Vloerverwarming/-koeling

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Vloerverwarming/-koeling"

Transcriptie

1 Vloerverwarming/-koeling Technische Informatie NL Technische wijzigingen voorbehouden/geldig vanaf 12.04

2 Veiligheidsinstructies bij de montage Lees s.v.p. voor aanvang van de montagewerkzaamheden de veiligheidsinstructies en de bedieningshandleidingen zorgvuldig en volledig door en bewaar deze voor uw eigen veiligheid en de veiligheid van andere personen. Indien u de veiligheidsinstructies en de afzonderlijke montagevoorschriften niet heeft begrepen of indien deze onduidelijk voor u zijn, neem dan s.v.p. contact op met uw REHAU-vertegenwoordiging. De montage van onze systemen mag alleen door geautoriseerd en opgeleid personeel worden uitgevoerd. Houdt de algemene ongevallenpreventieen veiligheidsvoorschriften aan bij de installatie van de buisinstallaties. Draag een veiligheidsbril, geschikte werkkleding, veiligheidsschoenen, een helm en bij lang haar een haarnet. Draag geen andere kleding of sieraden; deze kunnen door bewegende onderdelen worden gegrepen. In het bijzonder bij montagewerkzaamheden boven het hoofd moet een veiligheidshelm worden gedragen. Grijp nooit in de perszone van gereedschap tijdens de persprocedure. Houdt uw werkplek schoon en vrij van hinderlijke objecten. Bij het inkorten van de buis moet u de veiligheidsafstand aanhouden tussen de hand waarmee wordt vastgehouden en het gereedschap (buisschaar). De REHAU-buisscharen en het isolatiemateriaalmes zijn zeer scherp. Sla deze zodanig op dat er geen verwondingsgevaar hierdoor ontstaat. Werkzaamheden aan elektrische installaties of kabeldelen moeten alleen door gekwalificeerd en geautoriseerd personeel worden uitgevoerd. Zorg voor voldoende verlichting van de werkplek. Houdt kinderen en huisdieren en onbevoegde personen weg van gereedschappen en de montageplaats. Dit geldt vooral bij renovatiewerkzaamheden in woongebieden. Bij onderhouden-, service- en ombouwwerkzaamheden en bij verandering van de montageplaats moet altijd de netconnector van het gereedschap worden losgemaakt of deze moet worden beveiligd tegen onbedoeld inschakelen. Gebruik alleen de voor het betreffende REHAU-buissysteem bedoelde componenten. Gebruik van andere componenten of toepassing van gereedschap die niet tot het betreffende REHAU-installatiesysteem behoren, kan ongevallen of andere gevaren veroorzaken. Tot aan de afronding van de persprocedure kan de fitting uit de buis vallen. Verwondingsgevaar! Na het expanderen vormt het geëxpandeerde buiseinde zicht terug naar de oorspronkelijke vorm (memory-effect). Steek in deze fase geen vreemde objecten in het geëxpandeerde buiseinde. 2

3 Inhoudsopgave Pagina 1.1 De REHAU-vloerverwarming/-koeling Systeemonderdelen 6 Systeem REHAU-noppenplaat vario 6 REHAU-RAUTAC tackersysteem 8 REHAU-tackersysteem TS 9 Systeem REHAU-RAUFIX 10 Systeem REHAU-buisdraagmat 12 REHAU-droogsysteem 14 REHAU-systeemtoebehoren 17 REHAU-randisolatie 17 REHAU-dillitatievoeg-profielset 17 REHAU-vulprofiel 17 REHAU-systeemisolatiemateriaal 18 REHAU-isolatiemateriaalmes 18 REHAU-plakband en REHAU-tape dispenser 20 REHAU-afperspomp 20 REHAU-dekvloercomponent P 20 REHAU-dekvloercomponent Mini met REHAUkunststof vezels 21 REHAU-haspel 22 REHAU-verwarmde haspel 22 REHAU-verdelertechniek 23 REHAU-vloerverwarmingsverdeler 23 REHAU-montage-eenheid 24 REHAU-verdelerkast 25 REHAU-warmtemeter aanbouwset 27 REHAU-vloerverwarmingsregeltechniek 28 Temperatuurregelstation TRS-V 28 Temperatuurregelstation TRS REHAU-pompmengergroepen PMG-25, PMG REHAU-constant regelset 31 REHAU-RAUMATIC M/REHAU-temperatuurregelaar E 32 REHAU-RAUMATIC R Funk 34 REHAU-RAUMATIC Funk 35 REHAU-GLT-stelaandrijving Vloerconstructie 37 Vloeropbouw 37 Bepaling van de benodigde warmte-isolatie 37 Bepaling van de benodigde contactgeluidisolatie 37 Bijzonderheden bij het leggen van warmteen contactgeluiddemping 37 Opbouw isolatielaag 38 Min. dekvloeropbouwhoogten met cement dekvloer ZE Min. dekvloeropbouwhoogten met cement dekvloer ZE Dekvloer en voegen 42 Vloerbedekking Algemene montage-instructies 44 Bouwkundige eisen 44 Verwarmingscircuit - legvormen 44 Druktestprotocol 45 Opwarmprotocol REHAU-vloerkoeling 47 Algemeen 47 Thermische behaaglijkheid 47 Klassieke airconditioning 47 Koelcapaciteit 47 REHAU-regeltechniek verwarmen/koelen 48 Eisen 48 Componenten 48 Werkingswijze systeemcomponenten 51 Montage- en bedradingsinstructies 52 Technische gegevens Warmtetechnische beproevingen Projectering Ontwerpprincipes Drukverliesberekening Berekeningsvoorbeeld Drukverliesinregeling Ontwerpen en configuratie met de berekeningsformulieren Vermogensdiagram bijvoorbeeld systeem REHAU-RAUFIX en RAUTHERM S buis 17 x 2,0 mm Drukverliesdiagram voor buis uit RAU-VPE Doorstroomdiagram voor ventielen retour HKV Doorstroomdiagram voor fijnregelventiel toevoer HKV Doorstroomdiagram voor fijnregelventielen + doorstroommeter HKV-D Wandverwarming - systemen Behaaglijkheid uit de wand Toepassingsgebieden Installatieconcepten De REHAU-wandverwarming in natbouw 77 Systeembeschrijving 77 Montage 78 Wandverwarmingspleister 79 Pagina Het REHAU-klimaatelementsysteem 81 Systeembeschrijving 81 Draagconstructie 82 Montage 84 Voegconstructie 85 Plamuren 86 Oppervlaktebehandeling Regeltechniek Inbedrijfname 87 Inbedrijfnameprotocol Wandverwarming - planning Ontwerpen van REHAU-wandverwarmingssystemen 89 Voorwaarden 89 Grootte verwarmingsvelden 89 Brandbeveiliging en geluiddemping Warmte-isolatie Hydraulische koppeling Vermogensdiagrammen en -tabellen Bepaling drukverlies Betonkernactivering - Systemen en ontwerp Algemeen 95 Inleiding 95 Systeemvoordelen 95 Het principe Systeemvarianten 96 REHAU-BKA-module 96 REHAU-BKA lokaal gelegd Systeemcomponenten Montage van de REHAU betonkernactivering 102 Montage REHAU-BKA-module 102 Montage BKA lokaal gelegd Installatieconcepten met BKA 104 Installatievarianten 104 Kengetallen behaaglijkheid 105 Randvoorwaarden stromingssimulatie/ thermische simulatie Variant A: BKA / ondersteunende airconditioning / statische verwarmingsoppervlakken 106 Thermische simulatie koelen 107 Stromingssimulatie koelen Variant B: BKA / vensterventilatie / statische verwarmingsoppervlakken 109 Thermische simulatie koelen 110 Stromingssimulatie koelen Ontwerpinstructies 112 Bouwkundige voorwaarden 112 Gebruik gebouw 112 Gebouwentechniek 113 Hydraulische aansluitvarianten 114 BKA-uitvoeringsvoorbeelden 115 BKA-visuele afname en druktestprotocol voor het betonneren 116 BKA-visuale afname en druktestprotocol na het betonneren Speciale toepassingen - systemen en ontwerp REHAU-industriële vloerverwarming 119 Systeembeschrijving 119 Vloerconstructies 120 Legvormen 121 Montage 121 Configuratie REHAU-sportvloerverwarming 132 Systeem standaard verdeler 132 Systeembeschrijving 132 Montage 133 Systeem buisverdeler 134 Systeembeschrijving 134 Montage REHAU-openbare ruimte verwarming 138 Systeembeschrijving 138 Vloerconstructie 138 Legvormen 138 Configuratie 138 Montage REHAU-grasmatverwarming 140 Systeembeschrijving 140 Vloerconstructie 140 Configuratie 140 Montage 140 3

4 1.1 De REHAU-vloerverwarming/-koeling 1.1 Fig. 1: systeem REHAU-noppenplaat vario 1.1 Fig. 2: systeem REHAU-RAUTAC-tackersysteem 1.1 Fig. 3: systeem REHAU-RAUFIX 1.1 Fig. 4: systeem REHAU-buisdraagmatten 1.1 Fig. 6: verwarmingsbuis RAUTHERM S en RAUTITAN flex (rol) 1.1 Fig. 5: REHAU-droogsysteem 4

5 Thermische behaaglijkheid REHAU-vloerverwarmings-/-koelsystemen verwarmen en koelen op basis van lage vloeroppervlaktemperaturen en gelijkmatige temperatuurverdeling met een milde en behaaglijke stralingsenergie. In tegenstelling tot statische verwarmingssystemen wordt zo de stralingsbalans tussen mens en het ruimte-omsluitende oppervlak gerealiseerd en een optimale behaaglijkheid bereikt. Ruimteluchttemperaturen conform DIN 4701 woon- en recreatieruimte 20 C badkamers 24 C Richtwaarden voor werkplaatsen Zittende werkzaamheden 19 C Niet zittende werkzaamheden 17 C Kantoren 20 C Wasruimten, baden 24 C Slaapkamers C Vloeroppervlaktemperaturen Voor het vloeroppervlak als direct contactoppervlak met mensen moeten uit medische en fysiologische overwegingen maximaal toegestane oppervlaktetemperaturen worden aangehouden: Verblijfzone 29 C Zelden betreden ruimten (randgebieden) 35 C Energiebesparend Vanwege het grote stralingsenergie-aandeel van de REHAU-vloerverwarmings-/ -koelsystemen ontstaat het behaaglijkheidsgevoel bij verwarming al bij duidelijk lagere temperaturen van de ruimtelucht. Deze kan daardoor 1 C à 2 C lager blijven. Dit maakt jaarlijkse energiebesparingen van 3% tot 6% mogelijk. Milieuvriendelijk Vanwege het hoge verwarmingsvermogen bij lagere toevoertemperaturen kunnen de REHAU-vloerverwarmings-/-koelsystemen ideaal worden gecombineerd met gasketels, warmtepompen of zonnecollectoren. Allergievriendelijk Dankzij het lage convectieve energie-aandeel van de REHAU-vloerverwarmings-/ -koelsystemen resulteert een minimale ruimteluchtcirculatie. Stofcirculatie of opwaaien van stof behoren daarmee tot het verleden. Dit is goed voor de ademwegen - niet alleen voor mensen met een allergie. Optisch aantrekkelijke ruimten zonder radiatoren De REHAU-vloerverwarmingssystemen maken een vrije vormgeving van de ruimte mogelijk. geven de architect ontwerpvrijheid. reduceren verwondingsgevaar in crèches, scholen, ziekenhuizen of verpleegtehuizen. Kamertemperatuur Behaaglijkheidsdiagram (gevoelstemperatuur) Koud onbehaaglijk Behaaglijk Nog behaaglijk Warm onbehaaglijk Oppervlaktetemperatuur omsluitende oppervlakken 1.1 Fig. 7: behaaglijkheid, afhankelijk van de kamerluchttemperatuur en de temperatuur van de omsluitingsoppervlakken 2.7 m 2.7 m 2.7 m 1.7 m 1.7 m 1.7 m 0.1 m C m C m C Radiatorverwarming Ideale warmteverdeling Vloerverwarming 1.1 Fig. 8: exemplarische temperatuurprofielen in verwarmde ruimten 5

6 1.1.1 Systeemonderdelen Systeem REHAU-noppenplaat vario Systeemvoordelen Snel en flexibel leggen van buis met omkeerbochten van 15 tot 180 Geschikt voor montage van drie verschillende buisafmetingen Geschikt voor vloeidekvloer Milieuvriendelijk vanwege 100% recyclebaarheid Systeemcomponenten REHAU-noppenplaat vario REHAU-noppenplaat vario met PST 17-2 Buisafmetingen RAUTHERM S 14 x 1,5 mm RAUTITAN flex 16 x 2,2 mm RAUTHERM S 17 x 2,0 mm Systeemtoebehoren REHAU-randisolatieband REHAU-dillitatievoegprofiel REHAU-vulprofiel REHAU-isolatiemateriaalmes 1.1 Fig. 9: REHAU-noppenplaat vario Systeembeschrijving De REHAU-noppenplaten vario bestaan uit hoogwaardig polystyrolschuim en voldoen aan de eisen van de DIN EN De aan de bovenzijde aangebrachte polystyrolfolie dicht af tegen dekvloeraanmaakwater en vocht conform DIN en DIN EN De afwisselende opstelling van noppenvelden en lege velden maakt legafstanden van 5 cm mogelijk en veelvoudige, extreem flexibele buistrajecten en daardoor een probleemloze aanpassing van het buistraject in de buurt van zuilen ventilatie- en elektro-openingen inspringingen en erkers schuine wanden De haakrand rondom waarborgt een snelle en betrouwbare verbinding en voorkomt geluids- en warmtebruggen. De aan de onderzijde aangebrachte raster maakt snel en recht afsnijden mogelijk. 1.1 Fig. 10: Bovenzijde REHAU- noppenplaat vario 1.1 Fig. 11: Onderzijde REHAU- noppenplaat vario 1.1 Fig. 12: Haakrand REHAU- noppenplaat vario 1.1 Fig. 13: Haakrand REHAU- noppenplaat vario met PST

7 Montage REHAU-verdelerkast plaatsen en REHAU-verdeler inbouwen. REHAU-randisolatieband bevestigen. Extra isolatie leggen, indien nodig. REHAU-noppenplaat vario leggen. Zelfklevende folierand van de REHAU-randisolatieband op de REHAU-noppenplaat vario plaatsen en bevestigen. RAUTHERM S buizen op REHAUverdeler aansluiten. RAUTHERM S buizen conform legraster leggen. Verwarmingscircuit spoelen, vullen en ontluchten. Druktest uitvoeren. De REHAU-noppenplaten vario worden uitgaande van de REHAU-randisolatieband gelegd. Langs de REHAU-randisolatieband moeten de haakranden van de REHAU-noppenplaat vario met het REHAU-isolatiemateriaalmes worden weggesneden, om holle ruimten onder de vloerlaag te voorkomen. De REHAU-noppenplaat vario moet strak tegen de REHAU- randisolatieband aanliggen. Bij het koppelen van naast elkaar liggende REHAU-noppenplaten vario moet op overeenstemming van het noppenraster worden gelet, zodat de bedoelde buislegafstand kan worden aangehouden. Aan het eind van een rij recht afgesneden reststukken kunnen als beginstukken voor een nieuwe rij worden gebruikt. Vooral bij het systeem REHAU-noppenplaat vario moet erop worden gelet dat de folievoet van de REHAU-randisolatieband zonder spanning en los wordt verlijmd met de REHAU-noppenplaat vario. 1.1 Abb. 14: REHAU-Noppenplatte vario Technische gegevens van de REHAU-noppenplaat vario Systeemplaat NP vario NP vario met PST 17-2 Materiaal basisplaat EPS 035 DEO EPS 035/045 DES SG Materiaal afdekfolie PS-folie PS-folie Afmetingen Lengte mm Breedte mm Totale hoogte mm 46 63/61 Dikte isolatielaag mm onder verw.buis Legmaat Lengte mm Breedte mm Oppervlak m 2 0,96 0,96 Legafstanden cm 5 en veelvoud 5 en veelvoud Buisverhoging mm 5 5 Bouwvorm DIN en DIN EN A A Warmtegeleidbaarheid W/mK 0,035 0,035/0,045 Warmtedoorlaatweerstand m 2 K/W 0,657 1,034 Bouwstofklasse conform DIN 4102 B2 B2 Brandgedrag conform DIN EN E E Min. drukbelasting kn/m 2 kn/m 2 80,0 5,0 bij 2% stuiking Eff. belasting kn/m 2 80,0 5,0 Contactgeluidverbeteringsmaat* L W, R db * bij een massieve vloer en een op de contactgeluiddemping aangebrachte cementen dekvloer met een massa 45 Kg/m². 1.1 Tab. 1: Technische gegevens REHAU-noppenplaat vario 7

8 REHAU-RAUTAC-tackersysteem Systeemvoordelen Zeer snel leggen Grote legflexibiliteit Geschikt voor vloeidekvloer Gecombineerde warmte- en contactgeluidisolatie Systeemcomponenten REHAU-tackerplaat als rol- of vouwisolatie REHAU-RAUTAC-tackerkram REHAU-RAUTAC-Tackerapparaat Buisafmetingen RAUTHERM S RAUTHERM S RAUTITAN flex RAUTITAN stabil 14 x 1,5 mm 17 x 2,0 mm 16 x 2,2 mm 16,2 x 2,6 mm Systeemtoebehoren REHAU-randisolatieband REHAU-dillitatievoegprofiel REHAU-plakband REHAU-isolatiemateriaalmes REHAU-tape dispenser REHAU-tackerplaat De rol- en vouwisolatie garandeert warmteen contactgeluiddempingswaarden conform DIN EN 1264 en EnEV. De REHAU-tackerplaat bestaat uit hoogwaardig polystyrol conform DIN EN De scheurvaste PE-folie dicht af tegen dekvloeraanmaakwater en vocht. Het aan de zijkant uitstekende folie voorkomt warmte- en geluidsbruggen. Dankzij de lage legmaat is de REHAU-tackerplaat als vouwplaat vooral geschikt voor kleine ruimten met veel hoeken. Er kunnen legafstanden van 5 cm en veelvouden daarvan worden gerealiseerd. 1.1 Fig. 15: systeem REHAU-RAUTAC-tackersysteem waarborgt de krachtgesloten fixatie van de REHAU-buizen met de REHAU-RAUTACtackerkrammen. Het opgedrukte legraster garandeert een flexibel en nauwkeurig buispatroon. Met het REHAU-RAUTAC-tackerapparaat worden korte legtijden gerealiseerd. REHAU-RAUTAC-tackerkram De als magazijn verpakte grijze REHAU- RAUTAC-tackerkrammen garanderen dankzij de speciaal gevormde uiteinden een betrouwbare buisbevestiging. Vloerschade door naar boven gedrukte verwarmingsbuizen wordt daardoor voorkomen. Het buispatroon is volgens bouwvorm A conform DIN en DIN EN REHAU-RAUTAC-Tackerapparaat Het REHAU-RAUTAC-tackerapparaat is herkenbaar aan een grijze huls en alleen geschikt voor verwerking van de grijze REHAU-RAUTAC-tackerkrammen. Het magazijn dient voor het vullen met de REHAU-RAUTAC-tackerkrammen. De REHAU-tackerplaat is bekleed met een waterdichte textielfolie. De verbindingsplaat 1.1 Fig. 16: REHAU-tackerplaat 1.1 Fig. 17: REHAU-RAUTAC-tackerkram 1.1 Fig. 18: REHAU-RAUTAC-tackerapparaat 8

9 REHAU-tackerplaat Uitvoering Rolisolatie Rolisolatie Rolisolatie Vouwplaat Vouwplaat Vouwplaat Materiaal basisplaat EPS 045 DES sg EPS 040 DES sgeps 040 DES smeps 040 DES sg EPS 040 DES sg EPS 035 DES sg Materiaal folie PE PE PE PE PE PE PE Afmetingen Lengte (m) Breedte (m) Hoogte (mm) Oppervlak (m 2 ) Legafstanden (cm) 5 en veelvoud 5 en veelvoud 5 en veelvoud 5 en veelvoud 5 en veelvoud 5 en veelvoud Buisverhoging (mm) Bouwvorm conform DIN A A A A A A en DIN EN Warmtegeleidbaarheid (W/mK) 0,040 0,040 0,040 0,040 0,040 0,035 Warmtedoorlaatweerstand (m 2 K/W) 0,50 0,75 0,75 0,75 1,25 2,86 Bouwstofklasse conf. DIN 4102* 1 B2 B2 B2 B2 B2 B2 Brandgedrag conform DIN EN E E E E E E Eff. belasting (kn/m 2 ) 5,0 5,0 4,0 5,0 5,0 5,0 Dynamische stijfheid (MN/m³) Contactgeluidverb.maat L w,r (db)* * 1 De specificatie van de bouwstofklasse is gerelateerd op de verbinding PS-basisplaat en PE-folie. * 2 Bij een massieve vloer en een op de contactgeluiddemping opgebrachte cement dekvloer met een massa 70 kg/m² 1.1 Tab. 2: Technische gegevens REHAU-tackerplaten Montage De montage van de grijze REHAU- RAUTAC-tackerkrammen mag alleen met het REHAU-RAUTAC-tackerapparaat dat herkenbaar is aan de grijze huls worden uitgevoerd. REHAU-verdelerkast plaatsen en REHAU-verdeler inbouwen. REHAU-randisolatieband bevestigen. REHAU-tackerplaat leggen Folie-overlapping van de REHAUtackerplaat met REHAU-plakband op folie plakken Zelfklevende folierand van de REHAU-randisolatieband op de REHAU-tackerplaat plaatsen en bevestigen. REHAU-buis op de REHAU-verdeler aansluiten REHAU-tackersysteem TS Voor het REHAU-tackersysteem gelden dezelfde voordelen en montage-instructies als voor het REHAU-RAUTAC tackersysteem. Systeemcomponenten REHAU-tackerplaat als rol- of vouwisolatie REHAU-tackerkram REHAU-Tackerapparaat Buisafmetingen RAUTHERM S 20 x 2,0 mm RAUTITAN flex 20 x 2,8 mm REHAU-buis met REHAU- RAUTAC-tackerapparaat volgens legraster leggen. REHAU-buis op afstanden 50cm met REHAU-RAUTAC-tackerkrammen vastzetten. Druktest Met het REHAU-isolatiemateriaalmes kan de REHAU-tackerplaat exact op maat worden gesneden. De rol- of vouwisolatie wordt uitgaande van de REHAU-randisolatieband gelegd. De REHAU-tackerplaat moet strak tegen de REHAU- randisolatieband aanliggen. De REHAU-tape dispenser voor plakband maakt snel plakken van alle voegen tussen de REHAU-tackerplaten mogelijk. Voor het begin van de tackerwerkzaamheden moet het fixeerband op het magazijn met de REHAU-RAUTAC-tackerkrammen worden verwijderd. Door het neerdrukken en daarna volledig terugtrekken van de geleidingsstang van het REHAU-RAUTAC-tackerapparaat worden de REHAU-RAUTACtackerkrammen in de isolatie bevestigd. Om een optimale laaddruk voor de REHAU- RAUTAC-tackerkrammen te waarborgen, moet het magazijn steeds voldoende zijn gevuld. Systeemtoebehoren REHAU-randisolatieband REHAU-dillitatievoegprofiel REHAU-plakband REHAU-isolatiemateriaalmes REHAU-tape dispenser 1.1 Fig Fig. 20 Het REHAU-tackerapparaat heeft geen huls. 9

10 Systeem REHAU-RAUFIX Systeemvoordelen Krachtgesloten buisfixatie Railmontage zonder gereedschap Nauwkeurige railbevestiging Eenvoudige systeemopbouw Systeemcomponenten REHAU-RAUFIX-rail 12/14 REHAU-RAUFIX-rail 16/17/20 REHAU-bevestigingskram REHAU-afdekfolie Buisafmetingen voor REHAU-RAUFIX 12/14 RAUTHERM S 14 x 1,5 mm Buisafmetingen voor REHAU-RAUFIX 16/17/20 RAUTHERM S 17 x 2,0 mm RAUTHERM S 20 x 2,0 mm RAUTITAN flex 16 x 2,2 mm RAUTITAN stabil 16,2 x 2,6 mm Systeemtoebehoren REHAU-plakband REHAU-tape dispenser REHAU-randisolatieband REHAU-dillitatievoegprofiel REHAU-isolatiemateriaalmes REHAU-extra isolatie REHAU-RAUFIX-rail De REHAU-RAUFIX-rail uit PP geeft een buisverhoging van 5 mm bouwvorm A conform DIN en DIN EN Minimale vloeropbouwhoogte worden bereikt. In enkelvoudige- en dubbele meandervormige buispatronen kunnen legafstanden van 5 cm en veelvouden daarvan worden gerealiseerd. Haken aan de bovenzijde van de bevestigingsclip van de REHAU-RAUFIX-rail garanderen een betrouwbare fixatie van de buizen. De borging op de steekverbinding maakt betrouwbare en snelle onderlinge verbinding van de 1 m langer REHAU-RAUFIXrails mogelijk. REHAU-bevestigingskram De speciaal gevormde uiteinden van de REHAU-bevestigingskrammen zorgen voor een optimale bevestiging van de REHAU- RAUFIX-rails in de vloerconstructie. De met gaten uitgevoerde bodemplaat van de REHAU-RAUFIX-rails dient voor doorvoer van de REHAU-bevestigingskrammen. REHAU-afdekfolie De REHAU-afdekfolie uit scheurvast PE voldoet aan de eisen uit DIN18560 en DIN EN Deze dicht af tegen vocht en vloeraanmaakwater. Warmte- en geluidsbruggen worden voorkomen. De robuuste afdekking biedt de REHAUbevestigingskrammen een optimaal houvast. De weerhaken aan de onderzijde van de 1.1 Fig. 21: systeem REHAU-RAUFIX REHAU-RAUFIX-rail garanderen een precieze fixatie in de REHAU-extra isolatie. Dankzij de REHAU-bevestigingskrammen is de REHAU-RAUFIX-rail bouwkundig geschikt. De op de REHAU-RAUFIX-rail aangebrachte steekverbinding maakt gereedschaploze 1.1 Fig. 22: REHAU-RAUFIX-rail bevestiging van de buisbeugel mogelijk. De clip aan de bovenzijde waarborgt een vaste buisfixatie. 1.1 Fig. 23: REHAU-afdekfolie 1.1 Fig. 24: Bevestigingskram 10

11 Montage REHAU-verdelerkast plaatsen en REHAU-verdeler inbouwen. REHAU-randisolatieband bevestigen. Warmte- en/of contactgeluidisolatie leggen. REHAU-afdekfolie met 80mm overlapping leggen. Folie-overlapping met REHAUplakband vastplakken. Zelfklevende folierand van de REHAU-randisolatieband op de REHAU-afdekfolie plaatsen en bevestigen. REHAU-RAUFIX-rail op benodigde lengte verbinden. REHAU-RAUFIX-rail parallel op afstanden van 1 m met weerhaken in de vloerconstructie drukken. Met REHAU-bevestigingskrammen op afstanden van 40cm REHAU- RAUFIX-rail vastzetten. REHAU-buis op REHAU-verdeler aansluiten. REHAU-buis leggen en in bevestigingsclips drukken. Druktest 1.1 Fig. 25 Met het REHAU-isolatiemateriaalmes kan de REHAU-extra isolatie exact op maat worden gesneden. De REHAU-extra isolatie wordt uitgaande van de REHAU-randisolatieband gelegd. Deze moet strak tegen de REHAUrandisolatieband aanliggen. De REHAU-tape dispenser voor plakband maakt snel plakken van alle overlappingen van de REHAU-afdekfolie mogelijk. De zelfklevende folievoet van de REHAU-randisolatieband wordt op de REHAU-afdekfolie geplakt. Het binnendringen van vloeraanmaakwater wordt voorkomen. De bevestigingskrammen worden zonder gereedschap schuin door de gaten in de REHAU-RAUFIX-rail in de REHAU-extra isolatie gedrukt. Bij bochten wordt de REHAUbuis met extra REHAU-bevestigingskrammen gefixeerd. Bij legtemperaturen minder dan +5 C en legafstanden <15cm moeten de RAU- THERM S buizen 17x2,0 mm en 20x2,0 mm met de REHAU-verwarmde haspel worden gelegd. De REHAU-verwarmde haspel garandeert snelle legtijden. 1.1 Fig Fig

12 Systeem REHAU-buisdraagmatten Systeemvoordelen Universeel en onafhankelijk van de gekozen isolatie toepasbaar Bij toepassing op PUR-isolatie voor zware belasting geschikt Snel leggen van de buisdraagmat Geschikt voor vloeidekvloer Systeemcomponenten REHAU-buisdraagmatten RM 100 REHAU-matverbinder REHAU-drilapparaat voor matverbinders REHAU-draaiclip REHAU-zetgereedschap REHAU-afdekfolie Buisafmetingen RAUTHERM S 17 x 2,0 mm RAUTHERM S 20 x 2,0 mm RAUTITAN flex 16 x 2,2 mm RAUTITAN flex 20 x 2,8 mm Systeemtoebehoren REHAU-randisolatieband REHAU-dillitatievoegprofiel REHAU-plakband REHAU-tape dispenser REHAU-isolatiemateriaalmes REHAU-extra isolatie Systeembeschrijving De REHAU-buisdraagmatten uit 3 mm dik staaldraad met raster maat 100 mm maakt in combinatie met de REHAU-draaiclip, de REHAU-afdekfolie en de REHAU extra isolatie verwarmingsvloeren bouwvorm A conform DIN en DIN EN mogelijk. De REHAU-afdekfolie uit polyethyleen dicht af tegen vloeraanmaakwater. De REHAU-draaiclip uit polypropyleen waarborgt, dankzij de twee uiteinden met weerhaken aan de bovenzijde en de vier sluitbeugels aan de onderzijde, een betrouwbare verbinding tussen de REHAU-buizen en de REHAU-buisdraagmatten. De REHAU-draaiclip kan zowel op de langsals dwarsstaven van de REHAU-buisdraagmatten worden toegepast. Het systeem REHAU-buisdraagmatten maakt legafstanden van 5 cm en veelvouden daarvan mogelijk. 1.1 Fig. 28: systeem REHAU-buisdraagmatten 1.1 Fig. 29: Draaiclip 1.1 Fig. 30: Zetgereedschap Opgelet! De buisdraagmat bij gebruik in vloeidekvloeren met REHAU-kettingpluggen borgen tegen drijven. 1.1 Fig. 31: REHAU-drilapparaat en REHAUmatverbinder 1.1 Fig. 32: REHAU-afdekfolie 12

13 Montage REHAU-verdelerkast plaatsen en REHAU-verdeler inbouwen. REHAU-randisolatieband bevestigen. Warmte- en/of contactgeluidisolatie leggen. REHAU-afdekfolie leggen en met zelfklevende folierand van de randisolatieband plakken. REHAU-buisdraagmatten leggen. REHAU-draaiclippen met REHAUzetgereedschap op de REHAUbuisdraagmatten bevestigen. REHAU-buizen op de REHAUverdeler aansluiten. REHAU-buizen in de REHAU-draaiclips plaatsen. Verwarmingscircuit spoelen, vullen en ontluchten. Druktest uitvoeren. REHAU-afdekfolie De REHAU-afdekfolie aan de uiteinden min. 8 cm overlappen leggen. Alle uiteinden met REHAU-plakband volledig dichtplakken. Let erop dat het REHAU-afdekfolie niet wordt beschadigd. Opgelet! De REHAU-afdekfolie vervangt niet een eventueel benodigde dampremming of een afdichting tegen vocht van onderen. REHAU-buisdraagmatten De eerste rij buisdraagmatten op een afstand van ca. 5 cm t.o.v. de randisolatieband zodanig verleggen, dat het randgaas naar de randisolatieband wijst. REHAU-buisdraagmatten in het gebied van de randgaas overlappend leggen en op het randgaas met de REHAU-matverbinders vastzetten. In de omgeving van dillitatievoegen door de vloerconstructie moet de buisdraagmatten worden gescheiden. Materiaal: Draaddikte Lengte incl. randgaas: staaldraad 3 mm 2050 mm Breedte incl. randgaas: 1050 mm Breedte randgaas aan een langs- en dwarszijde 50 mm Effectief legoppervlak 2 m 2 Rastermaat 100 mm Legafstanden 5 cm en veelvoud daarvan 1.1 Tab. 3: Technische gegevens REHAUbuisdraagmatten 1.1 Fig. 33: Omkeerlus en bocht in verwarmingsbuisregister REHAU-draaiclip staande m.b.v. het REHAU-zetgereedschap overeenkomstig de legafstand op de buisdraagmatten bevestigen. Rechtsom draaien bevestigd de clip op een dwarsstang en linksom op een langsstang. REHAU-draaiclips in de buurt van het verwarmingsbuisregister van buiten naar binnen plaatsen. Hierbij eerst de buisclips voor de toevoerleiding in dubbele buisafstand plaatsen en daarna de buisclips voor de retourleiding op de geplande buisafstand plaatsen. 90 -bocht Topgebied Begin lus Buisclip Buisdraagmat Buis De REHAU-draaiclips bij rechte buislengten minstens iedere 50 mm plaatsen. Bij kleine buigradii voor een betrouwbare buisbevestiging 2 clips op een afstand van ca. 10 cm plaatsen. De draaiclips voor de omkeerlus in het verwarmingscircuitcentrum moeten zodanig worden geplaatst, dan de min. buigradius van 5 x D voor de REHAU-buis niet wordt onderschreden. Voor het ontwerp kan in principe voor iedere strekkende meter verwarmingsbuis rekening worden gehouden met 2 REHAU-draaiclips. Het gebruik van standaard wapeningsmatten is niet toegestaan voor de REHAU-vloerverwarming/-koeling. REHAU-draaiclips. 13

14 REHAU-droogsysteem Systeemvoordelen Snel en schadevrij leggen dankzij af fabriek aangebrachte warmtegeleidingsplaat Eenvoudig en snel inkorten dankzij geïntegreerde breukplaatsen Geen verhoging warmtegeleidingsplaat bij plaatsen van de verwarmingsbuizen Hoge bestendigheid bij betreden van gelegd oppervlak Lage opbouwhoogte Systeemcomponenten REHAU-legplaten REHAU-omkeerplaten REHAU-overgangsplaten REHAU-vulplaten REHAU-buissleufsnijder Buisafmetingen RAUTHERM S 16 x 2,0 mm RAUTITAN flex 16 x 2,2 mm RAUTITAN stabil 16,2 x 2,6 mm 1.1 Fig. 34: REHAU-droogsysteem Systeemtoebehoren REHAU-randisolatieband REHAU-afdekfolie Systeembeschrijving Het REHAU-droogsysteem maakt vloerverwarmingen bouwvorm B conform DIN en DIN EN mogelijk op massieve en houten vloeren. Alle systeemplaten van het REHAU-droogsysteem bestaan uit geëxpandeerd polystyrol EPS en voldoen aan de eisen van de DIN EN De REHAU-legplaten in de uitvoeringen - VA 12,5 voor randgebieden en - VA 25 cm voor verblijfsgebieden zijn aan de bovenzijde extra voorzien van warmte-geleidingsprofielen uit aluminium die zorgen voor een klembevestiging van de verwarmingsbuizen en verdeling van de warmte. Geïntegreerde breukplaatsen waarborgen probleemloos en snel inkorten van de legplaten op de bouwplaats. De REHAU-omkeerplaten in de uitvoeringen - VA 12,5 cm randgebieden en - VA 25 cm voor verblijfsgebieden worden gebruikt voor het omkeren van de verwarmingsbuizen bij muren. Voor de overgang van VA 12,5 cm naar VA 25 cm wordt de REHAU-overgangsplaat gebruikt. 1.1 Fig. 35: REHAU-legplaten VA 12,5/ VA 25 met REHAU-omkeerplaten 1.1 Fig. 36: REHAU-omkeerplaten VA 12,5 / VA 25 en REHAU-overgangsplaten De REHAU-vulplaten worden in de volgende gebieden gelegd: Voor de verdeler (ca. 1 m omtrek) In het gebied van inspringingen, zuilen, ventilatie-openingen enz. Voor het opvullen van lege vlakken met niet rechthoekig oppervlak. Met de REHAU-buissleufsnijder worden op de bouwplaats individuele buissleuven in de vulplaten gemaakt. 1.1 Fig. 37: REHAU-vulplaat 1.1 Fig. 38: REHAU-buissleufsnijder Grip noolt in de hete lemmet van de REHAU-buissleufsnijder. Laat de REHAU-buissleufsnijder noolt onbewaakt in werking. De REHAU-buissleufsnijder niet op brandbare ondergrond leggen. 14

15 Systeemplaten/identificatie Legplaten Omkeerplaten Vulplaten VA 12,5 en 25 cm VA 12,5 en 25 cm Overgangsplaten Materiaal basisplaat EPS 035 DEO EPS 035 DEO EPS 035 DEO met gelamineerde alu-warmtegeleidingsprofielen Lengte mm Breedte mm 500 Omkeerplaten: Overgangsplaat: 375 Dikte mm Warmtegeleidbaarheid W/mK 0,035 0,035 0,035 Warmtegeleidbaarheidsweerstand m 2 K/W 0,75 0,75 0,857 Drukspanning bij 2% kpa 70,0 190,0 5,0 Bouwstofklasse conform DIN 4102 B2 B1 B1 Brandgedrag conform DIN EN E E E 1.1 Tab. 4: Technische gegevens systeemplaten REHAU-droogsysteem Belastbaarheid en toepassingsgebieden. Voor de belastbaarheid van de totale vloer- constructie en voor het toepassingsgebied van het REHAU-droogsysteem op massieve en houten vloerconstructies zijn de door de leverancier van de droge vloerelementen gegarandeerde punt- en oppervlaktebelastingen maatgevend. Toepassingsgebied REHAU-droogsysteem conform DIN 1055 FERMACELL 2 E22 FERMACELL 2E11 (met oppervlaktebel. qk [kn/m 2 ]) Dekvloer-element Dekvloer-element (S = 25 mm) 1) (S = 20 mm) 2) A1 + A2 + A3 Woonruimte, vloeren en zolders (1,0)+(1,5)+(2,0) in woongebouwen. B1 + B2 Kantoren, werkoppervlakken, vloeren B1 (2,0)+(3,0) C1 Schoolklassen, cafe's, restaurants, kantines, (3,0) bibliotheken, ontvangstruimten D1 Verkoopruimte tot 50 m 2 oppervlak in woon-, (2,0) kantoor en vergelijkbare gebouwen 1.1 Tab. 5: Toepassingsgebied REHAU-droogsysteem conform DIN 1055 in combinatie met Fermacell dekvloerelementen 1) maximaal toelaatbare puntbelasting 2,5 KN 2) maximaal toelaatbare puntbelasting 1,5 KN 2.1 Tab. 5: Toepassingsgebieden van het REHAU-droogsysteem Het toepassen van het REHAU-droogsysteem is op houten vloerconstructies uitgevoerd volgens 2.1 tabel 6 mogelijk. De houten vloerconstructies moeten voor aanvang van het leggen op de constructieve status worden gecontroleerd. De ondergrond mag niet meegeven of veren. Losse delen eventueel vastschroeven. In DIN ondervloeren uit spaanplaat zijn de eisen aan de noodzakelijke dikte van de beplanking bij een gegeven belasting en afstand van de houten balken gegeven. De eisen uit DIN moeten worden aangehouden. In geval van twijfel moet een statische berekening van het draagvermogen van de ruwe vloer worden uitgevoerd. Algemene eisen aan de ondergrond De ondergrond moet voldoende draagkracht hebben en droog en schoon zijn. Omdat droge vloerplaten als belastingsverdeling boven het REHAU-droogsysteem geen zelfnivellerende eigenschapen hebben, moet de ondergrond voor het leggen van het REHAU-droogsysteem vlak worden opgeleverd. De vlakheid van de ondergrond moet daarom voor aanvang van het leggen conform DIN worden gecontroleerd en via daarvoor geschikte maatregelen (zie montage) worden gewaarborgd. Opbouw van de houten vloerconstructie Min. eisen aan de beplanking Materiaal Dikte Dikte Houten vloerconstructie Houten platen 16 mm 600 kg/m 3 Multiplexplaten 16 mm 520 kg/m 3 Planken 21 mm Houten vloerconstructie Met draagbestendige insteek houten platen 16 mm 600 kg/m 3 Multiplexplaten 16 mm 520 kg/m 3 Planken 21 mm 520 kg/m Tab. 6: Eisen en uitvoeringen van houten vloerconstructies in combinatie met het REHAU-droogsysteem 15

16 Montage REHAU-verdelerkast plaatsen en REHAU-verdeler inbouwen REHAU-randisolatie bevestigen Op massieve vloeren REHAUafdekfolie leggen en met de folierand van de REHAU-randisolatieband vastplakken. Op houten vloerconstructies vanwege het gevaar voor schimmelvorming alleen ademende vochtbescherming (bijv. natron- of bitumenpapier) gebruiken. Kleine oneffenheden op de ruwe vloer van 0-10 mm rondom met geschikt plamuur vereffenen. Voor kleine oneffenheden op grotere oppervlakken is zelfnivellerende vloeiplamuur geschikt. Grotere oneffenheden met geschikte stortlaag nivelleren en met min. 10 mm dikke gipsvezelplaten afdekken. Evtl. benodigde aanvullende isolatie aansluitend leggen. Bij een combinatie van PS-warmte-isolatie met contactgeluidisolatie eerst de PS-warmte-isolatie leggen. Bij een combinatie van PUR-warmte-isolatie met contactgeluiddemping eerst de contactgeluiddemping leggen. Systeemplaten REHAU-droogsysteem zonder tussenruimten leggen. REHAU-verwarmingsbuizen op de REHAU-verdeler aansluiten REHAU-verwarmingsbuis in enkelvoudige meandervorm staand met de voet in de groeven in de REHAU-droogsysteemplaten plaatsen. Eventueel nodige schuifhulsverbindingen in REHAU-omkeerplaten vlak met de bovenkant t.o.v. de REHAU-omkeerplaat indrukken of in de REHAU-legplaten plaatsen door de warmtegeleidingsplaat m.b.v. een slijpmachine deels te verwijderen. Verwarmingscircuit spoelen, vullen en ontluchten Druktest uitvoeren. Leggen van de REHAU-droogsysteemplaten Door uitwerking van een legplan voor het REHAU-droogsysteem kan de montagetijd op de bouwplaats worden gereduceerd. Begin met het leggen van de REHAUdroogsysteemplaten in een hoek, waar volgens het legplan gehele systeemplaten moeten komen te liggen. De REHAU-droogsysteemplaten moeten over het gehele oppervlak strak tegen elkaar worden gelegd, zonder tussenruimten. In het gebied voor de verdeler (ca. 1 m in omtrek) plus voor het opvullen van resterende oppervlakken alleen REHAU-vulplaten gebruiken. Benodigde buisgroeven in deze platen handmatig met de REHAU-buissleufsnijder aanbrengen. Buisgroeven daarbij altijd door styroporwanden van elkaar scheiden. 1.1 Fig. 39: voorbeeld van een legplan voor het REHAU-droogsysteem 1 REHAU-legplaat VA 12,5 2 REHAU-legplaat VA 25 3 REHAU-omkeerplaat VA 12,5 4 REHAU-omkeerplaat VA 25 5 REHAU-overgangsplaat 6 REHAU-vulplaat Eisen aan de externe toebehoren Als lastverdelingslaag op het REHAU-droogsysteem mogen alleen droge vloerdelen uit gipsvezelplaat worden gebruikt. De gipsvezelplaten moeten minimaal aan de in 2.1 tabel 5 genoemde specificaties voor punten nuttige belasting voldoen. Extra warmte-isolatieplaten moeten aan de volgende eisen voldoen. Geëxpandeerd polystyrol (EPS): Dichtheid: min. 30 kg/m 3 Dikte: maximaal 60 mm Polyurethaan hardschuim (PUR): Dichtheid: min. 33 kg/m 3 Dikte: maximaal 90 mm Als extra contactgeluidisolatie zijn alleen de volgende materialen toegestaan: houtvezelisolatieplaten steenwolplaten Opmerkingen: De REHAU contactgeluiddemping mag niet voor het REHAU-droogsysteem worden gebruikt. Alle externe toebehoren moeten door de leverancier van de droge vloerelementen voor gebruik in combinatie met het REHAUdroogsysteem zijn vrijgegeven. Toegestane opbouwvarianten De toegestane opbouwvarianten van het REHAU-droogsysteem worden getoond in de afbeeldingen REHAU vloer-isolatieopbouw afhankelijk van de warmte- en contactgeluideisen. Thermisch toepassingsgebied Droge vloeren uit gipsvezel mogen worden belast met een maximale temperatuur van 45 C. Hiermee moet bij het ontwerpen van de vloerverwarming rekening worden gehouden. 16

17 REHAU-systeemtoebehoren REHAU-randisolatieband Voordelen Zelfklevende folierand Geschikt voor vloeidekvloer Optimale hoekvorming snelle montage Relevante systemen REHAU-noppenplaat vario REHAU-RAUTAC-tackersysteem REHAU-tackersysteem REHAU-RAUFIX REHAU-buisdraagmatten REHAU-droogsysteem 1.1 Fig. 40: REHAU-randisolatieband 1.1 Fig. 41: REHAU-randisolatieband De geprofileerde PE-wand van de REHAUrandisolatieband waarborgt het optimaal vormen van hoeken en inspringingen. De plakstrip op de achterzijde en de folierand garanderen een maximale kleefkracht en snelle montage. De scheurvaste folierand voorkomt binnendringen van vocht en vloeraanmaakwater. Warmte- en geluidsbruggen worden voorkomen. De REHAU-randisolatieband biedt de conform DIN voorgeschreven bewegingsmogelijkheid van 5 mm voor verwarmingsvloer. Montage Verwijder de beschermstrip van de plakstrip van de PE-achterkant. REHAU-randisolatieband met folierand naar ruimte gericht aanbrengen. De REHAU-belettering wijst naar boven. Plaats de folierand op het REHAU-vloerverwarmingssysteem. Verwijder de beschermstrip van de folierand. Plak de folierand. Materiaal wand PE Materiaal folierand PE Bouwstofklasse conf. DIN 4102 B2 Brandgedrag conform DIN E Hoogte (mm) 180 Breedte (mm) 10 Lengte folierand (mm) Tab 7: Technische gegevens REHAUrandisolatieband Opmerkingen: Bij de naden moeten de REHAU-randisolatieband minimaal 5 cm overlappend worden gelegd. REHAU-dillitatievoeg-profielset Productvoordelen Zelfklevend Flexibel snelle montage Relevante systemen REHAU-noppenplaat vario Toepassing met REHAU-vulprofiel REHAU-RAUTAC-tackersysteem REHAU-tackersysteem REHAU-RAUFIX REHAU-buisdraagmatten Het REHAU-dillitatievoegprofiel en het REHAU-vulprofiel zijn bedoeld voor het vormen van constant elastische voegen bij verwarmingsdekvloeren en voor het begrenzen van de dekvloervelden. De zelfklevende voet van het dillitatievoegen vulprofiel waarborgt een betrouwbare aanhechting op de REHAU-vloerverwarmingssystemen. Dillitatievoegprofiel: hoogte x dikte x lengte 100 x 10 x 1200 mm Vulprofiel: hoogte x dikte x lengte 24 x 18 x 1200 mm 1.1 Fig. 42: REHAU-dillitatievoegprofiel REHAU-vulprofiel Montage vul- en dillitatievoegprofiel op noppenplaat vario Montage volgt na het leggen van de buizen. Evt. ca. 30 cm lange buishulzen uit REHAU-beschermbuis fabriceren en over de leidingen clipsen. Verwijderen van de beschermstrip op de voet van het vulprofiel. Plakken van het vulprofiel op de noppenplaat vario. 1.1 Fig. 43: REHAU-dillitatievoeg- en vulprofiel in noppenplaat vario Verwijderen van de beschermstrip op de voet van het dillitatievoegprofiel. Plakken van het dillitatievoegprofiel op vulprofiel en noppen. De montage van het dillitatievoegprofiel op alle andere REHAU-legsystemen wordt zonder vulprofiel uitgevoerd. Hierbij moeten eventueel de buisdoorvoeren worden verwijderd. 17

18 REHAU-systeemisolatiemateriaal Producten REHAU-contactgeluiddemping EPS REHAU-extra warmte-isolatie EPS REHAU-extra warmte-isolatie PUR Toepassingsgebied Als extra isolatie voor de REHAU-systemen: REHAU-noppenplaat vario REHAU-RAUTAC-tackersysteem REHAU-tackersysteem REHAU-RAUFIX REHAU-buisdraagmatten REHAU-droogsysteem Opgelet! Voor het REHAU-droogsysteem is uitsluitende de extra warmteisolatie EPS 035 DEO met een dichtheid van 30 kg/m³ of PUR toegelaten. De REHAU-warmte- en/of contactgeluidisolatie bestaat uit FCKW-vrij, geëxpandeerd polystyrol-hardschuim conform DIN EN De REHAU-extra warmte-isolatie PUR bestaat uit FCKW-vrij en aan beide zijden met aluminiumfolie gecoat goedgekeurd PUR-hardschuim conform DIN EN Montage-instructies De systeemisolatie over het totale te leggen oppervlak aansluitend zonder kruisvoegen leggen. Meerlaags isolatielagen zodanig leggen, dat de voegen van de bovenste en onderste laag minimaal 10 cm verzet liggen. Bij een combinatie van contactgeluidisolatie met warmte-isolatie onder natte vloeren eerst de contactgeluidisolatie aanleggen. Conform DIN en DIN EN mag de samendrukbaarheid van de totale isolatielaag incl. REHAU-systeemplaten niet meer zijn dan 5 mm. REHAU-isolatiemateriaalmes Voordelen Sneller en nauwkeuriger snijden Stabiel en lang lemmet met karteling Handig en comfortabel heft Met reserve lemmet en lederen etui Toepassingsgebied Voor snijden van de volgende REHAU-systeemelementen: REHAU-noppenplaat vario REHAU-RAUTAC-tackersysteem REHAU-tackersysteem REHAU-extra isolatie Met het REHAU-isolatiemateriaalmes kunnen, dankzij de lemmetlengte van 13 cm met karteling, REHAU-systeemelementen en REHAU-extra isolatie tot een dikte van 102 mm, snel een veilig worden versneden. Het lemmet kan via het openen van de schroef op het heft worden vervangen. Ieder REHAU-isolatiemateriaalmes wordt geleverd met een reserve lemmet. Aanvullende reserve lemmets kunnen worden meebesteld. Dankzij de lederen etui met riemlus is het REHAU-isolatiemateriaalmes altijd bij de hand. 1.1 Fig. 44: REHAU-isolatiemateriaalmes Het REHAU-isolatiemateriaalmes heeft een scherp lemmet. Dusdanig opbergen en handhaven, dat er geen verwondingsgevaar van het isolatiemateriaalmes uitgaat. 18

19 Benaming en type Contactgeluiddemping Extra warmte-isolatie Extra warmte-isolatie EPS EPS PUR alu gelamineerd PUR 45 PUR 55 Materiaal EPS 040 EPS 040 EPS 035 EPS 035 EPS 040 EPS 035 EPS 035 EPS 040 EPS 035 EPS 035 EPS 040 EPS 035 EPS035 PUR 45 PUR 55 DES sg DES sg DES sg DES sg DEO DEO DEO DEO DEO DEO DEO DEO DEO DEO dh DEO dh Art. nr Nom. dikte d N mm Samendrukbaarheid c mm Lengte mm Breedte mm Dichtheid kg/m Warmtegeleidbaarheid W/mk 0,040 0,040 0,035 0,035 0,040 0,035 0,035 0,040 0,035 0,035 0,040 0,035 0,035 0,025 0,025 Warmtedoorlaatweerstand m 2 k/w 0,75 1,25 2,00 2,86 0,25 0,29 0,57 0,75 0,86 1,14 1,25 1,43 1,43 1,8 2,2 Eff. belasting kn/m 2 5,0 5,0 10,0 10,0 20,0 28,0 36,0 20,0 36,0 28,0 20,0 28,0 36,0 100,0 100,0 Dyn. stijfheid MN/m Contactgeluidverbeteringsmaat* db Bouwstofklasse conform DIN 4102 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B1 B2 B2 Brandgedrag conform DIN EN E E E E E E E E E E E E E E E E * Contactgeluidverbeteringsmaat L W,R Bij een massieve vloer en een op de contactgeluiddemping opgebrachte cement dekvloer met een massa 70 kg/m 2 Tab : Technische gegevens van de REHAU-systeemisolatiematerialen 19

20 REHAU-plakband en REHAU-tape dispenser Voordelen Hoge kleefkracht Hoge scheurvastheid Extreem lichte dispenser Technische gegevens Rolbreedte 50 mm Rollengte 66 m Scheurvastheid minimaal 10 N/mm 2 Toepassing Voor absoluut noodzakelijk vastplakken van de folie-overlappingen bij gebruik van het REHAU-tackersysteem, REHAU- RAUTAC tackersysteem, systeem REHAU-RAUFIX en systeem REHAUbuisdraagmatten. Voor absoluut noodzakelijk vastplakken van de folierand bij randisolatieband zonder aangebrachte plakstrook. 1.1 Fig. 45: REHAU-plakband 1.1 Fig. 46: REHAU-tape dispenser REHAU-afperspomp Technische gegevens Voordelen Precisie afperspomp voor nauwkeurige en snelle druk- en lekdichtheidstest. Drukbeproeving met water en antivries mogelijk. Vullen en drukbeproeving in één handeling mogelijk. Met de REHAU-afperspomp wordt de conform DIN EN 1264 deel 4, vereiste druk- en lekdichtheidstest van de verwarmingscircuits van het REHAU-vloerverwarmings-/- koelsysteem uitgevoerd. Afmetingen 720x170x260mm Volume 12 Liter Drukbereik 0 60 bar Zuigvolume ca 45 ml / slag Aansluiting R 1/2 Gewicht ca 8 kg 1.1 Fig. 47: REHAU-Afperspomp REHAU-dekvloercomponent P Voordelen Verbetering van de vloeibaarheid en de verwerkbaarheid Homogenisatie van de voeg Verbetering van de buigtreksterkte en de druksterkte Verbetering van de warmtetechnische eigenschappen Toepassing Het REHAU-dekvloercomponent P is geschikt voor gebruik met alle cement dekvloeren. Technische gegevens Levereenheid Jerrycan met 10 kg Dichtheid 1,1 g/cm 3 ph-waarde 8 Brandgedrag Opslag Houdbaarheid Ecologische classificatie Dosering M additief = niet brandbaar koel en droog 12 maanden na afvuldatum ongevaarlijk 0,035 x A FH x d dekvloer 1.1 Fig. 48 REHAU-dekvloercomponent P A FH = d vloer = M additief = met dekvloer te bedekken oppervlak (m 2 ) gewenste totale dikte dekvloer (cm) berekende hoeveelheid REHAU-vloercomponent P (kg) 20

21 REHAU-dekvloercomponent Mini met REHAU-kunststof vezels Voordelen Aanmaken van dunne dekvloeren Aanmerkelijke verhoging van de buigtreksterkte en druksterkte Reducering van de hoeveelheid aanmaakwater Verbetering van de verwerkbaarheid Toepassing Voor alle cement dekvloeren Voor alle REHAU-vloerverwarmings-/-koelsystemen Door toevoeging van de REHAU-dekvloercomponent Mini, de REHAU-kunststofvezels en verhoging van het cementgehalte kan de vloerdikte van verwarmingsdekvloeren conform DIN tot min. 30 mm vloerdikte boven de bovenkant van de buizen worden gereduceerd. Wordt de sterkteklasse van de cement dekvloer van ZE 20 naar ZE 30 verhoogd. Wordt de scheurvorming tijdens het droog- en uithardingsproces geminimaliseerd. Basisvoorwaarde Dunne verwarmingsdekvloeren moeten conform DIN 18560, deel 2, zodanig worden gerealiseerd, dat deze v.w.b. het draagvermogen, bij plavuizen ook m.b.t. de doorbuiging, overeenkomen met een cementen dekvloer uit de sterkteklasse ZE 20 met een dikte van 45 mm boven de bovenkant van de buizen. De REHAU-dekvloercomponent Mini ondersteunt en completeert deze eis bij tegelijkertijd verhogen van het cementgehalte. Verbruik per oppervlak Algemeen 0,2 kg dekvloercomponent Mini per cm vloerdikte en m 2 oppervlak. Algemeen 10 g kunststof vezels per cm vloerdikte en m 2 oppervlak. Bij minimaal toegestane opbouwhoogte van 44 mm vloerdikte (RAUTHERM S 14x1,5mm + 30mm vloerbedekking) 0,88 kg/m 2 dekvloercomponent Mini en 44 g/m 2 kunststof vezels. Voor de mengverhouding in een mengmachine geldt: 62,5 kg cement CEM 32,5 150 kg kiezelzand 0 4 mm 100 kg kiezelzand 4 8 mm ca 20 liter water 3,12 kg dekvloercomponent Mini 0,20 kg kunststof vezels 1.1 Fig. 49: REHAU-dekvloercomponent Mini Technische gegevens Levereenheid dekvloercomponent Mini Jerrycan met 25 kg Dichtheid 1,05 g/cm 3 ph-waarde 8 Brandgedrag moeilijk ontvlambaar Opslag Droog, niet onder 0 C Houdbaarheid 12 maanden na afvuldatum Ecologische biologisch classificatie afbreekbaar REHAU-dekvloercomponent Quick Voordelen Versnelling van het uitdrogings- en hardingsproces van cementgebonden verwarmingsdekvloeren ZE 20 Plastificering voor gemakkelijker verwerking Besparing van aanmaakwater Door toevoeging van de REHAU-dekvloercomponent Quick Kan de vloerverwarming al bij het leggen van de dekvloer met 20 C worden gebruikt. Kan 5 dagen na aanbrengen van de dekvloer worden begonnen met het opwarmen/opwarmprotocol. Wordt de conform DIN voorgeschreven buigtrek- en druksterkte na 7 dagen bereikt. Verbruik gerelateerd aan oppervlak Over het algemeen geldt 0,09 kg cement plastificeerder Quick per cm dekvloerdikte en m² oppervlak. Bij een minimaal toegestane opbouwhoogte van 59 mm (RAUTHERM S 14x1,5 mm + 45 mm dekvloeroverdekking) resulteert een verbruik van 0,53 kg/m². Voor de mengverhouding in een mengmachine geldt: 50 kg cement CEM I 32,5 R 250 kg dekvloerzand 0-8 mm Watertoevoeging afhankelijk van de vochtigheid van het zand (mortelconsistentie aardvochtig) 1,5 kg dekvloercomponent Quick Technische gegevens Levereenheid dekvloercomponent Quick Emmer met 30 kg Dichtheid 1,1-1,3 g/cm 3 PH-waarde 8-10 Brandgedrag Niet brandbaar Opslag Koel, droog, en vorstvrij Houdbaarheid 12 maanden na afvuldatum Ecologische Veilig classificatie 21

