deze te onderhouden. De drugprojecten zijn hier een antwoord op. Een vijfde van de respondenten in het onderzoek van Baeten en Rosiers (2010) gaf aan betrokken te zijn bij de drugprojecten. Bijna evenveel respondenten vermeldden dit niet te weten. Bij de rekrutering van de respondenten van dit masterproefonderzoek bleek eveneens dat zij niet altijd op de hoogte waren van samenwerkingsverbanden met de drugprojecten, ondanks de vermelding van hun organisatie op de projectfiche. Hierdoor werd men niet geselecteerd voor een interview. Kennis van het hulpverleningsaanbod is een eerste stap. Niet weten wat er voorhanden is, betekent dat er geen beroep op gedaan wordt en impliceert geen samenwerking. Daarnaast moet het aanbod beantwoorden aan de kernnood die organisaties en cliënten voelen. In de praktijk blijkt dit echter niet altijd zo te zijn. Men vindt niet altijd een gepast antwoord op de gestelde vraag. Van den Hove (2008) stelt dat het dichtbij hebben van gespecialiseerde (drug)hulpverlening met een focus op jongeren belangrijk is om tot samenwerkingsverbanden te komen. De respondenten van dit onderzoek geven ook aan dat gedeelde medewerkers samenwerken vergemakkelijkt, aangezien zij beschikken over kennis van meerdere organisaties. Verwachtingen moeten eerst duidelijk gemaakt worden om deze realistisch te kunnen invullen. Verschillende uitgangspunten kunnen zorgen voor andere prioriteiten, soms zelfs neigend naar vooroordelen, zoals het niet willen afgeven van zelfstandigheid door samenwerking. Het idee dat men tijd kan winnen versus het idee dat de geïnvesteerde tijd tot weinig resultaat zal leiden, kan de keuze tot samenwerking bepalen. Zoals uit de resultaten bleek, is het bij kennis ook belangrijk om duidelijkheid over het aanbod te hebben en de werking ervan te kennen. Daarnaast is persoonlijk contact bevorderend. De realiteit is echter dat het onmogelijk is iedereen en het hele hulpverleningsaanbod te kennen. Dus het is van belang om na te gaan wat nodig is voor cliënten en van daaruit te vertrekken. Om dit tekort op te vangen moeten organisaties via verschillende kanalen hun aanbod blijvend bekend maken, net omdat sommigen over onvoldoende of foute kennis beschikken ondanks het hele informatieaanbod. Een andere sector en hun doelgroepen te weinig kennen kan ervoor zorgen dat de samenwerking stroever zal verlopen. De onderzoekers ontdekten een uitzondering: een -61-

73 organisatie was eerder erkend als BJB en nu als drughulpverlening. Daarnaast kan ook werkervaring in beide sectoren helpend zijn. Het beschikken over kennis betekent echter niet dat deze sowieso in actie wordt omgezet. Motivatie en vrijwilligheid blijken onvoldoende als basis voor samenwerking. Enerzijds is er nood aan structurele inbedding en formele overeenkomsten zodat men niet zomaar hun engagement kan opzeggen. Anderzijds zijn te officiële samenwerkingsverbanden drempelverhogend, omdat deze volgens de respondenten te veel verplichtingen en verwachtingen inhouden. Deze bevindingen sluiten aan bij de conclusies van Vanderplasschen et al. (2002), wat de auteurs aanvullen met de belangrijke rol van de persoon waarmee men samenwerkt. Een duidelijke strategie en structuur in samenwerken zijn nodig opdat de samenwerking effectief en efficiënt zou zijn (Darlington et al., 2005). Communicatie is doorheen het hele samenwerkingsproces van belang. Bewust kiezen om al dan niet in een samenwerking te stappen beïnvloedt de mate waarin er wordt samengewerkt. Ook een verschil in wie ervoor kiest (directie en/of basismedewerker) zal invloed hebben. Het al dan niet hebben van een draagvlak bepaalt of samenwerking mogelijk is. Organisaties die omwille van diverse redenen bewust kiezen om niet deel te nemen aan de drugprojecten, doen eigenlijk geen beroep op middelen die hen wel toekomen. Andere organisaties nemen niet deel omwille van het niet kennen van drugprojecten, wat er op wijst dat het aanbod ervan nog niet voldoende gekend is. De gerichtheid op korte termijn kan ervoor zorgen dat sommige organisaties afhaken op het voorstel tot deelname. De ene zegt dat tijdelijkheid nefast is, de andere ziet dit als een stimulans om naar resultaat toe te werken. Mocht er zekerheid bestaan dat de drugprojecten op lange termijn bestendigd worden, zouden misschien meer organisaties instappen. Samenwerking en afstemming zijn belangrijk want de BJB en drughulpverlening zijn twee verschillende sectoren en elk heeft zijn eigen deskundigheid. Er kan overlap zijn, maar geen overname. Dit is soms wel te zien in de praktijk: de hulpverlener neemt taken van de begeleider over, waardoor de begeleider het probleem niet zelf leert aanpakken. Baeten (2006) vermeldt echter dat de BJB wel taken kan overnemen van de gespecialiseerde (drug)hulpverlening. De onderzoekers en sommige respondenten sluiten zich hierbij aan, bijvoorbeeld het voeren van eerste gesprekken kan door de BJB gebeuren. Ondanks dat begeleiders deskundigheid en expertise bezitten, vergeten ze dit soms bij acute probleemsituaties. Paniek is een slechte raadgever. In zulke situaties is het in eerste instantie van belang om de rust te bewaren en het gezond verstand te gebruiken. Weten dat anderen beschikbaar zijn, is geruststellend. Evaluatie en feedback zorgen voor nog bewuster handelen. Deskundigheid kan onder andere vergroot worden door coaching (Van den Hove, 2008). Darlington et al. (2005) alsook Hean et al. (2011) geven echter aan dat hulpverleners zich niet -62-

74 ondersteund voelen in het werken met de andere sector. Een doel van de drugprojecten is dit tekort op te vangen. Men werkt samen en brengt hierdoor expertise binnen. Ondersteuning krijgen van externen loopt volgens de respondenten goed en deze meerwaarde moet behouden blijven. Wederzijds respect voor elkaars rol is belangrijk volgens de respondenten en Darlington et al.. Als men samenwerkt, leert men ook dingen die men in de toekomst kan gebruiken. Andere belangen en het hoger achten van de eigenheid van sectoren zijn beperkend voor samenwerking. Via het installeren van afstemming ontstaat gedragenheid en werkbaarheid. Ook Baeten (2006) bevestigt dat afstemming nodig is. Men kan vlugger handelen door samenwerking, wachtlijsten zijn hier echter een contradictio in terminis: enkelen zeggen dat er enorme wachtlijsten zijn, anderen spreken dit tegen. Dankzij de drugprojecten kan men voorrang op wachtlijsten krijgen. Ook een aantal respondenten in het onderzoek van Vanderplasschen et al. (2002) bekritiseren de lange wachtlijsten. Te lang blijven ploeteren door het zelf te willen doen staat haaks op tijdig ingrijpen. Dit wordt betreurd door de drughulpverlening die soms te laat moet handelen omdat het probleem zodanig geëvolueerd is. Intensief samenwerken vraagt een tijdsinvestering en inspanningen, maar deze brengen ook op. Deze gebeuren echter door reeds overbelaste actoren. Sommigen geven aan dat men teveel bezig moet zijn met administratie en registratie. Hierdoor worden echter ook hiaten in samenwerking opgemerkt. Door samen te werken wordt overlap vermeden en efficiëntie verhoogd (Ehrle et al., 2004). Verborgen agenda s of personeelswissels kunnen de continuïteit onderbreken. De keuze in welke mate men zal investeren in samenwerking laat men best aan de organisatie over. Bereidheid en engagement van alle partners is een noodzaak. Dit wordt door alle respondenten beaamd. Eerder werd het thema drugs niet ernstig genomen, maar door taboes te doorbreken en samen te werken, kwam er een gedrevenheid in beide sectoren. Dit zorgde voor het minder onderschatten van de drugsproblematiek. Beschikbaar opstellen en bereikbaar zijn, spelen een rol om te kunnen overgaan tot actie. Terughoudendheid ondermijnt dit echter. Enerzijds geven respondenten aan dat er in het algemeen teveel gepraat en te weinig gedaan wordt. Anderzijds kennen hulpverleners de mogelijkheden, maar doen er niets mee. Sommige organisaties zouden meer inspanningen moeten leveren om te kunnen delen en naar elkaar toe te groeien. Niet of onvoldoende communiceren is nadelig, wel in dialoog gaan is daarentegen bevorderend. Het is van belang elkaars taal te leren kennen en spreken. Het relationele aspect kan de samenwerkingsrelatie faciliteren of bemoeilijken, bijvoorbeeld bij het ontbreken van een klik tussen hulpverleners kan de relatie stroever verlopen. Te veel of te weinig partners in een samenwerkingsverband is nadelig voor samenwerking. Het is daarom noodzakelijk om af te toetsen hoeveel partners er nodig zijn. Het aantal partners bepaalt de diepgang en breedte van samenwerking. Veel partners kunnen zorgen voor breedte, weinig partners voor diepte. Er moet ook een evenwicht gevonden worden tussen te resultaatsgericht en te procesgericht werken. -63-

75 Daarnaast is vertrouwelijkheid in informatie-uitwisseling niet altijd eenvoudig. Het is belangrijk een balans op te stellen wat een hulpverlener wel en niet mag/kan zeggen. Deontologische aspecten zijn voor de ene een fluitje van een cent en voor de andere een heel moeilijk thema om mee om te gaan. Een fragmentarisch hulpverleningsaanbod, weinig coördinatie hiertussen net als te structureel en te formeel werken zijn nadelig volgens Vanderplasschen et al. (2002). Face to face contact daarentegen wordt door Wells et al. (2011) als een basiselement voor samenwerking gezien, wat bevestigd wordt door de respondenten van dit onderzoek. Andere structurele beperkingen, zoals financiën en wetgeving, zorgen voor beperkte werkruimte volgens Wells et al.. Dit masterproefonderzoek toont dit ook aan. Dit kan in de praktijk leiden tot creatief omgaan met de weinige middelen waardoor langer wordt stilgestaan bij verschillende zaken en men meer gefundeerd te werk gaat. Ondanks de samenwerking ondervinden sommige respondenten enige vorm van concurrentie. Dit bemoeilijkt volgens hen en Vanderplasschen et al. samenwerking. Drugprojecten kunnen deze competitie enigszins opvangen. Zij hebben op diverse gebieden een ondersteuningsaanbod. In de literatuurstudie somt SCODA (1998) een reeks elementen op om het opzetten van projecten te doen slagen. De drugprojecten beantwoorden volgens dit masterproefonderzoek grotendeels aan deze elementen en kunnen als succesvol gezien worden. Wel is het zo dat elk project zijn eigen accenten legt. Enkelen stellen dat er in hun drugprojecten teveel wordt gepraat en te weinig tot actie wordt overgegaan, anderen geven aan dat er heel wat concreets in de praktijk gebeurt. De brug tussen theorie en praktijk wordt gemaakt, maar het is veel werk voor weinig projectmedewerkers. Om het wegvallen van het drugproject en de extra middelen nu reeds op te vangen, werken organisaties toekomstgericht. Een opmerking is dat sommige organisaties de weg naar samenwerking vinden zonder drugproject. De werking van de drugprojecten is moeilijk te vergelijken aangezien de invulling heel verschillend is. Het ene werkt heel beleidsmatig terwijl een ander focust op begeleiding. Dit kan invloed hebben bij het wegvallen van de drugprojecten. Sommige aspecten rond samenwerking zouden dankzij hun gecreëerde draagvlak kunnen blijven bestaan, andere niet. Daarnaast is een gedragen visie belangrijk, maar dit is niet gemakkelijk te realiseren in de praktijk. Dankzij de drugprojecten hebben meer organisaties een drugbeleid. Mensen worden aangezet tot nadenken over en ontwikkelen van dergelijk beleid. Er bestaan allerhande definities over wat dit is of moet inhouden. Een duidelijke visie zien de respondenten echter wel als ondersteunend voor hulpverleners alsook om naar externe diensten toe te stappen. Samenwerking zou voor een effectievere en kwaliteitsvollere hulpverlening moeten zorgen, maar dit kan bemoeilijkt worden door misverstanden. Elk kan een eigen klemtoon in de begeleiding leggen door het uitbesteden van hulpverleningsaspecten. Door een betere werkverdeling kan de bestaande cliëntrelatie met de begeleider voldoende aandacht krijgen en zodoende behouden worden. -64-

