Rapport domein Economie

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Rapport domein Economie"

Transcriptie

1 Rapport domein Economie Nationaal Archief Onderzoeksteam Maatschappijbrede Trendanalyse Februari 2014

2 Inhoudsopgave Inleiding..4 Veranderingen in de Nederlandse economie Trend 1 -Veranderingen in de conjunctuur en de structuur van de economie 7 Trend 2 - De liberalisering van de verzorgingsstaat Trend 3 Van groei naar herschikking in de collectieve sector Trend 4 - Verschuivingen op de handelsbalans: intensivering van de handel ten gunste van de Europese markt en de dienstensector Veranderingen in de rol van de overheid Trend 5 - De rijksoverheid: van speler naar ondersteuner Trend 6- Veranderingen in de aanpak en richting van Research & Development: van een sturende naar een conditionerende overheid Trend 7 - R&D in de landbouw: de ontvlechting van de samenwerking tussen de overheid en de agrarische sector Trend 8 Naar een kleinere en efficiënte rijksoverheid: privatisering, verzelfstandiging en op afstand plaatsen van overheidsonderdelen Europeanisering Trend 9 - Naar een Europese markt Trend 10 - Naar een Europese Monetaire Unie Trend 11 Het Europese Landbouwbeleid: Naar liberalisering van de markt voor landbouwproducten en een breder plattelandsbeleid Veranderingen in het bedrijfsleven Trend 12 Van schaalvergroting terug naar de kernactiviteiten in het grootbedrijf en de opkomst van het MKB en de zelfstandige zonder personeel (zzp) Trend 13 Veranderingen in de rol en positie van de grote (multinationale) ondernemingen en aanpassing van de wijze van sturing Trend 14 De opkomst van de ICT: van IT naar ICT Trend 15 - De bouw: groeien, krimpen en aanpassen Veranderingen in de consumentenmarkt Trend 16 - De vermarkting van vrije tijd: het toegenomen economisch belang van vrijetijdsbestedingen Hotspots Hotspot 1 Het akkoord van Wassenaar (1982) Hotspot 2 RSV-enquête ( ) Hotspot 3 - De internetzeepbel ( ) Hotspot 4 - Mond- en klauwzeer (2001) Hotspot 5 - Invoering van de euro (2002) Hotspot 6 - Parlementaire enquêtecommissie Bouwnijverheid ( ) Hotspot 7 - Code Tabaksblat (2003)

3 Bijlagen Bijlage 1 Literatuurlijst Bijlage 2 CV s experts. 116 Colofon

4 Inleiding Domeinindeling Economie geldt in de Trendanalyse als een van de complexe domeinen. Het is een groot en belangrijk domein dat verbanden heeft met alle andere domeinen en veel van de maatschappelijke trends. In wezen is het een eenvoudig onderwerp: economie is een wetenschap die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten, en de vraag hoe bepaalde gewenste situaties kunnen worden bereikt. Maar door de hele wereld aan ontwikkelingen, verbanden, rollen, visies en instrumenten die daarachter schuil gaat, is het noodzakelijk om in het kader van dit onderzoek een aantal duidelijke keuzen te maken, om de meest pregnante ontwikkelingen te kunnen identificeren en beschrijven. In het projectplan van het Nationaal Archief zijn aan het domein (Zorg voor) Economie de volgende onderwerpen verbonden: Sectoren, waaronder bankwezen, landbouw, visserij, industrie, mkb, telecom, handel, energie Ondernemers en ondernemerschap Markt en mededinging Economisch en financieel systeem Omdat deze indeling weliswaar een aantal zaken agendeert, maar door de verschillende invalshoeken niet echt verkavelt als basis voor onderzoek, is er aan de hand van historische literatuur en op advies van de economisch historici dr. L.J. Touwen en prof.dr. J.L. van Zanden een andere opzet gemaakt waarin de belangrijkste veranderingen in de Nederlandse economie in de periode zijn ingepast. Deze zijn terug te vinden in vier sub-domeinen die betrekking hebben op ontwikkelingen in de rol en handelen van de overheid ( politieke economie ), veranderingen gerelateerd aan Europa, veranderingen in het bedrijfsleven en veranderingen bij consumenten. Daarnaast en daarboven is een sub-domein toegevoegd met overkoepelende ontwikkelingen in de Nederlandse economie, als basis, achtergrond en referentie voor de trends in dit domein, maar ook voor de andere domeinen, waar de daar beschreven ontwikkelingen vaak gerelateerd zijn aan de algemene economische situatie. Dit resulteert in de volgende sub-domeinen: De Nederlandse economie De rol van de overheid Europeanisering Het bedrijfsleven De consumentenmarkt. Het rapport is volgens de indeling in sub-domeinen, zoals hierboven weergegeven, opgebouwd. Sectoren De benadering van de veranderingen in het domein via de gekozen subdomeinen betekent dat een benadering primair naar sectoren, wat een alternatief had kunnen zijn bij de analyse en beschrijving van trends, niet aan de orde is. Daarvoor zijn er ook praktische redenen. De in het projectplan bij sectoren benoemde onderwerpen geven al aan dat een strakke indeling langs één invalshoek moeilijk te maken is. Weliswaar bestaan er standaardindelingen als die van het CBS, maar die zouden leiden tot beschrijvingen met een wel heel hoog abstractieniveau, of, wanneer meer zou worden ingezoomd, tot tenminste 50 trends als aan alle (deel)sectoren evenwichtig recht wordt gedaan, waarbij bovendien de ontwikkelingen binnen de sectoren in de tijd, richting en intensiteit erg verschillen. Het betekent niet dat sectoren in het geheel niet behandeld worden. Voor drie sectoren is er aanleiding om deze, binnen het kader van de subdomeinen, nader te analyseren, om bepaalde aspecten van de economische ontwikkeling uit te lichten. Dat geldt in de eerste plaats voor de agrarische sector, door haar bijzondere relatie met de overheid, ook op het gebied van research & development, de betrokkenheid bij Europa middels het Europese 4

5 landbouwbeleid en de veranderingen ten gevolge van regelgeving over en nieuwe visies op bedrijvigheid op het platteland. De tweede sector die is uitgelicht is de bouw. De bouw is typerend voor de wijze waarop een grote, economische belangrijke productiesector enerzijds de economie beïnvloedt en anderzijds zeer sterk reageert op economische veranderingen. De beschrijving van de bouwsector is bovendien relevant als referentie voor de trends die in het domein Wonen zijn beschreven. De derde sector die hier apart wordt beschreven is de ICT, een opkomende sector waarvan de producten grote invloed hebben op allerlei grote verschuivingen in werkorganisatie en productieprocessen, maar ook geleid hebben tot nieuwe visies op economische processen en modellen ( nieuwe economie ). Andere sectoren worden in deze rapportage in trends en hotspots benoemd wanneer zich daar bijzondere ontwikkelingen voordeden, die exemplarisch zijn voor veranderingen in de Nederlandse economie. Ook in andere domeinen komen sectorspecifieke ontwikkelingen aan de orde, bijvoorbeeld met betrekking tot transport bij het domein verkeer en vervoer. Verschuivingen en begrenzingen Tijdens het onderzoek hebben enkele verschuivingen plaatsgevonden tussen trends, maar dat alles is gebeurd nagenoeg binnen de begrenzingen van de oorspronkelijke opzet, zoals die in het overleg met de experts is ontstaan. Alleen op het gebied van de consumentenmarkt is een trend, over producten en bestedingen gerelateerd aan veranderingen in lifestyle, vervallen, omdat dit onderwerp van onderzoek is in het domein Cultuur, Leefstijl en Maatschappij. Het domein Economie sluit nauw aan op het domein Werk & Inkomen. Ontwikkelingen die in de trends bij Economie beschreven zijn zullen ook bij Werk & Inkomen aan de orde komen en daar op andere aspecten worden uitgediept. Dat geldt bijvoorbeeld voor de rol van sociale partners en voor flexibilisering van en participatie in arbeid. Die verbondenheid van domeinen is er ook op het gebied van hotspots. Zo past de hotspot Akkoord van Wassenaar bij beide domeinen, maar is deze bij Economie beschreven, omdat het akkoord een belangrijke omslag markeert door de wijze waarop sociale partners gezamenlijk economisch herstel en groei tot stand probeerden te brengen. Bronnen en literatuur In het (voor)onderzoek was het maar zeer beperkt mogelijk om zoals de onderzoeksmethodiek voorschrijft - gebruik te maken van de Sociale en Culturele rapporten van het Sociaal Cultureel Planbureau. De economie als zodanig is geen onderwerp van onderzoek voor het SCP. Daarentegen waren er wel enkele historische publicaties beschikbaar die van groot nut bleken bij het uitlijnen van het onderzoek, in het bijzonder Een klein land in de twintigste eeuw van Jan Luiten van Zanden en Kerende kansen. Het Nederlandse bedrijfsleven in de twintigste eeuw van Keetie Sluyterman. Bij het onderzoek naar de trends bleek een behoorlijke hoeveelheid economisch-historische literatuur voorhanden, zowel met een brede opzet als specialistisch. Een beperking was wel dat met name over de laatste tien jaar van de onderzochte periode ( ) nog relatief weinig gepubliceerd is. In die gevallen bleek het veelal mogelijk om terug te vallen op andere bronnen, bijvoorbeeld tijdreeksen van het CBS, om ontwikkelingen door te trekken. Door de ruime beschikbaarheid van literatuur was het beperkt nodig om experts te raadplegen. Naast de gesprekken met dr. L.J. Touwen en prof.dr. J.L. van Zanden zijn geïnterviewd of geraadpleegd: drs. T. Nelissen prof. dr. W. Knulst prof. dr. E. Homburg dr.ir.g.j.h. Bieleman E. ter Veld Validatie Alle trends zijn door experts gevalideerd. Naar aanleiding van een advies dat naderhand door een van de geraadpleegde experts werd gegeven, zijn enkele korte passages ingevoegd over de invloed van ICT-ontwikkelingen. Opmerkingen 5

6 Het is gebleken dat de periode niet goed strookt met de belangrijke economische ontwikkelingen en veranderingen die zich in de afgelopen decennia in Nederland hebben voorgedaan. Veel van de ontwikkelingen werden ingezet of hadden een bepalende voorgeschiedenis vóór 1976: vaak al in de jaren zestig of zelfs vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog. Alleen de periode vanaf 1976 beschrijven zou leiden tot een onvolledige of zelfs onjuiste beeldvorming. Vandaar dat in de trendbeschrijvingen in dit domein veel lange trends te vinden zijn. Een bijzonder probleem doet zich voor aan het eind van de periode. Economisch gezien ging het toen goed: na de strubbelingen van de internet-bubble was de rust weergekeerd, de economie groeide en de vooruitzichten waren prettig. Met de kennis van nu is duidelijk dat er desalniettemin zeer zwaar weer op komst was, met de kredietcrisis. Voor de lezer van nu kunnen de trends die tot 2005 beschreven zijn daarom, voor die laatste periode, mogelijk wat naïef-positief overkomen. Wij hebben er in elk geval naar gestreefd ons aan de realiteit van toen te houden. Overigens zijn in de trendbeschrijvingen wel degelijk verschijnselen opgenomen die later tot aanleiding van de kredietcrisis werden gerekend, als het opereren van bedrijven (waaronder banken) gericht op korte termijn-resultaten voor aandeelhouders en managers, het ontwikkelen en (onderling) vermarkten van complexe financiële producten en ICT-gedreven ongrijpbare financieringsvormen als flistkapitaal. In de trendbeschrijvingen ontbreekt een niet onbelangrijk onderdeel van de Nederlandse economie: de informele of schaduw-economie, het geheel van criminele en markt-gerelateerde activiteiten met economische gevolgen, dat zich buiten het zicht van de overheid en de officiële waarnemingen afspeelt. Het gaat om een buitengewoon divers terrein, variërend van drugshandel op grote schaal tot een zwart betalen van een werkster. Juist omdat het buiten beeld is het niet mogelijk de ontwikkelingen afdoende te beschrijven. Ook de gevolgen zijn niet helder. Het is evident dat dit soort activiteiten een (onbepaalde) negatieve invloed heeft op overheidsinkomsten als belastingen, premieheffingen en accijnzen, maar wat verder positieve of negatieve economische effecten zijn blijft gissen. Ook over de omvang van de informele economie bestaan alleen schattingen, onder andere van de OESO. Voor Nederland wordt aangenomen dat dit gemiddeld in de orde van grootte van 10 tot 12 procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP) lag, langzaam oplopend tot een piek van 13 procent in 2003 en daarna geleidelijk weer iets afnemend. Volgens een schatting uit 1998 was harde criminaliteit specifiek verantwoordelijk voor informele economische activiteiten met een omvang 1 procent van het BBP, waarvan 60 procent drugs-gerelateerd. Het onderzoeksteam realiseert zich dat met historische beschrijvingen van economische ontwikkelingen ook een ander belangrijk onderdeel van de economische realiteit maar beperkt wordt gedekt, namelijk het psychologische aspect: het onvoorspelbare en soms irrationele gedrag van individuen en partijen in hun economisch handelen. Hoewel het belang ervan evident is niet voor niets wordt gesproken over de stemming op de effectenbeurs of het consumentenvertrouwen - is de feitelijke invloed van dergelijk gedrag, zeker met dit soort onderzoek, niet volwaardig te reproduceren. 6

