LOONKOSTEN EN WERKGELEGENHEID

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "LOONKOSTEN EN WERKGELEGENHEID"

Transcriptie

1 UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR LOONKOSTEN EN WERKGELEGENHEID Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van Master of Science in de Toegepaste Economische Wetenschappen Pieter De Jaeger onder leiding van Prof. Dr. P. Van Cauwenberge

2

3 UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR LOONKOSTEN EN WERKGELEGENHEID Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van Master of Science in de Toegepaste Economische Wetenschappen Pieter De Jaeger onder leiding van Prof. Dr. P. Van Cauwenberge

4 PERMISSION Ondergetekende verklaart dat de inhoud van deze masterproef mag geraadpleegd en/of gereproduceerd worden, mits bronvermelding. Naam student Pieter De Jaeger

5 Woord Vooraf Vooraleer deze masterproef wordt aangevat wil ik graag nog enkele mensen bedanken die een bijdrage leverden bij de realisatie ervan. Allereerst wil ik mijn dank betuigen voor mijn promotor, Prof. Dr. Philippe Van Cauwenberge, daar ik steeds bij hem terecht kon voor vragen. Ik heb veel geleerd uit zijn waardevol advies en kritische opmerkingen. Ik dank ook Peter Beyne voor zijn hulp met de data en met de interpretatie van de resultaten. Tevens wil ik Fedustria VZW bedanken voor het ter beschikking stellen van Belfirst. In het bijzonder gaat ook dank uit naar Thomas Van Isterdael, Stef Ceuppens en Liesbeth Eeckhaudt voor het zorgvuldig nalezen van deze masterproef en voor nuttige tips. Tot slot wil ik mijn ouders bedanken. Ze hebben mij de kans gegeven deze opleiding te volgen en hebben mij steeds gesteund. I

6 Inhoudsopgave Woord Vooraf... I Lijst van gebruikte afkortingen... III Lijst van grafieken en tabellen... IV Grafieken... IV Tabellen... IV Abstract... V 1. Inleiding Literatuurstudie en hypothese ontwikkeling Literatuurstudie Motieven en determinanten van BDI Effecten op de productiviteit en groei van een economie... 6 A. Inkomende investeringen... 6 B. Uitgaande investeringen Effecten op de arbeidsmarkt... 9 A. Uitgaande investeringen... 9 B. Inkomende investeringen Elasticiteit van de arbeidsvraag Hypotheseontwikkeling Data en methodologie Data Empirische methode Methodologie Variabelen A. Afhankelijke variabele B. Onafhankelijke variabele C. Controlevariabelen Resultaten Descriptieve statistiek Regressie Algemene conclusie, beperkingen en aanbevelingen voor verder onderzoek Conclusie Beperkingen Aanbevelingen voor verder onderzoek Referenties... VI Bijlage... X II

7 Lijst van gebruikte afkortingen BDI IVA MVA N OECD StDev Buitenlandse directe investeringen Immateriële vaste activa Materiële vaste activa Aantal observaties Organization for economic co-operation and development Standaarddeviatie III

8 Lijst van grafieken en tabellen Grafieken GRAFIEK 1. BUITENLANDSE JOBS VERDWIJNEN UIT BELGIË... 1 GRAFIEK 2. BUITENLANDSE DIRECTE INVESTERINGEN IN DE WERELD... 3 Tabellen TABEL 1. DETERMINANTEN BDI: GEEN CONSENSUS IN DE RESULTATEN... 6 TABEL 2. DESCRIPTIEVE STATISTIEK TABEL 3. DESCRIPTIEVE STATISTIEK PER TYPE BEDRIJF TABEL 4. CORRELATIECOËFFICIËNTEN TABEL 5. RESULTATEN REGRESSIE TABEL 6. RESULTATEN REGRESSIE 2 EN IV

9 Abstract Multinationale bedrijven hebben de voorbije jaren een sterke opkomst gekend. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de arbeidsmarkt: zo wordt er gevreesd dat deze multinationals gevoeliger zijn voor loonkostenwijzigingen. Deze masterproef onderzoekt daarom het verschil in loonkostelasticiteit tussen Belgische multinationals, (dochters van) buitenlandse multinationals actief in België en Belgische niet-multinationals. De analyse wordt uitgevoerd met een panel dataset voor de periode , verkregen via Belfirst. De elasticiteit van de bedrijven wordt geschat door middel van een fixed effects regressiemodel. De resultaten tonen dat (dochters van) buitenlandse multinationals in absolute waarde een hogere loonkostelasticiteit hebben dan Belgische niet-multinationals. Belgische multinationals daarentegen hebben in absolute waarde een lagere loonkostelasticiteit dan deze laatste groep. V

10 1. Inleiding De voorbije jaren kwamen multinationals vaak negatief in het nieuws. De directie van General Motors besliste in 2012 Ford Genk te sluiten, de productie wordt verplaatst naar Valencia. Dit nieuws was een grote klap voor Limburg. Bij Ford zelf verdwijnen jobs, maar dit aantal ligt nog veel hoger als de toeleveranciers die exclusief aan Ford Genk leverden mee in rekening worden gebracht (D Hoore, 2012). General Motors is evenwel niet de enige multinational die zijn productie weghaalt uit België. Recent nog kondigde voedselproducent Heinz aan de productie-eenheid in België te sluiten en over te brengen naar het Verenigd Koninkrijk (Soenens, 2014). Beide gevallen illustreren een algemene trend: Plant Location International (PLI), een onderdeel van IBM, berekende dat buitenlandse bedrijven meer jobs weghalen uit België dan ze er creëren (Vangelder, 2014, pp ). Grafiek 1 toont de concrete cijfers. Grafiek 1. Buitenlandse jobs verdwijnen uit België Bron: (Vangelder, 2014, p. 30) Buitenlandse directe investeringen hebben de voorbije decennia een sterke opkomst gekend met als gevolg dat steeds meer bedrijven in een economie een multinationaal karakter hebben (Lipsey, 2002). Deze feiten stellen beleidsmakers voor een dilemma. Enerzijds argumenteert men dat het ondersteunen en aantrekken van buitenlandse multinationals nuttig is, aangezien ze belangrijk zijn voor de economie. Zo zijn ze in België verantwoordelijk voor het creëren van een totale toegevoegde waarde van 63 miljard euro en vertegenwoordigen ze jobs (Timmermans & Vancronenburg, 10 maart 2014). Verder 1

11 worden ze gekenmerkt door een hogere productiviteit (Girma, Greenaway & Wakelin, 2001) en kunnen ze deze via positieve spillovers overdragen aan in het binnenland opererende bedrijven (Keller & Yeaple, 2009). Anderzijds wordt er gevreesd dat dochters van buitenlandse multinationals hun personeelsbestand in grotere mate aanpassen wanneer ze geconfronteerd worden met een wijziging in de loonkost. Dit wordt weergeven door de prijselasticiteit van de arbeidsvraag. Een hogere elasticiteit draagt bij tot een hogere arbeidsmarktinstabiliteit en een grotere werkonzekerheid (Andrews, Bellman, Schank & Upward, 2012; Bronfenbrenner, 2000; Scheve & Slaughter, 2004). Ondanks deze vrees is empirisch onderzoek naar dit fenomeen relatief beperkt: er zijn slechts een handvol studies die het verschil in elasticiteit tussen buitenlandse multinationals en binnenlandse bedrijven onderzoeken. Deze masterproef wil een bijdrage leveren aan de literatuur door het verschil in elasticiteit te onderzoeken tussen multinationals en niet-multinationals. Hakkala, Heyman & Sjöholm (2010) geven immers aan dat dit onderscheid relevanter is dan het onderscheid naar nationaliteit. Verder draagt deze masterproef bij aan de literatuur door multinationals in te delen in binnenlandse en buitenlandse multinationals. Godart, Görg & Greenaway (2013) maakten als eerste deze indeling. De auteurs vergelijken echter enkel binnenlandse en buitenlandse multinationals met elkaar en kijken dus niet naar bedrijven die uitsluitend in het binnenland opereren. Tot slot werd deze analyse, voor zover bekend, nog niet uitgevoerd voor België. De onderzoeksvraag van deze masterproef is de volgende: is er een verschil in gevoeligheid voor wijzigingen in de loonkost tussen Belgische en buitenlandse multinationals en Belgische nietmultinationals? Er wordt met andere woorden onderzocht of deze multinationals (in absolute waarde) een hogere loonkostelasticiteit hebben. Op die manier kan nagegaan worden of multinationals inderdaad garant staan voor een hogere arbeidsmarktinstabiliteit. De indeling van dit werk ziet er als volgt uit. In deel 2 bespreken we de relevante literatuur omtrent buitenlandse directe investeringen en omtrent de loonkostelasticiteit van bedrijven. Vervolgens worden de geteste hypothesen aangehaald. In deel 3 wordt een overzicht gegeven van de beschikbare data, de gebruikte methode en de descriptieve statistiek. De resultaten van de regressieanalyse worden besproken in deel 4. Tot slot wordt in deel 5 een conclusie gegeven. 2

12 2. Literatuurstudie en hypothese ontwikkeling 2.1. Literatuurstudie De impact van globalisatie is de voorbije decennia sterk toegenomen. Onder impuls van de geliberaliseerde kapitaalmarkten stegen buitenlandse directe investeringen (BDI), het meest zichtbare onderdeel van globalisatie, eveneens sterk (Barrel & Pain, 1997; Lipsey, 2002). Grafiek 1 verduidelijkt de evolutie van globale BDI. Vanaf 1970 is een duidelijke stijgende trend waar te nemen die onderbroken wordt in 2000 door het uiteenspatten van de internetzeepbel. De jaren erna herstelt het niveau van de investeringen zich en is er opnieuw een sterke stijging te merken die aanhoudt tot aan de wereldwijde financiële crisis in Deze financiële crisis blijft verder aanslepen met als gevolg dat de buitenlandse directe investeringen hun niveau van voor de crisis nog altijd niet bereikt hebben. Grafiek 2. Buitenlandse directe investeringen in de wereld Buitenlandse directe investeringen (in triljoen dollar) 3 2,5 2 1,5 1 0,5 0 Buitenlandse directe investeringen in de wereld BDI Jaartal Grafiek samengesteld op basis van data van de World Bank. (World Bank, 2014, 1 mei) Buitenlandse directe investeringen worden door de OECD (2008) gedefinieerd als het verwerven van een duurzaam belang in een bedrijf in een economie door een entiteit (directe investeerder) uit een andere economie. Een duurzaam belang betekent dat er een langetermijnrelatie moet zijn tussen de entiteit en het bedrijf. Verder moet de directe investeerder een significante invloed kunnen uitoefenen op het management van het bedrijf. Dit onderscheidt BDI van portfolio-investeringen, namelijk het kopen van aandelen van een bedrijf als belegging. 3

