Hoofdstuk 1 Schaarste en ruil 1.1 a. 1. Voorbeelden van infrastructurele voorzieningen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Hoofdstuk 1 Schaarste en ruil 1.1 a. 1. Voorbeelden van infrastructurele voorzieningen"

Transcriptie

1 Hoofdstuk 1 Schaarste en ruil 1.1 a. 1. Voorbeelden van infrastructurele voorzieningen 2. Voorbeelden van gebruikte vervoermiddelen 3. Voorbeelden van energie voor vervoermiddelen 4. Voorbeelden van gebruikte ruwe grondstoffen wegen auto s benzine ijzererts luchthavens vliegtuigen kerosine rubber rails treinen elektriciteit bauxiet kanalen schepen diesel bomen fietspaden fietsen steenkool b. Navigatieapparatuur, diensten van reisbureaus, diensten van de ANWB, autoverzekeringen, reisverzekeringen, garagebedrijven, enz. c. Producten kunnen in kortere tijd worden vervoerd waardoor de transportafdeling minder personeel nodig heeft bij eenzelfde aantal producten. d. De arbeidsproductiviteit zal afnemen. De werknemers hebben meer tijd nodig om de producten te vervoeren. Een werknemer kan per uur minder vervoeren. 1.2 a. Verder weg wonen van het werk en de school. Eerder een reis boeken naar verre landen, zoals Japan. Groente niet meer in eigen land geteeld maar geïmporteerd uit verre landen. Bijvoorbeeld snijbonen uit Marokko. b. De trein, metro, tram en bus. 1.3 Ze offert het gemak van het openbaar vervoer op, zoals geen files, lezen in de trein, veiliger reizen, enz. 1.4 a. Ja, behalve zonlicht. b. Bij helder beekwater hoeft er niks opgeofferd te worden om het te kunnen drinken. Rivierwater moet eerst drinkbaar gemaakt worden met waterzuiveringsinstallaties. 1.5 Door arbeidsdeling en specialisatie kunnen mensen steeds vaardiger worden. Ze kunnen daardoor meer producten per uur produceren waardoor de arbeidsproductiviteit stijgt.

2 1.6 Het is niet gemakkelijk om iemand te vinden die jouw product wil hebben en zelf het product heeft dat jij wil hebben. Het kan lastig zijn de ruilwaarde vast te stellen. Producten kunnen bederfelijk zijn. Sommige producten zijn moeilijk deelbaar. Producten kunnen groot en moeilijk te vervoeren zijn ploeg = 50/0,25 = 200 kg graan. 1.8 a. De zoektijd is korter, omdat niet iemand gezocht hoeft te worden met een tekort dat aansluit bij jouw overschot. b. Als de waarde van alle producten wordt uitgedrukt in geld zijn de prijzen makkelijker te vergelijken en kost het minder tijd om te ruilen. c. Zoektijd naar een geschikte auto. (Laten) onderzoeken of de auto gebreken heeft. Als na de ruil verborgen gebreken aan het licht komen, schade claimen. 1.9 a. Ruilmiddel. b. Rekenmiddel. c. Ruilmiddel. d. Spaarmiddel. e. Rekenmiddel a. Kamers schilderen in ruil voor bijles economie. Elkaars planten verzorgen in de vakantie. b. Kleiner. De markteconomie heeft zich steeds verder ontwikkeld. Reparaties die vroeger vaak zelf werden gedaan, worden nu via de markt afgewikkeld. c. Groter. De markteconomie is in de ontwikkelingslanden minder ver ontwikkeld dan in de rijke landen. Er is vaak nog een hoge mate van zelfvoorziening en directe ruil, vooral op het platteland De niet geregistreerde productie is 15% van de werkelijke productie (= geregistreerde + niet geregistreerde productie) en bedraagt 68,6 miljard. De feitelijke productie bedraagt dan 68,6/ = 457,33 miljard. De geregistreerde productie = feitelijke productie niet geregistreerde productie = 457,33 68,6 = 388,73 miljard. Of: geregistreerde productie = 68,6 miljard/15 85 = 388,73 miljard.

3 Hoofdstuk 2 Ruiltransacties en welvaart 2.1 a b Maatschappelijke baten zijn bijvoorbeeld een betere bereikbaarheid, economische aantrekkelijkheid van de regio. Deze baten zijn moeilijk te voorspellen en lastig in geld uit te drukken waardoor je niet nauwkeurig kunt uitrekenen wat de voordelen van de aanleg van de Zuiderzeelijn zijn. 2.3 a. De welvaart kan maximaal 50 zijn. Bij punt X is de welvaart van Ans 40 en van Bob 10. Als de welvaart van Bob wordt verhoogd, zal dit ten koste gaan van de welvaart van Ans. En omgekeerd kan de welvaart van Ans niet toenemen zonder die van Bob af te laten nemen. Punt X is dus Pareto-efficiënt. b. Zie figuur. Van (0,50) naar (50,0). Elk punt op de lijn geeft een combinatie waarvoor geldt dat de welvaart maximaal is. De welvaart van de een kan niet stijgen zonder de welvaart van de ander aan te tasten. c. De welvaart van Bob kan toenemen van 20 tot 35 zonder dat de welvaart van Ans afneemt. 2.4 a. Zie figuur. D heeft de coördinaten (0,50). b. Nivellering. In punt X is de verdeling Ans: Bob (40:10). In punt Y is die verdeling (25:25). De welvaartsverschillen worden in verhouding minder groot. De verdeling wordt genivelleerd (minder scheef, gelijker).

