Fiscale aspecten van aandelenopties voor werknemers

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Fiscale aspecten van aandelenopties voor werknemers"

Transcriptie

1 Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit Gent Academiejaar Fiscale aspecten van aandelenopties voor werknemers Masterproef van de opleiding Master in de rechten Ingediend door Bruneel Dieter (studentennr.: ) (major: economisch en sociaal recht) Promotor: Prof. Van Crombrugge Commissaris: Inge Van De Woesteyne

2

3 DANKWOORD In dit dankwoord zou ik graag alle personen bedanken die meegeholpen hebben aan de realisatie van dit werkstuk. Mijn dank gaat vooral uit naar mijn ouders voor de financiële en morele steun die zij mij gedurende mijn studies hebben gegeven. Mijn dank gaat verder ook uit naar iedereen die de tijd heeft genomen om mijn thesis te herlezen en te controleren op onvergefelijke spellingfouten. Tenslotte gaat mijn bijzondere dank uit naar mijn promotor, Prof. Van Crombrugge, voor het geven van waardevolle, opbouwende feedback.

4 DEEL 1: INLEIDING Het nut van aandelenopties Wat is een aandelenoptie? Definitie De levenscyclus van een aandelenoptie terminologie Overzicht DEEL 2: DE BELGISCHE REGELING VAN AANDELENOPTIES HOOFDSTUK 1: HET OUDE STELSEL DER AANDELENOPTIES Algemeen Onderscheid tussen oude en nieuwe aandelenopties Fiscaal stelsel Algemene fiscale regelgeving a) Belastbaar voordeel of niet b) Waardering van het voordeel Gereglementeerde aandelenopties art. 45 van de wet van 27 december Niet-gereglementeerde aandelenopties a) Standpunt administratie b) Visie in de rechtsleer c) Overzicht van de rechtspraak c.1.) Arresten van 2 mei 2001 en 7 juni 2002 van het Hof van Beroep te Brussel c.2.) Arrest van 19 februari 2002 van het Hof van Beroep te Antwerpen c.3.) Arrest van 16 januari 2003 van het Hof van Cassatie (tegen Brussel 2 mei 2001) en de bevestiging door het arrest van 7 november 2003 (tegen Brussel 7 juni 2002) 29 c.4.) Tegenstrijdige invulling van het begrip toekenning door de rechtspraak c.5.) Arrest van 4 februari 2005 van het Hof van Cassatie (tegen Antwerpen 19 februari 2002) c.6.) Lagere rechtbanken preciseren het arrest van 4 februari 2005 van Het Hof van Cassatie RSZ Besluit HOOFDSTUK 2: AANDELENOPTIES ONDER DE WET VAN 26 MAART 1999 HET NIEUWE STELSEL Totstandkoming van de wet Inhoud Inwerkingtreding Toepassingsgebied Belastbaar moment Belastbaar voordeel a) Onderscheid b) Forfaitaire bepaling belastbaar voordeel c) Waarde van de onderliggende aandelen d) Percentage e) Uitzonderingen op het forfaitair belastbaar voordeel f) Wijziging van de voorwaarden van de optie g) Belastingpercentage Bedrijfsvoorheffing Formaliteiten Individuele fiches en samenvattende opgaven I

5 Sanctie vennootschap Rapporteringplicht voor de Belgische rijksinwoners Rapporteringplicht voor de Belgische niet-rijksinwoners RSZ Principe: vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen Uitzonderingen: a) Opties in the money b) Gegarandeerd of zeker voordeel c) Reikwijdte uitzonderingen Inwerkingtreding Grondwettelijk Hof: arrest 28 juli HOOFDSTUK 3: EVOLUTIE VAN DE WET VAN 26 MAART Algemeen Programmawet van 24 december Definitie aanbod Vermoeden aanvaarding aanbod Waardering Eenmalige verlenging Minister voert een de facto keuzestelsel in De economische herstelwet 2009: l histoire se répète De wet van 6 april 2010: verplichte vestingperiode Besluit DEEL 3: BELGISCHE EN BUITENLANDSE AANDELENOPTIES IN EEN INTERNATIONALE CONTEXT HOOFDSTUK 1: ALGEMENE GRENSOVERSCHRIJDENDE TAXATIEPROBLEMEN Algemeen Art. 15 OESO-Modelovereenkomst HOOFDSTUK 2: HET OESO-RAPPORT VAN 2004 INZAKE AANDELENOPTIES EN HET COMMENTAAR BIJ ART. 15 OESO-MODELOVEREENKOMST Verschillend belastingsmoment in de verschillende landen Het onderscheid tussen vermogensmeerwaarden en inkomen uit arbeid Optie toegekend voor toekomstige of vroegere prestaties Activiteiten in verschillende staten Bepaling van de heffingsbevoegdheid Verdeling van de heffingsbevoegdheid Wijziging van woonstaat Andere moeilijkheden inzake internationale taxatie HOOFDSTUK 3: HET STANDPUNT VAN DE EUROPESE COMMISSIE HOOFDSTUK 4: AANDELENOPTIES IN INTERNATIONALE CONTEXT VANUIT BELGISCH PERSPECTIEF De Belgische positie t.o.v. het buitenland De circulaire van 25 mei 2005: de Belgische toepassing van de OESOprincipes Aandelenopties volgens het intern recht Bepaling van het voordeel van alle aard in het kader van art Vaststellen van de activiteit waarmee de optie verband houdt Uitsplitsing van de bezoldiging II

6 Toepassingsgevallen vermeld in de circulaire a) België als werkstaat (belasting van niet-inwoners) b) België als woonstaat (belasting van Belgische inwoners) c) België is noch woonstaat, noch werkstaat Wijziging van woonstaat Termijn voor ontheffing Bijkomende belastingsheffing Besluit BIBLIOGRAFIE III

7 Deel 1: Inleiding DEEL 1: Inleiding 1.1. Het nut van aandelenopties 1. Bedrijven zijn vaak op zoek naar manieren om hun personeel te motiveren en te belonen. Hiervoor zijn aandelenopties een nuttig instrument. Op deze manier kan men zijn werknemers laten meedelen in de winst, waarbij ze beloond worden voor hun inzet in de onderneming. Zo worden werknemers nauwer betrokken bij hun werk, want het doel van de onderneming, winst maken, wordt hierdoor ook hun eigen doel. Hoe beter de onderneming het doet, des te beter de werknemer hiervan wordt. Het is dan ook evident dat dit motiverend werkt. 2. Aandelenopties hebben echter ook andere voordelen. Ze zijn een uiterst handige manier voor kleine bedrijven met een groot potentieel, maar zonder grote financiële draagkracht, om getalenteerd personeel aan te trekken zonder deze een hoog basisloon uit te keren. Dergelijke bedrijven hebben talentrijk kaderpersoneel nodig om het bedrijf optimaal te laten groeien en hun potentieel ten volle te benutten, maar talent kost geld. Aangezien een jong bedrijf in het algemeen zo n zware loonkost niet kan dragen kunnen aandelenopties hier een oplossing bieden. Door het toekennen van aandelenopties aan het kaderpersoneel kunnen deze afzien van hoge looneisen, in de hoop dat de waarde van de aandelen in de loop van de jaren door hun toedoen de hoogte zal inschieten, waarna ze uiteraard hun opties kunnen lichten en het tijdelijke financiële gemis ruim kunnen compenseren. 3. Ook voor ondernemingen in moeilijkheden kan deze manier van handelen een uitweg bieden. Tijdens de moeilijke periode kan de onderneming waardevolle werknemers aantrekken, zonder daarbij diep in de beurs te moeten tasten. Zo kan ze al haar beschikbare middelen aanwenden voor het herstel van het bedrijf. Het personeel zal dan pas later, eenmaal de onderneming terug met winst draait, hiervan de vruchten plukken. Een win-win situatie voor het bedrijf en de werknemers. 6

8 Deel 1: Inleiding 4. Tenslotte is er ook nog een derde belangrijke reden waarom bedrijven aandelenopties verstrekken aan hun werknemers, namelijk retentie. De meeste optieplannen voorzien dat de aandelenopties pas uitgeoefend kunnen worden na verloop van een jaar (of langer). Ook andere, soortgelijke voorwaarden komen vaak voor. Door deze voorwaarden is de werknemer verplicht om, op zijn minst, een jaar langer bij zijn werkgever te blijven, wil hij zijn opties kunnen uitoefenen. De meeste plannen bepalen dat wanneer een werknemer zijn ontslag geeft of ontslagen wordt wegens dringende reden, hij zijn nog niet definitief verworven opties verliest. 5. Uiteraard zijn er ook nadelen aan aandelenopties verbonden. Zoals we verder in dit werk zullen zien houden aandelenopties een zeker risico in voor de werknemer. Indien de werknemer zich akkoord verklaart een deel van zijn loon af te staan in ruil voor een beloftevolle aandelenoptie, neemt hij een deel van het ondernemingsrisico op zijn schouders. Als de zaak niet floreert zoals verwacht ziet de werknemer uiteraard zijn verwachte compensatie in het water vallen. Het huidige belastingstelsel in België houdt hierbij nog een extra risico in. Hier wordt later op teruggekomen Wat is een aandelenoptie? Definitie 6. Volgens art. 41, 3 van de wet van 26 maart (hierna de Aandelenoptiewet genoemd) is een aandelenoptie het recht om, gedurende een welbepaalde termijn een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of nog vast te stellen prijs. De begunstigde van de aandelenoptie heeft m.a.w. een recht om aandelen te verwerven binnen een bepaalde periode, tegen een bepaalde prijs. 1 Infra 47, nr. 108 e.v. 2 Wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, BS 1maart 1999 (ed. 1),

9 Deel 1: Inleiding 7. Het spreekt voor zich dat een werknemer slechts een optie zal lichten wanneer hij daar profijt uit zal halen. M.a.w. hij zal de onderliggende aandelen pas willen verwerven als de huidige waarde van deze laatste, hoger ligt dan de vooraf bepaalde uitoefenprijs. Op die manier verwerft de werknemer immers de aandelen tegen een lagere prijs dan de, op dat moment geldende, marktwaarde De levenscyclus van een aandelenoptie terminologie 8. Aandelenopties kunnen enorm verschillen wat betreft de onderliggende aandelen (van de werkgever zelf of van de moedervennootschap), de begunstigden (alle werknemers of alleen kaderleden), het aantal aandelen, de optieprijs (is er reeds een vast bedrag per aandeel vastgelegd of werkt men aan de hand van bepaalde parameters) en voorwaarden en termijnen (vaak zijn er ontbindende en opschortende voorwaarden of loutere tijdsbepalingen aan de optie verbonden). 9. We kunnen echter steeds bij iedere aandelenoptie een aantal levensfasen onderscheiden: 1) Het aanbod: het moment waarop de optie wordt aangeboden aan de werknemer. In de huidige Belgische wetgeving zijn een aantal regels verbonden aan dit tijdstip. 2) Het toekennen van de optie: het moment waarop de werknemer de aangeboden optie verwerft (ook wel de grant genoemd). Over de precieze invulling van dit begrip is echter heel wat discussie. Dit wordt later in dit werk verder uitgewerkt. 3 3) Het vesten van de optie: het moment waarop de begunstigde definitief verworven rechten krijgt op de optie.. 4) Het lichten van de optie: het ogenblik waarop de werknemer de optie gaat benutten en de onderliggende aandelen verwerft. 5) Het beschikken over de aandelen: het moment waarop de werknemer de verworven aandelen gaat vervreemden. Weliswaar vallen deze fasen bij sommige opties soms samen. Men kan bijvoorbeeld denken aan de situatie waarbij een werknemer een aandelenoptie verwerft, deze optie 3 Infra 31, nr. 67 e.v.. 8

10 Deel 1: Inleiding enkele jaren later gaat lichten en meteen daarna de verworven aandelen gaat verkopen. Bij deze transactie valt het lichten van de optie samen met het beschikken over de aandelen. 10. Bij de bespreking van de aandelenopties moet noodzakelijkerwijs gebruik gemaakt worden van vakterminologie die eigen is aan de aandelenopties. Aandelenopties zijn bovendien vooral een Angelsaksisch fenomeen, waardoor er heel wat Engelse terminologie gebruikt wordt bij de bespreking ervan. Voor het comfort van de lezer worden hier enkele van de meest gebruikte begrippen kort geduid. Eventuele andere specifieke terminologie die gebruikt wordt zal dan worden uitgelegd bij het eerste gebruik in de tekst. De Aandelenoptiewet: wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen. 4 Amerikaanse aandelenopties: Opties die kunnen worden uitgeoefend op elk ogenblik binnen een bepaalde periode. Europese aandelenopties: Opties die slechts kunnen worden uitgeoefend op enkele, welbepaalde ogenblikken. De grant : het moment van toekenning. De onderliggende aandelen: de aandelen die (voordelig) kunnen verworven worden door het lichten van de optie. De optiehouder: de begunstigde van de aandelenoptie, diegene aan wie de optie is toegekend. Binnen de context van dit werk wordt hier steeds een werknemer mee bedoeld. De optiegever: diegene die de aandelenoptie aanbiedt. Vaak is dit de werkgever van de optiehouder, maar niet altijd. Daarnaast hoeft de optiegever ook niet noodzakelijk de vennootschap te zijn die de onderliggende aandelen heeft uitgegeven. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een werknemer van een dochtervennootschap aandelen wordt aangeboden van de moedervennootschap. 4 Wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, BS 1maart 1999 (ed. 1),

11 Deel 1: Inleiding De optie- of uitoefenprijs: de vooraf vastgestelde of nog vast te stellen prijs die de optiehouder dient te betalen om de onderliggende aandelen te verwerven. Opties in the money : aandelenopties waarvan de uitoefenprijs lager is dan de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van het aanbod. De spread : het verschil tussen de uitoefenprijs van de optie en de werkelijke waarde van de onderliggende aandelen op het moment van de uitoefening. De uitoefeningstermijn: de termijn waarbinnen men het recht heeft om de aandelenoptie uit te oefenen (of te lichten). De vest : het moment waarop de begunstigde definitief verworven rechten krijgt op de optie of m.a.w. wanneer de toekenning van de optie niet meer onderworpen is aan een opschortende voorwaarde. De aandelenoptie is vanaf dan definitief toegekend. In feite heeft men op dit ogenblik het recht, om de optie uit te oefenen, juridisch gezien verworven. Weliswaar kan dit recht eventueel nog tenietgaan indien er een ontbindende voorwaarde aan de optie is verbonden. De vestingperiode: de periode tussen de grant en de vest. Tijdens deze periode is de optie weliswaar toegekend aan de optiehouder, maar heeft hij nog geen definitieve rechten verworven op de optie Overzicht 11. Het is de bedoeling om in deze masterproef nader in te gaan op de fiscale aspecten van aandelenopties, meer specifiek deze toegekend aan werknemers. Hoewel het stelsel voor anderen dan werknemers grotendeels gelijklopend is, zijn er toch een aantal verschillen. Vooral wanneer men in een internationale context terechtkomt, worden de aandelenopties verschillend benaderd voor werknemers enerzijds en zelfstandigen anderzijds. In dit werk wordt dan ook enkel het stelsel van de werknemers besproken. 10

12 Deel 1: Inleiding 12. Er wordt binnen dit werk ook enkel gekeken naar de bepalingen die relevant zijn binnen de personenbelasting. Het effect van aandelenopties voor werknemers op het bedrijf zelf, m.a.w. in de vennootschapsbelasting komt hier dan ook niet aan bod. Enkel bij de bespreking van de Aandelenoptiewet komt het bedrijf zelf even aan bod met betrekking tot de te vervullen formaliteiten en de bedrijfsvoorheffing, omdat deze naar mijn aanvoelen wel binnen de context van dit werk passen. 13. In het eerste hoofdstuk wordt een poging gedaan om de volledige discussie m.b.t. het oude stelsel der aandelenopties weer te geven. 5 Hiermee wordt bedoeld de fiscale reglementering van aandelenopties, toegekend voor 1 januari De standpunten van de Administratie 6, de rechtsleer 7 en de rechtspraak 8 worden overlopen waarbij de belangrijkste vonnissen en arresten de revue zullen passeren. 14. Daarna wordt het nieuwe stelsel der aandelenopties besproken, beginnend met de wet van 26 maart 1999 (de zogenaamde Aandelenoptiewet) 9. Dit is de huidige fiscale regelgeving voor aandelenopties toegekend vanaf 1 januari Eerst wordt de Aandelenoptiewet besproken zoals ze werd ingevoerd, daarna wordt ook de evolutie bekeken die deze wet heeft meegemaakt vanaf de dag waarop ze werd ingevoerd tot op de dag van vandaag, met telkens de ratio legis van de wijziging. 15. In het derde en laatste deel laten we ook ons licht schijnen op de internationale context van de aandelenopties. Onder impuls van een steeds verdere mondialisering van de nationale economieën komt het immers vaker en vaker voor dat Belgische werknemers in een of zelfs meerdere, vreemde landen (tijdelijk) te werk worden gesteld. Of omgekeerd, dat buitenlandse werknemers werk verrichten op Belgisch grondgebied. Dit kan een gelijktijdige tewerkstelling in verschillende landen zijn of een opeenvolgende tewerkstelling, waarbij de werknemer wordt tewerkgesteld in verschillende landen waardoor de aandelenoptie tijdens de verschillende fasen telkens aan een andere wetgeving is onderworpen. We bestuderen de regels waarover al dan niet een internationale consensus bestaat en hoe deze in België worden begrepen en toegepast. 5 Infra 13, nr. 18 e.v. 6 Infra 21, nr. 40 e.v. 7 Infra 21, nr. 43 e.v. 8 Infra 25, nr. 51 e.v. 9 Infra 43, nr. 98 e.v. 11

13 Deel 1: Inleiding 16. Waar relevant, wordt per stuk ook even kort de situatie m.b.t. de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna RSZ ) geschetst. Dit is weliswaar geen fiscaal aspect, maar een parafiscaal element van de aandelenopties. Niettemin is een korte schets van de regels inzake Sociale Zekerheid hier m.i. wel aangewezen. Deze zijn nu eenmaal nauw verweven met de eigenlijke fiscale regels en misstaan hier, vanuit een praktisch standpunt, allerminst. Hierbij wordt evenwel enkel een beknopt overzicht van de toepasselijke regels beoogd en wordt zeker geen technische volledigheid nagestreefd. 17. Ter afsluiting van deze inleiding zou ik nog de bemerking willen meegeven dat het stelsel zoals hieronder zal worden uiteengezet, ook van toepassing is op warrants. Omwille van de eenvormigheid van dit werk zal echter steeds over aandelenopties worden gesproken. 12

14 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel DEEL 2: De Belgische regeling van aandelenopties Hoofdstuk 1: Het oude stelsel der aandelenopties 1.1. Algemeen Onderscheid tussen oude en nieuwe aandelenopties. 18. De totstandkoming van een fiscale wetgeving met betrekking tot aandelenopties heeft een lange en moeilijke weg gekend, die uiteindelijk geresulteerd heeft in de wet van 26 maart De periode voor deze wet werd gekenmerkt door een langdurige rechtsonzekerheid m.b.t. de fiscale gevolgen van de aandelenopties. Vandaar wordt in de rechtsleer een onderscheid gemaakt tussen de nieuwe aandelenopties (zijnde de aandelenopties toegekend na 1 januari 1999 die onder de toepassing van de Aandelenoptiewet vallen) en de oude aandelenopties (zijnde de aandelenopties toegekend voor 1 januari 1999). 19. In dit hoofdstuk wordt de fiscale behandeling van de oude aandelenopties uitgewerkt. Eerst wordt er een korte uitleg gegeven over de algemene fiscale regelgeving, 10 waarna het verschil tussen de gereglementeerde en de niet-gereglementeerde aandelenopties toegelicht wordt. 11 Tenslotte worden beide stelsels uitvoerig besproken, met daarbij een overzicht van de verschillende strekkingen in de rechtsleer, 12 de mening van de administratie 13 en de diverse, van belang zijnde vonnissen en arresten. Hierbij wordt telkens de evolutie in de rechtspraak geduid Infra 14, nr. 20 e.v. 11 Infra 16, nr. 30 e.v. 12 Infra 21, nr. 43 e.v. 13 Infra 21, nr. 40 e.v. 14 Infra 25, nr. 51 e.v. 13

15 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 1.2. Fiscaal stelsel Algemene fiscale regelgeving a) Belastbaar voordeel of niet 20. Lange tijd bestond er geen specifieke, volledige, fiscale wettelijke regeling m.b.t. aandelenopties. Bijgevolg moest de fiscus terugvallen op de algemene fiscale regels, zoals deze nu vermeld staan in het Wetboek Inkomsten Belastingen 1992 (hierna WIB 1992 ). 21. Volgens art. 23, 1, 4 juncto 31 WIB 1992 wordt een werknemer, uit hoofde van bezoldigingen, belast op alle beloningen die voor hem de opbrengst vormen van zijn arbeid in dienst van zijn werkgever. Zo kan een aandelenoptie gekwalificeerd worden als een voordeel van alle aard en bijgevolg volgens art. 31, 2 e lid, 2 WIB 1992, belastbaar zijn indien de aandelenoptie verkregen is uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid. 22. Sommige rechtsleer betwijfelde in het verleden of een aandelenoptie wel een voordeel uitmaakte. 15 Men stelde, dat bij het verkrijgen van de optie, slechts een mogelijkheid om een voordeel te verwerven werd bekomen, nl. aandelen kopen in voordelige omstandigheden. Het zou bijgevolg om een kans gaan. Vraag hierbij is of de kans op een voordeel ook niet een voordeel uitmaakt? De rechtsleer is het er tegenwoordig over eens dat het verwerven van een aandelenoptie wel degelijk een voordeel van alle aard kan uitmaken. Een optie op zich heeft immers steeds een zekere waarde, waardoor altijd een voordeel wordt verkregen. 23. Men dient echter voorzichtig te zijn. Een aandelenoptie kan een voordeel van alle aard opleveren, maar enkel de opbrengst van arbeid in dienst van een werkgever kan een belastbare bezoldiging uitmaken. Daaruit volgt dat de voordelen die een werknemer behaalt niet noodzakelijk belastbaar zijn als een bezoldiging. 16 In principe is het niet 15 M. BUYST, Aandeelhouderschap van werknemers, Or. 1986, J. LYCOPS, Aandelenopties. Hebben wij de kans op stock options gemist?, AFT 1985,

16 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel ondenkbaar dat een dergelijke aandelenoptie wordt toegekend wegens een andere reden dan de beroepswerkzaamheid, zoals bijvoorbeeld vrijgevigheid Het is dus steeds een feitenkwestie of een optie al dan niet een belastbaar voordeel uitmaakt en men kan hier dus geen algemene regel van maken. In de praktijk blijkt het verband met de beroepswerkzaamheid meestal uit de voorwaarden die verbonden zijn met de optie, waardoor het overgrote deel van de aandelenopties wel degelijk belastbaar zal zijn. Een veel voorkomend voorbeeld van dergelijke voorwaarden is de ontbindende voorwaarde dat de begunstigde de onderliggende aandelen slechts kan verwerven zolang hij werknemer blijft van het desbetreffende bedrijf. Dit duidt duidelijk op een band met de beroepswerkzaamheid. 25. De administratie gaat in deze uit van een (zelfverklaard) weerlegbaar vermoeden in hoofde van de werknemer, namelijk dat het bekomen voordeel behaald is uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid. 18 De werknemer dient dan het bewijs te leveren dat dit voordeel verkregen is wegens een andere oorzaak of, met andere woorden, dat hij het voordeel ook zou bekomen hebben indien hij niet tewerkgesteld was bij de aanbieder van de optie. Deze omkering van de bewijslast lijkt echter niet correct. 19 Het is in principe nog altijd de administratie die dient aan te tonen dat er sprake is van een belastbaar voordeel. Een dergelijk vermoeden kan enkel worden ingevoerd bij wet. b) Waardering van het voordeel 26. Gesteld dat een aandelenoptie wel degelijk een belastbaar voordeel uitmaakt, wat ook in de meeste situaties het geval zal zijn, hoe gaat men dan dit voordeel waarderen? Volgens art. 36 WIB 1992 moeten Anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger. Hoe gaat men nu deze werkelijke waarde berekenen? 17 De optie wordt dan in hoofde van de vennootschap-werkgever belast als een liberaliteit. Algemeen kan je immers stellen dat het voordeel van alle aard telkens ofwel in hoofde van de verkrijgende werknemer ofwel in hoofde van de gevende werkgever belast wordt. 18 Het huidige commentaar op het WIB 1992 vermeldt nog steeds dit weerlegbare vermoeden, zie Com. IB 31/8, 19 J. LYCOPS, Aandelenopties. Hebben wij de kans op stock options gemist?, AFT 1985,

17 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 27. Volgens de administratie dient men de marktwaarde van de optie als basis te nemen voor de waardering van dit belastbare voordeel in hoofde van de werknemer. 20 De kostprijs voor de werkgever speelt hierbij in principe geen rol, al is het natuurlijk wel mogelijk dat deze kostprijs samenvalt met de eigenlijke marktwaarde. Concreet zou het belastbaar voordeel, volgens de administratie, het verschil uitmaken tussen de marktwaarde van de onderliggende aandelen en de optie- of uitoefenprijs, of nog anders gesteld, de werkelijke besparing in hoofde van de optiehouder. 28. Het belastbare voordeel hing echter samen met het belastbare moment. Afhankelijk van wanneer men het belastbaar moment situeerde, zag de waardering van het belastbaar voordeel er anders uit. In de visie van de administratie werd het waarderingsprobleem uitgesteld tot bij het lichten van de optie. In de rechtsleer werd echter geargumenteerd dat het belastbaar moment bij de toekenning van de optie diende gesitueerd te worden, waardoor men de waarde van de optie zelf diende te berekenen. Dit was een stuk moeilijker. Weliswaar kon gebruik gemaakt worden van diverse, in de rechtsleer ontwikkelde formules, zoals deze van Black-Scholes en Merton, maar dit diende met de grootste omzichtigheid te gebeuren. Enkel de reële verrijking was immers belastbaar. Om die reden bleef de toekenning van de optie in de praktijk veelal onbelast. 29. Omtrent het belastbare moment en de daarmee samenhangende waardering van het voordeel, heeft zich dan ook een uitgebreide en ingewikkelde discussie ontsponnen. Deze proberen we in dit hoofdstuk zo duidelijk mogelijk weer te geven Gereglementeerde aandelenopties art. 45 van de wet van 27 december Het idee van de aandelenoptie werd voor het eerst 22 officieel in de Belgische wetgeving ingevoerd door art. 45 van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale maatregelen. 23 De bovenstaande vragen werden echter niet opgelost door deze nieuwe wetgeving. 20 Bull. Bel., nr. 592, Infra 25, nr M. BUYST, Aandeelhouderschap van werknemers, Or. 1986, Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, BS 29 december 1984,

18 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 31. Uit de parlementaire voorbereidingen bij de wet van 27 december 1984 kan men afleiden dat de wetgever ook niet helemaal zeker was als de toekenning van een aandelenoptie wel degelijk een belastbaar voordeel van alle aard uitmaakte voor de werknemer. In het oorspronkelijke wetsontwerp stond nog te lezen dat: Het voordeel dat een werknemer behaalt uit hoofde of ter gelegenheid van de lichting van een aandelenoptie wodt [sic] van personenbelasting of van belasting der niet-verblijfhouders vrijgesteld voor het bedrag dat wordt gevormd door het verschil tussen de waarde van de aandelen of delen die bij de lichting van een aandelenoptie aan de werknemer toekomen en de optieprijs. 24 In twee latere amendementen werd echter gewezen op de problematiek inzake het al dan niet een belastbaar voordeel zijn voor de werknemer, waarop de wetgever begon te twijfelen. 25 In art. 45 (tijdens de voorbereidende werkzaamheden nog art. 41) van de wet van 27 december 1984 wordt dan ook geen standpunt ingenomen: wanneer, uit hoofde of ter gelegenheid van een lichting van een aandelenoptie, een belastbaar voordeel [ ] door een werknemer wordt behaald. 26 Dat de opstelling van art. 45 in deze zin niet toevallig was, werd dan ook bevestigd door de Minister van Financiën Naar aanleiding van deze nieuwe wetgeving moet wel een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds de gereglementeerde aandelenopties, zijnde de aandelenopties die voldoen aan de voorwaarden van art. 45 en anderzijds de niet-gereglementeerde aandelenopties, zijnde de aandelenopties die buiten dit wettelijk kader vallen. 33. In art. 45 van de vermelde wet, wordt het waarschijnlijke voordeel, dat de begunstigde kan genieten op het ogenblik van de lichting, vrijgesteld. Deze vrijstelling geldt echter enkel in zoverre er voldaan is aan de voorwaarden vermeld in datzelfde artikel: Art. 41, 3 Wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010/1, Amendement nr. 19 op het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010/5, 1-2; Amendement nr. 86 op het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010/11, Art. 45 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, BS 29 december 1984, Verslag namens de commissie voor de Financiën betreffende het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010/13, Art. 45 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, BS 29 december 1984, 16192; Memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010, 11-12; J. LYCOPS, Aandelenopties. Hebben wij de kans op stock options gemist?, AFT 1985, 33; M. BUYST, Aandeelhouderschap van werknemers, Or. 1986, 124; M. VANDENDIJK, A. DE 17

19 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel - De vennootschap die houder is van de onderliggende aandelen moet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders. 29 Bovendien moet de optie slaan op de eigen aandelen of op deze van de moedervennootschap De begunstigde-werknemer moet in de vennootschap een werkelijke en vaste functie uitoefenen en moet minimum 1 jaar tewerkgesteld zijn bij zijn werkgever De aandelenoptie moet vastgelegd worden in een schriftelijke overeenkomst waarvan voorafgaandelijk een modelovereenkomst werd goedgekeurd door de Algemene Vergadering der Aandeelhouders met in het opschrift de vermelding van art. 45 wet van 27 december Deze overeenkomst dient eveneens gesloten te zijn tussen 1 januari 1985 en 31 december De overeenkomst tot aandelenoptie mag ook geen handgeld bedingen Op het ogenblik van de lichting moet de begunstigde nog werknemer zijn van hetzij dezelfde vennootschap, hetzij bij een vennootschap die onweerlegbaar geacht wordt een dochter onderneming te zijn in de zin van de boekhoudwetgeving, hetzij nog bij een vennootschap op wier effecten hij een aandelenoptie bezit. 35 De opties zijn overigens niet overdraagbaar, zelfs niet bij overlijden De optie mag ten vroegste na 1 jaar en moet ten laatste na 6 jaar gelicht worden na de datum van de schriftelijke overeenkomst De aandelen die de werknemer verwerft bij het lichten van de optie, moeten gedurende 2 jaar gedeponeerd worden bij de Deposito- en Consignatiekas van de Nationale Bank van België. 38 Dit betekent dat gedurende deze 2 jaar iedere vrijwillige overdracht van de aandelen verboden is, wat een zware voorwaarde lijkt. REYMAEKER, De fiscale behandeling van aandelenopties. Voor en na de nieuwe wetgeving, AFT 1999, Art. 45, 1, 5 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 30 Art. 45, 1, 2 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 31 Art. 45, 1, 6 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 32 Art. 45, 4, 1 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 33 Art. 45, 4, 3 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 34 Art. 45, 4, 2 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 35 Art. 45, 4, 5 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 36 Art. 45, 4, 5 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 37 Art. 45, 4, 6 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen; Deze vereiste stond haaks op de bepaling in het vennootschapsrecht die de uitdeling van de aandelen binnen 1 jaar na de inkoop verplicht; M. BUYST, Aandeelhouderschap van werknemers, Or. 1986, Art. 45, 4, 8 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 18

20 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel - Men mag de vrijstelling ook niet combineren met het voordeel dat ingevoerd werd door de wet van 28 december (de zogenaamde Monory-De Clerq bis). 40 Op basis van deze reglementering kon een werknemer tot maximum 500 euro aftrekken van zijn personenbelasting, als bedrag besteed aan de aankoop van aandelen van het bedrijf waarin hij tewerkgesteld was Is aan deze voorwaarden voldaan, dan kan men genieten van de vrijstelling uit art. 45 van bovengenoemde wet. Deze vrijstelling is echter op haar beurt onderworpen aan enkele (cumulatieve) beperkingen 42 : - De werknemer mag, met deze ontvangen vrijstelling, niet meer dan 5% van het totaal van de aandelen van de vennootschap verwerven Hij kan voor deze verwerving niet meer dan 25% van zijn loon van vorig jaar besteden met een absoluut maximum van (omgerekend) , 68 euro. 44 Om de waarde van deze aandelen te bepalen kijkt men naar de beurswaarde of, indien de aandelen niet beursgenoteerd zijn, naar de boekhoudkundige waarde Wat is nu het fiscale stelsel voor deze gereglementeerde aandelenopties? De begunstigde van een dergelijke aandelenoptie krijgt, zoals reeds eerder gezegd, een vrijstelling in de Personenbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders, van het eventuele voordeel dat hij zou verkrijgen op het moment van de lichting. Dit voordeel is het verschil in waarde tussen de uitoefenprijs en de waarde van de aandelen op dat moment. Daarnaast is ook de latere verkoop van aandelen belastingvrij omdat de aandelen bij het lichten van de optie in het privévermogen zijn terechtgekomen en de vervreemding van de aandelen als normaal beheer van het privépatrimonium wordt beschouwd Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, BS 30 december 1983, 16505; De huidige wettelijke grondslag van deze regeling vindt men thans terug in art , 4 WIB 1992 en art WIB Art. 45, 4, 9 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 41 M. BUYST, Aandeelhouderschap van werknemers, Or. 1986, J. LYCOPS, Aandelenopties. Hebben wij de kans op stock options gemist?, AFT 1985, Art. 45, 4, 4 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 44 Art. 45, 4, 7 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 45 Art. 45, 2 Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen; M. BUYST, Aandeelhouderschap van werknemers, Or. 1986, Art. 90, 9 WIB