22 De REHAU-haspel Voordelen Snel en eenvoudig bruikbaar Eenvoudig en tijdbesparend leggen van de RAUTHERM S-buizen en de RAUTITAN flex-buizen Leggen door één man mogelijk. Geschikt voor RAUTHERM S-buizen met nom. doorlaat 14x1,5 mm, 17x2,0 mm en 20x2,0 mm RAUTITAN flex-buizen met nom. doorlaat 16x2,2 mm, 20x2,8 mm RAUTITAN stabil 16,2x2,6 mm in lengten minder dan 300 m. Met de REHAU-haspel kunnen de REHAUbuizen op de bouwplaats in koude toestand snel en tijdbesparend worden gelegd. 1.1 Fig. 50: De REHAU-haspel Montage van de haspel Plaats de voet met de onderste haspelschijf op een vaste ondergrond. Fixeer de middenas in het midden van de voet. Plaats de vier armen. Pas de afstand van de armen t.o.v. de middenas aan overeenkomstig de binnendiameter van de te leggen buis. Plaats de te leggen rol buis horizontaal op de haspel. Bevestig de bovenste haspelschijf op de middenas met de klemschroef. Technische gegevens Diameter schijf Hoogte haspel Opgebouwd Materiaal Gewicht zonder rol 1 m ca 70 cm Staal en polyamide ca 11 kg De REHAU-verwarmde haspel Voordelen Vereenvoudigd leggen van de buizen bij Lage buitentemperaturen en in onverwarmde ruimten. Kleine legafstanden Leggen van grote rollen (tot 600 m lengte) Geschikt voor buisrollen tot 600 m lengte bij buisbuitendiameter tot 17 mm tot 480 m lengte bij buisbuitendiameter tot 20 mm tot 320 m lengte bij buisbuitendiameter tot 25 mm tot 180 m lengte bij buisbuitendiameter tot 32 mm De REHAU-verwarmde haspel bestaat uit de haspel waarop een tempereerapparaat met circulatiepomp kan worden aangesloten. Door het circuleren van 50 C C warm water wordt de te leggen buis ook onder ongunstige omstandigheden zacht en buigzaam waardoor het plaatsen snel en probleemloos kan worden uitgevoerd. De toepassing van de REHAU-verwarmde haspel is dwingend voorgeschreven bij het leggen van de REHAU-vloerverwarmings-/-koelsystemen RAUFIX-rail en tackerplaat in combinatie met RAUTHERM S buizen met nom. diameter 17x2,0mm en 20x2,0mm bij legafstanden minder dan 15 cm en legtemperaturen lager dan +5 C. 1.1 Fig. 51: Toepassing van de REHAU-verwarmde haspel Montage van de verwarmde haspel Aanvoer en retour van het tempereerapparaat met de aanvoer en retour van de REHAU verwarmingsverdeler. Rol op de haspel plaatsen. Aanvoer rol op de betreffende verdeleraftakking aansluiten. Retour rol op de trommelas aansluiten en van daaruit een slangverbinding terug naar de verwarmingsverdeler maken. Rol en tempereerapparaat met water vullen en in bedrijf nemen. Toepassingsvoorwaarden Draaistroom 400 Volt/16 Ampère voor tempereerapparaat. Wateraansluiting beschikbaar. Verwarmingsverdeler moet op de daarvoor bedoelde plaats zijn geïnstalleerd. Technische gegevens Lengte Breedte Hoogte Gewicht zonder rol 1,20 m 0,78 m 0,93 m ca. 37kg 22

23 REHAU-verdelertechniek REHAU-vloerverwarmingsverdeler Voordelen Hoogwaardig messing Ms 63 Vlakafdichtende koppelingen Groot montagegemak door verzette opstelling aansluitnippels. Afwisselende verdeleraansluiting mogelijk. Voorgemonteerd op console Bediening hoeveelheidsregeling met radiatorontluchtingssleutel Systeemcomponenten HKV Fijnregelventiel in aanvoer. Thermostaateenheid voor REHAUstelaandrijving in retour Aansluitkogelkraan in aanvoer en retour Verdelereindstuk met ontluchting/aftap Verzinkt console met geluidsdempingsinlage HKV-D Als HKV, echter met: Doorstroommeter en Quick-stop in aanvoer Thermostaateenheid met doorstroomregeling in retour Systeemtoebehoren REHAU-verdelerkast voor weggewerkte of opbouwmontage REHAU-warmtemeteraanbouwset REHAU-temperatuurregelstation TRS-V REHAU-constant regelset Fig. 52: REHAU-verwarmingsverdeler HKV 1.1 Fig. 53: REHAU-verwarmingsverdeler HKV-D 1.1 Fig. 54: Aansluitmaten REHAU-verwarmingsverdeler HKV Montage in REHAU-verdelerkast De consoles van de verwarmingsverdeler worden op de verschuifbare C-profielrail bevestigd. De verdelerbevestiging kan horizontaal en verticaal worden verschoven. Wandmontage: De verwarmingsverdeler wordt met de meegeleverde bevestigingsset ( 4 kunststof pluggen S schroeven 6x50 ) via de gaten in de verdelerconsole bevestigd. 1.1 Fig. 55: Aansluitmaten REHAU-verwarmingsverdeler HKV-D Materiaal Messing MS 63 Verdeler/hoofdleiding Bestaande uit afzonderlijke messingbuis NW 1 Verwarmingscircuits HKV HKV-D Voor 2 tot 12 verwarmingscircuit (groepen) Een fijnregelventiel per verwarmingscircuit in de aanvoer. Een thermostaateenheid per verwarmingscircuit in de retour. Een doorstroommeter met Quickstop per verwarmingscircuit in de aanvoer. Een thermostaateenheid met doorstroomregeling per verwarmingscircuit in de retour. Verdelereindkappen Met ontluchtingsventiel 3/8 en vul-/aftapkraan 1/2 Afstand aansluitnippels Aansluitgarnituur voor 55 mm RAUTHERM S buis 14x1,5/17x2,0/20x2,0 mm RAUTITAN flex 16x2,2/20x2,8 mm RAUTITAN stabil 16,2x2,6 mm Bevestiging/console Geluidgedempt, voor wand- en kastmontage 1.1 Tab. 9: Technische gegevens REHAU verwarmingsverdelers HKV en HKV-D Verdelergr L in mm Totale maat in mm Tab. 10: bouwmaten van de REHAU-verwarmingsverdeler 23

24 REHAU-montage-eenheid in weggewerkte of opbouwuitvoering De REHAU-montage-eenheden bestaan uit een verdelerkast uit sendzimirverzinkt plaatstaal en de al gemonteerde verwarmingsverdeler. Afmetingen en gewichten vindt u in tabellen. 1.1 Fig. 56: De REHAU-montage-eenheid voor weggewerkte montage REHAU-montage-eenheid UP-HKV Bouwhoogte montage-eenh. (mm) 1), zonder frame Totale breedte Montage-eenheid (mm) B, zonder frame Totale diepte montage-eenheid (mm) Benodigde uitsparing Breedte (mm) Benodigde uitsparing Hoogte (mm) min./max. 702/ / / / / / / / / / /852 Benodigde uitsparing Diepte(mm) Totaal gewicht Montage-eenheid (kg) 13,9 14,3 16,2 16,8 18,9 19,3 21,5 23,3 23,7 26,1 26,5 1) Hoogte is traploos instelbaar tussen 700 en 850 mm via verstelbare kastvoet. 2) Door de mogelijkheid, om de afdekkap tussen 110 mm en 160 mm traploos te kunnen verstellen, kan de inbouwkast aan verschillende inspringingen worden aangepast. 1.1 Tab. 11: Kastgrootten en -afmetingen van de REHAU-montage-eenheden voor weggewerkte montage REHAU-Montage-eenheid AP-HKV Inbouwhoogte montage-eenheid (mm) Totale breedte montage-eenheid (mm) Totale diepte montage-eenheid buitenmaat (mm) Totaal gewicht Montage-eenheid (kg) 12,0 12,4 15,4 16,0 17,6 18,0 20,0 21,5 21,9 24,8 25,2 1.1 Tab. 12: Kastgrootten en -afmetingen van de REHAU-montage-eenheid voor opbouwmontage 24

25 REHAU-verdelerkast B Verdelerkast U.P. De REHAU-verdelerkast U.P. is bedoeld voor weggewerkte montage. Deze is gefabriceerd uit sendzimir-verzinkt plaatstaal en is in hoogt en diepte verstelbaar. De zijwanden zijn voorzien van voorgeperste uitbreekgaten voor de aanvoer en retour zowel aan de linker- als rechterkant. De omkeerbuis, die voor het buistraject in de aansluitomgeving zorgt, is verstelbaar en uitneembaar. Bovendien kan dankzij de verstelbare vloerafsluitplaat een goede aanpassing aan het oppervlak worden gerealiseerd. In het bovenste gebied is de verdelerkast voorzien van een rail voor bevestiging van de REHAU-regelcomponenten. Conform de hierna volgende tabel kunnen tot 10 verschillende kastafmetingen worden gebruikt, naar keuze voor inbouw met of zonder warmtemeter Verstelbare voet 1.1 Fig. 57: Aansluitafmetingen verdelerkast U.P O Frame Afdekplaat Omkeerbuis, uitneembaar Afsluitplaat Muurkast Kasttype Inbouwhoogte kast (mm) 1), zonder frame Totale breedte kast Buiten (mm) B, zonder frame Totale diepte kast 2) buitenkant (mm) Benodigde uitsparing Breedte (mm) Benodigde uitsparing Hoogte (mm) min./max. 702/ / / / / / / / / /852 Benodigde uitsparing diepte (mm) Kastgewicht kg 10,9 12,4 14,2 16,0 17,1 17,7 18,9 20,5 21,7 23,0 1) Hoogte is traploos instelbaar tussen 700 en 850 mm via verstelbare kastvoet. 2) Dankzij de mogelijkheid om de afdekkap tussen 110 en 160 mm traploos te verstellen, kan de inbouwkast aan verschillende uitsparingen worden aangepast. 1.1 Tab 13: Kastafmetingen voor inbouwkast (bedoeld voor muurinbouw/weggewerkte montage) Verdelerkast A.P. Ook leverbaar is een opbouwverdelerkast met een behuizing uit sendzimir-verzinkt plaatstaal. De afsluitplaat is afneembaar. De verdelerkast is uitgerust met een universele bevestiging voor de verdeler en een rail voor montage van de REHAU-regelcomponenten. B Diepte 150 mm Kasttype Inbouwhoogte van de kast (mm) Totale breedte van de kast (mm) Totale diepte kast Buitenmaat (mm) Kastgewicht (kg) 9,5 11,6 12,8 14,2 15,7 16,2 17,6 18,8 20,7 22,0 1.1 Tab. 14: Kastafmetingen (bedoeld voor opbouwmontage) 1.1 Fig. 58: Aansluitafmetingen verdelerkast A.P. 25

26 Keuzetabel benodigde kastgrootte Gebruik van de selectietabel: Keuze aantal benodigde HKV-aftakkingen Keuze gewenste uitvoering (weggewerkt/opbouw) Keuze gewenste uitrusting: met ( ) / zonder ( ) warmtemeteraanbouwset (WMZ) met ( ) / zonder ( ) constant regelset (FWRS) met ( ) / zonder ( ) temperatuurregelstation-verdeler (TRS-V) Aantal Uitrusting Weggewerkte variant UP-type... Opbouwvariant AP-type... HKV/HKV-D WMZ aftakkingen FWRS TRS-V tab. 15, 1.1 Fig. 59: REHAU-verdelerkast U.P. 1.1 Fig. 60: REHAU-verdelerkast A.P. 26

27 REHAU-warmtemeteraanbouwset Voordelen Vlakafdichtende aansluiting op verwarmingsverdeler Montage links of rechts op verdeler mogelijk Regeling totale verdelermassastroom mogelijk. Ventiel Vera-Max Plug 3/8 RL-verdeler Systeemcomponenten Aanpasstuk voor montage van een warmtemeter met inbouwlengte 110 of 130 mm Openingen voor montage dompelsensor voor meeteenheid Afsluit- resp. regelventiel voor regeling totale verdelermassastroom. Plug 1/2 voor Plug 1/2 VL-verdeler Montage De REHAU-warmtemeter aanbouwset wordt met de 1 koppelingsmoeren en meegeleverde pakkingen direct op de verwarmingsverdeler geschroefd. De met de verwarmingsverdeler meegeleverde kogelkranen kunnen op de aansluitingen van de warmtemeteraanbouwset worden gemonteerd. Voor de instelling van de totale massastroom conform het diagram hiernaast is een steeksleutel SW8 nodig. Afsluitkap 1 Retour (RL) Aanvoer (VL) 1.1 Fig. 61: Afmetingen warmtemeter-aanbouwset Opmerking Vanwege de verschillende inbouwdiepten van de warmtemeters en de gegeven kastdiepte kan eventueel een afzonderlijk gemonteerde warmtemeter worden toegepast. Opgelet Retourverdeelbalk naar boven plaatsen, omdat de warmtemeter standaard in de retour moet worden ingebouwd. Drukverlies Slagen instelsleutel Drukverlies Massastroom m (kg/h) 1.1 Fig. 62: Insteldiagram regelventiel warmtemeter-aanbouwset. Verdelergr Aanbouwset in mm Totale afm. incl verwarmingsverdeler mm 1.1 Tab. 16: Afmetingen REHAU-verwarmingsverdeler incl. warmtemeter-aanbouwset - toevoerleiding van onderen Verdelergr Aanbouwset incl Kogelkraan in mm Totale afm. incl verwarmingsverdeler mm 1.1 Tab. 17: Afmetingen REHAU-verwarmingsverdeler incl. warmtemeter-aanbouwset - toevoerleiding aan zijkant 27

28 REHAU-vloerverwarming regeling Wettelijke voorschriften Het effectieve bedrijf van een verwarmingsinstallatie wordt doorslaggevend bepaald door: Dimensionering en configuratie Onderhoud Gebruikte regeltechniek Tot 20 % van de jaarlijkse energiebehoefte van een verwarmingsinstallatie kan door geschikte en deskundig geïnstalleerde regeltechniek worden bespaard. De wetgever heeft daarom in de Energiesparverordnung (EnEV) voorgeschreven, welke regelcomponenten moeten worden toegepast om verwarmingsinstallaties zo energiezuinig te laten functioneren. Geschikte regeltechniek Regeltechniek voor verwarmingsinstallaties kan op twee manieren worden uitgevoerd: a) Toevoertemperatuurregeling Hier is de taak, om op ieder willekeurig tijdstip een voldoende grote energiehoeveelheid beschikbaar te hebben. Dit wordt over het algemeen uitgevoerd via de verwerking van de gemiddelde buitentemperatuur (verwarmingscurve) in combinatie met een timer-functie (gereduceerd/normaal bedrijf) Principes voor regeling van vloerverwarmingen Een via de vloer verwarmde ruimte is vanwege de grote opslagcapaciteit een zeer stabiel systeem. Dat betekent aan de ene kant dat korte temperatuurvariaties, bijv. door luchten, snel weer worden gecompenseerd, aan de andere kant ook, dat het verwarmen van een sterkt afgekoelde ruimte lange tijd duurt. Deze eigenschappen stellen speciale eisen aan de gebruikte regeltechniek: Om te grote verwarming van de ruimten te voorkomen, moeten de gebruikte thermostaten geschikt zijn voor de regeltaak. De tijdafhankelijk juiste verwarming en temperatuurreductie van de ruimten moet automatisch worden gestuurd, om een maximaal comfort bij zo laag mogelijk energieverbruik te realiseren. De REHAU-regelsystemen zijn hiervoor ontwikkeld; deze bieden een aan de vloerverwarming aangepast regelgedrag en kunnen via tijdprogramma's worden gestuurd. Het zelfregeleffect Het zelfregeleffect treedt in principe bij ieder verwarmingssysteem op. Dit berust op het gegeven, dat het afgegeven verwarmingsvermogen afhangt van het temperatuurverschil tussen oppervlaktetemperatuur van het verwarmingsoppervlak en de ruimtetemperatuur. Een toenemende temperatuur in de ruimte reduceert dus de warmte-afgifte, een dalende temperatuur doet deze toenemen. Dit effect wordt groter, naar mate het verschil tussen de temperatuur van het verwarmingsoppervlak en de omgevingstemperatuur kleiner wordt: De specifieke warmte-afgifte van een verwarmingsoppervlak resulteert uit de formule: q H = α tot. (ϑ H - ϑ R ) q H = verwarmingsvermogen oppervlak/m 2 α tot = warmteovergangscoëfficiënt ϑ R = ruimtetemperatuur ϑ H = temperatuur verwarmingsoppervlak Voor de vloerverwarming met een gemiddelde oppervlaktetemperatuur van 25 C bereikt dit zelfregeleffect de maximale effectiviteit. Dit effect ondersteunt dus, juist bij correct ingestelde toevoertemperatuurregeling, de werking van de kamerthermostaat, maar maakt deze in geen geval overbodig. Daarvoor geschikte regelgroepen zijn op de hierna volgende pagina's beschreven. b) Kamerthermostaten De taak is, de energiehoeveelheid voor iedere ruimte te doseren.. Dit wordt uitgevoerd via de regeling van de doorstroming (aansturing van de stelaandrijving voor de verwarmingscircuitkranen). Bovendien is ook hier een timer-functie noodzakelijk. Wanneer deze ontbreekt, dan vragen de kamerthermostaten in de reductiefase van de aanvoertemperatuurregeling nog altijd dezelfde kamertemperatuur. Door dit tegensturen wordt dan een groot deel van de mogelijke besparing weer ongedaan gemaakt. Vloeroppervlaktetemperatuur t Fb in C Kamertemperatuur t i in C Weergave van het effect van de zelfregeling Warmtevermogen. q = 55 W/m 2 -> wordt door zelfregeleffect gereduceerd. tot q = 33 W/m 2 t Fb = 25 C (vloertemperatuur) t Fb = 20 C (vloertemperatuur) Toename kamertemperatuur (kamertemperatuur) Geschikte regeltechniek vindt u in de hierna volgende paragrafen. 1.1 Fig. 63: Zelfregeleffect 28

29 REHAU-temperatuurregelstation TRS-V ca. Systeemvoordelen Compacte eenheid, gereed voor montage Montage links of rechts op verdeler mogelijk Vlakafdichtende verbindingen Weergestuurde toevoertemperatuurregeling Stroombesparend door elektronisch geregelde pomp Regelaar met dekvloeropwarmfunctie 1" VL Systeemcomponenten Elektronische verwarmingsregelaar, voorgeprogrammeerd. 3-weg mengventiel kvs=5,0 m 3 /h DN 20 met stelaandrijving Elektronisch geregelde pomp Wilo E 25/1-5 Maximaal begrenzingsthermostaat, verbonden met pomp Buitentemperatuursensor Toevoertemperatuursensor gemonteerd en bedraad ca. 1" RL Toepassingsgebieden Regelstation voor vloerverwarmingen als Woningregelstation in meergezinshuizen bij centrale verwarming of in combinatie met radiatorverwarming. Beschrijving Alle elektrische componenten worden via onverwisselbare connectoren aangesloten. Daardoor wordt de montage van de eenheid vergemakkelijkt en worden beschadigingen van de regelaar voorkomen. 1.1 Fig. 64: Temperatuurregelstation TRS-V 1" VL = Aanvoer 1" RL = Retour De elektronische regelaar is af fabriek als volgt geconfigureerd: Weergestuurde toevoertemperatuurregeling volgens verwarmingscurve met steilheid 0,4 Reduceertijden dagelijks van 22h 6h Pompinschakeling bij setpoint toevoertemperaturen hoger dan 22 C (verwarmingsbedrijf) Pompuitschakeling gedurende 1 uur bij aanvang Opgelet! Gebruik bij de keuze van de verdelerkast de keuzetabel Bij installaties met omschakelventielen voor warmwatervoorziening kunnen problemen in de hydrauliek ontstaan, omdat hierbij de primaire toevoer of retour wordt afgesloten. Montagestappen: Maak alle buisverbindingen. Monteer de regelaar op de achterwand van de verdelerkast. Sluit de kabel van de buitentemperatuursensor aan op de sensorconnector. Voedingskabel op verdelerdoos aansluiten. Alle elektrische connectoren aansluiten. Toebehoren Kamertemperatuursensor voor correctie van de toevoertemperatuur (bijschakeling kamertemperatuur) Retourtemperatuursensor (startschakeling of retourtemperatuurbegrenzing) Technische gegevens afmetingen (BxHxD) : 260x380x155 mm Pomp: opvoerhoogte 1-5 m capaciteit : max 3,5 m 3 /h opgenomen vermogen W Automatische dag- en nachtregeling met fuzzy logic (Day-and-Night-Control) 3-weg mengventiel: kvs-waarde: 5,0 m 3 /h nominale doorlaat DN 20 Materiaal : Armaturen : messing MS58 Leidingwerk: messingbuis MS63 O-ringen: EPDM-elastomeren Max. toel. bedrijfstemperatuur : +110 C Min. toel. bedrijfstemperatuur : +15 C Max. toel. bedrijfsdruk : 10 bar Temperatuursensor Ni1000 Voedingsspanning 230 VAC 29

30 REHAU-compacte stations REHAU-temperatuurregelstation TRS-20 RL VL RL VL Systeemvoordelen Compacte eenheid, gereed voor montage Vlakafdichtende verbindingen Weersgestuurde toevoertemperatuurregeling Stroombesparend door elektronisch geregelde pomp Warmte-isolatieplaat uit EPP Regelaar met dekvloeropwarmfunctie Systeemcomponenten Elektronische verwarmingsregelaar, voorgeprogrammeerd. 3-weg menger kvs=4,0 m³/h DN 20 met stelaandrijving Elektronisch geregelde pomp Wilo E 25/1-5 Maximaal begrenzingsthermostaat, verbonden met pomp Buitentemperatuursensor Toevoertemperatuursensor gemonteerd en bedraad Thermometer in toevoer en retour Toepassingsgebieden Regelstation voor vloerverwarmingen voor montage in centrale positie of op de verwarmingsketel. Beschrijving De module is gemonteerd en compleet bedraad op een wandmontageconsole. De elektronische regelaar is af fabriek als volgt geconfigureerd: Weergestuurde toevoertemperatuurregeling volgens verwarmingscurve met steilheid 0,6 Reduceertijden dagelijks van 22h 6h Automatisch pomp starten in verwarmingsbedrijf Montagestappen: Maak de buisverbindingen en monteer de eenheid. Sluit de kabel van de buitentemperatuursensor aan op de sensorconnector. Voedingskabel op verdelerdoos aansluiten. Toebehoren Ruimtetemperatuursensor voor correctie van de toevoertemperatuur (bijschakeling ruimtetemperatuur) Retourtemperatuursensor (startschakeling of retourtemperatuurbegrenzing) Fig. 65: temperatuurregelstation TRS-20 Technische gegevens afmetingen (BxHxD) : 250x385x260 mm Wandafstand midden buis 100 mm Pomp: Opvoerhoogte 1-5 m Capaciteit: max 3,5 m³/h opgenomen vermogen W Automatische dag- en nachtomschakeling met Fuzzy-logica (Day-and-Night-Control) 3-weg menger: kvs-waarde : 4,0 m 3 /h, nom. doorlaat DN 20 Behuizing uit rood koper RG5, mat vernikkeld Materiaal : Armaturen : messing MS58 Leidingwerk: messingbuis MS63 O-ringen: EPDM-elastomeren Warmte-isolatieplaat: EPP Max. toel. bedrijfstemperatuur : +110 C Min. toel. bedrijfstemperatuur : +15 C Max. toel. bedrijfsdruk : 10 bar Temperatuursensor Ni1000 Voedingsspanning 230 VAC 1.1 Fig. 66: toevoertemperatuurregelset 1.1 Fig. 67: pompmenggroep PMG-25 REHAU-pompmengergroepen PMG- 25, PMG-32 Systeemvoordelen Compacte eenheden, gereed voor montage Vlakafdichtende verbindingen Stroombesparend door elektronisch geregelde pomp Warmte-isolatieplaat uit EPP Systeemcomponenten (PMG-25 / PMG-32) 3-weg menger kvs=8,0 m³/h / 18,0 m³/h DN 25 / DN 32 met stelaandrijving 3-punts, 230 V Elektronisch geregelde pomp Wilo E 25/1-5 / Wilo E 30/1-5 Thermometer in toevoer en retour Toepassingsgebieden Pomp-mengstation voor vloerverwarmingen voor montage in centrale opstelling of bij de verwarmingsketel. Beschrijving De module is op een wandbevestigingsconsole gemonteerd. Uitbreidbaar met de REHAU-toevoertemperatuurregelset voor een automatisch regelstation. REHAU-toevoertemperatuurregelset Elektronische verwarmingsregelaar, voorgeprogrammeerd. Weergestuurde toevoertemperatuurregeling Sensor voor buitentemperatuur en toevoertemperatuur, Ni 1000 Thermostaat voor maximaalbegrenzing Voorbedraad, met connectoren voor eenvoudige installatie Voedingsspanning 230 VAC 30

31 REHAU-constant regelset Voordelen Uitbreiding van een bestaande radiatorinstallatie voor de REHAUvloerverwarming Regeling van de gewenste toevoertemperatuur Vlakafdichtende aansluiting op de REHAU-verwarmingsverdeler Montage links of rechts op verdeler mogelijk Systeemcomponenten Pomp Grundfos UPS 25/60, met dompelthermostaat voor temperatuurbegrenzing; voorbedraad Thermostaatkraan 1/2, instelbereik C, temperatuurmeting via dompelsensor Regelventiel 1/2 voor inregeling van de massastroom Aansluitknie met thermometer en ontluchtingsventiel 1/2 Aansluitknie met vul-/aftapkraan 1/2 1.1 Fig. 68: REHAU-constant regelset Montage Voorzichtig: De capillaire buis van de temperatuursensor mag niet worden geknikt. Instelling van de retourkoppeling volgens de montagehandleiding. Functiebeschrijving Werkt volgens het principe van de bijmengregeling. Instelling van de gewenste toevoertemperatuur via de thermostaatkraan. De mate van opening van de thermostaatkraan wordt via de op de dompelsensor na de retour gemeten temperatuur ingesteld. De temperatuurbegrenzer schakelt de circulatiepomp bij het overschrijden van de ingestelde maximale temperatuur af. Na afkoeling tot onder de maximale temperatuur wordt de pomp automatisch weer gestart. Pompsturing Voor een correcte besturing van de circulatiepomp wordt bij gebruik van stelaandrijvingen de voeding van de constant regelset via de pomp-/ capaciteitsmodule van RAUMATIC M gestuurd of via het pompuitgangsrelais van RAUMATIC Funk. Daardoor wordt de circulatiepomp bij gesloten ventielen uitgeschakeld. 1.1 Fig. 69: installatieschema Vermogensgrenzen De onderstaande tabel geeft een indicatie omtrent het bereikbare verwarmingsvermogen afhankelijk van de toevoertemperatuur aan de primaire zijde. T aanvoer 50 C 3,3 kw 55 C 4,7 kw 60 C 5,9 kw 65 C 7,2 kw 70 C 8,5 kw Max. verw. vermogen Opgelet! Bij installaties met omschakelventielen voor warmwatervoorziening kunnen problemen in de hydrauliek ontstaan, omdat hierbij de primaire toevoer of retour wordt afgesloten. Vooraf hydraulische geschiktheid controleren. 31

32 RAUMATIC M kamerthermostaat / REHAU-temperatuurregelaar E Systeemvoordelen RAUMATIC M: Complete oplossing Hoge regelnauwkeurigheid Eenvoudig, snel en betrouwbaar te installeren Schroefloze aansluittechniek van alle componenten Modulair uitbreidbaar systeem Aantrekkelijke vormgeving Als 24 V en 230 V-systeem leverbaar Systeemcomponenten Systeemsokkel voor kamerthermostaat Kamerthermostaat in de uitvoeringen Standard, Komfort en Control Regelverdeler Timer-module Pomp-/capaciteitsmodule Uitbreidingsmodule kamerthermostaat Uitbreidingsmodule stelaandrijving Stelaandrijving Basisuitrusting In de eenvoudigste uitvoering bestaat het systeem uit de kamerthermostaat en de regelverdeler. De regelverdeler maakt aansluiting van max. 6 kamerthermostaten en max. 14 stelaandrijvingen mogelijk. Uitbreidingen De Timer-module kan via de regelverdeler twee afzonderlijke gebieden via een tijdprogramma aansturen. De pomp-/vermogensmodule schakelt de circulatiepomp uit, wanneer geen enkele thermostaat warmte vraagt. Met de uitbreidingsmodules kunnen extra kamerthermostaten en stelaandrijvingen worden aangesloten. De componenten: REHAU-systeemsokkel De systeemsokkel past voor alle kamerthermostaten uit de serie RAUMATIC M. Deze biedt de volgende voordelen: De elektrische aansluitingen kunnen door de installateur al in de bouwfase worden gemaakt. De kamerthermostaten worden bij de inbedrijfname van de installatie eenvoudig opgestoken. REHAU-kamerthermostaat Kamerthermostaat met setpointinsteller en grote temperatuurverdeling in 1/4- graad stappen. Na het wegnemen van de bedieningsknop kan het gewenste temperatuurbereik worden beperkt. De reduceertemperatuur is ingesteld op 4K. De besturing van de temperatuurreducering wordt via de timer-module uitgevoerd. REHAU-kamerthermostaat Komfort Extra biedt deze thermostaat: Omschakeling naar bedrijfsstanden Automatisch (besturing via timer-module) Comforttemperatuur Reductie met behulp van een schakelaar aan de zijkant van de regelaar. De bedrijfsstand reductie wordt op de thermostaat gesignaleerd via een lichtsymbool Mond Fig. 70: Componenten RAUMATIC M De reduceertemperatuur kan worden ingesteld tussen 2 en 6K. REHAU-kamerthermostaat Control Deze regelaar biedt naast de functionaliteit van het type Comfort : Opsteekbare digitale klok voor individuele programmering van de reductietijden. Pilot-timer functie, d.w.z.: Doorgifte van de reductietijden aan andere kamertemperatuurregelaars. Gemeenschappelijke technische gegevens: Kleur: wit (als RAL 9001) Bedrijfsspanning 24 V of 230 V Schakeltemperatuurverschil: ca 0,2K Schakelverm.: 5 REHAU-stelaandrijvingen Beschermingsklasse IP20 Alle regelaarmodellen kunnen op aanvraag ook in de volgende kleuren worden geleverd: Hewi-geel (als RAL 1004) Hewi-groen (als RAL 6029) Hewi-blauw (als RAL 5002) Hewi-rood (als RAL 3003) Hewi-grijs Zwart (als RAL 9011) Kantoorgrijs Metallic blauwzwart Metallic champagne Metallic brons Metallic platina Opgelet! De regelaars REHAU-kamerthermostaat REHAU-kamerthermostaat Comfort REHAU-kamerthermostaat Control kunnen alleen in combinatie met de REHAU-systeemsokkel worden toegepast! REHAU-temperatuurregelaar E (alleen 230 V) Bimetaal kamerthermostaat met thermische feedback. Instelbaar temperatuurbereik C Ingang voor temperatuurreductie Na het wegnemen van de bedieningsknop kan het gewenste temperatuurbereik worden beperkt. Directe montage op de wand of weggewerkt (niet geschikt voor REHAU-systeemsokkel) Aansluiting via schroefklemmen Compatibel met de overige componenten van het RAUMATIC-M-systeem (230 V) 1.1 Fig. 71: temperatuurregelaar E Technische gegevens Geïntegreerde beperking temperatuurbereik Schakelcontact: verbreekcontact voor stelaandrijving 230 V spanningsloos gesloten Aansluiting voor temperatuurreductie door schakelklok of handschakelaar. Schakelverschil ca 0,5 K, thermische feedback Reductie ca. 4K Temperatuurbereik: C Afmetingen (BxHxD): 76x76x23 mm Huis alpine-wit Voedingsspanning: 230 V Schakelvermogen: 10 (4) A, 250V AC Beschermingsklasse: IP30 Veiligheidsklasse II

33 REHAU-regelverdeler De regelverdeler is bedoeld voor het verbinden van de componenten van het RAUMA- TIC M-systeem. Alle aansluitingen in steektechniek Diagnose-LED voor aansturing stelaandrijving en veiligheidsfunctie Eenvoudig opsteken van uitbreidingscomponenten (bedraden niet nodig) Tot max. 6 kamerthermostaten en tot max. 14 stelaandrijvingen aansluitbaar Geïntegreerde zekering Rail- of wandmontage REHAU-timer-module Week-timer 2 onafhankelijke tijdprogramma's (gebied 1 en 2) REHAU-pomp-/ vermogensmodule Voor aansturing circulatiepomp afhankelijk van de vraag (uitschakeling, wanneer geen enkele thermostaat warmte vraagt) Nalooptijd instelbaar REHAU-uitbreidingsmodule kamerthermostaat Aansluitmogelijkheid voor 2 aanvullende regelaars met ieder 4 stelaandrijvingen *) REHAU-uitbreidingsmodule stelaandrijving Aansluitmogelijkheid voor 2 x 4 aanvullende stelaandrijvingen *) *) maximaal 14 stelaandrijvingen per regelverdeler! REHAU-stelaandrijving Thermische stelaandrijving, stroomloos gesloten Eenduidige statusindicatie Eenvoudige montage First-Open-functie voor bedrijf van de vloerverwarming in de bouwfase (voor montage van de thermostaten) Aanpassing op verschillende kranen en verdelerfabrikaten mogelijk. Opgelet: Bei montage boven het hoofd van de stelaandrijving is een speciale adapter nodig. Neem contact op met uw REHAU - vertegenwoordiging! Instructies bij het ontwerp: Voor aansluiting van de thermostaat is een 4-aderige kabel nodig (daarvan 1 ader voor temperatuurreductie). NIEUW: REHAU-regelverdeler EIB 6 kanaals / 12 kanaals De regelverdeler EIB is de koppeling tussen een EIB-systeem met EIB-kamerthermostaten en de REHAU-stelaandrijvingen 24 V. Geïntegreerde buskoppeling Max. 13 stelaandrijvingen aansluitbaar Continue of schakelende regelgrootheid naar keuze Geruisloos schakelen door TRIAC-techniek Zomerbedrijf met beveiligingsfunctie tegen vaste ventielen (instelbaar) Netz 230V VAC Power Fuse (T 4 AH) Max. max. 14 Alpha-Antriebe alpha-aandrijvingen 1.1 Fig. 72: Aansluitschema componenten RAUMATIC M 24V-systeem: Benodigde aderdoorsnede: 1 mm² (tot 40 m kabellengte) 1,5 mm² (tot 70 m kabellengte) 230V-systeem: NYM 4x1,5 resp. NYM 5x1,5 (met PE-ader) 230 V AC Het verdient aanbeveling ook voor het 24 V- systeem starre kabels te gebruiken omdat deze zonder adereindhulzen gemakkelijk in de steekklemmen kunnen worden geplaatst. De montage van de systeemsokkel voor de thermostaat thermostaten wordt met standaard muurinbouwdozen conform DIN uitgevoerd. De voeding van de regelverdeler moet via een eigen zekering worden aangesloten. Bij installatie in badkamers (zie daarvoor DIN VDE 100 deel 701) moet bij voorkeur het 24 V-systeem gebruikt worden. 2 De geldende VDE-bepalingen zijn van toepassing en de montage-instructies moeten worden aangehouden. De installatie van het systeem mag alleen door een geautoriseerde vakman worden uitgevoerd. 5 2 Max. 6 thermostaten max. Regler 1.1 Fig. 73: De REHAU-regelverdeler EIB in EIB-systeem Pomp-/vermogensmodule Pumpen- Leistungs Modul Timer-module Modul Montage en inbedrijfname 1. Systeemsokkel aansluiten en de muurinbouwdoos monteren. Houdt de montage-instructies aan! Bij temperatuuregelaar E: Regelaar aansluiten en op de wand of in de muurinbouwdoos monteren 2. Stelaandrijvingen op regelverdeler aansluiten, stelaandrijvingen op kraanadapters plaatsen. Kranen zijn geopend. (First-Open-functie) 3. Indien nodig overige systeemcomponenten (timer-module...) plaatsen. 4. Netvoeding op regelverdeler aansluiten, afdekking plaatsen. 5. Netzekering inschakelen, bedrijfsindicatie moet gaan branden. 6. Netzekering weer uitschakelen. Na einde schilderwerk enz.: 7. Thermostaat op systeemsokkel plaatsen. 8. Controleer de werking en de kamertoekenning: - netzekering inschakelen - telkens een thermostaat op maximum instellen, bijbehorende lichtdiode (stelaandrijving geactiveerd) moet gaan branden - thermostaat ingeschakeld laten - volgende thermostaat op maximum instellen, 9. Iedere thermostaat 15 minuten ingeschakeld laten, om de First-Open-functie op te heffen. 10.Thermostaat op minimum instellen, stelaandrijving moet sluiten. Busleiding EIB REHAU-regelverdeler EIB Max. 13 stelaandrijvingen 24 V 33

34 RAUMATIC R radiografische regeling Systeemvoordelen Economische radiografische regeling voor de vloerverwarming Geen bedrading nodig Duidelijke, snelle en eenduidige installatie Eenvoudige inbedrijfname Modern en aansprekend ontwerp Eenduidige bedrijfs-/controle-indicaties Connectorverbinding voor pomp-/ vermogensmodule en timermodule Alle andere voordelen van het RAUMATIC M systeem Systeemcomponenten Radio-kamerthermostaat Radio-regelverdeler Timermodule 24 V Pomp-/vermogensmodule 24 V Stelaandrijving 24 V Basisuitrusting In de basisuitvoering is nodig: 1 radio-thermostaat per kamer Radio-regelverdeler REHAU-stelaandrijving 24 V Uitbreidingen De Timer-module 24 V kan via de regelverdeler twee afzonderlijke gebieden via een tijdprogramma aansturen. De pomp-/vermogensmodule 24 V schakelt de circulatiepomp uit, wanneer geen enkele thermostaat warmte vraagt. De componenten Timermodule 24 V en Pomp-/vermogensmodule 24 V zijn identiek aan de componenten voor het RAUMATIC M-systeem 24 V De componenten: Radio-kamerthermostaat Kamertemperatuurregeling met draadloze overdracht. Overdracht van de temperatuurinformatie en de codering naar de radiografische regelverdeler. Setpoint-draaiknop met ¼ graden Bedrijfsstand instelbaar (temperatuurreductie AAN, UIT of AUTOMATISCH ) Zender in 433 MHz-band 1.1 Fig. 74: RAUMATIC R radiografisch regelsysteem Technische gegevens Zendfrequentieband: 433 MHz Zendvermogen: Ca. 1 mw Bereik: Ca. 25 m in huis Batterij: 2 x 1,5 V Mignon (AA, LRG), alkaline Levensduur batterij: ca. 5 jaar Temp. instelbereik: 10 C C Kleur: Wit Afmetingen (BxHxD): 118x79x27 mm Mignon-batterijen meegeleverd. Radiografische regelverdeler 6-voudig 24 V Aansluitsysteem voor radiografische kamerthermostaat en stelaandrijving 24 V. Zeer gevoelig in de 433 MHz-band Voor 6 radiografische kamerthermostaten geschikt 13 REHAU-stelaandrijvingen 24 V aansluitbaar Modulair uitbreidbaar dankzij geïntegreerde interface Automatische reductie via twee verwarmingsprogramma's (C1 / C2) optioneel door timermodule mogelijk Controle-indicaties voor: Bedrijfsspanning Schakeluitgang radiografische kamerthermostaat Radiografisch signaal niet ontvangen Defecte zekering Functies: Beveiligingsschakeling (vorstbeveiliging) Radiotest als hulp bij de inbedrijfname Montage en inbedrijfname 1. Regelverdeler in verdelerkast monteren. 2. Stelaandrijvingen op regelverdeler aansluiten, stelaandrijvingen op kraanadapters plaatsen. Kranen zijn geopend. (First-Open-functie) 3. Indien nodig overige systeemcomponenten (timer-module...) plaatsen. 4. Netvoeding op trafo van de regelverdeler aansluiten 5. Netzekering inschakelen, bedrijfsindicatie moet gaan branden. - De regelverdeler voert een zelftest uit (duur 20 s). Na deze procedure kan de regelaar al worden toegekend! - De regelverdeler schakelt gedurende 15 min de uitgangen in, om de First- Open-functie op te heffen 6. Toekenning van de kamerthermostaat aan de afzonderlijke zones uitvoeren; zie de montagehandleiding. Let op: - Kamerthermostaat vanuit geplande montageplaats toekennen - Kamerthermostaat onder de setpointinsteller beschrijven 7. Thermostaat op plaats monteren 8. Toekenningscontrole van de radiografische thermostaat aan de radiografische regelverdeler conform montagehandleiding uitvoeren. Technische gegevens Voedingsspanning 230 V 50/60 Hz Transformator: 230 V / 24 V 50/60 Hz, 50 VA Maximaal opgenomen vermogen: 50 W Ontvangstfrequentieband: 433 MHz Beschermingsklasse: IP 20 Veiligheidsklasse II Afmetingen BxHxD 302x70x75 mm Kleur kastbodem: zilvergrijs (RAL 7001) Kleur kastdeksel: transparant Onder zeer ongunstige ontvangstcondities kan het systeem worden uitgebreid met een radio-ontvanger. Neem contact op met uw REHAU-vertegenwoordiging. 34

35 RAUMATIC Funk radiografische kamerthermostaat Systeemvoordelen Geen bedrading Eenvoudige inbedrijfname Uitbreidbaar tot een compleet Home-Automatisations-System Duidelijke bediening Aantrekkelijke vormgeving Systeemcomponenten Afstandsbediening II Afstandsbediening Control Ontvangstantenne Verdiepingsregelaar II Centrale manager II Transformator voor centrale manager II Stelaandrijving radiografische regeling II Systeemtoebehoren Temperatuursensor Uitbreidingsmodule Pompuitgangsrelais Radiografische thermostaat voor radiatoren Systeembeschrijving De RAUMATIC Funk verzorgt een uiterst comfortabel en omvangrijk regel- en besturingsconcept, dat veel meer biedt dan alleen een temperatuurregeling. Dankzij de uitbreidingsmogelijkheden Lichtmodule Rolluikbesturing Wind- en lichtsensoren Afstandsbediening via telefoon ontstaat een toekomstgericht Home- Automatisations-System. De draadloze opbouw Reduceert de ontwerpinspanningen Minimaliseert de installatiekosten Maakt stapsgewijze uitbreiding naderhand mogelijk. 1.1 Fig. 75: RAUMATIC radiografische systeemcomponenten Technische gegevens REHAU-afstandsbediening Draadloze overdracht setpoints en momentele waarden van een kamer aan de verdiepingsregelaar II Instelmogelijkheid ± 12 K t.o.v. de middenstand De middenstand komt overeen met het setpoint van 20 C (of het door de centrale manager II gegeven setpoint) REHAU-uitbreidingsmodule Uitbreiding van de verdiepingsregelaar tot 8 regelzones REHAU-stelaandrijving radiografische regeling II Thermische stelaandrijving 230 V AC, spanningsloos gesloten Gereed voor aansluiting op verdiepingsregelaar II RAUMATIC radiografische basisuitrusting In de basisuitvoering kan de REHAU-centrale manager II komen te vervallen. Nodig zijn: Afstandsbedieningen II Ontvangstantenne Verdiepingsregelaar II Stelaandrijvingen radiografische regeling II Uitbreidingen voor verwarmingsfunctie Afstandsbediening Control als pilot-timer Centrale manager II als comfortabele besturingscentrale Radiografische thermostaat voor radiatoren REHAU-ontvangstantenne Ontvangt de signalen van de afstandsbedieningen Installatie buiten de verdelerkast REHAU-verdiepingsregelaar II Regeleenheid voor 5 regelgebieden Uitbreidbaar tot 8 zones Zelfinstellend Eenvoudige steekverbinding voor stelaandrijvingen*) Maximaal 15 stelaandrijvingen aanstuurbaar (3 per zone) Dwangmatig stellen van de kranen 1 x per week, om gangbaarheid te waarborgen. *) Regelzone 1 (bijv. voor woonkamer) met 3 steekplaatsen, alle overige zones ieder 1 steekplaats. Wanneer in de zones 2-5 meer dan 1 stelaandrijving nodig is, worden deze extern aangesloten. REHAU-temperatuursensor Draadloze overdracht momentele temperatuur aan de verdiepingsregelaar II Voor ruimten, waarin ingrijpen door gebruikers niet is gewenst (bijv. wachtkamers) REHAU-afstandsbediening Control Pilot-timer voor verdiepingsregelaar II Instapoplossing voor tijdsturing zonder centrale manager II REHAU-radiografische thermostaat voor radiatoren Draadloos werkende thermostaat, eenvoudige vervanging voor thermostaatkraan Zelfinstellend Levensduur batterij ca. 2 jaar Display met setpoint temperatuur en statusindicatie Energiespaarfunctie: sluit de kraan bij signalering van een geopend venster. 35

36 REHAU-centrale manager II Centrale besturing (setpoint-instellingen en schakeltoestanden) voor max. 16 ruimten. Vaste scenario na druk op de knop oproepbaar (party, gaan, komen) Eenvoudige bediening via 4-regelig display met achtergrondverlichting en draaidrukknop Draadloze communicatie met alle eenheden De centrale manager II is de commandocentrale voor het gehele RAUMATIC Funksysteem. Naast de vaste tijdprogramma's, die natuurlijk niet alleen betrekking hebben op het temperatuurverloop, maar ook op de schakelprocedures voor jaloezieën en elektrische verbruikers, kunnen via een druk op de knop door de gebruiker gedefinieerde procedures worden opgeroepen. Gaan: bepaalde elektrische verbruikers worden uitgeschakeld, jaloezieën worden neergelaten. Party : verlengde comforttemperatuur in bepaalde ruimten. Vakantie: verwarming in energiespaarmodus, jaloezieën worden 's avonds gesloten en 's morgens geopend, 's avonds worden lampen in- en uitgeschakeld, om aanwezigheid te simuleren. Transformator centrale manager II Passend in muurinbouwdoos Ø 55 mm, 55 mm diep Uitbreidingsmogelijkheden Het grote aantal uitbreidingsmogelijkheden kan hier slechts beknopt worden opgesomd: Rolluikmodule Combineerbaar met licht-/windsensor en deurcontact Schakelmodule Voor verdelerdozen (knopbediening mogelijk) en voor contactdozen Lichtdimmodule Voor afstandsbediening en bediening via schakelaar Hand-afstandsbediening II Voor afstandsbediening van de centrale manager II Verwarmingsbelastingsmodule Voor verwarmingslastvraag op verwarmingsketel. Verbruiksdataregistratie Voor weergave van meetwaarden. Afstandsbedieningsfunctie Via de SmartHome-service kunnen via de telefoon (spraakbediening) of internet de belangrijkste functies van de centrale manager II worden opgevraagd en bediend. Zo kan bijv. tijdens de thuisreis via een mobiele telefoon het lopende vakantieprogramma, dat de aanwezigheid van de bewoner simuleert en het huis in de energiespaarmodus verwarmt, worden onderbroken en kan de comforttemperatuur worden ingesteld. 2.1 Fig. 75 Toepassingsvoorbeelden Toepassingsvoorbeeld: De afbeelding hierboven toont een van de mogelijke toepassingen: Radiografisch bestuurde vloerverwarming op de benedenverdieping Radiografisch bestuurde radiatorverwarming op de bovenverdieping Besturing via de centrale manager II Overzicht algemene technische kenmerken Signaaloverdracht op 433 MHz, signaalsterkte 1mW (1/200 van het zendvermogen van een draadloze telefoon) Radio-ontstoring conform EN , CE-conform Radiotechnologie conform ETS , geen onderlinge beïnvloeding verschillende RAUMATIC Funk-systemen in hetzelfde gebied Bereik m in woningbouw (bij normale scheidingswanden en plafonds) Levensduur batterij ca. 2 jaar 1000 h data-opslag na netspanningsuitval (centrale manager II) De REHAU-vloerverwarming/ -koeling in combinatie met gebouwautomatiseringssystemen (GAS): De REHAU-GAS-stelaandrijving maakt nauwkeurige en toch voordelige aansturing van een REHAU-vloerverwarming/- koeling via GAS mogelijk. REHAU-GLT-stelaandrijving Voor de directe aansluiting op een GLTsysteem: Directe aansturing via standaard signaal 0-10 V van GLT-systeem, spanningsloos gesloten Omzetting van het stuursignaal in puls-proportioneel-gedrag Zelfkalibrerend, bepaling sluitpunt Slagaanwijzing, First-open-functie Voedingsspanning 24V AC, ingangsweerstand 10 kohm 36

37 1.1.2 Vloerconstructie Vloeropbouw Natbouw Als voorbeeld is in de figuur hiernaast een vloerconstructie met REHAU-vloerverwarmings-/-koelsysteem weergegeven. De volgende normen en richtlijnen moeten worden aangehouden: DIN 18202, toleranties in de hoogbouw DIN 18195, bouwwerkafdichtingen DIN schuimkunststof als isolatie in de bouw DIN 4108 Wärmeschutz im Hochbau DIN 4109 Schallschutz am Hochbau DIN 18560, verwarmingsvloeren DIN EN 1264, vloerverwarmingssystemen Energieeinsparverordnung (EnEV) Opmerking Bij gebruik van polystyrol-isolatie op bitumineuze bouwwerkafdichtingen die met bitumineuze verlijmmiddelen verwerkt worden moet absoluut een geschikt afdekfolie tussen de beide bouwdeellagen worden aangebracht. Bepaling van de benodigde warmteisolatie Voor de eerste toepassing geldt: R extra isolatie = 0,75 - R systeemplaat Voor de tweede toepassing geldt: R extra isolatie = 1,25 - R systeemplaat Voor de derde toepassing geldt: R extra isolatie = 2,00 - R systeemplaat R extra isolatie R systeemplaat = warmtegeleidingsweerstand van de benodigde extra warmte-isolatie = warmtegeleidingsweerstand van de REHAU-FHsysteemplaat 1.1 Fig. 76: Voorbeeldopbouw van een vloerverwarmings- en koelsysteem in natbouw Natbouw 1. Binnenpleister 7. REHAU-buis 2. Plint 8. Afdekfolie 3. REHAU-randisolatie 9. Warmte- en contactgeluiddemping 4. Vloerbedekking 10. Bouwwerkafdichting (indien nodig) 5. Mortelbed 11. Ruwe vloer 6. Dekvloer 12. Aarde Toepassings- Definitie Min. Conform geval eis Daaronder liggende Warmtegel.weerstand DIN EN 1 verwarmde R 0,75 m 2 K/W 1264, deel 4 ruimte Niet verwarmde of in afstan- Warmtegeleidingsweer- DIN EN 2 den verwarmde ruimte of stand R 1,25 m 2 K/W 1264, deel 4 direct op de aarde Daaronder liggende Warmtegel.weerstand DIN EN 3 Buitenlucht- R 2,00 m 2 K/W 1264, deel 4 temperatuur 1.1 Tab. 18: Eisen aan warmte-isolatie onder de vloerverwarmings- / -koelsystemen Op de volgende pagina's zijn als voorbeeld verschillende isolatieconstructies met REHAU-vloerverwarmings-/- koelsystemen weergegeven. Bepaling van de benodigde contactgeluiddemping. Voor de bepaling van de benodigde contactgeluidverbeteringsmaat bij een gegeven vloerconstructie geldt: VM R = TSM R - TSM eq,r + 2dB VM R TSM R = benodigde contactgeluidverbeteringsmaat = benodigde contactgeluidisolatie conform tabel 3, DIN 4109 Bijzonderheden bij het leggen van warmte- en contactgeluidisolatie Het is niet toegestaan, meer dan twee geluidsisolatielagen in een vloerconstructie op te nemen. De totale samendrukbaarheid van alle toegepaste isolatielagen mag niet meer dan 5 mm bedragen. Lege buizen of andere leidingen moeten in een compensatie-isolatielaag worden gelegd. De hoogte van de compensatieisolatielaag komt overeen met de hoogte van de lege buizen of de leidingen. Lege buizen of andere leidingen mogen de noodzakelijke contactgeluidisolatielaag niet onderbreken. TSM eq,r = equivalent contactgeluiddempingsmaat conform tabel 11 en 16 van appendix 1 van DIN

38 REHAU Vloer-isolatieconstructies: Minimale isolatie-eis volgens EN Systeem Isolatiegeval REHAU noppenplaat Vario REHAU tackersystemen REHAU-RAUFIX Contactgeluidverbetering met TSD zonder TSD met TSD met TSD zonder TSD met TSD zonder TSD met TSD zonder TSD 1. Isolatiegeval Daaronder liggende verwarmde ruimte met REHAUbuisdraagmat REHAUdroogsysteem Houtvezel/mineraalwol isolatie WLG Isolatiegeval Niet verwarmde of in afstanden daaronder liggende verwarmde ruimte of direkt op de bodem (bij een grondwaterspiegel 5 m moet deze waarde verhoogd worden) met Houtvezel/mineraalwol isolatie WLG Totale opbouwhoogte bij toepassing van REHAU buizen voor vloerverwarming/-koeling met buitendiameters 14/16/17/20 mm. Geldigheid van de opbouwhoogtes: Natte systemen: inzet met cementdekvloer F4 (ZE 20) en oppervlaktebelasting 2 kn/m 2 volgens DIN Droogsysteem: inzet op vlakke vloer volgens DIN 18202, Tab.3, min. volgens alinea 4. Toepassing van droogdekvloerplaten met dikte 25 mm. 38

39 REHAU Vloer-isolatieconstructies: Minimale isolatie-eis volgens EN Isolatiegeval Systeem REHAUtackersystemen REHAUnoppenplaat Vario REHAUbuisdraagmat REHAUdroogsysteem Contactgeluidverbetering met TSD zonder TSD met TSD met TSD zonder TSD met TSD zonder TSD met TSD zonder TSD 3. Isolatiegeval Daaronder leggende buitenluchttemperatuur met T a = vloerbedekkingsbuitentemperatuur Houtvezel/mineraalwol isolatie WLG h 14 / h 16 / h 17 / h 20 : Geldigheid van de opbouwhoogtes: Totale opbouwhoogte bij toepassing van REHAU buizen voor vloerverwarming/-koeling met buitendiameters 14/16/17/20 mm. Natte systemen: Natte systemen: inzet met cementdekvloer F4 (ZE 20) en oppervlaktebelasting 2 kn/m 2 volgens DIN Droogsysteem: inzet op vlakke vloer volgens DIN 18202, Tab.3, min. volgens alinea 4. Toepassing van droogdekvloerplaten met dikte 25 mm. 39

40 Aanbevolen min. opbouwhoogte dekvloer met cement dekvloer ZE 20 Oppervlakte- Dekvloeropbouwhoogte in mm van de REHAU vloerverwarmings-, REHAU vloerverwarmings-/ belasting en koelsystemen voor de buigtrekvastheidsklasse F4 (ZE 20) -koelsysteem in kn/m 2 volgens DIN , rekening houdend met de in te zetten mediumtransporterende buizen. RAUTHERM S RAUTITAN flex RAUTHERM S RAUTHERM S 14x1,5 mm 16x2,2 mm 17x2,0 mm 20x2,0 mm 2 c = 45 mm c = 45 mm c = 45 mm h = 59 mm h = 61 mm h = 62 mm 3 c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm h = 79 mm h = 81 mm h = 82 mm 4 c = 70 mm c = 70 mm c = 70 mm h = 84 mm h = 86 mm h = 87 mm b c h 5 c = 75 mm c = 75 mm c = 75 mm h = 89 mm h = 91 mm h = 92 mm Noppenplaat vario 2 c = 45 mm c = 45 mm c = 45 mm h = 59 mm h = 61 mm h = 62 mm 3 c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm h = 79 mm h = 81 mm h = 82 mm 4 c = 70 mm c = 70 mm c = 70 mm h = 84 mm h = 86 mm h = 87 mm b c h 5 c = 75 mm c = 75 mm c = 75 mm h = 89 mm h = 91 mm h = 92 mm Noppenplaat vario met PST c = 45 mm c = 45 mm c = 45 mm c = 45 mm h = 59 mm h = 61 mm h = 62 mm h = 65 mm 3 c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm h = 79 mm h = 81 mm h = 82 mm h = 85 mm C h 4 c = 70 mm c = 70 mm c = 70 mm c = 70 mm h = 84 mm h = 86 mm h = 87 mm h = 90 mm B 5 c = 75 mm c = 75 mm c = 75 mm c = 75 mm h = 89 mm h = 91 mm h = 92 mm h = 95 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm 2 c = 45 mm c = 45 mm c = 45 mm c = 45 mm h = 64 mm h = 66 mm h = 67 mm h = 70 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm 3 c = 60 mm c = 60 mm c = 60 mm c = 60 mm h = 79 mm h = 81 mm h = 82 mm h = 85 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm 4 c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm h = 84 mm h = 86 mm h = 87 mm h = 90 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm 5 c = 70 mm c = 70 mm c = 70 mm c = 70 mm h = 89 mm h = 91 mm h = 92 mm h = 95 mm a = 14 mm a = 14 mm a = 14 mm 2 c = 45 mm c = 45 mm c = 45 mm h = 75 mm h = 76 mm h = 79 mm a = 14 mm a = 14 mm a = 14 mm 3 c = 51 mm c = 51 mm c = 51 mm h = 81 mm h = 82 mm h = 85 mm a = 14 mm a = 14 mm a = 14 mm 4 c = 56 mm c = 56 mm c = 56 mm h = 86 mm h = 87 mm h = 90 mm a = 14 mm a = 14 mm a = 14 mm 5 c = 61 mm c = 61 mm c = 61 mm h = 91 mm h = 92 mm h = 95 mm Tackerplaat RAUFIX Buisdraagmatten a B C h 40

41 Aanbevolen min. opbouwhoogte dekvloer met cement dekvloer ZE 30 Oppervlakte- Dekvloeropbouwhoogte in mm van de REHAU vloerverwarmings-, REHAU vloerverwarmings-/ belasting en koelsystemen voor de buigtrekvastheidsklasse F5 (ZE 30) -koelsysteem in kn/m 2 volgens DIN , rekening houdend met de in te zetten mediumtransporterende buizen. RAUTHERM S RAUTITAN flex RAUTHERM S RAUTHERM S 14x1,5 mm 16x2,2 mm 17x2,0 mm 20x2,0 mm 2 c = 405 mm c = 40 mm c = 40 mm h = 54 mm h = 56 mm h = 57 mm 3 c = 55 mm c = 55 mm c = 55 mm h = 69 mm h = 71 mm h = 72 mm 4 c = 60 mm c = 60 mm c = 60 mm h = 74 mm h = 76 mm h = 77 mm b c h 5 c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm h = 79 mm h = 81 mm h = 82 mm Noppenplaat vario 2 c = 40 mm c = 40 mm c = 40 mm h = 54 mm h = 56 mm h = 57 mm 3 c = 55 mm c = 55 mm c = 55 mm h = 69 mm h = 71 mm h = 72 mm 4 c = 60 mm c = 60 mm c = 60 mm h = 74 mm h = 76 mm h = 77 mm b c h 5 c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm h = 79 mm h = 81 mm h = 82 mm Noppenplaat vario met PST c = 40 mm c = 40 mm c = 40 mm c = 40 mm h = 54 mm h = 56 mm h = 57 mm h = 60 mm 3 c = 55 mm c = 55 mm c = 55 mm c = 55 mm h = 69 mm h = 71 mm h = 72 mm h = 75 mm C h 4 c = 60 mm c = 60 mm c = 60 mm c = 60 mm h = 74 mm h = 76 mm h = 77 mm h = 80 mm B 5 c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm c = 65 mm h = 79 mm h = 81 mm h = 82 mm h = 85 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm 2 c = 35 mm c = 35 mm c = 35 mm c = 35 mm h = 54 mm h = 56 mm h = 57 mm h = 60 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm 3 c = 50 mm c = 50 mm c = 50 mm c = 50 mm h = 69 mm h = 71 mm h = 72 mm h = 75 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm 4 c = 55 mm c = 55 mm c = 55 mm c = 55 mm h = 74 mm h = 76 mm h = 77 mm h = 80 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm a = 5 mm 5 c = 60 mm c = 60 mm c = 60 mm c = 60 mm h = 79 mm h = 81 mm h = 82 mm h = 85 mm a = 14 mm a = 14 mm a = 14 mm 2 c = 30 mm c = 30 mm c = 30 mm h = 60 mm h = 61 mm h = 64 mm a = 14 mm a = 14 mm a = 14 mm 3 c = 41 mm c = 41 mm c = 41 mm h = 71 mm h = 72 mm h = 75 mm a = 14 mm a = 14 mm a = 14 mm 4 c = 46 mm c = 46 mm c = 46 mm h = 76 mm h = 77 mm h = 80 mm a = 14 mm a = 14 mm a = 14 mm 5 c = 51 mm c = 51 mm c = 51 mm h = 81 mm h = 82 mm h = 85 mm Tackerplaat RAUFIX Buisdraagmatten a B C h 41