4 2.5 Volgens welvaartseconomen neemt de welvaart alleen toe als er een ruiltransactie plaatsvindt. Marleen ruilt echter niets, maar haar welvaart is toegenomen omdat ze nu groente kan eten. Bovendien is de groente van Marleen onbespoten, waardoor er geen bodemverontreiniging plaatsvindt. En onbespoten groente is gezonder. 2.6 Tim heeft meer te besteden dan Frits. Hij heeft een groter budget. Tim heeft een grotere behoefte om naar Barcelona te reizen. Hij heeft een grotere voorkeur voor deze reis. Enzovoort. 2.7 Producentensurplus = = a/b/c/d Betalingsbereidheid en consumentensurplus bij verschillende prijzen potentiële klanten betalingsbereidheid consumentensurplus als P = 18 als P = 14 prijsdaling van 4 (naar 14) mutatie van het consumentensurplus prijsstijging van 4 (naar 22) J. Jansen J. Cheng P. Dungen Alice Karel totaal

5 e. Zie figuur. 2.9 a. Zie tabel bij 2.8, kolom helemaal rechts. b. Jansen en Cheng blijven klant. Hun surplus neemt af met 2 4 = 8. Verder valt P. Dungen af als klant. Zijn surplus van 2 verdwijnt. In totaal verdwijnt er 10 consumentensurplus. Dus 80% van de surplusvermindering komt van blijvende klanten en 20% door het wegvallen van een klant a. Minitax heeft een zuiniger auto en daardoor lagere brandstofkosten. Minitax betaalt de chauffeurs een lager uurloon. b/c. producentensurplus aanbieders leveringsbereidheid bij P = 23 bij P = 17 taxi Henk Regiotax Taxmax firma Karel Minitax totaal 22 6

6 d. Het totale producentsurplus daalt met 22 6 = 16. Daarvan is de surplusdaling bij de aanbieders die blijven: Firma Karel en Minitax = 2 6 = 12. En de surplusdaling doordat aanbieders zich terugtrekken: Regiotax en Taxmax = = 4. e. Een prijsdaling leidt tot een toename van het consumentensurplus en een afname van het producentensurplus a. Afschrijving van de bestelbus, verzekeringen, wegenbelasting,, chauffeurskosten. b. Als er geen constante kosten zijn. Alle kosten zijn dan variabel. Het surplus is het bedrag nadat de variabele kosten zijn betaald Veel vragers en veel aanbieders. Homogeen product. Vrije toe- en uittreding. Markt is transparant (doorzichtig) a. b. Vanaf 50. Dat is het snijpunt van de vraaglijn met de verticale as. De grafiek laat zien dat er vanaf deze prijs geen vraag is. Er is dus geen enkele vrager bereid 50 of meer te betalen.

7 2.14 a/b. c/d/e. f. Het consumentensurplus neemt af. Voor klanten die blijven, neemt het surplus af met = 15. Daarnaast zal een aantal klanten afhaken, waardoor het surplus afneemt.

8 2.15 a. g. Zie figuur. h. P = 20 prijs ( 20) > betalingsbereidheid ( 15) Volkan neemt geen taxi. P = 10 prijs ( 10) < betalingsbereidheid ( 15) Volkan neemt wel een taxi. b. Beneden een prijs van 5,01. Bij 5 snijdt de aanbodlijn de verticale as. Dit houdt in dat bij 5 en lager het aanbod nul is.

9 2.16 a/b. c/d/f. e. 8 4 = 4 ( ) = taxiritten. g. Als P = 15 prijs < leveringsbereidheid ( 20) Taxmax biedt niet aan. Als P = 25 prijs > leveringsbereidheid ( 20) Taxmax biedt wel aan.

10 2.17 a/b. c. TO = P q = = a. ½ = 9 miljoen. b. ½ = 4,5 miljoen De transactiekosten zijn laag. Kopers en verkopers hoeven alleen op de prijs te letten omdat bij volledige mededinging het product, de taxirit, homogeen is. Bij monopolistische concurrentie zijn er verschillen waardoor de koper (zoek)tijd kwijt is met het vergelijken van de verschillende aanbieders a. De marktprijs is 20 en Bob wil maar 15 betalen. Geen enkele taxi zal hem voor 15 vervoeren. Bob moet dus zijn betalingsbereidheid vergroten naar 20. b. Nee. Het consumentensurplus van Ans blijft = 10. Bob betaalt een prijs die gelijk is aan zijn betalingsbereidheid. Hij heeft bij deze transactie een consumentensurplus van = 0. Het totale consumentensurplus verandert dus niet a. Charles leveringsbereidheid ligt boven de evenwichtsprijs. Hij biedt daarom geen taxiritten aan bij de evenwichtsprijs. b. Het surplus van Denise vervalt (-10) en het surplus van Charles is -5 het totale producentensurplus neemt af met 15.

11 2.22 De aanbodlijn snijdt de verticale as bij 5. Er is pas aanbod bij een uurloon boven a. 0,2L 2 = -0,2L + 6 0,4L = 8 L = 20 dus het evenwichtsloon is b. Zie figuur. c. Zie figuur. d = 10 dus e. Totale surplus = werkgeverssurplus + werknemerssurplus = 0,5 2 (30 20) + 0,5 2 (20 10) = = 20 miljard. Of: 0,5 2 (30 10) = 20 miljard a. Ja. Bij een prijs van 25 is de gevraagde hoeveelheid naar kaartjes Qv = = Er zijn maar kaartjes in de vrije verkoop. Die kunnen dus allemaal verkocht worden. b. Ja. Als Qv = 0 dan geldt: 0 = -50P P = 100. De maximale betalingsbereidheid voor een kaartje is bijna 100, terwijl de voorgestelde prijs slechts 25 is. Er zijn veel vragers bereid meer dan 25 te betalen voor een kaartje. c. Er zijn maximaal toegangskaartjes in de vrije verkoop = -50P P = P = 30. d. Lijn b2. Als gevolg van de live-uitzending van de wedstrijd zal bij iedere prijs de bereidheid van de consument om een kaartje te kopen kleiner worden, waardoor de vraaglijn naar links is verschoven.

