REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN"

Transcriptie

1 32 REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN JAARGANG 11 NUMMER 1/2 BRONFORELLEN + FLEVOSNAKES + DIKKOPSCHILDPAD + LACERTA + LENDERSPRIJS HENK STRIJBOSCH + CHYTRID

2 RAVON is het tijdschrift van de Stichting RAVON (Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Neder land). Donateurs van RAVON krijgen het blad gratis toegezonden. Redactie-adres: Stichting RAVON, Postbus 1413, 6501 BK Nijmegen. Redactie: Jeroen van Delft, Ingo Janssen, Pedro Janssen, Kris Joosten, Frank Spikmans, Michaël Steeghs, Annemarieke Spitzen. Vormgeving + opmaak: HPC drukkerij bv Druk: Drukkerij HPC b.v., Arnhem Aanmelden als donateur van ravon kan: - via onze website: - per via: - schriftelijk: Stichting ravon Donateursadministratie Postbus 1413, 6501 BK Nijmegen IBAN nr.: NL37 PSTB BIC-Code: PSTB NL21 REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN ONDERZOEK NEDERLAND Kopij-wenken Inlevering van kopij dient op CD-rom of te geschieden (Word). Inhoud: RAVON is bedoeld voor publicatie van artikelen en voor rubrieken-nieuws over in Nederland voorkomende vissen, amfibieën en reptielen. In het buitenland verricht onderzoek kan gepubliceerd worden indien dit relevant geacht wordt voor de in Nederland voorkomende soorten. Introductie: Een artikel dient voorzien te worden van een leader van maximaal 120 woorden. Verdere structurering van artikelen door middel van paragraaftitels. Figuren: Tekeningen, grafieken en kaartjes los bijvoegen. Op A4 formaat aanleveren in direct reproduceerbare vorm, bij voorkeur in zwarte inkt en zonder grijstinten. Bij teksten en schaalaanduidingen dient men rekening te houden met verkleining. Aanlevering in Excel is ook mogelijk. Dia s en foto s: Voorkeur voor digitale foto s met een hoge resolutie. In overleg met de redactie kunnen ook algemene dia s gebruikt worden van soorten en/of biotopen. Literatuurverwijzingen: in de tekst alleen auteur en jaartal noemen. Bij twee auteurs beiden vermelden, gescheiden door &, bij meer dan twee auteurs alleen de eerste gevolgd door et al., in cursief. Literatuurlijst: Vermelding van de geciteerde literatuur. Auteur, jaartal en titel, gevolgd door uitgevende instantie. Summary: Een artikel dient voorzien te worden van een Engelse samenvatting van maximaal 250 woorden. In verband met de overzichtelijkheid wordt de voorkeur gegeven aan korte artikelen platte tekst; 2500 woorden en mededelingen van niet meer dan een half A4. De redactie kan, indien nodig, de ingezonden artikelen en stukken inkorten en kleine, niet inhoudelijke wijzigingen aanbrengen. Inkorting of inhoudelijke wijziging geschiedt altijd in overleg met auteurs. september 2009 RAVON 32 JAARGANG 11 NUMMER 1/2 Dit nummer is een dubbelnummer. Bronforellen op de Veluwe 1 Menno Soes, Franklin Moquette en Gerlof Hoefsloot De ringslang en de Flevolandse kanalen 3 Jeroen Reinhold en Gré ter Woord Belangrijk onderzoek naar twee ziektes bij amfibieën 6 Annemarieke Spitzen van der Sluijs Dikkopschildpad: een bijzondere dwaalgast in Nederland 8 Edo Goverse, Maartje Hilterman, Max Janse, Arthur Oosterbaan & Henk Zwartepoorte De geschiedenis van Lacerta, de Nederlandse Vereniging voor Herpetologie en Terrariumkunde en haar rol bij de bescherming van inheemse herpetofauna 13 Jur ter Borg en Sergé Bogaerts Karigheid en plasticiteit: een sterke combinatie Interview met Henk Strijbosch 20 Annemarie van Diepenbeek kortom 26 ravon bibliotheek Nieuwe nieuwsbrief Schubben & Slijm Steun ravon met een éénmalige gift of opname in uw testament ravon nieuws 27 Nationale Plonzenweekeinde 2009: Alle 16 Nederlandse amfibiesoorten geteld! RAVON DAG 2009 RAVON DAG 2009 kinderprogramma Bereiken uw waarnemingen(.nl) ons wel? RAVON vissenweekend 2009 boeken 29 Laubfrösche uit het veld 30 Loopt er bij u ook een streepje door? Groepsaccomodatie Hazelworm in Groningen Voor de omslag is gebruik gemaakt van illustraties van Paul Veenvliet: dikkopschildpad, gebaseerd op foto s van Kathy Boast Tschudy, Bas Teunis: dwergmeerval Auteursrechten op afbeeldingen berusten bij de makers.

3 32 11(1/2) Bronforellen op de Veluwe Menno Soes, Franklin Moquette en Gerlof Hoefsloot Een bronforel gevangen in de Geelmolense Beek Foto: Floris Brekelmans Op 4 november 2008 is in opdracht van het Waterschap Veluwe een visstandbemonstering uitgevoerd in de Geelmolense Beek. Hierbij zijn onder andere enkele bronforellen (Salvelinus fontinalis) aangetroffen (Soes & Hoefsloot, 2009). Het is niet de eerste keer dat ze in deze beek zijn aangetroffen. Hierover is echter nog niet eerder gepubliceerd. Invoering in Europa De bronforel is een Noord-Amerikaanse forellensoort van de koudere, snelstromende wateren. Hoge temperaturen in combinatie met lage zuurstofspanningen worden in vergelijking met de regenboogforel slechter verdragen. In Europa is de bronforel veel uitgezet ten behoeve van de hengelsport en ontsnapt uit commerciële kwekerijen. Deze soort is in Europa succesvoller dan de regenboogforel in het vestigen van zichzelf instandhoudende populaties. Over Europa verspreid zijn er vrij veel zichzelf instandhoudende populaties aanwezig, vooral in Scandinavië en Oostenrijk (P. Veenvliet, pers. med.). Voortplanting De eieren worden afgezet aan het eind van de herfst begin van de winter, wanneer de watertemperatuur minimaal beneden de 10 graden is. De eieren worden in een door het vrouwtje gemaakte kuil gelegd en komen in het voorjaar uit. De bronforel plant zich niet alleen op grindbodem voort, maar maakt haar nesten ook in grof zand, zolang daar maar redelijk zuurstofrijk bronwater doorheen stroomt. De voortplanting loopt synchroon met die van de forel (Salmo trutta). Deze laatste soort is echter agressiever dan de bronforel en domineert deze bij hogere dichtheden. Het voorkomen van de bronforel is dan ook gelimiteerd door de aanwezigheid van de forel (Kottelat & Freyhof, 2007). Kweken en uitzetten Tegenwoordig wordt de bronforel niet meer in het open water van Nederland uitgezet. De soort wordt dan ook nog maar zelden in het buitenwater aangetroffen. De enkele meldingen uit met name Limburg vinden hun oorsprong in uitzettingen in de Geul, waar gebruik is gemaakt van Belgische pootvis (De Nie, 1996). De bronforel wordt wel uitgezet in forellenvijvers, waar ze aan populariteit lijkt te winnen. Ontsnappingen in de buurt van dit soort vijvers kunnen dan ook nog steeds worden verwacht. De enige Nederlandse populatie van de bronforel is

4 (1/2) 2009 Figuur 1 Overzichtskaart Geelmolense Beek bekend van de Geelmolense Beek op de Veluwe. De eerste exemplaren zijn hier aan het einde van de 19e eeuw terecht gekomen met pogingen van de Heidemaatschappij om deze soort in Nederland te kweken en uit te zetten (Mulier, 1900). Dit gebeurde onder andere in de viskwekerij t Hol aan de Geelmolense Beek te Vaassen. Ook in de jaren zeventig was deze soort hier nog aanwezig. De waargenomen dieren hadden een lengte van maximaal centimeter, maar waren veelal kleiner (F. Moquette, eigen waarneming). Aangezien in de tussentijd de bronforel niet meer in Nederland is uitgezet is het vrijwel zeker dat de bronforel zich tot in de jaren zeventig in deze beek in stand heeft weten te houden. Anno nu De aanwezigheid van bronforellen in de Geelmolense Beek in 2008 laat zich minder eenvoudig koppelen aan de uitzettingen van de Heidemaatschappij. De aanwezigheid is wellicht terug te voeren op regelmatige ontsnapping vanuit de aan de beek gekoppelde viskwekerij t Hol. Of er dan ook nog steeds sprake is van een zichzelf in stand houdende populatie is onzeker. De beek zelf heeft zeker de potentie een kleine populatie te kunnen huisvesten: zowel de lage temperatuur van het water als de substraten voldoen aan de eisen van de bronforel. Opvallend is verder dat de vier gevangen exemplaren behoorlijk verschillen in lengte: 5, 10, 12, 25 centimeter. Er zijn dan ook minimaal twee leeftijdsklassen aanwezig. In de loop der jaren zal blijken of hier (weer) een zichzelf instandhoudende populatie van bronforellen aanwezig is. De potentie is er zeker. De vraag is natuurlijk of het wenselijk is omdat deze beek ook een populatie beekprik huisvest en de bronforel deze zeker in zijn voedselpakket opneemt. Literatuur Kottelat, M. & J. Freyhof, Handbook of European freshwater fishes. Kottelat, Cornol, Switserland and Freyhof, Berlin, Germany. Mulier, W., Vischkwekerij en instandhouding van den vischstand. De Erven Loosjes, Haarlem. Nie, H.W. de, Atlas van de Nederlandse zoetwatervissen. Stichting Atlas Verspreiding Nederlandse Zoetwatervissen, Wageningen. Soes, D.M., & G. Hoefsloot, Visstandbemonsteringen Hulshorsterbeek, Geelmolense Beek en Verloren Beek Waterschap Veluwe. Bureau Waardenburgrapport , Culemborg. Summary In 2008, members of the Waterschap Veluwe caught some brook trout (Salvelinus fontinalis) in the Geelmolense Beek. The brook trout was introduced to this very water in 1895, and they were still present in the seventies. As no other introductions have taken place between these dates it can be assumed that the brook trout has established itself in this stream. The current status of the brook trout in this stream is unknown, as escapes from a fish farm might be involved. Dankwoord Met dank aan Paul Veenvliet voor het bevestigen van de determinatie van de bronforellen. Menno Soes & Gerlof Hoefsloot Bureau Waardenburg Postbus AJ Culemborg Franklin Moquette Sportvisserij Nederland Postbus AD Bilthoven

5 32 11(1/2) De ringslang en de Flevolandse kanalen Jeroen Reinhold en Gré ter Woord Ruim 10 jaar geleden is gestart met het stimuleren van het voorkomen van de ringslang (Natrix natrix) in Flevoland. Kort samengevat het verstevigen van de bestaande populaties en daarbij zouden de kanalen van Flevoland als ecologische verbindingsbaan dienst gaan doen. De Flevolandse kanalen kunnen namelijk diverse kerngebieden van de ringslang, die grenzen aan Flevoland, verbinden. Veel is gerealiseerd, maar toch is dit project slechts gedeeltelijk geslaagd. Van idee naar uitvoering Gerard Smit en Annie Zuiderwijk zien kansen om via de Flevolandse kanalen de kerngebieden van de ringslang in Noord-Holland, Gelderland, de Kop van Overijssel en aangrenzend Friesland met elkaar te verbinden. (Smit & Zuiderwijk, 1991). De oevers van de aanwezige kanalen hebben in hun plan een heel belangrijke rol, net als het verstevigen van de bestaande populaties via de aanleg van broeihopen. Dit idee is in 1997 opgepakt door Landschapsbeheer Flevoland. Er zijn vele broeihopen aangelegd in belangrijke leefgebieden zoals het Kuinderbos en het Oostvaardersveld. Jaarlijks worden deze broeihopen voorzien van vers gebiedseigen materiaal als gras en dikke takken, zodat de ringslangen er jaarlijks opnieuw gebruik van kunnen maken. Daarnaast hebben Waterschap Zuiderzeeland en Provincie Flevoland tal van oevers natuurvriendelijker ingericht, zodat onder andere de ringslang zich gemakkelijker kan verplaatsen. Ontwikkeling van de ringslang in Kuinderbos en Oostvaarderveld Gelijktijdig met het aanleggen van broeihopen in het Kuinderbos en het Oostvaardersveld, is gestart met het monitoren van de ringslangen in deze gebieden. Conform de landelijke methodiek (Smit & Zuiderwijk, 2003) wordt minimaal zeven maal per jaar een route gelopen om het aantal slangen op deze routes te tellen. Figuur 1 geeft het gemiddelde aantal ringslangen weer dat jaarlijks op de telroutes is gevonden. Duidelijk is dat het aantal waargenomen ringslangen in beide gebieden stijgt. Ieder jaar keren vrijwilligers alle broeihopen in de beide leefgebieden en tellen ze lege eierdoppen van de ringslang. Ook dit is gebruikt als maat voor het succes van de ringslang. In figuur 2 is het aantal gevonden eierdoppen in alle broeihopen van beide leefgebieden weergegeven. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aantal lege eieren dat jaarlijks gevonden is, gemiddeld stijgt sinds de aanleg van de broeihopen in Omvorming van de Flevolandse kanalen Het waterschap Zuiderzeeland en de Provincie Flevoland zijn belangrijke oeverbeheerders in Flevoland. Zij bepalen in grote mate de inrichting en het beheer van de grotere waterwegen in Flevoland. Beide streven ernaar om de oevers meer natuurvriendelijk in te richten. Vooral langs de kanalen van Flevoland heeft dit beleid de laatste 10 jaar zichtbaar resultaat. Achter de oude damwanden zijn plasdrasoevers aangelegd door het naar beneden drukken van de damwanden, of de damwanden verdwijnen helemaal en worden vervangen door glooiende oevers met rietkragen. Ontwikkelingen van de ringslang langs de kanalen De geconstateerde toename van ringslangen in de twee belangrijke leefgebieden en de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers langs de kanalen, zijn gunstige voorwaarden voor de ringslang om zich in Flevoland uit te breiden. Figuur 3 toont de verspreiding van de ringslang in Flevoland in de periode Buiten de kerngebieden Kuinderbos en Oostvaardersveld zijn veel eenmalige waarnemingen gedaan langs de kanalen van Flevoland. De dieren zien buiten de kerngebieden (nog) geen kans om zich blijvend te vestigen en te reproduceren. Gebieden als Casteleijnsplas, Voorsterbos, Kamperhoek, Zuigerplasbos, Roggebotzand, Harderbroek, Burchtkamp, Ooie- Ringslang Foto: Jeroen Reinhold