42 Dekvloer en voegen Voor het ontwerpen en uitvoeren van verwarmingsdekvloeren gelden de voorschriften uit DIN Bovendien gelden de betreffende verwerkingsvoorschriften en toegestane toepassingsgebieden zoals voorgeschreven door de dekvloerfabrikant. De volgende onderwerpen moeten al in de ontwerpfase tussen de architect de werkvoorbereiding, de verwarmingsleverancier, dekvloerleverancier en vloerbedekkingleverancier worden afgestemd. Type en dikte van de dekvloer en de vloerbedekking Vlakverdeling van de dekvloer plus de plaats en vorm van de voegen. Aantal meetplaatsen voor restvochtmeting Toepassing van vloeidekvloer Bij gebruik van vloeidekvloeren moet vooral op het volgende worden gelet: Naadloze afdichting van het totale oppervlak ( bad ). De continue bedrijfstemperatuur mag niet hoger zijn dan 50 C. Voor vochtige ruimten zijn vloeivloeren slechts beperkt geschikt. Houd in dergelijke gevallen de instructies van de leverancier nauwkeurig aan. Plaatsing van voegen Verwarmingsdekvloeren moeten conform DIN en DIN EN 1264 naast de scheiding rondom via randisolatieband bovendien op de volgende plaatsen via voegen worden gescheiden: bij dekvloeroppervlakken > 40 m 2 of bij lengte > 8 m of bij lengte/breedte-verhoudingen a/b > 1/2 boven dillitatievoegen van het bouwwerk bij sterk verspringende velden Conform DIN en DIN EN 1264 moet door de constructeur een voegplan worden gemaakt en deze moet aan de uitvoerder worden overlegd. De temperatuurafhankelijke lengteverandering van een dekvloerplaat kan bij benadering als volgt worden berekend: l = l 0 x α x T l = lengte-uitzetting (m) l 0 = plaatlengte (m) α = lengte-uitzettingscoëfficiënt (1/K) T = temperatuurverschil (K) Een verkeerde plaatsing en vorm van voegen is de meest voorkomende oorzaak van dekvloerschade bij vloerconstructies. Dillitatievoeg 1.1 Fig. 77: Plaatsing voegen fout 1.1 Fig. 78: Plaatsing voegen bij verwarmingscircuits Opstelling van de verwarmingscircuits Verwarmingscircuits en voegen moeten als volgt op elkaar worden afgestemd: De buisregisters moeten zodanig worden gepland en gelegd, dat deze in geen geval door voegen lopen. Alleen aansluitleidingen mogen de voegen kruisen. In dit gebied moeten de verwarmingsbuizen over de voegen heen aan beide zijden ca. 15 cm door een beschembuis (REHAUbeschermbuis of een isolatieschaal worden beschermd tegen afschuifbelasting. Vloerbedekkingen en voegen Bij harde bedekkingen (tegels, parket, enz.) moeten de voegen tot aan de bovenkant van de bedekking worden doorgetrokken. Dit verdient ook aanbeveling bij zachte bedekking (kunststof of textiel vloerbedekking), om opstulpingen of gleuven te voorkomen. Bij alle typen bedekking is overleg met de leverancier absoluut noodzakelijk. goed Opwarmen Anhydrit- en cement dekvloeren moeten voor het leggen van vloerbedekking worden opgewarmd. Hierbij moeten de voorschriften van de dekvloerleverancier worden aangehouden. Vroegst mogelijk tijdstip conform DIN EN 1264, deel 4: Bij cement dekvloeren 21 dagen of conform specificatie van de leverancier Bij Anhydrit-vloeidekvloeren 7 dagen na aanbrengen van de dekvloer Procedure opwarmen: Toevoertemperatuur C instellen en 3 dagen constant houden Aansluitend de maximale ontwerp-toevoertemperatuur instellen en minimaal 4 dagen aanhouden. Over de opwarmprocedure moet een opwarmprotocol worden opgesteld. Bij het uitschakelen van de vloerverwarming na de opwarmfase moet de dekvloer worden beschermd tegen tocht en te snelle afkoeling. Het voor het bedekken benodigde restvochtgehalte van de dekvloer moet door een bedekkingsspecialist via daarvoor geschikte meetposities worden bepaald. 42

43 Vloerbedekking Bij de warmtetechnische berekening van een vloerverwarming (bepaling van de heetwatertemperatuur en de buisafstand) moet met de warmtegeleidingsweerstand (WLW) van de vloerbedekking rekening worden gehouden. Over het algemeen mag de warmtegeleidingsweerstand van de bedekking, onafhankelijk van type en opbouw, max. R λ,b = 0,15 m 2 K/W zijn. Houten vloeren Parketvloeren kunnen worden toegepast bij vloerverwarming. Er moet wel met voegvorming rekening worden gehouden. Ook hier is lijm aangebracht. Er moet goed op worden gelet, dat de hout- en dekvloervochtigheid bij het leggen overeenkomt met de conform de norm (DIN 280) toegelaten waarde en dat de lijm permanent elastisch blijft. Minerale vloerbedekking Steen, klinkers of andere keramische vloerbedekking is voor vloerverwarmingen het best geschikt. De normale legtechnieken, a) dunne-laagmethode op uitgeharde dekvloer, b) dikke-laagmethode op uitgeharde dekvloer, en c) in mortelbed op scheidingslaag, kunnen zonder beperkingen worden toegepast. Kunststof vloeren Kunststof vloerbedekking zijn tevens geschikt voor vloerverwarmingen. Het verlijmen van de kunststof platen of kunststof banen verdient aanbeveling. Textiel vloerbedekking Tapijten moeten over het algemeen worden verlijmd, om een betere warmte-overdracht te realiseren. De dikte van het tapijt mag niet groter zijn dan 10 mm. De aanbevelingen van de leverancier m.b.t. de montage, aanbrengen en gebruik moeten nauwkeurig worden aangehouden. Tapijten moeten het symbool geschikt voor vloerverwarming hebben. R λ,b-waarde van de vloerbedekking moet voor iedere situatie worden berekend! Voor een benadering kunnen de waarden in onderstaande tabel worden gebruikt. Deze tabel toont de meest gangbare bedekking, de dikte Dikte Warmtegel.- Warmtegel- Dikte van en warmtegeleidingsweerstand baarheid weerstand totale opbouw Naam Weergave d λ R λ,b d WD mm W/mK m 2 K/W mm Max. textiel vloerbedekking 10 0,07 0,15 10 Parket 8 0,2 0,04 10 lijmmassa 2 0,2 0,01 0,05 Kunststof vloerbedekking, 5 0,23 0,022 5 bijv. PVC. Keramische tegels 10 1,0 0,01 dunne betonmortel 2 1,4 0, ,011 Keramische tegels 10 1,0 0,01 mortelbed 10 1,4 0, ,017 Natuur- of kunststeenplaten Hier: marmer 15 3,5 0, ,4 0, Mortelbed 0, Tab. 19: Vloerbedekking 43

44 1.1.3 Algemene montage-instructies Bouwkundige eisen De ruimten moeten overkapt zijn, vensters en deuren moeten zijn geplaatst. De wanden moeten zijn gepleisterd. Voor de montage van de Verwarmingsverdelerkasten moeten nissen/wanduitsparingen en wand- en plafonddoorvoeren voor de verbindingsleidingen aanwezig zijn. Spannings- en wateraansluitingen moeten aanwezig zijn (voor montagegereedschap en druktest). De ruwe vloer moet voldoende vast en bezemschoon zijn, en aan de vlakheidstoleranties conform DIN voldoen. De tekening moet gecontroleerd en aanwezig zijn. Bij aan de aarde grenzende bouwdelen moet de bouwwerkafdichting conform DIN zijn uitgevoerd. Een legschema met exacte opstelling van de verwarmingscircuits en de benodigde buislengte per verwarmingscircuit moet aanwezig zijn. Voor eventuele benodigde voegen moet een geldig voegschema aanwezig zijn. Verwarmingscircuit - legvormen Voor de verwarmingscircuits REHAU-vloerverwarming/-koeling bestaan de volgende legvormen: Spiraal - REHAU-noppenplaat vario - REHAU-RAUTAC-tackersysteem - REHAU-buisdraagmatten Dubbele meander - REHAU-noppenplaat vario - REHAU-RAUTAC-tackersysteem - REHAU-RAUFIX - REHAU-buisdraagmatten Enkele meander - REHAU-noppenplaat vario - REHAU-RAUTAC-tackersysteem - REHAU-RAUFIX - REHAU-buisdraagmatten - REHAU-droogsysteem De warmtebehoefte van een ruimte kan onafhankelijk van de legvorm worden afgedekt. De legvorm beïnvloed alleen de temperatuurverdeling in de ruimte. 1.1 Fig. 79: Legvorm spiraal met geïntegreerde randzone 1.1 Fig. 81: Legvorm dubbele meander met geïntegreerde randzone 1.1 Fig. 80: Legvorm spiraal met voorgeschakelde randzone 1.1 Fig. 82: Legvorm dubbele meander met voorgeschakelde randzone Voordelen van de spiraalvorm: Gelijkmatige oppervlaktetemperaturen over het totale verwarmingscircuit Eenvoudig leggen van de verwarmingsbuis dankzij gemakkelijke 90 bochten De legvorm dubbele meander maakt tevens een gelijkmatige oppervlaktetemperatuur mogelijk over het totale verwarmingscircuit. Bij de legvormen dubbele en enkele meander moet in de omgeving van de 180 bochten absoluut de toegestane buigradius van de verwarmingsbuis worden aangehouden. 1.1 Fig. 83: Legvorm enkele meander 1.1 Fig. 84: Legvorm enkele meander met randzone De warmtebehoefte van een ruimte neemt vanaf de buitenwanden naar het midden van de ruimte toe af. De verwarmingsbuizen worden daarom in de buurt van de hogere warmtebehoefte (randzone) in de regel dichter op elkaar gelegd dan in de verblijfzone. De noodzaak om een randzone in te plannen, is afhankelijk van het type buitenwand (k-waarde van de wand, aandeel en kwaliteit van de vensters) het gebruik van de ruimte Met de legvorm spiraal of dubbele meander bij kleinere legafstand in de randzone en grotere legafstand in de verblijfzone realiseert men: groot behaaglijkheidsgevoel in de gehele ruimte aangename vloertemperatuur ondanks hoge verwarmingsvermogen reductie van de noodzakelijke toevoertemperatuur en daardoor minder energieverbruik 44

45 Druktestprotocol REHAU-vloerverwarming 1. Installatiegegevens Vermogen van de warmtegenerator: Fabrikant: Locatie: Max. bedrijfsdruk: Max. bedrijfstemperatuur: 2. Druktest voldaan a. kogelkraan op verdeler sluiten b. verwarmingscircuit afzonderlijk opeenvolgend vullen en spoelen c. installatie ontluchten d. testdruk activeren: dubbele bedrijfsdruk, echter minimaal 6 bar (conform DIN EN 1264 deel 4) e. druk na 2 uur nogmaals activeren, omdat een drukval door uitzetting van de buizen mogelijk is. f. beproevingstijd 24 uur g. druktest is in orde, wanneer op geen enkele plaats in het systeem water uittreedt en de testdruk niet meer dan 0,1 bar per uur is afgenomen. Opmerkingen: Bij aanbrengen van de dekvloer moet de max. bedrijfsdruk aanwezig zijn, zodat lekkage direct kan worden herkend. 3. Bevestiging De lekdichtheidstest is correct uitgevoerd. Daarbij is geen lekkage opgetreden en is aan geen enkel bouwdeel blijvende vervorming opgetreden. Plaats Datum Opdrachtgever Aannemer 45

46 Opwarmprotocol voor vloerverwarmingen Conform DIN EN 1264 deel 4 moeten anhydrit- en cement dekvloeren voor het leggen van de vloerbedekking worden opgewarmd. Bij cement dekvloeren moet daarmee ten vroegste 21 dagen, bij anhydrit dekvloeren conform specificaties van de leverancier ten vroegste 7 dagen na beëindiging van de dekvloerwerkzaamheden worden aangevangen. Verkorting van de bovengenoemde droogtijden en/of wijzigingen van de hieronder beschreven opwarmprocedure (temperatuur, aantal en duur verwarmingsstappen) mag alleen worden uitgevoerd na schriftelijke goedkeuring vooraf door de dekvloerleverancier en/of de verantwoordelijke voor het leggen van de dekvloer. Bouwplan: Verwarmingsleverancier: Dekvloerinstallatie: REHAU-vloerverwarmingssysteem: REHAU-buis (type/nom. maat/legafstand): Type dekvloer: cement dekvloer cm dik Anhydrit dekvloer cm dik Datum aanbrengen dekvloer: Buitentemperatuur voor aanvang opwarmfase: Ruimtetemperatuur voor aanvang opwarmfase: 1. Begintoevoertemperatuur van C ingesteld en 3 dagen constant gehouden Begonnen op: Beëindigd op: 2. Max. toegestane ontwerptemperatuur instellen en min. 4 dagen (zonder reductie) aangehouden. Begonnen op: Beëindigd op: Bij storingen: opwarmen onderbroken op: Vastgestelde storing: Opwarmen en afkoelen correct uitgevoerd: Ja Nee Opdrachtgever: Plaats, datum Handtekening Aannemer: Plaats, datum Handtekening Opmerking: Na beëindiging van de opwarmprocedure is niet gewaarborgd, dat de dekvloer de voor het bedekken benodigde vochtigheidsgraad bezit. Dit moet daarom door degene die de bedekking gaat leggen worden gecontroleerd. 46

47 1.1.4 REHAU-vloerkoeling Systeemvoordelen Grote behaaglijkheid Geen tocht Lage investering Geringe jaarlijkse kosten Besparend voor ressources Vrije ruimtevormgeving mogelijk Abstrahlung Afstraling min % % Verdunstung Verdamping ~ ~30% % Toepassingsgebied REHAU-noppenplaat vario REHAU-RAUTAC-tackersysteem REHAU-tackersysteem REHAU-RAUFIX-rail REHAU-buisdraagmatten In combinatie met cement dekvloer 20 C 32 C 20 C Konvektion Convectie ~ ~10% % Warmtegeleiding Wärmeleitung ~2-5% ~ % Algemeen 1.1 Fig. 85: Warmtehuishouding van de mens Thermische behaaglijkheid De thermische behaaglijkheid wordt bepaald door: Werkzaamheden personen Kleding personen Luchttemperatuur Luchtsnelheid Luchtvochtigheid Oppervlaktetemperatuur De warmte-afgifte van het menselijk lichaam verloop via drie mechanismen: Straling Verdamping Convectie Het menselijk lichaam ervaart daarbij maximaal welbevinden, wanneer tenminste 50% van de warmte-afgifte via straling kan worden geregeld. Klassieke airconditioning 1.1 Fig. 86: Luchttemperatuur en luchtsnelheden bij de vloerkoeling. Bij de REHAU-vloerkoeling volgt de energie-uitwisseling tussen mens en koeloppervlakken over grote oppervlakken en overwegend door straling. Daardoor ontstaan optimale voorwaarden voor een behaaglijk klimaat. Klassieke airconditioning behandelt de optredende koelbelastingen door de luchtwisseling, met de volgende negatieve effecten: Tochtverschijnselen Hoge luchtsnelheid in de ruimte Koude toevoerluchttemperatuur Hoog geluidsniveau Vaak ontstaat voor de gebruiker een onbehaaglijk ruimteklimaat, ook wel Sick- Building-Syndrom genoemd. Economische nadelen van de klassieke airconditioning: Hoge investeringskosten Hoge jaarlijkse kosten Koelcapaciteit De nom. koelcapaciteit van de REHAUvloerkoeling is conform DIN W/m 2. Deze capaciteit wordt gerealiseerd met: Systeem RAUFIX Legafstand 10 cm RAUTHERM S 17 x 2,0 mm Ondertemperatuur koelmiddel 10 K Temperatuurspreiding 2 K Onder praktijkomstandigheden, bij oppervlaktetemperatuur vloer van C kamertemperatuur van 26 C kunnen waarden van Invloeden op de koelcapaciteit De maximaal bereikbare koelcapaciteit van de vloerkoeling is afhankelijk van: Vloerbedekking Legafstand Buisafmetingen Vloerconstructie Systeem Ieder van deze factoren heeft echter een andere invloed op de koelcapaciteit. Een doorslaggevende invloed op de vermogensafgifte van de zachte koeling hebben Vloerbedekking Legafstand W/m 2 worden bereikt. 47

48 REHAU-regeltechniek verwarmen/koelen Systeemvoordelen Waarborgt optimaal koelvermogen Betrouwbaar voorkomen van condensvorming Volautomatische en afhankelijk van de behoeft wisselen van de bedrijfsstanden verwarmen/koelen Voorkoming van vloeronderkoeling Modulair, voor verschillende installatieconcepten geschikte, opbouw. Systeemcomponenten Regelset verwarmen/koelen, bestaande uit: - Centrale regelaar ZR-HK - Toevoertemperatuursensor F-VL - Buitentemperatuursensor F-AT - Vloertemperatuursensor F-BT - Vocht-/temperatuurmeetversterker MU-FT kamerthermostaat ER-HK stelaandrijving HK doorgangsventiel DV voor verwarmingsen koelcircuits, compleet met stelaandrijving driewegventiel MV met continu aandrijving regelverdeler RV-HK afstandsbediening HK Systeemtoebehoren dauwpuntbewaking TPW Eisen Een gecombineerd vloerverwarmings-/ -koelsysteem vraagt om een zorgvuldig afgestemde regeltechniek. Juist in geval van koelen resulteert vanwege de aan te houden min. oppervlaktetemperatuur en het condensatierisico een smal werkgebied. Om toch maximale rendementen te bereiken, moet deze speelruimte optimaal worden benut. 1.1 Fig. 87: REHAU-centrale regelaar verwarmen/koelen ZR-HK De waarden tussen haakjes hebben betrekking op het schakelschema in fig. 2.1fig. 90. REHAU-centrale regelaar ZR-HK (1) weergestuurde toevoertemperatuurregeling voor verwarmingsbedrijf automatische omschakeling tussen verwarmingsbedrijf / neutrale zone / koelbedrijf activeren van het koelbedrijf volgens de vooruitlopende methode voor realiseren van de hoogst mogelijke effectiviteit. voorkoming van condensvorming tijdens koelbedrijf door begrenzing van de koelwatertemperatuur op het berekende dauwpunt. aanhouden van de minimale vloertemperatuur van 20 C tijdens koelbedrijf aansturen van de kraanaandrijvingen (omschakeling verwarmen/koelen) activeren van de warmte- resp. koudegenerator en de bijbehorende pompen Voor de navolgende componenten met 24 V voedingsspanning moet een 24 V- veiligheidstransformator worden gebruikt. De dimensionering hangt af van het aantal aangesloten componenten. Op aanvraag kunnen geschikte typen worden opgegeven. Door toepassen van geschikte sensoren en maatwerk regeltechniek voldoet het REHAU-regelsysteem verwarmen/koelen aan deze eisen. Bijzonder daarbij is de speciale methode voor het vooruitlopend activeren van het koelbedrijf. Door de mogelijkheid tot individuele aanpassing aan de gebouwkarakteristiek wordt een zo groot mogelijke effectiviteit van het koelsysteem bereikt. Componenten 1.1 Fig. 88: REHAU-kamerthermostaat ER- HK REHAU-kamerthermostaat ER-HK (2) quasi-continu regelen van de volumedoorstroming van het verwarmingsresp. koelcircuit omschakeling tussen verwarmings- en koelbedrijf door centrale regelaar activeren reduceerbedrijf via extern contact REHAU-vocht-/temperatuurmeetversterker MU-FT (3) Meting van relatieve vochtigheid kamertemperatuur in referentieruimte voor: berekening van het dauwpunt bepaling van de omschakelcriteria tussen verwarmen en koelen door de centrale regelaar verwarmen/koelen ZR-HK 1.1 Fig. 89: REHAU-vocht-/temperatuurmeetversterker MU-FT 48

49 Kamer Warmtegenerator Kamerthermostaat Legenda centrale regelaar ZR-HK kamerthermostaat ER-HK vocht-/temperatuurmeetversterker MU-FT vloertemperatuursensor F-BT buitentemperatuursensor F-AT toevoertemperatuursensor F-VT 3-weg ventiel met aandrijving omschakelventiel met therm. aandrijving stelaandrijving HK Vrijgave verwarmen Change-over, reduceersignaal Retourverzamelleiding Toevoerverzamelleiding Omschakelen V/K Kamerthermostaat Referentieruimte Vrijgave koelen Koudegenerator 1.1 Fig. 90: Hydraulisch en regelschema vloerverwarming/-koeling 49

50 1.1 Fig. 91: REHAU-doorgangsventiel DV met stelaandrijving 1.1 Fig. 93: REHAU-stelaandrijving H/K 1.1 Fig. 95: REHAU-afstandsbediening H/K REHAU-doorgangsventiel DV (8) voor omschakeling van de verwarmingskoelcircuit via 4 ventielen compleet met aandrijving 24 V AC De volgende ventielen zijn standaard leverbaar: Doorgangsventiel DV 20 Nom. doorlaat DN 20, kvs-waarde 4,5 m 3 /h Doorgangsventiel DV 25 Nom. doorlaat DN 25, kvs-waarde 5,5 m 3 /h Doorgangsventiel DV 32 Nom. doorlaat DN 32, kvs-waarde 10 m 3 /h REHAU-stelaandrijving HK (9) passend op de Verwarmingsverdeler HKV en HKV-D standsignalering via kijkglas aan zijkant bedrijfsspanning 24 V AC beschermingsklasse IP 44, bij verticale montage IP 43 REHAU-afstandsbediening HK Voor afstandsbediening van de regelaar ZR- HK: Voorinstelling bedrijfsstand verwarmen/koelen Omschakeling tussen aanwezigheid/afwezigheid Correctie setpoints. Aanwijzing van de bedrijfsstand, aanwezigheid/afwezigheid, tijd en buitentemperatuur. Behuizing 76x76 mm, wit (RAL 9010). 1.1 Fig. 92: REHAU-driewegventiel MV met stelaandrijving REHAU-driewegventiel MV (7) voor regeling van de toevoertemperatuur door bijmenging retour compleet met aandrijving 24 V AC/DC De volgende ventielen zijn standaard leverbaar: Driewegventiel MV 15 Nom. doorlaat DN 15, kvs-waarde 2,5 m 3 /h Driewegventiel MV 20 Nom. doorlaat DN 20, kvs-waarde 5,0 m 3 /h Driewegventiel MV 25 Nom. doorlaat DN 25, kvs-waarde 6,5 m 3 /h 1.1 Fig. 94: regelverdeler RV-HK Regelverdeler RV-HK Voor de aansluiting van max. 6 REHAUkamerthermostaten ER-HK en 12 stelaandrijvingen HK Aansluitmogelijkheid voor regelaars in verwarmingskoelbedrijf en in zuiver verwarmingsbedrijf Stuuringangen voor Omschakelen verwarmen/koelen Reduceren Geïntegreerde overspanningsbeveiliging, geïntegreerde zekering REHAU-toevoertemperatuursensor F- VT (6) Toevoertemperatuurmeting voor verwarmen en koelen sensor gegoten in messing huls Ø 6mm, 50 mm lang met beugel en spanband voor bevestiging aan de buis REHAU-buitentemperatuursensor F-BT (5) Meting van de buitentemperatuur voor behoeftegestuurde regeling van de toevoertemperatuur bij verwarmen bepaling van de omschakelcriteria tussen verwarmen en koelen REHAU-vloertemperatuursensor F-BT (4) Meting van de vloertemperatuur in het bovenste gebied van de dekvloer Belangrijk: Houdt de instructies aan voor de installatie van de vloertemperatuursensor 50

51 Werking Systeemcomponenten Belangrijke instructie: De toevoerleidingen van de koudegenerator tot aan de verdelers moeten gasdicht worden geïsoleerd. Badkamers, keukens en dergelijke ruimten mogen niet in de koelmodus worden gebruikt. Door de mogelijkheid van een sprongsgewijze toename van de luchtvochtigheid bestaat het gevaar van condensatie op de vloer. Door het gebruik van de regelverdeler RV-HK wordt gewaarborgd dat de aangesloten kamerthermostaten ER-HK alleen in de gewenste bedrijfsstand werken. Rekening houden met de dauwpunttemperatuur: De vorming van condenswater moet worden voorkomen. Dit geldt zowel voor de gekoelde oppervlakken als ook voor de toevoerleidingen en de verdeler. Om de ingewikkelde gasdichte isolatie van de verdeler te voorkomen, wordt de toevoertemperatuur met een veiligheidsafstand t.o.v. het dauwpunt geregeld. Instelling af fabriek: veiligheidsafstand 2K Doordat de begrenzing van de toevoertemperatuur over het algemeen door het criterium bodemtemperatuur wordt bepaald, resulteert daardoor in de verreweg meest optredende bedrijfstijd geen vermogensverlies. Rekening houden met de vloertemperatuur: Bij nadering van de gemeten vloertemperatuur tot de grenswaarde van 20 C wordt de toevoertemperatuur verhoogd. Koppeling van beide criteria: Er wordt altijd op de hoogste van de beide bepaalde setpoint voor de toevoertemperatuur geregeld. Daarmee wordt gewaarborgd, dat geen van beide criteria wordt overschreden. REHAU-dauwpuntbewaking TPW Het verdient aanbeveling, op de toevoerverzamelleiding van de verdeler de dauwpuntbewaking TPW te monteren. Bij beginnende condensvorming wordt dan de bedrijfsspanning van de afzonderlijke thermostaten afgeschakeld en wordt de koelmiddeldoorstroming gestopt. Deze maatregel is absoluut noodzakelijk, zodra vanwege de ruimtelijke omstandigheden of het type gebruik geen betrouwbare uitspraak over de verdeling van de ruimteluchtvochtigheid kan worden gedaan. Omschakeling bedrijfsstanden verwarmen/koelen Automatische omschakeling Voor het activeren van het verwarmingsbedrijf wordt als criterium de gemiddelde buitentemperatuur gebruikt (bepaling gemiddelde waarde over periode van 0-72 uur instelbaar). Richtwaarden: gemiddelde waarde berekening 48 uur onderschrijding van een grenswaarde van 15 C Hysterese 0,5K. Activeren van het koelbedrijf Conventionele methoden beperken zich op een zuivere grenswaardebewaking van de buiten- en binnentemperatuur. De centrale regelaar ZR-HK gebruikt een rekenkundige verwerking van de relevante temperatuurwaarde in combinatie met een beoordeling van de trend van de binnentemperatuur. Deze speciale berekeningsmethode biedt de volgende voordelen: op tijd activeren van de koeling rekening houden met de gebouwkarakteristiek rekening houden met interne belastingen voorkomen van onnodige standbytijden van de koudegenerator. Als resultaat van deze vooruitziende werkwijze van de regelaar ontstaat de maximale effectiviteit van een vloerkoelsysteem bij toch een energiebesparende werkwijze. Handmatig omschakelen Via het bedieningstoetsenbord van de regelaar en via de optioneel aansluitbare afstandsbediening kunnen de bedrijfsstanden Automatisch Uit (vorstbeveiliging) Verwarmen Koelen worden gekozen. Maatregelen ter voorkoming van schade door foutief functioneren De door de centrale regelaar ZR-HK gegenereerde stuursignalen zijn het resultaat van de verwerking van gemeten waarde conform de ingestelde parametrering. Schade aan de sensoren, de verwerkende elektronica of foutieve parametrering door de gebruiker kunnen foutieve regeling tot gevolg hebben. Dit mag echter niet tot schade aan de installatie leiden Er moeten dus geschikte maatregelen worden genomen, om eventuele foutieve aansturingen veilig op te vangen. Bij een REHAU-systeem wordt gebruik van de SIEMENS minibesturing LOGO!230RC-L aanbevolen. Voordelen van de minibesturing: voorkomen van foutieve regeling flexibele aanpassing aan de installatieomstandigheden weinige bedrading nodig diagnosemogelijkheden De minibesturing is de koppeling tussen de toevoertemperatuurregelaar en de verwarmings-/koelinstallatie. Via geïntegreerde logische en tijdsafhankelijke koppelingen zorgt deze ervoor, dat alle aangesloten componenten (kraanaandrijvingen, pompen, verwarmingsketels, koudegeneratoren) correct worden aangestuurd. Voor verschillende installatiemodellen bestaan voorbeeldprogramma's voor de SIEMENS minibesturing LOGO! 230RC-L, die eenvoudig op andere toepassingen kunnen worden aangepast. De op het display getoond toestanden van de in- en uitgangen vergemakkelijken de inbedrijfname. 51

52 Montage- en bedradingsinstructies Centrale regelaar ZR-HK montage van de sokkel direct op de wand of bij voorkeur op een DIN-rail om de regelaar tegen vocht en stof te beschermen, moet deze in een gesloten kast worden ondergebracht of in een schakelkast worden ingebouwd. de regelaar moet permanent op de netspanning aangesloten zijn Kamerthermostaat ER-HK Voor het plaatsen van de kamerthermostaat gelden de bekende voorwaarden: Hoogte ca. 150 cm boven de vloer niet in tochtige omgeving niet dicht bij warmtebronnen niet bedekt of in nissen. Op de volgende bijzonderheden moet worden gelet: De omschakeling tussen verwarmingsen koelbedrijf volgt door het verbinden van uitgang 4 met ingang c/o (Change- Over). De regelaars voor ruimten, die alleen mogen worden verwarmd (badkamer, keuken) worden via een bedrijfsspanningsaansluiting gevoerd terwijl het koelbedrijf is afgeschakeld. De op spanningsloos gesloten geconfigureerde stelaandrijvingen sluiten dan de betreffende zones betrouwbaar af. Bij gebruik van de regelverdeler RV- HK worden deze functies gewaarborgd. Toevoertemperatuursensor F-VL montage in een dompelbuis of met beugel en spanband aan de buis bevestigt montage ca 30 cm na de circulatiepomp, achter driewegventiel Vocht-/temperatuurmeetversterker MU-FT Montage : cm boven de vloer niet in tochtige omgeving niet dicht bij warmtebronnen niet bedekt of in nissen. Buitentemperatuursensor F-AT Montage : aan de noordzijde van het gebouw niet in de buurt van ventilatieopeningen of in de buurt van openslaande vensters 1.1 Fig. 96: principe schema verbindingsleidingen naar regelverdeler RV-HK Montageplaats vloertemperatuursensor F-BT De positie moet zodanig worden gekozen, dat de sensor de minimaal optredende vloertemperatuur in geval van koelen meet. Daarbij ligt het accent op de verblijfszones, d.w.z. lokaal optredende koelere zones kunnen worden geaccepteerd zolang deze bijv. in gangen liggen. Keuzecriteria: in gebieden met hoge legdichtheid, dus in de buurt van de verdeler bij meerdere verdelers moet de verdeler worden gekozen, die de referentieruimte voedt in het gebied, waar de afgaande buizen niet meer zijn geïsoleerd in een gebied, waarin buizen zijn gelegd, die in geval van koelen worden doorstroomd; in het algemeen zijn dat de toevoerleidingen van de referentieruimte naar behoefte dimensioneren Regelverdeler De sensor wordt in een dunwandige beschermbuis (Ø 15 mm) in de vloerconstructie ingebracht, zo dicht mogelijk aan de oppervlakte. De beschermbuis wordt aan de voorzijde gesloten. Er moet op worden gelet, dat de minimale buigradius van de buis (bij een binnendiameter van 15 mm) van 40 mm niet wordt onderschreden, zodat de sensor probleemloos kan worden geplaatst. Het gesloten buiseinde wordt ca. 10 mm onder de bovenkant van de dekvloer gefixeerd. Zie fig. 97 voor een legvoorbeeld. Opmerking: De beschermbuis moet voor het aanbrengen van de dekvloer zorgvuldig worden gefixeerd. Dit kan met de penhaken art.nr worden uitgevoerd. Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan in een wandcontactdoos een aansluiting worden geplaatst of de kabel van de sensor (3 meter) kan verder worden getrokken. Legenda: 1 aansluitdoos 2 lege buis 3 REHAU-randisolatieband 4 vloerbedekking 5 dekvloer 6 REHAU warmte- en contactgeluidisolatie 7 betonvloer 8 vloertemperatuursensor 9 RAUTHERM S buis Stelaandrijving HK 1.1 Fig. 97: Montage van de vloertemperatuursensor 52

53 Technische gegevens Centrale regelaar ZR-HK Week-timer met automatische zomer- /wintertijdomschakeling Parameterset voor directe inbedrijfname, beveiliging via steekbare memorymodule Frontplaat met LC-display, toetsenbord en verzegelbare schuifschakelaar voor modus hand/automatisch/service Behuizing 144x96 mm conform DIN uit brandwerend, wit thermoplast Montage op de wand, in paneel of op DIN-rail Steeksokkel met schroefklemmen Kamerthermostaat ER-HK Elektronische kamerthermostaat voor verwarmen en koelen met schakelende uitgang Temperatuurinstelbereik C, schakelpunt 0,5 K Omschakeling bedrijfsstanden verwarmen/koelen en gereduceerd/normaal bedrijf via extern contact. Voedingsspanning 24 V AC Schakelvermogen (ohmse belasting zoals bijv. thermische stelaandrijving) van 8 A Behuizing 76 x 76 mm uit brandwerend, wit thermoplast (RAL 9010) Geschikt voor wandmontage of montage in een muurinbouwdoos Vocht-/temperatuurmeetversterker MU-FT Capacitieve sensor met meetbereik % RV Temperatuurmeting, meetbereik C Uitgangssignalen V Behuizing 76x76 mm uit wit thermoplast Steeksokkel voor kabels 2x1,5 mm 2, voor directe wandmontage geschikt Voedingsspanning 24 V AC, ± 20%, Hz, opgenomen vermogen ca 0,8 VA Stelaandrijving HK Met standsignalering Bij uitlevering is de aandrijving spanningsloos gesloten Overgang naar spanningsloos geopend is door verwijderen van een brug mogelijk Veerkracht 105 N Looptijd 3 min, slag 3 mm Bevestiging op het zoneventiel met wartelmoer M 30 x 1,5 Passend op de Verwarmingsverdeler HKV en HKV-D Adapter voor verschillende ventielen leverbaar Voedingsspanning 24 V AC Stroomverbruik bij inschakelen maximaal 250 ma Toevoertemperatuursensor F-VT Nikkel-dunnelaagsensor conform DIN sensor gegoten in messing huls Ø 6mm, 50 mm lang Meetbereik 20 C C Aansluitkabel 2x0,5 mm 2, 1 m Beschermingsklasse IP 55 conform EN met beugel en spanband voor bevestiging op buis Vloertemperatuursensor F-BT Technische gegevens als F-VT, echter kabellengte 3 m Buitentemperatuursensor F-AT Nikkel-dunnelaagsensor conform DIN Meetbereik 50 C C Kabeldoorvoer aan achterzijde of aan onderkant voor kabelwartel Pg 11 Beschermingsklasse IP 42 conform EN Doorgangsventiel DV 20 DN 20, kvs 4,5 m 3 /h, pmax = 1,5 bar DV 25 DN 25, kvs 5,5 m 3 /h, pmax = 1,0 bar DV 32 DN 32, kvs 10,0 m 3 /h, pmax = 3,5 bar Gemeenschappelijke technische gegevens: Ventielhuis uit rood koper met schroefdraadaansluiting, spindel uit RVS met zachtafdichtende klep, stopbus met dubbele O-ringafdichting Nom. druk PN 16 Lek-rate 0,0001 % van kvs Ventielslag 4 mm De doorgangsventielen worden compleet met thermische stelaandrijving en passen schroefdraadset, wartelmoer en afdichting geleverd. Stelaandrijving voor doorgangsventielen Met standsignalering Looptijd 3 min, slag 4,5 mm, veerkracht N = 125 N Voedingsspanning 24 VAC ±20%, opgenomen vermogen tijdens bedrijf 3 W Inschakelvermogen 6 VA Inschakelstroom 250 ma Overgang naar spanningsloos geopend is door verwijderen van een brug mogelijk Huis uit kunststof, wit Driewegventielen MV 15 DN 15, kvs 2,5 m3/h MV 20 DN 20, kvs 5,0 m3/h MV 25 DN 25, kvs 6,5 m3/h Gemeenschappelijke technische gegevens: Ventielhuis uit rood koper met buitendraad, ventielhuis vernikkeld, spindel uit RVS met zachtafdichtende klep, stopbus met dubbele O-ringafdichting, nom. druk PN 16 Levering compleet met constante ventielaandrijving en passende schroefdraadset, wartelmoer en afdichting. MV 25 : Ventielhuis niet vernikkeld. Stelaandrijving voor driewegventiel: Geïntegreerde LED voor controle van de bedrijfstoestand Looptijd 60 s, slag 4,5 mm, schuifkracht 120 N Bedrijfsspanning 24 V DC/AC, opgenomen vermogen 5 VA Behuizing kunststof, lichtgrijs Aansluitkabel 1,5 m beschermingsgraad IP 40 (EN 60529) Regelverdeler RV-HK Voor de aansluiting van max. 6 REHAUkamerthermostaten ER-HK en 12 stelaandrijvingen HK Stuuringangen voor omschakeling verwarmen/koelen (C/O) en reduceren (N/R) Aansluitmogelijkheid voor regelaars in verwarmings-/koelbedrijf en in zuiver verwarmingsbedrijf Overspanningsbeveiliging via varistor. Voor wandmontage Geïntegreerde zekering 4A Aansluitklemmen voor max. 1,5 mm 2 Flexibel, 2,5 mm 2 star Voedingsspanning 24 V 50/60 Hz Toel. omgevingstemperatuur C Beschermingsklasse IP 20 Afmetingen BxHxD: 390x88x38 mm Afstandsbediening HK Voor afstandsbediening van de regelaar ZR-HK: Voorinstelling bedrijfsstand verwarmen/koelen/ automaat/uit Omschakeling tussen aanwezigheid/afwezigheid, correctie setpoint. Aanwijzing bedrijfsstand, aanwezig/afwezig, tijd en buitentemperatuur. Aansluiting op centrale regelaar ZR-HK via maximaal 15 m lange verbindingskabel 4 x 0,5 mm. Dauwpuntbewaking TPW Ter bescherming tegen condens. Bevestiging met spanband op buis Ø mm. Omschakelcontact 1A, 24 V (aanspreken bij 95% ± 4%) en uitgangssignaal V voor 70% % RV. Behuizing uit lichtgrijs, brandwerend thermoplast met verend gelagerde dauwpuntsensor. Aansluitkabel met PG-wartel, lengte 1,5 m, 5 x 0,5 mm2 53

54 1.1.5 Warmtetechnische beproevingen Alle REHAU-vloerverwarmingssystemen zijn conform DIN EN 1264 warmtetechnisch beproefd en gecertificeerd. De registratienummers zijn in de tabel genoemd. Systeem Bij het ontwerpen en monteren van de REHAU-vloerverwarmingssystemen moeten de voorschriften uit DIN EN 1264, deel 4, worden aangehouden. Registratienummer Buisdraagmatten 7 F 025 RAUFIX-rail 7 F 026 Tackerplaat 7 F 027 Noppenplaat vario 7 F 092 Droogsysteem 7 F 106 Systemplatte TS 7 F 152 beproefd REHAU-buisdraagmatten (RTM) met draaiclip Ter bevestiging van de RAUTHERM S-buis REHAU-RAUFIX-rail als buisdraagelement met RAUTHERM S-buis 1. Binnenpleister 2. Plint 3. Randisolatieband 4. Natuur- of kunststeenplaten 5. Mortelbed 6. Dekvloer conform DIN RAUTHERM S-buis 8. REHAU-draaiclip uit PP 9. REHAU-buisdraagmatten RM100 uit verzinkt staaldraad 10 Afdekfolie conform DIN 18560, PE-folie of bitumenpapier 11. Warmte- en contactgeluiddemping 12 Vochtafsluiting (conform DIN 18195) 13. Ruwe vloer 14. Aarde 1. Binnenpleister 2. Plint 3. Randisolatieband 4. Natuur- of kunststeenplaten 5. Mortelbed 6. Dekvloer conform DIN RAUTHERM S-buis 8. RAUFIX-rail uit PP 9 Afdekfolie conform DIN 18560, PE-folie of bitumenpapier 10. Warmte- en contactgeluiddemping 11 Vochtafsluiting (conform DIN 18195) 12. Ruwe vloer 13. Aarde 1.1 Fig. 99: Doorsnede REHAU vloerverwarmingssysteem buisdraagmatten 1.1 Fig. 100: Doorsnede REHAU systeem RAUFIX REHAU-tackerplaat (gecombineerde warmte- en contactgeluidisolatie) met tackerkram voor bevestiging van de RAUTHERM S-buis 1. Binnenpleister 2. Plint 3. Randisolatieband 4. Natuur- of kunststeenplaten 5. Mortelbed 6. Dekvloer conform DIN RAUTHERM S-buis 8. Tackerkram uit polyamide 9 Afdekfolie conform DIN 18560, PE-folie 10 Warmte- en contactgeluiddemping, PE-folie opgebracht 11 Vochtafsluiting (conform DIN 18195) 12. Ruwe vloer 13. Aarde REHAU-noppenplaat Vario met RAUTHERM S-buis 1. Binnenpleister 2. Plint 3. Randisolatieband 4. Natuur- of kunststeenplaten 5. Mortelbed 6. Dekvloer conform DIN RAUTHERM S-buis 8. Folierand van de randisolatieband 9. Noppenplaat vario 10. Warmte- en contactgeluiddemping 11 Vochtafsluiting (conform DIN 18195) 12. Ruwe vloer 13. Aarde 1.1 Fig. 101: Doorsnede REHAU vloerverwarmingssysteem tackerplaat 1.1 Fig. 102: Doorsnede REHAU-systeem noppenplaat vario 54

55 beproefd REHAU-droogsysteem met RAUTHERM S-buis 1. Binnenpleister 2. Plint 3. Randisolatieband 4. Natuur- of kunststeenplaten 5. Mortelbed 6. Droge dekvloer 7. Warmtegeleidingsplaat, op pos. 9 gefixeerd 8. RAUTHERM S-buis 9. REHAU legplaat uit polystyrolschuim PS 10. Warmte- en contactgeluiddemping 11 Vochtafsluiting (conform DIN 18195) 12. Ruwe vloer 13. Aarde 1.1 Fig. 103: Doorsnede REHAU droogsysteem REHAU-systeemplaat TS met ingelegde RAUTHERM-S-buis 1. Binnenpleister 2. Plint 3. Randisolatieband 4. Natuur- of kunststeenplaten 5. Mortelbed 6. Droge dekvloer 7. Warmtegeleidingsplaat, op pos. 9 gefixeerd 8. RAUTHERM S-buis 9. REHAU legplaat uit polystyrolschuim PS 10. Warmte- en contactgeluiddemping 11 Vochtafsluiting (conform DIN 18195) 12. Ruwe vloer 13. Aarde 2.1 Fig. 114: REHAU-systeemplaat TS van polystyrolschuim PS 55

56 Notities: 56

57 1.2 Projectering Uitgangspunten De ontwerper heeft voor een concreet ontwerp van een project duidelijke specificaties nodig over het soort project en de uitvoering en uitrusting daarvan. Nodig zijn bouwtekeningen, bouwbeschrijvingen en informatie over het project, die een vakkundig ontwerp mogelijk maken, waardoor vragen achteraf zoveel mogelijk worden vermeden. Zuivere warmtebehoefte Voor de configuratie van de REHAU-vloerverwarming. speelt de zuivere warmtebehoefte Q ber een belangrijke rol. Deze resulteert uit de nominale warmtebehoefte Q N. minus. de berekende warmteverliezen Q Fb door de vloer.... Q ber = Q N - Q Fb. Q N = warmtebehoefte conf. DIN 4701 in W. Q Fb = warmteverliezen door de vloer in W. Q ber = zuivere warmtebehoefte in W Warmtewinst van de vloer Wanneer huizen met meerdere verdiepingen zijn uitgevoerd met vloerverwarming, dan kan tevens rekening worden gehouden met de warmte-opbrengst van de tussenvloer voor de daaronder gelegen ruimten. Specifieke warmtebehoefte Deze staat per opp.-eenheid (m 2 ) voor de noodzakelijke, zuivere warmtehoeveelheid, betrokken op de warmte-afgifte van de verwarmingsoppervlakken naar boven... q zui = Q ber. q zui A vl = specifieke, zuivere warmtebehoefte in W/m 2 A vl = vloeroppervlak in m 2 Deze waarde vormt het uitgangspunt voor de verdere configuratie van de REHAU-vloerverwarming. Oppervlaktetemperatuur Conform DIN EN 1264 mogen vanwege fysiologische redenen de volgende maximale vloeroppervlaktetemperaturen niet worden overschreden: Verblijfzone: ϑ Fb, max = 29 C Randzone: ϑ Fb, max = 35 C Door deze beperking is het warmtevermogen van de vloerverwarming begrensd. Bij het vastleggen van de warmtestromingsdichtheid wordt altijd een gemiddelde oppervlaktetemperatuur opgegeven. Golving Ook de positie van de verwarmingsbuis heeft invloed op het warmtevermogen. Afhankelijk van de positie van de verwarmingsbuis wordt de warmtegeleidingsweerstand veranderd. Daardoor wordt de oppervlaktetemperatuur van de vloer boven de verwarmingsbuis groter dan tussen de verwarmingsbuizen. Er ontstaat een zogenaamde golving. Deze golving is sterk afhankelijk van de legafstand en moet zo gering mogelijk worden gehouden. De golving (W) wordt conform DIN EN 1264 gedefinieerd als: ϑ Fmax - ϑ Fmin 1.2 Fig. 1: Golving Overtemp. verwarmingsmiddel ϑ H De overtemperatuur van het verwarmingsmiddel wordt afhankelijk van de legafstand voor de afdekking van de noodzakelijke warmtebehoefte bepaald. Deze wordt volgens de volgende formule bepaald: ϑ ϑ H = v - ϑ R + ϑ ϑ i v - ϑ ln i ϑ R - ϑ i Warmte-afgifte vloeroppervlak In principe geldt, dat de warmte-afgifte van het vloeroppervlak is samengesteld uit aandelen warmtestraling en convectie (warmtetransport door luchtstroming). Deze aandelen worden door de totale warmte-overgangscoëfficiënt α tot (in W/m 2 K) gedefinieerd, die als relatief constant kan worden beschouwd. Deze varieert in een gebied rond 11 W/m 2 K en is v.w.b. de grootte afhankelijk van meerdere factoren, in het bijzonder van: vloeroppervlaktetemperatuur binnenluchttemperatuur luchtsnelheid aan het vloeroppervlak (invloed ventilatiewarmte-behoefte) plaats, aantal en grootte van de vensters en buitenmuren type vloerbedekking (glad resp. ruw) hoogte ruimte. Hieruit kan de specifieke warmte-afgifte (q vl ) van de vloer als volgt worden afgeleid:. q Fb = α tot ϑ ü waarbij voor ϑü geldt: ϑ ü = ϑ Fb - ϑ i Hierbij betekent: α ges = totale warmteovergangscoëfficiënt in W/m 2 K ϑ Fb = temperatuur vloeroppervlak in C ϑ i = binnentemperatuur C ϑ ü = overtemperatuur in K. q Fb = specifieke warmte-afgifte van de vloer in W/m 2 Voorbeeld: warmte-afgifte van een vloerverwarmingsoppervlak bij een binnentemperatuur van 20 C en een gemiddelde vloeroppervlaktetemperatuur van 26 C. α tot kan voor dit geval als 11,1 W/m 2 K worden aangenomen. ϑ ü = 26 C - 20 C = 6K. q vl = 11,1 W/m2K x 6K. q vl = 66,6 W/m 2 Dat betekent, dat de warmte-afgifte zich op 66,6 W/m 2 instelt. Spreiding σ De spreiding σ tussen de aanvoer en retour wordt conform DIN EN 1264 voor de meest ongunstige ruimte op σ 5K vastgelegd. De spreiding van de overige ruimten, die met dezelfde ontwerptemperatuur worden geregeld, worden voor de berekening van de verwarmingsmiddelstroom bij σ ϑ H < 0,5 via de volende formule berekend: σ = σ 2 Vontw - ϑ Hj waarbij ϑhj de bij een bepaalde warmtestromingsdichtheid behorende verwarmingsmiddelovertemperatuur is, die via het capaciteitsdiagram kan worden bepaald. σ Bij > 0,5 geldt: ϑ H 4 ( ϑ σ j = 3 ϑ Hj 1+ Vontw - ϑ Hj ) [ -1 3 ϑ Hj ] Toevoerovertemperatuur De ontwerpovertemperatuur van het verwarmingsmiddel ϑh, ontw wordt bepaald door de ruimte met de grootste warmtestromingsdichtheid. Daarmee wordt ook de toevoertemperatuur voor de totale vloerverwarmingsinstallatie bepaald, die dan bij σ ϑ H 0,5 max ϑ ontw ϑ H,ontw + of bij σ > 0,5 ϑ H σ 2 ϑ Vontw = ϑ Hontw + σ + 2 mag liggen. Waarbij de ontwerptoevoertemperatuur ϑv uit de ontwerp toevoerovertemperatuur ϑ Vontw + nom. binnentemperatuur ϑ i resulteert. σ 2 12 ϑ Hontw 57

58 1.2.2 Drukverliesberekening De drukverliesberekening is bedoeld voor het bepalen van de grootte van de circulatiepomp. Daarbij wordt afhankelijk van Q VC. en van de gewenste temperatuurspreiding tussen de toevoer en retour de noodzakelijke massastroom (m) (doorstroomhoeveel-. heid verwarmingswater) volgens de volgende formule bepaald:.. A F q R m H = 1 + o ϑ i - ϑ u + σ c R. w ( q R u u ) waarbij 1 S ü 1 m 2 K R o = + R λ,b + met = 0,093 α λ ü α W R u = R λ,de + R λ,vloer + R λ,pleister + R α,vloer m 2 K met R α,vloer = 0,170 W De spec. warmtecapaciteit van het verwarmingswater c w wordt daarbij op 1,163 Wh/kgK gesteld.. In de drukverliesberekening moet voor Q het totale, benodigde warmtevermogen worden gebruikt, die in totaal aan het verwarmingscircuit moet worden toegevoerd, om alle afgegeven warmtevermogens. te kunnen afdekken (Q VC in W): Warmte-afgifte van het verwarmingsregister. naar boven. Q o,t in W + Warmte-afgifte van het verwarmingsregister. naar onderen: Q u in W + Warmte-afgifte van de aansluitleidingen van. het verwarmingsregister: Q A,VR in W - Warmte-afgifte doorgaande aansluitleidingen:. Q A,d in W = Totale warmtetoevoer voor een verwarmingscircuit:. Q VC in W De totale toe te voeren warmtehoeveelheid voor een verwarmingscircuit wordt door de volgende factoren beïnvloed resp. begrensd: 1) de max. toelaatbare oppervlaktetemperatuur conform de norm 2) de toegepaste vloerbedekking (warmtegeleidingsweerstand) max. R λ,b = 0,15 m 2 K/W 3) de maximaal realiseerbare toevoertemperatuur van de warmteopwekking (bijv. bij een warmtepomp) 4) het maximaal mogelijk drukverlies m.b.t. de circulatiepomp Berekeningsvoorbeeld Q. ot = 1133 W Q. u = 170 W Q. A,VR = 70 W Q A,d = 0 W. Q VC = 1373 W σ = 10 K.. m HK = Q HK 0,86 HK /(ϑ v - ϑ R ) m VC = 118 l/h m VC = 0,033 l/s De buiswrijvingsweerstand bij gegeven massastroom van 0,033 l/s is: R = 0,9 mbar/m Bij een totale lengte van het verwarmingscircuit van 95 m resulteert een drukverlies van: P buis = l HK R P buis = 0,9 mbar/m* 95 m = 85,5 mbar Het totale drukverlies van een verwarmingscircuit mag niet groter worden dan 300 mbar. Bovendien mag de watersnelheid in de buis niet willekeurig groot zijn (ruisproblemen). Als richtwaarden gelden hier: Woningbouw: V = 0,5 m/s Industriële bouw: V = 0,7 m/s Drukverliesinregeling Omdat de afzonderlijke verwarmingscircuits onderling verschillende totale drukverliezen kunnen hebben, moet om een gelijkmatige warmteverdeling te realiseren, een drukverliesinregeling worden uitgevoerd. De inregeling wordt met de fijnregelkranen uitgevoerd. In de drukverliesberekening worden kraanvoorinstellingen bepaald, die weer de verschillende drukverschillen van de verwarmingscircuit compenseren. Met behulp van het diagram worden de instelwaarden voor de voorinstelling van het fijnregelventiel van de vloerverwarmingsverdeler bepaald. Voorbeeld 1: Het meest ongunstige verwarmingscircuit heeft een totaal drukverlies van: p tot = p max = 150 mbar Het in te regelen verwarmingscircuit heeft een totaal drukverlies van: p tot = 110 mbar bij een volumestroom van. V = 100 l/h Het drukverschil tussen beide verwarmingscircuits, die moeten worden gesmoord, bedraagt: p dr = p max - p tot p dr = 150 mbar mbar p dr = 40 mbar = 4000 Pa Uit de drukverliesdiagrammen resulteert dan bij p dr = 40 mbar en een volumedoorstroming van V = 100 l/h een instelwaarde voor. het in te regelen verwarmingscircuit. 58

59 Berekeningsvoorbeeld: plattegrond met legschema Wonen Hal Bad Garderobe Ontwerpvoorbeeld Vloerbedekking wonen, garderobe: tapijt, bad, hal: plavuizen Gez. Gec. M 1:50 Datum Naam REHAU-VLV met RAUFIX-rail en RAUTHERM S 17 x 2,0 mm LEGSCHEMA Tel. nr. Art. nr. Tek. nr. A4 CAD 59

60 1.2.5 Ontwerp en configuratie met de berekeningsformulieren De berekeningsformulieren zijn in 4 delen onderverdeeld: BFB 1: Project-dataregistratie en zuiver oppervlakafhankelijke materiaalbepaling. BFB 2a: Project-verwarmingsoppervlakberekening en materiaalbepaling voor de kamerthermostaten RAUMATIC M. BFB 2b: Project-verwarmingsoppervlakberekening en materiaalbepaling afhankelijk van de geplande legafstanden. BFB 3: Drukverliesberekening en dimensionering van de circulatiepomp. Berekeningsformulier 1: Project-dataregistratie Ruimtegegevens 1. Verdiepingsnr. Hier wordt het verdiepingsnummer ingevuld, die door de planning is bedoeld resp. die vanuit de warmtebehoefteberekening al gegeven is. 2. Ruimtenr. Hier wordt het ruimtenummer ingevuld, die door de planning is bedoeld resp. die vanuit de warmtebehoefteberekening al gegeven is. 3. Ruimtenaam Ook hier wordt de al aanwezige ruimtenaam overgenomen, resp., indien nodig, een aanvullende identificatie gegeven. 4. Ruimte-oppervlak A R Voor zover bekend, moet hier het ruimteoppervlak worden ingevuld, die al in de bouwtekening is opgegeven. Bij rechthoekige ruimten kan het product van lengte en breedte worden ingevuld of, indien een verdeling van de ruimte in deeloppervlakken nodig is, de afmetingen van de deeloppervlakken. Opbouw isolatielaag 5. Tegen Hier wordt een bijbehorende letter ingevuld voor de ruimte resp. toestand die zich onder de te berekenen ruimte bevindt (bijv. kelder, aarde, buitenlucht). Zie daarvoor de voetnoot 1 op berekeningsformulier 1). 6./7. REHAU-afkorting Hier worden de met isolatiemateriaal uit te voeren oppervlakken ingevuld, meestal de ruimte-oppervlakken. Daarvoor staan twee kolommen ter beschikking. Wanneer bij een project resp. voor de betreffende etage (bij meer etages per etage separate formulieren gebruiken) meer dan twee verschillende isolatiemateriaalconstructies gepland, dan kan door klein te schrijven een kolom voor twee isolatiemateriaaltypen worden gebruikt resp. een eventueel niet nodige, lege kolom, op deze pagina worden gebruikt. De afkortingen van de gebruikte isolatiematerialen worden in de kop van de kolom ingevuld, niet gebruikt isolatiemateriaaltypen kunnen worden doorgestreept. De sleutel voor de materiaalbepaling (uit welke isolatieplaten moet de betreffende isolatielaag worden opgebouwd?) komt overeen met de specificaties in de TI. 8. Dikte d D Invullen van de dikte van de gebruikt systeemisolatie conform de TI. 9. Warmtegeleidingsweerstand In deze kolom kan de warmtegeleidingsweerstand R WD (m 2 K/W) van de gekozen systeemisolatie conform de TI worden ingevuld. 10. Ondertemperatuur υ u In deze kolom wordt de temperatuur υ u van de onder aangrenzende ruimte, de aangrenzende aarde resp. de aangrenzende buitenlucht worden ingevuld. In de praktijk maakt men onderscheid tussen warmtestromen van de verwarmde vloer naar beneden toe als volgt: 1) Ruimten met gelijksoortig gebruik 2) Ruimten met niet gelijksoortig gebruik 3) Niet verwarmde ruimten 4) Aarde 5) Buitenlucht Voor de berekening van de ruimte gelden de aan de wamtebehoefteberekening ten grondslag liggende waarden voor de binnenlucht-, aarde- resp. buitenluchttemperatuur, betrokken op de juist berekende ruimte. Belastingsverdelingslaag 11. Type Hier wordt de toegepaste belastingsverdelingslaag ingevuld, bijv. cement- of estrikgips (vloeidekvloer). Standaard ZE2O (DIN 18560) 12. Dikte d L Hier kan de dikte van de toegepaste belastingsverdelingslaag(en) worden ingevuld. Minimale overlap conform DIN aanhouden. 13. Warmtegeleidingscoëfficiënt λ L Bij speciale dekvloeren met een andere warmtegeleidingscoëfficiënt dan λ= 1,2 W/m K moet de werkelijke waarde voor λ L hier worden genoteerd (voor omrekening van de warmte-afgifte). Vloerbedekking 14. Type Nadere beschrijving van de vloerbedekking in tekst, bijv. tapijt, plavuizen, parket, e.d. 15. Dikte d B Dikte van de vloerbedekking conform specificaties van de leverancier. 16. Warmtegeleidingsweerstand Hier wordt voor de dimensioneren van de vloerverwarming voor verblijfsruimten conform DIN EN 1264 met een norm vloerbedekking van 0,10 m 2 K/W gerekend. Voor baden geldt Rλ B = 0 m 2 K/W. Waarbij ruimten met hogere warmtegeleidingsweerstanden tot max. Rλ B = 0,15 m K/W afzonderlijke kunnen worden overeengekomen. Hoogte 17. Totale opbouwhoogte Deze kolom bevat de som van isolatie-, belastingsverdelings- en vloerbedekkingslaagdikte: d tot = d D + d L + d B 60