12 Hoofdstuk 3 Marktverstoringen door overheidsingrijpen 3.1 a/b. Zie figuur. c. CS = PS = ½ 16 miljoen 0,08 = d. Zie figuur. e. De vragers. De overheid vindt de marktprijs te hoog voor reizigers en komt de vragers tegemoet door een lagere (maximum)prijs vast te stellen. f. 10 miljoen rkm. Het snijpunt van Pmax en de aanbodlijn. g. Aanbodtekort. Bij een prijs van 10 cent is Qa (10 miljoen rkm) kleiner dan Qv (22 miljoen rkm). h. CS = ½ 10 miljoen 0, miljoen 0,06 = i. PS = ½ 10 miljoen 0,05 = j. Totale surplus was = Totale surplus bij maximumprijs is = Het totale surplus is gedaald met =

13 3.2 a. Zie de vette horizontale lijn ter hoogte van 15. b. Bij P = 15 is Qa = 4. Er worden bij de maximumprijs = taxiritten gereden. c. Zie figuur: (////). Rechthoek met de coördinaten (0,15), (4,15), (4,20)en (0,20). d = 2 miljoen. e. Zie figuur: (\\\\). Driehoek met de coördinaten (4,15), (6,20) en (4,30). f. ½ = 1,5 miljoen. g. Sommige vragers zijn bereid meer te betalen dan de maximumprijs. Deze vragers zullen proberen een taxirit te bemachtigen, door buiten de overheidsregels om, een hogere prijs te betalen. h. De overheid kan zelf taxiritten aanbieden. Taxibedrijven subsidiëren, zodat ze bereid zijn tegen 15 te rijden.

14 3.3 a. De omzet in het evenwicht = 150 x 150 miljoen = miljoen (= 22,5 mld). b. Zie figuur. c. Zie figuur. d. Consumenten betalen meer voor het product ( 180) dan de evenwichtsprijs ( 150). e. Er ontstaat een aanbodoverschot. Bij de minimumprijs van 180 is het aanbod groter dan de vraag. f. Als P = 180 Qa = = 210 miljoen ton en Qv = = 90 miljoen ton. Het aanbodoverschot = Qa Qv = = 120 miljoen ton graan.

15 g/h. Zie figuur.

16 i. Zie figuur. j miljoen = miljoen (= 21,6 miljard).

17 k/l. Zie figuur. m. Maximaal 90 miljoen ton. Dat is Qv bij de minimumprijs van 180. n. (90 210) / % = -57,1%. De productie moet met 57,1% worden ingekrompen. 3.4 Dankzij de inkomenssteun kunnen de boeren hun producten aanbieden onder de kostprijs. Dit wordt door niet EU-landen gezien als oneerlijke concurrentie. 3.5 a. Het evenwichtsloon is (zie figuur). Bij het evenwichtsloon is de vraag naar arbeidskrachten: Qv = -0, = personen. Qvminimumloon = -0, = personen. De werkgelegenheid neemt af met = personen. b. Qa = 0,3 20 1,5 = 4, personen. Qv = -0, = personen. Werkloosheid is Qa Qv = = personen.

18 c/d. e. Aan de ene kant is een minimumloon nodig voor een menswaardig bestaan. Aan de andere kant leidt invoering van een minimumloon tot verlies van werkgelegenheid. Een aantal werknemers en werkgevers verdient daardoor geen surplus waardoor de welvaart afneemt. 3.6 a. Directe belasting: inkomstenbelasting/loonheffing. Naarmate je meer verdient betaal je in verhouding meer belasting. Indirecte belasting: btw. Lagere inkomens besteden een groter gedeelte van hun inkomen aan eerste levensbehoeften dan hogere inkomens. Over die producten betalen ze het lage tarief (6%). b. Subsidie op woningisolatie, waardoor minder energie verloren gaat en het milieu gespaard wordt. Subsidie op de aanschaf van een fiets voor woon-werkverkeer. Gaat filevorming en milieuvervuiling tegen. 3.7 toename afname consumentensurplus A + B producentensurplus D + C overheidsinkomsten A + D verandering van het totale surplus B + C

19 3.8 a. Van aanbodfunctie naar marginale kostenfunctie: Qa = 0,4P 2-0,4P = -Qa 2 0,4P = Qa + 2 P = Qa/0,4 + 2/0,4 P = 2,5q + 5. Een ondernemer is pas bereid te leveren als hij zijn marginale kosten terugverdient. Dat betekent dat de MK-lijn samenvalt met de aanbodlijn, dus MK = 2,5q + 5. b. De heffing van 15 leidt tot een verhoging van de marginale kosten met 15. De MK-functie wordt MK = 2,5Q MK = 2,5Q Van marginale kostenfunctie gaan we weer terug naar de aanbodfunctie: 2,5Qa = P 20 Qa = 0,4P 8. Of: bij invoering van de heffing moet in de oude aanbodfunctie P vervangen worden door (P heffing) dus (P 15): Qa = 0,4P 2 wordt dan Qa = 0,4(P 15) 2 Qa = 0,4P 6 2 Qa = 0,4P 8. c. Zie figuur, de gestreepte diagonale stijgende lijn. Deze nieuwe aanbodlijn verschuift met de heffing van 15 naar boven. d. Zie de Harberger-driehoek in de figuur. e. ½ = 1,5 miljoen. f. Vraag en aanbod snijden elkaar bij taxiritten. Elke rit levert 15 op. Totale opbrengst van de heffing = = g. De taxiritprijs is gestegen van 20 naar 30. De consument betaalt dus 10 van de heffing. Dat is 10/15 100% = 66,7% van de heffing.

20 3.9 a. Bij een prijsinelastische vraag. Het aantal vragers neemt bij een prijsstijging (door het doorberekenen van een heffing) relatief minder af dan bij een prijselastische vraag. De heffing kan daardoor voor een groter deel worden afgewenteld op de consument. b. De heffing wordt volledig doorberekend: 100% a. Qa = Qv 2P 5,5 = -P P = 40,5 P = 13,5 dus P = 13,50. Qa = 2 13,5 5,5 = 21,5 miljoen flessen en Qv = -13, = 21,5 miljoen flessen. b. Zie figuur. c. Van aanbodfunctie naar marginale kostenfunctie: Qa = 2P 5,5 2P = Qa + 5,5 P = MK = 0,5Qa + 2,75. De heffing betekent een verhoging van de marginale kosten: de MK-functie wordt MK = 0,5Qa + 2,75 + 2,25 MK = 0,5Qa + 5. Van marginale kostenfunctie gaan we weer terug naar de aanbodfunctie: P = 0,5Qa + 5 0,5Qa = P 5 Qa = 2P 10. Of: In de aanbodfunctie P vervangen door (P heffing) dus (P 2,25): Qa = 2(P 2,25) 5,5 Qa = 2P 4,5 5,5 Qa = 2P 10. d/e. Zie figuur.