13 In de praktijk kunnen bedrijven BDI uitvoeren op twee manieren: via de overname van een buitenlands bedrijf 1 of via een greenfield venture (Financial Times, 5 mei 2014). In het eerste geval verwerven ze een meerderheidsbelang door het kopen van aandelen, in het tweede geval bouwen ze zelf een buitenlandse vestiging op vanaf nul. Als specifiek wordt gekeken naar één land, kan een onderscheid gemaakt worden tussen inkomende en uitgaande investeringsstromen. Deze leiden respectievelijk tot buitenlandse en binnenlandse multinationals actief in de economie van dit land. Wanneer gesproken wordt over buitenlandse multinationals, worden steeds de dochterondernemingen bedoeld. Indien het hoofdkwartier van deze multinational zich immers zou bevinden in het land waar de aandacht naar uitgaat, zou dit een binnenlandse multinational zijn. Beide vormen van BDI (binnenlandse en buitenlandse multinationals) hebben elk hun eigen invloed op de economie van een land. Deze masterproef focust voornamelijk op de effecten op de arbeidsmarkt. Toch worden ook de effecten op de productiviteit en de groei van de economie besproken aangezien dit een belangrijke reden is waarom landen met elkaar concurreren voor het aantrekken van zoveel mogelijk inkomende buitenlandse directe investeringen. In wat volgt, wordt eerst gekeken naar de redenen waarom bedrijven investeren in het buitenland. Dit is belangrijk aangezien de motivatie voor de investering vaak bepaalt wat het effect op de economie zal zijn. Vervolgens worden de effecten van BDI op de productiviteit en op de arbeidsmarkt besproken. Telkens wordt een onderscheid gemaakt naar inkomende en uitgaande investeringsstromen Motieven en determinanten van BDI Voor een verklaring van de motivatie die aan de basis ligt van de beslissing om te investeren in het buitenland, wordt vaak verwezen naar de indeling van Dunning (1993). Deze auteur onderscheidt vier verschillende motivaties om over te gaan tot dergelijke investering: resource seeking, market seeking, efficiency seeking en strategic asset seeking. Bij resource seeking wil het bedrijf bepaalde middelen verkrijgen die niet of niet goedkoop beschikbaar zijn in het thuisland, zoals lage loonkosten (Dunning, 1993). Deze motivatie wordt meestal geassocieerd met verticale buitenlandse directe investeringen (Franco, Renocchini & Marzetti, 2010). Bij verticale BDI wordt de productie van een goed of een dienst opgedeeld, waarvan delen dan verplaatst worden naar het buitenland. Deze vorm van BDI wordt meestal ondernomen om kosten te besparen. 1 Naast een overname is ook een fusie mogelijk. Slechts een zeer beperkt deel van de buitenlandse directe investeringen zal echter op deze manier plaatsvinden (Financial Times, 5 mei 2014). 4

14 De tweede mogelijke motivatie is market seeking. Bedrijven willen dan profiteren van buitenlandse markten. Men wil met andere woorden lokaal aanwezig zijn. Dit kan omwille van verschillende redenen, bijvoorbeeld lokale leveranciers, lagere transportkosten of de mogelijkheid om beter in te spelen op lokale behoeften (Dunning, 1993). Naar deze categorie wordt vaak gerefereerd als horizontale BDI (Franco et al., 2010). Bij horizontale BDI wordt het productieproces niet opgedeeld maar voert men in het binnenland en het buitenland gelijkaardige activiteiten uit. De derde categorie, efficiency seeking heeft een aantal raakpunten met de eerste categorie (Eckel, 2003). Bedrijven die op zoek zijn naar het verhogen van hun efficiëntie zullen BDI ondernemen als ze voordeel halen uit verschillen in factorprijzen tussen verschillende landen of als er schaalvoordelen zijn door het uitbreiden van de productie. Bij strategic asset seeking tenslotte wil het investerende bedrijf toegang verkrijgen tot bepaalde technologie of andere activa (Dunning, 1993). Deze laatste categorie is tegengesteld aan de opvatting dat bedrijven investeren in het buitenland om bepaalde kennis, bijvoorbeeld een nieuwe technologie of managementvaardigheden, uit te buiten om zo een competitief voordeel te verkrijgen over binnenlandse bedrijven. Het beslissingsproces rond buitenlandse directe investeringen omvat twee keuzes. Ten eerste moet beslist worden of er effectief BDI worden ondernomen. Men kan immers ook via export, het geven van licenties of via outsourcing de buitenlandse economie bereiken. Deze beslissing zal grotendeels afhankelijk zijn van de opportuniteiten die men wil nastreven met de investeringen (Franco et al., 2010). De tweede keuze is bepalen in welk land geïnvesteerd zal worden. In de literatuur worden een aantal determinanten naar voor geschoven die kunnen bepalen of een land meer of minder aantrekkelijk is voor investeerders. Er is echter geen consensus over het effect dat deze determinanten hebben op BDI. Dit kan verklaard worden door de verschillende invalshoeken en methodologie. Bovendien is er geen enkele studie die controleert voor alle variabelen die een invloed kunnen hebben op buitenlandse directe investeringen. Verder is er ook geen theoretisch kader voor beschikbaar (Chakrabarti, 2001). De onenigheid in de literatuur wordt voor de loonkost geïllustreerd in tabel 1. Chakrabarti (2001) gaat na met hoeveel zekerheid een uitspraak kan gedaan worden over de determinanten van buitenlandse directe investeringen. Dit doet hij aan de hand van de reeds bestaande literatuur. Deze auteur vindt dat de marktgrootte van het gastland, gemeten als bruto binnenlands product per capita, een belangrijke factor is. Een grote markt is immers belangrijk indien de market seeking motivatie een rol speelt. Vervolgens is ook de openheid van de economie belangrijk, gevolgd door de loonkosten. Het is deze laatste determinant die het meest interessant is in het kader van deze 5

15 masterproef. De loonkost is evenwel de meest controversiële determinant. Hoewel het logisch lijkt dat een hogere loonkost een negatief effect heeft op het aantrekken van multinationals, wordt deze gedachtegang niet altijd gestaafd met empirisch bewijs (cf. tabel 1). Chakrabarti vindt op basis van de reeds bestaande studies dat de loonkosten, gemiddeld genomen, wel een negatief effect hebben op BDI. Deze laatste resultaten zijn echter zeer gevoelig voor wijzigingen in de vooropgestelde voorwaarden (Chakrabarti, 2001). Men kan dus stellen dat de resultaten slechts een indicatie zijn maar geen absolute zekerheid bieden. Tabel 1. Determinanten BDI: geen consensus in de resultaten Potentiële determinanten van BDI Geobserveerd effect op BDI in verschillende studies Positief Negatief Insignificant Arbeidskost Bron: Chakrabarti A., 2001, p. 91 Caves (1974) Swedenbourg (1979) Nankani (1979) Wheeler & Mody (1992) Goldsbrough (1979) Saunders (1982) Flamm (1984) Schneider & Frey (1985) Culem (1988) Shamsuddin (1994) Pistoresi (2000) Owen (1982) Gupta (1983) Lucas (1990) Rolfe & White (1991) Sader (1993) Tsai (1994) Effecten op de productiviteit en groei van een economie A. Inkomende investeringen Inkomende buitenlandse directe investeringen worden vaak geacht een positief effect te hebben op de productiviteit en de groei van een economie. Dit potentieel positief effect zorgt ervoor dat landen onderling concurreren voor het aantrekken van zoveel mogelijk BDI. Vaak biedt men enkele voordelen aan om buitenlandse multinationals binnen te halen, bijvoorbeeld lage loonkosten of belastingvoordelen. In België is de notionele interestaftrek hier een voorbeeld van. Deze houdt in dat vennootschappen een fictieve rente kunnen aftrekken van hun belastbaar inkomen. Deze fictieve rente wordt berekend op het eigen vermogen. Daarom wordt de notionele interestaftrek vaak de aftrek voor risicokapitaal genoemd. Hoewel de maatregelen in België niet discrimineren tussen buitenlandse en binnenlandse multinationals, toont onderzoek aan dat buitenlandse multinationals een lagere effectieve belastingvoet hebben (Vandenbussche & Tan, 2005). Dit kan een indicator zijn dat ook de Belgische overheid zoveel mogelijk BDI wil aantrekken in de overtuiging dat dit een voordeel oplevert voor de economie. 6

