PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen"

Transcriptie

1 PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is a publisher's version. For additional information about this publication click this link. Please be advised that this information was generated on and may be subject to change.

2 m. j. van de voort I DE ONTWIKKELING VAN RUITLIJST BIJ DE WITTE RAT

3

4

5

6 DE ONTWIKKELING VAN DE RUITLIJST BIJ DE WITTE RAT With a Summary

7 PROMOTOR: PROF. DR. H. J. LAMMERS

8 DE ONTWIKKELING VAN DE RUITLIJST BIJ DE WITTE RAT PROEFSCHRIFT TER VERKRIJGING VAN DE GRAAD VAN DOCTOR IN DE GENEESKUNDE AAN DE R. К. UNIVERSITEIT TE NIJMEGEN, OP GEZAG VAN DE RECTOR MAGNIFICUS MR.L.G.A.SCHLICHTING, HOOGLERAAR IN DE FACULTEIT DER RECHTSGELEERD HEID, VOLGENS HET BESLUIT VAN DE SENAAT DERUNIVERSITEIT INHETOPEN- BAAR TE VERDEDIGEN OP VRIJDAG 25 MAART 1960 TE UUR. DOOR MARCEL R.M.J. VAN DE VOORT Geboren te Heerlen

9

10 Aon mijn Vrouw

11

12 HOOFDSTUK I OVERZICHT VAN DE LITERATUUR Onder de ruitlijst verstaan wij het dorsale randgebied van de ruitgroeve of fossa rhomboidea van het laatste hersenblaasje. In tegenstelling tot HlS, die reeds in 1890 voor het eerst de ontwikkeling van dit gebied beschreef en hieraan de naam "Rautenlippe" gaf, menen wi op grond van ons eigen onderzoek bij de witte rat de voorkeur te moeten geven aan de benaming ruitlijst. In zijn klassiek geworden studie beschrijft HlS, 1890, de ontwikkeling van het cerebellum als een derivaat van wat hij noemde de "Rautenlippe", een lipvormige rand langs de dorsale rand van de vleugelplaat van het ruitvormig uitgebogen hersenblaasje, "Rautenhirn" of rhombencephalon. Volgens HlS zouden niet alleen het cerebellum maar ook de olijfkern en de pons hun oorsprong hebben in deze "Rautenlippe", welke later in de Engelse literatuur is aangeduid als rhombic lip. Het is opmerkelijk, dat er na HlS opvallend weinig onderzoekers zijn ge weest, die zich, aan de hand van eigen onderzoek, hebben bezig gehouden met de ontogenèse van rhombic lip en cerebellum en de beschrijving van HlS hebben getoetst. In 1894 schrijft SCHAPER, daarna volgen twee publicaties van ESSICK 1907 en In 1911 ADDISON,gevolgd door een studie van HAYASHI1924, en eveneens in 1924 HERRICK. JAKOB volgt in 1928, daarnaïelloin 1938, ini 946gevolgd doorbonnevie en BRODAL. DoorLARSELL werden hieraan naast vele publicaties ook in 1947en 1952publicaties gewijd. In 1950schrijft AciRON en 1954 verschijnt de publicatie van HARKMARK. Wij zullen nu op enkele van deze publicaties nader ingaan, met name op de grote studie van HlS. Bij een menselijk embryo van 3 weken, zo schrijft hij, vertoont de neuraalbuis in het middelste hersenblaasje of mesencephalon een duidelijke knik, de kruinbocht. Tegelijkertijd is dan flauw waarneembaar de nekbocht op de overgang van myelencephalonen de medulla spinalis. Deze nekbocht wordtin de zesde week maximaal, maar daarna richt het hoofd zich weer op en neemt de nekbocht af. Na de 6e week manifesteert zich een derde bocht in de neuraalbuis, de ponsbocht. Deze bocht bevindt zich in het myelencephalon en is in tegenstelling tot de twee andere bochten niet dorsaalwaarts maar ventraalwaarts gericht. Door het ontstaan van deze ponsbocht, zo meent HlS, zouden de vleugelplaten van het rhombencephalon, waarvan het lumen van meet af aan zeer ruim is, gaan uiteenwijken. Door dit gebeuren wordt het urnen van de zeer wijde ventrikel tot aan een ruitvormige ventrikel, fossa rhomboidea, waarvan het dak gevormd door een dunne epitheliale dakplaat, tela choriodea. Dituiteenwijken van de vleugelplaten zou in het caudale en in het rostrale gedeelte van de fossa rhomboidea echter niet in dezelfde mate plaats vinden. In het caudale deel, of zoals HlS het noemt het calamusdeel (de latere calamus 7

13 scriptorius) zou dit uiteenwijken van de vleugelplaten zich voortzetten tot in de meest caudale spits van de fossa rhomboidea. In het gebied van de "Rautenbreite", het gebied waar de fossa rhomboidea haar grootste breedte bereikt, gaan ze zelfs zover lateraalwaarts aan het einde van de 7e week, dat de basaalplaat hoger ligt dan de vleugelplaat. In het rostrale gedeelte daarentegen, waar zich het cerebellum zal gaan vormen, blijven de vleugelplaten stijl overeind staan. In de 5e week gaat nu de dorsale rond van de vleugelplaat omkrullen en komt het tot een vorming van een "Rautenlippe". Deze strekt zich uit van de nekbocht tot aan de isthmus, de smalle overgangszone tussen myelencephalon en mesencephalon, nu eens breder dan weer smaller wordend. Vanaf de 7e week begint de lip smal aan zijn caudale einde, wordt snel groter en bereikt in het eerste deel van het calamusgebied zijn maximale grootte. In het gebied van de Rautenbreite is de lip weer smal, om meer naar rostraal, in het gebied waar het cerebellum zich zal gaan ontwikkelen, haar grootste breedte te bereiken. Onder de isthmus, het smalle overgangsgebied van myelencephalon in mesencephalon, loopt ze spits toe. Aan het laterale einde wordt de naar buiten omgebogen lip snel platteren gaat over in de dakplaat. De overgang ven de lip in de dakplaat vormt de taenia chorioidea. Ter verduidelijking van de verdere ontwikkeling van deze structuur geven wij enkele beelden uit HlS' studie hier schematisch weer: Deze lipstructuur wordt gemarkeerd door twee lipplooien. De binnenste lipplooi vormt een dorsaalwaarts gekeerde groeve en scheidt het deel van de vleugelplaat, dat naar de fossa rhomboidea is toegekeerd, van de taenia chorioidea en de dakplaat. De buitenste lipplooi is aan de buitenoppervlakte van het rhombencephalon gelegen en opent zich basaalwaarts. Deze groeve of plooi verdeelt de vleugelplaat in een opgericht wangdeel en een gekruld lipdeel. Volgens HIS sluit in het caudale deel van de fossa rhomboidea deze buitenste lipplooi zich weer snel door vergroeiing van beide naar elkaar toegewende delen van de vleugelplaat. Op sommige plaatsen zouden cellen en vezels door deze vergroeiing heen gaan en migreren naar ventraal. Deze vergroeiingen zouden echter maar tijdelijk zijn. l)wij danken de heer Chr. van Huyzen, medisch tekenaar van de R. K. Université^, voor zijn vele moeiten en de nauwkeurigheid, waarmede hi zijn tekeningen heeft vervaardigd. Tevens onze oprechte dank aun de heer Ad. Reynen, die ons behulpzaam was bij de foto's van de figuren en de coupes. 8

14 In het gebied van het cerebellum is deze buitenste lipplooi zeer diep. In een later stadium dan bij de caudale lip, treedt er een vergroeiing op, welke blijvend is. Hiermede hangt samen een verandering in de aanhechting van de tela chorioidea aan de vleugelplaat. Vanaf het midden van de tweede maand komen, tengevolge van de ponsbochtkromming de dorsale vlakken van het verlengde merg en het cerebellum naar elkaar toe. De dakplaat vormt een, tussen beiden in gelegen, diepe vouw, de plica chorioidea. De taenia chorioidea bevindt zich aan de omgeslagen rand van de rhombic lip. Naar HIS aanneemt zou nu bij de ontwikkeling van het cerebellum deze tela chorioidea met het oppervlak van het cerebellum vergroeien, waardoor meer naar binnen toe secundair een nieuwe taenia zou ontstaan. Het gevolg hiervan zou zijn, dat het laterale gedeelte van het oorspronkelijke oppervlak van het cerebellum, dat intraventriculair gelegen is, extraventricuiair komt te liggen en zich dan buitenwaarts verder gaat ontwikkelen. In het verlengde merg vergroeit de rhombic lip eerst met de zijwand van de vleugelplaat, maar komt daarna weer snel los. Hij vormt dan een dunne ventraalwaarts gebogen plaat, die op de plaats waar hij in de dakplaat overgaat, "Zottchen", uitstulpingen vormt. In de derde maand nu richt deze rand van de rhombic lip zich op en slaat ventri kei waarts om, met als gevolg dat deze dakplaat boven de fossa rhomboidea komt te liggen. De binnenste lipplooi verdwijnt hierbij. Deze zal alleen blijven bestaan in het gebied van de "Rautenbreite", waar ze als recessus lateralis gedurende het gehele leven aanwezig blijft. De fasen, waarin dit proces verloopt, in de caudale lip beschrijft HIS op de volgende wijze. Vooreerst staan de vleugelplaten steil overeind, waarna de dorsale rand gaat omkrullen en de eigenlijke lip vormt, terwijl het wangdeei van de vleugelplaat recht overeind blijft staan. In enkele dagen tijds vergroeien deze beide delen van de vleugelplaat weer en is de lip verdwenen. In de plaats van de gebogen vleugelplaat zien wij in de vijfde week een ronde verdikking "Flügelwulst" optreden. Deze "Flügelwulst" gaat in de zesde week tengevolge van de ponsbochtkromming dwars staan en hierdoor gaat het wangdeei van de "Flügelwulst naar dorsaal draaien, het lipdeel daarentegen naar ventraal In het gebied ter hoogte van de latere Vaguskern gaat dit nog verder. Hier gaat zich de convexe rand door de kromming ventraalwaarts ombuigen en ontstaat een nieuwe lipvormige zwelling, waaraan de gehele oorspronkelijke vleugelplaat deel heeft. De vleugelplaat wordt dan aan de buitenzijde van de basaalplaat gescheiden door een groeve, die HIS aanduidt als de latere sulcus restiformis. In dit stadium nu, terwijl dus de beide vleugelplaten ver lateraal waarts zijn gedraaid, de basaalplaten zich door groei hebben verdikt en op een horizontale lijn zijn komen te liggen met de vleugelplaten, neemt HIS in de beide basaalplaten aan weerszijden van de mediaanlijn een opeenhoping van cellen waar, die uit de vleugelplaat hierheen zijn gemigreerd. HlS duidde deze opeenhopingen aan als de "Grenzplatte" waaruit zich het complex van olivaire kernen zal gaan ontwikkelen. Dit speelt zich af op het moment dat in de vleugelplaat de lip zich weer losgemaakt heeft. Nadat dit is gebeurd volgt dan in de derde maand het ventrikelwaarts omslaan van deze secundaire lip, waarbij de binnenste lipplooi verdwijnt, behalve in het gebied van de "Rautenbreite", waar ze als recessus lateralis blijft bestaan. Volgens HlS zouden dan uit de primaire vleugelplaat van de medulla oblongata de kernen van de ala cinerea en de randkernen ontstaan, uit het lipdeel van de vleugelplaat daarentegen de wat hij noemt "Zerrissene Kernen", gevormd door cellen, die hun plaats van oorsprong verlaten en migreren, met name de olijf. 9

15 Terwijl zich samen met de olivaire "Grenzplatte" in het ponsgebied de ponskern ontwikkelt. De beschrijving van HlS hoe de neuroblasten zich vormen en gaan uitzwermen zullen wij hier in grote lijneneven vermelden, om hierdoor het gebeuren, zoals hij dit ziet en dat voor ons eigen onderzoek van groot belang is, duidelijk te maken. De wand van het rhombencephalon bestaat na een korte tijd uit matrix, manteliaag en randzone. Het dorsale deel van de vleugelplaat-mantellaag bevat in de jongere stadia maar weinig cellen, een tot twee rijen dik, evenwijdig aan het oppervlak, waarvan de uitlopers in een lange boog naar ventraal uitgroeien. In de basaalplaat wordt de manteliaag breder, maar het boogvormig verloop der migrerende cellen blijft behouden en ook de cellen van de basaalplaat voegen hun uitlopers bij de boogvormige naar ventraal verlopende vezels. Aan de buitenzijde hiervan verloopt een dunne randzone, waarin geen cellen voorkomen. Met hel ontstaan van de rhombic lip treden in het gebied van de medulla oblongata belangrijke veranderingen in dit patroon op. Tengevolge van de ombuiging welke in de dorsale helft optreedt, verlopen de vezels uit het omgebogen deel eerst langs de plooi omhoog en ontmoeten dan de vezels uit het wangdeel onder een spitse hoek. Het wangdeel zelf zendt zijn vezels deels in de randzone, deels via de manteliaag naar de basaalplaat. Zoals reeds vermeld vergroeien de delen van de lip weer zeer snel na hun ontstaan en deze vergroeiing vormt nu een directe doortreedplaats voor de neuroblasten van het lipdeel, welke op deze wijze de buitenste laag van de daar aanwezige manteliaag van de vleugelplaat bereiken. Het zouden deze van de laterale zijde binnendringende cellen zijn, die in de basaal plaat de "Grenzplatte" gaan vormen. Deze "Grenzplatte" omvat meer dan de helft van de omvang van het verlengde merg, maar blijft zowel van de ventrale rand als van de raphe, tussen de beide basaalplaten, door een smalle cel loze strook gescheiden. Naar Hisbeschri jft zouden de cellen uit het lipdeel zich vanaf de zesde week vermengen met cellen uit het wangdeel en lateraal van de tractus solitarius naar ventraal verlopen. His wijst met nadruk op het voorkomen van twee celstromen duidelijk van elkaar te onderscheiden, één uit het wangdeel en één uit de lip. De eerste gaat aan de mediale zijde van de Tractus solitarius, de tweede aan de buitenzijde daarvan voorbij, waarna ze weer te zamen komen. Bij de grotere embryonen zijn de twee celstromen breder geworden en vervaagt de grens daar tussen. De buitens'e stroom wordt steeds sterker doordat in de vleugelwang zeer vele neuroblasten worden gevormd, die zich door de primaire manteliaag heen radiair naar de buitenste cel laag begeven. De dan ontstane "Grenzplatte"staat door talrijke schuin verlopende celstromen in verbinding met de vleugelplaat. Nadat door SCHAPER de histogenèse van het cerebellum bij teleostien is beschreven, beschrijft ESSICK in 1907 het corpus pontobulbare bij de mens. Macroscopisch ziet hij een uitstulping vanaf de pons in de vorm van een hoorn, caudaalwaarts over de zijwand van het corpus restiforme lopen en deze hoorn eindigt op het dorsale oppervlak van de medulla oblongata. Dit corpus pontobulbare loopt vanaf het ventro-laterale oppervlak van de pons bij de uittrede-plaats vande N. V., vervolgt zijn weg tussen de bundels van de N VII en N VIII caudaalwaarts en omhoog, ventraal om het corpus restiforme heen. Daarna gaat het naar dorsaal vóór de intredeplaarsvande N.glossopharyngeus langsom tenslotte geheel dorsaal,even voor de caudale punt van de fossa rhomboidea, te eindigen aan de dorso-laterale rand van de IVe ventrikel. Het corpus pontobulbare loopt dus over zijn gehele uitbreiding oppervlakkig. 10

16 In dit corpus pontobulbare onderscheidt ESSICK zowel caudaalwaarts verlopende vezels als cellen, welke zich duidelijk laten onderscheiden van celstructuren in de omgeving. De hierdoor gevormde celmassa treedt enerzijds met de pons tussen N VII en N VIII in verbinding, anderzijds bereikt zij het dorsale oppervlak van de medulla, caudaal van de nucl. cochlearis dorsalis, daarbij buiten om het corpus restiforme heen verlopend. In zijn histologische beschrijving wijst ESSlCKerop, dat het corpus pontobulbare bestaat uit een groep multipolaire ganglioncellen, temidden van een dicht netwerk van vezels, welke structuur, overeenkomt met die van de ponskern. Het buitenoppervlak van dit corpus pontobulbare is overdekt door een laag gemyeliniseerde zenuwvezels, verlopend volgens de lengte-as ervan en deze vezel s ge ven op hun weg collateralen af aan de zich eronder bevindende cellen. ESSICK verdeelt dit corpus pontobulbare in een pontine-deel, dat samenhangt met het ventro-laterale deel van de pons, een middelste deel, dat zich mediaal vandenucl. cochl. ventral is bevindt en waar de vezels van de N.glossopharyngeus doorheenlopen, en tenslotte een groot caudaal deel dat om het corpus restiforme heen loopt. In het pontine-gedeelte is er geen scherpe grens te trekken tussen pons en corpus pontobulbare, zozeer vermengen deze zich onderling. Het middelste gedeelte begint waar het corpus pontobulbare de pons verlaat tussen de N VIM en N VIM en ligt dan ventraal van het corpus restiforme. Naar ESSICK meent zouden uitlopers van de cellen van het corpus pontobulbare een verbinding vormen met het corpus restiforme. Daarna zouden de vezels om het corpus restiforme naar dorsaal ombuigen en tenslotte naar caudo - mediaal verlopen. Zij zin echter op dit niveau steeds door een groepje zenuwcellen gescheiden van het eronder liggende corpus restiforme en de nucleus cochlearis. In zijn in 1912 geschreven studie beschrijft ESSICKdat de ponsmigratie, en daarnaast de migratie van de olijf en de nuclei arcuati hun oorsprong vinden in de rhombic lip. Beiden, zo schrijft hij, zouden oppervlakkig lopen, en de ponsmigratie zou ventrorostraalwaarts migreren, terwijl de nuclei arcuati en de olijf direct venticelwaarts gericht zijn. De door TELLO in 1938 gepubliceerde uitvoerige studie over de histogenèse van het cerebellum van de muis, is voor ons onderzoek bij de witte rat van groot belang geweest. Hieringaathij zeer systematisch de ontwikkeling na van het cerebellum, maar dit toch uitsluitend aan de hand van Cajal-praeparaten. De histologische veranderingen en de migraties van de cellen zijn hierdoor mindernauwkeurig waar te nemen dan de vezelpatronen. Op de consequenties hiervan zullen wij nog nader terugkomen, maar om een enkel ernstig bezwaar hier reeds te noemen is hij daardoor niet in staat geweest een nauwkeurige grens aan te geven tussen het gebied van de vleugelplaat en dat van de rhombic lip, het latere cerebellum. In de inleiding tot zijn studie beschrijft TELLO dat het rostrale deel van de vleugelplaat in het gebied van de IVe ventrikel de oorsprong is van het cerebellum. De structuur hiervan is gelijk aan andere delen van de neuraalbuis, met een matrix, mantellaag en randzone, en hij verwijst hierbij naar de reeds genoemde publicatie van ADDISON (1911 ). Deze heeft dezelfde structuur, bij de witte rat, eveneens vastgesteld en wel op de 17e dag na de conceptie. Dan zijn ook reeds de eerste afferente banen naar het cerebellum waar te nemen, eerst de vestibulo-cerebellaire, dan de olivo-cerebellaire vezels. TELLO onderscheidt in de ontwikkeling van het cerebellum de volgende 3 fasen. De eerste fase verdeelt hij dan nog eerst in een "formation murale" en in Π

17 een "formation extra-murale". worden gekenschetst. De 3 phasen van ontwikkeling kunnen als volgt FASE I. De "Formation-murale" van de eerste fase wordt door een migratie van cellen uit de ventriculaire matrix gekarakteriseerd. Deze cellen differentiëren in de mante Haag tot de f orma t ion arciforme. De cellen van deze formation arciforme zijn pyriform en hebben een fijne uitloper, welke tot in de randzone umoopt en daar ombuigt naar de basis van de vleugelplaat, waar ze naar de toekomstige formatio reticularis van het metencephalon lopen. Deze formation arciforme zouden wij volgens TELLO overal in de neuraalbuis aantreffen in de eerste fasen van de neurofibrillaire ontwikkeling. Zij zouden de cellen gaan vormen van de verschillende commissuren van de medulla,de boogvormige vezels van de bulbus (medulla oblongata) en de vezels van de afdalende baan van het mesencephalon. Naar TELLO meent zouden deze cellen in de loop van de ontwikkeling van plaats veranderen en meerdere kernen vormen. Tijdens deze "Formation-murale" treedt een nieuwe proliferatie ven cellen op vanaf de taenia chorioidea, welke de gehele buitenoppervlakte van het cerebellum gaat bedekken. Dit noemt hij dande "formation extramurale". FASE II volgt op de eerste fase n. I. "Differentiation gangliforme". De cellen van de cerebellaire kernmassa en de Purkinje-cellen gaan zich dan vormen uit de "formation murale". De Purkinje-cellen zouden zich door een excentrische verplaatsing als één laag gaan losmaken van de centrale kernmassa. Daarna zou de korre Maag van de "formation extramurale" de gelegenheid krijgen tussen kernmassa en Purkinje-cellen in te groeien en de schorsaanleg te vormen. FASE III. De schorsvorming, welke voornamelijk berust op de activiteit van de cellen van de formation extramurale. Over de vezelstructuur schrijft TELLO, dat in de eerste fase tijdens de "formation murale" de vezels van de formation arciforme, de toekomstige kern- en Purkinje-cellen, inverbinding treden eerst met de vezels van de N. vestibularis, daarna met de vezels uit de oliva inferior. De verbinding met de tractus spinocerebellaris ventral is, waarvan de uitlopers in het voorste deel van de commissura cerebelli terechtkomen volgt daarna, en dan pas de overige afferente vezels. Tijdens de differentiation gangliforme is het meest opmerkelijke feit, dat dande cortico-nucleaire verbindingen gaan optreden d.w.z. de verbindingen tussen de cellen van Purkinje enerzijds en de centrale kernmassa anderzijds. Tevens neemt hij dan in de schorslaag ophopingen waar van Purkinje-cellen, de aanduidingen van de toekomstige lobben. Wat de efferente vezels van het cerebellum betreft, meent TELLO dat de zeer fijne uitlopers van de formation arciforme, die hij dus in de eerste fase meent te hebben kunnen onderscheiden, zich tijdens de tweede fase nu ook als efferente bcnengaan manifesteren en noemt met name de fasciculus uncinatus, welke in de commissura cerebelli gedeeltelijk kruist. 12

18 In de 3e fase, die van de schorsvorming, welke even voor de geboorte begint onderscheidt TELLO naast alle bovengenoemde vezelsystemen nu ook de eerste vezels van het brachium pontis. Deze zouden vóór de vezels van de tractus spinocerebellarisventralis langs naar het cerebellum verlopen. Ze onderscheiden zich door hun zeer fijne structuur van de vezels van de tractus spinocerebellaris ventralis. Na de geboorte neemt de omvang van dit brachium pontis duidelijk in omvang toe, samenhangend met de ontwikkeling van de schors na de geboorte. Deze ontwikkeling bereikt reeds de eerste 6 dagen na de geboorte zijn grootste groeien de cellen van Purkinje komen dan in een één-cellige laag op de korrellaag te liggen. Uit het onderzoek vaniello blijkt niet op welk tijdstip de eerste fissuren gaan optreden. Wel ziet hij reeds vroegtijdig als eerste fissuur de fissura ovulonodularis, de fissura posterolateral is van LARSELL, optreden. TELLO vermeldt alleen dat door de grote activiteit van de schorsmatrix de fissuratie reeds zeer kort na de geboorte optreedt en dat op de 6e dag na de geboorte de fissuren allen aanwezig zijn. LARSELL(1952) daarentegen stelde vast dat voor de geboorte van de rat van eeneigenlijke fissuurvorming practisch nog geen sprake is, maar afgaande op een onderzoek vanaciron(1950) neemt hij van hem over, dat er op de 21e dag, dus juist voor de geboorte reeds een duidelijke fissuurvorming is waar te nemen. In 1952beschreef hij uitvoerig de ontwikkeling van de fissuren en lobi van de witte rat. Wij kunnen hier niet op alle details van deze uitvoerige studies nader ingaan. Voor ons onderzoek was het van belang dat hij vaststelde dat reeds vroeg d.w. z. nog voor de geboorte de fissura postero-lateral is ontstaat, waardoorer een verdeling van het cerebellum optreedt in het corpus cerebelli enerzijds en de lobus floculo-nodularis anderzijds. Later komen wij hier uitvoerig op terug. In 1954 vermeldde HARKMARK, dat hij door het maken van laesies bij kippenembryonen heeft getracht nadere informaties te krijgen over de olivo-arcuaire migratieen de migratie van de ponskernen. HARKMARK kwam hierbij tot de conclusie dat de ponskernen en de olijf inderdaad afkomstig zijn van de rhombic lip. Tijdens het bewerken van dit proefschrift verscheen nog de dissertatie van KAUFMANN (1959)over "die Fruhentwicklungdes Kleinhirns beim Rind". Naar hij beschrijft zouden uit de ventriculaire matrix de eerste cellen uitzwermen door de primitieve randzone heen naar perifeer en onder het perineurale mesenchym een laag vormen, die de eerste aanleg van de cortex cerebelli vormt. Daarna zou de ventriculaire matrix haar activiteit ter plaatse verminderen maar zich gaan uitbreiden om het oppervlak van het cerebellum vanaf de aanhechtingsplaats van het velum medulläre posterius. Deze laag is de oorsprong van de buitenste korrel laag, welke zeer lang actief blijft. Inmiddels heeft zich boven de oorspronkelijke ventriculaire matrix de binnenste korrel laag gevormd, waarin de cellen zich gaan differentiëren tot de verschillende, nietgoed af tegrenzen kerngebieden van het cerebellum. De Purkinjecellen differentiëren zich in de buitenste laag van de toekomstige korrellaag. Wat de kernen van het cerebellum betreft meent KAUFMANN dat deze hier veel minder scherp begrensd voorkomen dan bij de mens, en de naam nucleus dentatus is als homoloog bij de mens niet toepasselijk, daar haar vorm hier slechts driehoekig is. 13

19 Uit de bestudering van de literatuur blijkt ons dat er naast een zeer groot aantal vergei!jkend-anatomische studies over de phylogenetische ontwikkeling van het cerebellum, slechts een klein aantal studies gewijd is aan de ontogenèse van het cerebellum en dan nog merendeels gericht op de histogenèse van de cerebellaire schors. Zeer klein is het aantal studies gewijd aan de ontogenèse van de ruitlip of -lijst als geheel. Dit gevoegd bij het feit, dat wij bij een preliminaire bestudering van enkele embryonale series van de witte rat reeds direct stootten op benaderingen, die afweken van de klassieke beschrijvingen van HIS en ESSICK, deed ons er toe besluiten de ontogenèse van de ruitlijst en de derivaten hiervan bij de witte rat op de voet te volgen en een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving hiervan te geven, welke tevens zou kunnen dienen als tijdstafel van een toekomstig experimenteel-embryologische beïnvloeding van deze ontwikkeling. 14

