Van koelies, klontongs en kapiteins : het beeld van de Chinezen in Indisch-Nederlands literair proza Dharmowijono, W.

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Van koelies, klontongs en kapiteins : het beeld van de Chinezen in Indisch-Nederlands literair proza Dharmowijono, W."

Transcriptie

1 UvA-DARE (Digital Academic Repository) Van koelies, klontongs en kapiteins : het beeld van de Chinezen in Indisch-Nederlands literair proza Dharmowijono, W. Link to publication Citation for published version (APA): Dharmowijono, W. (2009). Van koelies, klontongs en kapiteins : het beeld van de Chinezen in Indisch- Nederlands literair proza General rights It is not permitted to download or to forward/distribute the text or part of it without the consent of the author(s) and/or copyright holder(s), other than for strictly personal, individual use, unless the work is under an open content license (like Creative Commons). Disclaimer/Complaints regulations If you believe that digital publication of certain material infringes any of your rights or (privacy) interests, please let the Library know, stating your reasons. In case of a legitimate complaint, the Library will make the material inaccessible and/or remove it from the website. Please Ask the Library: or a letter to: Library of the University of Amsterdam, Secretariat, Singel 425, 1012 WP Amsterdam, The Netherlands. You will be contacted as soon as possible. UvA-DARE is a service provided by the library of the University of Amsterdam ( Download date: 11 Oct 2018

2 4.5. De Chinezenmoord in 1740: Één groote bloedvlek op de geschiedrollen van het Nederlandsch gezag in Indië OP DEN MOORD GEPLEEGD AAN DE SINEEZEN TE BATAVIA, DEN 9en OCTOBER, ANNO [...] En dat hier valt, dat hier onmenschelijk wordt geslacht, Is een rampzalig volk, te onrecht ter dood gebracht. Den lammeren gelijk, die weidende in de dalen, Waaruit zich de Apennijn verheft tot s Hemels zalen, Een hongerige troep van wolven nadren zien; Zoo min helpt hier de vlucht of wederstand te biên. Ziehier hoe de Sinees, omringd van vrouw en kinderen, Demoediglijk geknield, zijn ramp niet kan verhindren. Zie, hoe hij wordt ontzield, onmachtig nederstort, Terwijl hem zelf geen glimp van schuld verkondigd wordt. O! (roept hij) gij, die u nog Kristenen durft noemen, En op begrip van rede en Godsdienst u durft roemen, Toont in dit tijdstip slechts een menschelijk gemoed, En straft wie schuldig is, maar plengt geen zuiver bloed! Of, zoo mijn waarde vrouw mij moet ter dood zien voeren, Laat dit onnoozel kind, dit kind u toch ontroeren! O mannen! t zij gespaard, het zij, zoo lang het leeft Getuige, dat men hier nog medelijden heeft! Tot antwoord voelt hij t staal zijn hart en nieren kerven, En ziet nog, stervende, zijn dierste panden sterven. Men vat het arme kind bij t teêre en t poezel been, En slingert het driewerf door rook en vlammen heen; En durft het op den muur, nog kermend, dus verpletten, Dat brein en bloed den beul in t aangezicht besmetten. [...] De dood leeft op de straat van t woest Batavia; Voor kind noch grijsaard is bij Kristenen genâ. Al wat slechts Kristen is, slaat met vermaak aan t moorden; En Java s stroom, die eerst zo zacht en mild deze oorden Besproeide, snelt met drift naar de onlangs stille reê, En braakt de dooden uit in de verschrikte zee. [...] W. van Haren (1742) 1 Uit: Kalff 1902, pag

3 Inleiding Rond 1741 liet boekdrukker Johannes Evelt in Utrecht een omstandig en allernaeuwkeurigst verhaal van den oorsprong, begin, voortgang en gelukkige ontdekkinge van het vervloekt en schelms verraad, gesmeedt tegende Ed: Oostindische Compagnie, ende alle Europeanen, door de Chineesen, [...] verschijnen, terwijl een jaar later een Acte van Amnestie verscheen waarin gerefereerd wordt aan een gruwelyke massacre in Batavia. 2 De dichter Willem van Haren schreef een gedicht (1742) over een treurtoneel dat op die vreeselijke dag plaatsvond, 3 een onbekend dichter noemt het een verraad door t Chinees gebroedzel 4 en J.H. van Balen heeft het meer dan anderhalve eeuw later in zijn roman Donkere dagen (1909) nog over één groote bloedvlek op de geschiedrollen van het Nederlandsch gezag in Indië. 5 Het besprokene staat bekend als de Chinezenmoord, maar historicus Nico Dros stelt vast dat de gruwelmoord op de Chinese gemeenschap van Batavia in 1740 geen plaats [heeft] in ons collectieve geheugen, 6 waarbij met ons van de Nederlanders bedoeld wordt. Van de weinigen die wel over de gebeurtenis hebben geschreven noemt hij de hierboven genoemde Willem van Haren en J.Th. Vermeulen, die er in 1938 zijn dissertatie over schreef. De historische achtergrond van de bespreking van het beeld van de Chinezenmoord in de Indisch-Nederlandse romans die hier volgt is voornamelijk gebaseerd op Vermeulens proefschrift, De Chineezen te Batavia en de troebelen van 1740 en dat van historicus Leonard Blussé, Strange Company, Chinese Settlers, Mestizo Women and the Dutch in VOC Batavia (1988), met name het hoofdstuk Batavia : The Rise and Fall of a Chinese Colonial Town. 7 Ook in Indonesia werd over de Chinezenmoord niet gerept in geschiedenisboekjes voor scholieren, in tegenstelling met alle andere zaken die de VOC op haar geweten had, die wel breeduit en uiterst zwart worden voorgesteld. Pas na de gebeurtenissen in 1998, die voorafgegaan waren door jaren van rassendiscriminatie, bedreigingen, mishandelingen, plunderingen, vernieling van bezittingen en in enkele gevallen verlies van hun leven, werd duidelijk wat de Chinese Indonesiërs geleden hadden en kreeg hun lot ook in het buitenland aandacht. Medio mei 1998 was een dieptepunt in de verhouding tussen inheemse en Chinese Indonesiërs. 8 Veel mensen zagen een gelijkenis tussen de zogenaamde mei-rellen in 1998 en de Chinezenmoord in Net zoals het ineens in was om Chinees te zijn, werd het na de rellen up-to-date beschouwd om over de Chinezenmoord te schrijven. Allerlei boeken verschenen, fictie zowel als non-fictie, over de Chinese Indonesiërs in het algemeen. Het 2 Ebing & De Jager 2000, pag Kalff 1902, pag Vermeulen 1938, pag Balen 1909, pag Dros 2001, pag In de beschrijving van Van Imhoffs portret in The Dutch Encounter With Asia , een catalogus bij de verzameling kunstvoorwerpen van de tijd van de VOC in het Rijksmuseum, wordt de Chinezenmoord niet genoemd, alleen dat a deep-seated conflict with the incumbent governor-general Adriaen Valckenier, led to Van Imhoff s arrest and banishment from the Dutch East Indies in Zandvliet 2002, pag. 83. Maar bij de beschrijving van de nieuwe Chinese wijk wordt wel gerefereerd aan de gebeurtenis in Zandvliet 2002, pag Het onderscheid tussen pribumi (autochtonen) en nonpribumi met de laatste term werden steeds Chinezen bedoeld was in de tijd van het regime van Soeharto officieel. Zie o.a. Suryadinata 2002, m.n. pag

4 zou kunnen dat de observatie van Vermeulen over de versterkte positie van de Chinezen na de Chinezenmoord 9 ook geldt voor de Chinese Indonesiërs na de mei-rellen van 1998, waarbij men zich kan afvragen of de gevolgen wel een goede compensatie zijn voor het geleden verlies Historische achtergrond Achtereenvolgens zal aandacht worden besteed aan de geschiedenis van de Chinezen in Batavia in de zeventiende en achttiende eeuw en twee versies van de Chinezenmoord zoals ze zijn opgetekend in The History of Java van T.S. Raffles. Er wordt een chronologisch overzicht gegeven van de gebeurtenissen zoals die zijn gepresenteerd in het proefschrift van J.Th. Vermeulen De Chinezen in Batavia in de zeventiende en achttiende eeuw Toen Batavia eenmaal was gesticht, moest de stad bevolkt worden. Handelaren uit geheel Zuidoost-Azië werden door de VOC aangemoedigd om zich in Batavia te komen vestigen, nadat pogingen om Hollanders aan te trekken onvruchtbaar bleken. Onder deze Aziaten waren de Chinezen het meest gewild. Hoewel ze listigh in de negotie waren, werd van hen ook gezegd dat ze schrander van geest waren en tegelijkertijd kloecke basen in allerleye ambagten : 10 ze waren vaardige en nijverige ambachtslieden, vissers en landbouwers en derhalve uiterst geschikt om de stad op te bouwen. Volgens Blussé was zelfs de plaats waar Batavia uiteindelijk gebouwd werd, bepaald door de handel met de Chinezen: de Chinese jonken moesten daar gemakkelijk kunnen aanmeren. Deze jonken brachten behalve handelswaar ook mensen mee. 11 De handelaren vestigden zich op eigen initiatief in Batavia, de landbouwers in de onmiddellijke omgeving, de Ommelanden. 12 Daer is geen volck die ons beter dan Chineesen dienen en soo licht als Chineesen te bekomen sijn, zei gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen dan ook. 13 Anderzijds waren zij deel van de Chinese handelsnetwerken waar de VOC geen deel van uitmaakte. Volgens Blussé ontstond daardoor een mogelijke botsing van belangen die de bron was van een potentieel cultureel conflict tussen twee socio-economische systemen. 14 De immigratie van de Chinezen was succesvol maar was gedeeltelijk het resultaat van twijfelachtige praktijken van gedwongen emigratie. Chinezen werden ontvoerd van de Chinese kuststreken en uit nabijliggende Javaanse havensteden. Chinese aannemers, onder wie Jan Con, 15 legden de kanalen aan en bouwden de stadsmuren en huizen. Anders dan in Manila, kozen de Hollanders ervoor met de Chinezen in één stad te verblijven, omdat er te weinig Hollandse vrijburgers waren en omdat de Chinezen beschermd moesten worden tegen aanvallen van buiten. Bovendien wilde het stadsbestuur er zeker van zijn dat alle Chinese handelstransacties de tolpoorten van de 9 Gedurende deze periode kwam echter de Compagnie tot het besef, dat de Chineezen uit de kolonie niet gemist konden worden. Het lijkt zelfs niet onmogelijk, dat als gevolg daarvan hun positie nog sterker werd dan te voren. [ ] Hierop is tenslotte hun krachtige economische ontplooiing in de tweede helft van de 18e eeuw en de 19e eeuw gevolgd. Vermeulen 1938, pag Schouten 1676, pag Blussé 1986, pag Blussé 1986, pag Romein & Romein-Verschoor 2006, pag Zie rome002erfl01_01_0012.htm 14 Blussé 1986, pag Blussé 1986, pag