61 Vloerverwarming Opzichter / Project: Voorbeeldberekening Verantwoordelijke: Tel.: Datum: Berekeningsformulier 1: Project-dataregistratie Planning voor: RTM NPx RF Tackers NP vario 1 4 Bladnr. van Ruimtegegevens Opbouw isolatielaag Belastingsverdelingslaag Vloerbedekking Hoogte Ver- Ruimte- Ruimte- Ruimte- Tegen REHAU- Dikte Warmte- Onder- Type Dikte Warmte- Type Dikte Warmte- Todiep. nr. naam opp. afkorting gel. tempe- gel. gel. tale nr. 5) weer- ratuur coëff. weer- optype stand stand bouw- D 1/2/3/4 hoogte 3) Standaard Stan- Standaard daard 67 1,20 ZE20 D 2 D Opzichter / Bouwtek. 1) TI 2) TI TI TI Opzichter Opzichter 4) Lev. Leverancier Naam A R d D R WD ϑ λζ Naam d L λ L Naam d B R λb d tot m 2 m 2 m 2 mm m 2 K/W C mm W/mK mm m 2 K/W mm 1 1 Wonen 31,7 W 31,7 50 1,25 15 ZE ,2 Tapijt 8 0, Garderobe 3,3 W 3,3 50 1,25 15 ZE ,2 Tapijt 8 0, Hal 4,6 W 4,6 50 1,25 15 ZE ,2 Plavuizen 10 0, Bad 4,8 W 4,8 50 1,25 15 ZE ,2 Plavuizen 10 0, ,4 44,4 x 1 = m 2 noppenplaat vario met PST 17-2 x 1 = m 2 Noppenplaat vario 1) W = Woning K = Kelder E = Aarde A = Buitenlucht x 0,05 = kg Kunststof-vezels voor minimale opbouwhoogte x 0,69 = kg Dekvloercomponent Mini voor minimale opbouwhoogte x 1 = m 2 Tackerplaat, type Materiaalbepaling deel 1 2) TI = Technische Informatie REHAU-vloerverwarming 3) Separate kolommen voor verschillende typen gebruiken (materiaalbepaling) 4) Let op min. dikte 5) Afkorting conform TI niet gebruikte doorstrepen 6) Zie TI, tabel over opbouw Invulinstructies (Dtypen en de bijbehorende isolatieplaten) vindt u in de TI 2). x 1 = m 2 Tackerplaat, type x 1 = m 2 PSTK 20-2 mm PSTK 30-2 mm 44,4 m 2 x 1 = m 2 PSTK mm m 2 x 1 = m 2 PUR 45 mm PUR 55 mm m 2 x 1 = m 2 44,4 m 2 x = m Plakband x 1,1 = 48,8 m 2 Afdekfolie PE 0,2 mm (alleen voor RM en RF) x 1,1 = 48,8 m randisolatieband uit kol. 12 in cm x 0,035 = 1,554 kg Dekvloeradditief per cm x d L = 10,4 kg totaal 61

62 Berekeningsformulier 2: Project berekening verwarmingsoppervlak Warmtebehoefte 18. Ruimtenr. Als kolom Ruimtetemperatuur υ i Hier worden de norm. binnentemperaturen, die ook al zijn gebruikt voor de wamtebehoefteberekening, ingevuld, of, afhankelijk van de afspraken, daarvan afwijkende temperaturen, bijv. bij een beperkte verwarming. Voor deze temperaturen moet dan echter wel de betreffende warmtebehoefte bekend zijn, die dan als basis voor de verdere dimensionering dient. 20. Ruimte-oppervlak, belegbaar De belegbare ruimtemaat resulteert uit de ruimte-afmetingen minus de maten voor doorlopende leidingen vanuit andere ruimten. Hier moet minimaal (afhankelijk van de gewenste legafstand VA) rekening worden gehouden met 5 cm per leiding. Ook geprojecteerde vaste ingebouwde onderdelen (kasten enz.), sanitaire voorzieningen (WC, badkuip, douche) en trappen in ruimten kunnen ervoor zorgen, dat de belegbare ruimtemaat kleiner wordt dan de eigenlijke ruimtemaat Nom. warmtebehoefte Q N De warmtebehoefte conform DIN 4701 geldt. 22. Warmtestroom. door vloer Q vl Warmteverlies van de vloer overeenkomstig de berekeningen conform DIN Bruikbare externe. warmtecapaciteit Q F Bij aanwezige aanvullende warmtebronnen, zoals bijv. convectoren, radiatoren e.d., kan het daarbij behorende warmtevermogen voor de betreffende ruimten worden ingevuld. Daardoor neemt het door de vloerverwarming in deze ruimte op te brengen verwarmingsvermogen af. 24. Zuivere warmtebehoefte Q zui Omdat bij de vloerverwarming het warmteverlies door de vloer en de bruikbare externe warmtecapaciteit van de nom. warmtebehoefte Q N kunnen worden afgetrokken, resulteert de volgende vergelijking:.... Q zui = Q N Q vl Q F 25. Benodigde, specifieke capaciteit q o Deze waarde is het uitgangspunt voor de verdere planning, en resulteert uit de verhouding tussen de zuivere warmtebehoefte. Qzui en het belegbare ruimte-oppervlak A b:. Q q o = zui A b Warmtetechnische gegevens 26. Werkelijke specifieke. capaciteit q o,t De werkelijke, specifieke capaciteit moet overeenkomen met de noodzakelijke specifieke capaciteit (kolom 25), wanneer een ruimte met één resp. meerdere even grote verwarmingscircuits is uitgerust. De capaciteit kan worden afgelezen uit de capaciteitstabellen of het capaciteitsdiagram. Bij ruimten met randzones en verblijfoppervlakken resulteren voor de randzones (hogere oppervlaktetemperatuur) grotere specifieke capaciteiten dan voor de verblijfoppervlakken. Zo ontstaat een overeenkomstige verdeling van de warmtebehoefte. 27. Vloertemperatuur υ Fb De vloertemperatuur wordt bepaald aan de hand van het capaciteitsdiagram. Op dezelfde hoogte als de noodzakelijk, specifieke. capaciteit q o (kolom 25) kan aan de rechterzijde van het diagram de vloerovertemperatuur (υ vl υ i ) van de ruimte worden afgelezen. Er geldt dan voor υ vl : υ vl = (υ vl υ i ) + υ i Benodigde toevoertemperatuur υ v Benodigde gemiddelde Verwarmingswatertemperatuur υ Hm Er moet op worden gelet, dat de volgorde van behandeling van deze beide kolommen afhankelijke van de gegevens voor planning verschillend kan zijn. Zo kan bijvoorbeeld de ter beschikking staande, maximale toevoertemperatuur bij warmtepompbedrijf begrensd (relatief laag) zijn. Deze kan als uitgangspunt in kolom 28 worden ingevuld en de noodzakelijke gemiddelde verwarmingswatertemperatuur (kolom 29) kan zo worden aangepast (legafstanden), dat het voor de betreffende ruimte af te geven warmtevermogen voldoende is. Zo is vooraf uitgesloten, dat bij de berekening hogere toevoertemperaturen kunnen resulteren, dan de warmtepomp (efficiënt) kan leveren. Wanneer echter geen beperking aanwezig is, begint de berekening met de bepaling van de noodzakelijke gemiddelde verwarmingswatertemperatuur van de afzonderlijke verwarmingscircuits. De resultaten worden bepaald door het aan de ruimte af te geven, specifieke verwarmingsvermogen afhankelijk van de gekozen vloerbedekking en de legafstand. 30. Spreiding σ De spreiding σ tussen toevoer en retour wordt conform DIN EN 1264 voor de meest ongunstige ruimte op σ 5K gedefinieerd. De spreidingen van de overige ruimten die met dezelfde ontwerptoevoertemperatuur worden gevoed, worden voor de berekening van de verwarmingsmiddelstroom bij σ υ H < 0,5 via de volende formule berekend: σ = υ VAusi υ 2 Hj waarbij υ Hj de bij een bepaalde warmtestromingsdichtheid behorende verwarmingsmiddelovertemperatuur is, die via het diagram kan worden bepaald. σ i Bij ³υ > 0,5 geldt: H 4 ( υ V.Ausi - υ 1 + H.j) 1 σ i = 3 υ H,j 3 υ H.J [ ] Belegde oppervlakken, randzones/verblijfoppervlakken Hier kunnen de geplande, ter beschikking staande, totale oppervlakken voor randzones/verblijfoppervlakken worden ingevuld. De exacte verdeling van de verwarmingscircuits, afhankelijk van de max. toegestane volumedoorstroming resp. het daarvan afhankelijke max. drukverlies ( Pa bij woningbouw) wordt in de kolommen opgenomen. 62

63 Vloerverwarming Opzichter / Project: Voorbeeldberekening Verantwoordelijke: Tel.: Datum: Berekeningsformulier 2 a: Project-verwarmingsoppervlakberekening 2 4 Bladnr. v. Planning voor: RTM NPx RF Tackers NP vario Max. toevoertemp. ϑ v1 38 max = C Warmtebehoefte Warmtetechnische gegevens Ruimte- Ruimte- Ruimte- Nom. Warmte- Bruikbare Zuivere Nood- Wer- Vloer- Nood- Nood- Tempe- Belegd nr. tempe- opp. warmte- stroom zakelijke kelijke tem- zakelijke zakelijke ratuur- oppervlak ratuur behoefte extern warmte- tempe- spreibeleg- door warmte- behoefte spec. capa- ratuur toevoer- gem. ding baar vermogen citeit tempevloer capa- ratuur verw.- citeit watertemperatuur Rand- Verblijfzone oppervlak RZ VF RZ VF Wamtebehoefteberekening Opzichter ( ) Kol. (24:20) TI: tabellen, diagrammen Kol.(28-29)x2 Bouwtek.: (³pmax aanh.) 1) ϑ i A b Q N Q Fb Q F Q ber q o q ot ϑ Fb ϑ v ϑ Hm σ A RZ A VF C m 2 W W W W W/m 2 W/m 2 C C C K m 2 m , , , , , , , ,4 7 14, , , ,4 27,4 22, , , , , ,5 5 3,1 41, ,7 ϑ v1 max. RAUMATIC M Kamerregeling. Betr. keuze en samenstelling van de componenten volgens TI. Materiaalbepaling deel 2 Bij de uitrusting van een ruimte met meerdere verwarmingsregisters is in de regel één kamerthermostaat voldoende per ruimte resp. ruimtezone. Bij zeer grote ruimten kunnen ook meerdere kamerthermostaten per ruimte worden toegepast (vorming van ruimtezones). 1) Voor bepaling van de 1)grootte verwarmingsregister St. St. St. St. St. St. REHAU-systeemsokkel REHAU-kamerthermostaat REHAU-stelaandrijving REHAU-regelverdeler REHAU-timer-module REHAU-pomp-/ vermogensmodule 63

64 Berekeningsformulier 2b: Project berekening verwarmingsoppervlak 33. Verwarmingscircuitnr. Het verwarmingscircuitnummer hoeft niet hetzelfde te zijn als het ruimtenummer, omdat een ruimte ook twee of meerdere verwarmingscircuits kan bevatten. De nummering van het verwarmingscircuit in het legschema volgt vanuit de verwarmingsverdeler links- of rechtsom en wordt van hieruit overgenomen in het berekeningsformulier Verwarmingsregisteroppervlak A HR Hier worden de verwarmingsregisteroppervlakken in de afzonderlijke ruimten ingevuld. Opgelet: Omdat ook vanuit deze kolommen materiaalhoeveelheden worden bepaald, moet het betreffende verwarmingsregisteroppervlak in de kolom met de geplande legafstand worden ingevuld. Ieder verwarmingsregister krijgt een eigen regel, omdat afhankelijk van het verwarmingsregisteroppervlak de werkelijke capaciteiten (kolom 41) afzonderlijk per verwarmingsregister worden bepaald. 40. Aantal verwarmingsregisters Hier wordt voor iedere ruimte het aantal verwarmingsregisters opgegeven. Deze opgave is voor de materiaalbepaling noodzakelijk, om het aantal verwarmingscircuits voor de verdeler te bepalen. 41. Werkelijke specifieke. capaciteit q o,t De werkelijke, specifieke capaciteit moet overeenkomen met de noodzakelijke specifieke capaciteit (kolom 25), wanneer een ruimte met één resp. meerdere even grote verwarmingscircuits is uitgerust. Zie kolom Werkelijke totale capaciteit Kolom 42 is het product uit werkelijke, specifieke capaciteit en het verwarmingsregisteroppervlak:... Q o,t = q o,t x A HR l HR = l HR + l A,HR l A,d Deze moet normaal gesproken overeenkomen met de zuivere warmtebehoefte of daarboven liggen. Leidinglengten 43. Aansluitleidingen/ verwarmingsregister l A,HR Hier moet vanuit het legschema voor ieder verwarmingscircuit de totale lengte van de aansluitleidingen (toevoer + retour) van de verwarmingsverdeler waarop het verwarmingscircuit is aangesloten tot aan het eigenlijke verwarmingsregister worden ingevuld. 44. Leidinglengten van de doorlopende aansluitleidingen l A,d Vanuit het legschema wordt hier voor iedere ruimte de totale lengte van de aansluitleidingen ingevuld (toevoer + retour), die naar andere verwarmingsregisters in dezelfde of in andere ruimten lopen. Er moet op worden gelet, dat met doorlopende aansluitleidingen, die naar andere verwarmingsregisters lopen, bij de geplande verwarmingsregisteroppervlakken rekening wordt gehouden. D.w.z. dat niet alle doorlopende aansluitleidingen in een ruimte met meerdere verwarmingsregisteroppervlakken aan één verwarmingsregister van de ruimte worden toegekend. Dit hangt echter van de geplande leidingroutes af en aan welke verwarmingsregisters de doorlopende leidingen worden toegekend. 45. Leidinglengte verwarmingsregister l HR Hier wordt het product l HR uit het betreffende verwarmingsregisteroppervlak A HR en de praktische leidingbehoefte (buishoeveelheid per m 2 ) l R * ingevuld (kolom van het berekeningsformulier): l HR = A HR x l R 46. Totale leidinglengte verwarmingscircuit l HK Deze wordt berekend uit: 47. Restwarmtecapaciteit Q R Hier kunnen overschotten of tekorten worden aangegeven. Overschot: De werkelijke capaciteit is groter dan de zuivere warmtebehoefte. Tekort: De werkelijke capaciteit is kleiner dan de warmtebehoefte, extra verwarmingsoppervlakken moeten worden toegepast (opnemen in kolom 23). 64

65 Vloerverwarming Opzichter / Project: Voorbeeldberekening Verantwoordelijke: Tel.: Datum: Berekeningsformulier 2 b: Project-verwarmingsoppervlakberekening Planning voor: RTM NPx RF Tackers NP vario 3 4 Bladnr. v Verwarmingsregister Capaciteit Leidinglengte Rest Verwarmingscircuitnr. Leidingbehoefte VA.. in cm m/m 2 Verwarmingsregisteroppervlak A HR RM, RF, TP NP 7,5 1,5 22, NP vario RM, RF, TP 20,00 10,00 6,67 5,00 3,33 - NP 13,33 6,67 4,44 3, NP vario 20,00 10,00 6,67 5,00 3,33 - Aantal Wer- Wer- Aansluit- Verw.- Verw.- Restke- ke- leidingen register circuit warmtelijke lijke vermogen De spec. totale verw.- door- totale + = tekort verw.- capa- register lopend lengte registers citeit capa- = overciteit schot RZ RZ RZ RZ RZ RZ RZ VF VF VF VF VF VF VF Max. drukverlies per verwarmingscircuit aanhouden kol. 34 t/m 39 TI diagr. Sp.41 A HR Bouwtek Bouwtek A HR IR Sp k A HR n HR q o, t Q o,t I A, HR I A, d I HR I HK Q R m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 W/m 2 W m m m m W 1a , b , c , geen vloerverwarming 3 4,6-27, geen VC 4 3,1 1 65, ,1 24 4, Materiaalbepaling deel 2b Vervolg op deel 2 a. VA 5 VA 7,5 VA 10 VA 15 VA 20 VA 25 VA 30 9,1 24 4,6, 37,7 x 1 = m verwarmingsbuis RAUTITAN flex mm x 1 = m verwarmingsbuis RAUTHERM S 14 x 1,5 mm x 1 = 234 m verwarmingsbuis RAUTHERM S 17 x 2,0 mm x 1 = m verwarmingsbuis RAUTHERM S 20 x 2,0 mm 1 St. Verwarmingsverdeler met 4 groepen St. Verwarmingsverdeler met groepen x 2 = St. Tackerkram x 2 = St. Draaiclip x 1 = m RAUFIX-klemrail voor buis 14 x 1 = 38 m RAUFIX-klemrail RF voor buis 16/17/20 x 2 = 76 St. Bevestigingskram voor RAUFIX-klemrail x 0,5 = St. Buisdraagmatten RM 100 x 2 = St. Matverbinder 65

66 Berekeningsformulier 3: Project-drukverliesberekening 48. Ruimtenr. Als kolom Ruimtenaam Als kolom Verdelernr. Hier wordt het nummer van de verwarmingsverdeler ingevuld, waarop het verwarmingsregister moet worden aangesloten. 51. Verwarmingscircuitnr. Het verwarmingscircuitnummer hoeft niet hetzelfde te zijn als het ruimtenummer, omdat een ruimte ook twee of meerdere verwarmingscircuits kan bevatten. De nummering van het verwarmingscircuit in het legschema volgt vanuit de verwarmingsverdeler links- of rechtsom en wordt van hieruit overgenomen in het berekeningsformulier. 52. Warmte-afgifte van het. verwarmingsregister naar boven Q o,t Als kolom Warmte-afgifte van het. verwarmingsregister naar beneden Q u,t De warmte-afgifte naar beneden, dus door de vloer, is met geen enkele vorm van isolatie geheel te voorkomen en bedraagt gemiddeld 15% van de warmte, die naar boven toe wordt afgegeven... Q u = 0,15 x Q o,t Wanneer diagrammen of tabellen voor de bepaling van Q u worden gebruikt, dan worden de bijbehorende waarden hier genoteerd. 54. Lengte aansluitleiding tot verwarmingsregister l A,HR Als kolom Warmte-afgifte aansluitleidingen/verwarmingsregister Q A Hier wordt de warmte-afgifte van de aansluitleidingen (toevoer en retour) van het betreffende verwarmingsregister vanaf de verwarmingsverdeler tot aan het eigenlijke verwarmingscircuitoppervlak genomen. Deze waarde verkrijgt men uit de aansluitleidinglengte (kolom 43); een gemiddelde warmte-afgifte van 10 Watt per meter buis wordt. als uitgangspunt gebruikt: Q A = 10 W/m x l A,HR 56. Warmte-afgifte aansluitleiding/doorlopend Q d. Net zoals in kolom 55 verkrijgt men de warmte-afgifte van de aansluitleidingen, die door de betreffende ruimte naar verwarmingsregisters in andere ruimten lopen, uit de leidinglengte. Daarmee vermindert het door de verwarmingsregisters in de betreffende ruimte af te geven verwarmingsvermogen. met deze waarde (zie kolom 57): Q d = 10 W/m x l A,d. 57. Totale warmtevermogen per verwarmingscircuit Q HK Deze wordt berekend uit:..... Q HK = Q o,t + Q u + Q A Q d Het totale warmtevermogen voor de REHAU-vloerverwarming wordt onderaan ingevuld... Q HK, tot = totaal van alle HK 58. Temperatuurspreiding σ Als kolom 30. Hydraulische gegevens 59. Werkelijke volumedoorstroming V t De voor de overdracht van het bepaalde verwarmingsvermogen voor een verwarmingsregister..(kolom 57) benodigde verwarmingswater-volumedoorstroming. kan rekenkundig. worden bepaald aan de hand van de volgende formule: V t = [(0,86 x Q HK ): σ] : 3600 V t in l/s Q HK in W Door optellen van deze waarden resulteert de door de circulatiepomp te transporteren verwarmingswater-volumedoorstroming van de installatie (zie kolom 59, onder). 60. R-waarde/verwarmingsbuis RAUTHERM S Hier wordt de buiswrijvingsweerstand R R ingevuld van de vloerverwarmingsbuis in mbar/m. Deze wordt via het drukverliesdiagram bepaald. 61. Totaal drukverlies van de verwarmingsbuis RAUTHERM S p R Door vermenigvuldiging met de totale lengte van het verwarmingscircuit (kolom 46) resulteert het totale drukverlies van de afzonderlijke verwarmingscircuits. p R = R R x l HK 62. Drukverlies retourkraan p RV Het drukverlies wordt bij de volumedoorstroming van het betreffende verwarmingscircuit m.b.v. het Drukverliesdiagram voor retourkranen bepaald en hier genoteerd. 63. Totale drukverlies/ referentiewaarde voor inregeling p tot Hier worden de totale drukverliezen van de verwarmingscircuits ingevuld. Het verwarmingscircuit met het grootste drukverlies wordt als uitgangspunt voor de pompdimensionering (kolom 63, onder) en voor de kraanvoorinstellingen op de verwarmingsverdeler (kolom 64, 65) gebruikt. p tot.v = p R + p Bij deze waarde moeten nog de drukverliezen van bijv. warmtegeneratoren, armaturen, inregelkranen en verbindingsleidingen worden opgeteld. 64. Te smoren drukverlies p dr Aan ieder verwarmingscircuit moet exact de verwarmingswaterhoeveelheid worden toegevoerd, die voor de afgifte van de noodzakelijke warmtehoeveelheid, bij de gegeven temperatuurspreiding, nodig is. De verwarmingscircuits moeten daarom via voorinstelling van de fijnregelkranen zodanig op elkaar worden afgestemd, dat in ieder circuit hetzelfde drukverlies wordt ingesteld. Daarvoor wordt het in kolom 63 bepaalde grootste drukverlies als referentiewaarde genomen. Het voor de overige verwarmingscircuits met betrekking tot het maximale drukverlies overblijvende drukverlies p dr moet in deze kolom worden ingevuld en via de fijnregelkraan worden gesmoord. p dr = p max,tot p tot 65. Kraanvoorinstelling op verwarmingsverdeler. Uitgaande van het drukverlies p dr wordt in het capaciteitsdiagram fijnregelkraan afhankelijk van de betreffende doorstroomhoeveelheid Vt(kolom 59) het benodigde aantal slagen van de kraan bepaald. Voor HKV-D wordt de voorinstelling via de berekende volumestroom op de retourkraan uitgevoerd. 66

67 Vloerverwarming Opzichter / Project: Voorbeeldberekening Verantwoordelijke: Tel.: Datum: Berekeningsformulier 3: Project-drukverliesberekening Planning voor: RTM NPx RF Tackers NP vario 4 4 Bladnr. v Drukverliezen Ruimte- Ruimte- Ver- Verw.- Warmte-afgifte Lengte Warmte-afgifte Totaal Tempe- Volunr. naam de- circuit- verw.-register aansluit- warmte- ratuur- meler nr. leidingen ver- sprei- stroom Verw.-buis Druk- Totaal Te nr. van de mogen ding RAUTHERM S verlies = smo- 17,2, van de referentie- ren mm VC- waarde Naar Naar Verw.- Door- kranen boven onder aan- regi- lo- R-waarde To- druksluit- ster pend taal voor verleiding Kol. (52+ druk- schil ver- 2) - 56 lies inre- (kol. 57 x 0,86) (kol ) geling Kraanvoorinstelling op verwarmingsverdeler Kol. 2 Als kol. 3 Planner Kol. 42 1) ) Diagr Diagr max-63 Diagr. Q o, t Q u I A, HR Q A Q d Q HK σ V t R R p R p RV p tot p dr E W W m W W W K l/s Pa/m Pa Pa Pa Pa 1 Wonen 1 1a , /2 1 1b , /4 1 1c , Garderobe - Geen vloerverwarming Hal - Geen eigen verwarmingscircuit Bad , /4 1) De werkelijke warmtestromen naar onderen kunnen via bijbehorende diagrammen/tabellen bepaald worden. Bij benadering kan Q u als 0,15 Q o, t worden aangenomen. 2) Voor het meest ongunstige verwarmingscircuit nog p VV (geopende toevoerkraan) optellen: Totaal warmtevermogen voor de REHAU-vloerverwarming Q tot 2074 W 0, Max. drukverlies p x max PA p tot max = p R + p vv + p rv 3) t = (t v, max - t Hm) 2 4) Alleen bij meerdere, parallel geschakeld verwarmingsverdelers (per verdeler één inregelkraan). Dimensionering van de circulatiepomp Drukverlies warmtegenerator + Pa Drukverlies armaturen + Pa Drukverlies inregelkraan, circuit 4) + Pa Drukverlies verbindingsleiding verdeler-warmtegenerator + Pa Drukverlies (overig) + Pa 0,076 Volumedoorstromingspomp l/s Drukverschil pomp = Pa Pomptoerental Pompkarakteristiek - diagram (leverancier) 67

68 1.2.6 Vermogensdiagram Het REHAU-vermogensdiagram is als combidiagram opgesteld. Bovenste deel: Relatie tussen het specifieke vermogen en de gemiddelde verwarmingswaterovertemperatuur. Onderste deel: Relatie tussen de legafstand en de vloerbedekking. Beide delen worden via de vloerverwarmings-systeemspecifieke constante (gemeenschappelijke x-as) verbonden. Verwarmingswater- (ϑ Hm ) en vloertemperaturen (ϑ vl ) zijn in relatie tot de binnentemperatuur ϑ i als zogenaamde vloerovertemperaturen ϑ vlo weergegeven. De grenscurven ϑ = 9K/ ϑ = 15 K staan voor de grenswaarden voor de toegestane vloerovertemperaturen. Met behulp van het vermogensdiagram kan een vloerverwarming volgens het specifieke vermogen en de gewenste verwarmingswatertemperatuur of de gewenste legafstand worden ontworpen. Belastingsdiagram Voorbeeld: In ons voorbeeld is de badkamer de ongunstigste ruimte, omdat vanwege het niet bruikbare oppervlak onder de badkuip het noodzakelijke specifieke vermogen groter is dan 100 W/m 2. Hier moet dus in iedere geval een extra statische verwarming worden ingepland. -> Circuit 1 C (Wonen) wordt daarom als maatgevend voor de toevoertemperatuurbepaling genomen. In het bovenste deel trekken wij een horizontale lijn bij 46 W/m 2 (zie waarde in kolom 25) vermogen en dan in het onderste deel bij de vloerbedekkingsweerstand R ϑ,b = 0,100 m 2 K/W. Vanuit het snijpunt met de gewenste legafstand VA20 trekken wij een loodrechte lijn tot aan het snijpunt met de 46 W/m 2 vermogenslijn in het bovenste deel. Op dit punt wordt de gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur ϑ vwo = 15K afgelezen. Bij een binnentemperatuur ϑ i = 20 C bedraagt de gemiddelde verwarmingswatertemperatuur ϑ Hm = 35 C. met een aangenomen spreiding in dit verwarmingscircuit van 6K ligt de toevoertemperatuur met 38 C vast. Uitgaande van het noodzakelijke verwarmingsvermogen en de warmtegeleidingsweerstand van de vloerbedekking probeert men door variëren van de legafstand voor de afzonderlijke verwarmingscircuits ongeveer gelijke verwarmingswatertemperaturen te realiseren. Met de bekende grootheden legafstand bekende vermogen, warmtegeleidingsweerstand, vastgelegde toevoertemperatuur kan uit het diagram de verwarmingswaterovertemperatuur worden afgelezen en daaruit de betreffende spreiding voor de overige verwarmingscircuits worden berekend. Voorbeeld badkamer: Bij de toevoertemperatuur van 38 C resulteert in de badkamer (σ = 5K) een nog af te dekken restwarmte van 130 W (radiator). Grenswaarde voor Grenswaarde voor Vloerovertemperatuur Specifieke belasting Gemiddelde heetwaterovertemperatuur 3,4 3 4 Warmtegeleidingsweerstand van vloerbedekking 1a,1b,1c Legafstand 1b,1c 1a 1.2 Fig. 2 68

69 1.2.7 Drukverliesdiagram voor buizen uit RAU-VPE Drukverlies R in Pa/m Drukverliesdiagram voor RAUTHERM S en universeel buis RAUTITAN flex Watertemperatuur 40 C Volumenstroom LEGENDA: RAUTHERM S-buis Universele buis RAUTITAN flex 1.2 Fig. 3: Drukverliesdiagram voor buis uit RAU-VPE 69

70 1.2.8 Doorstroomdiagram kraan retour - verwarmingsverdeler Ventiel terugloop HKV Drukverlies in mbar Volumestroom in l/h 1.2 Fig. 4 Doorstroomdiagram kraan retour - verwarmingsverdeler 70

71 1.2.9 Doorstroomdiagram voor fijnregelkraan - verwarmingsverdeler Aantal slagen instelsleutel Drukverlies Drukverlies Volumenstroom in 1.2 Fig. 5 Doorstroomdiagram voor fijnregelkraan - verwarmingsverdeler 71

72 Doorstroomdiagram voor fijnregelkraan en doorstroommeter - verwarmingsverdeler-d Doorstroommeter meetbereik Omwentelingen geopend Drukverlies Omwentelingen geopend Volumestroom 1.2 Fig. 6 Doorstroomdiagram voor fijnregelkraan en doorstroommeter - verwarmingsverdeler-d 72

73 Notities: 73

74 1.3 Wandverwarmingssystemen REHAU-wandverwarmingssystemen, behaaglijkheid vanuit de wand Met REHAU-wandverwarmingssystemen worden de wanden van de ruimten thermisch geactiveerd. Het gebruik van deze oppervlakken voor verwarmingsdoeleinden maakt veelzijdige systeemoplossingen in het lagetemperatuurbereik mogelijk. Voordelen van de REHAU-wandverwarmingssystemen Grote thermische behaaglijkheid Energiebesparend Milieuvriendelijk Geen stofopdwarreling Optisch aantrekkelijke ruimten zonder radiatoren Met lage oppervlaktetemperaturen en gelijkmatige temperatuurverdeling verwarmen de REHAU-wandverwarmingssystemen d.m.v. een behaaglijke stralingswarmte uit de wand. In tegenstelling tot statische verwarmingsoppervlakken wordt zo de stralingsbalans tussen mens en het ruimte-omsluitende oppervlak gerealiseerd en een optimale behaaglijkheid bereikt. Met REHAU-wandverwarmingssystemen ontstaat het behaaglijkheidsgevoel al bij duidelijk lagere temperaturen van de ruimtelucht. Deze kan daardoor 1 C à 2 C lager blijven. Dit maakt jaarlijkse energiebesparingen van 3% tot 6% mogelijk. Dankzij een hoog verwarmingsvermogen al bij lage toevoertemperaturen zijn REHAUwandverwarmingssystemen ideaal combineerbaar met gasketels, warmtepompen of zonnecollectoren. Dankzij het geringe convectieve warmteaandeel van de REHAU-wandverwarmingssystemen is er sprake van een minimale ruimteluchtcirculatie. Stofcirculatie behoort daardoor tot het verleden. Dankzij de lage temperatuurniveaus wordt bovendien het smeulen van stof voorkomen. X Dit is goed voor de ademwegen - niet alleen voor mensen met een allergie. Met het toepassen van de REHAU-wandverwarmingssystemen in combinatie met de REHAU-vloerverwarmings- en koelsystemen vervalt toepassen van statische verwarmingsoppervlakken. Hierdoor krijgt de gebruiker meer speelruimte bij het vormgeven van de ruimte. Er moeten wel vroegtijdig plaatsen voor kasten en rekken worden ingepland. Met deze gebieden, en ook met vlakken voor schilderijen, moet bij het plannen van REHAU-wandverwarmingssystemen rekening worden gehouden. Legschema's moeten worden opgesteld en de huistechnische planningsdocumentatie moet worden bijgevoegd. 1.3 Fig. 1: Behaaglijkheid en optimaal ruimteklimaat, het REHAU-wandverwarmingssysteem Wandoppervlaktetemperatuur C 1.3 Fig. 2: Behaaglijkheid en lage binnenluchttemperatuur, REHAU-wandverwarmingssystemen besparen energie Kamerhoogte in m Te koud Te warm Kamertemperatuur in C 1.3 Fig. 3: Vergelijking van de temperatuurprofielen van REHAU-wandverwarmingssystemen ➀, statische verwarmingselementen ➁ en de geïdealiseerde temperatuurverdeling ➂ 74

75 1.3.2 Toepassingsgebieden REHAU-wandverwarmingssystemen kunnen in praktisch alle type gebouwen en gebruiksterreinen worden toegepast. Als vollastverwarming of voor het afdekken van basis- of piekbelastingen, REHAU biedt met de REHAU-wandverwarming in natbouw het REHAU-klimaatelement systeem (hierna afgekort als KES) als wandverwarming in droogbouw voor iedere bouwtechnische situatie de optimale oplossing. 1.3 Fig. 4: Meer dan alleen behaaglijkheid, de REHAU-wandverwarming in natbouw Belangrijkste toepassingsgebieden van de REHAU-wandverwarming in natbouw Nieuwbouw en renovatie van woningen, afzonderlijk of in combinatie met de REHAU-vloerverwarmings- en koel-. systemen Representatieve entree Badkamers en sauna's als uitbreiding op het REHAU-vloerverwarmings- en -koelsysteem 1.3 Fig. 5: Meer dan alleen energie besparen, die REHAU-wandverwarming Belangrijkste toepassingsgebieden van het REHAU-klimaatelementsysteem Nieuwbouw en renovatie van woningen, afzonderlijk of in combinatie met de REHAU-vloerverwarmings- en koel-. systemen Representatieve entree Uitbouw zolderetage Uitbouw van houten huizen naar energiezuinig 1.3 Fig. 6: Meer dan alleen milieuvriendelijkheid, het REHAU-klimaatelementsysteem 75

76 Installatieconcepten REHAU-wandverwarmingssysteem kunnen als vollastverwarming in combinatie met REHAU-vloerverwarmings- en -koelsystemen als aanvullende verwarming bij statische verwarmingselementen worden toegepast. REHAU-wandverwarmingssysteem als vollastverwarming Vanwege de toegenomen eisen aan de warmte-isolatie is het vandaag de dag mogelijk, de warmtebehoefte van gebouwen geheel met een REHAU-wandverwarmingssysteem af te dekken. Vooral energiezuinige huizen zijn geschikt voor toepassing van dit systeem. 1.3 Fig. 7: De REHAU-wandverwarming als vollastverwarming REHAU-wandverwarmingssystemen in combinatie met REHAU-vloerverwarmings- en -koelsystemen Deze combinatie verdient aanbeveling in gebieden met hoge eisen aan de behaaglijkheid, zoals verblijfsruimten in woningen, badkamers, sauna's, tepidarien of andere vochtige omgevingen. Het REHAU-klimaatelement is niet geschikt voor: vochtige bedrijfsruimten natte huishoudelijke of bedrijfsruimten 1.3 Fig. 8: De REHAU-wandverwarming in combinatie met REHAU-vloerverwarmings- en -koelsystemen De REHAU-wandverwarmingssystemen als aanvullende verwarming bij statische verwarmingselementen Bij deze combinatie worden basisbelastingen door een REHAU-wandverwarmingssysteem afgedekt en piekbelastingen met statische verwarmingselementen. Deze variant is vooral zinvol toepasbaar bij renovatieprojecten Fig. 9: De REHAU-wandverwarming als aanvullende verwarming bij statische verwarmingselementen.

77 De REHAU-wandverwarming in natbouw Systeemvoordelen Snel en flexibel leggen van de buizen Flexibele koppelmogelijkheden van de wandverwarmingsvelden Geen buisbeschadiging vanwege afgeronde kanten van de RAUFIXrail Betrouwbare buisfixatie Systeemcomponenten REHAU-RAUFIX-rail 12/14 zonder aangevormde weerhaken aan de onderzijde REHAU-houder REHAU-overgang 14xR1/2 REHAU-buisgeleidingsbochten 90 met aangevormde bevestigingsbeugel REHAU-koppeling 14x1,5 mm REHAU-schuifhuls 14x1,5 mm REHAU-verloopkoppeling REHAU-T-stuk Fig. 10: De REHAU-wandverwarming in natbouw Buisafmetingen RAUTHERM S 14x1,5 mm RAUTHERM S 17x2,0 mm als verbindingsleiding Systeemtoebehoren REHAU-randisolatieband met profiel REHAU-beschermbuis 12/14 REHAU-beschermbuis 17 Systeembeschrijving De REHAU-RAUFIX-rail 12/14 bestaat uit slagvast en hoog stabiel polypropyleen. Deze dient voor het vastzetten van de mediumtransportbuizen aan de wand. Er kunnen legafstanden van 5 cm en veelvouden daarvan worden gerealiseerd. De wandverwarmingsvelden worden met de RAUTHERM S buis met nom. doorlaat 14x1,5 mm gevormd. De verbindingsleidingen naar de REHAU-verwarmingsverdeler worden uitgevoerd door de RAUTHERM S buizen met nom. doorlaten 14x1,5 mm of 17x2,0 mm. Naast de zeer goede technische eigenschappen bieden deze buizen minimale drukverliezen en maximale verwerkingsvriendelijkheid. De REHAU-buisgeleidingsbochten 90 uit glasvezelversterkt polyamide maken optimale, knikvrije buisbochten mogelijk vanuit het verticale wandverwarmingsoppervlak naar het horizontale niveau van de verbindingsleidingen. Vanwege de aangevormde bevestigingsbeugel is absoluut betrouwbare fixatie mogelijk. 1.3 Fig. 11: De REHAU-RAUFIX-rail 12/ Fig. 12: De REHAU-buisgeleidingsbochten 90 met bevestigingsbeugel Met het T-stuk en de verloopkoppeling kunnen meerdere wandverwarmingsvelden in het Tichelmann-systeem tot één verwarmingscircuit worden samengevoegd en op één aftakking van de REHAUverwarmingsverdeler worden aangesloten. Als verbindingsleiding wordt hierbij de RAU- THERM S buis met nom. doorlaat 17x2,0 mm gebruikt. De REHAU randisolatieband dient voor het opnemen van de warmte-uitzetting van het gebruikte wandverwarmingspleisterwerk. Daarvoor wordt deze indien nodig rondom de wand met het thermisch geactiveerde wandverwarmingsveld aangebracht. Dankzij de verticale profilering aan de achterzijde is een optimale hoekvorming gewaarborgd. Met de beschermbuizen 12/14 en 17 worden de verbindingsleidingen betrouwbaar en zonder beschadiging van de buis vanuit de dekvloer naar de verdelerkast gelegd. 1.3 Fig. 13: Het REHAU-fittingprogramma 1.3 Fig. 14: De REHAU-randisolatieband met profiel 77

78 Montage REHAU-verdelerkast plaatsen en REHAU-verwarmingsverdeler inbouwen. RAUFIX-rails op de ruwe wand vastzetten. Houder op de ruwe wand vastzetten. Wandverwarmingsveld met de geplande legafstand aanleggen. RAUTHERM S buis in de RAUFIXrail clippen. Buisgeleidingsbochten 90 op de bedoelde posities vastzetten. Buisbochten maken door het plaatsen van de buizen in de buisgeleidingsbochten 90. Verbindingsleidingen met het wandverwarmingsveld m.b.v. REHAU-pershulsverbinding maken. Verbindingsleidingen indien nodig isoleren Verbindingsleidingen op de verwarmingsverdeler aansluiten. Wandverwarmingscircuit spoelen, vullen en ontluchten. Druktest uitvoeren, druk tijdens pleisterwerkzaamheden vasthouden. Voor de opstelling van de RAUFIXrails 12/14 op de ruwe wand geldt: Verticale montage op de voor de pleisterwerkzaamheden voorbereide ruwe wand Bevestiging van de RAUFIX-rail op de ruwe wand met conventionele nagel- of slagpluggen met 13 tot 20 mm afstand Afstand tussen de nagel- of slagpluggen 40 cm Afstand tussen 2 verticaal lopende RAUFIX-rails 50 cm Afstand van de RAUFIX-rail t.o.v. ruimtehoeken resp. t.o.v. begin verwarmingsveld: 40 cm Bevestiging van de REHAU-houder voor opname van bochten en evt. de verticale verbindingsleiding. Voor het leggen van de RAUTHERM S buizen in het wandverwarmingsveld geldt: Horizontaal buispatroon Vanuit de toevoer van onderen naar boven leggen. Schematische weergave enkele meandervormige buisroute van een wandverwarmingsveld retour toevoer verwarmingsveldbreedte max. 10 m Legenda 1 RAUTHERM-S buis 14x1,5 mm 2 RAUFIX-rail 12/114 3 randisolatieband rondom 4 verbindingsleiding retour 5 verbindingsleiding toevoer 6 ruwe betonvloer 7 contactgeluidsisolatie 8 dekvloer en vloerbedekking 9 bevestigingspluggen (nagelpluggen, slagpluggen) 1.3 Fig. 15: Schematische weergave van de REHAU-wandverwarming in natbouw in enkele meandervormige uitvoering. Schematische weergave dubbele meandervormige buisroute van een wandverwarmingsveld retour toevoer verwarmingsveldbreedte max. 10 m Legenda 1 RAUTHERM-S buis 14x1,5 mm 2 RAUFIX-rail 12/114 3 randisolatieband rondom 4 verbindingsleiding retour 5 verbindingsleiding toevoer 6 ruwe betonvloer 7 contactgeluidsisolatie 8 dekvloer en vloerbedekking 9 bevestigingspluggen (nagelpluggen, slagpluggen) 1.3 Fig. 16: Schematische weergave van de REHAU-wandverwarming in natbouw in dubbele meandervormige uitvoering. Schematische weergave dubbele meandervormige buisroute van een wandverwarmingsveld verwarmingsveldhoogte max. 2 m verwarmingsveldhoogte max. 2 m Het buispatroon leggen in een enkele of dubbele meandervorm. De optimale ontluchting is gewaarborgd, wanneer de gemiddelde legafstand van 10 cm wordt gerealiseerd door afwisselend leggen van de afstanden 5 cm en 15 cm. verwarmingsveldbreedte max. 10 m verwarmingsveldhoogte max. 2 m Legenda 1 RAUTHERM-S buis 14x1,5 mm 2 RAUFIX-rail 12/114 3 randisolatieband rondom 4 verbindingsleiding retour 5 verbindingsleiding toevoer 6 ruwe betonvloer 7 contactgeluidsisolatie 8 dekvloer en vloerbedekking 9 bevestigingspluggen (nagelpluggen, slagpluggen) retour toevoer 1.3 Fig. 17: Leggen van de gemiddelde legafstand van 10 cm bij de REHAU-wandverwarming in natbouw met voorkoming van luchtophopingen in de bochten. 78

79 Pleisterwerk verwarmingswand Het vakkundig uitvoeren van het wandverwarmingspleisterwerk is een voorwaarde voor een schadevrij functionerende wandverwarming. Over het algemeen moeten de specificaties van de pleisterwerkleverancier met betrekking tot het gebruik en de verwerking van de producten nauwkeurig worden aangehouden, vooral met het oog op de volgende werkzaamheden zoals behangen of betegelen. Soorten pleisterwerk Pleisterwerk voor wandverwarmingssystemen moeten een goede warmtegeleidbaarheid hebben. Warmte-isolerend pleisterwerk is daarom niet geschikt. Voor wandverwarmingssystemen zijn alleen speciale pleistermortels geschikt met de bindmiddelen Gips / kalk Kalk Kalk / cement cement maar ook door leveranciers aanbevolen speciaal pleister zoals bijv. leempleister. Het toepassingsgebied van wandverwarmingspleisterwerk hangt af van het ruimtegebruik de vochtbelasting in de ruimte continue bedrijfstemperatuur van de wandverwarming Nabehandeling en afwerking van de wandvlakken. Eisen aan de pleisterondergrond De pleisterondergrond moet vlak belastbaar en vast Vormbestendig niet waterafstotend homogeen gelijkmatig absorberend ruw en droog stofvrij vrij van verontreinigingen vorstvrij en boven +5 C getempereerd zijn. De toegestane toleranties m.b.t. vlakheid, loodrechtheid en haaksheid moeten conform DIN worden aangehouden. Voorbehandeling pleisterondergrond De voorbehandeling van de pleisterondergrond heeft als doel een vaste en continue verbinding tussen pleister en pleisterondergrond te waarborgen en moet voor het begin van de montage worden bepaald. Daartoe behoort het repareren van oneffenheden het verwijderen/beschermen van corrosiegevoelige metalen delen het verwijderen van stof sluiten van voegen, doorbraken en sleuven opbrengen van een absorptiecompensatiemiddel bij verschillende en/of sterk absorberende ondergronden (bijv. schuimbeton) opbrengen van een hechtmiddel op dicht en/of slecht absorberende ondergronden (bijv. warmte-isolatie aan binnenkant van buitenwanden) Wapening pleisterwerk De wapening met glasvliesgaas is bedoeld als scheurbegrenzing en is bij de uitvoering van wandverwarmingsvlakken verplicht. Het glasvliesgaas moet aan de volgende eisen voldoen: Toelating als pleisterwapening moet beschikbaar zijn (testcertificaat) Scheurvastheid in lengte en breedte groter dan 1500 N / 5 cm Bestand tegen wandverwarmingspleisterwerk (ph-waarde ) Maaswijdte 7 x 7 mm bij ingelegd glasvliesgaas Maaswijdte 4 x 4 mm bij geplamuurd glasvliesgaas Verwerkingsinstructies voor pleisterwapening De verwerkingsmethode moet aan het begin van de pleisterwerkzaamheden met de stukadoor worden afgestemd. De instructies van de pleisterleverancier moeten worden aangehouden. De wapening met glasvliesgaas moet in het buitenste derde deel van de pleisterlaag over de bovenkant van de buizen worden ingebracht. Voor het aanbrengen van glasvlieslagen bestaan 2 methoden: Opleggen van glasvliesgaas Opplamuren van glasvliesgaas Bij de methode "Opleggen van glasvliesgaas moet op het volgende worden gelet: Deze methode wordt bij een eenlaags pleisteruitvoering gebruikt. Aanbrengen van de pleisterlaag met ca. 2/3 van de uiteindelijke pleisterlaagdikte Glasvliesgaas opleggen, telkens min. 25 cm over de gevarenzones heen met minimaal 10 cm overlapping. Glasvliesgaas goed inbedden. Restant van de pleisterlaag aanbrengen. Bij gipshoudend pleister maximaal 20 m 2 nat op nat bewerken. De bovenkant van de buizen moet met minimaal 10 mm pleisterwerk worden bedekt. Voor de uitvoering "opplamuren van glasvliesgaas moet op het volgende worden gelet: Deze methode wordt bij een meerlaags pleisteruitvoering gebruikt. De eerste pleisterlaag aanbrengen en laten uitharden. Plamuurpasta aanbrengen. Glasvliesgaas opdrukken. De banen moeten minimaal 10 cm overlappend worden gelegd. Op kruispunten moeten verstevigingen worden gemaakt. Aan alle kanten op glasvliesgaas plamuurpasta aanbrengen. Laagdikte volgens de specificaties van de leverancier. Tweede pleisterlaag na het drogen van de plamuurpasta aanbrengen conform de specificaties van de pleisterleverancier. Geschikt wandverwarmingspleisterwerk voor Binnenruimten in Vochtige ruimten zoals Natte ruimten en openhuizen met geringe keukens of badkamers met bare vochtige ruimten tot geen vocht- af en toe (alternerend) met hoge vochtbelasting optredende vocht- belasting belasting Leempleister Kalkpleister Cementpleister Gips-/kalkpleister Kalk-/cementpleister Speciaal pleister Kalkpleister Cementpleister Kalk-/cementpleister Cementpleister Bovendien moeten altijd de specificaties van de leverancier worden aangehouden! 1.3 Fig. 18: Toepassingsgebieden van wandverwarmingspleisterwerk, afhankelijk van het ruimtegebruik 79

80 ➀ ➁ ➂ ➃ ➄ ➆ Legenda 1 Ruwe wand 4 RAUTHERM-S 14x1,5 2 RAUFIX-rail 5 1e pleisterlaag 3 Beugel 6 Pleisterwapening 7 2e pleisterlaag ➅ 1.3 Fig. 19: Schematische weergave details m.b.t. aanbrengen van pleisterwapening 80

81 1.3.5 Het REHAUklimaatelementsysteem Systeemvoordelen Eenvoudige en snelle montage van de voorgemonteerde KES-platen. Geen wachttijden voor het opdrogen van pleisterwerk. Met vijf verschillende modules kan aan alle bouweisen worden voldaan. Directe en snelle bevestiging op draagconstructie via schroeven. Inplamuren van buizen niet nodig. Geen speciaal gereedschap voor de verwerking nodig. Geringe opbouwhoogte Snel opwarmgedrag Voor de verdere behandeling van de oppervlakken geschikt. Systeemcomponenten REHAU-KES-plaat groot VA60 REHAU-KES-plaat klein VA60 REHAU-KES-plaat groot VA104 REHAU-KES-plaat klein VA104 REHAU-KES-plaat dwars VA75 REHAU-klemringkoppeling 12x2,0 mm REHAU-koppeling 12x2,0 mm REHAU-pershuls 12x2,0 mm REHAU-verloopkoppeling REHAU-overgang 12x2,0 mm naar R 1/2 REHAU-T-stuk Fermacell voegkit Buisafmetingen RAUTHERM S 12x2,0 mm RAUTHERM S 17x2,0 mm als verbindingsleiding Systeemtoebehoren REHAU-beschermbuis 12/14 en Systeembeschrijving De REHAU-klimaatelementsystemen bestaan uit gipsvezelplaten met ingefreesde groeven en ingewerkte RAUTHERM S buizen van nom. doorlaat 12x2,0 mm. Deze zijn voor de bescherming tegen vervuiling gedurende transport en opslag met kappen afgesloten. Technische gegevens Rekenwaarde warmtegeleidbaarheid: λ = 0,36 W/mK Diffusieweerstandswaarde: µ = 11 schijnbare dichtheid: ρ = 1180 ± 60 kg/m 3 Bouwstofklasse: A2 conform DIN 4102 Toepassingsgebieden Het REHAU-klimaatelementsysteem kan in iedere huishoudelijke of bedrijfsomgeving zonder of met slechts gering vochtbelasting in alle huishoudelijke vochtige ruimten met af en toe (alternerend) optredende vochtbelasting in de vorm van spatwater worden toegepast. Dit komt overeen met de door de overheid vastgelegde vochtbelastingsklasse I. Materiaalbeschrijving De basis van het REHAU-klimaatelementsysteem vormen de gipsvezelplaten van de Fa Fermacell gefabriceerd uit de grondstoffen gips, water en oud papier. Deze grondstoffen worden zonder aanvullend bindmiddel tot stabiele platen geperst, gedroogd, waterafstotend gemaakt en op de betreffende afmetingen gesneden. Deze platen zijn bouwbiologisch getest, bevatten geen stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en zijn absoluut reukloos. Het REHAU-klimaatelementsysteem is niet geschikt voor ruimten met vochtbelastingsklasse II t/m IV. Daartoe behoren Vochtige bedrijfsruimten zoals bijv. sanitaire ruimten in restaurants. Natte huishoudelijke of bedrijfsruimten zoals bijv. sauna's, bedrijfskeukens of zwembaden. Instructies m.b.t. transport en opslag De REHAU-KES-platen worden op pallets geleverd moeten op een vlakke ondergrond vlak en droog worden opgeslagen moeten tegen vocht en vuil worden beschermd moeten op de bouwplaats verticaal worden getransporteerd mogen, indien zij vochtig worden, pas na weer opdrogen worden verwerkt. 1.3 Fig. 20: KES-plaat groot VA60 Plaatlengte: 200 cm Plaatbreedte: 62 cm Plaatdikte: 18 mm Legafstand: 60 mm Gewicht: 24,18 kg Gelegde buislengte: 20,0 m 1.3 Fig. 21: KES-plaat klein VA60 Plaatlengte: 100 cm Plaatbreedte: 62 cm Plaatdikte: 18 mm Legafstand: 60 mm Gewicht: 12,09 kg Gelegde buislengte: 10,0 m 81

82 1.3 Fig. 22: KES-plaat groot VA104 Plaatlengte: 200 cm Plaatbreedte: 62 cm Plaatdikte: 18 mm Legafstand: 104 mm Gewicht: 24,18 kg Gelegde buislengte: 12,4 m 1.3 Fig. 23: KES-plaat klein VA104 Plaatlengte: 100 cm Plaatbreedte: 62 cm Plaatdikte: 18 mm Legafstand: 104 mm Gewicht: 12,09 kg Gelegde buislengte: 6,5 m 1.3 Fig. 26: Fermacell voegkit 1.3 Fig. 24: KES-plaat dwars VA75 Plaatlengte: 83 cm Plaatbreedte: 125 cm Plaatdikte: 18 mm Legafstand: 75 mm Gewicht: 20,23 kg Gelegde buislengte: 14,4 m 1.3 Fig. 25: Fittingprogramma voor het REHAU-klimaatelementsysteem 82

83 Draagconstructie Voor het optimaal functioneren van het REHAU-klimaatelementsysteem is een goede opbouw van de wandconstructie van grote betekenis. Het REHAU-klimaatelementsysteem kan in principe in drie verschillende wandconstructies worden geïntegreerd: aan de binnenzijde van buitenmuren, aan één of beide zijden van binnenmuren of in dakhellingen. Draagconstructies voor het REHAU-klimaatelementsysteem kunnen uitgevoerd zijn in de vorm van een houten frame, uit metalen profielen of als een volledig dekkende houten draagconstructie. Algemene eisen Het oplegoppervlak voor de KES-platen moet min. 50 mm breed zijn. De randoverlapping van KES-platen en draagconstructie moet min. 20 mm, De afstand tussen twee verticale steunen van de draagconstructie moet max. 310 mm zijn. Draagconstructie als houten frame Wanneer de draagconstructie voor het REHAU-klimaatelementsysteem uit een houten frame met steunen bestaat, dan moet op de volgende punten worden gelet: Het gebruikte hout moet voor de houtbouw geschikt zijn en bij de montage droog zijn. 310 mm Voorzetdelen uit houten frameconstructies mogen niet veren. De hartafstand van de draagconstructie mag niet meer dan 750 mm bedragen. De bevestiging van de C- en U-profielen op de wanden moet loodrecht en uitgelijnd worden uitgevoerd. Legenda: 1 Draagconstructie 2 Betengeling 3 Bevestiging met nagels 4 Bevestiging met beugels 1.3 Fig. 28: Instructies voor het uitvoeren van de draagconstructie als houten frame 1.3 Fig. 27: Alg. eisen aan de draagconstructie van het klimaatelementsysteem Legenda: 1 Ruwe wand 2 Draagconstructie 3 Stootvoeg met voegkit 4 KES-plaat 5 Warmte-isolatie 6 RAUTHERM S 12x2,0mm Draagconstructie uit metaal Bij het gebruik van metalen profielen voor de draagconstructie van het REHAU-klimaatelementsysteem moet op de volgende punten worden gelet: Alle metalen profielen en bevestigingsdelen moeten corrosiebeschermd zijn. De uitvoering van de frameconstructie moet voldoen aan DIN 18182, deel 1. De plaatdikte moet min. 0,6 mm en max. 0,7 mm bedragen. Toegepaste houten betengeling moet een min. doorsnede van 30 x 50 mm hebben. Loodrecht ingestelde CW-profielen mogen alleen via verbindings- of bevestigingselementen (hoekstukken) met UWprofielen worden verbonden. Maximaal iedere 70 cm horizontale en maximaal iedere 100 cm verticale bevestigingspunten uitvoeren. Legenda: 1 UW-aansluitprofiel 2 CW-staanderprofiel 3 UW-profiel met gezette rand 2.3 Fig. 29: Instructies voor het uitvoeren van de draagconstructie in metaal 83

84 Volledig dekkende draagconstructie Bij de montage van de KES-platen op een volledig dekkende draagconstructie moet in het gebied waar de platen tegen elkaar aan liggen, een gladde kunststof plakband tussen de voegkit en de daaronder liggende dragende laag worden aangebracht. Montage Draagconstructie monteren REHAU-verdelerkast plaatsen en REHAU-verwarmingsverdeler inbouwen. De eerste KES-plaat met de onderkant minimaal 7 cm boven de bovenkant van de ruwe vloer met Fermacell schroeven 3,9x45 mm (hout) of 3,9x30 (metaal) via de voorgedrukte gaten in de KESplaat op de draagconstructie (hout of metaal) bevestigen. De buizen wijzen altijd naar de achterwand. De bevestiging van de afzonderlijke KES-platen wordt altijd vanaf de ene naar de andere plaatzijde uitgevoerd of vanaf het midden van de KES-plaat naar buiten toe. In geen geval mogen eerst alle hoeken worden vastgezet en daarna het midden van de plaat! Legenda: 1 Volledig dekkende houten draagconstructie. 2 Scheidingslaag 3 Stootvoeg, 1 mm met voegkit 4 KES-plaat 1.3 Fig. 30: Weergave van de KES-plaat op een volledig dekkende houtconstructie Verbruik: 20 schroeven per m 2 KES-plaat. Eerste KES-plaat aan de randen van Fermacell voegkit voorzien. Tweede KES-plaat op de eerste KES-plaat met max. 1 mm voegbreedte stuiken, uitrichten en als boven beschreven bevestigen aan de draagconstructie. Alle overige KES-platen van het verwarmingsveld zonder kruisvoegen als beschreven monteren. Thermisch niet actieve gebieden als hiervoor beschreven met conventionele Fermacell-gipsvezelplaten (dikte 18 mm) zonder kruisvoegen bekleden. Verbindingsleidingen maken en op de verwarmingsverdeler aansluiten. aansluiten. Wandverwarmingscircuit spoelen, vullen en ontluchten. Druktest uitvoeren, bedrijfsdruk activeren en in stand houden Oppervlak pleisteren en bewerken. 1.3 Fig. 31: Bevestigingspunten en montage-afstanden van de REHAU-KES-platen met breedte 62 cm Opmerking: de momenteel geldende verwerkingsrichtlijnen van de gipsplaatleverancier moeten worden aangehouden. Bevestiging van de KES-platen met nieten De bevestiging van de KES-platen met nieten conform DIN 18182, deel 2, mag alleen op een houten draagconstructie worden gebruikt. Zie de specificaties van de gipsvezelplaatleverancier voor de bevestigingsafstanden en het aantal te gebruiken nieten. 1.3 Fig. 32: Bevestigingspunten en montage-afstanden van de REHAU-KES-platen met breedte 125 cm 84