20 HOOFDSTUK II BESCHRIJVING VAN DE SERIES Het Materiaal Voor ons onderzoek maakten wij gebruik van volledige series van embryonen van Mus Rattus albinus, welke werden verkregen door het doden van het moederdier, op het gewenste aantal dagen na de conceptie, waarbij het tijdstip van de conceptie met een grote mate van nauwkeurigheid was vastgesteld. (1) De jongste embryonen werden na ontkalking in toto gesneden; vanaf de 16e dag echter werden de hersenen uitgepraepareerd en afzonderlijk gesneden. Onmiddellijk na het verkrijgen van de embryonen werden ze gedecapiteerd en gefixeerd in Bouin. Die embryonen, welke waren gekozen voor de Ыок-zilver impregnatie volgens Ranson werden onmiddellijk gefixeerd inammoniakale alcohol. Na doorvoering door de alcoholreeks werd ingesloten in parafine en volledige series gesneden op 10 mu dikte (enkele series werden gesneden op 7 mu dikte). Bij embryonen in toto gesneden werd de snijrichting georiënteerd op de kruin-stuit-lijn van het embryo. Bij de uitgepraepareerde hersenen werd een snijrichting gebruikt, min of meer aangepast aan de kromming van het rhombencephalon. Deze snijrichting zal aan de hand van tekeningen bij de betreffende series afzonderlijk worden aangegeven. (Zie fig. 7. ) Als routinekleuring van de coupes gebruikten wij haematoxyline. Daarnaast werden series vervaardigd, waarbij opeenvolgende coupes in parallelle series werden opgeplakt om verschillend gekleurd te worden, zoals cresyviolet, P. A. S. methylgroen-pyronine voor de kleuring der cellen ende kleuring van Klüver-Barrera en de zilverimpregnatie van Nauta voor de kleuring van de vezels. (2) Deze vezelkleuring heeft nogal wat moeilijkheden opgeleverd, zeker wat de praenatale series betreft. Na velerlei methoden geprobeerd te hebben, hebben wij onze keus laten vallen op de blok-zilverimpregnatie volgens Ranson. Hoewel de bij deze impregnatie optredende sterke schrompeling, tengevolge van de directe fixatie in ammoniakale alcohol, moeilijkheden opleverde voor het verkrijgen van coupes in de uiste snijrichting, wogen wij de zeer fraaie impregnatie der vezels zwaarder dan het niet geheel symmetrisch zijn der coupes. Voor de postnatale series hebben wij voor de impregnatie der axonen ook nog de zilver- 1) Onze dank gaat hierbij uit naar de weledgeb. heer M. J. Dobbelaar, dierenarts, en zijn staf van het Centraal Dierenlaboratorium, die ons steeds met nauwgezetheid behulpzaam is geweest bij het verkrijgen van studiemateriaal. 2) Ik mag hierbij mijn oprechte dank uitspreken voor het vele en moeizame histologische werk, dat mej. M.Boeracker, laborante van het Anatomisch Laboratorium, met zoveel geduld voor mij heeft gedaan. 15

21 impregnatie van Nauta ( 1950) toegepast. Voor de kleuring der myelinescheden maakten wij gebruik van de Luxol fast Ыие-cresylviolet-kleuring van Klüver- Barrera (1953), die beiden als routine-methoden zeer fraaie resultaten opleverden. Formol 10% fixatie is hierbij echter beter gebleken dan de fixatie met Bouin, met name wat betreft de kleuring van Klüver-Barrera, waarvoor de Bouin een te lage Ph heeft. Er werden in totaal 67 series gesneden. 16

22 Tabel van Series Serle No. Diersoort Aantal dagen Snijrichtlng Сои pedi He Fixatie Kleuring 237A 2Э7С 258A 258В A 228Б 228C ? A 236 В 2ЭвС 236А 2Э6В Α,α,1 239В 231А 231В 231С 255/1 255/2 embryo Rat embryo Rat embryo Rat embryo Rot embryo Rat embryo Rat embryo Rot embryo Rat embryo Rot embryo Rat embryo Rat embryo Rot embryo Rat embryo Rat embryo Rot embryo Rot embryo Rat embryo Rat embryo Rat embryo Rat embryo Rat embryo Rat embryo Rat embryo Rat embryo Rat emb-yo Rot embryo Rat embryo Rat embryo Rat Transv. op lengte-as 11 Frontaal Saglttaal Frontaal Saglttaal Frontaal Saglttaal Horizontaal in vlak van rhombic lip Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Horizontaal Frontaal Sagittaal in vlak van rhombic lip Sagittaal Frontaal Frontaal Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal rhombic lip Frontaal Frontaal 6 μ 6 μ 10 μ 10 μ 7 μ 7 μ 10 μ 10 μ 10 μ 7μ 7μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ Bouin Bouin Bouin Bouin ammoniacale OIC. Bouin Bouin Bouin Formol Formol ammoniacale ОІС. ammoniacale aie. Bouin Bouin Boum Bouin Bouin ammoniacale ale. "» " Bouin Bouin Bouin Bouin Bouin Bouin Bouin Haemal. Haemal. Haemal. Haemat. Ranson Ranson Haemat. KlUver-B. Pyronine ' methylgroen P. A. S. Haemat. KlUver-B. + eres. f. violet Py ron.,meth.gr.+cr.f.viol. Nauta Phys. meth. Woelcke +erythrosine Haemat. KlUver-B. + eres. f. violet Pyron.,meth.gr.+cr.f.viol. Nauta Haemal. Haemat. Ranson Ranson Haemat. Haemat. Hoemat. Hoemal. Woelcke Woelcke Haemat. P.A. S. +methylgroen Nauta Phys. meth. Haemat. Woelcke +erythrosìne Woelcke Nauta Phys. meth. KlUver-B. + eres, violet Phys. meth. Ranson Ranson Ranson Ranson Haemat. Woelcke KlUver-B. Haemat. Woelcke +erythrosine KlUver-B. Haemat. Woelcke +erythrosine KlUver-B. Nauta Haemal. Hoemat. Woelcke + erythrosine KlUver-B. Nauta Phys. meth. Haemal. Haemal. Naufa Haemat. Nauta

23 Serie No Diersoort Aantal dagen Snijrichting Coupedikte Fixatie Kleuring ? 241A 241В 242A 242В А 243В embryo Rot embryo Ra embryo Rat embryo Rat embryo Ra embryo Rat embryo Rat embryo Rot embryo Rot embryo Rat embryo Rat embryo Rat embryo Ra' embryo Ral embryo Rot rhombic lip Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaal Frontaa 1 Sagittaal Frontaal Frontaal Sogittaal 10 u 10 μ 10 μ 7μ 7μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ ΙΟμ 10 μ 10 μ 10 μ ΙΟμ Bou i η Bou i η Bou i η ammoniacale ale. Bouin Bou in Bouin Bouin Bouin ammoniacale ale. Bouin Bouin Haemat. Haemot. Haemat. Ranson Ronson Haemat. Klüver-B. + eres, violet Woelcke * erythrosine Haemat. Woelcke + erythrosine Woelcke + erythrosine Haemat. Woelcke + erythrosine Nauta 'Peters' 'Peters' Haemat. KlUver-B. Woelcke + erythrosine Nauta Phys.meth. Haemat. Ranson Ranson Ranson Haemat. KlUver-B. + eres. F. violet Nauta Woelcke Haemat А 232В 244А 244В А 245В 247А1 247В1 247А В А 234В1 234В2 235А Rat Rat Rot Rat Rat Rat Rat Rat Rat Rat Rat Rat Rat Rat Rot Rat Rot Rat Rat Rat Rot Rat Rat Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaol Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Sogittaal Frontaal Frontaal Sagittaal Sagittaal Frontaal Sagittaal Frontaal Frontaal 7 μ 7 μ ΙΟμ 10 μ 10μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ 10μ 10 μ 10 μ 10 μ 10 μ ΙΟμ ΙΟμ 10μ 10 μ ΙΟμ ΙΟμ 10 μ 10 μ ammoniacale 1 ale. Bouin Bouin Bouin Bouin ale. Bouin Bouin Bouin Bouin Bouin ammoniacale 1 ale. Bouin ammoniacale ale. Bouin Bouin Bouin Bouin ammoniacale alc. Bouin Ranson Ranson Haemat. KlUver-B. Woelcke + erythrosine Nauta Haemat. (2x) Woelcke Nauta Nauta Haemat. Nauta Haemat. Woelcke + erythrosine KlUver-B. Nauta Ranson Ranson Haemat. Haemat. Hoemat. Haemat. Haemat. Ranson Haemat. Ranson Haemat. (2x) Woelcke KlUver-B. + eres, violet Haemat. KlUver-B. Haemat. Haemat. Ronson Ranson Haemat. Woelcke KlUver-B.

24 De praenatale ontwikkeling van de Ruitlijst Voordat wij nu tot bespreking van de verschillende series overgaan, lijkt het ons gewenst eerst wat nader in te gaan op de ruimtelijke verhoudingen in het gebied van het rhombencephalon en op hetgeen zich afspeelt in dit deel van de neuraalbuis tijdens de embryologische ontwikkeling. Wij hebben onszelf dit gemakkelijker gemaakt door gebruik te maken van een plastische buis, hierbij in de voetsporen tredend van HlS, die dit eveneens heeft gedaan bij het nagaan van de ontwikkelingvan de kruinbocht in het mesencephalon. Het is naar onze eigen ervaring anders wel zeer moeilijk enig inzicht te krijgen in de vormveranderingen van het rhombencephalon tijdens deze ontwikkeling en de invloed daarvan op de ruitlijst en de migraties, welke zich daaruit ontwikkelen. Uitgaande van een gestrekte plastische buis, waarin wij in een bepaald gedeelte een overlangse snede hebben aangebracht, als nabootsing van de dunne dakplaaí in het dorsale deel van de neuraalbuis, zien wij het volgende gebeuren wanneer wij deze buis gaan buigen (fig. 1). De kromming welke wij hierdoor maken aan de onderzijde van de buis brengt met zich mede dat de snede aan de te gengestelde zijde zich opent en wel op een speciale wijze (fig.l). Noemen wij de beide eindpunten A en B, dan naderen de beide punten A en В elkaar en er ontstaat een ruitvormige opening, waarin wij lateraal nieuwe hoekpunten С en D zien optreden. Naarmate wij de kromming versterken en A en В elkaar gaan naderen, gaan de punten С en D lateraalwnarts, in transversale richting. De lijnen AC en AD draaien dus van longitudinaal naar transversaal en nemen daarbij tevenseenenigszinsgebogen verloop aan. Deze beweging wordt eveneens gevolgd door de delen van de buis, welke daaronder liggen, het meest uitgesproken in de gebieden juist onder de rand gelegen. De onderzijde van deze buis zien wij lateraalwaarts uitbuigen en afplatten. Indien wij nu de voorzijde van de buis steeds meer naar achteren drukken, dan zien wij hoe de lijn CAD zich over de lijn CBD heen buigt. Daarbij wordt de rand CAD van boven naar achteren en naar onderen gedwongen. Bij steeds verder naar achter drukken van de voorzijde, bedekken de wanddelen van AC en AD bijna de gehele oorspronkelijke ruiivormige open ruimte. De delen onder AB en AD blijven ten opzichte van de voorzijde van de buis overeind staan. Hoek A wordt stomp. Wanneer wij nu in het onderste deel van de buis, juist achter de ruitvormige opening een knik naar heneden aanbrengen, dan zien wij niet alleen dat de hoek CBD scherper wordt, maar ook dat de overeind staande zij wanden, naar mate deze knik sterker wordt, in het bovenste deel naar binnen gaan omslaan en dat de uiterste randen (CB en DB) in het meer naar achteren gelegen deel ervan zelfs naar binnen gaan draaien. Opmerkeli k is het verder, dat wij kunnen vasrstellen, dat wanneer wij de voorzijde van de buis naar achteren door blijven drukken, bij gefixeerde achterste knik, wij dan de onderzijde van de buis als het ware naar voren en boven zien bewegen, Hoewel het uiteraard vanzelf spreekt, dat de plasiiciteit van de neuraalbuis een geheel andere is dan die van onze buis, blijken er toch zodanige overeenkomsten te beitaan tussen beide reeksen van vormveranderingen, dat het verantwoord leek hieraan vast te houden. Immers bij het ontstaan van de ponsbochtkrornming, voornamelijk tengevolge van de grote groei van het telencephalon, weten wij uit de studie van HlS, dat ook in de neuraalbuis de dorsale rand van de IVe ventrikel opengaat, en tot ruitvormige opening wordt. 19

25 De op de dorsale rand hiervan zich vormende ruitlijst zal dan in twee delen gesplitst worden, een rostrale en een caudale ruitlijst. Door het steeds meer groeiende telencephalon zal deze rostrale lijst naar achteren en omlaag worden gedrukt tot tegen de caudale lijst aan. In het gebied van de nekbocht, dit blijkt uit talrijke studies (HlS, HOCH- STETTERe.a.) maakt de onderzijde van de neuraalbuis een aanvankelijk steeds scherper wordende knik. Daar te verwachten is dat deze nekbocht door de veel geringere groei van het overgangsgebied van medullaspinalis inmedulla oblongata min of meer als een vast punt fungeert, zullen - wanneer de parallel met onze buis ook hier zou opgaan - de caudale wanden van dit deel van de fossa rhomboidea in hun dorsale deel, i.e. de vleugelplaat ventrikelwaarts moeten gaan omslaan, gepaard met een sterke uitrekking van dit caudale deel van de fossa rhomboidea. Tevens zullen dande dorsale randen van deze vleugelplaten naar mediaal moeten gaan draaien, het minst in het voorste gebied, d.w. z. in de achterwand van de "Rautenbreite", maar sterk in het achterste gedeelte. Volgens ons buismodel zal in het midden van de ruitgroeve, d.w.z. ter hoogte van de "Rautenbreite" van HlS, een gebied ontstaan, waarvan de wanden resp. de vleugelplaten, zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde geheel overeind blijven staan. Inde rostrale lijst handhaaft zich deze stand over de gehele lijsten wel door de sterke achterwaartse druk van het groeiende mesencephalon en telencephalon. Inde caudale lijst mogen wij dan verwachten dat vanaf de "Rautenbreite" deze vleugelplaten naarmate wij meer caudaal komen steeds meer ventrikelwaarts omslaan, en wei het sterkst in het caudale eindpunt tengevolge van de gefixeerde nekbocht. Bij toenemende ontwikkeling van telen- en mesencephalon zal de rostrale ruitlijst meeren meer dwars gaan staan en achterover gaan hellen over de caudale lijst en de fossa rhomboidea heen. De caudale lijst zal in meer langgerekte richting gaan verlopen vanaf het gebied van de Rautenbreite naar zijn caudale einde op de dorsale zijde van de neuraalbuis. Tevens zal deze caudale lijst met de vleugelplaten, zoals hierboven beschreven is steeds meer van buiten naar binnen draaien, om tenslotte geheel caudaal in de IVe ventrikel te gaan uitpuilen. De onderzijde van de fossa rhomboidea in het gebied van de "Rautenbreite" zal afplatten, dat wil zeggen dat daar de vleugelplaat en basaalplaat steeds meer naast elkaar komen te liggen. Tenslotte valt te verwachten dat de ventrale onderzijde van de neuraalbuis daar zich rostraalwaarts en naar omhoog zal moeten verplaatsen, en steeds duidelijker naarmate de ponsbochtkromming toeneemt. In de naast fig. la, de plastische buis, in fig. lb weergegeven ontwikkelingsstadia van de neuraalbuis zien wij een zo opvallende overeenkomst, dat wij menen, dat de door ons gesuggereerde vormveranderingen in grote lijnen aan de werkelijkheid beantwoorden. In de nu volgende bespreking zullen wij dan ook steeds weer hier naar verwijzen. Wij hebben ons beperkt tot een beschrijving van de navolgende stadia: 12e dag, 14e dag, 16e dag, 17e dag, 18e dag, 19e dag, 20e dag, 21e dag voor de geboorte en de 2e, 4e, 6e, 8e, 10e, 20e en 40e dag postnataal. 20

26 Embryo 12 dagen. Series 258A en В, haematoxylme Series 443, 444, Ranson Wanneer wij allereerst de sagittale serie vervolgen, kunnen wij aan de neuraalbuis gemakkelijk de drie hersenblaasjes, prosencephalon, mesencephalon en rhombencephalon onderscheiden. In het prosencephalon zijn de telencephale hemisferen juist ontwikkeld. Het mesencephalon is wijd en sterk gekromd (kruinbocht). Het rhombencephalon is ook wijd, maar vertoont nog geen knikking. Caudaal hiervan gaat het rhombencephalon met een flauwe bocht (nekbocht) over in de medulla spinalis. In deze sagittale serie gaande van mediaal naar lateraal, merken wij in de meer laterale coupes, langs de bovenrand van de neuraalbuis een vrij compacte lijst van cellen op. Deze lijst blijkt zich uit te strekken over de gehele lengte van de rhombencephale vleugelplaat. Deze cel lijst laat zich in frontale coupes (voor snijrichting zie fig. 7) beter bestuderen. Indeze frontale serie valt duidelijk opte maken hoe als het ware de zijwanden naar buiten uitwijken met de dunne bodemplaat als draaipunt. De dakplaat is breed en dun, tela chorioidea. In de zijwanden geeft een flauwe groeve de plaats aan van de sulcus limitons, de grens tussen vleugel- en basaalplaat. In de beide platen laten zich een matrix, mantellaag en randzone onderscheiden. De matrix is nog zeer actief, de cellen dicht opeen gelegen. In de mantellaag echter liggen de cellen losser van elkaar en liggende rijpere tegen de cel loze randzone aan. Deze randzone nu blijkt zich niet langs de gehele periferie van de wand uit te breiden. In het meest dorsale gedeelte van de vleugelplaat ontbreekt hij. Wij treffen daar een driehoekig areaal aan, gevormd door een vrij compacte celmassa, waarin zich langs de mediale, naar de ventrikel gekeerde, zijde, een dichte matrix laat onderscheiden. Aan de top van deze driehoek, die zich, zoals wij reeds bij de sagittale serie opmerkten, als een lijst over de gehele vleugelplaat van het rhombencephalon uitbreidt, hecht zich de tela chorioidea vast, de taenia. Deze lijst is nu de door HlS beschreven celproliferatie en door hem genoemt de "Rautenlippe". Een naar buiten gekrulde lipstructuur, zoals bij hem beschreven bij menselijke embryonen van 7 weken, vinden wij hier echter niet. Wat ons het meest heeft getroffen is dat deze lijst zich als het ware verheft boven de vleugelplaat en vandaar dan ook geen randzone bezit. Het opmerkelijke is, dat het niet doorlopen van de randzone van geen der onderzoekers, ook van HlS niet, de aandacht heeft gekregen, die het verdiende. Dit is echter een zo opmerkelijke en ook in de hierna te beschrijven stadia blijvende karakteristiek, dat het onze taak om de verdere en vaak zeer complexe veranderingen van lijsten vleugelplaat te bestuderen heeft vergemakkelijkt. Hierbij konden wij immers steeds het criterium hanteren, dat het ophouden van de randzone de grens markeerde tussen de ruitlijst en de vleugelplaat. Reden waarom wij er hier ook zo de nadruk op vestigen. Bovendien kunnen wij constateren, dat deze lijst in dit stadiumvan ontwikkeling geenenkele neiging vertoont zich tot een lip om te krullen. Dit dringt de gedachte op, dat deze omkrulling tot een lipstructuur, zoals HlS deze ziet, zeer waarschijnlijk een secundaire vorming is, bij het menselijk embryo vroeg ontstaan. Vooruitlopend op ons onderzoek willen wij hier reeds opmerken, dat ons inziens mechanische en ruimtelijke factoren hierbij een rol spelen, aangezien wij bij de witte rat in latere stadia in sommige delen van deze lijst geen lipvormige ombuiging van deze lijst waarnemen, in andere delen daarentegen 21

27 wel. Hiervoor verwijzen wij naar Plaat I, 1 en 2. De Ransonkleuring, series 443 en 444, welke om de 7 mu werden gesneden, laat ons in de meest mediane coupes van de sagittale serie eveneens het zeer wijde lumen van de IVe ventrikel zien, tussen de scherpe kruinbocht en de flauwe nekbocht. Het ontbreken van de ponsbocht zien wij ook aan de uittredende N. Ill en V, welke in Plaat I, 4 bijna op een lijn liggen. Wanneer wij meer lateraal komen, zien wij de dorsale zijwand, de vleugelplaat aangesneden, die bestaat uit een zeer brede mantel laag, maar bij deze vezel kleuring is de onderscheiding van de ruitlijst niet wel mogelijk. Anders is dit in de frontale serie, volgens de kruinstuitliin gesneden. In die coupes, waarin de dorsale rand van de IVe ventrikel verschijnt, laat de vezelimpregnatie ons een duidelijke randzone zien, welke niet doorloopt in de dorsale bovenrand van de fossa rhomboidea (Plaat I, 3). Embryo 14 dagen. Series 228A en B, haematoxyline Serie 228C, cresylviolet Series 259 en 260, Ranson De ontwikkeling van de 12e tot de 14e dag verloopt in het rhombencephalon zodanig, dat wij op de 14e dag een duidelijke ponsbochtvorming zien optreden. In de sagittale coupes zien wij in de bodem van de IVe ventrikel een knikking ontstaan, welke ventraalwaarts is gericht. De kruinbocht is minder scherp geworden. De nekbocht, welke aan de dorsale zijde flauw is gebleven, vertoont echter aan de ventrale zijde een duidelijke scherpere hoek ten opzichte van de medulla spinalis. Het rostrale gedeelte van het dak van de IVe ventrikel wordt nu gevormd door een deel van de oorspronkelijke zijwand van de fossa rhomboidea, bestaande uit basaalplaat en vleugelplaat. Hierbij valt ons direct op, dat het meest dorsale gedeelte, de ruitlijst, alleen bestaat uit matrix en mante Haag. De randzone ontbreekt. Deze ruitlijst gaat over in de tela chorioidea, welke de verdere ruimte van de fossa rhomboidea overspant (Plaat 1,5). In de frontale serie (Plaat 1,6), welke iets scheef werd aangesneden, kunnen wij ziendat de ventrikel ook op dwarsdoorsnede een duidelijke ruitvorm vertoont en dat de zijwanden van deze fossa rhomboidea naar lateraal gaan uitbuigen. De vleugelplaten komen hierdoor meer in één vlak met de basaalplaten te liggen en hierdoor wordt de dorsale wand van de fossa rhomboidea verdeeld in een dorsaal en caudaal deel. Bij het vervolgen van deze serie, zien wij daar waar het dorsale gedeelte van de vleugelplaten wordt aangesneden, in de laterale hoeken van de fossa rhomboidea de ruitlijst verschijnen, duidelijk van de vleugelplaat te onderscheiden door het ontbreken van de randzone. Vervolgen wij deze ruitlijst, dan merken wij op, hoe boven het niveau waar rostraal en caudaal gedeelte met een knik in elkaar overgaan, de tela chorioidea tussen beide delen inschuift. In Plaat I, 6 is dit zeer fraai te zien. De rostrale vleugelplaten zijn steil overeind gekomen, zoals wij kunnen zien aan de knik in de randzone. Wij merken nog iets anders op. Daar de ruitlijst het duidelijkst en het eerste waarneembaar is in de laterale hoeken en snel afneemt naar mediaal, toont ons dit aan, dat de ruitlijst niet alleen naar lateraal uitbuigt, maar eveneens naar ventraal. Evenals HIS zien wij, dat de wand in het caudale gedeelte van de fossa rhomboidea in zijn geheel lateraalwaarts uitbuigt, waardoor de vleugelplaten vrijwel horizontaal naast de basaalplaten komen te liggen. 22

28 Wanneer wij het verloop van de ruitlijst reconstrueren, dan blijkt dat de rostrale ruitlijsten elkaar ontmoeten onder een stompe hoek; de caudale lijsten onder een scherpe hoek. Een lipvorming nemen wij echter nergens in deze lijst waar. Wat de tela chorioidea betreft, deze is langs de rostrale ruitlijst aan de dorso-caudale rand vastgehecht, langs de caudale lijst aan de dorso-ventrale rand. Vooral volgens de kruin-stuit-lijn, in de frontaal gesneden Ranson coupes is dit zeer duidelijk te zien. Vervolgen wij deze serie naar caudaal, dan trekt het onze aandacht, dat op de grens van de caudale ruitlijst en de vleugelplaat, aan de buitenzijde een groeve verschijnt, welke suggesties oproept aan de lipstructuur van HIS (Plaat II, 1). In her rostrale deel echter van de ruitlijst of in de rostrale vleugelplaat is noch in de frontale, noch in de sagittale series enigerlei groeve te zien, die overeen zou kunnen komen met die, welke HIS waarnam bij het menselijk embryo. In de sagittale Ranson-series merken wij op, dat de ponsbocht aan zijn periferie eenduidelijke randzone bezit en dat de vezels van het ganglion Casseri zich hier een weg doorheen banen om zich vervolgens in een opstijgende en afdalende bundel te splitsen. Caudaal hiervan zien wij de instralingszone van het ganglionstato-acusticum. De randzone eindigt dorsaalwaarts, voordat het dorsale gebied van de vleugelplaat is bereikt (Plaat II, 2). Embryo 16 dagen. Series 236A en B, haematoxiline Series 207, 208, 453, Ronson In de medio-sagittale coupes valt direct het meest op de toename van de ponskromming, die nu een veel scherpere hoek maakt dan bij het hiervoor beschreven stadium van 14 dagen. Als gevolg hiervan is het rostrale gedeelte van het rhombencephalon, ook wel het metencephalon genoemd, vrijwel frontaal komen te staan. De ruitlijst in dit rostrale gedeelte is, mede ook door zijn eigen diktetoename, zelfs zeer sterk achterover gaan hellen. In deze rostrale ruitlijst onderscheiden wij naast een matrix een migratie-zone, waarin uit de matrix afkomstige neuroblasten veel losser bijeen liggen dan in de matrix en te beschouwen isalseenhomologon vande mante Haag van de neuraalbuiswand. De matrix neemt van beneden naar boven in dikte toe. Aan de top, waaraan de tela chorioidea is vastgehecht, vertoont de matrix een scherpe knik naar achteren. Rostraal wordt, in meer lateraal gelegen sagittale coupes, de ruitlijst begrensd door een vrij dikke cel loze zone. Dit blijkt de randzone van de vleugelplaat te zijn, die op dit niveau in een vrijwel frontaal vlak naar binnen is gebogen en dus op de sagittale coupes dwars wordt aangesneden. Over het opperviak van de rostrale ruitlijst heen zien wij een dicht opeen gepakte laag van cellen, die zich kennelijk vanaf de omgeknikte matrix, ter hoogte van de taenia chorioidea, over de ruitlijst heen naar voren hebben uitgebreid tot aan de randzone van de vleugelplaat. Onderdeze laag valt een tweede cel laag op, minder aaneengesloten dan de vorige, die zijn oorsprong blijkt te hebben (Plaat II, 3) uit de primaire matrix langs de ventrikel, maar vlak onder het punt, waar deze naar achteren omknikt. Op deze beide lagen komen wij nog nader terug. Wij willen hier alleen vast opmerken, dat de meest oppervlakkige laag de matrix is, waaruit zich de granulaire cellaag van de schors van het cerebellum gaat ontwikkelen. Wij zullen deze laag verder aanduiden als secundaire matrix. De daaronder liggende laag zal de laag blijken te zijn, waarin zich de toekomstige Purkinje-cellen zullen gaan ontwik- 23