6 (1/2) 2009 Foto s: Jeroen Reinhold Figuur Figuur 2 Figuur Figuur 2 Figuur Figuur 1 Gemiddeld aantal ringslangen dat jaarlijks op de monitoringroutes is gevonden in het Kuinderbos en het Oostvaardersveld ( ). Figuur 2 Aantal gevonden lege eierdoppen van de ringslang in alle broeihopen van het Kuinderbos en Oostvaardersveld per jaar ( ). Kuinderbos Oostvaardersveld totaal Kuinderbos Kuinderbos totaal totaal OVV Kuinderbos totaal OVV totaal OVV vaarsplas, Cirkelbos en Kromslootpark zijn gevarieerde waterrijke gebieden in Flevoland waar de ringslang zich potentieel kan vestigen. Flevoland heeft dus voldoende nieuw leefgebied (Smit & Zuiderwijk, 1991; Reinhold, 2000) maar vestiging vindt nog niet plaats. Waarom zijn er geen nieuwe leefgebieden gekoloniseerd? Ondanks de verbeteringen aan de oever en een toename van het aantal ringslangen in de kerngebieden is geen kolonisatie van nieuwe gebieden geconstateerd. Gezien de losse waarnemingen gaat er af en toe een ringslang op pad, en gebruikt dan inderdaad de kanalen als corridor om zich langs te verplaatsen. Vinden deze dieren onderweg geen partner om mee te paren, geen plek om de eieren af te zetten en geen geschikte overwinteringsplaatsen? Is er onvoldoende voedsel voor de ringslang in de kanalen? Is het nieuwe leefgebied nog niet geschikt? Zijn de huidige leefgebieden nog niet verzadigd? Er zijn nog veel vragen. Veel oevers van Flevolandse kanalen zijn de afgelopen 10 jaar natuurvriendelijker gemaakt. In de Hoge Dwarsvaart zijn de damwanden onder de waterlijn gedrukt, en is een glooiende ondiepe oever gemaakt: gunstig voor vissen, amfibieën en de ringslang. Feit is dat langs de kanalen nauwelijks hopen organisch materiaal liggen die als broeihoop dienst kunnen doen. Er wordt veel riet gemaaid, maar al het maaisel wordt of verwijderd uit de oever of blijft als geklepeld of gemaaid materiaal over de hele oever liggen: het wordt niet op een hoop gezet. Het creëren van broeihopen langs de kanalen is eenvoudig te realiseren en zou de ringslang zeker kunnen helpen. De voedselomstandigheden voor de ringslang langs de kanalen zijn wel verbeterd. Vervanging van steile damwanden in plas-drasoevers of glooiende oevers biedt amfibieën kansen om zich voort te planten. Vooral groene kikker en gewone pad profiteren van het ontstaan van dit type oever, zoals blijkt in een studie langs meerdere Nederlandse kanalen (Soesbergen & Van Rooijen, 2006). In vergelijking met geïsoleerde poelen blijven de dichtheden aan amfibieën in de natuurvriendelijke oevers van kanalen echter laag, onder andere als gevolg van vispredatie. Goede reproductie van amfibieën verbetert vooral voor de jonge ringslangen de overlevingskansen (Völkl et al., 2004) en daarmee de kansen voor de start van een nieuwe (deel)populatie. Een combinatie van natuurvriendelijke oevers en geïsoleerde poelen langs het kanaal zou voor de ringslang dus gunstig zijn. Het beheer van de oevers en poelen dient dan wel afgestemd te worden op de eisen die de amfibieën stellen: minimaal eenmaal per jaar zou het grootste deel van het riet en de wilgen rond de poelen gemaaid moeten worden zodat het water in het voorjaar kan opwarmen. Het deel dat niet gemaaid wordt dient als dekking en beschutting voor de ringslang en andere organismen. Het vrijkomende maaisel zou dan meteen op een broeihoop gezet kunnen worden. Een (ingeklonken) hoop met daarin takken verwerkt, van tussen de 6 en 9 m 3 op een vaste plek is hiervoor ruim voldoende. Jaarlijkse verversing van de hoop zorgt voor de beste benutting van de broeihoop door ringslangen. Ook aan de overwinteringsvoorwaarden langs de kanalen is na de herinrichting weinig veranderd. Vorstvrije, relatief droge ruimten zijn er nauwelijks te vinden langs de kanalen van Flevoland. Het achterland bestaat vooral uit kale akkers. Om de kansen voor de ringslang te vergroten die-

7 32 11(1/2) Figuur 3 Verspreiding van de ringslang in Flevoland en omliggende gebieden ( ) nen bosstructuren langs de kanalen behouden te blijven en ontwikkeld te worden. Er ontstaan dan vanzelf natuurlijke holten onder de grond waarin de dieren goed kunnen overwinteren. Ook de (oude) zand- en steendepots langs de kanalen bieden veel kansen voor de overwinterende slangen. Het behoud en verdere ontwikkeling van deze locaties levert vele relatief droge, ondergrondse ruimten op. Als deze gebieden ook ingericht worden als zomerverblijf voor de ringslang bieden deze gebieden goede kansen voor een jaarrond vestiging van de ringslang. De tuinen en erven van agrariërs en andere bewoners langs de watergangen in het agrarisch gebied van Flevoland kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren aan de verdere verspreiding van de ringslang door het aanbieden van overwinterings- en voortplantingsplaatsen. Voorlichting richting deze eigenaren kan het snel uitvoeren van de weinig kostbare maatregelen stimuleren. Geconcludeerd kan worden dat er de laatste 10 jaar veel is verbeterd voor de ringslang in Flevoland, maar dat deze verbeteringen nog niet geleid hebben tot kolonisatie van nieuwe leefgebieden. Door bij de aanleg van nieuwe oevers nog iets meer rekening te houden met de wensen van de ringslang kan de kolonisatie versnellen. Literatuur Reinhold, J., Nieuw land voor de ringslang II. De Levende Natuur 101 (3): Smit, G.F.J. & A. Zuiderwijk, Nieuw land voor de ringslang. De Levende Natuur 92 (6): Smit, G.F.J. & A. Zuiderwijk, Handleiding voor monitoring van reptielen in Nederland. ravon werkgroep monitoring, Amsterdam. Soesbergen, M. & A. van Rooijen, Amfibieën en vissen in plasbermen langs kanalen. ravon 23 jrg. 8(2): Völkl, W., I. Janssen, D. Käsewieter & N. Baumann Gibt es bei der Ringelnatter (Natrix natrix) eine Beziehung zwischen der populationsstruktur und der Amphibiendichte? Zeitschrift für Feldherpetologie 11: Summary Eleven years after the start of a project to improve the living conditions for the grass snake (Natrix natrix) in the province of Flevoland a lot has been established. Many new egg-laying mounds have been built and kilometres of steep canal banks in the province have been transformed into roling, nature-friendly banks. According to counts of basking reptiles and egg scales at the egg-laying sites, the number of snakes in the two known breeding areas has increased. However, colonisation of new breeding sites did not take place. Occasionally, a grass snake was found along one of the main canals of Flevoland, outside the known breeding areas. The improved bank constructions offer additional habitat for the grass snake but are not yet sufficient to enable large-scale dispersion of the population. Small changes near the canal banks, such as the construction of new egg-laying and hibernation mounds, and the creation of amphibian friendly ponds that provide better foraging grounds for the grass snake, will improve the living conditions and thus increase the chance of dispersion of grass snakes in Flevoland. Dankwoord Dit artikel had nooit gerealiseerd kunnen worden zonder het enthousiasme van de mensen die jaar in, jaar uit de broeihopen hebben beheerd. Daarnaast is dank verschuldigd aan de Provincie Flevoland en rws Waterdienst voor de financiering van het ringslangproject. Michelle de la Haye, Ed Colijn en Ingo Janssen worden bedankt voor het kritisch meedenken over dit artikel. Landschapsbeheer Flevoland Jeroen Reinhold Botter JP Lelystad Gré ter Woord Oosterringweg 46 A 8314 PV Bant Deze hoop stenen langs de oever vormt een goede overwinteringsplaats voor de ringslang (foto genomen bij Marken) Foto: Gré ter Woord

8 (1/2) 2009 Belangrijk onderzoek naar twee ziektes bij amfibieën Annemarieke Spitzen van der Sluijs Ziektes Net als andere dieren, hebben ook amfibieën te leiden onder infecties. Meestal is hier niets aan de hand, maar wanneer dieren massaal sterven, kan dit gevolgen hebben voor het (op lange termijn) voortbestaan van een populatie. Hieronder worden twee ziektes behandeld die, bij uitbraak, grote gevolgen kunnen hebben voor een populatie. Foto: Arnold van Rijsewijk Onderzoek naar brulkikkers, dragers van chytrid. Wereldwijd wordt eenderde van alle amfibieën bedreigd met uitsterven. De grootste bedreiging is het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van geschikt leefgebied, maar ook de rol van infectieziekten wordt steeds groter. De soorten die getroffen worden door een ziekte, kunnen plotselinge en dramatische dalingen in populatieomvang laten zien. Door een verslechterde kwaliteit van het leefgebied van amfibieën kunnen zij ook vatbaarder zijn voor ziektes. Ranavirus Het ranavirus wordt ook wel het red-leg virus genoemd, maar dit is een misleidende naam. Veel getroffen dieren vertonen geen roodkleuring van de huid bij een infectie. De meest algemene indicatie dat dieren zijn gestorven door het ranavirus is als je in een korte tijd veel dode dieren vindt en de dieren dun en lethargisch zijn voordat ze overlijden. De dieren kunnen echter ziek zijn, maar geen uiterlijke symptomen hebben. Symptomen zijn verder: het afsterven van ledematen, bloeden uit anus of mond, zweren en roodheid van de huid. De ziekte slaat het meest toe in de zomer, met name op hete dagen in de periode juni tot en met augustus. Tot op heden is er geen geneesmiddel voor deze ziekte. Het enige dat we kunnen doen is de ontwikkeling volgen van de populatie en over het algemeen herstelt de populatie zich weer. Waarschijnlijk is het virus geïmporteerd met exotische amfibieën en zoetwatervissen. Chytridiomycose Chytridiomycose, of chytrid, is een ziekte die wordt veroorzaakt door de schimmel Batrachochytrium dendrobatidis. Het is waarschijnlijk een zeer belangrijke factor voor het uitsterven, of decimeren van populaties amfibieën wereldwijd. Tot op heden is de ziekte nog niet in Nederland bij inheemse amfibieën aangetroffen. Momenteel voert ravon in samenwerking met de Universiteit van Gent, Vakgroep Pathologie, Bacteriologie en Pluimveeziekten, Faculteit Diergeneeskunde, onderzoek uit naar het voorkomen van deze ziekte bij amfibieën in Nederland en België. Sterfte Amfibieën produceren enorme aantallen nakomelingen, waarvan slechts enkele dieren volwassen worden. Tijdens alle levensstadia kunnen de dieren getroffen worden door verschillende doodsoorzaken die horen bij de normale gang van zaken. Op de website van ravon (www.ravon.nl) staat een overzicht van de verschillende fenomenen die aangetroffen kunnen worden. Het is mogelijk om dode volwassen dieren aan te treffen die gestorven zijn aan chytrid, maar het zijn vooral de jonge, net gemetamorfoseerde dieren die sterven. De schimmel hecht zich aan het hoornstof in de huid. Hoornstof bevindt zich bij de kikkervisjes alleen op de monddelen. Als de dieren metamorfoseren, neemt de hoeveelheid hoornstof (en dus de schimmel) toe en kunnen de dieren overlijden.

9 32 11(1/2) Symptomen kunnen zijn: grote aantallen dode juveniele dieren (padden, kikkers en salamanders), overmatig vervellen en een lethargische houding. Bij dode dieren kunnen duidelijke symptomen ook ontbreken. Vooral de massale sterfte tijdens de metamorfose is een belangrijk kenmerk. Momenteel is nog veel onbekend over de gevolgen van chytrid voor onze inheemse soorten. Wat doet ravon ravon en de Universiteit van Gent in samenwerking met de Radboud Universiteit onderzoeken nu en in de komende jaren of de schimmelziekte in Nederland voorkomt en wat hiervan de gevolgen voor onze inheemse soorten zijn. Tevens onderzoeken we welke andere ziektes onze soorten treffen en werken we samen met 25 Europese onderzoeksinstituten om hier een gezamenlijke oplossing voor te vinden. Wat kunt u doen? Wij vragen u om de ogen goed open te houden en alert te zijn op met name de massale sterftes van volwassen dieren (ranavirus) en de juveniele dieren (chytrid) en deze te melden bij ravon (zie hieronder). Verplaatst u in geen geval nog gezond ogende dieren naar een alternatieve locatie. Op deze manier kunt u onbewust besmettingen verspreiden. Tevens vragen wij u om niet te slepen met dieren, dus bijvoorbeeld geen dieren van elders mee te nemen voor in de vijver thuis. Tenslotte vragen wij u om meldingen van de Amerikaanse brulkikker (Rana catesbeiana) door te geven. Deze exoot is vector van de schimmelziekte chytridiomycose. Het doorgeven van deze soort kan ook via de website van ravon. Meldingen van dode dieren, of van Amerikaanse brulkikkers kunt u tevens doorgeven aan Annemarieke Spitzen; Meldingen van massale sterfte Mocht u dode dieren aantreffen, kijkt u dan op de ravonwebsite om te zien of u de oorzaak kunt achterhalen. Stuurt u alleen meldingen door als u echt het vermoeden heeft dat deze door chytridiomycose of door ranavirus zijn veroorzaakt. Op de website staat een uitgebreid overzicht van de mogelijke oorzaken van het overlijden van amfibieën. Tevens staat hier een invoerscherm waarop u kunt melden dat u (massale) sterfte heeft aangetroffen en wat u denkt dat hiervan de oorzaak is. Op de website vindt u ook een checklist. Aan de hand van deze lijst kunt u controleren of het waarschijnlijk is dat de dieren die u heeft aangetroffen ook door ranavirus of chytridiomycose zijn getroffen. Gaat u eerst deze checklist na, alvorens u het formulier op de website invoert en opstuurt. Maak een foto van het dier en bewaar het dier, voorzien van een label, in de vriezer. Op het label dient te staan: datum van aantreffen, soort, geslacht, omschrijving locatie, coördinaten van de locatie en een omschrijving van de door u aangetroffen situatie. Summary Globally, one third of all amphibians are threatened with extinction. The largest threat is the reduction of size and quality of their habitat, but the role of infectious diseases has become increasingly important. As amphibians produce many offspring, they are capable of dealing with unfavourable conditions. Nonetheless, two infectious diseases, ranavirus and chytridiomycosis, pose serious threats for the survival of (local) populations. Currently ravon is studying the presence of chytridiomycosis in amphibians in the Netherlands and we ask for your help in this. This can be done by reporting sightings of mass mortalities and by donating a financial contribution to support this study. More information can be found on the ravon-website. Annemarieke Spitzen van der Sluijs (RAVON) Postbus BK Nijmegen Vroedmeesterpad die wordt onderzocht op chytrid. Amerikaanse brulkikker. Foto: Jelger Herder Foto: Jelger Herder Uw steun is belangrijk! Het is erg belangrijk dat we nu onderzoeken hoe het in Nederland gesteld is met de gezondheid van onze kikkers, padden en salamanders. Het kan dieren redden! Wilt u hieraan bijdragen? Uw financiële steun is van harte welkom. U kunt uw eenmalige gift overmaken op giro ten name van Stichting ravon, onder vermelding van schimmelonderzoek. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de vorderingen.

