Uitspraak 24 februari 2012 Eerste Kamer 10/03852 DV/AK. Hoge Raad der Nederlanden. Arrest. in de zaak van:

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Uitspraak 24 februari 2012 Eerste Kamer 10/03852 DV/AK. Hoge Raad der Nederlanden. Arrest. in de zaak van:"

Transcriptie

1 Uitspraak 24 februari 2012 Eerste Kamer 10/03852 DV/AK Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelende te 's-gravenhage, EISER tot cassatie, advocaat: mr. J.W.H. van Wijk, t e g e n ENECO HOLDING N.V., gevestigd te Rotterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. K.G.W. van Oven, thans mr. R.P.J.L. Tjittes. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en Eneco. 1. Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak /HA ZA van de rechtbank 's-gravenhage van 11 maart 2009; b. het arrest in de zaak /01 van het gerechtshof te 's-gravenhage van 22 juni Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Eneco heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat en mr. B.J. Drijber, advocaat bij de Hoge Raad. Namens Eneco is de zaak toegelicht door haar advocaat en mr. Chr.F. Kroes, advocaat te Amsterdam. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing. De advocaat van de Staat heeft bij brief van 31 augustus 2011 op die conclusie gereageerd. Namens Eneco hebben mrs. Tjittes en Kroes voornoemd eveneens bij brief van 31 augustus 2011 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie staat de vraag centraal of het hierna te vermelden groepsverbod - welk verbod ingevolge de Wet onafhankelijk netbeheer (Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer, Stb. 2006, 614; hierna: Won) in de Elektriciteitswet 1998 en in de Gaswet is opgenomen - in strijd is met het in art. 63 VWEU neergelegde verbod op beperking van het kapitaalverkeer en derhalve onverbindend is. 3.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Eneco exploiteert een zogeheten verticaal geïntegreerd energiebedrijf. Zij bestrijkt met haar activiteiten de gehele energieketen, 1

2 van productie (met uitzondering van exploratie en winning) tot en met levering. Haar kernactiviteiten omvatten productie, handel, transport en verkoop van energie. Het netbeheer binnen het concern van Eneco is samengebracht in Stedin B.V. De aandelen in Eneco worden gehouden door Nederlandse gemeenten. (ii) Er zijn landelijke netbeheerders (ook wel aangeduid als transmissienetbeheerders) en regionale netbeheerders (ook wel aangeduid als distributienetbeheerders). In dit geding gaat het om de positie van distributienetbeheerders. Degene aan wie een netwerk toebehoort, dient een afzonderlijke vennootschap als netbeheerder aan te wijzen. De wettelijke taak van een distributienetbeheerder (hierna ook: netbeheerder) omvat onder meer het in werking hebben en onderhouden van het net, het waarborgen van de veiligheid en betrouwbaarheid van het net en het transport, het aanleggen, herstellen, vernieuwen of uitbreiden van het net, het voorzien van derden van een aansluiting en het uitvoeren van het transport. (iii) Door de zogenoemde Interventie- en Implementatiewet (Wet van 1 juli 2004 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/54/EG, (PbEG L 176), verordening nr. 1228/2003 (PbEG L 176) en richtlijn nr. 2003/55/EG (PbEG L 176), alsmede in verband met de aanscherping van het toezicht op het netbeheer, Stb. 2004, 328; hierna: I&I-wet) werden Richtlijn 2003/54/EG (elektriciteit) en Richtlijn 2003/55/EG (gas) door aanpassing van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet geïmplementeerd. Deze richtlijnen schrijven voor dat een distributienetbeheerder onafhankelijk moet zijn van andere, niet met de distributie samenhangende activiteiten. De netbeheerder moet onder meer een eigen raad van commissarissen hebben en haar bestuurders en de meerderheid van de raad van commissarissen mogen geen binding hebben met een producent, handelaar of leverancier van energie of met een aandeelhouder van de netbeheerder. De netten zelf moeten per 1 juli 2008 in economische eigendom aan de netbeheerder toebehoren. De netbeheerder mag het net niet met een ander doel dan netbeheer, als zekerheid voor het aantrekken van financiële middelen gebruiken, of rechten ten behoeve van derden op basis van toekomstige inkomsten uit het net vestigen. De netbeheerder mag groepsmaatschappijen niet bevoordelen boven anderen. De aandeelhouders van de netbeheerder moeten zich onthouden van iedere bemoeienis met de uitvoering van de werkzaamheden die aan de netbeheerder zijn opgedragen. De I&I-wet verplichtte niet tot eigendomssplitsing en de voornoemde EG-richtlijnen evenmin. (iv) Bij de Won zijn de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet opnieuw gewijzigd en zijn verdergaande verplichtingen ten aanzien van de onafhankelijkheid van de netbeheerder ingevoerd. De kernbepalingen van de Won houden het volgende in: (a) de netbeheerder dient de werkzaamheden ter uitvoering van zijn wettelijke taak in eigen beheer uit te voeren (ook wel aangeduid als het creëren van een "vette netbeheerder"); (b) een netbeheerder mag geen deel uitmaken van een groep als bedoeld in art. 2:24b BW waartoe ook een rechtspersoon of vennootschap behoort die in Nederland elektriciteit of gas produceert of levert of daarin handelt (art. 10b lid 1 Elektriciteitswet 1998 en art. 2c lid 1 Gaswet), en een netbeheerder mag geen aandelen houden in een rechtspersoon, of deelnemen in een vennootschap, die in Nederland elektriciteit of gas produceert, levert of daarin handelt of daarmee in een groep verbonden is, en vice versa (art. 10b leden 2 en 3 Elektriciteitswet 1998 en art. 2c leden 2 en 3 Gaswet). Deze verboden worden hierna tezamen aangeduid als "het groepsverbod". (c) indien een netbeheerder deel uitmaakt van een groep als bedoeld in art. 2:24b BW is het deze groep niet toegestaan om handelingen of activiteiten te verrichten die strijdig kunnen zijn met het belang van het beheer van het desbetreffende net, waarbij onder handelingen en activiteiten die met dat belang strijdig kunnen zijn in ieder geval worden verstaan handelingen en activiteiten die niet op enigerlei wijze betrekking hebben op of verband houden met infrastructurele voorzieningen of aanverwante activiteiten (art. 17 leden 2 en 3 Elektriciteitswet 1998 en art. 10b leden 2 en 3 Gaswet). Dit verbod wordt hierna aangeduid als "het verbod op nevenactiviteiten". (d) voor de overdracht van aandelen in een netbeheerder dient de minister van Economische Zaken zijn instemming te verlenen (art. 93 lid 2 Elektriciteitswet 1998 en art. 85 lid 2 Gaswet); deze instemming moet op grond van het - op art. 93 lid 4 Elektriciteitswet 1998 en art. 85 lid 4 Gaswet gebaseerde - Besluit aandelen netbeheerders (Stb. 2008, 62) worden geweigerd indien de overdracht erin zou resulteren dat de aandelen in handen zouden komen van partijen buiten de kring van de overheid. Dit verbod wordt hierna aangeduid als "het privatiseringsverbod". Het Besluit aandelen netbeheerders houdt, voor zover thans relevant, het volgende in: "Artikel 1 Tot de kring van de overheid, bedoeld in dit besluit, behoren uitsluitend: 2

3 a. de Staat, de provincies en de gemeenten; b. de volgende rechtspersonen, mits alle aandelen in de desbetreffende rechtspersoon direct of indirect worden gehouden door de Staat, een provincie of een gemeente: 1. N.V. Nederlandse Gasunie; 2. TenneT Holding B.V.; 3. Essent N.V.; 4. N.V. Nuon; 5. Eneco Holding N.V.; 6. Delta N.V.; (...) c. rechtspersonen die een volledige dochter-maatschappij zijn van een rechtspersoon als bedoeld onder b; (...). Artikel 3 Onze Minister onthoudt in ieder geval zijn instemming indien een wijziging van rechten op aandelen in een netbeheerder er toe leidt dat: a. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet behoort tot de kring van de overheid aandelen verkrijgt in een netbeheerder of aandelen in een rechtspersoon die, direct of indirect, aandelen houdt in een netbeheerder; (...)." Het privatiseringsverbod is met ingang van 17 november 2010, derhalve nadat het hof zijn bestreden uitspraak had gedaan, geheel in de desbetreffende wetten zelf opgenomen (art. 93 leden 3 en 4 Elektriciteitswet 1998 en art. 85 leden 3 en 4 Gaswet). Hierna wordt echter bij de behandeling van de middelen uitgegaan van de ten tijde van de uitspraak van het hof geldende wetgeving (in formele en materiële zin), zoals die tot 17 november 2010 luidde en hiervoor is weergegeven. (v) Het groepsverbod heeft tot gevolg dat een geïntegreerd energiebedrijf als Eneco zich moet opsplitsen, zodanig dat de netbeheerder geen onderdeel van de groep meer uitmaakt (dit wordt hierna aangeduid als "het splitsingsgebod", dat dus voortvloeit uit het groepsverbod). Wel is het mogelijk dat de publiekrechtelijke aandeelhouders van een geïntegreerd energiebedrijf na de splitsing zelf de aandelen in de (afgesplitste) netbeheerder gaan houden, zolang de netbeheerder maar geen onderdeel uitmaakt van de groep waarbinnen zich overige energieactiviteiten afspelen. Ingevolge het toepasselijke overgangsrecht diende de splitsing uiterlijk 1 januari 2011 te zijn gerealiseerd Eneco vordert in dit geding - voor zover in cassatie nog van belang - een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens Eneco door art. 10b Elektriciteitswet 1998 en art. 2c Gaswet (dat betreft in beide gevallen het groepsverbod) in werking te laten treden, en dat die onrechtmatigheid voortduurt zolang die bepalingen in de huidige bewoordingen niet zijn ingetrokken, alsmede een verklaring voor recht dat art. 10b Elektriciteitswet 1998 en art. 2c Gaswet in strijd zijn met art. 18 VWEU (verbod van discriminatie naar nationaliteit), art. 63 VWEU (vrij verkeer van kapitaal), en art. 49 en 54 VWEU (vrijheid van vestiging) en met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP), en dat de gewraakte bepalingen bijgevolg onverbindend zijn De Staat verweert zich tegen deze vordering primair met een beroep op het privatiseringsverbod (art. 93 Elektriciteitswet 1998 en art. 85 Gaswet, in verbinding met het Besluit aandelen netbeheerders). Volgens de Staat is het privatiseringsverbod een verdragsrechtelijk toegestane regeling van het eigendomsrecht als bedoeld in art. 345 VWEU, en heeft dit verbod tot gevolg dat de aandelen in een netbeheerder geen voorwerp van private investering kunnen zijn. Ten aanzien van deze aandelen is dan ook geen vrij kapitaalverkeer mogelijk. Daardoor zijn de verdragsregels met betrekking tot vrij kapitaalverkeer en vrijheid van vestiging niet van toepassing, althans wordt aan toetsing van het groepsverbod aan die verdragsregels niet toegekomen. Subsidiair betoogt de Staat dat het groepsverbod geen belemmering van het kapitaalverkeer en van de vrijheid van vestiging meebrengt, althans dat een belemmering van deze vrijheid gerechtvaardigd wordt door dwingende redenen van algemeen belang. Met betrekking tot het beroep van Eneco op art. 1 EP is volgens de Staat om diverse redenen geen sprake van inbreuk op die bepaling. 3.4 De rechtbank heeft de vordering van Eneco afgewezen. Zij oordeelde dat art. 93 Elektriciteitswet 1998 en art. 85 Gaswet een absoluut privatiseringsverbod bevatten, waartoe art. 345 VWEU de Staat de ruimte biedt. De reikwijdte van art. 345 VWEU moet 3