85 Voegconstructie Onderscheid wordt gemaakt tussen Dilatatievoegen Uitzetvoeg Stootvoegen Dilatatievoegen Dilatatievoegen zijn in montagewanden met het REHAU-klimaatelementsysteem altijd daar nodig, waar ook in gebouwen de dilatatievoegen zijn opgenomen. Uitzetvoegen KES-platen veranderen van lengte onder invloed van een veranderend ruimteklimaat (uitzetten en krimpen). Dit moet door toepassen van uitzetvoegen worden gecompenseerd. Uitzetvoegen moeten op afstanden van max. 800 cm worden opgenomen! Legenda: 1. U-plaatprofiel, verzinkt 2. C-plaatprofiel, verzinkt 3. Gipsvezelplaat 4. KES-plaat 5. Snelbouwschroef Warmte-isolatie 7. RAUTHERM S 12 x 2,0 mm 1.3 Fig. 33: Schematische weergave uitvoering dilatatie- en uitzetvoegen (voorbeeld). Stootvoegen Stootvoegen komen voor bij de montage tussen de KES-platen en tussen de KESplaten en de standaard gipsvezelplaten die worden gebruikt voor het maken van een homogeen wandoppervlak. Stootvoegen mogen maximaal 1 mm breed zijn. Stootvoegen moeten tijdens de bevestiging van de afzonderlijke KES-platen, gebruikmakend van de Fermacell voegkit, in de montagevolgorde plaat-kit-plaat worden gemaakt. Voor aan KES-platen grenzende droogbouwplaten moeten Fermacell gipsvezelplaten worden gebruikt. Verbruik: 1 patroon met 310 ml (430 g) is voldoende voor het voegen van ca. 8 m 2 klimaatelementsysteem. Glijdende wand- en gevelaansluitingen Niet massieve buitengevels kunnen door windbelasting druk- en zuigbewegingen uitoefenen. Hiermee moet bij het aansluiten van tussenwanden, die zijn voorzien van REHAU-klimaatelementsystemen, bij de constructieve uitvoering van de verbinding tussen de metalen of houten draagconstructie en de buitengevel rekening worden gehouden. Bovendien is een scheiding tussen het klimaatelementsysteem en de aangrenzende materialen zoals bijv. pleisterwerk, sierbeton of metselwerk, noodzakelijk. Legenda 1. KES-plaat 2. Houten betengeling als draagconstructie 3. Stootvoeg met voegkit 4. Gipsvezelplaat 1.3 Fig. 34: Schematische weergave uitvoering stootvoegen (voorbeeld). Opgelet! De KES-plaat mag niet op het aansluitprofiel worden bevestigd. Legenda: 1. Buitenmuur 2. KES-plaat 3. CW-plaatprofiel, verzinkt 4. Elastische afdichting 5. Aansluitprofiel 6. Gipsvezelplaat 7. Schroef Warmte-isolatie 9. RAUTHERM S 12 x 2,0 mm A. Bewegingsruimte 1.3 Fig. 35: Schematisch weergave uitvoering glijdende wand- en gevelaansluiting (voorbeeld). 85

86 Plamuren van het REHAUklimaatelementsysteem Fijnplamuren van het oppervlak Het REHAU-klimaatelementsysteem wordt afgeplamuurd met Fermacell fijnplamuur. Door het plamuren worden voegen en verzonken schroefkoppen glad gemaakt. Voor de verwerking kunnen standaard pleisterspanen of plamuurmessen worden gebruikt. Voorwaarden Voor het begin van het plamuren moeten de KES-platen gelijkmatig droog vrij van gips- en mortelresten stofvrij zijn. Het plamuren mag pas na het volledig drogen van de KES-platen de aangrenzende gipsvezelplaten van nette dekvloeren of nat pleisterwerk in dezelfde ruimte worden uitgevoerd. Verbruik Bij oppervlakplamuren ca 0,2 kg/m 2 Bij voegplamuren ca 0,1 kg/m 2 Oppervlaktebehandeling Het oppervlak van de KES-platen kan met wandpanelen / tegels structuurpleisterwerk muurverf behang worden bekleed. Voorwaarden Alle stootvoeg, krassen en verzonken schroeven zijn met Fermacell fijnplamuur geplamuurd, glad gemaakt en gelijkmatig gedroogd. De oppervlakken van de KES-platen en de aangrenzende KES-platen zijn gelijkmatig gedroogd en vlak gemaakt. De voor structuurpleisterwerk of verflagen nodige waterarme grondlagen moeten conform de specificaties van de leverancier zijn aangebracht en opgedroogd. Met water belaste oppervlakken zoals in de badkamer moeten indien nodig worden voorzien van afdichtfolie of afdichtsystemen en zijn opgedroogd. Opbrengen van wandpanelen / tegels Op de volgende punten moet worden gelet: De vochtigheid van de KES-platen moet minder zijn dan 1,3%. Er moet met een dunne laag worden gewerkt. Er moet waterarme tegellijm, zoals bijv. kunststofveredelde cementpoederlijm, Flexlijm, worden gebruikt. De tegels mogen niet bevochtigd worden. Voor het voegen moet Flex-voegmortel worden gebruikt. Voor het voegen moet de tegellijm zijn opgedroogd. In ieder geval moeten de legvoorschriften van de betreffende lijmleverancier worden aangehouden. Opbrengen van structuurpleisterwerk Op de volgende punten moet worden gelet: De vochtigheid van de KES-platen moet minder zijn dan 1,3%. Kunststof- en minerale pleisterwerk moeten door de betreffende leverancier voor gebruik in combinatie met gipsvezelplaten zijn vrijgegeven. Er mag alleen dun structuurpleisterwerk tot max. 4 mm dikte worden gebruikt. De voegen moeten met glasvlies worden verstevigd. Opbrengen van muurverf Geschikt zijn latex-, dispersie- of lakverf. Minerale verf zoals kalk- of silicaatverf moet door de betreffende leverancier zijn vrijgegeven voor gebruik in combinatie met gipsvezelplaten. Opbrengen en verwerken conform de voorschriften van de leverancier. Aanbrengen van behang Met uitzondering van vinyl behang, kan ieder soort behang worden gebruikt. Het aanbrengen kan met standaard behanglijm worden uitgevoerd. Aanbrengen van een grondlaag is alleen nodig, wanneer de behangleverancier dit voorschrijft. Bij dicht behang moet met waterarme behanglijm worden gewerkt. Lokaliseren van de verwarmingsbuizen De buizen in de KES-platen kunnen m.b.v. thermofolie tijdens een opwarmprocedure worden gelokaliseerd. Daarvoor wordt het thermofolie op het te onderzoeken oppervlak geplaatst en wordt het klimaatelementsysteem in bedrijf genomen. Thermofolies kunnen meerdere keren worden gebruikt. 1.3 Fig. 36: Lokaliseren van de verwarmingsbuizen m.b.v. thermofolie Muurbevestigingen Spijkers, pluggen, speciale pluggen voor gipsvezelplaten of schilderijhaken mogen alleen in combinatie met het REHAU-klimaatelementsysteem worden gebruikt, wanneer de verwarmingsbuizen RAUTHERM S exact zijn gelokaliseerd. Met deze bevestigingsdelen mogen lasten tot 35 kg, afhankelijk van het aantal bevestigingspunten, op KES-platen worden bevestigd: 1 bevestigingspunt: tot 15 kg 2 bevestigingspunten: tot 25 kg 3 bevestigingspunten: tot 35 kg Voor het aanbrengen van de bevestigingsdelen moeten de voorschriften van de leverancier worden opgevolgd. 86

87 Regeltechniek De voor het REHAU-wandverwarmingssysteem gebruikte regeltechniek is gelijk aan die voor de REHAU-vloerverwarmings- en -koelsystemen, d.w.z. de kabelgebonden kamerthermostaat RAUMATIC M en de draadloze kamerthermostaat RAUMATIC Funk kunnen worden toegepast. De uitvoerige technische beschrijving van deze beide REHAU-regelsystemen, vindt u in de Technische Informatie "REHAU vloerverwarming / -koeling, systemen. Plaatsen van de kamerthermostaten Naast de algemeen geldende regels, zoals bijv. niet achter gordijnen, niet direct in het zonlicht, moeten ook de volgende punten bij het plaatsen van kamerthermostaten in combinatie met REHAU-wandverwarmingssystemen worden aangehouden: Kamerthermostaten mogen niet direct op een verwarmd oppervlak worden geplaatst. Kamerthermostaten moeten een min. afstand van 20 cm tot het volgende wandverwarmingsveld hebben! Elektrische kabels in verwarmde gebieden Wanneer elektrische bekabeling in verwarmde gebieden wordt gelegd, dan moet de DIN VDE 0298, deel 4, Verwendung von Kabeln und isolierten Leitungen für Starkstromanlagen Empfoh-lene Werte für die Strombelastbarkeit von Kabeln und Leitungen in Gebäuden und flexiblen Leitungen worden aangehouden. De maximaal toegestane temperatuur van kabels met PVC-mantel (type NYM) is +70 C. Afhankelijk van de legomstandigheden, de inbouwwijze, de omgevingstemperatuur en de aderdiameter zijn in deze VDE-richtlijn maximale stroomsterktes gedefinieerd, die waarborgen, dat deze grenswaarde niet worden bereikt. Voor het leggen van de elektrische bekabeling in verwarmde gebieden moet via omrekeningstabellen de maximale toegestane stroomsterkte afhankelijk van de aderdiameter en de omgevingstemperatuur worden bepaald. Met de op deze manier bepaalde waarde moet door de keuze van bijbehorende zekeringen rekening worden gehouden Inbedrijfname Spoelen, vullen en ontluchten. Het spoelen, vullen en ontluchten van het REHAU-wandverwarmingssysteem moet voor aanvang van de pleister- resp. plamuurwerkzaamheden worden uitgevoerd. Daarbij worden de afzonderlijke verwarmingscircuits via de vul- en ontluchtingsinrichting van de betreffende REHAU-verwarmingsverdeler afzonderlijk gespoeld en gevuld. Voor het verwijderen van alle luchtbellen moet bij de REHAU-wandverwarming in natbouw een min. volumedoorstroming van 1,5 l/min (komt overeen met een doorstroomsnelheid van 0,25 m/s) bij het REHAU-klimaatelementsysteem een min. volumedoorstroming van 0,8 l/min (komt overeen met een doorstroomsnelheid van 0,2 m/s) zijn gewaarborgd. Ter afsluiting van het vullen wordt de hydraulische inregeling van de verwarmingscircuit t.o.v. elkaar uitgevoerd overeenkomstig het resultaat van de ontwerp-planning. Druktest De druktest moet voor aanvang van de pleisterwerkzaamheden worden uitgevoerd. Tijdens de pleisterwerkzaamheden moet de testdruk aanwezig blijven. De wandverwarmingscircuits moeten, net zoals bij de vloerverwarming, via een waterdruktest (DIN 1264, deel 4) op lekdichtheid worden gecontroleerd. De testdruk moet minimaal het dubbele van de maximaal toegestane bedrijfsdruk bedragen, echter ook minimaal 6 bar. Lekdichtheid en testdruk moeten in het testprotocol zijn opgegeven. Bij gevaar voor bevriezing moeten geschikte maatregelen, zoals gebruik van antivries, tempereren van het gebouw, worden genomen. Voor zover voor het correct gebruik van de installatie geen antivries meer nodig is, moet het antivries worden verwijderd via aftappen en aansluitend weer vullen van de installatie (min. driemaal met water). Uitvoeren van de druktest: Activeren van de testdruk. Na 2 uur nogmaals activeren van de testdruk. 24 uur wachten. De druktest is succesvol verlopen, wanneer op geen enkele locatie in de wandverwarming, de verbindingsleiding of de verdeler water is uitgetreden en de testdruk niet meer dan 0,1 bar per uur is afgenomen. Het resultaat van de druktest moet op het REHAU-inbedrijfnameprotocol worden gemarkeerd en bevestigd. Functioneel verwarmen Voor het functioneel verwarmen voor, tijdens en na het pleisteren, bestaan afhankelijk van de pleisterleverancier en het type pleister verschillende voorschriften. Deze moeten altijd worden aangehouden. Het REHAU-inbedrijfnameprotocol moet v.w.b. de uitvoering van het functioneel verwarmen door de verwerker worden ingevuld, de procedure van het functioneel verwarmen moet daarin worden beschreven en de deskundige uitvoering moet worden bevestigd. 87

88 Inbedrijfnameprotocol voor warmwater-wandverwarmingen Opdrachtgever: Bouwplan: Bouwfase: Uitvoerder: Opdrachtgever: 1. Lekdichtheidstest De lekdichtheid van de wandverwarmingscircuits werd direct voor aanvang van de pleisterwerkzaamheden, resp. voor aanvang van de plamuurwerkzaamheden bij REHAU-klimaatelementsysteem, via een waterdruktest gewaarborgd. De testdruk moet het dubbele van de maximaal toegestane bedrijfsdruk bedragen, echter minimaal 5 bar. Na afronding van de lekdichtheidstest werd de bedrijfsdruk ingesteld en aangehouden. Maximaal toegestane bedrijfsdruk: Ingestelde testdruk: Druk na afloop testtijd: bar bar bar De lekdichtheid werd vastgesteld, blijvende vervorming en lekkage zijn aan geen enkel bouwdeel opgetreden. Bevestiging van de onderneming die de druktest heeft uitgevoerd (datum, stempel, handtekening): 2. Functioneel verwarmen voor cement- of gipsgebonden pleisterwerk, plamuur of leem Het functioneel verwarmen dient voor de controle van de werking van de verwarmde wandconstructie. Het functioneel verwarmen mag op zijn vroegst 21 dagen na het opbrengen van het pleisterwerk resp. de plamuur worden aangevangen. De specificaties van de pleisterleverancier voor het gebruikte type pleisterplamuur worden aangehouden. Het functioneel verwarmen begint met een toevoertemperatuur van 25 C, de 3 dage moet worden aangehouden. Daarna wordt de maximale toevoertemperatuur ingesteld en 4 dagen aangehouden. Pleisterleverancier: Type pleister/plamuur: Het functioneel verwarmen volgt voor tijdens na de pleisterwerkzaamheden Aanvang pleisterwerkzaamheden op: Afronding pleisterwerkzaamheden op: Beging functioneel verwarmen op: (datum) (datum) (datum) Aanvangstoevoertemperatuur van C aangehouden tot: (datum) Toevoertemperatuur verhoogt in stappen van (Kelvin) Maximale toevoertemperatuur: C bereikt op: (datum) Maximale toevoertemperatuur vastgehouden tot (datum) Functioneel verwarmen werd beëindigd op: (datum) Functioneel verwarmen werd onderbroken: van tot (datum) Functioneel verwarmen is niet onderbroken (indien waar s.v.p. aankruisen) De wandverwarmingsinstallatie werd met een ingestelde toevoertemperatuur van C voor continu bedrijf overgedragen. C bij een buitentemperatuur van Bevestiging (datum, stempel, handtekening) Opdrachtgever: Aannemer: 88

89 1.4 Wandverwarmingsontwerp Ontwerpen van REHAUwandverwarmingssystemen Bij het ontwerpen en uitvoeren van de REHAU-wandverwarmingssystemen in naten droogbouw moeten, naast deze Technische Informatie, de in tabel 1 genoemde voorschriften, normen en richtlijnen worden aangehouden. Voorwaarden Bouwkundige eisen Voor aanvang van de montage van REHAUwandverwarmingssystemen moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: Het met het REHAU-wandverwarmingssysteem uit te rusten bouwplan moet qua ruwbouw klaar zijn. Ramen en deuren moeten zijn ingebouwd. Wanneer REHAU-wandverwarmingssysteem worden aangebracht op wanden die aan de aarde grenzen, dan moeten de afdichtingswerkzaamheden conform DIN zijn afgerond. De toleranties conform DIN v.w.b. vlakheid, loodrechtheid en haaksheid moeten zijn gecontroleerd. In alle ruimten moet de hoogte-indicatie 1 meter boven vloer zijn aangebracht. De elektrische voeding 220V en de watervoorziening moeten aanwezig zijn. Wanneer het REHAU-klimaatelementsysteem wordt ingebouwd, dan mag de gemiddelde relatieve vochtigheid tijdens de inbouwfase niet hoger worden dan 70%. Bij de planning en uitvoering van REHAU-wandverwarmingssystemen aan te houden normen en richtlijnen: In Duitsland gelden: DIN 1186 DIN 4102 DIN 4108 DIN 4109 DIN 4701 DIN 4726 DIN DIN DIN DIN DIN DIN DIN DIN DIN EN 1264 EnEV Baugipse Brandschutz im Hochbau Wärmeschutz im Hochbau Schallschutz im Hochbau Wärmebedarf von Gebäuden Rohrleitungen aus Kunststoff Gipskartonplatten Gipskartonplatten im Hochbau Zubehör für Verarbeitung von Gipskartonplatten Bauwerksabdichtungen Maßtoleranzen am Hochbau Putz- und Stuckarbeiten Putze Werkmörtel Flächenheizsysteme Verwerkingsrichtlijnen van de betreffende leverancier 1.4 Tab. 1: Geldende normen en richtlijnen Extra benodigde coördinatie: Naast de gebruikelijke coördinatie behorende bij een bouwplan moet de architect/planner rekening houden met het volgende: Vastleggen van vrije vlakken voor kasten, regalen of schilderijen i.o.m. de opzichter. De coördinatie tussen verwarmingsleverancier en stukadoor m.b.t. afspraken en eventueel benodigde voorbehandeling van de oppervlakken die zijn bedoeld voor de wandverwarming moet tijdig plaatsvinden. Ter voorkoming van pleisterwerkschade moet voldoende droogtijd voor wandverwarmingspleisterwerk worden aangehouden. Thermische randvoorwaarden: uit behaaglijkheidsoverwegingen moet het ontwerp zodanig worden uitgevoerd, dat de wandoppervlaktetemperatuur niet hoger wordt dan +35 C. De maximaal toelaatbare continue bedrijfstemperatuur van het REHAU-klimaatelementsysteem is +45 C. Voor de projectering van de REHAUwandverwarming in natbouw moeten de minimale en maximale toelaatbare bedrijfstemperaturen conform de specificaties van de pleisterleverancier worden aangehouden. Grootte verwarmingsvelden De REHAU-wandverwarming in natbouw Voor de REHAU-wandverwarming in natbouw geldt: Maximale breedte verwarmingsveld: 10 m Maximale hoogte verwarmingsveld: 2 m Wandvlakken van meer dan 10 m breed moeten in meerdere wandverwarmingsoppervlakken van maximaal 10 m breed worden onderverdeeld. Vanwege de thermische lengteverandering van het pleisterwerk moeten, afhankelijk van de pleisterleverancier, uitzetvoegen tussen de wandverwarmingsvoegen worden ingepland. 89

90 Maximale afmetingen verwarmingsvelden voor de REHAU-wandverwarming in natbouw, afhankelijk van de legafstand en het type verwarmingsveldkoppeling, zijn opgenomen in de tabel. Uitgangspunt is het streven, verwarmingscircuits met een hoger drukverlies dan 300 mbar te vermijden. Optimaal aangepasten en gedimensioneerde circulatiepompen helpen energie te besparen. Zinvolle legafstanden, zowel voor enkelvoudig als dubbel meandervormig leggen, zijn Legafstand 10 cm Legafstand 15 cm Maximale afmetingen verwarmingsvelden van de REHAU-wandverwarming in natbouw, afhankelijk van de legafstand en het type koppeling 1) Separate koppeling Seriële koppeling meerdere Koppeling meerder wandverieder afzonderlijk wandverwarmingsvelden verwarmingsveld in wandverwarmingsveld tot één verwarmingscircuit Tichelmann-methode Legafstand 9 m 2 Totaal van alle wandverwarmingsvelden Max. 3 wandverw. velden met ieder 10 cm 9 m 2 max. 9 m 2 wandverwarmingsoppervlak Legafstand 12 m 2 Totaal van alle wandverwarmingsvelden Max. 2 wandverw. velden met ieder 15 cm 12 m 2 max. 12 m 2 wandverwarmingsoppervlak Legafstand 15 m 2 Totaal van alle wandverwarmingsvelden Max. 2 wandverw. velden met ieder 20 cm 15 m 2 max. 15 m 2 wandverwarmingsoppervlak Legafstand 20 m 2 Totaal van alle wandverwarmingsvelden Max. 2 wandverw. velden met ieder 30 cm 20 m 2 max. 15 m 2 wandverwarmingsoppervlak 1) Bepaald bij 15 K gemiddelde verwarmingsmiddelovertemperatuur, 6 K spreiding, warmtegeleidbaarheid wandverwarmingspleister = 0,87 W/mK 1.4 Tab. 2: Maximale afmeting verwarmingsveld van de REHAU-wandverwarming in natbouw Het REHAU-klimaatelementsysteem Voor het REHAU-klimaatelementsysteem geldt bij een seriële koppeling van de afzonderlijke KES-platen het hierna volgende aantal platen per verwarmingscircuit: max. 3 KES-platen groot VA60 max. 5 KES-platen groot VA104 max. 6 KES-platen klein VA60 max. 9 KES-platen klein VA104 max. 4 KES-platen dwars VA75 Wanneer het REHAU-klimaatelementsysteem volgens de Tichelmann-methode wordt gekoppeld, dan kunnen, onafhankelijk van het gebruikte plaattype, maximaal 20 KES-platen, altijd van het zelfde type, via een verwarmingscircuit op de REHAU- Verwarmingsverdeler worden gekoppeld. Brandbeveiligings- en geluidsisolatie Eisen Wanneer REHAU-wandverwarmingssystemen die in combinatie met constructies worden toegepast, moeten voldoen aan de brandbeveiligings- en geluidsisolatie-eisen, dan moet aan deze eisen door de wandresp. draagconstructie worden voldaan. Maatregelen hieromtrent moeten door de architect of planner worden genomen Warmte-isolatie De eisen aan de warmtedoorgangscoëfficiënt (U w -waarde) van een met wandverwarming uitgevoerd oppervlak zijn, afhankelijk van het soort wand, in tabel weergegeven. De berekening van de Uw-waarde is gelijk aan de procedure in DIN 4701, echter zonder rekening te houden met de inwendige warmteovergangscoëfficiënt 1/α i. Benodigde warmte-isolatie moet zo mogelijk aan de buitenzijde van een buitenmuur worden aangebracht; hiervoor moeten geschikte warmteisolatiesystemen worden gebruikt. Wanneer warmte-isolatie aan de binnenkant nodig is, dan moeten deze uit cementgebonden spaanplaat-isolatieplaten of meerlaags spaanplaat-isolatieplaten cement- of magnesietgebonden houtwol-isolatieplaten of meerlaags houtwolisolatieplaten warmte-isolatieplaten uit geschuimd polystyrol EPS warmte-isolatieplaten uit geëxtrudeerd polystyrol XPS kurkisolatieplaten steenwol PTP bestaan. Bovendien moeten de voorschriften van de betreffende pleisterleverancier met betrekking tot het gebruik van hechtmiddellen worden aangehouden. Plaats wandverwarmingsoppervlakken Eisen aan de warmtedoorgangscoëfficiënt (u max -waarde) van de wand Buitenwanden met extra bekleding U max 0,35 W/m 2 K of opnieuw pleisteren conform EnEV Appendix 3; par. 1b, d en e; tab. 1, Z.1b Overige buitenwanden U max 0,45 W/m 2 K Binnenwanden die aan verwarmde ruimte Warmtegeleidingsweerstand van de isolatie grenzen R = 0,75 m 2 K/W Binnenwanden die aan onverwarmde of in Warmtegeleidingsweerstand van de isolatie afstanden verwarmde ruimte grenzen R = 1,25 m 2 K/W 1.4 Tab. 3: voorschriften warmte-isolatie 90

91 Temperatuurverschuiving Met REHAU-wandverwarmingssystemen wordt het temperatuurverloop door de wand heen naar hogere temperaturen verschoven. Hierdoor wordt het bevriezingspunt in de richting van de buitenzijde van de muur verplaatst. Het gevaar voor bevriezing binnen de wandconstructie is daardoor bij een buiten liggende warmte-isolatie nagenoeg uitgesloten. Bovendien wordt bij een buiten liggende warmte-isolatie het gebruik van de gehele massieve wand als warmtebuffer mogelijk. Bij de plaatsing van de isolatie moet rekening worden gehouden met een mogelijke dauwpuntsverschuiving. Binnen-/buitenmuurtemperatuur in C Legenda: Temperatuurverloop in een meerlaags buitenwand met een U-waarde < 0,35 W/m 2 K Wandtemperatuur Binnentemperatuur Binnentemperatuur Berekening U-waarde van het verwarmingsoppervlak naar de buitenwand Vorstgrens Bouwdeeldichtheit Legenda Pleister Baksteen Warmte-isolatie Warmte-isolatiepleister Warmte-overgangsweerstand Dikte u Laagdikte wand in cm 1.4 Fig. 1: Vergelijking van de temperatuurverlopen door een meerlaags wand 91

92 Hydraulische koppeling De hydraulische koppeling van REHAUwandverwarmingssystemen kan afzonderlijk, serieel of met de Tichelmann-methode worden uitgevoerd. Als voorwaarden voor de Tichelmannmethode gelden: Bij de REHAU-wandverwarming in natbouw moeten alle wandverwarmingsvelden van een verwarmingscircuit dezelfde buislengte hebben Bij REHAU-klimaatelementsystemen mogen per verwarmingscircuit alleen KES-platen van hetzelfde type worden toegepast. Legenda: 1 Toevoer, bijv. met RAUTHERM-S 32 x 2,9 mm Toevoertemperatuur bijv. 40 C 2.Retour, bijv. met RAUTHERM-S 32 x 2,9 mm Retourtemperatuur bijv. 30 C 3. REHAU-verwarmingsverdeler 4. Wandverwarmingsveld, zone 1 5. Wandverwarmingsveld, zone Vermogensdiagrammen en tabellen Voor de REHAU-wandverwarming in natbouw en voor het REHAU-klimaatelementsysteem zijn in vermogensdiagrammen en -tabellen de relaties en afhankelijkheden tussen verwarmingsvermogen, legafstand en wandbekleding weergegeven. Om te voorkomen dat voor verschillende binnentemperaturen verschillende diagrammen nodig zijn, is in de weergavevorm de gemiddelde verwarmingswaterovertemperatuur gebruikt. Voor de REHAU-wandverwarming in natbouw werden de diagrammen en tabellen voor wandverwarmingspleisterwerk met warmtegeleidbaarheid λ = 0,7 W/mK, λ = 0,8 W/mK en λ = 0,87 W/mK en voor pleisterafwerkingen van 10 mm en 15 mm boven de top van de buis opgesteld. Voor het REHAU-klimaatelementsysteem is de capaciteitsweergave van de legafstanden 60 mm, 75 mm en 104 mm in en een diagram resp. in een tabel opgenomen. Bovendien is een nomogram aanwezig voor de bepaling van de warmte-afgifte via de achterzijde van de wandverwarmingsvlakken. Hier is de warmte-afgifte afhankelijk van de wandconstructie en het temperatuurverschil tussen voor- en achterzijde van de wand weergegeven. 1.4 Fig. 2: Schematische weergave van de afzonderlijke koppeling van ieder wandverwarmingsveld. Legenda: 1. Retour, bijv. met RAUTHERM-S 32 x 2,9 mm 2. Toevoer, bijv. met RAUTHERM-S 32 x 2,9 mm 3. REHAU-verwarmingsverdeler 4. REHAU-KES-platen met RAUTHERM-S buis RAUTHERM-S 12 x 2,0 mm 1.4 Fig. 3: Schematische weergave van de seriële koppeling van meerdere wandverwarmingsvelden Opmerking Vermogensdiagrammen en -tabellen vindt u op de REHAU-homepage onder Legenda: 1. Retour, bijv. met RAUTHERM-S 32 x 2,9 mm 2. Toevoer, bijv. met RAUTHERM-S 32 x 2,9 mm 3. REHAU-verwarmingsverdeler 4. REHAU-KES-platen met RAUTHERM-S buis 12 x 2,0 mm 5. Verbindingsleiding, toevoer, bijv. met RAUTHERM-S 17 x 2,0 mm of 20 x 2,0 mm 6. Retour, Tichelmann, bijv. met RAUTHERM-S 17 x 2,0 mm of 20 x 2,0 mm 7. Verbindingsleiding, retour, bijv. met RAUTHERM-S 17 x 2,0 mm of 20 x 2,0 mm 1.4 Fig. 4: Schematische weergave van de koppeling van meerdere wandverwarmingsvelden met de Tichelmann-methode 92

93 Drukverliesbepaling Het drukverlies wordt voor REHAU-wandverwarmingssysteem op dezelfde wijze bepaald als in de Technische Informatie vloerverwarming / -koeling, ontwerpen, is beschreven. De drukverliezen van de voor de REHAUwandverwarming in natbouw toegepaste buisdoorlaten zijn in paragraaf 1.2 projectering weergegeven in afbeelding 3. De drukverliezen voor KES-platen van het REHAU-klimaatelementsysteem zijn in fig. 5 weergegeven. Drukverlies van de KES-platen Doorstroming (l/s) groot dwars groot Drukverlies (mbar/plaat) 1.4 Fig. 5: Drukverliesdiagram KES-platen van het REHAU-klimaatelementsysteem 93

94 Notities: 94

95 1.5 REHAU-betonkernactivering Algemeen Inleiding Moderne architectuur, klimatologische invloeden, toenemend gebruik van elektronische dataverwerking en een toegenomen behoefte aan comfort stellen hoge eisen aan de moderne, innovatieve gebouwentechniek. Een toekomstgericht koel- en verwarmingssysteem dat voldoet aan deze eisen is de betonkernactivering (BKA). Systeemvoordelen Lage investering Comfort en krachtige prestaties Zachte koeling" zonder tocht Verminderde ventilatie bij de combinatie met binnenluchttechnische installaties Geen Sick-Building-Syndrom Door activeren van de buffermassa kleinere dimensionering van de koelinstallatie Lager en energetisch gunstiger toevoertemperatuurniveau Toepassing van alternatieve koude- en verwarmingswatergeneratoren mogelijk. 1.5 Fig. 1: Historisch gebouw Het principe Het principe van de betonkernactiveren (BKA) is gebaseerd op het gebruik van de buffermassa van bouwdelen. Dit principe kan men ook in de zomer bij historische gebouwen, bijv. burchten en kerken, waarnemen, die zeer dikke muren hebben. Door de grote buffermassa van deze muren is er zelfs in de zomer bij hoge buitentemperaturen sprake van aangenaam koele binnentemperaturen. De in de ruimte optredende warmtelasten worden door de koele massieve bouwdelen geabsorbeerd. Via de met koel- resp. verwarmingswater doorstroomde buizen in de massieve betondelen wordt dit buffergedrag nagedaan. Een oneindige buffer ontstaat. 1.5 Fig. 2: BKA betondeel 95

96 Systeemvarianten REHAU-BKA-module Systeemvoordelen snelle montage Variabele module-afmetingen Standaard en speciale geometriën leverbaar Af fabriek afgeperst Systeemcomponenten REHAU-BKA-module REHAU-BKA-bekistingshuis REHAU-BKA-afstandshouder REHAU-BKA-matverbinder / REHAUtrekband REHAU-beschermbuis Buisafmetingen RAUTHERM S RAUTHERM S 17 x 2,0 mm 20 x 2,0 mm 1.5 Fig. 3: REHAU-BKA-module Dankzij de voorgemonteerde REHAU-BKAmodule en de levering af fabriek onder druk, is een snelle montage mogelijk. 1.5 Fig. 4: REHAU-BKA-module op betonnen halffabrikaatvloeren REHAU-BKA lokaal gelegd Systeemvoordelen Flexibele aanpassing van het BKAcircuit aan de gebouwgeometrie Variabele BKA-circuitlengten Eenvoudig buispatroon Systeemcomponenten REHAU-RAUTHERM S-buis REHAU-BKA-bekistingshuis REHAU-persluchtbuisafsluiter REHAU-RAUFIX-rail REHAU-BKA-matverbinder / REHAUtrekband REHAU-beschermbuis REHAU-koppeling REHAU-schuifhuls REHAU-BKA-beschermband Buisafmetingen RAUTHERM S RAUTHERM S 17 x 2,0 mm 20 x 2,0 mm 1.5 Fig. 5: BKA lokaal gelegd Door het leggen van de buizen direct in de bouw kunnen de BKA-circuits flexibel op iedere gebouwgeometrie worden aangepast. 1.5 Fig. 6: BKA lokaal gelegd 96

97 Systeemcomponenten REHAU-BKA-module Bij de REHAU-BKA-modules dubbele meander/enkele meander wordt REHAU-RAU- THERM S-buis, zuurstofdicht conform DIN 4726, met afmetingen 17x2,0 mm of 20x2,0 mm toegepast. De REHAU-RAUTHERM S-buizen worden in het werk vastgezet op de wapeningsmatten met de REHAU-BKA-matverbinders. De REHAU-RAUTHERM S-buis is af fabriek gevuld met 6,0 bar perslucht. De buisuiteinden zijn met de REHAU-persluchtbuisafsluiters afgedicht. 1.5 Fig. 7: REHAU-BKA-module DM Afmetingen module De REHAU-BKA-modules worden afhankelijk van het object in de variabele afmetingen: Modulebreedte: 0, ,0 m Modulelengte: 1,4 m... 6,0 m afhankelijk van: buislegmethode Buisafmetingen Legafstand gefabriceerd. De module-afmetingen zijn vermeld in de tabellen 1 en 2. Op aanvraag kunnen ook standaard modules met afwijkende speciale afmetingen en geometriën worden geleverd. Buislegmethode Er kan tussen de buislegmethoden: Dubbele meander (DM) Enkele meander (EM) worden gekozen. De buislegmethode dubbele meander heeft in vergelijking met de enkele meander een gelijkmatiger temperatuurprofiel over het gehele module-oppervlak. Vooral bij modules met grotere oppervlakken zorgt dit voor een meer homogene temperatuurverdeling in het bouwdeel en tot gelijkmatiger temperaturen aan de bouwdeeloppervlakken. Legafstand Er kan tussen de legafstanden: 15 cm (VA 15) 20 cm (VA 20) worden gekozen. 1.5 Fig. 8: REHAU-BKA-module EM Verbindingsleidingen Iedere REHAU-BKA-module wordt met twee verbindingsleidingen van ieder 5 m lengte voor toevoer en retour geleverd. De verbindingsleidingen zijn tijdens transport aan de rand van de REHAU-BKA-module vastgezet. Ook hier kunnen afwijkende lengte van de verbindingsleidingen op aanvraag door REHAU worden gerealiseerd. Persluchtvulling De uiteinden van de verbindingsleidingen, worden voorzien van een REHAU-persluchtbuisafsluiter uit messing. Dit wordt met een gepatenteerde en onlosbare REHAU-pershulsverbinding uitgevoerd. Af fabriek wordt de REHAU-BKA-module aan een druktest met perslucht onderworpen en met een toevoer- resp. testdruk van 6 bar op de bouwplaats afgeleverd. Veiligheidsinstructie: Voor aansluiting op de verdelerleiding moet de perslucht in de buis gecontroleerd met REHAUpersluchtnippels worden afgelaten. 97

98 Uitleverafmetingen REHAU-BKA-module DM/EM VA 15 Breedte 0,80 m 1,10 m 1,40 m 1,70 m 2,00 m Lengte Module- Actief Module- Actief Module- Actief Module- Actief Module Actief opp. module-opp.opp. module-opp.opp. module-opp.opp. module-opp.opp. module-opp. m m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 1,40 1,12 0,90 1,54 1,26 1,96 1,62 1,55 1,24 1,01 1,71 1,42 2,17 1,82 1,70 1,36 1,13 1,87 1,58 2,38 2,03 2,89 2,48 1,85 1,47 1,24 2,04 1,73 2,59 2,23 3,15 2,72 2,00 1,60 1,35 2,20 1,89 2,80 2,43 3,40 2,97 4,00 3,51 2,15 1,72 1,46 2,37 2,05 3,01 2,63 3,66 3,22 4,30 3,80 2,30 1,84 1,58 2,53 2,21 3,22 2,84 3,91 3,47 4,60 4,10 2,45 1,96 1,69 2,70 2,36 3,43 3,04 4,17 3,71 4,90 4,90 2,60 2,08 1,80 2,86 2,52 3,64 3,24 4,42 3,96 5,20 4,68 2,75 2,20 1,91 3,03 2,68 3,85 3,44 4,68 4,21 5,50 4,97 2,90 2,32 2,03 3,19 2,84 4,06 3,65 4,93 4,46 5,80 5,27 3,05 2,44 2,14 3,36 2,99 4,27 3,85 5,19 4,70 6,10 5,56 3,20 2,56 2,25 3,52 3,15 4,48 4,05 5,44 4,95 6,40 5,85 3,35 2,68 2,36 3,69 3,31 4,69 4,25 5,70 5,20 6,70 6,14 3,50 2,80 2,48 3,85 3,47 4,90 4,46 5,95 5,45 7,00 6,44 3,65 2,92 2,59 4,02 3,62 5,11 4,66 6,21 5,69 7,30 6,73 3,80 3,04 2,70 4,18 3,78 5,32 4,86 6,46 5,94 7,60 7,02 3,95 3,16 2,81 4,35 3,94 5,53 5,06 6,72 6,19 7,90 7,31 4,10 3,28 2,93 4,51 4,10 5,74 5,27 6,97 6,44 8,20 7,61 4,25 3,40 3,04 4,68 4,25 5,95 5,47 7,23 6,68 8,50 7,90 4,40 3,52 3,15 4,84 4,41 6,16 5,67 7,48 6,93 8,80 8,19 4,55 3,65 3,26 5,01 4,57 6,37 5,87 7,74 7,18 9,10 8,48 4,70 3,76 3,38 5,17 4,73 6,58 6,08 7,99 7,43 9,40 8,78 4,85 3,88 3,49 5,34 4,88 6,79 6,28 8,25 7,67 9,70 9,07 5,00 4,00 3,60 5,50 5,04 7,00 6,48 8,50 7,92 10,00 9,36 5,10 4,08 3,71 5,61 5,20 7,14 6,68 8,67 8,17 10,20 9,65 5,25 4,20 3,83 5,78 5,36 7,35 6,89 8,93 8,42 10,50 9,95 5,40 4,32 3,94 5,94 5,51 7,56 7,09 9,18 8,66 10,80 10,24 5,55 4,44 4,05 6,11 5,67 7,77 7,29 9,44 8,91 11,10 10,53 5,70 4,56 4,16 6,27 5,83 7,98 7,49 9,69 9,16 11,40 10,82 5,85 4,68 4,28 6,44 5,99 8,19 7,70 9,95 9,41 11,70 11,12 6,00 4,80 4,39 6,60 6,14 8,40 7,90 10,20 9,65 12,00 11, Tab. 1 Uitleverafmetingen REHAU-BKA-module DM/EM VA 20 Breedte 0,75 m 1) 1,15 m 1,55 m 1,95 m Lengte Module- Actief Module- Actief Module- Actief Module- Actief opp. module-opp.opp. module-opp.opp. module-opp.opp. module-opp m m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 1,40 1,05 0,72 1,61 1,20 2,17 1,68 1,60 1,20 0,84 1,84 1,40 2,48 1,96 1,80 1,35 0,96 2,07 1,60 2,79 2,24 3,51 2,88 2,00 1,50 1,08 2,30 1,80 3,10 2,52 3,90 3,24 2,20 1,65 1,20 2,53 2,00 3,41 2,80 4,29 3,60 2,40 1,80 1,32 2,76 2,20 3,72 3,08 4,68 3,96 2,60 1,95 1,44 2,99 2,40 4,03 3,36 5,07 4,32 2,80 2,10 1,56 3,22 2,60 4,34 3,64 5,46 4,68 3,00 2,25 1,68 3,45 2,80 4,65 3,92 5,85 5,04 3,20 2,40 1,80 3,68 3,00 4,96 4,20 6,24 5,40 3,40 2,55 1,92 3,91 3,20 5,27 4,48 6,63 5,76 3,60 2,70 2,04 4,14 3,40 5,58 4,76 7,02 6,12 3,80 2,86 2,16 4,37 3,60 5,89 5,04 7,41 6,48 4,00 3,00 2,28 4,60 3,80 6,20 5,32 7,80 6,84 4,20 3,15 2,40 4,83 4,00 6,51 5,60 8,19 7,20 4,40 3,30 2,52 5,06 4,20 6,82 5,88 8,58 7,56 4,60 3,45 2,64 5,29 4,40 7,13 6,16 8,97 7,92 4,80 3,60 2,76 5,52 4,60 7,44 6,44 9,36 8,28 5,00 3,75 2,88 5,75 4,80 7,75 6,72 9,75 8,64 5,20 3,90 3,00 5,98 5,00 8,06 7,00 10,14 9,00 5,40 4,05 3,12 6,21 5,20 8,37 7,28 10,53 9,36 5,60 4,20 3,24 6,44 5,40 8,68 7,56 10,92 9,72 5,80 4,35 3,36 6,67 5,60 8,99 7,84 11,31 10,08 6,00 4,50 3,48 6,90 5,80 9,30 8,12 11,70 10, Tab. 2 Grijs gemarkeerde module-afmetingen: standaard afmetingen Niet grijs gemarkeerde module-afmetingen: speciale afmetingen op aanvraag. 1) VA20 modulebreedte 0,75 m DM: speciale afmetingen op aanvraag. 98

99 REHAU-BKA-wapeningskorf REHAU-BKA-S-slang REHAU-BKA-bekistingshuis 1.5 Fig. 9: BKA-wapeningskorf De REHAU-BKA-wapeningskorf uit betonstaal met kunststof voeten is bedoeld voor de hoogtepositionering van de REHAU- BKA-module in de betonvloer. Deze wordt op de bekisting opgesteld. Door het plaatsen van de REHAU-BKA-module is een eenvoudige montage gewaarborgd. 1.5 Fig. 10: REHAU-BKA-S-slang De REHAU-BKA-S-slang uit betonstaal is bedoeld voor de hoogtepositionering van de REHAU-BKA-module in de betonvloer. Deze wordt op de onderste wapening geplaatst. Door het plaatsen van de REHAU-BKAmodule is een eenvoudige montage gewaarborgd. 1.5 Fig. 12: BKA-bekistingshuis Het REHAU-BKA-bekistingshuis uit slagvast polyethyleen is bedoeld voor de doorvoer van de verbindingsleidingen van de REHAU- BKA-module door de betonvloer. Deze kan als afzonderlijk bekistingshuis worden gebruikt en via aangevormde steekverbindingen ook als meervoudig bekistingshuis. Materiaal: BSt 500/550 Staafdikte: 5,5 mm Totale hoogte mm Materiaal: staaldraad Staafdikte: 4 mm Totale hoogte mm Materiaal: Lengte: Breedte: Hoogte: Buis Ø: PE 400 mm 50 mm 60 mm 17x2,0/20x2,0 REHAU-matverbinder REHAU-drilapparaat 1.5 Fig. 13: BKA-matverbinder 1.5 Fig. 14: drilapparaat De REHAU-BKA-matverbinder bestaat uit staaldraad (kunststof mantel). Deze is bedoeld voor de bevestiging van de REHAU-BKA-module op de wapening en voor het vastzetten op de REHAU-BKAafstandshouders. Deze kunnen ook bij de REHAU-betonkernactivering lokaal gelegd worden gebruikt. Het REHAU-drilapparaat uit metaal met kunststof mantel wordt voor optimaal en snel twisten van de REHAU-BKA-matverbinders. Deze wordt gebruikt bij de bevestigingswerkzaamheden van REHAU-BKAmodules en bij de REHAU-betonkernactivering lokaal gelegd. Materiaal: Draad Ø: Lengte: Kleur: staaldraad (kunststof mantel) 1,4 mm 140 mm zwart Materiaal: Lengte: Drilapparaat Ø: Kleur: staal 310 mm 30 mm zwart 99

100 REHAU-trekband REHAU-RAUFIX-rail REHAU-beschermbuis 1.5 Fig. 15: REHAU-trekbanden De REHAU-trekbanden uit polyamide zijn bedoeld voor de bevestiging van de REHAU-BKA-module op de wapening en voor het vastzetten op de REHAU-BKAafstandshouders. Deze kunnen ook bij de REHAU-betonkernactivering lokaal gelegd worden gebruikt. 1.5 Fig. 16: REHAU-RAUFIX-rail De REHAU-RAUFIX-rail zonder weerhaken uit kunststof is bedoeld voor het vastzetten van buizen voor de BKA op betonnen halffabrikaat vloeren. Het buispatroon kan in enkelvoudige of dubbele meander worden uitgevoerd. Legafstanden van veelvouden van 5 cm zijn mogelijk. 1.5 Fig. 17: Beschermbuis De REHAU-beschermbuis uit polyethyleen, wordt gebruikt in de omgeving van dilatatievoegen. Deze kan ook voor de doorvoer aan de bovenzijde van de betonvloer van verbindingsleidingen worden gebruikt. Materiaal: Lengte: Breedte: Kleur: PA 178 m 4,8 mm naturel Materiaal: PP Buis Ø: 17x2,0/20x2,0 Lengte: 1 m* Kleur: zwart * Koppelbaar Materiaal: Binnen Ø: Buiten Ø: Kleur: PE 19/23/29 mm 24/29/34 mm zwart REHAU-persluchtbuisafsluiter REHAU-persluchtsteeknippel REHAU-manometer 1.5 Fig. 18: Persluchtbuisafsluiter De REHAU-persluchtbuisafsluiter is bedoeld voor de druktest en wordt met een REHAU-pershulsverbinding af fabriek op de REHAU-BKA-modules gemonteerd. Bij de REHAU-betonkernactivering lokaal gelegd wordt deze op de bouw gemonteerd. 1.5 Fig. 19: Persluchtsteeknippel De REHAU-persluchtsteeknippel wordt in combinatie met de REHAU-manometer bij de druktest toegepast. De druktesten moeten voor het betonneren en na het verwijderen van het onderste bekistingsoppervlak op de bouwplaats worden uitgevoerd. 1.5 Fig. 20: Manometer De REHAU-manometer wordt in combinatie met de REHAU-persluchtsteeknippel bij de druktesten toegepast. De druktesten moeten voor het beton storten en na het wegnemen van het onderste bekistingsdeel op de bouwplaats worden uitgevoerd. Materiaal: Buis Ø: Lengte: messing 17x2,0/20x2,0 59/58 mm Materiaal: messing Lengte: 33 mm Aansluitleiding: G 1/4 Materiaal: staal Huis Ø: 40 mm Aansluitleiding: G 1/4 100

101 REHAU-schuifhulzen REHAU-koppeling REHAU-BKA-beschermband 1.5 Fig. 21: Schuifhuls De REHAU-schuifhuls, uit verzinkt messing, wordt bij de REHAU-schuifhulsverbinding met de RAUTHERM S-buis op de fittingbody geperst. Zo ontstaat een onlosbare en continu dichte verbinding conform DIN (VOB). Materiaal: Buis Ø: Lengte: messing verzinkt 17x2,0/20x2,0 20 mm 1.5 Fig. 22: Koppeling De REHAU-koppeling is bedoeld voor de verbinding van buisuiteinden bij de REHAUbetonkernactivering lokaal gelegd. In combinatie met de REHAU-schuifhuls is zo een onlosbare en continu dichte verbinding conform DIN (VOB) gewaarborgd. Materiaal: Buis Ø: Lengte: messing verzinkt 17x2,0/20x2,0 53 mm 1.5 Fig. 23: Beschermband De REHAU-beschermband uit zacht polyvinylchloride is bedoeld als bescherming van de REHAU-schuifhulsverbinding tegen direct contact met beton conform DIN Opmerkingen: Iedere REHAU-schuifhulsverbinding in beton moet met REHAUbeschermband, conform DIN 18560, worden ommanteld. Materiaal: Bandbreedte: Bandlengte: Kleur: zacht-pvc 50 mm 33 m rood REHAU-BKA-transportframe Technische gegevens Lengte 4,0m Breedte 1,0 m Hoogte 2,2 m Materiaal Gelakt staal Gewicht 235 kg Het transport van de REHAU-BKA-module vindt plaats op het REHAU-transportframe direct op de bouwplaats. De modules worden meerlaags op de ophangarmen gehangen en geborgd. De transportframes zijn geschikt voor kraantransport op de bouwplaats en voor vervoer met een vorkheftruck. Na het afladen wordt het transportframe teruggezonden. De REHAU-transportframes voldoen aan de strengst mogelijke veiligheidsvoorschriften en voldoen aan de EG-richtlijn 89/392/EWG, appendix II A, van de EG-machinerichtlijn 93/44/EWG, rekening houdend met de EN 292 en DIN deel 1 en 2. Bovendien worden deze jaarlijks gekeurd. 1.5 Fig. 24: REHAU-BKA-transportframe Veiligheidsinstructies: REHAU-BKA-transportframes mogen alleen met een gezekerde lading op de bouwplaats en over het bouwterrein worden verplaatst. 101

102 Montage van de REHAU betonkernactivering Montage REHAU-BKA-module Montage van de REHAU-bekistingen op het onderste bekistingsniveau Lokaal aanbrengen van de onderste wapening Inmeten en bevestigen van de REHAUbekistingen, met de meegeleverde nagels, conform de montagetekeningen die zijn gerelateerd aan de referentie-assen/-punten van het gebouw. 1.5 Fig. 25: Montagestap 1 Opstellen van de REHAU-BKAwapeningskorven op de bekisting Vastzetten van de REHAU-BKAwapeningskorven met de REHAU- BKA-matverbinders op de onderste wapening. 1.5 Fig. 26: Montagestap 2 Uitrichten en vastzetten van de REHAU-BKA-module op de REHAU-BKA-wapeningsbokken Verbindingsleidingen leggen en vastzetten. Verbindingsleidingen volledig in de REHAU-bekistingen steken en vastzetten. Lokaal aanbrengen van de bovenste wapening 1.5 Fig. 27: Montagestap 3 Visuele inspectie uitvoeren. Eerste druktest met 6 bar perslucht uitvoeren. Verbindingsleidingen volledig in de REHAU-bekistingen steken en vastzetten. Controle van het beton storten. Tweede druktest na verwijdering van het onderste bekistingsniveau. Veiligheidsinstructie: Voor aansluiting op de verdelerleiding moet de perslucht in de buis gecontroleerd met REHAU-persluchtnippels worden afgelaten. 1.5 Fig. 28: Montagestap 4 102

103 Montage REHAU-BKA lokaal gelegd Montage van de REHAU-bekistingen op het onderste bekistingsniveau Lokaal aanbrengen van de onderste wapening Inmeten en bevestigen van de REHAUbekistingen, met de meegeleverde nagels, conform de montagetekeningen die zijn gerelateerd aan de referentie-assen/-punten van het gebouw. 1.5 Fig. 29: Montagestap 1 Op de bouwplaats aanleveren, opstellen en bevestigen van de afstandskorven op de onderste wapening. Buizen leggen conform montagetekeningen. De buizen worden gelegd aan de hand van de montagetekening. De buizen worden bevestigd op de afstandskorven op onderlinge afstanden van ca. 0,5 m en in de omgeving van de bochten. 1.5 Fig. 30: Montagestap 2 REHAU-persluchtbuis aan het uiteinde van de verbindingsleidingen aanbrengen. Verbindingsleidingen volledig in de REHAU-bekistingen steken en vastzetten. Eerste druktest met 6 bar perslucht uitvoeren. Visuele inspectie uitvoeren. 1.5 Fig. 31: Montagestap 3 Verbindingsleidingen volledig in de REHAU-bekistingen steken en vastzetten. Controle van het beton storten. Tweede druktest na verwijdering van het onderste bekistingsniveau. Veiligheidsinstructie: Voor de aansluiting op de verdelerleiding moet de perslucht in de buis gecontroleerd met REHAU-pers luchtsteeknippels worden afgelaten. 1.5 Fig. 32: Montagestap 4 103

104 Installatieconcepten met BKA Installatievarianten De verbazingwekkend eenvoudige opbouw van de BKA en de bereikbare koel- en verwarmingscapaciteiten maken implementatie van een groot aantal innovatieve gebouwtechnische installatieconcepten mogelijk. Door een gebouwsimulatie van bijvoorbeeld een fictief referentieproject, dat qua gebruik en grootte typisch is voor een groot aantal kantoorgebouwen, wordt de werking van de volgende installatieconcepten met BKA in verwarmings- en koelbedrijf verklaard: Installatievariant A: Betonkernactivering Ondersteunende installatie voor klimaatregeling Statische verwarmingsvlakken 1.5 Fig. 33: Referentiegebouw Installatievariant B: Betonkernactivering Vensterventilatie Statische verwarmingsvlakken Aanvoerlucht Vloer Afvoerlucht De installatievarianten met BKA worden v.w.b. de gezichtspunten : Belastingsspronggedrag Luchttemperatuurverdeling Luchtstromingsverdeling Behaaglijkheid Rendement Doorsnede X1 Verlichting 180 W Doorsnede X2 Kast geanalyseerd. Voor de beoordeling van de systemen wordt zowel een thermische simulatie als ook een stromingssimulatie uitgevoerd. Vanwege de systeemafhankelijke traagheid van deze techniek is voor de analyse van de BKA het gedrag bij plotselinge belastingswisselingen vooral interessant. Er worden twee situaties onderzocht: Tafel Printer Computer 50 W Tafel 50 W Printer 50 W Printer persoon persoon 100 W 75 W 75 W Printer Printer 100 W 100 W Verlichting 180 W 50 W Printer persoon 75 W Doorsnede Y Situatie 1: Verdubbeling van de interne belasting bij koelen. Situatie 2: Plotseling reductie van de warmtebehoefte in de winter. Het referentiegebouw Het gehele bouwlichaam is in gebruik. Er is geen kelder aanwezig. Specificaties gebouw: Plaats: Essen/D Koellastzone: 3 conform VDI 2078 T max buiten : +32 C T min buiten : -10 C conform DIN 4701 Voorgevel: N/Z-richting Zijgevel: O/W-richting Etages : 4 Gebruiksoppervlak: 1340 m 2 Lengte gebouw: 33,5 m Breedte gebouw: 13,9 m Hoogte gebouw: 13,5 m Bouwgewicht: 876 kg/m 2 zware bouw O/V-verhouding: 0,352 m 2 /m Fig. 34: Plattegrond referentieruimte De referentieruimte In het referentiegebouw wordt een gedefinieerde referentieruimte in een tussenverdieping op het zuiden onderzocht. De dragende vloeren en buitenmuren zijn in de vorm van massieve betondelen uitgevoerd. Tussenmuren zijn in een licht constructie, gipsplaten met steenwolisolatie, uitgevoerd. Ruimtegegevens: Grondoppervlak: 30,4 m 2 Binnenwerkse hoogte :3,0 m Verdiepingshoogte: 3,3 m Ruimtevolume: 90,7 m 3 Vloeren: 28 cm beton 7 cm dekvloer 1 cm plavuizen Binnenmuren: lichte constructie Beglazing G : 0,62 Zonwering Z : 0,25 Gebruikstijd: 8 tot 18 uur Venster Personendichtheid: 1/10m 2 Warmtebehoefte : 1007 W Conf. DIN ,1 W/m 2 Koellast : 1656 W Conf. VDI ,5 W/m 2 De bepaling van de koellast werd uitgevoerd conform VDI 2078 en parallel met het simulatieprogramma TRNSYS voor een hetere dag in juli.