21 3.11 a. Naar links. Het besteedbaar inkomen daalt bij elk loon. Het is dus minder aantrekkelijk om te werken. b. Zie figuur. c. Zie figuur a. Producten met een prijsinelastische vraag. Bij producten met een prijsinelastische vraag neemt de gevraagde en aangeboden hoeveelheid relatief minder af dan bij producten met een prijselastische vraag. b. Huizenbezitters moeten maandelijks rente en aflossing betalen voor hun hypotheek. Door de hypotheekrenteaftrek betalen ze minder inkomstenbelasting. Ze houden netto meer over en kunnen dus meer betalen voor hun hypotheek. Hierdoor neemt de vraag naar huizen en hypotheken toe. Door de grotere vraag stijgen de prijzen van de huizen en wordt er meer betaald voor een huis dan het eigenlijk waard is. De huizenmarkt is hierdoor verstoord toename afname consumentensurplus c + d + e producentensurplus a + b overheidsinkomsten a + b + c + d + e + f verandering van het totale surplus f

22 3.14 a. Qa = Qv 15P = -10P P = P = 480 Q = = zonnepanelen. b. Zie figuur. c. De producent laat zijn gedrag nu niet meer bepalen door P, maar door (P+subsidie). In de nieuwe aanbodfunctie wordt P vervangen door (P + 100). Qa = 15(P+100) 3000 Qa = 15P Qa = 15P d. 15P = -10P P = P = 420 Q = = zonnepanelen. e. Zie figuur. f. Zie figuur.

23 3.15 a. De vangst van kabeljauw zal op zeker moment niet meer rendabel zijn vanwege hoge kosten bij geringe vangst of geringe vraag bij hoge consumentenprijs waardoor de vissers op zoek zullen gaan naar andere vissoorten die dan ook overbevist zullen raken. b. De accijns leidt tot hogere kosten die voor een deel worden afgewenteld op de consument. De daaruit voortvloeiende hogere marktprijs overtreft de betalingsbereidheid van een deel van de consumenten zodat er vraaguitval ontstaat en er minder vis gevangen hoeft te worden. c. Qa = 2P 2 2P = Qa + 2 P = 0,5Qa + 1. Uit de figuur is af te leiden dat de accijns 1 bedraagt, want de aanbodlijn verschuift met 1 omhoog. Door de accijnsverhoging wordt P = 0,5Qa + 1 P = 0,5Qa P = 0,5Qa + 2. Herschrijven: 0,5Qa = P 2 Qa = 2P 4, dus aanbodlijn met accijns is Qa = 2P 4. Of: In de functie Qa = 2P 2 de P vervangen door (P accijns) dus (P 1): Qa = 2(P 1) 2 Qa = 2P 2 2 Qa = 2P 4. nieuwe evenwichtsprijs als Qa = Qv: 2P 4 = -P + 4 3P = 8 P = 2,67 P = 2,67. nieuwe evenwichtshoeveelheid: Q = -2, = 1,33 miljoen. procentuele afname: 2 1,33 / 2 100% = 33,5%. Opmerking: Als de nieuwe hoeveelheid berekend is via de aanbodlijn levert dat door afrondingsverschillen 1,34 op en een afname van 33%. d. welvaartsbegrip beide organisaties hanteren een ander welvaartsbegrip. De vissersorganisatie kijkt naar de welvaartstheorie en de milieuorganisatie betrekt andere zaken bij het begrip welvaart. afnemende welvaart het surplus daalt, hetgeen tot uitdrukking komt in de Harberger-driehoek. Een lager surplus betekent een lagere welvaart. Er is een verlies aan werkgelegenheid bij vissers / toeleveranciers / detailhandel hetgeen leidt tot inkomensverlies. De accijnsverhoging leidt ook tot een lager consumptieniveau. toenemende welvaart bij toenemende welvaart staat het duurzame karakter van productie / consumptie centraal dat zou worden aangetast als het biologisch evenwicht in de oceanen verloren zou gaan. Dit welvaartsaspect komt in de marktbenadering niet tot uitdrukking.

24 3.16 a. 0,50 b. Zie figuur //////. c. ½ 25 miljoen 0,50 = 6,25 miljoen. d. Zie figuur \\\\\\. e miljoen 0,50 = 812,5 miljoen.

25 Hoofdstuk 4 Marktmacht 4.1 a. De kosten van de Centrale bestaan alleen uit constante kosten. Deze veranderen niet als de productieomvang verandert. b. Omdat bij een monopolie alle vragers zijn aangewezen op dezelfde aanbieder. De prijsafzetlijn geeft weer hoeveel een aanbieder kan afzetten bij een bepaalde prijs. De collectieve vraaglijn geeft weer hoeveel door de vragers samen wordt gevraagd bij een bepaalde prijs. c. Collectieve vraagfunctie Qv (= q) = -0,2P ,2P = -q Gemiddelde-opbrengstfunctie GO (= P) = -5q d. TO = q P = q(-5q + 50) = -5q² + 50q. MO is de eerste afgeleide van TO. MO = TO' = -10q e. q = 0,4P 2 0,4P = q + 2 P = 2,5q + 5. Omdat de aanbodlijn samenvalt met de MK-lijn geldt MK = 2,5q + 5. f. Maximale winst bij MO = MK -10q + 50 = 2,5q + 5 q = 3,6. Invullen in de prijsafzetfunctie: P = -5 3, = 32. g. De prijs bij volledige mededinging was 20. De stijging = = 12. In procenten: (12/20) 100% = 60%. 4.2 a/b/c. Zie figuur. d. In het Pareto-optimum is de prijs (GO) gelijk aan de marginale kosten (MK). Hier ligt de prijs hoger dan de marginale kosten.