21 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel Door de stringente voorwaarden en beperkingen heeft deze reglementering nooit veel succes gekend. Slechts een handvol bedrijven heeft gebruik gemaakt van de vrijstelling van art Art. 45 van de wet van 27 december 1984 werd tenslotte opgeheven bij de inwerkingtreding van de wet van 26 maart Het artikel blijft echter gelden voor aandelenopties toegekend voor 1 januari Niet-gereglementeerde aandelenopties 37. Wegens de zware voorwaarden verbonden aan de vrijstelling van art. 45 van de wet van 27 december 1984, zijn de meeste oude aandelenopties dan ook nietgereglementeerde aandelenopties. Nochtans is het fiscaal stelsel voor deze nietgereglementeerde aandelenopties een pak minder eenduidig. 38. Bij gebrek aan specifieke, fiscale wettelijke regelgeving voor deze opties moet men nog steeds terugvallen op de algemene regels inzake voordelen van alle aard. Als een aandelenoptie een voordeel van alle aard uitmaakt dan rijst de vraag naar het belastbaar moment. Dient men een optie te belasten op het moment van toekenning of pas bij de lichting van de optie? Of zijn er nog andere momenten mogelijk? Hiermee samenhangend kan men zich ook afvragen wat het voordeel van alle aard juist is en hoe men het dient te berekenen. 39. Vooraleer een overzicht te geven van de volledige discussie, aan de hand van de verschillende vonnissen en arresten, geven we hieronder eerst het beginstandpunt van de administratie en de rechtsleer mee. Het effect van de verschillende vonnissen/arresten op deze visies, zal dan bij iedere uitspraak worden besproken. 47 M. VANDENDIJK, A. DE REYMAEKER, De fiscale behandeling van aandelenopties. Voor en na de nieuwe wetgeving, AFT 1999, 130; A. DE REYMAEKER, Het fiscaal regime van aandelenopties die zijn toegekend voor de inwerkingtreding van de wet van 26 maart 1999, TFR 2005, afl. 283, Voor de inwerkingtreding van de Aandelenoptiewet, zie Infra 44, nr

22 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel a) Standpunt administratie 40. De administratie heeft steeds het standpunt ingenomen dat het belastbaar moment dient gesitueerd te worden op het ogenblik van de lichting van de optie. Ze maakt hierbij geen onderscheid tussen voorwaardelijke aandelenopties (die onderworpen zijn aan een opschortende of ontbindende voorwaarde) of onvoorwaardelijke aandelenopties. Het belastbaar voordeel zou dan het verschil zijn tussen de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van de lichting en de uitoefenprijs (ook wel de spread genoemd). 41. Nog volgens de administratie is de belastbaarheid van de eventuele meerwaarde van de onderliggende aandelen tussen het moment van toekenning en het moment van lichting van de optie niet gebaseerd op de waardestijging van deze aandelen, maar op de omstandigheid dat de werknemer deze waardestijging kosteloos en zonder enig risico heeft kunnen genieten uit hoofde of ter gelegenheid van zijn bezoldigde beroepswerkzaamheid Indien de onderliggende aandelen beursgenoteerd zijn (hetzij op de Belgische, hetzij op een buitenlandse beurs) is de waarde van het voordeel, volgens de administratie, gelijk aan het verschil tussen 100/120 van de beurswaarde van de aandelen en de optieprijs, indien deze aandelen gedurende twee jaar onbeschikbaar zijn of de vennootschap haar eigen aandelen massaal inkoopt en aan haar werknemers overdraagt zodat een plotse terugval van de beurskoers verwacht kan worden voor die aandelen. 50 b) Visie in de rechtsleer 43. In de rechtsleer ziet men het anders. De werknemer krijgt immers bij de toekenning van de optie een recht om eventueel aandelen te verwerven aan een voordelige prijs. Dit recht vormt het voordeel en niet het verschil tussen de optieprijs en de waarde van de onderliggende onderdelen. Bijgevolg is het belastbare feit de toekenning van de optie, aangezien de begunstigde op dat moment dit recht verwerft. 49 Circ. Nr. Ci.RH.242/ , 28 maart 1988, Bull. Bel., nr. 672, 821 en 50 Circ. Nr. Ci.RH.241/ van 21 juni 1995, Bull. Bel., nr. 752, 2155 en Circ. Nr. Ci.RH.241/ , 16 juli 1990, Bull. Bel., nr. 697, 2227 en 21

23 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel Het belastbaar voordeel zou men dan moeten zien als het verschil tussen de eigenlijke waarde van de optie en de prijs die de begunstigde betaalt om deze optie te verwerven. In het voorkomend geval dat men de optie om niet bekomt, is het belastbaar voordeel dus de reële waarde van de optie. De problematiek met de toekenning van de optie als belastbaar feit, is dat men steeds de eigenlijke waarde van de optie dient te bepalen, wat geen eenvoudige opgave is. De meeste aandelenopties zijn immers niet beursgenoteerd. Vandaar dat vele opties onder het oude stelsel in de praktijk onbelast bleven bij toekenning. 44. Eenmaal de optie (definitief) 51 is toegekend valt ze in het privévermogen van de begunstigde. Hierdoor is de meerwaarde die de begunstigde realiseert bij de lichting van de optie een gevolg van het normale beheer van zijn privévermogen en blijft ze dus in principe onbelast. De meerwaarde is in deze theorie niet het gevolg van de beroepswerkzaamheid in dienst van de werkgever, maar slechts het resultaat van de schommelende beurskoers van de aandelen. Indien een niet-werknemer eenzelfde optie zou verwerven, zou zijn gerealiseerde voordeel immers hetzelfde zijn als dat van de werknemer Ondanks het gemeenschappelijke uitgangspunt, nl. het principe van belastbaarheid op het moment van toekenning, zijn er toch verschillende strekkingen te vinden binnen de rechtsleer. Het voornaamste discussiepunt is hierbij het al dan niet maken van een onderscheid tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke aandelenopties. 46. Een eerste strekking in de rechtsleer maakt geen onderscheid tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke aandelenopties. 53 Men maakt hier bijgevolg geen onderscheid tussen het moment waarop de begunstigde de optie voorwaardelijk toegekend krijgt en het moment waarop hij deze definitief toegekend krijgt (zijnde het moment waarop hij optie vast verworven heeft en deze dus niet langer onderworpen is aan een opschortende voorwaarde). In de mening van deze auteurs bestaat het effect van een opschortende voorwaarde enkel uit een opschorting van de uitvoering van de 51 Niet alle rechtsleer is het erover eens dat de overgang van de optie naar het privévermogen steeds op het moment van de toekenning gebeurt. Over de verschillende visies in deze materie wordt verder in dit werk teruggekomen; Infra 22, nr M. VAN KEIRSBILCK, De belastbare meerwaarde van aandelenopties, thans en in het verleden, Fisc. Koer. 2001, K. GEENS, Fiskoloog 1985, nr. 115,

24 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel overeenkomst of optie. De overeenkomst op zich bestaat echter wel en is bijgevolg reeds toegekend. Hieruit vloeit voort dat het belastbare moment steeds op het ogenblik van de toekenning valt en nooit op het moment van de lichting van de optie. 47. Een tweede strekking maakt wel het onderscheid tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke opties. 54 Ook volgens deze auteurs ligt het belastbaar moment principieel bij de toekenning van de optie, maar men dient daarbij te kijken als (de toekenning van) de optie onderworpen is aan een opschortende voorwaarde. Voor opties die aangegaan zijn onder opschortende voorwaarde, valt het belastbaar moment dan op het moment dat deze voorwaarde vervuld wordt. Voor onvoorwaardelijke aandelenopties en opties aangegaan onder ontbindende voorwaarde moet de definitieve toekenning gesitueerd worden op het moment van de toekenning van de optie. In beide gevallen is het belastbare voordeel dan het verschil tussen de waarde van de optie op het ogenblik van de definitieve toekenning en de prijs die de begunstigde (eventueel) betaalt voor de verwerving van de optie. Deze strekking vormt ogenschijnlijk ook de meerderheidsvisie in de rechtsleer. 48. Het is ook in deze strekking dat men het veelvoorkomende geval van de continu precaire aandelenopties terugvindt. Zoals bovenstaande theorie zegt, zijn aandelenopties principieel belastbaar op het moment van hun definitieve toekenning. Voor onvoorwaardelijke opties is dit op het moment van toekenning. Voor opties die onderworpen zijn aan een opschortende voorwaarde wordt de definitieve toekenning en dus het belastbaar moment echter uitgesteld tot de vervulling van de opschortende voorwaarde. Zolang de voorwaarde niet is vervuld zijn deze opties precair. Blijven opties precair tot op het moment dat ze uitgeoefend worden, dan spreken we van continu precaire opties. De optie is hier dan pas definitief verworven op het ogenblik dat ze effectief uitgeoefend wordt. Een optie kan bijvoorbeeld continu precair zijn indien het gaat om een Europese optie die pas kan uitgeoefend worden indien op de uitoefeningsdatum een bepaalde omzet is behaald. 54 Zie o.a. A. HAELTERMAN, Belastbaarheid van de belastbare optie, Fiskofoon 1988, afl. 79, 160; M. VANDENDIJK, A. DE REYMAEKER, De fiscale behandeling van aandelenopties. Voor en na de nieuwe wetgeving, AFT 1999, 131; M. VAN KEIRSBILCK, De belastbare meerwaarde van aandelenopties, thans en in het verleden, Fisc. Koer. 2001,

25 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 49. Indien men bovenstaande theorie volgt, komt men eigenlijk tot hetzelfde resultaat als de administratie 55 met betrekking tot de continu precaire aandelenopties, met dat verschil dat de onderliggende denkwijze die tot dit resultaat leidt verschillend is. De administratie beschouwt de uitoefening van de optie als het belastbare feit omdat, in haar mening, niet de optie op zich belast wordt, maar wel rechtsreeks het voordeel dat de werknemer verkrijgt, naar aanleiding van zijn beroepswerkzaamheid en dat erin bestaat aandelen tegen een lagere prijs dan de marktprijs te kunnen kopen. De administratie doet dus alsof de optie nooit definitief toegekend is. 56 Deze benadering klinkt aanvaardbaar binnen de theorie van de continu precaire aandelenopties, maar de administratie past eenzelfde denkwijze, m.i. ten onrechte, ook toe buiten deze theorie Tenslotte bestaat er ook een derde strekking die ook het onderscheid maakt tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke aandelenopties. 58 Het (vermeende) verschil met de tweede strekking zit in de bepaling van het belastbaar voordeel. In deze strekking verdedigt men het standpunt dat het belastbare voordeel steeds dient te bestaan uit de waarde van de optie op het moment dat de begunstigde een definitief recht op de optie verwerft. Deze strekking zet zich af tegen de theorie van de continu precaire aandelenopties. 59 Men dient er hier echter op te wijzen dat in de tweede strekking niets tegenstrijdigs wordt beweerd. In geval van continu precaire aandelenopties bestaat het belastbaar voordeel ook uit de waarde van de optie op het moment van het definitief toekennen van deze optie. Alleen valt voor deze specifieke categorie van opties de waarde op dat moment samen met het voordeel behaald bij de lichting ervan. 55 Supra 21, nr. 40 e.v. 56 A. HAELTERMAN, Belastbaarheid van de belastbare optie, Fiskofoon 1988, afl. 79, M. VAN KEIRSBILCK, De belastbare meerwaarde van aandelenopties, thans en in het verleden, Fisc. Koer. 2001, M. VAN KEIRSBILCK, De belastbare meerwaarde van aandelenopties, thans en in het verleden, Fisc. Koer. 2001, M. VAN KEIRSBILCK, De belastbare meerwaarde van aandelenopties, thans en in het verleden, Fisc. Koer. 2001,

26 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel c) Overzicht van de rechtspraak c.1.) Arresten van 2 mei 2001 en 7 juni 2002 van het Hof van Beroep te Brussel 51. Een eerste arrest betreffende de materie kwam er pas in In zijn arrest van 2 mei 2001 legde het Hof van Beroep te Brussel het belastbaar moment vast op het ogenblik van de lichting van de optie. 60 Hiermee werd de administratie gelijk gesteld met haar visie zoals hierboven uiteengezet. 52. Het Hof kwam tot dit besluit op basis van de analyse van artikel 45 van de wet van 27 december 1984 en de voorbereidende werken bij deze wet. Uit deze bronnen leidde het Hof af dat het belastbaar moment niet het ogenblik van de toekenning kon zijn. Dit zou immers niet stroken met de interne logica van art. 45. In dit artikel wordt, zoals hierboven besproken, een vrijstelling verleend voor de eventuele meerwaarde, die bestaat uit het verschil tussen de waarde van de onderliggende aandelen en de uitoefenprijs. Het Hof redeneert dat, aangezien dit bedrag nog niet kan berekend worden op het moment van toekenning, het belastbaar moment wel bij de lichting van de optie moet gesitueerd worden. 53. Verder stelt het Hof ook dat de voorbereidende werkzaamheden van de, inmiddels in werking getreden, Aandelenoptiewet niet relevant zijn voor de interpretatie van de oude aandelenopties. In deze voorbereidende werkzaamheden kon de belastingplichtige argumenten putten voor zijn standpunt. De Raad van State had, in zijn advies m.b.t. laatstgenoemde wet, gesteld dat de wet van 26 maart 1999 een bevestiging was van het gemeen recht inzake aandelenopties. De Raad van State zei letterlijk dat Les principes qui sous-tendent le projet sont donc la confirmation pure et simple du droit commun. 61 Wetende dat de Aandelenoptiewet het belastbaar moment op het ogenblik van toekenning legt, kan men dus besluiten dat volgens de Raad van State ook het gemeen recht voor de oude aandelenopties het belastbaar moment bij de toekenning van de optie situeert. Het Hof wijst deze visie in zijn arrest echter af. 60 Brussel 2 mei 2001, AR 1995/FR/169, AFT 2001 (weergave DE REYMAEKER), 397, Fisc. Act (weergave LAMBRECHTS), afl. 26, Advies R.v.St. betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actief plan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1912/1,

27 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 54. In de rechtsleer wordt dit arrest sterk bekritiseerd. 62 De redenering van het Hof met betrekking tot art. 45 kan niet worden bijgetreden. 63 Het Hof vertrekt hierbij immers vanuit de veronderstelling dat art. 45 het belastbare voordeel bepaalt. Dit is echter niet het geval. In art. 45 wordt enkel bepaald dat, indien er een voordeel wordt behaald bij het lichten van de optie en er voldaan is aan bepaalde voorwaarden, 64 er een vrijstelling wordt verleend voor dat voordeel. Hieruit een algemene belastbaarheid afleiden, ingeval niet voldaan is aan de vernoemde voorwaarden, is een brug te ver. De wetgever had in 1984 niet de bedoeling om het belastbaar ogenblik op het moment van het lichten van de optie te plaatsen, maar wou enkel in een vrijstelling voorzien voor de gereglementeerde opties, voor het geval men zou beslissen tot een belastbaarheid op het ogenblik van de lichting. De wetgever heeft m.a.w. geen standpunt ingenomen in art. 45. Dit vermoeden wordt versterkt door het feit dat de regering haar oorspronkelijke wetsontwerp heeft gewijzigd naar aanleiding van twee amendementen, 65 ingediend met de bedoeling om te vermijden dat men tot een algemene belastbaarheid op het ogenblik van lichting zou besluiten. De toenmalige Minister van Financiën verklaarde toen zelfs letterlijk dat dus geen uitspraak [wordt] gedaan over de vraag of er al dan niet sprake is van een belastbaar voordeel Daarnaast klopt ook het argument van de interne logica van art. 45, zoals aangehaald door het Hof, niet. VAN KEIRSBILCK stelde dat deze interne logica ook op een andere manier kon uitgelegd worden. 67 Daarvoor greep hij terug naar de theorie van de continue precaire aandelenopties. 68 Bij een dergelijke optie valt het belastbaar moment op het ogenblik dat de optie gelicht wordt. Men kan bijgevolg art. 45 verklaren door te stellen dat het deze continu precaire opties vrijstelt van belasting, indien ze voldoen aan bepaalde voorwaarden. Andere opties, zoals onvoorwaardelijke opties, zijn dan mogelijk 62 M. VAN KEIRSBILCK, De belastbare meerwaarde van aandelenopties, thans en in het verleden, Fisc. Koer. 2001, Supra 25, nr Supra 17, nr Amendement nr. 19 op het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010/5, 1-2; Amendement nr. 86 op het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010/11, 1-3; Verslag namens de commissie voor de financiën bij het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010/13, Verslag namens de commissie voor de financiën bij het wetsontwerp houdende fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1010/13, M. VAN KEIRSBILCK, De belastbare meerwaarde van aandelenopties, thans en in het verleden, Fisc. Koer. 2001, Supra 23, nr

28 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel belastbaar bij het moment van toekenning. Art. 45 zegt immers niets over deze laatste. Dit om maar aan te tonen dat het Hof op basis van dit argument niet zonder twijfel kon aantonen dat het belastbaar feit in alle omstandigheden de uitoefening van de optie moet zijn. 56. Het Hof van beroep te Brussel herhaalde zijn standpunt echter in zijn arrest van 7 juni Tegen beide arresten werd cassatieberoep aangetekend. c.2.) Arrest van 19 februari 2002 van het Hof van Beroep te Antwerpen 57. Een volgend belangrijk arrest, was het arrest van 19 februari 2002 van het Hof van Beroep te Antwerpen. 70 Hierin kwam het Hof tot de conclusie dat opties belastbaar zijn op het moment van het definitief verworven zijn van de optie. Dit is immers het moment van de definitieve overgang van het recht om de optie uit te oefenen naar het privépatrimonium van de optiehouder. 58. Het Hof zoekt hierbij steun in de theorie van de continu precaire aandelenopties. Volgens het Antwerpse Hof van Beroep is een optie een contract waarbij de optiegever zich op onherroepelijke wijze en voor een bepaalde tijd verbindt om bij de uitoefening van de optie door de optiehouder, een aantal aandelen ter beschikking te stellen van de optiehouder. De optiegever kan de uitoefening van de optie echter onderwerpen aan voorwaarden. In casu kon de optie slechts gespreid in de tijd worden uitgeoefend volgens vooraf in het optieplan, bepaalde termijnen. 71 Bovendien was de uitoefening van de optie niet meer mogelijk wanneer de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever werd beëindigd wegens (dringende) redenen. Volgens het Hof zijn deze voorwaarden voldoende om te spreken van een optie met een continu precair karakter, zodat het belastbaar moment wordt uitgesteld tot aan de lichting van de optie. Pas vanaf dat ogenblik is de optie definitief verworven en gaat ze over naar het privévermogen van de werknemer. 69 Brussel 7 juni 2002, TFR 2003, afl. 239, Antwerpen 19 februari 2002, AR 1998/FR/302, FJF 2002, afl. 4, 287 en 71 In casu kon de optie worden uitgeoefend ten belope van niet meer dan een derde van de geopteerde aandelen op en na de eerste verjaardag van de optietoekenning, ten belope van niet meer dan een derde van de geopteerde aandelen op en na de tweede verjaardag van de datum van de optietoekenning, en ten belope van om het even welke of alle geopteerde aandelen op en na de datum van de derde verjaardag van de datum van optietoekenning. 27

29 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 59. Verder stelt het Hof ook nog dat een latere wetswijziging door de Aandelenoptiewet, waardoor het voordeel wordt belast op het ogenblik van de toekenning van de optie, geen afbreuk doet aan de wettelijkheid van de betwiste aanslag. Het Hof wijst er ook nog op dat deze theorie in overeenstemming is met het advies van de Raad van State bij de Aandelenoptiewet. 72 Het Hof van Beroep te Antwerpen sluit zich met dit arrest immers aan bij de algemene visie van de Raad van State, dat (onvoorwaardelijke) aandelenopties in principe belastbaar zijn bij de toekenning ervan. Alleen wordt volgens het Hof bij voorwaardelijke opties de belastbaarheid uitgesteld tot de uitoefening van de optie, wegens het continu precair karakter ervan. 60. Men dient bij dit arrest echter de vraag te stellen of de voorwaarde in dit arrest niet eerder een ontbindende voorwaarde is, in plaats van een opschortende voorwaarde. 73 De werknemer heeft immers het recht om de optie uit te oefenen (weliswaar in termijnen) totdat hij ontslagen zou worden wegens een dringende reden. Dit sluit meer aan bij de definitie van een ontbindende voorwaarde dan bij een opschortende voorwaarde. 74 We kunnen dit het best illustreren in het geval van een Amerikaanse optie. Voorbeeld: Een werknemer krijgt een optie, met een looptijd van 5 jaar, toegekend op 1 mei Hij mag deze optie pas uitoefenen nadat hij drie jaar tewerkgesteld is bij het bedrijf. Hij moet bovendien ook nog tewerkgesteld zijn bij dezelfde onderneming op het moment dat hij de optie wil lichten. In dit voorbeeld zou het belastbaar moment op 1 mei 1998 vallen. Vanaf dan is voldaan aan de opschortende voorwaarde van de tewerkstelling en is de optie definitief verworven. Wordt de werkgever nadien ontslagen, dan verliest hij zijn recht om de optie uit te oefenen, uit hoofde van de tweede optie. Deze is dus duidelijk eerder een ontbindende voorwaarde, dan een opschortende voorwaarde. Er is immers reeds een periode geweest waarin de optiehouder zijn optie kon uitoefenen. 72 Advies R.v.St. betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actief plan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1912/1, I. DE VRIESE, Bepaling van het belastbaar moment van oude niet-gereglementeerde opties, Expat News 2002, afl. 7/8, Respectievelijk art BW en art BW. 28

30 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 61. Het arrest van het Antwerpse Hof van Beroep kreeg navolging in de lagere rechtspraak, 75 maar het bleef desondanks wachten op een uitspraak van het Hof van Cassatie om rechtszekerheid te bekomen. Na twee duidelijk verschillende meningen van de Hoven van Beroep van Brussel en Antwerpen was het voor de belastingplichtige immers geen uitgemaakte zaak wat nu juist het toepasselijke recht was. Ook tegen het zonet besproken arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen werd cassatieberoep aangetekend. c.3.) Arrest van 16 januari 2003 van het Hof van Cassatie (tegen Brussel 2 mei 2001) en de bevestiging door het arrest van 7 november 2003 (tegen Brussel 7 juni 2002) 62. Ingedachtig de kritiek vanuit de rechtsleer op het arrest van het Brusselse Hof van Beroep en de alternatieve oplossing uit het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, werd aandachtig uitgekeken naar de oplossing die het Hof van Cassatie zou aanreiken. In zijn (weinig gemotiveerde) arrest van 16 januari 2003 verbreekt het Hof van Cassatie het Brusselse arrest. 76 In tegenstelling tot het Brusselse Hof van Beroep vindt het Hof van Cassatie niet dat de wetgever in 1984 het belastbaar moment heeft willen vastleggen op het ogenblik van de uitoefening van de opties. Het bevestigt integendeel, zoals eerdere rechtsleer reeds vermoedde, dat de wetgever geen standpunt inneemt m.b.t. het tijdstip van het belastbaar moment. Art. 45 van de wet van 27 december 1984 zou enkel de voorwaarden vast leggen waaronder een eventueel voordeel bij lichting kan worden vrijgesteld. Het Hof gaat hiermee in op de argumentatie van de eiser tot cassatie die verwees naar de parlementaire voorbereidingen van het vermelde artikel, in het bijzonder naar de aanpassing van het wetsontwerp naar aanleiding van amendement nr Bijgevolg moet men kijken naar de algemene regels, zoals vervat in het WIB Het Hof verwijst dan ook naar het (oude) art. 26 WIB 1964, 78 dat de belastbare bezoldiging van werknemers omschrijft. Zoals eerder gezien, kunnen aandelenopties een voordeel van alle aard uitmaken, in de zin van vermeld artikel. Om te beoordelen of een werknemer effectief een voordeel van alle aard verwerft, uit hoofde of naar aanleiding van 75 Rb. Brussel 2 september 2002, AR 2001/4036/A, Rb. Brussel 14 maart 2002, AFT 2002 (weergave PATTYN), afl. 12, 502 en Rb. Antwerpen 9 oktober 2002, AR 00/2654/A, en Contra Rb. Brussel 6 juni 2002, Expat News 2003 (weergave VERBIS), afl. 2, Cass. 16 januari 2003, AR F F., AFT 2003, afl. 3, 149, en 77 Infra 17, nr Het huidige art. 31 WIB

31 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel zijn beroepswerkzaamheid, dient men zich op het ogenblik van de toekenning van de opties te plaatsen, aldus het Hof. De eventuele winst die de werknemer behaalt bij het lichten van de optie vloeit niet voort uit zijn beroepswerkzaamheid, maar is het gevolg van de fluctuaties van de waarde van de onderliggende aandelen. Bijgevolg kan men hier, volgens het Hof, niet spreken van een voordeel dat verworven is krachtens de arbeidsovereenkomst. 64. Bij dit arrest moeten echter twee kanttekeningen worden geplaatst. 79 Een eerste bemerking is dat het Hof niet zegt hoe het belastbaar voordeel precies moet berekend worden op het moment van de toekenning. Op zich hoeft dit echter niet problematisch te zijn, want indien men het arrest van het Hof volgt is het belastbaar feit hier immers de toekenning van de optie. Datzelfde belastbare feit is ook het vertrekpunt voor de algemene verjaringstermijn in fiscale zaken. In 2003 waren de oude aandelenopties reeds minimum vier jaar toegekend, zodat de meeste reeds verjaard waren. Dit geldt a fortiori nog meer voor eventuele discussies die vandaag zouden gevoerd worden Een tweede lacune in het arrest had ingrijpendere gevolgen voor de verdere discussie. Het Hof liet immers na om het begrip toekenning verder uit te werken. Hierdoor stond de deur voor de administratie nog steeds open om de aandelenopties de facto te belasten bij de lichting van de opties. 66. Het Hof van Cassatie velde op 7 november 2003 nog een tweede arrest. 81 Dit maal werd het arrest van 7 juni 2002 van het Hof van Beroep te Brussel verbroken. 82 De lacunes in het eerste cassatiearrest werden bij deze gelegenheid echter niet ingevuld. De verdienste van dit arrest bestaat dan ook louter uit het bevestigen van het principearrest van 16 januari G. GOYVAERTS, Een achterhoedegevecht in Brussel beslecht door Cassatie of de belastbaarheid van het voordeel uit oude aandelenopties bij toekenning eindelijk bevestigd, TFR 2003, afl. 239, ; K. HERMANS, J. DAVAIN, Belasten bij toekenning, vindt Cassatie. Oude, niet gereglementeerde aandelenopties: knoop doorgehakt, Fisc. Act. 2003, afl. 3, 1-3; A. DE REYMAEKER, Oude aandelenopties: belastbaar bij toekenning, Fisc. Act. 2004, afl. 34, Zelfs indien de fiscus beroep zou kunnen doen op de bijkomende aanslagtermijn van 8 jaar i.g.v. fraude, zijn alle oude aandelenopties reeds verjaard sinds Cass. 7 november 2003, AR , FJF 2004, nr. 2004/46, Brussel 7 juni 2002, TFR 2003, afl. 239,

32 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel c.4.) Tegenstrijdige invulling van het begrip toekenning door de rechtspraak 67. Zoals onmiddellijk na het uitkomen van het hierboven besproken cassatiearrest werd gevreesd, bleef de discussie over de oude aandelenopties lustig voortduren. Inzet was nu de invulling van het begrip toekenning. 68. De administratie paste noodgedwongen haar stelling aan, maar het resultaat bleef hetzelfde. De facto belastte ze de aandelenopties nog steeds op het ogenblik van de lichting, omdat zij het begrip toekenning heel rekbaar was gaan interpreteren. Volgens de fiscus was het moment van terbeschikkingstelling, het moment waarop de genieter ook effectief de bedoelde inkomsten moest kunnen innen. In haar visie is dit op het moment dat de uitoefening van de optie aan geen enkele voorwaarde meer is onderworpen. De administratie maakt bijgevolg geen onderscheid tussen de opschortende en de ontbindende voorwaarden. 83 Het belastbare moment is, in deze redenering, dan ook in de meeste gevallen het moment van de uitoefening van de opties aangezien slechts op dat moment het voordeel definitief wordt toegekend Het gevolg was een reeks van uiteenlopende invullingen van het begrip toekenning in de rechtspraak. Sommige rechters beschouwden de vest als het belastbare moment. 85 Indien aan de toekenning van de aandelenoptie voorwaarden gekoppeld zijn waardoor deze nog niet definitief is verworven (bedoeld worden opschortende voorwaarden), dan valt het belastbaar moment pas op het ogenblik dat deze voorwaarde vervuld wordt ofte de vest. 70. Andere rechtspraak volgde de redenering van de administratie en beschouwde de optie pas als definitief toegekend bij de uitoefening ervan, indien de optie onderworpen is aan enige voorwaarde. 86 Deze rechtspraak meent aan te sluiten bij het eerder besproken arrest van 19 februari 2002 van het Hof van Beroep te Antwerpen 87 en de daarin aanvaarde theorie van de continu precaire aandelenopties. Zoals eerder besproken ligt in dit arrest een onduidelijkheid vermeld. Meer bepaald kan men zich afvragen, als het Antwerpse Hof 83 Zie argumentatie fiscus in Rb. Gent 26 mei 2004, AR 02/4103/A, 84 P. VERSWIJVER, J. PATTYN, Oude aandelenopties: lagere rechtbanken bestendigen rechtsonzekerheid!, AFT 2004, afl. 12, Rb. Brugge 29 december 2003, AR , Fisc.Act (weergave PATTYN), afl. 18, Rb. Gent 26 mei 2004, AR 02/4103/A, 87 Antwerpen 19 februari 2002, AR 1998/FR/302, 31

33 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel ook ontbindende voorwaarden als van die aard beschouwde, dat zij een aandelenoptie continu precair maakten. De rechtbank van eerste aanleg te Gent gaat er in haar vonnis van uit dat ook een ontbindende voorwaarde het belastbare moment uitstelt en komt zo tot de conclusie dat de aandelenopties pas zijn toegekend op het moment van de uitoefening. 71. In nog andere rechtspraak luidde het, dat het belastbare moment valt bij de formele toekenning (of de verkrijging), ongeacht of het gaat om voorwaardelijke of onvoorwaardelijke opties. 88 Ook hier wordt geen onderscheid gemaakt tussen opschortende en ontbindende voorwaarden. De argumentatie achter deze redering is dat dergelijke opties enkel een effect hebben op de uitoefening van de optie, en niet op het bestaan van de optie, terwijl het de optie zelf is die een voordeel van alle aard uitmaakt, in de zin van art. 31, 2 WIB Bijgevolg dient men zich steeds op het ogenblik van de verkrijging te plaatsen om te bepalen als er een voordeel van alle aard is toegekend aan de werknemer. 72. Ook met betrekking tot de waardering waren er verschillende meningen te horen. De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen oordeelde in haar vonnis van 16 februari 2004 dat de waarde van een aandelenoptie op het moment van verkrijging niet te bepalen valt, gelet op de voorwaarden die eraan verbonden zijn. 89 Weliswaar bestaan er bepaalde formules om deze waarde te berekenen, maar deze geven slechts een raming van de waarde. Impliciet beslist de rechtbank hier dat oude aandelenopties niet belastbaar zijn. 90 Hier moet allicht een voorbehoud gemaakt worden voor beursgenoteerde opties. 73. De rechtbank van eerste aanleg te Brugge besliste in haar vonnis van 29 december 2003 dat het belastbaar voordeel bestaat uit het voordeel dat gerealiseerd wordt bij de uitoefening van de aandelenopties, aangezien de vest en de uitoefening nog in hetzelfde inkomstenjaar vielen in de voorliggende zaak. 91 Wellicht bedoelt de rechtbank hiermee dat het belastbaar voordeel van aandelenopties de winst is, die potentieel gemaakt kan worden op het moment van de vest. Op dit ogenblik moet men immers geen rekening meer houden met de eraan verbonden voorwaarden. Men kan zich bij deze visie wel afvragen 88 Rb. Antwerpen 16 februari 2004, AR 02/3331/A, Rb. Antwerpen 26 april 2004, AR 02/5996/A, Rb. Brussel 30 juni 2004, Fisc. Act (weergave PATTYN), afl. 34, 1; Rb. Hasselt 10 november 2004, AR A., 89 Rb. Antwerpen 16 februari 2004, AR 02/3331/A, 90 P. DERTHOO, P.,VERSWIJVER, J. PATTYN, Moment van toekenning. Oude aandelenopties: the saga continues, Fisc. Act. 2004, afl. 18, Rb. Brugge 29 december 2003, Fisc. Act (weergave PATTYN), afl. 18, 1. 32

34 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel wat er gebeurt als op het moment van de vest, de waarde van de onderliggende aandelen lager is dan de uitoefenprijs. Vormt deze aandelenoptie dan geen belastbaar voordeel? Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de rechtspraak het niet eens geraakte, zowel m.b.t. het belastbaar moment, als m.b.t. de waardering van het belastbaar voordeel. Het was wachten op een derde cassatiearrest en dat kwam er uiteindelijk ook door het cassatieberoep aangetekend tegen het arrest van 19 februari 2002 van het Hof van Beroep te Antwerpen. 93 c.5.) Arrest van 4 februari 2005 van het Hof van Cassatie (tegen Antwerpen 19 februari 2002) 75. Het langverwachte cassatiearrest kwam er uiteindelijk op 4 februari In dit arrest aanvaarde het Hof de theorie van de continu precaire aandelenopties, zoals die uit het Antwerpse arrest bleek. Het Hof van Cassatie verbrak bijgevolg het arrest van 19 februari 2002 van het Hof van Beroep te Antwerpen niet. 76. Het Hof oordeelde concreet dat een optie principieel belastbaar is bij de toekenning, maar dat het belastbare moment uitgesteld wordt in het voorkomend geval dat de uitoefening van de optie onderworpen is aan een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Hiermee sloot het Hof aan bij zijn eerdere arresten van 16 januari en 7 november , maar voegde het een belangrijke verfijning toe. 77. In casu besliste het Hof dat de optie afhankelijk bleef van deze toekomstige, onzekere gebeurtenis tot op het moment van de uitoefening. Het belastbaar moment in deze zaak viel dus samen met de uitoefening van de optie. Hieruit beslissen dat het belastbaar moment steeds bij de lichting van de optie te situeren valt zou echter te kort door de bocht zijn. 92 P. DERTHOO, P. VERSWIJVER, J. PATTYN, Moment van toekenning. Oude aandelenopties: the saga continues, Fisc. Act. 2004, afl. 18, Antwerpen 19 februari 2002, AR 1998/FR/302, 94 Cass. 4 februari 2005, AR F N, FJF 2006, nr. 2006/45, 144 en 95 Cass. 16 januari 2003, AR F F., 96 Cass. 7 november 2003, AR , FJF 2004, nr. 2004/46,