4 echter beperkt worden uitgelegd; daaronder valt wel een verbod op privatisering, maar het groepsverbod valt niet onder de uitzondering van die verdragsbepaling. De rechtbank oordeelde echter vervolgens dat, ook indien de gewraakte bepalingen een belemmering van de ingeroepen fundamentele verdragsvrijheden van kapitaalverkeer en van vestiging inhouden (hetgeen de rechtbank in het midden liet), die belemmering gerechtvaardigd wordt door dwingende redenen van algemeen belang. Volgens de rechtbank is het groepsverbod, kort gezegd, dienstbaar aan het belang van leveringszekerheid en het daaraan gerelateerde belang van bescherming van consumenten, is het verbod geschikt om die doeleinden te verwezenlijken en gaat het ook niet verder dan daarvoor nodig is. Daarnaast verwierp de rechtbank ook het beroep op art. 1 EP Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat de gewraakte bepalingen in strijd zijn met art. 63 VWEU en bijgevolg onverbindend. Daartoe overwoog het hof als volgt Het primaire verweer van de Staat dat is ontleend aan het privatiseringsverbod en art. 345 VWEU (zie hiervoor in 3.3.2) is door het hof op de volgende gronden verworpen. (a) De wettelijke regeling van het privatiseringsverbod komt erop neer dat gehele of gedeeltelijke privatisering van (de aandelen in) een netbeheerder niet verboden wordt doch integendeel toegestaan is zodra dit door wijziging van het Besluit aandelen netbeheerders mogelijk wordt gemaakt. Het enkele feit dat het Besluit aandelen netbeheerders thans geen privatisering buiten de "kring van de overheid" toestaat, is onvoldoende om te oordelen dat de aandelen in de netbeheerders aan het kapitaalverkeer onttrokken zijn. Dit besluit kan immers door de regering op elk willekeurig moment gewijzigd worden, en de wetgever heeft aan de regering overgelaten of de mogelijkheid van (gehele of gedeeltelijke) privatisering daadwerkelijk moet worden opengesteld. (rov ) (b) Daarbij komt nog dat het ook in de huidige versie van het Besluit aandelen netbeheerders niet zo is dat de aandelen in netbeheerders in vaste handen van de overheid moeten blijven. Op grond van art. 1 van het Besluit aandelen netbeheerders worden tot de kring van de overheid immers óók gerekend de onder b van dat artikel genoemde privaatrechtelijke rechtspersonen (zoals Essent N.V., Eneco Holding N.V. en Delta N.V.), mits alle aandelen in deze rechtspersonen direct of indirect worden gehouden door de Staat, een provincie of een gemeente. Tussen de aldus aangewezen rechtspersonen kan dus overdracht plaatsvinden van aandelen in netbeheerders zolang de aandelen in die rechtspersonen door de Staat, de provincies of gemeenten worden gehouden. Dit zijn privaatrechtelijke vennootschappen met winstoogmerk aan wie diensten van algemeen economisch belang zijn toevertrouwd en waarop ingevolge de regels van art. 106 VWEU de regels van het Verdrag van toepassing zijn. De stelling van de Staat dat de aandelen in de netbeheerders aan het vrije verkeer zijn onttrokken is ook om deze reden onjuist. Van een absoluut privatiseringsverbod als door de Staat bepleit is derhalve geen sprake. (rov ) (c) Het verweer van de Staat dat het privatiseringsverbod gedekt wordt door art. 345 VWEU moet worden verworpen. De strekking van art. 345 VWEU is slechts om buiten twijfel te stellen dat het Verdrag neutraal staat tegenover de vraag of de eigendom van bepaalde goederen of ondernemingen zich in overheidshanden of in privaat bezit bevindt en dat het Verdrag dan ook geen verbod inhoudt van (maatregelen tot) nationalisatie of privatisering. Dit betekent echter niet dat dergelijke maatregelen niet in strijd kunnen komen met specifieke verdragsbepalingen zoals de bepalingen omtrent het vrij verkeer van kapitaal. Het privatiseringsverbod in zijn huidige, in het Besluit aandelen netbeheerders verankerde, opzet verschilt niet principieel van de constructies die in enkele van de "gouden aandeel"-zaken aan de orde waren en waarin het HvJEU telkens heeft beslist dat art. 345 VWEU (art. 295 EG) niet aan toetsing aan de fundamentele vrijheden in de weg stond. Ook bij het onderhavige privatiseringsverbod doet zich immers in wezen de situatie voor dat de regering, zonder daartoe in enig opzicht belemmerd te zijn door de wet, door aanpassing van het Besluit aandelen netbeheerders naar eigen inzicht kan bepalen of en zo ja, welke, private partijen zij als aandeelhouder van netbeheerders wil toelaten. (rov ) (d) De conclusie is dat de Staat aan het privatiseringsverbod in deze procedure geen verweer kan ontlenen. Noch de reikwijdte van het privatiseringsverbod, noch art. 345 VWEU, levert een argument op om het groepsverbod niet aan de regels omtrent het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging te toetsen. (rov. 3.10) Vervolgens heeft het hof overwegingen gewijd aan de door Eneco gestelde belemmering van het vrij kapitaalverkeer en aan de in dat verband door de Staat gevoerde verweren. Thans wordt volstaan met een summiere samenvatting van deze overwegingen, omdat de Hoge Raad in dit (tussen)arrest, in afwachting van de beantwoording door het HvJEU van de hierna te formuleren prejudiciële vragen, de meeste tegen deze overwegingen gerichte klachten van de Staat nog niet zal behandelen (behalve enkele klachten van onderdeel 5.3 tegen de rov. 5.3 en 5.5). Die overwegingen behelzen, zeer kort samengevat, het volgende. (e) Het groepsverbod vormt een belemmering van het vrij kapitaalverkeer, omdat het eraan in de weg staat dat een netbeheerder aandelen verwerft in een buitenlandse onderneming die energieactiviteiten in Nederland ontplooit, terwijl ook omgekeerd een onderneming in een andere lidstaat die zelf of door middel van een groepsmaatschappij in Nederland energieactiviteiten ontplooit 4