10 (1/2) 2009 Dikkopschildpad: een bijzondere dwaalgast in Nederland Foto: Arthur Oosterbaan Kop dikkopschildpad Edo Goverse, Maartje Hilterman, Max Janse, Arthur Oosterbaan & Henk Zwartepoorte Op 23 oktober 2008 spoelde bij Groote Keeten in Noord-Holland een ongewone bezoeker aan; een onechte karetschildpad of dikkopschildpad (Caretta caretta), in het Engels loggerhead sea turtle. Dit is pas de vierde keer dat er een levende dikkopschildpad in Nederland werd gevonden. Het dier, dat in een slechte conditie verkeerde, werd eerst aangeboden aan Ecomare op Texel en uiteindelijk overgebracht naar Burgers Zoo ter revalidatie. Een maand later, op 21 november 2008, spoelde er weer een zeeschildpad aan, dit keer bij Westenschouwen in Zeeland. Dit dier is ter revalidatie naar Diergaarde Blijdorp gebracht. Aanvankelijk werd gedacht dat het ook een dikkopschildpad betrof, maar het bleek om een Kemps zeeschildpad (Lepidochelys kempii) te gaan, in het Engels een Kemp s ridley. In dit artikel beschrijven we de mogelijke herkomst van de dikkopschildpad en daarbij gaan we vooral in op de Noord- Atlantische situatie. In het volgende RAVON-nummer zullen we de Kemps zeeschildpad, zijn opvang en het verloop daarvan beschrijven. Algemene informatie Volwassen dikkopschildpadden hebben een schildlengte van cm en een gewicht van kg (Dodd, 1988). Pas na ongeveer 20 à 35 jaar zijn ze volwassen en seksueel actief (Bolten & Witherington, 2003) en is hun sekse uiterlijk waarneembaar; mannetjes krijgen namelijk een drie keer zo lange staart als de vrouwtjes (eerder is hiervoor inwendig onderzoek vereist). Het schild is roodbruin en vaak geheel overgroeid met zeepokken, algen en wieren. Dikkopschildpadden hebben een verhoornde boven- en onderkaak en een enorme spierkracht in hun kaken om

11 32 11(1/2) hard voedsel mee te kunnen kraken. Ieder vrouwtje produceert tijdens één legseizoen 1-7 nesten met een gemiddelde van 4 nesten, met tussenpozen van 12 à 16 dagen, bestaande uit eieren met een gemiddelde van 112 eieren (Dodd, 1988; Bolten & Witherington, 2003). Tijdens een legseizoen vinden voor de kust meerdere paringen plaats, waarbij het vrouwtje sperma opslaat. Soms vermengt zich dit, zodat één legsel meerdere vaders (2 à 3) kan hebben. Vrouwtjes nestelen niet jaarlijks maar gemiddeld om de 4 jaar (range 1-9 jaar). De incubatietijd bedraagt dagen, afhankelijk van de zandtemperatuur. Gemiddeld komt niet meer dan procent van alle eieren uit (Dodd, 1988). Net als bij krokodillen wordt bij zeeschildpadden het geslacht bepaald door de temperatuur van het substraat waarin de eieren liggen, tijdens een bepaald stadium van de incubatietijd. Bij 29 C worden er evenveel mannetjes als vrouwtjes geproduceerd, bij een iets hogere temperatuur meer vrouwtjes en bij een iets lagere temperatuur meer mannetjes. Op bijna alle legstranden worden aanzienlijk meer vrouwtjes geboren dan mannetjes. Nestelende vrouwtjes vertonen een grote mate van trouw aan de locaties waar ze eerder eieren hebben gelegd en, naar wordt aangenomen, zelf uit het ei gekropen zijn. Als de jonge dikkopschildpadjes uit het ei gekropen zijn, zwemmen ze met een krachtige slag weg van het legstrand de volle zee op, gedurende 20 uur non-stop! De vijf dagen erna blijven ze doorzwemmen in een iets rustiger tempo, interend op de dooierzak die nog deels aan de binnenzijde van hun buikschild zit. Om predatoren in de lucht te ontwijken kunnen ze tot drie meter diep duiken. Eenmaal op de open oceaan zoeken ze drijvend materiaal op waaronder ze kunnen schuilen en waar voedsel te vinden is, zoals pakketten drijvend zeewier (Sargassum sp.). In dit stadium bestaat hun dieet uit invertebraten zoals insecten. Later schakelen ze over op zeeslakken, eendenmossels, kokerwormen, kwallen en plankton (Dodd, 1988, Spotila, 2004). Als juveniel spenderen ze ongeveer 80% van hun tijd op een diepte van 2 tot 5 meter. Duiken die ze later maken zijn tot 100 meter diep, met uitschieters tot ± 200 meter (Bolten & Witherington, 2003). Op volle zee hebben ze een opportunistische voedselkeuze. Het lijkt erop dat ze happen naar alles wat drijft, van wieren tot nieteetbare materialen zoals veren, plastic en kurk (Dodd, 1988). Als de (sub)adulte dikkopschildpadden na een lange omzwerving terug zijn gekeerd naar de continentale plaat foerageren ze daar in de ondiepe wateren langs de kust en in lagunes, baaien en riviermondingen. Ze eten dan voornamelijk kreeftachtigen en schaaldieren (Dodd, 1988). Vis behoort ook tot hun dieet, maar het is niet waarschijnlijk dat ze daar actief op jagen omdat ze daar niet snel genoeg voor zijn. Brongersma (1972) suggereert dat ze vis eten die ten prooi is gevallen aan kwallen, en vis die als bijvangst overboord is gegooid. Uit de VS zijn gevallen bekend waarbij (sub)adulte dikkopschildpadden overschakelen op een dieet van vis omdat hun oorspronkelijk dieet, waaronder degenkrabben, sterk is afgenomen door overbevissing. Omdat de schildpadden deze vis uit visnetten roven, lopen ze het risico zelf vast te komen zitten en verdrinken. Atlantische Oceaan Verenigde Staten van Amerika Brazilië Kaapverdische Eilanden Caribisch gebied en de Golf van Mexico Mexico (Quintana Roo & Yucatán) Indische Oceaan Oman Westelijk Australië Zuid-Afrika, Madagaskar & Mozambique 730 Middellandse Zee Griekenland Turkije 680 Cyprus 285 Israël en overig >15 Stille Oceaan Japan 700 Oostelijk Australië 500 Totaal Tabel 1. Schattingen van het aantal vrouwtjes dat jaarlijks aan land komt om eieren te leggen (Spotila, 2004). Een overzicht van alle legstranden van Caretta caretta is terug te vinden op de website: Legstranden Dikkopschildpadden leven in (sub)tropische gebieden en gematigde zones. Hun belangrijkste legstranden liggen aan de oostkust van de Verenigde Staten (zie tabel 1). Jaarlijks komen daar zo n vrouwtjes aan land om hun eieren te leggen (Spotila, 2004). Over de periode zijn er in de vs en langs de Golf van Mexico jaarlijks nesten geteld, waarvan 90% op de stranden van Florida. In Europa liggen de legstranden van de dikkopschildpad in het oostelijk deel van de Middellandse Zee, waar ongeveer vrouwtjes per jaar nestelen. De meeste nesten zijn te vinden in Griekenland, gevolgd door Turkije en Cyprus. Ook wordt er gelegd in Italië, Syrië, Libanon, Israël, Egypte, Libië en Tunesië en zeer sporadisch in Spanje en Frankrijk (Dodd, 1988; Bolten & Witherington, 2003; Spotila, 2004). In Malta is sinds 1930 geen nestactiviteit meer waargenomen. In de Zwarte Zee komen ook dikkopschildpadden voor, maar hier worden geen eieren gelegd. Eén zee, meerdere populaties De dikkopschildpadden uit het noordelijk deel van de West-Atlantische Oceaan (oostkust van de Verenigde Staten of Golf van Mexico ) kunnen ondanks de betrekkelijk korte afstanden worden onderscheiden in vier afzonderlijke, genetisch gescheiden nestpopulaties (Bowen, 1995; Bowen et al., 1993; Encalada et al., 1998) en misschien zijn er meer (Bolten & Witherington, 2003). Dikkopschildpadden die nestelen aan de westkust van Afrika, incl. Kaapverdische Eilanden, en in Brazilië maken gebruik van het Een dievegge dikkopschildpad wordt uit een visnet gehaald in Noord-Carolina (VS) om buiten de lagune weer in zee geplaatst te worden. Foto: Matthew Godfrey

12 (1/2) 2009 Figuur 1. Schematische weergave van de belangrijkste stromingen in de Noord- Atlantische Oceaan (Witt et al., 2007). zuidelijk deel van de Atlantische Oceaan. Dikkopschildpadden die aan de oostkust van de Verenigde Staten of Golf van Mexico uit het ei kruipen, beginnen aan een tocht die doorgaans vele duizenden kilometers bedraagt en 7 tot 12 jaar duurt (Bolten & Witherington, 2003). De juveniele dieren drijven of zwemmen in oostelijke richting met de zeestroming mee naar de Azoren waarna ze via Madeira terug zwemmen richting het westen. Daar zullen ze zich als subadult langs de kust op de continentale plaat ophouden voor een periode van nog eens zo n 20 jaar alvorens seksueel actief te worden (Spotila, 2004). De zee rond de Azoren is rijk aan voedsel en de jonge schildpadden (99,3% heeft een schildlengte tussen de 8,5-64 cm) verblijven hier meerdere jaren. Een enkeling maakt voor een tweede keer het gehele rondje vanaf de West-Atlantische Oceaan naar de Azoren en terug. Regelmatig zwemmen jonge dikkopschildpadden de Middellandse Zee in, waar ze samen met soortgenoten foerageren bij de Balearen (Bowen, 1995). De helft van de juveniele dieren hier behoort tot de West-Atlantische nestpopulatie (Laurent et al., 1998). Er zijn echter geen bewijzen dat deze dieren paren met dieren uit de nestpopulatie van de Middellandse Zee, die voor zover bekend de Middellandse Zee niet verlaat en als een genetisch afzonderlijke populatie wordt beschouwd (Bowen et al., 1993; Bowen, 1995; Encalada et al., 1998; Laurent et al., 1998). De Atlantische dikkopschildpadden verlaten de Middellandse Zee voor ze volwassen en seksueel actief zijn (Laurent et al., 1998). Differentiatie tussen de Noord-Atlantische en Middellandse Zeepopulaties vond waarschijnlijk ongeveer jaar geleden plaats (Encalada et al., 1998). Verkeerde afslag? Het komt vaker voor dat dikkopschildpadden van de West-Atlantische Oceaan worden aangetroffen in Europa. Er zijn waarnemingen bekend uit Rusland (Barentsz Zee), Noorwegen, Groot-Brittannië, Ierland, Denemarken, Polen 1, Nederland, België, Frankrijk, Spanje en Portugal (Brongersma, 1972; Witt et al., 2007). Zoals hierboven al is beschreven laten de jonge schildpadjes die aan de westkust van de Noord-Atlantische Oceaan zijn geboren zich, na eerst enkele dagen actief naar het oosten te zijn gezwommen, met de Golfstroom meedrij- ven naar de Sargasso Zee onder plakkaten drijvend materiaal. De Golfstroom splitst zich in de Noord-Atlantische Drift, richting het noorden, en de Canarische Stroom richting het zuiden, die vervolgens richting Sargasso Zee voert als de Noord Equatoriale Stroom (zie figuur 1). Zeeschildpadden op volle zee oriënteren zich met behulp van aardmagnetische straling en onderzoek heeft uitgewezen dat dikkopschildpadden zich zuidwaarts oriënteren wanneer ze in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan gekomen zijn, om zo te voorkomen dat ze in de noordelijke drift terecht komen (Bolten & Witherington, 2003). Het is dus aannemelijk dat de schildpadden die in Noord- Europa worden aangetroffen de verkeerde afslag hebben genomen, namelijk de Noord-Atlantische Drift. Twee zaken vallen op aan de Noord-Europese meldingen van gestrande dikkopschildpadden. Een groot deel van de vondsten betreft zeer kleine schildpadjes die nog als juveniel worden beschouwd (schildlengte (SCL) <40 cm; Dodd, 1988). De gemiddelde schildlengte van in Groot- Brittannië en Ierland aangespoelde dieren is 29,4±17,8 cm (range 13,5-110 cm, n=56) en in Frankrijk 24,1±11,0 cm (range cm, n=161) (Witt et al., 2007). Brongersma (1972) heeft gereconstrueerd dat de kleinste schildpadjes ongeveer 13 maanden oud zijn, gelijk aan de tijdsduur om met de Golfstroom van de westzijde naar de oostzijde van de Atlantische Oceaan te drijven. Het tweede dat opvalt bij de vondsten in het noordelijk deel van Europa is dat de meeste worden gedaan in de herfst- en winterperiode. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de temperatuurhuishouding van de zeeschildpadden. Het zijn koudbloedige dieren die toch hun eigen lichaamstemperatuur deels boven de omgevingstemperatuur kunnen houden (tot 3 C), maar bij te lage temperaturen inactief worden en levend of dood zullen aanspoelen (Brongersma, 1972). Stranding in Nederland Op donderdagochtend 23 oktober 2008 vond een medewerker van het Hoogheemraadschap een dikkopschildpad op het strand van Groote Keeten, boven Callantsoog in Noord-Holland. Hij heeft het dier terug in zee gezet. Iets later werd de schildpad opnieuw op het strand aangetroffen en naar het zeehondensteunpunt Callantsoog van Ecomare gebracht. Na determinatie is het dier naar Ecomare op Texel vervoerd en op aanraden van dierenartsen in een plastic bak onder een warmtelamp gezet. Het dier was op sterven na dood. Omdat op Ecomare de accommodatie en deskundigheid voor het opvangen van zeeschildpadden ontbreekt, is het dier de volgende dag naar Burgers Zoo in Arnhem gebracht ter revalidatie. Voor zover bekend is er, inclusief de huidige melding, in Nederland pas vier keer een dikkopschildpad levend aangespoeld. De eerste melding stamt uit 1707 te Wijkermeer (reconstructie in Brongersma, 1972). De tweede melding is uit 1894 te Ouddorp, Zuid-Holland, en de derde melding uit 1927 te Scheveningen (Brongersma, 1972). Verder beschrijft Brongersma twee vondsten van dode dieren op het strand bij Noordwijk uit de jaren 1954 en In 1998 en 2007 is in Vlissingen en Vlieland nog twee maal een dood exemplaar aangespoeld (Hoogmoed, in prep.). Opvang Bij aankomst van het dier in Burgers Zoo bleek al snel dat het ernstig verzwakt was. Het oppervlaktewater had een temperatuur van tussen de 13-15,5 C, waardoor onderkoeling het eerste probleem was. De rechter voorflipper miste, beide ogen waren ontstoken, er waren drie wonden in de nek en het dier dreef scheef (naar rechts hangend) in het water. Dit laatste wees op een mogelijke longontsteking. Eendenmossels en algen groeiden op de flippers en 1 Vindplaats was Sopot; tijdens de vondst in 1835 behoorde het gebied tot Duitsland.