29 kelen. Op de verdere histogenèse van de ruitlijst komen wij nog nader terug. Wanneer wij nu eerst de frontale coupes, gesneden loodrecht op de lengteas van de hersenstam, gaan bekijken (Plaat 11,4), dan zien wij hoe de fossa rhomboidea in zijn meest ventrale gedeelte maar een kleine spleetvormige ruimte is, waarvan de voor- en achterwand wordt gevormd door de vrijwel naast elkaargelegen basaal-en vleugelplaten. Ineen iets hoger niveau gaat deze spleetvormige ruimte uitbuigen naar buiten in de recessus lateralis, waarvan de vooren achterwand wordt gevormd door de sterk omgebogen ruitlijst. De rostrale ruitlijst zet zich naar voren toe voort tot aan de randzone van de vleugelplaat, die op deze doorsnede te zien is als een celloze zone, welke van lateraal-voor schuin naar mediaal-achter verloopt. Langs het buitenoppervlak kunnen wij weerde secundaire matrix opmerken, maar van de Purkin e-ce Haag is op dit lage niveau nog weinig te zien. Dat deze secundaire matrix een matrix is, kunnen wij vaststellen aan de talrijke mitotische cellen, welke uit deze matrix ontstaan. Wanneer wij de rostrale lijst in deze serie naar boven toe vervolgen, dan zien wij hoe deze lijst in steeds grotere mate wordt aangesneden, zodat tenslotte een niveau wordt bereikt, waarin deze beide rostrale lijsten zo breed zijn, dat zeelkaar bijna in de mediaanlijn naderen. Er blijft echter tussen beiden nog een ruimte over, die pas in een volgend stadium (18 dagen) zal verdwijnen, wanneer de beide lijsten tot één geheel gaan samengroeien. Geheel anders is de situatie in de caudale lijst. Dit gedeelte van de ruitlijst blijft aanzienlijk achter in ontwikkeling, vergeleken met de rostrale lijst. In het gebied van de "Rautenbreite" is de lijst geheel lateraal gelegen. Vervolgen wij de serie naar achteren, dan zien wij hoe deze lijst zich geleidelijk aan meer naar mediaal verplaatst, om zodoende weer bovenop de vleugelplaat terecht te komen. Opmerkelijk is nu, dat ook deze vleugelplaten van stand zijn veranderd. Zij zijn namelijk naar caudaal toe geleidelijk aan weer naar binnen toe omgebogen. Op een bepaald niveau (plaat II, 5) zien wij dat de caudale lijst een Üpstructuur heeft, die onmiskenbaar overeenkomt met de door HIS bij het menselijk embryo beschreven Üpstructuur. Slechts terloops - wij komen hierop nog nader terug - wijzen wij er op, hoe zeer deze stand- en vormveranderingen overeenkomen met hetgeen wij waargenomen hebben bij de veranderingen in de wanden van onze plastische buis. Nog verder naar achteren gaande in het caudale gedeelte van de fossa rhomboidea, gaat deze Üpstructuur weer overineen rechte lijst, welke echter met de vleugelplaat mee naar mediaal is gedraaid en gedeeltelijk in het lumen van de ventrikel uitpuilt. Ook dit komt overeen met hetgeen wij aan ons bui smodel konden nagaan. Een goed inzicht hiervan geven de tekeningen van fig. 2 en de desbetreffende foto's (plaat II, 4, 5 en 6). Hetgeen wij kunnen waarnemen aan de ruitlijst in dit stadium komt dus in zekere zin wel overeen met de beschrijving van HIS. Wat de rostrale lijst betreft, hebben wij echter geen enkele omkrulling kunnen aantonen van de dorsale rand, zodat wij hier niet zo als HlS kunnen spreken vaneen Üpstructuur van de ruitlijst. Ook diens beschrijving van hetgeen zich in het caudale gedeelte van het rhombencephalon afspeelt, verschilt van hetgeen door ons werd waargenomen. Immers HIS stelt dat de lip hier snel met het wanggedeelte vergroeit,terwijl wij juist opmerken, dathierweliswaar op een bepaal - de plaats een Üpstructuur optreedt, maar dat deze blijvend is, terwijl meer caudaal door het naar binnen draaien van de vleugelplaten de lip weer tot lijst wordt, die zo sterk naar binnen wordt gedraaid, dat hij in het lumen uitpuilt. In vergelijking met de voorgaande stadia valt ons op, hoe ver de caudale lijstzich naar caudaal uitbreidt. Kennelijk is er een belangrijke lengtegroei van 24

30 het médullaire gedeelte van het rhombencephalon in het spel, die een verlenging van de ruitlijst ten gevolge heeft. Een enkele opmerking betreffende de taenia chorioidea, met name van de rostrale ruitlijst. Volgens HlS zou bij het ontstaan van de lipstructuur in dit gebied een verkleving optreden van de tela chorioidea met het intraventriculaire oppervlak van het rostrale of cerebellaire gedeelte van de "Rautenlippe", waardoor de tela chorioidea een nieuwe aanhechting zou krijgen. Door deze verplaatsing zou het oorspronkelijke intra-ventriculaire oppervlak van de cerebellaire lijstnueenextra-ventriculairoppervlak worden. Dit blijkt bij onze series geheel niet voor te komen en ook in latere stadia hebben wij een dergelijke verplaatsing van de taenia chorioidea niet aangetroffen, zodat wij, in tegenstelling tot wat HlS bij de mens veronderstelt, moeten aannemen, dat bij de rat het oppervlak van het cerebellum van meet af aan extra-ventriculair is. Wanneer wij nu nader ingaan op de histologische differentiaties, welke zich gaat aftekenen in de ruitlijst, zullen wij het rostrale en caudale gedeelte afzonderlijk beschrijven, gezien de totaal andere ontwikkelingsgang van beide gedeelten. In het voorgaande hebben wij reeds opgemerkt, dat in de rostrale lijst zich langs het extra-ventriculaire oppervlak een secundaire matrix gaat ontwikkelen, als gevolg van een oppervlakkige migratie vanuit de omgekrulde top van de primaire matrix. Deze migratie, de 16e dag reeds duidelijk aanwezig, blijkt de 15e dag begonnen te zijn. Ook een tweede celstroom hebben wij reeds vermeld, eveneens afkomstig van de primaire matrix, maar uit een lager niveau dan waarvan uit de secundaire matrix zich gaat ontwikkelen, uit het gebied n. I. waar zich de knik in de primaire matrix bevindt. Uit dit gebied migreren grotere, rondere en lichtere cellen dan de cellen van de secundaire matrix, welke kleiner, donkerder en fusiform zijn. De grotere, rondere en lichtere cellen blijken de toekomstige cellen van Purkinje te zijn, waarmede zich de cellen afkomstig uit de secundaire matrix gaan verenigen. In Plaat 11,3,4,5,6 іч duidelijk deze migratie vanuit de secundaire matrix naar het daarondergelegengebied te zien. Samen met de cellen van Purkinje zullen deze cellen de schors van het cerebellum gaan vormen. Onder deze schorsaanleg en niet scherp hiervan gescheiden, vinden wij een diffuus geheel van cellen, die eveneens afkomstig zijn uit de primaire matrix. Uit deze celmassa zullen zich later de kernen van het cerebellum gaan ontwikkelen, maar in dit stadium van 16 dagenvalt van enige groepering van cellen tot kerngroepen niets waar te nemen. Deze differentiatie komt in grote lijnen overeen met hetgeen door SCHAPER (1894), HAYASHl(1924), JAKOB(1928) en BONNEVIE en BR0DAL(1946), werd beschreven. In de caudale lijst gaat zich ook een secundaire matrix aftekenen, eveneens afkomstig uit de primaire matrix ter hoogte van de taenia chorioidea. In het voorgaande hebben wij reeds beschreven het merkwaardige verloop van deze caudale lijst, dat uiteraard zijn weerslag heeft in het verloop van de hierin gelegen primaire matrix en de richting van de hieruit migrerende cellen. Deze migratie is door de omkrulling van de matrix naar buiten ventraalwaarts gericht. De migrerende cellen van de secundaire matrix stromen over de gehele lengte van de caudale lijst vanaf de taenia ventraalwaarts, komen dan teqen de randzone van de vleugelplaat aan en vervolgen hun weg langs de buitenzijde van 25

31 deze randzone om naar ventraal. Deze ventraalwaartsgerichte migratie zet zich voort tot aan de mediaanlijn. In een later stadium zullen v/ij zien, hoe deze migraties de mediaanlijn van beide kanten zullen overschrijden, waaruit wij kunnen opmaken dat deze migratie een migratie is van de toekomstige ponscellen. Een inzicht in deze migratie geven de doorsneden in fig. 2 en plaat 114, 5, 6. Uit de primaire matrix maken zich - naast deze migratie vanuit de taenia chorioidea - nog andere cellen losen wel langs haar gehele gestrekte uitbreiding, waaruit wij straks een kernmassa zich zullen zien on wikkelen, die ter plaatse blijft liggen. De zich hier ontwikkelende structuur doet ons denken aan het dooressick beschreven corpus ponto-bulbare. Wij komen daar nog nader op terug. De ontwikkeling van de caudale lijst blijkt mede bepaald te worden door de ontwikkeling van het tuberculom acusticum (SCHWALBE), dat ontstaat door een proliferatie van het dorsale gedeelte van de vleugelplaat (HARKMARK). Vlak achter het niveau van de "Rautenbreite" zien wij de matrix van deze vleugelplaat bijzonder actief worden en de uit deze matrix afkomstige cellen begeven zich lateraalwaarts in de richting van de ruitlijst. Deze vleugelplaatmigratie zet zich verder naar lateraal voort, over het corpus restiforme heen, dat zich inmiddels inde randzone heefl ontwikkeld, maar blijft van de ruitlijst gescheiden door een dunne strook randzone. Reden te meer voor ons om te concluderen dat de ontwikkeling van het tuberculum acusticum zich getieel afspeelt i η de vleugelplaat in de bodem van de fossa rhomboidea en dat dit kerngebied geen directe relatie heeft met de ruitlijst, maar deze wel lateraalwaarts wegdrukt. In de vleugelpiaat zien wij nog een andere proliferatieve activiteit, caudaal van het tuberculum acusticum gelegen, waarvan de cellen eveneens ventraalwaarts migreren, evenwel aan de b i η ne η ζ ij de van de randzone. Uit de verdere ontwikkeling zal blijken, dat wij hier te maken hebben met de eerste aanduiding van de nuclei arcuati en het oli fkerncomplex. HlS geeft een beschrijving van deze ontwikkeling in verband met wat hij noemt de "Grenzplatte". Zijn beschrijving echter is niet bijzonder helderen kan gemakkei ijk aanleidinggeven tol misverstand. Immers in zijn tekst (1890, blz. 12) zegt hij dat de ' Grenzplatte" maar door een smalle strook randzone is gescheiden van de ventrale oppervlakte van de medulla, maar in de bijbehorende figuur 12 tekent hij de "Grenzplatte " met daaronder een zeer dikke randzone. Voor zover wij dit hebben kunnen verifiëren moet hij hier de ponsmigratie met de olijfmigratie verward hebben. Behalve de pons- en oüjfmigrarie werden door ESSICK in 1912 bij de mens de nuclei arcuati beschreven alsafkomstig uitde rhombic lip. Deze auteur spreekt dan van de olivo-arcuaire migratie. Wat de ontwikkeling van deze arcuaire kernen betreft, op de 16e dag zien wij naast de pontine-migratie in het caudale gedeelte van de fossa rhomboidea een strook migrerende cellen, welke wij ook weer geheel ventraal onder het caudale einde van de fossa rhomboidea aantreffen. Dit beeld roept sterke reminiscenties op aan de door ESSICK in 1912 gepubliceerde nuclei arcuati. Hoewel hij vermeldt dat deze cellen uit de vleugelplaat-matrix ter hoogte van de rhombic lip ontstaan, hebben wij dit niet kunnen bevestigen. Bovendien zagen we een aantal duidelijke verschillen tussen deze arcuaire-migratie en de pontine-migrotie uitde secundaire matrix, welke door hem niet zijn beschreven. Vooreerst is de arcuaire migratie niet zo uitgesproken perifeer over de medulla heen als de pontine-migratie. Zij wordt dit pas, zoals ook door EsSICKwel werd opgemerkt, in het ventrale gedeelte (Fig. 2, Plaat 11,4,5,6). 26

32 Daarnaast merken wij op, dat de differentiatie van de cellen in een verder stadium is dan de cellen van de pont i ne-m ig rat ie. Dit wijst op een vroegere migratie van de arcuaire cellen dan de ponscellen. De cellen van de arcuaire migratie zijn n.l.groter, lichter en ronder vergeleken met die van de pontine-migratie, welke donkerder, kleiner en fusiform zijn. Bovendien is hun migratie ventraalwaarts, vergeleken met de ventrorostraalwaartse migratie van de pontinecellen, welke hier tot aan de intrede van de N.V. zijn gemigreerd. Tenslotte vertonen ze niet alleen een sterke uiterlijke overeenkomst met de cellen van de olijf, maar migreren zelfs in de olijf aan de mediale zijde. Wij menen dan ook, dat alle argumenten er voor pleiten, dat deze cellen inderdaad nuclei arcuati zijn, maar dat zij evenals de olijfcellen uit de vleugelplaatmatrix en niet uit de ruitlijst afkomstig zijn. In latere stadia zien wij deze arcuaire migratie zeer sterk verminderen, zo zelfs dat men aarzelt haar nog te herkennen. Dit komt in zoverre overeen met de waarnemingen van ESSICK, dat ook hij verklaart, dat de nuclei arcuati bij het konijn en het varken aanvankelijk wel aanwezig zijn, maar later verdwijnen. Bij de mens blijven ze echter als duidelijke celgroepjes aanwezig. Wij willen tenslotte nog even stilstaan bij enkele details, die wij in de vezelpreparaten (Ranson-impregnatie) waarnemen. Deze series werden niet alleen frontaal en sagittaal gesneden, maar ook in een vlak evenwijdig met de rostrale ruitlijst (fig.3). Deze laatste snijrichting, is voor de bestudering van dit gebied bijzondereffectief gebleken om de gecompliceerde ontwikkelingsgang van de ruitlijst in zijn verhouding tot de vleugelplaat te bestuderen. Een drietal afbeeldingen geven wij in plaat III, 1, 2, 3. De meest rostrale coupe hiervan. III, 1, ter hoogte van de isthmus rhombencephali toont ons een steil omhooglopende vleugelplaat met een vrijwel tot bovenaan doorlopende randzone met omhoogstrevende (vestibulaire) vezels. In de tweede coupe, fig. Ill, 2, meer caudaal snijden we de rostrale lijst in zijn maximale uitbreiding, waaruit wij kunnen opmaken, dat deze lijst zich nog niet tot aan de mediaanlijn uitbreidt. Zeer frappant in deze coupe is het abrupte einde van de vezelrijke randzone tegen de onderkant van de ruitlijst. Mediaal en ventraal hiervan treffen wij een aantal instralende vezels aan, die behoren bij het vestibulaire systeem. Dit laatste is nog duidelijker in de derde en meest caudale coupe, fig. Ill, 3. Het ganglion stato-acusticum is hier in zijn grootste breedteaangesnedenenduidelijk zijn de vezels te zien welke van hieruit de medulla binnendringen. Vlak boven de intredeplaats zien wij weer het abrupte einde van de randzone onder de naar buiten omgebogen caudale ruitlijst. Een vergelijking van plaat III, 2 met III, 3 toont het verschil in ontwikkeling aan tussen de rostrale en caudale lijst. De frontale Ranson-series, waarvan wij in Plaat 111,4,5,6 enkele coupes laten zien, leveren weinig nieuwe gezichtspunten op, alhoewel enkele details onze aandacht vragen. Zo zien wij in plaat III, 4 en fig. 111,5 langs de uiterste periferie van de medulla een klein aantal nog maar zwak geïmpregneerde dunne vezels, die in de geïmpregneerde randzone, naar ventraal en mediaal verlopen. Zij zijn te vervolgen vanaf de caudale lijst tot ventro-rostraal voorbij de intrede-plaats van de vezels van het ganglion semilunare (GASSER). Deze bundel ligt tegen wat wij in de haematoxyline series als de ponsmigratie hebben beschreven. Wij mogen in deze bundel het begin zien van de latere cochleaire-oliva sup. verbinding. In de sagittale series tenslotte is het met name de rostrale begrenzing van de rostrale lijst, welke de aandacht vraagt. In het voorgaande hebben wij reeds 27

33 beschreven hoe de rostrale grens gevormd wordt door de naar binnen omgebogen randzone van de vleugelplaat. In deze vezelcoupes (plaat l ' 1, 2) zien wij nu hoe in deze randzone schuin aangesneden vezels lopen van beneden naar boven toe, langs de voorzijde van de ruitlijst, en die wanneer wij hen in de serie verder vervolgen zowel van vestibulaire als van andere (o.a. spinale) herkomst blijken te zijn. Wat de caudale lijst betreft, zouden wij willen wijzen op de plaat IV, 2, die een beeld geeft van een paramediane coupe, waarin de caudale lijst als een dunne langgerekte structuur ligt op de dorsale zijde van de vleugelplaat, hiervan echter gescheiden door een dunne vezellaag. Deze sagittale coupes laten ons bijzonder duidelijk zien, hoe intensief de knikking is van het rhombencephalon, waardoor uiteindelijk de caudale lijst geheel overwelfd wordt door de veel dikkere rostrale lijst en de ventrikelruimte tussen hen in bijna tot een spleet gereduceerd. Wij zouden nog willen wijzen op de Nervus trochlearis, welke wij in de basaalplaat, voor de vleugelplaat van de rostrale lijst waarnemen, en waarvan wij het verloop in de basaalplaat van het mesencephalon zeer ver kunnen vervolgen. In alle vezelcoupes nemen wij waar, hoe de eerste vestibulaire vezels van de vleugelplaat inde rostrale ruitlijst beginnen binnen te dringen, maar hun aantal is nog zeer gering. Embryo 17 dagen. Series 239A en B, haematoxyline De ontwikkeling van het rhombencephale gebied is na de 16e dag zo intensief, dat wij nu de gebeurtenissen van dag tot dag zullen gaan vervolgen. De ruitlijst is sterk in omvang toegenomen. Door de intensieve groei van de telencephale hemisferen, is het mesencephalon nog verder naar achteren gedrukt met als gevolg, dat de rostrale ruitlijst nog meer naar onder is gekanteld en zodoende het dak vormt van de fossa rhomboidea. De flexuur in de basis van het mesencephalon is nu maximaal, zoalswij in de sagittale coupes waarnemen. De veranderingen in de rostrale ruitlijst zelf zijn in feite gering, zoals uit Plaat IV, 2, 3 blijkt. Bij nader bekijken vallen enkele details toch wel op. In het centrale gebied van de rostrale lijst is een geringe groepering van cellen opgetreden, welke nog geen kernen laten onderscheiden, maar er toch een begin van zijn. Hier overheen ligt de eerste aanleg van de schorslaag, bestaande uit cellen van Purkinje gemengd met cellen uit de secundaire matrix. Tussen deze matrix en de schorsaanleg in ligt een zone, die naar voren toe overgoot in de randzone van de vleugelplaat. Uit de vezel preparaten kunnen we opmaken, dat deze zone in de rostrale lijst voor een deel vezels bevat, die vanuit het vestibulaire kernareaal van de vleugelplaat vóór langs de rostrale lijst heenlopen om dan in de rostrale lijst binnen te dringen. De ontwikkeling is echter nog niet vergenoeg om uit te maken waarmee deze vezels contact zullen maken. Voor een ander deel bevat deze zone de granulaire cellen, welke uit de secundaire matrix op weg zijn naar de daaronder gelegen schors-aanleg. In de meer naar lateraal getroffen doorsneden van de sagittale serie (Plaat IV, 4) zien wíj de spleetvormige fossa rhomboidea, welke dorsaal wordt bekleed door de basaalplaat, die na de indeuking, welke de sulcus limitans aangeeft, overgaat in de vleugelplaat. Aan de top van de vleugelplaat bevindt zich de rostrale lijst. In de basaal- 28

34 plaat onderscheiden wij rostraal van de isthmus de kern van de N. trochiearis, die wij naar boven toe tot in het mesencephale gebied kunnen vervolgen (plaat IV, 4). Een vergelijking van een tweetal frontale coupes laat zien, hoe de rostrale lijsten, wanneer wij van beneden naar boven gaan, van plaat IV, 5 naar plaat IV, 6, breder worden en elkuar in de mediaanlijn helemaal rostraal gaan ontmoeten. Een duidelijke vergroeiing is echter nog niet opgetreden. Opmerkelijk is dat in het mediale gebied geen secundaire matrix, noch een Purkinje-celmigratie valt waar te nemen. Deze zijn in het mediale gebied pas waar te nemen, wanneer men door het niveau snijdt waar men de taenia chorioidea aantreft (Plaat IV, 6). Voorde ontwikkeling van de caudale lijst is het noodzakelijk, dat men de sagittale en de frontale coupes naast elkaar bekijkt. In de meest laterale sagittale coupes. Plaat IV, 4, is de caudale lijst te zien als een vrij smalle, naar achte re η omgebogen structuur, dwars doorgesneden. In de bijna mediane coupe. Plaat IV, 3, daarentegen vormt hij een langwerpig gebied, boven op de vleugelplaat, zowel aan de voor- als aan de achterzijde ter hoogte vande taenia chorioidea scherp omgebogen. Dit verschil geeft zeer duidelijk aan hoe deze lijst, wanneer wij vanaf het niveau van de "Rautenbreite" naar achteren toe gaan, eerst vrijwel dwars van lateraal naar mediaal verloopt, om zich dan van rostraal naar caudaal in de lengterichting voort te zetten. Men vergelijke hiermee ook de frontale coupes van IV, 5, 6. In de vleugelplaat onder de lijst gelegen zien wij een duidelijke agglomeratie van сеііел, het toekomstige tuberculum acusticum (Plaat IV, 4, 5). Geheel basaal aan de punt van de ponsbocht valt ons op een ovaalachtige groep van kleine cellen, dicht opeengepakt, aan de buitenzijde van de randzone gelegen. Wanneer wij deze celgroep vervolgen inde serie (IV, 3 en IV, 4) van mediaal naar lateraal, blijkt, dat zich deze celgroep geleidelijk naar achteren en boven toe voortzet om tenslotte bij de ruitlijst terecht te komen. Wij hebben hier te maken met de ook reeds in het vorige stadium beschreven ponsmigratie. Een duidelijk beeld hiervan geven ook de frontale coupes van IV,5 en 6. Wij zien in deze eerste coupe de migratie vande ponscellen als een wigvormige groep van cellen, met de basis naar boven, de ruitlijst met de top naar beneden dringend langs de buitenkant vande randzone, die hier als een scherp begrensde zone valt waar te nemen. De onderbreking in deze migratie, welke wij waarnemen, wordt veroorzaakt door de binnendringende vezels van de N. VIII. In plaat IV, 6 is de ponsmigratie slechts zichtbaar als een smalle celstrook langs de randzone, welke strook wij kunnen vervolgen tot in de dorsaal gelegen lipvormige lijst, waarhijblijkt over te gaan in de secundaire matrix hiervan. De ponsmigratie blijkt dus homoloog te zijn aan de migratie van de secundaire matrix in de rostrale lijn met dien verstande, dat deze laatste migratie zich beperkt tot de rostrale I i st zelf, de ponsmigratie daarentegen een rondtrekkende beweging maakt buiten de wand van het médullaire rhombencephalon om naar ventro-rostraal. Enkele details vragen nog onr.e aandacht. In plaat IV 5. zien wij mediaal van de randzone, tegen het lumen van de ventrikel aan, het tuberculum acusticum, dat zich reeds gedeeltelijk boven langs het corpus restiforme uitbreidt naar lateraal en de caudale ruitlijst daar ter plaatse naar lateraal en ventraal verdringt. In plaat IV, 6 zien wij mediaal van de randzone, onderde lipstructuur een actieve matrix van de vleugelplaat, welke haar cellen ventraalwacrts binnen de randzone zendt, de aanleg van de olijf en/of van de nuclei arcuati. 29

35 In plaat IV 4. zien wij de secundaire matrix vanaf de taenia caudaalwaarts over de medulla verlopen. Aan de ventrale zijde van de pons nemen wij de ponsmigratie waar. In plaat IV 3. zien wij aan de geheel ventrale buitenzijde van de medulla de ponsmigratie, maarin de medulla zelf de nuclei arcuati en de oliva inferior. Embryo 18 dagen. Series 231A, В en C., haematoxyline Series 255/1 en 255/2, haematoxylme Series 444, 449, haemaroxyline Serie 452, haemaloxyline Series 408 en 409, Ranson Daar bij het onderzoek wel duidelijk was geworden dat wij op deze dag temaken hadden met een van de belangrijkste phasen in de ontwikkeling van de beide delen van de ruitlijst en de daaruit voortkomende celmigraties, werden meerdere series vervaardigd in verschillende snijrichtingen. Reden ook waarom wij niet hebben volstaan met de weergave van enkel karakteristieke doorsneden, zoals bij de andere stadia, maar er naar gestreefd hebben aan de hand van een groot aantal doorsneden van een tweetal series de topografische verhoudingen van de ruitlijst en de celmigraties ruimtelijk weer te geven. Wij verwijzen hiervoor naar fig. 3 en 4. In fig. 4 is weergegeven een frontaal gesneden serie, waarvan de sni richting is aangegeven inde medio-sagittale coupe (Д), in een coupe parallel aan de caudale ruitlijst (B)enin een gereconstrueerd zijaanzicht van het rhombencephalon (С), waarin niet alleen beide delen van de ruitlijst zijn aangegeven, maar ook de pontinemigratie vanuit de caudale lijst en de secundaire matrix van de rostrale lijst. Hetzelfde werd ook gedaan in fig. 3 waar een horizontale serie is weergegeven. De nummering der coupes, die omwille van de overzichtelijkheid enigszins geschematiseerd zijn weergegeven, duidt op de onderlinge afstand. De afstand tussen twee opeenvolgende coupes is gelijk aan 10 mu. De afstand derhalve tussen de getekende coupe enz. is dan gelijk aan 100 mu, die tussen coupe enz. 20 mu. Ter besparing van ruimte zijn de onderlinge afstanden in fig. 4 in het rostrale gedeelte der serie groter gekozen dan ter hoogte van de ruitlijst zelf. Bekijken we nu eerst de frontale serie, fig. 4. In de meest rostrale coupes (1 i/m 31 ) is de ponsbocht juist frontaal dwars doorgesneden. Wij treffen daar aan weerszijden van de mediaanlijn twee duidelijke celgroepen aan, afkomstig uit de geheel tegen de periferie liggende matrix. Deze celgroepen zullen in latere stadia van de ontwikkeling de mediaanlijngaan oversteken om de uiteindelijke ponskernen te gaan vormen. In dit stadium zien wij pas enkele cellen onderweg naar de hetero-laterale zi jde (coupe 11). Meer naar achteren toe vinden wij alleen de pons-matrix terug, die tussen coupe 41 en 91 de instralingszone van de N. trigeminus buitenom passeert. Vanaf coupe 101 zien wij, dat deze matrix langer wordt, doordat hij zich naar boven toe langs het oppervlak uitbreidt. In het bovenste gedeelte, dat een duidelijk reliëf aan de buitenkant vertoont, bevindt zich onderdeze matrix een groep rijpende neuroblasten, welke wij niet aantreffen onder het meer ventraal gelegen gedeelte van deze matrix. Bovendien worden deze beide delen van elkaar gescheiden door de instralingszone van de N.VIII. De betekenis hiervan wordt ons pas duidelijk wanneer wij de serie verder vervolgen. Een blik op fig.3 С leert dat wij tussen de doorsneden 101 en 131 de overgang aan- 30