5 Compagnie passeerden. 16 Enorme Chinese jonken, honderden voet in lengte en breedte, brachten grote aantallen Chinezen, cooplieden zowel als passagiers, ofte die voor vrachtloon over comen, naar Batavia met hun handelswaren, waarvan een groot deel uit porcelein en zijde bestond. Zo arriveerde in februari 1625 een Chinese jonk met 480 mensen aan boord. 17 Accumulatie van kapitaal onder de Chinezen werd aangemoedigd en er was wettelijke bescherming van bezittingen. 18 Terwijl de Hollanders naar patria terugkeerden zodra zij genoeg geld hadden verdiend, waren de Chinezen, eens dat ze een zekere welvaart bereikt hadden, juist geneigd in Batavia te blijven. Zij namen inlandse vrouwen, veelal Balinese slavinnen, tot vrouw. 19 Het waren de Chinezen die de werkelijke burgerij van Batavia waren, maar ze hadden geen politieke macht. Ze volgden hun eigen tradities en hadden hun eigen hoofden. Reeds in 1619, vijf maanden na de verovering van Jaccatra op de Sultan van Banten, benoemde gouverneur-generaal J.P. Coen zijn Chinese vriend Bencon (Su Mingkan of Souw Beng Kong, ook geschreven als So Bingkong) als hoofd van de Chinezen. Volgens historicus Hendrik E. Niemeijer was Bencon door de in Batavia wonende Chinezen ze waren toen met 400 tot hun kapitein verkozen, 20 volgens een andere bron was Bencon door J.P. Coen aangewezen omdat hij Bencon nodig had om Chinese families uit Banten naar Batavia te lokken. 21 Later werden luitenants en secretarissen benoemd om de taak van de kapitein-chinees te verlichten. 22 In 1685 bereikte de macht en invloed van de kapitein-chinees een hoogtepunt, toen gouverneur-generaal Camphuys ( ) de inwijding van de nieuwe kapitein-chinees liet samenvallen met zijn eigen inwijding. Daarmee gaf hij op een symbolische manier te kennen dat hij zijn gezag deelde met het hoofd der Chinezen. Chinese wijkmeesters werden benoemd samen met de Hollandse ambtenaars van dezelfde rang. 23 In het begin van zijn bestaan nam Batavia een tamelijk geïsoleerde positie in het interinsulaire handelsverkeer in. Niemeijer vertelt dat de stad het beeld liet zien van een komen en gaan van verpauperde Chinese immigranten. Vanwege het gebrek aan handel met de Pasisir (Java s noordkust) leden zij vaak bittere armoede. Desondanks moesten zij een hoofdelijke belasting of hoofdgeld betalen. 24 De in 1625 ingezamelde 9000 realen, 16 Blussé 1986, pag Vermeulen 1938, pag Blussé 1986, pag Blussé 1986, pag. 81. Een voorbeeld is de eerste kapitein-chinees Bencon. Hij had een kind dat hij in China achterliet, twee zoons van twee Balinese slavinnen, een andere zoon van een Chinese vrouw en een dochter van een onbekende vrouw. Zijn officiële vrouw, Nyai Inqua, was waarschijnlijk een Maleise. Heuken 1997, pag Niemeijer 2005, pag Setiono 2002, pag. 94. Coen deed alle moeite om de Chinezen die in Bantam, Cheribon en elders op Java woonden, naar Batavia te trekken, hoewel de Pangeran van Bantam het de Chinezen en Javanen onder bedreiging met de doodstraf verboden had naar Jacatra te gaan. Vermeulen 1938, pag Blussé 1986, pag Blussé 1986, pag In Batavia was het hoofdgeld der Chineezen de eerste belasting (ingevoerd op 9 oktober 1620) waar de bevolking mee te maken had. Lohanda 1994, pag D. van der Zee schrijft in De stad van Coen. Vertellingen en schetsen uit de geschiedenis van Batavia (1929) dat het hoofdgeld door de Chinezen zelf werd uitgevonden. Wellicht kwam hij tot die conclusie op basis van de gedachte dat het hoofdgeld een soort van protectiegeld was. In ruil voor het betalen van het hoofdgeld kregen de Chinezen namelijk vrijstelling van dienst bij de schutterijen. The dislike of the Chinese for military service was generally advanced as the reason for the continuation of this tax, but it may also have been a precautionary measure 292

6 betaald door 3000 Chinezen, werden gebruikt om een grote groep Chinezen aan de vestingswerken te laten werken. Toen een jaar later een nieuw stadhuis gebouwd werd, moest driekwart van de kosten alweer door de Chinezen betaald worden. Het was de taak van de Chinese hoofden en kooplieden om de belastingen te innen. Die waren daartoe maar al te zeer bereid, omdat ze er zelf voordeel bij hadden; zij immers waren de voornaamste aannemers van de bouwprojecten. 25 Rond 1630 was meer dan de helft van de inkomsten voor de stad afkomstig van het hoofdgeld dat betaald was door de Chinezen. 26 Omdat de Chinezen zeer mobiel waren, was het geen eenvoudige zaak om het hoofdgeld te innen. Het was ook moeilijk een onderscheid te maken tussen degenen die wel en geen hoofdgeld moesten en konden betalen. Er werden uitgebreide razzia s gehouden en regelmatig gingen mensen soldaten, Compagniesslaven, de havenwachter met zijn helpers Chinees-jaegen. Het geld dat de jagers op die manier verkregen, mochten ze voor zichzelf houden. Illegalen die erop betrapt werden met een vals hoofdbriefje rond te lopen werden zwaar gestraft. Het was niet te verwonderen dat de belastingen zeer gehaat waren onder de Chinezen, die ergens anders hun heil gingen zoeken, bijvoorbeeld in Mataram en Banten. 27 De toestand verbeterde tijdens het bewind van gouverneur-generaal Cornelis van der Lijn ( ), die het hoofdgeld van 1,5 realen tot 0,5 reaal verminderde. Zijn opvolger, Carel Reyniersz ( ) schafte het in 1650 zelfs helemaal af. De Nederlandse burgerij protesteerde tegen wat zij als een bevoordeling van de Chinezen beschouwde, 28 en onder Joan Maetsuyker werd het hoofdgeld weer hersteld. Het tweede Chinese lid verdween uit het college van schepenen en toen kapitein-chinees Siqua in 1666 overleed werd er geen nieuw hoofd van de Chinezen benoemd. 29 Zijn Balinese vrouw nam die functie over. Nadat Taiwan (Formosa), dat eerst bestuurd was door Zheng Cenggong (Koxinga), een diehard aanhanger van de Ming-keizer, in 1683 door de Manchus volledig geannexeerd werd, herstelde de jonkenvaart naar Batavia zich. Voordien durfden de jonken het in de woelige tijd van de strijd van Koxinga tegen de Manchus niet aan om uit te varen. Tussen 1680 en 1720 werden de Ommelanden geopend met de hulp van een constante stroom van Chinese landbouwers. Deze werden aangemoedigd suikerriet te to keep the Chinese unarmed, schrijft Blussé (1986, pag. 81). Het hoofdbriefje, dat men kreeg als bewijs dat het hoofdgeld betaald was, werd in het Maleis surat konde genoemd. Een surat is een brief, een konde is een wrong, want de Chinezen droegen hun lange haar opgerold in een wrong. Setiono 2002, pag Niemeijer 1996, pag Blussé 1986, pag Niemeijer 2005, pag De meeste klachten hadden te maken met de handel. Terwijl de overzeese handel voor de vrijburgers beperkt was door de monopolistische praktijken van de Compagnie, waren de Chinezen vrij om met hun jonken handel te bedrijven via hun interinsulaire en overzeese netwerken. Volgens Blussé was het beleid van de VOC goed te begrijpen. Voor de VOC was de overzeese handel zoals die door de Chinezen bedreven werd door de hoge kosten niet winstgevend, zodat er met de Chinezen geen belangenconflict was, anders dan met de vrijburgers, die dezelfde handelscontacten hadden als de VOC. De compagniesdienaren investeerden in de Chinese handel en streken winsten van 30-50% op. Blussé 1986, pag Vermeulen 1938, pag

7 verbouwen met het vooruitzicht van flinke winsten. 30 In de periode van 1690 tot 1695 alleen al werden niet minder dan 77 suikermolens gebouwd. 31 Er kwam een vloed van Chinese immigranten naar de archipel. Niet lang daarna werden de eerste restricties uitgevaardigd. De Chinezen werden geselecteerd op basis van hun haardracht. Degenen die hun haar in de oude stijl droegen waren al vóór 1683 in de Archipel en mochten blijven, na zich te hebben aangegeven bij hun officieren. De mannen die hun haar droegen in Manchu-stijl, dat wil zeggen van voren kaalgeschoren (onder de Manchu s, die China regeerden vanaf 1644, waren mannen verplicht hun haar op die manier te dragen), waren nieuwkomers en moesten zich binnen twee weken aanmelden. Alle Chinezen die van het buitenland kwamen moesten zo snel mogelijk weer vertrekken met de vaartuigen waarmee ze aangekomen waren, als ze niet in de ketting geklonken wilden worden tot het vertrek van de jonken in het volgende jaar. 32 Het was een tegenstrijdige situatie. Aan de ene kant was er te weinig werk voor alle Chinezen en moest de regering maatregelen treffen om het aantal immigranten te beperken, aan de andere kant wilde ze de maatregelen niet te streng toepassen uit vrees de handel met de Chinezen in gevaar te brengen. In de Ommelanden werd in 1739 een Chinese bevolking van geteld. Ruim 45% daarvan bestond uit volwassen mannen. De meesten leefden van de landbouw, anderen hadden eetkraampjes, maar velen zwierven rond in groepen en maakten de Ommelanden onveilig. 33 De toestand werkte corruptie onder de Compagniesbedienden, de Chinese ondernemers en de schippers in de hand. De Chinese suikerondernemers, pothia s genoemd, lieten de illegale immigratie toe, omdat ze er voordeel bij hadden: ze hoefden voor de illegale arbeiders geen belasting te betalen. Ook de schippers (de nachoda s) zaten in het complot. Reeds in 1690 had de Compagnie de nachoda s onder druk gezet door een quota vast te stellen. Die omzeilden ze door de havenmeester om te kopen en hun passagiers, uiteraard tegen betaling, af te zetten op eilanden voor de kust van Batavia of op een of andere plek aan Java s noordkust waar geen controle was. Deze toestanden ondermijnden het gezag van de kapitein-chinees, totdat hij en zijn luitenants ten slotte maar meededen met de kwalijke praktijken, omdat ze allemaal flink geïnvesteerd hadden in de suikerproductie en meestal zelf eigenaars waren van ettelijke suikermolens. 34 Daardoor onstond een gezagsvacuüm in de Ommelanden. Ondertussen groeide de haat van de Nederlandse vrijburgers tegen de Chinezen, voor wie zij toch al een grote afkeer hadden vanwege hun duyvelsdiensten en met wie zij zich op velerlei gebied niet konden meten. Allerlei plagerijen waren daar het gevolg 30 Blussé 1986, pag Niemeijer 2005, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag Het aantal in Batavia woonachtige Chinezen had nauw verband met de economische situatie. In tijden van verminderde handel met China verliet een groot aantal Chinezen de stad om naar Mataram of Banten te verhuizen, waar zij minder belasting moeten betalen. Als reactie verlaagde de Compagnie de belastingen of schafte ze af, om de Chinezen naar Batavia terug te halen. Ondanks de schommelingen in het aantal inwoners van Batavia, kon worden vastgesteld dat er in 1699 in Batavia Chinezen waren op een bevolking van (1783 Europeanen, Mardijkers, 670 Mestizos en 867 mensen uit andere groepen, de slaven niet meegerekend). In 1739 waren er Chinezen in Batavia op een bevolking van (1.276 Europeanen, Mardijkers, 421 Mestizo s en 299 mensen uit andere groepen, de slaven niet meegerekend). Blussé 1986, p Blussé 1986, pag