5 geen aandelen kan verwerven in een netbeheerder of in een vennootschap die deel uitmaakt van een groep waartoe een netbeheerder behoort (rov ). (f) De door de Staat aangevoerde rechtvaardigingsgronden (kort gezegd: het voorkomen van kruissubsidiëring en concurrentieverstoring; het beschermen van afnemers van netbeheerdiensten door meer transparantie; het garanderen van de leveringszekerheid en de daarmee samenhangende openbare orde en veiligheid; en het belang dat netbeheerders, die een publieke taak verrichten, zich op die zaak concentreren) voldoen niet aan de daaraan in de rechtspraak van het HvJEU gestelde eisen en gaan dus niet op. (rov ). (g) In het bijzonder heeft het hof geoordeeld, kort samengevat, dat met de door het weren van kruissubsidies (in ruime zin) beoogde doelstellingen om enerzijds concurrentieverstoring te voorkomen en anderzijds afnemers van netbeheerdiensten door meer transparantie te beschermen, een louter economisch belang wordt nagestreefd, hetgeen volgens de jurisprudentie van het HvJEU geen rechtvaardiging mag vormen voor een inbreuk op de fundamentele vrijheden (rov. 5.3 en 5.5). (h) De bepalingen van de Won die betrekking hebben op het groepsverbod zijn dan ook onverbindend wegens strijd met het VWEU. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen voor zover deze betrekking heeft op strijd met art. 63 VWEU. Eneco heeft dan geen belang meer bij een verklaring voor recht dat dezelfde bepalingen ook onverbindend zijn wegens strijd met art. 49 VWEU of art. 1 EP. De vraag of het groepsverbod inbreuk maakt op art. 1 EP kan daarom blijven rusten. (rov. 6.1) 3.6 Onderdeel 1 van het middel bevat geen klachten. De in onderdeel 2 geformuleerde "hoofdklacht" wordt in de onderdelen 3-5 uitgewerkt en heeft geen zelfstandige betekenis. 3.7 Onderdeel 3 van het middel bestrijdt met een reeks klachten het oordeel van het hof in rov dat het privatiseringsverbod niet eraan in de weg staat dat het groepsverbod wordt getoetst aan de bepalingen in het VWEU over het vrij kapitaalverkeer. Onderdeel 3.1 behoeft geen behandeling nu dit slechts een algemene klacht bevat die in de volgende onderdelen wordt uitgewerkt. De reikwijdte van het privatiseringsverbod 3.8 Onderdeel 3.2 komt op tegen de rov. 3.4 en 3.5, hiervoor in onder (a) weergegeven. Het onderdeel betoogt dat tekst en wetsgeschiedenis van art. 93 lid 4 Elektriciteitswet 1998, art. 85 lid 4 Gaswet en het Besluit aandelen netbeheerders onmiskenbaar meebrengen dat sprake is van een absoluut privatiseringsverbod, met als gevolg dat de aandelen in de netbeheerders aan het kapitaalverkeer in de zin van art. 63 VWEU onttrokken zijn. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is het enkele feit dat het Besluit aandelen netbeheerders "thans" geen privatisering buiten de "kring van de overheid" toestaat, wél voldoende reden, en zelfs een dwingende reden, om te oordelen dat de aandelen in de netbeheerders aan het kapitaalverkeer zijn onttrokken. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend: (i) dat niet eventuele toekomstige wetgeving, maar uitsluitend de op de datum van zijn beslissing geldende wetgeving bepalend is, (ii)dat niet relevant is of het bedoelde verbod is vastgelegd in een wet in formele zin dan wel in lagere wetgeving in materiële zin, (iii) dat uit de wetsgeschiedenis niet volgt dat alleen ten aanzien van de (juridische) eigendom van de netten in de wet is bepaald dat deze binnen de kring van de overheid dient te blijven, en dat, wat betreft de economische eigendom van de netten, uit art. 10a lid l Elektriciteitswet 1998 en art. 3b lid l Gaswet volgt dat de netbeheerder dient te beschikken over de economische eigendom van het door hem beheerde net, zodat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zicht op een gedeeltelijke privatisering van de economische eigendom is opengehouden, dat oordeel (reeds) daarom rechtens onjuist is, (iv) dat uit de wetsgeschiedenis voorts blijkt dat de wetgever weliswaar aanvankelijk ervan is uitgegaan dat minderheidsprivatiseringen van (de aandelen in de) netbeheerders op termijn en onder nader te stellen voorwaarden mogelijk zouden kunnen worden gemaakt, maar dat de wetgever op instigatie van de Tweede Kamer die mogelijkheid uiteindelijk niet heeft willen openlaten, en dat onjuist is (en art. 85 lid 4 Gaswet en art. 93 lid 4 Elektriciteitswet 1998 in ieder geval niet ertoe strekken) dat de regering op elk willekeurig moment het Besluit aandelen netbeheerders kan wijzigen om gehele of gedeeltelijke privatisering mogelijk te maken. 3.9 Ingevolge het Besluit aandelen netbeheerders is de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke privatisering van aandelen in netbeheerders uitdrukkelijk uitgesloten, aangezien art. 3 van het Besluit bepaalt, kort gezegd, dat de minister de wettelijk vereiste instemming met een aandelenoverdracht weigert indien die overdracht ertoe zou leiden dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet behoort tot de kring van de overheid direct of indirect aandelen verkrijgt in een netbeheerder. 5

6 Aldus geldt krachtens het Besluit aandelen netbeheerders, in verbinding met art. 93 lid 3 en 4 Elektriciteitswet 1998 en art. 85 lid 3 en 4 Gaswet, een absoluut privatiseringsverbod terzake van (de aandelen in) netbeheerders. Dat dit verbod is neergelegd in wetgeving in materiële zin, en niet in een wet in formele zin, doet aan de gelding daarvan niet af, en maakt ook voor het antwoord op de vraag naar de verenigbaarheid van het privatiseringsverbod met het VWEU geen verschil. Bij het voorgaande is niet van belang dat het Besluit aandelen netbeheerders vatbaar is voor wijziging door de regering en dat dan (in theorie) een (minderheids)privatisering van netbeheerders mogelijk gemaakt kan worden. Het gaat immers om de vraag of privatisering van netbeheerders onder de geldende wetgeving mogelijk is. Indien en zolang het Besluit aandelen netbeheerders niet wordt gewijzigd, blijft derhalve een absoluut privatiseringsverbod gelden (zoals overigens ook het geval is onder de sedert 17 november 2010 geldende wetgeving in formele zin, zie hiervoor in 3.2 (iv) onder (d)). Daarom wordt slechts ten overvloede opgemerkt dat, blijkens de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.6 en 4.11 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van de Won, de regering weliswaar aanvankelijk het voornemen had om na inwerkingtreding van de Won door wijziging van het Besluit aandelen netbeheerders (op een nader te bepalen tijdstip) een minderheidsprivatisering van netbeheerders mogelijk te maken, maar dat de regering nog tijdens de parlementaire behandeling van de Won van dat voornemen is teruggekomen en heeft uitgesproken niet te zullen overgaan tot het mogelijk maken van een (minderheids)privatisering van netbeheerders. Het voorgaande brengt mee dat onderdeel 3.2 gegrond is Onderdeel 3.3 is gericht tegen rov. 3.6, weergegeven hiervoor in onder (b). Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat (in het kader van de vraag of de aandelen in de netbeheerders aan het kapitaalverkeer in de zin van art. 63 VWEU zijn onttrokken) onder "overheid" mede privaatrechtelijke rechtspersonen moeten worden begrepen waarvan alle aandelen direct of indirect worden gehouden door de Staat, een provincie of gemeente. Zulke rechtspersonen zijn volgens het onderdeel in Europeesrechtelijke zin een "openbaar bedrijf". Ook heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat bij een overdracht van aandelen tussen deze rechtspersonen per definitie van grensoverschrijdend verkeer geen sprake is. Voorts brengt art. 106 lid 2 VWEU niet mee dat een overdracht van aandelen in netbeheerders tussen de betrokken rechtspersonen kapitaalverkeer in de zin van art. 63 VWEU vormt. Het onderdeel bestrijdt bovendien dat aan de in art. 1 onder b Besluit aandelen netbeheerders aangewezen vennootschappen (zoals Essent N.V., Eneco Holding N.V. en Delta N.V.) diensten van algemeen economisch belang zijn toevertrouwd. Het beheer van de netten is immers niet opgedragen aan deze vennootschappen, maar aan de vennootschappen die als netbeheerder zijn aangewezen. Bovendien heeft het hof volgens het onderdeel niet getoetst aan de toepassingsvoorwaarde van art. 106 VWEU, volgens welke vennootschappen waaraan diensten van algemeen economisch belang zijn toevertrouwd, slechts onder de regels van het VWEU vallen voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert Met het oog op de betekenis van het privatiseringsverbod voor het antwoord op de vraag of de aandelen in netbeheerders (direct of indirect) uitsluitend aan de overheid toebehoren, neemt het onderdeel terecht tot uitgangspunt dat privaatrechtelijke rechtspersonen waarvan alle aandelen direct of indirect door de Staat of lagere overheden worden gehouden, tot de kring van de overheid moeten worden gerekend. De privaatrechtelijke rechtsvorm van deze rechtspersonen doet niet eraan af dat zij direct of indirect volledig aan de overheid toebehoren, terwijl, nu uit de stukken van de feitelijke instanties niet anders blijkt, ook aangenomen moet worden dat zij onder het gezag en toezicht van de overheid staan. De omstandigheid dat de aandelen in een netbeheerder kunnen worden overgedragen (niet alleen tussen de Staat, de provincies en de gemeenten, maar ook) tussen de in art. 1 onder b van het Besluit aandelen netbeheerders genoemde privaatrechtelijke rechtspersonen die direct of indirect volledig in handen van de overheid zijn, brengt derhalve niet mee dat geen sprake (meer) zou zijn van een absoluut privatiseringsverbod. Door een dergelijke overdracht blijven de aandelen in netbeheerders immers geheel binnen de kring van de overheid en onder haar gezag en toezicht. Het voorgaande wordt niet anders indien deze privaatrechtelijke vennootschappen aangemerkt zouden moeten worden (zoals het hof oordeelt) als ondernemingen waaraan diensten van algemeen economisch belang zijn toevertrouwd. Dergelijke ondernemingen vallen weliswaar in beginsel "onder de regels van het Verdrag, met name onder de mededingingsregels" (art. 106 lid 2 VWEU), maar dat zegt niets over de vraag of de tussen deze rechtspersonen overgedragen aandelen binnen of buiten de kring van de overheid geraken. De op het bovenstaande gerichte klachten van het onderdeel zijn gegrond Onderdeel 3.4 is gericht tegen de conclusie van het hof in rov. 3.7 dat van een absoluut privatiseringsverbod geen sprake is. Uit het slagen van de onderdelen 3.2 en 3.3 volgt dat ook dit onderdeel doel treft. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is het in het Besluit aandelen netbeheerders neergelegde privatiseringsverbod absoluut, hetgeen wil zeggen dat ingevolge de hier toepasselijke 6