76 Uit het onderzoek blijkt dat samenwerking voor begeleidingsactiviteiten te zien is op een continuüm gaande van zelf begeleiden tot helemaal uit handen geven. In deze fasen kan men verschillende niveaus van expertise inroepen. Uit samenwerking vloeien verscheidene producten voort. De inhoud is afhankelijk van met welke organisaties of drugprojecten er wordt samengewerkt. Onder het luik preventie valt, zoals te lezen in de resultaten, een heel gamma aan activiteiten. In dit onderzoek werden enkel BJB en drughulpverlening onderzocht, maar heel wat respondenten vermeldden dat zij ook samenwerken met bijvoorbeeld scholen. Botvin en Griffen (2007) stellen dit eveneens, Snoek et al. (2010a) raden echter aan om preventie niet enkel op de schoolfase toe te spitsen. De onderzoekers hebben te weinig gerichte informatie over samenwerking met scholen om conclusies te mogen trekken. Preventie gaat volgens de respondenten voornamelijk over het aanleren van bepaalde technieken aan begeleiders (bijvoorbeeld motiverende gespreksvoering) en het aanbod kennen, maar in de literatuurstudie zijn deze aspecten terug te vinden bij behandeling. Men doet het meeste beroep op externen voor de behandelingsfase. In de BJB is drugs geen alleenstaand probleem bij cliënten en voelen niet alle begeleiders zich hierin deskundig, waardoor men hulp inroept. Doorverwijzen vormt een belangrijk element voor samenwerking in de behandelingsfase, maar uit dit onderzoek blijkt dat de doorverwijsmogelijkheden niet altijd zijn zoals men zou willen. Het drughulpverleningsaanbod is omvangrijk en gedifferentieerd, maar er ontbreekt een netwerk tussen (Vanderplasschen et al., 2002). SCODA (1998) verwijst hierbij naar het belang van samenwerking om hulpverlening aan jongeren efficiënter te maken. De respondenten waren het niet eens over het feit of een cliënt na een externe behandeling mag terugkeren naar de BJB. Nazorgprogramma s kunnen volgens Kaminer en Napolitano (2004) effectiever gemaakt worden. Wat nazorg is en de invulling ervan worden door deze auteurs als onduidelijk omschreven. Dit wordt bevestigd door de onderzoeksresultaten, respondenten halen de termen nazorg en terugvalpreventie door elkaar. Daarvoor wordt minder vaak samengewerkt dan voor preventie en behandeling. Het belang van de cliënt is het vertrekpunt om samen te werken (ongeacht de fase) en de minst ingrijpende hulpverleningsvorm wordt eerst gekozen. Wanneer men niet terecht kan in de gespecialiseerde drughulpverlening, moet men de jongere wel opvangen in de BJB (Nijs, 1998). Toch kan hulpverlening stopgezet worden bij een te zware drugproblematiek. Andere respondenten gaven aan dat hun cliënten altijd mogen terugkeren, zelfs bij het niet onder controle hebben van de drugproblematiek. Door het integreren van drugbehandeling in de BJB zouden jongeren meer gebruik kunnen maken van de drughulpverlening (Wells et al., 2011). Net als de respondenten onderstrepen meerdere auteurs het belang van een integrale aanpak (Lubman et al., 2008; Raes, 1996; Snoek et al., 2010a). Naast andere problematieken is gebruik van middelen een feit in de BJB (Nijs, 1998). Men moet dit realistisch benaderen, want onderschatten of overproblematiseren heeft weinig zin. Voor detectie moet men eerst kennis hebben over ondermeer de veranderingsfasen (Trimbos, z.j.) en zich bewust zijn van de ernst van de problematiek om deze te kunnen inschatten, daarna kan doorverwezen worden. Het krijgen van handvaten via samenwerking, discussie, overleg en -65-

77 vorming is volgens de respondenten ondersteunend voor de begeleiding en opent nieuwe perspectieven. Onderscheiden maar aanvullende rollen van hulpverleners maken dat cliënten kunnen kiezen waar ze voor welk probleem terecht kunnen. Een laatste te bespreken punt zijn de stellingen uit de nodenbevraging van Baeten en Rosiers (2010) die ook aan de respondenten van dit onderzoek werden voorgelegd. Een opmerking vooraf is dat de respondenten in dit onderzoek de mogelijkheid kregen om extra uitleg te geven rond hun score. Zo konden stellingen genuanceerd worden, waardoor meer informatie verkregen werd dan bij de stellingen in het onderzoek van Baeten en Rosiers. Het is echter wel zo dat deze auteurs een bredere focus hadden in hun stellingen, terwijl dit masterproefonderzoek de focus legt op samenwerking. Bij de eerste stelling (deskundigheid) zien de onderzoekers een gelijkenis met het onderzoek van Baeten en Rosiers. Beide onderzoeksteams stellen vast dat begeleiders zich niet deskundig genoeg voelen om jongeren met alcohol- en/of andere drugproblemen zelf te begeleiden. Zicht hebben op het hulpverleningsaanbod wordt door de respondenten in dit onderzoek verdeeld beantwoord. Sommigen vinden dat begeleiders wel een goed zicht hebben, andere vinden van niet. Dit spreekt het onderzoek van Baeten en Rosiers tegen, daar is de conclusie dat de overgrote meerderheid het (eerder) oneens is met deze stelling. Hier kunnen de drugprojecten een oorzaak van zijn. Uit de interviews kwam vaak naar voor dat moeten te hard gesteld was in de stelling rond gesprekken voeren. Aangezien enige toelichting van respondenten mogelijk was, gingen vier respondenten volledig akkoord mits deze nuance: drughulpverleners mogen gesprekken voeren in de BJB omdat dit een meerwaarde kan bieden. Daarnaast maakten respondenten ook de opmerking dat dit afhankelijk is van de situatie en daarom zijn de scores ook meer verdeeld dan in het onderzoek van Baeten en Rosiers. Daar vindt men het minder nodig dat externen gesprekken komen voeren in de BJB. Uit de vierde stelling blijkt dat respondenten contact zullen opnemen met externen voor advies, dit is afhankelijk van de problematiek. Het contact opnemen komt overeen met het onderzoek van Baeten en Rosiers. Ook training (stelling vijf) wordt in het gevoerde onderzoek als belangrijk opgegeven. Hieruit blijkt dat ondersteuning voor hulpverleners een meerwaarde kan bieden, wat ook uit de resultaten naar voor kwam. Het hulpverleningsaanbod kan nog beter bekend gemaakt worden om efficiënter te kunnen inspelen op situaties. Het is ondersteunend wanneer de gespecialiseerde drughulpverlening naar de BJB komt om gesprekken te voeren met jongeren, maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. Begeleiders tonen geen terughoudendheid om contact op te nemen met andere hulpverleners, wat een eerste stap naar samenwerking is. Het onderzoek van Baeten en Rosiers (2010) gebeurde kort na de opstart van de drugprojecten, dit onderzoek gebeurde echter middenin de looptijd. Men zou kunnen stellen dat sinds het -66-

78 ontstaan van de projecten hulpverleners een beter zicht hebben op het aanbod en minder remming voelen om externen toe te laten. 3.2 Beperkingen Doorheen het onderzoek botsten de onderzoekers op een aantal beperkingen. Een eerste is dat dit onderzoek over een bepaalde tijdsperiode liep en de besluiten zijn dan ook op deze momentopname gebaseerd. Dit onderzoek werd gevoerd op het moment dat de drugprojecten slechts een jaar lopende waren. Sommige projecten kwamen nog maar net uit de opstartfase, waardoor de onderzoekers geen volledig beeld over de samenwerking konden krijgen. Mocht het onderzoek meer naar het einde van de projectlooptijd gebeuren, zou men meer en andere informatie kunnen verkrijgen. Een andere beperking is dat de vragenlijsten door de onderzoekers zelf opgemaakt werden en ze dus niet gestandaardiseerd zijn. De vragenlijst werd aan de hand van de onderzoeksvragen en het onderzoek van Baeten en Rosiers (2010) opgesteld. De volgorde van de vragen zorgde bij enkele respondenten voor verwarring. Bepaalde vragen waren niet altijd even duidelijk. Dit bleek uit de vraag naar extra uitleg van sommige respondenten. Bij het onderdeel drugbeleid was het oorspronkelijk de bedoeling om de definitie van de VAD (Baeten & Rosiers, 2010) te gebruiken, maar bij het afnemen van de interviews werd dit begrip niet volgens deze omschrijving geconcretiseerd. Een volgende beperking waarmee rekening gehouden moet worden omvat de response rate. Deze is voor dit onderzoek hoog. Een nuance hierbij is dat de mogelijkheid bestaat dat voornamelijk geëngageerde voorzieningen of organisaties in een samenwerkingsverband zullen stappen. Respondenten die daardoor geïnteresseerd zijn in samenwerking waren enthousiast om deel te nemen aan dit onderzoek en bijgevolg stemden zij vlug in met de onderzoeksdeelname. De organisaties die deelnemen aan de drugprojecten zijn geïnteresseerd in dit onderwerp en willen mogelijks meer tijd en energie spenderen aan dit onderzoek. Dit kan een vertekend beeld opleveren en hiermee dient dan ook rekening gehouden te worden bij het lezen van de onderzoeksresultaten. Een andere opmerking is dat de provincie Antwerpen drie arrondissementen telt, waarbij elkeen een eigen uitwerking van het drugproject kent. De onderzoekers kozen er bewust voor om enkel met het arrondissement Antwerpen te werken, dit omwille van de praktische haalbaarheid en het behouden van het onderzoeksopzet. De onderzoekers stelden als selectiecriterium voor niet-deelnemende voorzieningen dat zij het drugproject in hun provincie moesten kennen en er bewust voor moeten kiezen om niet deel te -67-

79 nemen. Dit bleek in de praktijk echter moeilijk te realiseren. Vandaar werden de criteria aangepast: de nadruk lag op geen deelname en minder op het drugproject effectief kennen. 3.3 Aanbevelingen voor verder onderzoek en praktijk Doorheen het onderzoek bleek dat er weinig recente literatuur te vinden was over samenwerking tussen de BJB en de drughulpverlening. Daarnaast was het moeilijk om in de literatuur argumenten tegen samenwerking te ontdekken. Om dit gebrek aan te vullen kan verder onderzoek gedaan worden. In toekomstig onderzoek kan het belangrijk zijn om breder te gaan dan enkel de hier onderzochte terreinen. Ook sectoren als de GGZ en onderwijs komen met de thematiek van middelengebruik bij jongeren in de BJB in aanraking en kunnen hiervoor samenwerking aangaan. Er werd in dit onderzoek gekozen om de BJB als uitgangspunt te nemen en drughulpverlening als aanvullend. Eigenlijk kan dit ook omgekeerd. De onderzoekers bevelen dan ook aan om samenwerking in volgend onderzoek meer te bekijken vanuit het oogpunt van de gespecialiseerde hulpverlening. Meerdere respondenten gaven aan dat jongeren in de BJB kwetsbaar zijn, onder andere voor druggebruik. Zoals Aarons et al. (2008) stellen, gebeurt er echter weinig onderzoek naar deze specifieke doelgroep. Dergelijk onderzoek zou nuttige informatie kunnen opleveren voor hulpverleners, want hierdoor leert men elkaars doelgroepen kennen en doet men bijgevolg recht aan de diversiteit van deze doelgroepen. De onderzoekers kozen ervoor om enkel hulpverleners te bevragen en geen cliënten. In verder onderzoek zou men aan dit hiaat kunnen tegemoetkomen door ook de jongeren in de BJB te bevragen naar de effecten van de samenwerking. Hulpverleners zeggen in het belang van de cliënt samen te werken, maar hier is slechts weinig effectonderzoek naar gevoerd. De cliënt vormt echter de kern van de hulpverlening. In dit onderzoek werd meestal slechts een persoon per organisatie geïnterviewd. Verder onderzoek zou bijvoorbeeld kunnen nagaan wat meerdere personen binnen een organisatie denken over samenwerking, wat en hoe zij ertoe bijdragen. Een verscheidenheid aan visies en opvattingen verkregen via diverse niveaus in de organisaties (directie, afdelingsverantwoordelijken, teamverantwoordelijken, begeleiders ) kan een meerwaarde bieden. Zoals eerder vermeld is dit onderzoek een momentopname. Het zou interessant zijn na te gaan wat er gebeurt naar het einde van de drugprojecten toe. Wat zijn de resultaten? Tot welke producten hebben de drugprojecten geleid? Zijn er nieuwe partners of zijn er partners verdwenen? Respondenten gaven de tijdelijkheid van de drugprojecten meermaals aan. Velen werken naar de -68-

80 toekomst toe. Onderzoek naar het verloop van samenwerking wanneer de drugprojecten zijn afgelopen, zou een beeld kunnen schetsen over het al dan niet bereiken van de drugprojectdoelstellingen. Daarnaast kan er nagegaan worden hoe het wegvallen van de drugprojecten werd opgevangen. Kreeg het drugproject nog een vervolg of werd het abrupt stopgezet zonder enig behoud van samenwerkingsverbanden? Uit het onderzoek bleek dat het informatieaanbod onduidelijk is, daarom zou er onderzoek moeten gebeuren over hoe men dit duidelijker en overzichtelijker kan maken om het daarna in de praktijk ook daadwerkelijk uit te voeren. Het bevragen van de hulpverleners zou hierin centraal moeten staan. Een van de voorstellen van de respondenten was een overkoepelende website met informatie over het aanbod van drughulpverlening. Samenwerking zou doorverwijzen efficiënter moeten maken, waardoor wachtlijsten minder vaak zouden voorkomen. Dit blijkt een veelvoorkomend probleem te zijn, aangezien de respondenten hier vaak mee geconfronteerd worden. Het opzetten van (proef)projecten en onderzoek voeren hiernaar kan tot nieuwe inzichten over samenwerking leiden. Dit kan de basis vormen voor het verder uitwerken van deze drugprojecten of het opstarten van nieuwe projecten. Het zou eveneens waardevol zijn als er onderzoek zou gebeuren na het stopzetten van de drugprojecten om te kijken hoe dit verder bestendigd kan worden. Om de inspanningen van de drugprojecten niet verloren te laten gaan, zou het interessant zijn om in de praktijk een blijvend element te hebben om de samenwerking te bestendigen. Deze persoon of instantie kan fungeren als terugvalbasis. -69-