16 In de literatuur worden verschillende mogelijke effecten van inkomende BDI op het gastland beschreven. Aangezien BDI het totale geïnvesteerde kapitaal in een economie verhogen, dragen ze op deze wijze direct bij aan economische groei (de Mello, 1997). Verder hebben dochters van buitenlandse multinationals een hogere productiviteit dan binnenlandse bedrijven (Girma et al., 2001). Naast deze directe effecten zijn er ook indirecte effecten, namelijk positieve spillovers op de productiviteit van in het binnenland opererende bedrijven. Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen horizontale en verticale spillovers. Horizontale spillovers vinden plaats tussen concurrerende bedrijven in dezelfde industrie. Verticale spillovers daarentegen doen zich voor tussen een bedrijf en zijn leveranciers of klanten. De aanwezigheid van multinationals op de markt zorgt ervoor dat deze competitiever wordt, met als gevolg dat binnenlandse bedrijven efficiënter moeten produceren om te kunnen overleven. Dit kunnen ze doen op drie manieren: door hun eigen technologie te verbeteren, door de technologie van de multinational over te nemen of door nieuwe technologie te ontwikkelen (Blomström & Kokko, 1998). Uiteindelijk zal de aanwezigheid van de multinational zo zorgen voor technologische vooruitgang. Dit is een voorbeeld van een mogelijke horizontale spillover. Een tweede potentieel indirect effect is de overdracht van kennis (de Mello, 1999). Dit kan op twee manieren. Ten eerste bieden multinationals hun werknemers bepaalde training aan. Als een opgeleide werknemer dan later overstapt naar een binnenlands bedrijf of een eigen bedrijf opstart, zorgt dit er eveneens voor dat kennis wordt overgedragen (Wang, 1990). Ten tweede kan een buitenlandse multinational via een verticale spillover kennis overdragen aan lokale leveranciers en klanten. Dit wordt in de literatuur beschreven als backward/forward linkages (Javorcik, 2004). Er kan bijvoorbeeld geholpen worden met het optimaliseren van een bedrijfsproces of met het introduceren van nieuwe managementpraktijken. Daarnaast onderscheidt Javorcik (2004) nog twee andere manieren. De eerste is dat de buitenlandse multinational hogere eisen oplegt aan de leverancier wat betreft productkwaliteit. Dit kan leveranciers ertoe aanzetten hun productie te optimaliseren. Ten tweede zorgt de aanwezigheid van de multinational ervoor dat er meer vraag is naar de producten van de leverancier waardoor deze kan profiteren van schaalvoordelen. Empirisch onderzoek naar de effecten van BDI op productiviteit en economische groei kan worden opgedeeld in studies die gebruik maken van cross-sectie- en tijdreeks data enerzijds en studies die gebruik maken van panel data anderzijds. Cross-sectie data hebben als grote nadeel dat de richting van de relatie moeilijk kan bepaald worden. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een positief effect gevonden wordt omdat 7

17 multinationals activiteiten aangaan in productievere sectoren (Javorcik, 2004). Verder kunnen crosssectie data gekenmerkt zijn door heteroskedasticiteit en tijdreeks data door autocorrelatie. Meer recente studies maken daarom gebruik van panel data en gaan met een regressieanalyse na of er een verband is tussen de productiviteit van binnenlandse bedrijven en de aanwezigheid van buitenlandse multinationals in de sector (Javorcik, 2004). Hoewel een aantal studies de theorie steunen en bewijs vinden voor positieve spillovers (Haskel, Pereira & Slaughter, 2007; Keller & Yeaple, 2009) vinden andere studies dat de aanwezigheid van buitenlandse multinationals gepaard gaat met een dalende productiviteit in binnenlandse bedrijven (Aitken & Harrisson, 1999). Er zijn een aantal mogelijke verklaringen voor dit negatieve effect. Ten eerste kan de aanwezigheid van buitenlandse multinationals zorgen voor een zogenaamd market stealing effect (Markussen & Venables, 1999). Dit houdt in dat binnenlandse bedrijven hun marktaandeel zien dalen waardoor hun kost per eenheid product stijgt. Als dit market stealing effect de positieve spillovers overtreft, zal er een daling van de productiviteit plaatsvinden. Een tweede mogelijke verklaring is dat een negatief resultaat gevonden wordt omdat men op zoek gaat naar bewijs voor horizontale spillovers. Javorcik (2004) argumenteert dat spillovers eerder verticaal zullen zijn aangezien horizontale spillovers plaatsvinden tussen bedrijven die mogelijk (sterk) met elkaar concurreren. In dat geval hebben deze er alle belang bij om informatielekken zoveel mogelijk te beperken. Verder toont de auteur empirisch aan dat er inderdaad verticale spillovers plaatsvinden tussen multinationals en hun leveranciers. B. Uitgaande investeringen Ook uitgaande buitenlandse directe investeringen kunnen een effect hebben op de productiviteit van binnenlandse bedrijven. In tegenstelling tot bij uitgaande investeringen zal hier minder sprake zijn van spillovers maar zullen de effecten vooral te merken zijn bij de bedrijven die de investeringen uitvoeren. Navaretti & Castellani (2004) geven een aantal mogelijkheden. Ten eerste kan het binnenlandse bedrijf profiteren van schaalvoordelen door de uitbreiding van zijn activiteiten naar het buitenland. Verder ontstaan ook nieuwe kanalen voor de internationale transfer van technologische kennis en van managementpraktijken. Zo kan buitenlandse kennis verworven worden, die via de buitenlandse vestiging het moederbedrijf bereikt. Tot slot kunnen uitgaande BDI zorgen voor een productiviteitsstijging in het binnenland door een zogenaamd batting average effect (Driffield, Love & Taylor, 2009). Dit doet zich voor als activiteiten met een lage toegevoegde waarde verplaatst worden, waardoor de gemiddelde productiviteit in het moederbedrijf toeneemt. 8

18 Empirisch onderzoek naar uitgaande investeringen komt minder voor dan onderzoek naar inkomende investeringen. Toch zijn er enkele studies die bovenstaande, mogelijke effecten bevestigen. Ten eerste presteren bedrijven die investeren in het buitenland beter als deze die dit niet doen (Navaretti & Castellani, 2004). Verder hebben uitgaande BDI, ondernomen vanuit het strategic asset seeking motief, een positieve invloed op de binnenlandse productiviteit (van Pottelsberghe de la Potterie & Lichtenberg, 2001). De auteurs noemen dit technology-sourcing. Een voorwaarde is wel dat de investering plaatsvindt in een land dat technologisch meer hoogstaand is. Driffield et al. (2009) bevestigen dit resultaat en vinden verder dat ook BDI naar lageloonlanden een positief effect kunnen hebben. Hier zal vooral het batting average effect van belang zijn. Deze resultaten tonen dat uitgaande investeringen in bepaalde mate de binnenlandse economie stimuleren Effecten op de arbeidsmarkt Naast effecten op de productiviteit kunnen buitenlandse directe investeringen ook een invloed hebben op de arbeidsmarkt van een land. Aangezien in de literatuur vooral de invloed op de vraag naar arbeid besproken wordt, gaat de aandacht in deze literatuurstudie ook niet naar het aanbod van arbeid. A. Uitgaande investeringen Wat uitgaande investeringen betreft, wordt vaak gevreesd dat deze gepaard gaan met een verlies aan arbeidsplaatsen in het binnenland. Dit argument wordt ook opgevoerd door critici van globalisatie: ze beweren dat bedrijven nu meer geneigd zijn om jobs te verplaatsen naar lageloonlanden in Zuid-Azië en Oost-Europa om mee te kunnen concurreren op de globale markten (Harrisson & McMilan, 2006). Konings & Murphy (2006) vinden echter dat jobs vooral verplaatst worden tussen Noord-Europese bedrijven. Ze vinden geen bewijs voor een relocatie van Noord-Europese bedrijven naar Oost-Europa. Om de mogelijke effecten te bestuderen, moet een onderscheid gemaakt worden tussen de motivaties achterliggend aan de beslissing van het binnenlandse bedrijf om BDI te ondernemen. Theoretisch gezien zullen verticale buitenlandse directe investeringen - ondernomen omwille van het resource seeking motief - zorgen voor een daling van de arbeidsvraag in het thuisland (Driffield et al., 2009). Als men investeert om te besparen op arbeidskosten zullen binnenlandse jobs vervangen worden door buitenlandse (Navaretti, Bruno, Castellani & Falzoni, 2002; Harrison & McMillan, 2011). Vaak wordt geargumenteerd dat vooral de vraag naar laaggeschoolden zal dalen. Driffield et al. (2009) vinden evenwel dat ook de vraag naar hooggeschoolden daalt, zij het in meer beperkte mate. 9

19 Bij horizontale BDI zal het effect op de arbeidsmarkt afhangen van de complementariteit of substitueerbaarheid van de productie in het binnen- en buitenland (Navaretti & Castellani, 2004; Harrison & McMillan, 2011). Als de producten substituten zijn van elkaar zal de export in het thuisland terugvallen aangezien de producten nu lokaal geproduceerd kunnen worden. Bijgevolg zal door een gedaalde binnenlandse output ook de binnenlandse tewerkstelling dalen (Navaretti et al., 2002). De productie kan ook complementair zijn. Indien bijvoorbeeld enkel het finale deel van het productieproces naar het buitenland verplaatst wordt, kan de tewerkstelling in het thuisland stijgen als gevolg van een verhoogde vraag naar halffabricaten geproduceerd in het thuisland (Elia, Mariotti & Piscitello, 2009). B. Inkomende investeringen In de eerste plaats hebben inkomende BDI een positief effect op de vraag naar arbeid. Wanneer het buitenlands bedrijf via een greenfield venture een nieuwe vestiging bouwt in een land, zal dit leiden tot een hogere arbeidsvraag in dat land. Bij een overname van een bedrijf is dit niet automatisch het geval. Toch hebben buitenlandse multinationals een grote impact op de arbeidsmarkt: zo vertegenwoordigen ze in België ongeveer jobs (Timmermans & Vancronenburg, 10 maart 2014). Dit positieve effect en het belang voor de arbeidsmarkt worden echter overschaduwd door de vrees dat buitenlandse multinationals gevoeliger zijn voor schokken dan binnenlandse bedrijven wat hun arbeidsvraag betreft. Dit wordt in de literatuur vaak beschreven met de term footloose. In het bijzonder zouden ze gevoeliger zijn voor wijzigingen in de loonkost. Deze gevoeligheid wordt gemeten door de prijselasticiteit van de arbeidsvraag. Voor de loonkosten (prijs van arbeid) is deze gedefinieerd als de verhouding tussen de procentuele verandering van de arbeidsvraag en de procentuele verandering van de loonkost. Deze elasticiteit geeft met andere woorden weer in welke richting en met welke mate de arbeidsvraag verandert als gevolg van een verandering in de prijs van arbeid. Aangezien in de literatuur vaak ook naar binnenlandse multinationals gekeken wordt met betrekking tot deze elasticiteit en dit dus zowel deel kan uitmaken van inkomende en uitgaande investeringen, wordt hier een apart onderdeel aan gewijd Elasticiteit van de arbeidsvraag Rodrik (1997) argumenteerde als één van de eersten dat een hogere prijselasticiteit van de arbeidsvraag een gevolg is van de toegenomen economische integratie. De prijselasticiteit van de arbeidsvraag bestaat uit twee delen: een schaaleffect en een substitutie-effect bij constante output (Hamermesh, 1993). Globalisatie heeft een effect op beide componenten. Ten eerste zijn de goederenmarkten competitiever geworden door de verhoogde internationale handel, wat een invloed op het schaaleffect is. Vervolgens is 10