35 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 78. Wat dient nu juist verstaan te worden onder een dergelijke toekomstige, onzekere gebeurtenis? Vooreerst kan men uit het cassatiearrest afleiden dat een loutere tijdsbepaling hier niet onder valt. Een voorbeeld van een loutere tijdsbepaling kan zijn dat de aandelenoptie pas na 1 jaar uitoefenbaar wordt. 97 Een dergelijke bepaling beïnvloedt het belastbaar moment dus niet. Een opschortende voorwaarde zal wel het belastbaar moment uitstellen. Hierover is intussen geen twijfel meer. Een voorbeeld van een opschortende voorwaarde is de clausule dat de optie pas kan worden uitgeoefend als bepaalde quota bereikt zijn m.b.t. omzet of winst. Meer discussie bestaat er over de ontbindende voorwaarde. Uit het arrest kan niet met zekerheid bepaald worden of een ontbindende voorwaarde nu al dan niet het belastbare moment uitstelt. De ontbindende voorwaarde in het arrest betreft het ontslag wegens dringende reden van de werknemer. Nu kan men stellen dat de kans dat dit voorkomt klein is en grotendeels in handen ligt van de werknemer zelf. Toch vond het Hof van Cassatie deze voorwaarde genoeg om het belastbaar moment uit te stellen, waardoor men kan vermoeden dat het Hof wel degelijk een uitstellend effect toekent aan ontbindende voorwaarden. Het arrest is echter te weinig gemotiveerd om dit met zekerheid te stellen. Aannemelijker, alhoewel zeker geen vaststaande regel, is dat een ontbindende voorwaarde op zich het belastbaar moment niet uitstelt, maar dit wel kan doen in combinatie met een tijdsbepaling. Laten we de situatie nemen waarbij de aandelenoptie uitoefenbaar wordt na 1 jaar, maar vervalt bij de beëindiging van de tewerkstelling. In dit geval kan de werknemer zijn recht nog niet uitoefenen totdat de tijdsbepaling is verstreken en heeft hij tot dat moment ook geen zekerheid dat hij de optie ooit zal kunnen lichten. 98 Bijgevolg kunnen we aannemen dat deze combinatie ervoor zal zorgen dat het belastbaar moment zal uitgesteld worden, minstens tot op het moment dat de tijdsbepaling verloopt. 97 Hoewel sommige rechtspraak een dergelijke clausule als een opschortende voorwaarde beschouwt, (zie Rb. Brussel 30 juni 2004, Fisc. Act (weergave PATTYN), afl. 34, 1) is men het in de rechtsleer er wel degelijk over eens dat dit als een loutere tijdsbepaling beschouwd dient te worden. In combinatie met een andere voorwaarde kan dit eventueel wel een toekomstige, onzekere gebeurtenis uitmaken. (zie P. VERSWIJVER, J. PATTYN, Oude aandelenopties: lagere rechtbanken bestendigen rechtsonzekerheid!, AFT 2004, afl. 12, 32). 98 C. CREVITS, Oude aandelenopties toch soms belastbaar bij uitoefening, Fiscoloog 2005, afl. 969, 6. 34

36 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 79. Voor de volledigheid wil ik hier ook melding maken van een minderheidsstrekking in de rechtsleer die een alternatieve lezing van hetzelfde cassatiearrest vooropstelt. Dhr. SPAGNOLI is de mening toegedaan dat het Hof zich niet heeft aangesloten bij de theorie van de continue precariteit en er zich integendeel tegen heeft afgezet. De bedoelde auteurs vergeten in hun lezing onder meer in rekening te brengen dat het Hof van Cassatie geen herbeoordeling van de feiten kon doorvoeren ( ook al zou die gevolgtrekking verkeerd zijn, arrest pagina 18). Het valt trouwens niet weinig op dat het Hof van Cassatie angstvallig vermijdt om de term continue precariteit te gebruiken. Integendeel het hof [sic] gebruikt de juridisch veel beter gekende termen afhankelijk zijn van een toekomstige onzekere gebeurtenis. In essentie bevestigt het Hof van Cassatie op het vlak van de fiscale werking van contractuele voorwaarden wat al lang geweten is, nl. dat enkel een opschortende ( uitoefening afhankelijk van ) voorwaarde ( een toekomstige onzekere gebeurtenis ) een uitstel van de belastbaarheid teweeg kan brengen. Een opschortende termijn (bv. de vestigingstermijn) kan dit niet (want is geen onzekere gebeurtenis ), net zomin als een ontbindende voorwaarde (bv. het verlies van het recht de opties uit te oefenen als zich een welbepaalde toekomstige onzekere gebeurtenis voordoet). 99 M.i. lijkt deze lezing vergezocht. Afleiden uit het cassatiearrest dat ontbindende voorwaarden het belastbaar moment niet uitstellen is hoogst twijfelachtig. Het Hof doet immers helemaal geen uitspraak omtrent ontbindende voorwaarden, het beperkt zich ertoe om het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen te bevestigen. Uit het voorliggende cassatiearrest kan men slechts twee zaken afleiden. Of het Hof van Cassatie maakt geen onderscheid tussen ontbindende en opschortende voorwaarden, of het Hof ziet een toekomstige, onzekere gebeurtenis in de combinatie van een ontbindende voorwaarde met een loutere tijdsbepaling. De laatste mogelijkheid lijkt hierbij de juridisch meest correcte. Het Hof van Cassatie bevestigt m.a.w. het principe van de continu precaire aandelenopties, de enige vraag die nog openblijft is als ook een ontbindende voorwaarde op zich het belastbare moment kan uitstellen. 80. Tenslotte dienen we het hier nog te hebben over het belastbare voordeel. Ook hier geeft het Hof van Cassatie de Antwerpse beroepsrechter gelijk. Deze besliste dat het verschil tussen de uitoefenprijs en de waarde van de onderliggende aandelen op het 99 K. SPAGNOLI, Aandelenopties: stilaan meer duidelijkheid, maar nog steeds verrassingen, Fisc. Act. 2006, afl. 5, 5. 35

37 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel moment van de uitoefening, als belastbaar voordeel dient te worden genomen. De belastingplichtige had geargumenteerd dat de stijging van de aandelenkoersen tussen het moment van de toekenning en het moment van de uitoefening het gevolg was van externe factoren en dus niet van zijn beroepswerkzaamheid. Het Hof van Cassatie volgde hem hier echter niet in en besliste dat de begunstigde enkel kon genieten van de waardestijging van deze aandelen dankzij zijn beroepswerkzaamheid. Deze beslissing van het Hof van Cassatie is bizar gezien zijn eerdere arrest in een (weliswaar niet-fiscale) zaak. Overwegende dat de eventuele winst die de werknemer realiseert wanneer hij de optie licht en later tot verkoop van de aandelen overgaat, uitsluitend het gevolg is van de fluctuaties van de aandelenkoersen en van zijn hoedanigheid van aandeelhouder en niet het gevolg is van de in uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, noch een voordeel is krachtens de arbeidsovereenkomst. 100 Het Hof van Cassatie zit bijgevolg niet helemaal op dezelfde lijn wat betreft sociale zaken en fiscale. Men kan zich afvragen welk standpunt men nu moet volgen Het valt te betreuren dat het Hof van Cassatie dit arrest niet uitgebreider heeft beargumenteerd. Doordat het Hof gewoon de motivatie van het Antwerpse Hof van Beroep heeft overgenomen, liet het hier (alweer) een kans liggen om de materie definitief te regelen. De kritiek die er gekomen is op het arrest van 19 februari 2002 van het Hof van Beroep te Antwerpen werd niet beantwoord door het Hof van Cassatie. Men kon dus nog steeds dezelfde vragen opwerpen. 100 Cass. 4 februari 2002, JTT 2002, 145 en 101 J. PATTYN, Cassatie en oude aandelenopties: De weg blijft stijl en lang, Fisc. Act. 2005, afl. 6, 3. 36

38 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel c.6.) Lagere rechtbanken preciseren het arrest van 4 februari 2005 van Het Hof van Cassatie 82. Vanwege de geringe motivering werd het cassatiearrest van 4 februari 2005 inderdaad geen principearrest. De eerste (lagere) rechtspraak ging mee in de redenering van het Hof en bevestigde het principe van het continu precair karakter van aandelenopties. 102 De hogere rechtsmachten, met de Hoven van Gent en Antwerpen op kop, volgden echter niet. 83. Op 20 september 2005 preciseren zowel het Hof van Beroep te Gent 103 als het Hof van Beroep te Antwerpen 104 het standpunt van het Hof van Cassatie en het eigen, vroegere standpunt. Het is immers net het Hof van Beroep te Antwerpen dat de theorie van de continu precaire aandelenopties in de rechtspraak lanceerde Het Antwerpse Hof oordeelde dat men de voorwaarden in de voorliggende zaak kon onderverdelen in twee categorieën. De eerste categorie bestaat daarbij uit voorwaarden verbonden aan de uitoefening van de optie en de tweede categorie uit voorwaarden verbonden aan de toekenning van de optie. Enkel voorwaarden uit deze laatste categorie kunnen van die aard zijn om het belastbaar moment uit te stellen. De optie in kwestie kon enkel vervallen naargelang van bepaalde situaties, zoals het ontslag van de werknemer wegens dringende reden. Deze voorwaarde valt volgens het Hof te kwalificeren als een ontbindende voorwaarde (behorende tot de tweede categorie, dus verbonden met de toekenning van de optie). Gelet op de aard van een ontbindende voorwaarde heeft de begunstigde de optie reeds definitief verworven en is de optie in casu dus belastbaar, op het moment van toekenning. Volgens het Hof van Beroep te Antwerpen heeft een ontbindende voorwaarde dus geen invloed op het belastbaar moment. Met de eerste categorie van voorwaarden, verbonden aan de uitoefening van de optie, doelde het Hof op de zogenaamde loutere tijdsbepalingen. Een dergelijke voorwaarde schort de uitoefening van de optie tijdelijk op, maar is niet van die aard dat de begunstigde zijn recht om de optie uit te oefenen kan verliezen. Het gaat bijgevolg om een toekomstige, zekere gebeurtenis en niet om een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Deze tijdsbepaling 102 Rb. Gent 14 april 2005, AR 02/967/A, Rb. Leuven 20 mei 2005, AR 01/2914/A, 103 Gent 20 december 2005, 2004/AR/1906, Fisc.Act. 2006, afl. 4, 5 en 104 Antwerpen 20 december 2005, 2004/AR/1038, 105 Supra 27, nr

39 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel heeft dus, zoals hierboven reeds besproken werd, geen invloed op het belastbaar moment. Dit wordt nu bevestigd door het Hof van Beroep te Antwerpen. 85. Het Hof van Beroep te Gent deed op dezelfde dag een grondig gemotiveerde, gelijkaardige uitspraak i.v.m. warrants (die aan dezelfde principes onderworpen zijn als de oude aandelenopties). Het Hof bevestigt dat in deze materie drie toonaangevende arresten van het Hof van Cassatie bestaan, waarbij het belastbare moment op het ogenblik van de toekenning van de opties werd gelegd. Doch, ingevolge het laatste cassatiearrest, bestaat de mogelijkheid dat het belastbaar moment wordt uitgesteld tot de lichting van de aandelenopties, door hun continue precair karakter. Bijgevolg moet men volgens het Gentse Hof nagaan als de aandelenopties een dergelijk continu precair karakter hebben doordat de onderliggende voorwaarden de mogelijkheid om te lichten, afhankelijk maken van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Het Hof stelt daarbij vast dat de begunstigde reeds onmiddellijk en onvoorwaardelijk een aantal rechten verkreeg bij de toekenning van de warrants. De clausule die bepaalt dat de begunstigde de warrants dient terug te verkopen aan de onderneming indien haar tewerkstellingsovereenkomst wordt beëindigd, is daarbij alleen een bevestiging van haar eigendomsrecht. Hoogstens kan dit beschouwd worden als een ontbindende voorwaarde. De toekenning van de warrants heeft dus een onmiddellijke en volledige uitwerking en vervalt slechts op het ogenblik dat de begunstigde geen werknemer meer is. De warrants zijn bijgevolg niet afhankelijk van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Verder bepaalt het Hof ook dat een loutere tijdsbepaling geen opschortende voorwaarde kan uitmaken. De tijdsbepaling verschilt van de voorwaarde doordat zij de verbintenis niet opschort maar alleen haar uitvoering uitstelt. Een dergelijke tijdsbepaling betekent dus niet dat de begunstigde de warrants slechts heeft verkregen op het ogenblik dat de warrants worden uitgeoefend. 86. Zowel het Antwerpse als het Gentse Hof van Beroep beperken hier dus het toepassingsgebied van de theorie van de continu precaire aandelenopties in vergelijking met het vorige cassatiearrest en sluiten hiermee aan bij de meerderheidsvisie in de rechtsleer J. PATTYN, P. DERTHOO, Oude aandelenopties: rechtspraak volgt rechtsleer, Fisc. Act. 2005, afl. 38, 9. 38

40 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 87. Het duurde niet lang vooraleer andere rechtbanken deze rechtspraak volgden. 107 Uiteindelijk volgden er met het arrest van 13 december 2006 van het Hof van Beroep te Brussel 108 en de arresten van het Hof van Beroep te Gent van 17 april nog een reeks uitgebreid gemotiveerde arresten in dezelfde zin. Ook het Hof van Cassatie sprak zich in 2008 nog eens uit over een zaak inzake oude aandelenopties. 110 Hoewel het hier een sociale zaak betrof, kan men er ook fiscale conclusies uit halen. In haar arrest stelde het Hof duidelijk, dat de aandelenopties in het privévermogen van de begunstigde vielen op het ogenblik van toekenning, ondanks de ontbindende voorwaarde die verbonden was met de optie. 88. Deze arresten beteken allicht een einde voor de hele discussie. Men kan enkel hopen dat de discussie met betrekking tot de fiscale behandeling van oude aandelenopties nu voor eens en voor altijd geregeld is RSZ 89. Onder het oude stelsel van aandelenopties, zoals geregeld door de wet van 27 december 1984, was er een grote rechtsonzekerheid in verband met het al dan niet verschuldigd zijn van socialezekerheidsbijdragen op het voordeel voortvloeiend uit de aandelenopties. Volgens de RSZ-administratie vielen aandelenopties, op het moment van lichting, onder art 2, 3 van de wet van 12 april 1965 (Hierna de Loonbeschermingswet genoemd). Het voordeel uit deze opties vormden op dat moment, in de ogen van de RSZ in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer recht heeft ten laste van de werkgever. 111 Bijgevolg was dit voordeel onderworpen aan sociale heffingen op het moment van uitoefening. Hoewel deze stellingname twijfelachtig was werd ze later wel onrechtstreeks 107 Rb. Leuven 21 oktober 2005, 0521/1828, Fisc. Act (weergave SPAGNOLI), afl. 5, 4; Gent 20 december 2005, 2004/AR/1906, Rb. Gent 25 oktober 2006, Fiscoloog 2007 (weergave CB), afl. 1054, 9; Rb. Antwerpen 20 november 2006, AR 03/2308/A, Rb. Leuven 21 september 2007, AR 02/2028/A, Fiscoloog 2007, afl. 1090, 11 en 108 Brussel 13 december 2006, 2002/AR/ /AR/2822, 109 Gent 17 april 2007, 2004/AR/248, Gent 17 april 2007, 2005/AR/502, 110 Cass. 20 oktober 2008, AR S N, JTT 2009, afl. 1043, 297 en 111 Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, BS 30 april

41 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel (en slechts gedeeltelijk) bevestigd door de invoering van het KB van 5 oktober Ook het eerste vonnis in deze materie volgde het standpunt van de RSZ-administratie. 113 Het Hof van Cassatie velde in 2002 en later in 2008 echter twee andersluidende arresten. 114 Het Hof stelde dat een aandelenoptie slechts een voordeel uit hoofde van zijn tewerkstelling uitmaakt op het moment van toekenning. Eventuele latere voordelen, bekomen op het moment van uitoefening, hebben geen uitstaans met de dienstbetrekking van de begunstigde-werknemer, maar is het gevolg van de fluctuatie van de aandelenkoersen en van zijn hoedanigheid van aandeelhouder. Bovendien zijn, volgens het Hof van Cassatie in 2008, geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd bij het moment van toekenning, aangezien het voordeel uit de optie op dat ogenblik niet in geld waardeerbaar is Besluit 90. Omtrent het fiscale en parafiscale stelsel van zogeheten oude aandelenopties is er heel wat inkt gevloeid. Na drie (fiscale) arresten van het Hof van Cassatie en talloze arresten van diverse Hoven van Beroep ziet het er nu eindelijk naar uit dat er rechtszekerheid is gekomen omtrent de fiscale behandeling van deze aandelenopties. 91. Een belangrijke stap in de discussie werd genomen door het arrest van het Hof van Cassatie van 16 januari 2003 en de bevestiging ervan door het arrest van 7 november Deze arresten plaatsten het belastbare moment inzake oude aandelenopties principieel op het moment van toekenning. Helaas verzuimde het Hof telkens om het begrip toekenning in te vullen, waardoor de facto weinig veranderde voor de belastingplichtige. De administratie bleef het voordeel uit aandelenopties belasten op het ogenblik van de lichting ervan. De discussie in de rechtspraak verlegde zich nu naar de invulling van dit begrip. 92. Een grote rol in dit debat werd gespeeld door het Hof van Beroep van Antwerpen dat voor het eerst de theorie van de continu precaire aandelenopties lanceerde. Een theorie die bevestigd werd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 5 februari Een theorie ook die weinig bemoedigend was voor de belastingplichtige. Ondanks het feit 112 Infra 67, nr Arbrb. Brussel 19 januari 2001, Expat News 2002 (weergave RUELENS), afl. 5, Cass. 4 februari 2002, JTT 2002, 145 en Cass. 20 oktober 2008, JTT 2009, afl. 1043, 297 en 40

42 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel dat er reeds drie cassatiearresten waren verschenen die het belastbare moment op het ogenblik van de toekenning legden, werden het grootste deel van de aandelenopties nog steeds belast op hun moment van uitoefening. 93. Het grote slachtoffer van deze aanslepende onduidelijkheid bleek uiteindelijk de belastingplichtige. Hij werd immers belast op het moment van uitoefening van zijn aandelenopties en deze belasting kon aanzienlijk hoger zijn dan wanneer hij op het moment van toekenning zou belast zijn geweest. 94. Uiteindelijk lijkt de juridisch meest correcte denkwijze het echter gehaald te hebben aan de hand van de rechtspraak van diverse Hoven van Beroep. Men dient te kijken naar het tijdstip waarop de begunstigde de optie definitief verworven heeft, ook wel de vest van de optie genoemd. Dus vanaf het ogenblik waarop de begunstigde daadwerkelijk een voordeel, zijnde de verworven kans om de optie in de toekomst uit te oefenen, verkrijgt, dient hij er op te worden belast. Zo zal een ontbindende voorwaarde op zich niet voldoende zijn om het belastbare moment uit te stellen, evenmin als een loutere tijdsbepaling. Een opschortende voorwaarde zal dan op zijn beurt steeds leiden tot een uitstelling van het belastbaar moment, tot op het ogenblik waarop de voorwaarde wordt vervuld. Een mogelijk punt van discussie dat nog overblijft is, als de combinatie van een loutere tijdsbepaling met een ontbindende voorwaarde, een toekomstige, onzekere gebeurtenis uitmaakt en bijgevolg het belastbare moment kan uitstellen. De laatste rechtspraak lijkt alvast in die zin te besluiten. 95. Het vastleggen van deze discussie en de uiteindelijke uitkomst ervan is niet zonder belang. Hoewel de Aandelenoptiewet nu reeds meer dan 10 jaar geleden in werking is getreden, is het oude stelsel nog altijd van belang. 96. Een eerste belangrijke gevolg van het vastleggen van het belastbaar moment is de verjaring. Deze begint immers te lopen vanaf het zich voordoen van het belastbare feit. Indien men dus het belastbaar moment bij de toekenning van de optie legt zullen alle oude aandelenopties reeds verjaard zijn. Valt het belastbaar moment samen met de uitoefening van de optie, dan kunnen er nog steeds oude aandelenopties belast worden in de komende jaren. 41

43 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het oude stelsel 97. Een tweede belangrijke reden waarom we rechtszekerheid nodig hebben omtrent het oude stelsel der aandelenopties, is omdat dit stelsel eventueel van toepassing zou kunnen zijn op aandelenopties die na de inwerkingtreding van de Aandelenoptiewet zijn toegekend, maar niet onder het toepassingsgebied van deze wet vallen. Het gaat hier dan over opties die mondeling of impliciet zijn aanvaard of schriftelijk zijn aanvaard na de zestigdagentermijn. Hierover wordt verder in dit werk meer uitleg gegeven. 115 Ook andere aandelenopties die niet onder de Aandelenoptiewet vallen, zijn nog steeds onderworpen aan de algemene fiscale regels. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan opties die voor professionele doeleinden worden gebruikt. 115 Infra 76, nr

44 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Hoofdstuk 2: Aandelenopties onder de wet van 26 maart 1999 het nieuwe stelsel 98. In dit hoofdstuk zal eerst een algemeen beeld geschetst worden van de totstandkoming van deze wet. Vervolgens wordt de nieuwe regeling besproken zoals die werd ingevoerd in 1999, met de eventuele latere wijzigingen steeds erbij vermeld. 116 Daarna worden alle wijzigingen, die deze wet in latere jaren heeft ondergaan en de regeling in haar huidige vorm heeft gebracht, ook nog eens op een rijtje gezet in hoofdstuk drie Totstandkoming van de wet 99. Onder het oude stelsel was het gebruik van aandelenopties sterk geremd door enerzijds de strenge voorwaarden van art. 45 van de wet van 27 december 1984 en anderzijds de controverse omtrent de belastbaarheid van niet-gereglementeerde aandelenopties. Een nieuwe fiscale regeling drong zich dan ook op om zo de aantrekkelijkheid van aandelenopties te herstellen. Een eerste poging werd ondernomen door de Ministerraad van 20 maart 1998 die een ontwerp-kb goedkeurde waarin de grote lijnen van de huidige regeling reeds werden uitgezet. 118 Dit KB beoogde een aanvulling van art.18, 3 van het Koninklijk Besluit tot uitvoering van het WIB 1992 (hierna KB/WIB 1992 ), dat voorziet in een forfaitaire waardering van anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard. Het KB zou enkel gelden voor de zogenaamde nietgereglementeerde aandelenopties, die niet onder de voorwaarden van art. 45 van de Wet van 27 december 1984 vielen. Uiteraard zouden deze forfaitaire waarderingsregels ook enkel van toepassing zijn indien de toekenning van de optie een beroepsinkomen uitmaakte. Art. 45 bleef in deze oorspronkelijke regeling bestaan en de optieplannen die eraan voldeden bleven belastingvrij Infra 44, nr. 101 e.v. 117 Infra 73, nr. 165 e.v. 118 Persbericht van de Ministerraad van 20 maart 1998, Financiële instrumenten, 119 Y. VERDINGH, Ministerraad keurt nieuwe reglementering aandelenopties goed, Fisc. Act. 1998, afl. 13, 1. 43

45 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel 100. De Raad van State heeft echter anders beslist, door te stellen dat deze materie niet bij KB geregeld kan worden. 120 Bijgevolg besliste de Ministerraad om de voorziene regeling op te nemen in een breder wetsontwerp betreffende het Belgische actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, in welke vorm de regeling uiteindelijk ook tot stand is gekomen Inhoud Inwerkingtreding 101. De Raad van State verzette zich niet alleen tegen de vorm waarbij de materie oorspronkelijk zou geregeld worden, maar had ook kritiek op de geplande datum van inwerkingtreding. De toenmalige Minister van Financiën was voorstander van een (retroactieve) inwerkingtreding op 1 juli 1998, 122 maar door de hevig kritiek van de Raad van State op deze manier van werken werd de datum van inwerkingtreding opgeschoven naar 1 januari Concreet betekent dit dat de nieuwe regeling van toepassing is op alle aandelenopties die toegekend zijn sinds 1 januari Gelet op de fictie van de wet die het begrip toekenning definieert als zijnde de 60 e dag nadat de optie aan de begunstigde aangeboden is, wil dit zeggen dat alle aandelenopties aangeboden vanaf 2 november 1998 onder de nieuwe regeling vallen. Dat ook de fiscale Administratie deze denkwijze hanteert blijkt uit haar richtlijnenvoor de opstelling van de individuele fiches en samenvattende opgaven, inzake inkomstenjaar 1999, waarin ze stelt dat melding moet worden gemaakt van de voordelen verkregen uit aandelenopties die werden aangeboden vanaf 2 november 1998 tot en met 31 december JVD, Aandelenopties: wettelijke regeling in de maak, Fiscoloog 1998, afl. 671, Persbericht van de Ministerraad van 3 juli 1998, Uitvoering van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid, 122 X., Aandelenopties: inwerkingtreding vanaf 1 januari 1999, Fiscoloog 1998, afl. 687, Art. 47, 1 Aandelenoptiewet. 124 Ministerie van Financiën, Bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten, BS 13 april 2000, ; A. DE REYMAEKER, De toepassing van de nieuwe wet inzake aandelenopties, een jaar na de inwerkingtreding, TFR 2000,

46 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Hierbij moeten we echter wel een kanttekening maken. Krachtens art. 47, 2 van de Wet van 26 maart 1999 is het oude stelsel 125 van toepassing op opties die toegekend zijn voor 1 januari Hierdoor kan men de, voor de belastingplichtige, gunstige interpretatie maken dat de periode van 60 dagen na het aanbod niet geldt om het tijdstip van de toekenning te bepalen voor aandelenopties die onder de vrijstelling van art. 45 van de wet van 27 december 1984 vallen. 126 Kortom kan gesteld worden dat voor de niet-gereglementeerde aandelenopties de nieuwe regeling van toepassing is indien ze zijn aangeboden op 2 november 1998 of later, en dat voor de gereglementeerde aandelenopties de nieuwe regeling pas van toepassing is indien het aanbod op 1 januari 1999 of later geschiedde Toepassingsgebied 103. Hoewel de belangrijkste doelstelling van deze nieuwe wet de nauwere betrekking van de begunstigden bij hun onderneming is, is het toepassingsgebied een stuk ruimer uitgevallen. Uit het Commissieverslag blijkt dat dit bewust was. 127 Bij een beperkter toepassingsgebied zou men het risico lopen om een nieuwe rechtsonzekerheid te creëren m.b.t. opties die niet zozeer voor deze motiverende reden zijn opgesteld. Door het kiezen voor een ruim toepassingsgebied poogt men alle aandelenopties onder de nieuwe regeling te brengen om zo alle verdere discussies te vermijden. [aandelenoptie] 104. In art 41, 3 van de Aandelenoptiewet wordt de aandelenoptie bijgevolg ruim gedefinieerd als het recht om, gedurende een welbepaalde termijn een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs. Bijgevolg kan de optie zowel slaan op nieuwe aandelen, uitgegeven bij een kapitaalverhoging, als op reeds bestaande aandelen. De optie kan hierbij 125 Meer bepaald art. 45 van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen. 126 M. MOYAERT, Fiscale fiches. Aandelenopties op loonfiches roepen nog veel vragen op, Fisc. Act. 2000, afl. 16, Verslag namens de commissie voor de financiën en de Begroting bij het wetsontwerp betreffende het Belgisch actief plan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , 1912/8,

47 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel van het Europese of van het Amerikaanse type zijn, wat inhoudt dat de optie dient uitgeoefend te worden, respectievelijk op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode. [aandelen] 105. De term aandelen dient hier ruim begrepen te worden, want ook warrants en winstbewijzen worden hieronder begrepen. 128 Gelet op de definitie in de wet van vennootschappen, kunnen deze effecten zowel van binnenlandse als van buitenlandse vennootschappen afkomstig zijn, zolang deze maar rechtspersoonlijkheid bezitten. 129 [de begunstigde] 106. Onder de begunstigde moet verstaan worden de persoon die een voordeel verkrijgt uit hoofde of naar aanleiding van zijn beroepswerkzaamheid. 130 Ook hier gaat het terug om een ruime uitlegging van het begrip, zodat de regeling geenszins beperkt is tot de werknemers. Volgens de Minister van Financiën kunnen onder dit begrip alle natuurlijke personen geplaatst worden, die een zakelijke relatie hebben (in de ruime zin van het woord) met de betrokken onderneming. Bedoeling is om iedereen die zijn beroepsinkomsten uit een onderneming haalt aan die onderneming te binden. 131 Naast de groep van de werknemers kunnen hier dus ook de bedrijfsleiders en derden-aannemers (zoals bv. consulenten, adviseurs) onder vallen, op voorwaarde dat deze laatste natuurlijke personen zijn die wonen in België en onderworpen zijn aan de persoonsbelasting of aan de belasting der niet-verblijfhouders en de opties niet gebruiken voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid Opties toegekend aan rechtspersonen vallen niet onder de regeling en kunnen dus niet genieten van de forfaitaire waardering van opties. Uit art. 42, 1 van de Wet van 26 maart 1999 blijkt immers dat het hier over een regeling van de personenbelasting gaat. Dit artikel bevestigt het principe dat de (al dan niet kosteloze) toekenning van een 128 Art. 41, 2 Aandelenoptiewet. 129 Art. 41, 1 Aandelenoptiewet. 130 Art. 42, 1, lid 1 Aandelenoptiewet. 131 Verslag namens de commissie voor de financiën en de Begroting bij het wetsontwerp betreffende het Belgisch actief plan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , 1912/8, 8. 46

48 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel aandelenoptie een voordeel van alle aard uitmaakt, verkregen uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid. Ook de minister van Financiën bevestigde dat vennootschappen niet onder de regeling vallen Belastbaar moment 108. Onder de oude regeling was het belastbaar moment een fel bediscussieerd punt waarbij de Administratie en de rechtsleer lijnrecht tegenover elkaar stonden 133. Met de nieuwe wet van 26 maart 1999 wordt een einde gesteld aan de discussie voor wat betreft de nieuwe aandelenopties. Het belastbaar moment wordt nu vastgelegd op het moment van toekenning, behalve wanneer de optie wordt aangewend voor de uitoefening van de beroepsactiviteit. 134 Eventuele meerwaarden verkregen bij de vervreemding, de uitoefening van de optie of van de vervreemding van aandelen die verworven werden als gevolg van die uitoefening, vormen dan geen belastbare beroepsinkomsten. 135 [de zestigdagentermijn] 109. Wat men juist dient te verstaan onder het moment van toekenning wordt in de wet verder uitgelegd. 136 De wetgever koos ervoor om een juridische fictie in te voeren en legde het moment van toekenning vast op de 60 e dag nadat de aandelenoptie was aangeboden aan de begunstigde ervan, tenzij deze laatste binnen vermelde termijn de aandelenoptie schriftelijk weigerde. In de programmawet van 24 december 2002 werd dit vermoeden echter omgekeerd. 137 De optie dient nu aanvaard te worden door de begunstigde binnen de gestelde termijn van zestig dagen. Indien zij pas later zou aanvaard worden, zal ze fiscaal geacht niet aanvaard te zijn Verslag namens de commissie voor de financiën en de Begroting bij het wetsontwerp betreffende het Belgisch actief plan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , 1912/8, Supra 21, 40 en 21, Art. 42, 1, lid 1 Aandelenoptiewet. 135 Art. 42, 2 Aandelenoptiewet; De achterliggende redenering hierbij is dat de aandelenopties in het privévermogen van de begunstigde vallen bij de toekenning ervan. Eventuele meerwaarden gerealiseerd na de toekenning zijn bijgevolg het resultaat van de beursschommelingen van de onderliggende aandelen en zijn niet belastbaar op basis van art. 90, 9 WIB Art. 42, 1, lid 2 Aandelenoptiewet. 137 Art. 404 Programmawet 24 december 2002; Infra 73, nr.165 e.v. 138 Infra 77, nr

49 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Een vroegere aanvaarding van de optie, voor het verstrijken van de zestig dagen termijn, heeft geen invloed op het moment van toekenning. 139 Eventuele opschortende of ontbindende voorwaarden verbonden aan de uitoefening van de optie hebben eveneens geen gevolg voor het moment van toekenning Dit laatste is niet onbelangrijk. Nemen we, ter illustratie, het veel voorkomende geval waarbij de uitoefening van de optie onderworpen is aan de ontbindende voorwaarde van verlies van tewerkstelling. Als in dit geval de werknemer zijn betrekking zou verliezen, verliest hij daarmee ook de mogelijkheid om zijn optie uit te oefenen en wordt deze bijgevolg waardeloos voor hem. Aangezien de ontbindende voorwaarde hier echter geen effect heeft gehad op het moment van toekenning, moet de optie reeds als toegekend beschouwd worden vanaf de 60 e dag na het aanbod. Dit wil zeggen dat de belasting op dat moment reeds (definitief) verschuldigd is. Teruggave of kwijtschelding van de belasting is hierbij niet mogelijk. 141 [aanbod] 111. Vertrekpunt van de zestigdagentermijn is het aanbod van de optie aan de begunstigde, maar wat moeten we juist verstaan onder het begrip aanbod? In het oude artikel 41, 4 van de Aandelenoptiewet wordt het aanbod omschreven als het aanbod van de optie waarvan aan de begunstigde kennisgegeven is. Deze definitie leidde tot veel onduidelijkheid. Was de dag van het aanbod de dag dat de begunstigde effectief kennis had genomen van het aanbod of was de effectieve kennisname irrelevant en moest men kijken naar de datum van verzending van de brief waarin het aanbod werd gedaan? De Administratie heeft het begrip nadien nader toegelicht in haar circulaire van 17 december 1999 en omschreef het aanbod als volgt: Er kan worden aangenomen dat aan de begunstigde is kennis gegeven op de dag dat hij met kennis van zaken in staat is uit te maken of hij het vaststaande en definitieve aanbod dat hem is gedaan, zal weigeren of zal aanvaarden. Dit houdt in dat de begunstigde wordt ingelicht aangaande al de modaliteiten verbonden aan de aangeboden optie. Het is derhalve aangewezen dat het 139 Memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1912/1, nr. 1912/1, Art. 42, 1, lid 2 Aandelenoptiewet. 141 Infra 71, nr