81 4. CONCLUSIE In deze masterproef wordt een mogelijke optie voor samenwerking geschetst aangezien dé oplossing niet bestaat. Dit onderzoek spitst zich toe op twee sectoren, maar in de realiteit wordt met veel meer sectoren samengewerkt (onderwijs, justitie, GGZ, ). Uit de literatuur blijkt dat jongeren in de BJB die problemen hebben met middelengebruik een vaak voorkomend probleem zijn. De resultaten van dit kwalitatief onderzoek ondersteunen deze stelling. Zoals in de inleiding en literatuurstudie werd vermeld, wordt samenwerking als belangrijk gezien. Dit wordt eveneens bevestigd door de onderzoeksresultaten aangezien velen samenwerken. De mate van samenwerking verschilt echter, het kan gaan van advies vragen tot uitbesteden van begeleiding. Voor preventie en behandeling wordt meer samengewerkt dan voor nazorg of terugvalpreventie. Men kan samenwerken voor de cliënt, maar ook om begeleiders of de organisatie te ondersteunen. Stellingen uit het onderzoek van Baeten en Rosiers (2010) werden eveneens aan de respondenten van dit onderzoek voorgelegd. Er bleek overeenstemming tussen de antwoorden. Alleen heeft men nu een beter zicht op het hulpverleningsaanbod en voelt men minder remming om de stap naar externen te zetten. Daarnaast kwam enkel in dit onderzoek training als ondersteunend naar voor. Hier zouden de drugprojecten een aandeel kunnen in hebben. Een uitgangspunt bij samenwerking is dat de eigenheid van sectoren bewaard moet blijven. Dit wordt bevestigd in dit onderzoek. Men respecteert elkaar in elkaars rol en erkent elkaars deskundigheid. Dit onderzoek gebeurde in opdracht van de Stuurgroep Drugprojecten en de VAD. Hierdoor waren de drugprojecten een van de onderzoeksonderwerpen. Uit het onderzoek blijkt echter dat organisaties ook de weg naar samenwerking vinden zonder beroep te doen op een dergelijk project, hun sturing blijkt niet altijd nodig. De drugprojecten zouden de onderzoeksresultaten kunnen gebruiken om samenwerking te verbeteren, alsook om deze te bestendigen wanneer het project stopt. Doordat deze projecten nog even verder lopen, hebben zij de tijd en ruimte om eventuele aanpassingen te doen op basis van deze resultaten. Door de drugprojecten wordt meer aandacht gevestigd op het thema drugs en samenwerking. De drugprojecten bieden op verschillende vlakken ondersteuning en voordelen, maar hun toekomst blijft een vraagteken. -70-

82 REFERENTIELIJST

83 Aarons, G.A., Monn, A.R., Hazen, A.L., Connelly, C.D., Leslie, L.K., Landsverk, J.A., & Hough, R.L. (2008). Substance involvement among youths in child welfare: The role of common and unique risk factors. American Journal of Orthopsychiatry, 78, (3), doi: /a Aerts, L. (2009). Jeugdzorg in conditie: Randvoorwaarden voor een goede samenwerking tussen geestelijke gezondheidszorg en bijzondere jeugdzorg. Psyche, 21, (2), American psychiatric association (2000). Diagnostic and statistical manual of mental disorder (fourth edition, text revision, pp ). Washington, DC: American Psychiatric Association. Backovic, D., Marinkovic, J.A., Grujicic-Sipetic, S., & Maksimovic, M. (2006). Differences in substance use patterns among youths living in foster care institutions and in birth families. Drugs: education, prevention and policy, 13, (4), doi: / Baeten, I. (2006, januari). Een lokaal alcohol- en drugbeleid: op elk vlak de juiste aanpak. VAD-berichten, Baeten, I. (2011, februari). De bijzondere jeugdzorg aan het woord. AnD: Tijdschrift van de Vereniging voor Alcohol- en andere drugproblemen vzw, 4-5. Baeten, I., & Rosiers, J. (2002). Alcohol- en druggebruik in de bijzondere jeugdzorg: vragen over aanpak en begeleiding anno [onderzoeksrapport]. Baeten, I., & Rosiers, J. (2010). Alcohol- en druggebruik in de bijzondere jeugdzorg: vragen over aanpak en begeleiding anno [onderzoeksrapport]. Botvin, G.J., & Griffen, K. W. (2007). School-based programmes to prevent alcohol, tobacco and other drug use. International Review of Psychiatry, 19, (6), doi: / Broekaert, E., & Van Hove, G. (2005). Handboek Bijzondere Orthopedagogiek (7de herziene druk, pp ). Antwerpen-Appeldoorn: Garant. Darlington, Y., Feeney, J.A., & Rixon, K. (2005). Interagency collaboration between child protection and mental health services: Practices, attitudes and barriers. Child Abuse & Neglect (29), doi /j.chiabu

84 Deas, D., & Clark A. (2009). Current state of Treatment for AOD use disorders in adolescents. Alcohol Research & Health, 32, (1), Dom, G. (17 maart 2010). Neurobiologische en neurocognitieve aspecten verslaving [PowerPoint-presentatie]. Geraadpleegd op 21 mei 2010, rpath=%2ftheoretische_lessen Ehrle, J., Andrews Scarcella, C., & Geen, R. (2004). Teaming up: collaboration between welfare and child welfare agencies since welfare reform. Children and Youth Services Review, 26, doi: /j.childyouth Evenepoel, T. (2008). FESAT Monitoring Project: Report on the 16 th data collection, Changes during the first half of Brussel: FESAT. Farmer, E.M.Z., Mustillo, S.A., Ryan Wagner, H., Burns, B.J., Kolko, D.J., Barth, R.P., & Leslie, L.K. (2010). Service use and multi-sector use for mental health problems by youth in contact with child welfare. Children and Youth Services Review, 32, doi: /j.childyouth Franken, I., & van den Brink, W. (2009). Handboek Verslaving. Utrecht: De Tijdstroom. Grella, C., Hser, Y., Joshi, V., & Rounds-Bryant, J. (2001). Drug Treatment Outcomes for Adolescents with Comorbid Mental and Substance Use Disorders. The journal of nervous and mental disease, 189, (6), doi: /01/ Hean, S., Heaslip, V., Warr, J., & Staddon, S. (2011). Exploring the potential for joint training between legal professionals in the criminal justice system and health and social care professionals in the mental-health services. Journal of Interprofessional Care (25), doi: / Heerink, M., Pinkster, S., & Bratti-van der Werf, M. (2009). Onderzoek in zorg en welzijn: Een praktische handleiding. Amsterdam: Pearson Education. Jongerenwelzijn (z.j.). Voorzieningenbeleid: Druggerelateerde projecten binnen de bijzondere jeugdbijstand. Geraadpleegd op 16 januari 2011, via Kaminer, Y., & Napolitano, C. (2004). Dial for therapy: Aftercare for adolescent substance use disorders. Journal of American Academy of Child and Adolescent Psychiatry (43), 9, doi: /01.chi bf -73-

85 Keymeulen, R. (1995). De hulpverlening voor druggebruikers: Van huisarts tot gespecialiseerde dagcentra. Pretekst, 4-6. Lloyd, C. (1998). Risk factors for problem drug use: Identifying vulnerable groups. Drugs: education, prevention and policy, 5, (3), doi: /98/ Lubman, D., Hides, L., & Elkins, K. (2008). Developing integrated models of care within the youth alcohol and other drug sector. Australasian Psychiatry, 16, (5), doi: / Mass Levitt, J. (2009). Identification of Mental Health Service Need Among Youth in Child Welfare. Child Welfare, vol. 88 (1), doi: /2009/ Mortelmans, D. (2007). Handboek kwalitatieve onderzoeksmethoden. Leuven: Acco. Mrazek, P.J., & Haggerty, R.J. (1994). Reducing risks of mental disorder: Frontiers for preventive intervention research (pp ). Washington, DC: National Academy Press. Nijs, R. (1998). Integrale druggebruikbegeleiding: (De)problematisering van druggebruik in de Bijzondere Jeugdbijstand. Pretekst, pp Ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdbijstand vzw (2009). Samenwerking bijzondere jeugdbijstand en onderwijs. Geraadpleegd op 10 februari 2011, via nd+en+onderwijs+&thema= jeugdbijstand. Peeters, K., & Vanackere, S. (2008). Ontwerp van decreet inzake bijzondere Pelissier, B., Jones, N., & Cadigan, T. (2007). Drug treatment aftercare in the criminal justice system: A systematic review. Journal of Substance Abuse Treatment, 32, doi: /j.jsat Preventie: Aangepast aanbod voor jongeren met een drugsprobleem (z.j.). Geraadpleegd op 3 april 2011, via Prochaska, J.O., Redding, C.A., & Evers, K.E. (2008). The transtheoretical model and stages of change. In Glanz, K., B.K., Rimer, & Viswanath, K. (Eds.), Health behavior and health education: Theory, research, and practice (4 th edition, pp ). San Francisco: Jossey-Bass. -74-

86 Raes, V. (1996, november). De drugproblematiek in de samenleving: een complex gegeven. Sociaal, 17, (9), Roe, S., & Becker, J. (2005). Drug prevention with vulnerable young people: A review. Drugs: education, prevention and policy, 12, (2), doi: / Schaefer, J.A., Ingudomnukul, E., Harris, A.H.S., & Cronkite, R.C. (2005). Continuity of Care Practices and Substance Use Disorder Patients Engagement in Continuing Care. Medical Care, (43), 12, Snoek, A., Wits, E., van de Mheen, D., & Wilbers, G. (2010b, september). Richtlijn vroegsignalering middelenmisbruik of afhankelijkheid bij jongeren. Rotterdam: Resultaten Scoren. Snoek, A., Wits, E., van der Stel, J.,& van de Mheen, D. (2010a, juni). Kwetsbare groepen jeugdigen en (problematisch) middelengebruik: visie en intervisiematrix. Rotterdam: Resultaten Scoren. Standing Conference on Drug Abuse (1998). Drug-relates early intervention: Developing services for young people and families. Londen: Standing Conference on Drug Abuse. Stathis, S.L., Letters, P., Doolan, I., & Whittingham, D. (2006). Developing an integrated substance use and mental health service in the specialised setting of a youth detention centre. Drug and Alcohol Review, 25, doi: / , via Steunpunt Jeugdhulp vzw, z.j. Gemeenschapsinstellingen. Geraadpleegd op 10 februari Steunpunt Jeugdhulp vzw (z.j.). POS en MOF. Geraadpleegd op 10 februari 2011, via Steunpunt Jeugdhulp vzw (z.j.). Private voorzieningen. Geraadpleegd op 10 februari 2011, via Studiedienst van de Vlaamse Regering (2009). Evolutie van het aantal jongeren dat tijdens het jaar begeleiding kreeg via de BJB, naar geslacht. Geraadpleegd op 3 mei 2011, via -%20Bijzondere%20Jeugdbijstand -75-

87 Tack, M. (2007). Vroeginterventie: gerichte interventies bij risicogebruik. In: J. Casselman & H. Kinable (red.). Het gebruik van illegale drugs; Multidimensioneel bekeken. Kortrijk: UGA, Thompson, R.G., & Auslander, W.F. (2007). Risk factors for alcohol and marijuana use among adolescents in foster care. Journal of Substance Abuse Treatment, 32, doi: /j.jsat Trimbos-instituut (z.j.). Motiverende gesprekstechniek. Geraadpleegd op 4 april 2011, via erende%20gesprekstechniek.ashx Vanderplasschen, W., De Bourdeaudhuij, I., & Van Oost, P. (2002). Co-ordination and continuity of care in substance abuse treatment. European Addiction Research, 8, doi: /02/ $18.50/0 Van den Hove, E. (2008, juni). Druggebruik in de bijzondere jeugdbijstand: nood aan samenwerking tussen voorzieningen bijzondere jeugdbijstand en drughulpverlening. AnD: Tijdschrift van de Vereniging voor Alcohol- en andere drugproblemen vzw, 3, Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (z.j.). Mens-middel-milieu. Geraadpleegd op 7 april 2011, via Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (z.j.). Sjabloon registratiegegevens drugprojecten (ongepubliceerd Excel-bestand). Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (z.j.). Wegwijs in drughulpverlening. Geraadpleegd op 4 april 2011, via Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (2009, juni). Memorandum voor een Vlaams alcohol- en drugbeleid. AnD: Tijdschrift van de Vereniging voor Alcohol- en andere drugproblemen vzw, Vervotte, I. (2006). Globaal Plan Jeugdzorg: De kwetsbaarheid voorbij Opnieuw verbinding maken. Ward, J. (1998). Substance use among young people 'looked after' by social services. Drugs: education, prevention and policy, 5, (3),

88 Wells, R., Chuang, E., Haynes, L.E., Lee, I-H., & Bai, Y. (2011). Child welfare agency ties to providers and schools and substance abuse treatment use by adolescents. Journal of Substance Abuse Treatment (40), doi: /j.jsat Williams, J., Jackson, S., Maddocks, A., Cheung, W.-Y., Love, A., & Hutchings, H. (2001). Case control study of the health of those looked after by local authorities. Arch Dis Child, 85,

89 BIJLAGE

90 BIJLAGE Bijlage 1 Definiëring volgens DSM-IV 80 Bijlage 2 Verduidelijking behandelingsfase 82 Bijlage 3 Vragenlijsten 83 Bijlage 4 Geïnformeerde toestemming 106 Bijlage 5 Definities voor coderen 107 Bijlage 6 Boomstructuur 108 Bijlage 7 Overzicht antwoorden op de onderzoeksvragen 110 Bijlage 8 Uitwerking aanleiding samenwerking 139 Bijlage 9 Overzicht diensten 141 Bijlage 10 Uitwerking drugbeleid