36 snijden von de caudale lijst in de rostrale lijst aan de bovenzijde en de pontinemigratie aan de onderzijde van de plaats van intrede van de N. VIII. De overgang van de rostrale in de caudale lijst valt op dit niveau zeer moeilijk te bepalen. Deze overgang, een niet onbelangrijk onderscheid, kunnen wij daaraan constateren, dat onder het matrix-gedeelte van de caudale lijst, het dichtst tegen de wortel van de N. VIII gelegen, rijpere neuroblasten liggen dan onder de matrix van de rostrale lijst. Uit de voorgaande stadia weten wij, dat de langs de oppervlakte-verlopende matrix van de rostrale lijst de secundaire matrix daarvan is. Moeilijker is de situatie in de caudale lijst. Vervolgen wij deze lijst in de serie, dan zien wij hoe deze zich aftekent als een scherp uitsteeksel aan de onderrand van de recessus lateralis, aan de onderzijde begrensd door de vezelzone van de N. VIII, die zich schuin naar mediaal en boven uitbreidt in de vleugelplaat. Aan de onderzijde hiervan vinden wij weer de matrix van de pontinemigratie als een zeer dunne, smalle en korte strook van dichtopeengepakte donkere cellen. Deze pontine-migratie is door de randzone gescheiden van de vleugelplaat. In de vleugelplaat herkennen wij vanaf coupe 141 de nucleus facialis, welke wij in onze serie kunnen vervolgen tot coupe 173, maar welke wij niet verder hebben getekend om een duidelijk overzicht te kunnen behouden. Ter hoogte van coupe 123 verschijnt een nieuwe celgroep in de randzone, welke wanneer wij deze verder vervolgen (tot coupe 183) het aspect van de nuclei arcuati vertoont. Na het eerste verschijnen van deze arcuaire celgroep verschijnt een nieuwe celgroep in de vleugelplaat (coupe 171), welke inde volgende coupes het guirlande-achtige beeld van de onderste olijf vertoont. Deze kern is in de serie tot coupe 199 te vervolgen. Deze beide celgroepen bevinden zich dus in de vleugeiplaat, binnen en deels in de randzone, en zijn daarom duidelijk te onderscheiden van de pontine-migratie. De interpretatie van beide bovenomschreven celgroepen heeft ons voor vele moei lijkheden geplaatst. De nauwe onderlinge samenhang van deze celgroepen tijdens hun migratie rechtvaardigt inderdaad om met ESSICKte spreken van de olivo-arcuaire migratie. Het verschil tussen deze migratie en de pontinemigratie is zeer duidelijk. Vervolgen wij nu weei de caudale lijst, dan zien wij, dat vanaf coupe 143, datiscaudaal van N.VMI, onderde caudale lijsr een groep van neuroblasten verschijnt, welke blijkt te behoren tot het kerncomplex van het tuberculum acusticum. In coupe 143 liggen meer medical inde vleugelplaat nog andere grote neuroblasten, die deels tegen de onderrand van de rostrale lijst aan liggen. Dit zijn de cellen van het vestibulaire kerncomplex, waarop wij nog nader zullen terugkomen. Bi j de caudaalwaartse voortzetting van de caudale lijst blijkt, dat hij door het tuberculum acusticum naar buiter, wordt weggedrongen en als het ware onderbroken in zijn uitbreiding naar mediaal. Pas vanaf coupe 161 zien wij de primaire matrix van de caudale lijst aan de mediale zijde van het tuberculum acusticum verschijnen. Dit tuberculum acusticum vraagt nu een nadere beschrijving. Vanaf coupe 145 is duidelijk te zien, dat zich hierin twee celgroepen gaan aftekenen, de toekomstige ventrale en dorsale cochleariskernen. Als een boog kromt dit tuberculum acusticum zich om het dorsale uiteinde van de randzone, waarin zich het corpus restiforme heeft gevormd. Hierdoor vormt het tuberculum acusticum een gedeelte van de bodem van de fossa rhomboidea. De voor-achterwaartse uitbreiding van 31

37 het tuberculum acusticum is groot, want wij kunnen dit vervolgen van coupe 143 tot coupe 181. Naarmate de ventrale kern van dit tuberculum uit de doorsneden verdwijnt, zien wij, dat de nucleus parabulbaris 1) daar ter plaatse weer te voorschijn komt tussen de primaire matrix van de caudale lijst lateraal en het corpus restiforme mediaal. Ventraal hiervan treffen wij de migratie van de zeer smalle pontinematrix aan. Vanaf coupe 181 verschijnt de caudale lijst als een dwars verlopende structuur, los van de medulla. Dit is te verklaren wanneer wij bedenken dat de caudale lijst, zoals wij in voorgaande stadia hebben gezien, op dit niveau niet alleen dwars komt te staan, maar ook naar achteren wordt omgebogen boven op hetoppervlak van de medulla oblongata (fig. 4, с, d). Het meer caudale, schuin op de lengterichting verlopende deel van de caudale ruitlijst, treffen wij in de doorsneden aan op het dorsale oppervlak van de medulla en zien wij in deze doorsneden, dat de taenia hier in het lumen van de IVe ventrikel naar binnen buigt. In deze ruitlijst zien wij mediaal ter hoogte van de taenia chorioidea, de primaire matrix met daaronder een nog caudale uitbreiding van de nucleus parabulbaris. Lateraal zet deze matrix zich voort in de secundaire matrix van de pontinemigratie. Wanneer wij nu de doorsneden geheel naar dorsaal vervolgen, blijft het beeld vrijwel gelijk. Wij vestigen er alleen de aandacht op, dat de caudale lijst zich niet alleen tot in het meest caudale deel van de voortdurend smaller wordende fossa rhomboidea uitbreidt, maar over deze gehele lengte ook een secundaire matrix uitzendt ten behoeve van de pontinemigratie. In fig. 4 С is deze caudale uitbreiding van deze secundaire matrix duidelijk aangegeven. De rostrale lijst, welke wij nu willen bespreken, vertoont eenvoudiger topografische verhoudingen. Deze rostrale lijst verschijnt, zoals wij reeds eerder hebben opgemerkt, in de doorsneden vanaf coupe 191, waar wij de overgang van de caudale lijst in de rostrale lijst hebben aangesneden. Bij het vervolgen van de rostrale lijst in de serie valt het ons op, dat deze lijst in vergelijking met het vorig stadium sterk is uitgegroeid, zowel intra- als extra-ventriculair. De intraventriculaire uitgroei heeft geleid tot een intensieve vergroeiing van de rostrale uiteinden van de rostrale lijst, zodat wij nu kunnen spreken van een ongepaarde structuur van de cerebellum-aanleg, die zich alseen dak uitbreidt over het rostrale gedeelte van de fossa rhomboidea. Hierbij moeten wij bedenken, dat de rostrale lijst mét de ontwikkeling van de recessus lateralis mede naar ventraal is omgebogen en ter hoogte van deze recessus lateraal van de vleugelplaat is gelegen, (coupe 117 t/m 141) De vleugelplaat is ter hoogte van de rostrale lijst gemarkeerd door de aanwezigheid van enkele groepjes grote en rijpe neuroblasten, die tezamen het vestibulaire kern-areaal vormen. De meest dorsale kerngroep (coupe ) hiervan ligt vlak naast de ventrikel teqen de onderzijde van het midden van het cerebellum, wat inde horizontale serie van fig.3 (coupe 31 t/m 76) nog veel duidelijker te zien is dan in de frontale serie. Het cerebellum van 18 dagen wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van de primaire matrix, waarvan de dochtercellen het centrum opvullen; een secundaire matrix, welke van de primaire matrix uitgaat ter hoogte van de taenia chorioidea en een Purkinje-celmigratie, die parallel met de secundaire matrix zich over het gehele extra-ventriculaire oppervlak uitbreidt tot aan de mediane ver- 1) Zoals wij deze proliferatie uit de primaire matrix van de caudale lijst hebben genoemd. 32

38 g roe i ing szone, enmetde cellen van deze secundaire matrix de eerste aanleg van de cerebellaire schors vormt. Het centrale areaal vraagt nu onze aandacht. Temidden van de massa van jonge neuroblasten treffen wij, min of meer in groepjes bijeen, ook rijpere cellen aan. Dit roept het beeld op van de groepering der cerebellaire kernen, zoals wij die algemeen in de literatuur vermeld vinden. Als wij echter de doorsneden niet elk op zich, maar als een samenhangend geheel bekijken en vooral wanneer wij rekening houden met de kromming van de intra-ventriculaire primaire matrix, zowel in het transversale als in het sagittale vlak, dan blijkt, dat deze cerebellaire kernaanleg een samenhangend geheel vormt. Wij willen hier even onderstrepen - alhoewel wij hiermede enigszins op ons onderzoek vooruit lopen - dat deze samenhang gehandhaafd blijft ook bij de verdere ontwikkeling. Dat wij in latere stadia en in volwassen toestand celgroepen kunnen waarnemen op verschillende doorsneden, die zich aan ons voordoen als aparte celgroepen of kernen, maar dit toch niet zijn, is iets, waarvoor wij de uiteindelijke argumentatie pas later ter sprake kunnen brengen. Bij de beschrijving van het 16-dagen stadium hebben wij opgemerkt, dat wij in de secundaire matrix van de caudale lijst, (de pontine-migratie) een homologon mogen zien van de secundaire matrix van de rostrale lijst. De vraag doet zich nu voor in hoever de homologie tussen de beide delen van de ruitlijst, die oorspronkelijk toch één geheel vormen, nog veider valt door te trekken. Een migratie, zoals die van de Purkinje-cellen uit de primaire matrix van de rostrale lijst zijn wij in de caudale lijst niet tegehgekomen. Wel echter hebben wij gezien, dat zich onder de primaire matrix van de caudale lijst een conglomeraat van cellen vormt, uit deze matrix afkomstig, welke als een kern op de dorsale rand van de medulla liggen blijfv. Het lijkt ons gerechtvaardigd om in dit conglomeraatvan cellen van de caudale lijst, waaraan wij de naam hebben gegeven van nucleus parabulbaris (zie voetnoot pag.32) het homologan te zien van de celmassa, welke inde rostrale lijst vanuit de primaire matrix het centrum hiervan gaat opvullen. Na deze uitvoerige beschouwing van de frontale serie, kunnen wij volstaan met enkele opmerkingen over de horizontale serie van fig.3. Hiervan werden alleen coupes om de 50 mu gereproduceerd. De nummering is zo, dat de afstand tussen coupe 1 en coupe 6 50 mu bedraagt enz. Wij willen in deze serie wijzen op de ontwikkeling van de ponskernen aan de basis van coupe 111 tot 176 en op de pontine-migratie, welke zich langs de buitenoppervlakte naar deze kernen toe uitbreidt, van geheel dorsaal in coupe 131 tot geheel basaal in coupe 171. Daarnaast is in deze serie het "uitpuilen" van het tuberculum acusticum en de verplaatsing welke de caudale lijst tengevolge hiervan ondergaat, duidelijk te zien. De vestibulaire kernen-wij wezen hier in het voorgaande reeds op-verschijnen in deze doorsneden van coupe 31 tot 81. De olivoarcuaire migratie kunnen wij in deze horizontale doorsneden niet waarnemen, daar wij in onze reproducties Loven dit niveau zijn gebleven. Niet alleen laat deze sni richting de topografische verhouding zien tussen deze vestibulaire kernen en de cochleaire kernen. Bovendien nemen wij in coupe 101 waar, hoe de tela chorioidea is vastgehecht aan de dorsale grens van de ruitlijst, waardoor wij in één sneevlak deze aanhechting tweemaal aansnijden. In coupe 96 t/m 131 zien wij, hoede cochleaire kernen zich om de randzone naar lateraal gaan uitbreiden. De randzone komt zodoende tussen de vestibulaire kernen de ventrale cochlearis-kern in te liggen. Ten aanzien van het cerebellum 33

39 levert deze snijrichting ons geen nieuwe gezichtspunten op. Tenslotte rest ons nog de ontwikkeling van het vezelpatroon op de 18e dag in onze Ranson-series. Bij het embryo van 16 dagen hebben wij reeds kunnen constateren, dat voorlangs de rostrale lijst vezels naar boven toe verlopen om dan naar achteren om te buigen in het cerebellum. Hier konden wij in ieder geval vestibulaire vezels in zien. Wij onderscheiden nu op de 18e dag niet alleen deze vestibulaire vezels, maar daarnaast ook nog andere afferente vezelsystemen van het cerebellum. Met name kunnen we onderscheiden de vezels van de tractus spinocerebellaris ventral is ende tractus tectocerebellaris, welke wij rostraal van het cerebellum in een mediane coupe dwars aangesneden aantreffen en wel in een commissuur, welke niet in het cerebellum isgelegen, maar in de dakplaat van de isthmus. In de medulla zien wij de tractus vestibulo-spinalis, de tractus vestibulo-cerebellaris en de tractus olivo-cerebellaris, welke wij van heterolateraal tot in het corpus resti forme kunnen vervolgen. Tenslotte kunnen we de aanwezigheid constateren van de tractus spinocerebellaris dorso lis, welke wij van ver caudaal af tot in het cerebellum kunnen vervolgen. Behalve deze grote vezelsystemen vallen in de cerebellaire lijst vezels op, welke vanuit de schorslaag zich begeven naar de centrale celmassa van het cerebellum. Ongetwijfeld hebben wij hier te maken met de uitlopers van de Purkinjecellen uit deze schorslaag naar de centrale kernmassa, met andere woorden het begin van het intrinsieke vezelpatroon van het cerebellum, plaat V. 1 en V. 2. Met olie-immersie zien wij hoe deze uitlopers der Purkinje-cellen de cellen van het kernareaal omvatten. Van vezels die het cerebellum verlaten kan, gezien het onrijpe karakter van de cellen in de centrale kernmassa, nog geen sprake zijn. Wij willen nog wijzen op het voorkomen aan de ventrale en laterale onderzijde van de medulla, mediaal van de ponsmigratie, van goed geïmpregneerde vezels, diede indruk maken ponto-cerebellaire vezels te zijn. Maar wanneer wij deze vezels vervolgen, dan blijken het vezels te zijn, die van de nucleus ventralis cochlearis, buiten de tractus trigeminospinalis om, naar de oliva superior en het corpus trapezoides toe lopen. De ponscellen, alsook de ponsmigratie, welke wij van de dorsale zijde van de caudale lijst in de Rautenbreite op haar weg naar ventro-rostraal geheel kunnen vervolgen, hebben nog een geheel indifferent karakter, reden waarom wij nog geen ponto-cerebellaire vezels kunnen verwachten. Hierdoor is het gebied van de pontinemigratie duidelijk aan de ventrale onderzijde van de medulla als een vezelloos gebied te onderscheiden. Embryo 19 dagen. Series 241A en B, haematoxyline Serie 241A, b, KlUver-Borrera - cresylviolet Serie 241 A, c, Woelcke - erylhrosine Serie 241 B, ben B, c, Woelcke - erythrosine In de 24 uren, welke sedert het stadium van 18 dagen zijn verlopen, zijn nauwelijks veranderingen van betekenis opgetreden. Het volume van het cerebellum is toegenomen, zowel in laterale als in voor-achterwaartse richting. De primaire matrix is dunner geworden en neemt derhalve in activiteit af. In tegenstelling hiermede staat de secundaire matrix, welke zich over het gehele buitenoppervlak heeft uitgebreid als een dikke compacte laag. 34

40 Wat echter het meest opvalt zijn de veranderingen in de schorslaag onder deze secundaire matrix, waar wij cel-opeenhopingen aantreffen, welke er in het voorgaande stadium beslist niet waren. Uit het verdere onderzoek is gebleken dat deze cel-ophopingen de plaats aanduiden waarde latere lobi van het cerebellaire oppervlak zich zullen vormen, waarop wij nog nader terugkomen. In deze schorslaag vinden wij een steeds duidelijk wordende differentiatie tussen twee typen cellen. Het ene type is groter, ronder en lichter van kleur, vertoont duidelijk polarisatie met centraal-gerichte uitlopers; het andere type is kleiner,donkerder, fusiform. Het eerste type herkennen wijalsde Purkinje-cel, in het andere de toekomstige korrelcel van de cerebellum-schors. Ook in het centraal-areaal vinden wij nu rijpere cellen, welke groter, renderen lichter van kleur zijn met duidelijke kern en nucleolus, en uitlopers, welke allen min of meer in één richting wijzen. Zoals wij reeds bij het embryo van 18 dagen opmerkten, vormen deze cellen ook nu nog een in alle richtingen samenhangend geheel. Eenenkeie opmerking zouden wij nog willen maken over het velum médullaire anterius ter hoogte van de overgang naar het mesencephalon, gevormd door de dakplaat van de isthmus van het rhombencephalon. Deze dakplaat, hoewel geen neiging vertonend om zich te vormen tot een tela chorioidea, blijft dun. De daarin aanwezige matrix vertoont nooit een belangrijke proliferatieve activiteit. Inde voorgaande stadia was dit dorsale overgangsgebied tussen het rostrale einde vande ruitüjsten het dorsale gedeelte van het mesencephalon vrij kort en weinig opvallend. Bij 19 dagen echter zien wij, dat deze brug langer is geworden en bij de veidere ontwikkeling zullen wij zien, dat deze voor-achterwaartse verlenging steeds sterker wordt en het frontale oppervlak van het cerebellum hier overheen gaat uitpuilen. Ook inde caudale lijst zijn weinig opvallende veranderingen te zien. Het meest interessante gebied vormt het areaal van de ponskernen. Op de top van de ponsbocht vormen zij nu een vrij aanzienlijke cel-ophoping, waarin wij duidelijk twee typen cellen kunnen onderscheiden (Plaat V, 3). Langs de periferie ligt een dikke laag van fusiforme, kleine, donkergekleurde jonge cellen, die zich zijwaarts naar achteren uitbreiden en kennelijk de ponsmatrix vormen. De overige meer centraal gelegen cellen zijn groter en ronder en in alle opzichten verder gedifferentieerd. Zij vormen de cellen, welke reeds eerder door de matrix hierheen werden gebracht en vanuit deze matrix tegen de randzone, welke in plaat V, 3en4 alseen lichte zone overde ponskernmassa heenloopt, worden aangedrukt. Schuin naar achteren en iets meer ventraal van het ponsareaal, vinden wij nu aan de binnenzijde van de randzone in de medulla, een ovale celmassa, het kt-rnareaal van de N. V. en meer caudaal daarvan ligt weer een andere anders geformeerde celgroep, waarin wij de formaties van de olijf en de nuclei arcuati herkennen. Vergelijken we de positie van de olijf en de ponsmigratie ten opzichte van de wigvormïge punt van de fossa rhomöoidea met die van de voorgaande stadia, dan valt op, dat er een rostraalwaartse verplaatsing van beide structuren plaats heeft gehad, een soort rostrale rotatie van het basale areaal van het rhombencephalon. Wij komen hier later op terug. 35

41 Embryo 20 dagen. Serles 242A en В, haemafoxyline Serie 254, haemaloxylme Serie 261, Ranson sagittaal Serie 262, Ranson sagittaal Serie 271, Ranson frontaal Op de 20e dag zijn het vooral de Ranson-series die onze aandacht vragen. Inde haematoxyline-serieszien wij, afgezien van een volumetoename, geen opvallende veranderingen in de uitwendige en inwendige bouw van het cerebellum en de pons. Het cerebellum is nog steeds regelmatig van oppervlak, met uitzonderingvan de fissura postero-lateral is, die de grens aangeeft tussen het cerebellum ende lobus flocculo-nodularis. De schorsaanleg is in dikte toegenomen. Het centrum van het cerebellum wordt bijna geheel ingenomen door de centrale kernmassa, die wat onregelmatiger van contour is geworden. In de hersenstam zelve ontdekken wij de goed ontwikkelde kernen van de N. trochlearis, de N. trigeminus, de N.abducens en de N. facialis. De pons is breder en dieper geworden, de rest van de nucleus parabulbaris is daarentegen vrijwel hetzelfde gebleven. Aan de dorsale zijde onder de caudale lijst is het tuberculum acusticum, alsook het vestibulaire kernareaal sterk in omvang toegenomen. Meer basaal zien wij tussen de ponsen de facialiskern de oliva superior, terwijl caudaal van de facialiskern een weinig omschreven groep van kleine cellen, naar wij menen tezamen de nuclei arcuati vormend, zich caudaalwaarts voortzet onder langs de oliva inferior tot aan de nekbocht. De Ransonprae parate η zijn echter interessanter, aangezien zij een duidelijke rijping te zien geven van talrijke vezelsystemen van en naar het cerebellum, die in voorgaande stadia niet of slechts even te zien waren. De verschillende vezelsystemen laten zich vrij duidelijk van elkaar onderscheiden, niet alleen door het verschil in kaliber van de vezels, maar ook door het verschil in impregnatie. Sommige systemen zijn intensief zwart, andere lichtbruin tot bruin geïmpregneerd. De secundaire cochlearis-vezels b. v. blijken dik en zwartte zijn, de vestibulaire vezels dun en bruin en de dorsale spino-cerebellaire vezels weer dik, maar lichtbruin. De sterke kromming van het rhombencephalon en van de ruitlijst-derivaten maakt het daarentegen weer minder gemakkelijk de vezelsystemen in hun geheel te volgen. De sagittale series blijken in dit opzicht eenvoudiger te zijn dan de frontale series. Reden waarom wij eerst de vezelsystemen zullen beschrijven aan de hand van een van de sagittale Ransonseries om daarna nog enkele punten, die in de frontale series beter te zien waren, nader toe te lichten (fig.ó). Vervolgen wij de coupes in de sagittale serie van mediaal naar lateraal, danzienwii inde precies mediane coupe uiteraard alleen kruisende vezels. Deze onderscheiden wij in het dakgedeelte van de isthmus, tussen mesencephalon en cerebellum, het latere velum medulläre anterius. Aan de basis vinden wij vlak achter de pons ook nog een areaal met intensief gekleurde kruisende vezels, het corpus trapezoides. Wanneer wij dit basale gedeelte voorlopig buiten beschouwing laten en onze aandacht richten op het dorsale gedeelte, het cerebellaire areaal dus, dan kunnen wij daar constateren, dat de dorsale kruisende vezels ter hoogte van de isthmus de eerste aanduiding vormen van wat in de literatuur wordt aangeduid als de commissura cerebelli. Een naam, die op dit ogenblik echter de feitelijke toestand niet juist weergeeft, daar deze kruising geheel buiten het cerebellum ligt. Commissura dorsalis isthmi (de ventrale commissuur in het isthmus-gebied wordt 36

42 gevormd door de decussatio van de brachia coniunctiva) lijkt ons dan ook voorlopig een meer geëigende benaming (zie ook stadium van 4 dagen postnataal). In deze commissuur laten zich nu 2 bundels onderscheiden, een dorsale zwart geïmpregneerde bundel, die enigszins schuin naar rostraal verloopt, en een ventra- Ie lichter gekleurde geïmpregneerde bundel, die wat naar boven en naarcaudaal wegloopt. Vervolgen wij de beide bundels naar lateraal, dan blijkt de eerste bundel zich naar het mesencephale vleugelplaatgebied te begeven, zodat wij hier te maken hebben met de tecto-cerebellaire component van deze commissuur, zoals overeenkomt met de beschrijving van LARSELL(1947) bij het humane embryo. De andere component blijkt te komen uit het voorste deel van de vermis cerebelli, waar zich meer lateraal vezels bijvoegen, die niet kruisen. Uit het verdere verloop van deze vezels menen wij te mogen opmaken, dat wij hier te maken hebben met de ventrale tractus spino-cerebellaris, die langs de buitenzijde van de isthmus van ventraal af naar boven verloopt en dus deels kruisende, deels niet kruisende vezels bevat, die naar het voorste deel van de vermis en het daaraan grenzende gebied van het cerebellum gaan. Wanneer wij deze serie naar lateraal vervolgen, stoten wij in de commissuur op nog een component, bestaande uit licht geïmpregneerde vezels, welke enerzijds te vervolgen zijn tot in het mediale kerngebied van het cerebellum, anderzijdseen weg volgendie lateraal om het brachium coniunctivum heen naarbeneden loopt,dan naarcaudaal ombuigt en doorloopt tot in het voorste vestibulaire areaal. Deze bundel is de fasciculus uncinatus. Het brachium coniunctivum, waarover wij zojuist spraken, verschijnt in onze serie bijcoupe 302 (fig. 6). In het cerebellaire kerngebied beginnend in de vorm van kleine bundels convergeren deze vezelstot een duidelijke, goed geïmpregneerde bundel, die voor- en bovenlangs de mesencephale kern van de N. trigeminus heen naar rostraal en basaal verloopt. Even voorbij de mesencephale trigeminuskern, waarvan de grote blazige cellen direct opvallen, zien wij een duidelijke bifurcatie van de vezels optreden. Een deel hiervan vervolgt zijn weg naar rostraal en gaat de mediaanlijn kruisen op zijn weg naar de nucleus ruber, die op dit moment nog maar heel flauw is aangeduid, het andere gedeelte der vezels buigt naar caudaal om, kruist niet en verdwijnt in het nog maar zeer vaag omschreven reticulaire areaal van de hersenstam. Deze reticulaire formatie is nog maar weinig gedifferentieerd, al vallen enkelegrote pyramidale cellen wel op. Hetiseen bekend probleem, waarop wij hier niet nader willen ingaan, in hoeverre wij hier te maken hebben met een echte bifurcatie van de vezels zelf of van een uiteengaan van een kruisende en van een niet-kruisende component van deze bundel. Wij menen echter, dat in onze preparaten ongetwijfeld een echte vertakking van de vezels valt waar te nemen. Daar, waar de vezels van het brachium coniunctivum voorlangs de mesencephale trigeminuskern lopen, buigt een deel van deze kern naar dorsaal in de richting vun het cerebellum. Wij hebben echter niet vast kunnen stellen of van hieruit, of erlangs, vezels van de trigeminus naar het cerebellum lopen. Ook andere auteurs laten zich over het bestaan van trigemino-cerebellaire vezels uiterst vaag uit. De nucleus vestibularis superior, een kleine kern met nog weinig ontwikkelde neuroblasten, bevindt zich ineen driehoek gevormd door het brachium coniunctivum, de mesencephale trigeminuskern, en de voorrand van de fossa rhomboidea. Vanuit deze kern zien wij uiterst fijne zwarte vezeltjes langs de ventrikelwand naar boven lopen, en opeen goed moment naar caudaal ombuigen in het gebied van de nodulus. Deze vestibulo-cerebellaire vezels uit de nucleus vestibularis superior laten zich door hun verloop en door hun kaliber duidelijk onder- 37