50 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel aanbod schriftelijk en gepersonaliseerd wordt gedaan. 142 Hieruit kon men opmaken dat de dag van het aanbod, de dag was waarop de begunstigde effectief kennis had genomen van alle modaliteiten van het aanbod De programmawet van 24 december wijzigde de definitie van het aanbod in de lijn van de bovengenoemde circulaire. Aan de oorspronkelijke definitie werd toegevoegd dat het aanbod van de optie schriftelijk en gedateerd aan de begunstigde moest kenbaar gemaakt worden. De huidige definitie in art. 41, 4 van de Aandelenoptiewet luidt nu als volgt: Het aanbod van de optie dat schriftelijk en gedateerd aan de begunstigde ter kennis wordt gebracht. Het aanbod kan bijgevolg niet langer mondeling worden gedaan. Bovendien dient het aanbod ook gedateerd te zijn, zodat discussie over het tijdstip ervan niet meer mogelijk is Belastbaar voordeel a) Onderscheid 113. De grote nieuwigheid die de wet van 26 maart 1999 invoerde is de forfaitaire wijze waarop het belastbaar voordeel voortaan bepaald wordt. Men moet ter zake een onderscheid maken tussen beursgenoteerde opties en niet-beursgenoteerde opties: - Voor beursgenoteerde opties is het belastbaar voordeel gelijk aan de laatste slotkoers voorafgaand aan de dag van het aanbod. 146 In de praktijk zijn beursgenoteerde opties echter zeldzaam. - Voor niet-beursgenoteerde opties gaat men het belastbaar voordeel forfaitair berekenen. 147 De onderstaande berekeningswijze geldt dan ook enkel voor deze categorie. 142 Circ. Nr. Ci.AFZ/ , 17 december 1999, Bull. Bel., afl. 800, 93 en 143 A. DE REYMAEKER, De toepassing van de nieuwe wet inzake aandelenopties, een jaar na de inwerkingtreding, TFR 2000, Programmawet van 24 december 2002, BS 31 december 2002 (ed. 1), Infra 73, nr Art. 43, 2 Aandelenoptiewet. 147 Art. 43, 3 Aandelenoptiewet. 49

51 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel b) Forfaitaire bepaling belastbaar voordeel 114. Het belastbaar voordeel wordt bij deze niet-beursgenoteerde aandelenopties bepaald door een percentage te nemen van de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van het aanbod. 148 Zoals voor ieder voordeel van alle aard wordt dit bedrag nog verminderd met de bijdrage van de begunstigde, indien de optie niet kosteloos verkregen wordt. 149 Indien deze bijdrage groot genoeg is, kan dit tot gevolg hebben dat het belastbaar voordeel herleid wordt tot nul. c) Waarde van de onderliggende aandelen 115. Hoe de waarde van deze onderliggende aandelen wordt bepaald, verschilt naargelang deze aandelen al dan niet op de beurs genoteerd staan. 150 [beursgenoteerde aandelen] 116. Indien de aandelen beursgenoteerd zijn is hun waarde, naargelang de keuze van de aanbieder, ofwel de gemiddelde koers van het aandeel gedurende dertig dagen die het aanbod voorafgaan, ofwel de laatste slotkoers die voorafgaat aan de dag van het aanbod. 151 Men heeft dus de vrijheid om de meest voordelige koers te nemen De wet specificeerde hierbij echter niet of het over de laatste dertig kalenderdagen of over de laatste dertig werkdagen gaat, noch of men als slotkoers de hoogste, laagste of gemiddelde dagkoers diende in acht te nemen. Naar verluidt zou de Administratie deze bepaling interpreteren als het gemiddelde van de slotkoersen van de laatste 30 kalenderdagen. 152 Deze zienswijze werd in elk geval bevestigd door de wetgever in de programmawet van 24 december Art. 43, 4 Aandelenoptiewet. 149 Art. 43, 1 Aandelenoptiewet. 150 Art. 43, 3 en 4 Aandelenoptiewet. 151 Art. 43, 4, lid 1, 1 Aandelenoptiewet. 152 A. DE REYMAEKER, De toepassing van de nieuwe wet inzake aandelenopties, een jaar na de inwerkingtreding, TFR 2000, Art. 405 Programmawet (I) van 24 december 2002; Memorie van toelichting betreffende de programmawet van 24 december 2002, Parl.St. Kamer , nr. 2124/001,

52 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel 118. Merk ook op dat hier niet het moment van toekenning, maar wel het moment van het aanbod als uitgangspunt wordt genomen. [niet-beursgenoteerde aandelen] 119. Indien de aandelen niet-beursgenoteerd zijn, moet men de werkelijke waarde op het ogenblik van het aanbod nemen. Deze waarde wordt bepaald door de persoon die de optie aanbiedt, op eensluidend advies van de commissaris-revisor van de vennootschap die de onderliggende aandelen uitgeeft. Indien deze vennootschap geen commissaris-revisor heeft, gebeurt de waardering door een bedrijfsrevisor of een accountant, 154 die door die vennootschap wordt aangewezen, of als de uitgevende vennootschap niet verblijfhoudend is, door een accountant met een vergelijkbaar statuut, aangewezen door die vennootschap. 155 Als deze aandelen kapitaalvertegenwoordigend zijn, mag hun waarde niet lager zijn dan hun boekwaarde, zoals die blijkt uit de laatste afgesloten en goedgekeurde jaarrekening van de uitgevende vennootschap voor de datum van het aanbod. 156 Zijn deze aandelen daarentegen niet kapitaalvertegenwoordigend dan wordt hun waarde bepaald overeenkomstig de rechten die hun zijn toegekend op grond van de statuten van de uitgevende vennootschap Wat de wet hier juist bedoeld met de notie boekwaarde is onduidelijk. De wet, noch de administratie geeft verdere toelichting omtrent dit begrip. Om ons een idee te vormen van de term dienen we dus terug te grijpen naar het oude stelsel inzake aandelenopties. Onder het oude fiscale stelsel gaf de administratie wel meer uitleg omtrent de waardering van de, in het kader van art. 45 van de Wet van 27 december 1984 verworven, aandelen. De administratie bepaalde toen in haar circulaire van 28 maart hoe men de minimumprijs voor niet-beursgenoteerde aandelenopties diende te bepalen. Volgens de administratie mocht de optieprijs niet lager zijn dan het quotiënt van de deling eigen 154 De mogelijkheid om dit ook door een accountant te laten doen is ingevoerd door art. 406 Programmawet 24 december Art. 43, 4, 2, lid 1 Aandelenoptiewet. 156 Art. 43, 4, 2, lid 2 Aandelenoptiewet. 157 Art. 43, 4, 2, lid 3 Aandelenoptiewet. 158 Circ. Nr. Ci.RH.242/ van 28 maart 1998, Bull. Bel., nr. 672,

53 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel vermogen van de vennootschap gedeeld door het aantal aandelen of delen die het kapitaal vertegenwoordigen. Het eigen vermogen diende dan bepaald te worden overeenkomstig het balansschema, vastgesteld door de boekhoudwetgeving en waarbij gesteund werd op gegevens van de laatste balans, afgesloten voor de datum van de optieovereenkomst. De verwoording van art. 43, 4, lid 2 Aandelenoptiewet doet denken aan deze laatste passage en sluit dan ook nauw aan bij deze bepaling. 159 Men zou hieruit dan ook kunnen afleiden dat onder de notie boekwaarde het netto-actief dient verstaan te worden, gedeeld door het aantal bestaande effecten. Weliswaar moet men hier in herinnering houden dat de boekwaarde slechts als een minimumwaarde moet dienen volgens het vermelde artikel. Voor de bepaling van de werkelijke waarde van de aandelen zal deze methode ontoereikend zijn, aangezien ze bijvoorbeeld geen rekening houdt met de latente meerwaarden, die niet tot uiting komen op de balans. Hoe deze werkelijke waarde dan wel dient berekend te worden is niet eenduidig. 160 d) Percentage 121. In principe wordt het belastbaar voordeel forfaitair vastgesteld op 15% van de waarde van de onderliggende aandelen zoals die is vastgesteld volgens de regels die hierboven werden beschreven. Wanneer de optie wordt toegekend voor een periode van meer dan vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het aanbod, wordt het belastbaar voordeel per jaar of gedeelte van een jaar dat de vijf jaar overschrijdt, vermeerderd met 1% van de voornoemde waarde. 161 Voorbeeld: Sluit men een aandelenoptie af met een uitoefentermijn van 3 jaar, dan wordt het belastbaar voordeel bepaald door 15% van de waarde van de onderliggende aandelen te nemen. Sluit men eenzelfde optie af, maar dan met een uitoefentermijn van 6,5 jaar, dan wordt dit percentage 17%, nl. 15% + 2% (1% per begonnen jaar). 159 D. SMETS, Werkelijke waarde en de waardering van aandelen: geen éénduidige regels, IBR periodieke berichten 2002, nr. 1 en 160 Voor een dieper gaande bespreking over de werkelijke waarde van aandelen zie o.a. P. DE KOSTER, I. VANDERREKEN, Het nieuwe regime voor aandelenopties, Or. 1999, ; D. SMETS, Reële waarde. Bedenkingen rond de notie werkelijke waarde, IBR Periodieke Berichten 2000, nr. 5 en D. SMETS, Werkelijke waarde en de waardering van aandelen: geen éénduidige regels, IBR periodieke berichten 2002, nr. 1 en 161 Art. 43, 5, lid 2 Aandelenoptiewet. 52

54 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel 122. Deze percentages worden echter gehalveerd tot 7,5% en 0,5% indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 162 1) De uitoefenprijs van de optie wordt definitief vastgesteld op het ogenblik van het aanbod. 163 In het commissieverslag wordt verduidelijkt dat het hier om een bepaald - en niet om een bepaalbaar - bedrag dient te gaan. 164 De verlaagde waardering kan bijgevolg niet toegepast worden indien de uitoefenprijs, op het moment van het aanbod, uitgedrukt wordt op grond van een latere waarde van het aandeel. Zo zal bijvoorbeeld de verlaagde waardering niet toepasselijk zijn als de uitoefenprijs bepaald wordt als een percentage van de toekomstige waarde van de onderliggende aandelen 165 of op grond van parameters die niet gekend of bepaald zijn bij het aanbod. 166 Latere wijzigingen aan de uitoefenprijs zijn niet toegestaan. De uitoefenprijs moet immers definitief vastgesteld zijn op het ogenblik van het aanbod ) De optie moet volgende bedingen bevatten: De optie mag niet worden uitgeoefend voor het einde van het derde kalenderjaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden, noch na het einde van het tiende jaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden. 169 Deze bepaling heeft als doelstelling om de werknemers te binden aan de onderneming De aandelenoptie is onoverdraagbaar onder levenden. 171 Enkel ingeval de begunstigde komt te overlijden, kan de optie overgedragen worden. 162 Art. 43, 6 Aandelenoptiewet. 163 Art. 43, 6, lid 1, 1 Aandelenoptiewet. 164 Verslag namens de commissie voor de financiën en de Begroting betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , 1912/8, Verslag namens de commissie voor de financiën en de Begroting betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St, Kamer , 1912/8, P. DE KOSTER, I. VANDERREKE, Het nieuwe regime voor aandelenopties, Or. 1999, Art. 43, 6, lid 1, 1 Aandelenoptiewet. 168 Art. 43, 6, lid 1, 2 Aandelenoptiewet. 169 Art. 43, 6, lid 1, 2, a Aandelenoptiewet. 170 L. WYNANT, Stock options: de wet van 26 maart 1999, Pacioli 1999, nr. 60, 53

55 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Uit bovenstaande regels kan men tot een belangrijk besluit komen. Aangezien de optie niet mag worden uitgeoefend voor het einde van het derde kalenderjaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden, begint de periode waarin de optie mag worden uitgeoefend pas te lopen vanaf het vierde jaar na het jaar waarin het aanbod heeft plaatsgevonden. Vandaar lijkt het voordeliger om opties aan te bieden tegen het einde van het jaar. 172 Voorbeeld: 173 Neemt men twee opties, waarvan de ene aangeboden is op 30/6/2009 (optie A) en de andere aangeboden op 31/12/09 (optie B). Opdat men zou kunnen genieten van de verlaagde heffing mogen beide opties enkel worden uitgeoefend vanaf 1/1/2013 tot 31/12/2019. Optie B zal hierbij worden gewaardeerd aan 10% (= 7,5% + 0,5% * 5 jaar). Optie A zal echter worden gewaardeerd aan 10,5% aangezien de looptijd van de optie 10 jaar en 6 maand bedraagt. Bovendien zal de begunstigde van optie A in dit geval ook een personal committence moeten afsluiten, wil hij genieten van de verlaagde heffing. Indien deze bedingen niet in de optie vermeld staan, kan de begunstigde zich er persoonlijk toe verbinden om deze verplichtingen toch na te leven en zodoende alsnog te genieten van de verlaagde percentages (de zogenaamde personal committence). Deze mogelijkheid wordt expliciet voorzien in de Aandelenoptiewet om het mogelijk te maken voor Belgische werknemers die voor buitenlands bedrijven werken (die niet noodzakelijk rekening houden met de Belgische wetgeving bij het opstellen van hun aandelenopties) om toch van de verlaagde waardering te genieten. 174 Op welke manier de begunstigde zich hiertoe moet verbinden is echter niet nader bepaald in de wet. Moet dit schriftelijk gebeuren of kan het ook mondeling? Ten opzichte van wie moet de begunstigde zich verbinden? Sowieso valt aan te raden dat de begunstigde dit schriftelijk regelt met het oog 171 Art. 43, 6, lid 1, 2, b Aandelenoptiewet. 172 P. DE KOSTER, I. VANDERREKE, Het nieuwe regime voor aandelenopties, Or. 1999, P. DE KOSTER, I. VANDERREKE, Het nieuwe regime voor aandelenopties, Or. 1999, Art. 43, 6, lid 2 Aandelenoptiewet; Memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1912/1,

56 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel op de bewijsvoering. Bovendien is het ook handig voor zijn werkgever, die verplicht is om bedrijfsvoorheffing in te houden op het voordeel en bijgevolg dient te weten of hij dit voordeel aan 7,5% of 15% moet berekenen. 175 In de praktijk wordt dan ook steeds een geschrift opgesteld waarbij de begunstigde zich verbindt ten opzichte van de aanbieder van de optie. 3) Het risico van vermindering van de waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft na de toekenning ervan, mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, gedekt worden door de persoon die de optie toekent, of door een persoon met wie er een band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat. 176 De optie mag dus niet ingedekt worden tegen het risico dat inherent is aan een aandelenoptie, zijnde een waardevermindering van het aandeel. Meer specifiek worden de waardeverminderingen bedoeld die het gevolg zijn van marktomstandigheden. 177 Aandelenopties zijn een instrument om werknemers dichter bij de onderneming te betrekken door hen te laten delen in de ondernemingsontwikkeling, inclusief het risico. Men mag de optiehouder bijgevolg niet indekken tegen het risico van de onderneming. Clausules ter bescherming van optiehouders tegen verwatering ten gevolge van wijzigingen in de kapitaalstructuur van de vennootschap op wier aandelen de optie slaat, zijn wel toegelaten. 178 Uit deze voorwaarde zou men ook kunnen afleiden dat een dekking door een derde (zijnde iemand anders dan diegene die de optie toekent of waarmee een band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat) wel toegestaan is door de wet A. DE REYMAEKER, De toepassing van de nieuwe wet inzake aandelenopties, een jaar na de inwerkingtreding, TFR 2000, Art. 43, 6, lid 1, 3 Aandelenoptiewet. 177 Verslag namens de commissie voor de financiën en de Begroting betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , 1912/8, Verslag namens de commissie voor de financiën en de Begroting betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , 1912/8, A. DE REYMAEKER, De toepassing van de nieuwe wet inzake aandelenopties, een jaar na de inwerkingtreding, TFR 2000,

57 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel 4) De optie heeft betrekking op aandelen van de vennootschap, ten behoeve van wie de beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend of op de aandelen van een andere vennootschap, die een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming heeft in de eerst genoemde vennootschap als bedoeld in het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen. 180 Begunstigden in dienst van een dochtervennootschap kunnen zo opties krijgen op aandelen van de moedervennootschap en op deze manier van de (eventuele) voordelen van de beursnotering genieten. Volgens de memorie van toelichting zou het hier enkel gaan om aandelen van de werkbiedende vennootschap zelf of van haar moeder- of grootmoedervennootschap. 181 De verlaagde waardering zou m.a.w. enkel gelden voor optieplannen die stroomopwaarts lopen in de groep. Indien een werknemer opties ontvangt op aandelen van de dochtervennootschap van zijn werkgever kan deze bijgevolg niet genieten van de verlaagde waardering Bepaalde van deze voorwaarden kunnen uiteraard pas gecontroleerd worden na verloop van tijd, bv. of er al dan niet een indekking is geweest van het risico van waardevermindering van de aandelen na de datum van het aanbod. Daarom voorziet de wet dan ook in een soort van sanctieregeling. Bij overtreding van bovenvermelde voorwaarden zal men alsnog belast worden op het verschil tussen de gewone forfaitaire waardering en de verlaagde waardering. 183 Hierbij kan men zich de vraag stellen wanneer dit bijkomend voordeel belastbaar is, m.a.w. wanneer de begunstigde dit zal moeten aangeven in zijn aangifte in de personenbelasting? Dient hij dit te doen in het jaar dat een van de voorwaarden niet langer vervuld is of mag hij wachten tot na 10 jaar? Uit de praktijk blijkt dat de belastingplichtige dit bijkomend voordeel zal moeten aangeven in het jaar waarin de voorwaarde verbroken wordt. 180 Art. 43, 6, lid 1, 4 Aandelenoptiewet; Hieronder wordt verstaan de vennootschappen die een deelnemingsverhouding hebben met de vennootschap die de begunstigde tewerkstelt in de zin van Hoofdstuk III, deel 1, IV, A., van de bijlage bij het KB van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen. 181 Memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1912/1, P., DE KOSTER, I., VANDERREKEN, Het nieuwe regime voor aandelenopties, Or. 1999, afl. 6-7, Art. 43, 6, lid 3 Aandelenoptiewet. 56

58 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Voorbeeld: Een optie wordt toegekend op 1/6/2009, met een looptijd van 6 jaar. De waarde van de onderliggende aandelen van de optie is 100. In het optieplan is niet voldaan aan de voorwaarden voor de verlaagde waardering. De belastingplichtige sluit echter een personal committence af, zodat de verlaagde waardering alsnog van toepassing is en hier dus wordt gewaardeerd aan 8%. Het belastbaar voordeel waarop de verschuldigde belasting zal worden berekend is hier dus 8. Had de belastingplichtige de personal committence niet afgesloten dan zou het belastbaar voordeel hier 16 geweest zijn. Op 1/10/2010 draagt de belastingplichtige echter zijn optie over, waarmee hij de voorwaarden voor de verlaagde waardering schendt. De belastingplichtige dient in zijn aangifte voor zijn inkomsten van 2010 een bijkomend belastbaar voordeel aan te geven ten belope van het verschil tussen de gewone forfaitaire waardering en de verlaagde forfaitaire waardering. M.a.w. de belastingplichtige dient een belastbaar voordeel aan te geven dat net even groot zal zijn als het belastbaar voordeel bij de toekenning, nl Art. 43, 6, lid 3 Aandelenoptiewet bepaalt ook dat indien de werknemer een zeker voordeel krijgt toegekend na de datum van het aanbod of hij een persoonlijke verbintenis afsloot en die nadien verbreekt, het bijkomende belastbare voordeel beschouwd zal worden als een voordeel van het jaar waarin hij zijn woonplaats naar het buitenland verhuisde. Later in dit werk wordt ingegaan op de vraag als België dit wel kan in een internationale context. 184 e) Uitzonderingen op het forfaitair belastbaar voordeel Dit forfaitair bepaalde belastbare voordeel kan in twee gevallen verhoogd worden, nl. bij aandelenopties in the money en bij een gegarandeerd of zeker voordeel. [aandelenoptie in the money ] 126. Indien de prijs van de uitoefening van de optie lager is dan de op het ogenblik van het aanbod geldende waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft, wordt dat 184 Infra 135, nr

59 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel verschil, in de gevallen bedoeld in de paragrafen 4 tot 6 van art. 43 Aandelenoptiewet, bij het belastbare voordeel gevoegd. 185 M.a.w. indien er sprake is van aandelenopties in the money wordt het verschil tussen de waarde van de onderliggende aandelen op het ogenblik van het aanbod van de optie en de uitoefenprijs ervan, bij het belastbaar voordeel geteld. Dergelijke aandelenopties bieden een bijkomende zekerheid en vormen dus een bijkomend belastbaar voordeel. Voorbeeld: Men kent een aandelenoptie toe aan een werknemer tegen een uitoefenprijs van 100. De waarde van de onderliggende aandelen is op dat moment echter 120. Bijgevolg heeft de werknemer reeds een voordeel bekomen van 20. Dit bijkomende voordeel van 20 zal dus moeten toegevoegd worden bij het forfaitair bepaalde voordeel Hierbij kan men nog opmerken dat bij aandelenopties out of the money, er geen vermindering van het belastbaar voordeel is toegestaan. 186 Dit zijn opties waarvan de uitoefenprijs van de optie hoger ligt dan de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van het aanbod. [Zeker of gegarandeerd voordeel] 128. Ook wanneer we te maken hebben met een zeker voordeel moet worden afgeweken van het forfaitair bepaalde belastbaar voordeel. Wanneer de optie, op het ogenblik van het aanbod of tot op de vervaldag van de termijn van uitoefening van de optie, bedingen bevat, die tot doel hebben een zeker voordeel aan de begunstigde van de optie te verlenen, vormt dit voordeel een beroepsinkomen voor het belastbaar tijdperk waarin dat laatste vaststaat, in de mate dat het meer bedraagt dan het bedrag van het belastbaar voordeel dat forfaitair wordt vastgesteld op het ogenblik van de toekenning van de optie. 187 Het gaat hier dus om allerhande bedingen die de begunstigde indekken tegen een daling in waarde van de onderliggende aandelen. Een mogelijk voorbeeld van dergelijke techniek is 185 Art. 43, 7 Aandelenoptiewet. 186 A. DE REYMAEKER, De toepassing van de nieuwe wet inzake aandelenopties, een jaar na de inwerkingtreding, TFR 2000, Art. 43, 8 Aandelenoptiewet. 58

60 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel een verkoopoptie. Zo zou men kunnen bedingen dat de werknemer de opties later terug kan verkopen aan de onderneming tegen een bepaalde, vaste prijs. Deze prijs zal dan minstens de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van het aanbod bedragen. Zo is het onmogelijk voor de werknemer om verlies te leiden met de aandelenoptie Indien de aandelenoptie dergelijke bedingen bevat betekent dit uiteraard een bijkomend belastbaar voordeel, als en in de mate waarin dit zekere voordeel groter is dan het forfaitair bepaalde belastbare voordeel. M.a.w. bij gedekte opties zal men het werkelijke voordeel belasten in plaats van het forfaitaire indien het eerstgenoemde groter is. Is het werkelijke voordeel daarentegen kleiner dan het forfaitair bepaalde voordeel, dan blijft dat laatste van tel Het moment van belastbaarheid is hier afhankelijk van het tijdstip waarop het zeker voordeel wordt toegekend. Is de optie reeds ingedekt vanaf de toekenning, dan gebeurt de verhoging van het belastbaar voordeel meteen vanaf de toekenning. Wordt het voordeel pas toegekend in de loop van de uitoefenperiode, dan wordt het logischerwijze pas belastbaar wanneer het risico ingedekt wordt en het voordeel dus zeker is In de praktijk wordt vaak gewerkt met een uitoefenprijs die bepaald wordt als een percentage van de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van uitoefening. Voorbeeld: Men legt de uitoefenprijs van de aandelenoptie vast op 90% van de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van uitoefening van de optie. Op deze manier maakt de begunstigde altijd 10% winst, ongeacht een eventuele daling van de waarde van de onderliggende aandelen ten aanzien van hun waarde bij de toekenning. In dit geval is het zekere voordeel pas belastbaar vanaf het moment dat de waarde ervan definitief vaststaat, in casu op het moment van uitoefening, waarmee een uitzondering wordt gemaakt op het principe van belastbaarheid bij toekenning Y. VERDINGH, Aandelenopties: nieuw fiscaal regime goedgekeurd, Fisc. Act. 1998, afl. 43,

61 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel f) Wijziging van de voorwaarden van de optie 132. In de parlementaire voorbereiding staat bepaald dat wijzigingen van de voorwaarden van de optie na het aanbod leiden tot een nieuwe toekenning van de optie. 189 Fiscaal worden deze wijzigingen aanzien als de toekenning van een volledig nieuwe aandelenoptie en wordt men dus opnieuw belast op de volledige, forfaitaire waarde van die nieuwe optie. Bovendien wordt deze nieuwe optie belast volgens de regels van de Aandelenoptiewet. Dit betekent dat als deze opties in the money zijn op het moment van de wijziging, ook hiervoor een bijkomend belastbaar voordeel wordt aangerekend. 190 Bij een positieve beursgang en indien er geen wijziging van de uitoefenprijs is gebeurd, zullen gewijzigde opties steeds in the money zijn In de rechtsleer wordt dit bekritiseerd. 191 Niet iedere wijziging zou leiden tot een nieuwe belastbaarheid, maar enkel essentiële wijzigingen zouden dit rechtvaardigen. Onder essentiële wijzigingen verstaat men deze die het belastbare bedrag van de aandelenoptie verhogen. Zo zal bijvoorbeeld de verlenging van de uitoefentermijn leiden tot een hogere forfaitaire waarde (1% of 0,5% per bijkomend, begonnen jaar). De invoeging van een bijkomende uitoefenperiode, binnen de bestaande uitoefentermijn, zou daarentegen geen nieuwe toekenning van een optie doen ontstaan. Ook de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken volgt deze redenering. 192 g) Belastingpercentage 134. Het belastbaar voordeel van alle aard dat door bovenstaande regels gevonden wordt, is een bezoldiging van de begunstigde-werknemer, zoals bedoeld in art. 30 e.v. van het WIB Het wordt bijgevolg belast tegen het gangbare tarief van de personenbelasting, vermeerderd met de aanvullende gemeentebelasting. 189 Memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer , nr. 1912/1, Art. 43, 7 Aandelenoptiewet; Dit voordeel is overigens ook onderworpen aan RSZ-bijdragen, Infra 69, nr X, Het 10-jarig bestaan van de fiscale wetgeving inzake aandelenopties, AFT 2009, afl. 9/10, 2-3 en 192 Voorafg.Besl. nr , 15 december 2009, Voorafg.Besl. nr , 2 september 2008, Voorafg.Besl. nr , 20 mei 2008, Voorafg.Besl. nr , 26 februari 2008, Voorafg.Besl. nr , 29 januari 2008, Voorafg.Besl. nr , 6 maart 2007, 60

62 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel 135. Bij de uitoefening van de optie is de eventueel gerealiseerde meerwaarde bij de verkoop van de verworven aandelen vrijgesteld van de inkomstenbelasting Bedrijfsvoorheffing 136. In overeenstemming met de algemene regels inzake bedrijfsvoorheffing is ook bij aandelenopties een voorheffing te betalen binnen de 15 dagen vanaf het einde van de maand waarin de optie werd toegekend Deze bedrijfsvoorheffing is verschuldigd door alle natuurlijke personen of rechtspersonen die inwoner zijn van België en inkomsten, zoals bepaald in art. 87 KB/WIB 1992, betalen of toekennen als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon. Verder is bedrijfsvoorheffing ook verschuldigd door alle niet-inwoners die in België of in het buitenland gelijkaardige inkomsten betalen of toekennen die aftrekbaar zijn van hun in België belastbare inkomsten Op aandelenopties toegekend door een Belgische vennootschap zal dus bedrijfsvoorheffing moeten ingehouden worden. 196 De bedrijfsvoorheffing is echter niet verschuldigd indien de opties zijn vrijgesteld van belasting in België op grond van een internationale overeenkomst (een dubbelbelastingverdrag) of op grond van de Belgische wet Indien de aandelenoptie is toegekend door een buitenlandse vennootschap met vaste inrichting in België, is slechts bedrijfsvoorheffing verschuldigd (door de buitenlandse vennootschap) indien de kosten die verbonden zijn aan de toekenning van de aandelenoptie, aan de Belgische vaste inrichting kunnen worden toegerekend De achterliggende redenering hierbij is dat de aandelenoptie is het privévermogen van de begunstigde valt bij de toekenning ervan. Eventuele meerwaarden gerealiseerd na de toekenning zijn bijgevolg het resultaat van de beursschommelingen van de onderliggende aandelen en zijn niet belastbaar op basis van art. 90, 9 WIB Art. 45 Aandelenoptiewet en art. 412, lid 2 WIB Art. 270 WIB 1992; Art KB/WIB Art. 270, lid 1, 1 WIB Art. 87, lid 1 KB/WIB Art. 270, lid 1, 1 WIB

63 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Er is immers enkel een inhoudingplicht indien de kosten in verband met de aandelenopties beroepskosten zijn in de zin van art. 237 WIB 1992 en om aftrekbaar te zijn dient de buitenlandse vennootschap over een belastbare entiteit te beschikken in België. 199 De voornaamste kosten die in de praktijk ten laste kunnen gelegd worden van de Belgische inrichting zijn administratiekosten Indien de aandelenoptie is toegekend door een buitenlandse vennootschap zonder vaste inrichting in België aan een werknemer van een Belgische dochtervennootschap, is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd. Hier gaat het om de hypothese waarin de (Belgische) werkgever van de begunstigde werknemer een dochtervennootschap is en bijgevolg geen vaste inrichting uitmaakt. Er zal echter toch bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn als de Belgische dochteronderneming tussenkomt bij de toekenning van de optie, ditmaal door de dochteronderneming zelf. 200 De vraag is wanneer de Belgische vaste inrichting als een tussenpersoon kan gezien worden. 201 De rechtsleer beperkt er zich toe te stellen dat onder het begrip tussenpersoon zeker niet wordt begrepen de persoon die fysiek belast is met de overhandiging van de bezoldiging. 202 Volgens LEBERSORG en PATTYN is er sprake van een tussenpersoon indien de vennootschap effectief en actief tussenkomt in de procedure van het toekennen van de aandelenopties. Een passieve interventie zou daarentegen niet voldoende zijn. De doorrekening van de kosten van de toekenning leidt op zich echter niet tot het verschuldigd zijn van de voorheffing In de praktijk vermijdt men beter, indien mogelijk, het moeten inhouden van bedrijfsvoorheffing. Het inhouden van bedrijfsvoorheffing kan immers een cashflowprobleem veroorzaken. Als een werknemer een aandelenoptie ontvangt dient hij bedrijfsvoorheffing te betalen op zowel zijn maandloon als op het belastbare voordeel van de optie. De werknemer dient binnen de 15 dagen vanaf het einde van de maand waarin de 199 J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, Art. 270, lid 1, 1 WIB Zie H. DERYCKE, Buitenlandse aandelenopties en bedrijfsvoorheffing, Fiscoloog (I.) 1999, nr. 188, 1-3; A. DE REYMAEKER, De toepassing van de nieuwe wet inzake aandelenopties, een jaar na de inwerkingtreding, TFR 2000, 449; J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, H. DERYCKE, Buitenlandse aandelenopties en bedrijfsvoorheffing, Fiscoloog (I.) 1999, nr. 188, J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5,

64 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel optie werd toegekend deze bedrijfsvoorheffing te betalen. Hier rijst echter een probleem: het belastbare voordeel van de aandelenoptie is een fictief voordeel. De werknemer heeft door de toekenning van de optie immers nog geen opbrengst gerealiseerd. Deze komt pas later en, meer nog, is nog lang niet zeker. Intussen dient de bedrijfsvoorheffing wel ingehouden te worden. Indien het nettoloon hiertoe niet toereikend is, zal tussen de werknemer en werkgever onderling moeten afgesproken worden wie deze last zal dragen. In de praktijk zal dit meestal de werknemer zijn, want indien de werkgever de bedrijfsvoorheffing voor zijn rekening neemt zal dit een bijkomend voordeel in natura vormen en dus leiden tot een bijkomende belasting in hoofde van de werknemer Formaliteiten Individuele fiches en samenvattende opgaven 142. Krachtens art. 44 van de Aandelenoptiewet dient de uitgevende vennootschap de belastbare waarde op te nemen in individuele fiches en samenvattende opgaven. Dit kan een Belgische vennootschap zijn of een buitenlandse vennootschap met een vaste inrichting in België. Indien de aandelenopties uitgegeven worden door een nietverblijfhoudende buitenlandse vennootschap, komt het aan de Belgische dochtervennootschap toe, met wie de betrokken werknemer een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, om aan deze verplichting te voldoen. 205 Zoals reeds vermeld hoeft deze laatste echter geen bedrijfsvoorheffing in te houden als ze niet tussenkomt als tussenpersoon bij de toekenning van de aandelenopties Indien het gaat om aandelenopties die buiten het toepassingsgebied van de Aandelenoptiewet vallen 207 geldt art. 44 van de Aandelenoptiewet uiteraard niet. In dit geval zal het gemene fiscale recht gelden en zal er enkel een rapporteringplicht bestaan in 204 A. DE REYMAEKER, De toepassing van de nieuwe wet inzake aandelenopties, een jaar na de inwerkingtreding, TFR 2000, 450; S. VAN BREEDAM, Aandelenopties voor werknemers en bedrijfsleiders, T.Fin.R. 2002, afl. 4, Art. 44, lid 2 Aandelenoptiewet. 206 Supra 62, nr Infra 76, nr

65 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel hoofde van de Belgische vennootschap indien de kosten werden doorgerekend en in mindering gebracht in de zin van art. 57 WIB Sanctie vennootschap 144. Indien niet voldaan is aan de bovenstaande formaliteiten wordt het belastbaar voordeel beschouwd als een abnormaal en goedgunstig voordeel en bijgevolg bij het belastbare resultaat van de uitgevende vennootschap gevoegd of, desgevallend, aan de Belgische dochtervennootschap met wie de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft Onzeker is of ook de geheime commissieaanslag ten belope van 309% kan worden toegepast. 210 Volgens art. 45 van de Aandelenoptiewet zijn de bepalingen van het WIB 1992 van toepassing voor zover de Aandelenoptiewet er niet van afwijkt. De vraag is hier dus als de sanctie in art. 44, lid 1 Aandelenoptiewet een afwijking vormt van het gemeen recht of als ze daarentegen slechts een aanvulling is. Een tekstuele interpretatie van art. 44 verhindert de geheime commissieaanslag niet. Nergens wordt immers melding gemaakt dat dit de enige mogelijke sanctie zou zijn Rapporteringplicht voor de Belgische rijksinwoners 146. Krachtens art. 5 WIB 1992 moet iedere Belgische rijksinwoner zijn volledige wereldinkomen aangeven in zijn aangifte in de personenbelasting. 212 Zodoende zal de begunstigde van een aandelenoptie die tevens een Belgisch inwoner is, het voordeel uit zijn verkregen optie moeten aangeven, zelfs indien deze niet in België belastbaar is. 208 J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, 22; T. DECLERQ, P. VERSWIJVER, J. PATTYN, Aanvaarding binnen 60 dagen. Belastbaar moment aandelenopties: eindelijk duidelijkheid?, Fisc. Act. 2004, afl. 16, Art 44, lid 1, laatste zin Aandelenoptiewet. 210 Art. 219 WIB J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, Aangezien deze thesis voornamelijk handelt over de belangen voor de werknemer wordt hier enkel over de personenbelasting gesproken. 64