7 wetgeving de aandelen in een netbeheerder uitsluitend binnen de kring van de overheid kunnen worden overgedragen. De betekenis van art. 345 VWEU voor het privatiseringsverbod 3.13 Met onderdeel 3.5 komt de Staat op tegen rov. 3.8 en 3.9 (hiervoor in onder (c) weergegeven), waarin het hof het standpunt van de Staat verwerpt dat het privatiseringsverbod gedekt wordt door art. 345 VWEU. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het privatiseringsverbod moet worden aangemerkt als een regeling van het eigendomsrecht in de zin van art. 345 VWEU en dat het VWEU het privatiseringsverbod onverlet laat. Betoogd wordt dat maatregelen tot nationalisatie of privatisering als zodanig buiten de werkingssfeer van de bepalingen over het vrij kapitaalverkeer vallen, en dat het hof onvoldoende heeft onderscheiden tussen de regeling van het eigendomsrecht als zodanig en de verplichting van de lidstaten om de uitvoering van die eigendomsregeling niet gepaard te laten gaan met (kwalificerende) voorwaarden die in strijd zijn met de vrij verkeerregels, bijvoorbeeld omdat zij een discriminatie behelzen. Het onderdeel klaagt voorts dat het hof ten onrechte geen principieel verschil heeft gezien tussen de onderhavige zaak en de door het hof genoemde "gouden aandeel"-zaken, waarin sprake was van bijzondere zeggenschapsrechten die aan de lidstaat toekwamen nadat de aandelen in de betrokken onderneming gedeeltelijk aan private partijen waren verkocht. Ook de door het hof aangenomen situatie dat de regering, zonder daartoe in enig opzicht belemmerd te zijn door de wet, door aanpassing van het Besluit aandelen netbeheerders naar eigen inzicht kan bepalen of en zo ja, welke private partijen zij als aandeelhouder van netbeheerders wil toelaten, valt volgens het onderdeel niet te vergelijken met de situatie die in de "gouden aandeel"-zaken aan de orde was, in welk verband het onderdeel mede de in de voorgaande onderdelen aangevoerde argumenten herhaalt Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat art. 345 VWEU ("De Verdragen laten de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet") ertoe strekt om nationalisaties of privatiseringen niet aan lidstaten te verbieden (of voor te schrijven), en dat het VWEU neutraal staat tegenover de vraag of de eigendom van bepaalde goederen of ondernemingen zich in overheidshanden of in privaat bezit bevindt. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU heeft art. 345 VWEU niet tot gevolg dat de nationale regelingen van het eigendomsrecht buiten de werkingssfeer van de fundamentele verdragsregels vallen, en mogen de verdragsvrijheden daarom niet met een beroep op deze bepaling belemmerd worden door de voorrechten die lidstaten aan hun positie van aandeelhouder van een geprivatiseerde onderneming verbinden (vgl. onder meer rov. 44 van het hierna te noemen arrest Commissie/Frankrijk). De Staat komt evenwel terecht op tegen het oordeel van het hof dat dit laatste geval zich hier zou voordoen omdat "de in het Besluit aandelen netbeheerders verankerde opzet niet principieel verschilt van de constructies die in enkele van de "gouden aandeel"-zaken aan de orde waren en waarin het HvJ EG telkens heeft beslist dat art. 345 VWEU (art. 295 EG) niet aan toetsing aan de fundamentele vrijheden in de weg stond", waarbij het hof verwijst naar de uitspraken van het HvJEU van 4 juni 2002, zaken C-367/98, Jur. 2002, p. I-4731 (Commissie/Portugal) (LJN AG8113) en C-483/99, Jur. 2002, p. I-4781 (Commissie/Frankrijk) (LJN AF5768, NJ 2003/108) en van 13 mei 2003, zaak C-463/00, Jur. 2003, p. I-4581 (Commissie/Spanje) (LJN AL7155). Voorts komt de Staat terecht op tegen het daarop aansluitende oordeel van het hof dat "ook bij het onderhavige privatiseringsverbod (...) de regering, zonder daartoe in enig opzicht belemmerd te zijn door de wet, door aanpassing van het Besluit aandelen netbeheerders naar eigen inzicht kan bepalen of en zo ja, welke, private partijen zij als aandeelhouder van netbeheerders wil toelaten". Aldus miskent het hof in de eerste plaats (zie ook hiervoor in 3.9) dat het bij de beoordeling van het onderhavige privatiseringsverbod niet gaat om de situatie onder eventuele toekomstige, inhoudelijk gewijzigde wetgeving, maar om de situatie onder de ten tijde van zijn beslissing geldende wetgeving, en voorts (zie ook hiervoor in 3.12) dat onder de gelding van het Besluit aandelen netbeheerders sprake is van een absoluut privatiseringsverbod. Verder miskent het hof dat verschil bestaat tussen het onderhavige absolute privatiseringsverbod en de constructies die in de "gouden aandeel"-zaken aan de orde waren. Laatstgenoemde zaken betroffen situaties waarin voormalige overheidsbedrijven (gedeeltelijk) waren geprivatiseerd, maar de overheid door middel van aandelen of een vergunningenstelsel bijzondere zeggenschapsrechten in die bedrijven had behouden. Volgens de uitspraken van het HvJEU brengt een dergelijke constructie een beperking van het vrij verkeer van kapitaal mee waarvoor een rechtvaardiging uit hoofde van de openbare orde of de openbare veiligheid (thans: art. 65 lid 1, onder b, VWEU) dan wel uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang vereist is. In de onderhavige zaak is evenwel geen sprake van een maatregel tot privatisering van een netbeheerder waarbij de overheid via aandelen of een vergunningenstelsel nog bijzondere zeggenschapsrechten behoudt, maar juist van een wettelijke regeling waardoor privatisering (ook een minderheidsprivatisering) algeheel wordt voorkomen, doordat de aandelen in een netbeheerder uitsluitend binnen de kring van de overheid overgedragen kunnen worden De onderdelen 3.6 en 3.7 bouwen grotendeels voort op de voorgaande onderdelen en zijn in zoverre derhalve eveneens 7

8 gegrond. Zijn het belang van voorkoming van concurrentieverstoring en het belang van een transparante markt zuiver economische belangen? 3.16 Het hangt af van het antwoord van het HvJEU op de hierna te vermelden vragen I en II, of en in hoeverre de onderdelen 4 en 5 behandeld moeten worden. Voor het geval daartoe echter na de beantwoording door het HvJEU aanleiding bestaat, behandelt de Hoge Raad thans reeds enkele klachten van onderdeel 5.3, omdat ook in dat verband aanleiding bestaat prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen Onderdeel 5.3 is gericht tegen de rov. 5.3 en 5.5 (hiervoor in onder (g) kort weergegeven). Volgens het onderdeel heeft het hof in die overwegingen miskend dat het voorkomen van concurrentieverstoring door het weren van kruissubsidiëring in ruime zin, daaronder begrepen de strategische informatie-uitwisseling, en de door het groepsverbod beoogde transparantie op de energiemarkt, belangen zijn die niet louter economisch van aard zijn en dat die belangen minst genomen ook een niet-economische component hebben en daarom dwingende redenen van algemeen belang kunnen vormen De Staat heeft in dit verband in de feitelijke instanties onder meer aangevoerd dat door middel van het groepsverbod en het daardoor onmogelijk maken van kruissubsidiëring, niet (alleen) zuiver economische belangen worden nagestreefd maar (ook) publieke, niet-economische belangen. Daarbij is erop gewezen dat - nog afgezien van het waarborgen van de leveringszekerheid - blijkens de wetsgeschiedenis van de Won door het groepsverbod en het onmogelijk maken van kruissubsidiëring in ruime zin voor alle afnemers van netbeheerdiensten een gelijk speelveld ("level playing field") wordt gewaarborgd, dat door onafhankelijke netbeheerders op transparante wijze kosten kunnen worden toegerekend en tarieven bepaald, en dat gebruikers (waaronder consumenten) daardoor beter dan bij geïntegreerde energiebedrijven worden beschermd tegen het risico van manipulatie of misbruik De Hoge Raad ziet aanleiding op dit punt prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen, zoals hierna te formuleren. Aanleiding tot prejudiciële vragen 3.18 Het slagen van de onderdelen brengt mee dat het hof op ondeugdelijke gronden heeft beslist dat het primaire verweer van de Staat niet opgaat. Dat betekent echter nog niet zonder meer dat dit verweer doel moet treffen en dat de gegrondbevinding van de klachten dus tot cassatie moet leiden. Of dat het geval is, hangt mede af van de betekenis die art. 345 VWEU heeft in het geval van een absoluut privatiseringsverbod zoals in deze zaak aan de orde, en aan de daaraan te verbinden gevolgen. Daarbij rijst in de eerste plaats de vraag (I) of het privatiseringsverbod, gelet op het absolute karakter daarvan en op de verschillen tussen dat verbod en de constructies die in de "gouden aandeel"-zaken aan de orde waren, kan worden aangemerkt als een regeling van het eigendomsrecht zoals bedoeld in art. 345 VWEU die door het recht van de Europese Unie onverlet wordt gelaten. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst vervolgens de vraag (II) of als gevolg daarvan de regels met betrekking tot het vrij verkeer van kapitaal niet op het groepsverbod van toepassing zijn, althans of aan toetsing van dit verbod aan de regels met betrekking tot het vrij verkeer van kapitaal niet wordt toegekomen, zoals de Staat betoogt. Indien evenwel vraag I of vraag II in ontkennende zin wordt beantwoord, kan het primaire verweer van de Staat niet opgaan, en zal beoordeeld moeten worden of het groepsverbod een beperking van het vrij verkeer van kapitaal oplevert en of daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Dan rijst in het kader van de behandeling van onderdeel 5.3 de vraag (III) of de mede aan de Won ten grondslag gelegde doelstellingen van transparantie op de energiemarkt en het voorkomen van concurrentieverstoring door kruissubsidiëring tegen te gaan, aangemerkt kunnen worden als belangen van niet-economische aard (en dus in voorkomend geval als dwingende redenen van algemeen belang). Nu het antwoord op deze vragen afhankelijk is van uitleg van het VWEU en deze vragen niet aan de hand van de tekst van het VWEU of de rechtspraak van het HvJEU buiten gerede twijfel zijn te beantwoorden, zal de Hoge Raad de hierna onder 5 te formuleren vragen van uitleg aan het HvJEU voorleggen. Daarbij wordt ter toelichting nog het volgende opgemerkt. Ten aanzien van vraag I 3.19 De Hoge Raad is voorshands van oordeel dat vraag I aldus moet worden beantwoord dat het privatiseringsverbod kan worden aangemerkt als een regeling van het eigendomsrecht zoals bedoeld in art. 345 VWEU. Uitgangspunt is immers dat het 8