91 Bijlage 1 De DSM-IV (APA, 2000, pp ) geeft definiëringen van afhankelijkheid van een middel. Een patroon van onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden veroorzaakt zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende aspecten die zich op een willekeurig moment in dezelfde periode van twaalf maanden voordoen. (1) Tolerantie, zoals gedefinieerd door ten minste één van de volgende elementen: (a) een behoefte aan duidelijk toenemende hoeveelheden van het middel om een intoxicatie of de gewenste werking te bereiken; (b) een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid van het middel. (2) Onthouding, zoals blijkt uit ten minste een van de volgende: (a) het voor het middel karakteristieke onthoudingssyndroom (verwijs naar criteria A en B van de criteria voor onthouding van een specifiek middel); (b) hetzelfde (of een nauw hiermee verwant) middel wordt gebruikt om onthoudingsverschijnselen te verlichten of te vermijden. (3) Het middel wordt vaak in grotere hoeveelheden of gedurende een langere tijd gebruikt dan het plan was. (4) Er bestaat de aanhoudende wens, of er zijn weinig succesvolle pogingen om het gebruik van het middel te verminderen of in de hand te houden. (5) Een groot deel van de tijd gaat op aan activiteiten nodig om aan het middel te komen (bijvoorbeeld verschillende artsen bezoeken of grote afstanden afleggen), het gebruik van het middel (bijvoorbeeld kettingroken), of aan het herstel van de effecten ervan. (6) Belangrijke sociale of beroepsmatige bezigheden of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd vanwege het gebruik van het middel. (7) Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een hardnekkig of terugkerend sociaal, psychisch of lichamelijk probleem is dat waarschijnlijk veroorzaakt of verergerd wordt door het middel (bijvoorbeeld actueel cocaïnegebruik ondanks het besef dat een depressie door cocaïne veroorzaakt wordt, of doorgaan met drinken van alcohol ondanks het besef dat een maagzweer verergerde door het alcoholgebruik). De DSM-IV (APA, 2000, p. 199) geeft eveneens een definitie voor het misbruik van een middel. A. Een patroon van het onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden veroorzaakt, zoals in een periode van twaalf maanden, wat blijkt uit ten minste één (of meer) van de volgende criteria: -80-

92 (1) herhaaldelijk gebruik van het middel met als gevolg dat het niet meer lukt om in belangrijke mate te voldoen aan verplichtingen op het werk, school of thuis (bijvoorbeeld herhaaldelijk absent of slecht werk afleveren in samenhang met het gebruik van het middel; met het middel samenhangende absentie, schorsing of verwijdering van school; verwaarlozing van kinderen of het huishouden); (2) herhaaldelijk gebruik van het middel in situaties waarin het fysiek gevaarlijk is (bijvoorbeeld autorijden of bedienen van een machine als men onder invloed van het middel is); (3) herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking komen met justitie (bijvoorbeeld aanhouding wegens verstoring van de openbare orde in samenhang met het middel); (4) voortdurend gebruik van het middel ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op sociaal of intermenselijk terrein veroorzaakt of verergert door de effecten van het middel (bijvoorbeeld ruzie met de echtgenoot over de gevolgen van de intoxicatie, vechtpartijen). B. De verschijnselen hebben nooit voldaan aan de criteria van afhankelijkheid van een middel uit deze groep middelen. -81-

93 Bijlage 2 Het transtheoretische model van Prochaska en DiClemente beschrijft de manier waarop mensen veranderen, wat in vijf stadia gebeurt: voorbeschouwing of precontemplatie, overpeinzing of contemplatie, voorbereiding, actieve verandering en stabilisatie of volhouden (Prochaska, Redding & Evers, 2008). Een eventuele zesde fase van verandering is terugval (Broekaert & Van Hove, 2005). Deze fasen worden voorgesteld in een cirkel en deze cirkel doorlopen is een mogelijk leermoment voor de gebruiker om te leren uit zijn gemaakte keuze(s) (Broekaert & Van Hove). Franken en van den Brink (2009) geven een overzicht van geformuleerde kritieken op dit transtheoretische model. Een aantal van deze elementen worden hier kort weergegeven. Een eerste kritiek omvat het feit dat de definiëring en het meten van de stadia niet altijd logisch en duidelijk is. Ten tweede wordt de vraag gesteld of de fasen wel zo onderscheiden zijn van elkaar en of mensen zich in twee fasen tegelijk kunnen bevinden. Ten derde zijn er in de cirkel verschillende fasen terug te vinden. Deze worden echter niet door alle gebruikers in dezelfde en opgelegde volgorde doorlopen. Een vierde kritiek vraagt of de verschillende fasen van verandering wel degelijk een voorspellende waarde hebben. Een volgende kritiek is deze: er zijn meerdere belangrijke factoren die de motivatie van de gebruiker beïnvloeden. Deze worden echter niet allemaal door het model in rekening gebracht. Motiverende gespreksvoering wordt door Miller en Rollnick (2002, pag. 25) gedefinieerd als een cliëntgerichte, directieve methode gericht op het verhogen van de intrinsieke motivering tot gedragsverandering door het exploreren van ambivalentie. (in Franken & van den Brink, 2009, p. 323). Deze motiverende gespreksvoering heeft twee principes, namelijk onvoorwaardelijke acceptatie en constructieve zelfconfrontatie. Volgende kernelementen behoren tot de motiverende gespreksvoering: empathie uitdrukken; discussie vermijden; versterken van zelfeffectiviteit; gebruikmaken van weerstand; cognitieve dissonantie oproepen; non-directieve technieken van vragen, luisteren en ordenen; directieve technieken van provoceren en bekrachtigen en verandertaal (Franken & van den Brink, 2009). -82-

94 Bijlage 3 Interview Masterproef II: versie voor drugprojecten INFORMATIE RESPONDENT Naam respondent:.. Naam project: o STUFF (West-Vlaanderen) o Keep It Clean (Oost-Vlaanderen) o Druglink (Antwerpen) o DrugSlink (Limburg) o LiNK - drugs (Vlaams-Brabant) Provincie: o West-Vlaanderen o Oost-Vlaanderen o Antwerpen o Limburg o Vlaams-Brabant Functie: o De coördinator van het drugproject o Andere:. Is er een samenwerking met externe hulpverleningsdiensten (zowel uit de drughulpverlening als uit de bijzondere jeugdbijstand) aanwezig? o Ja o Nee -83-

95 SAMENWERKING ALGEMEEN 1. Hoe is het drugproject ontstaan? 2. Hoe werd samenwerking met externe diensten opgezet? - Hoe komt men tot een beslissing om met externe diensten samen te werken, dus hiermee bedoelen we: wat was de aanleiding voor een samenwerking? o Is dit vanuit een eigen nood? o Is dit op initiatief van externe diensten? o Is dit op aangeven van Jongerenwelzijn? 3. Welke stappen werden ondernomen om tot deze samenwerking te komen? Hoe is men hierbij concreet te werk gegaan om het samenwerkingsverband te realiseren (proces)? 4. Met welke diensten wordt er samengewerkt? Kan u bij elke dienst aangeven wat deze inhoudt? 5. Hoe zien de samenwerkingsverbanden er momenteel concreet uit (product)? 6. Hoe beoordeelt u deze samenwerkingsverbanden? a) Wat loopt goed? b) Wat loopt niet goed? 7. Wat ziet u als voordelen van de samenwerking? 8. Wat ziet u als nadelen van de samenwerking? 9. Welke factoren komen ten goede aan de samenwerking? 10. Welke zijn beperkende factoren voor de samenwerking? 11. a) Is samenwerking met externe diensten ondersteunend voor de begeleiding van cliënten in de organisaties waar u mee samenwerkt? -84-

96 o Ja o Nee Zo ja, op welke manier is het ondersteunend? 12. Met welke externe diensten wordt er samengewerkt voor volgende begeleidingsactiviteiten? a) Wordt er voor drugpreventie samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze preventieactiviteiten er dan uit? b) Wordt er voor behandeling samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze behandelingsactiviteiten er dan uit? c) Wordt er voor nazorg samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze activiteiten rond nazorg er dan uit? d) Wordt er voor terugvalpreventie samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze activiteiten er dan uit? 13. Is er sprake van een eventuele samenwerking met andere externe diensten in de toekomst? -85-

97 o Ja o Nee o Weet niet Zo ja, wat houdt dit in? 14. Heeft uw organisatie een drugbeleid? o Ja Zijn er in dat drugbeleid van hulpverleningsinstanties aspecten terug te vinden rond samenwerking met externe diensten? Werkt dit drugbeleid ondersteunend naar samenwerking toe? o Nee Zijn er toekomstplannen voor een drugbeleid, bijvoorbeeld een werkgroep drugbeleid" die hiermee bezig is? Zou een drugbeleid ondersteunend werken naar samenwerking toe? o Weet niet STELLINGEN 15. Uit een enquête van de VAD blijkt dat de meerderheid van niet-drughulpverleners zich niet deskundig genoeg voelt om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden. Kan u aangeven op een schaal van 0 tot 10 in welke mate u akkoord gaat met de stelling dat niet-drughulpverleners zich te weinig deskundig voelen om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Wat zou volgens u kunnen helpen om meer deskundig te worden? 16. In welke mate bent u akkoord met volgende stelling: niet-drughulpverleners hebben te weinig zicht op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Uit diezelfde enquête blijkt dat niet-drughulpverleners te weinig zicht hebben op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening. Als dit meer zou geopenbaard worden, zou gemakkelijker doorverwezen kunnen worden naar de juiste dienst en zouden -86-

98 hulpverleners zich meer deskundig voelen. Hoe kan dit meer bekend gemaakt worden naar de voorzieningen toe? 17. In welke mate bent u akkoord dat alcohol- en/of drughulpverleners gesprekken moeten voeren met de jongeren in voorzieningen? (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Waarom? 18. a) Als men nood heeft aan advies bij alcohol- en/of drugbegeleiding van een jongere, wordt dan contact opgenomen met de alcohol- en/of drughulpverlening? o Ja o Nee o Weet niet Zo ja, hoe krijgt dit concreet vorm? - intensiteit (aantal keer contact) - medium (manier van contact nemen) b) In welke mate vindt u dat er contact moet opgenomen worden met de alcohol- en/of drughulpverlening om advies te vragen bij de begeleiding van een jongere? (0 = helemaal geen contact, 10 = bij ieder alcohol- of drugprobleem) Waarom? 19. a) In welke mate bent u akkoord dat begeleiders moeten getraind worden door deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening? (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) b) Zijn er aspecten die de begeleiders ook zouden kunnen overnemen mits training van deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening? -87-

99 Interview Masterproef II: versie voor diensten met een samenwerkingsverband in het drugproject INFORMATIE RESPONDENT Naam respondent: Naam voorziening: Provincie: o West-Vlaanderen o Oost-Vlaanderen o Antwerpen o Limburg o Vlaams-Brabant Soort voorziening: o Voorziening van bijzondere jeugdbijstand die in het drugproject participeert o Voorziening van bijzondere jeugdbijstand die niet in het drugproject participeert o Drughulpverleningsinstantie Functie respondent: o Basismedewerker o Directie o Andere Is er een samenwerking met externe hulpverleningsdiensten aanwezig? o Ja o Nee Is uw organisatie een partner in een drugproject? o Ja o Nee Zo ja, welk drugproject? o STUFF (West-Vlaanderen) o Keep It Clean (Oost-Vlaanderen) o Druglink (Antwerpen) o DrugSlink (Limburg) o LiNK drugs (Vlaams-Brabant) -88-

100 SAMENWERKING ALGEMEEN 1. Hoe werd samenwerking met externe diensten opgezet? a) Hoe komt men tot een beslissing om met externe diensten samen te werken, dus hiermee bedoelen we: wat was de aanleiding voor een samenwerking? o Is dit vanuit een eigen nood? o Is dit op initiatief van externe diensten? o Is dit op aangeven van Jongerenwelzijn? b) Hoe kwam men tot deelname aan een drugproject? 2. a) Welke stappen werden ondernomen om tot deze samenwerking te komen? Hoe is men hierbij concreet te werk gegaan om het samenwerkingsverband te realiseren (proces)? b) En bij het deelnemen in een drugproject? 3. Met welke diensten wordt er samengewerkt? Kan u bij elke dienst aangeven wat deze inhoudt? 4. Hoe zien de samenwerkingsverbanden er momenteel concreet uit (product), zowel met externe diensten als met het drugproject? 5. Hoe beoordeelt u deze samenwerkingsverbanden? a) Wat loopt goed? b) Wat loopt niet goed? 6. Wat ziet u als voordelen van de samenwerking? 7. Wat ziet u als nadelen van de samenwerking? 8. Welke factoren komen ten goede aan de samenwerking? 9. Welke zijn beperkende factoren voor de samenwerking? -89-

101 10. Is samenwerking met externe diensten ondersteunend voor de begeleiding van cliënten? o Ja o Nee 11. Op welke manier is het ondersteunend? 12. Hoe zien deze begeleidingsactiviteiten er dan uit? Met begeleidingsactiviteiten bedoelen wij zowel preventie, als behandeling, als nazorg als terugvalpreventie. a) Wordt er voor drugpreventie samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze preventieactiviteiten er dan uit? b) Wordt er voor behandeling samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze behandelingsactiviteiten er dan uit? c) Wordt er voor nazorg samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze activiteiten rond nazorg er dan uit? d) Wordt er voor terugvalpreventie samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze activiteiten er dan uit? -90-

102 13. Is er sprake van een eventuele samenwerking met externe diensten in de toekomst? o Ja o Nee Zo ja, wat houdt dit in? 14. Heeft uw organisatie een drugbeleid? o Ja Zijn er in dat drugbeleid van hulpverleningsinstanties aspecten terug te vinden rond samenwerking met externe diensten? Werkt dit drugbeleid ondersteunend naar samenwerking toe? o Nee Zijn er toekomstplannen voor een drugbeleid, bijvoorbeeld een werkgroep drugbeleid" die hiermee bezig is? Zou een drugbeleid ondersteunend werken naar samenwerking toe? o Weet niet STELLINGEN 15. Uit een enquête van de VAD blijkt dat de meerderheid van niet-drughulpverleners zich niet deskundig genoeg voelt om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden. Kan u aangeven op een schaal van 0 tot 10 in welke mate u akkoord gaat met de stelling dat niet-drughulpverleners zich te weinig deskundig voelen om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Wat zou volgens u kunnen helpen om meer deskundig te worden? 16. In welke mate bent u akkoord met volgende stelling: niet-drughulpverleners hebben te weinig zicht op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Uit diezelfde enquête blijkt dat niet-drughulpverleners te weinig zicht hebben op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening. Als dit meer zou geopenbaard worden, zou -91-