43 scheiden van de overige vestibulo-cerebellaire vezels uit de rest van het vestibulaire kernareaal. Dit areaal verschijnt in coupe 336 en neemt een, in voorachterwaartse richting, vrij uitgebreid gebied in. Caudaalwaarts verlaten hier de vestibulo-spinale vezels het vestibulaire kernareaal, rostraalwaarts de vestibulo-cerebellaire vezels, die in een boog om de spitse bodem van de fossa rhomboidea heenlopen. Aan hun buitenkant worden deze laatste vezels geflankeerd door een brede bundel van licht-geimpregneerde dikke vezels, die van geheel caudaal afkomend tot in het cerebellum zijn te vervolgen, de tractus spino-cerebellaris dorsal is. Lateraal van deze bundel vinden wij wat donkerder geïmpregneerde vezels, fijner van formaat, waarop de herkomst pas in de frontale serie duidelijk wordt. Daar zien wij namelijk, dat deze vezels uit de oliva inferior afkomstig zijn. Na de mediaanlijn gekruist te hebben, lopen deze olivo-cerebellairevezelsdoor de andere olijf heen, buigen onder langs de spinale trigeminusbundel naar dorsaal en leggen zich tenslotte lateraal van de spinale cerebellaire vezels om tezamen daarmee het cerebellum te bereiken. Terugkerende tot de sagittale serie, zien wij geheel lateraal het cochleaire areaal optreden. De dorsale kern verschijnt in coupe 312 dorsaal van het vestibulaire areaal, om dan geleidelijk groter te gaan worden, waarna hij een geheel gaat vormen met de ventrale kern, die een zeer grote uitbreiding heeft, en aanzienlijk verder is gedifferentieerd dan de dorsale kern. Vrij dikke zwarte vezels verlaten deze kern mediaanwaarts. In de frontale series kunnen wij deze vezels vervolgen tot in de oliva superior en daarlangs tot in hun kruising, waar zij het corpus trapezoides vormen, dorso-caudaal van de pons. Voorbij hun kruising vormen zi j weer een duidelijke bundel, die naar voren en dan scherp dorsaal buigt in de richting van het dorsale mesencephalon. Deze vezels vormen de lemniscus lateralis, die zich dus reeds vroeg scherp aftekent. Over het vezelpatroon van het cerebellum zelf zouden wij willen opmerken, dat de rijping van de schors te zien is aan het voorkomen van donker geïmpregneerde Purkinje-cellen. Deze worden omgeven door een warrig net van vezeltjes. Deze rijping van de schors is niet over de hele schors gelijk. Uit voorgaande stadia weten we, dat de uitlopers van de Purkinje-cellen de cellen van de centrale kernmassa bereikt hebben, maar waar zij nu doorkruist worden door de veel zwaardere vezels van de spino- en vestibulo-cerebellaire vezels, die zich een weg banen naar de schors, door en om de kernmassa heen, zijn deze uitlopers niet meergeheel te vervolgen. Opmerkelijk zijn de zo nu en dan waarneembare, lange en vrij goed geïmpregneerde vezels, die niet afkomstig zijn van deze binnenkomende vezelsystemen en die in sagittale richting te volgen zijn van het voorste naar het achterste cerebellaire schorsgebied of andersom. Zij maken de indruk van lange associatieve vezels. Wat de derivaten van de caudale lijst betreft, daarover kunnen wij kort zijn. Al is de pons in omvang sterk toegenomen, toch zijn er nog steeds geen vezels te vinden, die de voorlopers zouden kunnen zijn van de toekomstige ponto-cerebellaire projectie. Bove η lang s wordt de pons afgegrensd door de lemniscus medialis mediaal en door de corticobulbaire en corticospinale vezels vanuit de peduncu lus cerebri meer lateraal. Corti co-ponti ne vezels laten zich nog niet onderscheiden (zie stadium 4 dagen postnataal). De nucleus parabulbaris ter hoogte van het tuberculum acusticum vertoont evenmin enige vezelontwikkeling. 38

44 Embryo 21 dagen. Serie 243A, В, haemaloxyline Serie 243A, Ь, KlUver-Barrera Serie 243A, c, cresylfast-violet Serie 243A, d, Nauta Serie 243A, e, Woelcke Daar de praenatale ontwikkel ing bij de witte rat 21 dagen bedraagt, hebben wij ook deze dag nagegaan, omdat het ons nziens belangrijk is vast te stellen of er, juist praenataal, nog belangrijke veranderingen optreden. Deze veranderingenzijn er wel, maar betreffen niet zozeer de bouw van het cerebellum, pons en nucleus parabulbaris, als wel de differentiatie van het celbeeld. Er is een opvallende verscherping van het celbeeld. De zoeven nog wat wazige contouren van de cellen als ook van hun kernen en nucleoli treden scherper naar voren en de celuitlopers zijn duidelijker zichtbaar. Wat het oppervlak van het cerebellum betreft, zien wij de fissura posterolateral is scherp zich aftekenen tegen het overige cerebellum, waarin geen duidelijke fissuren zijn waar te nemen, hoewel het oppervlak wel aanduidingen hiervoor geeft. Dit staat in tegenstelling met de waarnemingen van ACIRON(1950), die bij Mus Rattus wel op de 21e dag een fissuratie beschreven heeft. De activiteit van de primaire matrices is practisch geheel verdwenen, in scherpe tegenstelling tot de activiteit van de secundaire matrices. Met name de secundaire matrix in de rostrale lijst is actiever geworden. In de caudale lijst blijft de activiteit van de secundaire matrix wel aanwezig, zoals wij aan het voortduren van de pontine-migratie kunnen vaststellen, maar intensiveert zich niet. 39

45 De praenatale ontwikkeling van de ruitlijst samenvattend, zien wij dat twee processen zich naast en door elkaar afspelen, te weten de celdifferentiaties en de differentiatie van de ve zei systemen, dit alles nog gecompliceerd door de sterke kromming van het rhombencephalon. De eerste differentiatie van de ruitlijst wordt gemarkeerd door het optreden van een primaire matrix en wanneer de activiteit hiervan enigszins is gevorderd, zien wij de secundaire matrix optreden. Deze eerste phase verloopt van de 12e tot de 16e dag. Gedurende de eerste phase van ontwikkeling wordt door de optredende ponsbochtkromming de ruitlijst verdeeld in een rostrale en een caudale ruitlijst, welke elk hun eigen ontwikkelingsgang volgen, die wij hier dan ook afzonderlijk zullen samenvatten. De rostrale ruitlijst vertoont aanvankelijk geen binnendringende vezels, maar bij het optreden van de secundaire rnatrix omstreeks de 16e dag, zien wij de eerste vestibulaire vezels hierin binnendringen. De tweede phase, van 16e tot 18e dag. Daarin zien wij naast de primaire matrix de secundaire matrix optreden op de 16e dag. Deze secundaire matrix ontwikkelt zich vanaf de taenia en breidt zich over het cerebellair oppervlak uit. Tijdensdeze groei zendt zij voortdurend jonge cellen uit in de rostrale ruitlijst. Inmiddels zien wij in deze phase de primaire matrix aan zijn dorso-caudale rand omknikken, waardoor er nu twee duidelijk te onderscheiden migraties zijn waar te nemen. De grootste hiervan is de migratie, welke zich omstreeks de 18e dag duidelijk boven de ventrale matrix aftekent en gaat worden tot de cerebellaire kernmassa, de andere migratie, welke zich uit de dorso-caudale rand van de primaire matrix ter hoogte van de omknikkingsrand hiervan ontwikkelt, levert de toekomstige Purkinje-cellen. Deze Purkinje-cellenlaag en de er door heen stromende cellen uit de secundaire matrix vormen samen de schorsaanleg. Bovendien zien wij omstreeks de 18e dag deze a.s. Purkinje-cellen meer het karakter van de Purkinje-cellen aannemen. In de tweede phase zien we aanvankelijk het binnendringen van de vestibulo-cerebellaire vezels omstreeks de 16e dag, daarna gevolgd door andere afferente vezelsystemen, waaronderde tractusspinocerebellaris, ventralis en dorsal is, ende tractus olivocerebellaris. Op de 18e dag zelf tenslotte volgen dan de duidelijke waarneembare intrinsieke cerebellaire vezels als kenmerkend beeld. Op de 18e dag kunnen wij dus onderscheiden in de rostrale lijst de centrale kernmassa, de schorsaanleg onder de secundaire matrix, de afferente vezels en tenslotte de intrinsieke cerebellaire vezels. De derde phase, van de 18e tot de 21e dag, vertoont weinig variatie meer in de celdifferentiatie, behalve dan een toename in aantal der cellen en een opeenhopen van Purkinjecellen in de schorsaanleg, als aanduiding van de toekomstige lobben. Door het optreden van efferente vezels zien wij op de 20e dag het aantal vezels gaan toenemen. Daarenboven kenmerkt deze 3e phase zich door de sterke vermindering van de activiteit van de primaire matrix. Óp de 21e dag, vlak voor de geboorte is de activiteit van de primaire matrix verdwenen, de daaruit gemigreerde cellen, te weten de cellen van de centrale kernmassa en de Purkinjecellen zijn van nu af qua aantal bepaald en hebben hun min of meer definitieve vorm en plaats bereikt. De activiteit van de secundaire matrix daarentegen neemt intensief toe. De afferente en efferente vezel verbindingen hebben zich gevormd, met uitzondering van de verbinding, welke vanuit de caudale lijst tot stand moet komen, te 40

46 weten de ponto-cerebellaire verbinding. De caudale lijst, waarin zich in de eerste phase eveneens een primaire en een secundaire matrix ontwikkelt, vanaf 16e dag, heeft in de tweede phase uit haar primai re matrix een kernformatie ontwikkeld, waarin wij de homologan willen zien van de centrale kernmassa van het cerebellum. Gezien haar ligging hebben wij deze 2e kern, de nucleus parabulbaris genoemd. Uit de secundaire matrix ontwikkelt zich een brede migratie-stroom, welke uiteindelijk aan de ventrorostrale zijde van de ponsbochtkromming terecht komt en zich daar ontwikkelt tot het complex geheel van de ponskernen. In de derde phase 18e tot 21e dag is de celdifferentiatie van beide onderdelen van de caudale lijst echter vlak voor de geboorte nog maar zeergering. Buiten nucleus parabulbaris en ponskernen ontwikkelen zich geen andere structuren uit de caudale lijst. Dat betekent, dat het tuberculum acusticum met zijn beide cochleaire kernen, de nuclei arcuati en de oliva inferior derivaten zijn van de vleugelplaat en niet van de ruitlijst of ruitlip, zoals door verschillende auteurs is beschreven. Wèl heeft de ontwikkeling van het tuberculum acusticum de ligging van de nucleus parabulbaris beïnvloed. Wij onderscheiden derhalve in de praenatale ontwikkeling 3 phasen. De eerste strekt zich uit vanaf de 12e dag tot de 16e dag, de tweede van de 16e tot de 18e dag en de derde phase van de 18e dag tot de geboorte. De postnatale ontwikkeling begint dus wat het cerebellum betreft, met een oppervlak, dat slechtseenenkelefissuurvertoont; de fissura postero-late ra lis, met een flauwe aanduiding van de toekomstige lobi door de locale concentraties van cellen in de schorsaanleg, die bestaat uit een dikke laag van Purkinje-cellen en granulaire cel lenen over het oppervlak een zeeractieve, dikke secundaire matrix. Alle afferente, efferente en intrinsieke vezelsystemen zijn aanwezig. In vergelijking hiermede is de differentiatie van de caudale lijst nog gering en zijn ook de afferente en efferente vezelverbindingen nog niet aanwezig. 41

47 De postnatale ontwikkeling van de Ruitlijst Uitgaande van de toestand, waarin de ruitlijst zicli op het moment van de geboorte bevindt, wordt de ontwikkeling van het cerebellum, de rostrale ruitlijst, na de geboorte bepaald door de intensieve groei van het oppervlak en van de daaronder liggende schorslaag, metals gevolg een karakteristiek complex van lobben en fissuren en een uiteindelijke drie-lagen schors. De centrale kernmassa neemt in omvang toe, wordt door talrijke vezels doorsneden, en verandert tenslotte van vorm. De aan- en afvoerende vezelsystemen zijn voorde geboorte practisch allen aanwezig, en nemen dan ook slechts in omvang toe. Hun verloop al leen wordt onder invloed van de standsverandering van het cerebellum en de strekking van de hersenstam enigszins gewijzigd. Van de caudale lijst, de pons en de nucleus parabulbaris, zien wij de ponskern duidelijk in omvang toenemen. Cortico-pontinevezels zullen gaan binnendringen, enmètde ponto-cerebellaire vezels de aanvankelijk compacte celmassa in celgroepen of "kernen" doen uiteenvallen. De nucleus parabulbaris zal geleidelijk gaan verdwiinen tot op een betrekkelijk kleine compacte kerngroep na, latero-dorseal van het tuberculum acusticum gelegen. Nadit summiere overzicht van wat er na de geboorte gebeuren gaat en wat zich vrijwel geheel binnen enkele dagen afspeelt, zullen wij op enkele aspecten nader ingaan. De postnatale ontwikkeling van het cerebellum wordt bepaald door de intense activiteit van de oppervlakkige of secundaire matrix. De primaire matrix, van waaruit de centrale kernmassa en de Purkinje-cellen ontstaan, is omstreeks de geboorte al uitgewerkt. Wij zien dan ook geen toename meer van het aantal cellen van de centrale kernmassa noch van de Purkin- e-cellen. De secundaire matrix, vóór de geboorte 2-3 cellen dik, neemt na de geboorte tot het drievoudige toe. In grote getale migreren de toekomstige korrelcellen van hieruit door de schorsaanleg heen en vormen daaronder een steeds dikkerwordende laag van korrelcellen. Deze migratie is echter over het gehele oppervlak nietgelijkmatig. Op sommige plaatsen wordt deze korrellaag veel dikker dan op andere plaatsen, hetgeen blijkt samen te hangen met het ontstaan van de voor het latere cerebellum zo karakteristieke oppervlakte-configuratie met zijn talrijke lobben en fissuren. Het ontstaan hiervan gaat bijzonder snel. Geheel in overeenstemming met het onderzoek vanaddison(1 911 ), menen wij, dat op de 6e dag postnataal alle fissuren van het cerebellum zijn gevormd, terwijl op het moment van de geboorte, behalve de fissura postero-lateral is, geen andere fissuur nog aanwezig is. Wij zullen hier niet nader ingaan op de ontwikkeling van het patroon van de fissuren en lobben, omdat deze ontwikkeling reeds uitvoerig door Larsell in 1952 is beschreven, en wij aan deze voortreffelijke beschrijving niets hebben toe te voegen. Volledigheidshalve willen wij hier in het kort zijn bevindingen weergeven. Overeenkomstig zijn onderzoekingen bij het vogel-cerebellum verdeelt hij de vermis van de rat in aantal lobben, genummerd van I tot en met X, welke verdeling naar zij η mening ook van toepassing is voor het cerebellum van andere zoogdieren en ook van de mens. Lobus I komt overeen met de lingula van de descriptieve nomenclatuur betreffende het cerebellum, lobus ll-lll met de lobus centralis, lobus IV-Vmet het culmenen lobus VI met het declive. Lobus VII komt overeen met folium en tuber vermis samen. Lobus VIII met de pyramis, lobus IX 42

48 met de ovula en lobus X tenslotte met de nodulus. Verwijzend naar de onderzoekingen van ACIRON(1950) van embryonale stadia beschrijft hij in zijn eigen onderzoek van jonge ratten wat de fissuren betreft de volgende volgorde van ontstaan. In de vermis ontstaat als eerste de fissura posterolateralis op de grens van de lobus floculonodularis en het corpus cerebelli, dan de fissura prima, welke - voordat in de vermis verdere lobusvorming optreedt - het corpus cerebelli verdeelt in lobus anterior en posterior en daarna tussen de lobben V en VI in komt te liggen. De fissura praeculminata, tussen de lobben II en III (lobus centralis) enerzijds en de lobben IV en V (culmen) anderzijds, volgt daarna. Vervolgens de fissura secunda tussen lobus VIII en IX, de fissura praepyramidalis tussen lobus VII en VIII. Daarna ontstaat de fissura intercentral is tussen de lobben II en III, de fissura praecentralis tussen de lobben I en II, de fissura intraculminata tussen de lobben IV en Ven tenslotte de fissura posterior superior tussen de lobben VI en VII in de lobus posterior. De fissuren van de lobus anterior cerebelli beginnen mediaal en lopen, naarmate het cerebellum uitgroeit, naar lateraal. De meeste fissuren van de lobus posterior cerebelli echter bestaan aanvankelijk uit een fissuur in de vermis en uit een fissuur in het laterale deel van het cerebellum, welke later samenvloeien. De groei van de cortex treedt het eerst op in de vermis, daarna in de hemisferen en het laatste in het gebied, waarin de paramediane fissuur verloopt, welke vermis en hemisferen van elkaar scheidt en waarin de fissuren van de vermis en de hemisferen in elkaar overgaan. Gedurende de groei eindigen de fissuren in een licht herkenbare marginale zone, terwijl bij de volwassen dieren deze zone aan de onderzijde van het cerebellum ligt. Na deze korte samenvatting van de ontwikkeling van het uitwendige oppervlak van het cerebellum keren wij terug naar het inwendige. Wat ons namelijk interesseerde was de invloed, welke deze oppervlaktevergroting heeft op de Purkinje-cellen, waarvan het aantal immers bij de geboorte door het verdwijnen van de primaire matrix bepaald is. Deze oppervlaktevergroting geeft een verandering van het oppervlak. Het aantal vezels, zowel aan- als afvoerende, neemt sterk toe, zodat hierdoor de afstand tussen de Purkinjecel lenen de centrale kernmassa toeneemt. Door de steeds groter wordende stroom korrelcellen, welke vanuit de secundaire matrix in het cerebellum stromen, worden de Purkinje-cellen, welke aanvankelijk inde primaire schorslaag tussen de granulaire cellen inliggen, naar het oppervlak toe gedrongen. Zodoende vormen zij op de Ie dag na de geboorte een niet geheel aaneengesloten laag van grote nog weinig gerijpte cellen boven op de granulaire laag. De centrale kernmassa gaat op deze dag uitstulpingen vertonen, welke een zekere relatie blijken te hebben met de veranderingen in de oppervlakte-configuratie. Op de 2e dag na de geboorte is de situatie niet veel veranderd. De Purkinje-cellen vormen een onregelmatige laag, 2-3 cellen dik, dicht tegen de secundaire matrix aan. Het vezelpatroon laat evenmin veranderingen zien (Plaat VII, 1 en 2). Van myelinisatie is nog steeds geen sprake. Het mediale kerngebied vertoont in zijn caudale gedeelte een duidelijke uitstulping naar dorsaal, onmiskenbaar samenhangende met de veranderingen in het mediane oppervlak, dat met talrijke vezels met dit mediale kernareaal in verbinding blijkt te staan. 43

49 Op de 4e dag na de geboorte (Serie 244 A,B, Haematoxyline, Serie 401, 402, Ranson)ishet beeld, wat de schorslaag en het oppervlak betreft,weinig veranderd. Inde kernmassa ser naast de hierboven beschreven uitstulping in het mediale gebied ook eenuitstulping opgetreden van het rostro-laterale areaal. In dit laterale areaal zien wij bovendien een zekere groepering van cellen in kleinere groepen, waardoor het laterale gebied een guirlande-achtig aspect verkrijgt. Iets langer willen wij stil staan bij de Ranson-series (serie 401 en 402) om na te gaan, welke veranderingen zich hebben voorgedaan in de aan- en afvoerende vezelsystemen van hetcerebellum. Bij de beschrijving van de 20e dag praenataal hebben wij kunnen constateren, dat dan al Ie systemen aanwezig zijn, zodat wij in dit opzicht niet veel nieuws te verwachten hebben. Wel zien wij, dat een aantal systemen, wat hun verloop betreft, veranderd zi jn, samenhangend met de strekking van de hersenstam. Inde sagittale coupes valt namelijk direct op, dat in de 4 dagen, sedert de geboorte verlopen, de nekbocht en de kruinbocht bijna ge heel verdwenen zijn.het cerebellum is hierdoor en door zijneigen volumetoename naar rostraal teruggekanteld en heeft hierdoor de dorsale commissura isthmi mee naar binnen getrokken, v/aardoor wij nu inderdaad vaneen commissura cerebelli kunnen spreken. Hierdoor is tevens het velum medulläre anterius aanzienlijk langer en dunner geworden. In het voorste gedeelte hiervan zien wij dan alleen maar de kruisende trochlearisvezels en verder treffen wij hier de weinig talrijke tecto-cerebellaire vezels aan. Met de rostraalwaartse kanteling van het cerebellum wordt ook het dak van het mesencephalon naar voren gedrukt en wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken, dat hierdoor mede de dwarse plooiing veroorzaakt wordt tussen de colliculi inferiores en superiores en het beeld van de lamina quadragemina ontstaat. Hoewel de aan-en afvoerende systemen van het cerebellum in omvang zijn toegenomen, met name het brachium coniunctivum, vertonen zij niet veel verandering in hun verloop. Het meest opvallende is wel het verschijnen van de ponto-cerebellaire vezels. De pons is aanzienlijk in omvang toegenomen en heeft vooral een uitbreiding naar lateraal gekregen. De daarboven verlopende corticobulbaire en -spinale vezels vormen nu een forse bundel en drukken de ponsformatie als het ware van boven af in elkaar, waardoor beide ponshelften een halvemaan-vormig uiterlijk hebben. Deze vezels komende uit de pedunculus cerebri lopen gedeelte lijk door het dorsale deel van de pons heen en wij zien nu hoe zich hieruit vezels losmaken, die in het dorsale en in het caudale deel van de pons gaan uitwaaieren. Uit dit zelfde deel van de pons, dat blijkbaar de meest ontwikkelde cellen bevat, terwijl de jongste cellen meer oppervlakkig gelegen zijn, zien wij nu ook zeer fijne vezels de mediaanlijn kruisen en zich begeven naar de tegenovergestelde laterale onderrand van de pons om van daaruit naar boven om te buigen inde richting van het cerebellum. Hierbij liggen zij eerst lateraal van de lemniscus lateralis, dan passeren zij de instralingszone van de N. V. en bereiken, vóór langs het tuberculum acusticum gaande, hetcerebellum dat zich met zijn voorste gedeelte aan weerskanten over het sthmusgebied heeft uitgebreid. Deze ponto-cerebellaire vezels zijn nog zeer dun en weinig geïmpregneerd. Zij vormen pas een eerste begin van het brachium pontis. De rest van de pontine-migratie is nauwelijks meer aanwezig, wat er op wijst, dat de migratie en de activiteit van de secundaire matrix sterk aan het afnemen is. De parabulbaire kern ligt nu als een dunne cel laag over het sterk ontwikkeld tuberculum acusticum heen. Deze parabulbaire kern hebben wij praenataal waargenomen als een kleine uitstulping lateraal op het tuberculum acusticum (zie fig dagen) en deze uitstulping is nu door het groeiende tuberculum acusticum recht gestreken, maar toch nemen wij hier de aanhechting van de tela chorioidea duidelijk waar. Ve- 44

50 zeldifferentiatie hierin is nauwelijks te beoordelen. Wanneer wij nog even stilstaan bij de oliva inferior en de nuclei arcuati, dan zien wij deze laatste als een klein groepje cellen, geheel langs de basis van de medulla, caudaal van de nucleus facialis. Fijne vezeltjes zien wij van hieruit langs de zijrand van de medulla naar boven verlopen, waar zij hun weg vervolgen tussen de spinale trigeminusbundel en het corpus restiforme. Zij buigen daar naar mediaal om, maar wij hebben niet kunnen verifiëren waar zij terecht komen. Volgens gegevens uit de literatuur zouden zij met het corpus restiforme het cerebellum bereiken. De oliva inferior is een duidelijk celcomplex geworden, waarvan de vezels op hun weg naar het cerebellum zijn te vervolgen. In het cerebellum zelf is het vezelpatroon nu zo gecompliceerd geworden, dat het niet doenlijk isde verschillende systemen tot in hun eindiging te vervolgen. De commissura cerebelli is in de sagittale coupes te onderscheiden, alsmede de componenten waaruit hij is samengesteld. Naast de zeer fijne zwarte tectocerebellaire vezeltjes zien wij in deze commissuur de kruising van de fasciculus unc'natus en van de tractus spino-cerebellaris ventralis. Wij hebbende indruk dat niet alle vezels van deze beide bundels kruisen, maar geheel zeker zijn wij hieromtrent niet kunnen worden (Plaat VII, 3 en 4). Opmerkelijk is tenslotte dat geen van de betreffende vezelsystemen in de Klüver-Barrera series een noemenswaardige myelinisatie vertoont. Deze zal pas manifest worden op de 10e dag na de geboorte. Daar het beeld op de 6e dag postnataal maar weinig opmerkelijke veranderingen biedt, vragen wij de aandacht voor de 8e dag postnataal. Inde series van de 8e dag na de geboorte (Series 247A en B, Haematoxyline. Series 241, 242, Ranson)ishet voornamelijk het centrale kernareaal, dat onze aandacht opeist. Bij het vervolgen van de frontale series vanrostraal naar caudaal, zien wij eerst het rostro-lateraal areaal van de kernmassa verschijnen, welke bij het verder vervolgen een samenhangend geheel gaat vormen met de overige kernmassa. Wij zien hoe deze kernmassa een groot gedeelte van het inwendige van het cerebellum inneemt en vooral de uitbreiding naar mediaal is opvallend. Verder naar caudaal gaande zien wij hoe deze kernmassa zich in afzonderlijke uitstulpingenvoortzet, zodat in het meest caudale gebied op een frontale doorsnede de indruk ontstaat van afzonderlijke kernen. Deze indruk wordt nog geaccentueerd door het sterke afnemen van het laterale kernareaal. Inde schorslaag, waarvan de configuratie steeds meer op de volwassen toestandgaat lijken, valt op, dat er meer ruimte is gekomen tussen de Purkinje-ceilaag en de secundaire matrix, die nog steeds zeer actief is en cellen uitzendt naar de granulaire laag. De Purkinje-ceilaag is dunner geworden en neemt meer het karakter aan van een eencellige laag, waarvan de cellen (nog) dicht bij elkaar zijn gelegen. Op de 10e dag na de geboorte (Serie 234Aen B, Haematoxyline, 234A, b, Woelcke, 234A, c, Klüver-Barrera, cresylviolet,serie 234B, l,kluver- Barrera) is er weinig verandering in het beeld te bespeuren, maar in de Klüver- Barrera series blijkt de myelinisatie op gang te zijn gekomen. Deze myelinisatie is echter meer uitgesproken in de hersenstam dan in het cerebellum zelf. De aan- en afvoerende banen van het cerebellum zijn in vergelijking met bijvoorbeeld de tractus trigemino-spinalis en vestibulo-spinalis nog maar weinig gemyeliniseerd. 45