8 van, plagerijen overigens die niet alle ongestraft bleven. 35 Het was geen goede tijd, vooral ook omdat de suikerindustrie een malaise doormaakte. De suiker uit Batavia kreeg sterke concurrentie van de veel goedkopere Bengaalse suiker. De Compagnie deed wat volgens Blussé haar trademark was: zodra er overproductie dreigde, werden er restricties bepaald door quota s te zetten terwijl verkoopprijzen naar willekeur verlaagd werden. Dit beleid werd niet alleen voor suiker, maar ook voor andere landbouwproducten zoals peper uitgevoerd. Door de quota s, de uitputting van de grond en het groeiend gebrek aan brandhout voor de suikerketels moesten vele suikermolens sluiten, wat grote werkloosheid tot gevolg had. Bendes werkloze koelies zwierven rond in de Ommelanden. 36 Maar de Chinezen in de Ommelanden werden aan hun lot overgelaten. Zij konden niet terugvallen op een georganiseerd systeem dat het de autoriteiten mogelijk maakte om de problemen op te lossen. Er ontstond in de Ommelanden een explosieve situatie waarin de Chinezen hun vredelievendheid en lafhartigheid vergaten en in opstand kwamen. Daarvan werden de stads-chinezen het slachtoffer Twee versies van de aanleiding tot de Chinezenmoord in The History of Java Twee afwijkende maar niettemin interessante versies over de aanleiding tot de Chinezenmoord in Batavia worden gegeven in Thomas Stamford Raffles The History of Java. 38 Raffles citeert uit Javaanse bronnen. Volgens de eerste versie waren het de slaven in Batavia die in opstand kwamen tegen de welvaart en rijkdom van hun meesters in een ander hoofdstuk staat dat alleen Nederlanders en Chinezen slaven hadden en dat die slaven meestal uit Bali en Celebes afkomstig waren 39 en hun woede koelden op de Chinezen. De slaven mishandelden de Chinezen en probeerden ze om te brengen. Aanvankelijk waren er slechts weinigen die aan deze acties deelnamen, maar gaandeweg organiseerden ze zich in groepen en gingen ze openlijk de strijd aan tegen de Chinezen, die bescherming zochten bij de autoriteiten. Toen het duidelijk werd dat deze de Chinezen niet konden helpen, gingen de Chinezen in de tegenaanval. Het Gouvernement stuurde inheemsen uit Sabrang, dat wil zeggen de kuststreken en andere eilanden, op hen af. De 200 opgepakte Chinezen werden op een boot gezet naar een ander land, maar in volle zee werden ze overboord gegooid. De meesten verdronken, maar enkele overlevenden vonden de weg terug naar de suikermolen en vertelden hun verhaal aan de Chinezen aldaar, die in opstand kwamen en vele andere Chinezen in de strijd betrokken, totdat ze met ongeveer 5000 man waren. Ze wezen een leider aan, die Sipanjang heette. Een andere versie geeft eveneens een belangrijke rol aan de slaven. De Indonesische vertaling die ik geraadpleegd heb, is wat verwarrend, maar de kern van het 35 Dit blijkt bijvoorbeeld uit een vonnis in december 1739 uitgesproken tegen de matroos Jan Scheijnmeel, die over het toebrengen van een snede met een mes over het hoofd en in de troonie van den Chinees Tsauw Jauko met een mes boven het hoofd aan een paal werd gebonden, stevig gegeseld werd, een snede over zijn rechterwang kreeg en voor vijf jaar te werk werd gesteld zonder loon aan de gemene werken van de Compagnie. Vermeulen 1938, pag Blussé 1986, pag Blussé 1986, pag Raffles 2008, pag Mijn bron is de nieuwste Indonesische vertaling van The History of Java. 39 Raffles 2008, pag. 47. Niemeijer schrijft in Batavia dat in de zeventiende eeuw naast Balinese en Buginese slaven ook slaven van het Indiase continent sterk in trek waren. De Chinezen hadden geen Indiase slaven. Hun voorkeur ging uit naar Balinese slavinnen, met wie ze in concubinaat leefden. Niemeijer 2005, pag

9 verhaal is dat de Chinezen dankzij het beleid van Valckenier een zekere graad van welvaart bereikten, groter dan al de andere rassen behalve het Nederlandse en dat de toestand afgunst veroorzaakte bij de andere rassen, vooral omdat hun grotere welvaart de Chinezen arrogant maakten. Er ontstond onenigheid tussen de slaven en de Chinezen. De zaak werd door de Chinezen in het geding gebracht, maar zij kregen altijd het ongelijk aan hun kant en moesten zelfs boetes betalen. Ontevreden als de Chinezen waren over de gang van zaken, bundelden ze hun krachten tezamen om wraak te nemen en begonnen ze de dorpen rond Batavia te plunderen. Valckenier wilde de lastige Chinezen naar Ceylon sturen, opdat ze daar een nieuw leven konden opbouwen. De Compagnie zou de reiskosten eerst voorschieten, de Chinezen zouden later pas moeten terugbetalen als ze genoeg geld hadden verdiend in Ceylon. Dit moest de kapitein-chinees aankondigen aan zijn volk. Het plan mislukte want geen enkele Chinees voelde daar iets voor. Daarna werd besloten alleen de arme Chinezen naar Ceylon te sturen. De vraag was toen hoe men de arme van de rijkere Chinezen moest onderscheiden. De kapitein-chinees weigerde mee te werken, maar hij gaf als aanwijzing dat de arme Chinezen donkere kleren droegen. 40 De taak van het oppakken werd overgelaten aan spionnen, mensen van allerlei ras die de Chinezen niet goed gezind waren en nu hun kans schoon zagen om wraak te nemen. Ook gegoede Chinezen werden opgepakt en op een boot naar Ceylon gezet. Na enkele dagen ontstond er amok op de boot, vreemd genoeg door de Hollandse soldaten tegen de Chinezen, van wie velen het leven lieten. Lijken en overlevenden werden overboord gegooid. Enkelen konden de oever bereiken en hun landgenoten op de hoogte brengen van het gebeurde. In dit verhaal is sprake van een Chinese verrader, die in het geheim een bemiddelaarsfunctie op zich nam. Uiteraard liet hij zich daarvoor rijkelijk door de Compagnie belonen. De Compagnie liet weten dat de Chinezen in de stad die zich aan de kant van de rebellen wilden scharen, dat zo snel mogelijk moesten doen, en dat de Chinezen die de Nederlanders wilden volgen, ten teken daarvan hun snor moesten afscheren en al hun wapens moesten inleveren. Hun werd ook verboden s nachts lantaarns of vuur aan te steken. Daarop volgde een woelige nacht, waarin de Chinezen van buiten verschillende aanvallen op de stad deden met groot verlies van leven. De volgende dag riep het Gouvernement al zijn schepen naar Batavia en instrueerde het bootvolk om samen met soldaten en christelijke inheemsen alle Chinezen van het mannelijk geslacht, jong en oud, te vermoorden. Deze konden zich niet verweren omdat ze reeds alle wapens hadden ingeleverd. Het valt op dat het in de twee door Javanen geschreven versies in The History of Java de toentertijdse inheemse bevolking is, hoofdzakelijk slaven, die uit afgunst en jaloezie wraak wilden nemen op de Chinezen en ook in de gelegenheid waren hun 40 In een voetnoot vertelt ook Vermeulen hier iets over, daarbij een Chinese geschiedschrijver citerend. Deze laatste schrijft dat toen zich onder de opgepakte rovers enkele Chinezen bevonden die in het zwart gekleed waren, Van Imhoff gelastte alle Chinezen in zwarte kleren gevangen te nemen, maar dit strekte tot niets, dan om angst en schrik onder de Chineezen te verspreiden, hen in hunne dagelijksche werkzaamheden te belemmeren en hen over het land te verjagen zonder dat zij wisten wat zij moesten aanvangen en waar zij hun verblijf moesten houden. Deze maatregelen waren wezenlijke bronnen van wantrouwen en vrees waartegen geen hulpmiddel was. Vermeulen 1938, pag

10 wraakgevoelens te uiten. 41 In de romans die we gaan bespreken zijn het vooral de Europese burgers die zich achteruitgesteld voelden ten opzichte van de Chinezen en daarom vergelding zochten bij de Chinezen Chronologisch overzicht van de gebeurtenissen Voor de chronologie van de verordeningen en gebeurtenissen die leidden tot de ontevredenheid en latere paniek en revolte onder de Chinezen in de Ommelanden (paniek heerste ook in Batavia) die uitmondde in de moord op de Chinezen binnen de muren van de stad maak ik gebruik van Vermeulens studie over de Chinezenmoord. Hier volgt een korte samenvatting. Vanaf 10 juni 1727 moesten alle Chinezen die de laatste 10 tot 12 jaren in Batavia hadden verbleven maar geen permissiebiljet konden tonen, 42 naar China terugkeren. Twee jaar later, toen gouverneur-generaal Diederik Durven aan de macht was, werd bepaald dat Chinezen die geen permissiebriefje hadden, daar binnen zes maanden met een verzoekbrief en betaling van 2 rijksdaalders om moesten vragen. 43 Op 6 maart 1730 werd het houden van ongepermitteerde herbergen, kitten en warongs binnen en buiten de stad verboden, tenzij de eigenaars 24 Hollandse guldens per jaar betaalden. Onder gouverneur-generaal Abraham Patras ( ) werd deze maatregel verscherpt. Dat gebeurde ook toen Adriaan Valckenier ( ) aan de macht kwam, wat Compagniesdienaren ruimschoots de kans gaf om zich te verrijken. Zowel Nederlanders als Chinezen maakten zich schuldig aan omkoperij. Zo kreeg de Hollandse sjahbandar (de havenmeester) per jonk 300 rijksdaalders, als hij toestond dat de Chinezen zonder geteld te worden aan land mochten gaan. Nadat in 1738 Ferdinand de Roy werd aangesteld als Commissaris tot en over de Zaken van de Inlander, verergerden de afpersingen en knevelarijen voor de Chinezen in de Ommelanden. Zij werden herhaaldelijk gedwongen nieuwe permissiebriefjes te kopen, hoewel die eigenlijk slechts eens en voor altijd aangeschaft dienden te worden. Ze werden opgepakt en pas vrijgelaten als ze een zeker bedrag betaald hadden. Daarbij werden zij ernstig mishandeld en van hun goederen beroofd. Dit alles gebeurde op last van de Commissaris tot en over de Zaken van de Inlander. Na de moord op de Chinezen werd De Roy ervan beschuldigd de eerste oorzaak te zijn geweest van de Chinese opstand. 44 Begin 1740 meldde De Roy aan Valckenier dat een aantal Chinezen een groep gevangen landgenoten had trachten te bevrijden door de wachtposten aan te vallen. Rond die tijd keerde Gustaaf Willem baron van Imhoff, die nog een neef van Valckenier was, terug uit Ceylon, waar hij vier jaar lang gouverneur van was geweest. In 41 Tot de achttiende eeuw was slavernij in Batavia toegelaten. De slaven werden gekocht in India, op Celebes en Bali. Zonneveld 1995, pag. 6. Aan het einde van de zestiende eeuw was slavernij wijd verspreid op Sumatra, Celebes, de kleine Sunda-eilanden en de Molukken, maar juist niet op Java. Levecq 1997, pag Een permissiebiljet of permissiebriefje is een verblijfsvergunning. 43 In het bijzonder gouverneur-generaal Diederik Durven en zijn dienaren maakten zich schuldig aan het knevelen en manipuleren van de Chinezen in de Ommelanden, totdat een politiek onderzoek van de Heren XVII een einde maakte aan zijn regering. Blussé 1986, pag ; Blok 2008, pag De Roy werd op 27 december 1742 in gijzeling gesteld op grond van de verdenking door zijne extorsien, knevelarijen en andere vuile bedrijven meer de eerste oorsaak te sijn geweest van den Chineeschen opstand. Op 9 februari 1946, dus meer dan vijf jaar na het gebeuren, viel het zware vonnis tegen hem. Vermeulen 1938, pag. 44. Het is niet duidelijk uit Vermeulens proefschrift hoe het vonnis luidde. 297