7 Trend 1 - Veranderingen in de conjunctuur en in de structuur van de economie Verkorte titel: Veranderingen in de economie Metatrends Europeanisering Mondialisering Emancipatie en participatie Technologisering en informatisering Verzakelijking Herschikking van institutionele verbanden en structuren Relatie met Trend: alle trends in het domein Economie Hotspots: alle hotspots in het domein Economie Domein: alle domeinen Datering Jaren zeventig Beschrijving De Nederlandse economie heeft sinds de jaren zeventig aanmerkelijke veranderingen gekend. Dat gebeurde binnen een vaste context: er was sprake van een kleine, open economie, met een relatief groot aantal multinationals, zeer actief in export en import en ook in investeringen in het buitenland. Dat blijkt uit het gegeven dat in de periode zowel de invoer als de uitvoer van goederen en diensten verzesvoudigd is, terwijl de nationale bestedingen in die periode amper verdubbeld zijn. De wederuitvoer is, vooral sinds de jaren negentig, een steeds groter deel gaan uitmaken van de totale in- en uitvoer. In 2005 was dat circa 25 procent. Nederland heeft hierbij flink profijt getrokken van de Europese eenwording; het heeft zich ontwikkeld tot toegangspoort voor andere EU-landen, onder meer voor producten uit Aziatische landen. [CBS, 2008: 20,21] In de binnenlandse verhoudingen was na de Tweede Wereldoorlog een systeem gegroeid waarin sprake was van een sterke mate van institutionalisering, nog versterkt door de verzuiling waarin elke poot nog eens was opgedeeld in een aantal parallelle organisaties. Daarbij speelde de rijksoverheid een belangrijke rol, in de eerste plaats bij het - in samenspraak met politieke partijen en vakbeweging - creëren van een uitgebreid pakket aan sociale voorzieningen: de verzorgingsstaat. De rijksoverheid oefende ook directe invloed uit op de economie. In combinatie met een actieve industrialisatiepolitiek was er, tot in de jaren zestig, sprake van geleide loonpolitiek, met het doel de nominale lonen laag te houden en zo bedrijvigheid te bevorderen. [Van Zanden, 1997: 15,16] Deze geleide loonpolitiek moest daarna worden losgelaten: door de lage werkloosheid respectievelijk grote behoefte aan arbeidskrachten werd het stelsel onhoudbaar. De rijksoverheid bleef zich echter intensief met de arbeidsmarkt en de loonvorming bemoeien. Ook bij andere economische kwesties kreeg de overheid steeds meer een leidende rol. De traditionele, vooroorlogse laissez-faire politiek was naar de achtergrond verdwenen en bij het oplossen van economische problemen was de staat als vanzelfsprekend partij. [Van Zanden, 1997: 16] In de Nederlandse economie speelden grote, deels multinationale industriële ondernemingen een belangrijke rol, zowel voor wat betreft hun bijdrage aan het nationaal product als door het grote aantal werknemers dat daar een baan had gevonden. Met de economische crisis die in de jaren zeventig ontstond en die in Nederland vooral begin jaren tachtig trof, kwamen aanzienlijke veranderingen op gang. Het bruto binnenlands product (BBP) in Nederland, als indicator voor de conjunctuur, is sinds de jaren zeventig overwegend gegroeid, maar er zijn ook perioden geweest dat er sprake was van neergang. In het begin van de jaren zeventig bevond Nederland zich in een economische bloeiperiode. De groei van het BBP bedroeg in 1970 ruim 6 procent, die van bedrijfsinvesteringen in vaste activa 11,2 procent. 7

8 Maar al snel begon de economie te stagneren. De werkloosheid steeg en ook de instroom in de regeling van de Arbeidsongeschiktheidswet (WAO) nam gestaag toe. De arbeidsproductiviteit steeg nog aanzienlijk, en dat zorgde er aanvankelijk voor dat de groei van het BBP hoog bleef. Dit hield verband met de hoge loonkosten, waardoor het aantrekkelijk was om verouderde kapitaalgoederen met een lage arbeidsproductiviteit te vervangen door meer efficiënte productiemiddelen. Een neveneffect was wel uitstoot van arbeid, waardoor de werkloosheid verder toenam. [Van Zanden, 1997: 220] Na 1977 zakte de productiviteitsstijging ook in, tot een niveau rond de 1 procent. Door de eerste (1973) en vooral de tweede oliecrisis (1979), het instorten van de huizenmarkt, de sterk stijgende rente en hoge inflatie nam de economische groei af, met als dieptepunt een krimp van 1,2 procent in De bedrijfsinvesteringen daalden sterk, in 1981 met 9,4 procent. Het arbeidsvolume daalde navenant, in 1982 zelfs met 2,4 procent. [CBS, 2008: 18] Er werd een steeds groter beroep op uitkeringen gedaan, zowel voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid als ook ziekte. De WAO werd voor werkgevers en werknemers een uitweg om bij reorganisaties en ontslagen werknemers relatief goed weg te laten komen. De collectieve uitgaven stegen enorm. Bovendien waren in de periode daarvoor allerlei automatische koppelingen aangebracht tussen uitkeringen en ambtenarensalarissen en de gemiddelde loonstijging in de private sector. Die lonen waren weer gekoppeld aan de stijging van de kosten van levensonderhoud met een opslag voor de geraamde stijging van de arbeidsproductiviteit. De stroom aan aardgasbaten die sinds de jaren zestig richting schatkist vloeide had veel van dit soort voorzieningen mogelijk gemaakt, vooral toen na de eerste oliecrisis de olieprijs, waar de gasprijs aan gekoppeld was, verviervoudigde. [De Kam, 1997] Dit stelsel werd nu onbetaalbaar; er was sprake van een zware belasting van de overheidsuitgaven. [van Zanden, 1997: 97-99] De crisis begin jaren tachtig markeerde en was deels ook oorzaak van een aantal belangrijke veranderingen in de Nederlandse economie. In de situatie zoals die ontstaan was bleek de aanpak van verstoringen in de economie, zoals die na de Tweede Wereldoorlog in zwang was gekomen, niet langer te passen. In dit model - Keynesiaans, naar de Britse econoom John Maynard Keynes werd uitgegaan van een nationale, institutioneel georganiseerde economie, waarbij in geval van verstoring van de economische ontwikkeling het herstel niet aan de vrije krachten van de markt werd overgelaten, maar door de overheid actief werd ingegrepen. Dat gebeurde anticyclisch: bij neergang gebeurde dit door vraag te stimuleren door hogere overheidsuitgaven en belastingverlaging, bij oververhitting door de vraag af te remmen met minder overheidsuitgaven en het afromen van koopkracht. Nederland had hier een eigen vorm aan gegeven: sturing gebeurde vooral via de aanbodkant, met steun en subsidies voor bedrijven. [Van Zanden, 1997: 19] De ongebreidelde stijging van de overheidsuitgaven, en de daarmee gepaard gaande oplopende belasting- en premiedruk, betekende echter dat er in de periode jaren zeventig - begin jaren tachtig geen ruimte was om middelen in de economie te pompen. Dit te meer omdat, door de internationale stijging van rentetarieven, het steeds moeilijker werd om daarvoor geld te lenen. [Van Zanden, 1997: 228] De schaarste aan middelen had een grote invloed op het aandeel van de Nederlandse overheid in de economie en de wijze waarop zij dat invulde. In de politiek-ambtelijke verhoudingen was een systeem gegroeid van gesegmenteerde verbanden van politici, pressiegroepen, hoge ambtenaren en adviesorganen die via hun vakdepartement steeds meer middelen genereerden voor het belang dat zij vertegenwoordigden. Een voorbeeld daarvan was het groene front, van alle betrokkenen bij de landbouwsector. Het bleek zeer lastig dit systeem te ontmantelen; de minister van Financiën moest zich te weer stellen tegen een meerderheid van vakministers. Maar geleidelijk (overeengekomen ombuigingen waren aanvankelijk vaak boterzacht) lukte het de collectieve uitgaven als percentage van de BBP terug te dringen. Dat werd temeer pregnant toen in 1987 en 1988, door de lage dollarkoers en het ineenstorten van de olieprijs het staatsaandeel in de aardgasbaten dramatisch terugliep: van 23 miljard gulden tot 7 miljard gulden per jaar. [De Kam, 1997] Hét middel voor het terugdringen van de collectieve uitgaven bleek het maken van gedetailleerde afspraken in een regeerakkoord. Dit werd ingevuld door verlaging van ambtenarensalarissen (vooral in het onderwijs) en het verminderen van de werkgelegenheid in de overheidssector, het bemoeilijken van de toegang tot en het verlagen van sociale uitkeringen en het afbouwen van overdrachten aan het bedrijfsleven, met name via het beëindigen van de Wet Investeringsrekening (WIR) in 1988 en het verminderen van bijdragen aan research & development (R&D). [Van Zanden 1997: 99, 100, 236] 8