20 ook het substitutie-effect toegenomen: door hun globale netwerken kunnen multinationale bedrijven productie makkelijker verplaatsen naar het buitenland (Slaughter, 2001; Fabbri, Haskel & Slaughter., 2003). Fabbri et al. (2003) vinden dat de elasticiteit van de arbeidsvraag naar laaggeschoolden is toegenomen gedurende de voorbije decennia. Ze vinden een gelijkaardige trend van stijgende inkomende en uitgaande BDI en concluderen dat deze twee ontwikkelingen gecorreleerd zijn. Een hogere elasticiteit van de arbeidsvraag gaat gepaard met een hogere waargenomen werkonzekerheid (Bronfenbrenner, 2000; Scheve & Slaughter, 2004). Rodrik (1997, pp ) geeft drie redenen waarom stijgende elasticiteiten van belang zijn voor werknemers. Ten eerste verschuift een deel van de kosten van de werkgevers naar de werknemers, bijvoorbeeld belastingen op het loon. Ten tweede is er een verhoogde volatiliteit: exogene schokken, bijvoorbeeld een dalende productiviteit, hebben nu een groter effect op lonen en de vraag naar arbeid. Tot slot vermindert de macht van de vakbonden. Vooral in landen waar de vakbonden veel macht hebben en mee onderhandelen over lonen en tewerkstelling binnen een bedrijf (zoals in België) kan dit leiden tot een hogere waargenomen werkonzekerheid. De resultaten van Fabbri et al. (2003) (cf. supra) geven reeds een indicatie dat buitenlandse directe investeringen en multinationals een invloed uitoefenen op de elasticiteit van de arbeidsvraag. Hun onderzoek zegt echter nog niets over de mogelijke verschillen in elasticiteit tussen binnenlandse en buitenlandse multinationals en binnenlandse bedrijven. Er zijn nochtans verschillende redenen waarom de elasticiteit tussen de verschillende groepen kan verschillen. De mate waarin werknemers kunnen vervangen worden door arbeidskrachten in een ander land zal een invloed uitoefenen op de loonkostelasticiteit (Konings & Murphy, 2001). Er wordt geargumenteerd dat multinationals makkelijker jobs kunnen verplaatsen aangezien ze door hun uitgebreide internationale netwerk minder kosten vooral ontslagkosten oplopen bij deze relocatie (Navaretti, Checchi & Turrini, 2003). Voor binnenlandse multinationals is opnieuw de substitueerbaarheid tussen de activiteiten in het binnenland en het buitenland van belang (cf. supra). Als deze in grote mate substituten zijn van elkaar is het mogelijk dat de loonkostelasticiteit in het thuisland stijgt (Hakkala et al., 2010). Tot slot is het mogelijk dat de loonkostelasticiteit verschilt omwille van bepaalde karakteristieken eigen aan de verschillende groepen. Ten eerste zijn multinationals over het algemeen meer kapitaalintensief. In kapitaalintensieve bedrijven zijn de loonkosten een kleiner deel van de totale kost, waardoor deze bedrijven minder gevoelig zijn voor wijzigingen in de loonkost (Navaretti & Falzoni, 2004). Ten tweede ligt ook het vaardigheidsniveau over het algemeen hoger in multinationals. Hamermesh (1993) toont aan dat de elasticiteit van de arbeidsvraag daalt naarmate de vaardigheidsintensiteit binnen een bedrijf hoger is. 11

21 Theoretisch kan de loonkostelasticiteit van multinationals dus hoger of lager zijn dan deze van nietmultinationals. Empirisch bewijs om de theorie te staven is echter beperkt. Het beschikbare onderzoek moet verder nog opgedeeld worden naar welke types bedrijven met elkaar vergeleken worden. Enerzijds zijn er studies die kijken naar verschillen in elasticiteit tussen (dochters van) buitenlandse multinationals en binnenlandse bedrijven. Anderzijds onderzoeken enkele auteurs het verschil tussen multinationals en niet-multinationals. Soms worden beide onderzocht (Hakkala et al. 2010). Navaretti et al. (2003) maken gebruik van een unbalanced panel dataset om na te gaan of de nationaliteit van een bedrijf een rol speelt voor de loonkostelasticiteit. Ze vinden voor elf Europese landen dat buitenlandse multinationals gemiddeld een lagere loonkostelasticiteit hebben dan binnenlandse bedrijven en wijten dit aan een verschil in vaardigheidsniveau (cf. supra). Dit resultaat is tegengesteld aan andere studies. Zo vinden Hakkala et al. (2010) geen verschil in loonkostelasticiteit tussen buitenlandse en binnenlandse bedrijven. Görg et al. (2009) vinden daarentegen dat buitenlandse multinationals (in absolute waarde) een hogere loonkostelasticiteit hebben dan binnenlandse bedrijven. Ze vinden verder dat de loonkostelasticiteit afneemt met de mate waarin een bedrijf backward linkages heeft met de lokale economie. Deze backward linkages kwamen reeds ter sprake bij de productiviteitseffecten (cf. supra). Het onderscheid tussen multinationale en niet-multinationale ondernemingen werd voor het eerst gemaakt door Fabbri, Haskel & Slaughter (2002). De auteurs toonden aan dat de elasticiteit van de arbeidsvraag in multinationals, actief in het Verenigd Koninkrijk, sterker toenam dan bij nietmultinationals. Verder onderzoek bevestigt de opvatting dat multinationals meer footloose zijn: ze worden gekenmerkt door een hogere loonkostelasticiteit in vergelijking met niet-multinationale ondernemingen (Hakkala et al., 2010). Een belangrijke bijdrage aan de literatuur wordt geleverd door Godart et al. (2013). In hun studie vergelijken ze buitenlandse en binnenlandse multinationals met elkaar. Ze vinden dat de loonkostelasticiteit van binnenlandse multinationals in absolute waarde lager is, wat betekent dat binnenlandse multinationals minder gevoelig zijn voor loonkostenwijzigingen. Ze wijten dit verschil net als Navaretti et al. (2003) (cf. supra) aan een hoger vaardigheidsniveau. Binnenlandse multinationals hebben immers hun hoofdkwartier in het binnenland, waar vaak diensten zoals het financieel- en juridisch departement zijn ondergebracht. Deze diensten vereisen meestal een hoger scholingsniveau. Dit is echter niet de enige mogelijke verklaring voor het verschil. Zo kan het ook zijn dat binnenlandse multinationals sterker verbonden zijn met de lokale economie omdat ze hun oorsprong hebben in dat land. Zoals reeds 12

22 vermeld tonen Görg et al. (2009) dat de loonkostelasticiteit afneemt naarmate een bedrijf in grotere mate backward linkages heeft. Op basis van deze resultaten kan geargumenteerd worden dat studies die dit onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse multinationals niet maken een vertekend resultaat geven. Zo kan het zijn dat de elasticiteit van buitenlandse multinationals onderschat wordt terwijl deze van binnenlandse multinationale bedrijven overschat wordt (Godart et al., 2013). Onderzoek naar de loonkostelasticiteiten voor multinationals actief in België is erg beperkt. Voor zover bekend is er slechts één studie die kijkt naar de verschillen in elasticiteit tussen buitenlandse multinationals en binnenlandse bedrijven. Navaretti et al. (2003) vinden voor België dat buitenlandse multinationals gevoeliger zijn voor loonkostenwijzigingen dan binnenlandse bedrijven. Er wordt in deze studie echter geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse multinationale bedrijven en uitsluitend binnenlandse bedrijven. Er werd reeds vermeld dat dit kan zorgen voor verkeerde interpretaties. Bovendien speelt, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, de multinationale aard van bedrijven een grotere rol dan de nationaliteit (Bellak, 2004). Van Beveren (2007) maakt dit onderscheid wel. Ze onderzoekt echter een ander aspect van het mogelijk footloose karakter van multinationals, namelijk de waarschijnlijkheid waarmee ze de markt verlaten. Ze vindt dat buitenlandse multinationals meer waarschijnlijk de markt zullen verlaten dan pure binnenlandse bedrijven, zowel in de productie- als de dienstensector. Voor binnenlandse multinationals wordt dit resultaat enkel gevonden voor de productiesector. Deze resultaten geven reeds een indicatie dat ook in België multinationals een footloose karakter hebben. Verder toont het onderzoek van Van Beveren (2007) opnieuw aan dat het interessant is om het onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse multinationals te maken. 13

23 2.2. Hypotheseontwikkeling Aan de hand van deze literatuurstudie kunnen we de volgende twee hypothesen opstellen. In deze masterproef wordt een onderscheid gemaakt tussen multinationals en niet-multinationals, in navolging van Hakkala et al. (2010). Dit onderscheid is relevanter dan dat tussen buitenlandse en binnenlandse bedrijven (Bellak, 2004). Verder wordt een onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse multinationals. Het onderzoek van Görg et al. (2013) toont aan dat dit onderscheid belangrijk is. De volgende hypothesen worden getest: H1: Multinationale ondernemingen, actief in België, hebben (in absolute waarde) een hogere loonkostelasticiteit dan Belgische niet-multinationale bedrijven. H2: Buitenlandse multinationals hebben een hogere loonkostelasticiteit (in absolute waarde) dan binnenlandse multinationals. 14