9 privatiseringsverbod naar Nederlands recht een absoluut verbod is, waardoor de aandelen in een netbeheerder uitsluitend binnen de kring van de overheid kunnen worden overgedragen en iedere vorm van privatisering van een netbeheerder wordt voorkomen; zie hiervoor in 3.9 en Daarin is een belangrijk verschil gelegen met de gevallen waarin het HvJEU in de "gouden aandeel"-zaken uitspraak heeft gedaan. Het ging daar immers, anders dan thans, om gevallen waarin de overheid ten aanzien van reeds (gedeeltelijk) geprivatiseerde ondernemingen door middel van bijzondere aandelen of vergunningstelsels een verdergaande zeggenschap in die ondernemingen behield dan volgens het reguliere ondernemingsrecht uit haar aandelenbezit voorvloeide. Ten aanzien van vraag II Ten aanzien van vraag II overweegt de Hoge Raad voorshands als volgt. (a) Bij bevestigende beantwoording van vraag I rijst de vraag wat het gevolg is van de bepaling van art. 345 VWEU dat de (in het privatiseringsverbod neergelegde) wettelijke regeling van het eigendomsrecht onverlet wordt gelaten door het recht van de Europese Unie. Omdat de aandelen in netbeheerders ingevolge het Besluit aandelen netbeheerders (direct of indirect) slechts gehouden kunnen worden door de Staat, de provincies en de gemeenten, of door rechtspersonen die direct of indirect volledig in handen zijn van deze publiekrechtelijke overheidslichamen, kunnen die aandelen niet in private handen komen. Het privatiseringsverbod brengt dus mee dat geen transacties aan de orde zijn waarop de vrijheid van kapitaalverkeer van toepassing is. In dat licht bezien zou betoogd kunnen worden, zoals de Staat doet, dat het vrij verkeer van kapitaal niet geraakt wordt door de in het groepsverbod aan deze netbeheerders opgelegde beperkingen. Die beperkingen betreffen immers netbeheerders die door het privatiseringsverbod al aan het vrij kapitaalverkeer zijn onttrokken. Dat zou ertoe kunnen leiden dat als gevolg van het privatiseringsverbod de regels met betrekking tot het vrij kapitaalverkeer niet van toepassing zijn ten aanzien van de aan een netbeheerder opgelegde beperkingen die voortvloeien uit het groepsverbod, althans dat het groepsverbod niet getoetst behoeft te worden aan de regels met betrekking tot het vrij kapitaalverkeer. (b)ten aanzien van het uit het groepsverbod voortvloeiende splitsingsgebod (zie hiervoor in 3.2 (v)) valt op te merken dat dit gebod zich richt tot de geïntegreerde energiebedrijven, die op grond van eerdere wetgeving reeds (direct of indirect) volledig in handen van de Nederlandse overheid dienden te blijven. Na realisering van de door de Won voorgeschreven splitsing geldt het privatiseringsverbod niet meer voor het afgesplitste productie- en leveringsbedrijf, zodat dit geprivatiseerd kan worden (en in een aantal gevallen inmiddels ook al is geprivatiseerd). Aldus wordt derhalve met betrekking tot de afgesplitste productie- en leveringsbedrijven vrij kapitaalverkeer mogelijk gemaakt. Ook het verbod op nevenactiviteiten geldt niet voor de afgesplitste (al dan niet geprivatiseerde) productie- en leveringsbedrijven. (c) Het voorgaande verdient nog in zoverre nuancering, dat het groepsverbod niet alleen beperkingen oplegt aan de netbeheerder zelf (zie hiervoor onder (a)), maar ook aan de met een netbeheerder verbonden groepsmaatschappijen, voor wie dezelfde beperkingen uit hoofde van dit verbod gelden als voor de netbeheerder zelf. Ook die groepsmaatschappijen mogen immers niet deelnemen in een vennootschap die energieactiviteiten in Nederland ontplooit. (d) Voorts impliceert het groepsverbod zekere beperkingen voor buiten de groep staande vennootschappen, omdat het eraan in de weg staat dat een dergelijke, al dan niet in een andere lidstaat gevestigde vennootschap die zelf of door middel van een groepsmaatschappij energieactiviteiten in Nederland ontplooit, aandelen kan verwerven in een netbeheerder (welke beperking overigens ook reeds uit het privatiseringsverbod voortvloeit) of in een vennootschap die deel uitmaakt van een groep waartoe een netbeheerder behoort In de hiervoor genoemde gevallen (b), (c) en (d) treffen de beperkingen die uit het groepsverbod voortvloeien, derhalve ook andere vennootschappen dan de netbeheerder zelf. Daarbij kan nog verder onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds de gevallen (b) en (c) die de met de netbeheerder verbonden groepsmaatschappijen betreffen, en anderzijds geval (d) waarin de beperking een buiten de groep staande vennootschap betreft. Met het oog hierop is denkbaar dat bij het antwoord op vraag II onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende hiervoor onderscheiden gevolgen van de desbetreffende verboden. Ten aanzien van vraag III 3.21 Opmerking verdient dat de doelstellingen van transparantie op de energiemarkt en het voorkomen van concurrentieverstoring (het bewerken van een "level playing field") door het tegengaan van kruissubsidiëring in ruime zin, waaronder begrepen de strategische informatie-uitwisseling, op welke doelstellingen de Staat zich ter rechtvaardiging van het groepsverbod (mede) heeft beroepen, door het Europees Parlement en de Raad mede ten grondslag zijn gelegd aan de Richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, respectievelijk aardgas (de zogenoemde Derde Elektriciteitsrichtlijn en Derde Gasrichtlijn). Blijkens de preambule voor deze richtlijnen is onder meer beoogd 9

10 te zorgen voor een eerlijke toegang tot het net en transparantie op de markt, zodat transparante en niet-discriminerende tarieven voor de toegang tot het net kunnen worden gehanteerd. Hoewel deze richtlijnen geen eigendomssplitsing van netbeheer en commerciële activiteiten verplicht stellen, zijn de voorgeschreven maatregelen van onder meer ontvlechting en functionele scheiding verplicht gesteld mede ter bereiking van de zojuist vermelde doelstellingen. Dat kan een aanwijzing zijn dat deze doelstellingen mede een publiek, niet-economisch karakter hebben en onder omstandigheden ook als dwingende redenen van algemeen belang kunnen worden aangemerkt. 4. Omschrijving van de feiten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor in 3.2 vermelde feiten, waarvan te dezen moet worden uitgegaan. Voorts dient tot uitgangspunt genomen te worden dat ingevolge het Besluit aandelen netbeheerders naar Nederlands recht een absoluut privatiseringsverbod ten aanzien van netbeheerders geldt, hetgeen inhoudt dat de aandelen in een netbeheerder (direct of indirect) uitsluitend kunnen worden overgedragen binnen de kring van de overheid, zoals omschreven in art. 3 van het Besluit aandelen netbeheerders. 5. Vragen van uitleg I. Moet art. 345 VWEU aldus worden uitgelegd dat onder een "regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten" ook de regeling valt van het in deze zaak aan de orde zijnde absoluut privatiseringsverbod zoals is opgenomen in het Besluit aandelen netbeheerders in verbinding met art. 93 Elektriciteitswet 1998 en art. 85 Gaswet, inhoudende dat de aandelen in een netbeheerder uitsluitend binnen de kring van de overheid kunnen worden overgedragen? II. Indien vraag I bevestigend wordt beantwoord, heeft dat dan tot gevolg dat de regels met betrekking tot het vrij verkeer van kapitaal niet van toepassing zijn op het groepsverbod, althans dat aan toetsing van het groepsverbod aan de regels met betrekking tot het vrij verkeer van kapitaal niet wordt toegekomen? III. Zijn de mede aan de Won ten grondslag gelegde doelstellingen om door middel van het tegengaan van kruissubsidiëring in ruime zin (daaronder begrepen de strategische informatie-uitwisseling) transparantie op de energiemarkt te bewerken en concurrentieverstoring te voorkomen, zuiver economische belangen, of kunnen ze mede als belangen van niet-economische aard aangemerkt worden, in die zin dat ze onder omstandigheden als dwingende redenen van algemeen belang een rechtvaardiging kunnen vormen voor een beperking van het vrij verkeer van kapitaal? 6. Beslissing De Hoge Raad: verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de onder 5 geformuleerde vragen uitspraak te doen; houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding tot het Hof van Justitie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 24 februari