11 Batavia werd hij Raad van Indië en leider van de oppositie. De twee neven konden het niet met elkaar vinden. Er was, zo schrijft Vermeulen, een voortdurend gekrakeel en een verdeeling in twee partijen, onder leiding van de elkaar fel hatende heeren Valckenier en van Imhoff. 45 De latere besprekingen over de opstand van de Chinezen konden gekarakteriseerd worden met Valckenier voor,van Imhoff tegen, en omgekeerd. 46 Deze gespannen verhouding tussen de beide mannen was volgens Vermeulen van wezenlijke invloed op het verloop van de latere gebeurtenissen. 47 Op 25 juli 1740 kwam een resolutie tot stand op grond van een voorstel van Van Imhoff. Er werd besloten de officieren van justitie en de Commissaris tot en over de Zaken van de Inlander Ferdinand de Roy bevel te geven alle suspecte zwervende Chinezen, ongeacht of ze in het bezit waren van een permissiebriefje of niet, op te pakken, hen door de schepenen te laten examineren en als zij geen behoorlijk middel van bestaan hadden naar Ceylon te sturen. Degenen die het besluit moesten uitvoeren pakten lukraak Chinezen op, beroofden hun huizen en mishandelden hun vrouwen en kinderen. De slechte uitvoering van het besluit, dat toch al niet goed doordacht was, veroorzaakte grote onrust onder de Chinezen. Het gerucht verspreidde zich onder de Chinezen dat de bannelingen niet naar Ceylon werden vervoerd maar in volle zee uit de boten werden geworpen en zodoende jammerlijk verdronken. Chinezen in de stad zochten hun toevlucht bij hun zwervende landgenoten buiten de stadsmuren. De maatregel had zodoende tot gevolg dat wekenlang verschillende levensmiddelen moeilijk te verkrijgen waren. De situatie verergerde in augustus. De pachter van het hoofdgeld kon niet betalen omdat de Chinezen zich schuil hielden, hun winkels gesloten hielden, zich niet op straat durfden te vertonen en dus ook geen hoofdbriefjes kwamen halen. Er waren geen tuiniers naar de stad gekomen en er was gebrek aan rijst, omdat de Chinezen die voor kort rijst uit Indramayu verkochten waren opgepakt. 48 Nog een maand later, op 26 september 1740, kwam de opstand van de Chinezen in behandeling bij de Raad van Indië. 49 De Raad was slecht ingelicht en hun houding karakteriseert Vermeulen als waarlijk lichtzinnig. 50 De Raad vond het niet nodig veel ophef van de opstand te maken en besloot alleen om de Chinese hoofden te instrueren goed op te letten en de plaatsen waar de rebellen zouden samenhokken te laten bezoeken. Men achtte de Chinese volk, dat als het lafhartigste der werelt gold, niet in staat een echte oorlog te voeren. Om berichten dat de Chinezen zich op het platteland in troepen hadden verzameld en zich tot onder de buitenposten van Batavia lieten zien, werd genoechsaem gelachen. 51 Iedere keer als Valckenier tot krachtigere maatregelen wilde overgaan, werd hem dat belet door de oppositie, onder leiding van Van Imhoff. 52 Vermeulen is ervan overtuigd dat een tijdig gewapend optreden zoals voorgesteld door Valckenier had kunnen verhinderen dat de gebeurtenissen escaleerden zoals toen het geval was, vooral omdat het verzet van de Chinezen niet goed georganiseerd was en omdat de Chinezen in het algemeen onwillig waren om oorlog te voeren, niet omdat ze 45 Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag , Blussé 1986, pag Volgens Van Sandick (1909, pag. 168) gebeurde dat op 28 september Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag

12 lafhartig waren, maar vanwege de filosofie van de Chinezen dat goede zonen geen soldaten worden een oud Chinees gezegde luidt dat men van goed ijzer geen naalden smeedt. De rebellen bevonden zich niet in goede fysieke conditie, ze leden honger en moesten eten stelen van de omwonende Javanen. Ze waren ook niet goed bewapend. 53 Op 4 oktober 1740 werd door de Raad besloten de extra ordinaire bewegingen van de versterkte wachten, die volgens Van Imhoff iedereen gealarmeerd hadden, in te trekken om de rust te bevorderen. De versterkte wachten werden overdag ingetrokken en bleven alleen s nachts versterkt. 54 Pas op 7 oktober werd gereageerd op de verontrustende berichten over honderden opmarcherende Chinezen en werd de beslissing genomen de rebellen aan te vallen. Chinezen uit de Ommelanden vielen versterkte posten in Tangerang en Bacassy aan en vermoorden de aldaar geplaatste detachementen. Het werd iedereen verboden op straffe van de ketting de Chinezen binnen de stad lastig te vallen, zodat zij hun kostwinning konden voortzetten. Maar op 8 oktober werd aangekondigd dat de Chinezen van buiten Batavia de stad niet binnen mochten en dat de Chinezen binnen Batavia hun vrouwen er niet uit mochten voeren. Chinezen die zich buiten de stad lieten zien en weigerden hun wapens af te geven of weerstand boden, zouden worden neergeschoten. Er werd een avondklok aangekondigd. Buiten de stad was het onrustig. De Chinezen buiten Batavia deden verschillende aanvallen. Op Tanabang werden ze zonder moeite verslagen. 55 Middels deze prent wil de tekenaar laten zien hoe het er in 1740 aan toeging in de Ommelanden, waar de Chinese rebellen de Nederlandse soldaten vermoordden (links) en in Batavia, waar de stads-chinezen zich als willooze lammeren lieten afslachten Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag Uit: Atlas van Stolk. 299

13 Op 9 oktober 1740 en in de dagen daarna werden duizenden Chinezen in de stad afgeslacht door het volk in Batavia, speciaal door het zeevolk, waaronder zich vele ongeregelde en slechte elementen bevonden. 57 Ook de Chinezen die in de gevangenis zaten en in het Chinese hospitaal werden de volgende dag vermoord. 58 Het is niet duidelijk hoeveel Chinezen er omkwamen. Volgens Vermeulen is het goed mogelijk dat het aantal omgekomen Chinezen tienduizend of meer bedroeg. 59 Terwijl het moorden in volle gang was, namen ook het muiten en roven een aanvang. Het plunderen gaf aanleiding tot stevige vechtpartijen onder de matrozen. 60 Tijdens een vergadering op 11 oktober werd onder andere besloten alle ambagtsgezellen soldaten en mattrosen op de welvoegelijkste en sagste wijse naar de hun aangewezen posten te laten brengen en hun zes ducaten te geven als ze met het plunderen wilden stoppen. De officieren kregen een dubbele portie. Dat deze maatregel niet het gewenste resultaat opleverde, wordt duidelijk als we zien dat op 17 oktober het aanbod nogeens herhaald werd, zo ook op 18 november, meer dan een maand na de moorden, toen de plunderingen nog steeds plaatsvonden. 61 Interessant zijn de pogingen van de Raad van Indië om de inheemsen in de strijd tegen de Chinese rebellen te betrekken. Ten einde de Javanen te animeren, werd op 13 oktober een premie gesteld van 2 dukaten op iedere Chinese kop, buiten de stad afgehouwen. Op 14 oktober stelde Valckenier voor een compagnie grenadiers met enige honderden Balinezen en Boeginezen naar buiten te sturen. Balinezen werden eveneens naar Fort Anke gestuurd om de Hollandse grenadiers, burgerruiters en timmerlieden bij te staan. 62 Aan de prinsen van Cheribon werd op 8 november een brief verzonden met het verzoek 2000 tot 3000 man te bewapenen en naar Tandjung Poura te zenden, zowel ter versterking van die post als om de Chinezen tussen twee vuren te krijgen. Op 11 november kreeg de Raad van Indië bericht dat door de West-Javanen 21 Chinezen waren aangegeven. Deze waren de enigen die na een hevig gevecht waren overgebleven van de ongeveer 600 Chinezen. De rest was gesneuveld. De Raad gaf opdracht aan de Commissaris tot en over de Zaken van den Inlander om de Javanen tot verder encouragement 20 rijksdaalders te geven. 63 De inheemsen waren ook uit zichzelf gemotiveerd om hun steentje bij te dragen. Eind november deed de inlandse militie een dringend verzoek om tegen de rebellerende Chinezen uit te mogen trekken, wat door de gouverneur-generaal werd toegestaan. 57 Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1939, pag Vermeulen 1939, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag

14 Een voorstelling van de moordscene in De rebellenleider Khe Pandjang 65 en zijn aanhangers trokken naar het oosten van Java en zetten daar de strijd voort. Het lijkt dat, anders dan het geval was in Batavia en Grisse (Gresik) in Oost-Java, waar de Madurese prins Cakraningrat alle Chinese inwoners vermoordde, in Semarang wel degelijk een samenwerking bestond tussen de Chinezen en de Javanen tegen de Compagnie. 66 Mas Grendie, de nieuwe Javaanse vorst 67 echter trachtte de Chinezen de schuld te geven en zegde de Compagnie zijn hulp toe Deze prent staat in verschillende boeken, maar komt uit Atlas van Stolk. De verklaring daarbij luidt: Afbeelding van dat gedeelte van Batavia, alwaar eigentlijk de Schrikkelijke Slagting der Chinezen, na de ontdekking van hun Verraad, geschied is, den 9. Octob Volgens Hembing Wijayakusuma, die eigenlijk een kruidendokter is en een boek heeft geschreven over de Chinezenmoord, heette Khe Pandjang in werkelijkheid Wang Tai Pan of Wang Pan Kuan. Wijayakusuma 2005, pag Vermeulen schrijft dat hij Oey panko genoemd werd. Vermeulen 1938, pag. 57. Het achtervoegsel ko werd in die tijd gebruikt als aanspreektitel voor een oudere man ten teken van respect en betekent oudere broer. Er is sprake van nog een andere rebellenhoofd dan Khe Pandjang, nl. Singseech. Hij zou de districten Japara en Coedoes in maart zijn binnengetrokken omdat de plaatselijke regenten een som gelds, die hij bij hen in bewaring gegeven had (een deel van ong rijksdaalders, die hij bijeengegaard had door roverij en afpersing van Semarangse en elders wonende Chinezen) weigerden terug te geven. Vermeulen 1938, pag. 88. Zie verder Liem 2004, pag , waarin ook P.J. Veth, schrijver van Java, wordt geciteerd. 66 Vermeulen 1938, pag Mas Grendie of Garendi was de 12-jarige kleinzoon van de naar Ceylon verbannen Sunan Mas. De nieuwe sultan kreeg de naam Susuhunan Amangkurat maar is bekender onder de naam Sunan Kuning. (Veth geciteerd in Liem 2004, pag. 44) L.H.W. van Sandick, die controleur bij het Binnenlands Bestuur op de Bezittingen buiten Java en Madoera was toen hij zijn studie over de Chinezen buiten China publiceerde in 1909, besteedt daarin aandacht aan de houding van de vorsten op Java ten opzichte van de opstand van de Chinezen. Zo vertelt hij dat de inlandse vorsten, die hunne afhankelijkheid van de Compagnie met tegenzin droegen, met genoegen de moeilijke toestand die de Chinezen veroorzaakten aanzagen. Over die vorsten zegt hij: Hun betuigingen van vriendschap, trouw en verkleefdheid waren in de ondubbelzinnigste woorden vervat en schenen alle vrees weg te nemen. [ ] Maar het bleek weldra, dat dit 301

15 De schuldige(n) De vraag naar wie verantwoordelijk was voor de Chinezenmoord is nooit beantwoord, hoewel de schuld daarvoor over het algemeen op Valckenier wordt geschoven. 69 Dit is nooit als een feit bewezen. Wel kunnen we ons slechts verbazen, aldus Vermeulen in zijn proefschrift, dat de regering, en daarmee bedoelt hij niet alleen Valckenier, zo weinig heeft gedaan om de gebeurtenissen in de stad tegen te gaan. Waarschijnlijk komt dat omdat de regering in overeenstemming met de publieke mening de pogrom gerechtvaardigd vond, zodat het niet nodig gevonden werd daar iets tegen te doen. 70 Valckenier, die de rest van zijn leven in de gevangenis van het Kasteel doorbracht, heeft zijn eigen proces niet overleefd. Van Imhoff, die zich vrijpleitte van de moord, volgde Valckenier op als gouverneur-generaal. Tegen de kapitein-chinees Ni Hoe Kong, die ervan beschuldigd werd gecollaboreerd te hebben met de rebellen en hen gesteund te hebben, kon ondanks martelingen geen bewijs van zijn schuld geleverd worden. 71 Ook de vraag of de Chinezen in de Ommelanden samenwerkten met die in de stad, kon niet beantwoord worden. Verschillende onderzoekers hebben verschillende meningen. In het algemeen kan gezegd worden dat verschillende omstandigheden samen een toestand slechts geschiedde om zoo mogelijk de regeering in slaap te wiegen, en dat zij in het geheim de Chineezen in hunne vijaandelijkheden aanmoedigden en versterkten. In juni 1741 kwam er bericht uit Semarang dat ook de hoofdregent van Semarang zijn hof had verlaten en de wapenen tegen de Compagnie keerde. Pakoe Boewono II beloofde de Chinezen allerlei voordelen, maar deed ook aan de Compagnie allerlei beloften. Hij liet zijn weifelende houding varen toen hij zag dat de Chinezen werkelijke overwinningen behaalden, maar verliet na enige tijd de Chinezen en verzocht het bondgenootschap met de Compagnie te vernieuwen, waarop de Chinezen zich tegen hem keerden. Volgens Van Sandick stelden zij zelf een nieuwe vorst aan, Mas Grendie of Garendi, die zij Soesoehoenan maakten onder de titel van Hamangkoerat Hamangkoe Boewono. Niet lang daarna werd de macht van de nieuwe Soesoehoenan gebroken en die van Hamengkoe Boewono II hersteld. Van Sandick 1909, pag Willem Remmelink schreef zijn verhandeling (1994) over de Chinese oorlog over de schermutselingen tussen de Chinezen en de Compagnie in Midden- Java na de Chinezenmoord, die begonnen toen korporaal Claas Lutten, de indigomaker in Majawa in het district van Pati, op 1 februari 1741 werd vermoord door een bende van thirty-seven poor, wandering, malcontent peranakan Chinese with shaven heads and pigtails, armed with pikes, flintlocks, pitchforks and swords, waving two black-and-red banners, protected by heavy, leather-coated, bullet-and-stab-proof outfits, and sounding a Chinese trumpet and cymbals. Remmelink 1994, pag Remmelink schrijft dat de Chinezen op 6 april 1742 Mas Garendi verkozen tot Sunan Amangkurat. Remmelink 1994, pag Vermeulen 1938, pag Dros meldt dat volgens de schrijver van Chronologische geschiedenis van Batavia, geschreven door een Chinees, juist Pwan Him-bok alias Van Imhoff de aanstichter van alle ellende geweest, want hij was het die het bevel voor de massacre zou hebben gegeven. Dros Vermeulen 1938, pag Vermeulen vraagt zich af hoe Ni Hoe Kong de brand en muiterij heeft overleefd. Vermeulen 1938, pag. 82. Dat is inderdaad een eigenaardige zaak. In Hoetinks verslag over de rechtszaak tegen de kapitein- Chinees wordt verteld dat hij zich in de vroege ochtend van 9 oktober naar het kasteel begaf. Wat hij daar kwam doen en of hij ontvangen werd door Valckenier is niet duidelijk. Op weg naar zijn huis ontkwam hij aan beschietingen door soldaten. Op dat moment was het moorden al begonnen. Hoewel zijn huis met kanongeschut beschoten werd en ook nog geplunderd, kon hij er nog verschuilen. Was er misschien een geheime kelder in het huis, zoals de zwager van Tan-tsi in de roman Donkere dagen er een had? (Zie de te bespreken roman van J.H. van Balen) In de avond probeerde hij te vluchten, verkleed als een vrouw daar wordt aan gerefereerd door de anonieme dichter: Doch Hy, door t volk gekend, omringt en ingesloten, word zelf gevangen in zyn Vrouwelyk gewaad. Vermeulen 1938, pag Of misschien waren alle Chinese mannen volgens de dichter gekleed in vrouwenkleren; ze werden immers weleens de verwijfde hoop genoemd. Blussé 1986, pag. 1. De kapitein-chinees werd, zoals het gedicht vertelt, gevangengenomen en naar het kasteel gebracht, waar hij voorlopig veilig was. Hoetink 2007, pag

16 creëerden die leidden naar de pogrom in Batavia. Deze waren de crisis in de suikerindustrie, de geweldige corruptie onder de Compagniesdienaren, de pothia s en de nachoda s, de rivaliteit tussen de gouverneur-generaal en de oppositie, met name Van Imhoff, en de onmacht van de kapitein-chinees. Vermeulen spreekt van een uitbarsting van volkswoede, de wraaklust der Bataviasche burgerij 72 terwijl Blussé schrijft dat feelings of revenge [...] erupted in the massacre. 73 De literatuur geeft hetzelfde beeld: er wordt daarin gesproken van wraakneming op de Chinezen door de burgerij. Wel is duidelijk dat er een opstand was onder de Chinezen in de Ommelanden van Batavia. Vermeulen schrijft dat er onder de omgekomen Chinezen mogelijk zeer velen waren, die door hun aanval op Batavia zich inderdaad als vijanden van de Hollandse kolonie hadden verklaard, tegen wie men zich met goed oorlogsrecht te weer mocht stellen. Maar de zwarte bladzijde in onze geschiedenis gaat over de moord op de vele stads-chinezen, voor het grootste deel rustige burgers, die zich niet konden verweren tegen de woede van hun mede-ingezetenen, omdat zij niet over wapens beschikten, zodat ze zich zonder tegenstand lieten afslachten. 74 De aanleiding tot de rebellie was, in de woorden van L.H.W. van Sandick, die controleur bij het Binnenlands Bestuur op de Bezittingen buiten Java en Madoera was toen hij in 1909 een studie over de Chinezen buiten China publiceerde, de grote ontevredenheid bij de Chinezen in de Ommelanden, niet bij de landbouwers, de handelaren en personen die het goed hadden, maar juist bij het gedeelte dat niets te verliezen had. Die ontevredenheid was veroorzaakt door de willekeurige onderdrukking, afpersing en uitzuiging door trouwelooze ambtenaren van de Compagnie. 75 Deze Chinezen stelden zich daardoor vijandig op tegen de regering. Ze konden met hun grieven nergens terecht, want degenen die de taak hadden hen te leiden, de kapitein-chinees en de Commissaris tot en over de Zaken van de Inlander, waren niet in staat en ook niet van zins ze te steunen. De eerste had zijn gezag verloren en de tweede was juist een van hun grootste knevelaars. De gebeurtenis decimeerde de Chinese bevolking van Batavia. In feite vermeldde de bevolkingsstaat van eind december 1740 geen Chinezen behalve 6 vrouwen en 1 meisje in de Zuidervoorstad. Er wordt een uiterst triest beeld geschetst van de stad: totdat eijndelijck geen een der Chineese huijsen meer over en stond, maer alles behalven de zijmueren weggehaeld, en weggebrand was, ook was er geen dier natie op geheel Batavia te vinden, sijnde alle, ofte vermoord, verbrand, verhangen off verdronken. 76 Er moest rijst ingevoerd worden uit andere delen van Java en zelfs uit het buitenland. Om aan de meest dringende behoefte aan verschillende producten te voorzien moedigde de regering andere ingezetenen aan om de bedrijven voort te zetten die aan Chinezen toebehoord hadden. Langzamerhand werden de verschillende pachten weer ingevoerd. Niettegenstaande dat de regering alle Chinezen van medeplichtigheid aan de opstand bleef verdenken, 77 kwam ze tot het besef dat de Chinezen niet gemist konden worden. Na aanvankelijke tegenzin om zich in Batavia te vestigen kwamen de Chinezen weer in grote aantallen de stad bevolken. Blussé eindigt zijn hoofdstuk over het Chinese Batavia met 72 Vermeulen 1938, pag Blussé 1981, pag Vermeulen 1938, pag Van Sandick 1909, pag Vermeulen 1938, pag Vermeulen 1938, pag