9 Een belangrijk element in de veranderende verhoudingen in de Nederlandse economie als geheel was het akkoord van Wassenaar, dat in 1982 gesloten werd tussen werkgevers, werknemers en overheid. Hierbij verklaarden de vakbonden zich bereid tot loonmatiging en zelfs tot beperking van loonindexering. De werkgeversorganisaties stelden hier herverdeling van werk via verkorting van de werkweek tegenover. De overheid zou afzien van verdere (pogingen tot) ingrijpen in de loonontwikkeling. [van Zanden, 1997: 229] In het vervolg van deze overeenkomst verminderde de stijging van de nominale loonkosten aanmerkelijk, waardoor de financiële positie van de bedrijven sterk verbeterde. Vanaf 1983 begon de economie weer te groeien. Aanvankelijk daalde het arbeidsvolume nog, in 1983 met 1,6 procent, maar vanaf 1985 begon het weer te stijgen. Dat ging door tot de (beperkte) stagnatie in de jaren 1993 en [CBS, 2008: 60-63] De stijging van het arbeidsvolume kwam bijna geheel door de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen. [Van Zanden, 1997: 212,213] De groei van het BBP steeg jaarlijks weer met rond de 3 procent, in 1989 en 1990 zelfs met meer dan 4 procent. Landbouw was een grote groeisector. De industrie, die tijdens de crisis gekrompen was, herstelde zich maar moeizaam. Uitzondering daarop was de voedingsmiddelenindustrie, die zich in combinatie met de landbouw ontwikkelde. Ook de metaalindustrie deed het behoorlijk, behalve de scheepsbouw die na de ondergang van de RSV in 1983, door de harde internationale concurrentie met lagelonenlanden en buitenlandse werven die al of niet verdekt overheidssteun genoten, zich steeds minder kon handhaven. [Van Zanden, 1997: ; website retro.nrc] In de dienstverlening trad een duidelijke tweedeling op. De niet-commerciële dienstverlening stond onder druk door voortgaande bezuinigingsoperaties van de overheid in de jaren tachtig. De commerciële dienstverlening werd de grote trekker voor de Nederlandse economie. Het karakter van de werkgelegenheid in het Nederlandse bedrijfsleven was na de crisis wel veranderd. Er was een ontwikkeling ingezet die tot in de jaren nul zou voortduren. Tot 1970 was het industriële grootbedrijf een dominante factor. Vanaf de jaren zeventig was er al sprake van een sterke toename van het belang van dienstverlening voor de werkgelegenheid. Dat gold zowel voor commerciële dienstverlening, vooral financieel en zakelijk, als de niet-commerciële dienstverlening, zoals de zorg. Na de crisis nam het belang van de industrie steeds meer af, terwijl de dienstverlening sterk groeide. Ter illustratie: in 1976 werkten personen in de industrie, in de financiële en zakelijke dienstverlening en in de zorg en overige dienstverlening. In 1990 waren dat er respectievelijk , en In 2005 waren de aantallen respectievelijk , en Andere sectoren lieten een vergelijkbaar beeld zien. In productiesectoren als landbouw & visserij en bouw liep het aantal werkzame personen terug, waarbij in de bouw wel sprake was van sterke wisselingen (voor de jaren 1976, 1990, 2005 landbouw & visserij: , en ; de bouw: , , ) In de sector handel, horeca en reparatie en in de sector vervoer daarentegen nam het aantal werkzame personen aanzienlijk toe (voor de jaren 1976, 1990, 2005 respectievelijk , , en , , ). Een opvallende stijger in de niet-commerciële dienstverlening was de overheid, waar ondanks voortdurende aankondigingen van personeelsreductie het aantal werkzame personen opliep van in 1976, via in 1990, tot in Bij deze aantallen moet wel het werken in deeltijd in aanmerking worden genomen. In de industrie gebeurde dat nauwelijks: de voltijdratio was 97 procent in 1976, 96 procent in 1990 en 95 procent in In de meer dienstverlenende sectoren was deeltijdwerk vanaf het begin meer gebruikelijk: gedurende de hele periode was de ratio voor de financiële en zakelijke dienstverlening rond 90 procent, voor de zorg rond de 82 procent en voor handel, horeca en reparatie tussen 78 en 83 procent. [CBS, 2008: 60-63]. Het verhogen van arbeidsproductiviteit via het vergroten van de efficiency en inzet van technologie had na de Tweede Wereldoorlog - naar Amerikaans voorbeeld - in de Nederlandse industrie veel aandacht gehad en was ook succesvol geweest, tot na de jaren zeventig de groei afnam, van gemiddeld 3,2 procent tot gemiddeld 1,9 procent in de jaren tachtig en 1,4 procent in de periode [CPB, 2005: 4] Er ontstond daarop een voortgaande discussie onder economen en beleidsmakers, of dit al of niet te wijten was aan de gevolgen van de voortdurende politiek van 9

10 loonmatiging, wat het bedrijfsleven onvoldoende prikkels voor vernieuwing en groei zou opleveren. [Van Schaik, 2004: 92-95; Kleinknecht, 2004: ]. Vanaf de jaren tachtig ontstonden nieuwe kansen voor de groei van arbeidsproductiviteit, door brede toepassing van computers voor technische en administratieve automatisering, zowel in de industriële als in de dienstensector. Dat leidde niet onmiddellijk tot grote economische voordelen, vanwege de lasten die de veranderingen met zich meebrachten. De mogelijkheden voor maatschappij-brede toepassing werden echter aanmerkelijk vergroot door de koppeling van automatisering aan communicatietechnologie, met de introductie van internet in 1993 [trend De opkomst van ICT; CPB, 2003: 6-8]. Opmerkelijk is wel dat in de periode juist een bijzonder lage groei van de arbeidsproductiviteit werd waargenomen, van gemiddeld 0,5 procent per jaar. [CPB, 2005: 4]. Inzet van ICT op zich bleek geen garantie voor productiviteitsstijging, alleen wanneer deze goed werd ingepast in het geheel van productiefactoren. De industriële sector slaagde daar goed in en realiseerde in die periode een productiviteitsstijging van gemiddeld 2,5 procent per jaar. Tegelijkertijd bleef de groei van de arbeidsproductiviteit in de dienstensector sterk achter. Dat gold vooral voor de financiële dienstverlening, waarde productiviteitsgroei in dezer periode gemiddeld slechts 0,1 procent per jaar bedroeg. Ook hier werd ruim geïnvesteerd in ICT, maar het lukte niet dit voldoende te effectueren, doordat het te weinig gepaard ging met vernieuwing van personeels- en kennisbeleid en werkwijzen. [Van Ark, 2005: 5, 50; CPB, 2003: 29-32) De grote verschuiving die in de Nederlandse economie plaatsvond van de industriële naar de dienstensectoren, maakte dat de laatsten steeds zwaarder doortelden in het totaalresultaat, met het lage gemiddelde tot gevolg. [Van Ark, 2000: ] Vanaf 2003, toen de gevolgen van het uiteenspatten van de internetzeepbel en de daaraan verbonden economische neergang verwerkt waren en er weer substantiële groei ontstond, was er weer sprake van een flinke stijging van de gemiddelde arbeidsproductiviteit. De industrie trok aan. In de dienstverlening waren veel inefficiënte bedrijven en bedrijfjes verdwenen en de (internationale) handel, met een relatief hoge arbeidsproductiviteit, bloeide op. Internationaal gezien bleef de toename van de arbeidsproductiviteit, zowel in de industrie als in de dienstverlening, in de hele periode achter bij belangrijke Europe landen als Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en vooral bij de Verenigde Staten. Daarmee leverde Nederland een flink deel van de voorsprong, die tot in de jaren tachtig behaald was, in. [Van Ark,2005: 2 7; CPB 2005: 4,5] De verschuiving van industriële naar de dienstverlenende sectoren had gevolgen voor de arbeidsverhoudingen. De grote oude industriële ondernemingen waren belangrijk voor de werkgelegenheid, zowel voor wat betreft het volume als voor het karakter van de arbeidsovereenkomsten. Er was sprake van focus op lange termijn doelstellingen, en dat vertaalde zich in langdurige arbeidsrelaties en zorg voor de werknemers. De crisis, met faillissementen en saneringen, maakte aan veel van deze zekerheden een einde. De vakbonden waren in de groeisectoren van oudsher veel minder geworteld. Ten opzichte van de flexibele, persoonsgerichte arbeidsrelaties die vooral in deze sectoren steeds meer in zwang kwamen, hadden zij moeite om een aantrekkelijk en passend aanbod te doen; de organisatiegraad nam gestaag af. Sinds bij het akkoord van Wassenaar een aantal kroonjuwelen was opgeofferd, was met al de macht van de vakbeweging afgenomen. [Van Zanden 1997: 206] Met het - gedwongen - loslaten van het Keynesiaanse model verschoof de Nederlandse economie in de jaren tachtig, in navolging van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, in de richting van het Neoliberalisme, met vrije concurrentie, focus op korte termijn winst, formele juridische verhoudingen en rationeel marktgedrag. [Touwen, 2006: 80] Vooral de grote ondernemingen kregen te maken met eisen van aandeelhouders om de nadruk te leggen op het realiseren van zoveel mogelijk dividend, in plaats van te reserveren voor continuïteit en lange termijn winst. Tot in de jaren tachtig zorgden beschermingsconstructies voor bescherming tegen overnames. Door falend management en een aantal faillissementen, toegenomen mobiliteit van kapitaal en een agressievere opstelling van institutionele beleggers werd de financiële autonomie van de grote ondernemingen doorbroken. Voor het doen van grootschalige investeringen werd het aantrekken van kapitaal op de beurs, in plaats van terugploegen van winst, noodzakelijk, mede omdat vanouds Nederland geen traditie had van grote industriebanken, zoals die bijvoorbeeld in Duitsland al in de negentiende eeuw gegroeid was. [Touwen, 2006: 96] Dit was het begin van een ontwikkeling 10

11 waarbij het, vooral in de jaren negentig en nul, steeds vaker voorkwam dat, via het verwerven van aandelen, (grote) ondernemingen in het bezit kwamen van hedge funds of private equityfunds. In een aantal gevallen werden bedrijven opgekocht om deze op te splitsen in onderdelen, om die vervolgens met winst door te verkopen, ook al was dat tegen het belang van (continuïteit van) het betreffende bedrijf. Nederlandse bedrijven die zaken hebben gedaan met of zijn aangevallen door hedge funds waren onder andere ABN-AMRO, Ahold, Philips, Stork, Vendex KBB, Versatel, VNU en Wolters Kluwer. [website Europa.nu] De veranderende verhoudingen in het bedrijfsleven betekenden niet dat de strategische allianties zoals die voorheen tussen bedrijven bestonden, onder andere via personele verbanden tussen leden van raden van commissarissen, geheel verdwenen. Via gentlemen s agreements, kartels en - toen deze door de toenemende invloed van de Europese regelgeving steeds minder acceptabel werden - informele allianties, werden inspanningen gecoördineerd, onder andere op het gebied van R&D. Ook was er sprake van een grote mate van bereidheid tot vrijwillige fusies. Bij het open karakter van de Nederlandse economie, waarbij het aandeel van import en export in het nationaal inkomen groot is, speelde de concurrentie zich voornamelijk af op de buitenlandse markten. De binnenlandse markt was relatief gecoördineerd, met veel samenwerking tussen bedrijven. [Touwen, 2006: 96 98] Onder invloed van de mogelijkheden die de ICT bood veranderde vanaf de jaren negentig het karakter en de omvang van de internationale activiteiten. Door de verbeterde informatievoorziening en aansturing van productie nam, in combinatie met internationalisering van grote multinationale bedrijven en toenemende outsourcing, de handel in intermediaire productensterk toe. Ook de internationale zakelijke dienstverlening ontwikkelde zich sterk. Opvallende voorbeelden zijn telecommunicatie en financiële dienstverlening. [Stegeman, 2011] Voor banken maakte ICT veel meer (onderlinge) internationale handel in een grotere variatie aan producten mogelijk, als rentederivaten en hypotheekpakketten. Fllitskapitaal, digitaal over de wereld bewegende grote sommen geld voor kortdurende, vaak speculatieve transacties, ging in toenemende mate Nederland in en uit. Dit verschijnsel nam zo snel toe het begin jaren nul het overgrote deel van alle internationale financiële transacties uitmaakte.[van Tilburg, 2011: 12,13] Niet alleen grote multinationals maakten gebruik van de mogelijkheden die ICT in toenemende mate bood. Ook het MKB kreeg veel gemakkelijker toegang kreeg tot internationaal opereren. Dat gold zelfs voor particulieren, die nu real time konden gaan handelen op binnen- en buitenlandse beurzen. [website Electronic Communication Network] Vanaf begin jaren negentig trok de rijksoverheid trok zich terug uit de economie als producent, door het privatiseren van staatsbedrijven als de PTT en de NS en later ook de energiebedrijven. Dit was in wezen het versneld en met meer kracht voortzetten van beleid dat al in de jaren zestig was ingezet met het afstoten van belangen in bedrijven als KLM, Hoogovens en DSM. Na het RSV-debacle bouwde het rijk ook haar politiek van subsidies aan noodlijdende bedrijven af. De industriepolitiek werd gericht op het bevorderen van technologische innovatie en het stimuleren van groeisectoren. Door de vermindering van de overheidsuitgaven werd het mogelijk de economie te stimuleren door het verlagen van belastingen en sociale premies. Tussen 1982 en 1995 daalde het aandeel ervan in het BBP met meer dan 12 procent. [van Zanden, 1997: 230] Dat droeg bij aan duurzame loonmatiging in het vervolg op het akkoord van Wassenaar in 1982, waartoe de vakbonden bereid bleken. Dat ging wel met horten en stoten: in 1989 en 1990 was er sprake van een flinke stijging van de lonen. Loonmatiging leidde tot terugvallen van de binnenlandse vraag. Maar doordat de Nederlandse munt gekoppeld was aan de Duitse mark en in Duitsland de lonen wel sterk stegen, pakte voor de Nederlandse economie, met haar grote afhankelijkheid van export, het beleid van loonmatiging grosso modo goed uit. [Van Zanden, 1997: ] Toen eind jaren negentig het BBP sterk bleef groeien raakte de arbeidsmarkt, vooral in de groeisectoren als financiële en zakelijke dienstverlening, oververhit. Een gematigde loonontwikkeling was niet meer te handhaven, wat mede bevorderd werd omdat vakbonden in de nieuwe sectoren maar beperkte invloed hadden. Een sterke stijging van de lonen was het gevolg, die uitwaaierde naar de andere sectoren. De loonstijgingen overtroffen nu de productiviteitsstijgingen. 11