24 3. Data en methodologie 3.1. Data Voor het verkrijgen van de financiële data van de bedrijven wordt gebruik gemaakt van Belfirst, een database ontwikkeld door Bureau Van Dyck. Deze bevat de financiële informatie die te vinden is in de gepubliceerde jaarrekeningen van bedrijven uit België en het Groothertogdom Luxemburg. Tevens bevat Belfirst ook de gegevens van de sociale balans en de aandeelhoudersstructuur van een bedrijf. Op die manier kan zowel informatie vergaard worden over de materiële vaste activa, de toegevoegde waarde en de loonkost als over het aantal werknemers in een bedrijf. Er wordt data verzameld voor de periode 2004 tot Het is geen vereiste dat bedrijven bestaan gedurende de volledige periode. Tijdens deze periode worden nieuwe ondernemingen opgericht en worden andere inactief. Er wordt dus gebruik gemaakt van een zogenaamde unbalanced panel dataset. Verder zijn er nog enkele voorwaarden die bepalen welke bedrijven opgenomen worden in de steekproef. Ten eerste worden bedrijven met minder dan vijf werknemers niet opgenomen. Data voor kleine bedrijven ontbreken vaak in Belfirst en zijn bijgevolg minder betrouwbaar. Ook worden op deze manier eenmanszaken verwijderd die voor een vertekening van de resultaten zouden kunnen zorgen. Deze bedrijven zullen immers weinig werkgelegenheid verschaffen. Vervolgens worden ook bedrijven uit de bank- en verzekeringssector geweerd. Ten derde worden alle observaties met een negatieve waarde of een waarde gelijk aan nul voor de variabele toegevoegde waarde verwijderd. De variabelen materiële vaste activa, totaal aantal werknemers en loonkost per werknemer kennen geen negatieve waarden. Dit is noodzakelijk omdat we de natuurlijke logaritme nemen. Tot slot wordt de 1% hoogste en laagste waarden uit de steekproef verwijderd. De uiteindelijke steekproef die zo bekomen wordt bevat observaties van bedrijven. Vervolgens worden de bedrijven opgedeeld in drie categorieën: buitenlandse multinationals, Belgische multinationals en pure Belgische bedrijven. Met buitenlandse multinationals worden ondernemingen bedoeld waar de ultieme aandeelhouder buitenlands is. Een ultieme aandeelhouder wordt gedefinieerd als een aandeelhouder die minstens 50.01% van de aandelen bezit. Het criterium van 50.01% wordt gehanteerd omdat het moeilijk vast te stellen is of een aandeelhouder controle kan uitoefenen op de operaties van het bedrijf als hij bijvoorbeeld slechts 10% van de aandelen bezit. Dit criterium wordt ook vaak gehanteerd in de literatuur (Görg et al., 2009; Godart et al., 2013). Een nadeel is dat bedrijven zonder ultieme aandeelhouder niet opgenomen worden in de steekproef. Belgische multinationals hebben een Belgische ultieme aandeelhouder en hebben een deelneming in ondernemingen in het buitenland. Deze 15

25 deelneming hoeft niet noodzakelijk een meerderheidsbelang te zijn. Een puur Belgisch bedrijf tenslotte, heeft enkel Belgische aandeelhouders en heeft geen belang in bedrijven in het buitenland. Een nadeel van het gebruik van Belfirst is dat informatie over de aandeelhoudersstructuur niet beschikbaar is voor ieder bedrijf. Toch blijkt dit niet noodzakelijk een onoverkomelijk probleem te zijn, daar er financiële informatie beschikbaar is voor bedrijven: pure Belgische bedrijven, Belgische multinationals en buitenlandse multinationals. Een tweede nadeel is dat de informatie over de aandeelhoudersstructuur niet dynamisch is. Een ultieme aandeelhouder is de ultieme aandeelhouder in 2012, het laatste jaar van observatie. Dit heeft als gevolg dat het bestuderen van veranderingen van eigenaar niet mogelijk is. Verder laat de dataset ook niet toe om in- en uittrede van de markt te bestuderen. Deze opmerking vindt men ook terug in ander onderzoek (Godart et al., 2013) Empirische methode Methodologie Het doel van dit onderzoek is om na te gaan of er een verschil is in het aanpassen van de werkgelegenheid naar aanleiding van een wijziging in de loonkost tussen buitenlandse multinationale bedrijven, Belgische multinationals en pure binnenlandse bedrijven. We zijn met andere woorden geïnteresseerd in de loonkostelasticiteit van de arbeidsvraag. Deze elasticiteit wordt gedefinieerd als de procentuele verandering in de tewerkstelling als gevolg van een (oneindig kleine) procentuele verandering in de loonkost. Om de elasticiteit van de arbeidsvraag te schatten, wordt gebruik gemaakt van een model gespecifieerd door Hamermesh (1993, pp ). Deze auteur introduceert een statische log-log regressie van de arbeidsvraag op factorprijzen. Het gebruik van een log-log regressie is interessant aangezien alle coëfficiënten dan percentages weergeven en zo meteen de elasticiteit van de arbeidsvraag kan afgelezen worden. De prijselasticiteit van de arbeidsvraag hangt af van een aantal factoren: het aandeel van de arbeidskost in de totale opbrengsten, de substitutie elasticiteit tussen arbeid en kapitaal en de outputelasticiteit van het bedrijf. Een belangrijke veronderstelling die gemaakt moet worden voor dit model is dat het aanbod van arbeid perfect elastisch is. De geschiktheid van deze veronderstelling hangt af van het meetniveau van het onderzoek (Hamermesh, 1993). Aangezien we in dit onderzoek de analyse uitvoeren op het niveau van het individuele bedrijf, kan uitgegaan worden van een perfect elastisch aanbod van arbeid. Als het loon gegeven is, kiezen bedrijven de werkgelegenheid. Men zou echter kunnen argumenteren dat in België het loon en de werkgelegenheid niet zomaar vrij bepaald kunnen worden. Vakbonden en werkgevers moeten immers een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) onderhandelen. 16

26 We verwijzen hiervoor echter, net zoals Konings & Roodhooft (1996), terug naar Hamermesh (1993) die argumenteert dat als men meet op het bedrijfsniveau, men het loon kan behandelen als exogeen en bijgevolg mag uitgaan van een perfect elastisch aanbod van arbeid. Verder is het mogelijk dat een dynamisch regressiemodel beter geschikt is. Werkgevers zullen immers geconfronteerd worden met aanpassingskosten en zullen hun werkgelegenheid niet zomaar kunnen wijzigen. Hiervoor zou men een vertraging in de regressie kunnen opnemen. In dit onderzoek wordt echter abstractie gemaakt van deze aanpassingskosten en van de mogelijke vertraging. De zo bekomen log-log regressievergelijking is afgeleid van een constant elasticity of production (CES) productiefunctie. Dit wil zeggen dat er in een regressie met twee productiefactoren, arbeid en kapitaal, er een constante substitutie-elasticiteit is tussen deze twee. LL iiii = αα 0ii + ββ 1 WW iiii + ββ 2 KK iiii + ββ 3 YY iiii + εε iiii (1) L staat voor de tewerkstelling in een bedrijf, W voor de loonkost, K voor de kost van kapitaal en Y voor de output. εε iiii is de storingsterm. αα 0ii is het niet observeerbare bedrijfsspecifieke effect. Een mogelijk voorbeeld hiervan is de managementkwaliteit van het bedrijf. Het opnemen van een bedrijfsspecifiek effect is belangrijk om rekening te houden met de heterogeniteit die tussen de verschillende bedrijven bestaat. Dit bedrijfsspecifieke effect is tijdsinvariant. L it is gemeten als de natuurlijke logaritme van het aantal personeelsleden die ingeschreven staan op de sociale balans van bedrijf i in jaar t; W it is opgenomen als de natuurlijke logaritme van de totale loonkost (inclusief sociale bijdragen en pensioenen) gedeeld door het aantal personeelsleden van bedrijf i in jaar t. Als proxy voor de kost van kapitaal gebruiken we de natuurlijke logaritme van de materiële vaste activa van onderneming i in jaar t. De laatste variabele, output, wordt opgenomen als de natuurlijke logaritme van de toegevoegde waarde van een bedrijf i in jaar t. Een meer uitgebreide bespreking van de opgenomen variabelen volgt in 3.2. In bovenstaande regressie geven coëfficiënten β 1 en β 2 meteen de arbeidsvraagelasticiteit van respectievelijk de loonkost en de kost van kapitaal bij constante output weer. Om het verschil in loonkostelasticiteit te bekijken tussen (dochters van) buitenlandse multinationals, binnenlandse multinationals en uitsluitend Belgische bedrijven voegen we dummy s toe aan de 17

27 basisregressie. De dummy s worden opgenomen in een interactie met de loonkost. De dummy FMNE is één als de onderneming een buitenlandse multinational is. De dummy DMNE bedraagt één als het bedrijf een Belgische multinational is. De dummyvariabelen worden enkel opgenomen als interactie-effect aangezien het niet mogelijk is om dummy s als alleenstaande variabele op te nemen als de regressie fixed effects bevat (cf. infra). Dit fixed effect zou immers volledig gecorreleerd zijn met de dummy (Gujarati & Porter, 2009). De regressievergelijking die op deze manier bekomen wordt, is de volgende: LL iiii = αα 0ii + ββ 1 WW iiii + ββ 2 KK iiii + ββ 3 YY iiii + ββ 4 FFFFFFFF WW iiii + ββ 5 DDDDDDDD WW iiii + εε iiii (2) Voor de verklaring van de variabelen wordt verwezen naar regressie (1). Deze regressie is licht verschillend van de regressievergelijkingen terug te vinden in de literatuur. Vaak kijkt men in de literatuur enkel naar het verschil tussen multinationale- en niet-multinationale bedrijven (Navaretti et al., 2003), tussen buitenlandse en binnenlandse bedrijven (Görg et al., 2009) of tussen binnenlandse en buitenlandse multinationals (Buch & Lipponer, 2010). In dit onderzoek wordt echter door middel van één regressie gekeken naar de loonkostelasticiteiten van zowel pure binnenlandse bedrijven, binnenlandse multinationals en buitenlandse multinationals. We zijn vooral geïnteresseerd in coëfficiënten β1, β4 en β5. Aangezien zowel de verklarende variabelen als de afhankelijke variabele opgenomen zijn als natuurlijke logaritme, geeft β1 meteen de geschatte loonkostelasticiteit van pure binnenlandse bedrijven weer. Dit is de basiscategorie waar we de vergelijking mee maken. β4 en β5 tonen respectievelijk het verschil tussen de loonkostelasticiteit van buitenlandse multinationals en pure binnenlandse bedrijven als ook tussen binnenlandse multinationals en pure binnenlandse bedrijven. We verwachten dat β1 negatief is. Daarnaast verwachten we dat ook de coëfficiënten van de interactie-effecten negatief zijn. Dit zou erop wijzen dat multinationals een grotere loonkostelasticiteit (in absolute waarde) hebben dan niet-multinationals. Verder verwachten we dat β 4 in absolute waarde groter is dan β 5 namelijk dat buitenlandse multinationals een hogere loonkostelasticiteit hebben dan binnenlandse multinationals. Zoals reeds vermeld in de literatuurstudie kunnen inkomende en uitgaande investeringen een effect hebben op de output van een bedrijf. Een stijgende of een dalende output zorgt op zijn beurt voor een invloed op de vraag naar arbeid. Het is zo mogelijk dat de loonkostelasticiteit beïnvloed wordt door het effect die het multinationaal karakter van een bedrijf heeft op de output. Bijgevolg schatten we ook een 18