Energiebedrijven en de noodzaak van zorgvuldige wetgeving

Energiebedrijven en de noodzaak van zorgvuldige wetgeving Dit artikel uit is gepubliceerd door Boom Juridische uitgevers en is bestemd schap eming Energiebedrijven en de noodzaak van zorgvuldige wetgeving Inleiding De meest recente wijzigingen van de Elektriciteitswet

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden '" 13 februari 2015 Eerste Kamer in naam des Konings 10/02162 LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: l. LEIDSEPLEIN BEHEER B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. Hendrikus Jacobus Marinus DE VRIES,

Nadere informatie

IN NAAM DER KONINGIN

IN NAAM DER KONINGIN 2 januari 1987 Eerste Kamer Nr. 12.932 RF/AT IN NAAM DER KONINGIN Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: "VASTELOAVESVEREINIGING DE ZAWPENSE", gevestigd te Grevenbricht, gemeente Born EISERES

Nadere informatie

Stand van zaken splitsing energiebedrijven het groepsverbod nader beschouwd

Stand van zaken splitsing energiebedrijven het groepsverbod nader beschouwd schap eming Stand van zaken splitsing energiebedrijven het groepsverbod nader beschouwd Inleiding Op 21 november 2006 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 (de E-wet) en van de

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:983. Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie

ECLI:NL:HR:2013:983. Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie ECLI:NL:HR:2013:983 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie 18-10-2013 Zaaknummer 12/03380 Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:52, Gevolgd In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8529,

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

CONCEPT. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1

CONCEPT. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 CONCEPT Besluit van, houdende regels omtrent het verlenen van instemming met wijzigingen ten aanzien van rechten op aandelen in een netbeheerder als bedoeld in de Elektriciteitswet 1998 en in de Gaswet

Nadere informatie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: Uitspraak 6 februari 2015 Eerste Kamer 14/03627 LH/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.J. van Galen, t e g e n BEPRO

Nadere informatie

LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523. Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011. Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie

LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523. Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011. Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523 Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Onteigening. Verzuim tot betekening cassatieverklaring

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 I' Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer w ~e' {J.J ::li "~.8 ;.l_~ ( E..::r,",'_ t"::) ('0",,1 l:'jt:: ~~ ~ )(, ::li oe i~..- ~ c:: L'..J Nr. 12/03718 28 maart

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 10 SEPTEMBER 2007 S.07.0003.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.07.0003.F A. T., Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LUIK.

Nadere informatie

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014 arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer :200.140.465101 KG zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 06/11/2012

Datum van inontvangstneming : 06/11/2012 Datum van inontvangstneming : 06/11/2012 28 september 2012 Eerste Kamer 'Entrée r; 3 l1' 11/03038 EE/MD Afschrift Hoge Raad der Nederlanden Beschikking Ingeschreven in het register van het Hof van Justitie

Nadere informatie

Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM

Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM Mr. Z. Kasim 1 HR 13 juli 2007, nr. C05/331, LJN BA231 Verplichte deelneming pensioenfonds, criteria arbeidsovereenkomst BW artikel 7: 610, artikel

Nadere informatie

1 Het geding in feitelijke instanties

1 Het geding in feitelijke instanties Uitspraak 14 februari 2014 nr. 13/00475 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te s-gravenhage van 18 december 2012, nr. 12/00169,

Nadere informatie

Zaak C-524/04. Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue

Zaak C-524/04. Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue Zaak C-524/04 Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue [verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division, om een prejudiciële beslissing]

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 19/11/2015

Datum van inontvangstneming : 19/11/2015 Datum van inontvangstneming : 19/11/2015 Vertaling C-538/15-1 Zaak C-538/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 15 oktober 2015 Verwijzende rechter: Juzgado de Primera Instancia

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP 02/2895 AOW en 05/6118 AOW in het geding tussen: [appellant], wonende te Spanje, appellant, en U I T S P R A A K de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 04/03/2013

Datum van inontvangstneming : 04/03/2013 Datum van inontvangstneming : 04/03/2013 Vertaling C-49/13 1 Zaak C-49/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 29 januari 2013 Verwijzende instantie: Úřad průmyslového vlastnictví

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 augustus 1985,

Nadere informatie

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER ARREST

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER ARREST HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER Nr. C98/080HR ARREST in de zaak van: DE GEMEENTE GRONINGEN,gevestigd te Groningen, EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: voorheen

Nadere informatie

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen:

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen: '"Sr "- AANTEKENEN Hoge Raad der Nederlanden Postbus 20303 2500 EH 'S-GRAVENHAGE Datum Referentie Betreft beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem (08/00041) op het hoger beroep

Nadere informatie

Rechtspraak.nl - Print uitspraak

Rechtspraak.nl - Print uitspraak ECLI:NL:HR:2014:1405 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 13-06-2014 Datum publicatie 13-06-2014 Zaaknummer 13/05858 Formele relaties Rechtsgebieden Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:289 Civiel recht Bijzondere

Nadere informatie

LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak

LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak Datum uitspraak: 06-07-2007 Datum publicatie: 06-07-2007 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Eiseres

Nadere informatie

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7 Rechtspraak Instantie Hoge Raad Datum 8 oktober 2004 Vindplaats LJN AO9549 Naam Vixia / Gerrits Essentie uitspraak: De enkele schending van controlevoorschriften (de werknemer weigert bij de bedrijfsarts

Nadere informatie

UITSPRAAK HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST

UITSPRAAK HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST UITSPRAAK 4 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/063HR JMH/AT HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST in de zaak van: LOYALIS CONTRACTMANAGEMENT B.V., voorheen genaamd USZO DIENSTEN B.V., gevestigd te Heerlen, EISERES

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1999 2000 26 463 Regels omtrent het transport en de levering van gas (Gaswet) Nr. 95 DERDE NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 4 april 2000 Het voorstel van wet

Nadere informatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak Datum uitspraak: 10-10-2008 Datum publicatie: 10-10-2008 Rechtsgebied: Belasting Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Verkoop van (gebruikte) goederen

Nadere informatie

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 24 SEPTEMBER 1987. BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK TEGEN J. A. DE RIJKE. VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING,

Nadere informatie

Rechtspraak.nl - Print uitspraak

Rechtspraak.nl - Print uitspraak pagina 1 van 6 Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:HR:2015:2191 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecli:nl:hr:2015:2191 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 14-08-2015 Datum

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 25/08/2014

Datum van inontvangstneming : 25/08/2014 Datum van inontvangstneming : 25/08/2014 Vertaling C-359/14 1 Datum van indiening: 23 juli 2014 Verwijzende rechter: Zaak C-359/14 Verzoek om een prejudiciële beslissing Vilniaus miesto apylinkės teismas

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 621 Regels met betrekking tot de productie, het transport en de levering van elektriciteit (Elektriciteitswet...) Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen

Nadere informatie

Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T

Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T Rolnummer 2485 Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door

Nadere informatie

zaaknummer / rolnummer: C/09/428013 / HA ZA 12-1153 Partijen zullen hierna Stichting de Thuiskopie en [X] genoemd worden.

zaaknummer / rolnummer: C/09/428013 / HA ZA 12-1153 Partijen zullen hierna Stichting de Thuiskopie en [X] genoemd worden. vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Zittingsplaats Den Haag zaaknummer / rolnummer: C/09/428013 / HA ZA 12-1153 Vonnis in incident van in de zaak van de stichting STICHTING DE THUISKOPIE, gevestigd te

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 27 JUNI 2012 P.12.0873.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.12.0873.F I. P. D. V., II. III. IV. P. D. V., P. D. V., P. D. V., V. P. D. V., Mrs. Cédric Vergauwen en Olivia Venet, advocaten bij de

Nadere informatie

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 2005/1/13)

Nadere informatie

Het Europese splitsingsarrest: terug bij af?