12 In de jaren 1989 en 1990 steeg het reëel beschikbaar inkomen van de huishoudens het sterkst in de gehele periode, met 6,1 en 7,9 procent, om daarna weer licht te dalen. In de tweede helft van de jaren negentig steeg het opnieuw, om in 2001 de top te bereiken ten opzichte van de gehele periode Daarna trad opnieuw een daling in. [CBS, 2008:14-17,21] Het verloop van het beschikbaar inkomen per huishouden wijkt af van de loonontwikkeling; het is bijvoorbeeld aanzienlijk beïnvloed door het toetreden van gehuwde en samenwonende vrouwen tot de arbeidsmarkt. In de onderzochte periode traden flinke verschuivingen op in de consumptieve bestedingen van de huishoudens. Werd aan het begin het meest besteed aan voedingsmiddelen (bijna 18 procent), in 2005 was dat teruggelopen iets meer dan 9 procent. Ook bestedingen aan textiel, kleding, lederwaren en schoeisel en aan genotmiddelen waren percentueel gehalveerd. Sterke groeiers waren de kosten van huisvesting (circa 9 procent tot bijna 16 procent) en de kosten van financiële en zakelijke diensten (circa 4 procent tot 10 procent), waarin onder andere de kosten van nieuwe diensten als internet zijn opgenomen, en kosten van medische diensten en welzijnszorg (circa 3 procent tot circa 5 procent). Opvallend is, dat de percentuele uitgaven aan auto s, overige duurzame goederen en reizen naar het buitenland nauwelijks zijn veranderd. [CBS, 2008: 23] Ondanks de loonpieken in 1989 en 1990 had de loonmatiging sinds 1982 tot een aanzienlijke verbetering van de internationale concurrentieverhoudingen geleid en was zij een basis voor de winstgevendheid van bedrijven. Deze verbeterde positie leidde er toe dat het Nederlandse bedrijfsleven de korte crisis van de jaren relatief goed doorstond. Deze crisis hield verband met de Duitse eenwording en de sterke stijging van de kapitaalrente die zich manifesteerde. De groei van het BBP liep weliswaar terug van meer dan 4 procent in 1990 tot 1,3 procent in 1993, maar het bleef groei. In 1994 was al weer een groei van 3 procent bereikt, die geleidelijk zou oplopen tot 4,7 procent in [CBS, 2008: 16,17] De overeenstemming over loonmatiging werd nog eens bekrachtigd in het centraal akkoord Een nieuwe koers uit Daarin werd tevens bevestigd dat het overleg over arbeidsvoorwaarden inmiddels een zaak van de verschillende bedrijfssectoren geworden was, met alle economische en culturele verschillen daartussen van dien. [Touwen, 2006: 91] Een uitzondering op loonmatiging vormde eind jaren negentig de ICT-sector, waar de bomen tot in de hemel leken te groeien, tot sollicitatiegesprekken in de autoshowroom aan toe [Trouw, 1998]. In het begin van de jaren nul werd de Nederlandse economie getroffen door het wereldwijde uiteenspatten van de internetzeepbel in combinatie met een internationale beurscrisis. Ook nu daalde de groei van het BBP aanzienlijk, tot slechts 0,1 procent in 2002 en 0,3 procent in Ook de bedrijfsinvesteringen liepen sterk terug. Daarna herstelde de groei van het BPP zich weer en steeg deze tot boven de 2 procent. De arbeidsmarkt stagneerde in 2002 en kromp daarna twee jaar, om pas na 2005 weer een flinke groei van rond de 2 procent te tonen. Dat deze crisis de Nederlandse economie minder sterk trof dan die begin jaren tachtig, kwam doordat - mede door de maatregelen die in de aanloop naar de Euro genomen waren de overheidsfinanciën nu veel beter op orde waren en bovendien het bedrijfsleven meer reserves tot haar beschikking had. [CBS 2008: 18 19]. Actoren Alle kabinetten Ministerie van Economische Zaken Ministerie van Financiën Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Werkgeversorganisaties Werknemersorganisaties Bedrijfssectoren Individuele bedrijven Aandeelhouders Bronnen en literatuur Ark, B. van, De Nederlandse productiviteitsparadox, ESB (december 2000) Ark, Bart van en Gjalt de Jong, Productiviteit in dienstverlening (Assen 2004) 12

13 Boeschoten, Willem, Hoofdlijnen van de economische geschiedenis van Nederland (Amsterdam 1992) CBS, Nationale rekeningen reeksen (Rijswijk 2008) Centraal Planbureau, Relatie ICT en Productiviteit, Een analyse met Nederlandse bedrijfsgegevens (Den Haag 2003) Centraal Planbureau, Arbeidsproductiviteit op lange termijn in historisch en internationaal perspectief (Den Haag, 2005) Doering-Manteuffel, Anselm und Lutz Raphel, Nach dem Boom. Perpektiven auf die Zeitgeschichte seit 1970 (Göttingen 2010) Gerwen, Jacques van en Ferry de Goey, Variaties in Ondernemen. Serie: Bedrijfsleven in Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam 2008) Kam, F.de in Kleinknecht, A. en C.W.M. Naastepad, Loonmatiging schaadt productiviteitsontwikkeling wel, ESB (september 2004) Schaik, A.B.T.M van, Loonmatiging gunstig voor Economische groei?, ESB (november 2006) SCP, Sociaal en Cultureel Rapport 1998 (Rijswijk 1998) SCP, Sociaal en Cultureel Rapport 2000 (Den Haag 2000) SCP, Sociaal en Cultureel Rapport 2002 (Den Haag 2002) SCP, Sociaal en Cultureel Rapport 2004 (Den Haag 2004) SCP, Sociale staat van Nederland 2001 (Den Haag 2001) SCP, Sociale staat van Nederland 2003 (Den Haag 2003) SCP, Sociale staat van Nederland 2005 (Den Haag 2005) Sluyterman, Keetie E., Kerende kansen. Het Nederlandse bedrijfsleven in de twintigste eeuw (Amsterdam 2003). Sluyterman, Keetie en Ben Wubs, Over grenzen. Multinationals en de Nederlandse markteconomie, Serie: Bedrijfsleven in Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam 2009) Solliciteren in de showroom naast de toekomstige 'auto van de zaak', Trouw (12 februari 2008) Stegeman, Hans, Technologisering, globalisering en productiviteit in: Stegeman, Hans, Danijela Pilic, Anke Struis, e.a., In 2030, Vier vergezichten (Schiedam 2011) Tilburg, Rens van, Het financiële overgewicht van Nederland (2011), Touwen, Jeroen, 'Varieties of capitalism' en de Nederlandse economie in de periode Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis, 3 (1) 2006, pp WRR 18/1980 Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie WRR 29/1987 Ruimte voor groei WRR 39/1991 Technologie en overheid WRR 66/2003 Nederland handelsland, het perspectief van de transactiekosten Zanden, J.L. van, Een klein land in de twintigste eeuw. Economische geschiedenis van Nederland (Utrecht 1997) (geraadpleegd 1 maart 2011) (geraadpleegd 1 maart 2010) (geraadpleegd 25 januari 2014) interview Jeroen Touwen dd. 2 december 2010 interview Jan Luiten van Zanden dd. 27 januari

14 Trend 2 - De liberalisering van de verzorgingsstaat Metatrends Emancipatie en participatie Individualisering Verzakelijking Medialisering Herschikking van institutionele verbanden en structuren Relatie met Domein: Werk en Inkomen (Zorg voor) Gezondheid (Zorg voor) Wonen Politiek en Openbaar Bestuur Trends: Veranderingen in de economie Van groei naar herschikking in de collectieve sector Naar een kleinere efficiënte overheid Veranderingen in systemen en stelsels voor inkomensregelingen buiten arbeid: verzakelijking en versobering van sociale zekerheid Veranderingen in systemen en stelsels voor inkomensregelingen buiten arbeid: proactivering en ontcorporatisering van sociale zekerheid Hotspots: Akkoord van Wassenaar Datering Beschrijving Aan het begrip verzorgingstaat worden verschillende betekenissen toegekend. Voor sommigen is de verzorgingsstaat het stelsel van sociale verzekeringen en voorzieningen dat de afgelopen honderd jaar is gegroeid. Anderen beperken het begrip tot het geheel aan (semi-)collectieve regelingen dat na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan. Deze regelingen hebben niet alleen betrekking op inkomensbescherming, maar ook op onderwijs, gezondheidszorg, jeugdzorg, kinderopvang, welzijnswerk en arbeidsbemiddeling. Weer anderen leggen het accent op het feit dat de verzorgingsstaat ook een moreel concept is: het is de uitdrukking van de bereidheid van burgers om in hoge mate onderlinge betrokkenheid vorm te geven en risico s met elkaar te delen op een hoog schaalniveau. [WRR, 2006: 23-24] Deze verschillen in betekenis scheppen volgens de Wetenschappelijk Raad voor de Regering (WRR) verwarring en onduidelijkheid in discussies over de verzorgingsstaat. Zij kiest daarom voor een functionele beschrijving van de verzorgingstaat. Volgens de WRR leert een historische analyse dat de verzorgingstaat vier hoofdfuncties vervult: verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden. De zwaarte van de functies wisselt in de tijd, net als de instrumenten die worden ingezet om ze te realiseren. [WWR, 2006, 11 en 31-51] In de periode 1976 tot 2005 staan de functies verzekeren en verzorgen in het middelpunt van de maatschappelijke en politieke belangstelling en verdwijnen de functies verheffen en verbinden meer naar de achtergrond. In deze trend staat de functie verzekeren van de verzorgingsstaat centraal. In deze functie hebben veranderingen plaatsgevonden onder invloed van economische ontwikkelingen, maar ook heeft deze functie ook invloed uitgeoefend op de economie. De functie verbinden zal hier tevens behandeld worden in de zin van het veranderende draagvlak met betrekking tot de verzorgingsstaat en met betrekking tot de vraag of de verzorgingsstaat de samenleving nog bindt. De functies verheffen (met name onderwijs) en verzorgen worden behandeld in andere domeinen zoals onderwijs, gezondheid en wonen. Voor de Tweede Wereldoorlog richtte het sociale zekerheidsstelsel zich vooral op de bescherming van werknemers. Na de Tweede Wereldoorlog was er veel discussie over hoe het sociale zekerheidsstelsel 14