28 regressie waar we een interactie-effect opnemen tussen de dummy s voor binnenlandse en buitenlandse multinational en de output. We bekomen dan de volgende regressievergelijking: LL iiii = αα 0ii + ββ 1 WW iiii + ββ 2 KK iiii + ββ 3 YY iiii + ββ 4 FFFFFFFF WW iiii + ββ 5 DDDDDDDD WW iiii + ββ 6 FFFFFFFF YY iiii + ββ 7 DDDDDDDD YY iiii + εε iiii (3) Voor de verklaring van de variabelen wordt verwezen naar regressie (1). Voor het bespreken van de resultaten moet eerst nog nagegaan worden welke methode optimaal is om de regressievergelijkingen te schatten. Om te testen of een fixed effects model of een random effects model gebruikt moet worden, wordt gebruik gemaakt van een Hausman test (Hausman, 1978). Deze test voert de regressie uit door middel van beide modellen en vergelijkt de coëfficiënten. Bij een random effects model is het mogelijk dat het bedrijfsspecifieke effect - dat bij dit model in de storingsterm zit - gecorreleerd is met de verklarende variabelen, wat zou kunnen resulteren in vertekende coëfficiënten. De nulhypothese bij de Hausman test is dan ook dat er geen correlatie is tussen het bedrijfsspecifieke effect en de verklarende variabelen. Als de nulhypothese niet verworpen wordt, moet gekozen worden voor het random effects model. De p-waarde van de Hausman-test is voor alle regressies in dit onderzoek echter kleiner dan 0,05 dus kunnen we de nulhypothese verwerpen op het 5% significantieniveau. Bijgevolg wordt gebruik gemaakt van het fixed effects model om de regressie te schatten. In dit model worden zowel cross-sectie dummy s als tijdsdummy s opgenomen Variabelen A. Afhankelijke variabele Aangezien we geïnteresseerd zijn in welke invloed bepaalde wijzigingen hebben op de werkgelegenheid in een bepaald bedrijf nemen we als afhankelijke variabele de natuurlijke logaritme van het gemiddeld aantal werknemers (arbeiders, bedienden en kaderleden) in een bepaald jaar zoals te vinden is op de sociale balans. B. Onafhankelijke variabele De natuurlijke logaritme van de loonkost wordt opgenomen als onafhankelijke variabele in de regressie. De loonkost bevat de salariskosten inclusief sociale bijdragen en pensioenkosten. We volgen de werkwijze die het meest gebruikt wordt in de literatuur en delen de loonkost door het aantal werknemers (Konings & Roodhooft, 1996; Buch & Lipponer, 2010; Hakkala et al., 2010). Soms wordt deze variabele gedeeld 19

Dutch Summary. Dutch Summary

Dutch Summary. Dutch Summary Dutch Summary Dutch Summary In dit proefschrift worden de effecten van financiële liberalisatie op economische groei, inkomensongelijkheid en financiële instabiliteit onderzocht. Specifiek worden hierbij

Nadere informatie

Samenvatting onderzoek: Diversificatiestrategieën van accountantskantoren

Samenvatting onderzoek: Diversificatiestrategieën van accountantskantoren UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR 2010 2011 Samenvatting onderzoek: Diversificatiestrategieën van accountantskantoren Frederik Verplancke onder leiding van Prof. dr. Gerrit

Nadere informatie

HET BELANG VAN AGGLOMERATIE EN HET

HET BELANG VAN AGGLOMERATIE EN HET HET BELANG VAN AGGLOMERATIE EN HET REGIONALE KENNISNIVEAU VOOR VERSCHILLENDE OPLEIDINGSNIVEAUS Stefan Groot (Vrije Universiteit) Gezamenlijk werk met Henri de Groot (Vrije Universiteit / Ecorys / CPB)

Nadere informatie

Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid

Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Juli 2013 De evolutie van de werkende beroepsbevolking te Brussel van demografische invloeden tot structurele veranderingen van de tewerkstelling Het afgelopen

Nadere informatie

1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden?

1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden? 1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden?. een daling van het aantal werklozen B. een toename van de emigratie uit het betreffende land. de

Nadere informatie

DE IMPACT VAN DE NOTIONELE INTRESTAFTREK OP DE KAPITAALSTRUCTUUR EN TEWERKSTELLING VAN MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN IN BELGIË

DE IMPACT VAN DE NOTIONELE INTRESTAFTREK OP DE KAPITAALSTRUCTUUR EN TEWERKSTELLING VAN MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN IN BELGIË VIVES BRIEFING 2016/08 DE IMPACT VAN DE NOTIONELE INTRESTAFTREK OP DE KAPITAALSTRUCTUUR EN TEWERKSTELLING VAN MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN IN BELGIË Jozef Konings Cathy Lecocq Bruno Merlevede Universiteit

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

BEDRIJFSECONOMISCHE WETENSCHAPPEN master in de toegepaste economische wetenschappen: accountancy en financiering

BEDRIJFSECONOMISCHE WETENSCHAPPEN master in de toegepaste economische wetenschappen: accountancy en financiering BEDRIJFSECONOMISCHE WETENSCHAPPEN master in de toegepaste economische wetenschappen: accountancy en financiering 2011 2012 Masterproef Private familiebedrijven en de keuze van financiering Promotor : Prof.

Nadere informatie

Joep Konings, Jo Reynaerts, Tim Goesaert, Stijn De Ruytter

Joep Konings, Jo Reynaerts, Tim Goesaert, Stijn De Ruytter VOKA LEERSTOEL GROEIKRACHT VAN DE VLAAMSE ECONOMIE Naamsestraat 61 - bus 3550 B-3000 Leuven - BELGIUM Tel : 32-16-326661 VIVES Briefings 25 juni 2012 De Sleutelrol van Globale ondernemingen in Vlaanderen

Nadere informatie

De reële effecten van de notionele interestaftrek

De reële effecten van de notionele interestaftrek UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR 2013 2014 De reële effecten van de notionele interestaftrek Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van Master of Science

Nadere informatie

Loonkosten en Relocatie van Belgische Bedrijven. Jozef Konings

Loonkosten en Relocatie van Belgische Bedrijven. Jozef Konings Loonkosten en Relocatie van Belgische Bedrijven Jozef Konings LICOS, Centre for Transition Economics Departement Economie Katholieke Universiteit Leuven Debériotstraat 34 3000 Leuven Belgium September

Nadere informatie

Werkloosheidscijfers Tijdelijke werkloosheid Faillissementen

Werkloosheidscijfers Tijdelijke werkloosheid Faillissementen De impact van de economische crisis in West Limburg Werkloosheidscijfers Tijdelijke werkloosheid Faillissementen MEI 2009 1. Werkloosheid 1.1 Niet werkende werkzoekenden Een eerste indicator die de economische

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 11

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 11 OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk Open Vragen OEFENING a) i. De vraagcurve van arbeid verschuift naar rechts. ii. Daar we in de korte termijn zijn, kan de kapitaalstock niet worden aangepast aan de stijging

Nadere informatie

Vaardigheden voor de toekomst: een economisch perspectief

Vaardigheden voor de toekomst: een economisch perspectief Vaardigheden voor de toekomst: een economisch perspectief Prof. Maarten Goos Universiteit Utrecht & KU Leuven VLOR Startdag, 17 september 2015 Het economische belang van vaardigheden 1. Vaardigheden en

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen. volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement

Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen. volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen in de volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement Inleiding In ons recent onderzoek betreffende de gerechtigden op wacht- en

Nadere informatie

Structurele ondernemingsstatistieken

Structurele ondernemingsstatistieken 1 Structurele ondernemingsstatistieken - Analyse Structurele ondernemingsstatistieken Een beeld van de structuur van de Belgische economie in 2012 en de mogelijkheden van deze databron De jaarlijkse structurele

Nadere informatie

2. Simulatie van de impact van een "centen i.p.v. procenten"-systeem

2. Simulatie van de impact van een centen i.p.v. procenten-systeem Bijlage/Annexe 15 DEPARTEMENT STUDIËN Impact van een indexering in centen i.p.v. procenten 1. Inleiding Op regelmatige tijdstippen wordt vanuit verschillende bronnen gesuggereerd om het huidige indexeringssysteem

Nadere informatie

Jongeren vinden moeilijker een job - Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten, derde kwartaal

Jongeren vinden moeilijker een job - Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten, derde kwartaal ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 5 februari 2009 Jongeren vinden moeilijker een job - Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten, derde kwartaal 2008 - Het hoeft geen

Nadere informatie

CPB Notitie 12 januari loonbegrip. Op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

CPB Notitie 12 januari loonbegrip. Op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid CPB Notitie 12 januari 2011 Werkgelegenheidseffecten uniformering loonbegrip Op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid CPB Notitie Datum : 12 januari 2011 Aan : SZW Werkgelegenheidseffecten

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) De economie van India is snel gegroeid sinds aan het begin van de jaren 90 verregaande hervormingen werden doorgevoerd in o.a. het handels- en industriebeleid. Groei van

Nadere informatie

Over de interpretatie van schattingen van het private en het sociale rendement van R&D

Over de interpretatie van schattingen van het private en het sociale rendement van R&D CPB Memorandum Hoofdafdelingen : Institutionele Analyse en Bedrijfstakken Afdelingen : Kenniseconomie en Bedrijfstakkencoördinatie Samenstellers : Maarten Cornet, Erik Canton en Alex Hoen Nummer : 27 Datum

Nadere informatie

Implementations of Tests on the Exogeneity of Selected Variables and Their Performance in Practice M. Pleus