66 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel 147. Hierbij rijst echter een probleem. 213 Wanneer moet de Belgische belastingplichtige het voordeel uit zijn optie aangeven in België? En daarmee verband houdende, volgens welk recht (het Belgische of het buitenlandse) moet dit voordeel berekend worden? Zoals we verder in dit werk zien heeft België internationaal een bijna uniek belastbaar moment. 214 Volgens de Belgische wetgeving is het voordeel uit een optie principieel belastbaar op het moment van toekenning, maar in het buitenland is dit vaak pas bij de vest of de uitoefening van de optie. Dient de begunstigde dan zijn voordeel aan te geven bij de toekenning van de optie of pas bij de uitoefening of eventueel de vest ervan? Uiteraard zal het behaalde voordeel op beide momenten verschillen. Volgens de administratie dient men alvast het voordeel aan te geven op het moment van de toekenning en berekend volgens de Belgische regels: Voor de berekening van de P.B. over het overige belastbare inkomen van de betrokken inwoner van België, mag [ ] het tarief worden toegepast, dat van toepassing zou zijn geweest indien de vrijgestelde inkomsten niet waren vrijgesteld. [ ] Het bedrag van het vrijgestelde inkomen, dat voor de berekening van de P.B. over het overige inkomen in aanmerking komt, moet volgens de regels van het interne recht bepaald worden; het is dus het bedrag dat, bij afwezigheid van een overeenkomst, aan belasting zou zijn onderworpen volgens de interne wetgeving; dit bedrag kan bijgevolg verschillen van datgene dat in de bronstaat aan belasting is onderworpen Volgens de mening van de administratie zal de Belgische rijksinwoner dus ook zijn aandelenopties moeten aangeven die zijn vrijgesteld in België en belastbaar in het buitenland, op het moment van toekenning. Wat betreft de berekening van het vrij te stellen inkomen is dit standpunt in overeenstemming met de richtlijnen van de OESO in haar commentaar op art. 23 OESO-Modelovereenkomst. 216 LEBERSORG en PATTYN wijzen er echter op dat een letterlijke lezing van art. 15 OESO- Modelovereenkomst en het commentaar op dit artikel er enkel op wijst dat het interne recht van de woonstaat moet gevolgd worden wat betreft de berekening van het voordeel. Het 213 J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, Infra 115, nr Com. Ov. 23/ Comm. on art. 23A and 23B, nr. 39, OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008), J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5,

67 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel artikel en het commentaar zouden, in een letterlijke interpretatie, echter niks zeggen over welke regels moeten gevolgd worden voor de bepaling van het tijdstip van de aangifte. 217 Indien men deze redenering volgt zou men kunnen opperen dat de buitenlandse inkomsten niet moeten worden aangegeven op het moment van toekenning en ze dus op dat ogenblik ook niet in aanmerking komen voor het progressievoorbehoud In het hierboven geciteerde commentaar van de Belgische administratie wordt ook vermeld dat van de buitenlandse inkomsten, de buitenlandse belasting mag afgetrokken worden alvorens het Belgische tarief wordt bepaald. Zo wordt het progressievoorbehoud 218 toch enigszins gemilderd, aangezien enkel het buitenlandse netto-inkomen in rekening wordt gebracht. Gelet op het vermelde standpunt van de administratie zal men van deze mildering inzake aandelenopties niet kunnen profiteren, aangezien bij de aangifte van het buitenlandse inkomen (op het moment van toekenning) er nog geen buitenlandse belasting is geweest. De vraag rijst dan als men bij de uitoefening van de optie de buitenlandse belasting alsnog in mindering kan brengen van andere in het buitenland behaalde inkomsten. Of indien er op dat moment geen buitenlands inkomen meer wordt behaald, men een negatief buitenlands inkomen kan aangeven waarmee de fiscus rekening moet houden bij de berekening van het Belgische tarief? Bovendien kan er inzake aandelenopties op deze wijze vaak een negatief buitenlands inkomen zijn, aangezien het voordeel op het ogenblik van de uitoefening dikwijls aanzienlijk groter kan zijn dan op het moment van toekenning. Volgens LEBERSORG en PATTYN zou een consequente toepassing van de regel betreffende de aftrekbaarheid van buitenlandse belasting [ ] moeten toelaten dat het volledige bedrag van de buitenlandse belasting in mindering wordt gebracht inclusief de belasting op de uitoefening van aandelenopties. Maar het staat buiten kijf dat de Belgische Belastingsadministratie een aangifte in de personenbelasting met argusogen zal bekijken indien er een negatief buitenlands inkomen wordt aangegeven J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, Art. 155 WIB J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5,

68 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Rapporteringplicht voor de Belgische niet-rijksinwoners 150. Niet-rijksinwoners hebben geen last van de bovenstaande problematiek. Zij dienen immers enkel hun Belgische inkomsten aan te geven en bijgevolg speelt voor hen dan ook geen progressievoorbehoud. 220 Als niet-rijksinwoner zal men dus enkel het in België belastbare deel van het voordeel uit de aandelenoptie moeten aangeven RSZ Principe: vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen Op 28 oktober 1999 verscheen in het Belgisch Staatsblad het langverwachte KB van 5 oktober In het KB werd een principiële vrijstelling van socialezekerheidsbijdragen op het voordeel van aandelenopties vooropgesteld. Hiertoe werd art. 19, 2 van het KB van 28 november 1969 aangepast door toevoeging van een 18 lid aan bovenvermeld artikel. Deze paragraaf sluit meerdere voordelen uit van het loonbegrip terwijl in de eerste paragraaf van datzelfde artikel de verruimingen van het loonbegrip staan onder gebracht. Door deze uitbreiding zijn geen socialezekerheidsbijdragen meer verschuldigd op het voordeel opgeleverd door opties op aandelen, zoals bepaald bij artikel 42 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen Door een vrijstelling van deze voordelen in te schrijven in de wetgeving gaat de wetgever er impliciet van uit, dat de voordelen voortvloeiend uit aandelenopties in principe onder het sociale loonbegrip vallen, iets wat vroeger nooit met volle zekerheid kon worden gesteld. Bijgevolg ontsnapt het remuneratoir voordeel van een aandelenoptie enkel van sociale heffingen dankzij de uitzonderingsbepaling in art. 19, 2 van het vermelde uitvoeringsbesluit. Dit had zijn gevolgen voor aandelenopties die toegekend waren voor 1 januari Art. 228 WIB Art. 305 WIB 1992; Enkel de niet-rijksinwoners die inkomsten halen zoals vermeld in de artikelen 232 tot 234 WIB1992 zijn onderworpen aan de aangifteverplichting (persoonlijke aangifteplicht). 222 KB 5 oktober 1999 houdende wijziging, wat onder de vorm van aandelenopties toegekende voordelen betreft, van artikel 19 KB 28 november 1969, BS 28 oktober 1999, Art. 19, 2, 18 KB 28 november Supra 39, nr

69 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel 153. Er heerst echter wel nog discussie met betrekking tot aandelenopties die mondeling of stilzwijgend aanvaard werden of schriftelijk na de zestigdagentermijn aanvaard werden. Gelet op de uitspraken van de Minister van Financiën 225 en de administratie 226 worden deze opties fiscaal geherkwalificeerd als een toekenning van aandelen tegen een voordelige prijs en worden ze op deze manier belast bij de uitoefening. 227 De vraag rijst dan wat de gevolgen zijn voor deze aandelenopties op sociaal gebied. Strekt de uitzondering in art. 19, 2, 18 zich uit tot alle voordelen uit aandelenopties of dienen we het artikel beperkend te interpreteren (aangezien het hier om een uitzondering gaat) en is enkel het voordeel bij toekenning van de optie vrijgesteld? In dit laatste geval zouden er wel sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. De Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid sloot zich alvast aan bij deze laatste redenering: [ ] deel ik de mening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat deze opties niet langer binnen de toepassingssfeer van die wet vallen en bijgevolg niet beoogd worden door artikel 19, 2, 18, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Indien deze aandelenopties nadien toch nog worden gelicht, moeten zij, ook wat de socialezekerheidswetgeving betreft, als voordelige aandelenplannen worden behandeld. 228 Nog volgens de Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid zijn dergelijke aandelenplannen echter niet altijd onderworpen aan sociale heffingen. In bepaalde gevallen kunnen ook deze immers vrijgesteld zijn. Meer bepaald indien voldaan is aan de voorwaarden bepaald in de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen 229 of in het geval van art. 48 van de Aandelenoptiewet Vr. en Antw. Kamer , 20 januari 2004, 4179 (Vr. nr. 228 F. BELLOT). 226 Circ. Nr. AFT2005/0652, 25 mei 2005, 227 Infra 77, nr Vr. en Antw. Kamer , 28 april 2008, 4931 (Vr. nr. 84 L. VAN BIESEN); Zie ook Vr. en Antw. Kamer , 19 september 2008, (Vr. nr. 342 L. VAN BIESEN). 229 Wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen, BS 9 juni 2001, 19288; Voor meer informatie omtrent deze voorwaarden zie W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium arbeidsrecht, Kluwer , Vr. en Antw. Kamer , 28 april 2008, 4931 (Vr. nr. 84 L. VAN BIESEN). 68

70 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Uitzonderingen: 154. Op de principiële vrijstelling van sociale bijdragen bestaan twee uitzonderingen, naar analogie van de fiscale regels. Deze staan expliciet in het KB vermeld. 231 a) Opties in the money 155. Een eerste uitzondering betreft zogeheten opties in the money. Hebben we met dergelijke aandelenopties te maken dan zijn er toch, bij wijze van uitzondering, socialezekerheidsbijdragen verschuldigd op de intrinsieke waarde van de optie. 232 b) Gegarandeerd of zeker voordeel 156. Een tweede uitzondering is van toepassing indien het aanbod van de aandelenoptie een zeker voordeel inhoudt. 233 Aan een aandelenoptie zijn inderdaad een aantal risico s verbonden. Zo loopt de werknemer, die de aandelenoptie aanvaardt, het gevaar belastingen te betalen op het forfaitair geraamde voordeel dat voortvloeit uit de optie, terwijl de kans bestaat dat de waarde van de onderliggende aandelen in de toekomst zal dalen. Bijgevolg wordt het lichten van de optie nutteloos terwijl de betrokkene wel reeds belastingen diende te betalen op het gekregen voordeel. Om dit risico te vermijden is men soms geneigd om werknemers een gegarandeerd voordeel te bieden. Men kan dit bijvoorbeeld doen door de uitoefenprijs te bepalen als een percentage van de waarde van de onderliggend aandelen. Voorbeeld: Indien de uitoefenprijs 80% van de waarde van de aandelen zou bedragen en deze aandelen zijn op een gegeven moment 100 waard, dan is de uitoefenprijs 80. Zakken deze aandelen over de jaren heen in waarde naar 50, dan is de uitoefenprijs 40. Bijgevolg is de werknemer steeds ingedekt. 231 Art. 19, 2, 18 KB 28 november Art. 19, 2, 18, lid 1 KB 28 november Art. 43, 8 Aandelenoptiewet en art. 19, 2, 18, lid 2 KB 28 november

71 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel 157. Indien er nu een dergelijk zeker voordeel is toegekend, dan bepaalt het KB dat dit voordeel toch onderworpen zal zijn aan sociale bijdragen. Deze zijn verschuldigd op het moment dat het zeker voordeel zich realiseert. c) Reikwijdte uitzonderingen 158. Men mag er van uitgaan dat het KB van 5 oktober 1999 geen afbreuk kan doen aan art. 48 van de Aandelenoptiewet. 234 Deze laatste stelt een décote van 20% op aandelen in uitvoering van art. 609 W.Venn., expliciet vrij. Indien de optietoekenning gebeurt met toepassing van art. 609 W.Venn. dan is de décote toch vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen op basis van voormeld artikel en ongeacht de bepalingen van het KB In beide gevallen zijn sowieso socialezekerheidsbijdragen verschuldigd door de werkgever, ongeacht of voldaan is aan de wettelijke definitie van loon inzake sociale zekerheid. Het speelt m.a.w. geen rol meer of het voordeel ten laste valt van de werkgever of niet. Zelfs als de moedermaatschappij de kosten draagt i.p.v. de eigenlijke werkgever blijven deze bijdragen verschuldigd. 235 Voor beide uitzonderingen dient men de sociale bijdragen te berekenen op het deel dat hoger is dan het geraamde voordeel op het moment van toekenning van de optie Ten slotte bepaalt het KB niet expliciet op welk moment het voordeel, voortvloeiende uit de aandelenoptie, dient te worden onderworpen aan sociale heffingen. Op fiscaal gebied bepaalt de Aandelenoptiewet dat deze aandelenopties onderworpen worden aan belastingen op het moment van de toekenning van de optie. Bij gebreke aan een dergelijke bepaling in het KB kunnen we aannemen dat ook inzake de socialezekerheidsbijdragen het voordeel dient te worden aangegeven en de bijdragen bijgevolg verschuldigd zijn op het moment van toekenning, namelijk de zestigste dag na het aanbod van de optie. Dit is nu bevestigd door het Hof van Cassatie zodat hierover geen twijfel meer bestaat P. DE KOSTER, I. VANDERREKEN, Sociaalrechtelijke vragen bij aandelenopties, Or. 2000, O. DEBRAY, Sociale zekerheid. Aandelenopties vrijgesteld van sociale bijdragen, Fisc. Act. 1999, afl. 35, Cass. 20 oktober 2008, AR S N, JTT 2009, afl. 1043, 297 en 70

72 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel Inwerkingtreding 161. Het KB trad in werking, met retroactieve kracht, op 1 januari Bijgevolg zou de fiscale en de sociale regeling in tijd gelijkgeschakeld zijn en verhindert men zo het ontstaan van een grijze zone Grondwettelijk Hof: arrest 28 juli In vele aandelenoptieplannen is een clausule opgenomen waardoor deze enkel kan worden uitgeoefend als de werknemer nog werkzaam is bij de werkgever (of een andere vennootschap in de groep) die de optie toekende. Eventueel voorziet men wel in een (korte) periode waarin de optiehouder de optie toch nog kan uitoefenen na het einde van de tewerkstelling, tenzij in bepaalde omstandigheden zoals ontslag wegens dwingende redenen. Deze clausule, in combinatie met de zogeheten vestingperiode kan er voor zorgen dat de werknemer lange tijd in onzekerheid blijft over de mogelijkheid om de optie winstgevend te kunnen uitoefenen. Dit terwijl hij uiteraard wel reeds belastingen diende te betalen bij de toekenning van de optie Indien dergelijke clausule in de optie is opgenomen, is het mogelijk dat een werknemer die ontslagen wordt tijdens de vestingperiode, zich in de onmogelijkheid bevindt om de optie uit te oefenen en dit wegens omstandigheden buiten zijn wil. Een werknemer die, al dan niet vrijwillig, zijn werkgever verlaten heeft zal dus worden benadeeld t.o.v. een werknemer die wel nog voor dezelfde werkgever werkt. 238 De vraag stelde zich of dit geen discriminatie inhield, gelet op het feit dat men de betaalde belasting niet meer kan terugvorderen. 239 In zijn arrest van 28 juli 2006 antwoordde het voormalige Arbitragehof (nu Grondwettelijk Hof) op een prejudiciële vraag hieromtrent. Volgens het Grondwettelijk hof worden alle belastingplichtigen gelijk behandeld op het moment van belastbaarheid, zijnde bij de toekenning van de optie. De belastingplichtigen worden belast 237 Contra F. RUELENS, Wat met het begrip ten laste van de werkgever?, Fisc. Act. 1999, afl. 43, Zie J. PATTYN, Belastbaarheid aandelenopties bij toekenning: geen discriminatie, Fisc. Act. 2006, afl. 29, 4-6; M. DE MUNTER, Belasting bij toekenning van de opties is niet discriminerend, Fiscoloog 2006, afl. 1036, Vr. en Antw. Kamer , 24 oktober 2002, (Vr. nr A. COLEN). 71

73 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Het nieuwe stelsel op de kans om in de toekomst een mogelijk voordeel te behalen. Het feit dat sommigen dit voordeel nooit behalen maakt geen discriminatie uit Ondanks het vermelde arrest blijft het een onrechtvaardigheid dat werknemers, door omstandigheden die volledig buiten hun wil liggen en die niet inherent zijn aan het risico van een aandelenoptie, 241 niet langer in staat zijn om hun aandelenopties uit te oefenen, terwijl ze hiertoe wel reeds een belasting hebben betaald. De wetgever zou dan ook best nadenken over mogelijke oplossingen zoals het opleggen van een verplichte termijn waarin de werknemer zijn optie kan uitoefenen na zijn ontslag, eventueel behoudens ontslag wegens dwingende redenen. 240 Arbitragehof 28 juli 2006, nr. 125/2006, 241 Bedoeld wordt hier een waardedaling van de onderliggende aandelen. 72

74 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie Hoofdstuk 3: Evolutie van de wet van 26 maart Algemeen 165. De Aandelenoptiewet bestaat nu reeds een decennium. In die 10 jaar is de regeling, zoals hierboven reeds aangegeven, op enkele vlakken bijgeschaafd. In het volgende hoofdstuk worden deze wijzigingen, die vooral door de programmawet van 24 december 2002 werden aangebracht, overlopen. 242 Daarna kijken we naar wat voor gevolgen dit veroorzaakte en hoe de huidige situatie juist in elkaar zit Programmawet van 24 december Definitie aanbod 166. Een eerste punt dat werd gewijzigd door de programmawet is de definitie van het begrip aanbod. 244 Aan de oude definitie werd toegevoegd dat deze schriftelijk en gedateerd aan de begunstigde van de optie moest kenbaar gemaakt worden. 245 Voorheen was het mogelijk om een aandelenoptie ook mondeling aan te bieden, sinds de wijziging is enkel een schriftelijk aanbod geldig. Bovendien dient het aanbod ook gedateerd te zijn, zodat er geen discussie meer mogelijk is omtrent de datum van het aanbod Vermoeden aanvaarding aanbod 167. Voorheen was het moment van toekenning vastgelegd op de 60 e dag na het aanbod, tenzij de begunstigde de optie schriftelijk weigerde voor het einde van deze 60 dagen. De begunstigde die niets deed, was dus geacht om na zestig dagen de optie aanvaard te hebben. 242 Programmawet van 24 december 2002, BS 31 december 2002 (ed. 1). 243 Infra 76, nr Art. 41, 4 Aandelenoptiewet. 245 Art. 403 Programmawet 24 december

75 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie 168. De programmawet wijzigde art. 42, 1, lid 2 van de Aandelenoptiewet door dit vermoeden om te keren. 246 Het moment van toekenning blijft de zestigste dag na het aanbod, maar alleen indien de begunstigde ten laatste op de zestigste dag de optie schriftelijk aanvaardt. De begunstigde die niets doet, wordt nu dus geacht de optie geweigerd te hebben na de zestigste dag De redenen voor deze wijziging hoeft men niet ver te zoeken. De belastingplichtige kan niet langer in een uitzichtloze optie sukkelen vanwege vergetelheid of nalatigheid. Bovendien wordt hij, door het moeten stellen van een positieve handeling, gestimuleerd om binnen een termijn van twee maanden na te denken over de (fiscale) gevolgen van het aanvaarden van de optie. Vooral in tijden waarin de beurzen erg onzeker zijn dient men niet licht te gaan over het sluiten van een aandelenoptie. In de memorie van toelichting wijst men dan ook op de onlogica in het feit dat men onder de vorige regeling stappen moet ondernemen om iets niet te verkrijgen De nieuwe regeling heeft echter ook nadelen. Ze roept immers een aantal vragen op. Wat gebeurt er bijvoorbeeld indien men de aandelenoptie aanvaardt na deze zestigdagentermijn? Of indien de optie een automatische toekenning bepaalt en de begunstigde bijgevolg nalaat om schriftelijk te aanvaarden? Of nog, indien de begunstigde de optie gewoon mondeling aanvaardt en niet schriftelijk? Deze mogelijkheden worden vaak in buitenlandse opties voorzien. In deze gevallen zou de optie, wat betreft de Belgische fiscaliteit, geacht worden niet toegekend te zijn. Wat uiteraard tot een nietbelasting in België leidt. Naar burgerlijk recht kan men echter perfect de optie nog aanvaarden na deze zestig dagen. Bijgevolg zou men een aandelenoptie kunnen bekomen, met alle mogelijkheden tot uitoefenen, maar zonder daarop belastingen te betalen. Dit vraagstuk wordt later in dit werk grondig besproken Art. 404 Programmawet 24 december Memorie van toelichting betreffende ontwerp van de programmawet, Parl.St. Kamer , nr /001, Infra 77, 179 e.v. 74

76 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie Waardering 171. Zoals eerder reeds opgemerkt, was er voor de programmawet van 24 december 2002 onduidelijkheid omtrent de waardering van beursgenoteerde onderliggende aandelen. 249 Men kan, naar keuze van de aanbieder, kiezen tussen ofwel de gemiddelde koers van het aandeel gedurende de dertig dagen die het aanbod voorafgaan ofwel de laatste slotkoers die voorafgaat aan de dag van het aanbod. Kiest men voor de eerste mogelijkheid, dan bestond er discussie over hoe dit gemiddelde juist moest worden bekomen. In de lijn van de interpretatie van de administratie bepaalt de wet nu dat men hiervoor de slotkoers van die dagen dient te nemen De programmawet veranderde verder nog dat het advies omtrent de waardering van aandelen die niet beursgenoteerd zijn ook mogelijk is door een accountant, indien de uitgevende vennootschap geen commissaris-revisor heeft. 251 Voor de programmawet mocht dit advies enkel verschaft worden door een bedrijfsrevisor Eenmalige verlenging 173. Vanwege de toenmalige, neerwaartse beursspiraal besliste de wetgever in de programmawet van 2002 om de mogelijkheid te bieden om, in onderling overleg tussen de begunstigde en de uitgevende vennootschap, de uitoefenperiode te verlengen zonder dat dit leidde tot een bijkomende belasting Om in aanmerking te komen moest de aandelenoptie afgesloten zijn tussen 1 januari 2000 en 31 december 2002 en de uitoefenperiode mocht met maximum 3 jaar verlengd worden. Men diende dit akkoord aan de belastingadministratie te betekenen voor 31 juli Supra 50, nr Art. 43, 4, 1 Aandelenoptiewet; Art. 405 Programmawet 24 december Art. 406 Programmawet 24 december Art. 43, 4, 2, eerste lid Aandelenoptiewet; Supra 51, Art. 47, 4 Aandelenoptiewet, ingevoegd bij art. 407 Programmawet 24 december 2002; De verlenging van de uitoefentermijn wordt normaal op fiscaal vlak aanzien als de toekenning van een volledig nieuwe optie en overeenkomstig belast, Supra 60, nr

77 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie 175. Met deze maatregel wilde men vooral de werknemers sparen, die reeds een belasting hadden moeten betalen en nu met een de facto waardeloze aandelenoptie opgezadeld waren Uiteindelijk bleek deze bepaling niet zo eenmalig te zijn. In 2009 greep de wetgever opnieuw naar dit middel, ditmaal om de gevolgen van de financiële crisis van 2008 en de bijhorende beurscrash op te vangen Minister voert een de facto keuzestelsel in 177. Zoals hierboven reeds aangehaald, 255 ontstond na de wijzigingen door de programmawet van 24 december 2002 onduidelijkheid omtrent het vermoeden van aanvaarding van het aanbod. Meer bepaald kan men zich afvragen hoe men aandelenopties fiscaal dient te behandelen indien deze pas aanvaard zijn na de termijn van zestig dagen of binnen deze termijn mondeling aanvaard In de rechtsleer werden drie mogelijkheden voorzien: 256 1) Deze aandelenopties vallen ook onder het toepassingsgebied van de Aandelenoptiewet en zijn niet belastbaar. Volgens de Aandelenoptiewet moeten de opties schriftelijk aanvaard worden binnen de zestig dagen na het aanbod. Gebeurt dit niet, dan is vanuit fiscaal oogpunt geen toekenning van de optie gebeurd en kan dit bijgevolg niet belast worden zonder bijkomende, wettelijke bepaling. Het legaliteitsprincipe verzet zich hier immers tegen ) Deze aandelenopties vallen niet onder het toepassingsgebied van de Aandelenoptiewet, maar zijn toch belastbaar. In deze visie zou er opnieuw geen toekenning van de optie gebeurd zijn en bijgevolg ook geen belasting van deze toekenning. Wanneer men echter de optie 254 Supra 79, nr Supra 74, nr M. DE MUNTER, Aandelenopties: optionele belasting bij uitoefening?, Fiscoloog 2004, afl. 934, 3; T. DECLERQ, P. VERSWIJVER, J. PATTYN, Aanvaarding binnen 60 dagen. Belastbaar moment aandelenopties: eindelijk duidelijkheid?, Fisc. Act. 2004, afl. 16, Art. 170 GW. 76

78 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie zou uitoefenen, herkwalificeert men deze transactie naar een toekenning van aandelen met korting. Hierop zou dan wel belasting verschuldigd zijn. 3) Deze aandelenopties vallen niet onder het toepassingsgebied van de Aandelenoptiewet, maar onder de gemene, fiscale regels. Hier argumenteert men dat de Aandelenoptiewet enkel zou slaan op toegekende opties. Gevolg zou zijn dat voor de opties die niet toegekend zijn volgens de regels van de Aandelenoptiewet, het algemeen fiscaal recht van toepassing is. Hierbij zou men dus terecht komen bij de discussie omtrent het oude stelsel, dat hierboven uitgebreid besproken is geweest De vraag werd gesteld aan de toenmalige Minister van Financiën. 259 Deze sloot zich aan bij de tweede strekking. Naar de mening van de Minister moet men de laattijdig mondeling aanvaarde opties op fiscaal gebied als niet bestaande beschouwen en worden ze, althans op dat ogenblik, ook niet belast. Indien men de optie later uitoefent zou deze transactie echter als een toekenning van aandelen tegen een voordelige prijs moeten worden beschouwd. Deze zienswijze werd bevestigd door de fiscus in zijn circulaire van 25 mei en nogmaals door de Minister van Financiën Dit standpunt lijkt echter twijfelachtig. De minister gaat hier voorbij aan de realiteit. Het aanvaarden van de optie zestig dagen na het aanbod doet immers geen afbreuk aan de eigenheid van de aandelenoptie. Volgens art. 41, 3 van de Aandelenoptiewet is een optie Het recht, om gedurende een welbepaalde termijn een bepaald aantal aandelen aan te kopen [ ]tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs. Ook laattijdig of mondeling aanvaarde opties voldoen aan deze definitie en zijn bijgevolg volwaardige aandelenopties. Om deze vervolgens te herkwalificeren als een verkrijging van aandelen met korting is niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Dergelijke fictie kan alleen via wet worden ingevoerd. 258 Supra 14, nr. 20 e.v.; J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, Vr. en Antw. Kamer , 20 januari 2004, 4179 (Vr. nr. 228 F. BELLOT). 260 Circ. Nr. AFT2005/0652, 25 mei 2005, 261 Vr. en Antw. Kamer , 28 april 2008, 8340 (Vr. nr. 86 L. VAN BIESEN). 77

79 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie 181. De visie van de Minister heeft in de praktijk verregaande gevolgen. 262 Indien men deze redenering volgt, valt de belastbaarheid van de aandelenoptie immers op het moment van de uitoefening. Het ziet er dan ook naar uit dat de Minister met dit antwoord een de facto keuzestelsel heeft geïntroduceerd. De belastingplichtige kan door het al dan niet aanvaarden van de optie binnen de zestig dagen na het aanbod, kiezen tussen belastbaarheid bij de toekenning of belastbaarheid bij uitoefening. Kiest men voor belastbaarheid bij toekenning van de optie, dan dient men schriftelijk te aanvaarden binnen de zestig dagen na het aanbod en gelden de regels van de Aandelenoptiewet. Kiest men daarentegen voor belastbaarheid bij uitoefening, dan aanvaardt men impliciet, mondeling of laattijdig. In dit geval wordt men belast op het verschil tussen de intrinsieke waarde of de beurswaarde van de aandelen, naargelang de aandelen al dan niet beursgenoteerd zijn en de lagere, vooraf afgesproken uitoefeningprijs. 263 Indien de verworven aandelen beursgenoteerd zijn kan men het belastbaar voordeel berekenen door 100/120 van de marktwaarde op het moment van uitoefening te nemen, indien men deze aandelen, in onderling overleg, onbeschikbaar maakt voor twee jaar of indien de vennootschap massaal aandelen toekent aan de werknemers waardoor een beursval te verwachten valt Een ander gevolg van deze herkwalificatie is dat er opnieuw socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. De vrijstelling bepaald in het KB van 5 oktober 1999 geldt immers, in de visie van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, enkel voor het verkregen voordeel in de zin van de Aandelenoptiewet Een derde gevolg is dat de verplichting voor de uitgevende Belgische vennootschap om het belastbaar voordeel te rapporteren niet van toepassing is. 266 De algemene regels zouden hier bijgevolg van toepassing zijn, wat betekent dat deze bezoldiging, krachtens art. 57 WIB 1992, slechts als een beroepskost wordt aanvaard, in hoofde van de 262 Zie M. DE MUNTER, Aandelenopties: optionele belasting bij uitoefening?, Fiscoloog 2004, afl. 934, 3-4; T. DECLERQ, P. VERSWIJVER, J. PATTYN, Aanvaarding binnen 60 dagen. Belastbaar moment aandelenopties: eindelijk duidelijkheid?, Fisc. Act. 2004, afl. 16, Vr. en Antw. Kamer , 28 april 2008, 8340 (Vr. nr.86 L. VAN BIESEN). 264 Circ. Nr. Ci.RH.241/ , 16 juli 1990, Bull. Bell., nr. 697, 2227 en 265 Vr. en Antw. Kamer , 28 april 2008, 4931 (Vr. nr. 84 L. VAN BIESEN); Vr. en Antw. Kamer , 19 september 2008, (Vr. nr. 342 L. VAN BIESEN). 266 T. DECLERQ, P. VERSWIJVER, J. PATTYN, Aanvaarding binnen 60 dagen. Belastbaar moment aandelenopties: eindelijk duidelijkheid?, Fisc. Act. 2004, afl. 16, 8. 78

80 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie belastingplichtige die de bezoldiging toekent, indien ze wordt vermeld op een individuele fiche en samenvattende opgave De belastingplichtige die wenst gebruik te maken van dit keuzestelsel dient echter op te letten. Het Hof van Cassatie velde onlangs twee nieuwe arresten die het vertrouwensbeginsel in contra legem situaties hoogst twijfelachtig maakt. 268 In een zaak omtrent de waarde van een circulaire bevestigde het Hof van Cassatie weliswaar dat de beginselen van behoorlijk bestuur (die het recht op rechtszekerheid omvatten) bindend zijn voor de administratie, maar stelde meteen daarna dat zij de wet moet toepassen en het haar niet vrij staat om afstand te doen van de verplichting om de wettelijk verschuldigde belasting vast te stellen. Het recht op rechtszekerheid zou inhouden dat de belastingplichtige de toepassing van een, met de wet strijdige, regeling niet kan eisen door zich te beroepen op de door de aanschrijvingen van de administratie gewekte schijn. Dit omdat deze schijn bij de belastingplichtige niet de gewettigde overtuiging kan wekken dat de administratie afziet van de strikte toepassing van de wet Bijgevolg kan men enkel besluiten dat er opnieuw een juridische onduidelijkheid is gekomen omtrent het belastbaar moment van aandelenopties, ditmaal met betrekking tot de opties die buiten het toepassingsgebied van de Aandelenoptiewet vallen De economische herstelwet 2009: l histoire se répète 186. Na de bankcrisis van 2008 en de daaropvolgende beurscrisis, werden de houders van een aandelenoptie opnieuw geconfronteerd met het belangrijkste nadeel van deze opties, nl. de mogelijkheid van dalende beurskoersen. Begunstigden van een optie hadden bij de toekenning van deze optie belastingen betaald op dit voordeel, in de hoop om het in de toekomst te kunnen verzilveren. Door de neergang van de beurs werd hun hoop echter in de grond geboord. 267 J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, Cass. 18 december 2009, AR F F, Cass. 10 december 2010, AR F N, S. VAN CROMBRUGGE, Verdere uitholling algemene beginselen behoorlijk bestuur, Fiscoloog 2010, afl. 1193, Cass. 18 december 2009, AR F F, 79

81 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie 187. De situatie is niet nieuw. Ook in 2002 had men reeds te maken met een dergelijke negatieve beursspiraal. De wetgever reageerde destijds in de programmawet van 24 december 2002 met een eenmalige verlenging van de uitoefenperiode Dit ingrijpen blijkt nu niet zo eenmalig te zijn. In art. 21 van de Economische herstelwet van 27 maart herneemt de wetgever deze maatregel voor aandelenopties die afgesloten zijn tussen 1 januari 2003 en 31 augustus Hierbij gaat de wetgever ervan uit dat na augustus 2008 iedereen reeds voldoende op de hoogte was van de dalende beurskoersen. 272 Concreet houdt de maatregel de mogelijkheid in voor de uitgevende vennootschap om, mits (schriftelijke) 273 toestemming van de begunstigde, de uitoefenperiode te verlengen voor een termijn van maximum vijf jaar, zonder enige bijkomende fiscale last. Voorwaarde hiervoor is wel dat de totale fiscale waarde van de opties per begunstigde per bedrijf euro niet te boven gaat. Het is dus, in theorie, mogelijk dat een begunstigde aandelenopties voor een totale waarde van meer dan euro verlengt, zolang deze hem verschaft zijn door verschillende vennootschappen. Gaat de totale waarde van de aandelenopties van een begunstigde per vennootschap de euro te boven, dan mogen de opties niet worden verlengd in de mate dat ze deze grens overschrijden. 274 De beslissing om de aandelenoptie te verlengen diende voor 30 juni 2009 te worden genomen en moest voor 31 juli aan de administratie worden meegedeeld. Verder bepaalt de wet ook dat in het kader van dergelijke verlenging afgeweken mag worden van art. 499 van het Wetboek van Vennootschappen. Dit artikel stelt een maximum inschrijvingsperiode van 10 jaar in. 270 Supra 75, nr Economische Herstelwet van 27 maart 2009, BS 7 april 2009, K. JANSSENS, Energiebesparende investeringen in woningen aangemoedigd, waardeloze aandelenopties krijgen extra tijd, Fisc. Act. 2009, afl. 5, Circ. Nr. Ci.RH241/ (AOIF nr. 24/2009), 9 mei 2009, 274 Circ. Nr. Ci.RH241/ (AOIF nr. 24/2009), 9 mei 2009, 80