26 e. De marktmacht van de aanbieder leidt tot een toename/afname van het totale surplus en tot een herverdeling van het surplus ten nadele van de consument/producent. 4.3 Bij een prijsinelastisch product. De gevraagde hoeveelheid zal relatief minder afnemen dan de prijs in procenten stijgt, waardoor de omzet toeneemt. 4.4 a. De betalingsbereidheid van jongeren is minder dan 10 cent per km. b. De bussen rijden toch of er nu veel of weinig mensen instappen. Dus de afschrijvingskosten, chauffeursloon en brandstofkosten zijn op korte termijn constant. c. Zie figuur. d. 1. Pv* = 10 cent en Pj* = 5 cent. Omdat alle kosten op korte termijn constant zijn, is MK = 0. De totale winst is maximaal als MO = MK. In beide gevallen is MO = 0 bij 4 miljoen rkm. Vanuit het punt (4,0) ga je loodrecht omhoog tot de collectieve vraaglijn (P = GO). Dan kun je links op de verticale-as de prijs aflezen. 2. Zie figuur. e. Zie figuur. f. 1. Het producentensurplus was 40 (10 4) en stijgt met 20 (4 5). Dat is een stijging van 20/40 100% = 50%. 2. De winst stijgt in dit geval evenveel als het producentensurplus: 0,05 4 miljoen = De bezettingsgraad was 40% bij 4 miljoen rkm. Die wordt nu (4 + 4)/10 100% = 80%. Een stijging van 40/40 100% = 100%. g. De deelmarkten zijn niet gescheiden, jongeren zullen het goedkope bier doorverkopen aan ouderen.

27 4.5 a. Prijsdiscriminatie: identiek product en verschillende prijzen. prijsverschil tussen voltarief en tarief met voordeelurenabonnement. prijsverschil kinderen en volwassenen. Productdifferentiatie: prijsverschil tussen eerste en tweede klas. Bij eerste klas heeft de reiziger meer luxe. Er is dus een ander productkenmerk. b. De aanbieder kent de betalingsbereid van zijn afzonderlijke klanten niet, terwijl de klanten deze wel van zichzelf weten. c. Door de prijs voor bepaalde groepen vragers te verlagen kan de monopolist extra klanten trekken. Zolang MO > MK levert dat extra winst op. d. Het hele surplus valt toe aan de producent. Er is geen consumentensurplus want elke consument betaalt een prijs die gelijk is aan zijn betalingsbereidheid. 4.6 a. Microsoft heeft vrijwel een monopoliepositie. In de tekst wordt gesproken over dominante marktpositie en overheersende positie. Er zijn concurrenten dus kan het beste gesproken worden van een oligopolie. b. Wellicht omdat het een Amerikaans bedrijf is. De Amerikaanse economie profiteert van de sterke marktpositie van Microsoft. c. Boetes tot 2008 waren waarschijnlijk te laag, lager dan de monopoliewinsten die Microsoft behaalde. d. Door ervoor te zorgen dat software van andere producenten niet draait op het besturingsysteem Windows. 4.7 a. Heterogeen oligopolie. Er zijn enkele grote aanbieders en elk product heeft onderscheidende kenmerken. b. Bij een prijsverhoging ontstaat een aanbodoverschot. De aanbieders zullen afspraken moeten maken over de inkrimping van het aanbod. 4.8 Het consumentensurplus. Kroes ziet toe op een voldoende mate van concurrentie om de consument te beschermen tegen prijsopdrijving. 4.9 a. Transparantie (informatiesymmetrie). De klant kan van tevoren de vriendelijke chauffeurs niet onderscheiden van de klantonvriendelijke chauffeurs. Of. De klant kan betrouwbare chauffeurs niet onderscheiden van de onbetrouwbare chauffeurs, die omwegen maken. Homogeniteit. Chauffeurs die de weg niet weten leveren een andere dienst dan chauffeurs die dat wel weten. b. Dat ze de weg niet weten, dit kun je via een examen toetsen Op langere termijn zijn de concurrentievoordelen belangrijker dan de innovatievoordelen.

28 4.11 a. Mensen met een laag risico verzekeren zich niet als ze de premie te hoog vinden vergeleken met de verwachte ziektekosten. Mensen met een hoog risico kunnen zich moeilijk verzekeren, omdat ze de premie niet kunnen betalen. b. De basisverzekering van de ziektekosten is verplicht gesteld. Verzekeringsmaatschappijen mogen niet op risico selecteren. Ze moeten iedereen, goede en slechte risico's, accepteren. Er is een zorgtoeslag voor de lage inkomens ingesteld a. Banken hebben onvoldoende informatie over elkaars financiële situatie en producten. Ze vertrouwen elkaar niet meer en sluiten onderling weinig of geen transacties meer af. De markt van de onderlinge kredietverlening van banken komt stil te liggen. b. Door de massale verkoop van huizen worden er weinig nieuwe gebouwd. Ook de vraag naar en de productie van verwante producten, zoals meubelen, keukens en koelkasten, nemen af. Bedrijven kunnen moeilijker aan krediet komen waardoor de investeringen en de productie afnemen a. Het Reinheitsgebot is geen wettelijk monopolie omdat ook buitenlandse bierbrouwers volgens het Reinheitsgebot bier konden brouwen en dan ook toegang hadden tot de Duitse biermarkt. b. Productdifferentiatie. Met die slogan proberen de Duitse brouwers hun bier als een ander soort bier ('natuurlijk bier') te promoten a. Ja, hier is sprake van prijsdiscriminatie. Mensen die de moeite nemen om de coupon uit te knippen, krijgen korting en mensen die dat niet doen, krijgen geen korting, terwijl het om hetzelfde product gaat. b. Albert Heijn weet niet welke klant bereid is meer of minder te betalen voor haar producten. Met deze actie probeert Albert Heijn klanten te winnen, die zonder die coupon het product niet zouden kopen, omdat de prijs hoger is dan de betalingsbereidheid van de klant.