103 gemakkelijker doorverwezen kunnen worden naar de juiste dienst en zouden hulpverleners zich meer deskundig voelen. Hoe kan dit meer bekend gemaakt worden naar de voorzieningen toe? 17. In welke mate bent u akkoord dat alcohol- en/of drughulpverleners gesprekken moeten voeren met de jongeren in voorzieningen? (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Waarom? 18. a) Als men nood heeft aan advies bij alcohol- en/of drugbegeleiding van een jongere, wordt dan contact opgenomen met de alcohol- en/of drughulpverlening? o Ja o Nee o Weet niet Zo ja, hoe krijgt dit concreet vorm? - intensiteit (aantal keer contact) - medium (manier van contact nemen) b) In welke mate vindt u dat er contact moet opgenomen worden met de alcohol- en/of drughulpverlening om advies te vragen bij de begeleiding van een jongere? (0 = helemaal geen contact, 10 = bij ieder alcohol- of drugprobleem) Waarom? 19. a) In welke mate bent u akkoord dat begeleiders moeten getraind worden door deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening? (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) -92-

104 b) Zijn er aspecten die de begeleiders ook zouden kunnen overnemen mits training van deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening? -93-

105 Interview Masterproef II: versie voor diensten zonder een samenwerkingsverband in het drugproject INFORMATIE RESPONDENT Naam respondent:.. Naam voorziening:.. Provincie: o West-Vlaanderen o Oost-Vlaanderen o Antwerpen o Limburg o Vlaams-Brabant Soort voorziening: o Voorziening van bijzondere jeugdbijstand die in het drugproject participeert o Voorziening van bijzondere jeugdbijstand die niet in het drugproject participeert o Drughulpverleningsinstantie Functie respondent: o Basismedewerker o Directie o Andere Is uw organisatie een partner in onderstaand drugproject? o Ja o Nee Zo ja, welk drugproject? o STUFF (West-Vlaanderen) o Keep It Clean (Oost-Vlaanderen) o Druglink (Antwerpen) o DrugSlink (Limburg) o LiNK drugs (Vlaams-Brabant) -94-

106 DRUGPROJECT ALGEMEEN 1. Is het een bewuste keuze om geen partner te zijn in het drugproject? o Ja o Nee Verklaring: 2. Is er in het in verleden reeds een poging ondernomen om in een drugproject/samenwerkingsverband te stappen? o Ja o Nee (ga naar vraag 10) 3. Welke stappen werden ondernomen om tot deze samenwerking met een drugproject te komen? Hoe is men hierbij concreet te werk gegaan (proces)? 4. Hoe zag de samenwerking er concreet uit (product)? 5. Hoe beoordeelt u deze samenwerkingsverbanden? a) Wat loopt goed? b) Wat loopt niet goed? 6. Wat ziet u als voordelen van de samenwerking? 7. Wat ziet u als nadelen van de samenwerking? 8. Was samenwerking met het drugproject ondersteunend voor de begeleiding van cliënten? o Ja o Nee o Soms Verklaring: 9. Is er sprake van eventuele samenwerking met drugprojecten in de toekomst? o Ja o Nee o Weet niet -95-

107 Zo ja, wat houdt dit in? SAMENWERKING ALGEMEEN 10. Met welke diensten wordt er samengewerkt in functie van het begeleiden van de jongeren? Kan u bij elke dienst aangeven wat deze inhoudt? 11. Hoe werd samenwerking met externe diensten, andere dan drugprojecten, opgezet? a) Hoe komt men tot een beslissing om met externe diensten samen te werken, dus hiermee bedoelen we: wat was de aanleiding voor een samenwerking? Is dit vanuit een eigen nood? Is dit op initiatief van externe diensten? Is dit op aangeven van Jongerenwelzijn? 12. Welke stappen werden ondernomen om tot deze samenwerking te komen? Hoe is men hierbij concreet te werk gegaan om het samenwerkingsverband te realiseren (proces)? 13. Hoe zien de samenwerkingsverbanden met externe diensten er momenteel concreet uit (product)? 14. Hoe beoordeelt u deze samenwerkingsverbanden? a) Wat loopt goed? b) Wat loopt niet goed? 15. Wat ziet u als voordelen van de samenwerking? 16. Wat ziet u als nadelen van de samenwerking? 17. Welke factoren komen ten goede aan de samenwerking? 18. Welke zijn beperkende factoren voor de samenwerking? 19. Is samenwerking met externe diensten ondersteunend voor de begeleiding van cliënten? -96-

108 o Ja o Nee 20. Op welke manier is het ondersteunend? 21. Hoe zien deze begeleidingsactiviteiten er dan uit? Met begeleidingsactiviteiten bedoelen wij zowel preventie, als behandeling, als nazorg als terugvalpreventie. a) Wordt er voor drugpreventie samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze preventieactiviteiten er dan uit? b) Wordt er voor behandeling samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze behandelingsactiviteiten er dan uit? c) Wordt er voor nazorg samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze activiteiten rond nazorg er dan uit? d) Wordt er voor terugvalpreventie samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze activiteiten er dan uit? -97-

109 22. Is er sprake van een eventuele samenwerking met externe diensten of een drugproject in de toekomst? Zo ja, wat houdt dit in? o Ja o Nee o Weet niet Verklaring: 23. Heeft uw organisatie een drugbeleid? o Ja Zijn er in dat drugbeleid van hulpverleningsinstanties aspecten terug te vinden rond samenwerking met externe diensten? Werkt dit drugbeleid ondersteunend naar samenwerking toe? o Nee Zijn er toekomstplannen voor een drugbeleid, bijvoorbeeld een werkgroep drugbeleid" die hiermee bezig is? Zou een drugbeleid ondersteunend werken naar samenwerking toe? o Weet niet STELLINGEN 24. Uit een enquête van de VAD blijkt dat de meerderheid van niet-drughulpverleners zich niet deskundig genoeg voelt om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden. Kan u aangeven op een schaal van 0 tot 10 in welke mate u akkoord gaat met de stelling dat niet-drughulpverleners zich te weinig deskundig voelen om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Wat zou volgens u kunnen helpen om meer deskundig te worden? 25. In welke mate bent u akkoord met volgende stelling: niet-drughulpverleners hebben te weinig zicht op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) -98-

110 Uit diezelfde enquête blijkt dat niet-drughulpverleners te weinig zicht hebben op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening. Als dit meer zou geopenbaard worden, zou gemakkelijker doorverwezen kunnen worden naar de juiste dienst en zouden hulpverleners zich meer deskundig voelen. Hoe kan dit meer bekend gemaakt worden naar de voorzieningen toe? 26. In welke mate bent u akkoord dat alcohol- en/of drughulpverleners gesprekken moeten voeren met de jongeren in voorzieningen? (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Waarom? 27. a) Als men nood heeft aan advies bij alcohol- en/of drugbegeleiding van een jongere, wordt dan contact opgenomen met de alcohol- en/of drughulpverlening? o Ja o Nee o Weet niet Zo ja, hoe krijgt dit concreet vorm? - Intensiteit (aantal keer contact) - medium (manier van contact nemen) b) In welke mate vindt u dat er contact moet opgenomen worden met de alcohol- en/of drughulpverlening om advies te vragen bij de begeleiding van een jongere? (0 = helemaal geen contact, 10 = bij ieder alcohol- of drugprobleem) Waarom? 28. a) In welke mate bent u akkoord dat begeleiders moeten getraind worden door deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening? (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) -99-

111 b) Zijn er aspecten die de begeleiders ook zouden kunnen overnemen mits training van deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening? -100-

112 Interview Masterproef II: versie voor extra organisaties INFORMATIE RESPONDENT Naam respondent: Naam voorziening: Provincie: o West-Vlaanderen o Oost-Vlaanderen o Antwerpen o Limburg o Vlaams-Brabant Soort voorziening: o Voorziening van bijzondere jeugdbijstand die in het drugproject participeert o Voorziening van bijzondere jeugdbijstand die niet in het drugproject participeert o Drughulpverleningsinstantie Functie respondent: o Basismedewerker o Directie o Andere Is er een samenwerking met externe hulpverleningsdiensten aanwezig? o Ja o Nee Is uw organisatie een partner in een drugproject? o Ja o Nee Zo ja, welk drugproject? o STUFF (West-Vlaanderen) o Keep It Clean (Oost-Vlaanderen) o Druglink (Antwerpen) o DrugSlink (Limburg) o LiNK drugs (Vlaams-Brabant) -101-

113 SAMENWERKING ALGEMEEN 1. Hoe werd samenwerking met externe diensten opgezet? a) Hoe komt men tot een beslissing om met externe diensten samen te werken, dus hiermee bedoelen we: wat was de aanleiding voor een samenwerking? o Is dit vanuit een eigen nood? o Is dit op initiatief van externe diensten? o Is dit op aangeven van Jongerenwelzijn? b) Hoe kwam men tot deelname aan een drugproject? 2. a) Welke stappen werden ondernomen om tot deze samenwerking te komen? Hoe is men hierbij concreet te werk gegaan om het samenwerkingsverband te realiseren (proces)? b) En bij het deelnemen in een drugproject? 3. Met welke diensten wordt er samengewerkt? Kan u bij elke dienst aangeven wat deze inhoudt? 4. Hoe zien de samenwerkingsverbanden er momenteel concreet uit (product), zowel met externe diensten als met het drugproject? 5. Hoe beoordeelt u deze samenwerkingsverbanden? a) Wat loopt goed? b) Wat loopt niet goed? 6. Wat ziet u als voordelen van de samenwerking? 7. Wat ziet u als nadelen van de samenwerking? 8. Welke factoren komen ten goede aan de samenwerking? 9. Welke zijn beperkende factoren voor de samenwerking? -102-

114 10. Is samenwerking met externe diensten ondersteunend voor de begeleiding van cliënten? o Ja o Nee 11. Op welke manier is het ondersteunend? 12. Hoe zien deze begeleidingsactiviteiten er dan uit? Met begeleidingsactiviteiten bedoelen wij zowel preventie, als behandeling, als nazorg als terugvalpreventie. a) Wordt er voor drugpreventie samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze preventieactiviteiten er dan uit? b) Wordt er voor behandeling samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze behandelingsactiviteiten er dan uit? c) Wordt er voor nazorg samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze activiteiten rond nazorg er dan uit? d) Wordt er voor terugvalpreventie samengewerkt met externe diensten? o Ja o Nee o Weet niet Bij ja, welke en hoe zien deze activiteiten er dan uit? -103-

115 13. Is er sprake van een eventuele samenwerking met externe diensten in de toekomst? o Ja o Nee Zo ja, wat houdt dit in? 14. Heeft uw organisatie een drugbeleid? o Ja Zijn er in dat drugbeleid van hulpverleningsinstanties aspecten terug te vinden rond samenwerking met externe diensten? Werkt dit drugbeleid ondersteunend naar samenwerking toe? o Nee Zijn er toekomstplannen voor een drugbeleid, bijvoorbeeld een werkgroep drugbeleid" die hiermee bezig is? Zou een drugbeleid ondersteunend werken naar samenwerking toe? o Weet niet STELLINGEN 15. Uit een enquête van de VAD blijkt dat de meerderheid van niet-drughulpverleners zich niet deskundig genoeg voelt om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden. Kan u aangeven op een schaal van 0 tot 10 in welke mate u akkoord gaat met de stelling dat niet-drughulpverleners zich te weinig deskundig voelen om jongeren met alcohol- en/of drugproblemen zelf te begeleiden (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Wat zou volgens u kunnen helpen om meer deskundig te worden? 16. In welke mate bent u akkoord met volgende stelling: niet-drughulpverleners hebben te weinig zicht op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Uit diezelfde enquête blijkt dat niet-drughulpverleners te weinig zicht hebben op het aanbod van alcohol- en/of drughulpverlening. Als dit meer zou geopenbaard worden, zou -104-

116 gemakkelijker doorverwezen kunnen worden naar de juiste dienst en zouden hulpverleners zich meer deskundig voelen. Hoe kan dit meer bekend gemaakt worden naar de voorzieningen toe? 17. In welke mate bent u akkoord dat alcohol- en/of drughulpverleners gesprekken moeten voeren met de jongeren in voorzieningen? (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) Waarom? 18. a) Als men nood heeft aan advies bij alcohol- en/of drugbegeleiding van een jongere, wordt dan contact opgenomen met de alcohol- en/of drughulpverlening? o Ja o Nee o Weet niet Zo ja, hoe krijgt dit concreet vorm? - intensiteit (aantal keer contact) - medium (manier van contact nemen) b) In welke mate vindt u dat er contact moet opgenomen worden met de alcohol- en/of drughulpverlening om advies te vragen bij de begeleiding van een jongere? (0 = helemaal geen contact, 10 = bij ieder alcohol- of drugprobleem) Waarom? 19. a) In welke mate bent u akkoord dat begeleiders moeten getraind worden door deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening? (0 = helemaal niet akkoord, 10 = helemaal akkoord) b) Zijn er aspecten die de begeleiders ook zouden kunnen overnemen mits training van deskundigen in de alcohol- en/of drughulpverlening? -105-

117 Bijlage 4 Deschijnck Kim Pype Amoury Masterstudenten Orthopedagogiek Formulier Geïnformeerde toestemming Masterproefonderzoek: Drughulpverlening en bijzondere jeugdbijstand, een ondersteunende samenwerking? Beste, Gent, Wij zijn twee masterproefstudenten die onderzoek voeren naar samenwerkingsverbanden tussen de bijzondere jeugdbijstand en drughulpverlening. Wij willen nagaan of er een verschil is tussen organisaties die zich wel of niet engageren in een samenwerkingsverband. Daarvoor bevragen wij drugprojecten in Vlaanderen, organisaties die wel of niet partner zijn in een samenwerkingsverband (coördinator, directie, basismedewerkers, ) en de drughulpverlening. Wij nemen voor dit masterproefonderzoek een kwalitatief interview af en maken hiervan een audio-opname. Deze gegevens worden volledig uitgeschreven in functie van het onderzoek. Wij voorzien ongeveer twee uur voor de afname van het interview. Ik,. (volledige naam in drukletter a.u.b.) - ga akkoord mijn medewerking aan dit onderzoek te verlenen. - geef de toestemming om het interview op band te registreren. - verklaar hierbij te weten dat de gegevens anoniem verwerkt worden en enkel gebruikt worden voor het onderzoek. In geen enkele publicatie of verslag worden oorspronkelijke namen vermeld. - verklaar hierbij te weten dat mijn deelname vrijwillig is en ik deze deelname op iedere moment, zonder het opgeven van een reden, kan beëindigen. Datum en handtekening (gelezen en goedgekeurd) Onderzoeker Respondent -106-

PERS MAP. Jongerenwelzijn

PERS MAP. Jongerenwelzijn PERS MAP Jongerenwelzijn INHOUD PERSMAP Jongerenwelzijn begeleidt jongeren in een problematische opvoedingssituatie (POS) en jongeren die een als misdrijf omschreven feit (MOF) hebben gepleegd. WAT IS

Nadere informatie

De Sociale plattegrond. Inhoudstafel

De Sociale plattegrond. Inhoudstafel De Sociale plattegrond Sector: Verslaving Spreker: Marc Tack (CAT CGG Eclips) Inhoudstafel I. Kenmerken van problematisch alcoholen middelengebruik II. Implicaties voor de hulpverlening III. Overzicht

Nadere informatie

CROSS-OVER 2/12/2014

CROSS-OVER 2/12/2014 CROSS-OVER 2/12/2014 SKILLVILLE: Alcohol, tabak en cannabis Historiek Start Projectmatig Wetenschappelijk Onderzoek (PWO) september 2012 Impact van het ontwikkelen en inzetten van een educatieve game ter

Nadere informatie

Hieronder vindt u een overzicht van de verschillende werksoorten binnen de alcohol- en drughulpverlening.