13 32 11(1/2) het schild. Het dier bleek 15 kg te wegen, bij een schildlengte van 52 cm zou het eigenlijk ongeveer 20 kg moeten wegen, en is de leeftijd bepaald tussen de 6,5 en 11,5 jaar oud (Bolten & Witherington, 2003). De ogen werden behandeld met een antibioticazalf. Tien enrofoxacin-injecties verspreid over 20 dagen zorgden ervoor dat de longontsteking verdween. Bloedonderzoek en een röntgenfoto wezen uit dat er verder geen andere problemen waren. Het dier werd gehouden in een quarantaine-aquarium van 3 m doorsnede met ongeveer 50 cm water. De watertemperatuur werd binnen 2 weken verhoogd naar 25 C. Contact met zeeschildpaddenopvangcentra in Genua en Napels droeg bij aan de noodzakelijke kennis voor het opknappen van het dier. Na acht dagen in Arnhem begon het dier voor het eerst te eten. Vette vis als haring was het favoriete eten, maar ook inktvis, ansjovis, wijting en oorkwallen wist de schildpad te appreciëren. In de eerste periode werd het dier dagelijks gevoerd met 200 gram voer aangevuld met multivitamines. Na 4 weken woog het dier 19 kg en op de vooravond van het transport naar Portugal had het een gewicht van 22,5 kg. De snelle gewichtstoename in die periode werd veroorzaakt door het aanvullen van een groot vochttekort. Tijdens de revalidatieperiode zijn de mogelijkheden bekeken voor het terugzetten van het dier in het wild. Hiervoor zijn enkele punten van belang: 1) waar komt een dier oorspronkelijk vandaan; 2) in hoeverre mag een dier terug worden geplaatst; 3) waar kan een dier worden uitgezet; 4) in hoeverre is een dier gezond genoeg om teruggezet te worden; 5) in hoeverre moet een dier gewend worden aan een natuurlijke situatie alvorens uitgezet te worden en 6) is een dier met 1 flipper levensvatbaar 2. De oorsprong van de in Nederland aangetroffen dikkopschildpad is waarschijnlijk de westkust van de Atlantische Oceaan. De laatste jaren worden dikkopschildpadden die in Groot-Brittannië zijn aangespoeld na revalidatie bij de Canarische Eilanden (Spanje) uitgezet. Dit gebied maakt deel uit van het foerageergebied van de soort en is daarom een logische optie. De in Nederland aangespoelde dikkopschildpad is vanwege de bestaande contacten en goede zeeschildpaddenexpertise naar Zoomarine in Portugal overgebracht om bij de Algarve te worden uitgezet, een goed alternatief. Na aankomst en een observatieperiode heeft de dikkopschildpad daar twee metalen clips aan de achtervinnen gekregen en is het gechipt (Trovan). Mocht het dier later een keer worden gevangen of aan land komen om te nestelen dan is het dus te traceren. De schildpad is op 7 augustus jl. op open zee uitgezet. Binnen de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen is afgesproken dat er een opvangprotocol voor zeeschildpadden verspreid wordt binnen de belangrijke instanties in Nederland. Daardoor zal er meer duidelijkheid zijn over wat er moet gebeuren met een mogelijk gestrand dier in de toekomst. De eerste opvang van zeeschildpadden zal door Burgers Zoo of Diergaarde Blijdorp worden gedaan. Dode exemplaren behoren naar het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis te worden gebracht, dat beschikt over een ontheffing voor het prepareerverbod. Ook houden zij het landelijke strandingenbestand bij. De dikkopschildpad na aankomst bij Ecomare, Texel. Goed te zien zijn de grote bossen eendenmossels aan de achterflippers, ondanks het feit dat een groot deel van deze flipper er niet meer is. De dikkopschildpad na aankomt in Burgers Zoo. Op deze foto is de beschadigde voorflipper goed zichtbaar. De dikkopschildpad vlak voor vertrek naar Portugal. Ja, het is hetzelfde exemplaar maar nu 7,5 kilogram zwaarder en geheel schoon en uitgerust. Foto: Ecomare Foto s: Max Janse 2 Dat kan worden bevestigd door een rehabilitatiecentrum in Napels. Hier zijn 6 dieren met vermiste flipper uitgezet in de Middellandse Zee. Eén dier is met een zender uitgerust en is maandenlang gevolgd. Aangespoelde exemplaren uit Groot Brittannië worden gerehabiliteerd in Gran Canaria, ook als een voorflipper ontbreekt.

14 (1/2) 2009 In Nederland is de dikkopschildpad niet opgenomen in de nationale Rode Lijst omdat de soort als dwaalgast wordt beschouwd. Wel valt de soort onder de Flora- en faunawet, artikel 3 en 4. Internationaal staat de soort bekend als bedreigd in de iucn Rode Lijst voor Bedreigde Soorten. De afname heeft grotendeels te maken met bijvangsten in de garnalen- en zogenoemde long-line visserij. Maar ook toerisme, vervuiling en kustverdedigingen veroorzaken de achteruitgang van de soort. Op Europees niveau is de soort beschermd volgens de Habitatrichtlijn en staat de soort vermeld onder Bijlage II en IV. Verder is de soort genoemd in conventies zoals de Bonn Conventie op Bijlage I en II (Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals), Bern Conventie (Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitat), Bijlage II en cites (Convention on the International Trade in Endangered Species of Flora en Fauna), Bijlage a en ospar-conventie (Convention for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic), Bijlage 6. Literatuur Brongersma, L.D., European Atlantic turtles. Zoologische Verhandelingen, 121: Bolten, A.B. & B.E. Witherington (editors), Loggerhead Sea Turtles. Smithsonian Books, Washington D.C., 319 p. Bowen, B.W., Tracking marine turtles with genetic markers: voyages of the ancient mariners. BioScience 45(8): Bowen, B., J.C. Avise, J.I. Richardson, A.B. Meylan, D. Margaritoulis & S.R. Hopkin-Murphy, Population structure of loggerhead turtles (Caretta caretta) in northwestern Atlantic Ocean and Mediterranean Sea. Conservation Biology 7(4): Dodd, C.K. Jr., Synopsis of the biological data on the loggerhead sea turtle Caretta caretta (Linnaeus 1758). U.S. Fish and Wildlife Service. Biological Report 88(14): Encalada, S.E., K.A. Bjorndal, A.B. Bolten, J.C. Zurita, B. Schroeder, E. Possardt, C.J. Sears & B.W. Bowen, Population structure of loggerhead turtle (Caretta caretta) nesting colonies in the Atlantic and Mediterranean as inferred from mitochondrial DNA control region sequent. Marine Biology 130(4): Hoogmoed, M.S., in prep., Zeeschildpadden. In: R.C.M. Creemers & J.J.C.W. van Delft (Red.). De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, knnv Uitgeverij, European Invertebrate Survey-Nederland. Laurent, L., P. Casale, M.N. Bradai, B.J. Godley, G. Gerosa, A.C. Broderick, W. Schroth, B. Schierwater, A.M. Levy, D. Freggi, E.M. Abd El-Mawla, D.A. Hadoud, H.E. Gomati, M. Domingo, M. Hadjichristophorou, L. Kornaraky, F. Demirayak & Ch. Gautier, Molecular resolution of marine turtle stock composition in fishery bycatch: a case study in the Mediterranean. Molecular Ecology 7(11): Spotila, J.R., Sea turtles: a complete guide to their biology, behavior, and conservation. The John Hopkins University Press, Baltimore and London, 227p. Witt, M.J., R. Penrose & B.J. Godley, Spatio-temperal pattern of juvenile marine turtle occurrence in water of the European continental shelf. Marine Biology 151(3): Summary On October 23, 2008 a loggerhead sea turtle (Caretta caretta) stranded in the Netherlands at Groote Keeten N E The turtle was alive but in bad condition. It was brought to Burgers Zoo in Arnhem for rehabilitation and released into the wild on August 7, 2009 in Portugal. It was the fourth time a living loggerhead sea turtle was found stranded in the Netherlands. Previous occasions were in 1707, 1894 and So far, there have been four cases of stranded dead animals: in 1954, 1959, 1998 and 2007 (Brongersma, 1972; Hoogmoed, in prep.). Most strandings in the northern part of Europe concern juveniles and happened in colder periods like autumn and winter. This article describes the basic life history of the Northern Atlantic loggerhead sea turtle, and sheds some light on the possible background of the loggerhead turtle that stranded in the Netherlands. In the next ravon issue we will present an article about a second sea turtle that stranded on November 21, 2008 at Westerschouwen N E and was brought to Rotterdam Zoo for rehabilitation. This one turned out to be a Kemp s ridley (Lepidochelys kempii). Edo Goverse RAVON p/a Universiteit van Amsterdam (UvA) Zoologisch Museum (ZMA), afd. Herpetologie Postbus GT Amsterdam Maartje Hilterman IUCN Nederlands Comité Plantage Middenlaan 2K 1018 DD Amsterdam Max Janse Burgers Zoo Antoon van Hooffplein SH Arnhem Arthur Oosterbaan Ecomare Ruijslaan AZ De Koog Henk Zwartepoorte Diergaarde Blijdorp Blijdorplaan JG Rotterdam

15 32 11(1/2) De geschiedenis van Lacerta, de Nederlandse Vereniging voor Herpetologie en Terrariumkunde en haar rol bij de bescherming van inheemse herpetofauna Jur ter Borg en Sergé Bogaerts Lacerta is een van de oudste reptielenen amfibieënverenigingen van de wereld. Begonnen als terrariumvereniging, maar zich ook al snel bekommerend om de achteruitgang van reptielen en amfibieën in binnen- en buitenland. Een deel van wat nu RAVON is, is opgebouwd door leden van Lacerta. Omdat veel Lacerta-leden al RAVON-activiteiten uitvoerden voordat RAVON bestond, willen wij graag een blik in deze geschiedenis geven. Vooral voor een nieuwe generatie RAVON-lezers is het goed te weten welke wortels gemeenschappelijk zijn. Onlangs verscheen er in Lacerta al een stuk over de inheemse reptielen en amfibieën, geschreven door RAVON (van Diepenbeek, 2008). Wij willen laten zien dat er veel meer dwarsverbanden tussen beide clubs bestaan dan sommigen misschien denken. Oprichting en doelstellingen De vereniging Lacerta is opgericht in het begin van de Tweede Wereldoorlog, op 10 september 1941, na drie eerdere, door gebrek aan belangstelling mislukte pogingen in de dertiger jaren (ter Horst, 1946). Deze keer kwam de vereniging wel van de grond onder de vleugels van het tijdschrift Het Aquarium, dat met een speciaal terrariumnummer en een maandelijkse terrariumrubriek de weg effende. Vanaf februari/maart 1942 verspreidde Lacerta een eigen tijdschrift, Lacertanieuws, waarin ook het verenigingsnieuws werd opgenomen. Bij de start van jaargang 6 kreeg het tijdschrift zijn definitieve naam: Lacerta.