Het Europese splitsingsarrest: terug bij af? Het Europese splitsingsarrest: terug bij af? mr. drs. J.E. Janssen en mr. W. Wolbers LLM * Annotatie bij de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 oktober 2013 (C-105/12, C-106/12,

Nadere informatie

HOGE RAAD ARREST. nr. 31/695. gewezen op het beroep in cassatie van X te Z. tegen

HOGE RAAD ARREST. nr. 31/695. gewezen op het beroep in cassatie van X te Z. tegen HOGE RAAD nr. 31/695 ARREST gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-hertogenbosch van 13 oktober 1995 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 19/06/2015

Datum van inontvangstneming : 19/06/2015 Datum van inontvangstneming : 19/06/2015 Vertaling C-223/15-1 Zaak C-223/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 18 mei 2015 Verwijzende rechter: Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland)

Nadere informatie

ECHTSCHEIDINGS PROCESRECHT SPREKER MR. H.A. GERRITSE 9 APRIL 2015 09:00-11:15 WWW.AVDRWEBINARS.NL

ECHTSCHEIDINGS PROCESRECHT SPREKER MR. H.A. GERRITSE 9 APRIL 2015 09:00-11:15 WWW.AVDRWEBINARS.NL ECHTSCHEIDINGS PROCESRECHT SPREKER MR. H.A. GERRITSE 9 APRIL 2015 09:00-11:15 WWW.AVDRWEBINARS.NL Inhoudsopgave Mr. H.A. Gerritse Jurisprudentie Hoge Raad 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1402, met betrekking

Nadere informatie

Rechtspraak.nl - Zoeken in uitspraken

Rechtspraak.nl - Zoeken in uitspraken Page 1 of 5 LJN: BO4930, Hoge Raad, 09/03103 Datum uitspraak: 28-01-2011 Datum publicatie: 28-01-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Verbintenissenrecht. Zekerheidsstelling;

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 5 MEI 2008 C.05.0223.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.05.0223.F AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. B. P., 2. AXA BELGIUM, naamloze

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden 6 maart 1998 Eerste Kamer Nr. 16.561 (C97/040 HR) AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Karl Heinz HILLE, wonende te Haarlem, EISER tot cassatie, advocaat : mr E. Grabandt, t e g e n 1. de

Nadere informatie

Zaaknummer : CBHO 2015/104 Rechter(s) : mrs. Olivier, Van der Spoel en Verheij Datum uitspraak : 5 november 2015 Partijen : Appellante en

Zaaknummer : CBHO 2015/104 Rechter(s) : mrs. Olivier, Van der Spoel en Verheij Datum uitspraak : 5 november 2015 Partijen : Appellante en Zaaknummer : CBHO 2015/104 Rechter(s) : mrs. Olivier, Van der Spoel en Verheij Datum uitspraak : 5 november 2015 Partijen : Appellante en Universiteit Maastricht Trefwoorden : algemeen verbindend voorschrift

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 14/06/2013

Datum van inontvangstneming : 14/06/2013 Datum van inontvangstneming : 14/06/2013 Vertaling C-258/13-1 Zaak C-258/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 13 mei 2013 Verwijzende rechter: Varas Cíveis de Lisboa (Portugal)

Nadere informatie

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene.

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-113 d.d. 15 april 2013 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en mr. B.F. Keulen, leden en mevrouw mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Nadere informatie

Partijen zullen hierna [BETROKKENE] en [VERZEKERAAR] genoemd worden.

Partijen zullen hierna [BETROKKENE] en [VERZEKERAAR] genoemd worden. beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/10/423356 / HA RK 13-304 Beschikking van in de zaak van [BETROKKENE], wonende te Rotterdam, verzoeker, advocaat mr. P. Meijer, tegen'

Nadere informatie

Edelachtbaar college,

Edelachtbaar college, Edelachtbaar college, X% Namens cliënten, a «a ^ ^ ^ ^ ^ M l e n tel^^^^ tekenen wij beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2011 op het beroepschrift van 10

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:1157. 1 Geding in cassatie. 2 Beoordeling van het eerste middel. 3 Beoordeling van het derde middel. Uitspraak.

ECLI:NL:HR:2013:1157. 1 Geding in cassatie. 2 Beoordeling van het eerste middel. 3 Beoordeling van het derde middel. Uitspraak. ECLI:NL:HR:2013:1157 Uitspraak 12 november 2013 Strafkamer nr. 11/04366 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx pagina 1 van 5 LJN: BP2860, Rechtbank 's-gravenhage, 366594 - HA ZA 10-1807 Datum uitspraak: 02-02-2011 Datum publicatie: 02-02-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig

Nadere informatie

Nijmegen, 9 maart 2010 Betreft: aanvullend advies inzake erfdienstbaarheid Maliskamp

Nijmegen, 9 maart 2010 Betreft: aanvullend advies inzake erfdienstbaarheid Maliskamp Mr. P.H.A.M. Peters Hoff van Hollantlaan 5 Postbus 230 5240 AE Rosmalen Nijmegen, 9 maart 2010 Betreft: aanvullend advies inzake erfdienstbaarheid Maliskamp Geachte heer Peters, Bij brief van 12 november

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 31/08/2015

Datum van inontvangstneming : 31/08/2015 Datum van inontvangstneming : 31/08/2015 Vertaling C-417/15-1 Zaak C-417/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 29 juli 2015 Verwijzende rechter: Landesgericht für Zivilrechtssachen

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 102 d.d. 2 november 2009 (mr. R.J. Verschoof, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en drs. A.I.M. Kool) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2014:3351. Uitspraak. Datum uitspraak 21 11 2014 Datum publicatie 21 11 2014 Zaaknummer 13/04422 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1744, Gevolgd

ECLI:NL:HR:2014:3351. Uitspraak. Datum uitspraak 21 11 2014 Datum publicatie 21 11 2014 Zaaknummer 13/04422 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1744, Gevolgd ECLI:NL:HR:2014:3351 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 21 11 2014 Datum publicatie 21 11 2014 Zaaknummer 13/04422 Formele relaties Rechtsgebieden Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1744, Gevolgd Civiel recht

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UITSPRAAK. A te B (Spanje), nader te noemen: betrokkene, en de Sociale Verzekeringsbank, nader te noemen: de SVB.

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UITSPRAAK. A te B (Spanje), nader te noemen: betrokkene, en de Sociale Verzekeringsbank, nader te noemen: de SVB. CENTRALE RAAD VAN BEROEP 97/3836 AOW + 97/4659 AOW in het geding tussen: UITSPRAAK A te B (Spanje), nader te noemen: betrokkene, en de Sociale Verzekeringsbank, nader te noemen: de SVB. I. ONTSTAAN EN

Nadere informatie

ADVIES VAN DE COMMISSIE. van 1.7.2013

ADVIES VAN DE COMMISSIE. van 1.7.2013 EUROPESE COMMISSIE Brussel, 1.7.2013 C(2013) 4206 final ADVIES VAN DE COMMISSIE van 1.7.2013 overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 714/2009 en artikel 10, lid 6, van Richtlijn 2009/72/EG

Nadere informatie

Rechtspraak.nl - Print uitspraak

Rechtspraak.nl - Print uitspraak ECLI:NL:HR:2014:2928 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 10-10-2014 Datum publicatie 10-10-2014 Zaaknummer 13/02931 Formele relaties Rechtsgebieden Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:497, Contrair In cassatie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 059 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet, alsmede enige andere wetten in verband met de introductie van aanvullende

Nadere informatie

Samenwerkingsprotocol

Samenwerkingsprotocol Samenwerkingsprotocol Consumentenautoriteit Stichting Reclame Code 1 Samenwerkingsprotocol tussen de Consumentenautoriteit en de Stichting Reclame Code Partijen: 1. De Staatssecretaris van Economische

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 13 JANUARI 2015 P.14.0564.N/l Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.14.0564.N inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadsman mr. toor te kiest,. _ advocaat bij de balie te Gent, met kan - waar de eiseres

Nadere informatie

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum Instelling Hof van Cassatie Onderwerp Duur. Burenhinder. Herstel. Rechtsvordering. Algemene verjaringstermijnen. Termijn buitencontractuele aansprakelijkheid Datum 20 januari 2011 Copyright and disclaimer

Nadere informatie

JPF 2013/149 Rechtbank 's-gravenhage 23 oktober 2012, 422965/FA RK 12-5121; ECLI:NL:RBSGR:2012:BY2371. ( mr. Bellaart )

JPF 2013/149 Rechtbank 's-gravenhage 23 oktober 2012, 422965/FA RK 12-5121; ECLI:NL:RBSGR:2012:BY2371. ( mr. Bellaart ) JPF 2013/149 Rechtbank 's-gravenhage 23 oktober 2012, 422965/FA RK 12-5121; ECLI:NL:RBSGR:2012:BY2371. ( mr. Bellaart ) [De vrouw] te [woonplaats vrouw], hierna: de vrouw, advocaat: mr. L.J. Zietsman te

Nadere informatie

Relevante feiten. Beoordeling. RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996

Relevante feiten. Beoordeling. RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996 RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996 Relevante feiten Als kaderlid van M heeft eerste eiser in 1993 aandelenopties verkregen op aandelen

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 070.00 ingediend door: hierna te noemen klager`, tegen: hierna te noemen 'verzekeraar. De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF VAN 12 DECEMBER 1974.

ARREST VAN HET HOF VAN 12 DECEMBER 1974. ARREST VAN HET HOF VAN 12 DECEMBER 1974. B. N. O. WALRAVE, L. J. N. KOCH TEGEN ASSOCIATION UNION CYCLISTE INTERNATIONALE, KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE WIELREN UNIE EN FEDERATION ESPANOLA CICLISMO. (VERZOEK

Nadere informatie

Gelijkwaardig ouderschap en co-ouderschap; belang van kind doorslaggevend

Gelijkwaardig ouderschap en co-ouderschap; belang van kind doorslaggevend Regelingen en voorzieningen CODE 7.2.3.38 Gelijkwaardig ouderschap en co-ouderschap; belang van kind doorslaggevend jurisprudentie bronnen EB, Tijdschrift voor scheidingsrecht, afl. 10 - oktober 2010 Gerechtshof

Nadere informatie

ZIFO Institute for Financial law en Corporate Law Amsterdam Toelichting bij de beantwoording van genoemde vragen uit de questionnaire.

ZIFO Institute for Financial law en Corporate Law Amsterdam Toelichting bij de beantwoording van genoemde vragen uit de questionnaire. Toelichting In dit document is een toelichting opgenomen bij de beantwoording op enkele - hieronder aangeduide - vragen uit de questionnaire. Vraag IV.5 Biedt de recente jurisprudentie van het EHvJ (bijv.