51 Wat de pons betreft is de myelinisatie van de cortico-spinale vezels reeds veel verder gevorderd dan die van de cortico-pontine en de ponto-cerebellaire vezels. De schorslaag is dikker geworden en ook de lobi zelf zijn in omvang toegenomen. Inde pons zien wij bij het vervolgen van rostraal naar caudaal in de frontale serie hoe de meest rostraal gelegen ponscellen een groot samenhangend geheel vormen, dat meer caudaal verandert in twee halve-maan-vormige celgroeperingen aan weerszijden van de mediaanlijn. Daarachter zien wij, dat door de nu duidelijk optredende dwarsverlopende vezelbundels steeds meer cellen in groepen worden geïsoleerd, waardoor het ontstaan van aparte ponskernen wordt gesuggereerd. De nucleus parabulbaris blijkt steeds meer alleen voor te komen ver rostraal, lateraal van het tuberculum acusticum. Op de 20e dag na de geboorte (Serie 235Aen B, Haematoxyline, Serie 235A, c, Klüver-Barrera, Serie 235A, B, Woelcke, erythrosine) zien wij dat de secundaire matrix uitgeput begint te raken. Deze is nog maar 1-2 cellen dik. De moleculaire laag van de schors is nu duidelijk aanwezig en is in vergelijking met de 10e dag meer dan verdubbeld. De Purkinje-cellaag is uitgedund, als het ware uiteen getrokken mét de vergroting van het oppervlak, waardoor de afstand tussen de cellen is toegenomen. De centrale kernmassa is nog steeds één samenhangend geheel, zoals inde meest rostrale coupes direct opvalt. In de meer caudale coupes krijgen wij meer de indruk van afzonderlijke kernen, van elkaar door bundeisen vezelsgescheiden. Afgaande op deze vezelbundels krijgen wij de indruk dat het mediale kernareaal, wij wezen daar reeds eerder op bij het stadium van de 8e dag postnataal, voornamelijk verbindingen heeft met het mediale schorsareaai. Het laterale gedeelte vertoont meer relatie tot het laterale gedeelte van het cerebel lum, terwijl het daartussen gelegen gebied de indruk maakt met de intermediaire schorsarealen verbindingen te hebben. De uitstulpingen van het kerngebied in dorso-mediale, resp. laterale richting, wijzen hierop eveneens. De nucleus parabulbaris is nog slechts een kleine, slechts enkele vezels bevattende strook van kleine cellen, welke wij lateraal en dorsaal van het zeer sterk ontwikkelde tuberculum acuslicum aantreffen (Plaat VII, 5 en 6). Inde pons is door de toegenomen vezelrijkdom en de myelinisatie hiervan, het beeld van de afzonderlijke kerngroeperingen nog geaccentueerd, evenwel weinig veranderd in vergelijking met vorige stadia. Opde40e dag na de geboorte (Serie 240A, a, Haematoxyline, 240 A,b, Woelcke,erythros!ne, 240Λ, с Klüver-Barrera) vertonen cerebel lum en pons het volwassen beeld. In het cerebellum vormt de kernmassa een weliswaar onregelmatig gevormd, maar toch samenhangend geheel. Van rostraal naar caudaal gaande zien wij eerst de rostro-laterale uirstulping van dit kernareaal, daarna een groot samenhangend gebied. Naar caudaal verdergaande, zien wij eerst een afzonderlijke uitstulping van het mediale, daarna van het intermediaire kerngebied optreden. Het laterale areaal neemt snel in omvang af, maar de mediale kerngroep blijft nog vrij lang in onze coupes te zien. Er is onmiskenbaar een samenhang van de ogenschijnlijk afzonderlijke kernen. In de schors is de secundaire matrix verdwenen. De moleculaire laag is zeer dik en in de Purkinje-cellaag liggen de cellen nu vrij ver van elkaar af. Deze vezels zijn nu volledig gemyeliniseerd. De ontwikkeling van het cerebellum is voltooid. Inde volwassen pons zien wij een rostraal samenhangend kerngebied, waar- 46

52 inde cortico-pontine vezelbundels binnenstromen, die hierin een mediaal en een ventraal areaal hebben doen ontstaan. Deze beide kernarealen blijven echter basaal en caudaal met elkaar samenhangen. Geheel caudaol vertoont een klein groepje cellen de neiging om langs de laterale rand van de binnenstromende cortico-pontine vezels naar dorsaal te gaan, zodat zich hier een afzonderlijk dorso-lateraal areaal vormt. Het gehele ponsareaal blijkt dus duidelijk een samenhangend geheel te blijven vertonen. Nu hiermede de beschrijving van de ontwikkeling van de ruitlijst en zijn derivaten voltooid is, willen wij nu overgaan tot een samenvattende beschouwing van deze ontwikkelingsgang. 47

53

54 HOOFDSTUK III SAMENVATTENDE BESCHOUWING VAN DE GEGEVENS VERKREGEN UIT HET ONDERZOEK VAN DE SERIES De ontwikkeling van de ruitlijst begint op de 12e dag na de conceptie. Het rhombencephalon is dan nog geheel gestrekt, maar vertoont al wel een wijd lumen als voorloper van de latere ruitgroeve of fossa rhomboidea. Het dak van deze groeve wordt gevormd door een dunne tela chorioidea, die zich zijwaarts vasthecht aan een driehoekig gevormde lijst van dicht opeengepakte kleine cellen boven op de overeindstaande vleugelplaten. In deze vleugelplaat laten zich matrix, mantellaag en randzone onderscheiden. De randzone zet zich echter niet voort langs deze ruitlijst en zal dit ook in latere stadia niet gaan doen. Een opmerkelijk feit, dat blijkbaar aan andere onderzoekers van dit gebied ontgaan is, althans niet door hen beschreven is. Toch is uit ons onderzoek gebleken, dat dit gegeven uiterst belangrijk is. Immers hierdoor is het mogelijk gebleken het areaal van de ruitlijst en de zich daaruit ontwikkelende structuren duidelijk te blijven onderscheiden van de vleugelplaat en de derivaten daarvan. Wij zijn het dan ook enerzijds wel eens met HlS, ESSICK en andere onderzoekers, dat deze structuur een onderdeel is van de vleugelplaat, maar anderzijds menen wij dat dit gebied zich van meet af aan van de vleugelplaat onderscheidt door zijn eigen ontwikkelingsgang te volgen buiten de randzone van de neuraalbuis, endat hierdooralle migraties die ervan uitgaan zich principieel onderscheiden van alle andere migraties in de neuraalbuis en wel door hun positie buiten de randzone. Als gevolg hiervan zijn wij tot enige andere inzichten gekomen betreffende deze migratiesen hun samenhang met andere celmigraties, welke zich in dit gebied voordoen, te weten de olijf-migratie en de migratie van de nuclei arcuati. Wij komen hierop nog nader terug. Zeer bewust is door ons aan deze structuur de naam ruitlijst gegeven, waar HlS - en na hem alle andere onderzoekers - spreken van "Rautenlippe" of "Rhombic lip". Hoewel ook HARKMARK( 1954) heeft opgemerkt dat bij de lagere zoogdieren geen lipstructuur voorkomt heeft hij daaraan geen verdere aandacht besteed. Wij zijn tot dit afwijkende standpunt gekomen omdat wij een lipstructuur bij de witte rat in het rostrale of cerebellaire gedeelte in het geheel niet zijn fegen gekomen, terwijl in het caudale gedeelte slechts over een beperkt gedeelte een ipvormige omkrulling werd waargenomen. Deze lipstructuur, waarvan het optreden, ons inziens, vrijwel geheel bepaald wordt door mechanische factoren, komt overeen met de lipstructuur door HlS bij humane embryonen waargenomen. Onder invloed immers van de toenemende nekbochtkromming gaan de vleugelplaten naar binnen draaien, ende zich hierop bevindende ruitlijst wordt gedwongen deze beweging te volgen. Wij hebben reeds eerder uiteengezet (Hoofdstuk II) hoe dit proces is na te bootsen aan de hand van een buis van plastisch materiaal (fig.l). 49

55 Bij het ontstaan van de ponsbochtkromming komen het rostrale en caudale deel van het rhombencephalon naar elkaar toe en de wanden van het wijde lumen wijken uiteen, waardoor de fossa rhomboidea ontstaat. De zich op de dorsale rand van de vleugelplaat bevindende lijst valt hierdoor uiteen in een rostrale en caudale lijst, die echter langs de recessus lateralis, ter hoogte van de grootste breedte van het nu ruitvormige lumen, met elkaar blijven samenhangen. De knik in het rhombencephalon wordt op de 16e dag zo sterk, dat de rostrale en caudale vleugelplaten van de wand van het rhombencephalon vrijwel recht overeind komen te staan. Het voorste gedeelte wordt dan metencephalon genoemd, het caudale gedeelte medulla oblongataof bulbus. Wij zien nu hoe de vleugelplaten in het bulbaire gedeelte caudaal van de Rautenbreite onder de ruitlijst door naar mediaal gaan draaien, waardoor de ruitlijst wordt omgevouwen en een lipstructuur ontstaat. Verder caudaalwaarts neemt deze draaiing nog toe, zodat deze lipstructuur weer overgaat in een lijst tot aan de caudale punt van de fossa rhomboidea, waar hij gedeeltelijk zelfs in het lumen uitpuilt. In onze beschrijving van de ontwikkeling van de ruitlijst en de overige begrenzing van de fossa rhomboidea, komen naast punten van overeenstemming ook meerdere punten van verschil tot uiting ten opzichte van de klassieke beschrijving van HlS, die wij mede om deze reden in Hoofdstuk I uitvoerig hebben aangehaald. De verschillen met HlS betreffen met name de lipvorming en de aanhechting van de tela chorioidea van de fossa rhomboidea. HlS vermeldt bij het humane embryo een lipvorming, zowel in het cerebellaire als in het bulbaire gedeelte van het rhombencephalon. Wat het bulbaire gedeelte betreft beschrijft HlS, dat, nadat de eerste lip vergroeid is er een tweede lip ontstaat, die blijvend is. In ons materiaal hebben wij alleen in een zeer beperkt areaal van de cau dale lijst, n. I. vlak achter de "Rautenbreite" een lipstructuur zien optreden, die echter door de sterk lateraalwaartse uitgroei van het tuberculum acusticum gereduceerd wordt tot een dun laagje cellen, dat zich tegen de buitenzijde van dit tuberculum acusticum aanlegt. Opde 16e dag ontstaan, neemt deze lip snel sterk inomvangaf, maar blijft aanwezig als de latere kern, die wij nucleus parabulbaris hebben genoemd. Dat deze smalle kern de oorspronkelijke caudale lijst hier isgeweest, laat zich afleiden uit het feit, dat aan deze kern de taenia chorioidea zich bevindt. De scheiding van deze kerntenopzichte van het tuberculum acusticum, aanvankelijk duidelijk, wordt vaag, en men zou dus ook hier van een vergroeiing kunnen spreken, in de zin zoals HlS dit bedoelt. Maar daar tegenover staat dat door deze vergroeiing geen enkele migratie van cellen plaats vindt, zoals HlS dat beschrijft, mede doordat de vergroeiing bij de witte rat pas veel later plaats vindt, in een stadium, dat de daarin aanwezige matrix is uitgeput. Het heeft ons geïntrigeerd waardoor bij het embryo van de witte rat slechts zulk een geringe lipvorming optreedt vergeleken met het menselijk embryo. Waarwij de lipvorming menen te mogen toeschrijven aan de mediaalwaarts gerichte torsie van de vleugelplaat tengevolge van de ponsbochtkromming, zou het dus kunnen zi jn dat deze torsie zich bij de witte rat alleen manifesteert in een bepaald areaal van het bulbaire gedeelte van het rhombencephalon. Bij het menselijk embryo zou dus door andere ruimtelijke verhoudingen, waarbij wij denken aan snel 1ère groei van telen- en metencephalon en cerebellum, ook het metencephale gedeelte een dergelijke torsie kunnen ondergaan, waardoor ook lipvorming in de rostrale lijst mogelijk zou kunnen zijn. Het is echter zeer wel mogelijk, dat onze zienswijze i η deze te mechanisch 50

56 is, endatin werkelijkheid geheel andere factoren het verschil tussen mens en rat bepalen. H(S begint zijn beschrijving pas bij embryonen van 3-4 weken en in dit verband zou het interessant zijn na te gaan of bij jongere menselijke embryonen niet eveneens een li st-structuur aan de lipstructuur zou voorafgaan. Wij hadden echternietde gelegenheid om dit aan dergelijke jonge menselijke embryonen te bestuderen. In dit verband is het merkwaardig dat in de publicatie van HlS (1894), in fig. 26, een afbeelding voorkomt van een menselijk embryo van 3 weken. Deze afbeelding stelt een coupe voor docr de fossa rhomboidea in zijn caudale deel. Hierin zien wij dat deze geopende fossa rhomboidea in haar vleugelplaten een gelijk beeld vertoont als onze Plaat 1,1. Wij zien, dat de randzone hierin niet naar het meest dorsale deel van de vleugelplaat doorloopt, en dat de mantel laag in dit dorsale deel reikt tot de uiterste periferie von de neuraalbuis, en dat er nog geen sprake is van een lipvorming. Het is merkwaardig dat hieraan door HlS geen aandacht is besteed. Wij zijn van mening dat dit een bevestiging inhoudt van onze opvatting van de ruitlijst. Dit is overigens niet het enige verschil in opvatting tussen onze waarnemingen en die van HlS. Deze laatste immers meent, dat de aanhechting van de tela chorioidea aan het cerebellum, in aanleg, van plaats verandert. De tela chorioidea zou zich tegen het intra-ventriculaire oppervlak aan gaan leggen en daarmede verkleven. De aanhechting zou dus meer mediaal komen, en een deel van het cerebellaireoppervlak zou dus extra-ventriculair worden. Van een dergelijke verplaatsing van de aanhechting van de tela chorioidea hebben wij in geen van onze stadia een aanduiding gevonden. De beschrijving hiervan door HlS, noch zijn illustraties hebben ons van een ontstaan van een dergelijke secundaire taenia kunnen overtuigen. Een dergelijke secundaire taenia is naar wij menen helemaal niet nodig om te verklaren dat een groot deel van het cerebellum zich extra-ventriculair ontwikkelt. De situatie van de ruitlijst op de vleugelplaat is zodanig, dat de mediale zijde hiervan aan de ventrikel grenst, de laterale zijde aan het extra-ventriculaireoppervlak. Ongeacht de stand- en plaatsverandering van de rostrale lijst, waardoor ook de taenia chorioidea van stand gaat veranderen, blijft dit aanvankelijk laterale, later dorsale oppervlak steeds extra-ventriculair, zoals wij ook waarnemen aan onze plastische buis. Dit verschil in interpretatie, zo hebben wij gemeend, ligt waarschijnlijk ten grondslag aan onze mening, dat de ruitlijst een eigen structuur is boven op de vleugelplaat, terwijl HlS daarentegen meent, dat de lijststructuur een uitgebogen deel van de vleugelplaat is. Bij deze uitbuiging moet de taenia meegaan en alleen door de taenia secundair naar binnen te verplaatsen, kan men dan een extra-ventriculair lipareaal krijgen. Ook dit vraagt een nader onderzoek bij menselijke embryonen, waartoe wij geen gelegenheid hadden. Hoewel de ruitlijst na het ontstaan van de ponsbocht uiteenvalt ineen rostraal en caudaal gedeelte en beide delen hun eigen weg zullen inslaan, hebben zij een opmerkelijke eigenschap gemeen, welke door andere onderzoekers niet is opgemerkt en wat toch onmiskenbaar van belang is. De histogenèse in beide delen wordt nameliik gekenschetst door het ontstaan van twee matrices, een primaire of ventnculaire matrix en een hiervan uitgaande secundaire of oppervlakkige matrix Dat bij de ontwikkeling van het cerebellum twee matrices een rol spelen, waarvan de eerste de moederlaag is van de centrale kernmassa en de Purkinje- 51

57 cellen, de tweede de moederloog is van de granulaire laag van de cerebellaire schors, vinden wij bij de meeste onderzoekers in de een of andere vorm terug, maar dat deze twee matrices zich ook in de caudale lijst of om met ESSICKte spreken in het corpus pontobulbare zouden voordoen, hebben wij nergens beschreven gevonden. De primaire matrix vormt hier een langgerekte kernstructuur, die later inkrimpt tot wat wij hebben aangeduid als de nucleus parabulbaris en dus te beschouwen is als het homologan van de centrale cerebellaire kernmassa. De secundaire matrix, eveneens als in de rostrale lijst uit de primaire matrix ter hoogte van de taenia chorioidea voortgekomen, migreert in ventro-rostrale richting en gaat de matrix vormen van de pons. De pons is dus te beschouwen als het homologan van de granulaire laag van de schors. Deze pontine-migratie begint op de 15e-16e dag geheel dorsaal langs de gehele voor- achterwaartse uitbreiding van de caudale lijst. Op de 16e dag is de migratie aan de ventrale zijde van de medulla aangekomen, aan de buitenzijde van de randzone. In de 2-3 dagen daaropvolgend hopen deze cellen zich op aan weerszijden van de mediaanlijn. Vanaf de 18e dag steken zij de mediaanlijn over. Bij de geboorte op de 21e dag is de pons nog lang niet volledig ontwikkeld. Dit zien wij pas gebeuren in de 10 dagen volgende op de geboorte. Vanaf de 4e dag zien wij hoe de aanvankelijk compacte celmassa door het binnendringen van vezelbundels uit de pedunculus cerebri in afzonderlijke groepen uiteen lijkt te vallen. Dit begint in het caudale gedeelte van de pons, daarna geleidelijk ook in het rostrale gedeelte. Ook de ontwikkeling van de ponto-cerebellaire vezels, welke vanaf de 4e dag na de geboorte zich gaan aftekenen, speelt hierbij uiteraard een belangrijke rol. Op de ontwikkeling van deze en overige vezelsystemen komen wij later nog nader terug. Door ESSICK is in 1907 bij de mens het corpus pontobulbare beschreven als een bandvormig relief, dat vanaf de pons langs de medulla schuin naar caudaal en dorsaal verloopt, waarvan hij noch de betekenis, noch de ontwikkeling voldoende beschreven heeft. De door ons bij de witte rat beschreven nucleus parabulbaris en de pontine-migratie vertonen naast enige overeenkomst ook wel enkele verschillen met dit corpus pontobulbare. Een duidelijk verschil tussen onze beschrijving en die van ESSICK is, dat wij geen vezels in deze structuur aantreffen. Ook laat ESSICK zich niet uitover primaire of secundaire matrix. Het zal een nader onderzoek behoeven in hoeverre deze formatie bij de mens mogelijk een verdere ontwikkeling is van de bij de witte rat aangetroffen nucleus parabulbaris en pontine-migratie, in die zin dat het corpus pontobulbare een blijvende verbinding vormt tussen de caudale ruitl ijst en de pons, vooral ook in verband met de daarin, door ESSICK beschreven, voorkomende vezelontwikkeling. Het iseen intrigerende vraag hoe het nu komt, dat de ponsmigratie deze zo karakteristieke weg volgt van geheel dorso-caudaal naar ventro-rostraal. Het is steeds een hachelijke zaak deze alsook andere migraties in de zich ontwikkelende neuraalbuis causaal te verklaren. Enerzijds zou men kunnen redeneren dat deze migratie onmiskenbaar de bedoeling heeft de ponscellen, die als schakelcellen moeten gaan dienen voor de cerebro-cerebellaire projectie, te brengen naar de geheel ventrale zijde van de hersenstam, waar de phylogenetisch jongste vezelsystemen van de neuraalbuis "gedwongen" worden te gaan lopen op hun weg naar caudaal. Anderzijds mag men veronderstellen, dat door de sterke kromming van het rhombencephalon het ventrale oppervlak hiervan de buitenbocht vormt vaneen rotatie-beweging, waarvan men de as in de fossa rhomboidea zou kunnen localiseren. Deze kromming heeft zijn repercussies op de oriëntatie van het glieuze steunweefsel dat aan de buitenzijde de membrana limitons externa vormt. 52

58 Zoals BLECHSCHMIDT (1955)heeft aangetoond voor het ruggemerg, vormen de uitlopers der spongioblasten als het ware de spanningslijsten, waarlangs de neuroblasten zich gaan bewegen. Gegeven een aanvankelijk ventraal-gerichte migratie-tendens (zie boven)kan men zich voorste Hen, dat deze migratie onder invloed vande ponsbochtkromming naar rostraal wordt omgebogen. Dit te meer waar deze migratie zichgeheel afspeelt aan de buitenzijde van de medulla, buiten de randzone, waar deze rostraalwaartse verplaatsing zich het sterkst zal doen gevoelen. De uiterst perifere ligging wordt dan begrijpelijk voor zover hij dan niet belemmerd wordt door structuren, die zich aan de binnenzijde van de randzone, dus in de vleugelplaat en basaalplaat bezig zijn te vormen. Hoewel deze hypothese op het eerste gezicht een zekere verleidelijkheid bezit, zijn wij toch niet geheel overtuigd. Immers in hetzelfde gebied zien wij in de vleugelplaat een migratie van het olijf-complex, welke eveneens ventraal is gericht, maar toch geen tendensvertoont naarrostraal omte buigen, of het moet zijn dat, zoals wij boven reeds opmerkten, dat de situatie voor deze migratie, die zich afspeelt te midden van de zich ontwikkelende kern- en vezelsystemen van de hersenstam ter plaatse, een geheel andere is dan voor de uiterst perifeer gelegen ponsmigratie. Zoals niet alleen HlS, ESSICK en HARKMARK maar wij ook zelf geconstateerd hebben, verloopt de migratie van de olijf en ook die van de nuclei arcuati binnen de randzone. Beide migraties ontstaan uit de vleugelplaat-matrix,waar deze grenst aan de ruitlijst, en zijn dus echte vleugelplaat-derivaten. Bovendien houden zij op geen enkele wijze in hun ontwikkeling verband met de pontinemigratie en ponsontwikkeling. Wijhebben immers gezien dat de ontwikkeling van deolijf reeds ver is voortgeschreden als de ponsmigratie nog moet beginnen. Hierin zien wij een argument te meer voor onze opvatting, dat de oliva inferior en nuclei arcuati niet zijn op te vatten als derivaten van de rhombic lip, maar als echte vleugelplaatstructuren. Het onderzoek van HARKMARKin 1954 waarbij hij doormiddel van laesies van de rhombic lip meent te hebben aangetoond dat ook bij het kippenembryo een pontine-migratie aanwezig is, welke hij /n de randzone laat migreren doet bij ons de vraag ri zen of wij hier niet te maken hebben met de migratie van arcuaire kernen, te meer waar bij dergelijke laesies een beschadiging van het aangrenzende ruitlijstgebied niet te vermijden is. Naast de olijf-enarcuati-migratieontwikkelt zich in de caudale wand van de fossa rhombcidea nog een ander belangrijk celgebied, dat van grote invloed is op de verdere ontwikkeling van de caudale lijst, n. I. het tuberculum acusticum (SCHWALBE 1881). Door sommige onderzoekers, o.a.hayashi en JAKOB is de rhombic lip verdeeld in drie delen n.l. rostraal een cerebellair deel, caudaal een ponto-olivair deel en daar tussen in een acustisch deel. HARKMARK (1954) daarentegen heeft de rhombic lip in een rostraal cerebellair gedeelte en een medullairponto-olivo-arcuairgedeelte verdeelden meent dat het tuberculum acusticum ontstaat uit een deel van de vleugelplaat-matrix, onmiddellijk mediaal van de rhombic lip. Wij kunnen ons met deze zienswijze geheel verenigen. De ontwikkeling van het tuberculum acusticum beïnvloedt niet in het minst de eigen ontwikkeling van de rui tl i st, wel drukt hij de rui tl i st naar lateraal. Van de caudale lijst blijft tenslotte alleeneen smalle celstrook over, buiten tegen het tuberculum acusticum gelegen, aanvankelijk als een aparte lijst zichtbaar. Deze celstructuur hebben wij aangeduid als de nucleus parabulbaris. Deze breidtzich aanvankelijk ook nog caudaal van het tuberculum acusticum uit, maar na de 18e dag treedt er een sterke reductie op van dit caudale gedeelte. Wat er van overblijft is een zeer kleine kern naast het tuberculum acusticum, waarvan 53

59 de oorsprong herkenbaar is, doordat hierlangs de tela chorioidea blijft vastgehecht.in tegenstelling nu tot de ontwikkeling van de caudale Übt, wordt de ontwikkeling van de rostrale lijst in sterke mate bepaald door het overeind blijven staan van de vleugelplaten in de voorste wand van de fossa rhomboidea. De ontwikkeling van de rostrale lijst is de ontwikkeling van het cerebellum. Mede door de sterke ontwikkeling van het mesencephalon wordt de rostrale lijst van longitudinaal steeds meer transversaal gedwongen en tenslotte met de vleugelplaat waarop ze zich bevindt geheel naar dorso-caudaal verplaatst. Deze beweging kunnen wij vanaf de 14e-18e dag duidelijk waarnemen. De rostrale lijsten komen dus met de rostrale einden tegen elkaar te liggen, en deze zien wij dan met elkaar vergroeien. Uit dit mediale, oorspronkelijk dus rostrale gedeelte van deze lijst, vormt zich de vermis cerebelli, uit het laterale gedeelte de hemisferen van het cerebellum. De ventriculaire matrix ligt door deze draaiing dorsocaudaal, en bedekt het grootste deel van de fossa rhomboidea. Deze primaire matrix vormt, zoalsalle onderzoekers wel eenstemr. \g aannemen, de cellen van de toekomstige kernmassa. De meningen over de vorming van de Purkin e-ce Men uit deze matrix zijn verschillend. HAYASHI (1924) en JAKOB (1928) menen, dat zij uit de gehele primaire matrix komen. TELLO(1938) meent, dat deze cellen zich uit de centrale kernmassa losmaken en door een excentrische beweging naar het oppervlak stromen. De mening van KAUFMANN (1959)is moeilijk te begrijpen, alshij schrijft, dat ze zich in de granulaire laag gaan differentieren. Wij hebben waargenomen, dat omstreeks de 16e dag in de oorspronkelijk vlak verlopende matrix aan haar dorso-caudale rand een knik ontstaat. Hierdoor verandert de richting van de cellen, welke vanuit en direct naast de knik profileren. In tegenstelling met de geheel dorsaal gerichte stroom uit het overige deel van de primaire matrix, stromen deze nog ongedifferentieerde cellen dorso-caudaalwaarts langs het oppervlak van de ruitlijst. Juist omstreeks deze tijd (16 degen) ontwikkelt zich hier aan de taenia chorioidea de door alle onderzoekers opgemerkte oppervlakkige, door onsgenoemde secundaire matrix, welke haar weg zoekt langs het buitenoppervlak van de ruitlijst. Deze secundaire matrix zendt haar cellen de ruitlijst in, waarbij ze door de toekomstige Purkinje-cellaag heen stromen en daarmede de schorslaag gaan vormen. Opde 18e dag zien wij boven de primaire matrix de neuroblasten van de centrale kernmassa ontstaan en inde schors-aanleg de Purkinje-cellen. Beide celdifferentiaties van de primaire matrix hebben een duidelijke kern, zijn groter, en lichter van kleur dan de cellen afkomstig uit de secundaire matrix. De activiteit van de primaire matrix neemt daarna snel af om bij de geboorte opde 21e dag te eindigen. Dit betekent dat na de geboorte geen nieuwe cellen voorde centrale kernmassa noch Purkinje-cellen zullen worden gevormd. Hun aantal staat dus bij de geboorte vast. De Purkinje-cellen liggenaanvankelijk niet in een regelmatige laag, maar opbepaalde plaatsen ingroteregroepenbijeen. Met TELLO zi jn wij van mening dat deze celophopingen de eerste aanduidingen zijn van de toekomstige lobben. De secundaire matrix zien wij na de 16e dag eerst langzaam in activiteit op gang komen, ompasdirect na de geboorte zeer actief te worden, zodat reeds omstreeks de 6e dag na de geboorte al Ie fissuren zijn gevormd. De postnatale ontwikkelingvandeze fissuren is door LARSELL(I952) uitvoerig beschreven, en onze bevindingen stemmen hiermede overeen. Wat de praenatale fissuratie betreft beroept LARSELL zich, na opgemerkt te hebben dat de fissura postero-lateral is reeds opde 17e dag verschijnt, op de studie van ACIRON(1950). Deze laatste nu meent, dat bij de witte rat de fissuratie optreedt voor de geboorte, met als gevolg dat 54