16 (1/2) 2009 Omdat het vergaren en uitdragen van kennis een van de speerpunten van de vereniging was, werd dan ook in de statuten vermeld Inrichten en instandhouden van een natuur-historische bibliotheek ter uitleening van boeken en tijdschriften op het gebied der terrarium- en insectariumkunde. Deze Lacerta-bibliotheek was een belangrijke bron van informatie in een tijd dat dergelijke boeken en tijdschriften vaak buiten het bereik van de meeste leden lagen, en is dat nog steeds. De bibliotheek is thans ondergebracht in een aparte stichting en gehuisvest in de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht. Door de vele ruilabonnementen met andere tijdschriften over de hele wereld is het uniek in Nederland. Lacerta-leden hebben nog steeds vrij toegang. Opbouw kennis van voedsel, ziekten en kweek Van oudsher was Lacerta een vereniging van terrariumhouders, zoals ook uit de statuten bleek: Nederlandsche Vereeniging van Terrariumhouders Lacerta. Deze naam bleef in gebruik (weliswaar in modernere spelling) tot de Algemene Ledenvergadering van begin 1953, toen werd besloten de naam te wijzigen in Nederlandse Vereniging voor Herpetologie en Terrariumkunde. De eerste jaren waren moeilijk voor de terrariumhouders, deels door de oorlogsjaren, deels door het grote gebrek aan kennis. Er werden in deze jaren vooral inheemse reptielen en amfibieën gehouden (wat toen nog niet bij wet verboden was). Het verkrijgen van voedsel was steeds een groot probleem, met voor de insecteneters alleen meelwormen en vliegenmaden als commercieel verkrijgbaar voer. Veel aandacht werd besteed aan het vergaren van voedseldieren in de natuur en voorzichtige pogingen werden ondernomen om het voedsel te verrijken met vitaminen. Veel leden slaagden erin te komen tot creatieve oplossingen, bijvoorbeeld om voedselschaarste in de winter te overbruggen. In de loop van de vijftiger jaren kwam de kweek van huiskrekels en treksprinkhanen in beeld, waarmee de voedselvoorziening veilig werd gesteld, zeker toen in latere jaren deze voedseldieren commercieel werden aangeboden. De terrariumhouders werden vaak geconfronteerd met ziekten, waarvan men niet goed wist hoe die aan te pakken. Ectoparasieten (mijten, teken e.d.) werden bestreden met fijngestampte mottenballen en zelfs ddt (Homan, 1946), maar uiteindelijk werden betere bestrijdingsmiddelen gevonden die relatief ongevaarlijk zijn voor de terrariumdieren. Voor de inwendige ziekten, voornamelijk infectieziekten en gebreksziekten, zette professor Peer Zwart de norm met zijn artikelenserie Ziekten bij Reptielen (Zwart, ). Inmiddels zijn er flink wat dierenartsen die ook amfibieën en reptielen kunnen behandelen. In de beginjaren werd weinig gekweekt met de dieren en het afzetten van eieren was vaak al aanleiding tot het schrijven van een kort artikeltje. Zelden werd dit gevolgd door een beschrijving van de uitkomst van de eieren. En als de kweek een keer lukte, dan werd er zeer veel aandacht besteed aan de beschrijving van de broedmethode, maar niet aan hoe de ouderdieren werden gehouden. Of liep de opkweek stuk op problemen met voedsel (van Wijk, 1942). In 1976 werd duidelijk dat de kwaliteit van het voedsel (vooral vitaminen en kalk) van invloed was op het broedsucces. Uit die tijd dateren ook de eerste beschrijvingen van massale kweek met bijvoorbeeld Europese hagedissen (Langerwerf, 1976). Wijlen Bert Langerwerf heeft van het kweken van hagedissen zijn beroep kunnen maken. Dat ook de daglengtevariatie van invloed is op de voortplanting werd al uitgesproken in de veertiger jaren, evenals het belang van overwintering, maar pas in 1977 werd dit een geaccepteerd gedachtegoed. Hierna nam de kweek met reptielen en amfibieën een grote vlucht. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, is het overgrote deel van de dieren die nu verhandeld worden in gevangenschap gekweekt. Richtingenstrijd Richtingenstrijd heeft Lacerta regelmatig gekend. De eerste was of je een fraai beplant terrarium moest hebben met zo weinig dieren, dat je ze nooit zag, of dat je een zo groot mogelijke verscheidenheid aan terrariumdieren in één behuizing moest nastreven. Zo vreemd was die laatste gedachte in die tijd niet, dit was naar analogie van het overigens nog steeds bestaande gezelschapsaquarium. In de loop der tijd werd dit laatste idee overigens uitzondering, via terraria met verschillende dieren die wel vergelijkbare biotoopeisen hadden, tot de uiteindelijke norm, één diersoort per terrarium. Overigens werd dit laatste idee al in 1954 (van Wijk, 1954) uitgesproken. Een andere richtingenstrijd was of je de dieren steriel moest houden of in natuurlijk ingerichte bakken. Beide meningen hebben hun eigen aanhangers. Hygiënische, vrij Lacerta-bestuursleden op de Malakkastraat 188 te Den Haag (huis van Van de Laan, ongedateerd). V.l.n.r. Ter Veen, Van de Laan, Koopman, Ter Horst en Van der Werff.

17 32 11(1/2) kale bakken ziet men vaak bij slangenhouders, natuurlijk beplante terraria vaak bij bijvoorbeeld amfibieënhouders. De grootste strijd is nog altijd of je wel of geen dieren uit het wild mag halen om in terraria te houden. In de beginjaren (grofweg tot midden jaren vijftig) was er weinig keus, er werd namelijk niet gekweekt met de dieren, dus alle dieren kwamen uit het wild. Een groot deel van de leden hield inheemse dieren en ving ze ook vaak zelf. Toch werd in 1950 al de zorg uitgesproken over het massaal vangen van zeldzame amfibieën in Limburg (ter Horst, 1950). Een Belgisch lid deed de suggestie deze dieren dan in België te vangen, met het verzoek er niet te veel te vangen, rekening houdend met de vervoersaccommodatie en de ruimte thuis (de Vleeschauwer, 1952). Zorgen om de muurhagedis in Limburg leidden tot een voorstel om deze dieren te beschermen per politieverordening, waarbij wederom de suggestie werd gedaan zeldzame dieren in het buitenland te vangen (van Rekum, 1959). Er werden ook uitheemse dieren geïmporteerd, maar dat gaf vaak veel sterfte. Getallen als 60% dood bij aankomst en 15% spoedig daarna waren geen uitzondering (Wijffels, 1954). Dit had vaak te maken met lange reistijden en tijd tussen vangst en transport. Verbetering trad op toen Lacerta een eigen importdienst opzette. De zaken werden geregeld door liefhebbers en de importen waren doorgaans kleinschaliger. Ook de opkomst van het moderne vliegverkeer heeft een positieve invloed gehad. De principiële vraag of je dieren uit de natuur mocht halen bleef echter staan en leidde eind jaren negentig tot een grote crisis binnen de vereniging. Uitgesproken tegenstanders wilden dat de vereniging zich uitsprak tegen handel in dieren uit het wild, dit gesteund door de steeds betere kweekresultaten binnen de vereniging, waardoor import nauwelijks nodig zou zijn. De meerderheid van de leden leek echter tegen een dergelijk totaalverbod te zijn. Lacerta is dus blijven accepteren dat er ook dieren uit het wild worden gehaald voor de terrariumhobby. Maar wel met de kanttekening dat het houden van nakweekdieren sterk de voorkeur heeft en dat de kweek met reptielen en amfibieën absolute prioriteit heeft. Ook heeft de vereniging zich uitgesproken tegen massa-importen en wordt eventuele kleinschalige import gezien als noodzakelijk om de gevangenschapspopulaties af en toe van vers bloed te kunnen voorzien of om de leefwijze, vooral de reproductie en het gedrag, van nieuwe soorten te kunnen bestuderen. Herpetogeografische Dienst (hgd) Een belangrijke activiteit van de vereniging is de hgd, welke vooral verbonden zal blijven aan Dick van Wijk (Bergmans, 1973). Van Wijk en Johannes ter Horst, namen al in 1944 het initiatief tot oprichting van de HGD, met als doel het verzamelen en registreren van verspreidingsgegevens van de inheemse amfibieën en reptielen. Ter Horst was een van de oprichters van Lacerta en was ook redacteur van de maandelijkse periodiek Lacertanieuws, de voorloper van het tijdschrift Lacerta, met informatie over de verspreiding van amfibieën en reptielen. Hij stimuleerde leden om waarnemingen in te sturen. De voorgedrukte waarnemingskaartjes voor Lacerta-leden vormden het eerste archiefonderdeel van de hgd, waaruit verslagen konden worden gemaakt. Het was voor het eerst dat op één punt centraal gegevens over verspreiding van reptielen en amfibieën in Nederland werden samengebracht. De aanzet hiervoor verscheen in 1944 (Anoniem, 1944) en de eerste verslaglegging volgde al in 1946 (van Wijk, 1946), de tweede in 1947 (van Wijk, 1947) in 1951 gevolgd door: De verspreiding van de reptielen en amphibieën in Nederland. Derde verslag (van Wijk, 1955). Een maar liefst 20 pagina s dikke uitgave uitsluitend over dit onderwerp. Hierna volgt nog het Vierde Herpetogeografisch Verslag (van de Bund, 1964). Daarna bleef het lang stil en groeide het archief nauwelijks (Bergmans, 1978). De hgd bleef lange tijd het verzamelpunt voor waarnemingen aan de Nederlandse herpetofauna. Uiteindelijk is het archief in 1998 overgedragen aan ravon, dit onder bemiddeling van wijlen Jan Verhoeven, die als persoon dé bruggenbouwer was tussen Lacerta en ravon. Hij was toen ook vice-voorzitter bij beide clubs en voor beide een bevlogen én kritisch bestuurslid. Zijn fabuleuze archief- en dossierkennis vormde een belangrijke inbreng en ondersteuning voor de beide besturen. De jaren zestig en zeventig Eind jaren zestig was binnen Lacerta de Commissie Bedreigde Reptielen en Amfibieën opgericht. Doel van deze werkgroep was de bescherming van inheemse en uitheemse herpetofauna, van zeeschildpadden tot boomkikkers dus. Zij probeerden Lacerta-leden bewust te maken dat je beter geen koffers vol dieren uit het buiten- Lacerta werkgroep Den Haag t ijdens bijeenkomst op 15 januari V.l.n.r. De Graaf, Ter Horst, Van Reijst, Van de Laan en Van Iersel. Foto s uit archief van dhr. Van de Laan

18 (1/2) 2009 Foto: Sergé Bogaerts Beeldje vroedmeesterpad bij de Meertensgroeve; het tweede natuurreservaat in Nederland dat speciaal voor de herpetofauna is veilig gesteld. land kunt meenemen. Ze publiceerden de Tien Geboden van de Vakantieganger-terrariumhouder waarbij gebod 10 luidde: Besef dat het mooiste en beste terrarium de natuur zelf is. Begin jaren zeventig werd de kiem gelegd voor een meer structurele inzet voor de inheemse soorten. De tweede landelijke bijeenkomst van Lacerta op 21 oktober 1972 stond in het teken van de bedreiging van amfibieën en reptielen. Dick van Wijk, Wim Bergmans en Wim Jacobi namen het voortouw. Ook werd de hgd gereactiveerd door Bergmans die in 1972 het beheer van de hgd overnam. De hgd kreeg als postadres het Instituut voor Taxonomische Zoölogie in Amsterdam. Hij startte met de invoering van de nu algemeen bekende uurhokken. In het Mededelingenblad stonden berichten van het bestuur, regionale werkgroepen en andere zaken met elkaar te delen. Bergmans deed er regelmatig oproepen voor waarnemingen en vroeg ook specifiek om verspreidingsgegevens binnen ruilverkavelingsprojecten, zodat daar rekening met onze soorten gehouden kon worden. De verspreidingsdata waren nodig om actieve bescherming te kunnen nastreven in discussies met de overheid, vooral het ministerie van crm (waar destijds de flora en fauna onder vielen). In 1973 trad het besluit 488 van de Natuurbeschermingswet in werking waarbij alle inheemse soorten reptielen en amfibieën beschermd werden, en het houden ervan verboden werd. Ondanks inspanningen van het Lacerta-bestuur heeft het ministerie nooit officieel iets geregeld voor de inheemse soorten die al in gevangenschap waren en zich daar vaak ook (denk aan vuursalamanders en geelbuikvuurpadden) uitstekend voortplantten. Het ministerie adviseerde die dieren maar vrij te laten op plaatsen waar ze van nature ook voorkwamen (!). Een ander deel verdween dus gedwongen in de illegaliteit. Maastrichtse muurhagedissen Al in 1974 merkte de werkgroep Limburg in haar verslag op dat voor restauratiewerkzaamheden, zelfs na overleg met de gemeente, het gebied De Hoge Fronten, flink was geëgaliseerd. Het bestuur van de werkgroep tekende bezwaar aan en kreeg steun van vele (semi) officiële instanties. Maar veel veranderde er niet. Dus trok in 1975 een van de oprichters van Lacerta, inmiddels werkzaam bij Staatsbosbeheer, aan de noodklok voor de bescherming van de Maastrichtse muurhagedissen (Ter Horst, 1975). In 1983 maakte de Commissie Bedreigde Reptielen en Amfibieën zich sterk voor de Maastrichtse muurhagedissen. Het ministerie van crm deed echter wederom niks, en dus besloten lokale liefhebbers van ivn, Lacerta-leden, warn en rin zelf de handen uit de mouwen te steken en het beheer uit te voeren door braamstruiken te planten en hoge vegetatie te maaien. De artikelen van Bert Kruyntjens (Kruyntjens, 1984; Kruyntjens & Biard, 1991) spreken boekdelen. Kruyntjens, die de muurhagedis inventariseerde op de Hoge en Lage Fronten in Maastricht, gaf de aanzet tot de bescherming van deze populatie. Samen met leden van de Lacerta doelgroep Anura en Sauria van Europa werd de populatie door introductie van in gevangenschap geboren hagedissen hersteld. In 1989 werd Kruyntjes dan ook erelid van Lacerta voor zijn inzet ter behoud van de Maastrichtse muurhagedis. Hot Spot Zuid-Limburg Zuid-Limburg werd ook door Lacerta al vroeg erkend als hot spot voor de inheemse herpetofauna. Duidelijk werd dat er een snelle achteruitgang van het aantal amfibieën in Limburg plaatsvond, dit door het droogvallen van of dichtstorten van poelen (Onstenk, 1949). Een pleidooi voor behoud van poelen in Zuid-Limburg volgde al spoedig en er werd contact opgenomen met Staatsbosbeheer om enkele belangrijke poelen te behouden. Dit resulteerde uiteindelijk in het kleinste natuurreservaat in Nederland, en dat uitsluitend om het voortbestaan van één amfibie te waarborgen; de vroedmeesterpad (van Wijk, 1956). Een groot succes voor Lacerta! Van Wijk constateerde later ook dat bescherming alleen onvoldoende was en vaak gepaard ging met slecht beheer (van Wijk, 1992). In Limburg waren inmiddels nieuwe mensen actief geworden. Ed Elzenga trad aan als secretaris van de Limburgse werkgroep van Lacerta. Vanaf 1973 (het jaar waarin de natuurbeschermingswet in werking was getreden) verscheen van deze werkgroep jaarlijks het verslag Herpetologische waarnemingen in Zuid-Limburg. Vanaf 1976 werd ook Midden-Limburg in het verslag opgenomen en was het aantal mensen dat gegevens aanleverde opgelopen tot 38. De gegevens werden vertrouwelijk behandeld, omdat men vreesde dat de verslagen gebruikt zouden worden om dieren weg te vangen. Ook werden de waarnemingen alleen per gemeente weergegeven. Alleen na besluit van het bestuur konden exacte gegevens worden verspreid, vooral voor wetenschappelijke doeleinden. Uiteraard kwamen alle gegevens ook in de hgd terecht en werden ze al actief voor bescherming gebruikt. Zo werden in 1978 op verzoek van Staatsbosbeheer de ideeën van de werkgroep ingediend om de boomkikker in De Doort te behouden. In het verslag van 1979 wordt stilgestaan bij de samenwerking met andere partijen. Één partij is in dit verband het vermelden waard, schreven Raaijmakers en Elzenga in het voorwoord, de Studiegroep Herpetologie van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg (nhgl), die in 1979 op enthousiaste wijze met de voorbereidende werkzaamheden voor herpetogeografisch onderzoek in Limburg is