29 Hoofdstuk 5 Ontbrekende markten 5.1 a. Anderen betalen betalen niet betaalt Van Loen betaalt niet 25 0 b. Betalen betekent een netto uitbetaling van = 15 Meeliften met anderen betekent een netto uitbetaling van 25 (de betalingsbereidheid). Als anderen betalen, betaalt Van Loon niet (25 > 15). Als de anderen niet betalen, betaalt Van Loon niet (0 > -10). Niet betalen betekent je opstellen als meelifter. c. Als iedereen meelift, wordt er niet gestrooid en zal de welvaart niet veranderen. Als niemand meelift en er wel wordt gestrooid, heeft iedereen een welvaartsvoordeel van 15. Dit voordeel gaat niet ten koste van anderen, dus is het een Pareto-verbetering. De situatie met meeliften door iedereen is dus niet Paretoefficiënt. 5.2 individueel collectief een autonavigatiesysteem defensie zeedijk tegen overstromingen T-shirt brood rechtspraak nachtelijke surveillance door de politie slot tegen inbraak 5.3 Noordmeren Zuidmeren bijdragen niet bijdragen bijdragen 2, 2-2, 6 niet bijdragen 6, -2 0, 0 Niet bijdragen levert in alle gevallen meer op dan bijdragen. 5.4 a. Auto: (100/15) 1,70 = 11,33; Trein: 60% 2 17,60 = 21,12. De reis per auto is het goedkoopst. b. de constante kosten, zoals afschrijvingskosten, verzekeringskosten. de maatschappelijke kosten van vervuiling en lawaai.

30 5.5 geluidsoverlast. inademing van giftige stoffen. verkeersslachtoffers. langere reistijden. 5.6 a. gebeurtenis negatief extern effect positief extern effect 1. Als Herman s morgens in alle vroegte op zijn motorfiets wegrijdt, schrikken de kinderen in de buurt wakker. 2. De gemeente plaatst lantaarnpalen. Fietsers gebruiken ze om hun fiets aan vast te zetten. 3. Door de lage vluchtprijzen kiezen steeds meer consumenten voor een weekendje Rome. 4. Om auto te mogen rijden, moet je een rijexamen doen. 5. Op de A4 genieten automobilisten van panoramische vergezichten. geen van beide b. 1. De buurt heeft hinder van het brommergebruik door de buurman. 2. De lantaarnpalen worden niet met dat doel geplaatst, maar fietsers profiteren mee. 3. Dit is normale marktwerking. 4. Door de exameneisen neemt de verkeersveiligheid voor andere weggebruikers toe. 5. Het was niet de opzet bij de aanleg van de weg, maar weggebruikers genieten van het uitzicht.

31 5.7 a. De aanbodlijnen lopen evenwijdig. Dat komt omdat de kostentoename steeds even groot is. b. Zie figuur. Zie horizontale pijl. c. De externe kosten (het verticale verschil tussen het aanbod en maatschappelijk aanbod) zijn hoger dan de prijsstijging (verticale pijl). 5.8 a. Als docenten een betere gezondheid krijgen, is er minder ziekteverzuim en hoeven collega's minder lessen waar te nemen. Het bestuur kan kosten besparen omdat het aantal parkeerplaatsen niet hoeft te worden uitgebreid. Minder files. b. De vraaglijn naar rechts want door de subsidie worden er bij elke prijs meer fietsen gevraagd.

32 c. Zie grafiek. 5.9 a. Bij de baten: veiligheidsverbetering. b. De omwonenden die last krijgen van geluidsoverlast a = 400. Dat is de waarde van de nachtrust. Bij een lager bedrag leiden de omwonenden welvaartsverlies. b. Maximaal 600. Dat is het bedrag aan winstderving als hij de disco in het weekend moet sluiten. c. Het surplus is voor beide partijen 100. De omwonenden ruilen/verkopen hun nachtrust, ter waarde van 400 voor een bedrag van 500. De disco-eigenaar koopt het recht op lawaai voor 500 en voorkomt daarmee en winstderving van Kosten (tijd) van het onderhandelen. Kosten van informatie verzamelen, bijvoorbeeld over de geluidshinder a. Vliegtuigmaatschappijen die minder vervuilen dan het toegestane quotum, zullen emissierechten verkopen en kunnen de prijs van een vliegticket verlagen. Vliegtuigmaatschappijen die meer vervuilen dan het toegestane quotum, zullen emissierechten bijkopen en zullen de prijs van een vliegticket verhogen. b. De externe kosten zijn nu opgenomen in de prijs, waardoor de prijs de maatschappelijke kosten weerspiegelt. c. Emissierechten bijkopen kost geld. Het kan voordeliger zijn schoner te vliegen. d. De overheid moet als vrager optreden. Als gevolg van de extra vraag naar emissierechten, zal de prijs stijgen en zullen de kosten van 'vuil' vliegen stijgen ten opzichte van 'schoon' vliegen.

33 5.13 a. Over de accijnsverhoging van 10 cent wordt 21% btw berekend. De uiteindelijke prijsstijging van een liter benzine is 12,1 cent. b. Wegenbelasting wordt verlaagd en accijns verhoogd. De bezitter betaalt wegenbelasting en de gebruiker betaalt accijns. c. De Pareto-efficiëntie verbetert. De emissie van vervuilende stoffen ontstaat door het gebruik van auto's. Door het gebruik te belasten worden de externe effecten geïnternaliseerd. Door vermindering van het marktfalen, kom je dichter bij het Pareto-optimum a. 1. De marginale externe kosten van autogebruik per kilometer dalen omdat auto's minder vervuilende stoffen uitstoten. 2. De marginale private kosten van autogebruik per kilometer veranderen niet omdat de constante kosten (filters, katalysatoren) toenemen en niet de marginale kosten. 3. De marginale maatschappelijke kosten van autogebruik per kilometer dalen. Dit is de optelling van de marginale private en de marginale externe kosten. b. De marginale externe kosten nemen af omdat per kilometer minder brandstof wordt gebruikt en er dus minder vervuiling is. De marginale private kosten nemen ook af omdat de gebruiker minder brandstof per kilometer hoeft te betalen a km = voertuigen. b. Kosten per uur: = Gemiddeld staat elk voertuig 45 miljoen/18 miljoen = 2,5 uur in de file a. Accijnsverhoging op benzine. Hierdoor wordt het autogebruik afgeremd en daalt het weggebruik. Tolheffing. Autorijden wordt duurder, waardoor de vraag naar weggebruik wordt afgeremd. b. Aanleg van extra wegen en rijstroken. Hierdoor wordt de wegcapaciteit groter en neemt het aanbod toe. c. De verkleining van de vraag stuit op weerstand van de automobilisten die meer moeten betalen. De vergroting van het aanbod (de capaciteit) gaat vaak ten koste van het milieu.