60 naast de fissura postero-lateral is, ook de fissura praeculminata en de fissura prima reeds zijn gevormd bij de geboorte. Dit hebben wij echter niet kunnen bevestigen. De histogenetische ontwikkeling van het cerebellum kunnen wij praenataal dus in 3 phasen verdelen. De eerste phase, van de 12-16e dag, wordt getypeerd door de proliferatie van de primaire matrix, waaruit na de omknikking van deze primaire matrix op de 16e dag 2 celproliferaties zichtbaar worden, de cellen van de centrale kernmassa en de Purkinje-cellen. De laatsten prolifereren vanaf het omgeknikte deel. De tweede phase, van de 16e-18e dag, wordt getypeerd door de ontwikkeling, naast de primaire matrix, van de secundaire matrix. Hieruit ontstaan granulaire cellen van de schorsaanleg. Op de 18e dag differentiëren zich de cellen van de primaire matrix tot neuroblasten. De derde phase, vanaf de 18e dag tot de geboorte, wordt getypeerd doordat de activiteit van de primaire matrix geleidelijk afneemt, die van de secundaire matrixgeleidelijk toeneemt. Wij zien dan enige verandering in de centrale kernmassa optreden naast plaatselijke opeenhopingen van de Purkinje-cellen in de schorsaanleg ter hoogte van de toekomstige lobben. Deze histogenetische indeling vertoont ingrate lijnen wel overeenkomst met die van TELLO(1938). Postnataal wordt de verdere ontwikkeling van het cerebellum uitsluitend bepaald door de activiteit van de secundaire matrix. De cerebellaire kernmassa, welke wij vanaf de jongste stadia als één celproliferatie uit de primaire matrix zien ontstaan, behoudt deze samenhang gedurende de verdere ontwikkeling. Onder invloed van de verdere ontwikkeling van de schors zien wij enkele uitstulpingen ontstaan van het dorsale oppervlak van deze kernmassa, welke mede door de talrijke vezels, die in, uit en door deze kernmassa gaan lopen zich, in volwassen toestand, aan ons voordoen als aparte kerngroepen. De beschrijving van de aparte nuclei cerebelli is gebaseerd geweest op onderzoekingen van volwassen cerebella van dieren en van de mens, maar door de onbekendheid met de embryologische ontwikkeling iso. i. eenin feite onjuist beeld van de cerebellaire kern ontstaan. Wijmenen dan ook dat in het cerebellum slechts één kernmassa aanwezig is. Datdit nietalleengeldt voor de witte rat, blijkt uitenkele gegevens uit de literatuur. Zo beelden WINKLER en POTTER (1911 ) in hun atlas van het konijn de cerebellaire kernen af als aan de basis een geheel vormend. JANSEN en BRODAL(1940) geven als hun mening te kennen dat er bij kat en konijn noch een onderscheid te maken valt in de mediale kern tussen de nucleus fastiguus en globosus, noch onderscheid tussen nucleus interpositus endentatus. Zij zijn er van overtuigd dat een dergelijk onderscheid in kernen bij deze dieren niet bestaat. Wij zouden er wel op willen wijzen dat de ventro-laterale onderpool van het laterale kerngebied een afwijkend karakter vertoont, overeenkomend met de door ons in 1940 beschreven aparte kerngroep bij de nucleus lateralis cerebelli van de rat en het konijn. Dit werd eveneens door SNIDER(1940) beschreven bij de kat. KAUFMANN(1 959) tenslotte vermeldt hetzelfde wat betreft de centrale kernmassa van het rund. Het lijkt dan ook aan te bevelen bij deze dieren niet te spreken van kernen, maar van een mediaal, intermediair, en rostro-lateraal areaal van de centrale kernmassa. De Pu rk i η e -ce Haag, waarin het aantal cellen bij de geboorte bepaald is, wordt onder invloed van de enorme ontwikkeling van de granulaire laag, welke vanuit de secundaire matrix onder deze Purkinje-cellaag zich vormt, steeds meer 55

61 uitgerekt totdat ze omstreeks de 20e dag na de geboorte één cel laag dik is g e worden. De moleculaire laag neemt toe naarmate de activiteit van de secundaire matrix afneemt. De activiteit van deze matrix is op de 40e dag geheel beëindigd. De Purkinje-cellen van de afzonderlijke lobben hebben zich van te voren eerst in groepjes opgehoopt, leggen dan hun contacten met de centrale kernmassa, en worden dan betrokken bij de sterke ontwikkeling van het schorsoppervlak. Van primair belang is het dus, dat de relatie tussen de Purkinje-cellen en de centrale kernmassa is vastgesteld vóórdat de fissuratie en de lobering van de schors zich ontwikkelt. Wij komen hierop nog nader terug. Wat de ontwikkeling van de vezelsystemen van het cerebellum betreft zijn wij tot de volgende stadia van ontwikkeling gekomen. In het allereerste begin van de ontwikkeling van de rostrale lijst,zien wij, dat de in de randzone van de vleugelplaat verlopende vezels niet doordringen in de rostrale lijst, en van een "formation arciforme" van TELLO zien wij dan ook geen aanduiding. Pas omstreeks de 16e dag zien wij voor het eerst vestibulaire vezelsde rostrale lijst langsde voorzijde binnendringen. Deze worden kort daarna gevolgd door spino-cerebellaire en tecto-cerebellaire vezels. Buiten het gebied van de rostrale lijst, dus inde dakplaat van de isthmus ontwikkelt zich een commissuur. Deze commissuur is de voorloper van de commissure cerebelli. Waar deze commissuur zich in het begin van zijn ontwikkeling per se buiten de rostrale lijst en in het dak van de isthmus bevindt, hebben wij deze commissuur in deze phase aangeduid als de commissura dorsalis isthmi. Pas later, wordt deze commissuur door het sterk uitgegroeide cerebellum in de witte stof van het cerebellum opgenomen. Op de 18e dag hebben wij, evenals TELLO dit deed, als meest opmerkelijke feit vastgesteld, dat er zich een "differentiation gangliforme" ontwikkelt, n. I. dat er verbindingen optreden tussen de Purkinje-cellen en de centrale kernmassa. Bovendien zien wij dan, dat de commissura dorsalis isthmi iets dichter bij het cerebellum is gelegen en dat het velum medulläre anterius langer wordt. Hierin verlopen rostraal en vrijwel dwars de vezels van de nervus trochlearis, meer caudaal de tecto-cerebellaire vezels. Op de 18e dag treden naast de afferente vezels de intrinsieke cerebellaire vezels op. Op de 20e dag wordt dan het vezelbeeld van het cerebellum compleet, doordat zich dan de efferente vezels manifesteren, waarvan de fasciculus uncinatus zich bij de commissuur-vezels voegt. Deze commissuur wordt door het uitgroeien van het cerebellum geleidelijk aan inde hilus van het cerebellum opgenomen, en tot commissura cerebelli. Mede hierdoor wordt het velum medulläre anterius een lange uitgerekte dunne plaat, waarin wij nog kruisende vezels van de nervus trochlearis blijven waarnemen. Naast de fasciculus uncinatus zien wij de efferente "ezels van het brachiumconiunctivum vanuit de cerebellaire kernmassa het cerebellum verlaten. Buiten het cerebellum passeren zij de mesencephale trigeminuskern, verlakken zich en gaan deels gekruist naar de nucleus ruber, deels ongekruist naar de formatio reticularis. Het cerebellum heeft dan twee brachia ontwikkeld, het brachium anterius en het brachium posterius. Het brachium mediale, samenhangend met de ontwikkeling van de pons, zien wij pas postnataal op de 4e dag zich ontwikkelen om samenhangend met de ontwikkeling van de cortex cerebelli snel tot ontwikkeling te komen. De ontwikkeling van de vezelverbindingen praenataal kunnen wij dus eveneens in drie phasen verdelen. De eerste phase wordt gekarakteriseerd door het binnendringen van de afferente vezels (tot de 18e dag). De tweede phase is dan de ontwikkeling van de intrinsieke vezels van het cerebellum omstreeks de 18e 56

62 dag, gevolgd door de derde phase, die gekenmerkt wordt door de ontwikkeling van de efferente vezels vanuit de centrale kernmassa. Postnataal voegt zich hier dan bij de ponto-cerebellaire verbinding, het brachium mediale. In dit opzicht verschillen wij van mening met TELLO, die aanneemt dot deze al praenataal ontstaat. Niet voor de 4e dag postnataal zijn de ponscellen zover, dat men dan al ponto-cerebellaire verbindingen mag verwachten. Pas hierna zijn zij duidelijk te onderscheiden van de praenataal optredende vezelverbindingen. Wat nu intrinsieke cerebellaire vezels betreft zien wij in de beschrijving van JANSENen BRODAL (1940) bij de kat een bevestiging voor onze opvatting. Zij hebben immers door laesies experimenteel kunnen vaststellen dat de vermis vooral in verband staat met de nucleus medialis, naar onze opvatting het mediale deel van de centrale kernmassa. Bovendien stelden zij vast, dat het intermediaire deel van de cortex cerebelli, dat is het overgangsbied tussen de vermis en de hemisferen,voornamei ijk verbindingen heeft met de nucleus interpositus, overeenkomende met het door ons bij de witte rat beschreven intermediaire deel van de centrale kernmassa, terwijl de vezels van het laterale deel o.a.van de lobus anterior naar de nucleus lateralis (dentatus) gaan, hetgeen door ons is aangeduid als de rostro-laterale uitstulping van de centrale kernmassa. Wat nu de myelinisatie betreft hebben wij kunnen vaststellen dat deze pas optreedt omstreeks de 10e dag postnataal, waarbij wij hebben opgemerkt dat deze inde hersenstam even eerder optreedt dan in de ruitlijst. Wij hebben gezien, dat de afferente vezelsystemen van de ruitlijst het eerst worden gemyeliniseerd, daarna de intrinsieke vezels, en tenslotte de efferente vezels, hoewel hierin geen groot tijdsverschil valt op te merken. Wij menen door dit onderzoek een bijdrage te hebben geleverd voor onze kennis van de ontwikkeling van de ruitlijst. Hierin hebben wij mede door ons onderzoek een andere interpretatie aan het begrip rhombic lip gegeven, en de naam ruitlijst, "Rautenleisten" of "Rhombic list" ingevoerd. Hierdoor hebben wij eveneens getracht de derivaten daarvan nauwkeurig vast te stellen. 57

63

64 HOOFDSTUK IV SAMENVATTING EN CONCLUSIES Aan de hand van in totaal 67 series werd de ontwikkeling nagegaan van de ruitlijst van het rhombencephalon van de witte rat. Een overzicht van de onderzochte series in de afzonderlijke stadia van de prae- en postnatale ontwikkeling, de wijze waarop zij gefixeerd, gesneden en gekleurd zijn, bevindt zich in tabelvorm op pag Voorde sni richting der in de tekst beschreven praenatale series zij eveneens verwezen naar fig. 7. Voor wat betreft de praenatale ontwikkeling werd een beschrijving gegeven van de 12e dag, 14e dag en vanaf de 16e dag tot en met de 21e dag. Voor wat betreft de postnatale ontwikkeling werd alleen een beschrijving gegeven van de Ie, 2e, 4e, 8e, 10e, 20e en 40e dag. Uit het onderzoek van de literatuur bleek, dat door HIS in 1890 bij mense! i keembryonen werd beschreven een lipvormige structuur of "Rautenlippe" (in de engelse literatuur later aangeduid als rhombic lip), langs de dorsale rand van de vleugelplaat van de IVe ventrikel, waaruit zich zouden ontwikkelen het cerebellum en de olijfkernen. Door ESSICK werden in een tweetal publicaties (1907, 1912) hieraan toegevoegd de pons- en de arcuaire kernen. Deze laatste zouden zich volgens hem met de olijfkern uit één olivo-arcuaire migratie vanuit de rhombic lip ontwikkelen. Andere onderzoekers (SCHAPER 1894, HAYASHI1924, JAKOB 1928, TELLO 1938, BRODAI, en BONNEVIE 1946, LARSELL1952, KAUFMANN 1959 hebben zich alleen bezig gehouden ofwel met de histogenèse van het cerebellum, ofwel met de phylo- en ontogenetische ontwikkeling van de fissuren en lobben in het cerebellaire oppervlak. HARKMARK(1954) alleen heeft zich bezig gehouden met de ontwikkeling van de pons door experimenteel de herkomst na te gaan van de ponsmigratie bij kippen-embryonen. Door geen van deze auteurs werd de beschrijving van HIS betreffende de rhombic lip, nader getoetst. Toch was een van de eerste en meest opmerkelijke feiten, welke ons opvielen bij het onderzoek van de ontwikkeling van dit dorsale randgebied van het rhombencephalon bij de witte rat, dat zich hier alleen in een zeer beperkt areaal een lipstructuurontwikkelde, terwijl de rest zich handhaafde als een rechte lijst. Wij zijn tot de conclusie gekomen, dat de lipvormige ontwikkeling van deze lijst het resultaat moest zijn van een complex geheel van mechanische factoren, gevormd door de omknikking van de neuraalbuis ter hoogte van kruin-, ponsen nekbocht, en door de sterke achterwaartse druk van de mesencephale en telencephale hemisferen op het metencephale en hierdoor ook op het bulbaire gedeelte van het rhombencephalon. Het bleek mogelijk aan de hand van een buigbare buis het ontwikkelingsgebeuren in het rhombencephalon en de invloed daarvan op de ruitlijst op zeer bevredigende wijze na te bootsen. Vooreen vergelijking van de veranderingen ontstaan door de ontwikkeling van de buis, waarin ter nabootsing van de tela chorioidea aan de bovenzijde een 59

65 lengte-snede was aangebracht, met de waargenomen veranderingen van het rhombencephalon, verwijzen wij naar fig. 1. Aan de linkerzijde hiervan is het buismodel, aan de rechterzijde het rhombencephalon afgebeeld bij verschillende stadia van kromming. De overeenkomst is zo opmerkelijk, dat wij hierin onze conclusie gestaafd zien, dat uit een primaire rechte randlijst langs de aanhechting van de tela chorioidea door kromming en torsie van de wand op een bepaalde plaats een lipvormige omkrulling kanontstaan. Datbij het menselijk embr/o over de gehele lengte een omkrul ling zich voordoet, zou verklaard kunnen worden door een intensievere uitwerking van deze factoren op het humane rhombencephalon. Maar ook hier zou dan een lijststructuur vooraf moeten zijn gegaan aan een lipstructuur. Als argument voor dit laatste zouden wij willen wijzen op een illustratie van HlS zelf (1894, fig. 26) van een menselijk embryo van 3 weken, waarin de structuur van het rhombencephalon en ook de dorsale lijstvormige rand van de vleugelplaat volkomen identiek is aan die van de witte rat van 12 dagen. Ten aanzien van de aanhechting van de tela chorioidea aan de rhombic lip stelt HlS, dat deze vergroeit met de lip. Hierdoor zou meer mediaal een nieuwe aanhechting ontstaan en een groot deel van de lip, met name ter hoogte van het cerebellum, zou zich hierdoor extra-ventriculair verder ontwikkelen. Vaneen dergelijke verplaatsing van de taenia chorioidea werd door ons bij de witte rat geen enkele aanduiding gevonden. De taenia volgt de draaiing van de rostrale lijst. (fig. 1). De extra-ventriculaire uitgroei van het cerebellum wordt enerzijds veroorzaakt door een intensieve toename van cellen van de cerebellaire lijst vanuit de primaire of ventriculaire matrix, anderzijds door de ontwikkeling van een secundaire of oppervlakkige matrix vanuit de primaire matrix ter hoogte van de taenia chorioidea over het buitenoppervlak van de cerebellaire aanleg heen. Uit de celproliferatie van de ventriculaire matrix ontwikkelen zich de centrale kernmassa van het cerebellum en de Purkinje-cel len van de schorslaag. Uit de oppervlakkige (secundaire) matrix vormt zich de granulaire cel laag van de schorsaanleg. De ruitl ijst wordt van meet af aan gekarakteriseerd door het ontbreken von een randzone. Een zeer opmerkelijk feit, tot nu toe in de literatuur geheel niet vermeld, dat ons in staat stelde voortdurend een onderscheid te maken tussen de ruitlijst en zijn derivaten enerzijds en de derivaten van de vleugel- en basaalplaten van het rhombencephalon anderzijds. Aan de hand van dit criterium zijn wij tot de stelling gekomen, dat de derivaten van de ruitlijst zich ontwikkelen aan de buitenzijde van de randzone, de derivaten van de vleugel-enbasaalplatenontwikkelen zich altijd aan de binnenzijde hiervan. Ook inde caudale lijst hebben wij een primaire matrix waargenomen, waaruit zich eveneens op de 16e dag een secundaire matrix ontwikkelt ter hoogte van de taenia. De migratie van deze secundaire matrix verloopt geheel buiten de randzone en vormt de pontine-migratie. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat geen andere migratie van de caudale lijst uitgaat dan deze pontine-migratie. Op grond hiervan menen wij dan ook de opvatting van HlS, dat de olijfkernen en die van ESSICK, dat de olijfkernen en arcuaire kernen zich uit de rhombic lip zouden ontwikkelen, te moeten afwijzen, althans voor wat de witte rat betreft. Nader onderzoek met behulp van het door ons gehanteerde criterium, het ontbreken der randzone, zal moeten uitmaken in hoeverre deze conclusie zich handhaaft bij de ontwikkeling van andere diersoorten en de mens. 60

66 Een chronologisch overzicht van de ontwikkeling laten wij nu volgen: Overzicht van de ontwikkeling van de Ruitlijst en zijn Derivaten PRAENATALE ONTWIKKELING Ie Fase 1 2e dag : Ontstaan van de ruitlijst vanuit vleugelplaat van het rhombencephalon. Plaat I, 1, 2, 3 en 4. 13e dag: Begin ponsbochtvorming. Me dag: Ponsbochtkromming toegenomen. Verdeling ruitlijst in rostrale en caudale lijst. Primaire matrix zeer actief. Plaat I, 5 en 6. 15e dag : Verdere toename ponsbochtkromming. Primaire matrix actief. 1 6e dag : Ponsbochtkromming maximaal. Achterover-kanteling van de rostrale lijst. Begin van de secundaire matrix. Plaat II, 3. ROSTRALE LIJST: Rostrale einden van de lijst ontmoeten elkaar in de mediaanlijn. Plaat 11,6. Primaire ventriculaire matrix verdeeld in rostraal deel en dorso-caudaal deel. Plaat 11,3. Secundaire oppervlakkige matrix groeit langs het buitenoppervlak van de taenia chorioidea af naar rostraal. Plaat II, 3 en 6. Eerste vestibulaire vezels dringen binnen. Plaat III, 4,5 en 6. CAUDALE LIJST: Primaire matrix prolifereert ventraalwaarts. Secundaire matrix migreert om medulla heen tot even voorbij intrede N. V. aan de buitenzijde van de randzone (pontine-migratie). Plaat II, 3,4,5 en 6. Caudaal vande "Rautenbreite" migraties van de nuclei arcuati en de oliva inferior in de vleugelplaat. Fig. 2. 2e Fase 17e dag: ROSTRALE LUST: Eerste aanduiding van twee celprol iferaties uit primaire matrix. Uit secundaire matrix-migratie korrelcellen. Eerste optreden van fissura postero-lateral is. Plaat IV, 3 en 4. CAUDALE LIJST: Primaire matrix vormt de nucleus parabulbaris. Plaat IV, 5. Pontine-migratie bereikt de ponsbochtkromming. Plaat IV, 3 en 4 18e dag: ROSTRALE LIJST: Vergroeiing rostrale einden in de mediaanlijn. Fig.3 en 4. Uit de primaire matrix zijn ontstaan: cerebellaire kernmassa en laag van Purkinje-cellen. Fig.3 en 4. Toenemende migratie uit secundaire matrix. Ontwikkeling schorsaanleg. Ontstaan van commissura dosalis isthmi (voorloper commissure cerebelli). Eerste optreden van de intrinsieke cerebellaire vezels. Plaat V, 1 en 2. Afferente cerebellaire vezelsystemen aanwezig (behalve ponto-cerebellaire vezels). Plaat V, 1 en 2. 61

67 3e Fase CAUDALE LIJST: Nucleus parabulbaris tekent zich duidelijk af. Fig.3en4. Ponscellen nemen in aantal toe en verplaatsen zich rostraalwaarts. Pontine-migratie blijft aanwezig. Fig. 3 en 4. Proliferatie tuberculum acusticum drukt caudale lijst naar lateraal. Fig. 5. l?e dag: ROSTRALE LIJST: Celbeeld onveranderd. Primaire matrix minder actief. Purkinje-cellen hopen zich plaatselijk op. Activiteit secundaire matrix neemt toe. Plaat V, 3 en 4. CAUDALE LIJST: Primaire matrix neemt in activiteit af. Caudale deel, nucleus parabulbaris verdwijnt. Pontine-migratie duurt voort. Plaat V, 3. 20e dag: ROSTRALE LIJST: Celdifferentiatie stationair. In de centrale kernmassa eerste vervorming van het oppervlak. Naast afferente en intrinsieke vezels optreden van de efferente cerebellaire vezels. Commissura dorsal is isthmi enigszins in het cerebellum opgenomen. Velum medulläre anterior wordt langer en dunner. Fig. 6. Naast fissura postero-lateral is geen verdere fissuratie. CAUDALE LIJST: De nucleus parabulbaris blijft onveranderd. Ponsmigratie duurt voort. Ponsmassa neemt toe. Fig e dag: ROSTRALE LIJST Celrijping toegenomen. Beginnende vorming van de vermis. CAUDALE LIJST: Ponsmassa toegenomen. Celrijping onveranderd. Celrijping nucleus parabulbaris overeenkomstig cerebellaire kernmassa. POSTNATALE ONTWIKKELING I. ROSTRALE LIJST: Toenemende activiteit secundaire matrix Ie t/m 10e dog. Plaat VII, 1-6. Ontwikkeling 3 lagen schors van 10e tot 40e dag. Vol и me-toe name lobi van 6e tot 40e dag. Fissuratie-oppervlak Ie t/m 6e dag. Gecorreleerd met fissuratie uitgroeien van centrale kernmassa in mediale, intermediaire en rostrolaterale richting. Myelinisatie vanaf de 10e dag. Ontwikkeling cerebellum voltooid op 40e dag. II. CAUDALE LIJST Nucleusparabulbaris plat af tegen tuberculum acusticum. Ontwikkeling eindigt op de 6e dag. Plaat VII, 1-6. Ponsmassa blijft toenemen tot 6e dag. Toenemende celrijping van 2e tot en met 10e dag. Vanaf 4e dag ontstaan ponto-cerebellaire vezels en binnendringen cortico-pontine vezels. Plaat VII, 3 en 4. Optreden pons-"kernen" vanaf de 6e dag. Myelinisatie vanaf de 10e dag. Ontwikkeling pons voltooid op 10e dag. 62

68 De belangrijkste bevindingen van ons onderzoek betreffende de ruitlijst laten zich tenslotte als volgt formuleren: 1. De ruitlijst is een proliferatie van de vleugelplaat ter hoogte van de taenia chorioidea, gekarakteriseerd door het ontbreken van de randzonei 2. Alle derivaten van de ruitlijst worden gekenmerkt door hun ligging buiten de randzone; deolivo-arcuaire migratie vindt dan ook niet zijn oorsprong in de ruitlijst maar in de vleugelplaat zelf. 3. Door mechanische en ruimtelijke factoren, samenhangende met de kromming van het rhombencephalon en de achterwaartse uitgroei van de mesencephale en te lencephale hemisferen wordt de lijststructuur niet alleen in een rostraal en een caudaal gedeelte verdeeld, maar kan ook in meer of mindere mate tot een lipstructuur worden omgekruld. 4. Bij de witte rat ontwikkelt zich deze lipvorming alleen in het caudale deel van de lijst direct achter de "Rautenbreite". 5. De histogenèse van de ruitlijst wordt gekenmerkt door het verschijnen van 2 matrices, een primaire of ventriculaire matrix, en een secundaire, extraventriculaire of oppervlakkige matrix. 6. Uit de primaire matrix van de rostrale lijst ontwikkelen zich, onderscheiden van elkaar, de centrale kernmassa enerzijds en de Purkinje-cellen van het cerebellum anderzijds. Uit de primaire matrix van de caudale lijst ontwikkelt zich alleen de nucleus parabulbarìs. 7. Uit de secundaire matrix van de rostrale lijst ontwikkelt zich de granulaire cel laag van de schors van het cerebellum. Uit de secundaire matrix van de caudale lijst ontstaat de kernmassa van de pons. 8. De centrale kernmassa van het cerebellum blijft een samenhangend geheel vormen met "kern-achtige" mediale, intermediaire en rostro-laterale uitstulpingen, ontstaan onder invloed van de ontwikkeling van het cerebellaire oppervlak. 9. Vóór de geboorte op de 21e dag vertoont het cerebellaire oppervlak slechts één fissuur, de fissura postero-lateral is. Op de óe dag na de geboorte zijn alle fissuren aanwezig. 10. De ontwikkel ing van het vezelpatroon is zodanig, dat zich eerst de afferente vezels van het cerebellum ontwikkelen (lóe dag), dan de intrinsieke vezels (18e dag), daarna pas de efferente vezels (20e dag). Het laatste ontwikkelen zich de ponto-cerebellaire vezels (4e dag postnataal). 11. De myelinisatie van deze vezels/sternen begint de 10e dag postnataal. 12. De ontwikkeling van de pons en de nucleus parabulbarìs is voltooid op de 10e dag na de geboorte; de ontwikkeling van het cerebellum op de 40e dag. Wij hebben getracht zo exact mogelijk de chronologische volgorde vast te stellenvan de ontwikkeling van de ruitlijst en zijn derivaten om hierdoor een basis te hebben voor een experimenteel onderzoek hiervan, dat reeds in gang is, maar nog te weinig resultaten heeft opgeleverd om mededeling hierover te rechtvaardigen. 63

69

70 HOOFDSTUK V SUMMARY The development of the rhombic list of the rhombencephalon of the white rat was studied in 67 specimens. A tabu lar survey of the specimens investigated of the various stadia of prenatal and postnatal development, of the methods of fixation, dissection and staining will be found on page For the section of the prenatal series see fig. 7. The prenatal development (21 days) is described for the 12th, 14th, 16th, 17th, 18th, 19th, 20thand 21st day. The postnatal development is described only for the 1st, 2nd, 4th, 6th, 8th, 10th, 20th and 40th day. From a survey of the literature it was found that in 1890 HIS described what hecalleda "Rautenlippe" in the human embryo, in English literature indicated as "rhombic lip", along the dorsal border of the alar plate from the 4th ventricle. His described the development of the cerebellum and the inferior oliva from this lip. In 1907 & 1912 ESSICK added to these formations those of the pons and the arcuate nuclei, which, according to him, would develop likewise, together with the inferior oliva, through a single migration, the oliva-arcuate migration, from the rhombic lip. Other authors. SCHAPER 1894, HAYASHI1924, JAKOB 1928,TELLO 1938, BON- NEVIE & BRODAL1946, LARSELL1952, KAUFMANN 1959, describe either the histogenetic development of the cerebellum or the phylogenetic and ontogenetic development of lobi and fissures in the cerebellar cortex. Only HARKMARK 1954, has studied the development of the pons by experimental research on the migration of the pons by chick-embryos. None of these authors has checked HlS's description of the rhombic lip, although our investigations concerning the development of the dorsal border of the rhombencephalon in the white rat, showed us the remarkable fact that such a rhombic lip structure develops only over a very much limited area, whereas the rest maintains a structure which we will designate as a list. We concluded that the lipstructure of this list must result from very complex mechanical factors: flection of the neural tube in the cephalic-, pontic-, and neckbends as well as a strong backward pressure of the mesencephalic and telencephalic hemisferes on the metencephalon, indirectly resulting in changes of the bulbar part of the rhombencephalon. The processes of these developments of the rhombencephalon and their influences on the rhombic list could be demonstrated convincingly from the deformations induced in a plastic tube. For a comparison of these deformations with the observed deformations of the rhombencephalon we refer to fig. 1, where the tela chorioidea is reproduced by a longgitudinal cut in the tube. On the left isa sketch of the plastic tube model, on the right the rhombencephalon indifferent stadia of flection. The similarity is so striking that the conclusion would seem to be justified that a primary straight rhombic list along the 65