15 moest worden ingericht. [WWR, 2006: 48] In 1947 werd gestart met de ontwikkeling van de Noodwet Ouderdomsvoorziening en in 1952 werd de Werkeloosheidswet ingevoerd. Pas eind jaren vijftig volgden de volksvoorzieningen voor ouderdom, de AOW (1957), en voor weduwen en wezen, de AWW (1959). De wijze van premieheffing voor de AOW belichaamde zowel de solidariteit tussen arm en rijk als tussen oud en jong: hoge inkomens betaalden meer premie dan de lage, terwijl de uitkering voor iedereen gelijk was. De overheid koos niet voor een verzekeringsstelsel maar voor een overdrachtstelsel. [Van Gerwen en Van Leeuwen, 2000: en SCP, 1998: ] In de jaren zestig maakten de aanhoudende economische groei en aanzienlijke aardgasbaten royale, voor iedereen toegankelijke sociale voorzieningen mogelijk. [SCP, 1998: 92; Van Gerwen en Van Leeuwen, 2000: ]. De Algemene Bijstandswet van 1965 was een universeel vangnet. Met de invoering van deze wet rekende de overheid het tot haar wettelijke plicht bijstand te verlenen aan iedere Nederlander die niet over de middelen beschikte om te voorzien in de noodzakelijkste kosten van het bestaan. [Van Gerwen en Van Leeuwen, 2000: 367]. In de periode 1963 tot 1977 kwam de uitbouw van de verzorgingsstaat in een stroomversnelling door het invoeren van een groot aantal wetten waaronder Algemene Kinderbijslagwet (AKW 1963), de werkeloosheidwetten (WWV 1965, RWW 1965), de Arbeidsongeschiktheidswet (1967, WAO), de Ziektewet (1967) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de AWBZ (1968). Voor deze wetten was een breed draagvlak bij de bevolking [WWR, 2006:25] In 1976 werd de laatste grote volksverzekering ingevoerd de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Door het verhogen van de minimumlonen en de koppeling van uitkeringen aan het minimumloon stond in het begin van de jaren zeventig het niveau van de sociale bescherming op een hoog peil. Het tijdvak kan beschouwd worden als de afronding van het stelsel. [Van Gerwen en Van Leeuwen, 2000: 367 en SCP, 1998:423] Door de uitbouw van het stelsel steeg tussen 1963 en 1977 de belastingdruk van 25,2 procent naar 32 procent van het Netto Nationaal Inkomen. De sterkste stijging deed zich voor bij de premiedruk: van bijna 11 procent naar 20 procent van het Netto Nationaal Inkomen. [SER, 1978: 8] In de jaren zeventig brokkelde ook het draagvlak voor de verzorgingstaat in de samenleving af en volgde er een jarenlange discussie over de uitgangspunten en inrichting van de verzorgingsstaat [WWR, 2006:25] De uitbouw van de verzorgingsstaat had de Nederlandse maatschappij ingrijpend veranderd. De bemoeienis van de overheid was ten eerste aanzienlijk toegenomen. Er had een explosieve toename van inkomensoverdrachten plaatsgevonden tussen de overheid en burgers in de vorm van uitkeringen en voorzieningen. Deze overdrachten hadden tevens een aanzienlijke herverdeling van het nationaal inkomen tot stand gebracht. [SCP, 1998:93] Het kabinet Den Uyl ( ) ging in dit voetspoor verder en voerde expliciet beleid gericht op verdergaande nivellering van inkomens. De welvaartsgroei moest volgens dit kabinet vooral ten goede komen aan de lagere-inkomensgroepen. [TK , SCP, 1998: 105] Daarnaast was in de jaren zestig en zeventig de verzuiling in de maatschappij sterk verminderd. Nieuwe waarden onder invloed van individuele ontwikkeling en zelfontplooiing waren hiervoor in de plaats gekomen. Mensen waren hun eigen levensloop en die van anderen in toenemende mate gaan opvatten als het verdiende resultaat van individuele talenten en inspanningen (de ontwikkeling van een meritocratie). [SCP, 1998: ] Ook kwam er een nieuwe middenklasse op, die voor een groot deel bestond uit middelbaar en hoger opgeleiden met witteboordenberoepen in de publieke sector, zoals onderwijsgevenden, maatschappelijk werkers en artsen. Deze klasse had professioneel en financieel belang bij de verzorgingstaat en dit verbreedde het politieke draagvlak in de periode van uitbouw. Instellingen en beroepsbeoefenaren kwamen voor zichzelf op, maar ook voor hun patiënten en cliënten. De behartiging van professionele belangen bevorderde de emancipatie van sociale probleemgroepen en vice versa.[scp, 1998:92] In 1973 brak de eerste oliecrisis uit en de Nederlandse economie belandde in een recessie. Het kabinet Den Uyl ( ) reageerde met een Keynesiaanse aanpak: overheidsinvesteringen moesten de economie draaiende houden. Er werd steun gegeven aan bedrijven, werkgelegenheidsprojecten en er kwam verhoging van het minimumloon en uitkeringen en koppeling van beide aan loonstijgingen [SCP, 1998:99; Van Zanden, 1997:97]. Deze maatregelen werden voornamelijk bekostigd uit de stijgende aardgasopbrengsten voor de overheid. In de jaren zeventig bleef de economie groeien, maar deze groei was hoofdzakelijk het gevolg van particuliere bestedingen. Nederland kreeg te maken met hoge arbeidskosten, omdat premies en de belastingdruk hoog opliepen. Dit ondermijnde tevens haar internationale economische concurrentie positie. De kabinetten Van Agt I en II ( ) zettenr het beleid van kabinet Den Uyl voort. Dat dit beleid niet houdbaar was bleek na de tweede oliecrisis in 1979, toen Nederland in een diepe recessie raakte met een record aantal werklozen. De overheidstekorten liepen in rap tempo te hoog op, hoofdzakelijk door een groei in de uitgaven voor sociale uitkeringen en de gebonden overdrachten van de overheid aan de huishoudens (bijvoorbeeld 15

16 huursubsidies en studiebeurzen). Deze uitgaven laten over de periode van 1970 tot 1983 eenzelfde groeipad zien van ongeveer 12% tot 20% van het Nationaal Inkomen, daarna stabiliseert de groei. Dit zijn de uitgaven met een distributief respectievelijk allocatief karakter, dus uitgaven die direct te maken hebben met de financiering van de verzorgingsstaat. [SCP, 1998:96-97]. Om deze problemen het hoofd te bieden was het afslanken van de achterliggende sociale zekerheidsregelingen een vereiste. In 1982 kwam Kabinet Van Agt II ten val en trad Kabinet Lubbers ( ) aan. Ongeveer gelijktijdig werd het Akkoord van Wassenaar afgesloten tussen werkgevers en werknemers. Dit akkoord betekende het begin van een vrijwillige loonmatiging door de vakbeweging in ruil voor arbeidstijdverkorting. Inkomensbeleid werd in dienst gesteld van het herstel van de economie en werkgelegenheid (SCP, 1998: 105; SCP 2004: 318) Informeel was het Akkoord van Wassenaar afgestemd op het Regeerakkoord (Van Bottenburg 1995 in SCP, 1998, 100). In navolging van dit Akkoord was het voor het kabinet gemakkelijker om ook in de collectieve uitgaven te snijden. Eind 1982 kwam het kabinet met ingrijpende bezuinigingsplannen: het besloot tot opschorting van automatische prijscompensatie in lopende CAO s en tot bevriezing van salarissen van ambtenaren en trendvolgers, minimumlonen en uitkeringen. Ook werden de salarissen van onderwijzend personeel verlaagd. [SCP, 1998:100] Daarnaast moest er ook op andere onderdelen van het sociale zekerheidsstelsel bezuinigd worden. Voorstellen voor ingrepen en daadwerkelijke ingrepen in de Ziektewet (1982) en de WAO beheersten het debat. In 1985 ging de WAO-uitkering omlaag van 80% naar 70%. Ondanks deze verlaging steeg het aantal WAO-ers gestaag, met een voorlopig hoogtepunt in de zomer van 1991 van arbeidsongeschikten. Hierop werden nog verdergaande maatregelen genomen. Allerlei belangengroepen kwamen in actie om de verworven rechten te verdedigen. Zij beriepen zich op waarden die de verzorgingsstaat geacht werd te garanderen, zoals gelijkheid, rechtvaardigheid, groepsgewijze emancipatie en individuele ontplooiing. [SCP, 1998: 92-93]. Maar het draagvlak voor uitgangspunten en inrichting van de verzorgingstaat werd minder binnen de Nederlandse samenleving. Verschillende ontwikkelingen lag hier aan ten grondslag. Zo had er zich door de economische recessie een duidelijke verslechtering afgetekend in de verhouding tussen het aantal actieven (werkenden) en niet-actieven (niet-werkenden) in de samenleving. De verslechtering kwam grotendeels voor rekening van het aantal arbeidsongeschikten, werklozen en bijstandsgerechtigden, dat tot 1984 sterk was gestegen en daarna ondanks een aantrekkende economie niet was gedaald. De verklaring werd gezocht in het compenserende karakter van de Nederlandse verzorgingsstaat: bij verlies van werk bood hij goede uitkeringen, maar weinig en deels perverse prikkels tot het vinden van nieuwe werk. Dit wordt de zogenaamde uitkeringsval genoemd. Het niet uittreden uit de uitkeringssituatie veroorzaakte de hoge belastingen en sociale-zekerheidspremies op arbeid en bemoeilijkte het creëren van arbeid door werkgevers. [SCP, 1998: ] Veel minder actieven moesten deze lasten ophoesten en werden dan ook kritischer ten opzichte van de groep niet-actieven. In essentie bleven de actieven wel voorstander van de verzorgingsstaat, maar zij werden steeds minder tolerant ten aanzien van fraude en oneigenlijk gebruik. Vanuit de samenleving en het beleid werden vragen opgeworpen of de sociale zekerheid ook niet een uitdrukking was van een principieel fout ingerichte samenleving. De roep groeide om individuele verantwoordelijkheid, sociale verbanden en maatschappelijke middenveldorganisaties een grotere rol te geven. De vanzelfsprekendheid van een uitbouw van de verzorgingstaat, zoals in de jaren zeventig, met een hoog niveau van voorzieningen stond ter discussie. [WRR, 2006: 34-35]. Tijdens de regeerperiode van Kabinet Lubbers werden de uitkeringen verlaagd door de koppeling van de uitkeringen aan de lonen langdurig buiten werking te stellen. In de eerste helft van de jaren tachtig leidde dit voor de uitkeringsgerechtigden tot een koopkrachtachterstand van 15% ten opzichte van de mensen waarvan de lonen wel stegen. Aanvullende koopkrachtmaatregelen mochten niet genomen worden. Hiermee werd het Minimabeleid geboren. Veel mensen aan de onderkant van de inkomensverdeling kwamen toen in de problemen. Dit waren met name ouderen met alleen AOW, bijstandmoeders, gehandicapten en uitkeringontvangers [SCP, 1998: 105] Armoede was toen echter een taboeonderwerp in het officiële kabinetsbeleid. [SCP, 2004: 319] De kabinetten Kok I en II ( ) zetten in op een actief arbeidsmarktbeleid (activering). [WWR, 2006:34] De gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid in de eerste regeerperiode verschafte het kabinet de politieke legitimatie om het beleid ( werk boven inkomen ) voort te zetten. [SCP, 1998: 100 en104 ] In deze periode vond er een verschuiving plaats in de relatie tussen overheid en burger: in wet- en regelgeving werd sterker de nadruk gelegd op de eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde en werkzoekende. [Zwegers, 2004:159; WWR, 2006:34] De regelingen voor 16