82 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie 189. Net als haar voorganger in de programmawet van 2002 blinkt de wettelijke bepaling uit de herstelwet echter niet uit in duidelijkheid,. Welke aandelenopties vallen nu juist onder de uitdrukking afgesloten zijn tussen 1 januari 2003 en 31 augustus 2008? Volgens de administratie in haar circulaire van 9 mei 2009 gaat het om aandelenopties die aangeboden zijn tussen 2 november 2002 en 31 augustus 2008, die nadien vanuit een fiscaal oogpunt werden toegekend en nog steeds lopende zijn. 275 Belangrijk hier is dus dat enerzijds ook de aandelenopties die aangeboden werden tussen 2 november 2003 en 31 december 2003 en anderzijds de aandelenopties aangeboden voor 31 augustus 2008 en pas nadien schriftelijk en tijdig aanvaard werden, onder de regeling vallen. Volgens de Administratie kan men echter geen aandelenopties die reeds gebruik maakten van de verlengingsmogelijkheid, geboden door de Programmawet van 2002, nogmaals verlengen op grond van art. 21 van de Economische Herstelwet van 27 maart De wet van 6 april 2010: verplichte vestingperiode 190. Hoewel de wet van 6 april 2010 geen wijzigingen aanbrengt aan de Aandelenoptiewet (het gaat hier dan ook niet om een fiscale wet), is ze toch relevant om hier kort aan te halen. 276 Met deze wet wil de wetgever optreden tegen de exorbitante bonussen en vertrekvergoedingen die leiders van beursgenoteerde vennootschappen vaak opstrijken. Deze zijn de laatste tijd meermaals bekritiseerd, zeker gelet op de economische malaise die nu al een tijdje aan de gang is Als onderdeel van een pakket aan maatregelen voert de wet het art. 520ter in, in het W.Venn. dat bepaalt dat aandelen, aandelenopties of alle andere rechten om aandelen te verwerven, toegekend aan uitvoerende bestuurders van bepaalde (beursgenoteerde) vennootschappen, pas ten vroegste na drie jaar na de toekenning kunnen worden verworven of uitgeoefend. 277 De wet verklaart deze regeling verder ook van toepassing op 275 Circ. Nr. Ci.RH241/ (AOIF nr. 24/2009), 9 mei 2009, 276 Wet van 6 april 2010 tot versterking van het deugdelijk bestuur bij de genoteerde vennootschappen en de autonome overheidsbedrijven en tot wijziging van de regeling inzake het beroepsverbod in de bank- en financiële sector, BS 23 april 2010, Art. 14 Wet 6 april

83 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie de leden van het directiecomité en de personen die het dagelijks bestuur van de vennootschap wordt opgedragen of andere leiders De wet is zowel van toepassing op werknemers als op bestuurders. Allicht zal het in de grote meerderheid van de gevallen hier gaan om bestuurders, maar toch kan het nuttig zijn om deze nieuwe bepaling in het achterhoofd te houden als men werkt met het stelsel van de werknemers 193. Van de regeling kan overigens wel worden afgeweken mits voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering of mits andersluidende statutaire bepalingen Besluit 194. Na een lange periode van onduidelijkheid omtrent de fiscale behandeling van aandelenopties bracht de Aandelenoptiewet eindelijk duidelijkheid. De wetgever koos, geïnspireerd door de Nederlandse wetgeving, voor een belastbaar moment op het ogenblik van toekenning, waarbij de waarde van de optie (in de meeste gevallen) forfaitair wordt bepaald Waar de wet van 26 maart 1999 rechtszekerheid bracht, voerde de programmawet van 24 december 2002 echter terug een discussiepunt in. Door de (terechte) wijziging van het fiscale begrip toekenning vallen, ongewild, plots een stuk aandelenopties niet langer onder het nieuwe stelsel van aandelenopties, zoals ingevoerd door de Aandelenoptiewet De daaropvolgende poging van de Minister van Financiën en de belastingsadministratie om de onduidelijkheid te verhelderen mag op zijn minst juridisch twijfelachtig worden genoemd. Zonder dat daartoe enige wettelijke basis bestaat gaat de administratie over tot een herkwalificatie van aandelenopties tot voordelige aandelenplannen. Het lijkt dat de enige reden voor een dergelijke herkwalificatie door de administratie, het vermijden van de toepassing van de (betwiste) gemene, fiscale regels is. Het is geen geheim dat de fiscus onder het oude stelsel van de aandelenopties wat graag de opties belaste bij uitoefening, om zo de moeilijke waarderingskwestie op het moment van 278 Art. 15 Wet 6 april 2010 ter aanvulling van de artikelen 524bis en 525 W.Venn. 279 Art. 14 Wet 6 april 2010 ter invoering van art. 520ter W.Venn. 82

84 Deel 2: De Belgische regeling van aandelenopties Evolutie toekenning uit de weg te gaan en een eventuele niet-belasting te vermijden. Dit is echter geen valabel juridisch argument om, zonder enige steun te vinden in de wet, over te gaan tot een herkwalificatie. Enkel in het geval van simulatie zou een dergelijke herkwalificatie gelegitimeerd kunnen zijn Gelet op de verzwakte rechtsgeldigheid van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur inzake contra legem situaties, kan men in de toekomst dan ook opnieuw een discussie in de rechtspraak verwachten. Een wetgevend optreden om duidelijkheid te brengen over het lot van laattijdig aanvaarde aandelenopties dringt zich dan ook op. 83

85 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Algemeen DEEL 3: Belgische en buitenlandse aandelenopties in een internationale context 198. De belastbaarheid van aandelenopties heeft vaak ook een internationaal aspect. Aandelenopties worden niet zelden toegekend aan kaderleden met een internationale carrière, waarbij een verblijf in België vaak slechts een tussenstop blijkt te zijn. Onder invloed van o.a. de vrijheid van verkeer van personen binnen de EU is het gemakkelijker geworden om als Belg in het buitenland te werken en omgekeerd. Deze toenemende mobiliteit van de werknemer, in combinatie met de verschillende nationale belastingstelsels, zorgt vaak voor grensoverschrijdende taxatieproblemen. In het onderstaande deel van dit werk wordt dan ook dieper ingegaan op deze problemen In het eerste hoofdstuk bekijken we eerst algemeen hoe dubbele belastingen ontstaan en vermeden kunnen worden. 280 Daarna gaan we dieper in op enkele specifieke problemen die zich voordoen in een internationale context. Daarbij benaderen we de problematiek eerst vanuit het standpunt van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) 281 en de Europese Commissie. 282 We sluiten dit hoofdstuk af door te kijken hoe deze principes al dan niet worden toegepast in België. 283 Hierbij zal de circulaire van 25 mei 2005 centraal staan. 284 Hoofdstuk 1: Algemene grensoverschrijdende taxatieproblemen 1.1. Algemeen 200. In principe bepaalt elke staat soeverein hoe en waarop belasting dient betaald te worden. Dit heeft tot gevolg dat elke staat zijn eigen, unieke belastingsregels heeft. Een staat is bijgevolg ook vrij om personen die op haar grondgebied wonen te belasten op hun wereldinkomen. Ze kan m.a.w. een inwoner belasten op elk inkomen dat deze behaalt, ongeacht waar hij deze behaald heeft (het domiciliebeginsel of het personele 280 Infra 84, nr.200 e.v. 281 Infra 89, nr.211 e.v. 282 Infra 114, nr Infra 115, nr. 265 e.v. 284 Infra 117, nr. 274 e.v. 84

86 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Algemeen aanknopingspunt). Daarnaast kan een staat echter ook belastingen heffen op alle inkomsten die behaald worden op haar grondgebied, zelfs als deze behaald worden door een nietinwoner (het liggings- of bronbeginsel of het zakelijke aanknopingspunt) Toegepast op een steeds internationaler wordende arbeidsmarkt leidt dit logischerwijze tot dubbele belastingen. De woonstaat van diegene die een inkomen behaalt, zal zich steeds bevoegd achten om dat inkomen te belasten, ongeacht als dit inkomen behaalt is d.m.v. prestaties in het binnen- of buitenland. Het land waar de prestatie geleverd wordt zal zich, als bronstaat, ook bevoegd achten om belastingen te heffen op dit inkomen. Zo komt men onvermijdelijk uit bij dubbele belastingen. Deze dubbele belastingen kan men evenwel op tweeërlei manieren oplossen Enerzijds kan een staat eenzijdige maatregelen nemen waarbij ze zelf compensatie voorziet ingeval van dubbele belastingen. Nadeel aan deze methode is dat deze kan leidden tot een zogenaamd melkkoe-effect, waarbij andere staten hun belastingen kunnen verhogen in relatie tot de eerst vermelde staat, wetende dat deze laatste de negatieve gevolgen toch op zich zal nemen. 285 De eenzijdige maatregel in België die van belang is inzake aandelenopties is art. 156 WIB Op basis van dit artikel wordt het deel van de belasting dat evenredig overeenstemt met de in het buitenland verworven inkomsten (die in art. 156 WIB 1992 staan opgesomd) met de helft verminderd in de personenbelasting. Het voordeel dat voortvloeit uit aandelenopties (voor werknemers) valt onder art. 156, 2 WIB Wegens de algemene aard van dit artikel wordt in deze thesis niet dieper ingegaan op dit artikel Een andere manier om dubbele belastingen te vermijden is het afsluiten van dubbelbelastingverdragen. Ieder verdrag afzonderlijk bespreken zou ons, gezien het aantal van dergelijke verdragen, te ver brengen. Wij zullen ons bijgevolg concentreren op de OESO-Modelovereenkomst, 286 naar wiens beeld de meeste dubbelbelastingverdragen zijn opgesteld. Uiteraard zijn de hieronder besproken regels slechts toepasselijk als er tussen de betrokken landen een dubbelbelastingverdrag is afgesloten, naar het beeld van het OESO- Model. 285 S. VAN CROMBRUGGE, Internationaal fiscaal recht, , OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008), 85

87 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Algemeen 1.2. Art. 15 OESO-Modelovereenkomst Principe: de werkstaat mag belasten 204. Het belastbaar voordeel van aandelenopties, toegekend aan werknemers, wordt met internationale consensus als een inkomen uit arbeid beschouwd. 287 Indien er zich meervoudige belastingen voordoen tussen verschillende staten die onderling dubbelbelastingverdragen afgesloten hebben, dan zal men beroep kunnen doen op art. 15 van deze dubbelbelastingverdragen om de heffingsbevoegdheid van de staten te bepalen. Eventueel kan men ook kijken naar art. 13 OESO-Modelovereenkomst voor de meerwaarde die verkregen wordt bij de verkoop van de onderliggende aandelen, nadat de optie uitgeoefend werd. Hier wordt later op teruggekeerd Art OESO-Modelovereenkomst luidt als volgt: Subject to the provisions of Articles 16, 18 and 19, salaries, wages and other similar remuneration derived by a resident of a contracting State in respect of an employment shall be taxable only in that State unless the employment is exercised in the other Contracting State. If the employment is so exercised, such remuneration as is derived therefrom may be taxed in that other State Uit dit artikel blijkt een duidelijke voorkeur voor de werkstaat. Deze mag namelijk belasten als de werkzaamheid op zijn grondgebied wordt uitgeoefend. Hiervoor dient de werknemer wel fysiek aanwezig te zijn op het grondgebied van de werkstaat bij het verrichten van de arbeidsprestaties. In principe zijn er, op basis van art van het verdrag geen verdere vereisten met betrekking tot de lengte van het verblijf. Het zal dan aan de woonstaat toekomen om dubbele belastingen te vermijden op basis van art. 23 OESO-Modelverdrag. 287 Er bestaat wel nog discussie over de juiste omlijning van dit voordeel, Infra 94, nr Infra 93, nr. 222 e.v. 86

88 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Algemeen Uitzondering: de 183-dagenregel 207. Van het principe van art OESO-Modelovereenkomst wordt echter afgeweken door art van het OESO-Modelverdrag: Notwithstanding the provisions of paragraph 1, remuneration derived by a resident of a Contracting State in respect of an employment exercised in the other Contracting State shall be taxable only in the first-mentioned State if: a) the recipient is present in the other State for a period or periods not exceeding in the aggregate 183 days in any twelve month period commencing or ending in the fiscal year concerned, and b) the remuneration is paid by, or on behalf of, an employer who is not a resident of the other State, and c) the remuneration is not borne by a permanent establishment which the employer has in the other State Art van het OESO-Modelverdrag voert dus een exclusieve heffingsbevoegdheid in ten voordele van de woonstaat, indien de werknemer niet langer dan 183 dagen in de werkstaat verblijft, de beloningen niet betaald zijn door een werkgever die inwoner is van de werkstaat en de beloningen niet ten last komen van een vaste inrichting of vaste basis van de werkgever in de werkstaat. Deze voorwaarden dienen cumulatief voldaan te zijn Indien er bij de toepassing van art. 15 OESO-Modelverdrag verschillende staten heffingsbevoegdheid toegewezen krijgen dan worden dubbele belastingen in principe vermeden door toepassing van ofwel art. 23, A OESO-Modelovereenkomst ofwel art. 23, B OESO-Modelovereenkomst. Het zal dan aan de woonstaat toekomen om een vrijstelling of verrekening te verlenen In de praktijk wijken dubbelbelastingverdragen evenwel vaak af qua bewoording van art. 15 OESO-Modelverdrag. Men zal bijgevolg naar de bewoordingen van het van 87

89 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Algemeen toepassing zijnde dubbelbelastingverdrag moeten kijken om de precieze draagwijdte van art en art te kennen. 289 In sommige gevallen is de toepassing van art. 15 en 23 ook gewoon ontoereikend in het kader van aandelenopties en kan er toch sprake zijn van dubbele belastingen. In het OESOrapport van 2004 overloopt de OESO-werkgroep de verschillende situaties waarin de huidige artikelen 15, 23A en 23B OESO-Modelovereenkomst tekort schieten in verband met de belasting van aandelenopties. 289 Over de invulling van o.a. het begrip werkgever zie o.a. J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, p ; J. LAMMENS, Fiscale gevolgen van het werken in het buitenland, SOCWEG 2005, afl. 21, 8. 88

90 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport Hoofdstuk 2: Het OESO-rapport van 2004 inzake aandelenopties en het commentaar bij art. 15 OESO- Modelovereenkomst 211. In 2002 gaf de OESO-werkgroep voor het eerst een discussienota uit waarbij ze de problematiek inzake dubbele belastingen aankaartte en tegelijk ook mogelijke oplossingen gaf. Ze vroeg aan de lidstaten om commentaar betreffende deze nota en in 2004 bracht ze haar definitieve rapport uit, gebaseerd op de vermelde discussienota en het verkregen commentaar erop. 290 Verschillende van de besluiten uit dit rapport werden uiteindelijk ook overgenomen in het OESO-commentaar op art. 15 OESO-Modelovereenkomst. 291 Hieronder zullen we het vermelde rapport van de OESO-werkgroep bespreken, met daarbij de nadruk op de overgenomen besluiten in het commentaar. Hierbij moet men wel in achting nemen dat het vermelde commentaar enkel geldt indien tussen de betrokken staten een dubbelbelastingverdrag is afgesloten, naar het beeld van het OESO-Modelverdrag en geen van beide staten enig voorbehoud heeft geformuleerd. Bovendien gaat het hier niet om een bindende rechtsnorm en is de toepasselijkheid van het commentaar op reeds bestaande dubbelbelastingverdragen twijfelachtig In zijn rapport bespreekt de OESO-werkgroep de aandelenopties zowel vanuit het standpunt van de werknemers als vanuit het standpunt van de werkgevers. Aangezien deze thesis zich beperkt tot de aspecten van aandelenopties vanuit het standpunt van de werknemers, wordt ook enkel het overeenkomende stuk besproken In wat volgt bespreken we de verschillende situaties waarin er zich dubbele belastingen kunnen voordoen, zoals opgesomd door de OESO-werkgroep en de erbij horende oplossingen, zoals ze zijn opgenomen in het commentaar bij art. 15 OESO- Modelovereenkomst. 290 Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004), Comm. on art. 15, nr , OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008), Zie J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, 5; S. VAN CROMBRUGGE, Internationaal fiscaal recht, ,

91 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 2.1. Verschillend belastingsmoment in de verschillende landen 214. Een eerste problematiek die volgens het fiscaal comité van de OESO voor dubbele belastingen kan zorgen is een verschillend belastingsmoment in de verschillende landen die zich bevoegd achten om de aandelenoptie te belasten. Een staat kan immers vrij kiezen uit een aantal momenten om de aandelenopties te belasten. Men kan bijvoorbeeld opteren om te belasten op het moment van toekenning van de optie ( grant ), wanneer de optie definitief verworven wordt, al dan niet onvoorwaardelijk ( vest ), op het moment van uitoefening of wanneer de onderliggende aandelen - die verkregen werden door het lichten van de optie - verkocht worden. Deze voorbeelden zijn slechts de meest voorkomende momenten om een optie te belasten. De staten kunnen uiteraard ook andere tijdstippen hanteren, bijvoorbeeld op het moment van emigratie van de werknemer naar het buitenland. Daarnaast kan een staat ook opteren om verschillende elementen van het optievoordeel te belasten op verschillende tijdstippen. Zo kan men bijvoorbeeld belasten op het moment van toekenning en nog eens wanneer men de verworven aandelen terug verkoopt Men kan de problematiek inzake verschillende belastbare momenten het best aantonen met een voorbeeld. Volgend voorbeeld komt uit het OESO-rapport zelf. 293 Voorbeeld: Een werknemer woont in staat A (woonstaat) en werkt gedurende 7 maanden in staat B (bronstaat). Voor de activiteiten die hij verrichte in staat B werd hij deels beloond met een aandelenoptie van bedrijf Y, dat gevestigd is in staat B. De fiscale regelgeving inzake aandelenopties in staat A en B klinkt als volgt: - In staat A: Aandelenopties zijn belastbaar op het moment van uitoefening. Het belastbare voordeel wordt hier bepaald door het verschil tussen de waarde van de aandelen bij de uitoefening en de prijs die de werknemer betaalde om de aandelen te verwerven (= de uitoefeningprijs of strike price ). - In staat B: Het voordeel behaald uit aandelenopties wordt belast op het moment van verkoop van de onderliggende aandelen. 293 Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004),

92 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport Het belastbaar voordeel wordt bepaald door het verschil te nemen tussen de uitoefeningprijs en de prijs waartegen men de aandelen verkocht ( sale price ). De werknemer oefent zijn optie uit in jaar 1. Bijgevolg belast staat A op het vermelde voordeel. Drie jaar later verkoopt de werknemer de aandelen die hij verworven had door het lichten van de optie en wordt bijgevolg opnieuw belast, ditmaal door staat B. Bijgevolg is er sprake van dubbele belasting. Figuur Indien een dubbelbelastingverdrag afgesloten is tussen de beide staten, zal het belastbaar voordeel voortvloeiend uit de aandelenoptie, onder art. 15 OESO-Modelverdrag vallen. Zoals eerder vermeld zal de bronstaat op basis van art in principe het inkomen mogen belasten dat verdiend werd met de werkzaamheid verricht op haar grondgebied. Daarbij speelt het geen rol als dit inkomen pas later wordt uitbetaald of gerealiseerd Als de woonstaat, zoals in het voorbeeld, belast bij uitoefening van de optie en de bronstaat slechts de meerwaarde belast die verkregen wordt bij verkoop van de onderliggende aandelen, dan rijst de vraag hoe de dubbele belasting vermeden zal worden. Zal staat A, als woonstaat, vrijstelling verlenen? Ze kan immers opwerpen dat de bronstaat een ander voordeel heeft belast. En als de woonstaat vrijstelling wil verlenen, hoe zal ze dit dan moeten doen? Ze heeft namelijk haar belasting reeds eerder geïnd. Moet de woonstaat tenslotte ook proberen te berekenen in welke mate haar belasting overeenstemt met de door de bronstaat geheven belasting? 294 Gebaseerd op P. GYONGYI VEGH, OECD Faces Employee Stock Options, ET 2002, afl. 6-7, Comm. on art. 15, nr 12.1, OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

93 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 218. Als oplossing stelt de OESO-werkgroep voor om de artikelen 23A en 23B OESO- Modelovereenkomst onbeperkt in de tijd te laten gelden. 296 Zo kan een vrijstelling verleend worden, zelfs als tussen beide belastingen een aanzienlijk tijdsverschil zit. De woonstaat zal moeten vrijstellen, zelfs indien de bronstaat pas later belast Over hoe dit juist dient te gebeuren stelt de OESO-werkgroep in haar rapport dat een deel van het probleem zou kunnen worden opgelost door toepassing van het principe van carry-back of carry-forward in een situatie waar de staten op een verschillend moment tot belastingsheffing overgaan Carry-forward betekent dat belastingen die in het verleden werden betaald, in aanmerking worden genomen bij de (latere) belastingsheffing in de woonstaat. 298 Bijgevolg zal het principe van de carry-forward enkel van toepassing zijn als een andere staat een vroeger belastbaar moment heeft dan de woonstaat. Gelet op het bijna unieke belastbare moment is dit niet mogelijk in België. 299 Carry-back betekent dat er bij een belastingsheffing op een later moment dan de initiële taxatie, retroactief rekening wordt gehouden met de belastingen die betaald zijn in de tweede fase. 300 Dit systeem zou principieel wel kunnen toegepast worden in België. Op het moment van taxatie in het buitenland zou er een retroactieve verlaging of verhoging van de initiële belasting mogelijk zijn, d.m.v. een bijkomende aanslag of een terugbetaling van belastingen. Enige hinderpaal hierbij is de aanslagtermijn. 301 Deze bedraagt in principe slechts anderhalf jaar, 302 al zal ze in de meeste gevallen wel verlengd worden tot drie jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. 303 Gelet op het feit dat de meeste aandelenopties een looptijd van vijf tot tien jaar hebben, zou dit 296 Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004), Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004), J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, Infra 114, nr J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, Art WIB Art. 353 WIB Art. 354 WIB

94 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport een hinderpaal kunnen vormen voor een efficiënte toepassing van het carry-back systeem. 304 Voorlopig is er in België echter geen enkele wettelijke bepaling die een dergelijke carryback toelaat Deze oplossing biedt geen soelaas voor staten die de art. 23A of 23B niet overnemen in hun verdrag, maar de OESO gaat ervan uit dat het in dergelijk geval aan de staten zelf is om een andere methode te ontwikkelen, bv. de procedure voor onderling overleg Het onderscheid tussen vermogensmeerwaarden en inkomen uit arbeid 222. Er is geen discussie over het feit dat voordelen voortvloeiend uit het toekennen van aandelenopties aan werknemers als deel van hun verloningspakket, onder de woorden salaries, wages and other similar remuneration van art. 15 OESO-Modelovereenkomst vallen. 306 Toch is er enige discussie over de toepassing van art. 15 of art. 13 OESO- Modelovereenkomst met betrekking tot de voordelen die voortvloeien uit het houden en later uitoefenen van de optie Men kan redeneren dat het aanhouden van een aandelenoptie en ze uitoefenen wanneer dit winstgevend is, een vermogensmeerwaarde uitmaakt die onder art. 13 OESO- Modelovereenkomst zou vallen. De houder van de optie moet hierbij immers een gelijkaardige beslissing nemen als deze die een investeerder moet nemen. De meerwaarde zou dan bestaan uit het verschil tussen de waarde van de optie op het moment dat ze werd uitgeoefend en de waarde van de optie wanneer ze werd toegekend. 304 J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, 26; Er zijn echter wel diverse werkgroepen opgericht om eventueel een carry-back systeem in te voeren, maar dan specifiek voor landbouwbedrijven bedoeld. Voor zover mij bekend is daar echter nog geen concreet resultaat uit naar voor gekomen; Integraal Verslag van de commissie voor de Financiën en de Begroting, Kamer , 24 september 2008, CRIV 52 COM 313, Comm. on art. 15, nr. 2.1, OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

95 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 224. Een andere mening zou kunnen zijn dat men de meerwaarde, waarop art. 13 OESO- Modelovereenkomst van toepassing is, slechts zou mogen berekenen vanaf het moment waarop de optie kan worden uitgeoefend (het moment van de vest ). Voordien heeft de begunstigde van de optie namelijk geen keuze tussen het aanhouden of het uitoefenen van de aandelenoptie Een derde redenering kan erin bestaan dat het volledige voordeel voortvloeiend uit de optie, inclusief de meerwaarde die de begunstigde realiseert met de verkoop van de onderliggende aandelen, een inkomen uit arbeid is en bijgevolg onder art. 15 OESO- Modelovereenkomst valt. Hij zou de aandelen immers enkel verkregen hebben omdat hij de optie is toegekend vanwege zijn arbeid Tenslotte is er ook een vierde mogelijkheid. Men zou het voordeel van de aandelenoptie als een inkomen uit arbeid kunnen beschouwen tot op het moment van de uitoefening. Eenmaal de werknemer de onderliggende aandelen heeft verworven verandert zijn hoedanigheid in deze van een aandeelhouder. Eventuele meerwaarden die hij dan realiseert na de uitoefening van optie, zouden dan bijgevolg onder art. 13 OESO- Modelverdrag moeten vallen. Dit zal ook de interpretatie zijn die de OESO volgt. 307 Figuur 2: Infra 96, nr Gebaseerd op P. GYONGYI VEGH, OECD Faces Employee Stock Options, ET 2002, afl. 6-7,

96 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 227. De discussie tussen de toepassing van art. 13 of art. 15 OESO-Modelovereenkomst is niet zonder belang. Onder art. 15 OESO-Modelovereenkomst mag de bronstaat immers belasten, zij het niet exclusief. Onder art. 13 OESO-Modelovereenkomst daarentegen is het de bronstaat niet toegelaten enige belasting te heffen op de meerwaarde Het spreekt voor zich dat, als landen het voordeel uit aandelenopties verschillend interpreteren, dit leidt tot dubbele belasting of dubbele niet-belasting. Voorbeeld: Stel dat een werknemer, wonende in staat A, werkzaamheden verricht in staat B. Hij werkt voor een onderneming Y, tevens gelegen in staat B. Voor deze werkzaamheden krijgt hij o.a. een aandelenoptie van onderneming Y. - In staat A: Het aanhouden en uitoefenen van een aandelenoptie wordt beschouwd als een vermogensmeerwaarde en valt dus onder art. 13 OESO- Modelovereenkomst. - In staat B: Het voordeel voortvloeiend uit een aandelenoptie wordt in zijn geheel beschouwd als een inkomen uit arbeid en valt bijgevolg onder art. 15 OESO-Modelovereenkomst. Bijgevolg zal staat B zich bevoegd achten om het voordeel uit de optie te belasten in de mate dat ze toegekend is voor werkzaamheden verricht op haar grondgebied. Staat A beschouwt zich evenwel exclusief bevoegd om het voordeel uit de aandelenoptie te belasten, op basis van art. 13 van het toepasselijke verdrag. Staat A zal bijgevolg het volledige voordeel belasten als een meerwaarde, zonder daarbij enige vrijstelling of verrekening te geven. Ze beschouwt de belasting van B namelijk als een onrechtmatige belasting Naast de mogelijkheid van een verschillende interpretatie, is er ook nog een tweede probleem dat tot dubbele belasting of niet-belasting kan leiden. Een ander mogelijk conflict kan voortkomen uit een verschillende kwalificatie in het interne recht. Voorbeeld: Stel dat een werknemer, wonende in staat A (woonstaat), een aandelenoptie krijgt voor zijn werkzaamheden in staat B (bronstaat). Beide staten zijn het eens over de interpretatie van het verdrag. Beide zijn akkoord dat B op grond van artikel 15 OESO- Modelovereenkomst de aandelenoptie mag belasten als inkomen uit arbeid en dat de 95

97 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport meerwaarde die gerealiseerd wordt bij de verkoop van de aandelen onder art. 13 OESO- Modelovereenkomst valt. Het interne recht van A stelt echter dat de gerealiseerde meerwaarde het verschil tussen de verkoopprijs van aandelen en de waarde van de aandelen bij toekenning van de optie is. Het interne recht van B daarentegen berekent de meerwaarde als het verschil tussen de verkoopprijs van de aandelen en de uitoefenprijs van de optie. Opnieuw krijgen we hier een dubbele belasting Volgens het rapport van de OESO-werkgroep kan voor deze kwalificatie problematiek wel een oplossing worden gevonden in art. 23A en art. 23B OESO- Modelovereenkomst. 309 In zoverre de woonstaat het eens is dat de bronstaat een correcte interpretatie van het verdrag hanteert dient zij de bepalingen uit het interne recht van de bronstaat te respecteren en moet ze bijgevolg vrijstelling verlenen volgens de berekening zoals die voortvloeit uit het interne recht van B. 310 De Belgische fiscus erkent dit principe overigens uitdrukkelijk in haar circulaire van 6 april De oplossing van het eerst vermelde interpretatieprobleem bestaat er volgens de OESO-werkgroep in, om uitdrukkelijk het tijdstip vast te leggen waarop de voordelen, die voortvloeien uit een aandelenoptie, onder art. 13 OESO-Modelovereenkomst vallen en niet langer onder art. 15 OESO-Modelovereenkomst. De werkgroep volgt hierbij de meerderheid van de landen en stelt voor om de uitoefening van de optie als scheidingslijn te nemen. 312 Het is immers vanaf de uitoefening van de optie dat de hoedanigheid van de begunstigde verandert van werknemer in aandeelhouder. Dit tijdstip is ook vanuit praktisch oogpunt het meest aan te raden. Dit besluit is nu ook overgenomen in het commentaar op art. 15 OESO-Modelovereenkomst. 313 In hetzelfde randnummer van het vermelde commentaar vermeldt de OESO ook een uitzondering op deze regel. Indien de werknemer zijn optie uitoefent en de derhalve verkregen aandelen pas definitief verworven zijn na verloop van een bepaalde periode, 309 Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004), Comm. on art. 23A and 23B, nr , OECD Model tax convention on income and capital, 17 juli 2008, Circ. Nr. AFZ nr. 4/2010, 6 april 2010, 312 Supra figuur 2, interpretatie Comm. on art. 15, nr. 12.2, OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

98 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport binnen dewelke hij werknemer van het uitgevende bedrijf moet blijven, kan art. 15 OESO- Modelovereenkomst toch van toepassing zijn op de meerwaarden die eventueel gerealiseerd worden op het einde van deze minimale periode Het commentaar op art. 15 OESO-Modelverdrag verduidelijkt dat deze regels enkel gelden voor de toepassing van het verdrag. Zij doen geen afbreuk aan de interne regels van de staten m.b.t. het moment van taxatie. De staten blijven bijgevolg volledig vrij om zelf hun belastbaar moment te bepalen en het voordeel te kwalificeren (als meerwaarde of inkomen uit arbeid). De bronstaat mag echter volgens het verdrag enkel de voordelen die voortvloeien uit de optie zelf belasten en niet de meerwaarden die voortvloeien uit het houden van de aandelen, verkregen door uitoefening van de optie Tenslotte verklaart de OESO-werkgroep hier ook, dat in geen geval de voordelen uit aandelenopties onder art. 18 of art. 21 OESO-Modelovereenkomst kunnen vallen. 316 Art. 21 OESO-Modelovereenkomst, is uitgesloten vanwege zijn aard als restartikel, doordat de artikelen 13 of 15 OESO-Modelovereenkomst toepasselijk zijn. Art. 18 OESO- Modelovereenkomst kan enkel worden toegepast met betrekking tot pensioenen en soortgelijke vergoedingen. Voordelen uit aandelenopties kunnen niet onder art. 18 OESO- Modelovereenkomst vallen, zelfs als de optie pas wordt uitgeoefend na de beëindiging van de tewerkstelling Comm. on art. 15, nr. 12.2, Commentary on the model tax convention on income and capital (17 juli 2008), Comm. on art. 15, nr , OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008), Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004), Comm. on art. 15, nr. 12.5, OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

99 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 2.3. Optie toegekend voor toekomstige of vroegere prestaties 234. Zoals eerder gezien stelt art OESO-Modelovereenkomst dat de bronstaat in principe mag belasten op inkomsten die zijn verkregen vanwege werkzaamheden verricht op haar grondgebied. 318 Vaak is het evenwel moeilijk om te bepalen voor welke werkzaamheden de aandelenoptie juist is toegekend. Soms maakt een optie immers een beloning uit voor vroegere prestaties van de werknemer, terwijl ze soms wordt toegekend als stimulans voor toekomstige prestaties. Toch is het van groot belang om te achterhalen voor welke werkzaamheden de aandelenoptie nu juist is toegekend. Volgend voorbeeld illustreert dit. Voorbeeld: Stel een werknemer is reeds jaren werkzaam in staat A, terwijl hij ook inwoner is van staat A. Hij krijgt van zijn werkgever een aandelenoptie toegekend op 1 juli De optie is echter nog onderworpen aan de opschortende voorwaarde dat de werknemer tewerkgesteld blijft gedurende 3 jaar. Op 1 februari 2010 wordt de werknemer uitgezonden naar een dochtervennootschap in staat B. Op 1 juli 2012 vest de optie. De vraag rijst hier voor welke werkzaamheden de aandelenoptie juist is toegekend? - Hypothese 1: De optie is toegekend voor vroegere werkzaamheden. In dit geval zal enkel staat A het voordeel uit de aandelenoptie mogen belasten. - Hypothese 2: De optie is toegekend voor de werkzaamheden tussen de grant en de vest. In dit geval mogen zowel staat A als staat B principieel belasten. Men zal hier dienen te kijken als al dan niet voldaan is aan de voorwaarden in art van het toepasselijke verdrag. - Hypothese 3: De optie is toegekend voor de werkzaamheid verricht op het moment van toekenning. In dit geval zal opnieuw enkel staat A mogen belasten Om te bepalen voor welke werkzaamheden de aandelenoptie nu juist is toegekend dient men volgens het commentaar op art. 15 OESO-Modelovereenkomst iedere zaak apart te bekijken. 319 Daarbij is het aan te raden om te kijken naar de voorwaarden die in de optie zelf bepaald zijn. Vaak bevatten deze nuttige aanwijzingen om te bepalen als de aandelenoptie is toegekend voor vroegere of toekomstige prestaties. 318 Supra 87, nr. 207 e.v. 319 Comm. on. art. 15, nr. 12.6, OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