105 kengetallen behaaglijkheid Naast een groot aantal factoren beïnvloedt de thermische behaaglijkheid in zeer grote mate het comfortgevoel in de verblijfszones. Een binnenluchttoestand kan als behaaglijk worden aangemerkt wanneer aan de volgende randvoorwaarden is voldaan: T op-zomer : +27 C T op-winter : = +21 C w +27 C : 0,30 m/s w +21 C : 0,16 m/s TG : 2K ϕ : 30%... 65% x: 11,5 g/kg T op : effectieve binnentemperatuur w : binnenluchtsnelheid TG : temperatuurgradiënt x : absolute luchtvochtigheid ϕ : relatieve luchtvochtigheid Tolerantiebereik voor betonkernactivering Standaard setpointverloop voor klimaatregeling bij koelen Setpointverloop bij verwarmen Buitenluchttemperatuur Bandbreedte setpoint conform DIN 1946 T2 1.5 Fig. 35: Setpoints van de effectieve binnentemperaturen conform DIN 1946 De effectieve binnentemperatuur T op of ook gevoelstemperatuur wordt uit de gemiddelde waarde van de binnenluchttemperatuur en de stralingstemperatuur van de omsluitende oppervlakken van de ruimte afgeleid. Zo wordt er rekening mee gehouden, dat het temperatuurgevoel niet alleen van de binnenluchttemperatuur afhangt maar ook van de stralingsuitwisseling tussen mens en de ruimte omsluitende oppervlakken. DIN1946 deel 2 legt afhankelijk van de buitenluchttemperatuur een bandbreedte vast voor een behaaglijke effectieve binnentemperatuur. Terwijl bij een buitenluchttemperatuur van +26 C de effectieve binnenluchttemperaturen tussen +22 C en +25 C mogen liggen, zijn bij buitenluchttemperaturen van +32 C binnenluchttemperaturen tot +27 C toelaatbaar. In vergelijking met dynamische klimaatregelsystemen is de regeling per ruimte van een exact temperatuur-setpoint afhankelijk van de buitentemperatuur met de betonkernactivering niet mogelijk. De volgende simulaties maken echter wel duidelijk, dat ook met de betonkernactivering bij een deskundig ontwerp zowel in geval van verwarmen als koelen, behaaglijke ruimtetoestanden kunnen worden gerealiseerd. Randvoorwaarden voor de thermische simulatie Opmerking: in de curven van de thermische simulaties worden effectieve temperaturen weergegeven! Koelen Als weersomstandigheden zijn vijf opeenvolgende zomerse dagen gegeven met toenemende temperaturen tot een maximum van +32,5 C. Op de eerste en tweede dag wordt de ruimte gebruikt conform de aannames voor normaal gebruik. In het midden van de periode worden de interne koellasten verdubbeld. In plaats van 1090 W wordt in de ruimte plotseling 2180 W gebruikt. Dit geval kan bijv. optreden, wanneer voor een vergadering 8 extra personen plus een overheadprojector in de ruimte aanwezig zijn. Hier is dus een zelden voorkomend, maar wel realistisch extreem geval aangenomen. De betonkernactivering wordt tijdens koelbedrijf tot het uiterste belast. Opmerking: de randvoorwaarden voor de thermische simulatie voor verwarmingstoepassingen kunnen bij REHAU in Nijkerk worden aangevraagd. Randvoorwaarden stromingssimulatie Opmerking: in de weergaven van de stromingssimulatie worden binnenluchttemperaturen getoond! Koelen De stromingssimulatie in de gedefinieerde referentieruimte werd als voorbeeld voor de hete vijfde dag van de thermische simulatie uitgevoerd. Dag : Tijd: T buiten : T op setp : Atmosfeer: 3 augustus 16 uur +32,5 C +27 C helder Opmerking: de randvoorwaarden voor de stromingssimulatie voor verwarmingstoepassingen kunnen bij REHAU in Nijkerk worden aangevraagd. 105

106 1.5.6 Variant A : BKA / ondersteunende airconditioning / statische verwarmingsvlakken Door de combinatie van de betonkernactivering met een ondersteunende klimaatregeling en statische verwarmingsvlakken wordt: het dynamische systeemgedrag de regeling van de luchtvochtigheid geoptimaliseerd. De installatie voor klimaatregeling bevindt zich alleen tijdens de gebruiksduur van het gebouw tussen 8 en 18 uur in de bedrijfstoestand. De toevoerlucht wordt via luchtinlaten op het vloerniveau de ruimte ingebracht. Deze systemen zijn vanwege de tochtvrije luchtverplaatsing bijzonder geschikt voor de combinatie met betonkernactiveringssystemen. Via roosters vlak onder het plafond in de scheidingswand wordt de lucht uit de ruimte afgezogen. De etageverdeelleidingen voor betonkernactivering en de klimaatregeling bevinden zich in de holle ruimte achter het plafond onder de vloeren. Activeren van de massieve betonvloeren is daarom hier niet zinvol. Betonkernactivering Actief oppervlak: 21,3 m 2 Beleggingsgraad: 70% RAUTHERM S 17x2,0mm Legafstand: 15 cm Legvorm: DM T ruimte : +26 C Koelcapaciteit plafond : 36 W/m 2 Koelcapaciteit vloer : 14 W/m 2 T toevoer koelen : +17 C T ruimte : +21 C Verwarmingscapaciteit plafond : 8 W/m 2 Verwarmingscapaciteit vloer : 5 W/m 2 T toevoer verwarmen : +25 C De oppervlaktegerelateerde data hebben betrekking op het actieve BKA-oppervlak van de referentieruimte. Ondersteunende installatie voor klimaatregeling Ventilatie : 2,5 u-1 alleen buitenlucht T toevoerlucht koelen : + 20 C constant T toevoerlucht verwarmen : + 21 C constant 1.5 Fig. 36: Doorsnede referentieruimte installatievariant A 1.5 Fig. 37: Vloerconstructie BKA doorsnede Interne belastingen: 3 personen 3 PC s, à 150 W 1 printer, 50 W Verlichting 365 W Beglazing: Zonwering: Luchtbehandeling: bevochtigen ontvochtigen verwarmen koelen 106

107 Thermische simulatie Koelen Resultaten: Tijdens normaal bedrijf worden behaaglijke binnentemperaturen van +24 C C bereikt. De max. effectieve binnentemperatuur bij een lastsprong bedraagt +26,5 C. Om de dagelijkse vaste starttemperatuur van +22 C te bereiken, moet de betonkern in de nacht slechts af en toe worden gekoeld. Temperatuur Bedrijfstijd Lastsprong Toelichting: Binnentemperaturen De maximale binnentemperaturen van +24 C C op de eerste en tweede dag liggen tijdens de gebruiksduur bij de bovenste grens van het setpointbereik conform DIN1946. Tijd [uren] Eff. temp. Binnenlucht Buitenlucht Toevoerlucht Setpoint 1.5 Fig. 38: Temperatuurverloop koelen / variant A Bij de lastsprong op de derde dag wordt het setpoint van de effectieve binnentemperatuur conform DIN 1946 slechts met 1,5K... 2,0K overschreden. Vermogen Bedrijfstijd Lastsprong De max. binnentemperatuur bij een lastsprong bedraagt +26,5 C. De tolerantiegrens van de BKA van +27 C wordt niet overschreden. Tijdens normaal bedrijf op de hete vierde en vijfde dag zijn de effecten van de lastsprong al uitgewerkt. De binnentemperatuur van ca.+25 C ligt binnen het setpointbereik. De vaste dagelijkse starttemperatuur van het systeem van +22 C ligt bij aanvang van de gebruikstijd bij de onderste grenswaarde van het setpointbereik. Kenmerken De vooruitziende regelstrategie van de betonkernactivering regelt de bedrijfstijd van het systeem zodanig, dat de dagelijkse startwaarde van +22 C wordt bereikt. Tijd [uren] Interne warmtelasten Zonnestraling Ventilatie Water BKA 1.5 Fig. 39: Vermogensverloop koelen / variant A Totaal warmtelasten Om dagelijks deze behaaglijke startvoorwaarden te kunnen waarborgen, is af en toe koelen van de betonkern gedurende de nacht noodzakelijk. Extra warmtebelastingen overdag, zoals bijv. de verhoogde interne koellasten, worden door af en toe in bedrijf komen van de betonkernactivering in de tijd verschoven afgebouwd. De vooruitziende regeling van de betonkernactivering deactiveert op tijd in de nacht het actieve buffersysteem, om onderkoeling van de ruimte aan het begin van de gebruikstijd te voorkomen. De koelcapaciteit van de ondersteunende klimaatregeling dempt het pendelen van de binnentemperatuur bij een lastsprong. Het zelfregeleffect van het systeem zorgt voor de variërende vermogensafgifte van de betonkernactivering. Er wordt een van de binnentemperatuurvariatie afhankelijk, golfachtig verloop van het koelvermogen van de betonkernactivering ingesteld. Het door het massieve bouwdeel afgegeven koelvermogen is in de eerste plaats proportioneel met het temperatuurverschil. De kortstondige vermogenstoename van de betonkernactivering is terug te voeren op de toegenomen binnentemperatuur. Opmerking: de thermische simulatie voor verwarmingstoepassingen voor variant A kan bij REHAU in Nijkerk worden aangevraagd. 107

108 Stromingssimulatie koelen Resultaten: Op ooghoogte worden behaaglijke effectieve binnentemperaturen van +24 C C bereikt. De luchtsnelheden in de verblijfzone van <0,1m/s voldoen aan de behaaglijkheidscriteria. De luchtvochtigheid kan door de installatie voor klimaatregeling worden geregeld. Er ontstaat een verticale temperatuurgradiënt in de verblijfzone van 4K. Toelichting: Binnentemperaturen De voor een tochtvrij oppervlaktekoelsysteem karakteristieke onderling horizontaal duidelijk begrensde luchtlagen worden gevormd. 1.5 Fig. 40: Verticale doorsnee Y stromingssimulatie / koelen Tot een hoogte van ca. 1,0 m ontstaat een aangenaam koele luchtlaag met binnentemperaturen tussen +23 C en +25 C. De binnenluchttemperaturen op ooghoogte, d.w.z. 1,35 m boven de vloer, liggen tussen +25 C en +27 C. De op ooghoogte werkelijk ervaren effectieve binnentemperatuur ligt tussen +24 C en +26 C. Het setpoint van de BKA van +27 C wordt niet overschreden. Door de luchtinlaten vormt zich tot in het midden van de ruimte over de vloer een luchtlaag met een temperatuur tussen +20 C en +22 C. Oppervlaktetemperaturen Het systeem bereikt de volgende oppervlaktetemperaturen: Vloer: +23 C C Plafond: +21 C C In vergelijking tot koelplafonds, die oppervlaktetemperaturen van ca. +17 C hebben, is het risico van dauwpuntonderschrijding bij de betonkerntemperering duidelijk minder. 1.5 Fig. 41: Verticale doorsnee X1 stromingssimulatie / koelen Luchtsnelheden De binnenluchtsnelheid in de verblijfzone tot een hoogte van ca. 1,5m bedragen <0,1m/s en liggen duidelijk onder de behaaglijkheidsgrenswaarde van 0,3 m/s voor binnenluchtsnelheden tijdens koelen. In de referentieruimte ontstaan drie binnenluchtcirculaties die worden veroorzaakt door de aanwezige warmtebronnen (drie PC's op de werkplekken). Direct boven deze warmtebronnen ontstaan niet-kritische warmeluchtstromingen naar het plafond met een snelheid tot max. 0,25m/s. De luchtinlaten veroorzaken plaatselijk bij de vloer acceptabele luchtsnelheden tot max. 0,2 m/s. Temperatuurgradiënt Met een verticale temperatuurgradiënt van 4K in de verblijfzone tot een ruimtehoogte van ca. 1,8 m voldoet het systeem niet aan de behaaglijkheidseisen. Opmerking: de stromingssimulatie voor verwarmingstoepassingen voor variant A kan bij REHAU in Nijkerk worden aangevraagd. 108

109 2.5.7 variant B: BKA / vensterventilatie / radiator Bij deze installatievariant moet de gehele warmtebehoefte van de referentieruimte door de systeemcombinatie betonkernactivering en statische verwarmingsvlakken worden gedekt. Door de conventionele radiatoren worden in de winter: het dynamische systeemgedrag en de verwarming tijdens extreme koudeperiodes verbeterd. De noodzakelijke buitenluchtventilatie wordt als stootventilatie door af en toe openen van de ramen gerealiseerd. Deze vensterventilatie wordt alleen tijdens de gebruikstijd van het gebouw uitgevoerd. De statische verwarmingsvlakken bevinden zich bij de borstwering. Systeemgegevens: Betonkernactiveren Actieve oppervlakken: 21,3 m 2 Bezettingsgraad: 70 % RAUTHERM S : 17x2,0 mm Buispositie: neutrale zone Legafstand: 15 cm Legvorm: DM T kamer : +26 C Koelcapaciteit plafond : 36 W/m 2 Koelcapaciteit vloer : 14 W/m 2 T Toevoer koelen : +17 C T kamer : +21 C Verwarmingsvermogen plafond : 19 W/m 2 Verwarmingsvermogen vloer : 12 W/m 2 T toevoer verwarmen +28 C De oppervlaktegerelateerde data hebben betrekking op het actieve BKA-oppervlak van de referentieruimte. Vensterventilatie: Luchtverversing: 1,25h -1 alleen buitenlucht T toevoer winter : variabel tot -14 C T toevoer zomer : variabel tot +32,5 C 2.5 Fig. 42: Doorsnede referentieruimte 2.5 Fig. 43: Vloerconstructie BKA doorsnede Interne lasten 3 personen 3 PC s à 150 W 1 printer à 50 W Verlichting 365 W Beglazing: Zonwering: 109

110 Thermische simulatie Koelen Temperatuur Bedrijfstijd Resultaten: De effectieve binnentemperaturen van +24 C t/m +26 C liggen tijdens normaal bedrijf bij de bovenste grenswaarde van het setpointbereik. Lastsprong De max. effectieve binnentemperatuur bij een lastsprong bedraagt +27,5 C. In extreme situaties is een 24-uurs bedrijf van de betonkernactivering noodzakelijk, om de starttemperatuur voor de volgende dag te waarborgen. Toelichting: Binnentemperaturen De maximale binnentemperaturen van de eerste en tweede gemiddeld warme dagen liggen met +24,5 C en +25,5 C binnen het setpointbereik. Het setpoint conform DIN 1946 deel 2 wordt bij een lastsprong met 2,5 K overschreden. De maximale binnentemperatuur van +27,5 C ligt 0,5K boven de tolerantiegrens van de betonkernactivering. Tijd [uren] Eff. temp. Binnenlucht Buitenlucht Setpoint 1.5 Fig. 44: Temperatuurverloop koelen / variant B Vermogen Bedrijfstijd Lastsprong Tijdens normaal bedrijf op de hete vierde en vijfde dag zijn de effecten van de lastsprong al uitgewerkt. De maximale binnentemperaturen liggen met +26 C en +27 C onder de toegestane setpoints. De vaste dagelijkse starttemperatuur van het systeem van +22 C ligt bij aanvang van de gebruikstijd bij de onderste grenswaarde van het setpointbereik. Kenmerken De vooruitziende regelstrategie van de betonkernactivering heeft als doel deze dagelijkse startwaarde te realiseren. Tijd [uren] Om behaaglijke starttemperaturen te kunnen waarborgen, is koelen van de betonkern gedurende de nacht van de eerste en tweede dag noodzakelijk. Interne warmtelasten Ventilatie Zonnestraling Totaal warmtelasten Water BKA 1.5 Fig. 45: Vermogensverloop koelen / variant B De tijdens het verloop van de dag in de ruimte actief wordende warmtebelastingen worden door het verlengd bedrijf van de betonkernactivering tot na de bedrijfstijd gecompenseerd. De vooruitziende" regeling van de betonkernactivering deactiveert gedurende de nachten van de gemiddeld warme eerste en tweede dag het actieve buffersysteem kortstondig, om onderkoeling van de ruimte aan het begin van de gebruikstijd te voorkomen. Voor het waarborgen van de temperatuurverhoudingen op de hete vierde en vijfde dag is echter 24-uurs bedrijf van de betonkernactivering noodzakelijk. Alleen door continue 24-uurs bedrijf van het actieve buffersysteem kunnen de warmtebelastingen door de lastsprong op de derde dag en de verhoogde buitentemperaturen van de vierde en de vijfde dag worden gecompenseerd. Het zelfregeleffect van het systeem zorgt voor de variërende vermogensafgifte van de betonkernactivering. Er wordt een van de binnentemperatuurvariatie afhankelijk, golfachtig verloop van het koelvermogen van de betonkernactivering ingesteld. Opmerking: de thermische simulatie voor verwarmingstoepassingen voor variant B kan bij REHAU in Nijkerk worden aangevraagd. 110

111 Stromingssimulatie koelen Resultaten: De luchtsnelheden in de verblijfzone van <0,1m/s voldoen aan de behaaglijkheidscriteria. De effectieve binnentemperatuur op ooghoogte ligt tussen +27 C en +29 C. Er ontstaat een verticale ruimtetemperatuurgradiënt in de verblijfzone van 5K. De luchtvochtigheid kan door de vensterventilatie niet worden geregeld. Toelichting: Binnentemperaturen De voor een tochtvrij oppervlakteverwarmingssysteem karakteristieke onderling horizontaal duidelijk begrensde luchtlagen worden gevormd. 1.5 Fig. 46: Verticale doorsnee Y stromingssimulatie / koelen Tot een afstand van ca. 7 cm boven de vloer vormt zich een luchtlaag met een temperatuur van +24 C t/m +26 C. De binnenluchttemperaturen op ooghoogte, d.w.z. 1,35 m boven de vloer, liggen tussen +28 C en +30 C. De in zittende positie op ooghoogte werkelijke gevoelstemperatuur ligt tussen +27 C en +29 C effectieve binnentemperatuur. Het setpoint conform DIN1946 wordt plaatselijk met 2K overschreden. Vanaf een ruimtehoogte van ca. 2 m ontstaan binnenluchttemperaturen van >+30 C. 1.5 Fig. 47: Verticale doorsnee X2 stromingssimulatie / koelen Oppervlaktetemperaturen Het systeem bereikt de volgende oppervlaktetemperaturen: Vloer: +22 C C Plafond: +20 C C In vergelijking tot koelvloeren die oppervlaktetemperaturen van ca. +17 C hebben, is het risico voor dauwpuntonderschrijding bij de betonkernactivering duidelijk minder. Luchtsnelheden De binnenluchtsnelheid in de verblijfzone tot een hoogte van ca. 1,5m bedragen <0,1m/s en liggen duidelijk onder de behaaglijkheidsgrenswaarde van 0,3 m/s voor binnenluchtsnelheden tijdens koelen. In de referentieruimte ontstaan drie binnenluchtcirculaties die worden veroorzaakt door de aanwezige warmtebronnen (drie PC's op de werkplekken). Direct boven deze warmtebronnen ontstaan niet-kritische warmeluchtstromingen naar het plafond met een snelheid tot max. 0,35m/s. De invloed van de geopende vensters is in de buurt van de gevel is herkenbaar in de bovenhoek van de referentieruimte. Buitenlucht met een temperatuur van +32,5 C stroomt de ruimte binnen, koelt aan het plafond af en vormt daar binnenluchtcirculatie. Temperatuurgradiënt Met een verticale binnentemperatuurgradiënt van ca. 5,0K voldoet het systeem in de verblijfzone tot een ruimtehoogte van ca. 1,5 m niet aan de behaaglijkheidseisen. Opmerkingen: de stromingssimulatie voor verwarmingstoepassingen voor variant B kan bij REHAU in Nijkerk worden aangevraagd. 111

112 1.5.8 Ontwerpinstructies Bouwkundige voorwaarden Belastingsprofiel Gelijkmatig belastingsprofiel tijdens verwarmen en koelen. Een gelijkmatig belastingsprofielverloop bij verwarmen en koelen is een basisvoorwaarde voor het effectief toepassen van betonkernactivering. De interne lasten kunnen tijdens normaal bedrijf van een kantoorgebouw als constant worden aangenomen. De belastingsvariaties worden door meteorologische inwerkingen veroorzaakt. Door optimalisatie van het gebouw op de punten ramen zonwering overdrachtswarmte-isolatie kunnen deze storende invloeden aanmerkelijk worden gereduceerd. Vensters k venster : 1,0 bis 1,3 W/m 2 K Door het hoge beglazingsaandeel van kantoorgebouwen wordt met warmtedoorgangscoëfficiënten van vensteroppervlakken tussen 1,0-1,3 W/m 2 K een aanmerkelijke bijdrage aan de reductie van de overdrachtswarmtebehoefte gerealiseerd en daarmee aan de vereffening van het belastingverloop. Zonwering b Zonwering : 0, ,20 Door externe zonweringsinstallaties met een gemiddelde doorlaatfactor b van 0, ,2 kan de zomerse storende invloed van zonnestralen op de ruimte met max. 85% worden gereduceerd. Buiten gemonteerde metalen jaloezieën met een openingshoek van 45 hebben een b-factor van 0,15. Bij binnen liggende zonwerende maatregelen zoals bijv. stoffen zonneschermen, kan dit afschermeffect niet worden bereikt. Verwarmingslast Q h DIN 4701 : 40W/m 2 tot 50W/m 2. Door de verbetering van de overdrachtswarmte-isolatie van externe bouwdelen moet een warmtebehoefte van moderne kantoorgebouwen tussen 40W/m 2 en 50W/m 2 worden gerealiseerd. Met gemiddelde verwarmingsvermogens van de betonkernactivering van 25W/m 2 tot 30W/m 2, afhankelijk van de vloerconstructie, kan een bijdrage van de betonkernactivering aan de warmtebehoefte tot 75% worden bereikt. Koellast Q n VDI 2078 : tot 60W/m 2 Kantoorgebouwen die normaal worden gebruikt hebben koellasten tot 60W/m 2. Met een gemiddelde koellast van de betonkernactivering van 35W/m 2 tot 50W/m 2, afhankelijk van de vloerconstructie, kan een bijdrage van de betonkernactivering aan de koellast tot 80% worden gerealiseerd. Ruwe vloer s ruwe vloer : Materiaal: 25cm tot 30cm normaal beton De beste buffereffecten van de betonkernactivering worden bereikt met diktes van de ruwe vloer van 25 tot 30 cm. Om de dampdiffusie in massieve bouwdelen te minimaliseren, moeten geactiveerde betonvloeren uit normaal beton conform DIN 1045 met een dichtheid tussen 2,0 t/m 3 en 2,8 t/m 3 worden uitgevoerd. Verlaagde plafonds Geen verlaagde, gesloten plafonds in geactiveerde zones. In de omgeving van geactiveerde plafonds is de installatie van verlaagde gesloten plafonds niet toegestaan. De montage van open verlaagde plafonds moet in elk afzonderlijk geval worden gecontroleerd. Ruimte-akoestiek Akoestische maatregelen in grote kantoorruimten verdienen aanbeveling. Geluidsabsorberende verlaagde plafonds zijn in geactiveerde zones niet toegestaan. Vooral in grote kantoorruimten en hallen moet worden gecontroleerd, of maatregelen voor de optimalisatie van de akoestiek noodzakelijk zijn. Gebruik gebouw Gebruiksgedrag Starre binnentemperaturen zijn bij verwarmen en koelen niet mogelijk. De gebruiker van het gebouw moet in geval van koelen op extreem hete, heldere dagen met hoge buitentemperaturen van ca. +32 C het verschuiven van de effectieve binnentemperatuur in de verblijfzone: a) bij installatieconcepten met ondersteunende klimaatregeling volgens variant A tot ca. +27 C en b) bij installatieconcept met vensterventilatie volgens variant B tot ca. +29 C accepteren. Gebruikersstructuur homogene gebruikersstructuur Optimale condities voor een installatieconcept met BKA zijn gegeven bij een homogeen, gelijksoortig gebruik van het bouwlichaam. Dit betekent: a) gelijksoortige gebruikers van het gebouw b) gelijksoortige gebruikswijze Het gelijksoortig gebruik van een gebouw, bijv. alleen verkooppunt of alleen kantoorgebouw, heeft een positieve invloed op een gelijkvormig belastingverloop. Installatieconcepten met BKA in gebouwen met verschillende gebruikers op gelijke etages zijn ook uitvoerbaar. Echter al in de ontwerpfase is dan een gefundeerde onderzoek van de a) verwarmingskostenberekening b) zone-indeling noodzakelijk. 112

113 Gebouwentechniek Zone-indeling Geen regeling per afzonderlijke ruimte, maar zone-indeling van het gebouw. De thermostaatregeling, zoals die bij vloerkoelsystemen wordt gebruikt, is vanwege de systeemtraagheid van betonkernactivering niet mogelijk. De indeling van het bouwlichaam in regelzones met gelijksoortige belastingsverlopen is echter wel mogelijk. [ m ] tapijt Teppich 0,015 dekvloer Estrich 0,100 Dämmung isolatie 0,025 beton Beton 0,250 Gemiddelde statische belastingen [W/m 2 - actieve oppervlakken] Mittlere statische Leistungen [W/m 2 - aktive Fläche] verwarmen Heizen 20 C 20,5 C 24,0 C Kühlen koelen 26 C 25,4 C 23,0 C verwarmen Heizen 28/25 RAUTHERM S 17x2,0 VA15 Kühlen koelen 18/21 Tvor/Trück [ C ] vloer Boden 5,10 4,60 plafond Decke 24,00 33,80 totaal Gesamt 29,10 38,40 Bij de indeling van een gebouw in een noord- en zuidzone kunnen deze delen van verschillende toevoertemperaturen en massastromen worden voorzien. 1.5 Fig. 48: Vloerconstructie 1 [ m ] 20,6 C tapijt Fliese 0,020 dekvloer Estrich 0,100 25,2 C Bedrijfsparameters T toevoer verwarmen : +27 C C T toevoer koelen : +16 C C Dämmung isolatie 0,025 beton Beton 0,250 24,0 C 23,0 C vloer Boden 6,20 5,50 plafond Decke 23,90 33,70 totaal Gesamt 30,10 39,20 Door de keuze van het toevoertemperatuurniveau kan bij verwarmen het sterk doorslaan van de binnentemperatuur worden voorkomen. Om ontstaan van condenswater op de oppervlakken van de geactiveerde bouwdelen bij koelen te voorkomen, mag de toevoertemperatuur tijdens de zomer niet lager dan +16 C worden gekozen. Kenmerken De in de tabel weergegeven capaciteiten zijn statische verwarmings- en koelcapaciteiten. De statische capaciteiten gelden voor de in de schetsen getoonde vloerconstructies en thermische randvoorwaarden. Opmerking: Om het effect van de betonkernactivering om een bouwlichaam voor verwarmen en koelen goed te kunnen beoordelen, is het uitvoeren van een thermische simulatie en een stromingssimulatie zinvol! 1.5 Fig. 49: Vloerconstructie 2 [ m ] 21,3 C tapijt Teppich 0,010 dekvloer Estrich 0,070 beton Beton 0,280 23,7 C 1.5 Fig. 50: Vloerconstructie 3 [ m ] tapijt Teppich 0,010 20,6 C houten Holzplatte vloer 0,020 dubbel Doppel vloer boden 0,100 beton Beton 0,250 24,0 C 1.5 Fig. 51: Vloerconstructie 4 24,3 C 23,2 C 25,2 C 23,0 C Boden vloer 14,70 12,20 Decke plafond 22,10 31,20 Gesamt totaal 36,80 43,40 vloer Boden 6,40 5,12 plafond Decke 23,80 33,60 totaal Gesamt 30,30 39,30 Vanwege de systeemtraagheid van de betonkernactivering kunnen binnentemperatuurontwikkelingen alleen op basis van simulaties worden beoordeeld. 113

114 Hydraulische aansluitvarianten Verdeleraansluiting Net zoals bij de REHAU-vloerverwarming en -koeling kan de aansluiting van het REHAU- BKA-circuit via een BKA-verdeler op het leidingnet van de verdeelleidingen worden uitgevoerd. Gebruik van kogelkranen en regelventielen verdient aanbeveling voor afsluiting en inregeling. Bij de configuratie moet op het volgende worden gelet: max. Drukverlies van 300 mbar per BKAcircuit nagenoeg even grote BKA-circuits. ➀ Aanvoer ➁ Retour ➂ Regel- en afsluitventiel ➃ Verdelerbalk ➄ Afsluitventiel ➅ BKA-circuit 1.5 Fig. 52: schematische weergave verdeleraansluiting Twee-leidingensysteem Tichelmann Bij het twee-leidingensysteem volgt de aansluiting van ieder BKA-circuit direct op de verdeelleidingen. Gebruik van kogelkranen en aflaatbare regelventiel voor afsluiten, aftappen en inregelingen verdient aanbeveling. Door het buispatroon van de verdelerleidingen in de Tichelmann-methode wordt een nagenoeg gelijkmatig drukverlies gerealiseerd. Bij de configuratie moet op het volgende worden gelet: max. drukverlies van 300 mbar per BKAcircuit nagenoeg even grote BKA-circuits. ➀ Aanvoer ➁ Retour ➂ Regel- en afsluitventiel ➃ Afsluitventiel ➄ BKA-circuit 1.5 Fig. 53: schematische weergave twee-leidingensysteem Drie-leidingensysteem Om een grotere flexibiliteit van de BKA afhankelijk van de benodigde koel- en verwarmingscapaciteit te waarborgen wordt het drie-leidingensysteem toegepast. Hier kan per BKA-circuit tussen twee verschillende toevoertemperatuurniveaus, via een driewegventiel, worden omgeschakeld. Het systeem heeft een gemeenschappelijke retourleiding. Bij de configuratie moet op het volgende worden gelet: max. drukverlies van 300 mbar per BKAcircuit nagenoeg even grote BKA-circuits. Opmerking: De hydraulische inregeling van het BKA-circuit en het gehele leidingnet is bij iedere aansluitvariant noodzakelijk. ➀ Aanvoer 1 1a Aanvoer 2 ➁ Retour ➂ Regel- en afsluitventiel ➃ Verdelerbalk ➄ Afsluitventiel ➅ Driewegventiel ➆ BKA-circuit 1.5 Fig. 54: schematische weergave drie-leidingensysteem 114

115 BKA-uitvoeringsvoorbeelden Project: Campus Niederrad (D) Gebruik: Kantoorgebouwen BKA-oppervlak: m 2 Buisafmeting: RAUTHERM S 20 x 2,0 mm Legvorm: BKA-module/enkele meander Aansluitleiding: met verdeler op de verdeelleidingen (tweeleidingensysteem) 1.5 Fig. 55: Campus Niederrad Project: Messeturm Basel (CH) Gebruik: hotel en kantoorgebouw BKA-oppervlak: m 2 Buisafmeting: RAUTHERM S 20 x 2,0 mm Legvorm: BKA-module/enkele meander Aansluitleiding: met verdeler op de verdeelleidingen (drie-leidingensysteem) 1.5 Fig. 56: Messeturm Basel Project: Rostlaube FU Berlin (D) Gebruik: bibliotheek BKA-oppervlak: m 2 Buisafmeting: RAUTHERM S 17 x 2,0 mm Legvorm: BKA-module/dubbele meander Aansluitleiding: directe aansluiting van het BKA-circuit op de verdeelleidingen (twee-leidingensysteem) 1.5 Fig. 57: Rostlaube FU Berlin / Foto met vriendelijke toestemming van de Freien Universität Berlin 115

116 Visuele afname en druktestprotocol van de REHAU-betonkernactiveren voor REHAU-BKA-module en REHAU-betonkernactiveren lokaal gelegd voor het betonneren Bouwplan: Straat: Postcode/plaats 1. Visuele afname De controle van de in de tabel genoemde BKA-modules/BKA-circuits omvat de volgende criteria: 1.) Vastzetten en positioneren van de bekistingen aan de hand van geldige montagetekeningen. 2.) Module- resp. buispatroon leggen aan de hand van geldige montagetekeningen 3.) Vastzetten en leggen van de verbindingsleidingen en de volledige invoer daarvan in de bekistingen. 4.) Geen zichtbare beschadigingen resp. lekkages aan de BKA-modules/BKA-circuits. 2. Druktest De druktest heeft betrekking op de in de tabel genoemde BKA-modules/BKA-circuits. De volgende procedure bij de lekdichtheidstest heeft betrekking op BKA-modules/BKA-circuits die op de bouwplaats worden gevuld en worden gecontroleerd op lekkage. Bij BKA-modules die af fabriek onder druk staan hoeft alleen een drukcontrole te worden uitgevoerd. a. Testmedium opbrengen (de testdruk moet het dubbele van de bedrijfsdruk resp. min. 6 bar zijn). b. Druk na 2 uur nogmaals activeren, omdat een drukval door uitzetting van de buizen mogelijk is. c. Beproevingstijd 12 uur d. De dichtheid is gegeven, wanneer op geen enkele plaats in het leidingwerk testmedium uittreedt en de beproevingsdruk met niet meer dan 1,5 bar is afgenomen. Opmerkingen: gedurende de gehele betonneerprocedure moeten de BKA-modules/BKA-circuits onder de testdruk blijven staan, zodat lekkages kunnen worden herkend. Module Gebouw- Etage Module- Lengte Breedte Inbouwpos. Geteste Opmerkingen nr. deel type (m) (m) BKA-mod./ druk BKA-circuit (bar) 3. Bevestiging De visuele afname en de lekdichtheidstest is correct conform het testprotocol uitgevoerd. Plaats: Datum: Uitvoerende firma BKA: Opzichter TGA / opdrachtgever: 116

117 Visuele afname en druktestprotocol van de REHAU-betonkernactiveren voor REHAU-BKA-module en REHAU-betonkernactiveren lokaal gelegd na het betonneren Bouwplan: Straat: Postcode/plaats 1. Visuele afname De controle van de in de tabel genoemde bekistingen omvat de volgende criteria: 1.) Toestand verbindingsleiding in de bekisting 2.) Toestand van de druktestinrichting 2. Druktest De druktest heeft betrekking op de in de tabel genoemde BKA-modules/BKA-circuits. Module Gebouw- Etage Module- Lengte Breedte Inbouwpos. Geteste Opmerkingen nr. deel type (m) (m) BKA-mod./ druk BKA-circuit (bar) 3. Bevestiging De visuele afname en de lekdichtheidstest is correct conform het beproevingsprotocol uitgevoerd. Plaats: Datum: Uitvoerende firma BKA: Opzichter TGA / opdrachtgever: 117

118 Notities: 118

119 1.6 Speciale toepassingen Systemen/ontwerpen REHAU-industriële vloerverwarming Systeemvoordelen Eenvoudige en snelle montage Aangenaam vloeroppervlak Gelijkmatig temperatuurprofiel Geringe luchtsnelheden Geen stofopdwarreling Optimale vrijheid bij het vormgeven van de ruimte Lage bedrijfstemperaturen Geschikt voor warmtepomp- en zonne-energie-installaties Geen onderhoudskosten Systeemcomponenten REHAU-industriële verdeler REHAU-trekbanden 4,8x178 REHAU-RAUFIX-rail REHAU-RAILFIX-rail REHAU-bevestigingskram Buisafmetingen RAUTHERM S 20 x 2,0 mm RAUTHERM S 25 x 2,3 mm Systeemtoebehoren REHAU-buisgeleidingsbochten Systeembeschrijving REHAU-industriële verdeler Verdeler en hoofdleiding uit messing buis met ontluchtingsventiel en KFE-kraan. Elk verwarmingscircuit is afsluitbaar met een kogelkraan in de toevoer en een fijnregelkraan (voor hydraulische inregeling van iedere verwarmingscircuit) in de retour. Gemonteerd op de wand op een geluidgedempte, verzinkte, robuuste console. 1.6 Fig. 1 Vloerverwarming in een industriële hal De REHAU-industriële vloerverwarming wordt in de betonnen vloerplaat in een parallelle legvorm gemonteerd. In de standaard uitvoering worden de verwarmingsbuizen met REHAUtrekbanden op de wapeningselementen bevestigd en op de REHAU-industriële verdeler aangesloten. REHAU-RAUFIX-rail Klemrail uit polypropyleen voor de bevestiging van de RAUTHERM S buis 20x2,0 mm. Voorgevormde weerhaken aan de onderzijde. Aan beide zijden verlengbaar via geïntegreerde klikverbinding. Mogelijke legafstanden: 5 cm en veelvouden daarvan. Buisverhoging: 5 mm. REHAU-RAILFIX-rail Klemrail uit PVC voor de bevestiging van de RAUTHERM S buis 25x2,3 mm. Mogelijke legafstanden: 10 cm en veelvouden daarvan. Buisverhoging: 10 mm. 1.6 Fig. 4: REHAU-RAUFIX-rail 1.6 Fig. 2: REHAU-industriële verdeler REHAU-trekband Voor een betrouwbare bevestiging van de verwarmingsbuizen op de wapeningselementen van de vloerplaat. Materiaal: PA Temperatuurbestendigheid: C REHAU-bevestigingskram Voor de bevestiging van de RAUFIX- resp. RAILFIX-rail op de isolatie. Kleur rood. 1.6 Fig. 5: REHAU-RAILFIX-rails REHAU-buisgeleidingsbochten Voor exacte bochtvorming van de verwarmingsbuis bij aansluiting op de verdeler. Materiaal: polyamide Kleur: zwart 1.6 Fig. 6: REHAU bevestigingskram 1.6 Fig. 3: REHAU-trekbanden 1.6 Fig. 7: REHAU-buisgeleidingsbochten 119

120 Vloerconstructie Vloerplaat De REHAU-industriële vloerverwarming kan in vloerplaten uit staal-, span-, staalvezel- en vacuümbeton (met cement als bindmiddel) worden ingebouwd. Een uitzondering vormen geperst beton en alle asfaltbetonsoorten (koud of warm gelegd). Het soort gebruik van de industriële hal en de daaruit resulterende nuttige en werkbelastingen beïnvloeden de dimensionering van de REHAU-industriële vloerverwarming niet maar alleen de statische dimensionering van de vloerplaat. Daarom mag de constructie van de vloerplank, rekening houdend met de bovengenoemde belastingen en de kwaliteit van de ondergrond en de grondwaterstand, alleen door een staticus worden gedimensioneerd. De staticus bepaalt ook de positie van de verwarmingsbuizen in de vloerplank en de voeglocaties. Bij met stalen matten gewapende vloerplaten kan over het algemeen de onderste wapening als buisdrager worden gebruikt, d.w.z. de verwarmingsbuizen worden direct op de matten van het onderste wapeningsniveau bevestigd met REHAU-trekbanden. Pas dan worden de afstandskorven en de bovenste wapeningsmatten gemonteerd. Deze standaard oplossing (zie figuur) heeft een aantal voordelen: - Eenvoudige montage - Geen extra kosten voor buisdraagelementen - Grotere "aanboorvrijheid Wanneer door de staticus het leggen van de verwarmingsbuis in de neutrale zone wordt gewenst, dan moet de speciale oplossing (zie figuur) worden gebruikt. De verwarmingsbuizen worden op de dwarsstaven van de speciaal bestelde afstandskorven gemonteerd. Deze functioneren tevens als afstandshouder voor de later te leggen bovenste wapeningsmatten. In staalvezelbetonplaten wordt de klassieke wapening van de platen (matten, staven) vervangen door toevoeging van stalen vezels. Om de geplande legafstanden van de verwarmingsbuizen te waarborgen, moeten extra bevestigingselementen worden toegepast. De eenvoudigste en vaak gebruikte oplossing is hier de REHAU-RAUFIX-rail voor de buis RAUTHERM S 20x2,0 en de REHAU- RAILFIX-rail voor de buis RAUTHERM S 25x2,3 mm (zie figuur). Indien gewenst kunnen de klemrails worden vervangen door een draagmat. Betonplaat Ondergrond 1.6 Fig. 8: Met stalen matten gewapende vloerplank; standaard constructie verwarmingsbuizen op de onderste wapeningsmat gemonteerd. Betonplaat Ondergrond 1.6 Fig. 9: Met stalen matten gewapende vloerplank; speciale constructie verwarmingsbuizen in het midden van de plaat gemonteerd. Vezelbetonplaat Ondergrond 1.6 Fig. 10: Met stalen vezels gewapende vloerplank; speciale constructie verwarmingsbuizen op de klemrail gemonteerd. 120

121 Scheidings- en glijlagen Om het binnendringen van aanmaakwater in de isolatielaag resp. in de draaglaag te voorkomen, worden deze met een scheidingslaag (bijv. een laag polyethyleenfolie) afgedekt. Om de wrijving tussen de vloerplank en de draaglaag te voorkomen worden zogenaamde glijlagen toegepast (bijv. twee lagen polyethyleenfolie). Normaal gesproken wordt de scheidings- resp. glijlaag in de bouw gelegd. warmte-isolatie De sinds februari 2002 geldende verordening EnEV maakt onderscheid ( 1, deel 1 en 2) tussen: 1. Gebouwen met normale binnentemperaturen en 2. Gebouwen met lage binnentemperaturen Ad 1. In gebouwen met normale binnentemperaturen (EnEV, 2, deel 1 en 2, d.w.z. met een binnentemperatuur van 19 C en meer, jaarlijks meer dan 4 maanden verwarmd) mat de warmtegeleidingsweerstand van de isolatie onder de vloerplaat R λ (EN 1264 deel 4) de volgende waarde niet onderschrijden: - Bij vloerplaat t.o.v. verwarmde ruimte R min 0,75 (m 2 K)/W - Bij vloerplaat t.o.v. onverwarmde ruimte, op afstanden verwarmde ruimte en t.o.v. aarde* R min 1,25 (m 2 K)/W - Bij vloerplaat t.o.v. buitenlucht en -5 C > Td -15 C R min 2,00 (m 2 K)/W *- Bij een grondwaterniveau 5 m moet deze waarde worden verhoogd. In bepaalde gevallen kunnen de verantwoordelijke autoriteiten de eis laten vervallen (EnEV, 17). Ad 2. In gebouwen met lage binnentemperaturen (EnEV, 2, deel 3 d.w.z. met een binnentemperatuur hoger dan 12 C en lager dan 19 C, jaarlijks meer dan 4 maanden verwarmd) worden door de EnEV geen eisen gesteld. Hier gelden de minimale waarden voor de warmtedoorlaatweerstanden conform DIN Conform tabel 3, regel 7**, 8 en 10 mag de waarde van de warmtedoorlaatweerstand niet lager zijn dan 0,90 (m 2 K)/W, dus R min 0,90 (m 2 K)/W ** - Bij vloerplaten die aan aarde grenzen tot een diepte van 5 m. Bouwwerkafdichting De bouwwerkafdichting (tegen bodemvocht, niet drukkend of drukkend water) moet conform DIN worden gepland en uitgevoerd. Normaal gesproken wordt de bouwwerkafdichting tijdens de bouw uitgevoerd. Voeglocaties Om de bewegingen (bijv. thermische uitzetting) van de vloerplank op te vangen en interne spanningen te neutraliseren, worden dilatatie resp. schijnvoegen toegepast. Wanneer een vloerplank in meerdere lagen worden gestort (afhankelijk van de capaciteit van de betoninstallatie) ontstaan zogenaamde stortvoegen. De dilatatievoegen scheiden de vloerplaat van andere bouwelementen (zoals bijv. wanden, funderingen enz.) en verdelen grotere vloerplaten in kleinere velden. De schijnvoegen voorkomen ongecontroleerd verspringen van de vloerplaat. De dilatatievoegen kunnen als geplugd (bewegingsvrijheid alleen in het plugvlak mogelijk) of als ongeplugd (bewegingsvrijheid in alle richtingen mogelijk) worden uitgevoerd. Het soort en de positie van de voegen wordt bepaald door de verantwoordelijke staticus. Bij het plannen van een REHAU-industriële vloerverwarming moet op de volgende punten worden gelet: Verwarmingsbuizen, die een voeg kruisen, moeten beschermd worden (zie figuur), dilatatievoegen alleen met toevoerleidingen doorkruisen Legvormen Bij de REHAU-industriële vloerverwarming wordt over het algemeen de klassieke spiraalvormige legvorm niet gebruikt. Betere aanpassingsmogelijkheden (minder beperkingen) op het verloop van de ondersteuningskorven resp. ondersteuningsbokken biedt de meandervormige legvorm. De temperatuurval (in het verwarmingsvlak en aan de oppervlakte) kan door parallel leggen van de toevoer- en retourleidingen worden gecompenseerd. Afhankelijk van de behoefte kunnen de verwarmingscircuits separaat resp. parallel worden gelegd (zie figuur). Dankzij de parallelle legvorm van meerdere verwarmingscircuits wordt een zone met gelijkmatige oppervlaktetemperatuur gerealiseerd. Tegelijkertijd wordt de ingewikkelde drukcompensatie op de verdeler voorkomen, omdat de lengte van de zo gelegde verwarmingscircuits praktisch gelijk is. Montage Opmerking vooraf: Voor een probleemloos verloop van de montage is een tijdige afstemming van de samenwerkende bedrijven al in de planningfase noodzakelijk! In eerste instantie (indien op de bouw niet al uitgevoerd) wordt de isolatie gelegd en met folie afgedekt (scheidingsof glijlaag zoals gepland). Dan worden de onderlagen en de onderste wapeningsmatten gemonteerd (draadvlechter). Indien de speciale constructie (buizen in neutrale zone) is gepland, worden de speciale korven resp. de speciale bokken gemonteerd. De industriële verdelers worden op de geplande plaatsen gemonteerd. De verwarmingsbuizen worden conform de planning gelegd en op de verdelers aangesloten. De verwarmingscircuits worden gespoeld, gevuld en ontlucht. De druktest wordt uitgevoerd. Daarna wordt de bovenste wapening geplaatst en wordt vloerplank afgestort. Opmerkingen: Aanwezigheid van de verwarmingsinstallateur tijdens het beton storten verdient aanbeveling. Dillitatievoeg, ongeplugd isolatieslang (100%) Dillitatievoeg, geplugd 1.6 Fig. 11 Bescherming van de verwarmingsbuizen bij het kruisen van voegen. 1.6 Fig. 12: Legvormen REHAU-beschermbuis Schijnvoeg, stortvoeg REHAU-beschermbuis Verwarmingscircuit gescheiden Verdeler Verwarmingscircuit parallel gelegd (met zones) Verdeler Configuratie De bepaling van de bedrijfsparameters van de industriële vloerverwarming volgt m.b.v. de op de volgende pagina's afgebeelde vermogensdiagrammen. De diagrammen zijn gebaseerd op het in de vloerverwarming bewezen principe. Bovendien zijn deze uitgebreid met de mogelijkheid om het totale specifieke vermogen te bepalen (vermogen naar boven + verliezen naar onderen, zie voorbeeld. De vermogensdiagrammen zijn afzonderlijke voor twee halzones (zie hieronder), twee varianten voor de warmtebehoefte en standaard vloerplaatdikten opgesteld. Randzone Binnenzone 1.6 Fig. 13: Zonetoekenning 121

122 Industriële vloerverwarming, vermogensdiagram voor bepaling van de legafstand, de verwarmingswate Vloeropbouw - basisvarianten: Afkortingen en begrippen Verwarmingsbuizen op de onderste wapening (lokaal geleverd en gemonteerd) met REHAUtrekbanden gemonteerd. Bovenste wapening Ondersteuningskorf Onderste wapening Staalbeton vloerplaat Verwarmingsvlak Isolatie indien nodig Ondergrond Scheidingsfolie Verwarmingsbuizen Verwarmingsbuizen Grondwaterniveau Verwarmingsbuis Bereik: binnenzone BZ Spec. vermogen vloerplaat Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur Extra dikte betonplaat bij 122

123 temperaturen en de warmteverliezen naar beneden toe. Ruimtetemperatuur ( C) Temperatuur onder de vloerplaat ( C) Warmte-overgangsgetal vloerplaat (W/m 2 K) Warmte-overgangsgetal onder de vloerplaat (W/m 2 K) Opmerking: De resultaten kunnen voor twee gevallen worden bepaald: Met index n voor: Met index x voor: Spec. warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Spec. warmteverlies vloerplaat naar beneden toe (W/m 2 ) Specifiek, totaal warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Gemiddelde verwarmingswatertemperatuur ( C) Voorbeeld: Veronderstellingen/aanname s: Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur (K) Gemiddelde temperatuur in het verwarmingsvlak ( C) Warmtegeleidingsweerstand boven het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Dikte van de bodemplaat: 20,0 cm; gewenste legafstand Resultaten: Extra dikte vloerplaat d in cm bij Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak Temperatuurverschil Specifiek warmteverlies van de vloerplaat naar beneden 123

124 Industriële vloerverwarming, vermogensdiagram voor bepaling van de legafstand, de verwarmingswater Vloeropbouw - basisvarianten: Afkortingen en begrippen Verwarmingsbuizen op de onderste wapening (lokaal geleverd en gemonteerd) met REHAUtrekbanden gemonteerd. Bovenste wapening Ondersteuningskorf Onderste wapening Staalbeton vloerplaat Verwarmingsvlak Isolatie indien nodig Ondergrond Scheidingsfolie Verwarmingsbuizen Verwarmingsbuizen Grondwaterniveau Verwarmingsbuis Bereik: binnenzone BZ Spec. vermogen vloerplaat Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur Extra dikte betonplaat bij 124

125 temperaturen en de warmteverliezen naar beneden toe. Ruimtetemperatuur ( C) Temperatuur onder de vloerplaat ( C) Warmte-overgangsgetal vloerplaat (W/m 2 K) Warmte-overgangsgetal onder de vloerplaat (W/m 2 K) Opmerking: De resultaten kunnen voor twee gevallen worden bepaald: Met index n voor: Met index x voor: Spec. warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Spec. warmteverlies vloerplaat naar beneden toe (W/m 2 ) Specifiek, totaal warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Gemiddelde verwarmingswatertemperatuur ( C) Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur (K) Gemiddelde temperatuur in het verwarmingsvlak ( C) Warmtegeleidingsweerstand boven het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Extra dikte vloerplaat d in cm bij Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak Temperatuurverschil Specifiek warmteverlies van de vloerplaat naar beneden 125

126 Industriële vloerverwarming, vermogensdiagram voor bepaling van de legafstand, de verwarmingswater Vloeropbouw - basisvarianten: Afkortingen en begrippen Verwarmingsbuizen op de onderste wapening (lokaal geleverd en gemonteerd) met REHAUtrekbanden gemonteerd. Bovenste wapening Ondersteuningskorf Onderste wapening Staalbeton vloerplaat Verwarmingsvlak Isolatie indien nodig Ondergrond Scheidingsfolie Verwarmingsbuizen Verwarmingsbuizen Grondwaterniveau Verwarmingsbuis Bereik: binnenzone BZ Spec. vermogen vloerplaat Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur Extra dikte betonplaat bij 126

127 temperaturen en de warmteverliezen naar beneden toe. Ruimtetemperatuur ( C) Temperatuur onder de vloerplaat ( C) Warmte-overgangsgetal vloerplaat (W/m 2 K) Warmte-overgangsgetal onder de vloerplaat (W/m 2 K) Opmerking: De resultaten kunnen voor twee gevallen worden bepaald: Met index n voor: Met index x voor: Spec. warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Spec. warmteverlies vloerplaat naar beneden toe (W/m 2 ) Specifiek, totaal warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Gemiddelde verwarmingswatertemperatuur ( C) Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur (K) Gemiddelde temperatuur in het verwarmingsvlak ( C) Warmtegeleidingsweerstand boven het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Extra dikte vloerplaat d in cm bij Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak Temperatuurverschil Specifiek warmteverlies van de vloerplaat naar beneden 127

128 Industriële vloerverwarming, vermogensdiagram voor bepaling van de legafstand, de verwarmingswater Vloeropbouw - basisvarianten: Afkortingen en begrippen Verwarmingsbuizen op de onderste wapening (lokaal geleverd en gemonteerd) met REHAUtrekbanden gemonteerd. Bovenste wapening Ondersteuningskorf Onderste wapening Staalbeton vloerplaat Verwarmingsvlak Isolatie indien nodig Ondergrond Scheidingsfolie Verwarmingsbuizen Verwarmingsbuizen Grondwaterniveau Verwarmingsbuis Bereik: binnenzone BZ Spec. vermogen vloerplaat Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur Extra dikte betonplaat bij 128

129 temperaturen en de warmteverliezen naar beneden toe. Ruimtetemperatuur ( C) Temperatuur onder de vloerplaat ( C) Warmte-overgangsgetal vloerplaat (W/m 2 K) Warmte-overgangsgetal onder de vloerplaat (W/m 2 K) Opmerking: De resultaten kunnen voor twee gevallen worden bepaald: Met index n voor: Met index x voor: Spec. warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Spec. warmteverlies vloerplaat naar beneden toe (W/m 2 ) Specifiek, totaal warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Gemiddelde verwarmingswatertemperatuur ( C) Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur (K) Gemiddelde temperatuur in het verwarmingsvlak ( C) Warmtegeleidingsweerstand boven het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Extra dikte vloerplaat d in cm bij Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak Temperatuurverschil Specifiek warmteverlies van de vloerplaat naar beneden 129

130 Industriële vloerverwarming, vermogensdiagram voor bepaling van de legafstand, de verwarmingswater Vloeropbouw - basisvarianten: Afkortingen en begrippen Verwarmingsbuizen op de onderste wapening (lokaal geleverd en gemonteerd) met REHAUtrekbanden gemonteerd. Bovenste wapening Ondersteuningskorf Onderste wapening Staalbeton vloerplaat Verwarmingsvlak Isolatie indien nodig Ondergrond Scheidingsfolie Verwarmingsbuizen Verwarmingsbuizen Grondwaterniveau Verwarmingsbuis Bereik: binnenzone BZ Extra dikte betonplaat bij Spec. vermogen vloerplaat Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur 130

131 temperaturen en de warmteverliezen naar beneden toe. Ruimtetemperatuur ( C) Temperatuur onder de vloerplaat ( C) Warmte-overgangsgetal vloerplaat (W/m 2 K) Warmte-overgangsgetal onder de vloerplaat (W/m 2 K) Opmerking: De resultaten kunnen voor twee gevallen worden bepaald: Met index n voor: Met index x voor: Spec. warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Spec. warmteverlies vloerplaat naar beneden toe (W/m 2 ) Specifiek, totaal warmtevermogen vloerplaat (W/m 2 ) Gemiddelde verwarmingswatertemperatuur ( C) Gemiddelde verwarmingswater-overtemperatuur (K) Gemiddelde temperatuur in het verwarmingsvlak ( C) Warmtegeleidingsweerstand boven het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak (m 2 K/W) Extra dikte vloerplaat d in cm bij Warmtegeleidingsweerstand onder het verwarmingsvlak Temperatuurverschil Specifiek warmteverlies van de vloerplaat naar beneden 131

132 1.6.2 REHAU-sportvloerverwarming Systeem standaard verdeler Systeemvoordelen Zeer snel leggen Aangenaam getempereerd vloeroppervlak Energiebesparing door hoog stralingsaandeel Geen stofopdwarreling Geringe luchtstromingen Geen beïnvloeding van de vloerconstructie door het type buisbevestiging Door ontkoppeling geen vermindering van de veereigenschappen van de vloer Lage investeringskosten in vergelijking met andere verwarmingssystemen. Systeemcomponenten REHAU-isolatieplaat voorgestansd REHAU-RAUFIX-rail REHAU-bevestigingskram Buisafmetingen RAUTHERM S 20 x 2,0 mm Systeemtoebehoren REHAU-verdeler REHAU-verdelerkast Systeembeschrijving REHAU-isolatieplaat voorgestansd Deze isolatieplaat bestaat uit FCKW-vrij, aan beide zijden diffusiedicht gecoat (aluminium) PUR-hardschuim. De REHAU-isolatieplaat valt in de warmtegeleidbaarheidsgroep 025 met een rekenwaarde conform DIN 4108 van 0,025W/mK. Conform DIN 4102 is de plaat normaal ontvlambaar, bouwstofklasse B2. De REHAU-isolatieplaat wordt voorgestansd geleverd. De rasterafmetingen van de vloerconstructie moeten daarom al tijdens de planning eenduidig zijn vastgelegd. Daardoor vervallen tijdrovende, ingewikkelde en onnauwkeurige snijwerkzaamheden op de bouwplaats. REHAU-RAUFIX-rail De REHAU-RAUFIX-rail is een bevestigingselement uit polypropyleen, waarmee legafstanden van 5 cm en veelvouden daarvan kunnen worden gerealiseerd. Haken aan de bovenzijde van de bevestigingsclip van de REHAU-RAUFIX-rail garanderen een betrouwbare fixatie van de buizen. De borging op de steekverbinding maakt betrouwbare en snelle onderlinge verbinding van de 1 m langer REHAU-RAUFIX-rails mogelijk. 1.6 Fig. 14: REHAU-SBH systeem standaard verdeler REHAU-bevestigingskram De speciaal gevormde uiteinden van de REHAU-bevestigingskrammen zorgen voor een optimale bevestiging van de REHAU- RAUFIX-rails op de REHAU-isolatieplaat. De met gaten uitgevoerde bodemplaat van de REHAU-RAUFIX-rails dient voor doorvoer 1.6 Fig. 15: REHAU- isolatieplaat voorgestansd van de REHAU-bevestigingskrammen. De sportvloerverwarming stelt hoge eisen aan planning en berekening. Samenwerking tussen architect, planning, sportvloerleverancier en gebruiker is absoluut noodzakelijk, om aan deze hoge eisen te voldoen. De planning wordt altijd voor ieder bouwplan apart uitgevoerd in overleg met de architect en de sportvloerleverancier. 1.6 Fig. 16: REHAU-RAUFIX-rail 16/17/ Fig. 17: REHAU-bevestigingskram 132

133 Montage REHAU-verdelerkast plaatsen en REHAU-verdeler inbouwen REHAU-isolatieplaten (voorgestansd) leggen REHAU-RAUFIX-rails plaatsen en op afstanden van 40 cm met REHAU-bevestigingskram fixeren RAUTHERM S buis op REHAU-verdeler aansluiten RAUTHERM S buis conform legschema leggen Verwarmingscircuit spoelen, vullen en ontluchten. Druktest uitvoeren. Na het lokaal aanbrengen van de vochtafsluiting volgt het leggen van de voorgestansde isolatieplaten. Deze worden vanuit een, door de vloerleverancier vastgelegde, hoek gelegd. Bij het koppelen van naast elkaar liggende REHAU-isolatieplaten moet op de rasterafmeting van de klossen worden gelet. Daarna worden de REHAU-RAUFIX-rails op een legafstand van een meter m.b.v. REHAU-bevestigingskram gefixeerd. In de omgeving van bochten moeten de rails stervormig worden gefixeerd om een betrouwbaar vastzetten van de buizen te waarborgen. Het verdient aanbeveling, te beginnen met het leggen van de verwarmingsbuis in het buitenste kanaal van het legrooster. De verwarmingsbuizen worden vanaf de rol in de buisgeleiders van de rail gedrukt. Bij het leggen van de buizen moet rekening worden gehouden met de verankeringen en de vloeruitsparingen voor de sporttoestellen. In deze gebieden moeten de buizen gelegd worden in overleg met de sportvloerleverancier. Legenda 1. Bedekking 2. Belastingsverdeelplaat (spaanplaat, multiplex, bioplaat) 3. PE-folie 4. Ondervloer 5. Veerelementen 6. REHAU RAUFIX-rail 7. REHAU-isolatieplaat, voorgestansd 8. Klossen (bijv. bij 70 mm isolatie h min. 105 mm 9. Vochtafsluiting 1.6 Fig. 18: opbouw van de sportvloerverwarming 133

134 System buisverdeler Systeemvoordelen Zeer snel leggen Aangenaam getempereerd vloeroppervlak Energiebesparing door hoog stralingsaandeel Geen stofopdwarreling Geringe luchtstromingen Geen beïnvloeding van de vloerconstructie door het type buisbevestiging Door ontkoppeling geen vermindering van de veereigenschappen van de vloer Lage investeringskosten in vergelijking met andere verwarmingssystemen. Systeemcomponenten REHAU-isolatieplaat voorgestansd REHAU-RAILFIX-rail REHAU-bevestigingskram REHAU-buisverdeler Buisafmetingen RAUTHERM S 25 x 2,3 mm Systeembeschrijving REHAU-isolatieplaat voorgestansd Deze isolatieplaat bestaat uit FCKW-vrij, aan beide zijden diffusiedicht gecoat (aluminium) PUR-hardschuim. De REHAU-isolatieplaat valt in de warmtegeleidbaarheidsgroep 025 met een rekenwaarde conform DIN 4108 van 0,025W/mK. Conform DIN 4102 is de plaat normaal ontvlambaar, bouwstofklasse B2. De REHAU-isolatieplaat wordt voorgestansd geleverd. De rasterafmetingen van de vloerconstructie moeten daarom al tijdens de planning eenduidig zijn vastgelegd. Daardoor vervallen tijdrovende, ingewikkelde en onnauwkeurige snijwerkzaamheden op de bouwplaats. REHAU-RAILFIX-rail Met de REHAU-RAILFIX-rails kunnen legafstanden van 10 cm en veelvouden daarvan worden gerealiseerd. Deze wordt als nauwkeurige buis-afstandshouder gebruikt. REHAU-bevestigingskram De speciaal gevormde uiteinden van de REHAU-bevestigingskrammen zorgen voor een optimale bevestiging van de REHAU- RAILFIX-rails op de REHAU-isolatieplaat. De met gaten uitgevoerde bodemplaat van de REHAU-RAILFIX-rails dient voor doorvoer van de REHAU-bevestigingskrammen. 1.6 Fig. 19: REHAU-SBH systeem buisverdeler REHAU-buisverdeler De REHAU-buisverdelers worden uit RAU- THERM FW-buis 40x3,7 mm en REHAU-fittingen met schuifhulsverbindingstechniek samengebouwd. Deze dienen voor de aansluiting van de RAUTHERM S-buizen 25x2,3 mm. Het samenbouwen wordt op de bouwplaats uitgevoerd conform de detailtekeningen. 1.6 Fig. 20: REHAU- isolatieplaat voorgestansd De sportvloerverwarming stelt hoge eisen aan planning en berekening. Samenwerking tussen architect, planning, sportvloerleverancier en gebruiker is absoluut noodzakelijk, om aan deze hoge eisen te voldoen. De planning wordt altijd voor ieder bouwplan apart uitgevoerd in overleg met de architect en de sportvloerleverancier. 1.6 Fig. 21: REHAU-RAILFIX-rails 1.6 Fig. 22: REHAU-bevestigingskram 134