Implementations of Tests on the Exogeneity of Selected Variables and Their Performance in Practice M. Pleus Implementations of Tests on the Exogeneity of Selected Variables and Their Performance in Practice M. Pleus Dat economie in essentie geen experimentele wetenschap is maakt de econometrie tot een onmisbaar

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 25 maart 2014

PERSBERICHT Brussel, 25 maart 2014 PERSBERICHT Brussel, 25 maart 2014 Geen heropleving van de arbeidsmarkt in 2013 Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten 4.530.000 in België wonende personen zijn aan het werk in 2013. Hun aantal

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Als je moet kiezen welk plaatje je op je cijferlijst zou willen hebben,

Nadere informatie

Arbeidsproductiviteit in MKB en grootbedrijf

Arbeidsproductiviteit in MKB en grootbedrijf M21221 Arbeidsproductiviteit in MKB en groot Verklaring van verschillen tussen MKB en groot en ontwikkelingen 1993-29 Anne Bruins Ton Kwaak Zoetermeer, november 212 Arbeidsproductiviteit in MKB en groot

Nadere informatie

Een aardbeving is een voorbeeld van een eenmalig-permanente en continue schok en de tijdelijke uitval van elektriciteit is bijvoorbeeld een eenmalige

Een aardbeving is een voorbeeld van een eenmalig-permanente en continue schok en de tijdelijke uitval van elektriciteit is bijvoorbeeld een eenmalige Samenvatting Een economische schok is een drastische verandering in het evenwicht of de continuïteit van een systeem. De wereld wordt gekenmerkt door een veelheid van schokken. En elke schok lijkt de economie

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013

PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013 PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013 Werkgelegenheid stabiel, werkloosheid opnieuw in stijgende lijn Arbeidsmarktcijfers derde kwartaal 2013 Na het licht herstel van de arbeidsmarkt in het tweede kwartaal

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

De regionale impact van de economische crisis

De regionale impact van de economische crisis De regionale impact van de economische crisis Damiaan Persyn Vives Beleidspaper 11 Juli 2009 VIVES Naamsestraat 61 bus 3510 3000 Leuven - Belgium Tel: +32 16 32 42 22 www.econ.kuleuven.be/vives De regionale

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Samenvatting Globalisering en Productiviteit Inzichten over Heterogene Bedrijven, Werknemers en Producten

Samenvatting Globalisering en Productiviteit Inzichten over Heterogene Bedrijven, Werknemers en Producten Samenvatting Globalisering en Productiviteit Inzichten over Heterogene Bedrijven, Werknemers en Producten Globalisering houdt in dat landen steeds verder met elkaar geïntegreerd raken. Deze ontwikkeling

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

Kredietverlening aan Vlaamse ondernemingen

Kredietverlening aan Vlaamse ondernemingen Kredietverlening aan Vlaamse ondernemingen Monitoring Rapport: Januari 2012 Jan van Nispen Inleiding Sinds 2008 zijn woorden zoals crisis, financieringsproblemen, waarborgen en bailouts niet meer uit de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 q v = 200 1,25 + 450 = 200 q a

Nadere informatie

Equitisation and Stock-Market Development

Equitisation and Stock-Market Development Samenvatting In deze dissertatie worden twee belangrijke vraagstukken met betrekking tot het proces van economische hervorming in Vietnam behandeld, te weten de Vietnamese variant van privatisering (equitisation)

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 0,15 0,12 100% = 25%

Nadere informatie

Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin

Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin ruime zin in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland in 2014 Directie Statistieken, Begroting en Studies stat@rva.be Inhoudstafel: 1

Nadere informatie

ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 26 november 2010

ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 26 november 2010 ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 26 november 2010 Meer personen op de arbeidsmarkt in de eerste helft van 2010. - Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten, 2 de

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo I

Eindexamen economie vwo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit het antwoord moet

Nadere informatie

Globalisering, technologische verandering en de polarisatie van de arbeidsmarkt

Globalisering, technologische verandering en de polarisatie van de arbeidsmarkt VIVES BRIEFING 207/04 Globalisering, technologische verandering en de polarisatie van de arbeidsmarkt Koen Breemersch KU Leuven, Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen, VIVES Met dank aan Cathy Lecocq

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof AA s-gravenhage

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof AA s-gravenhage > Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA s-gravenhage Directie Algemene Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres

Nadere informatie

Delokalisatie, een element van industriële dynamiek

Delokalisatie, een element van industriële dynamiek Delokalisatie, een element van industriële dynamiek Mommaerts, G.; Pennings, E.; Sleuwaegen, L.; Van Den Cruyce, B.; Van Sebroeck, H. (2000), Syntheserapport: Delokalisatie, een element van industriële

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 28 maart 2013

PERSBERICHT Brussel, 28 maart 2013 PERSBERICHT Brussel, 28 maart 2013 De Belgische arbeidsmarkt in 2012 Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten Hoeveel personen verrichten betaalde arbeid? Hoeveel mensen zijn werkloos? Hoeveel inactieve

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 7

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 7 OPLOSSINGEN OEFENINGEN HOOFDSTUK 7 Open vragen OEFENING 1 Consumptietheorie Nutsfunctie Budgetrechte Indifferentiecurve Marginale substitutievoet Marginaal nut Inkomenseffect Productietheorie Productiefunctie

Nadere informatie

Macro-economie examenvragen

Macro-economie examenvragen Macro-economie examenvragen Deel II 1. Indien de reële productie en het arbeidsaandeel constant blijven, dan kan het aantal tewerkgestelde personen van het ene jaar op het andere slechts toenemen indien.

Nadere informatie

De impact van concurrentie op de productmix van exporteurs

De impact van concurrentie op de productmix van exporteurs VIVES BRIEFING 2016/09 De impact van concurrentie op de productmix van exporteurs Koen Breemersch KU Leuven, Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen, VIVES 1 DE IMPACT VAN CONCURRENTIE OP DE PRODUCTMIX

Nadere informatie

Samenvatting. Beginselen van Productie. en Logistiek Management

Samenvatting. Beginselen van Productie. en Logistiek Management Samenvatting Beginselen van Productie en Logistiek Management Pieter-Jan Smets 5 maart 2015 Inhoudsopgave I Voorraadbeheer 4 1 Inleiding 4 1.1 Globalisering........................................... 4

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Emissielekken in België

Emissielekken in België Milieu-economische analyses voor België, de Gewesten en Europa 13 september 2012 Emissielekken in België Guy Vandille Federaal Planbureau Wat is een emissielek? Emissielek = verschil tussen : emissies

Nadere informatie

Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid?

Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid? vbo-analyse Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid? September 2014 I Raf Van Bulck 39,2% II Aandeel van de netto toegevoegde waarde gegenereerd door bedrijven dat naar

Nadere informatie

HOOFDSTUK VII REGRESSIE ANALYSE

HOOFDSTUK VII REGRESSIE ANALYSE HOOFDSTUK VII REGRESSIE ANALYSE 1 DOEL VAN REGRESSIE ANALYSE De relatie te bestuderen tussen een response variabele en een verzameling verklarende variabelen 1. LINEAIRE REGRESSIE Veronderstel dat gegevens

Nadere informatie

FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN

FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN Juli 2014 Statistisch verslag van de arbeidsongevallen van 2013 - Privésector 1 Aanpassing van de formule van de gevolgen van arbeidsongevallen 1.1 EVOLUTIE IN DE OVERDRACHT

Nadere informatie

Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen

Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen 1 Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen Peter van der Meer Samenvatting In dit onderzoek is geprobeerd antwoord te geven op de vraag in hoeverre het mogelijk is verschillen

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Een meer gelijke verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen tussen mannen en vrouwen in Vlaanderen, maar...

Een meer gelijke verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen tussen mannen en vrouwen in Vlaanderen, maar... Een meer gelijke verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen tussen mannen en vrouwen in Vlaanderen, maar... Van Dongen, W. 2010. Naar een meer democratische verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) havo 5

Domein D: markt (module 3) havo 5 Domein D: markt (module 3) havo 5 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte

Nadere informatie

Meta-analyses naar de waarde van stedelijk openbaar groen

Meta-analyses naar de waarde van stedelijk openbaar groen Meta-analyses naar de waarde van stedelijk openbaar groen Mark Koetse Luke Brander Waarde van openbaar groen Stelling: Openbaar groen staat onder druk in stedelijke gebieden; Expliciete waardering van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 De werkgelegenheid verandert met

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting

Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting xvii Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting Samenvatting IT uitbesteding doet er niet toe vanuit het perspectief aansluiting tussen bedrijfsvoering en IT Dit proefschrift is het

Nadere informatie

ICT and economic growth. Nederlandse samenvatting

ICT and economic growth. Nederlandse samenvatting ICT and economic growth Nederlandse samenvatting ICT and economic growth Nederlandse samenvatting Nederlandstalige samenvatting van het rapport ICT and Economic Growth Opgesteld door het Centraal Bureau

Nadere informatie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie Federaal Planbureau Economische analyses en vooruitzichten Perscommuniqué Brussel, 15 september 2000 Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de

Nadere informatie

De loonkloof tussen vrouwen en mannen in België. Samenvatting rapport 2011

De loonkloof tussen vrouwen en mannen in België. Samenvatting rapport 2011 De loonkloof tussen vrouwen en mannen in België Samenvatting rapport 2011 Hoe groot is de loonkloof? Daalt de loonkloof? De totale loonkloof Deeltijds werk Segregatie op de arbeidsmarkt Leeftijd Opleidingsniveau

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Alle verzuimgrootheden worden berekend exclusief zwangerschap, tenzij anders vermeld.

Inhoudsopgave. Alle verzuimgrootheden worden berekend exclusief zwangerschap, tenzij anders vermeld. Inhoudsopgave 1. Tijdreeks verzuimcijfers 2. Verzuim naar geslacht 3. Verzuim naar grootteklasse 4. Verzuim en meldingsfrequentie naar leeftijd 5. Combinatie verzuimpercentage en meldingsfrequentie 6.

Nadere informatie

Bijlage 1 Toelichting kwantitatieve analyse ACM van de loterijmarkt

Bijlage 1 Toelichting kwantitatieve analyse ACM van de loterijmarkt Bijlage 1 Toelichting kwantitatieve analyse ACM van de loterijmarkt 1 Aanpak analyse van de loterijmarkt 1. In het kader van de voorgenomen fusie tussen SENS (o.a. Staatsloterij en Miljoenenspel) en SNS

Nadere informatie

De eigen vermogens voor de fusie zullen opgeteld worden in het eigen vermogen na de fusie.