100 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport Hoewel men op basis van de specifieke voorwaarden vaak een stap dichter komt bij het bepalen voor welke werkzaamheden de optie is toegekend, kunnen deze voorwaarden soms ook niet eenduidig zijn. Een voorbeeld hiervan staat te lezen in het rapport van de OESOwerkgroep van Voorbeeld: Een werknemer woont in staat A en werkt voor onderneming Y. Onderneming Y is tevens gevestigd in staat A en heeft een vaste inrichting in staat B. De werknemer werkte in staat A vanaf 1990 tot 31 december 1997, in 1998 werkte hij een jaar voor de vaste inrichting van Y, in staat B, van 1 januari 1998 tot 31 december De werknemer bleef wel een inwoner in staat A. Op 31 maart 1999 kreeg hij een aandelenoptie in het kader van het aandelenoptieplan van de onderneming Y. Volgens dit plan kreeg iedere werknemer die minstens een jaar voor de onderneming werkte een aandelenoptie, mits de onderneming het jaar voordien (hier dus 1998) winst maakte. De optie heeft een looptijd van vijf jaar, maar mag pas ten vroegste worden uitgeoefend vierentwintig maanden na de toekenning. Gedurende deze vierentwintig maanden dient de begunstigde werknemer te blijven van de onderneming. Op 30 juni 2001 oefent de werknemer de optie uit. Op dat moment belast staat B het verschil tussen de uitoefenprijs en de waarde van de aandelen op het moment van de lichting, als een inkomen uit arbeid verdiend in het jaar Staat A daarentegen vindt niet dat het voordeel uit de aandelenoptie toe te reken valt aan de werkzaamheden in 1998 en zal bijgevolg geen vrijstelling of verrekening toestaan De situatie in het bovenstaande voorbeeld kan gezien worden als enerzijds een onenigheid met betrekking tot de feiten, nl. de staten zijn het oneens over het al dan niet gerelateerd zijn van het toekennen van de optie aan de werkzaamheden verricht op het grondgebied van staat B. Anderzijds kan men het ook zien als een verschil in de interpretatie van art. 15 OESO-Modelovereenkomst, nl. de staten die het niet eens zijn over de woorden remuneration derived from employment exercised in a State. In beide gevallen kan men evenwel geen beroep doen op de regels die zijn uitgewerkt met betrekking tot een kwalificatieconflict ten gevolge van het interne recht. 321 Er is namelijk 320 Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004), Comm. on art. 23A and 23B, nr. 32.3, OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

101 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport geen akkoord tussen de staten dat de bronstaat, staat B, het verdrag correct toepast. Bijgevolg moet men dubbele belastingen op een andere manier voorkomen In het commentaar staan dan ook een aantal principes vermeld aan de hand waarvan de staten kunnen uitmaken als de optie is toegekend wegens toekomstige of vroegere prestaties Als algemene regel stelt het commentaar dat opties niet moeten worden geacht toegekend te zijn voor werkzaamheden die verricht worden na de vereiste periode van werkzaamheid, nodig om de optie onherroepelijk te verkrijgen. 323 M.a.w., men moet volgens de OESO ervan uitgaan dat de aandelenoptie is toegekend voor de periode tussen de toekenning en de vesting Hierbij is het wel belangrijk om het verschil te maken tussen een periode van tewerkstelling die nodig is om het recht te verkrijgen om de optie te kunnen uitoefenen en een gewone wachttermijn die men moet uitzitten vooraleer de optie te kunnen uitoefenen ( a blocking period ). De regel vindt enkel toepassing in het eerste geval. 324 Toegepast op bovenstaand voorbeeld betekent dit dat de optie niet kan worden geacht toegekend te zijn voor werkzaamheden die de werknemer verricht na de minimale periode van tewerkstelling van vierentwintig maanden, te rekenen vanaf de toekenning van de optie. Bepaalde het aandelenoptieplan van onderneming Y simpelweg dat de werknemer nog vierentwintig maand moest wachten vooraleer hij de optie kon uitoefenen, dan was de optie reeds gevest bij de toekenning van de optie Een ander onderscheid dat men dient te maken m.b.t. deze algemene regel, is tussen de situatie waar een minimale periode van tewerkstelling nodig is om een definitief verworven recht op de optie te verkrijgen (de vest ) en een situatie waar men reeds het recht op de optie heeft verworven, maar men dat recht kan verliezen indien men de optie niet uitoefent vooraleer de tewerkstelling wordt beëindigd. 322 Comm. on art. 15, nr , OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008), Comm. on art. 15, nr. 12.7, OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008), Comm. on art. 15, nr. 12.8, OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

102 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport In de laatste situatie moet men de optie niet beschouwen als toegekend zijnde voor werkzaamheden verricht na de vesting, aangezien de werknemer reeds het recht om de optie uit te oefenen heeft verworven. Hij kan de optie dus uitoefenen indien hij dat wenst, eventueel na verloop van een wachttermijn. Het commentaar voorziet zelf twee voorbeelden om het onderscheid te verduidelijken: Voorbeeld 1: Op 1 januari van jaar 1 wordt een aandelenoptie toegekend aan een werknemer. De verkrijging van de optie is onderworpen aan de voorwaarde dat de werknemer bij zijn werkgever blijft tot 1 januari van jaar 3. Eenmaal deze voorwaarde vervuld is, zal de optie uitgeoefend kunnen worden van 1 januari van jaar 3 tot 1 januari van jaar Verder is ook bepaald dat de werknemer het recht op de optie zal verliezen op het moment dat hij niet langer tewerkgesteld is bij dezelfde werkgever en indien de optie niet reeds is uitgeoefend. In dit voorbeeld is het recht om de optie uit te oefenen verworven op 1 januari van jaar 3, aangezien op dat moment geen verdere tewerkstelling vereist is om het recht te bekomen om de optie uit te oefenen. - Voorbeeld 2: Op 1 januari van jaar 1 krijgt een werknemer een aandelenoptie. De optie kan worden uitgeoefend op 1 januari van het jaar De optie is toegekend onder de voorwaarde dat ze enkel kan worden uitgeoefend op 1 januari van jaar 5, indien de werknemer op dat moment nog steeds werkzaam is bij dezelfde werkgever. In dit voorbeeld is de optie pas daadwerkelijk verworven (de vest ) op het moment van uitoefening van de optie, nl. 1 januari van jaar 5. Er is immers tewerkstelling vereist tot op dit moment om het recht op uitoefening te bekomen Er zijn ook situaties waarin de algemene regel niet van toepassing is. 328 Zo kan het voorkomen dat een werknemer een aandelenoptie ontvangt bij de aanvang van zijn job, bij een overdracht van de werknemer naar een buitenlandse vesting of wanneer hij aanzienlijk bijkomende verantwoordelijkheden krijgt. Als de optie in dergelijke gevallen duidelijk is toegekend voor de toekomstige prestaties, dan geldt de algemene regel hier niet, zelfs als het recht om de optie uit te oefenen nog niet verkregen is. 325 Comm. on art. 15, nr. 12.9, OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008), Het gaat hier bijgevolg om een zogenaamde Amerikaanse optie. 327 Het gaat hier bijgevolg om een zogenaamde Europese optie. 328 Comm. on art. 15, nr , OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

103 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 242. Als tweede principe stelt het commentaar dat aandelenopties enkel moeten worden geacht toegekend te zijn voor vroegere werkzaamheden, als daar duidelijke aanduidingen voor zijn. 329 Dit zou het geval zijn als de toekenning van de optie een beloning is voor de gepresteerde werkzaamheden van de werknemer gedurende een bepaalde periode of wanneer de toekenning van de optie afhankelijk is van het bereiken van bepaalde financiële quota door de uitgevende onderneming en onderworpen is aan de voorwaarde dat de werknemer werkzaam was bij de onderneming gedurende deze winstgevende periode. Dit zou ook het geval kunnen zijn als er gerechtvaardigde verwachtingen zijn onder de werknemers dat hun beloning voor hun werkzaamheden tijdens een bepaalde periode, deels zal vergoed worden onder de vorm van een aandelenoptie. Bijvoorbeeld door een gevestigd gebruik binnen de onderneming om werknemers te vergoeden op een dergelijke manier. Door afweging van deze bewijzen en rekening houdend met andere factoren kan men eventueel besluiten dat de aandelenopties toch voor vroegere prestaties zijn toegekend Als het verkrijgen van het recht om een optie uit te oefenen afhankelijk is van een zeker periode van tewerkstelling, maar deze voorwaarden niet gelden in bepaalde omstandigheden, dan dient men de optie enkel te beschouwen als zijnde toegekend voor de effectief geleverde prestaties. 330 Bedoelde omstandigheden zijn hier bijvoorbeeld de pensionering van de werknemer, het ontslag van de werknemer door de werkgever Tenslotte kan het ook mogelijk zijn dat sommige factoren duiden op een toekenning van de optie voor vroegere prestaties, maar andere factoren kunnen integendeel duiden op een toekenning voor toekomstige prestaties. Bij twijfel moet men er dus van uitgaan dat opties in doorsnee als een stimulatie voor toekomstige prestaties worden toegekend. 329 Comm. on art. 15, nr , OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008), Comm. on art. 15, nr , OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

104 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport Men dient natuurlijk wel alle factoren in aanmerking te nemen alvorens tot zo n besluit te komen. Het kan namelijk ook mogelijk zijn dat de optie is toegekend voor specifieke vroegere en toekomstige prestaties Activiteiten in verschillende staten 245. Wanneer men volgens de bovenstaande regels bepaald heeft voor welke werkzaamheden de optie nu juist is toegekend, kan men ook nog in een andere probleemsituatie terecht komen. De werkzaamheden waarvoor de optie is toegekend, kunnen zich afspelen in twee staten. In deze situatie zal men allereerst moeten kijken welke staat heffingsbevoegd is op basis van art. 15 van het toepasselijke dubbelbelastingverdrag en meer bepaald zal moeten worden gekeken als voldaan is aan de voorwaarden in art van het toepasselijke verdrag. Indien beide staten heffingsbevoegd blijken, zal men deze bevoegdheid moeten gaan verdelen aan de hand van een verdeelsleutel Bepaling van de heffingsbevoegdheid 246. Volgens art OESO-Modelverdrag zijn principieel zowel de woonstaat als de werkstaat bevoegd om het voordeel uit de optie te belasten. Echter, indien de voorwaarden uit art OESO-Modelverdrag vervuld zijn is de woonstaat exclusief bevoegd om het voordeel te belasten. Om uit te maken indien aan de eerste voorwaarde (de zogenaamde 183-dagenregel) van art OESO-Modelverdrag is voldaan, zal men de berekening moeten maken van het aantal dagen dat de werknemer fysiek aanwezig was, 332 m.b.t. zijn werkzaamheid, op het grondgebied van de werkstaat Het belastbare moment zal in deze berekening een belangrijke rol spelen. Men dient immers enkel te kijken naar de belastbare periode om te bepalen als voldaan is aan de 331 Comm. on art. 15, nr , OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008), In sommige verdragen spreekt men niet van fysieke aanwezigheid, maar van een periode van activiteit. In dit laatste geval dient men rekening te houden met de effectief gewerkte dagen, de normale werkonderbrekingen en met de dagen die verband houden met de activiteit, ook al worden die onderbrekingen in een ander land doorgebracht. 103

105 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 183-dagen voorwaarde. 333 Indien de betrokken staten een verschillend belastingsmoment kennen, dan zal de toepassing van art tot dubbele belasting kunnen leiden Zo zal België als belastbare periode, de periode van de toekenning beschouwen. 334 Naar de huidige Belgische wetgeving is het belastbare tijdstip immers het moment van toekenning van de optie. Belast de andere betrokken staat aandelenopties op het moment van uitoefening, dan zal deze laatste staat zich op een totaal andere periode baseren om te bepalen als voldaan is aan de voorwaarden van art van het dubbelbelastingverdrag Gelet op de bovenvermelde principes, kan men uit de OESO-richtlijnen evenwel afleiden dat de belastbare periode in principe het fiscale jaar is waarin de vesting van de optie plaats vindt. 335 Om te bepalen of al dan niet voldaan is aan de 183-dagenregel uit art OESO-Modelverdrag, dient men dus te kijken als de werknemer gedurende enige 12- maandenperiode beginnend of eindigend in het fiscale jaar waarin de optie vest, meer dan 183 dagen in de werkstaat verbleef. Voorbeeld: Stel dat de werknemer tijdens de eerste 2 jaar van de optie 200 dagen in de werkstaat (A) aanwezig is, maar tijdens het derde jaar (waarin de optie vest ) slechts 150 dagen. Vijf jaar na de toekenning oefent de werknemer de optie uit. In dat jaar is de werknemer opnieuw slechts 150 dagen in de werkstaat aanwezig. 336 De woonstaat belast aandelenopties op het moment van toekenning, terwijl de werkstaat belast op het moment van uitoefening. De woonstaat baseert zich bijgevolg op het moment van toekenning en zal vrijstelling of verrekening verlenen voor de 200 dagen die de werknemer in A heeft doorgebracht. De werkstaat baseert zich echter op het moment van uitoefening en acht de woonstaat exclusief belast. Derhalve zal er een niet-belasting zijn ten belope van de 200 dagen die de werknemer gewerkt heeft in A op het moment van toekenning. Volgens de principes die af te leiden vallen uit het OESO-commentaar op art. 15 dient men hier te kijken naar de periode van de vesting. Bijgevolg is hier de woonstaat 333 Art OESO-Modelverdrag; J. LEBERSORG, J. PATTYN, Internationale aspecten van aandelenopties: fiscale analyse door een Belgische bril, AFT 2004, afl. 5, De Belgische belastingsadministratie heeft zich hierover uitgesproken in haar circulaire van 25 mei 2005 (Circ. Nr. AFT2005/0652, 25 mei 2005, Infra 125, nr Comm. op art. 15, nr. 12.7, OECD Model tax convention on income and capital (17 juli 2008), In werkelijkheid dient ment te kijken als er enige 12-maandenperiode begint of eindigt in het betreffende fiscale jaar, maar voor de eenduidigheid van het voorbeeld wordt dit hier genegeerd. 104

106 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport exclusief bevoegd, aangezien de werknemer minder dan 183 dagen in het relevante fiscale jaar in de werkstaat verbleef Een mogelijke oplossing voor dit probleem kan het relating-to principe zijn. Vele landen aanvaarden tegenwoordig dat, om te bepalen als voldaan is aan de 183-dagen regel, men dient te kijken naar de periode waarin de werkzaamheden werden verricht waarvoor de aandelenoptie werd toegekend. De periode waarin men de beloning effectief opstrijkt is hierbij irrelevant. Als men dit principe in zijn uiterste doordrijft, dan dient iedere staat na te gaan als voor ieder relevant jaar afzonderlijk, voldaan is aan de 183-dagen regel. De relevante jaren zijn hierbij dan de jaren van de vestingperiode. Het Hof van Cassatie erkende dit relating-to principe uitdrukkelijk in haar arrest van 5 februari Op deze manier wordt de belastbaarheid van de optie ook verbonden met de belastbaarheid van de overige bezoldigingen, wat in de praktijk wellicht een werkbare oplossing is Verdeling van de heffingsbevoegdheid 251. Indien vastgesteld is dat beide staten mogen belasten volgens het toepasselijke dubbelbelastingverdrag is deze verdeling ook nodig om te bepalen op welk gedeelte de bronstaat mag belasten op basis van art. 15 OESO-Modelovereenkomst en voor welk gedeelte de woonstaat moet vrijstellen volgens art. 23 OESO-Modelovereenkomst Als algemene regel voor dergelijke verdeling stelt het commentaar dat men dient te kijken naar de verhouding tussen het aantal dagen die de werknemer heeft gewerkt in iedere staat tegenover het aantal dagen tewerkstelling die vereist waren om de optie te bekomen. De dagen die hiervoor in aanmerking komen, zijn deze die relevant zijn voor de optie. D.w.z. de werkdagen die meetellen om te voldoen aan de voorwaarde van een periode van werkzaamheid, nodig om het recht te verkrijgen om de optie uit te oefenen. 338 Dit zijn de werkdagen tussen de grant en de vesting. 337 Cass. 5 februari 2009, Fiscoloog (I) 2009, afl. 304, Comm. on art. 15, nr , OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

107 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport Voorbeeld: 339 Een (onvoorwaardelijke) aandelenoptie is toegekend voor een periode van drie jaar. 340 De begunstigde-werknemer woont in het eerste jaar in staat A, maar hij werkt 110 dagen in staat B. Zijn aanwezigheid in staat B telt meer dan 183 dagen, zodat staat B heffingsbevoegd is. Hij werkt tijdens datzelfde jaar ook nog 20 dagen in staat C. In staat C verblijft hij niet langer dan 183 dagen, zodat staat C niet heffingsbevoegd is. Tijdens het tweede en derde jaar woont en werkt hij in staat D. In dit geval moet men dus 130/780 e van het voordeel van de optie bij staat A leggen, 110/780 e bij staat B, 20/780 e bij staat C en 520/780 e bij staat D Het deel dat toegewezen is aan een staat die volgens art OESO- Modelovereenkomst niet mag belasten (staat C in het voorbeeld), zal niet worden toegewezen aan een andere staat. De verdeelsleutel dient, in hoofde van de woonstaat, enkel als aanduiding voor welke prestaties hij een vrijstelling dient te verlenen. De verdeling beperkt geenszins het recht van de woonstaat om dat deel zelf te belasten. Die beperking kan natuurlijk wel voortvloeien uit de plicht van de woonstaat om dubbele belasting te voorkomen op basis van art. 23 OESO-Modelovereenkomst Het rapport van de OESO-werkgroep geeft nog twee bijkomende voorbeelden ter verduidelijking. Voorbeeld 1: Op 1 januari 1998 krijgt een werknemer een aandelenoptie. Op dat moment werkt en woont hij in staat A. De optie is onderworpen aan de voorwaarde dat de werknemer tewerkgesteld blijft bij dezelfde werkgever tot minstens 1 januari Op 31 december 1999 verhuist hij naar staat B, waarbij hij inwoner wordt van staat B. Op 1 juli 2001 oefent hij de optie uit en verkoopt onmiddellijk alle verworven aandelen. Het voordeel van de aandelenoptie valt onder art. 15 OESO-Modelovereenkomst. Bijgevolg mag staat A het voordeel van de aandelenoptie belasten dat overeenkomt met de relevante tewerkstelling die op haar grondgebied is gebeurd. Het aantal relevante dagen is hier 780 (3*260 werkdagen/jaar). Aan staat A kunnen 520 relevante dagen worden toegerekend, dus A mag 66,67% van het voordeel belasten. Staat B wordt Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004), In de veronderstelling dat ieder jaar 260 werkdagen telt. 106

108 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport relevante dagen toegerekend en mag bijgevolg 33,33% belasten. De overige 130 (nietwerk)dagen zijn hier niet relevant en worden bijgevolg niet meegerekend. Voorbeeld 2: Op 1 januari 1998 krijgt een werknemer een aandelenoptie. Op dat moment werkt en woont hij in staat A. De optie is onderworpen aan de voorwaarde dat de werknemer tewerkgesteld blijft bij dezelfde werkgever tot minstens 1 januari Op 31 december 1999 verhuist hij naar staat B, waarbij hij inwoner wordt van staat B. De werknemer beëindigt op 30 juni 2000 zijn tewerkstelling wegens gezondheidsproblemen. Zijn werkgever toont begrip en laat hem de optie behouden. Hij oefent de optie uit op 1 januari In dit voorbeeld zijn er slechts 650 relevante dagen (2,5*260). Van deze 650 zijn er 520 relevante dagen aan staat A toe te wijzen. Bijgevolg mag deze 520/650 of 80% van het voordeel belasten Het commentaar vermeldt verder de mogelijkheid voor staten om een andere verdeelsleutel overeen te komen in hun bilaterale verdragen, maar het wijst meteen ook op het gevaar dat dergelijke alternatieve verdeelsleutel inhoudt. Indien er ook tewerkstelling met een derde staat voorkomt kan een andere verdeelsleutel opnieuw tot dubbele belasting leiden Wijziging van woonstaat 256. De voorgaande problemen speelden zich vooral af in de relatie woonstaat - bronstaat. Er kunnen zich echter ook problemen voordoen tussen twee of meer woonstaten. Zo kan het zich voordoen dat de werknemer tijdens de relevante periode voor de optie verhuist naar verschillende staten, waarbij hij telkens in een andere staat vertoeft op het moment van toekenning, het moment van vesting, het moment van uitoefening en het moment waarop de verworven aandelen zijn verkocht. Al deze staten kunnen het recht opeisen om als woonstaat te belasten. Indien telkens iedere staat aandelenopties belast op het moment waarop de werknemer aanwezig is op hun grondgebied, dan zullen er verschillende belastingen zijn van verschillende woonstaten. Art. 23 OESO- 341 Comm. on art. 15, nr , OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

109 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport Modelovereenkomst kan in dergelijk geval geen oplossing bieden, aangezien dit artikel enkel een oplossing biedt in de relatie woonstaat bronstaat. Het probleem wordt bovendien nog versterkt indien een woonstaat een exit-belasting op meerwaarden hanteert bij emigratie van een inwoner of wanneer de woonstaat zich een heffingsrecht voorbehoudt met betrekking tot de meerwaarden gerealiseerd in hoofde van zijn ex-inwoners, op grond van dubbelbelastingverdragen. Voorbeeld: Een aandelenoptie is toegekend voor een periode van drie jaar. De begunstigde werknemer woont in het eerste jaar in staat A, maar hij werkt 110 dagen in staat B. Zijn aanwezigheid in staat B telt meer dan 183 dagen, zodat staat B heffingsbevoegd is. Hij werkt tijdens datzelfde jaar ook nog 20 dagen in staat C. In staat C verblijft hij echter niet langer dan 183 dagen, zodat staat C niet heffingsbevoegd is. Tijdens het tweede en derde jaar woont en werkt hij in staat D. Zoals eerder reeds besproken, kan men het voordeel als volgt toewijzen aan de verschillende staten: 90/780 e aan staat A, 110/780 e aan staat B, 20/780 e aan staat C en 520/780 e aan staat D. Volgens de verschillende dubbelbelastingverdragen, gesloten tussen de staten, mag staat A bijgevolg het volledige voordeel belasten op voorwaarde dat ze dit doet wanneer de werknemer een van haar inwoners is. Dit zal het geval zijn als staat A aandelenopties belast op het moment van toekenning. Weliswaar dient A vrijstelling te verlenen om dubbele belasting te voorkomen, voor hetgeen belast wordt door staat B (110/780) en staat D (520/780). Volgens de dubbelbelastingverdragen A-B en B-D, mag B als bronstaat enkel 110/780 e van het voordeel belasten. Volgens de dubbelbelastingverdragen A-C en C-D, mag C geen belasting heffen. Tenslotte zal D volgens haar dubbelbelastingverdragen alles mogen belasten als woonstaat, op voorwaarde dat ze dit doet wanneer de werknemer een van haar inwoners is. Dit zal het geval zijn indien D aandelenopties belast op het moment van uitoefening. Weliswaar zal D vrijstelling moeten verlenen voor de belastingen geheven door A (90/780) en B (110/780). In dit voorbeeld zal dus zowel staat A als staat D het volledige voordeel belasten. Art. 15 OESO-Modelovereenkomst zal dit niet verhinderen. Hierdoor is er tweemaal kans op dubbele belasting. Een eerste maal met betrekking tot de werkzaamheid verricht in staat B. Zowel staat A, B als D belasten het voordeel uit deze periode. Staat A en D 108

110 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport verlenen echter telkens een vrijstelling voor hetgeen door B belast wordt. Het zich voordoen van een meervoudige belasting zal in dit geval afhankelijk zijn van de toepassing van een verrekening- of vrijstellingsysteem door A en D. Indien zowel A als D een vrijstelling verlenen voor de, in B belaste inkomsten, zal er geen dubbele belasting zijn. Indien A en D beide een credit toestaan en de eigen belasting op de werkzaamheid in B is groter dan de belasting van staat B op diezelfde werkzaamheid, dan zal hier sprake zijn van een meervoudige belasting. Ter verduidelijking stellen we dit ook cijfermatig voor: stel dat B een belasting heft van 35 en dat zowel A als D een belasting heffen op het corresponderende voordeel van 40. Staat A zal een credit toestaan van 35 volgens het dubbelbelastingverdrag A-B en D zal een credit toestaan van 35 volgens het dubbelbelastingverdrag B-D. Bijgevolg blijft er een dubbele belasting bestaan ten belope van de overlapping tussen de belastingen van A en D, in de mate dat ze hoger zijn dan de belasting van B, nl. 2x5. Het probleem is groter m.b.t. de belasting op de werkzaamheid in C. Dit deel van het voordeel wordt zowel door A als door D belast en wordt door geen van beide staten vrijgesteld/verrekend. Figuur 3: 109

111 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 257. Men zou in de bovenstaande situatie kunnen opmerken dat staat D, als woonstaat, vrijstelling zou moeten verlenen voor de belastingen van A op de werkzaamheden in staat B en C op basis van het dubbelbelastingverdrag A-D. Het verdrag verhindert immers staat A niet om de werkzaamheden in staat B en C te belasten, zolang de werknemer nog haar inwoner is. Deze interpretatie zou echter leiden tot een dubbele niet-belasting, aangezien staat A net hetzelfde zou moeten doen met betrekking tot de belastingen van D op de werkzaamheden in B en C. Derhalve moet men dergelijke interpretatie afwijzen, volgens het rapport van de OESO-werkgroep Om in dergelijke gevallen toch tot een oplossing te komen stelt het rapport voor dat de betrokken landen de overlegprocedure van art. 25 OESO-Modelovereenkomst opstarten. In het kader van het overleg zouden de staten kunnen overeenkomen om een vrijstelling te verlenen voor de periode dat de verkrijger van de aandelenopties inwoner was van de andere staat. Toegepast op bovenstaand voordeel zou men dan kunnen overeenkomen dat staat D een vrijstelling of verrekening verleent voor de belastingen van A op het voordeel dat overeenstemt met de werkzaamheden in staten B en C, aangezien op dat moment de werknemer nog een inwoner van staat A was. Deze oplossing zal in België moeilijk aanvaard kunnen worden, wegens de onverenigbaarheid van de slotzin van art OESO-Modelovereenkomst met art. 167, 2 GW. Dit artikel verzet zich er tegen dat de administratie een overeenkomst zou kunnen sluiten met betrekking tot het voorkomen van dubbele belasting in gevallen waarin het verdrag niet voorziet. Art OESO-Modelovereenkomst is dan ook in geen enkel Belgisch dubbelbelastingverdrag overgenomen Bovenstaande beslissingen werden dan ook toegevoegd aan het commentaar op art. 23 OESO-Modelovereenkomst Report on cross border income tax issues arising from employee stock-option plans approved by the OESO committee on fiscal affairs (23 augustus 2004), B. PEETERS, Artikel 15 OESO-Modelverdrag: inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid. De nieuwe administratieve circulaire d.d. 25 mei 2005 en de niet-gedefinieerde begrippen, TRV 2006, 220; S. VAN CROMBRUGGE, Internationaal fiscaal recht, , Comm. on art. 23A and 23B, nr , OECD model tax convention on income and capital (17 juli 2008),

112 Deel 3: Aandelenopties in internationale context Het OESO-rapport 260. Tenslotte moet hier nog opgemerkt worden dat een dergelijke problematiek zich niet voordoet in een zuivere bilaterale situatie. Voorbeeld: Stel dat er enkel werkzaamheden werden verricht in staat A en staat D. Staat A zal als woonstaat het volledige voordeel van de optie belasten op het moment van toekenning en D zal hetzelfde doen op het moment van uitoefening van de optie. Als woonstaat zal A dubbele belasting voorkomen en bijgevolg een credit of vrijstelling verlenen voor de werkzaamheden verricht in staat D. Staat D zal als nieuwe woonstaat opnieuw hetzelfde doen en dus dubbele belasting voorkomen in de mate dat het voordeel uit de optie overeenstemt met werkzaamheden in staat A. Derhalve zal er geen dubbele belasting meer zijn. Figuur 4: 111

Relevante feiten. Beoordeling. RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996

Relevante feiten. Beoordeling. RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996 RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996 Relevante feiten Als kaderlid van M heeft eerste eiser in 1993 aandelenopties verkregen op aandelen

Nadere informatie

Aandelenopties. In dit geval wordt de optie geacht, uit fiscaal oogpunt aan hem te zijn toegekend bij het verstrijken van de termijn van 60 dagen.

Aandelenopties. In dit geval wordt de optie geacht, uit fiscaal oogpunt aan hem te zijn toegekend bij het verstrijken van de termijn van 60 dagen. 1 H Aandelenopties Definiëring Een aandelenoptie kunnen we omschrijven als het recht om tegen een bepaalde prijs en binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal aandelen of winstbewijzen van een vennootschap

Nadere informatie

Aandelenopties en warrants

Aandelenopties en warrants CLAEYS & ENGELS Advocaten Vorstlaan 280 1160 Brussel Tel +32 2 761 46 00 Fax +32 2 761 47 00 info@claeysengels.be www.claeysengels.be Aandelenopties en warrants www.iuslaboris.com Deze wijze van winstdeelneming

Nadere informatie

CIRCULAIRE. AOIF nr. 24/2009. Brussel, 9 mei 2009

CIRCULAIRE. AOIF nr. 24/2009. Brussel, 9 mei 2009 CIRCULAIRE AOIF nr. 24/2009 Federale Overheidsdienst FINANCIEN Administratie Van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit Centrale diensten Directie I/5A Ci.RH.241/598.219 ONDERWERP : Inkomstenbelastingen

Nadere informatie

Rolnummer 3781. Arrest nr. 125/2006 van 28 juli 2006 A R R E S T

Rolnummer 3781. Arrest nr. 125/2006 van 28 juli 2006 A R R E S T Rolnummer 3781 Arrest nr. 125/2006 van 28 juli 2006 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 42, 1, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid

Nadere informatie

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk 3 HOOFDSTUK I De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk AFDELING 1 Inleiding Doelstelling Achtergrond Sinds 1 juli 2005 geldt een fiscale lastenverlaging voor

Nadere informatie

Kosten eigen aan de werkgever

Kosten eigen aan de werkgever CLAEYS & ENGELS Advocaten Vorstlaan 280 1160 Brussel Tel +32 2 761 46 00 Fax +32 2 761 47 00 Kosten eigen aan de werkgever info@claeysengels.be www.claeysengels.be www.iuslaboris.com De bedragen die aan

Nadere informatie

http://ccff02.minfin.fgov.be/kmweb/document.do?method=printselecteddocuments...

http://ccff02.minfin.fgov.be/kmweb/document.do?method=printselecteddocuments... Page 1 of 5 Home > Résultats de la recherche > Circulaires > Circulaire nr. Ci.RH.231/532.259 (AAFisc Nr. 3/2013) dd. 25.01.2013 Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten Personenbelasting

Nadere informatie

Historische ontwikkeling van tijdstip en modaliteiten van belastbaarheid van aandelenopties

Historische ontwikkeling van tijdstip en modaliteiten van belastbaarheid van aandelenopties Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit Gent Academiejaar 2010-11 Historische ontwikkeling van tijdstip en modaliteiten van belastbaarheid van aandelenopties masterproef van de opleiding Master in de

Nadere informatie

Meerwaarden op aandelen: Vindt u uw weg in de praktijk?

Meerwaarden op aandelen: Vindt u uw weg in de praktijk? Meerwaarden op aandelen: Vindt u uw weg in de praktijk? De programmawet van 27 december 2012 heeft een nieuwe belasting op meerwaarden op aandelen ingevoerd. Meer dan één jaar na de inwerkingtreding, blijven

Nadere informatie

1. Deze circulaire heeft betrekking op de anciënniteitspremies die aan werknemers worden toegekend tijdens hun loopbaan bij een werkgever.

1. Deze circulaire heeft betrekking op de anciënniteitspremies die aan werknemers worden toegekend tijdens hun loopbaan bij een werkgever. Algemene administratie van de FISCALITEIT Centrale diensten Directie I/5B Circulaire nr. Ci.RH.241/608.543 (AAFisc Nr. 27/2011) dd. 23.05.2011 Personenbelasting Beroepsinkomen Anciënniteitspremie Vrijgesteld

Nadere informatie

Abnormale of goedgunstige voordelen toch geen minimale belastbare basis?

Abnormale of goedgunstige voordelen toch geen minimale belastbare basis? Abnormale of goedgunstige voordelen toch geen minimale belastbare basis? Aan de hand van bepaalde transacties wordt binnen groepen van vennootschappen soms gepoogd om winsten te verschuiven naar de vennootschappen

Nadere informatie

Auteur. Federale Overheidsdienst Financiën. minfin.fgov.be. Onderwerp

Auteur. Federale Overheidsdienst Financiën. minfin.fgov.be. Onderwerp Auteur Federale Overheidsdienst Financiën minfin.fgov.be Onderwerp Circulaire nr. Ci.RH.241/567.657 (AOIF 7/2008). BEROEPSINKOMEN. Anciënniteitspremie. Bezoldiging. Sociaal voordeel. Vrijgesteld inkomen.

Nadere informatie

Afdeling 24. Kosten eigen aan de werkgever

Afdeling 24. Kosten eigen aan de werkgever BEROEPSKOSTEN 61 4. BTW Volgens het Europese Hof van Justitie is factoring een dienstprestatie die uitgesloten is van de BTW-vrijstellingen voor financiële diensten: factoring is onderworpen aan BTW ongeacht

Nadere informatie

Dexia NV/SA Naamloze vennootschap naar Belgisch recht

Dexia NV/SA Naamloze vennootschap naar Belgisch recht Dexia NV/SA Naamloze vennootschap naar Belgisch recht Rogierplein 11 1210 Brussel RPR Brussel BTW BE 0458.548.296 Rekening 068-2113620-17 BIJZO NDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR - 14 mei 2008 - O pgesteld

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2012/8 De boekhoudkundige verwerking van de inbreng in eigendom in een Belgische burgerlijke maatschap die niet de rechtsvorm heeft aangenomen van een handelsvennootschap

Nadere informatie

Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, titel III, hoofdstuk II, afdeling III, onderafdeling 4. Ondernemingen die investeren in een raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk Art. 194ter.