19 32 11(1/2) gestart. Voor de onderlinge samenwerking bestaan goede verwachtingen, schreven ze tot slot. Maar de achtergrond van de Studiegroepen (die ook in Noord-Brabant en Gelderland al snel ontstonden) was anders, en dat leidde tot verschillende inzichten in hoe bescherming van reptielen en amfibieën vormgegeven moest worden. In 1982 verscheen het laatste verslag dat een opmerkelijke tegenslag voor de werkgroep vermeldde. De werkgroep had altijd met een ontheffing ex art. 25 van de Natuurbeschermingswet gewerkt. De vier bestuursleden kregen die telkens verlengd, tot Wederom was gevraagd om verlenging, maar de bevoegde autoriteiten (het ministerie van crm) reageerden niet eens. In april 1981 werd de werkgroep door een controleur van de Natuurbeschermingswet op grond van geruchten valselijk beschuldigd van het overtreden van de wet bij een nachtelijke excursie in het Meinweggebied. De excursie was echter niet door de werkgroep georganiseerd, noch hadden er leden aan deelgenomen. De schriftelijke protesten die werden ingediend bij het ministerie van crm bleven ook toen onbeantwoord. De jaren tachtig en negentig In 1980 verscheen Amfibieën en reptielen in Nederland (Bergmans & Zuiderwijk, 1980) bij de knnv. Het boekje is opgedragen aan alle waarnemers die hun gegevens hebben aangeleverd aan de hgd van Lacerta en de uitgave kan worden gezien als een voorloper van het ravon boekje Waarnemen en herkennen. In 1980 werd door de beide auteurs ook nagedacht over een atlas. In 1981 maakte een subsidie van het Prins Bernard fonds aan Lacerta het mogelijk voor Annie Zuiderwijk en Wim Bergmans twee jaar lang (vanaf 1 februari 1981) de helft van hun werktijd te besteden aan het maken van verspreidingskaarten. Het Vijfde Herpetogeografische Verslag vormde het resultaat daarvan (Bergmans & Zuiderwijk, 1986). Vanaf dan verschenen regelmatig weer oproepen aan de Lacerta-leden om waarnemingen in te sturen en hielden Zuiderwijk en Bergmans voordrachten bij de regionale Lacerta-werkgroepen om leden te motiveren het veld in te gaan. Vanaf 1982 verschenen ook berichten van Harry Wijnands en van de warn, de pas opgerichte Werkgroep Amfibieën en Reptielen Nederland, een samenwerkingsverband van de professionele herpetologen in Nederland. Wijnands had vanuit zijn functie bij het rin (het toenmalige Rijks Instituut voor Natuurbeheer) een nieuw systeem ontworpen om verspreidingsgegevens te noteren en verzamelen. Hij liet zien dat naast Lacerta er meer groeperingen waren die data verzamelden en probeerde samenwerking op gang te brengen tussen Lacerta, Staatsbosbeheer en het rin. Een van de leidende krachten daar was Wim Jacobi. Er vond regelmatig overleg plaats met het ministerie van crm over wetgeving en er verscheen een publicatie over padden en verkeer (Jacobi, 1980). Een andere mijlpaal in die tijd was het in 1981 onder redactie van Max Sparreboom verschenen boek Amfibieën en reptielen van Nederland, België en Luxemburg (Sparreboom, 1981). Eerder, vanaf 1971, was Sparreboom voorzitter van de werkgroep Leiden van Lacerta. Vanaf 1973 vormde hij samen met Bergmans de redactie van het tijdschrift Lacerta en regelmatig publiceerde hij zelf in Lacerta, vooral over kweek en gedrag van Aziatische salamanders (Sparreboom, 1984a, b en c). Dit is het eerste boek dat per soort een uitgebreide beschrijving van de ecologie en leefwijze gaf en Zuiderwijk schreef er een hoofdstuk in over werkmethoden in het veld. Ook de hgd had hier een prominente rol, namelijk het vervaardigen van de verspreidingskaarten. Dit boek vormt het handvest voor de in opkomst zijnde herpetologische studiegroepen in Nederland. Niet veel later verscheen de Bibliografie van de Nederlandse herpetofauna (Sparreboom, 1982). Het was een bijproduct van het boek uit 1981 en bevatte een overzicht van 1037 titels over de Nederlandse herpetofauna tot en met De uitgave werd betaald door Lacerta. Maar ook het landelijk bestuur ondernam diverse malen actie richting de overheid. Op 19 april 1982 bood Lacerta het ministerie van crm een petitie aan waarin werd aangegeven dat de wet uit 1973 niet had geleid tot daadwerkelijke bescherming van inheemse soorten; dat huizenbouw, wegenaanleg en ruilverkaveling nooit waren geremd door de aanwezigheid van beschermde soorten. Er werd onder andere gerefereerd aan de aanleg van de snelweg ten oosten van Utrecht (A27, doorsnijding van Amelisweerd), waar tientallen poelen waren gedempt zonder dat de dieren waren weggevangen en overgezet naar andere poelen, ondanks het aandringen van Lacerta-leden bij Rijkswaterstaat. In de petitie werd vooral zwaar aangedrongen om actie te ondernemen om de vroedmeesterpad en de geelbuikvuurpad niet op de lijst van uitgestorven soorten te laten komen. Er moest volgens Lacerta een actief biotoopbeschermingsbeleid komen (Jacobi, 1982). De minister van crm reageerde snel en in de Staatscourant van 5 augustus 1982 werd de aanwijzing van de Meertensgroeve als natuurreservaat aangekondigd. Op 20 juli 1983 werd dit een feit, waarmee het tweede natuurmonument in Nederland speciaal voor de herpetofauna was veilig gesteld! Lacerta zorgde ook voor het vervaardigen van een tweetal posters. Met subsidie van het ministerie van lnv (waar natuur inmiddels heen verhuisd was) en het Wereld De posters van Lacerta, 1983.

20 (1/2) Oprichting vereniging Lacerta e uitgave Lacertanieuws Oprichting Lacerta-bibliotheek 1944 Oprichting Herpetogeografische Dienst (HGD) 1946 Uitgave Eerste Herpetogeografische Verslag 1947 Uitgave Tweede Herpetogeografische Verslag e uitgave tijdschrift Lacerta 1951 Uitgave Derde Herpetogeografische Verslag onder de naam De verspreiding van de reptielen en amphibieën in Nederland 1953 Statutaire wijziging naar Nederlandse Vereniging voor Herpetologie en Terrariumkunde 1956 Realisatie 1e natuurreservaat speciaal voor herpetofauna 1964 Uitgave Vierde Herpetogeografische Verslag Oprichting Commissie Bedreigde Reptielen en Amfibieën e uitgave apart Mededelingenblad Lacerta 1973 Inwerkingtreding Natuurbeschermingswet 1979 Start samenwerking met studiegroep Herpetologie NHGL e uitgave boekje Amfibieën en reptielen in Nederland 1983 Realisatie 2e natuurreservaat speciaal voor herpetofauna 1986 Uitgave Vijfde Herpetogeografische Verslag onder de naam Atlas van de Nederlandse amfibieën en reptielen en hun bedreiging e uitgave MIRA (Mededelingen inheemse reptielen en amfibieën) 1998 Overdracht HGD archief (databank) naar RAVON Tijdbalk Lacerta Natuurfonds, en in samenwerking met de Vlaamse werkgroep Hyla, werd er een amfibieënposter gemaakt (Salamanders, kikkers en padden met uitsterven bedreigd), gevolgd door een poster over reptielen (Hagedissen en slangen met uitsterven bedreigd). De glimmend zwarte posters met een kleurenfoto van elke soort hebben menig klaslokaal, studentenkamer en hobbykamer gesierd. In februari 1986 verscheen dan, 22 jaar na het Vierde Herpetogeografische Verslag, in samenwerking met de knnv (Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging) de Atlas van de Nederlandse Amfibieën en Reptielen en hun Bedreiging (Bergmans & Zuiderwijk, 1986). De atlas was de kroon op het werk van de hgd en vooral van de twee beheerders die tevens de auteurs zijn van dit werk. Vooral dit laatste werk vormde een houvast voor de in opkomst zijnde provinciale herpetologische veldwerkgroepen en diende als basis om nieuwe gegevens te verzamelen. In 1987 bleek dat het verschijnen van het Vijfde Herpetogeografische Verslag (Bergmans & Zuiderwijk, 1986) niet tot een lawine van nieuwe waarnemingen leidde. Het merendeel van de gegevens kwam nu van de leden van de Herpetologische Studiegroepen en niet meer van Lacerta-leden. De opkomst van de herpetologische studiegroepen en de omvorming naar ravon wordt beschreven in de nieuwe landelijke atlas die dit jaar verschijnt (Creemers & van Delft, in prep.). Vanaf 1989 verschenen nieuwsbrieven van de hgd in het Mededelingenblad van Lacerta van de hand van Zuiderwijk. Een jaar later komt ook het project monitoring reptielen centraler te staan, waarbij onder de eerste monitoorders veel Lacerta-leden zijn terug te vinden. In 1995 verscheen mira, Mededelingen Inheemse Reptielen en Amfibieën, een gezamenlijke uitgave van warn, ravon en Lacerta als bijlage bij het Mededelingenblad van Lacerta, dat ook werd verzonden naar alle ravon donateurs. Het is het vervolg op het warn bulletin. De redactie bestond uit Raymond Creemers, Henk Strijbosch, Ed Elzenga, Jan Verhoeven, Theo de Jong en Rob Felix. Doel van het blad was om de kennis en de ontwikkelingen rond de inheemse soorten bij een breder publiek onder de aandacht te brengen. De 2e Nationale herpetologendag op 11 november 1995 was dan ook bedoeld als een gezamenlijke dag van de drie clubs. De Lacerta-leden lieten het echter massaal afweten. Maar deze lijn was op eerdere Lacertadagen al ingezet. Onder de Lacerta-leden trad steeds meer specialisme op, waarbij bijvoorbeeld de schildpaddenliefhebbers al hun eigen contactdagen hadden. In november 1996 verscheen het vierde en laatste nummer van de tweede jaargang mira. Lacerta zegde haar medewerking op en ravon werkte aan een eigen blad. Dat is het inmiddels vertrouwde blad dat u nu voor u ziet. Anno nu Lacerta is eigenlijk altijd een vereniging met twee gezichten geweest, het ene voor terrariumhouders, het andere voor geïnteresseerden in reptielen en amfibieën in het wild, in binnen- en buitenland. Hierin ligt dan ook het raakvlak met ravon. Binnen Lacerta is de pluimage zeer divers, maar de belangstelling voor de inheemse reptielen en amfibieën is altijd bij een deel van de leden aanwezig geweest. Vaak wordt gedacht dat voor de Natuurbeschermingswet van 1973 inheemse soorten fanatiek werden gehouden, maar als je de jaargangen van Lacerta terug leest zie je dat het gemiddelde Lacerta-lid veel meer belangstelling had voor exotischere soorten, en ook dat is niet veranderd. Deze brede belangstelling is ook terug te vinden bij de leden. Zo zijn veel Lacerta-leden nog altijd actief binnen de ravon gelederen en andersom. Het zijn er te veel om op te noemen, en de meeste zijn geen schrijvers maar doeners. Hun namen zie je bij paddenoverzetacties terug of in de databank van ravon. Andere zijn wel schrijvers, zoals Edo van Uchelen die na zijn publicaties in Lacerta (van Uchelen, 1983, 1985, 1987) een handboek voor praktisch natuurbeheer heeft geschreven (van Uchelen, 2006). Maar ook de tweede auteur van dit artikel heeft zowel bij Lacerta als bij ravon publicaties verzorgd (Bogaerts, 2007; Bogaerts et al., 2001; Bogaerts & Lenders, 2002) en bestuursfuncties bekleed. Interesse voor salamanders en skinken staat bij hem centraal en veldherpetologie en terrariumonderwerpen sluiten naadloos op elkaar aan. Immers als je iets wilt weten over gedrag of voorplanting kan dit vaak beter in gevangenschap worden bestudeerd dan in het vrije veld. En omgekeerd, als je dieren goed wilt verzorgen is het belangrijk te weten onder welke omstandigheden en condities ze in het wild leven. Nog steeds vormen veldwaarnemingen een belangrijk deel van de artikelen in Lacerta, maar anders dan in het verleden zijn ze meer gericht op locaties buiten Nederland en, als gevolg van de steeds meer exotische vakanties, buiten Europa. Opvallend is dat ook binnen de ravongelederen daar een groeiende interesse is. Op de ravonwebsite vind je links naar websites van herpetofaunareizen, en ook het online fotoalbum is voorzien van vele exoten. Kortom, er zijn nog steeds voldoende gezamenlijke wortels en wie zich ook voor veldwaarnemingen aan soorten in het buitenland interesseert zou een lidmaatschap van Lacerta kunnen overwegen. Literatuur Anoniem, Van den Herpeto-geografischen Dienst. Mededeelingenblad Lacerta 5: 20. Borg, J.P. ter, Het 60-jarig jubileum van Lacerta, een terugblik. Lacerta 60(6): Bergmans, W., De betekenis van de Herpetogeografische Dienst van Lacerta. Lacerta 31(8): Bergmans, W., Inleiding tot de vijfde verslaggeving vanwege de Herpetogeografische Dienst van Lacerta. Lacerta 36(9): Bergmans, W. & A. Zuiderwijk, Amfibieën en reptielen in Nederland. Wetenschappelijke Mededelingen, knnv nr Bergmans, W. & A. Zuiderwijk, Atlas van de Nederlandse Amfibieën en Reptielen en hun Bedreiging. Vijfde Herpetoge-