17 uitkeringen werden verder aangescherpt met strengere controles en hadden beperking van toelating tot gevolg. De uitstroom uit de sociale regelingen werd gestimuleerd. [WRR 2006, 149; WWR, 2006: 34] In algemene zin werd het beleid van de kabinetten-lubbers voortgezet, maar er was meer aandacht voor gesubsidieerde werkgelegenheid, in de vorm van Melkert-banen, arbeidspools (trajectbegeleiding voor langdurig werklozen) en een Jeugdwerkgarantieplan. [Visser & Hemerijck,1998: 221; SCP, 1998:103] Hierachter school de redenatie dat gesubsidieerde banen een middel waren om mensen uit de uitkering te halen. De uitgaven aan uitkeringen stabiliseerde in 1983, pas vanaf 1994 zette zich een daling in mede door het versoberde verzekeringsstelsel en het gunstige economisch klimaat [SCP, 1998:97]. In tegenstelling tot het aantal werklozen bleef het aantal arbeidsongeschikten groeien. In 1999 lanceerde Staatssecretaris Hans Hoogervorst (VVD) een plan van aanpak om de groei te beperken. Zonder ingreep zou dit aantal doorgroeien tot eind [NRC, supplement, 1999a:1-4; idem, 1999b:1-3 en idem, 1999c:1-2] De plannen concentreerde zich op betere afspraken rond en strengere uitvoering van de keuringen, en een reïntegratie van gedeeltelijke arbeidsongeschikten in het arbeidsproces. [NRC supplement, 1999c: 1-2]. Dit plan werd fel bekritiseerd met name uit de eigen partij. De VVD-kamerleden F. Bolkenstein, G. Wilders en VVD-kamerlid en fractievoorzitter H. Dijkstal vonden het plan niet ambitieus genoeg; zij wilden verder snoeien in het aantal WAO ers.[website Groene Amsterdammer, 1999] De kamerleden die zich met de WAO-aanpak bezighouden werden overspoeld met brieven, waarin de emoties hoog opliepen [NRC supplement, 1999d] In 2001 was het aantal intussen gegroeid tot Maar tot de verkiezingen in mei 2002 werd in het kabinet geen overeenstemming over de WAO-aanpak bereikt. In juli 2002 trad kabinet Bakenende I aan, waaraan op 27 mei 2003 reeds ontslag werd verleend. Kabinet Balkenende II ( ) trad daarna in functie [http://nl.wikipedia.org/wiki/kabinet- Balkenende_I en Vanaf 2002 werden hervormingen in het zorgstelsel ingezet om het begrotingstekort binnen de perken te houden. Op het gebied van de sociale zekerheid werd stappen ondernomen om de WAO te vervangen door de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en werd de duur en hoogte van de WW-uitkering aangepast. Op de website van de overheid staat als volgt omschreven: In de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) staat werk voorop. Het accent in de wet ligt op wat mensen nog wel kunnen. Door middel van financiële prikkels worden werkgevers en werknemers gestimuleerd er alles aan te doen om gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan het werk te helpen of te houden. Tegelijkertijd is er inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer aan de slag kunnen komen. [http://www.wegwijzerloket.nl/page/pag_view.asp?pag_id=23700]. In deze wet zien we heel duidelijk de terugtredende overheid, terwijl de rol van individuele werkgevers en burgers groter wordt. [SCP, 2004: ]. Tegen de invoering van deze wet werd in de kamer veel oppositie gevoerd, ook door de eigen coalitiegenoten: CDA en D66 wilden dat de uitvoering plaats vond door private verzekeraars, terwijl de VVD koos voor een publieke uitvoering. [http://nos.nl/artikel/50905] Daarnaast werden alle kabinetsplannen met betrekking tot de WAO, alsmede die met betrekking tot de VUT en de prepensioenen geconfronteerd met hevige oppositie vanuit de samenleving. Op 4 oktober 2004 vonden er maatschappijbreed gedragen protestdemonstraties plaats in Amsterdam onder de motto s Nederland verdient beter en Keer het tij. [http://www.tweedekamer.nl/] Ondanks veel kritiek bestond er toch voldoende draagvlak in de Tweede Kamer om de wet goed te keuren en werd de WIA eind 2005 ingevoerd. Ruim vijf jaar na dato blijkt dat de invoering van de WIA een succes is geweest. Het aantal langdurig zieken is drastisch verlaagd en de instroom is eenderde van wat ze geweest is. [http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/persberichten/2011/03/25/]] Actoren Kabinet Den Uyl Kabinetten Van Agt I, II Kabinetten Lubbers I, II en III Kabinetten Kok I, II Kabinetten Balkenende I, II Gasunie Demonstranten Nederlandse Aardgasmaatschappij Uitvoeringsinstellingen 17

18 Werkgeversorganisaties Werknemersorganisaties Vakbonden H. Hoogervorst Bronnen en literatuur Centraal Planbureau, De Nederlandse collectieve uitgaven in historisch perspectief (Den Haag 2006) Davids, M., De weg naar zelfstandigheid De voorgeschiedenis van de verzelfstandiging van de PTT in 1989 (Hilversum 1999) Deth, J.W. v. en J.C.P.M. Vis, Regeren in Nederland Het politieke en bestuurlijke bestel in vergelijkend perspectief (Assen, 2006) Gerwen, J. van en M.H.D. van Leeuwen (eds) De welvaartsstaat. Volksverzekeringen, verzekeringsconcerns, financiele dienstverleners en institutionele beleggers , volume 4 (Amsterdam 2000) Goudswaard, K.P., C.A. Kam en C.G.M de De, Sterks, C.G.M., Sociale zekerheid op het breukvlak van twee eeuwen, (Alphen aan den Rijn 2000) De Groene Amsterdammer, Hans Hoogervorst, 20 januari WAO debat blijft spannend 9 juni NRC Profiel, Het zit fout tussen de oren, 28 januari 1999a NRC Profiel, Geschiedenis WAO, 28 januari 1999b NRC Profiel, Plan Hoogervorst, 28 januari 1999c NRC Profiel, Emoties, Leed en Dreigbrieven, 28 januari 1999d Aantal arbeidsongeschikten drastisch gedaald.persbericht ndex.jsp n_onvermijdelijk_sd2007_9.pdf Geraadpleegd Sociaal-Economische Raad, Advies inzake omvang en groei van de collectieve sector, (Den Haag 1978) Sociaal-Economische Raad, Rapport economische groei en financiering publieke sector, (Den Haag, 1982) Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal en Cultureel Rapport 1998, 25 jaar sociale verandering (Rijswijk 1998) Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal en Cultureel Rapport 2004 In het zicht van de Toekomst (Den Haag 2004). Visser, J. en A. Hemerijck, Een Nederlands mirakel : beleidsleren in de verzorgingsstaat, (Amsterdam 1998) Warner, B., A. van der Hoeven en M. van der Schroor, Onzichtbaar goud: de betekenis van 50 jaar aardgas voor Nederland, (Zwolle 2009) Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, De verzorgingsstaat herwogen Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden (Amsterdam 2006) 18

19 Zanden, J.L. v., Een klein land in de 20e eeuw Economische geschiedenis van Nederland , (Utrecht 1997) Zwegers, J.M.M, Organisatie en arbeidsmarkt, (Alphen aan den Rijn 2004) 19

20 Trend 3 Van groei naar herschikking in de collectieve sector Metatrends Emancipatie en participatie Individualisering Herschikking van institutionele verbanden en structuren Verzakelijking Relatie met Domein: Werk en Inkomen Gezondheid Onderwijs Veiligheid Verkeer en Vervoer Politiek en Openbaar Bestuur Welzijn Trends Veranderingen in de economie De liberalisering van de verzorgingsstaat Naar een kleinere en efficiënte rijksoverheid De bouwsector: krimpen, groeien en aanpassen. Omslag in het politiek-bestuurlijke klimaat Hotspot RSV Het Akkoord van Wassenaar Datering Jaren zestig 2006 De collectieve sector omvat tal van door de overheid uitgevoerde of (deels) gefinancierde taken en diensten. Hieronder vallen openbaar bestuur, openbare orde en veiligheid, sociale zekerheid, onderwijs en onderzoek, gezondheids-, en welzijnszorg, cultuur en recreatie, maatschappelijke organisaties, infrastructuur, openbaar vervoer, volkshuisvesting en milieudienstverlening. [SCP, 2002:32] De collectieve sector in Nederland maakte vanaf de jaren zestig een enorme groei door. Deze groei was nauw verbonden met de uitbouw van de verzorgingstaat, en hieraan gekoppeld de uitbreiding van de dienstverlening door de overheid [CPB, 2006: 9]. Tussen 1960 en 1977 maakten de uitgaven in de collectieve sector een steeds groter deel uit van het nationaal inkomen. Het aandeel groeide van 36,3 procent tot 61,6 procent. De grootste groei zat in de kosten verbonden aan de uitvoering van de sociale verzekering. [SER, 1978: 6; SCP, 1998:96] De wereldwijde recessie in de jaren zeventig trof ook Nederland. De economische groei stagneerde, de werkeloosheid steeg en er ontstond een drastische toename van uitkeringen. [SER 1982: 8] Het kabinet Den Uyl ( ) bestreed de recessie met een economisch vraagstimuleringsbeleid: het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen werden verhoogd om de consumptieve bestedingen te stimuleren. Deze uitgaven waren vooral mogelijk door de aardgasbaten. [ [SER, 1982:11; SER, 1983:12; Van Zanden, 1997: ;Gerwen en de Goey, 2007: 20]. Terwijl de werkeloosheid in het bedrijfsleven opliep, schiep de overheid werkgelegenheid in de collectieve sector [SCP, 1998:397]. Tussen 1970 en 1980 steeg deze werkgelegenheid van 21 procent tot 28 procent van de totale werkgelegenheid. De zorgsector liet een stijging zien van personen in 1970 naar personen in In de sector civiele overheid, waar openbaar bestuur, infrastructuur, politie/justitie en uitvoering sociale zekerheid onder vallen, steeg het aantal werkzame personen van personen naar personen. Voor onderwijs en onderzoek steeg het aantal arbeidskrachten van tot personen. De enige daler in het geheel was defensie. [SCP, 2002:79]. Ook de uitgaven voor volkshuisvesting stegen van 2,2 procent van het nationaal inkomen 20

Conceptrapport domein Economie

Conceptrapport domein Economie Conceptrapport domein Economie Nationaal Archief Onderzoeksteam Maatschappijbrede Trendanalyse 1976-2005 December 2011 Versie: Klankbordgroep, gereed voor tweede lezing Inleiding 3 Trend 1 - Veranderingen

Nadere informatie

Conceptrapport domein Werk en Inkomen

Conceptrapport domein Werk en Inkomen Conceptrapport domein Werk en Inkomen Nationaal Archief Onderzoeksteam Maatschappijbrede Trendanalyse 1976-2005 Juni 2014 Versie: Reacties experts verwerkt Inleiding... 3 Trends Trend 1 - Veranderingen

Nadere informatie

Conceptrapport domein Werk en Inkomen

Conceptrapport domein Werk en Inkomen Conceptrapport domein Werk en Inkomen Onderzoeksteam Maatschappijbrede Trendanalyse 1976-2005 Nationaal Archief December 2011 Versie: Klankbordgroep, gereed voor eerste lezing (opmerkingen experts nog

Nadere informatie

Kortetermijnontwikkeling

Kortetermijnontwikkeling Artikel, donderdag 22 september 2011 9:30 Arbeidsmarkt in vogelvlucht Het aantal banen van werknemers en het aantal openstaande vacatures stijgt licht. De loonontwikkeling is gematigd. De stijging van

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Inkomen huishoudens gecorrigeerd voor inflatie licht gedaald. Meer inkomen uit vermogen en pensioen

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Inkomen huishoudens gecorrigeerd voor inflatie licht gedaald. Meer inkomen uit vermogen en pensioen Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB06-074 13 juli 2006 9.30 uur Uitgaven huishoudens hoger dan inkomsten De Nederlandse economie is in 2005 met 1,5 procent gegroeid. Het voor inflatie gecorrigeerde

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt

Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt 157 Het Nederlandse groeirecept raakt uitgewerkt M. A. Allers* Samenvatting De afgelopen 25 jaar is de Nederlandse economie vooral gegroeid doordat meer mensen zijn gaan werken. Deze extensieve economische

Nadere informatie

2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland

2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland 2009 uitzonderlijk slecht economisch jaar voor Nederland 02 Krimp mondiale economie in 2009 Aziatische landen als eerste uit het dal Economie eurozone krimpt nog sterker dan wereldeconomie Krimp in 2009

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

CBS: Koopkracht van werknemers in de zorg gestegen

CBS: Koopkracht van werknemers in de zorg gestegen Persbericht PB14 037 02 06 2014 16.00 uur CBS: Koopkracht van werknemers in de zorg gestegen Koopkracht van werknemers in gezondheids- en welzijnszorg steeg in 2008-2012 elk jaar Zelfstandigen en pensioenontvangers

Nadere informatie

Totaalbeeld arbeidsmarkt: werkloosheid in februari 6 procent

Totaalbeeld arbeidsmarkt: werkloosheid in februari 6 procent Arbeidsmarkt in vogelvlucht Gemiddeld over de afgelopen vier maanden is er een licht stijgende trend in de werkloosheid. Het aantal banen van werknemers stijgt licht en het aantal openstaande vacatures

Nadere informatie

solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd?

solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd? Bijdrage prof. dr. Kees Goudswaard / 49 Financiering van de AOW: solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd? Deze vraag staat centraal in de bij drage van bijzonder hoogleraar Sociale zekerheid prof.