Nadere informatie

Voorafgaande opmerking bij de circulaire nr. Ci.RH.421/628.803

Voorafgaande opmerking bij de circulaire nr. Ci.RH.421/628.803 Algemene administratie van de FISCALITEIT Centrale diensten Circulaire nr. Ci.RH.421/628.803 (AAFisc Nr. 30/2013) dd. 22.07.2013 Berekening van de Ven.B Rechtspersonenbelasting Berekening van de RPB Afzonderlijke

Nadere informatie

CBN-advies 2012/3 De boekhoudkundige verwerking van aandelenoptieplannen. Advies van 11 januari 2012

CBN-advies 2012/3 De boekhoudkundige verwerking van aandelenoptieplannen. Advies van 11 januari 2012 I. Inleiding COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2012/3 De boekhoudkundige verwerking van aandelenoptieplannen Advies van 11 januari 2012 1. Door de Wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch

Nadere informatie

DECEUNINCK NV Naamloze vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen Brugsesteenweg 374 8800 Roeselare

DECEUNINCK NV Naamloze vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen Brugsesteenweg 374 8800 Roeselare DECEUNINCK NV Naamloze vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen Brugsesteenweg 374 8800 Roeselare Ondernemingsnummer: 0405.548.486 RPR Kortrijk (de 'Vennootschap') Bijzonder

Nadere informatie

De maaltijdcheques zijn onderworpen aan een bijzondere regeling zowel op fiscaal vlak als op het vlak van sociale zekerheid.

De maaltijdcheques zijn onderworpen aan een bijzondere regeling zowel op fiscaal vlak als op het vlak van sociale zekerheid. CLAEYS & ENGELS Advocaten Vorstlaan 280 1160 Brussel Tel +32 2 761 46 00 Fax +32 2 761 47 00 Maaltijdcheques info@claeysengels.be www.claeysengels.be www.iuslaboris.com Niet alle ondernemingen kunnen hun

Nadere informatie

Tax shelter voor startende ondernemingen

Tax shelter voor startende ondernemingen Newsflash Tax shelter voor startende ondernemingen Via de tax shelter wil de Federale overheid natuurlijke personen fiscaal aanmoedigen om risicokapitaal te verschaffen aan startende ondernemingen binnen

Nadere informatie

DECEUNINCK NV Naamloze vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen Brugsesteenweg 374 8800 Roeselare

DECEUNINCK NV Naamloze vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen Brugsesteenweg 374 8800 Roeselare DECEUNINCK NV Naamloze vennootschap die een openbaar beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen Brugsesteenweg 374 8800 Roeselare Ondernemingsnummer: 0405.548.486 RPR Kortrijk (de 'Vennootschap') Bijzonder

Nadere informatie

I. BEREKENING VAN HET GEMIDDELD PERSONEELSBESTAND A. Alle personeelsleden. Gemiddeld personeelsbestand in 2010 ... A1 =... B1 251 ... A2 =... B2...

I. BEREKENING VAN HET GEMIDDELD PERSONEELSBESTAND A. Alle personeelsleden. Gemiddeld personeelsbestand in 2010 ... A1 =... B1 251 ... A2 =... B2... Identiteit:.. Repertoriumnummer:.. Ondernemingsnr. of nationaal nr.:. TABEL voor de berekening van de vrijstelling voor bijkomend personeel (artikel 67ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992)

Nadere informatie

Fairness Tax lijst van nog hangende problemen

Fairness Tax lijst van nog hangende problemen Fairness Tax lijst van nog hangende problemen De problemen die rijzen door de wet van 30 juli 2013 kunnen in 4 categorieën worden gerangschikt: - gewenste bevestigingen - gewenste verduidelijkingen - gewenste

Nadere informatie

Aandelenopties De toekenning kan uw werknemers tot 40% netto méér opleveren dan een bonus in cash geld

Aandelenopties De toekenning kan uw werknemers tot 40% netto méér opleveren dan een bonus in cash geld Aandelenopties De toekenning kan uw werknemers tot 40% netto méér opleveren dan een bonus in cash geld Inhoudsopgave Inhoudsopgave 2 Toekenning van aandelenopties 3 Enkele veelgestelde vragen 4 Voordelen

Nadere informatie

Delhaize Groep NV Osseghemstraat 53 1080 Brussel, België Rechtspersonenregister 0402.206.045 (Brussel) www.delhaizegroep.com

Delhaize Groep NV Osseghemstraat 53 1080 Brussel, België Rechtspersonenregister 0402.206.045 (Brussel) www.delhaizegroep.com Delhaize Groep NV Osseghemstraat 53 1080 Brussel, België Rechtspersonenregister 0402.206.045 (Brussel) www.delhaizegroep.com BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR OPGESTELD IN UITVOERING VAN DE ARTIKELEN

Nadere informatie

TiGenix Naamloze vennootschap Romeinse straat 12 bus 2 3001 Leuven BTW BE 0471.340.123 RPR Leuven (de Vennootschap )

TiGenix Naamloze vennootschap Romeinse straat 12 bus 2 3001 Leuven BTW BE 0471.340.123 RPR Leuven (de Vennootschap ) TiGenix Naamloze vennootschap Romeinse straat 12 bus 2 3001 Leuven BTW BE 0471.340.123 RPR Leuven (de Vennootschap ) BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR OVEREENKOMSTIG ARTIKELEN 596 EN 598 VAN HET

Nadere informatie

Rechtsvordering : ook nadien niet-aangegeven inkomsten

Rechtsvordering : ook nadien niet-aangegeven inkomsten Rechtsvordering : ook nadien niet-aangegeven inkomsten Auteur(s): Filip Smet Editie: 1202 p. 9 Publicatiedatum: 21 april 2010 Rechtbank/Hof: Cassatie Datum van uitspraak: 11 februari 2010 Wetboek: W.I.B.

Nadere informatie

Auteur. Onderwerp. Datum

Auteur. Onderwerp. Datum Auteur FOD Financiën Onderwerp 19 vragen en antwoorden omtrent de fiscale aftrek voor de enige eigen woning Datum februari 2005 Copyright and disclaimer Gelieve er nota van te nemen dat de inhoud van dit

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2013/5 - De aandeelhoudersstructuur van ondernemingen: opname in de toelichting van de jaarrekening

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2013/5 - De aandeelhoudersstructuur van ondernemingen: opname in de toelichting van de jaarrekening COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2013/5 - De aandeelhoudersstructuur van ondernemingen: opname in de toelichting van de jaarrekening I. Inleiding Advies van 4 maart 2013 1. Zowel het volledig

Nadere informatie

Het model van het aangifteformulier voor aanslagjaar 2014 is verschenen in het Belgisch Staatsblad dd. 02.05.2014.

Het model van het aangifteformulier voor aanslagjaar 2014 is verschenen in het Belgisch Staatsblad dd. 02.05.2014. Nieuwigheden in de aangifte aanslagjaar 2014 in de belasting van niet-inwoners Buitenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen of lichamen die een onderneming exploiteren of zich met verrichtingen

Nadere informatie

2. Loontrekker of zelfstandige?

2. Loontrekker of zelfstandige? 2. Loontrekker of zelfstandige? Meer en meer kaderleden krijgen van hun onderneming een statuut als zelfstandige voorgesteld. De werkgever heeft belang bij de vele mogelijke voordelen (geen vooropzeg bij

Nadere informatie

VOORWOORD 11 HOOFDSTUK 1 HET GEWONE LOON 13

VOORWOORD 11 HOOFDSTUK 1 HET GEWONE LOON 13 Inhoudstafel VOORWOORD 11 HOOFDSTUK 1 HET GEWONE LOON 13 1. Fiscale druk 13 1.1. Wettelijke bepalingen 15 1.2. Bezoldigingen van werknemers 16 1.2.1. Bezoldigingen in geld 16 1.2.2. Voordelen van alle

Nadere informatie

I. INLEIDING. http://ccff02.minfin.fgov.be/kmweb/document.do?method=printselecteddocuments&i...

I. INLEIDING. http://ccff02.minfin.fgov.be/kmweb/document.do?method=printselecteddocuments&i... Page 1 of 12 Home > Circulaire AAFisc Nr. 13/2014 (nr. Ci.RH.421/630.788) dd. 03.04.2014 Algemene Administratie van de Fiscaliteit - Operationele Expertise en Ondersteuning Dienst VENB Vennootschapsbelasting/Belasting

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2013/14 De boekhoudkundige verwerking van de uitgestelde belastingen bij gerealiseerde meerwaarden waarvoor de uitgestelde belastingregeling geldt en bij

Nadere informatie

I. BEREKENING VAN HET GEMIDDELD PERSONEELSBESTAND A. Alle personeelsleden. Gemiddeld personeelsbestand in 2001 ... A1 =... B1 251 ... A2 =... B2...

I. BEREKENING VAN HET GEMIDDELD PERSONEELSBESTAND A. Alle personeelsleden. Gemiddeld personeelsbestand in 2001 ... A1 =... B1 251 ... A2 =... B2... Identiteit :.. Repertoriumnummer :.. Nationaal nummer : TABEL voor de berekening van de vrijstelling voor bijkomend personeel (art. van de Programmawet van 0.. tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap,

Nadere informatie

Verslag van de raad van bestuur in het kader van de bepalingen van de artikelen 583, 596 juncto 603 en 598 van het wetboek vennootschappen

Verslag van de raad van bestuur in het kader van de bepalingen van de artikelen 583, 596 juncto 603 en 598 van het wetboek vennootschappen Verslag van de raad van bestuur in het kader van de bepalingen van de artikelen 583, 596 juncto 603 en 598 van het wetboek vennootschappen Gebruik makend van haar prerogatieven in het kader van het toegestane

Nadere informatie

Studiedag 20 april 2006 VARIABLE BELONINGEN. Aandelenopties. Jean-Louis Davain

Studiedag 20 april 2006 VARIABLE BELONINGEN. Aandelenopties. Jean-Louis Davain Studiedag 20 april 2006 VARIABLE BELONINGEN Aandelenopties Jean-Louis Davain Plan Inleidend woord Aandelenopties Kort overzicht van de voornaamste alternatieven Becijferde en juridische vergelijking Besluit

Nadere informatie

Regeling met België inzake ontslaguitkeringen

Regeling met België inzake ontslaguitkeringen Regeling met België inzake ontslaguitkeringen Besluit 22-06-2006 nr CPP2006-1404 Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling. Sector Ontwerp. Aspectgebied Internationaal belastingrecht

Nadere informatie

(ii) Opties Barco 04 Personeel Buitenland 2011 ; en

(ii) Opties Barco 04 Personeel Buitenland 2011 ; en 1 Barco Naamloze vennootschap te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 35 RPR Kortrijk ondernemingsnummer 0473.191.041 BTW-plichtige -------- De raad van bestuur heeft de eer de houders van aandelen, obligaties

Nadere informatie

Belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling: boekhoudkundige verwerking en fiscale behandeling.

Belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling: boekhoudkundige verwerking en fiscale behandeling. Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten Directie I/1 Circulaire nr. Ci.RH.421/579.072 (AOIF Nr. 60/2010) dd 10.09.2010 Vennootschapsbelasting Belasting van niet-inwoners vennootschappen

Nadere informatie

- Nieuwe loongrenzen vanaf 1 januari 2013 betreffende de Wet op de Arbeidsovereenkomsten. Wet (oorspronkelijke bruto bedragen)

- Nieuwe loongrenzen vanaf 1 januari 2013 betreffende de Wet op de Arbeidsovereenkomsten. Wet (oorspronkelijke bruto bedragen) DECEMBER NIEUWS - Nieuwe loongrenzen vanaf 1 januari 2013 betreffende de Wet op de Arbeidsovereenkomsten De toepassing van bepaalde clausules en de mate waarin deze kunnen worden toegepast, is afhankelijk

Nadere informatie

Corporate Governance Charter

Corporate Governance Charter Corporate Governance Charter Dealing Code Hoofdstuk Twee Euronav Corporate Governance Charter December 2005 13 1. Inleiding Op 9 december 2004 werd de Belgische Corporate Governance Code door de Belgische

Nadere informatie

Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht. Besluit van [datum] houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 5:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft) Op voordracht van Onze Minister van

Nadere informatie

ANHEUSER-BUSCH INBEV LONG TERM INCENTIVE PLAN

ANHEUSER-BUSCH INBEV LONG TERM INCENTIVE PLAN Pagina 1 ANHEUSER-BUSCH INBEV LONG TERM INCENTIVE PLAN UITGIFTEVOORWAARDEN VAN DE WARRANTS VAN 28 APRIL 2009 A. Warrants 1. Warrants Elke kent het recht toe om in te schrijven op één nieuw gewoon aandeel

Nadere informatie

N Financiële planners A2 Brussel, 27 maart 2014 MH/SL-EDJ/AS 717-2014 ADVIES. over

N Financiële planners A2 Brussel, 27 maart 2014 MH/SL-EDJ/AS 717-2014 ADVIES. over N Financiële planners A2 Brussel, 27 maart 2014 MH/SL-EDJ/AS 717-2014 ADVIES over EEN ONTWERP VAN WET INZAKE HET STATUUT VAN EN HET TOEZICHT OP DE ONAFHANKELIJK FINANCIËLE PLANNERS EN INZAKE HET VERSTREKKEN

Nadere informatie

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum Instelling Federale Overheidsdienst Financiën www.minfin.fgov.be Onderwerp Circulaire nr. Ci. RH 331/598.621 (AOIF 37/2010). Personenbelasting. Kind ten laste. Alleenstaande belastingplichtige met kind.

Nadere informatie

De berekening van de 80%-grens gebeurt op basis van verscheidene parameters die hieronder toegelicht worden.

De berekening van de 80%-grens gebeurt op basis van verscheidene parameters die hieronder toegelicht worden. 8. PENSIOENPLAN Algemeen De vennootschap kan in het voordeel van de bedrijfsleider een extrawettelijk pensioen opbouwen en de lasten hiervan als beroepskost aanmerken. Zij kan dit echter niet onbeperkt.

Nadere informatie

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dd. 16 december 2005

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dd. 16 december 2005 Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dd. 16 december 2005 Rol nr 02-6031-A-02-6439-A - Aanslagjaar 1998 Des frais professionnels effectués en vue de réduire le montant des impôts ne

Nadere informatie

Nieuwe ontslagregels 2012

Nieuwe ontslagregels 2012 Nieuwe ontslagregels 2012 De IPA wet 2011-2012 voorziet in een eerste stap naar de harmonisering tussen arbeiders en bedienden. Hiervoor worden de ontslagregels vanaf 1 januari 2012 voor beide statuten

Nadere informatie

TWEEDE PROTOCOL TOT WIJZIGING VAN DE OVEREENKOMST TUSSEN DE REGERING VAN BELGIE DE REGERING VAN NIEUW-ZEELAND TOT HET VERMIJDEN VAN DUBBELE BELASTING

TWEEDE PROTOCOL TOT WIJZIGING VAN DE OVEREENKOMST TUSSEN DE REGERING VAN BELGIE DE REGERING VAN NIEUW-ZEELAND TOT HET VERMIJDEN VAN DUBBELE BELASTING TWEEDE PROTOCOL TOT WIJZIGING VAN DE OVEREENKOMST TUSSEN DE REGERING VAN BELGIE EN DE REGERING VAN NIEUW-ZEELAND TOT HET VERMIJDEN VAN DUBBELE BELASTING EN TOT HET VOORKOMEN VAN HET ONTGAAN VAN BELASTING

Nadere informatie

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Leuven dd. 4 maart 2005 - Rol nr 02-1580-A - Aanslagjaar 1994

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Leuven dd. 4 maart 2005 - Rol nr 02-1580-A - Aanslagjaar 1994 Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Leuven dd. 4 maart 2005 - Rol nr 02-1580-A - Aanslagjaar 1994 Une indemnité de non concurrence est-elle une indemnité de préavis déguisée? Arrêt Advocaten:

Nadere informatie

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum Instelling Ministerie van Justitie Onderwerp Wet betreffende de certificatie van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen. Datum 15 juli 1998 Copyright and disclaimer Gelieve er nota van te nemen

Nadere informatie

Geschenken, geschenkcheques en premies

Geschenken, geschenkcheques en premies CLAEYS & ENGELS Advocaten Vorstlaan 280 1160 Brussel Tel +32 2 761 46 00 Fax +32 2 761 47 00 Geschenken, geschenkcheques en premies info@claeysengels.be www.claeysengels.be www.iuslaboris.com De werkgever

Nadere informatie

Aftrek voor risicokapitaal

Aftrek voor risicokapitaal Opgave 275C 1/2 Benaming :............... Ondernemingsnummer :... Federale Overheidsdienst FINANCIEN Algemene administratie van de FISCALITEIT Inkomstenbelastingen Aftrek voor risicokapitaal AANSLAGJAAR

Nadere informatie

WARRANTENPLAN DECEUNINCK NV

WARRANTENPLAN DECEUNINCK NV Bijlage 1 Warrantenplan 2011: BAV WARRANTENPLAN DECEUNINCK NV 1 Artikel 1 - Doelstellingen van het plan Het hierna beschreven plan (hierna genoemd: Plan ) voorziet in de toekenning van Warranten op de

Nadere informatie

De bezoldigingstheorie. Mr. Jan Tuerlinckx Tuerlinckx Fiscale Advocaten

De bezoldigingstheorie. Mr. Jan Tuerlinckx Tuerlinckx Fiscale Advocaten De bezoldigingstheorie Mr. Jan Tuerlinckx Tuerlinckx Fiscale Advocaten 1. Aftrekbaarheid beroepskosten Kosten zijn overeenkomstig art 49 WIB 1992 aftrekbaar indien (cumulatief): - De kosten houden noodzakelijk

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2015/XX - Verrichtingen met betrekking tot inschrijvingsrechten. Ontwerpadvies van 9 september 2015

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2015/XX - Verrichtingen met betrekking tot inschrijvingsrechten. Ontwerpadvies van 9 september 2015 COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2015/XX - Verrichtingen met betrekking tot inschrijvingsrechten Ontwerpadvies van 9 september 2015 In het kader van een individuele vraagstelling omtrent

Nadere informatie

WARRANTPLAN 2012 INFORMATIEDOCUMENT VOOR DE AANDEELHOUDERS

WARRANTPLAN 2012 INFORMATIEDOCUMENT VOOR DE AANDEELHOUDERS WARRANTPLAN 2012 INFORMATIEDOCUMENT VOOR DE AANDEELHOUDERS I. INLEIDING Om te voldoen aan de Corporate Governance (deugdelijk bestuur) wetgeving van april 2010 voor de leden van het Group Management Committee

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2009/13 De boekhoudkundige verwerking van het stelsel tot gedeeltelijke vrijstelling van betaling van de bedrijfsvoorheffing, zoals geregeld door artikel

Nadere informatie

Rolnummer 5942. Arrest nr. 156/2014 van 23 oktober 2014 A R R E S T

Rolnummer 5942. Arrest nr. 156/2014 van 23 oktober 2014 A R R E S T Rolnummer 5942 Arrest nr. 156/2014 van 23 oktober 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 218, 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op

Nadere informatie

Beëindigingsvergoeding toegekend aan werknemers : nieuwe OESOcommentaar

Beëindigingsvergoeding toegekend aan werknemers : nieuwe OESOcommentaar Beëindigingsvergoeding toegekend aan werknemers : nieuwe OESOcommentaar Auteur: Daan Buylaert Editie: Fiscoloog Internationaal 370 p. 1 Publicatiedatum: 30 september 2014 De OESO-Raad keurde op 15 juli

Nadere informatie

1. DOEL EN TOEPASSINGSBEREIK

1. DOEL EN TOEPASSINGSBEREIK EUROPESE COMMISSIE Directoraat-generaal Concurrentie Beleid en coördinatie inzake staatssteun Brussel, DG D(2004) COMMUNAUTAIRE KADERREGELING INZAKE STAATSSTEUN IN DE VORM VAN COMPENSATIES VOOR DE OPENBARE

Nadere informatie

De meerwaarden. Met meerwaarden bedoelt men het positieve verschil tussen de verkoopprijs van een goed en de aankoopprijs ervan (inclusief kosten).

De meerwaarden. Met meerwaarden bedoelt men het positieve verschil tussen de verkoopprijs van een goed en de aankoopprijs ervan (inclusief kosten). De meerwaarden Met meerwaarden bedoelt men het positieve verschil tussen de verkoopprijs van een goed en de aankoopprijs ervan (inclusief kosten). Als het onroerend goed voor beroepsactiviteiten wordt

Nadere informatie

TETRALERT - TAX VERVOLG VAN DE FISCALE HERVORMINGEN VAN DI RUPO I : WET VAN 13 DECEMBER EN VAN 27 DECEMBER 2012

TETRALERT - TAX VERVOLG VAN DE FISCALE HERVORMINGEN VAN DI RUPO I : WET VAN 13 DECEMBER EN VAN 27 DECEMBER 2012 TETRALERT - TAX VERVOLG VAN DE FISCALE HERVORMINGEN VAN DI RUPO I : WET VAN 13 DECEMBER EN VAN 27 DECEMBER 2012 Bepaalde maatregelen die reeds waren opgenomen in de nota van Di Rupo I uitgegeven in 2011

Nadere informatie

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum Instelling FOD FINANCIËN Onderwerp Voorafgaande beslissing nr. 700.096. Personenbelasting.Vrijgesteld inkomen. Sociaal voordeel aan het personeel. Thuisoppas van zieke kinderen. Beroepskosten. Niet-aftrekbare

Nadere informatie

BIJLAGE IV: ALGEMENE VOORWAARDEN VAN HET STOCKBONUS PLAN

BIJLAGE IV: ALGEMENE VOORWAARDEN VAN HET STOCKBONUS PLAN BIJLAGE IV: ALGEMENE VOORWAARDEN VAN HET STOCKBONUS PLAN INHOUD 1. Doel... 1 2. Definities... 1 3. Toekenning van het aantal Eenheden... 3 4. Vernietiging... 4 5. Bijzondere gevallen... 4 5.1. Definitieve

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN COMMISSIE VOOR OEKHOUDKUNDIGE NORMEN CN advies 2009/11 De boekhoudkundige verwerking van partiële splitsingen Advies van 16 september 2009 Trefwoorden Partiële splitsing Inhoudsopgave I. INLEIDING II.

Nadere informatie

A D V I E S Nr. 1.438 ------------------------------- Zitting van woensdag 19 maart 2003

A D V I E S Nr. 1.438 ------------------------------- Zitting van woensdag 19 maart 2003 A D V I E S Nr. 1.438 ------------------------------- Zitting van woensdag 19 maart 2003 Ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot

Nadere informatie

Kan een VAPZE gecombineerd worden met een groepsverzekering?

Kan een VAPZE gecombineerd worden met een groepsverzekering? Kan een VAPZE gecombineerd worden met een groepsverzekering? Sedert enkele jaren hebben zelfstandigen de mogelijkheid om via hun sociaal verzekeringsfonds een aanvullend pensioen op te bouwen, het zogenaamde

Nadere informatie

De wijzigingen aan de regelgeving

De wijzigingen aan de regelgeving aangeboden door www.boekhouder.be De bijzondere aanslag van 309% wordt versoepeld De wetgever heeft zeer recent een wetswijziging gepubliceerd die voorziet in een versoepeling van de bijzondere aanslag

Nadere informatie

BENELUX ~ A 2006/2/11 COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. ARREST van 19 maart 2007. Inzake METABOUW BOUWBEDRIJF B.V. tegen BELGISCHE STAAT

BENELUX ~ A 2006/2/11 COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. ARREST van 19 maart 2007. Inzake METABOUW BOUWBEDRIJF B.V. tegen BELGISCHE STAAT COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ A 2006/2/11 ARREST van 19 maart 2007 Inzake METABOUW BOUWBEDRIJF B.V. tegen BELGISCHE STAAT Procestaal : Nederlands ARRET du 19 mars 2007 En cause METABOUW BOUWBEDRIJF

Nadere informatie

Bart VAN HYFTE Gauthier ERVYN Laurent DELMOTTE Johan VANDEN EYNDE

Bart VAN HYFTE Gauthier ERVYN Laurent DELMOTTE Johan VANDEN EYNDE 77, Gulden Vlieslaan 1060 Brussel Tel 02 290 04 00 Fax 02 290 04 10 info@vdelegal.be 19 / 03 / 2009 Bart VAN HYFTE Gauthier ERVYN Laurent DELMOTTE Johan VANDEN EYNDE Inleiding - Uitgangspunt : o valorisatie

Nadere informatie

KEUZEDIVIDEND INFORMATIEDOCUMENT TER ATTENTIE VAN DE AANDEELHOUDERS VAN COFINIMMO

KEUZEDIVIDEND INFORMATIEDOCUMENT TER ATTENTIE VAN DE AANDEELHOUDERS VAN COFINIMMO Woluwedal 58 1200 Brussel BE 0 426 184 049 RPR Brussel Naamloze vennootschap en Openbare Vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal naar Belgisch Recht KEUZEDIVIDEND INFORMATIEDOCUMENT TER ATTENTIE

Nadere informatie

Luc Saliën Collegelid dienst Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (DVB)

Luc Saliën Collegelid dienst Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (DVB) Luc Saliën Collegelid dienst Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (DVB) Transactie waarbij erfpachtrecht wordt overgedragen aan partij X, direct gevolgd door de verkoop van het bezwaarde eigendomsrecht

Nadere informatie

Auteur. Federale Overheidsdienst Financiën. http://minfin.fgov.be. Onderwerp

Auteur. Federale Overheidsdienst Financiën. http://minfin.fgov.be. Onderwerp Auteur Federale Overheidsdienst Financiën http://minfin.fgov.be Onderwerp Circulaire nr. Ci.RH.26/586.459 (AOIF 43/2007). Aftrek voor enige woning. Belastingvermindering voor het lange termijnsparen. Kapitaalaflossing

Nadere informatie

Uitbreiding toepassingsgebied belastingneutrale zetelverplaatsing & andere fiscale bepalingen aangenomen in Parlement

Uitbreiding toepassingsgebied belastingneutrale zetelverplaatsing & andere fiscale bepalingen aangenomen in Parlement Uitbreiding toepassingsgebied belastingneutrale zetelverplaatsing & andere fiscale bepalingen aangenomen in Parlement Na de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft gisteren ook de Senaat diverse fiscale

Nadere informatie

Omzendbrief 2014/2 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Omzendbrief 2014/2 /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Omzendbrief 2014/2 /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Omzendbrief betreffende art. 3.17.0.0.2 van de Vlaamse Codex

Nadere informatie

KEUZEDIVIDEND INFORMATIEDOCUMENT TER ATTENTIE VAN DE AANDEELHOUDERS VAN COFINIMMO

KEUZEDIVIDEND INFORMATIEDOCUMENT TER ATTENTIE VAN DE AANDEELHOUDERS VAN COFINIMMO Woluwedal 58 1200 Brussel BE 0 426 184 049 RPR Brussel Naamloze vennootschap en Openbare Vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal naar Belgisch Recht KEUZEDIVIDEND INFORMATIEDOCUMENT TER ATTENTIE

Nadere informatie

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST NR. 55 VAN 13 JULI 1993 TOT INSTELLING VAN EEN REGELING VAN AANVULLENDE VERGOEDING

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST NR. 55 VAN 13 JULI 1993 TOT INSTELLING VAN EEN REGELING VAN AANVULLENDE VERGOEDING COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST NR. 55 VAN 13 JULI 1993 TOT INSTELLING VAN EEN REGELING VAN AANVULLENDE VERGOEDING VOOR SOMMIGE OUDERE WERKNEMERS, IN GEVAL VAN HAL- VERING VAN DE ARBEIDSPRESTATIES, GEWIJZIGD

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 7 OKTOBER 2013 S.11.0122.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.11.0122.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd

Nadere informatie

A D V I E S Nr. 1.891 ------------------------------ Zitting van woensdag 12 februari 2014 --------------------------------------------------

A D V I E S Nr. 1.891 ------------------------------ Zitting van woensdag 12 februari 2014 -------------------------------------------------- A D V I E S Nr. 1.891 ------------------------------ Zitting van woensdag 12 februari 2014 -------------------------------------------------- Harmonisering van het statuut arbeider/bediende Motivering

Nadere informatie

Onderwerp. Copyright and disclaimer

Onderwerp. Copyright and disclaimer Onderwerp Ontvangen reacties op ontwerp-advies 126/18 Aanschaffingswaarde bij inbreng in natura Copyright and disclaimer Gelieve er nota van te nemen dat de inhoud van dit document onderworpen kan zijn

Nadere informatie

Het statuut van de kunstenaar Enkele knelpunten

Het statuut van de kunstenaar Enkele knelpunten Het statuut van de kunstenaar Enkele knelpunten Voorwoord De lijst met knelpunten welke volgt is niet exhaustief. De opsomming is gebaseerd op de vragen welke onze consulenten krijgen en hun analyses van

Nadere informatie

Toepassing van de BTW op verrichte handelingen inzake klinische proeven

Toepassing van de BTW op verrichte handelingen inzake klinische proeven Toepassing van de BTW op verrichte handelingen inzake klinische proeven Beslissing BTW nr. E.T. 116.111 dd. 21.02.2011 Verrichten van onderzoekswerk, met inbegrip van klinische proeven, verricht door artsen

Nadere informatie

Lexalert informeert u gratis en per e-mail over de juridische actualiteit. Schrijf gratis in via www.lexalert.net/registratie

Lexalert informeert u gratis en per e-mail over de juridische actualiteit. Schrijf gratis in via www.lexalert.net/registratie 1 van 5 19-1-2014 16:19 fisconetplus Lexalert informeert u gratis en per e-mail over de juridische actualiteit. Schrijf gratis in via www.lexalert.net/registratie Home > Recente wijzigingen

Nadere informatie

De individuele pensioentoezegging

De individuele pensioentoezegging CLAEYS & ENGELS Advocaten Vorstlaan 280 1160 Brussel Tel +32 2 761 46 00 Fax +32 2 761 47 00 De individuele pensioentoezegging info@claeysengels.be www.claeysengels.be www.iuslaboris.com I WAT IS EEN INDIVIDUELE

Nadere informatie

Inleiding / Doel van de vraag om advies. Belangrijkste gegevens van het dossier ADVIES- EN CONTROLECOMITÉ OP DE ONAFHANKELIJKHEID VAN DE COMMISSARIS

Inleiding / Doel van de vraag om advies. Belangrijkste gegevens van het dossier ADVIES- EN CONTROLECOMITÉ OP DE ONAFHANKELIJKHEID VAN DE COMMISSARIS ADVIES- EN CONTROLECOMITÉ OP DE ONAFHANKELIJKHEID VAN DE COMMISSARIS Ref : Accom AFWIJKING 2005/1 Samenvatting van het advies dd. 17 mei 2005 met betrekking tot een vraag om afwijking van de regel die

Nadere informatie

Inleiding / Doel van de vraag om advies. Belangrijkste gegevens van het dossier. Ref: Accom AFWIJKING 2004/1

Inleiding / Doel van de vraag om advies. Belangrijkste gegevens van het dossier. Ref: Accom AFWIJKING 2004/1 ADVIES- EN CONTROLECOMITE OP DE ONAFHANKELIJKHEID VAN DE COMMISSARIS Ref: Accom AFWIJKING 2004/1 Samenvatting van het advies met betrekking tot een vraag om afwijking van de regel die het bedrag beperkt

Nadere informatie

ABLYNX NV. (de Vennootschap of Ablynx )

ABLYNX NV. (de Vennootschap of Ablynx ) ABLYNX NV Naamloze Vennootschap die een openbaar beroep heeft gedaan op het spaarwezen Maatschappelijke zetel: Technologiepark 21, 9052 Zwijnaarde Ondernemingsnummer: 0475.295.446 (RPR Gent) (de Vennootschap

Nadere informatie

Werken in. Duitsland. Wonen in België. Uw toestand op fiscaal vlak in België

Werken in. Duitsland. Wonen in België. Uw toestand op fiscaal vlak in België Werken in Duitsland Wonen in België Deze brochure geeft informatie over de wijzigingen die de aanvullende Overeenkomst van 5/11/2002 bij de Belgisch- Duitse Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting

Nadere informatie

Extracten van het wetboek van vennootschappen

Extracten van het wetboek van vennootschappen Extracten van het wetboek van vennootschappen Art. 533bis. [ 1 1. De oproepingen tot de algemene vergadering van een vennootschap waarvan de aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een markt als

Nadere informatie

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum Instelling Federale Overheidsdienst Financiën www.minfin.fgov.be Onderwerp Circulaire nr. Ci.RH.421/620.779 (AAFisc Nr. 19/2013). Belastbare grondslag in de Ven.B. Meerwaarde. Verwezenlijkte meerwaarde.

Nadere informatie

Nr. 204 22 oktober 2015

Nr. 204 22 oktober 2015 Nr. 204 22 oktober 2015 Informatief Een (gewijzigd) arbeidsreglement is niet onmiddellijk van toepassing! Bij de opmaak en wijziging van het arbeidsreglement dient een specifieke procedure te worden gevolgd.

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 11/08/2015

Datum van inontvangstneming : 11/08/2015 Datum van inontvangstneming : 11/08/2015 Vertaling C-332/15-1 Zaak C-332/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 6 juli 2015 Verwijzende rechter: Tribunale di Treviso / Italië Datum

Nadere informatie

Newsletter. Sociale actualiteit van Mei. SAP solutions for Human Resources. Sociale actualiteit van Mei. SAP solutions for Human Resources.

Newsletter. Sociale actualiteit van Mei. SAP solutions for Human Resources. Sociale actualiteit van Mei. SAP solutions for Human Resources. 2010 SAP solutions for Human Resources. Newsletter PERSOLIS Résidence de la Lyre, 19 1300 Wavre Tel : +32 (0)10 43 98 83 www.persolis.be «De Persolis nieuwsbrief wordt verdeeld in samenwerking met Groep

Nadere informatie

De werkgever kan zich er evenwel toe verbinden om deze verplaatsingskosten te laste te nemen.

De werkgever kan zich er evenwel toe verbinden om deze verplaatsingskosten te laste te nemen. Vorstlaan 280 1160 Brussel Tel +32 2 761 46 00 Fax +32 2 761 47 00 www.claeysengels.be info@claeysengels.be VERPLAATSINGSKOSTEN TUSSEN DE WOONPLAATS EN DE VASTE PLAATS VAN TEWERKSTELLING www.iuslaboris.com

Nadere informatie