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Domein D markt monopolie enzo Zie steeds de eenvoud!! UITWERKINGEN vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Bij welke afzet geldt dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt? q= 6 2. Teken een stippellijn naar de prijslijn

Nadere informatie

Evenwichtspri js MO WINST

Evenwichtspri js MO WINST Volkomen concurrentie Volledige mededinging Hoeveeldheidsaanpassing: prijs komt door Qa en Qv tot stand, individu heeft alleen invloed op de hoeveelheid die hij gaat produceren Veel vragers en veel aanbieders

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

Economie Module 3 H1 & H2

Economie Module 3 H1 & H2 Module 3 H1 & H2 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten:

Nadere informatie

Markt. Kenmerken van marktvormen:

Markt. Kenmerken van marktvormen: 1 1 1 Markt 1 3 5 7 9 1 1 1 1 1 hoeveelheid 1 3 5 7 9 Qv Qa nieuw Qa Qv nieuw p Kenmerken van marktvormen: Volkomen concurrentie: Veel aanbieders Homogeen product(mais) Vrije toetreding Alle kennis van

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Verkenning 1 a De kosten van het onderzoek en het risico dat het mislukt moet worden afgewogen tegen de mogelijke winst als het onderzoek wel lukt en het

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2 Aanvullingen op de vwo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Economie. Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 & 5 h5 samengevat 6 wat moet weten 7 & 8 Begrippen 8,

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) volkomen concurrentie bij (2) niet bij (3)

Nadere informatie

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Opgave 1 Vraag- en aanbodcurve met consumenten- en producentensurplus. Qv = -0,5p + 10 Qa = 0,5p 2 Qa = Qv Prijs in euro, q in stuks. 1. Teken de

Nadere informatie

Grafieken Economie Hoofdstuk 7

Grafieken Economie Hoofdstuk 7 Economie: Grafieken Hoofdstuk 7 1 Inhoud Grafieken Economie Hoofdstuk 7 door ieter Nobels ONDERNEMERSGEDRG BIJ OLKOMEN CONCURRENTIE... 3 GLOBL MRKTEENWICHT... 3 ERSCHUIINGEN N RG- EN NBODCURE (GLOBLE MRKT)...

Nadere informatie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 7 Antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst havo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5 Aanvullingen op de havo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 monopolie 2 maximumscore 3 bij

Nadere informatie

pdf04 CONSUMENTEN- EN PRODUCENTENSURPLUS

pdf04 CONSUMENTEN- EN PRODUCENTENSURPLUS pdf04 ONSUMENTEN- EN PRODUENTENSURPLUS ONSUMENTENSURPLUS Het consumentensurplus is het bedrag dat consumenten bereid zijn voor een product te betalen min het bedrag dat de consumenten er werkelijk voor

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Op de gegevens voor de top 10% van 1999

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 15

Extra opgaven hoofdstuk 15 Extra opgaven hoofdstuk 15 Opgave 1 Veronderstel dat de oliemarkt wordt beschreven door het onderstaande model (1) q v = 20 p + 16.000 p prijs per vat olie in euro s (2) q a = 20 p q v, q a aangeboden,

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

pdf06 KOSTPRIJSVERHOGENDE BELASTINGEN

pdf06 KOSTPRIJSVERHOGENDE BELASTINGEN pdf06 KOSTPRIJSVERHOGENDE BELASTINGEN In de onderstaande getallenvoorbeelden gaan we uit van de aanbodfunctie:. Door aan producenten opgelegde belastingen (bijvoorbeeld accijnzen, invoerrechten, milieuheffingen

Nadere informatie

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II BEOORDELINGSMODEL Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. HET GROTE ONDERNEMERSSPEL 1 B 2 A 3 maximumscore 2 Voorbeeld van een juiste berekening: Loonkosten in twee jaar:

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie 2014-I

Eindexamen vwo economie 2014-I Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat verantwoord autogebruik wordt beloond met premiekorting / onverantwoord gebruik wordt gestraft met premieverhoging, zodat voorzichtig rijgedrag

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

blz. 84 titel figuur 6.4 wordt: Netto profijt per jaar van burgers naar leeftijdsgroepen (gemiddeld per persoon)

blz. 84 titel figuur 6.4 wordt: Netto profijt per jaar van burgers naar leeftijdsgroepen (gemiddeld per persoon) Lesbrieven vwo Lesbrief Levensloop blz. 20, kennenlijst, laatste stip eerste rij: koopkracht van het inkomen blz. 20, kennenlijst, tweede rij, 6 e stip: tit-for-tatstrategie blz. 20, kennenlijst, tweede

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

2 Katern Consumenten en producenten

2 Katern Consumenten en producenten Vwo-katern 2 Consumenten en producenten hoofdstuk 1 Consumenten en producenten 2 Katern Consumenten en producenten hoofdstuk 1 Het gedrag van de consument Opdracht 1 a Bijvoorbeeld via reclame of via prijsacties.