Nadere informatie

Kredietverlening aan Nederlandse bedrijven loopt terug

Kredietverlening aan Nederlandse bedrijven loopt terug Het Nederlandse bedrijfsleven is in sterke mate afhankelijk van bancaire kredietverlening. De groei van de zakelijke kredietverlening is in de tweede helft van 28 vertraagd. Dit hangt grotendeels samen

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Werkgelegenheid commerciële sector daalt. Minder banen in industrie en zakelijke dienstverlening

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Werkgelegenheid commerciële sector daalt. Minder banen in industrie en zakelijke dienstverlening Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB02-196 26 september 2002 9.30 uur Werkgelegenheid commerciële sector daalt Voor het eerst sinds 1994 is het aantal banen van werknemers in commerciële bedrijven

Nadere informatie

7.2 Terugblik. Een slechte gezondheidszorg in de negentiende eeuw zorgde voor een hoge kindersterfte. Willem-Jan van der Zanden

7.2 Terugblik. Een slechte gezondheidszorg in de negentiende eeuw zorgde voor een hoge kindersterfte. Willem-Jan van der Zanden Een slechte gezondheidszorg in de negentiende eeuw zorgde voor een hoge kindersterfte. 1 Er was onvoldoende voeding, de arbeidsomstandigheden waren slecht, verzekeren tegen ziektekosten was nauwelijks

Nadere informatie

CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen

CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen Het aantal mensen met werk is in de periode februari-april met gemiddeld 2 duizend per maand toegenomen. Vooral jongeren en 45-plussers gingen aan de slag.

Nadere informatie

Winstgroei en buffers ondersteunen investerings herstel

Winstgroei en buffers ondersteunen investerings herstel Na de snelle daling van de bedrijfswinsten door de kredietcrisis, is er recentelijk weer sprake van winstherstel. De crisis heeft echter geen gat geslagen in de grote financiële buffers van bedrijven.

Nadere informatie

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid = mensen Door werkgevers: bedrijven en overheid Werkgelegenheid Hoe lager het loon, hoe groter de vraag naar arbeid Aanbod van arbeid: beroepsbevolking (iedereen tussen de

Nadere informatie

Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009

Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009 Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009 Economische krimp in 2009 Aantal vacatures sterk gedaald Werkloosheid in Breda stijgt me 14% Bredase bijstand daalt minimaal Bijstand onder jongeren sterk gestegen

Nadere informatie

Eindexamen maatschappijleer vwo 2003-II

Eindexamen maatschappijleer vwo 2003-II Opgave 1 Armoede en werk 1 Het proefschrift bespreekt de effecten van het door twee achtereenvolgende kabinetten-kok gevoerde werkgelegenheidsbeleid. / De titel van het proefschrift heeft betrekking op

Nadere informatie

Bedrijvendynamiek en werkgelegenheid

Bedrijvendynamiek en werkgelegenheid M201207 Bedrijvendynamiek en werkgelegenheid 1987-2010 drs. K.L. Bangma drs. A. Bruins Zoetermeer, mei 2012 Bedrijvendynamiek en werkgelegenheid In de periode 1987-2010 is het aantal bedrijven per saldo

Nadere informatie

Werkgelegenheid in de periode 1969-2006: crisis begin jaren 80 vormde keerpunt

Werkgelegenheid in de periode 1969-2006: crisis begin jaren 80 vormde keerpunt Werkgelegenheid in de periode 1969-26: crisis begin jaren 8 vormde keerpunt Hans Langenberg en Bart Nauta In 26 was het aantal werkzame personen anderhalf keer zo groot als in 1969. Vooral na de economische

Nadere informatie

Langzaam maar zeker zijn ook de gevolgen van de economische krimp voor de arbeidsmarkt zichtbaar

Langzaam maar zeker zijn ook de gevolgen van de economische krimp voor de arbeidsmarkt zichtbaar In de vorige nieuwsbrief in september is geprobeerd een antwoord te geven op de vraag: wat is de invloed van de economische situatie op de arbeidsmarkt? Het antwoord op deze vraag was niet geheel eenduidig.

Nadere informatie

De arbeidsmarkt klimt uit het dal

De arbeidsmarkt klimt uit het dal Trends en ontwikkelingen arbeidsmarkt en onderwijs De arbeidsmarkt klimt uit het dal Het gaat weer beter met de arbeidsmarkt in, ofschoon de werkgelegenheid wederom flink daalde. De werkloosheid ligt nog

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

ECONOMISCHE MONITOR EDE 2015 I

ECONOMISCHE MONITOR EDE 2015 I ECONOMISCHE MONITOR EDE 2015 I In deze economische monitor vindt u cijfers over de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt van de gemeente Ede. Van de arbeidsmarkt zijn gegevens opgenomen van de tweede helft

Nadere informatie

Research NL. Economic outlook 3e kwartaal 2010 Nederland

Research NL. Economic outlook 3e kwartaal 2010 Nederland Research NL Economic outlook 3e kwartaal 2010 Nederland Herstel economie zet aarzelend door Economische situatie Huishoudens zijn nog steeds terughoudend met hun consumptie en bedrijven zijn terughoudend

Nadere informatie

De groei voorbij. Jaap van Duijn september 2007

De groei voorbij. Jaap van Duijn september 2007 De groei voorbij Jaap van Duijn september 2007 1 Een welvaartsexplosie Na WO II is de welvaart meer gestegen dan in de 300 jaar daarvoor Oorzaken: inhaalslag, technologische verandering en bevolkingsgroei

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010 FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

Regiobericht 1.0 Noord

Regiobericht 1.0 Noord Economie, innovatie, werk en inkomen 1 Kenmerken van het landsdeel Het landsdeel Noord bestaat uit de provincies Groningen, Friesland en Drenthe. De provincies werken samen in het Samenwerkingsverband

Nadere informatie

Lees deze tekst in maximaal 8 minuten. Geef daarna antwoord op de vragen.

Lees deze tekst in maximaal 8 minuten. Geef daarna antwoord op de vragen. Oefening 1: globaal lezen Lees deze tekst in maximaal 8 minuten. Geef daarna antwoord op de vragen. In het najaar van 1996 ontdekt de buitenlandse pers het poldermodel. Er verschijnen lovende artikelen

Nadere informatie

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd 2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd Mensen moeten steeds de keuze maken tussen werken en vrije tijd: 1. Werken * Je ontvangt loon in ruil voor je arbeid; * Langer werken geeft meer loon (en dus kun

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Rollenspel centraal akkoord (2x)

Rollenspel centraal akkoord (2x) Rollenspel centraal akkoord (2x) 1 Algemeen Een zestal leerlingen spelen tijdens dit rollenspel het onderhandelingsproces voor een centraal akkoord na. Zij moeten hierbij rekening houden met een gegeven

Nadere informatie

In de publieke dienstensector ging in 2003 een bedrag om van 185 miljard euro.

In de publieke dienstensector ging in 2003 een bedrag om van 185 miljard euro. [deze tekst: Google cache-bestand, opgehaald 25 november 2009, de oorspronkelijke pagina is niet meer beschikbaar, er is althans via Google geen online versie meer te vinden] Profijt van de overheid Publieke

Nadere informatie

CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt

CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt Tussen maart en mei is het aantal mensen met een baan met gemiddeld 6 duizend per maand gestegen. De stijging is volledig aan vrouwen toe te schrijven. Het

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 400 Nota over de toestand van s Rijks Financiën Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

VVMA Congres 18 mei 2010

VVMA Congres 18 mei 2010 VVMA Congres 18 mei 2010 Jan Klaver, VNO-NCW Verwachtingen over Nederlandse economie, 2010-2015 1 Lijn van mijn verhaal 1. Impact economische crisis op Nederlandse economie en bedrijfsleven 2. Het herstel

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Bijlage VMBO-GL en TL

Bijlage VMBO-GL en TL Bijlage VMBO-GL en TL 2011 tijdvak 2 maatschappijleer 2 CSE GL en TL Tekstboekje GT-0323-a-11-2-b Analyse maatschappelijk vraagstuk: jeugdwerkloosheid tekst 1 FNV vreest enorme stijging werkloosheid jongeren

Nadere informatie

Internationale varkensvleesmarkt 2012-2013

Internationale varkensvleesmarkt 2012-2013 Internationale varkensvleesmarkt 212-213 In december 212 vond de jaarlijkse conferentie van de GIRA Meat Club plaats. GIRA is een marktonderzoeksbureau, dat aan het einde van elk jaar een inschatting maakt

Nadere informatie

Vrouwen op de arbeidsmarkt

Vrouwen op de arbeidsmarkt op de arbeidsmarkt Johan van der Valk Annemarie Boelens De arbeidsdeelname van vrouwen lag in 23 op 55 procent. De arbeidsdeelname van vrouwen stijgt al jaren. Deze toename komt de laatste jaren bijna

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

4.1 Klaar met de opleiding

4.1 Klaar met de opleiding 4.1 Klaar met de opleiding 1. Werken in loondienst - Bij een bedrijf of bij de overheid (gemeente, provincie, ministerie); - Je krijgt loon/salaris; - Je hebt een bepaalde zekerheid, dat je werk hebt,

Nadere informatie

Regionale economische vooruitzichten 2014-2019

Regionale economische vooruitzichten 2014-2019 2014/6 Regionale economische vooruitzichten 2014-2019 Dirk Hoorelbeke D/2014/3241/218 Samenvatting Dit artikel geeft een bondig overzicht van enkele resultaten uit de nieuwe Regionale economische vooruitzichten

Nadere informatie

De arbeidsmarkt: crisistijd en trends

De arbeidsmarkt: crisistijd en trends De arbeidsmarkt: crisistijd en trends 06 Werkzame beroepsbevolking krimpt tijdens crisis Arbeidsmarkt reageert vertraagd op conjunctuur Krimp vooral onder mannen en jongeren Daling flexwerkers snel voorbij

Nadere informatie

CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal

CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal Persbericht PB14 56 11 9 214 15.3 uur CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal Meer werklozen aan de slag Geen verdere daling aantal banen, lichte groei aantal vacatures Aantal banen

Nadere informatie

Opgave koppeling ambtenaren particuliere sector

Opgave koppeling ambtenaren particuliere sector Opgave koppeling ambtenaren particuliere sector In 1990 werden ambtenarensalarissen gekoppeld aan de gemiddelde stijging van de lonen in het bedrijfsleven. Een argument voor deze koppeling houdt verband

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Van baan naar eigen baas

Van baan naar eigen baas M200912 Van baan naar eigen baas drs. A. Bruins Zoetermeer, juli 2009 Van baan naar eigen baas Ruim driekwart van de ondernemers die in de eerste helft van 2008 een bedrijf zijn gestart, werkte voordat

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

QE in de eurozone: bezit van de zaak, einde van het vermaak?