Nadere informatie

betreft: [klager] datum: 2 februari 2015

betreft: [klager] datum: 2 februari 2015 nummer: 14/3322/GA en 14/3394/GA betreft: [klager] datum: 2 februari 2015 De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van bij

Nadere informatie

LJN: BX6509, Raad van State, 201201225/1/A1. Datum uitspraak: 05-09-2012 Datum publicatie: 05-09-2012

LJN: BX6509, Raad van State, 201201225/1/A1. Datum uitspraak: 05-09-2012 Datum publicatie: 05-09-2012 LJN: BX6509, Raad van State, 201201225/1/A1 Datum uitspraak: 05-09-2012 Datum publicatie: Rechtsgebied: 05-09-2012 Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Afwijzing handhavingsverzoek

Nadere informatie

Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht. Besluit van [datum] houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 5:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft) Op voordracht van Onze Minister van

Nadere informatie

Date de réception : 01/03/2012

Date de réception : 01/03/2012 Date de réception : 01/03/2012 Vertaling C-44/12-1 Zaak C-44/12 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 30 januari 2012 Verwijzende rechter: Court of Session, Scotland (Verenigd Koninkrijk)

Nadere informatie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 21 januari 2003 (28.01) (OR. en) 15528/02 ADD 1. Interinstitutioneel dossier: 2001/0077 (COD) ENER 315 CODEC 1640

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 21 januari 2003 (28.01) (OR. en) 15528/02 ADD 1. Interinstitutioneel dossier: 2001/0077 (COD) ENER 315 CODEC 1640 RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 21 januari 2003 (28.01) (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 2001/0077 (COD) 15528/02 ADD 1 ENER 315 CODEC 1640 ONTWERP-MOTIVERING VAN DE RAAD Betreft: Gemeenschappelijk

Nadere informatie

Herziening pachtprijs van percelen land te Overijssel, tezamen groot 35.03.59 ha.

Herziening pachtprijs van percelen land te Overijssel, tezamen groot 35.03.59 ha. Centrale Grondkamer, beschikking van 24 maart 2011, GP 11.625 [artikel 7:333 BW] Herziening pachtprijs van percelen land te Overijssel, tezamen groot 35.03.59 ha. Centrale Grondkamer, beschikking van 8

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen: LJN: AT7485, Raad van State, 200405147/1 (Printbare versie) Datum uitspraak: 15-06-2005 Datum publicatie: 15-06-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

Date de réception : 24/02/2012

Date de réception : 24/02/2012 Date de réception : 24/02/2012 Vertaling C-30/12-1 Zaak C-30/12 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 23 januari 2012 Verwijzende rechter: Okresný súd Prešov (Slowakije) Datum van

Nadere informatie

Date de réception : 29/11/2011

Date de réception : 29/11/2011 Date de réception : 29/11/2011 0-, /._,-", I. i._ I Itnl,." 2 i ';".' 'f ";.~'1! "j~j- lu! i..., ::.:::J Hoge Raad der Nederlanden I Derde Kamer Nr. 09/05101 30 september 2011 Ingeschreven in het register

Nadere informatie

LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB

LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB Datum uitspraak: 20-01-2009 Datum publicatie: 04-02-2009 Rechtsgebied: Bijstandszaken Soort procedure:

Nadere informatie

Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 van

Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 van Gemeente Haarlemmermeer Baan Kleef Aan DomJur 2008-432 Rechtbank Haarlem Zaak-/rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 en 151565 / KG ZA 08-641 Datum: 22 december 2008 Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden 0 0 3 i 0 4 januari 1991 Eerste Kamer Nr. 14.449 AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Rudolph Jan ROMME, wonende te Bosch en Duin, gemeente Zeist, EISER tot cassatie, advocaat: Mr. J.W.

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 27/07/2015

Datum van inontvangstneming : 27/07/2015 Datum van inontvangstneming : 27/07/2015 Vertaling C-303/15-1 Zaak C-303/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 22 juni 2015 Verwijzende rechter: Sąd Okręgowy w Łodzi (Polen) Datum

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 17/02/2014

Datum van inontvangstneming : 17/02/2014 Datum van inontvangstneming : 17/02/2014 C-9/-14-1 Luxembcurg l i!frp Hoge Raad der Nederlanden Entree 1 3 JAN. 201~ --------- Derde Kamer Nr. 12/02305 13 december 2013 Arrest Ingeschreven in het register

Nadere informatie

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 98/2/17) GRIFFIE REGENTSCHAPSSTRAAT 39 1000 BRUSSEL

Nadere informatie

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Datum Uw kenmerk Ons kenmerk Bijlage(n) 8 september 2003 ME/EM/3051226 1 Onderwerp Besluit tot verlenging termijn beschermde afnemer Gaswet en Elektriciteitswet 1998 E-en G-wet.mbo Besluit van, tot verlenging

Nadere informatie

prof. mr. A.S. Hartkamp, voorzitter, mr A. Bus, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. F.P. Peijster en prof. mr. F.R. Salomons.

prof. mr. A.S. Hartkamp, voorzitter, mr A. Bus, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. F.P. Peijster en prof. mr. F.R. Salomons. GCHB 2012-434 Uitspraak van 2 februari 2012 prof. mr. A.S. Hartkamp, voorzitter, mr A. Bus, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. F.P. Peijster en prof. mr. F.R. Salomons. Consument aanvaardt advies van de Geschillencommissie

Nadere informatie

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 7 mei 2012.

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 7 mei 2012. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2012-204 d.d. 11 juli 2012 (mr. R.J. Verschoof, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en mr. M.L. Hendrikse, leden, en mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Nadere informatie

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe,

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, X Z (belanghebbende), \ beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013. Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de griffier mij

Nadere informatie

Vertaling C-291/13-1. Zaak C-291/13. Verzoek om een prejudiciële beslissing. Eparchiako Dikastirio Lefkosias (Cyprus)

Vertaling C-291/13-1. Zaak C-291/13. Verzoek om een prejudiciële beslissing. Eparchiako Dikastirio Lefkosias (Cyprus) Vertaling C-291/13-1 Zaak C-291/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 27 mei 2013 Verwijzende rechter: Eparchiako Dikastirio Lefkosias (Cyprus) Datum van de verwijzingsbeslissing:

Nadere informatie

» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr.

» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. Brandt ) [De man] te [woonplaats], hierna: de man, advocaat: mr. C.A. Lucardie te s-gravenhage.

Nadere informatie

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten,

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten, Vonnis RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 371218 CV EXPL i 1-5231 vonnis van de kantonrechter d.d. 14 maart 2012 inzake X wonende te eiser. procederende met toevoeging.

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:898. 1 Geding in cassatie. 2. Beoordeling van het eerste middel. Uitspraak. 8 oktober 2013. Strafkamer. nr.

ECLI:NL:HR:2013:898. 1 Geding in cassatie. 2. Beoordeling van het eerste middel. Uitspraak. 8 oktober 2013. Strafkamer. nr. ECLI:NL:HR:2013:898 Uitspraak 8 oktober 2013 Strafkamer nr. 11/04842 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 2011,

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove...

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove... Rechtspraak.nl Print uitspraak 1 of 5 071215 09:02 Zoekresultaat inzien document ECLI:NL:RBOVE:2013:1448 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecl Instantie Rechtbank Overijssel

Nadere informatie

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7. Zutekouw / van Oort

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7. Zutekouw / van Oort Rechtspraak Instantie Hoge Raad Datum 14 maart 2008 Vindplaats LJN BC6699 Naam Zutekouw / van Oort Essentie uitspraak: Een wegens ziekte arbeidsongeschikte werknemer heeft geen recht op loondoorbetaling

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 26/05/2014

Datum van inontvangstneming : 26/05/2014 Datum van inontvangstneming : 26/05/2014 Vertaling C-189/14-1 Zaak C-189/14 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 16 april 2014 Verwijzende rechter: Eparchiako Dikastirio Lefkosias

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van de heer drs. A. te X. en het hoger beroep van de heer B. te Y..

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van de heer drs. A. te X. en het hoger beroep van de heer B. te Y.. No. CvB 2013/10 HET COLLEGE VAN BEROEP van het Nederlands Instituut van Psychologen heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van de heer drs. A. te X. en het hoger beroep

Nadere informatie

No.W10.05.0095/II 's-gravenhage, 17 juni 2005

No.W10.05.0095/II 's-gravenhage, 17 juni 2005 ................................................................................... No.W10.05.0095/II 's-gravenhage, 17 juni 2005 Bij Kabinetsmissive van 24 maart 2005, no.05.001059, heeft Uwe Majesteit,

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2013 in zaak nr. 12/4468 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2013 in zaak nr. 12/4468 in het geding tussen: Uitspraak 201306462/1/A1 Datum van uitspraak: woensdag 25 juni 2014 Tegen: Proceduresoort: Rechtsgebied: het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug Hoger beroep 201306462/1/A1.

Nadere informatie

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF A 2010/8/10 ARREST. Inzake: Naam : Benelux Organisatie voor de Intellectuele Eigendom. Tegen:

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF A 2010/8/10 ARREST. Inzake: Naam : Benelux Organisatie voor de Intellectuele Eigendom. Tegen: COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ A 2010/8/10 ARREST Inzake: Naam : Benelux Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Tegen: Naam : Vermeiren Francina Procestaal: Nederlands ARRET En cause : Nom :

Nadere informatie