17 een conclusie die mijns inziens tot nu toe, in het huidige Indonesia, nog steeds toepasselijk is: the Chinese of Batavia could live with an administrative and institutional sphere kept separate from the cultural one, if they only were properly governed. In their esteem, a good and well-functioning foreign administration deserved loyalty. 78 Blussé denkt dat de ramp in 1740 uiteindelijk een gevolg was van de snelle groei van de stad, waardoor de geïnstitutionaliseerde modus vivendi verstoord werd. 79 Deze historische gebeurtenis is ook in verhalend proza gethematiseerd, zij het pas anderhalve tot twee eeuwen later Kort overzicht van de literatuur Voordat we overgaan op het literair proza waarin sprake is van de Chinezenmoord, vestigen we de aandacht op een zeer bekend gedicht over de Chinezenmoord dat geschreven is door Willem van Haren (1742), hoewel het niet behoort tot de behandelde literatuur en veel eerder is geschreven dan het beginjaartal van ons corpus. Een gedeelte van het gedicht is als bijlage opgenomen in de dissertatie van Vermeulen, evenals een ander gedicht van een anoniem dichter die een tegenovergestelde mening heeft; naar zijn overtuiging waren de Chinezen verraders die hun straf dubbel en dwars verdienden. Van Haren heeft daarentegen geen goed woord over voor de Batavieren die hunnen lust naar moord den ruijmen teugel vieren. Voor de schuldige, die uit geldzucht heeft gehandeld, heeft hij allerlei straffen bedacht: giet gesmolte goudt op t goddeloose lijff! Doorpriemt sijn tong? sijn tong beval dees dolle daaden. Voorts, spit hem aan een paal, en laat de zon hem braaden. 80 Het is opvallend dat hij juist de schuldige Hollander goddeloos noemt, omdat de regering er vlug bij was om na de tragische gebeurtenissen een algemene danken bededag te houden. Tijdens de kerkdienst spraken de Bataviase dominees van het snode verraad der Chinezen dat door Gods voorzienigheid was afgewend. 81 Van Haren noemt geen naam, maar we kunnen aannemen dat hij in ieder geval niet Van Imhoff de schuld geeft, omdat hij juist door deze gouverneur-generaal geïnspireerd was tot het schrijven van het gedicht. 82 Van Haren heeft ook een lofdicht op Van Imhoff geschreven. 83 Johan Hendrik van Balen ( ) schreef een aantal historische romans over gebeurtenissen in de geschiedenis van de Nederlands-Indische kolonie, zoals de verovering van Jacatra, de eerste kruistocht der Nederlanden in de binnenlanden van Java en de oorlog met de Makassaren in 1679, maar de geschiedenis van Suriname is eveneens 78 Blussé 1986, pag Idem. 80 Vermeulen 1938, pag Overigens zullen de twee laatstgenoemde straffen niet ontsproten zijn aan de fantasie van de dichter, want Chinese veroordeelden werden sinds het bestuur van Diederick Durven ( ) werkelijk op die manier gestraft. Gespietst op hoge palen stierven ze een verschrikkelijke dood. Gevonnisten leefden nog dagenlang na geëmpaleerd te zijn. Dros 2001, pag. 477; Blok 2008, pag Volgens Dros 2001, pag. 481 werd de algemene dank- en gebedsdag reeds op 22 oktober 1740 gehouden, volgens Van Sandick 1909, pag. 170 werd er een dank-, boete- en bededag gevierd op 23 november 1740, nadat de regering die op 15 november had verordend. 82 Dros 2001, pag Nieuwenhuys 1978, pag

18 onderwerp van enkele van zijn boeken. Van Balen schreef zowel voor volwassenen als voor de jeugd. 84 Verder schetst D. van der Zee, voormalig secretaris van de gemeente Batavia, in zijn werk De stad van Coen, vertellingen en schetsen uit de geschiedenis van Batavia (1929) een beeld van het oude Batavia. Het is, zo staat op de omslag, een geillustreerd leesboek voor school en huis. Aan de lezers vertelt hij dat Coen dikke vrienden was met een voorname Chinees, Souw Bing Kong. Coen gaat vaak in optocht (beschut tegen de zon door een pajoeng-drager, voorafgegaan door 10 tot 12 hellebaardiers, achter hem zijn kamerdienaar Isacq Strijcker van Wezel, en tot slot 25 musketiers) van het Kasteel naar de hoek van de Prinsenstraat en de Steenhouwersgracht, om bij zijn vriend Bencon thee te drinken. Ook de Chinezenmoord in 1740 wordt hier beschreven en de aanleiding daartoe: te veel Chinezen, velen zonder middel van bestaan, wat een gevoel van onveiligheid veroorzaakte bij de Europese bewoners van de stad. Een tweede roman die bijna geheel gewijd is aan de Chinezenmoord is er een van Simon Franke, Fa, de roman van een Chinese in het oude Batavia (1947). Franke ( ) heeft vele Indische kinderboeken, jeugdromans en romans voor volwassenen op zijn naam staan. In zowel Donkere dagen als Fa wordt aandacht besteed aan de onenigheid die de toenmalige gouverneur-generaal, Adriaan Valckenier, zou hebben met Van Imhoff. Onder andere door het geruzie tussen de twee machthebbers, zouden er verkeerde beslissingen zijn genomen waardoor bijna tienduizend Chinezen in Batavia, zowel mannen als vrouwen en kinderen vermoord werden. Over de aanloop naar de gebeurtenissen in oktober 1740 was al verhaald in een andere roman van Simon Franke, een jaar eerder gepubliceerd dan Fa, namelijk Een stad verrees, roman uit het oude Batavia (1946), die het Batavia tijdens de regering van gouverneur-generaal Joan Maetsuyker als achtergrond heeft. In deze roman spelen een Hong-Tsji en een Jan Willems de hoofdrollen. Beide zijn literaire voorvaders van de gelijknamige personages in Fa De aanloop tot de Chinezenmoord: het beeld van de Chinezen In dit gedeelte zullen enkele romans worden beschouwd die over de gebeurtenissen in 1740 verhalen of ze als achtergrond van het verhaalde gebruiken. De drie romans zijn Donkere dagen (1909) van J.H. van Balen, Een stad verrees (1946) van Simon Franke en, van dezelfde auteur, Fa, de roman van een Chinese in het oude Batavia (1947). Er zal in de bespreking van deze romans meer aandacht worden besteed aan de aanloop tot de gebeurtenissen in oktober 1740 dan aan de Chinezenmoord zelf. Het beeld dat de Europese burgerij in Batavia had van de Chinezen in 1740 en dat ook in deze romans van de Chinezen geschetst wordt, is een belangrijke aanleiding tot de gebeurtenissen Dit toneel van bloed en tranen in Donkere dagen (J.H. van Balen 1909) Luitenant Engelhart is is een nieuwkomer in het Batavia omstreeks Hij is bevriend met Van Norden, wiens oom Raad van Indië is. Deze oom, Hoorenaar genaamd, heeft net een vergadering bijgewoond waarop de rebellie onder de zogenaamde Berg-Chinezen is besproken. Deze zijn in troepen van man onder bevelhebbers verenigd en hebben 84 Marijke Darlang heeft een biografie over Van Balen geschreven, getiteld Weg met alle boeken van J.H. van Balen! (2002). 305

19 reeds geprobeerd een groot aantal wapens te laten maken. Het bericht is door de meerderheid van de vergadering met ongeloof ontvangen. Engelhart wordt door Van Norden over de kwestie van de Chineezen ingelicht. Over de Chinezen heeft Van Norden niets dan goeds te melden. De Chinezenvrees die onder het volk heerst is volgens hem opzettelijk door de regering opgeroepen om er geldelijk voordeel uit te halen. De vrees voor de Chinezen zou een voorwendsel zijn om van hen een vergunningsbriefje te eisen waar betaald voor moet worden, hetgeen een mooie gelegenheid schept voor de ambtenaren om hun zak te spekken. Van Norden karakteriseert de hele ambtenaarswereld als één grote dievenbende. 85 Saïda, de Javaanse slavin van de dochter van het echtpaar Hoorenaar, is verloofd met Djojo. Hij vertelt Saïda de oorlogsstrategie van de Chinezen. Eerst vestigen ze overal posten. Zodra ze sterk genoeg zijn, gaan ze over tot actie: ze overrompelen de buitenposten en dan bestormen ze de stad, terwijl de Chinezen binnen de stad tegelijkertijd beginnen. In zijn versie is dus sprake van een samenzwering tusssen de Chinezen buiten en in de stad. Later wordt Djojo de gemachtigde van de Sultan genoemd, maar reeds in het begin vertelt hij over het plan van ons Hoofd, de sultan, die de Hollanders al lang moe is, maar wacht op een gelegenheid om hen van Java te verdrijven. Eerst wil de sultan zien hoe het de Chinezen vergaat. Als die succes hebben, doen ook de Javanen mee. Djojo waarschuwt Saïda om snel uit het huis van de familie Hoorenaar weg te gaan, niet om mishandelingen uit de weg te gaan van haar meesteres, die haar zeer slecht behandelt, maar omdat de Chinezen alle vrouwen buit maken als het ze lukt de stad te veroveren. 86 De lafhartigheid van de Chinezen is ook in dit boek spreekwoordelijk. Zelfs nadat drie luitenants-chinees de Raad over de opstand hebben bericht, worden zij niet geloofd. Er wordt door de vergadering dan ook besloten geen stappen te ondernemen en niet in het offensief te gaan. Engelharts oom, dokter Nieuwenhuys, laat merken dat hij eraan twijfelt of de Chinezen wel de moed hebben om in opstand te komen, omdat het zo een erbarmelijk laf volkje is. Ambtenaren, kooplieden en officieren leggen daardoor vanzelf een overdreven minachting jegens de Chinezen aan de dag. De algemene opinie over de Chinezen is dat men hen kan mishandelen zoveel men wil zolang zij geld kunnen verdienen. 87 De Chinezen worden vergeleken met wandluizen ze waren toch niet weg te jagen. Als we ze heden allen ophangen, [komen er] morgen weer enige Chinese jonken vol voor Batavia, zegt de fiscaal Filips. 88 De Chinezen worden daarom flink gepest. De lezer is getuige van zo n molestatie, als verscheidene burgerjongelui in dronken toestand hun rijtuig in laten rijden op een aantal kraampjes aan de westerzijde van de Grote Rivier, waar veel Chinezen wonen. Een Chinees wordt daarbij gedood. Het is de man van Tan-tsi, die daarna een belangrijke rol speelt in het boek als overlevende van de Chinezenmoord. Engelharts oom zegt dat het niet het eerste ongeluk van dien aard is. 89 De Hollanders worden pas ongerust als de anders zo lijdzame Chinezen met tergende, brutale uitroepen protesteren tegen de instructie van de overheid om hun 85 Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag

20 winkeltjes en kraampjes te openen. 90 De ongerustheid groeit als de Chinezen het fort bestormen en pas terugdeinzen als de kanonnen hun aantal decimeren. De minachting voor de Chinezen is vooral duidelijk onder de kerkgemeenschap. Als Engelhart naar de kerk gaat om een geldinzameling te houden voor de vrouw van de gedode Chinees, wordt op zijn verzoek met ongeloof en ontstemming gereageerd. t Is maar een Chinees, één meer of minder te Batavia zal weinig hinderen, je doet er verdienstelijk werk mee, om Chineezen naar de andere wereld te helpen, als ik met een gulden uit te geven alle Chineezen opeens naar de andere wereld kon zenden, dan deed ik het vast zijn enkele van de reacties. 91 Van Norden had Engelhart daarvoor al verteld dat de minachting voor de Chinezen onder de burgerij groot is. Ze worden als wezens van een mindere soort beschouwd welke het geoorloofd is op alle manieren te plagen en te mishandelen. 92 De vrouwen beschouwden hen met grotere minachting dan een hond. Zelf vindt Van Norden de Chinezen de nijverste lui, die hier te vinden zijn. De dominees worden scherp getekend in Donkere dagen. Er worden met name twee dominees genoemd, dominee Glaser en dominee Kaapsche. Voor hen heeft Engelhart geen enkel respect. Volgens de Raad van Indië Schinne was dominee Glaser nog een stuk minder godvruchtig dan de Chinezen, want terwijl die slechts Fô 93 dienden, aanbad genoemde dominee drie afgoden de mammon, Bachus en Venus. 94 Het is vooral dominee Glaser die opgewonden heen en weer rent in de nacht voor 9 oktober om rond te bazuinen wat voor kwaads de kinderen Belials (waarmee hij de Chinezen bedoelt) hebben aangericht. We zagen eerder al dat de fiscaal Filips geen hoge dunk had van de Chinezen. Deze persoon wordt meerdere keren genoemd in het verhaal. In een gesprek met Van Imhoff zegt hij te weten dat de wapens voor de Chinezen in doodkisten de stad binnen zijn gesmokkeld en dat het spelen van een wajangspel op de Hoendermarkt het sein zou zijn voor de aanval. Filips is blij dat de Chinezen eerst zijn begonnen met de aanval en dat ze een Balinese sergeant van de Compagnie hebben gedood. Dat is gemakkelijk: de inheemsen zullen terugvechten en dan zijn wij in één slag van dat boevenpak verlost, zegt hij. 95 De fiscaal heeft een wreede lach 96 en grinnikte als een wolf. 97 Niet bepaald een sympathieke figuur dus Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag Fô: Boeddha. 94 Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag Van Balen 1909, pag Van Balen noemt veel figuren die een rol hebben gespeeld in de gebeurtenissen van 1740 bij hun ware naam. Het zou kunnen dat de fiscaal Philips ook bij zijn werkelijke naam genoemd wordt. In het boek van Hoetink over de rechtszaak tegen de kapitein-chinees Ni Hoe Kong komt een advocaat-fiscaal Mr. Cornelis Philips voor. Deze had een zeer belangrijke taak. Hoetink legt uit dat in de middeleeuwen, en blijkbaar later ook nog, een rechtszaak pas op gang kon worden gebracht als er een aanklacht was. Dit werd een gewone rechtsvervolging genoemd. Later was een aanklacht niet meer nodig. Dit werd een buitengewone rechtsvervolging genoemd. Ni Hoe Kong werd berecht volgens de buitengewone rechtsvervolging. Degene die de aanklacht indiende bij een buitengewone rechtsvervolging was de advocaat-fiscaal. De rechter stelde zijn eigen onderzoek in door het verhoren van getuigen in aanwezigheid van de aangeklaagde. Hij had de macht de beklaagde van alles op het lijf te schuiven en te laten bekennen. Als de beklaagde bekend had, eindigde de rechtszaak. Als de beklaagde echter niet bekende, mocht hij gemarteld worden. Indien hij 307

21 In Donkere dagen is sprake van een vijandbeeld van de Chinezen, dat niet alleen door de regering, maar ook door de kerk en de dominees in het leven is geroepen ten eigen voordeel. Dat beeld verslechtert nog in de dagen die voorafgaan aan 9 oktober Allerlei gruwelijke verhalen over Hollanders die aan stukken werden gehakt gaan van mond tot mond. Donkere dagen geeft een aangrijpend beeld van wat er die dag plaatshad. 99 Tan-tsi kan vluchten naar het hospitaal en wordt verder geholpen door Engelhart, die haar meeneemt naar buiten de stad. Engelhart wordt later gevangen genomen en ter dood veroordeeld door de Chinezen en de volgelingen van de Sultan die met de Chinezen meewerken, maar de beide vrouwen die hij eens geholpen heeft, Saïda en Tan-tsi, doen een goed woordje voor hem en zo ontkomt hij aan de doodstraf. Terwijl Djojo de spreekbuis is voor de Javanen, hebben de Chinezen er geen. Zelfs Tantsi, de Chinese vrouw die door Engelhart wordt geholpen als haar man de dood vindt in een ongeluk veroorzaakt door een stel dronken jongelingen, en die hij later uit de belegerde stad leidt, laat niet weten wat haar gevoelens zijn tegenover het volk dat haar landgenoten verdelgd hebben, om maar eens een woord te gebruiken dat Van Balen een Raad van Indië laat bezigen. Er is in ieder geval geen spoor van vijandigheid tegenover de Hollanders of andere volken te bekennen in datgene wat ze zegt. Er wordt van Tantsi s zwager wel een beeld getoond dat geïnterpreteerd zou kunnen worden als typisch Chinees. Als Tan-tsi hem aanspoort om te vluchten, weigert hij omdat hij zijn bezittingen niet wil achterlaten. Is je leven je niet meer waard? vraagt Tan-tsi. Wat is mijn leven waard, als ik arm ben? roept haar zwager. Deze uitlating strookt met het beeld als zou een Chinees niets waardevoller vinden dan geld. Geld zou zelfs belangrijker zijn dan zijn leven. Maar dit kan ook anders uitgelegd worden: in een wereld waar alles te koop is, en waar de Chinees ook alles moet kopen met geld, zelfs zijn eigen veiligheid en zijn leven, is het niet te verwonderen dat hij geld boven alles stelt. Toevallig hebben we het hier over een Chinees, maar we kunnen ons goed voorstellen dat in dergelijke omstandigheden ook andere volken én individuen dezelfde houding zouden aannemen als Tan-tsi s zwager. Engelhart is een rechtschapen figuur. Hij is een soldaat die bevelen moet volgen, maar hij is in staat om onderscheid te maken tussen de Chinese rebellen, die zich door te muiten tot vijand van de Compagnie hebben verklaard, en de Chinezen binnen de stadsmuren, met wie hij sympathiseert. Daarom is hij totaal ontstemd als hij hoort dat de Chinezen die in de gevangenis zaten en in het ziekenhuis lagen, op last van de gouverneur-generaal vermoord zijn. Hè, als ik een Chinees was! verzucht hij. Nooit, niettegenstaande de martelingen zijn schuld nog ontkende, kon men gebruik maken van een van de vier volgende mogelijkheden: er kon verzocht worden om hem strenger te ondervragen, d.w.z. de martelingen te verergeren, de rechter kon de zaak als afgelopen beschouwen en de beklaagde de vrijheid teruggeven, de rechter kon bij ontkenning door de beklaagde de reeds geleverde bewijzen als voldoende beschouwen en de beklaagde een lichte straf geven, of de zaak kon veranderd worden in een civiele rechtszaak. Omdat Ni Hoe Kong ontkende, liet de advocaat-fiscaal hem martelen. De martelingen die toegepast werden op Ni Hoe Kong zijn beschreven in de verslagen over de correspondentie hieromtrent. Hoetink 2007, pag en Van Balen 1909, pag

22 nooit zou ik hun dat vergeven. Mijn leven zou ik er aan wijden, om ze uit den archipel te verjagen! Bah, wat een zootje! En zoo n regeering moet ik dienen! 100 We kunnen ons afvragen hoe het komt dat Van Balen zo kritisch stond tegenover de koloniale regering en zo mild dacht over de Chinezen. Toen Van Balen Donkere dagen schreef, was het acht jaar geleden dat koningin Wilhelmina de ethische politiek als koloniaal beleid aankondigde en negen jaar geleden dat de Tiong Hoa Hwe Koan werd gesticht, een vereniging die de Chinezen hadden opgericht om hun chineesheid te bekrachtigen en te protesteren tegen hun achterstelling door de koloniale regering. Het passenstelsel en het wijkenstelsel waren nog van kracht, wat de bewegingsvrijheid van de Chinezen sterk belemmerde, en hun kinderen konden geen onderwijs volgen. Misschien zag Van Balen het redelijke in van hun protesten en sympathiseerde hij met ze. Van Balen ging zelfs in tegen de houding van de Europeanen tegenover de Chinezen, door een van zijn helden, Van Norden, te laten zeggen dat hier omtrent die Chineezen een zonderling onredelijke meening heerscht Leven en lieven in het oude Batavia in Een stad verrees (Simon Franke 1946) Het Batavia dat de hoofdrol speelt in deze roman is het Batavia in de tijd van Joan Maetsuyker, die van 1653 tot 1678 gouverneur-generaal was. In de tijd dat de roman verscheen, had Indonesië zichzelf reeds uitgeroepen als vrije staat. In de ogen van de Indonesiërs was Indië niet meer. Batavia was Djakarta geworden. We kunnen ons voorstellen dat Een stad verrees was geschreven om oude sentimenten te doen herleven, om daar werd wat groots verricht -gevoelens op te rakelen en misschien om gemiste kansen te laten zien. Zoals het vroeger was, daarvan wil Simon Franke in Een stad verrees een beeld geven. Daarvan getuigt ook het slot van de roman, waarin over Jan Willems, een van de twee hoofdpersonages in de roman, wordt verteld: Hij werkte in een tijd, dat mannen met schitterende namen de macht van de republiek verstevigden in hun functie van koopman en krijgsoverste, admiraal en staatsman. Hun namen staan met gulden letteren geboekstaafd en het nageslacht gedenkt hen met ere, zonder nochtans hun fouten uit het oog te verliezen. Zij hebben Batavia uit zijn moerassen doen oprijzen en de macht van de Compagnie tot het toppunt opgevoerd. Speelman en van Goens hebben gestreden en onderhandeld, poorten ontsloten en nieuwe wegen gevonden. De Heer Maetsuyker heeft voorzichtig en beleidvol de teugels gevoerd. Hun werk doet zich op aan een ieder die ogen heeft om te zien en oren om te horen. 101 De verschillende bevolkingsgroepen in Batavia worden al aan het begin van de roman ten tonele gevoerd. De stad is een wirwar van Hollanders en Chinezen, Javanen en Mooren, Klingen en Bantammers, Jacatranen en Baliërs. 102 De kinderen van het land nemen echter geen deel aan het drukke leven, het was, of dat alles langs hen heenging. Ze leidden hun eigen leven, zoals ze dat sinds mensenheugenis gedaan hadden. Er waren benden, die zich ophielden in de rimboe buiten de kampongs. Ze leefden van moord en roof, deze gedroste slaven, rovers en amokmakers en ook ijveraars, wien de stenen 100 Van Balen 1909, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag

23 stad een doorn in het oog was. 103 En dan waren er ook nog de vorsten van Mataram in hun geheimzinnige kraton, die de gedachte aan de blijvende aanwezigheid van de blanken moeilijk konden verkroppen. De eerste keer dat de Chinezen worden genoemd, worden ze opgevoerd als bouwers van Batavia, die de stad een eigen gezicht hebben gegeven. Maar er zijn ook bamichinezen die op een sukkeldrafje door de straten en over de pleinen lopen, hun komst aankondigend met hun eentonige roep, en schamele Chinezen, hun koeien voor zich uitdrijvend. Onder de welvarender bamichinezen, die hun bami niet rondventen maar een eigen zaak hebben en zelfs slaven om hen te helpen, is Hong-tsji. Hij houdt niet alleen een eethuis, hij is ook geldschieter, reder en aannemer. In die laatste hoedanigheid is hij een huis aan het bouwen aan de Tijgersgracht voor Rijcklof van Goens. 104 Hong-tsji is geen Chinees officier, maar hij staat op vertrouwelijke voet met de kapitein-chinees, Siqua, die eveneens aan de Tijgersgracht woont. Hong-Tsji is nog te kort in Batavia om benoemd te worden tot officier. Alleen rijke Chinezen kunnen kapitein worden: een zekere notaris Hansom, die geldzaken voor de Chinezen beheert, weet precies hoeveel Siqua heeft betaald voor zijn benoeming. 105 Hong-Tsji s verhaal is dat van vele geslaagde Chinese zakenlieden. Zonder een cent op zak werd hij door een jonkenschipper clandestien op een van de eilanden in de baai afgezet, waarna hij zelf zijn weg vond naar de stad. Door hard werken slaagde de slimme, ijverige, ondernemende 106 Hong-Tsji erin na een paar jaar zijn schuld aan de schipper af te lossen en vervolgens fortuin te maken. Daarna blijft het hem zo te zien voor de wind gaan. Hong-Tsji is sluw, 107 heeft scheve oogjes, 108 is snugger 109 en kan goed onderhandelen, bijvoorbeeld over de prijs van zijn slavin Rada, en nadat hij Rada voor een hoge prijs verkocht heeft aan Jan Willems, slaagt hij er ook nog in Jan Willems een huisje te verhuren waarin deze Rada kan huisvesten. Hij steekt veel kapitaal in de bouw van Batavia en belegt in gronden en percelen. Daarover heeft hij lange besprekingen met notaris Hansom. De Hollandse maatschappij wordt vertegenwoordigd door de nieuwkomer Jan Willems, die in Batavia pennist wordt, 110 en door Verbeek en zijn vrouw Cato. Jan Willems was niet uit eigen beweging naar Batavia gegaan, hij was het slachtoffer van een ronselaar en bevond zich in dronken toestand toen zijn hand werd geleid over het stuk papier dat hij ondertekende. Voordat hij het wist stond hij op een schip dat hem naar Batavia bracht, samen met andere Hollanders, Vlamingen, Duitsers en Fransen. Ze worden in Batavia ontvangen door gouverneur-generaal Maetsuyker, die door de verteller wordt geloofd en geprezen. Als Willems in de stad rondloopt ziet hij meteen aan de huizen dat Batavia door Chinezen is gebouwd. Maar het stoort hem niet, hij had het gevoel, dat deze huizen wonderwel in deze wereld, zoals hij die binnen de nauwe wallen aantrof, pasten. 111 Verbeek en zijn veel jongere vrouw Cato wonen in een huis dat 103 Franke 1946, pag Rijcklof van Goens zou Maetsuyker opvolgen als gouverneur-generaal. Terwijl Maetsuyker vijfentwintig jaar had gediend, was Rijcklof van Goens slechts vier jaar lang landvoogd. 105 Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Pennist: klerk, Compagniesambtenaar. 111 Franke 1946, pag

24 eigendom is van Hong-Tsji. Verbeek spoort Jan Willem aan om ook in een beetje peper en wat nageltjes en misschien wat nootjes te doen. 112 Op die manier doet iedereen zaken, van hoog tot laag, ambteloos burger en Compagniesdienaar, zelfs notaris Hansom blijft niet achter. 113 Ze blijven in Batavia totdat de kous vol is, zoals Verbeek het uitdrukt. 114 De kapitein-chinees, Siqua, is een machtig man. Hij regeert over alle Chinezen, die voor hem een heilig ontzag hebben want hij beschikt over het blok en ook over de geldbuidel. 115 Hij weet veel geld uit de hoofdbriefjes te halen en staat altijd klaar om de Compagnie van werkkrachten te voorzien. Hij onderhoudt betrekkingen met mensen, die de Compagnie moeilijk of niet bereiken kan en hij kent de weg in de binnenlanden. Hij heeft zitting in de schepenbank en staat op goede voet met de fiscaal. Grachten graven doet hij even goed als schepen uitrusten, suiker verbouwen, arak branden en porselein verhandelen. Kortom, hij is van alle markten thuis en overal heeft hij de hand in. 116 Er is alleen één persoon die machtiger is dan hij, en dat is zijn Balinese vrouw. Hij betekent niets zonder haar. De niets ontziende geldverdiener leest zijn wegen af uit de koolzwarte ogen van zijn vrouw en haar kussen zijn het, die hem ontwerpen inbranden, zegt de verteller. 117 De Chinezen, Franke noemt ze de gele broeders, kijken op haar neer, want in hun ogen is zij niet meer dan een bijzit. Ook Rada, de slavin van Hong-Tsji is een Balinese. De verteller laat niet na, telkens als hij het over Rada heeft, er de nadruk op te leggen dat ze met veel tegenzin voor Hong- Tsji werkt en gelaten haar lot ondergaat. Maar Hong-Tsji lijkt een goede baas te zijn, hoewel Rada daarvoor wel iets moet terugdoen. Hij laat Rada de fooien behouden en op de dag van de grote optrek, als alle bevolkingsgroepen apart voor het kasteel marcheren, geeft hij haar vrijaf. Dan zit ze met Jan Willems op het gras en praat met hem je vraagt je af of zoiets wel toelaatbaar was in die dagen en inderdaad, als de patrouille voorbijkomt kijken de mannen argwanend naar het paar. 118 Een en ander doet Jan Willems besluiten Rada vrij te kopen van Hong-Tsji. Hij heeft daar veel voor over. Uiteindelijk betaalt Jan Willems veel te veel Spaanse matten voor het meisje. Het huisje waar hij Rada in huisvest, in een kampong dicht onder de wallen, huurt hij van Hong-Tsji. 119 Rada zegt dat zij hem liefheeft, anders dan Hong-Tsji, die zij verafschuwt om zijn vette gezicht en zijn lange nagels. 120 Zij zal Jan Willems later verlaten omdat ze zich wil geven aan Soerapati, die in dienst van de Compagnie aan het hoofd van zijn landslieden is geplaatst maar door de verteller een opstandige slaaf genoemd wordt die liever de Ommelanden onveilig maakt met zijn bandeloze troepen, alles verwoestend wat de nijverige Chinezen gemaakt hebben. 121 Niet alleen hun gemeenschappelijke interesse voor Rada bindt Jan Willems en Hong-Tsji aan elkaar. Ze drijven later ook samen handel en Jan Willems luistert naar wat Hong-Tsji op dat gebied te zeggen heeft. Als de dienst van Jan Willems erop zit, keert hij 112 Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag

25 niet terug naar patria, maar beslist hij een suikermolen te bouwen, mede omdat Hong-Tsji positief staat tegenover dit plan. Hong-Tsji is de aannemer van de bouw, Abraham de Mendoza, mardijker van Portugese afkomst wier zoon als Compagniesdienaar onder Jan Willems heeft gediend, zal de molen drijven en ook notaris Hansom steekt er geld in. In deze roman verwijst Franke alvast vooruit naar de gebeurtenissen in 1740 en geeft hij aan welke de aanleiding daartoe was. De Europese ambachtslieden kunnen het werk niet af. Naast hen staan de Chinezen, die de troffel hanteren en de zaag door het hout jagen. De Chinese werkman is taai en volhardend. Hij weet niet van moe worden en zijn vakmanschap is af. Zie toch, hoe hij sjouwt en ploetert; het zweet stroomt hem van de rug. [...] Er zijn zeer veel Chinezen in en om Batavia. Ze worden aangetrokken als muggen door een brandende kaars. De regering weet soms niet, wat ze met al die mensen moet beginnen. Ze zijn nuttige, nijvere burgers, maar hun aantal moet niet te groot worden. Er is veel negotie en werk in de stad, en velen kunnen daar een bestaan bij vinden, maar er is een grens. 122 De benden van Soerapati hebben plaats gemaakt voor de drommen Chinezen die van overal met honderden naar Batavia komen en de Ommelanden onveilig maken. Van overal komen ze aangestroomd, de zonen van het Hemelse rijk; uit het Bantamse, uit Tjeribon, uit Mataram. De Chinese jonkenschippers voeren ze bovendien bij honderden aan. Ze zwerven rond, in en om de stad, en maken de omstreken onveilig. Ook doen ze de burgerij concurrentie aan. Ze hebben weinig behoeften en de vaste wil om er te komen. Allen willen ze slagen en velen weten zich in te dringen. Ze zijn slim en handig; ongelooflijk vindingrijk, werkzaam en volhardend. Maar de burgerij ziet hen soms met schele ogen aan. 123 Frankes verteller maakt een opsomming van wat Chinezen allemaal doen in Batavia en hoe zij zich nuttig maken. Ze zijn handige herbergiers, tappers 124 en groentekwekers 125 en venten behalve lapjes stof ook vruchten: mooie mangga en zuurzak en ramboetan. 126 We hebben daarstraks al gezien dat ze vakkundige metselaars en timmermannen zijn. Hong-Tsji sterft als slachtoffer aan de rotkoortsen (tyfus). 127 Hij krijgt een indrukwekkende begrafenis, waarop veel mensen komen die groot misbaar maken. Ook als ze al dood zijn, zijn Chinezen nog rijk en praten de mensen over hun rijkdom: Zie toch, hoeveel belangstelling men heeft voor den doden Hong-Tsji, die bij zijn leven zoveel geld verdiend heeft en zo velerlei zaken deed. 128 Het wordt een lange, lawaaiige stoet, die door de straten van de stad kronkelt op weg naar de stad van de witte graven. Hoor, hoe de huilebalken jammeren, 129 de ratels 122 Franke 1946, pag Idem. 124 Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag Rotkoorts: tyfus. 128 Franke 1946, pag De huilebalken zijn ingehuurde vrouwen die de taak hadden luidskeels te huilen, hoe luider hoe beter, want dat toonde aan hoe belangrijk de gestorvene was. 312

26 ratelen, de kleppers klapperen, de bekkens klinken en de trommels roffelen. 130 Er is veel bekijks voor de begrafenis van Hong-Tsji. Velen willen getuige zijn van de vertoningen, die hierbij te zien zullen zijn. Hong-Tsji was een belangrijk man, er zullen twee voorvechters voor de stoet tandakken, 131 geschilderde ogen op het voorhoofd en het zwaard in de hand, als een levende herinnering aan de dagen van Coen, toen de Chinezen de Compagnie, met de wapens in de vuist soms, terzijde stonden. 132 Een reusachtige papieren zevenkoppige draak wordt in de stoet meegedragen, de zeven bekken klappen onophoudelijk open en dicht. Alleen de staart al moet door zeven mannen gedragen worden. De mannen van de schepen hebben er plezier om. Ze slaan zich op de dijen van de pret, maar de heren van de kerkeraad keuren deze afgoderij niet goed. Het komt niet te pas, in een calvinistische stad zulke buitensporigheden te bedrijven. 133 De zevenkoppige draak Franke 1946, pag Tandakken: dansen. 132 Franke 1946, pag Franke 1946, pag Franke 1946, pag