QE in de eurozone: bezit van de zaak, einde van het vermaak? QE in de eurozone: bezit van de zaak, einde van het vermaak? Komt er QE in de eurozone? Sinds enige maanden wordt er op de financiële markten gezinspeeld op het opkopen van staatsobligaties door de Europese

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

CBS: Meer mensen aan het werk, vooral jongeren

CBS: Meer mensen aan het werk, vooral jongeren CBS: Meer mensen aan het werk, vooral jongeren Het aantal mensen met een baan is de afgelopen drie maanden met gemiddeld 6 duizend per maand toegenomen. Vooral jongeren hadden vaker werk. De beroepsbevolking

Nadere informatie

Instituut voor de nationale rekeningen

Instituut voor de nationale rekeningen Instituut voor de nationale rekeningen 2014-01-31 Links: Publicatie BelgoStat Online Algemene informatie 2011-2012: Economische terugval in 2012 verschilt per gewest Het Instituut voor de nationale rekeningen

Nadere informatie

> betaald > formele sector: wit > informele sector: zwart > onbetaald > informele sector

> betaald > formele sector: wit > informele sector: zwart > onbetaald > informele sector Paragraaf 3.1 Betaalde en onbetaalde arbeid Je kunt werken bij de overheid en bij ondernemingen. Als je werkt verdien je geld hiermee kun je goederen en diensten kopen. Als je werkt krijg je geld voor

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Arbeidsmarkt in vogelvlucht

Arbeidsmarkt in vogelvlucht Arbeidsmarkt in vogelvlucht In het eerste kwartaal van 2011 is het aantal banen van werknemers, in vergelijking met het vierde kwartaal van 2010, licht gedaald. Dit is het eerste kwartaal met banenkrimp

Nadere informatie

Starters zien door de wolken toch de zon

Starters zien door de wolken toch de zon M201206 Starters zien door de wolken toch de zon drs. A. Bruins Zoetermeer, mei 2012 Starters zien door de wolken toch de zon Enkele jaren nadat zij met een bedrijf zijn begonnen, en met enkele jaren financieel-economische

Nadere informatie

Vierde kwartaal 2012. Conjunctuurenquête Nederland. Provincie Zeeland

Vierde kwartaal 2012. Conjunctuurenquête Nederland. Provincie Zeeland Vierde kwartaal 2012 Conjunctuurenquête Nederland Inhoud rapport COEN in het kort Economisch klimaat Omzet Export Personeelssterkte Investeringen Winstgevendheid Toelichting De Conjunctuurenquête Nederland

Nadere informatie

Derde kwartaal 2012. Conjunctuurenquête Nederland. Provincie Gelderland

Derde kwartaal 2012. Conjunctuurenquête Nederland. Provincie Gelderland Derde kwartaal 212 Conjunctuurenquête Nederland Conjunctuurenquête Nederland I rapport derde kwartaal 212 Inhoud rapport COEN in het kort Economisch klimaat Omzet Export Personeelssterkte Investeringen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen Publicatiedatum CBS-website: 1 oktober 27 Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek Voorburg/Heerlen 27 Verklaring der tekens. =

Nadere informatie

Instituut voor de nationale rekeningen

Instituut voor de nationale rekeningen Instituut voor de nationale rekeningen 2015-02-17 Links: Publicatie BelgoStat Online Algemene informatie Broos herstel in 2013 na krimp in 2012 in Brussel en Wallonië; verdere groeivertraging in 2013 in

Nadere informatie

Macro-economische Ontwikkelingen

Macro-economische Ontwikkelingen Macro-economische Ontwikkelingen e kwartaal 1 Bijlage II Overall conclusie De Nederlandse economie groeit naar verwachting met 1¾% in 1 en met 1½% in 11. De toename van het bbp komt bijna volledig voor

Nadere informatie

Een uitdagende arbeidsmarkt. Erik Oosterveld 24 juni 2014

Een uitdagende arbeidsmarkt. Erik Oosterveld 24 juni 2014 Een uitdagende arbeidsmarkt Erik Oosterveld 24 juni 2014 Wat waren de gevolgen van de recessie? Hoeveel banen zijn er verloren gegaan? In welke sectoren heeft de recessie het hardst toegeslagen? Werkgelegenheid

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Atradius Landenrapport

Atradius Landenrapport Atradius Landenrapport Nederland November 214 Overzicht Algemene informatie Belangrijkste sectoren (213, % van bbp) Hoofdstad: Amsterdam Diensten: 72% Regeringsvorm: Constitutionele monarchie Industrie:

Nadere informatie

De dagelijkse dichtheid van het bestaan. Paul Schnabel Rotary s Gravenhage Sociaal en Cultureel Planbureau Universiteit Utrecht

De dagelijkse dichtheid van het bestaan. Paul Schnabel Rotary s Gravenhage Sociaal en Cultureel Planbureau Universiteit Utrecht De dagelijkse dichtheid van het bestaan Paul Schnabel Rotary s Gravenhage Sociaal en Cultureel Planbureau Universiteit Utrecht Iedereen aan het werk Meer mensen - M. 80% - V. 55% Meer jaren - 61/62 jr.

Nadere informatie

Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend

Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend 08 Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend Laurens Cazander Publicatiedatum CBS-website: 3 februari 2009 Den Haag/Heerlen, 2009 Verklaring van tekens. = gegevens ontbreken * = voorlopig cijfer x =

Nadere informatie

Sense of urgency; Hervormingen; Impact.

Sense of urgency; Hervormingen; Impact. Sense of urgency; Hervormingen; Impact. Sense of urgency Korte termijn: financiële tekorten (2011) algemene ouderdomsvoorziening: ca. 100 mln/ jr schommelfonds uitgeput in 2013; ziektekostenverzekering:

Nadere informatie

Huishoudens bouwen hun effectenportefeuille af

Huishoudens bouwen hun effectenportefeuille af Huishoudens bouwen hun effectenportefeuille af Inleiding Door de opkomst van moderne informatie- en communicatietechnologieën is het voor huishoudens eenvoudiger en goedkoper geworden om de vrije besparingen,

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog Publicatiedatum CBS-website Centraal Bureau voor de Statistiek 9 december 25 Beleggingen institutionele beleggers in 24 met 8,1 procent omhoog drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen,

Nadere informatie

Statistisch Bulletin. Jaargang 71 2015 17

Statistisch Bulletin. Jaargang 71 2015 17 Statistisch Bulletin Jaargang 71 2015 17 23 april 2015 Inhoud 1. Arbeid en sociale zekerheid 3 CBS: Meer mensen aan het werk, vooral jongeren 3 Werkloze beroepsbevolking 4 2. Inkomen en bestedingen 5 Vertrouwen

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU?

Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU? Factsheet 1 WAAROM EEN INVESTERINGSPLAN VOOR DE EU? Als gevolg van de wereldwijde economische en financiële crisis heeft de EU met een laag investeringsniveau te kampen. Alleen met gezamenlijke gecoördineerde

Nadere informatie

De inkomensverdeling tussen sectoren 10. Auteur Frank Notten

De inkomensverdeling tussen sectoren 10. Auteur Frank Notten De inkomensverdeling tussen sectoren 1. Auteur Frank Notten Het nationaal inkomen wordt verdiend door de verschillende sectoren binnen de Nederlandse economie. Het aandeel van bedrijven binnen het beschikbaar

Nadere informatie

Huidig economisch klimaat

Huidig economisch klimaat Huidig economisch klimaat 1.1 Beschrijving respondenten Er hebben 956 ondernemers meegedaan aan het onderzoek, een respons van 38. De helft van de respondenten is zzp er (465 ondernemers, 49). Het aandeel

Nadere informatie

MKB-ondernemers met oog voor de toekomst

MKB-ondernemers met oog voor de toekomst M200803 MKB-ondernemers met oog voor de toekomst Bedrijfsstrategieën in het MKB drs. M. Mooibroek Zoetermeer, juli 2008 MKB-ondernemers met oog voor de toekomst Ongeveer de helft van de MKB-ondernemers

Nadere informatie

Behoefte aan financiering in het MKB

Behoefte aan financiering in het MKB M200909 Behoefte aan financiering in het MKB Ontwikkelingen van december 2008 tot april 2009 Lia Smit Joris Meijaard Zoetermeer, 20 mei 2009 MKB iets minder pessimistisch over financiering Het algemene

Nadere informatie

Meting economisch klimaat, november 2013

Meting economisch klimaat, november 2013 Meting economisch klimaat, november 2013 1.1 Beschrijving respondenten Er hebben 956 ondernemers meegedaan aan het onderzoek, een respons van 38. De helft van de respondenten is zzp er (465 ondernemers,

Nadere informatie

Arbeidskosten per eenheid product

Arbeidskosten per eenheid product Arbeidskosten per eenheid product CPB Achtergronddocument, behorend bij: MEV 2012 September 2011 Martin Mellens CPB Memo Aan: Belangstellenden Centraal Planbureau Van Stolkweg 14 Postbus 80510 2508 GM

Nadere informatie

situatie febr 2010 Volksverzekeringen Algemene Ouderdomswet 2 Algemene Nabestaandenwet 2 ANW Algemene kinderbijslagwet 2 AKW

situatie febr 2010 Volksverzekeringen Algemene Ouderdomswet 2 Algemene Nabestaandenwet 2 ANW Algemene kinderbijslagwet 2 AKW situatie febr 2010 Sociale zekerheid te verdelen in twee stukken: Sociale verzekeringen Sociale voorzieningen Sociale verzekeringen worden beheerd/ uitgevoerd door de sociale verzekeringsfondsen (o.a.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

CPB Notitie 8 mei 2012. Actualiteit WLO scenario s

CPB Notitie 8 mei 2012. Actualiteit WLO scenario s CPB Notitie 8 mei 2012 Actualiteit WLO scenario s. CPB Notitie Aan: De Deltacommissaris Drs. W.J. Kuijken Postbus 90653 2509 LR Den Haag Datum: 8 mei 2012 Betreft: Actualiteit WLO scenario's Centraal

Nadere informatie

Informatie 10 januari 2015

Informatie 10 januari 2015 Informatie 10 januari 2015 ARMOEDE: FEITEN EN CIJFERS ARMOEDE WERELDWIJD Wereldwijd leven ongeveer 1,2 miljard mensen in absolute armoede leven: zij beschikken niet over basisbehoeften zoals schoon drinkwater,

Nadere informatie

Nederlandse economie in zicht

Nederlandse economie in zicht Nederlandse economie in zicht Vooruitzichten 6-7 Economisch Bureau Nederland december Nederlandse economie: groei houdt aan De Nederlandse economie groeide in met ongeveer % - tweemaal zoveel als in 4.

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Handout bezoek minister Plasterk aan Bonaire

Handout bezoek minister Plasterk aan Bonaire Pagina 1 Aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Postbus 20011 2500 EA Den Haag Handout bezoek minister Plasterk aan Bonaire Met deze handout wil consumentenbond Unkobon u feitelijke

Nadere informatie

Persbericht ABP, eerste halfjaar 2008

Persbericht ABP, eerste halfjaar 2008 Persbericht ABP, eerste halfjaar 2008 Hoofdpunten Rendement over eerste helft 2008 is 5,1%. De dekkingsgraad is medio 2008 uitgekomen op 132%. De kredietcrisis eist zijn tol. Vooral aandelen en onroerend

Nadere informatie

Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein

Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein De Verenigde Staten gaan meestal voorop bij het herstel van de wereldeconomie. Maar terwijl een gerenommeerd onderzoeksburo recent verklaarde dat de Amerikaanse

Nadere informatie

Examen VWO. economie. Voorbeeldopgaven Phillipscurve. voorbeeldopgaven Phillipscurve

Examen VWO. economie. Voorbeeldopgaven Phillipscurve. voorbeeldopgaven Phillipscurve Examen VWO 2017 Voorbeeldopgaven Phillipscurve economie voorbeeldopgaven Phillipscurve Opgave 1 Langs de glijbaan omhoog? Met het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 ondervonden veel banken wereldwijd

Nadere informatie

COEN in het kort. Inhoud rapport. Toelichting. Nederland. Herstel komt in zicht. Conjunctuurenquête Nederland I rapport vierde kwartaal 2014

COEN in het kort. Inhoud rapport. Toelichting. Nederland. Herstel komt in zicht. Conjunctuurenquête Nederland I rapport vierde kwartaal 2014 Inhoud rapport COEN in het kort Economisch klimaat Omzet Export Personeelssterkte Investeringen Winstgevendheid Toelichting De Conjunctuurenquête (COEN) ondervraagt elk kwartaal ondernemers over onderwerpen

Nadere informatie