Dikkopschildpad: een bijzondere dwaalgast in Nederland

Dikkopschildpad: een bijzondere dwaalgast in Nederland 8 32 11(1/2) 2009 Dikkopschildpad: een bijzondere dwaalgast in Nederland Foto: Arthur Oosterbaan Kop dikkopschildpad Edo Goverse, Maartje Hilterman, Max Janse, Arthur Oosterbaan & Henk Zwartepoorte Op

Nadere informatie

De ringslang een bijzondere bewoner van Gouda

De ringslang een bijzondere bewoner van Gouda De ringslang een bijzondere bewoner van Gouda Uit de serie Natuur in Gouda 10 2 colofon tekst: Cyclus, gemeente Gouda en RAVON lay-out: Steenbergen Ontwerp Studio foto s: André van Kleinwee en Richard

Nadere informatie

Kemps zeeschildpad: een nóg bijzonderder dwaalgast in Nederland

Kemps zeeschildpad: een nóg bijzonderder dwaalgast in Nederland 38 33 11(3) 2009 Kemps zeeschildpad: een nóg bijzonderder dwaalgast in Nederland Edo Goverse, Maartje L. Hilterman, Max Janse & Henk Zwartepoorte Tekening: Paul Veenvliet, gebaseerd op foto s van het New

Nadere informatie

Een leefgebied voor de rugstreeppad

Een leefgebied voor de rugstreeppad Een leefgebied voor de rugstreeppad Landschapsbeheer Flevoland 1 De rugstreeppad in de Noordoostpolder Op zwoele avonden klinkt in het Noordoostpolder vanuit poelen en sloten de luidruchtige roep van de

Nadere informatie

STAMBOEK GEOCHELONE DENTICULATA (woudschildpad) Rapport European Studbook Foundation (E.S.F.) R. Govers, stamboek houder

STAMBOEK GEOCHELONE DENTICULATA (woudschildpad) Rapport European Studbook Foundation (E.S.F.) R. Govers, stamboek houder STAMBOEK GEOCHELONE DENTICULATA (woudschildpad) Rapport 2003 European Studbook Foundation (E.S.F.) R. Govers, stamboek houder Inhoud: 1. Inleiding 2. Het doel en het waarom van het G. denticulata stamboek

Nadere informatie

Reflectie op lezing Kees Bastmeijer

Reflectie op lezing Kees Bastmeijer Reflectie op lezing Kees Bastmeijer Hoe werkt de natuurwet door in de decentralisatie van het natuurbeleid: verantwoordelijkheden en kansen voor de provincies 4 e Flora en Faunacongres Nijmegen, 18 januari

Nadere informatie

Mitigatie en compensatieplan rugstreeppad

Mitigatie en compensatieplan rugstreeppad Mitigatie en compensatieplan rugstreeppad Mitigatie en compensatieplan rugstreeppad Auteur Opdrachtgever Projectnummer Ingen foto omslag T. Ursinus In den Eng Investment 11.148 december 2011 Voortplantingswater

Nadere informatie

SPREEKBEURT GEELWANG-, GEELBUIK- en ROODWANGSCHILDPAD

SPREEKBEURT GEELWANG-, GEELBUIK- en ROODWANGSCHILDPAD l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n SPREEKBEURT GEELWANG-, GEELBUIK- en ROODWANGSCHILDPAD REPTIELEN OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN WE HEBBEN DE BELANGRIJKSTE

Nadere informatie

Hoofdstuk 1: Veldkenmerken en voorkomen 3. Hoofdstuk 2: Voedsel en vijanden 4. Hoofdstuk 3: Voortplanting en verwanten 6

Hoofdstuk 1: Veldkenmerken en voorkomen 3. Hoofdstuk 2: Voedsel en vijanden 4. Hoofdstuk 3: Voortplanting en verwanten 6 Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1 Literatuurlijst 1 Inleiding 2 Hoofdstuk 1: Veldkenmerken en voorkomen 3 Hoofdstuk 2: Voedsel en vijanden 4 Hoofdstuk 3: Voortplanting en verwanten 6 Hoofdstuk 4: Verzorging

Nadere informatie

achterhoekse beekprikken + kammen in vledder adderkop op herhaling + nieuwe voorzitter

achterhoekse beekprikken + kammen in vledder adderkop op herhaling + nieuwe voorzitter Betuwepijn Eigenlijk is deze kwestie te gemakkelijk voor een columnist. Een bal die klaar is gelegd voor een enorm, 360 graden rond en meters hoog doel. Maakt niet uit waar je heen trapt, hij kan er alleen

Nadere informatie

nederlandse naam Franse naam manchot du Cap Engelse naam African penguin wetenschappelijke naam Spheniscus demersus Klasse vogels Verspreidingsgebied

nederlandse naam Franse naam manchot du Cap Engelse naam African penguin wetenschappelijke naam Spheniscus demersus Klasse vogels Verspreidingsgebied nederlandse naam Klasse vogels Franse naam manchot du Cap Engelse naam African penguin Orde Familie grootte 60-70 cm wetenschappelijke naam Spheniscus demersus In ZOO en Planckendael vind je vier verschillende

Nadere informatie

Quickscan FF-wet voor ontwikkelingen aan Wedderstraat 18 te Vlagtwedde.

Quickscan FF-wet voor ontwikkelingen aan Wedderstraat 18 te Vlagtwedde. Quickscan FF-wet voor ontwikkelingen aan Wedderstraat 18 te Vlagtwedde. Quickscan FF-wet voor ontwikkelingen aan Wedderstraat 18 te Vlagtwedde. Status Definitief Datum 7 april 2015 Handtekening Matthijs

Nadere informatie

Bijlage 3: Notitie Aanvullend onderzoek vissen wijzigingsplannen N359, knooppunten Winsum, Húns-Leons en Hilaard

Bijlage 3: Notitie Aanvullend onderzoek vissen wijzigingsplannen N359, knooppunten Winsum, Húns-Leons en Hilaard Bijlage 3: Notitie Aanvullend onderzoek vissen wijzigingsplannen N359, knooppunten Winsum, Húns-Leons en Hilaard Notitie aanvullend onderzoek vissen - aanpassingen kruisingen N359 De provincie Fryslân

Nadere informatie

Dezeeschild pad. Dit is een uitgave van: Strandweg 13 (boulevard) 2586 JK Den Haag 070-3542100. www.sealife.nl

Dezeeschild pad. Dit is een uitgave van: Strandweg 13 (boulevard) 2586 JK Den Haag 070-3542100. www.sealife.nl Dezeeschild pad Dit is een uitgave van: Strandweg 13 (boulevard) 2586 JK Den Haag 070-3542100 www.sealife.nl 1. Geschiedenis Heeel lang geleden voor de tijd van de dinosauriërs waren er al schildpadden!

Nadere informatie

Sectie Infectieziekten

Sectie Infectieziekten Sectie Infectieziekten 1 December 2015 U kunt helpen de HIV / AIDS epidemie te beëindigen You can help to end the HIV / AIDS epidemic Sectie Infectieziekten Weet uw HIV status Know your HIV status by 2020

Nadere informatie

Onderzoek naar de waarde van een ponyweide aan de Nemelerbergweg 17a (Zwolle) voor de knoflookpad.

Onderzoek naar de waarde van een ponyweide aan de Nemelerbergweg 17a (Zwolle) voor de knoflookpad. Onderzoek naar de waarde van een ponyweide aan de Nemelerbergweg 17a (Zwolle) voor de knoflookpad. REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN ONDERZOEK NEDERLAND Onderzoek naar de waarde van een ponyweide aan de Nemelerbergweg

Nadere informatie

DE GEWONE ZEEHOND. Huiler

DE GEWONE ZEEHOND. Huiler DE GEWONE ZEEHOND Huiler Je gelooft het bijna niet als je in die mooie zwarte ogen kijkt, maar een gewone zeehond is een echt roofdier. Zijn scherpe tanden en gestroomlijnde lichaam zijn perfect voor het

Nadere informatie

Notitie resultaten Aanvullend onderzoek kleine modderkruiper Plangebied: Wetenschappersbuurt, Schiedam

Notitie resultaten Aanvullend onderzoek kleine modderkruiper Plangebied: Wetenschappersbuurt, Schiedam Notitie resultaten Aanvullend onderzoek kleine modderkruiper Plangebied: Wetenschappersbuurt, Schiedam Aan: Van: Kopie: M. de Visser (Kubiek Ruimtelijke Plannen) F.A. van Meurs (Ecoresult) L. Boon (Ecoresult)

Nadere informatie

Notitie flora en fauna

Notitie flora en fauna Notitie flora en fauna Titel/locatie Projectnummer: 6306 Datum: 11-6-2013 Opgesteld: Rosalie Heins Gemeente Baarn is voornemens om op de locatie van de huidige gemeentewerf een nieuwe brede school ontwikkelen.

Nadere informatie

OPKOMST VAN DE HALSBANDPARKIET IN NEDERLAND EN UTRECHT André van Kleunen

OPKOMST VAN DE HALSBANDPARKIET IN NEDERLAND EN UTRECHT André van Kleunen OPKOMST VAN DE HALSBANDPARKIET IN NEDERLAND EN UTRECHT André van Kleunen De halsbandparkiet (Psittacula krameri) komt van oorsprong voor in Afrika, in een gordel ten zuiden van de Sahara en op het Indisch

Nadere informatie

RED DE AMFIBIEËN IN EN ROND DE KERKPOLDER IN DELFT

RED DE AMFIBIEËN IN EN ROND DE KERKPOLDER IN DELFT RED DE AMFIBIEËN IN EN ROND DE KERKPOLDER IN DELFT Rapportage over 2001 2009 KNNV afdeling Delfland Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging KNNV afdeling Delfland Postbus 133 2600 AC DELFT

Nadere informatie

De Waddenzee - Informatie

De Waddenzee - Informatie De Waddenzee - Informatie Lees eerst informatie 1 tot en met 7 en beantwoord dan vraag 40 tot en met 52. Bij het beantwoorden van die vragen kun je de informatie gebruiken. Informatie 1 De Waddenzee R

Nadere informatie

[datum woensdag 15 april, auteur Guido Keijl, gepubliceerd op www.walvisstrandingen.nl]

[datum woensdag 15 april, auteur Guido Keijl, gepubliceerd op www.walvisstrandingen.nl] Jaaroverzicht walvisstrandingen 2014 [datum woensdag 15 april, auteur Guido Keijl, gepubliceerd op www.walvisstrandingen.nl] Het totale aantal aangespoelde walvissen in 2014 is wat lager uitgekomen dan

Nadere informatie

Resultaten veldwerk t.b.v. de ontwikkeling van kansenkaarten voor beschermde vissoorten in Flevoland

Resultaten veldwerk t.b.v. de ontwikkeling van kansenkaarten voor beschermde vissoorten in Flevoland Resultaten veldwerk t.b.v. de ontwikkeling van kansenkaarten voor beschermde vissoorten in Flevoland REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN ONDERZOEK NEDERLAND Resultaten veldwerk t.b.v. de ontwikkeling van kansenkaarten

Nadere informatie

Wat beweegt de Bruinvis? Mardik Leopold

Wat beweegt de Bruinvis? Mardik Leopold Wat beweegt de Bruinvis? Mardik Leopold IMARES This side of paradise, 30-08-2015, Haren Even voorstellen: een mini-walvis Voordelen van klein zijn: Ontlopen van competitie Hogere productie en dus reproductie

Nadere informatie

Verslag Excursie Kombos 28 5 2011 Ravon Utrecht

Verslag Excursie Kombos 28 5 2011 Ravon Utrecht Verslag Excursie Kombos 28 5 2011 Ravon Utrecht Op zaterdag 28 mei 2011 is er vanuit RAVON Utrecht een excursie georganiseerd naar het Kombos te Maarsbergen. Het doel van de excursie was om deelnemers

Nadere informatie

Veldinventarisatie ringslang en levendbarende hagedis A37, omgeving Zwartemeer

Veldinventarisatie ringslang en levendbarende hagedis A37, omgeving Zwartemeer Veldinventarisatie ringslang en levendbarende hagedis A37, omgeving Zwartemeer Veldinventarisatie in opdracht van Advies- en Ingenieursbureau Oranjewoud Opgesteld door Stichting RAVON R.P.J.H. Struijk

Nadere informatie

Bijlage VMBO-GL en TL

Bijlage VMBO-GL en TL Bijlage VMBO-GL en TL 2009 tijdvak 1 biologie CSE GL en TL Bijlage met informatie. 913-0191-a-GT-1-b De Waddenzee - Informatie Lees eerst informatie 1 tot en met 7 en beantwoord dan vraag 40 tot en met

Nadere informatie

30 jaar CITES Sonja Van Tichelen European Regional Director. 3 maart 2014

30 jaar CITES Sonja Van Tichelen European Regional Director. 3 maart 2014 30 jaar CITES Sonja Van Tichelen European Regional Director 3 maart 2014 1. Een woordje over IFAW 2. Belang van CITES voor de bescherming van soorten 3. Laten CITES en de EU de ijsberen in de kou staan?