135 Montage REHAU-isolatieplaten (voorgestansd) leggen REHAU-RAUFIX-rails plaatsen en op afstanden van 40 cm met REHAU-bevestigingskrammen fixeren REHAU-buisverdeler leggen, uitrichten en onderling verbinden RAUTHERM S buis conform legschema leggen De gelegde verwarmingscircuits op de REHAU-buisverdeler aansluiten Verwarmingscircuit spoelen, vullen en ontluchten Druktest uitvoeren. Na het lokaal aanbrengen van de vochtafsluiting volgt het legen van de voorgestansde isolatieplaten. Deze worden vanuit een, door de vloerleverancier vastgelegde, hoek gelegd. Bij het koppelen van naast elkaar liggende REHAU-isolatieplaten moet op de rasterafmeting van de klossen worden gelet. Daarna worden de REHAU-RAILFIX-rails op een legafstand van een meter m.b.v. REHAU-bevestigingskram gefixeerd. In de omgeving van bochten moeten de rails stervormig worden gefixeerd om een betrouwbaar vastzetten van de buizen te waarborgen. Bij het samenbouwen van de REHAU-buisverdeler moet op de juiste volgorde van de verdelerelementen worden gelet. Deze is vermeld in de detailtekeningen. Het verdient aanbeveling, te beginnen met het leggen van de verwarmingsbuis in het buitenste kanaal van het legrooster. De verwarmingsbuizen worden vanaf de rol in de buisgeleiders van de rail gedrukt. Bij het leggen van de buizen moet rekening worden gehouden met de verankeringen en de vloeruitsparingen voor de sporttoestellen. In deze gebieden moeten de buizen gelegd worden in overleg met de sportvloerleverancier. T-stuk Schuifhuls 1.6 Fig. 23 REHAU-buisverdeler Legenda 1. Bedekking 2. Belastingsverdeelplaat (spaanplaat, multiplex, bioplaat) 3. PE-folie 4. Ondervloer 5. Veerelementen 6. REHAU RAUFIX-rail 7. REHAU-isolatieplaat, voorgestansd 8. Klossen (bijv. bij 70 mm isolatie h min. 110 mm 9. Vochtafsluiting 1.6 Fig. 24: opbouw van de sportvloerverwarming 135

136 1.6 Fig. 25: REHAU-sportvloerverwarming systeem standaard verdeler Legvoorbeeld 136

137 1.6 Fig. 26: REHAU-sportvloerverwarming systeem buisverdeler 137

138 1.6.3 REHAU-openbare ruimte verwarming Systeemvoordelen Eenvoudige en snelle montage Het ijsvrij en (indien gewenst) sneeuwvrij houden van straten, parkeerplaatsen, opritten, voetpaden enz. Lage bedrijfstemperaturen Geschikt voor warmtepomp- en zonne-energie-installaties Geen onderhoudskosten Systeemcomponenten REHAU-industriële verdeler REHAU-trekbanden REHAU-RAUFIX-rail REHAU-RAILFIX-rail REHAU-bevestigingskram Buisafmetingen RAUTHERM S 20 x 2,0 mm RAUTHERM S 25 x 2,3 mm Systeemtoebehoren REHAU-buisbochten Systeembeschrijving De REHAU-openbare ruimte verwarming wordt voor het ijs- en sneeuwvrij houden van de volgende oppervlakken toegepast: Straten en parkeerplaatsen Helikopterlandingsplaatsen Opritten Voetpaden enz. De verwarmingsbuizen worden in de vorm van een parallelle legvorm gemonteerd, overwegend in een betonnen vloerplaat, zelden in een zandlaag (bijv. trottoirs) en op de REHAU-industriële verdeler aangesloten. Een speciale uitvoering van deze openbare verwarming is de grasmatverwarming die in het volgende hoofdstuk wordt beschreven. Om eventuele vorstschade te voorkomen moeten alle openbare ruimte verwarmingen worden gebruikt met een antivriesmiddel. Vloerconstructie Wanneer de verwarmingsbuizen in een betonplaat wordt ingebed, dan is REHAU-openbare ruimte verwarming qua opbouw gelijke aan de REHAUindustriële vloerverwarming. D.w.z.: de vloerplaatconstructie, de voegposities, toepassing van scheidings- resp. glijlagen, de legvormen en de montageprocedure zijn hetzelfde. Over het algemeen vervalt wel de warmte-isolatie aan de onderzijde van de vloerplaat. Daardoor wordt de traagheid van de openbare ruimte verwarming vergroot, wat in de praktijk een continu bedrijf betekent. Voordeel van deze oplossing: wij gebruiken de warmtebuffercapaciteit van de ondergrond. Bij het leggen van de verwarmingsbuizen in een zandlaag worden voornamelijk de RAUFIX- resp. RAILFIX-rails 1.6 Fig. 27: REHAU-openbare ruimte verwarming verwarming van een parkeerplaats als buisafstandhouder toegepast. Het grote nadeel van deze oplossing is de afnemende warmtegeleidbaarheid van het zand bij uitdrogen. Daardoor nemen de bedrijfstemperaturen toe en neemt de effectiviteit van de openbare ruimte verwarming af. Daarom moet het leggen van de verwarmingsbuizen in een zandlaag onder vaste en dichte bedekking (steen-, betonbestrating enz.) worden vermeden. Legvormen Net zoals bij de REHAU-industriële vloerverwarming wordt ook hier de parallelle legvorm en de meandervormige legvorm gebruikt. Configuratie Omdat de warmte-afgifte van een buiten liggende betonplaat zeer sterk afhankelijk is van de weersomstandigheden, moeten het vermogen en de daaruit resulterende bedrijfstemperaturen afhankelijk van het object worden bepaald. Voor een snelle bepaling van het vermogen van de warmtecentrale kan bij ijsvrij houden worden uitgegaan van een specifiek vermogen voor de openbare ruimte verwarming van q=150 W/m 2. Opgelet: Bij de drukverliesberekening moet met de invloed van het antivriesmiddel (zie diagrammen op de volgende pagina) op de toename van het drukverlies rekening worden gehouden. Montage Opmerking vooraf: Voor een probleemloos verloop van de montage is een tijdige afstemming van de samenwerkende bedrijven al in de planningfase noodzakelijk! Als eerste wordt de folie (scheidingslaag) gelegd. Dan worden de onderlagen en de onderste wapeningsmatten gemonteerd Indien de speciale constructie (buizen in neutrale zone) is gepland, worden de speciale korven resp. de speciale bokken gemonteerd. De industriële verdelers worden op de geplande plaatsen gemonteerd. De verwarmingsbuizen worden conform de planning gelegd en op de verdelers aangesloten. De verwarmingscircuits worden gespoeld, gevuld en ontlucht. De druktest wordt uitgevoerd. Daarna wordt de bovenste wapening geplaatst en wordt vloerplank afgestort. Opmerkingen: Aanwezigheid van de verwarmingsinstallateur tijdens het beton storten verdient aanbeveling. RAUTHERM S 25x2,3 mm/legafstand VA 15 cm 1.6 Fig. 28: REHAU-openbare ruimte verwarming verwarming van een oprit - legschema 138

139 Drukverliesdiagram voor buis RAUTHERM S 20x2,0 en bedrijfstemperaturen... Drukverlies R in Pa/m Volumestroom 1.6 Fig. 29: Drukverliesdiagram voor installaties met 34% ANTIFROGEN N Drukverliesdiagram voor buis RAUTHERM S 250x2,3 en bedrijfstemperaturen... Drukverlies R in Pa/m Volumestroom 1.6 Fig. 30: Drukverliesdiagram voor installaties met 34% ANTIFROGEN N 139

140 1.6.4 REHAU-grasmatverwarming Systeemvoordelen Eenvoudige en snelle montage IJs en sneeuwvrij houden Lage bedrijfstemperaturen, geschikt voor toepassing van warmtepompen en zonne-energie Geen verstoring van de grasmat Geen verstoring van het onderhoud van de grasmat Geen onderhoudskosten Systeemcomponenten REHAU-buisverdeler REHAU-RAILFIX-rail Buisafmetingen RAUTHERM 25 x 2,3 mm Configuratie Het warmtevermogen van de REHAU-grasmatverwarming hangt zeer sterk af van de weersomstandigheden. Daarom moet het vermogen en de daaruit resulterende bedrijfstemperatuur per object worden bepaald. Voor een snelle bepaling van het vermogen van de warmtecentrale kan bij ijsvrij houden worden uitgegaan van een specifiek vermogen voor de REHAU-grasmatverwarming van q=150 W/m 2. Opgelet: Bij de drukverliesberekening moet met de invloed van het antivriesmiddel (zie diagrammen onder het hoofdstuk "REHAU-openbare ruimte verwarming) op de toename van het drukverlies rekening worden gehouden. Montage De verdelerbuizen worden uitgerold, op de bedoelde plaatsen gemonteerd en na een positieve druktest geïsoleerd. De REHAU-RAILFIX-rails worden geplaatst zoals gepland. De RAUTHERM 25x2,3 buizen worden uitgelegd, in de REHAU-RAILFIX-rails gedrukt en op de verdelerbuizen aangesloten. Het gehele verwarmingsregister wordt gespoeld, gevuld en aan een druktest onderworpen. De rest van de ondergrond wordt opgebracht. Aanwezigheid verwarmingsleverancier bij het opbrengen van de bovenlagen verdient aanbeveling. Systeembeschrijving De REHAU-grasmatverwarming (een speciale uitvoering van de REHAU-openbare ruimte verwarming) wordt gebruikt voor het ijs- en sneeuwvrij houden van voetbalvelden met echt of kunststof gras. De verwarmingscircuits uit de bewezen RAUTHERM buis 25x2,3 mm worden parallel gelegd en op de verdelerbuizen met de REHAU-schuifhulsverbindingstechniek aangesloten. Als afstandshouder worden de REHAU-RAILFIX-rails gebruikt. De REHAUverdelerbuizen worden afhankelijk van het project gedimensioneerd en als speciaal product geleverd. De gelijke lengte van de verwarmingscircuits, de afmeting van de verdelerbuis, de aansluiting van de verdeler en de hoofdleiding volgens het Tichelmann-principe garanderen de gelijkmatige temperatuurverdeling over het gehele veld. Opmerking Om eventuele vorstschade te voorkomen moeten de REHAU-grasmatverwarming worden gebruikt met een antivriesmiddel. Vloerconstructie De REHAU-grasmatverwarming wordt in de onderlaag van de grasmat ingebouwd. De samenstelling en de dikte van de onderlaag worden op grond van laboratoriumonderzoeken door de verantwoordelijke planner/stadionbouwer vastgelegd. De bedekking van de verwarmingsbuizen moet machinaal grasmaaien mogelijk maken. Verwarmingsbuis RAUTHERM 25x2,3 mm verwarmd/onverwarmd Verdeelbuis, kopse uitvoering Opmerking Al in de planningsfase is afstemming tussen de samenwerkende bedrijven noodzakelijk. Verdeelbuis, basisvariant 1.6 Fig. 31: REHAU-grasmatverwarming legschema 140

141 De REHAU-grasmatverwarming 141

142 142

143 Materiaalgegevens en verwerkingsrichtlijnen van het REHAU-schuifhulssysteem

144 Inhoudsopgave Pagina Pagina 2. Materiaalgegevens en verwerkingsrichtlijnen van de REHAU-schuifhulssystemen Het REHAU-installatiesysteem RAUTITAN en de REHAU-systemen voor de vloerverwarming/-koeling Het materiaal PE-X 240 Voordelen van het buismateriaal RAU-PE-Xa Systeembeschrijving 240 Voordelen REHAU-universele buis RAUTITAN stabil 241 Toepassingsgebieden 241 Drinkwater 241 Verwarming REHAU-universele buis RAUTITAN flex 242 Toepassingsgebieden 242 Drinkwater 242 Verwarming REHAU-verwarmingsbuis RAUTHERM S 243 Toepassingsgebieden 243 vloerverwarming/-koeling Technische buisgegevens/richtwaarden Transport en opslag Fittingen Fittingen van het installatiesysteem RAUTITAN 246 Voordelen van de schuifhulsverbinding van het installatiesysteem RAUTITAN 246 Afmetingen 246 Materiaal 246 Markering 246 Ontzinking 246 Spanningsscheurbestendigheid 246 Erosie/erosiecorrosie 246 Aanvullende instructies betreffende RAUTITAN-fittingen 247 Schuifhulzen RAUTITAN Overgang naar andere buismaterialen Aansluiting op armaturen Verwerkingsinstructies schroefdraadfittingen Instructies voor de schuifhulsfittingen Uitrichten van de fittingen Algemene instructies corrosiebescherming REHAU-montagegereedschap 250 Voordelen van de REHAU-montagegereedschap REHAU-persgereedschap RAUTOOL 250 RAUTOOL M1 250 RAUTOOL H1 250 RAUTOOL E2 250 RAUTOOL A2 250 RAUTOOL G1 250 RAUTOOL K12x2,0 250 RAUTOOL K14x1, REHAU-buisschaar REHAU-expandeerkoppen 252 Markering van de REHAU-expandeerkoppen 253 Expandeerkoppen RAUTITAN stabil 254 Expandeerkoppen RAUTITAN flex 254 Expandeerkoppen RAUTHERM S 255 Aanvullende instructies omtrent expandeerkoppen Maken van een schuifhulsverbinding 256 Aanvullende instructies voor het maken van een REHAU-schuifhulsverbinding Losmaken van REHAU-schuifhulsverbindingen Algemeen omtrent de REHAU-verbindingstechniek Schuifhulzen 258 Aanvullende instructies omtrent schuifhulstechniek RAUTITAN stabil-buis in de afmeting 40 mm Fittingen vloerverwarming/-koeling 248 Voordelen van de schuifhulsverbinding met de RAUTHERM S-buis 248 Afmetingen fittingen 248 Materiaal 248 Markering 248 Schuifhulzen vloerverwarming/-koeling

145 Veiligheidsinstructies bij de montage Lees s.v.p. voor aanvang van de montagewerkzaamheden de veiligheidsinstructies en de bedieningshandleidingen zorgvuldig en volledig door en bewaar deze voor uw eigen veiligheid en de veiligheid van andere personen. Indien u de veiligheidsinstructies en de afzonderlijke montagevoorschriften niet heeft begrepen of indien deze onduidelijk voor u zijn, neem dan s.v.p. contact op met uw REHAU-vertegenwoordiging. De montage van onze systemen mag alleen door geautoriseerd en opgeleid personeel worden uitgevoerd. Houdt de algemene ongevallenpreventieen veiligheidsvoorschriften aan bij de installatie van de buisinstallaties. Draag een veiligheidsbril, geschikte werkkleding, veiligheidsschoenen, een helm en bij lang haar een haarnet. Draag geen andere kleding of sieraden; deze kunnen door bewegende onderdelen worden gegrepen. In het bijzonder bij montagewerkzaamheden boven het hoofd moet een veiligheidshelm worden gedragen. Grijp nooit in de perszone van gereedschap tijdens de persprocedure. Houdt uw werkplek schoon en vrij van hinderlijke objecten. Bij het inkorten van de buis moet u de veiligheidsafstand aanhouden tussen de hand waarmee wordt vastgehouden en het gereedschap (buisschaar). De REHAU-buisscharen hebben een scherp lemmet. Sla deze zodanig op dat er geen verwondingsgevaar ontstaat. Werkzaamheden aan elektrische installaties of kabeldelen moeten alleen door gekwalificeerd en geautoriseerd personeel worden uitgevoerd. Zorg voor voldoende verlichting van de werkplek. Houdt kinderen en huisdieren en onbevoegde personen weg van gereedschappen en de montageplaats. Dit geldt vooral bij renovatiewerkzaamheden in woongebieden. Bij onderhouds-, service- en ombouwwerkzaamheden en bij verandering van de montageplaats moet altijd de netconnector van het gereedschap worden losgemaakt of deze moet worden beveiligd tegen onbedoeld inschakelen. Gebruik alleen de voor het betreffende REHAU-buissysteem bedoelde componenten. Gebruik van andere componenten of toepassing van gereedschap die niet tot het betreffende REHAU-installatiesysteem behoren, kan ongevallen of andere gevaren veroorzaken. Tot aan de afronding van de persprocedure kan de fitting uit de buis vallen. Verwondingsgevaar! Na het expanderen vormt het geëxpandeerde buiseinde zicht terug naar de oorspronkelijke vorm (memory-effect). Steek in deze fase geen vreemde objecten in het geëxpandeerde buiseinde. 145

146 2. Materiaalgegevens en verwerkingsrichtlijnen van de REHAU-schuifhulssystemen 2.1 Het REHAU-installatiesysteem RAUTITAN en de REHAU-systemen voor de vloerverwarming/-koeling Het REHAU schuifhulsinstallatiesysteem RAUTITAN biedt vele componenten voor de drinkwaterinstallatie, radiatoraansluiting en de vloerverwarming/-koeling. In principe kan worden gekozen uit de REHAU-universele buis RAUTITAN stabil, een metaal-kunststof-buis en de REHAU-universele buis RAUTITAN flex uit peroxidisch vernet polyethyleen. De verbinding wordt uitgevoerd met de REHAU-schuifhulsverbindingstechniek en de bijbehorende RAUTITAN-fittingen uit ontzinkingsbestendig speciaal messing. Bij de REHAU-systemen voor de vloerverwarming/-koeling wordt overwegend de speciaal voor deze toepassing ontwikkelde en bewezen rode RAUTHERM S-buis toegepast. De RAUTHERM S-buis, uit peroxidisch vernet polyethyleen met EVAL-mantel, wordt uitsluitend toegepast voor de vloerverwarming/-koeling met een eigen fittingprogramma. Systeem: REHAU-installatiesysteem RAUTITAN REHAU-vloerverwarming/-koeling Buis: RAUTITAN stabil RAUTITAN flex RAUTHERM S Drinkwaterinstallatie Drinkwaterinstallatie Radiatorkoppeling Radiatorkoppeling Toepassing: vloerverwarming/-koeling vloerverwarming/-koeling vloerverwarming/-koeling 16,2 x 2,6 mm 16 x 2,2 mm 12 x 2,0 mm Afmetingen: 20 x 2,9 mm 20 x 2,8 mm 14 x 1,5 mm 25 x 3,7 mm 25 x 3,5 mm 16 x 2,0 mm 32 x 4,7 mm 32 x 4,4 mm 17 x 2,0 mm 40 x 6,0 mm 40 x 5,5 mm 20 x 2,0 mm 50 x 6,9 mm 25 x 2,3 mm 63 x 8,6 mm Materiaal: Metaal-kunststof- PE-Xa met PE-Xa met buis EVAL O 2 -sperlaag EVAL O 2 -sperlaag Fitting: REHAU-fittingprogramma REHAU-fittingprogramma RAUTITAN / RAU-PEX SDR 7,4 voor de vloerverwarming/-koeling 16 x 2,2 / 20 x 2,8 / 25 x 3,5 / 32 x 4,4 / 40 x 5,5 / 12 x 2,0 / 14 x 1,5 / 16 x 2,0 / 50 x 6,9 / 63 x 8,6 mm 17 x 2,0 / 20 x 2,0 / 25 x 2,3 mm Gereedschap: Persgereedschap RAUTOOL Expandeerkoppen: RAUTITAN stabil RAUTITAN flex RAUTHERM S 2.1 fig. 1: systeemoverzicht van de REHAU-schuifhulssystemen met de REHAU-universele buis RAUTITAN en de verwarmingsbuis RAUTHERM S 146

147 2.1.1 Het materiaal PE-X Voordelen van het buismateriaal RAU-PE-Xa Corrosiebestendigheid: geen puntroestvorming Neigt niet tot afzettingen of aanzettingen Polymere buismateriaal vermindert de geluidsoverdracht langs de buizen Goede slijtvastheid, toxicologisch en fysiologisch veilig inzetbaar, voldoet aan de KTW-aanbevelingen (KTW = Kunststoff-Trinkwasser-Empfehlungen van het milieuministerie in Duitsland) Het materiaal PE-X ontstaat door de vernetting van polyethyleen (PE). Het basismateriaal is een lineaire en hoogmoleculaire PE van hoge dichtheid met een grote sterkte. Daarom kenmerkt het basismateriaal zich al door een bijzonder goed slag- en kerfslagsterkte. 2.1 Fig. 2: ethyleen 2.1 Fig. 3: ethyleen, opgaande dubbele binding 2.1 Fig. 4: polyethyleen (PE) Voor het vernetten van het polyethyleen worden verschillende methoden gebruikt. De RAUTITAN flex- en de RAUTHERM S- buis worden door peroxidische vernetting gefabriceerd. Dit type vernetting vindt plaats onder hoge temperatuur en hoge druk met behulp van peroxiden. Hierbij verbinden de afzonderlijke moleculen van het polyethyleen zich tot een driedimensionaal netwerk. Kenmerkend voor deze hogedrukvernetting is de verbinding in de smeltmassa, dus buiten het kristallijne smeltpunt. De vernettingsreactie ontstaat tijdens de buisvorming in het gereedschap. Deze vernettingsmethode waarborgt ook bij dikwandige buizen een gelijkmatige en zeer hoge vernetting over de totale buisdoorsnede. Het peroxidisch vernet polyethyleen wordt PE-Xa genoemd. De inliner, de inwendige buis in de universele buis RAUTITAN stabil, die met het doorstromende medium in aanraking komt, bestaat ook uit een vernet polyethyleen. Deze wordt echter onder invloed van elektronenstralen na de eigenlijke buisproductie vernet. Het straalvernet polyethyleen wordt PE-Xc genoemd. Bij polymere buismaterialen, die aan een mechanische belasting worden onderworpen, moet men rekening houden met het kruipgedrag. Dit betekent dat deformatie en sterkte afhankelijk zijn van de temperatuur en de belastingstijd. Om de voor constante belasting toegestane belastingen te vinden, is het noodzakelijk om het mechanische gedrag over langere tijd bij verschillende temperaturen te onderzoeken. Dit geldt ook voor buizen met een inwendige drukbelasting. Op grond van meer dan 25 jaar ervaring, in het laboratorium en in de praktijk, een groot aantal testen en omvangrijke beproevingen van buizen uit hogedrukvernet polyethyleen zijn de noodzakelijke parameters ontwikkeld. 2.1 Fig. 5: vernet polyethyleen (PE-X) Systeembeschrijving Het installatiesysteem RAUTITAN bestaat uit de RAUTITAN stabil-buis (metaal-kunststofbuis) en de RAUTITAN flex-buis (PE-Xabuis). Deze worden met de RAUTITAN-fittingen en de RAUTITAN-schuifhulzen verbonden. Voordelen 2 universele buistypen star/flexibel 1 fittingprogramma 1 schuifhuls 1 verbindingstechniek Welke van de genoemde RAUTITAN-buizen wordt toegepast, kan individueel door de gebruiker worden bepaald. De combinatie van beide REHAU-buistypen is natuurlijk ook mogelijk. De systemen voor de vloerverwarming/- koeling worden standaard met de RAUTHERM S-buis (PE-Xa-buis) en de daarbij behorende fittingcomponenten geïnstalleerd. Toepassingsgebieden REHAU-buis: Drinkwater- Radiator- Radiator- Vloerverwarming/ installatie aansluiting aansluiting -koeling plint RAUTITAN stabil RAUTITAN flex RAUTHERM S 2.1 Tab. 1: toepassingsgebieden van de buizen 147

148 2.1.3 REHAU-universele buis RAUTITAN stabil. Toepassingsgebieden De REHAU universele buis RAUTITAN stabil wordt voor de installatie van sanitaire en verwarmingsinstallaties gebruikt. Het betreft hier een metaal-kunststof-buis, met de volgende opbouw van binnen naar buiten: inliner uit vernet polyethyleen, hechtmiddel, zuurstofdiffusiedichte aluminium laag, hechtlaag en polyethyleen buitenlaag. De minimale verwerkingstemperatuur voor de RAUTITAN stabil-buis is -10 C. Drinkwater De REHAU-universele buis RAUTITAN stabil wordt voor het transport van drinkwater toegepast conform DIN 2000, koud en warm, tot een bedrijfsoverdruk van 10 bar. De door REHAU voor deze toepassing ontwikkelde RAUTITAN stabil-buis kan constant onder 70 C worden gebruikt. Kortstondig (storing) zijn temperaturen tot 100 C mogelijk. verwarming Voor de toepassing van de REHAU universele buis RAUTITAN stabil in de verwarmingsinstallatie kan het buissysteem met een maximale toevoertemperatuur van 95 C worden gebruikt. Kortstondig (storing) zijn temperaturen tot 100 C mogelijk. 2.1 Fig. 6: RAUTITAN stabil-buis d s Inhoud Lengte Verpakk. [mm] [mm] [l/m] [m] 16,2 2,6 0,095 5 rechte lengte 100 rol 20 2,9 0,158 5 rechte lengte 100 rol 25 3,7 0,243 5 rechte lengte 25 rol 32 4,7 0,401 5 rechte lengte 40 6,0 0,616 5 rechte lengte 2.1 Tab. 2: RAUTITAN stabil-buisverpakkingen 2.1 Fig. 7: diameter / wanddikte Bedrijfs- Bedrijfs- Toegestane temperatuur duur berijfsoverdruk [ C] jaar [bar] * * * * Bij bedrijfsoverdrukken hoger dan 10 bar moet overleg met de REHAU afdeling applicatietechniek worden gevoerd. 2.1 Tab. 3: RAUTITAN stabil-buis, toegestane bedrijfsdrukken/-temperaturen Buismarkering Zilverkleurige RAUTITAN stabil buizen zijn doorlopend op afstanden van 1 m gemarkeerd met het volgende: REHAU-universele buis RAUTITAN stabil materiaal Afmetingen Toelating / specificatie Productiedatum Doorlopende meteraanduiding Voorbeeld van een RAUTITAN stabilbuismarkering: REHAU Universalrohr RAUTITAN stabil PE- X/Al/PE 40 x 6,0 TW/TWW 70 C/10 bar Heizung 95 C sauerstoffdicht DVGW-Reg. nr. DW-8217AT2505 IMA CS ÖNORM B.5157 ÖVGW Nr. W1.312 KIWA 70 C/1 MPa KOMO vloerverw KOMO CV PCT Registrierzeichen m Toelatingen De REHAU-universele buis RAUTITAN stabil is getest conform het DVGW-werkblad W 542 en voldoet aan de eisen uit de DIN De inliner uit vernet polyethyleen voldoet aan DIN REHAU-universele buizen RAUTITAN stabil met afmetingen 16,2 x 2,6 t/m 40 x 6,0 mm hebben de testmarkering en het registratienummer DVGW-8217AT2505 (buis) en DVGW DW-8501AU2346 (verbindingstechniek) van de DVGW. Nationale toelatingen buiten Duitsland De nationale toelatingen buiten Duitsland kunnen vanwege verschillende eisen in de betreffende landen afwijken van de Duitse toelatingen. Bij toepassing van het installatiesysteem RAUTITAN in andere landen moet u contact opnemen met uw REHAUvertegenwoordiging. 148

149 2.1.4 REHAU-universele buis RAUTITAN flex Toepassingsgebieden De REHAU universele buis RAUTITAN flex wordt voor de installatie van sanitaire en verwarmingsinstallaties gebruikt. Dit is een met een EVAL-ommanteling tegen zuurstofdiffusie beschermde buis uit peroxidisch vernet polyethyleen. Drinkwater De REHAU-universele buis RAUTITAN flex wordt voor het transport van drinkwater toegepast conform DIN 2000, koud en warm, tot een bedrijfsoverdruk van 10 bar. De door REHAU voor deze toepassing ontwikkelde RAUTITAN flex-buis kan constant onder 70 C worden gebuikt. Kortstondig (storing) zijn temperaturen tot 110 C mogelijk. verwarming Voor de toepassing van de REHAU universele buis RAUTITAN flex in de verwarmingsinstallatie kan het buissysteem met een maximale toevoertemperatuur van 90 C worden gebruikt. Kortstondig (storing) zijn temperaturen tot 110 C mogelijk. 2.1 Fig. 8: RAUTITAN flex-buizen d s DN Inhoud Lengte Verpakk. [mm] [mm] [l/m] [m] 16 2,2 12 0,106 6 rechte lengte 100 rol 20 2,8 16 0,163 6 rechte lengte 100 rol 25 3,5 20 0,254 6 rechte lengte 25 rol 32 4,4 25 0,423 6 rechte lengte 25 rol 40 5,5 32 0,661 6 rechte lengte 50 6,9 40 1,029 6 rechte lengte 63 8,6 50 1,633 6 rechte lengte 2.1 Tab. 4: RAUTITAN flex-buisverpakkingen 2.1 Fig. 9: diameter / wanddikte Bedrijfs- Bedrijfs- Toegestane temperatuur duur berijfsoverdruk [ C] jaar [bar] ,2* * Bij bedrijfsoverdrukken hoger dan 10 bar moet overleg met de REHAU afdeling applicatietechniek worden gevoerd. 2.1 Tab. 5: RAUTITAN flex-buis, toegestane bedrijfsdrukken/-temperaturen Buismarkering Zilverkleurige RAUTITAN flex-buizen zijn doorlopend op afstanden van 1 m gemarkeerd met het volgende: Markering buistype Buismateriaal en vernettingswijze Afmetingen Toelating / specificatie Toegestane max. bedrijfstemperatuur en maximale bedrijfsdruk sanitair Toegestane max. bedrijfstemperatuur en max. bedrijfsdruk verwarming Registratiemarkering DIN CERTCO (zuurstofdichtheid) Testmarkering en registratienummer Machinenr. Laagmarkering Productiedatum Doorlopende meteraanduiding Voorbeeld van een RAUTITAN flexbuismarkering: REHAU Universalrohr RAUTITAN flex PE-Xa 16 x 2,2 DIN TW/TWW 70 C/10 bar DVGW DW-8501AU2200 Heizung: DIN 4726/EN CL5 (90 C)/8 bar sauerstoffdicht DIN CERTCO-Registrierzeichen 3V257 PE-Xa M12A Toelatingen De REHAU universele buis RAUTITAN flex voldoet aan de DIN REHAU universele buis RAUTITAN flex met afmetingen 16 x 2,2 t/m 63 x 8,6 mm hebben de volgende testmarkeringen en registratienummers van de DVGW: REHAU-universele buis RAUTITAN flex 16 x 2,2 t/m 50 x 6,9: DVGW DW-8501AU2200 und ab 63 x 8,6: DVGW DW-8501AU2201. De DIN CERTCO-registratie (registernr. 3V257 PE-Xa) bevestigt de toepasbaarheid van de RAUTITAN flex-buizen in de verwarmingsinstallatie conform DIN 4726/ DIN 4729 en de daarvoor noodzakelijke zuurstofdichtheid. Nationale toelatingen De nationale toelatingen buiten Duitsland kunnen vanwege verschillende eisen in de betreffende landen afwijken van de Duitse toelatingen. Bij toepassing van het schuifhulssysteem RAUTITAN in andere landen kunt u daarover contact opnemen met REHAU in Nijkerk. 149

150 2.1.5 REHAU-verwarmingsbuis RAUTHERM S Toepassingsgebieden De REHAU-verwarmingsbuis RAUTHERM S wordt uitsluitend toegepast in de vloerverwarming/-koeling. Dit is een met een EVALommanteling tegen zuurstofdiffusie beschermde buis uit peroxidisch vernet polyethyleen. Vloerverwarming/-koeling Een toevoertemperatuur tot max. 70 C bij een bedrijfsoverdruk van 3 bar verdient aanbeveling. De maximale bedrijfsdruk is 6 bar bij een maximale bedrijfstemperatuur van 90 C. Kortstondig (storing) zijn temperaturen tot 110 C mogelijk. Drinkwater RAUTHERM S-buizen mogen niet in de drinkwaterinstallatie worden toegepast. 2.1 Fig. 10: RAUTHERM S-buis d s Inhoud Lengte Verpakk. [mm] [mm] [l/m] [m] 12 2,0 0, rol 300 rol 14 1,5 0, rol 240 rol 500 rol 16 2,0 0, rol 17 2,0 0, rol 240 rol 500 rol 20 2,0 0, rol 240 rol 25 2,3 0, rol 2.1 Tab.6: RAUTHERM S -buisverpakkingen 2.1 Fig. 11: diameter / wanddikte Buismarkering RAUTHERM S-buizen zijn doorlopend met afstanden van 1 m gemarkeerd met het volgende: Markering buistype Afmetingen Verwijzing naar zuurstofdichtheid conform DIN 4726 materiaal Toelating / specificatie Laagmarkering Productiedatum Doorlopende meteraanduiding Voorbeeld van een RAUTHERM S- buismarkering: REHAU-RAUTHERM S 17 x 2,0 mm sauerstoffdicht RAU-VPE DIN DIN 4726 DIN-Prüfzeichen 3V226 PE-Xa ÖNORM B5153 geprüft PE-Xa PB 10/60 C - PB 6/90 C T m Toelatingen De RAUTHERM S-buizen voldoen aan de DIN-normen 16892, DIN 4726 en DIN De DIN CERTCO-registratie (registernr. 3V226 PE-Xa of 3V227 PE-Xa) bevestigt de toepasbaarheid van de RAUTHERM S-buizen in de verwarmingsinstallatie conform DIN 4726/ DIN 4729 en de daarvoor noodzakelijke zuurstofdichtheid. Nationale toelatingen De nationale toelatingen buiten Duitsland kunnen vanwege verschillende eisen in de betreffende landen afwijken van de Duitse toelatingen. Bij toepassing van RAUTHERM S-buizen in andere landen kunt u daarover contact opnemen met REHAU in Nijkerk. 150

151 2.1.6 Technische buisgegevens/richtwaarden Technische gegevens Eenheid RAUTITAN stabil RAUTITAN flex RAUTHERM S Materiaal - PE-Xc/AI/PE PE-Xa PE-Xa EVAL-mantel EVAL-mantel Kleur (oppervlak) - Zilverkleur Zilverkleur Rood Kerfslagsterkte bij 20 C - Zonder breuk Zonder breuk Zonder breuk Kerfslagsterkte bij -20 C - Zonder breuk Zonder breuk Zonder breuk Gemiddelde uitzettingscoëfficiënt [mm/(m K)] 0,026 0,15 0,15 Bij leggen met cliphalfschalen Afm [mm/(m K)] - 0,04 - Afm [mm/(m K)] - 0,1 - Warmtegeleidbaarheid [W/(m K)] 0,43 0,35 0,35 Buisruwheid [mm] 0,007 0,007 0,007 Bedrijfsdruk (max.) [bar] Bedrijfstemperatuur (max.) [ C] Kortstondige maximale temperatuur (storing) [ C] Zuurstofdiffusie (conf. DIN 4726) - Zuurstofdicht Zuurstofdicht Zuurstofdicht Materiaalconstante C Bouwstofklasse - B2 B2 B2 Minimale buigradius zonder hulpmiddelen [mm] 5 x d 8 x d 5 x d (bij > 0 C legtemp.) Minimale buigradius met buigveer / [mm] 3 x d - - Buiggereedschap Minimale buigradius Met buisgeleidingsbocht [mm] x d 5 x d Beschikbare afmetingen [mm] d = buisbuitendiameter 2.1 Tab. 7 Technische buisgegevens/richtwaarden Houdt er rekening mee, dat het hier richtwaarden betreft. Gelijktijdig belasten op de grenswaarden van zowel druk als temperatuur is onder bedrijfsomstandigheden niet toegestaan Transport en opslag De REHAU-buizen en alle systeemonderdelen moeten onder deskundig toezicht worden verladen en correct worden getransporteerd en opgeslagen. Onbeschermde buizen mogen niet over de vloer of betonnen oppervlakken worden gesleept. Deze moeten op een vlakke ondergrond worden opgeslagen, die geen scherpe kanten heeft. De buizen moeten worden beschermd tegen oliën, vetten en verf enz. en tegen langdurige zonne-instraling bijvoorbeeld m.b.v. een lichtondoorlaatbare folie. Onbeschermde buitenopslag is niet toegestaan. De buitenzijde van de buizen moeten tegen vocht worden beschermd. De buizen mogen pas kort voor de verwerking uit de verpakking worden genomen. 2.1 Fig. 13: buizen niet op scherpe ondergrond opslaan 2/1 Fig. 12: buizen beschermen tegen langdurige zonne-instraling 151

152 2.2 Fittingen In principe wordt onderscheid gemaakt tussen de fittingen van het REHAU-installatiesysteem RAUTITAN (voor de REHAU-universele buis RAUTITAN stabil en RAUTITAN flex) en de fittingen van de REHAU-vloerverwarmings-/-koelingssystemen (voor de REHAU-verwarmingsbuis RAUTHERM S). Deze twee verschillende REHAU-fittingenprogramma's zijn onderling niet compatibel. REHAU-installatiesysteem RAUTITAN met messingkleurige fittingen en messingkleurige schuifhulzen REHAU-fittingprogramma voor de vloerverwarming/-koeling met zilverkleurige fittingen en zilverkleurige schuifhulzen REHAU-buis REHAU-fitting REHAU-schuifhuls REHAU-expandeerkop RAUTITAN stabil. RAUTITAN stabil Een groef rondom RAUTITAN flex RAUTITAN flex Een groef rondom met karteling RAUTHERM S RAUTHERM S Twee groeven rondom 2.2 Tab. 1: toekenning buis, fitting, schuifhuls 152

153 2.2.1 Fittingen van het installatiesysteem RAUTITAN Voordelen van de schuifhulsverbinding van het installatiesysteem RAU- TITAN Toepassing in de sanitaire en de verwarmingsinstallatie Voor beide REHAU-universele buizen RAUTITAN stabil en RAUTITAN flex Permanent dichte schuifhulstechniek conform DIN 1988 en DVGW-werkblad W 534 Muurinbouw toegestaan, conform DIN (VOB) Zonder O-Ring (buismateriaal dicht zelf af) Hydraulische aanpassing van de fittingbinnendiameter aan de buisbinnendiameter door expanderen van de buis. Fittingen, die met drinkwater worden doorstroomd, bestaan uit ontzinkingsbestendig speciaal messing conform DIN EN t/m DIN EN Grad A Schuifhuls uit thermisch ontspannen messing Geen verwisselingsgevaar door dezelfde schuifhulzen voor de universele buis RAUTITAN stabil en RAUTITAN flex Toepasbaar met de RAU-PEX-buizen SDR 7,4 van de REHAU industriële buissystemen DVGW-registratie voor buis en verbindingstechniek (alle afmetingen) Afmetingen REHAU-fittingprogramma RAUTITAN / RAU- PEX SDR 7,4 16 x 2,2 / 20 x 2,8 / 25 x 3,5 / 32 x 4,4 / 40 x 5,5 / 50 x 6,9 / 63 x 8,6 Materiaal De fittingen van het installatiesysteem RAU- TITAN, die in de drinkwater- en verwarmingsinstallatie worden toegepast, bestaan uit ontzinkingsbestendig speciaal messing conform DIN EN T t/m DIN EN Grad A (hoogste klasse). Dit ontzinkingsbestendig speciaal messing is speciaal voor toepassing op gebieden met kritisch drinkwater ontwikkeld. Het door de RAUTI- TAN-fittingen geleide drinkwater moet voldoen aan de DIN 2000 en de drinkwatervoorschriften. 2.2 Fig. 1: RAUTITAN-fittingen De schuifhulzen bestaan uit thermisch ontspannen standaard messing conform DIN EN 12164/ DIN EN Markering De schuifhulsfittingen worden als volgt gemarkeerd: Naam fabrikant: REHAU Buitendiameter en wanddikte: bijv. 16 x 2,2 Binnendraad: Rp (bijv. Rp 1/2 ) Buitendraad: R (bijv. R 1/2 ) Materiaal fitting: CR (ontzinkingsbestendig messing). Toelatingsteken: bijv. DVGW, KIWA en dergelijke Kleur: messing De schuifhulsfittingen van het REHAU-installatiesysteem RAUTITAN, die uitsluitend mogen worden toegepast in de verwarmingsinstallatie (bijv. knie-, T-aansluitgarnituren of REHAU-kruising T-stukken voor universele buis RAUTITAN stabil/flex) zijn voorzien van een roze markering. Spanningsscheurbestendigheid Messing fittingen en schuifhulzen van het installatiesysteem RAUTITAN zijn spanningsscheur-corrosiebestendig conform DIN deel 2. Erosie/erosiecorrosie De REHAU-universele buis RAUTITAN wordt voor het persen geëxpandeerd. De doorstroomdiameter van de fitting wordt aan de buis aangepast. Dit hydraulische en corrosietechnische voordeel wordt bij het REHAU-installatiesysteem RAUTITAN ten volle benut. Dit in tegenstelling tot systemen waarbij de buis in de omgeving van de verbinding niet wordt geëxpandeerd. 2.2 Fig. 2: RAUTITAN-fitting Ontzinking Vooral bij zouthoudend, relatief zacht drinkwater kan bij standaard messinglegeringen (automatenmessing, enz.) een speciaal type corrosie ontstaan, de zogenaamde ontzinking. Daarom worden in het installatiesysteem RAUTITAN voor de drinkwaterinstallatie ontzinkingsbestendige materialen gebruikt, die conform DIN ISO 6509 getest zijn. Fittingen uit deze hoogwaardige messingbasislegering hebben zich in de praktijk bewezen en worden al tientallen jaren toegepast. 153

154 Aanvullende instructies betreffende de RAUTITAN-fittingen 2.2 Fig. 3: schuifhulsfittingen zonder vooraanslag mogen niet worden gebruikt in combinatie met RAUTITAN stabil-buizen! 2.2 Fig. 4: schuifhulsfittingen met deels een vooraanslag mogen niet worden gebruikt in combinatie met RAUTITAN stabil-buizen (afm )! 2.2 Fig. 5: de vooraanslag van de schuifhulsfitting moet bij de toepassing van RAU- TITAN stabil-buizen (afm ) volledig zijn uitgevormd! 2.2 Fig. 6: afmetingen REHAU fittingprogramma RAUTITAN/ RAU-PEX SDR 7,4 Schuifhulzen RAUTITAN 2.2 Fig. 7: afmetingen REHAU fittingprogramma RAUTITAN/ RAU-PEX SDR 7,4 2.2 Fig. 8: REHAU-universele buis RAUTITAN met schuifhuls 2.2 Fig. 9: schuifhuls installatiesysteem RAUTITAN 2.2 Fig. 10: schuifhuls installatiesysteem RAUTITAN, afmetingen 32/40, gekarteld De schuifhulzen van het REHAU-installatiesysteem RAUTITAN kunnen zowel voor de REHAU-universele buis 154 RAUTITAN stabil als voor RAUTITAN flex, worden toegepast. De RAUTITAN-schuifhulzen hebben een messingkleur en een groef rondom. Bovendien hebben de RAUTITANschuifhulzen in de afmetingen 32 en 40 een langskarteling rondom.

155 2.2.2 Fittingen vloerverwarming/ -koeling Voordelen van de schuifhulsverbinding met de RAUTHERM S-buis Permanent dichte verbindingstechniek, DIN (VOB) ook toegelaten in dekvloeren Zonder O-Ring (buismateriaal dicht zelf af) Dankzij zilverkleur goed te onderscheiden van het installatiesysteem RAUTITAN Hydraulische aanpassing van de fittingbinnendiameter aan de buisbinnendiamter door expanderen van de buis. Afmetingen fittingen REHAU-schuifhulsfittingen voor verbinding van de RAUTHERM S-verwarmingsbuis 12 x 2,0 / 14 x 1,5 / 16 x 2,0 / 17 x 2,0 / 20 x 2,0 / 25 x 2,3 Materiaal: De REHAU-schuifhulsfittingen en de REHAU-schuifhulzen, die voor de verbinding van de RAUTHERM S-buizen worden gebruikt, bestaand uit standaard messing. Om deze te onderscheiden van de fittingen van het installatiesysteem RAUTITAN, zijn de buizen overtrokken met een zilverkleurige metalen laag. De fittingen worden uitsluitend gebruikt voor het verbinden van de RAUTHERM S-buizen in de verwarmingsinstallatie. Markering: De schuifhulsfittingen voor de vloerverwarming/-koeling zijn als volgt gemarkeerd: Naam fabrikant: REHAU Buitendiameter: bijv. 20 x 2 Binnendraad: Rp (bijv. Rp ½) Buitendraad: R (bijv. R ½) Materiaal fitting: messing Kleur: zilver (zilveren oppervlaktelaag) Markering: deels ingeslagen (bijv. T-stukken): HAS Schuifhulzen vloerverwarming/ -koeling De REHAU-schuifhulzen, die worden gebruikt voor de verbinding van de RAUTHERM S-buis en de daarbij behorende REHAU-schuifhulsfittingen, zijn ca. 5 mm korter dan de REHAU-schuifhulzen van het REHAU-installatiesysteem. RAUTITAN. Bovendien zijn alle REHAUschuifhulzen voor de vloerverwarming/- koeling voorzien van een zilverkleurige metalen laag en twee groeven rondom, zodat de verschillende REHAU-buissystemen gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn. 2.2 Fig. 12: schuifhuls voor de vloerverwarming/-koeling Overgang naar andere buismaterialen Wanneer een overgang bijvoorbeeld bij reparaties of leidingnetuitbreidingen nodig is naar het REHAU-installatiesysteem RAUTI- TAN of naar de REHAU-systemen voor vloerverwarming/-koeling, dan moet uit garantie-overwegingen en voor een duidelijke scheiding van de verschillende systemen altijd een schroefdraadverbinding worden gebruik. Een uitzondering op deze regel is het gebruik van de REHAU-soldeer-/persovergang. De REHAU-soldeer-/persovergang is een overgang van het REHAU-installatiesysteem RAUTITAN naar soldeer- of metalen perssystemen (radiale persverbinding) conform DVGW-werkblad W 534. Bij het gebruik met metalen perssystemen moet erop worden gelet, dat de oppervlakken van het soldeer-persuiteinde vrij zijn van groeven of vervormingen. De instructies van de leverancier van de metalen perssystemen moeten worden aangehouden. Voor het zacht- of hardsolderen moeten daarvoor geschikte soldeer- en vloeimiddelen worden gebruikt. 2.2 Fig. 13: REHAU-soldeer-/persovergang 2.2 Fig. 11: schuifhulsfitting voor de vloerverwarming/-koeling 155

156 2.2.4 Aansluiting op armaturen Met de REHAU-overgangen met wartelmoer kunnen op eenvoudige wijze kranen of afsluitarmaturen worden aangesloten. RAUTITAN-buis REHAU-overgang RAUTITAN Kranen Afmeting met wartelmoer Met buitendraad vlakafdichtend Voor aansl. op metalen buis Art.nr. Artikelomschrijving Schroefdraad conf DIN 3546 Deel G 1/ G 3/4 G 3/ G 1/ G 3/4 G 3/ G 3/ G 1 G G G 1 1/4 G 1 1/ G 1 1/ G 1 1/2 G 1 1/ G /4 G 1 3/ /8 G 2 3/8 2.2 Tab. 2: Aansluitmogelijkheden kranen Verwerkingsinstructies voor schroefdraadfittingen Deze instructies voor de schroefdraadfittingen gelden voor alle soorten schroefdraadtypen: buitendraad (R), binnendraad (Rp), schroefdraad bij aansluitknieën, overgangsknieën en koppelingsschroefdraad (G): Schroefdraadborgmiddel moet spaarzaam worden gebruikt. Teveel gebruik van hennep bij schroefdraadfittingen moet absoluut worden vermeden. De schroefdraaduiteinden moeten nog herkenbaar zijn. Bij het gebruik van buistangen bestaat gevaar voor materiaalbeschadiging door te sterk aandraaien van de schroef-draadverbinding. In principe moet een steeksleutel worden gebruikt. Een armverlenging van montagegereedschappen, bijv. met buizen, is niet toegestaan. Bij het samenschroeven van fitting en buis moet het schroefdraaduiteinde zichtbaar blijven. Materiaalbeschadigingen kunnen ook vanwege ontoelaatbaar hoge materiaalspanningen ontstaan. Een oorzaak hiervoor kan bijv. te strak inspannen in een bankschroef zijn, overmatig gebruik van hennep bij de schroefdraadverbindingen, vervormen, hamerslag, e.d. Bij het gebruik van afdichtmiddelen, reinigingsmiddelen, montageschuim enz. moet erop worden gelet dat deze geen ammoniakhoudende bestanddelen hebben (de verwerkingsinstructies van de leverancier moeten worden aangehouden!). Wanneer langschroefdraad wordt gebruikt, dan moet op de maximaal mogelijke inschroeflengte en voldoende schroefdraaddiepte in de contrastukken met binnendraad worden gelet. Alleen toegelaten afdichtmiddelen mogen worden gebruikt (voor de gasen waterinstallatie). Bij het gebruik van verschillende typen schroefdraad moet de combinatiemogelijkheid vooraf worden gecontroleerd (tolerantie, enz.) Instructies omtrent schuifhulsfittingen: Bij de schuifhulsfittingen met schroefdraadovergang is de schroefdraad als volgt uitgevoerd: schroefdraad conform DIN 2999: Rp = cilindrisch binnendraad R = conisch buitendraad schroefdraad conform ISO 228: G = cilindrisch schroefdraad, niet in schroefdraad afdichtend/vlakafdichtend Voor de systeemuitbreiding verdient gebruik van schroeffittingen uit ontzinkingsbestendig messing aanbeveling. De fittingen en schuifhulzen moeten tegen contact met het metselwerk resp. vocht, dekvloer, cement, gips, agressieve media en overige materialen die corrosie veroorzaken met een daarvoor geschikte omhulling worden beschermd. Het directe contact met het bouwlichaam is bij weggewerkt of in de dekvloer leggen niet toegestaan Uitrichten van de fittingen Fittingen zoals bijv. muurplaten mogen niet met geweld (bijv. met een hamer) worden uitgericht. Er bestaat gevaar voor beschadiging van het schroefdraad en het ontstaan van spanningsscheurcorrosie. Voor het uitrichten van de fittingen moeten daarvoor geschikte gereedschappen zoals bijv. buisnippels of steeksleutels worden gebruikt. 2.2 Fig. 14: Fittingen niet met een hamer uitrichten Bescherming tegen corrosiebeschadiging Bij het toepassen van de REHAU-systemen in agressieve omgevingen (bijv. dierenverblijven, in beton ingegoten, zeewateratmosferen, reinigingsmiddelen, enz.) moeten de buizen en fittingen voldoende en diffusiedicht (bijv. agressieve gassen enz.) tegen corrosie worden beschermd. Bovendien moeten de REHAU-systemen altijd tegen mogelijke mechanische beschadigingen worden beschermd. 156

157 2.3 REHAU-montagegereedschap Voordelen van het REHAU-montagegereedschap Speciaal op het REHAU-fittingprogramma afgestemde REHAU-montagegereedschap (RAUTOOL) Ontwikkeling en verantwoordelijkheid direct bij REHAU Verschillende bedieningssoorten van de REHAU-gereedschappen naar keuze Bij de verbindingsafmetingen 16-40: Dubbele persbek, 2 afmetingen verwerkbaar zonder ombouw gereedschap Hydraulisch of handmatig expanderen mogelijk Flexibele en goede gereedschaphandling Compacte constructie van de REHAU-montagegereedschappen Eenvoudige montage ook in moeilijke posities Scheiding van aandrijfeenheid en persgereedschap bij hydraulische gereedschappen, RAUTOOL H1, E2 en G1 Geen kalibratie van de REHAU-buizen bij de REHAU-schuifhulsverbinding nodig Houdt verder ook de instructies aan in de gebruiksaanwijzingen van het REHAU-gereedschap RAUTOOL. Indien deze gebruiksaanwijzing niet meer bij het REHAU-gereedschap aanwezig is, dan moet deze voor het gebruik van het REHAU-gereedschap worden aangevraagd, grondig worden doorgelezen en absoluut worden aangehouden REHAU-persgereedschap RAUTOOL REHAU biedt de verwerker meerdere REHAU-schuifhuls-persgereedschappen voor het maken van de REHAU-schuifhulsverbinding. Dankzij de verschillende gereedschapsvarianten kan de verwerker het optimale gereedschap uitzoeken voor zijn specifieke toepassingsgebied. REHAU-schuifhulsgereedschappen (naam: RAUTOOL) worden samen met de uitbreidingssets voor het REHAU-installatiesysteem RAUTITAN en de uitbreidingssets voor de REHAU-vloerverwarming/-koelingsystemen toegepast. Alle REHAU-schuifhulsgereedschappen - RAUTOOL zijn zodanig ontworpen, dat deze volledig voldoen aan alle geldende eisen op de bouwplaats. De verwerker kan kiezen voor het gereedschap, dat de beste oplossing is voor zijn toepassing. RAUTOOL M1 Handgereedschap met dubbele persbekset voor telkens 2 afmetingen. Toepassingsgebied afmetingen De persbekken M1 mogen uitsluitend met de RAUTOOL M1 worden gebruikt Fig. 1: RAUTOOL M1 RAUTOOL H1 Mechanisch-hydraulisch gereedschap met dubbele persbekset voor telkens 2 afmetingen. Aandrijving via een voet-/handpomp. Toepassing voor afmetingen Fig. 2: RAUTOOL H1 RAUTOOL E2 Elektro-hydraulisch schuifhulsgereedschap met dubbele persbek voor telkens 2 afmetingen. Aandrijving via een elektrisch hydrauliekaggregaat, die via een elektro-hydrauliekslang is verbonden met de gereedschapscilinder. De gereedschapscilinder kan naar keuze voor hydraulisch expanderen worden gebruikt. Toepassing voor afmetingen RAUTOOL A2 Elektro-hydraulisch gereedschap met accuaandrijving en dubbele persbekset voor telkens 2 afmetingen. Aandrijving volgt via een accu-aangedreven hydraulisch aggregaat, dat zich direct op de gereedschapscilinder bevindt. Toepassing voor afmetingen Fig. 4: RAUTOOL A2 De hydraulische gereedschappen RAU- TOOL H1, RAUTOOL E1/E2 en RAUTOOL A1/A2 zijn onderling compatibel en worden met dezelfde uitbreidingssets uitgerust. Expandeertangen en expandeerkoppen van het REHAU-expandeersysteem RO zijn voor alle gereedschappen tot afmeting 32 onderling compatibel. RAUTOOL G1 Gereedschap voor de afmetingen 50-63, in de afmeting 40 x 5,5 is deze optioneel leverbaar. De gereedschapscilinder wordt voor het expanderen en opschuiven gebruikt. Aandrijving via een elektro-hydrauliekaggregaat. Indien gewenst kan het gereedschap ook met een voetpomp worden uitgerust Fig. 5: RAUTOOL G1 RAUTOOL K12x2,0 Handgereedschap voor het maken van de schuifhulsverbinding in afmeting 12 voor het expanderen en persen van RAUTHERM S- buis 12 x 2,0 mm en REHAU-IZL-buis 12 x 2,0 mm (REHAU-systeem inwendige circulatie) Fig. 3: afbeelding RAUTOOL E Fig. 6: RAUTOOL K 12x2,0 157

158 RAUTOOL K14x1,5 Handgereedschap voor het maken van de schuifhulsverbinding in afmeting 14 voor het expanderen en persen van RAUTHERM S 14 x 1,5 mm-buizen Fig. 7: RAUTOOL K 14x1,5 De montage- en verwerkingsinstructies uit de handleidingen, die zijn meegeleverd met de gereedschappen RAUTOOL, moeten worden aangehouden. Alleen optimaal functionerende en niet beschadigde originele REHAU-gereedschappen (RAUTOOL) waarborgen een eenvoudige montage en een betrouwbare verbindingstechniek. Beschadigde gereedschappen mogen niet meer worden gebruikt en moeten ter reparatie worden verzonden aan uw REHAU-vertegenwoordiging. De RAUTOOL - gereedschappen worden constant verbeterd en verder ontwikkeld. De actuele stand vindt u op internet of neem contact op met REHAU in Nijkerk REHAU-buisschaar Alle REHAU-buizen moeten haaks met de REHAU-buisschaar worden ingekort. Opgelet! De REHAU-buisscharen hebben een scherp lemmet. Sla deze zodanig op dat er geen verwondingsgevaar hierdoor ontstaat. Bovendien moet er bij het inkorten van REHAU-buizen op worden gelet, dat de buisschaar in een optimale toestand verkeert. Een beschadigde of stompe buisschaar kan leiden tot braam- resp. groefvorming aan de buis, op welk punt de buis dan tijdens het expanderen kan scheuren. Voor alle REHAU-buizen, behalve de RAUTI- TAN stabil-buis in de afmeting 16 en 20, kan men tot afmeting 40 de REHAU-buisschaar afmeting 40 stabil gebruiken. REHAU-buizen in de afmetingen 50 en 63 kunnen met de REHAU-buisschaar 63 worden ingekort. Reservemessen voor de REHAU-buisscharen, behalve voor de REHAU-buisschaar afmeting 25, kunnen naderhand worden besteld. Buisafmetingen Buis: 16/20 25/32/40 50/63 RAUTITAN stabil. Buisschaar 16/20 RAUTITAN REHAU-buisschaar afmeting 40 stabil RAUTITAN flex RAUTHERM S 2.3Tab. 1: toepassing buisschaar Buisschaar 16/20 RAUTITAN REHAU-buisschaar afmeting 25 REHAU-buisschaar afmetingen 40 stabil REHAU-buisschaar 63 Bij het inkorten van RAUTITAN stabil-buizen in de afmetingen 16 en 20 mm moet de buisschaar 16/20 RAUTITAN worden gebruikt. Gebruik van andere buisscharen is voor deze afmetingen en bij dit buistype niet toegestaan. De kalibratiedoorn aan de zijkant van de buisschaar 16/20 RAUTITAN is uitsluitend bedoeld voor de kalibratie van de RAUTI- TAN stabil-buis en wordt alleen bij gebruik van de REHAU-klemringkoppelingsset voor RAUTITAN stabil-buizen toegepast Fig. 8: Inkorten van een RAUTITAN stabil-buis met de buisschaar 16/20 RAUTI- TAN 158

159 2.3.3 REHAU-expandeerkoppen In principe worden alle REHAU-schuifhulsverbindingen, vanaf afmeting 16, op dezelfde manier geëxpandeerd. Er moet vooral worden gelet op het gebruik van de juiste expandeerkop voor het betreffende type REHAU-buis. Voor het herkennen van de REHAU-expandeerkoppen bevinden zich op de expandeerkop gekleurde markeringen met daarbij de buisafmeting. De groene kleurmarkering hoort bij de RAU- TITAN stabil-buis, de blauwe kleurmarkering hoort bij de RAUTITAN flex-buis en de rode kleurmarkering hoort bij de RAUTHERM S- buis. Naast de groene kleurmarkering zijn de expandeerkoppen voor de RAUTITAN stabilbuis ook herkenbaar aan een afschuining op de expandeersegmenten en aan een zwarte moer (16-32). De juiste toekenning van de REHAU-expandeerkoppen aan het bijbehorende REHAUbuistype is voor een permanent dicht verbinding noodzakelijk, zodat te veel expanderen of beschadiging van het buismateriaal wordt uitgesloten. De REHAU-expandeerkop moet in principe altijd geheel op het REHAU-expandeergereedschap worden geschroefd en mag bij het verdraaien niet loslaten. 1x 2.3 Fig. 9: altijd de buis tweemaal 30 verdraaid expanderen Het expanderen van de buis volgt bij de afmetingen 12 en 14 direct in het gereedschap RAUTOOL K12 of RAUTOOL K14. Er is geen extra expandeerkop nodig! Het gebruik van de bij het betreffende REHAU-buistype behorende expandeerkop en het tweemaal 30 verdraaid expanderen is voor de betrouwbaarheid van de verbinding van doorslaggevend belang en daarom absoluut noodzakelijk. Daarom moeten de volgende principiële verwerkingsstappen bij het gebruik van de REHAU-expandeerkoppen altijd worden aangehouden: 1x expanderen van het REHAU-buisuiteinde verdraaien van de expandeerkop met ca. 30, buis blijft in uitgangspositie Nogmaals expanderen van het REHAU-buisuiteinde Ter vergemakkelijking van de montage wordt als alternatief voor de expandeertang System RO voor de REHAU-buizen in de afmetingen 25 en 32 het REHAU-Universal- Expandeerbit System RO aanbevolen Fig. 10: REHAU-Universal-expandeerbit 25/32 System RO De REHAU-universele expandeerbit systeem RO, de REHAU-expandeerbit 40 stabil en de REHAU expandeerbit 40 x 5,5 worden met de REHAU-gereedschappen RAUTOOL H1, E1, E2, A1 en A2 in combinatie gebruikt. De hydraulische ondersteuning maakt krachtbesparend werken mogelijk. 159