Hieronder vindt u een overzicht van de verschillende werksoorten binnen de alcohol- en drughulpverlening. WEGWIJS IN DE DRUGHULPVERLENING Mensen die er niet in slagen hun middelengebruik onder controle te krijgen, kunnen een beroep doen op een gevarieerd zorg- en hulpaanbod. De welzijns- en gezondheidssector

Nadere informatie

Aanbod Bijzondere Jeugdbijstand (BJB)

Aanbod Bijzondere Jeugdbijstand (BJB) Aanbod Bijzondere Jeugdbijstand (BJB) Té-jongeren : intersectorale zoektocht, 27 november 2012 Vooraf Werking BJB wordt bepaald door het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand Typisch

Nadere informatie

Jeugdzorg in ontwikkeling

Jeugdzorg in ontwikkeling Jeugdzorg in ontwikkeling Prof. Dr. J. Vanderfaeillie De Maeyer Skrållan Faculteit Psychologie en Educatiewetenschappen Vakgroep Klinische en Levenslooppsychologie 21-2-2014 pag. 2 Inhoud Aanleiding voor

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Cannabisgebruik en stoornissen in het gebruik van cannabis in de adolescentie en jongvolwassenheid. Cannabis is wereldwijd een veel gebruikte drug. Het gebruik van cannabis is echter niet zonder consequenties:

Nadere informatie

De sociale plattegrond

De sociale plattegrond De sociale plattegrond Sector: Agentschap Jongerenwelzijn Spreker: Tom Elen (Agentschap Jongerenwelzijn) H1 - Opdracht Agentschap Jongerenwelzijn (beleidsdomein = WVG) Afdeling Preventie- en Verwijzersbeleid

Nadere informatie

Alcohol- en druggebruik bij Vlaamse jongeren

Alcohol- en druggebruik bij Vlaamse jongeren Alcohol- en druggebruik bij Vlaamse jongeren VAD-leerlingenbevraging Doel: aanvullend bij educatieve pakketten een zicht geven op middelengebruik bij leerlingen Survey, o.b.v. vragenlijst Gebaseerd op

Nadere informatie

(Net)werking van een PAAZ

(Net)werking van een PAAZ (Net)werking van een PAAZ Frederic Ulburghs (hoofverpleegkundige) en Henrik Palmans (psychiatrisch verpleegkundige) Voorstelling PAAZ Enkele cijfers: +/- 13 FTE verpleegkundigen +/- 3 FTE psychologen +/-

Nadere informatie

Ervaren problemen door professionals

Ervaren problemen door professionals LVG en Verslaving Lectoraat GGZ-Verpleegkunde Ervaren problemen door professionals Kennisdeling 11 november 2010, Koos de Haan, deel 2 1 Wat komt aan bod? Onderzoek naar problemen door professionals ervaren

Nadere informatie

Daidalos vzw. Veiligheidsondersteunend beleid

Daidalos vzw. Veiligheidsondersteunend beleid Daidalos vzw Veiligheidsondersteunend beleid Daidalos vzw: Situering Voorziening Bijzondere Jeugdbijstand Mobiele/ semi-ambulante hulpverlening bij Problematische opvoedingssituaties (POS): hoofdzakelijk

Nadere informatie

De Meander is er voor mensen die een vraag hebben naar informatie, ondersteuning of begeleiding rond

De Meander is er voor mensen die een vraag hebben naar informatie, ondersteuning of begeleiding rond De Meander is er voor mensen die een vraag hebben naar informatie, ondersteuning of begeleiding rond alcohol, illegale drugs, medicatie en gokken. Doelgroep Meander: Iedereen met problemen in verband met

Nadere informatie

OVERGANG ONLINE NAAR AMBULANT

OVERGANG ONLINE NAAR AMBULANT OVERGANG ONLINE NAAR AMBULANT Binnen een geïntegreerd model van geestelijke gezondheidszorg volgens het stepped care model (getrapte zorg) kan er best gestreefd worden naar een vloeiende overgang tussen

Nadere informatie

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.11 - September 2008-203-

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.11 - September 2008-203- Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.11 - September 2008-203- VLAAMS PARLEMENT SCHRIFTELIJKE VRAGEN STEVEN VANACKERE VLAAMS MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN Vraag nr. 257 van 25 juni

Nadere informatie

De opleiding start op 16 februari 2016. Het volledige programma met de data wordt bekend gemaakt in het najaar 2015.

De opleiding start op 16 februari 2016. Het volledige programma met de data wordt bekend gemaakt in het najaar 2015. Vooraankondiging Tweejarige opleiding tot hulpverlener bij alcohol- en drugproblemen (2016-2017) In samenwerking met de Vlaamse Vereniging van Behandelingscentra en Verslaafdenzorg (VVBV) De opleiding

Nadere informatie

Toegankelijkheid van de CAW s volgens de verenigingen waar armen het woord nemen. April 16

Toegankelijkheid van de CAW s volgens de verenigingen waar armen het woord nemen. April 16 Netwerk tegen Armoede Vooruitgangstraat 323 bus 6-1030 Brussel / tel. 02-204 06 50 / fax : 02-204 06 59 info@netwerktegenarmoede.be / www.netwerktegenarmoede.be Toegankelijkheid van de CAW s volgens de

Nadere informatie

DE VIJF FUNCTIES BINNEN HET VERNIEUWDE MODEL GEESTELIJKE GEZONDHEID

DE VIJF FUNCTIES BINNEN HET VERNIEUWDE MODEL GEESTELIJKE GEZONDHEID DE VIJF FUNCTIES BINNEN HET VERNIEUWDE MODEL GEESTELIJKE GEZONDHEID Functie 1 Activiteiten op het vlak van preventie; geestelijke gezondheidszorgpromotie; vroegdetectie, -interventie en -diagnosestelling

Nadere informatie

DBK: Het Gents Model Concept & implementatie Organisatie vanuit Justitie en vanuit Hulpverlening

DBK: Het Gents Model Concept & implementatie Organisatie vanuit Justitie en vanuit Hulpverlening DBK: Het Gents Model Concept & implementatie Organisatie vanuit Justitie en vanuit Hulpverlening 1 INHOUD PRESENTATIE I. Belgisch drugbeleid II. O.M. en problematisch druggebruik III.De rechtbank en problematisch

Nadere informatie

Een stap verder in forensische en intensieve zorg

Een stap verder in forensische en intensieve zorg Een stap verder in forensische en intensieve zorg Palier bundelt intensieve en forensische zorg. Het is zorg die net een stapje verder gaat. Dat vraagt om een intensieve aanpak. Want onze doelgroep kampt

Nadere informatie

INHOUD 5 INLEIDING 13. HOOFDSTUK 1 15 De welzijnsoverheden in België 15 1. De federale overheid 18 1.1. Sociale zekerheid 19 1.2. Sociale bijstand 20

INHOUD 5 INLEIDING 13. HOOFDSTUK 1 15 De welzijnsoverheden in België 15 1. De federale overheid 18 1.1. Sociale zekerheid 19 1.2. Sociale bijstand 20 I N H O U D INHOUD 5 INLEIDING 13 HOOFDSTUK 1 15 De welzijnsoverheden in België 15 1. De federale overheid 18 1.1. Sociale zekerheid 19 1.2. Sociale bijstand 20 2. De lokale overheid 22 3. De Vlaamse overheid

Nadere informatie

Inhoud. Lijst met afkortingen 13. Voorwoord 15. Inleiding 17

Inhoud. Lijst met afkortingen 13. Voorwoord 15. Inleiding 17 Inhoud Lijst met afkortingen 13 Voorwoord 15 Inleiding 17 DEEL 1 TRENDS IN CIJFERS OVER ILLEGALE DRUGS IN VLAANDEREN/BELGIË 1997-2007 19 HOOFDSTUK 1! ILLEGALE DRUGS. SITUERING EN DEFINIËRING 21 1.1 Wat

Nadere informatie

Voorstelling Team Verslavingszorg

Voorstelling Team Verslavingszorg 27/05/2015 Voorstelling Team Verslavingszorg Ivo Vanschooland Doelgroep De afdeling staat open voor mannen en vrouwen uit gans Vlaanderen en Nederland met problemen gekoppeld aan misbruik of afhankelijkheid

Nadere informatie

Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning (CKG) De Hummeltjes

Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning (CKG) De Hummeltjes Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning (CKG) De Hummeltjes Wat is een CKG? Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning (IVA Kind en Gezin) Mobiele begeleiding Ambulante begeleiding Residentiële

Nadere informatie

De werking van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Oost- Vlaanderen. Kristel Bovijn

De werking van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Oost- Vlaanderen. Kristel Bovijn De werking van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Oost- Vlaanderen Kristel Bovijn Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) Het VK is het meldpunt voor vermoedens van kindermishandeling, -verwaarlozing

Nadere informatie

Herstel bij verslaving

Herstel bij verslaving 13-11- 12 Herstel bij verslaving Op de voordeur staat geschreven: hier werken wij samen aan herstel Visie op moderne verslavingszorg Jaap van der Stel Lector Geestelijke Gezondheidszorg Hogeschool Leiden

Nadere informatie

Jongerenwelzijn: Gemeenschapsinstelling De Zande

Jongerenwelzijn: Gemeenschapsinstelling De Zande Jongerenwelzijn: Gemeenschapsinstelling De Zande Campus Bernem: Sint-Andreaslaan 5 8730 Beernem Campus Ruiselede: Bruggesteenweg 130 8755 Ruiselde Contactpersoon Patrick Defoor Telefoonnummer (051) 65

Nadere informatie

Therapeutisch programma voor druggebruikers en hun omgeving

Therapeutisch programma voor druggebruikers en hun omgeving Therapeutisch programma voor druggebruikers en hun omgeving De Kiem biedt hulp aan personen die problemen ervaren door het gebruik van drugs en aan mensen uit hun omgeving. Het residentiële luik van het

Nadere informatie

Voor meer info: Hilde Rekkers hilde.rekkers@vlaamseprovincies.be +32 2 508 13 26

Voor meer info: Hilde Rekkers hilde.rekkers@vlaamseprovincies.be +32 2 508 13 26 Voor meer info: Hilde Rekkers hilde.rekkers@vlaamseprovincies.be +32 2 508 13 26 Intrafamilaal geweld: provincies slaan brug tussen federale en Vlaamse overheid Intrafamiliaal geweld is een groot maatschappelijk

Nadere informatie

Drugpunt 24 februari 2015. Drugpunt Drugs Druggebruik begrijpen Vroeginterventie Opvallende verschijnselen In de praktijk Vragen

Drugpunt 24 februari 2015. Drugpunt Drugs Druggebruik begrijpen Vroeginterventie Opvallende verschijnselen In de praktijk Vragen Drugpunt 24 februari 2015 Drugpunt Drugs Druggebruik begrijpen Vroeginterventie Opvallende verschijnselen In de praktijk Vragen DRUGPUNT TEAM Filip Claeys filip.claeys@drugpunt.be 09/381 86 63 of 0498

Nadere informatie

You bet! Educatief pakket over gokken voor 16-18-jarigen

You bet! Educatief pakket over gokken voor 16-18-jarigen You bet! Educatief pakket over gokken voor 16-18-jarigen V.U. Paul Van Deun VAD, Vanderlindenstraat 15, 1030 Brussel - januari 2016 D/2016/6030/3 De DrugLijn is een initiatief van VAD - VAD wordt gefinancierd

Nadere informatie

Beter geïntegreerd! Wat zeggen de richtlijnen?