De eigen vermogens voor de fusie zullen opgeteld worden in het eigen vermogen na de fusie. Fusies en absorpties SigmaConso llen White Principieel kan een fusie van twee vennootschappen van dezelfde consolidatiekring geen impact hebben op de geconsolideerde rekeningen. Economisch gezien, wat

Nadere informatie

Nog meer Limburgse bedrijven willen investeren 2 op 3 bedrijven heeft dit jaar concrete investeringsplannen

Nog meer Limburgse bedrijven willen investeren 2 op 3 bedrijven heeft dit jaar concrete investeringsplannen PERSBERICHT Hasselt, 13 april 2016 Tweede investeringsrapport UNIZO Limburg en VKW Limburg: Nog meer Limburgse bedrijven willen investeren 2 op 3 bedrijven heeft dit jaar concrete investeringsplannen Meeste

Nadere informatie

FOCUS "Senioren en het OCMW"

FOCUS Senioren en het OCMW FOCUS "Senioren en het OCMW" Nummer 11 Mei 2015 1. Inleiding In België leeft 15,1% van de bevolking onder de armoededrempel. Dit percentage ligt nog hoger binnen de leeftijdsgroep ouder dan 65 jaar. 18,4

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Uittocht uit de industrie onstuitbaar? Prof. Dr. J. Konings VIVES - KULeuven

Uittocht uit de industrie onstuitbaar? Prof. Dr. J. Konings VIVES - KULeuven Uittocht uit de industrie onstuitbaar? Prof. Dr. J. Konings VIVES - KULeuven Overzicht Stylized Facts Theoretisch kader Sterke en zwakke sectoren in Vlaanderen? De supersterren van de Vlaamse economie

Nadere informatie

De conjunctuurgevoeligheid van de registratierechten in Vlaanderen: een econometrische analyse

De conjunctuurgevoeligheid van de registratierechten in Vlaanderen: een econometrische analyse De conjunctuurgevoeligheid van de registratierechten in Vlaanderen Steunpunt Beleidsrelevant onderzoek Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen De conjunctuurgevoeligheid van de registratierechten in Vlaanderen:

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 22 december 2015

PERSBERICHT Brussel, 22 december 2015 PERSBERICHT Brussel, 22 december 2015 Positieve arbeidsmarktevoluties in het derde kwartaal van 2015 De werkgelegenheidsgraad bij de 20- tot 64-jarigen bedroeg in het derde kwartaal van 2015 67,4% en steeg

Nadere informatie

Activering en opleiding van werklozen: actualisering van de resultaten (2 de semester 2013)

Activering en opleiding van werklozen: actualisering van de resultaten (2 de semester 2013) Directie statistieken, begroting en studies Activering en opleiding van werklozen: actualisering van de resultaten (2 de semester 2013) Inleiding In juli 2013 werd de studie Activering en opleiding van

Nadere informatie

LESBRIEF VERVOER. havo 4 blok 3

LESBRIEF VERVOER. havo 4 blok 3 LESBRIEF VERVOER havo 4 blok 3 Inhoud Met de taxi of met de fiets (kosten, opbrengsten, winst, mo, mk) Verzekeren tegen risico (verzekeren) De lucht in (vraag, aanbod, surplus) Het beroepsgoederenvervoer

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau

4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau 4. Het doel van deze studie is de verschillen in gezondheidsverwachting naar een socio-economisch gradiënt, met name naar het hoogst bereikte diploma, te beschrijven. Specifieke gegevens in enkel mortaliteit

Nadere informatie

Samenvatting. (Summary in Dutch)

Samenvatting. (Summary in Dutch) (Summary in Dutch) Inflatie is de stijging van het algemeen prijspeil. De jaren 70 en 80 van de vorige eeuw waren periodes van relatief hoge inflatiecijfers in West-Europa, terwijl lage inflatie en deflatie

Nadere informatie

Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013)

Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) 1 Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) 1. Arbeidsmarktstatus van de bevolking van 15 jaar en ouder in 1983 en 2013 De Belgische bevolking van

Nadere informatie

QUICKSCAN METING 4, 2013

QUICKSCAN METING 4, 2013 Naast de Werkgelegenheidsbarometer die elk kwartaal een beeld schetst van relevante arbeidsmarktontwikkelingen in de Metalektro, wordt tevens elk kwartaal een drietal stellingen voorgelegd aan metalektrobedrijven

Nadere informatie

Economische impact Bèta College & Delta Academy

Economische impact Bèta College & Delta Academy Economische impact Bèta College & Delta Academy Onderzoek naar de jaarlijkse economische impact van de komst van het Bèta College en de uitbreiding van de Delta Academy op de Zeeuwse economie drs. Sven

Nadere informatie

Arbeidsmarktbarometer Onderwijs

Arbeidsmarktbarometer Onderwijs R A P P O RT Arbeidsmarktbarometer Onderwijs Basisonderwijs en secundair onderwijs december 2009 Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) Koning Albert II-laan

Nadere informatie

5. Statistische analyses

5. Statistische analyses 34,6% 33,6% 31,5% 28,5% 25,3% 25,2% 24,5% 23,9% 23,5% 22,3% 21,0% 20,0% 19,6% 19,0% 18,5% 17,7% 17,3% 15,0% 15,0% 14,4% 14,3% 13,6% 13,2% 13,1% 12,3% 11,9% 41,9% 5. Statistische analyses 5.1 Inleiding

Nadere informatie

FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN 11/12/2007

FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN 11/12/2007 FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN 11/12/2007 Statistisch verslag van de arbeidsongevallen in 2006 1 Inleiding De arbeidsongevallenaangifte vormt de basis voor de verzameling van de gegevens met betrekking tot

Nadere informatie

Wat is de levenskwaliteit bij mensen die een EOT-traject volgen? Hoe evolueert deze levenskwaliteit in de eerste 30 maanden?

Wat is de levenskwaliteit bij mensen die een EOT-traject volgen? Hoe evolueert deze levenskwaliteit in de eerste 30 maanden? Wat is de levenskwaliteit bij mensen die een EOT-traject volgen? Hoe evolueert deze levenskwaliteit in de eerste 30 maanden? Auteur: Ruben Brondeel i.s.m. Prof. A. Buysse Onderzoeksvraag Met als doel de

Nadere informatie

Kritische bedenkingen over de vooruitzichten van de budgettaire kosten van de vergrijzing Gert Peersman Frederick Van Gysegem

Kritische bedenkingen over de vooruitzichten van de budgettaire kosten van de vergrijzing Gert Peersman Frederick Van Gysegem Kritische bedenkingen over de vooruitzichten van de budgettaire kosten van de vergrijzing Gert Peersman Frederick Van Gysegem Universiteit Gent Analyse Bedenkingen over de vooruitzichten van de budgettaire

Nadere informatie

Tabel 69: Verdeling van het gavpppd volgens geslacht en hoofdvervoerswijze. meerdere verplaatsingen heeft gemaakt.

Tabel 69: Verdeling van het gavpppd volgens geslacht en hoofdvervoerswijze. meerdere verplaatsingen heeft gemaakt. 2.2 Gavpppd en socio-economische kenmerken Iedereen die mobiliteit en verplaatsingsgedrag bestudeert, heeft wellicht al wel eens van een studie gehoord waarin socio-economische kenmerken gebruikt worden

Nadere informatie

67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk

67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 28 oktober 67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk Tegen 2020 moet 75% van de Europeanen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk zijn.

Nadere informatie

KU LEUVEN ONDERZOEKSEENHEID CENTRUM VOOR ECONOMISCHE STUDIËN LEUVENSE ECONOMISCHE STANDPUNTEN 2013/138

KU LEUVEN ONDERZOEKSEENHEID CENTRUM VOOR ECONOMISCHE STUDIËN LEUVENSE ECONOMISCHE STANDPUNTEN 2013/138 KU LEUVEN ONDERZOEKSEENHEID CENTRUM VOOR ECONOMISCHE STUDIËN LEUVENSE ECONOMISCHE STANDPUNTEN 2013/138 ZIN EN ONZIN VAN EEN VERLAGING VAN DE PATRONALE LASTEN Paul De Grauwe Departement Economie, KU Leuven

Nadere informatie

1 Toegevoegde waarde in het BAU-scenario 2

1 Toegevoegde waarde in het BAU-scenario 2 ANNEX 4 MACRO-ECONOMISCHE ONDERBOUWING VAN HET BAU-SCENARIO Auteur: J. Duerinck INHOUD 1 Toegevoegde waarde in het BAU-scenario 2 1.1 Analyse trendmatige evoluties toegevoegde waarde 2 1.2 Methode voor

Nadere informatie

Samenvatting Flanders DC studie Internationalisatie van KMO s

Samenvatting Flanders DC studie Internationalisatie van KMO s Samenvatting Flanders DC studie Internationalisatie van KMO s In een globaliserende economie moeten regio s en ondernemingen internationaal concurreren. Internationalisatie draagt bij tot de economische

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Schriftelijk tentamen - UITWERKINGEN

Schriftelijk tentamen - UITWERKINGEN Business Administration / Bedrijfskunde Schriftelijk tentamen - UITWERKINGEN Algemeen Vak : Statistische Methoden Groep : niet van toepassing en Technieken Vakcode : BKB0019t Soort tentamen : gesloten

Nadere informatie

Samenvatting. Zorgt het openstellen van de detailhandelssector voor buitenlandse concurrentie in een verbetering van de productiviteit?

Samenvatting. Zorgt het openstellen van de detailhandelssector voor buitenlandse concurrentie in een verbetering van de productiviteit? Samenvatting Dit proefschrift bestudeert de relatie tussen beleidshervormingen en productiviteitsgroei. Het beargumenteert dat het onderkennen van de diversiteit van bedrijven aan de basis ligt voor het

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog Publicatiedatum CBS-website Centraal Bureau voor de Statistiek 9 december 25 Beleggingen institutionele beleggers in 24 met 8,1 procent omhoog drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen,

Nadere informatie