160 Markering van de REHAU-expandeerkoppen RAUTITAN stabil-buis Groene kleurmarkering Zwarte moer in de afmetingen Expandeersegment afgeschuind RAUTITAN flex-, RAUPINK*-, RAUHISbuis* Blauwe kleurmarkering Zilveren moer in de afmetingen Expandeersegmenten zonder afschuining RAUTHERM S-buis Rode kleurmarkering. Zilveren moer in de afmetingen Expandeersegmenten zonder afschuining *RAUPINK- en RAUHIS-buizen worden niet meer geleverd Fig. 11: expandeerkoppen RAUTITAN stabil / RAUTITAN flex / RAUTHERM S Buisafmetingen Buis 16/20/25/ /63 RAUTITAN stabil. RAUTITAN flex RAUTHERM S 2.3. Tab. 2: expandeerkoppen 160

161 Expandeerkoppen RAUTITAN stabil 2.3. Fig. 12: RAUTITAN stabil - expandeerkop met groene markering Het expanderen van de RAUTITAN stabilbuis mag alleen met de groen gemarkeerde expandeerkoppen worden uitgevoerd. Het is voor het maken van de REHAU-schuifhulsverbinding niet nodig de RAUTITAN stabilbuis te kalibreren of af te schuinen. Door gebruik van een beschadigde buisschaar bij het inkorten van de buis kan beschadiging van het buismateriaal ontstaan. Door een dergelijke voorbeschadiging kan onder bepaalde omstandigheden bij de aansluitende expandeerprocedure een klein scheurtje in de buitenlaag van de buis ontstaan. Bij scheurvorming moet het beschadigde buisuiteinde worden afgesneden en moet de expandeerprocedure worden herhaald. De RAUTITAN stabil-buizen in de afmeting 40 x 6,0 mm mogen alleen met de REHAUexpandeerbit 40 stabil worden geëxpandeerd. Expanderen met de RAUTOOL G1 is niet mogelijk. L L L RAUTITAN stabil 2.3. Fig. 13: RAUTITAN stabil-buis - expandeerkop met groene markering - (min. afstand 2 x L aanhouden) Expandeerkoppen RAUTITAN flex 2.3. Fig. 14: expandeerkop RAUTITAN flex- / RAUPINK- / RAUHIS-buis De RAUTITAN flex-buis is voorzien van een Eval-sperlaag. De EVAL-sperlaag is niet altijd zo flexibel als de basisbuis uit vernet polyethyleen. Daarom moet bij het expanderen van de buis onder bepaalde omstandigheden (bijv. een lage verwerkingstemperatuur, enz.) met een lichte scheurvorming in de sperlaag rekening worden gehouden. Deze scheuren reduceren echter niet de gebruiksmogelijkheden van de buizen met EVAL-mantel en hebben geen invloed op de betrouwbaarheid van de schuifhulsverbinding. Omdat de scheuren zich in het gebied van de schuifhulsverbinding bevinden en aan beide zijden met diffusiedicht metaal zijn omsloten, hebben deze ook op de zuurstofdichtheid conform DIN 4726 geen noemenswaardige invloed. Voor de RAUTITAN flex-buis in de afmeting 40 moet voor het expanderen de REHAUexpandeerbit 40 x 5,5 of de expandeerkop van de RAUTOOL G1 worden gebruikt. L L L RAUTITAN flex 2.3. Fig. 15: RAUTITAN flex-buis - expandeerkop met blauwe markering - (min. afstand 2 x L aanhouden) 161

162 Expandeerkop RAUTHERM S 2.3. Fig. 16: expandeerkop RAUTHERM S- buis Het expanderen van de RAUTHERM S-buis mag alleen met de rood gemarkeerde expandeerkoppen worden uitgevoerd. De RAUTHERM S-buis is voorzien van een Eval-sperlaag. De EVAL-sperlaag is niet altijd zo flexibel als de basisbuis uit vernet polyethyleen. Daarom moet bij het expanderen van de buis onder bepaalde omstandigheden (bijv. een lage verwerkingstemperatuur, enz.) met een lichte scheurvorming in de sperlaag rekening worden gehouden. Deze scheuren reduceren echter niet de toepasbaarheid van de buis met EVAL-mantel en hebben geen invloed op de betrouwbaarheid van de schuifhulsverbinding. Omdat deze scheuren zich in de omgeving van de schuifhulsverbinding bevinden en aan beide zijden met diffusiedicht materiaal zijn omgeven, hebben deze geen noemenswaardige invloed op de zuurstofdichtheid conform DIN L L L RAUTHERM S 2.3. Fig. 17: RAUTHERM S-buis - expandeerkop met rode markering - (min. afstand 2 x L aanhouden) Aanvullende instructies omtrent expandeerkoppen De REHAU-buizen mogen niet met incomplete of beschadigde (bijv. verbogen, gebroken of afgebroken) expandeerkoppen worden geëxpandeerd. Het buisuiteinde wordt anders eenzijdig geëxpandeerd waardoor overmatige uitzetting van het buismateriaal ontstaat. Daardoor is de betrouwbaarheid van de verbinding niet meer gewaarborgd. Het buisuiteinde dat moet worden geëxpandeerd en de expandeerkop moeten vrij zijn van verontreinigingen (bijv. stof, vocht e.d.). De REHAU-expandeerkop moet soepel lopen en schoon zijn. Indien nodig reinigen en intern in de omgeving van de doorn invetten. Hulpmiddelen zoals een borstel en smeervet vindt u in de REHAU-gereedschapskoffer Fig. 18: defecte expandeerkop - niet gebruiken! 162

163 3.3.4 Maken van een schuifhulsverbinding 2 x 2.3 Fig. 19: buis met buisschaar braamvrij en haaks tot de gewenste maat inkorten. Opgelet! Houd de handen op veilige afstand van het gereedschap! 2.3 Fig. 20 Schuifhuls over de buis schuiven Opgelet! Inwendige afschuining moet naar de verbinding wijzen Fig. 21: expanderen m.b.v. expandeertang: buis tweemaal 30 verdraaid expanderen. Let daarbij op de min. afstand (een schuifhulslengte) tussen expandeerkop en schuifhuls. De schuifhuls mag zich niet in de expandeerzone bevinden. Niet schuin expanderen. 33 Fig. 22: fitting direct na het expanderen compleet (resp. tot aan de vooraanslag) in de geëxpandeerde buis steken. Alle afdichtingsribben van de fitting moeten door de buis worden bedekt. Na korte tijd zit de fitting vast in de buis (Memory Effect).! 2.3 Fig. 23: verbinding volledig in persgereedschap plaatsen. Opgelet! Niet schuin houden. Gereedschap moet over het gehele oppervlak en haaks worden geplaatst. 2.3 Fig. 24: Door indrukken van de drukschakelaar de schuifhuls volledig tot aan de fittingkraag opschuiven Fig. 25: afgeronde schuifhulsverbinding Aanvullende instructies omtrent het maken van een REHAU-schuifhulsverbinding: De minimale afstand van de REHAU-schuifhuls tot het buisuiteinde moet minimaal de dubbele lengte van de REHAU-schuifhuls zijn. Deze minimale afstand moet bij het expanderen altijd worden aangehouden. De REHAU-schuifhuls mag zich niet in de expandeerzone bevinden (gevaar voor beschadiging gereedschap/buis). Het opruimen van de REHAU-schuifhuls vermindert de kwaliteit van de REHAU-schuifhulsverbinding niet en komt voornamelijk voor bij het gebruik van oudere REHAUexpandeerkoppen. Tevens kan bij de toepassing van oudere REHAU-expandeerkoppen en buizen uit RAU-PE-Xa (geldt niet voor RAUTITAN stabil-buizen) tijdens de persprocedure een opstuwing van het buismateriaal optreden. In dat geval moet het opschuiven van de schuifhuls kort voor de verdikking (ca. 2 mm afstand van de fittingkraag) worden gestopt. Er mag geen glijmiddel en geen water bij het maken van de REHAU-schuifhulsverbinding worden gebruikt. Beschadigde delen moeten worden afgevoerd. Voor het persen van de REHAU-schuifhuls kunnen in principe alle passende REHAUmontagegereedschappen RAUTOOL worden gebruikt. In de buurt van de minimale verwerkingstemperatuur van -10 C verdient gebruik van het REHAU- Montagegereedschap, RAUTOOL, met hydraulische krachtoverdracht aanbeveling. Houdt verder ook de instructies aan in de gebruiksaanwijzingen van het REHAUgereedschap RAUTOOL. Indien deze handleiding niet meer aanwezig is of beschikbaar is, dan moet deze voor het gebruik van het REHAU-gereedschap worden aangevraagd en grondig worden doorgelezen. Neem daarvoor contact op uw REHAU vertegenwoordiging. Bovendien staat deze REHAU-documentatie op Internet onder beschikbaar voor downloaden. 163

164 2.3.5 Losmaken van REHAUschuifhulsverbindingen Wijzigen naderhand aan het leidingnet (bijv. leidingnetuitbreidingen, verkeerd geperste fitting) kunnen worden uitgevoerd door de fitting compleet los te maken. De los te maken verbinding moet geheel van de bestaande leiding met de buisschaar worden losgemaakt. De losgemaakte fitting kan daarna met een föhn worden verwarmd. Bij het bereiken van een temperatuur van ca. 135 C moet de schuifhuls van de body worden afgetrokken. Na het aftrekken van de buis uit de body moet de REHAU-fitting worden schoongemaakt en kan, mits niet beschadigd, na afkoeling weer worden gebruikt. De losgemaakte schuifhuls mag niet meer worden gebruikt en moet met het losgemaakte stuk buis worden afgevoerd. 2.3 Fig. 26: losmaken van de buis 2.3. Fig. 27: Opwarmen van de los te maken verbinding. Opgelet! Gevaar voor letsel/verbranding door hoge temperaturen. 2.3 Fig. 28: aftrekken van de schuifhuls, afvoeren schuifhuls en buisstuk 2.3 Fig. 29: niet toegestaan! De op te warmen schuifhulsverbinding moet altijd geheel van de leidinginstallatie worden gescheiden! 164

165 3.3.6 Algemeen omtrent de REHAUverbindingstechniek schuifhuls De REHAU-verbindingstechniek schuifhuls is conform DVGW-werkblad W 534 en DIN 4726 een permanent dichte verbinding (naam was vroeger: onlosbare verbinding). Dit betekent dat deze conform DIN (VOB) weggewerkt en in dekvloeren mag worden gebruikt zonder toepassing van een revisieschacht. De REHAU-schuifhulsverbinding heeft geen O-ring als extra afdichting nodig, maar gebruikt het buismateriaal zelf als afdichting. Ook hierdoor is de REHAUschuifhulstechniek een voor de bouwplaats geschikte verbinding. De REHAU-verbindingstechniek schuifhuls mag alleen met de betreffende REHAU-fittingen uit het RAUTITAN-programma of het REHAU-vloerverwarmings-/-koelprogramma worden gebruikt. Voor de verbinding mag alleen het REHAU-schuifhulsgereedschap RAUTOOL worden gebruikt. Er mogen alleen goede, schone en onbeschadigde systeemcomponenten, buizen en fittingen worden gebruikt. De REHAU-schuifhuls wordt met de schuine binnenzijde naar het buiseinde toe gericht op de buis geschoven. De buis wordt koud geëxpandeerd en op de fitting gestoken. Vanwege het memory-effect neigen vooral buizen uit RAU-PE-Xa en in mindere mate ook RAUTITAN stabil-buizen, na het expanderen tot terugvorming. Daardoor wordt de buisdiameter gereduceerd en de fittingbody door de buis omsloten. Daarom moet het insteken van de fitting direct na het expanderen plaatsvinden. De fittingbody wordt tot aan de vooraanslag (afmeting mm) in de buis gestoken. Bij alle afmetingen moet er op worden gelet, dat alle afdichtingsribben van de fittingbody voor het persen van de REHAU-schuifhuls zijn bedekt door de buis. Na het uitrichten van de REHAU-fitting wordt de REHAU-schuifhuls geperst. Aanvullende instructies omtrent de schuifhulstechniek RAUTITAN stabilbuis in de afmeting 40 mm De RAUTITAN stabil-buis 40 x 6,0 mm heeft een kortere expandeerlengte dan de andere REHAU-buizen in de afmeting 40. Daardoor eindigt het geëxpandeerde buisdeel bij correct expanderen en volledig opsteken ca. 6 mm voor de fittingkraag, waarbij alle ribben op de fitting door de geëxpandeerde buis moeten zijn bedekt. Daardoor worden de in de REHAU-prijslijst voor gebouwentechniek opgegeven Z- maten telkens met ca. 4 mm verlengd. Daarom wordt de af te snijden buislengte ca. 8 mm korter. Hierop moet bij gebruik van de RAUTITAN stabil-buis 40 x 6,0 mm in tegenstelling tot de andere RAUTITANbuizen worden gelet. Voranschlag vooraanslag Fittingkörper fittingbody Schiebehülse schuifhuls Sicherungsnut borgmoer 2.3. Fig. 30: RAUTITAN stabil-buis Formteilkragen fittingkraag 2.3. Fig. 31: RAUTITAN stabil-buis 40 Voranschlag vooraanslag 2.3. Fig. 32: RAUTITAN flex-buis Formteilkragen fittingkraag ca. 6 mm Fittingkörper fittingbody Fittingkörper fittingbody Fittingkörper fittingbody Sicherungsnut borgmoer afdichtingsribben Dichtrippe afdichtingsribben Dichtrippe Schiebehülse schuifhuls 2.3. Fig. 33: RAUTITAN flex-buis Fittingkörper fittingbody Schiebehülse schuifhuls Schiebehülse schuifhuls Schiebehülse schuifhuls met twee mit 2 gleuven Nuten 40 RAUTITAN stabil RAUTITAN stabil RAUTITAN flex RAUTITAN flex RAUTHERM S Voranschlag vooraanslag Sicherungsnut borgmoer 2.3 Fig. 34: RAUTHERM S-buis 165

166 Notitie s: 166

167 Notitie s: 167

168 De in dit drukwerk vermelde maten zijn richtwaarden. Inzake toleranties gelden uitsluitend onze leverings- en betalingsvoorwaarden. Wij adviseren dan ook een kontrole of de in dit druckwerk genoemde produkten technisch geschikt zijn voor het beoogde doel. Toepassing, gebruik en verwerking van onze produkten liggen buiten onze kontrolemogelijkheden en vallen derhalve uitsluitend onder uw verantwoording. Onze garantie betreft in elk geval een gelijkblijvende kwaliteit overeenkomstig onze specificaties, volgens onze U bekende leverings- en betalingsvoorwaarden. Mocht een aanspraak worden gedaan op garantie dan blijft zij in alle schadegevallen beperkt tot de waarde van de door ons geleverde en de door U verwerkte goederen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. REHAU N.V. Watergoorweg 79 Postbus MA NIJKERK Tel.: / Fax: / [email protected] For European exporting companies and if there is no sales office in your country please contact: REHAU AG+Co, Export Sales Office, P.O. Box 30 29, Erlangen/Germany, Tel.: +49 (0) , [email protected] NL 2.05

NoppenplaaT Varionova Technische informatie. www.rehau.be. Construction Automotive Industry

NoppenplaaT Varionova Technische informatie. www.rehau.be. Construction Automotive Industry NoppenplaaT Varionova Technische informatie www.rehau.be Construction Automotive Industry Aanwijzingen bij deze Technische Informatie Geldigheid Deze technische informatie is geldig voor België Symbolen

Nadere informatie

Bij het droogbouwsysteem van SCHÜTZ worden de verwarmingsbuizen m.b.v. warmtegeleidingsprofielen binnen de warmte-isolatie gelegd.

Bij het droogbouwsysteem van SCHÜTZ worden de verwarmingsbuizen m.b.v. warmtegeleidingsprofielen binnen de warmte-isolatie gelegd. Droogbouwsysteem I.4 Bij het droogbouwsysteem van SCHÜTZ worden de verwarmingsbuizen m.b.v. warmtegeleidingsprofielen binnen de warmte-isolatie gelegd. Bij droogbouwsystemen worden de verwarmingsbuizen

Nadere informatie

Tackersysteem I.2. Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen met buisclips op een draagplaat vastgezet.

Tackersysteem I.2. Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen met buisclips op een draagplaat vastgezet. Tackersysteem I.2 Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen met buisclips op een draagplaat vastgezet. Daarbij dient de systeemplaat niet alleen ter bevestiging van de verwarmingsbuis, maar

Nadere informatie

ultra-takk de isolatierol van SCHÜTZ

ultra-takk de isolatierol van SCHÜTZ Speciale oplossingen I.2.2 ultra-takk de isolatierol van SCHÜTZ Als grote oppervlakken moeten worden voorzien van vloerverwarming, is de ultra-takk isolatierol een zinvol alternatief. Rollen en leggen:

Nadere informatie

Noppensysteem I.4. Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen tussen de buisbevestigingsnoppen

Noppensysteem I.4. Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen tussen de buisbevestigingsnoppen Noppensysteem I.4 Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen tussen de buisbevestigingsnoppen op de montageplaat vastgezet. Veel vloerverwarmingen worden uitgevoerd als noppensysteem, omdat

Nadere informatie

Noppensysteem I.3. Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen tussen de buisbevestigingsnoppen op de montageplaat vastgezet.

Noppensysteem I.3. Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen tussen de buisbevestigingsnoppen op de montageplaat vastgezet. Noppensysteem I.3 Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen tussen de buisbevestigingsnoppen op de montageplaat vastgezet. Veel vloerverwarmingen worden uitgevoerd als noppensysteem, omdat

Nadere informatie

Als men grote oppervlaktes met vloerverwarming verleggen wil, dan is de isolatie rol een zinvolle alternatief. Maximale nuttige belasting**

Als men grote oppervlaktes met vloerverwarming verleggen wil, dan is de isolatie rol een zinvolle alternatief. Maximale nuttige belasting** Klett systeem I.3 Klett systeem isolatierol Als men grote oppervlaktes met vloerverwarming verleggen wil, dan is de isolatie rol een zinvolle alternatief. Uitrollen en verleggen: z De isolatierol draagt

Nadere informatie

Bij het droogbouwsysteem van SCHÜTZ worden de verwarmingsbuizen m.b.v. warmtegeleidingsprofielen binnen de warmte-isolatie gelegd.

Bij het droogbouwsysteem van SCHÜTZ worden de verwarmingsbuizen m.b.v. warmtegeleidingsprofielen binnen de warmte-isolatie gelegd. Droogbouwsysteem I.5 Bij het droogbouwsysteem van SCHÜTZ worden de verwarmingsbuizen m.b.v. warmtegeleidingsprofielen binnen de warmte-isolatie gelegd. Bij droogbouwsystemen worden de verwarmingsbuizen

Nadere informatie

RAUTITAN flex 12x1,7 TECHNISCHE INFORMATIE

RAUTITAN flex 12x1,7 TECHNISCHE INFORMATIE RAUTITAN flex 12x1,7 TECHNISCHE INFORMATIE Drinkwaterinstallatie met de REHAU-buis RAUTITAN flex 12x1,7 mm www.rehau.com Construction Automotive Industry Inleiding Waarom een RAUTITAN flex 12x1,7 buis?

Nadere informatie

Renovatiesysteem R50 I.6. R50 : het nieuwe vloerverwarmingssysteem voor gebouwrenovatie. Voordelen: Dragende ondergrond

Renovatiesysteem R50 I.6. R50 : het nieuwe vloerverwarmingssysteem voor gebouwrenovatie. Voordelen: Dragende ondergrond Renovatiesysteem R50 I.6 gebouwrenovatie. Voordelen: z Opbouwhoogte inclusief dekvloer 42-68mm bij drukbelasting tot 2kN/m² z Opbouwhoogte met warmteweerstand volgens EN1264 (RI = 0.75 m²k/w) z Geteste

Nadere informatie

Tackersysteem I.2. Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen met buisclips op een draagplaat vastgezet.

Tackersysteem I.2. Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen met buisclips op een draagplaat vastgezet. Tackersysteem I.2 Bij dit type vloerverwarming worden de verwarmingsbuizen met buisclips op een draagplaat vastgezet. Daarbij dient de systeemplaat niet alleen ter bevestiging van de verwarmingsbuis, maar

Nadere informatie

Gomatherm. Vloerverwarming

Gomatherm. Vloerverwarming Gomatherm Vloerverwarming Vloerverwarming - gezonde behaaglijkheid Vloeren met behaaglijkheid Met vloerverwarming benut men het volledige vloeroppervlak, er zijn geen storende en plaatsvragende radiatoren.

Nadere informatie

VERWARMEN/KOELEN VLOERVERWARMINGSSYSTEMEN PROFI. De voordelige vloerverwarmingssystemen flexibel, snel en eenvoudig te monteren

VERWARMEN/KOELEN VLOERVERWARMINGSSYSTEMEN PROFI. De voordelige vloerverwarmingssystemen flexibel, snel en eenvoudig te monteren VERWARMEN/KOELEN VLOERVERWARMINGSSYSTEMEN PROFI De voordelige vloerverwarmingssystemen flexibel, snel en eenvoudig te monteren Praktijkgericht maal drie: Uponor tackersysteem, Uponor noppenfoliesysteem,

Nadere informatie

TopTechniek. Tackersysteem variabele installatie van de verwarmingsbuizen dankzij geïntegreerd installatieraster.

TopTechniek. Tackersysteem variabele installatie van de verwarmingsbuizen dankzij geïntegreerd installatieraster. TopTechniek Vitoset-vloerverwarmingssystemen energiebesparend, veilig, comfortabel en alles van dezelfde fabrikant Veilige en tijdsbesparende montage dankzij het kleine aantal installatiestappen en de

Nadere informatie

Railjet S. Railjet S Q W E. 65 mm 50 mm

Railjet S. Railjet S Q W E. 65 mm 50 mm - Railjet S Systeemopbouw Railjet - Railjet S Railjet De Radson Railjet is een systeem speciaal ontworpen voor gebruik op verschillende ondergronden. Wanneer de ondergrond uit beton, gespoten Pur of isolatieplaten

Nadere informatie

DIN Reg.-Nr. 7F182. Tackersysteem Vloerverwarming / koeling Z E W O T H E R M. A A N G E N A M E W A R M T E.

DIN Reg.-Nr. 7F182. Tackersysteem Vloerverwarming / koeling Z E W O T H E R M. A A N G E N A M E W A R M T E. DIN Reg.-Nr. 7F182 Tackersysteem Vloerverwarming / koeling Z E W O T H E R M. A A N G E N A M E W A R M T E. Eenvoudig beter wonen Vloerverwarming betekent aangename warmte. Voor de eindverbruiker overwegen

Nadere informatie

WTH Vareno NP11 (art.nr. H700A)

WTH Vareno NP11 (art.nr. H700A) WTH Vareno NP11 (art.nr. H700A) Noppenplaat voor verwarmen + koelen Omschrijving Het Vareno NP11 element van WTH is bij uitstek geschikt voor renovatieprojecten waar er binnen een beperkte opbouwhoogte

Nadere informatie

De garantie van een aangename warmte. Warmte is ons element. Logafix Vloerverwarming Systeem met noppenplaten. [ Lucht ] [ Water ] [ Aarde ]

De garantie van een aangename warmte. Warmte is ons element. Logafix Vloerverwarming Systeem met noppenplaten. [ Lucht ] [ Water ] [ Aarde ] [ Lucht ] [ Water ] [ Aarde ] [ Buderus ] De garantie van een aangename warmte Warmte is ons element noppenplaten : het allroundsysteem voor verwarmingscomfort Een verwarmingssysteem met vloerverwarming

Nadere informatie

Technische tip: FERMACELL Vlieringvloerelement. FERMACELL Vlieringvloerelement. De meest efficiënte methode om energie te besparen

Technische tip: FERMACELL Vlieringvloerelement. FERMACELL Vlieringvloerelement. De meest efficiënte methode om energie te besparen Technische tip: De meest efficiënte methode om energie te besparen Het bestaat uit een 10 mm dikke Gipsvezelplaat met een polystyreen isolatieplaat (EPS DEO 150 WLG 035) met uitstekende warmte-isolerende

Nadere informatie

Technisch informatieblad StoSilent Board 100

Technisch informatieblad StoSilent Board 100 Akoestische plaat van glasgranulaat voor vrijhangende plafond- en wandconstructies Kenmerk Toepassing binnen voor vrijhangende plafond- en wandconstructies Bevestiging geschroefd, plaatranden verlijmd

Nadere informatie

Handleiding Comfort Mat

Handleiding Comfort Mat Handleiding Comfort Mat Het toppunt van comfort. Het toppunt van eenvoud. Elektrische vloerverwarming Inleiding In deze handleiding van de elektrische vloerverwarming beschrijven wij stapsgewijs waar u

Nadere informatie

fermacell Technische tip

fermacell Technische tip Technische tip Versie september 2013 Powerpanel Douchegoot element 2.0 De eis Architecten en ontwerpers zoeken naar moderne en economische oplossingen voor natte ruimtes, als trendy en eigentijdse variant

Nadere informatie

Snel en veilig geïnstalleerd het noppenplaatsysteem voor montage conform de normen

Snel en veilig geïnstalleerd het noppenplaatsysteem voor montage conform de normen V E R W A R M E N / KO E L E N N O P P E N P L A AT S Y S T E E M T E C T O Snel en veilig geïnstalleerd het noppenplaatsysteem voor montage conform de normen De innovatieve vloerverwarming, die in de

Nadere informatie

SNELLER INSTALLEREN. Met REHAU gaat u voor bouwtijdverkorting

SNELLER INSTALLEREN. Met REHAU gaat u voor bouwtijdverkorting SNELLER INSTALLEREN Met REHAU gaat u voor bouwtijdverkorting 2 Vandaag de dag telt sneller bouwen meer dan ooit tevoren. Prefabelementen, modulebouw, samenwerking tussen partijen - alles draait om eenvoud

Nadere informatie

Veilige infrastructuur met OBO ondervloersystemen Effectieve afschottingssystemen beveiligen brandzones Vuur en rook worden met de brandwerende

Veilige infrastructuur met OBO ondervloersystemen Effectieve afschottingssystemen beveiligen brandzones Vuur en rook worden met de brandwerende Veilige infrastructuur met OBO ondervloersystemen Effectieve afschottingssystemen beveiligen brandzones Vuur en rook worden met de brandwerende systemen van OBO via de vloerkanalen niet overgedragen 278

Nadere informatie

1mm extreem dunne vloerverwarming (EXDV). VOOR ONDER LAMINAAT OF VOOR IN DE TEGELLIJM. Eenvoudige montage.

1mm extreem dunne vloerverwarming (EXDV). VOOR ONDER LAMINAAT OF VOOR IN DE TEGELLIJM. Eenvoudige montage. 1mm extreem dunne vloerverwarming (EXDV). VOOR ONDER LAMINAAT OF VOOR IN DE TEGELLIJM Eenvoudige montage. Inleiding In deze handleiding van de 1mm elektrische vloerverwarming EXDV beschrijven wij stapsgewijs

Nadere informatie

Uponor Minitec de ideale vloerverwarming voor renovatie zonder breekwerk MINIMALE MONTAGEHOOGTE, MAXIMAAL COMFORT

Uponor Minitec de ideale vloerverwarming voor renovatie zonder breekwerk MINIMALE MONTAGEHOOGTE, MAXIMAAL COMFORT Uponor Minitec de ideale vloerverwarming voor renovatie zonder breekwerk MINIMALE MONTAGEHOOGTE, MAXIMAAL COMFORT Groots in kleine afmetingen LAGE ELEMENTHOOGTE, SNELLE REGELING Snelle installatie, korte

Nadere informatie

Clickjet - Clickjet S

Clickjet - Clickjet S - Clickjet S Systeemopbouw Clickjet - Clickjet S Clickjet Radson Clickjet is een geïntegreerd en doordacht systeem voor vloerverwarming, op basis van staaldraadmatten en speciale leidingklemmen. De staaldraadmatten

Nadere informatie

BPB. Rigidur gipsvezelplaten. BPB, uw gids in gips.

BPB. Rigidur gipsvezelplaten. BPB, uw gids in gips. BPB Rigidur gipsvezelplaten BPB, uw gids in gips. 16 3 Rigidur gipsvezelplaten Artikel Dikte in mm Breedte in mm Standaardlengte Gewicht in kg Platen per pallet in mm per m 2 Rigidur gipsvezelplaten zijn

Nadere informatie

Innovaties Systeemvoordelen. zitten in de details

Innovaties Systeemvoordelen. zitten in de details Innovaties 2013 Systeemvoordelen zitten in de details NL wedi Fundo systemen Fundo Primo Fundo Borgo Fundo Trollo Fundo Nautilo Fundo Riofino Fundo Riolito Fundo Riolito Discreto Fundo Plano Het totaalsysteem

Nadere informatie

Voor het plannen van een SCHÜTZ-vloerverwarming volgens DIN EN droogbouwsysteem. Type: 14 x 2 mm 16 x 2 mm 17 x 2 mm 20 x 2 mm 25 x 2,3 mm

Voor het plannen van een SCHÜTZ-vloerverwarming volgens DIN EN droogbouwsysteem. Type: 14 x 2 mm 16 x 2 mm 17 x 2 mm 20 x 2 mm 25 x 2,3 mm Protocollen Gegevensblad voor projectontwerp Voor het plannen van een SCHÜTZ-vloerverwarming volgens DIN EN 1264-4 A) Bouwplan B) Gewenst SCHÜTZ-systeem tackersysteem noppensysteem droogbouwsysteem R 50

Nadere informatie

Leginstructies voor zwevende Fold-Down

Leginstructies voor zwevende Fold-Down VOORBEREIDING VAN ONDERVLOEREN VOOR Wicanders ZWEVENDE VLOEREN Wicanders zwevende vloeren kunnen gelegd worden in de meeste ruimten van woonhuizen en commerciële gebouwen, met uitzondering van badkamers,

Nadere informatie

RAUTHERM VLOERVERWARMING/-KOELING

RAUTHERM VLOERVERWARMING/-KOELING De in dit drukwerk vermelde maten zijn richtwaarden. Inzake toleranties gelden uitsluitend onze leverings- en betalingsvoorwaarden. Wij adviseren dan ook een controle of de in dit drukwerk genoemde producten

Nadere informatie

NIEUW. Luchtdichte manchetten. Luchtdichte manchetten Betrouwbare afdichting van installatiedoorvoeropeningen

NIEUW. Luchtdichte manchetten. Luchtdichte manchetten Betrouwbare afdichting van installatiedoorvoeropeningen Luchtdichte manchetten INBOUW Het gamma luchtdichte manchetten biedt de perfecte afdichting voor alle gangbare kabel- en buisdiameters, zowel voor binnen- als voor buitentoepassingen. Het gamma bestaat

Nadere informatie

PE-rasterfolie met rasterbedrukking 0,20 mm Rol 100m² 1,20 /m² 50x50 mm + raster met legpatroon SA-01.2090150

PE-rasterfolie met rasterbedrukking 0,20 mm Rol 100m² 1,20 /m² 50x50 mm + raster met legpatroon SA-01.2090150 Rasterfolie PE-rasterfolie met rasterbedrukking 0,20 mm Rol 100m² 1,20 /m² 50x50 mm + raster met legpatroon SA-01.2090150 TACKER-TOOL HASPEL TACKER TACKER PE-RT PE-Xc Multipipe Multipipe meerlagenbuis

Nadere informatie

Uw comfort, onze missie! Kenniscentrum voor verwarmen en koelen

Uw comfort, onze missie! Kenniscentrum voor verwarmen en koelen Uw comfort, onze missie! WTH Vloerverwarming is de toonaangevende leverancier van vloer- en wandsystemen voor verwarmen en koelen. Al meer dan 30 jaar ontwikkelt, produceert en verkoopt WTH met succes

Nadere informatie

Ubbink indak bevestigingssysteem voor zonnepanelen

Ubbink indak bevestigingssysteem voor zonnepanelen Ubbink indak bevestigingssysteem voor zonnepanelen Montagevoorschrift Met het universele indak bevestigingssysteem van Ubbink, kan men alle soorten zonnepanelen tussen de dakpannen aanbrengen. Het systeem

Nadere informatie

PLAATSEN VAN VLOERVERWARMING. 5.1 Plaatsen van vloerverwarming 43

PLAATSEN VAN VLOERVERWARMING. 5.1 Plaatsen van vloerverwarming 43 PLAATSEN VAN VLOERVERWARMING. Plaatsen van vloerverwarming . Plaatsen van vloerverwarming.. Randisolatie De randisolatie is voorzien van een PE flap die steeds naar de binnenzijde van de ruimte gericht

Nadere informatie

Knauf vloeivloer 30 mm. vijzels gevuld met Knauf vloeivloer. Holle vloerelementen met in de hoogte verstelbare vijzels. Randisolatiestrook mineraalwol

Knauf vloeivloer 30 mm. vijzels gevuld met Knauf vloeivloer. Holle vloerelementen met in de hoogte verstelbare vijzels. Randisolatiestrook mineraalwol F231 Op isolatielaag (voorbeeld op ondergrond in houten balken) F233/244 Op vloerverwarming Knauf randisolatiestrook FE 8/100 bekleed met een folie plaat voor thermische of contactgeluidisolatie houten

Nadere informatie

Rechtstreeks toe te passen op buizen die waterdicht door vloerplaten of muren dienen gevoerd te worden.

Rechtstreeks toe te passen op buizen die waterdicht door vloerplaten of muren dienen gevoerd te worden. P R E V E N T I E V E W A T E R D I C H T I N G WATERDICHTE MUURKRAAG RONDO TOEPASSING Rechtstreeks toe te passen op buizen die waterdicht door vloerplaten of muren dienen gevoerd te worden. EIGENSCHAPPEN

Nadere informatie

BudgetBuy Vloerverwarmings Kabel

BudgetBuy Vloerverwarmings Kabel BudgetBuy Vloerverwarmings Kabel Comfortabele BudgetBuyvloerverwarming. Eenvoudige montage. Inleiding In deze handleiding van de BBelektrische vloerverwarming beschrijven wij stapsgewijs waar u allemaal

Nadere informatie

Klik op www.debedijking.nl of www.badhoevese.nl om onze site te bezoeken.

Klik op www.debedijking.nl of www.badhoevese.nl om onze site te bezoeken. Rubbercover EPDM Rubbercover: bewezen prestaties Het Firestone rubbercover membraan is gemaakt van synthetisch rubber, EPDM genoemd. Het Rubbercover Systeem is afgeleid van de hoogwaardige Firestone EPDM

Nadere informatie

AKOESTISCHE VLOERISOLATIE: CONTACTGELUIDISOLATIE

AKOESTISCHE VLOERISOLATIE: CONTACTGELUIDISOLATIE AKOESTISCHE VLOERISOLATIE: CONTACTGELUIDISOLATIE 1.1. WAT IS CONTACTGELUIDISOLATIE? Zoals het woord aangeeft betreft dit een isolatie tegen contactgeluiden. Concreet worden maatregelen getroffen om onder

Nadere informatie

DERIA NEDERLAND DERIA VERWARMINGSSYSTEMEN d.m.v. STRALINGSWARMTE

DERIA NEDERLAND DERIA VERWARMINGSSYSTEMEN d.m.v. STRALINGSWARMTE MHOD070524 Pagina 1 van 6 Montagehandleiding DERIA-vloerverwarming Bij ouderwetse houten vloeren Montage vanaf de bovenzijde: Handleiding in 10 stappen met nuttige

Nadere informatie

Installatievoorschriften

Installatievoorschriften Installatievoorschriften Bestudeer deze instructies aanachtig voor aanvang van de installatiewerk-zaamheden! Deze E-Heat vloerverwarmingsfolie dient aangesloten te worden op 230V. Installatie dient te

Nadere informatie

Als alles glad moet verlopen. Het nieuwe Brillux pleisterassortiment

Als alles glad moet verlopen. Het nieuwe Brillux pleisterassortiment Als alles glad moet verlopen Het nieuwe Brillux pleisterassortiment Grondig vernieuwd Brillux pleister Achter elk perfect oppervlak gaat een perfecte voorbereiding schuil. Om deze belangrijke werkzaamheden

Nadere informatie

Technische informatie Oppervlakteverwarming/-koeling woningbouw. Bouw Automotive Industrie

Technische informatie Oppervlakteverwarming/-koeling woningbouw. Bouw Automotive Industrie Technische informatie Oppervlakteverwarming/-koeling woningbouw www.rehau.be / www.rehau.nl Geldig vanaf januari 2014 Onder voorbehoud van technische wijzigingen Bouw Automotive Industrie Deze Technische

Nadere informatie

Veria AquaMat. Watervloerverwarming

Veria AquaMat. Watervloerverwarming Veria AquaMat Watervloerverwarming Een vloerverwarming heeft merkbare voordelen Kies voor duurzame kwaliteit De vloerverwarming AquaMat van Veria is een compleet en beproefd kwaliteitssysteem voor vloerverwarming

Nadere informatie

Module vloer. Module wand. Module plafond. 3 unieke droogbouwsystemen voor verwarming en koeling

Module vloer. Module wand. Module plafond. 3 unieke droogbouwsystemen voor verwarming en koeling Module vloer. Module wand. Module plafond. 3 unieke droogbouwsystemen voor verwarming en koeling Lage opbouwhoogte. Hoge prestaties. 1. Variokomp vloerverwarming. Ultra dun. Verwarmen Met een dikte van

Nadere informatie

I Ontwerpdiagrammen. Basisinformatie en aanwijzingen over ontwerpdiagrammen

I Ontwerpdiagrammen. Basisinformatie en aanwijzingen over ontwerpdiagrammen Ontwerpdiagrammen I.10.2 Basisinformatie en aanwijzingen over ontwerpdiagrammen Voor het projectontwerp van een vloerverwarming moeten de specifieke warmteafgiftes van elk systeem afzonderlijk conform

Nadere informatie

B e s t e k t e k s t C l i m a L e v e l

B e s t e k t e k s t C l i m a L e v e l 1.DYNAMISCHE CLIMALEVEL VELDEN Fabrikant/ leverancier ClimaLevel Nederland B.V. Hollebodem element 35mm hoogte, voorzien van vloerslang bevestigingsnokken. - Kunststof randstroken vlak. - Kunststof randstroken

Nadere informatie

TS 14. Systeemopbouw. TS14 Systeemopbouw E R T Y U I O P { }

TS 14. Systeemopbouw. TS14 Systeemopbouw E R T Y U I O P { } Systeemopbouw Met Radson biedt Radson een compact systeem voor vloerverwarming. De basis bestaat uit voorgevormde polystyreenplaten waarin gleuven voor het verleggen van de 14 mm leiding reeds voorzien

Nadere informatie

Vloerverwarming. in combinatie met een GENERAL warmtepomp

Vloerverwarming. in combinatie met een GENERAL warmtepomp Vloerverwarming in combinatie met een GENERAL warmtepomp Vloerverwarming nog energiezuiniger in combinatie met een GENERAL warmtepomp Steeds meer mensen kiezen resoluut voor de aangename warmte van vloerverwarming.

Nadere informatie

Viega Fonterra. Snelselectiekaart voor vloerverwarming.

Viega Fonterra. Snelselectiekaart voor vloerverwarming. Viega Fonterra Snelselectiekaart voor vloerverwarming. Viega Fonterra: Overzicht Fonterra Base 12 Fonterra Base 15 Fonterra Tacker 17 Fonterra Reno Systeem Natsysteem Natsysteem Natsysteem Droogsysteem

Nadere informatie

Quality Heating elektrische vloerverwarmingsfolie

Quality Heating elektrische vloerverwarmingsfolie 1 Quality Heating elektrische vloerverwarmingsfolie Wij willen u feliciteren met uw aankoop van één van de producten van Quality Heating. Elk product van Quality Heating is gemaakt op kwalitatief hoogstaande

Nadere informatie

VLOERVERWARMINGSSYSTEMEN VAN SCHÜTZ.

VLOERVERWARMINGSSYSTEMEN VAN SCHÜTZ. VLOERVERWARMINGSSYSTEMEN VAN SCHÜTZ. Systeemoplossingen voor vandaag en morgen! De moderne vloerverwarming van SCHÜTZ de basis waarop het goed toeven is. Bij de verwarming van particuliere en openbare

Nadere informatie

Onder de dekvloer Demtec ES Onder dekvloeren, hout en beton. Onder dekvloeren, hout en beton. . Soms wordt ook de (oude) ΔL w

Onder de dekvloer Demtec ES Onder dekvloeren, hout en beton. Onder dekvloeren, hout en beton. . Soms wordt ook de (oude) ΔL w GRANISOVLOERen Vilton Granisovloeren zijn dunne geluidisolerende vloersystemen voor zwevende dekvloeren. De akoestische vloeren zijn vervaardigd uit gerecycled rubbergranulaat. Er zijn verschillende soorten

Nadere informatie

Beamix Vloervlak Egalisatie 770

Beamix Vloervlak Egalisatie 770 Beamix Vloervlak Egalisatie 770 Slechte ondergrond & Hout TOEPASSING Vezelversterkte gietvloer voor op slechte ondergronden, hout en vloerverwarming. Ideaal op (stabiele) houten (verdiepings)vloeren. Bij

Nadere informatie

Zo plaatst u zelf gipsplaten

Zo plaatst u zelf gipsplaten bouwmaterialen Zo plaatst u zelf gipsplaten Soorten gipsplaten Handleiding Gipsplaat Gipsplaat is een veelzijdig toepasbaar materiaal en bovendien zeer klusvriendelijk. Ideaal voor het aftimmeren van de

Nadere informatie

Contopp Versneller 10 Compound 6

Contopp Versneller 10 Compound 6 DIN EN 13813 Screed material and floor screeds - Screed materials - Properties and requirements Contopp Versneller 10 To e p a s s i n g s g e b i e d e n Contopp Versneller 10 is een pasteuze hulpstof,

Nadere informatie

Espace Noppenplaatsysteem 25 mm

Espace Noppenplaatsysteem 25 mm Espace 25 Artikelnuer 1301010 beperken van massa, isoleren van de ondervloer, geluidsdemping, dampreing 105 x 84 x 2,5 cm 12 platen per stuk KG (per verpakking) 10 kilo (circa) m 2 per verpakking 10 m

Nadere informatie

STAP 1. Legschema STAP 2

STAP 1. Legschema STAP 2 1 Quality Heating elektrische vloerverwarmingsfolie Wij willen u feliciteren met uw aankoop van één van de producten van Quality Heating. Elk product van Quality Heating is gemaakt op kwalitatief hoogstaande

Nadere informatie

Laminaat leggen - handleiding van HORNBACH

Laminaat leggen - handleiding van HORNBACH Pagina 1 van 6 Laminaat leggen - handleiding van HORNBACH Dit heb je nodig voor jouw project! Materialen Gereedschap Laminaat Dampremmende folie Aluminium afdichtband Ondervloer Overgang- en afsluitprofielen

Nadere informatie

Quality Heating elektrische vloerverwarming

Quality Heating elektrische vloerverwarming 1 Quality Heating elektrische vloerverwarming Wij willen u feliciteren met uw aankoop van één van de producten van Quality Heating. Elk product van Quality Heating is gemaakt op kwalitatief hoogstaande

Nadere informatie

LuWaDi. Spuitbare luchtdichting. A++++ of Passief bouwen De toekomst = nu! Bewezen techniek toegankelijk voor de bouw

LuWaDi. Spuitbare luchtdichting. A++++ of Passief bouwen De toekomst = nu! Bewezen techniek toegankelijk voor de bouw LuWaDi Spuitbare luchtdichting Bewezen techniek toegankelijk voor de bouw A++++ of Passief bouwen De toekomst = nu! Snel Eenvoudig [email protected] Zeer efficiënt +31 (0) 620324715 Luchtdicht Bouwen

Nadere informatie

Profidecke Onze bijdrage voor een beter (binnen)klimaat...

Profidecke Onze bijdrage voor een beter (binnen)klimaat... Profidecke Onze bijdrage voor een beter (binnen)klimaat... Profidecke Toepassingen Profidecke Het origineel: stabiel maatvast gebruiksklaar Met de Profidecke wordt in recordtijd een direct belastbaar plafond

Nadere informatie

Gebruiksaanwijzing Gaasbakken

Gebruiksaanwijzing Gaasbakken Gebruiksaanwijzing Gaasbakken Augustus 2013 001_NL Gebruiksvoorschrift F1 F2 F3 Er bestaan drie uitvoeringen gaasbakken. De 4983 heeft een verhoogde bodem. De 4980 en de 4984 hebben een verstevigde bodem

Nadere informatie

TRIPLE SOLAR ENERGIEDAK 2.0 WKO balanceren met een aluminium zonthermisch dak

TRIPLE SOLAR ENERGIEDAK 2.0 WKO balanceren met een aluminium zonthermisch dak TRIPLE SOLAR ENERGIEDAK 2.0 WKO balanceren met een aluminium zonthermisch dak Introductie: Het Triple Solar zonthermisch dak (ook wel energiedak genoemd) is speciaal ontwikkeld voor het regenereren, balanceren

Nadere informatie

ORYX Collar WR PRODUCTBESCHRIJVING

ORYX Collar WR PRODUCTBESCHRIJVING ORYX Collar WR Versie., 0-05-07 (Dutch) ORYX, passie voor passieve brandbescherming ORYX is de specialist in passieve brandbescherming van gebouwen. Dankzij zijn gedreven expertise en een uitgebreid productassortiment

Nadere informatie

Zo plaatst u zelf gipsplaten

Zo plaatst u zelf gipsplaten bouwmaterialen Zo plaatst u zelf gipsplaten Soorten gipsplaten Handleiding Gipsplaat Gipsplaat is een veelzijdig toepasbaar materiaal en bovendien zeer klusvriendelijk. Ideaal voor het aftimmeren van de

Nadere informatie

Zolder isoleren? Doe het met isoeasy Pro. isoeasy Pro

Zolder isoleren? Doe het met isoeasy Pro. isoeasy Pro Zolder isoleren? Doe het met isoeasy Pro isoeasy Pro isoeasy Pro De nummer 1 in zolderisolatie Het snelste systeem Het is zo eenvoudig, isoleren met isoeasy Pro. In slechts vijf stappen bevestigt u zowel

Nadere informatie

Noppjet - Noppjet S Noppjet light

Noppjet - Noppjet S Noppjet light - Noppjet S Noppjet light Systeemopbouw Noppjet - Noppjet S - Noppjet light Noppjet Met Radson Noppjet biedt Radson een geavanceerd systeem voor vloerverwarming, op basis van voorgevormde noppenplaten

Nadere informatie

7.2. Geluidsisolatie met houten vloerconstructies

7.2. Geluidsisolatie met houten vloerconstructies 50 7.2. Geluidsisolatie met houten vloerconstructies Systeemcode (basisvloer): 2 E 32 (2) (3) 2 E 32 (2) (3) 2 E 34 (2) (2) (3) 2 E 35 Zonder vloerelement + 10 mm + 10 mm + mm houtvezel + mm : fermacell

Nadere informatie

Plaatsingsvoorschriften DELTA -TERRAXX: Bescherming en drainage van kelders Volgens EN 13252, DIN 4095 en TV 190

Plaatsingsvoorschriften DELTA -TERRAXX: Bescherming en drainage van kelders Volgens EN 13252, DIN 4095 en TV 190 Plaatsingsvoorschriften DELTA -TERRAXX: Bescherming en drainage van kelders Volgens EN 13252, DIN 4095 en TV 190 Algemene aanwijzingen: R E M I U M - Q U A L I T Ä E M I U M - Q U A L I T Ä T Het beschermings-

Nadere informatie

Leginstructie. Wallgard. Het aanbrengen van de wandbekleding verticaal BELANGRIJK!

Leginstructie. Wallgard. Het aanbrengen van de wandbekleding verticaal BELANGRIJK! Pagina 1 van 6 Wallgard Leginstructie Jan 2016 BELANGRIJK! Bij gebruik van tweecomponenten-polyester egaline en/of reparatiemortel kan er verkleuring optreden wanneer de componenten onjuist en/of onvoldoende

Nadere informatie

Technisch HEXA FLOORING

Technisch HEXA FLOORING Technisch HEXA FLOORING MASSIEF NT - I T S ALL IN Deze documentatie maakt onderdeel uit van het Informatief magazine Massief NT - TMA02-082017 HEXA FLOORING HEXA FLOORING De balkonbodemplaat van Massief

Nadere informatie

Tegelen op hout. www.omnicol.info

Tegelen op hout. www.omnicol.info Tegelen op hout www.omnicol.info TEGELEN OP HOUT Tegelen op hout ligt niet voor de hand. Immers, keramische tegels en houten ondergronden zijn materiaalsoorten die niet goed samen gaan. Tegels zijn hard

Nadere informatie

BELANGRIJK! BEWAAR DE PANELEN OP KAMERTEMPERATUUR IN GESLOTEN VERPAKKING VOOR MINIMAAL 48 UUR TOT AAN HET MOMENT VAN LEGGEN.

BELANGRIJK! BEWAAR DE PANELEN OP KAMERTEMPERATUUR IN GESLOTEN VERPAKKING VOOR MINIMAAL 48 UUR TOT AAN HET MOMENT VAN LEGGEN. BELANGRIJK! BEWAAR DE PANELEN OP KAMERTEMPERATUUR IN GESLOTEN VERPAKKING VOOR MINIMAAL 48 UUR TOT AAN HET MOMENT VAN LEGGEN. De kamertemperatuur moet minimaal 18 o C zijn voor en tijdens het leggen. De

Nadere informatie

RAUTHERM OPPERVLAKVERWARMING/-KOELING LEIDINGGEVEND IN COMFORT EN KWALITEIT LEVERINGSPROGRAMMA 864.800/2 NL

RAUTHERM OPPERVLAKVERWARMING/-KOELING LEIDINGGEVEND IN COMFORT EN KWALITEIT LEVERINGSPROGRAMMA 864.800/2 NL RAUTHERM OPPERVLAKVERWARMING/-KOELING LEIDINGGEVEND IN COMFORT EN KWALITEIT LEVERINGSPROGRAMMA 864.800/2 NL Geldig vanaf januari 2012 Technische wijzigingen voorbehouden www.rehau.nl Bouw Automotive Industrie

Nadere informatie

Productinformatieblad

Productinformatieblad Krimparme gietmortel Five Star 190 voor het ondergieten van staalconstructies en betonelementen. Deze mortel voldoet aan CUR-Aanbeveling 24 en waar van toepassing aan NEN-EN 206-1. Unieke formule, bouwt

Nadere informatie

Inhoudsopgave. LaFlura-vloerplaten 4. Productprogramma en technische gegevens 5. Algemene voorschriften 6. Voorbereiden en leggen 8

Inhoudsopgave. LaFlura-vloerplaten 4. Productprogramma en technische gegevens 5. Algemene voorschriften 6. Voorbereiden en leggen 8 Gips LaFlura Inhoudsopgave LaFlura-vloerplaten 4 Productprogramma en technische gegevens 5 Algemene voorschriften 6 Voorbereiden en leggen 8 Het leggen van de LaFlura-vloerplaten 12 Het leggen van de

Nadere informatie

nora 1-componenten voegpasta

nora 1-componenten voegpasta nora 1-componenten voegpasta Lees aandachtig de instructies op de verpakking! In de meeste gevallen hoeven de naden bij nora rubber vloerbedekking niet over het gehele oppervlakte gevoegd te worden. Uitzonderingen:

Nadere informatie

ORYX Collar FX 330 Versie 1.1, (Dutch) ORYX, passie voor passieve brandbescherming

ORYX Collar FX 330 Versie 1.1, (Dutch) ORYX, passie voor passieve brandbescherming ORYX Collar FX 330 Versie 1.1, 16-11-2016 (Dutch) ORYX, passie voor passieve brandbescherming ORYX is de specialist in passieve brandbescherming van gebouwen. Dankzij zijn gedreven expertise en een uitgebreid

Nadere informatie

Plaatsingsaanwijzingen voor infiltratievoorzieningen

Plaatsingsaanwijzingen voor infiltratievoorzieningen 1. Transport en opslag. De Rigofill blokken worden per 4 stuks (de halfblokken per 8 stuks) verpakt. De pakketten worden met een heftruck, kraan of een ander hefwerktuig opgepakt. Daarbij zijn de onderste

Nadere informatie

Tempro. Warmte die u verdient

Tempro. Warmte die u verdient Tempro. Warmte die u verdient Als u overweegt vloerverwarming te installeren, maakt u met Tempro de juiste keuze. U verzekert zich van kwalitatief hoogstaande producten tegen een aantrekkelijk prijsniveau.

Nadere informatie

Leveringsprogramma. XPS isolatie Tegelelementen Randstroken V201307

Leveringsprogramma. XPS isolatie Tegelelementen Randstroken V201307 Leveringsprogramma XPS isolatie Tegelelementen Randstroken De harde Sterfoam platen uit geëxtrudeerd polystyreen zijn bestand tegen vocht, veroudering, verrotting en ongedierte. Bovendien zijn ze zelfdovend

Nadere informatie

De wanden die verticaal vervoerd worden kunnen zonder hulp middelen worden opgehesen aan de speciaal ingestorte hijsvoorziening.

De wanden die verticaal vervoerd worden kunnen zonder hulp middelen worden opgehesen aan de speciaal ingestorte hijsvoorziening. Holle wanden Montage handleiding 1.1 Transport De wanden kunnen op 2 manieren vervoerd worden afhankelijk van de grote van de wanden. a) horizontaal op een platte wagen, elementen boven op elkaar. b) Verticaal

Nadere informatie

Verwerkingshandleiding

Verwerkingshandleiding Universeel bekistingsmateriaal Verwerkingshandleiding Inhoud Inleiding....................................................................... 3 Toepassingsgebied.............................................................

Nadere informatie

Tyco Thermal Controls / Raychem. elektrische vloerverwarming. 6. T2Red met T2Reflecta

Tyco Thermal Controls / Raychem. elektrische vloerverwarming. 6. T2Red met T2Reflecta f Re T2 Tyco Thermal Controls / Raychem at cel 6. T2Red met T2Reflecta T2Red zelfregelende verwarmingskabel T2Reflecta plaat: -Met installatiegroeven -Met isolatie + geïntegreerde aluminium warmteverdeler

Nadere informatie

T2QuickNet : de dunne, zelfklevende verwarmingsmat

T2QuickNet : de dunne, zelfklevende verwarmingsmat T2QuickNet : de dunne, zelfklevende verwarmingsmat 3 T2QuickNet Zelfklevende, 3 mm dikke vloerverwarmingsmat voor directe installatie onder keramische tegels of natuursteen. Welke T2QuickNet mat heb ik

Nadere informatie

MATTEN SYSTEEM. Waterdichte ontkoppelingsmatten onder tegelwanden en vloeren

MATTEN SYSTEEM. Waterdichte ontkoppelingsmatten onder tegelwanden en vloeren MATTEN SYSTEEM Waterdichte ontkoppelingsmatten onder tegelwanden en vloeren HOMELUX (BENELUX) BV FRANKWEG 20 2153 PD NIEUW VENNEP T 0252 713 100 F 0252 713 109 WWW.HOMELUX.NL Inhoudsopgave Het probleem

Nadere informatie

Ribbelbuis voor zonnesystemen 2 in 1

Ribbelbuis voor zonnesystemen 2 in 1 Voor de installateur Montagehandleiding Ribbelbuis voor zonnesystemen 2 in Flexibel slangsysteem DN6 voor zonnesystemen Flexibel slangsysteem DN20 voor zonnesystemen Art.-nr. 302 46 Art.-nr. 302 47 BEnl

Nadere informatie

BRENG RUST EN COMFORT MET DEZE THERMISCHE EN AKOESTISCHE ISOLATIE

BRENG RUST EN COMFORT MET DEZE THERMISCHE EN AKOESTISCHE ISOLATIE BRENG RUST EN COMFORT MET DEZE THERMISCHE EN AKOESTISCHE ISOLATIE Er zijn appartementen waar je alles hoort. En er zijn appartementen met ISOBET-PLUS Isobet is een gebruiksvriendelijke isolerende mortel

Nadere informatie

NIEUW. Rigips TopStuc. Stap-voor-stap handleiding. Zelf stukadoren is nu gemakkelijker dan ooit door de unieke receptuur van Rigips TopStuc.

NIEUW. Rigips TopStuc. Stap-voor-stap handleiding. Zelf stukadoren is nu gemakkelijker dan ooit door de unieke receptuur van Rigips TopStuc. NIEUW Rigips TopStuc Stap-voor-stap handleiding Zelf stukadoren is nu gemakkelijker dan ooit door de unieke receptuur van Rigips TopStuc. www.rigips.nl DOE - HET - ZELF MET RIGIPS. DAN ZIT HET ZO! Stukadoren

Nadere informatie

Installatie voorschriften Rigid Core XL. Ga voor meer informatie naar:

Installatie voorschriften Rigid Core XL. Ga voor meer informatie naar: Installatie voorschriften Rigid Core XL Ga voor meer informatie naar: www.rigidcorexl.nl Voor u begint / Voorbereidingen: Lees alle instructies voor u start met de installatie. Bij een onjuiste installatie

Nadere informatie

WTH Electrotherm Elektrische vloerverwarming

WTH Electrotherm Elektrische vloerverwarming WTH Electrotherm Elektrische vloerverwarming VLOERVERWARMING & -KOELING Uw comfort, onze missie! Montagehandleiding 1. Het legpatroon Teken de vloer en schets hierin het legpatroon van de verwarmingsmat.

Nadere informatie

FERMACELL vloerelementen op vloerverwarmingsystemen FERMACELL vloerelement type 2 E 22 ( dikte 25 mm)

FERMACELL vloerelementen op vloerverwarmingsystemen FERMACELL vloerelement type 2 E 22 ( dikte 25 mm) FERMACELL vloerelementen op vloerverwarmingsystemen FERMACELL vloerelement type 2 E 22 ( dikte 25 mm) Op vloerverwarmingsystemen kunnen de 25mm dikke Fermacell vloerelementen als droge afwerkvloer alsmede

Nadere informatie

Inleiding 4 Algemene montage instructies 5 CLIMAFLEX -accessoires 6-7 Isoleren tijdens de montage van het leidingsysteem 8 Isoleren na de montage van

Inleiding 4 Algemene montage instructies 5 CLIMAFLEX -accessoires 6-7 Isoleren tijdens de montage van het leidingsysteem 8 Isoleren na de montage van Montagehandleiding 2-3 INHOUDSOPGAVE Inleiding 4 Algemene montage instructies 5 CLIMAFLEX -accessoires 6-7 Isoleren tijdens de montage van het leidingsysteem 8 Isoleren na de montage van het leidingsysteem

Nadere informatie

Montage-instructies nora plinten en hoekplinten

Montage-instructies nora plinten en hoekplinten Montage-instructies nora plinten en hoekplinten De ondergrond moet legklaar volgens VOB, DIN 18 365 zijn. Ondergronden mogen mag geen structuur bevatten die hoger is als 0,6 mm. Oneffenheden of een te

Nadere informatie