Beter geïntegreerd! Wat zeggen de richtlijnen? Beter geïntegreerd! Wat zeggen de richtlijnen? Beter geïntegreerd! Wat zeggen de richtlijnen? Richtlijnen Casus IDDT Richtlijnen, wat zeggen ze niet! Richtlijnen Dubbele Diagnose, Dubbele hulp (2003) British

Nadere informatie

Samenvatting. Adviesvragen

Samenvatting. Adviesvragen Samenvatting Adviesvragen Een deel van de mensen die kampen met ernstige en langdurige psychiatrische problemen heeft geen contact met de hulpverlening. Bij hen is geregeld sprake van acute nood. Desondanks

Nadere informatie

Waarden in Jongerenwelzijn MOVI colloquium

Waarden in Jongerenwelzijn MOVI colloquium Waarden in Jongerenwelzijn MOVI colloquium Stefaan Van Mulders I administrateur-generaal 3 december 2012 I Mechelen beleidsdomein welzijn, volksgezondheid en gezin Minister van Welzijn, Volksgezondheid

Nadere informatie

Een alcohol- en drugbeleid voor het secundair onderwijs

Een alcohol- en drugbeleid voor het secundair onderwijs Een alcohol- en drugbeleid voor het secundair onderwijs V E R E N I G I N G V O O R A L C O H O L - E N A N D E R E D R U G P R O B L E M E N ( V A D ) W W W. V A D. B E Een beleid opzetten Middelengebruik

Nadere informatie

INHOUD. Woord vooraf 11. Inleiding 15. Hoofdstuk 1: Orthopedagogische werkvelden in beweging: nieuwe uitdagingen vragen aangepaste antwoorden

INHOUD. Woord vooraf 11. Inleiding 15. Hoofdstuk 1: Orthopedagogische werkvelden in beweging: nieuwe uitdagingen vragen aangepaste antwoorden Woord vooraf 11 Inleiding 15 Hoofdstuk 1: Orthopedagogische werkvelden in beweging: nieuwe uitdagingen vragen aangepaste antwoorden 19 1. Inleiding 19 2. De organisatie van de zorg onder vuur 21 3. Het

Nadere informatie

STUDIEVOORMIDDAG. Polydruggebruik en psychische problemen bij alcohol- en druggebruikers in behandeling

STUDIEVOORMIDDAG. Polydruggebruik en psychische problemen bij alcohol- en druggebruikers in behandeling STUDIEVOORMIDDAG Polydruggebruik en psychische problemen bij alcohol- en druggebruikers in behandeling 18 JUNI 2012 INLEIDENDE TEKST Zowel in Europa als in de Verenigde Staten stelt men vast dat polydruggebruik

Nadere informatie

Samenvatting Samenvatting

Samenvatting Samenvatting Samenvatting Jaarlijks doen vele jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking In Nederland een beroep op de hulpverlening. Een aanmerkelijk aantal van hen krijgt deze hulp van een LVG-instituut.

Nadere informatie

EERSTELIJN EN DE MIDDELENGEBRUIK: DE ROL VAN EEN HUISARTS IN EEN REGIONAAL NETWERK

EERSTELIJN EN DE MIDDELENGEBRUIK: DE ROL VAN EEN HUISARTS IN EEN REGIONAAL NETWERK EERSTELIJN EN DE MIDDELENGEBRUIK: DE ROL VAN EEN HUISARTS IN EEN REGIONAAL NETWERK Van een kijk als solist naar interdisciplinair samenwerken Rita Verrando, huisarts Brussel, 14 november 2014 De rol van

Nadere informatie

Preventie en hulpverlening in een evoluerend drugsbeleid. Frieda Matthys, MD, PhD

Preventie en hulpverlening in een evoluerend drugsbeleid. Frieda Matthys, MD, PhD Preventie en hulpverlening in een evoluerend drugsbeleid Frieda Matthys, MD, PhD Overzicht Cannabis en gezondheid Prevalentie van gebruik Problemen door gebruik Drugbeleid vanuit gezondheidsperspectief

Nadere informatie

$% &' (' )(' *&+&' ),-$&+&(' *' )&'

$% &' (' )(' *&+&' ),-$&+&(' *' )&' Vzw info@osbj.be www.osbj.be!""#! "# Dit onderzoek had als doel na te gaan of autochtone en allochtone jongeren met gedrags-en/of psychische problemen op een verschillende wijze opgevangen worden binnen

Nadere informatie

Werken in sph. Maria van Deutekom Britt Fontaine Godelieve van Hees Marja Magnée Alfons Ravelli

Werken in sph. Maria van Deutekom Britt Fontaine Godelieve van Hees Marja Magnée Alfons Ravelli Verslaafden Werken in sph Redactie: Dineke Behrend Maria van Deutekom Britt Fontaine Godelieve van Hees Marja Magnée Alfons Ravelli 2 Verslaafden Auteur: Hans van Nes Bohn Stafleu Van Loghum Houten, 2004

Nadere informatie

Middelen, delictgedrag en leefstijltraining. Marscha Mansvelt

Middelen, delictgedrag en leefstijltraining. Marscha Mansvelt Middelen, delictgedrag en leefstijltraining Marscha Mansvelt Inhoud Hoe gaat de Waag om met middelengebruik als risicofactor voor delictgedrag? Leefstijltraining 1. Alcohol is de meest sociaal geaccepteerde

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod

Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod U bent niet de enige Een op de tien Nederlanders heeft te maken met een persoonlijkheidsstoornis of heeft trekken hiervan. De Riagg Maastricht is gespecialiseerd

Nadere informatie

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift 153 SAMENVATTING Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift Angst en depressie zijn de meest voorkomende psychische stoornissen, de ziektelast is hoog en deze aandoeningen brengen hoge kosten met

Nadere informatie

Infobundel Alcohol-, tabak-, en drugspreventie

Infobundel Alcohol-, tabak-, en drugspreventie Presenteert Infobundel Alcohol-, tabak-, en drugspreventie (9 september 2014) http://www.skillville.be 1 Doelstelling van het pakket Alcohol-, tabak-, en drugspreventie... 4 1.1 Alcohol... 4 1.2 Tabak...

Nadere informatie

De Sociale plattegrond

De Sociale plattegrond De Sociale plattegrond Sector: Begeleiding jonge kinderen Spreker: Krista De Vos (Kind en Gezin) Kind en Gezin Kleine kinderen, wij maken er werk van! 1 Voorgeschiedenis 1919: Nationaal Werk voor het Kinderwelzijn

Nadere informatie

nota Toepassing van het decreet Integrale Jeugdhulp voor voogden van niet begeleide minderjarige vreemdelingen

nota Toepassing van het decreet Integrale Jeugdhulp voor voogden van niet begeleide minderjarige vreemdelingen nota nota aan de Dienst Voogdij, federale overheidsdienst Justitie datum 1 maart 2014 uw kenmerk naam lijnmanager Lucien Rahoens naam auteur Virna Saenen onderwerp toepassing van het decreet Integrale

Nadere informatie

Leerlijnen per drug : ALCOHOL Onderwijsvorm: KLEUTER EN LAGER

Leerlijnen per drug : ALCOHOL Onderwijsvorm: KLEUTER EN LAGER Leerlijnen per drug : ALCOHOL Onderwijsvorm: KLEUTER EN LAGER kleuter 2,5-6j 1 ste graad LO 6-8j 2 de graad LO 8-10j 3 de graad LO 10-12j doelstelling doelstelling doelstelling doelstelling Versterken

Nadere informatie

Regionaal overleg: Alcohol en andere drugs. CGG Kempen Ellen Van Eynde 17 maart 2015

Regionaal overleg: Alcohol en andere drugs. CGG Kempen Ellen Van Eynde 17 maart 2015 Regionaal overleg: Alcohol en andere drugs CGG Kempen Ellen Van Eynde 17 maart 2015 Kennismaking Preventiewerker van het Alcohol- en drugteam De Meander De Meander is onderdeel van het Centrum voor Geestelijke

Nadere informatie

Het nieuwe hulpverleningslandschap

Het nieuwe hulpverleningslandschap Het nieuwe hulpverleningslandschap Integrale jeugdhulp 1 Hilde Vanautgaerden VCLB Leuven 29/04/2015 Hoe was het voor 1 maart 2014 VAPH Jongerenwelzijn Gezondheidszorg & Welzijnswerk MDV door erkende dienst

Nadere informatie

Diagnostiek fase. Behandelfase. Resocialisatiefase. Psychosociale behandeling. Medicamenteuze behandeling. Terugvalpreventie Herstel

Diagnostiek fase. Behandelfase. Resocialisatiefase. Psychosociale behandeling. Medicamenteuze behandeling. Terugvalpreventie Herstel Diagnostiek fase Samenvattingskaart WANNEER, HOE? 1. Diagnostiek middelengebruik 2. Vaststellen problematisch middelengebruik en relatie met delict Aandacht voor interacties psychische problemen en middelengebruik

Nadere informatie

DECREET. betreffende het algemeen welzijnswerk

DECREET. betreffende het algemeen welzijnswerk VLAAMS PARLEMENT DECREET betreffende het algemeen welzijnswerk HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Artikel 1 Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Artikel 2 In dit decreet wordt verstaan onder

Nadere informatie

Cognitieve gedragstherapie bij problematisch alcoholgebruik

Cognitieve gedragstherapie bij problematisch alcoholgebruik Cognitieve gedragstherapie bij problematisch alcoholgebruik Informatie voor mensen die hun probleem willen aanpakken 2 Kortdurende motiverende interventie en cognitieve gedragstherapie Een effectieve behandeling

Nadere informatie

VLAAMS PARLEMENT VOORSTEL VAN RESOLUTIE. van mevrouw Ria Van Den Heuvel en de heren Jan Roegiers, Carlo Daelman en Koen Helsen

VLAAMS PARLEMENT VOORSTEL VAN RESOLUTIE. van mevrouw Ria Van Den Heuvel en de heren Jan Roegiers, Carlo Daelman en Koen Helsen Stuk 2223 (2003-2004) Nr. 1 VLAAMS PARLEMENT Zitting 2003-2004 5 maart 2004 VOORSTEL VAN RESOLUTIE van mevrouw Ria Van Den Heuvel en de heren Jan Roegiers, Carlo Daelman en Koen Helsen betreffende een

Nadere informatie

Generalistische Basis GGZ berkel-b

Generalistische Basis GGZ berkel-b Generalistische Basis GGZ berkel-b Generalistische Basis GGZ Aansluiting vinden bij leeftijdsgenoten, opletten in de klas, omgaan met emoties en opkomen voor jezelf; zomaar een aantal vaardigheden die

Nadere informatie

POST-HBO OPLEIDING. Forensische psychiatrie. mensenkennis

POST-HBO OPLEIDING. Forensische psychiatrie. mensenkennis POST-HBO OPLEIDING Forensische psychiatrie mensenkennis Post-hbo opleiding forensische psychiatrie Initiatief De post-hbo opleiding is een initiatief van de: Dr. Henri van der Hoeven Stichting (Forum Educatief),

Nadere informatie

Gedwongen opname en verslaving Dr Anne Van Duyse - De Sleutel en PC Sint Jan Baptist

Gedwongen opname en verslaving Dr Anne Van Duyse - De Sleutel en PC Sint Jan Baptist Gedwongen opname en verslaving Dr Anne Van Duyse - De Sleutel en PC Sint Jan Baptist Deel 1: Wet op de gedwongen opname Deel 2: problematisch middelengebruik Toetsing van de wet bij verslaving Geesteszieke

Nadere informatie

Integrale Jeugdhulpverlening: een nieuw plan in de maak

Integrale Jeugdhulpverlening: een nieuw plan in de maak Integrale Jeugdhulpverlening: een nieuw plan in de maak Document opgesteld door: vzw de Keeting vzw Recht-Op Kroonstraat 64/66 Lange Lobroekstraat 34 2800 Mechelen 2060 Antwerpen email: info@dekeeting.be

Nadere informatie

Het doel van deze studie is (Enige Jaren Communities That Care. Leren van een sociaal experiment)

Het doel van deze studie is (Enige Jaren Communities That Care. Leren van een sociaal experiment) 226 / SOME YEARS OF COMMUNITIES THAT CARE Samenvatting Het doel van deze studie is (Enige Jaren Communities That Care. Leren van een sociaal experiment) onderzoek van preventie van probleemgedragingen

Nadere informatie

Huisvesting Cliënt heeft eigen adres maakt geen gebruik van een adres via Maaszicht.

Huisvesting Cliënt heeft eigen adres maakt geen gebruik van een adres via Maaszicht. Aanbod Maaszicht Toelichting per product: Opsporing en toeleiding Maaszicht krijgt regelmatig aanmeldingen van en voor jongeren voor wie niet direct duidelijk is voor welke zorg zij nodig hebben. Dit kan

Nadere informatie

Samenvatting (summary in Dutch)

Samenvatting (summary in Dutch) Samenvatting (summary in Dutch) 149 Samenvatting (summary in Dutch) Één van de meest voorkomende en slopende ziektes is depressie. De impact op het dagelijks functioneren en op de samenleving is enorm,

Nadere informatie

De SEM-J in cijfers. Wat is de SEM-J?