71 attachment of the tela chorioidea will cause a lipstructure to emerge by flection and torsion of the wall in a particular area. The emergence of an overall lip-structure in the human embryo might be explained by a more intense effect of these factors on the human rhombencephalon. But here, too, a list-structure must precede the lip-structure. As an argument forthiswe may point to the illustration provided by His himself (1894, fig. 26) of a humanembryo, 3 weeks old, in which the structure of the rhombencephalon and also the dorsal border of the alar plate, is identical with that of a 12-day albinorat embryo. As for the attachment of the tela chorioidea to the rhombic lip, HIS assumes that the tela chorioidea merges with the lip. This would result in a new medial attachment, and a large area of the rhombic lip - the cerebellar part - would thus become extra-ventricular and would show further extra-ventricular development. However, we could not find any indications of such a déplacement of the taenia chorioidea in the white rat. The taenia follows the torsion of the rostral list. The extra-ventricular outgrowth of the cerebellum is caused on the side by a great increase of cells of the cerebellar list out of the primary matrix, on the other side by the development of a secondary or superficial matrix out of the primary matrix at the taenia chorioidea on the surface of the cerebellar list. Out of the ce 11-proliferation of the ventricular matrix originate both the central nuclear mass of the cerebellum and the Purkinje-cells found in the cortic al layer. The rhombic list is characterised from the beginning by the absence of a marginal zone: a remarkable fact, not stressed in the literature. This fact enabled us at every moment to recognize very distinctly on the one hand the rhombic list and its dérivâtes, on the other hand the dérivâtes of the alar and basal plates of the rhombencephalon. With this fact in mind we concluded that dérivâtes of the rhombic list develop outside this marginal zone only, whereas dérivâtes of the alar plates migrate within the marginal zone. In the caudal list we also observed the presence of a primary matrix which on the 16th day gives rise to the secondary matrix. The migration of this secondary matrix develops outside the marginal zone, hence we inferred that the caudal list gives rise to no other migration than the pontine one. For the white rat we cannot accept HlSíconception that the oliva nuclei derive from the rhombic lip, nor ESSICK's either, who assumes that both the inferior oliva and the arcuate nuclei do so. Further investigation of the human embryo with this new fact in mind, viz. the absence of the marginal zone, might show whether our conclusions hold for the development of other animal species and man as well. A chronological survey of the development of the different dérivâtes from the rostral and caudal list follows here. 66

72 Development of the Rhombic List and its Derivates PRENATAL Phase I DEVELOPMENT 12th day: Origin of rhombic list in the alar plate of the rhombencephalon, Plate I, 1,2,3 and 4. 13th day: Beginning of the pontine curve. 14th day: Increase of pontine flection. Division of rhombic list into rostral and caudal list. Great activity of primary matrix. Plate I, 5 and 6. 15th day : Pontine flection more increased. Activity of primary matrix. 16th day: Pontine flection reaches maximum. Rostral list tips backward. First stage of secondary matrix. Plate 11,6. ROSTRAL LIST: Rostral ends meet in median line. Plate 11,6. Primary (ventricular) matrix devided by flection into rostral part and dorso-caudal part. Plate II, 3 and 6. Secondary (superficial) matrix migrates along the external surface from the taenia chorioidea in a rostral direction. Plate II, 3 and 6. First penetration of vestibulo-cerebellar fibers. Plate III, 4,5,6. CAUDAL LIST: Primary matrix proliferates ventrally. Secondary matrix migrates along the surface of the medulla at the outer side of the marginal zone slightly beyond the N. V. entry. Plate II, 3, 4, 5 and 6. Caudali/ to the "Rautenbreite" migration of the arcuate nuclei and the inferior oliva in the alar plate. Fig. 2. Phase II 17th day: ROSTRAL LIST: First differentiation of two ce 11 -proliferations out of the primary matrix. From the secondary matrix migration of granular cells. First appearance of the fissura postero-loteralis. Plate IV, 3 and 4. CAUDAL LIST: Primary matrix forms the nucleus parabulbaris. Plate IV, 5. Pontine migration reaches the pontine curve. Plate IV, 3 and 4. 18th day: ROSTRAL LIST: Rostral ends merge medially. Fig. 3 and 4. Primary matrix: differentiation of cells of the central nuclear mass and of the Purkinje-cells. Increased migration of the secondary matrix. First stage of the cortical layer. First appearance of commissure dorsal is isthmi ( preceding commissura cerebelli). First appearance of intrinsic cerebellar fibers. Plate V, 1 and 2. Presence of afferent cerebellar fibers, ponto-cerebellar fibers excepted. Plate V, 1 and 2. 67

73 CAUDAL LIST: Nucleus parabulboris plainly visible. Fig. 3 and 4. Augmentarion and rostral movement of pontine-cel Is. Pontine migration continues. Proliferation of the tuberculum acusticum pushes the caudal list sideways. Fig. 5. Phase Ml 1 9th day: ROSTRAL LIST: No changes in cell differentiation. Primary matrix actually decreases, local accumulation of Purkinje-cells. Increasing activity of secondary matrix. Plate V, 3 and 4. CAUDAL LIST: Primary matrix decreases its activity. Caudal part of the nucleus parabulboris disappears. Pontine migration continues. Plate V, 3. 20th day: ROSTRAL LIST: Cell differentiation stationary. Central nuclear mass shows first signs of surface deformation. Appearance of efferent cerebellar fibers by the side of afferent and intrinsic fibers. Commissura dorsalis isthmi partially included in the ceiebellum. Velum medulla anterius elongates and_ thins out. Apart from the fissura postero-lateral is no fissuration. Fig. 6. CAUDAL LIST: Nucleus parabulbarisstationary. Pontine migration conrinues. Augmentation of pontine mass. 21th day: ROSTRAL LIST: Ripening of cells. Emerging of the vermis. CAUDAL LIST: Augmentation of pons-mass. No change in ce 11 maturati on. Maturation of nucleus parabulboris conform to that of the central cerebellar nuclear mass. POSTNATAL DEVELOPMENT I. ROSTRAL LIST h creasing activity of secondary matrix, l-10thday. Plate VII, 1-6. Development of 3-layer cortex, 10-40th day. Increasing volume of lobi, 6-40th day. Fissuration, 1-6th day. Outgrowth of central nuclear mass in medial, intermedial, and rostro-i ate ral direction in correlation with fissuration. Myelinisation from the 10th day onwards. Development of the cerebellum completed about the 40th day. II. CAUDAL LIST Nucleus parabulboris flattens out on the tuberculum acusticum; its development completed on the 6th day. Plate VII, 1-6. Growth of the pons-mass until the 6th day. Increase of ce 11-maturation until the 6th day. From the 4th day onwards occurence of ponto-cerebeilar fibers and penetration of cortico-pontine fibers. Occurence of pontine "nuclei" from the 6th day onwards. Myelinisation from the 10th day onwards. Development of pons completed on the 10th day. 68

74 The main results of our investigations concerning the rhombic list may be stated as follows: 1. The rhombic list is a proliferation of the alar plate at the taenia chorioidea, characterised by the absence of the marginal zone. 2. All dérivâtes of the rhombic listare characterised by their position outside the marginal zone; consequently the olivo-arcuate Migration has its origin not in the rhombic list but in the alar plate itself. 3. Owing to mechanical and spatial factors, connected with the curvature of the rhombencephalon and the retroverted development of the mesencephal and telencephal hemispheres, the list-structure is not only subdivided into a rostral and caudal part but can also recurve more or less into a lip-structure. 4. In the white rat this lip-formation only develops in the caudal part of the list, immediately behind the "Rautenbreite". 5. The histogenesis of the rhombic list is characterised by the formation of two matrices, a primary or ventricular matrix and a secondary, extra-ventricular or superficial one. 6. From the primary matrix of the rostral develop, well-distinguished from each other, on the one hand the central nuclear mass and on the other the Purkinie-cells of the cerebellum. From the primary matrix of the caudal list develops only the nucleus parabulbaris. 7. From the secondary matrix of the rostral list develops the granular cell layer of the cerebellar cortex. From the secondary matrix of the caudal list originates the pontine nuclear mass. 8. The central nuclear mass of the cerebellum continues to be one coherent whole with "nuclear-like" medial, intermediate, and rostro-lateral excrescences, originated under the influence of the cerebellar surface development. 9. Before birth, on 21th day, the cerebellar surface shows only one fissura, the fissura postero-lateral is. On the 6th postnatal day all the fissurae have been formed. 10. The fiber pattern development is such as to form first the afferent cerebellar fibers (16th prenatal day), next the intrinsic fibers (18th day) and not until the efferent fibers (20th day). Last of all develop the ponto-cerebellar fibers (4th postnatal day). 11. Myelinisation of these fiber systems begins on the 10th postnatal day. 12. The development of the pons and of the nucleus parabulbaris is completed on the 10th postnatal day; that of the cerebellum on the 40st day. We have tried to determine as exactly as possible by means of observations the development of the rhombic list and its dérivâtes in order to have a basis for subsequent observations and for an experimental research, which is already being carried out, but the results of which are still touncertain to justify communication at this stage. 69

75

76 LITERATUURLIJST Ac i ron, E. E., Fiscuracion del cerebelo en la rata blanca. Arquivo de Anatomica e Antropologica 27 ( ) Add ison, W. Η. E., The development of the Purkinje-cells and of the cortical layers in the cerebellum of the albino rat. J. Comp. Neur. 21, 1911 ( ) Al Ian, F. W., Distribution of fibers originating from the different basal cerebellar nuclei. J. Comp. Neur. 36 ( ) Ariens Kappers, 1918,1920. Die vergleichende Anatomie des Nerven-systems der Wirbeltiere und des Menschen II. Erven Bohn, Haarlem Ariens Kappers, С. U., Huber, G. С. & Crosby, E. С.,1936. The comparative anatomy of the nervous system of vertebrates, including man. Macmillan, New York Blechschmidt, E., Entwicklung functionel 1er Untersuchungen am Ner vensystem (Entstehung von Wachstum Koordinationen). Z. Anat. Entw. Gesch. 119/2 ( ) Bonnevie,K.& В r od a I, A., Hereditary hydrocephalus in the house mouse. IV. The development of the cerebellar anomalies during foetal life. With notes on the normal development of the mouse cerebellum. Norske Vid. Akad. Oslo I, Mat. Natura. Kl. no. 4 (1-68) Brodai, Α., Bonnevie, Κ. and Harkmark, W., Hereditary hydrocephalus in the house mouse. II. The anomalies of the cerebellum: partial defective development of the vermis. Shr. Norske Vid. Acad. I M. N. Kl. VIII Mat. Nat. Kl. (1-42) Brodai, A., Experimentelle Untersuchungen "über die olivo-cerebellaire Lokalisation. Z. Neur. 169 (1-153) Brodai, A. & Jansen, J., Beitrag zur Kenntnis der spinocerebellaren Bahn beim Menschen. Anat. Anz. 91 ( ) Brodai, Α. & Jansen, J., Thepontocerebellar projection in the rabbit and the cat. Experimental investigations. J. Comp. Neur. 84 (31-118) Brodai, A. & Rexed, В., Spinal efferentstothe lateral cervical nuclei in the cat. An experimental study. J. Comp. Neur. 98 ( ) Brandis, Untersuchungen überdas Gehirn der Vögel. Abt. II Das Kleinhirn Ca al, S. R., Histologie du système nerveux de l'homme et des vertébrés. Maloine, Paris Dow, R. S., The evolution and anatomy of the cerebellum. Biol. Review 17( ) Dowd, L. W., The development of the dentate nucleus in the pig. J. Comp. Neur. 48 ( ) Essick, C. R., The corpus ponto-bulbare. A hithertoundescribed nuclear mass in the human hind brain. Am. J. Anat. 7( ) Essick, C. R., The development of the nuclei pontis and the nucleus arcuatis in man. Am. J. Anat. 13 (25-54) 71

77 Hayashi, M., Einige wichtige Tatsachen aus der ontogeneti sehen Entwicklung des menschlichen Kleinhirns.Dtsch.Zeitschr.Nervenheilk.81 (74-82) Harkmark, W., Cell migration from the rhombic lip tot the inf. olive, the nucl. raphe and the pons. A morphological and experimental investigation on chick embryos. J. Comp. Neur. 100 ( ) Herrick, С. J., Origin and evolution of the cerebellum. Arch. Neur. Psychiat. 11 ( ) His, W., Die Entwicklung des menschlichen Rautenhirns vom Ende des ersten bis zum Beginn des dritten Monats. I. Verlängertes Mark. Abh., Kön. Säachs. Ges. der Wiss. Mat. Phys. Kl. 17 (1-74) His, W., Die Entwicklung des menschlichen Gehirns. J. Hirzel, Leipzig Hochstetter, F., Beiträge zur Entwicklungsgeschichte des menschlichen Gehirns. II Teil. Deuticke, Wien & Leipzig. Janssen, J.& Brodai, Α., Aspects of cerebellar anatomy. Oslo, Joh.Grundt, Taum Vorlag Janssen, J.& Brodai, Α., Experimental studiesonthe intrinsic fibers of the cerebellum. II. The cortico-nuclear projection. J. Comp. Neur. 73 ( ) Jakob, A., Das Kleinhirn. Von Möllendorfs Handbuch der Mier. Anat. des Menschen, 4 ( ). Springer, Berlin Kaufmann, J. Untersuchungen über die Frühentwicklung des Kleinhirns beim Rind. Inaugural-Dissertation 1959, Zürich Larseil, O., The cerebellum. A review and investigation. Arch. Neur. Psychiat. vol. 38 I ( ) Larsell, O., The developmen* of the cerebellum in man in relation to its comp, anatomy. J. Comp. Neur. 87 (85-129) Larsell, Ο., The morphogenesis and adult pattern of the lobules and fissures of the cerebellum of the white rat. J. Comp. Neur. 97 ( ) Ono, M.& Kato, H.,1938. Beitrag zur Kenntnis von den Kleinhirnkernen des Kaninchens. Anat. Anz. 86 ( ) Schaper, Α., Die Morphologie und histologische Entwicklung des Kleinhirns der Teleostier. Anat. Anz. 9 ( ), Morph. Jahrbuch 21 ( ) Sanders,Ester Blick, A consideration of certain bu I bai r midbrain and cerebellar centers and fibertracts in birds. J. Comp. Neur. 49 ( ) Snider, R. S., Patterns of organisation in the central nervous-system (Proceedings of the association for research in nervous and mental diseases, vol.xxx) Snider, R. S., Recent contributions to the anatomy and physiology of the cerebellum. Arch. Neur. Psychiat. 64 ( ) Те I I o, Histogenèse du cervelet et ses voies chez le souris blanche. Travaux du Laboratoire de Recherches biologiques de l'université de Madrid. Tome XXXII Voort, M. van de, Een afzonderlijke kerngroep bij de nucleus lateralis cerebelli. Tijdschr. Geneesk. 85, nr. 42 Voort, M. van de, Bijdrage tot de embryologie van het cerebellum van Mus Rattus. Tijdschr. Geneesk. 103, nr. 13 Walker, G. Α., Some observations on the early development of the vestibular nuclei of the white rat. J. Comp. Neur. 59 (29-46) Whitlock, D. S., A neurohistological and neurophysiological investigation of the afferent fiber tracts and the receptive areas of the drain cerebellum. J. Comp. Neur. 97 ( ) 72

78 Windle, Fish O'Donnell. Myelogeny of the cat, as related to development of fiber tracts and prenatal behavior patterns. J. Comp. Neur ( ) Winkler, C., Anatomie du système nerveux 3, Le Cervelet Winkler, С. & Potter, Α., 1911.Αη anatomical guide to experimental research of the rabbit's brain. Amsterdam, W. Versluis 73

79

80 LIJST VAN AFKORTINGEN Βα Ρ Br Con Br Po Co О Com С Comm d I Cor Re Cor Trap co Po DP FI ρ I F 1 m F un G N Fa Int С Lm L I Mes N Co N Oct Ν Τ Ν Τ Mes Ν Tro Ν Ve Nu A Nu С Nu Cod Nu Co ν Nu Fa Nu ρ В Nu Τ Mes Nu Τ Mot Nu Τ Sens Nu tro Nu Ves Ol О S Ped Ce Po Po Во Pom Pr M RL с RL г Ree I RZ SM Seh Su Li ТА Te Ch Tr С О Tr OC Tr Sp С d Tr Sp С ν Tr Τ Sp TrTeC Tr Ve С V VP Vel ant Vel post basaalplaat brachium coniunctivum brachium pontis vezels ν. d. nucí, cochl. ventr. naar de ol iva super commissura cerebelli commissura dorsalis isthmi corpus resti Forme corpus trapezoides cortico-pontine vezels dakplaat fissura posterolateral is fasciculus longus medialis fasciculus uncinatus genu nervi facialis intrinsieke cerebellaire vezels lemniscus medialis lemniscus lateralis mesencephalon nervus cochlearis nervus octavus nervus trigeminus nervus trigeminus mesencephalicus nervus trochlearis nervus vestibularis nuclei arcuati nucleus cerebelli nucleus cochlearis dorsalis nucleus cochlearis ventralis nucleus nervi facialis nucleus parabulbaris nucleus trigeminus mesencephalicus nucleus trigeminus motorius nucleus trigeminus sensorius nucleus trochlearis nucleus vestibularis superior oliva inferior oliva superior pedunculus cerebri pons ponsbocht ponti ne-m gratie primaire matrix caudale ruitlijst rostrale ruitlijst recessus lateralis randzone secundaire matrix schorslaag sulcus limitons tuberculum acusticum tela chorioidea tractus cerebello-olivaris tractus olivo-cerebellaris tractus spino-cerebellaris dorsalis tractus spino-cerebellaris ventralis tractus trigemino-spinalis tractus tecto-cerebellaris tractus vestibulo-cerebellaris ventriculus vleugelplaat velum medulläre anferius velum medulläre posterius

81 FIGUUR 1 Vergelijking van de toestandsveranderingen van een plastische buis bij buiging (open dorsale zijde) met de waargenomen veranderingen in het rhombencephalon (dunne dakplaat). 2

82 RLc FIGUUR 2 Serie 236 A, embryo 16 dagen, frontaal (ΙΟμ), sni richting aangegeven in medio-sagittale coupe. Toestand na de ponsbochtkromming. Voor verklaring der symbolen: zie fig. 4. 3

83 FIGUUR 3 Voor verklaring zie achterzijde van fig.4.

84 312 т е г Ч ^* < FIGUUR 6 Serie 262, Ranson-sagittaal (ΙΟμ). Nummers der coupes in linkerbovenhoek. Coupe 242 is medio-sagittaal. 7

85 FIGUUR 7 Overzicht van: 1) verloop der krommingen in de neuraalbuis, speciaal de ponsbochtkrommin. het gebied van het rhombencephalon, van 12 dagen prenataal tot 2 dagen ρ nataal. 2) de snijrichting van de in de platen l-vi weergegeven coupes. 8

86 PLAAT I -VII

87 PLAAT I i) 1. Serie 258 Α. Embryo 12 dagen. Haematoxyline. Glas 2a, I, 3 Sni richting fig Serie 258 A. Embryo 12 dagen. Haematoxyline. Glas 2a, 11,3 Snijrichting fig Serie 442. Embryo 12 dagen. Ranson. Glas 15,1,3 Snijrichting fig Serie 443. Embryo 12 dagen. Ranson. Glas 2, 11,3 Snijrichting sagittaal 5. Serie 228 B. Embryo 14 dagen. Haematoxyline. Glas 2, 1,4 Snijrichting sagittaal Ponsbochtkromming 6. Serie 228 C. Embryo 14 dagen. Cresylviolet. Glas 5a, I, 2 Snijrichting fig. 7 "Rautenbreite" 1) De aanduiding 2a betekent: glas 2a van de serie; het romeinse cijfer geeft aande rij op het be treffende glas; het laatste cijfer betekent het nummer van de coupe. 10

88

89 PLAAT IV 1. Serie 208. Embryo 16 dagen. Ranson. Glas 25, 111,2 Snijrichting sagittaal 2. Serie 208. Embryo 16 dagen. Ranson. Glas 26,11,3 Snijrichting sagittaal 3. Serie 239 B. Embryo 17 dagen. Haemotoxyline. Glas 3a, I, 3 Snijrichting sagittaal 4. Serie 239 B. Embryo 17 dagen. Haemotoxyline. GlasSa, II, 3 Snijrichting sagittaal 5. Serie 239 B. Embryo 17 dagen. Haemotoxyline. Glas 8a, I, 2 Snijrichting fig Serie 239 В. Embryo 17 dagen. Haemotoxyline. GlasSa, II, 2 Snijrichting fig. 7

90 PLAAT II 1. Serie 259. Embryo 14 dagen. Ranson. Coupe 539. Snijrichting fig Serie 260. Embryo 14 dagen. Ranson. Coupe 60. Snijrichting sagittaal 3. Serie 236 B. Embryo 16 dagen. Haematoxyline. Glas 3a, I, 1 Snijrichting sagittaal 4. Serie 236 A. Embryo 16 dagen. Haematoxyline. Glas 7a, II, 1 Snijrichting fig Serie 236 A. Embryo 16 dagen. Haematoxyline. Glas 8a, I, 1 Snijrichting als boven 6. Serie 236 A. Embryo 16 dagen. Haematoxylme. Glas 8a, II, 1 Snijrichting als 4 en 5

91

92

93 PLAAT III 1. Serie 207. Embryo 16 dagen. Ranson. Glas 18,111,2 Snijrichting fig Serie 207. Embryo 16 dagen. Ranson. Glas 20,1,4 Snijrichting fig Serie 207. Embryo 16 dagen. Ranson. Glas 21, 111,4 Snijrichting fig Serie 453. Embryo 16 dagen. Ranson. Glas 43, II, 2 Snijrichting fig Serie 207. Embryo 16 dagen. Ranson. Glas 45, I, 2 Snijrichting als 4 6. Serie 453. Embryo 16 dagen. Ranson. Glas 46, I, 4

94 3 ; 'ί'

95 PLAAT V 1. Serie 408. Embryo 18 dogen. Ranson. Glas 45a, I, 4 Snijrichting fig Serie 408. Embryo 18 dagen. Ranson. Glas 46a, II, 3 Snijrichting fig.7 3. Serie 241 B. Embryo 19 dagen. Haematoxyline. Glas 4a, II, 1 Snijrichting sagittaal 4. Serie 241 B. Embryo 19 dagen. Haematoxyline. Glas 4a, II, 4 Snijrichting sagittaal

96 TrSpCv ^ л />' : 01 NuA NuFct

97 PLAAT VI Serie 271. Embryo 20 dagen. Sni richting fig Соирэ Coupe Сои Г э Coupe Coupe 279

98 3 s^ TrSpCd IntC

99 PLAAT VII 1. Serie 232 В. 2 dagen postnataal. Haematoxyline. Glas 5a, 1,4 Snijrichting sagittaal 2. Serie 232 B. 2 dagen postnataal. Haematoxyline. Glas 4a, II, 1 Snijrichting sagittaal 3. Serie dagen postnataal. Ranson. Glas 38, I, 1 Snijrichting sagittaal 4. Serie dagen postnataal. Ranson. Glas 32, II, 2 Snijrichtirtg frontaal 5. Serie 235 A. 20 dagen postnataal. Klüver-Barrera. Glas 2c, I, 2 Snijrichting frontaal 6. Serie 235 A. 20 dagen postnataal. Klüver-Barrera. Glas 3c, 1,5

100

101

102

103

104 STELLINGEN ι In tegenstelling tot HIS en ESSICK zi n wij van mening, dat de olivo-arcuaire migratie zijn oorsprong niet heeft in de ruitlijst. II In tegenstelling tot de opvatting van HIS treedt er geen verplaatsing op van de aanhechting van de tela chorioidea van de IVe ventrikel aan de aanleg van het cerebellum. Ill Het is noodzakelijk om iedere otitis media op adacquate wijze met anti-biotica te behandelen, mits drainage van het middenoor verzekerd is. IV Het is noodzakelijk de oog dru к bij personen boven de 40 jaar periodiek te controleren. V De intra-musculaire of subcutane toediening van weesn-bevorderende middelen bij de baring in de huisartsenpraktijk mag alleen op strenge indicaties gebeuren. VI De eerste behandeling van de fissuur van het radïuskopje moet bestaan uit punctie van het elleboogsgewricht. VII De geneesmiddelenvoorziening van de Ziekenfondsverzekerden, zoals toegestaan door de Centrale Medisch-Pharmaceutische commissie, is alleszins voldoende. VIII Het is noodzakelijk aan de vestiging als huisarts een bepaalde stage bij één of meerdere huisartsen te laten voorafgaan. IX Bij een effectieve praktijkvoering in een normale praktijk is een huisarts niet overbelast. De opneming in een ziekenhuis-dus ook de daaraan verbonden hoge kosten voor de Ziekenfondsen-wordt grotelijks mede bepaald door de instelling van de huisarts. X *

105

106

107

108 mafnx vesl bulcnre kernen cochleaire ke neri nuclei arcuah oliva infer юг rancbone primaire mafrix secundaire matrix laag ν Purkimecellen cerebeilair kernareaal nucleus parabulbaris ропькегпеп ΒαΡ VP FIGUUR 4 Voor verklaring zie achterzijde van deze figuur.

109 .e lybt ud lyst 12 dagen.vp rostrlyst caud lyst 14 dagen 16 dagen FIGUUR 3 Serie 444, embryo 18 dagen (ΙΟμ). Snijrichting in tig. А, В en С. fig. A. medio-sagittale coupe. Serie 452В fig. В. coupe 169 van Serie 449 (fig. 4) fig. С. lateraal aanzicht met de migratie van de secundaire matrix V : nervus V VIII: nervus VIII FIGUUR 4 Serie 449, embryo 18 dagen, frontaal (ΙΟμ). Snijrichting intig.ajb, C. fig.a. medio-sagittale coupe. Serie 452B fig. В. Coupe 101 van serie 444 (fig. Ill) fig. С. lateraal aanzicht met de migratie van de secundaire matrix. In medulla situatieschets van nuclei arcuati en oliva inferior, fig. D. schets van het binnenaanzicht van de IVe ventrikel. 18 dag en FIGUUR 5 bcnematische weergave van de ontwikkeling in het gebied van de fossa rhomoolaea van de 1 2e - 18e dag. Plaats van de doorsnede is in de rechtse figuur aangegeven. 5a

110

111