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - II

Eindexamen havo economie 2012 - II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - I

Eindexamen havo economie 2012 - I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 3 bij (1) substitueerbaar voor bij (2) stijging

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot 2012 - II

Eindexamen vwo economie pilot 2012 - II Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 290 100% = 117,9% 306 160 + 100 Een andere juiste

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten (bepaalde) aankopen naar voren halen, wanneer ze een hoge / hogere inflatie in de komende periode verwachten. 2 maximumscore 2 Een

Nadere informatie

verkeer veilige veiligheid verbindingen BIJLAGE 6: TAG CLOUDS MOBILITEIT staat stad stiptheid stress tijd tram trein treinen uur veilig

verkeer veilige veiligheid verbindingen BIJLAGE 6: TAG CLOUDS MOBILITEIT staat stad stiptheid stress tijd tram trein treinen uur veilig flexibiliteit genoeg geraken gezondheid goed goede goedkoop grote BIJLAGE 6: TAG CLOUDS MOBILITEIT Grafische voorstelling open antwoorden andere belangrijke zaken bij verplaatsingen aankomen aansluiting

Nadere informatie

Economie H5 : Markt & Overheid

Economie H5 : Markt & Overheid 1. De telefoniemarkt Het kan per land verschillen wat de overheid aanbiedt en wat door de bedrijven wordt aangeboden. Dit kan aan de politiek liggen maar ook aan de tijdsperiode. Voorbeelden telefonie,

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Steeds meer mobiliteit 1.1 a. manier van vervoeren fiets

Hoofdstuk 1 Steeds meer mobiliteit 1.1 a. manier van vervoeren fiets Hoofdstuk 1 Steeds meer mobiliteit 1.1 a. manier van vervoeren fiets trein voordeel flexibel, goedkoop, gezond, niet slecht voor het milieu. snel, goedkoop. nadeel langzaam, je wordt nat bij regen, te

Nadere informatie

Economie. Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 samengevat 2 h2 samengevat 3 h3 samengevat 3, 4 & 5 h4 samengevat 5 h5 samengevat 6 & 7 h6 samengevat

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

Uitwerkingen zelftesten Arbeidsmarkt antw. 2.29 is geworden: 2.929.000 + 217.000 + 340.000 = 3.486.000 mensen.

Uitwerkingen zelftesten Arbeidsmarkt antw. 2.29 is geworden: 2.929.000 + 217.000 + 340.000 = 3.486.000 mensen. Lesbrieven vwo Lesbrief Levensloop Gewijzigde 2 e druk Uitwerkingen Arbeidsmarkt p. 22 opdracht 6.6e moet worden: e. Totale surplus = werkgeverssurplus + werknemerssurplus = 0,5 2 (30 20) + 0,5 2 (20 10)

Nadere informatie

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden 3.1 De reis van een spijkerbroek 1 3.1 De reis van een spijkerbroek Bedrijfskolom = De weg die een product aflegt van grondstof tot eindproduct. Tussen elke schakel van de bedrijfskolom bevindt zich een

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST OVER OMZET, KOSTEN EN WINST De Totale Winst (TW) van bedrijven vindt men door van de Totale Opbrengsten (TO), de Totale Kosten (TK) af te halen. Daarvoor moeten we eerst naar de opbrengstenkant van het

Nadere informatie

Samenvatting ... Het gebruik van de trein nam sinds 1985 eveneens fors toe met meer dan een verdubbeling van het aantal treinkilometers.

Samenvatting ... Het gebruik van de trein nam sinds 1985 eveneens fors toe met meer dan een verdubbeling van het aantal treinkilometers. Samenvatting... De mobiliteit van Nederlanders groeit nog steeds, maar niet meer zo sterk als in de jaren tachtig en negentig. Tussen 2000 en 2008 steeg het aantal reizigerskilometers over de weg met vijf

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Examen HAVO - Compex. economie 1

Examen HAVO - Compex. economie 1 economie 1 Examen HAVO - Compex Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 23 mei totale examentijd 2,5 uur 20 05 Vragen 1 tot en met 19 In dit deel staan de vragen waarbij de computer niet

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 19 juni 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 32

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 9 Open vragen OEFENING 1 a) Aantal Prijs Totale ontvangst Marginale ontvangst 1 9 9 9 2 8 16 7 3 7 21 5 4 6 24 3 5 5 25 1 6 4 24-1 7 3 21-3 8 2 16-5 9 1 9-7 10 0 0-9 b)

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 600 bezoekers (2.800 2.200) 2 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 maximale winst als MO

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

4p 6 Leg uit waarom de marktvorm en het marktgedrag kunnen veranderen. Opgave 3 2000 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2

4p 6 Leg uit waarom de marktvorm en het marktgedrag kunnen veranderen. Opgave 3 2000 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2 Opgave 1 1999 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2 Enige tijd geleden is de firma Lovers de exploitatie van de Kennemerland Express gestart, een treinverbinding tussen Amsterdam en IJmuiden.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,5

Nadere informatie

Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse

Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse Sytze Rienstra en Jan van Donkelaar, 15 januari 2010 Er is de laatste tijd bij de beoordeling van projecten voor de binnenvaart veel discussie over

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord Categorie Vraag & Antwoord De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN Er zijn te weinig middelen om in alle behoeften te kunnen voorzien. Hoe heet dit verschijnsel?

Nadere informatie

Module 13: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 13: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 13: antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: HAVO EAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 maandag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 maandag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Examen VWO 28 tijdvak 1 maandag 26 mei 13.3-16.3 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

3.2 De wereld van transacties

3.2 De wereld van transacties 3.2 De wereld van transacties Voorbeeld: Henk gaat een brommer kopen. Hij heeft hiervoor twee mogelijkheden: 1) Hij koopt een tweedehands brommer via Marktplaats.nl; 2) Hij koopt een tweedehands brommer

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Experiment economie HAVO / VWO gooi maar in mijn bed

Experiment economie HAVO / VWO gooi maar in mijn bed Experiment economie HAVO / VWO gooi maar in mijn bed Nr. 15 Achtergrond: Economische verschijnselen hangen met elkaar samen. Daarbij zijn meerdere verbanden mogelijk. Bijvoorbeeld: 1. Chronologische volgorde.

Nadere informatie

Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op.

Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op. Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op. De economische kringloop Voor de beantwoording van de vragen 1 tot en met 6 moet je soms gebruikmaken van informatiebron 1 in de

Nadere informatie

4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen

4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen 4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen Vb. werknemers en werkgevers CAO-onderhandelingen via vakbonden Stel: vakbond van werknemers eist arbeidstijdverkorting van 4 uur per week; van 40 uur

Nadere informatie