De SEM-J in cijfers. Wat is de SEM-J? De SEM-J in cijfers 12-18 jaar Wat is de SEM-J? individuele begeleidingscontext op eenvoudige en gebruiksvriendelijke manier: een ernstinschatting maken van het middelengebruik van de jongere & nood aan

Nadere informatie

elk kind een plaats... 1

elk kind een plaats... 1 Elk kind een plaats in een brede inclusieve school Deelnemen aan het dagelijks maatschappelijk leven Herent, 17 maart 2014 1 Niet voor iedereen vanzelfsprekend 2 Maatschappelijke tendens tot inclusie Inclusie

Nadere informatie

BELEIDSNOTA DRUGBELEID VAGGA

BELEIDSNOTA DRUGBELEID VAGGA BELEIDSNOTA DRUGBELEID VAGGA INHOUD Inleiding 1. Waarom een drugbeleid? 2. Uitgangspunten 3. Regelgeving 4. Procedures 5. Hulpverlening 6. Vorming & Voorlichting 7. Evaluatie Inleiding In onze samenleving

Nadere informatie

Forum Opvoedingsondersteuning Westhoek. 8 10 2013 Jonkershove (Houthulst)

Forum Opvoedingsondersteuning Westhoek. 8 10 2013 Jonkershove (Houthulst) Forum Opvoedingsondersteuning Westhoek 8 10 2013 Jonkershove (Houthulst) Programma Timing 9u00-9u15 9u15-10u15 10u15-10u30 10u30-11u30 11u30 Inhoud Verwelkoming Workshop deel I Pauze Workshop deel II Broodjesmaaltijd

Nadere informatie

Er zijn als het moet. Visie van de William Schrikker Groep op gespecialiseerde jeugdzorg aan kinderen (van ouders) met een beperking

Er zijn als het moet. Visie van de William Schrikker Groep op gespecialiseerde jeugdzorg aan kinderen (van ouders) met een beperking Er zijn als het moet Visie van de William Schrikker Groep op gespecialiseerde jeugdzorg aan kinderen (van ouders) met een beperking Onze cliënten Jeugdzorg is er in soorten en maten. De William Schrikker

Nadere informatie

Doelgroepen kasteelplus. Kerngedachten bij de visie. Ontwennen meer dan stoppen. Visie : controleverlies betekent totale abstinentie

Doelgroepen kasteelplus. Kerngedachten bij de visie. Ontwennen meer dan stoppen. Visie : controleverlies betekent totale abstinentie Doelgroepen kasteelplus Ontwennen meer dan stoppen. Hoe helpen we mensen om te veranderen? dag van de zorg 17/03/2013 Patrick Lobbens Hoofdverpleegkundige verslavingszorg kasteelplus Kasteelplus 1 : mensen

Nadere informatie

Herstel van verslaving? Conceptualisering door individuen in herstel

Herstel van verslaving? Conceptualisering door individuen in herstel Herstel van verslaving? Conceptualisering door individuen in herstel Vlaamse hersteldagen 2015, 18.11.2015 Doctoranda: Anne Dekkers Doctoraat: Wegen naar herstel van verslaving: de rol van individueel

Nadere informatie

Betreft: Participeren en studeren in het buitenland. Knelpunten voor studenten met een functiebeperking

Betreft: Participeren en studeren in het buitenland. Knelpunten voor studenten met een functiebeperking Steunpunt Inclusief hoger Onderwijs Sint-Jorisstraat 71 8000 Brugge Betreft: Participeren en studeren in het buitenland. Knelpunten voor studenten met een functiebeperking Het Steunpunt Inclusief Hoger

Nadere informatie

Vroegsignalering van middelenmisbruik en - afhankelijkheid bij jeugdigen

Vroegsignalering van middelenmisbruik en - afhankelijkheid bij jeugdigen Precirculatiepaper Forum Alcohol en Drugs Onderzoek (FADO) d.d. 17 november 2011 Vroegsignalering van middelenmisbruik en - afhankelijkheid bij jeugdigen Elske Wits, Anke Snoek en Dike van de Mheen (IVO

Nadere informatie

even Als kinderen en ouders geen raad meer weten

even Als kinderen en ouders geen raad meer weten even Als kinderen en ouders geen raad meer weten Het ene kind is het andere niet. En de ene ouder is de andere niet. In Nederland groeien de meeste kinderen gelukkig op en hebben een veilig thuis. Voor

Nadere informatie

KOMPAS vzw. JUBILEUM 25j WERKING. PERSTEKST.

KOMPAS vzw. JUBILEUM 25j WERKING. PERSTEKST. BEHANDELINGSCENTRUM VOOR DRUGGEBRUIKERS KOMPAS vzw. JUBILEUM 25j WERKING. PERSTEKST. INLEIDING. 19/08/1987 om 10h15. Na een 10-tal dagen wachttijd in een kliniek wordt Franky V. opgenomen in het Crisisprogramma

Nadere informatie

DEEL I DE GEVOLGEN VOOR SLACHTOFFERS VAN VERKEERSONGEVALLEN, DE REGELGEVING EN DE VOORZIENINGEN

DEEL I DE GEVOLGEN VOOR SLACHTOFFERS VAN VERKEERSONGEVALLEN, DE REGELGEVING EN DE VOORZIENINGEN INLEIDING 1. Aanleiding en doelstelling van het onderzoek 1.1. De aanleiding 1.2. De doelstelling 1.3. De uitwerking 1.4. De rapportage 2. De problematiek ingeleid 2.1. Enkele cijfers 2.2. Het ontstaan

Nadere informatie

Abstinent worden, abstinent blijven en de determinanten van een terugval in harddruggebruik.

Abstinent worden, abstinent blijven en de determinanten van een terugval in harddruggebruik. Abstinent worden, abstinent blijven en de determinanten van een terugval in harddruggebruik. Samenvatting van de resultaten uit het subcohort abstinenten die deelnemen aan de Amsterdamse Cohort Studie

Nadere informatie

Inleiding. Johan Van der Heyden

Inleiding. Johan Van der Heyden Inleiding Johan Van der Heyden Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 26 E-mail : johan.vanderheyden@iph.fgov.be

Nadere informatie

Tweejarige opleiding tot hulpverlener bij alcohol- en drugproblemen (2016-2017)

Tweejarige opleiding tot hulpverlener bij alcohol- en drugproblemen (2016-2017) Tweejarige opleiding tot hulpverlener bij alcohol- en drugproblemen (2016-2017) In samenwerking met de Vlaamse Vereniging van Behandelingscentra en Verslaafdenzorg (VVBV) Doelgroep hulpverleners werkzaam

Nadere informatie

even Als kinderen en ouders geen raad meer weten

even Als kinderen en ouders geen raad meer weten even Als kinderen en ouders geen raad meer weten Het ene kind is het andere niet. En de ene ouder is de andere niet. In Nederland groeien de meeste kinderen gelukkig op en hebben zij een veilig thuis.

Nadere informatie

TABAK ALCOHOL GAMEN. algemene sociale vaardigheden

TABAK ALCOHOL GAMEN. algemene sociale vaardigheden Leerlijnen per graad : 3 de graad LO 10-12j Doelstelling: Versterken van de kennis en vaardigheden die kinderen nodig hebben om gezonde keuzes te maken en niet te roken, geen alcohol te drinken en op een

Nadere informatie

IrisZorg. verslavingszorg. en maatschappelijke opvang. dicht bij mensen, ver in zorg

IrisZorg. verslavingszorg. en maatschappelijke opvang. dicht bij mensen, ver in zorg IrisZorg verslavingszorg en maatschappelijke opvang dicht bij mensen, ver in zorg > IrisZorg: dicht bij mensen, ver in zorg Bij IrisZorg kan iedereen rekenen op de deskundigheid en betrokkenheid van onze

Nadere informatie

Huisonderwijs Communicatie aan de CLB s

Huisonderwijs Communicatie aan de CLB s Huisonderwijs Communicatie aan de CLB s In het decreet betreffende het onderwijs XXIII werden een aantal nieuwe maatregelen doorgevoerd met betrekking tot huisonderwijs. Daarin werd ook een rol voorzien

Nadere informatie

- 172 - Prevention of cognitive decline

- 172 - Prevention of cognitive decline Samenvatting - 172 - Prevention of cognitive decline Het percentage ouderen binnen de totale bevolking stijgt, en ook de gemiddelde levensverwachting is toegenomen. Vanwege deze zogenaamde dubbele vergrijzing

Nadere informatie

s-gravenhage, 14 januari 2000 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. Borst-Eilers

s-gravenhage, 14 januari 2000 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. Borst-Eilers Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal s-gravenhage, 14 januari 2000 Onderwerp: Beleidsvisie landelijk kennis/behandelcentrum eetstoornissen Hierbij doe ik u een mijn «beleidsvisie voor

Nadere informatie

VVSG Trefdag Samen tegen Armoede wij ook 13/12/2010

VVSG Trefdag Samen tegen Armoede wij ook 13/12/2010 VVSG Trefdag Samen tegen Armoede wij ook 13/12/2010 Koen Clijsters Algemeen diensthoofd OCMW Heusden-Zolder Tel. 011/45.61.50 koen.clijsters@ocmwheusdenzolder.be Heusden- Zolder Provincie Limburg 31.500

Nadere informatie

Presentatie verdiepingssessie inkoop Jeugd-AWBZ. Vrijdag 13 juni 2014

Presentatie verdiepingssessie inkoop Jeugd-AWBZ. Vrijdag 13 juni 2014 Presentatie verdiepingssessie inkoop Jeugd-AWBZ Vrijdag 13 juni 2014 Wie zijn we? Ons Tweede thuis is een organisatie ten dienste van ongeveer 2000 mensen met een verstandelijke, meervoudige of lichamelijke

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Op grond van klinische ervaring en wetenschappelijk onderzoek, is bekend dat het gezamenlijk voorkomen van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een verstandelijke beperking tot veel bijkomende

Nadere informatie

Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae

Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae chapter 7 Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae 140 chapter 7 SAMENVATTING De bipolaire stoornis (of manisch-depressieve stoornis) is een stemmingsstoornis waarin episodes van (hypo)manie

Nadere informatie

'Integrale zorg voor mensen met een licht verstandelijke beperking en problematisch middelengebruik'

'Integrale zorg voor mensen met een licht verstandelijke beperking en problematisch middelengebruik' 'Integrale zorg voor mensen met een licht verstandelijke beperking en problematisch middelengebruik' Toelichting en handreiking bij het Auditinstrument Het verbeterproject LVB & Verslaving Het Trimbos-instituut

Nadere informatie

Verstandelijke beperking en middelengebruik. Een folder voor mantelzorgers en begeleiders van mensen met een verstandelijke beperking

Verstandelijke beperking en middelengebruik. Een folder voor mantelzorgers en begeleiders van mensen met een verstandelijke beperking Verstandelijke beperking en middelengebruik Een folder voor mantelzorgers en begeleiders van mensen met een verstandelijke beperking Johan woont al enkele jaren zelfstandig. Als begeleider ga jij twee

Nadere informatie

JIJ EN HET ONDERSTEUNINGS CENTRUM JEUGDZORG

JIJ EN HET ONDERSTEUNINGS CENTRUM JEUGDZORG JIJ EN HET ONDERSTEUNINGS CENTRUM JEUGDZORG 2 JIJ EN HET ONDERSTEUNINGSCENTRUM JEUGDZORG / 3 INLEI DING In deze brochure vind je informatie over het Ondersteuningscentrum jeugdzorg. We leggen uit wat het

Nadere informatie

OPEN MINDS Congres geestelijke gezondheid 26-27 mei 2016 / The Egg Brussel

OPEN MINDS Congres geestelijke gezondheid 26-27 mei 2016 / The Egg Brussel OPEN MINDS Congres geestelijke gezondheid 26-27 mei 2016 / The Egg Brussel De sociale kost van verslaving: iedereen betaalt, iedereen draagt zorg Freya Vander Laenen Structuur Opwarmen: U komt bij de huisarts

Nadere informatie

DRUGVERSLAAFDE OUDERS MET JONGE KINDEREN:

DRUGVERSLAAFDE OUDERS MET JONGE KINDEREN: DRUGVERSLAAFDE OUDERS MET JONGE KINDEREN: Draaiboek voor opvoedingsondersteuning in een residentiële setting Ilse Derluyn, wetenschappelijk medewerkster De Kiem Het laatste decennium is er in het werkveld

Nadere informatie

For k what is in a name?

For k what is in a name? For k what is in a name? Dirk Deboutte Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute - Department youth mental health ZNA Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie Het Antwerps project 1995-2005:

Nadere informatie

We stellen voor deze vragenlijst één maal per jaar te gebruiken.

We stellen voor deze vragenlijst één maal per jaar te gebruiken. Vragenlijst Lokaal Drugoverleg Inleiding Binnen de alcohol- en drugpreventiesector weten we dat een dynamisch lokaal drugoverleg een belangrijke basis en voorwaarde vormt om binnen de gemeente een werkbaar

Nadere informatie

FREDERIK DECLERCQ ARBEIDSCOACH MIRABELLO

FREDERIK DECLERCQ ARBEIDSCOACH MIRABELLO FREDERIK DECLERCQ ARBEIDSCOACH MIRABELLO Arbeidscoaching in een vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg ART 107 Psycho-sociaal revalidatiecentrum Mirabello Arbeidscoaching Art 107 Ziekenhuizen

Nadere informatie

Als acuut residentieel dient te. (Net)werking van een PAAZ

Als acuut residentieel dient te. (Net)werking van een PAAZ Als acuut residentieel dient te worden (Net)werking van een PAAZ Frederic Ulburghs (hoofverpleegkundige) Voorstelling PAAZ Enkele cijfers: +/- 13 FTE verpleegkundigen +/- 3 FTE psychologen +/- 1,5 FTE

Nadere informatie

De doelstellingen van directie en personeel worden expliciet omschreven in een beleidsplan en worden jaarlijks beoordeeld door de directie.

De doelstellingen van directie en personeel worden expliciet omschreven in een beleidsplan en worden jaarlijks beoordeeld door de directie. FUNCTIE: Directeur POC AFKORTING: DIR AFDELING: Management 1. DOELSTELLINGEN INSTELLING De doelstellingen staan omschreven in het beleidsplan POC. Vermits de directie de eindverantwoordelijkheid heeft

Nadere informatie

Samenvatting. Adviesaanvraag

Samenvatting. Adviesaanvraag Samenvatting Adviesaanvraag De antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASP) is een psychiatrische stoornis die wordt gekenmerkt door een duurzaam patroon van egocentrisme, impulsiviteit en agressiviteit.

Nadere informatie

Supported Employment modelgetrouwheid in Vlaamse arbeidsrehabilitatieprogramma s Knaeps J. & Van Audenhove Ch. GGZ-congres, 2012 Overzicht Inleiding Onderzoek Onderzoeksvragen Methode Analyse Resultaten

Nadere informatie

Studie type Populatie Patiënten kenmerken Interventie Controle Dataverzameling

Studie type Populatie Patiënten kenmerken Interventie Controle Dataverzameling Evidence tabel bij ADHD in kinderen en adolescenten (studies naar adolescenten met ADHD en ) Auteurs, Gray et al., 2011 Thurstone et al., 2010 Mate van bewijs A2 A2 Studie type Populatie Patiënten kenmerken

Nadere informatie