Nadere informatie

Veenweiden steeds belangrijker voor Zwarte sterns in Zuid-Holland. Verslag van monitoring van aantallen en broedsucces in 2013

Veenweiden steeds belangrijker voor Zwarte sterns in Zuid-Holland. Verslag van monitoring van aantallen en broedsucces in 2013 Veenweiden steeds belangrijker voor Zwarte sterns in Zuid-Holland Verslag van monitoring van aantallen en broedsucces in 2013 Veenweiden steeds belangrijker voor Zwarte sterns in Zuid-Holland Verslag

Nadere informatie

Potvis op de dool. Wat is een potvis? De potvis in Heist. Waar leeft de potvis? Stijn Dekelver. baleinwalvissen. De potvis is een

Potvis op de dool. Wat is een potvis? De potvis in Heist. Waar leeft de potvis? Stijn Dekelver. baleinwalvissen. De potvis is een Stijn Dekelver Op woensdag 8 februari 2012 spoelde aan de Belgische kust een potvis aan. Dat gebeurde in Heist, een deelgemeente van Knokke-Heist. Zoiets komt maar een paar keer in een eeuw voor. Het is

Nadere informatie

Bedreiging van de vuursalamanderpopulatie in Nederland door chytride schimmel

Bedreiging van de vuursalamanderpopulatie in Nederland door chytride schimmel Bedreiging van de vuursalamanderpopulatie in Nederland door chytride schimmel Annemarieke Spitzen (a.spitzen@ravon.nl) Naarden, 22 oktober 2014 RAVON Doelstelling: werken aan zoveel mogelijk duurzame populaties

Nadere informatie

Padden Praat 2009 2. PADDEN.NU: stand van zaken

Padden Praat 2009 2. PADDEN.NU: stand van zaken Padden Praat 2009 2 PADDEN.NU: stand van zaken Veel minder padden tijdens paddentrek Nadat de paddentrek dit jaar pas laat op gang kwam door de aanhoudende vrieskou, verliep hij vervolgens met horten en

Nadere informatie

Resultaten van het kleurringen van Nijlganzen en Grote Canadese Ganzen Frank Majoor & Berend Voslamber

Resultaten van het kleurringen van Nijlganzen en Grote Canadese Ganzen Frank Majoor & Berend Voslamber Resultaten van het kleurringen van Nijlganzen en Grote Canadese Ganzen Frank Majoor & Berend Voslamber Sovon-rapport 2013/74 Resultaten van het kleurringen van Nijlganzen en Grote Canadese Ganzen Frank

Nadere informatie

Vleermuisonderzoek De Waterwijzer Lelystad

Vleermuisonderzoek De Waterwijzer Lelystad Vleermuisonderzoek De Waterwijzer Lelystad Opdrachtgever : DG Groep Rapporteur : R. van der Kuil Status : concept Datum : 27 augustus 2011 Stichting CREX Boekenburglaan 54 2215 AE Voorhout 06-48410531

Nadere informatie

Nieuwsbrief 8 van RAVON Afdeling Utrecht juli 2012

Nieuwsbrief 8 van RAVON Afdeling Utrecht juli 2012 Nieuwsbrief 8 van RAVON Afdeling Utrecht juli 2012 Contactpersoon RAVON Utrecht Wim de Wild Couwenhoven 7221 3703 HW Zeist wim.de.wild@ziggo.nl tel. 030-6963771 RAVON Utrecht verstuurt onregelmatig een

Nadere informatie

Bedreiging van de vuursalamanderpopulatie in Nederland door chytride schimmel

Bedreiging van de vuursalamanderpopulatie in Nederland door chytride schimmel Bedreiging van de vuursalamanderpopulatie in Nederland door chytride schimmel Annemarieke Spitzen (a.spitzen@ravon.nl) Naarden, 22 oktober 2014 RAVON Doelstelling: werken aan zoveel mogelijk duurzame populaties

Nadere informatie

Stichting RAVON A.M. Spitzen Postbus 1413 6501 BK NIJMEGEN. Datum 11 april 2014 Betreft Beslissing aanvraag Art. 75 Flora- en faunawet

Stichting RAVON A.M. Spitzen Postbus 1413 6501 BK NIJMEGEN. Datum 11 april 2014 Betreft Beslissing aanvraag Art. 75 Flora- en faunawet > Retouradres Postbus 19530 2500 CM Den Haag Stichting RAVON A.M. Spitzen Postbus 1413 6501 BK NIJMEGEN Postbus 19530 2500 CM Den Haag mijn.rvo.nl T 088 042 42 42 F 070 378 61 39 ffwet@rvo.nl Betreft Beslissing

Nadere informatie

De lederschildpad: spectaculaire nieuwe waarnemingen in Nederland en een statusoverzicht

De lederschildpad: spectaculaire nieuwe waarnemingen in Nederland en een statusoverzicht 35 12(1) 2010 5 De lederschildpad: spectaculaire nieuwe waarnemingen in Nederland en een statusoverzicht Edo Goverse, Maartje L. Hilterman, Pierre Bonnet & Ronald de Ruiter De lederschildpad is een zeeschildpad

Nadere informatie

Wageningen IMARES Harder en zeebaars

Wageningen IMARES Harder en zeebaars Harder en zeebaars Biologie en visserij in Nederland en Europa Tammo Bult, Floor Quirijns, Harriët van Overzee, Stijn Bierman is een samenwerkingsverband tussen Wageningen UR en TNO Harder en Zeebaars

Nadere informatie

De Noordzee HET ONTSTAAN

De Noordzee HET ONTSTAAN De Noordzee De Noordzee is de zee tussen Noorwegen, Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland, Duitsland en Denemarken. De Noordzee is een ondiepe (30-200 m) randzee van de Atlantische oceaan met

Nadere informatie

LEERLINGENBLAD VAN:... NAAR DE HAAIEN! DOE-HET-ZELF LES BASISONDERWIJS GROEP 7 & 8 EEN WERELD VOL WATER

LEERLINGENBLAD VAN:... NAAR DE HAAIEN! DOE-HET-ZELF LES BASISONDERWIJS GROEP 7 & 8 EEN WERELD VOL WATER LEERLINGENBLAD VAN:...... DOE-HET-ZELF LES BASISONDERWIJS GROEP 7 & 8 EEN WERELD VOL WATER 2 EEN WERELD VOL WATER Als je vanuit de ruimte naar de aarde kijkt zie je heel veel blauw. Dat komt omdat onze

Nadere informatie

Waterlanders : op weg met Sam de salamander. Poelenproject Herzele ter uitbreiding van de amfibieënpopulatie met als kernsoort de kamsalamander.

Waterlanders : op weg met Sam de salamander. Poelenproject Herzele ter uitbreiding van de amfibieënpopulatie met als kernsoort de kamsalamander. Waterlanders : op weg met Sam de salamander Poelenproject Herzele ter uitbreiding van de amfibieënpopulatie met als kernsoort de kamsalamander. 1 De kamsalamander... Hallo, Ik ben Sam, de salamander met

Nadere informatie

Rode Lijst Zoetwatervissen 2010: veranderingen ten opzichte van Frank Spikmans 42 ste bijeenkomst vissennetwerk Zwolle, 5 juni 2014

Rode Lijst Zoetwatervissen 2010: veranderingen ten opzichte van Frank Spikmans 42 ste bijeenkomst vissennetwerk Zwolle, 5 juni 2014 Rode Lijst Zoetwatervissen 2010: veranderingen ten opzichte van 1998 Frank Spikmans 42 ste bijeenkomst vissennetwerk Zwolle, 5 juni 2014 Inhoud Historie Rode Lijst Zoetwatervissen Aanpak Rode Lijst analyses

Nadere informatie

Eindrapport. Rugstreeppad en kleine modderkruiper ter plaatse van en direct rond de Hoefweg noord en zuid te Lansingerland

Eindrapport. Rugstreeppad en kleine modderkruiper ter plaatse van en direct rond de Hoefweg noord en zuid te Lansingerland Eindrapport Rugstreeppad en kleine modderkruiper ter plaatse van en direct rond de Hoefweg noord en zuid te Lansingerland Eindrapport Rugstreeppad en kleine modderkruiper ter plaatse van en direct rond

Nadere informatie

Opmerking bij alle grafieken die volgen. In de statistieken zijn alleen de gegevens opgenomen van iedereen die zich heeft aangemeld.

Opmerking bij alle grafieken die volgen. In de statistieken zijn alleen de gegevens opgenomen van iedereen die zich heeft aangemeld. Statistieken 2014 98 ste Vierdaagse De limiet voor het aantal inschrijvingen is in 2014 gesteld op 46.000. In totaal zijn 7.844 personen uitgeloot voor de Vierdaagse. Barometer 2014 alle lopers % uitval

Nadere informatie

QUICKSCAN EDESEWEG 51 WEKEROM

QUICKSCAN EDESEWEG 51 WEKEROM QUICKSCAN EDESEWEG 51 WEKEROM Colofon Opdrachtgever: Tulp-Bijl B.V. Titel: Quickscan Edeseweg 51 Wekerom Status: Definitief Datum: Februari 2013 Auteur(s): Ir. M. van Os Foto s: M. van Os Kaartmateriaal:

Nadere informatie

In de periode legt Waterschap Zuiderzeeland 184 kilometer duurzame en natuurvriendelijke oevers in Flevoland aan. De aanleg van deze oevers

In de periode legt Waterschap Zuiderzeeland 184 kilometer duurzame en natuurvriendelijke oevers in Flevoland aan. De aanleg van deze oevers duurzame oevers In de periode 2012-2015 legt Waterschap Zuiderzeeland 184 kilometer duurzame en natuurvriendelijke oevers in Flevoland aan. De aanleg van deze oevers dragen bij aan het bereiken van de

Nadere informatie

Exoten in mondiale waterwegen: oorzaken en gevolgen

Exoten in mondiale waterwegen: oorzaken en gevolgen Exoten in mondiale waterwegen: oorzaken en gevolgen Rob Leuven i.s.m. Gerard van de Velde Rob Lenders Lezing Vissennetwerk 3 juni 2010 Instituut voor Water en Wetland Research Radboud Universiteit Nijmegen

Nadere informatie

Exotische ziektes: een nieuwe bedreiging voor amfibiee n en vissen

Exotische ziektes: een nieuwe bedreiging voor amfibiee n en vissen Exotische ziektes: een nieuwe bedreiging voor amfibiee n en vissen Annemarieke Spitzen (a.spitzen@ravon.nl) Frank Spikmans (f.spikmans@ravon.nl) Leiden, 18 december 2014 Blauwband (Pseudorasbora parva)

Nadere informatie

Groene glazenmaker in de provincie Groningen

Groene glazenmaker in de provincie Groningen Groene glazenmaker in de provincie Groningen Groene glazenmaker in de provincie Groningen Groene glazenmaker in de provincie Groningen Tekst: Albert Vliegenthart Met medewerking van: Herman de Heer, Henk

Nadere informatie

5. Hoe komt het dat de brulkikker niet meer in Nederland voorkomt?

5. Hoe komt het dat de brulkikker niet meer in Nederland voorkomt? Lesbrief Help, een brulkikker! Wat weet je al? 1. Welke namen zijn genoemd voor deze kikker? 2. Wat eet deze kikker? 3. Waar komt deze kikker van oorsprong vandaan? 4. Hoe is deze kikker in Nederland gekomen?

Nadere informatie

KOMODOVARAAN. Door: Jade Boezer

KOMODOVARAAN. Door: Jade Boezer KOMODOVARAAN Door: Jade Boezer 1 Voorwoord Mijn werkstuk gaat over Komodovaranen. Ik doe het erover omdat ik een onderwerp zocht voor mijn werkstuk en nog niets over Komodovaranen wist. Toen ik aan het

Nadere informatie

Helder water door quaggamossel

Helder water door quaggamossel Helder water door quaggamossel Kansen en risico s Een nieuwe mosselsoort, de quaggamossel, heeft zich in een deel van de Rijnlandse wateren kunnen vestigen. De mossel filtert algen en zwevend stof uit

Nadere informatie

Groengebied Amstelland AB 16-04-2009 Agendapunt 8 Ecologische verbinding Holendrechter- en Bullewijkerpolder BIJLAGE 2: NOTA VAN UITGANGSPUNTEN

Groengebied Amstelland AB 16-04-2009 Agendapunt 8 Ecologische verbinding Holendrechter- en Bullewijkerpolder BIJLAGE 2: NOTA VAN UITGANGSPUNTEN Groengebied Amstelland AB 16-04-2009 Agendapunt 8 Ecologische verbinding Holendrechter- en Bullewijkerpolder BIJLAGE 2: NOTA VAN UITGANGSPUNTEN De Holendrechter- en Bullewijkerpolder als ontbrekende schakel

Nadere informatie

Naam: REPTIELEN. Vraag 1. Noem vier kenmerken van een reptiel. Vraag 1b. Welke (soorten) reptielen ken je al? pagina 1 van 8

Naam: REPTIELEN. Vraag 1. Noem vier kenmerken van een reptiel. Vraag 1b. Welke (soorten) reptielen ken je al? pagina 1 van 8 Naam: REPTIELEN Reptielen zijn gewervelde dieren en ze leven voornamelijk op het land. Ze zijn koudbloedig en hebben de omgevingstemperatuur dus nodig om hun lichaamstemperatuur te regelen. De huid van

Nadere informatie

Stamboek Ocadia sinensis Jaar overzicht 2004

Stamboek Ocadia sinensis Jaar overzicht 2004 Stamboek Ocadia sinensis Jaar overzicht 2004 Ruben Lybaert februari 2005 Pagina - 1 - Inhoud 1. Voorstelling 1.1 voorstellen stamboek: ontstaan en doelstellingen 1.2 korte soortbeschrijving Ocadia sinensis

Nadere informatie

Invoerportaal Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer

Invoerportaal Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Invoerportaal Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Handleiding Thijs Schippers Versie 1.0 (juni 2016) Colofon Datum: Juni 2016 Titel: Handleiding invoermodule Subtitel: Meetnet Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer

Nadere informatie

Educatief pakket: Zeeschildpadden Lager onderwijs. www.aquatopia.be. Naam:... Klas:...

Educatief pakket: Zeeschildpadden Lager onderwijs. www.aquatopia.be. Naam:... Klas:... Educatief pakket: Zeeschildpadden Lager onderwijs www.aquatopia.be Naam:... Klas:... Koningin Astridplein 7 2018 Antwerpen info en reservaties: 03/205.07.50 info@aquatopia.be Inleiding voor de leerkracht

Nadere informatie

De meldingen van flinke sijzenvangsten op Ringersnet was een aanleiding om

De meldingen van flinke sijzenvangsten op Ringersnet was een aanleiding om Op het Vinkentouw Nr.127 september 2013 Vangsten en terugmeldingen van sijzen Gijs van Tol De meldingen van flinke sijzenvangsten op Ringersnet was een aanleiding om eens nader te kijken naar de variatie

Nadere informatie

Monitoring en inventarisatie reptielen en amfibieën Loonse en Drunense Duinen / Huis ter Heide

Monitoring en inventarisatie reptielen en amfibieën Loonse en Drunense Duinen / Huis ter Heide Monitoring en inventarisatie reptielen en amfibieën Loonse en Drunense Duinen / Huis ter Heide 2010 Mark Klerks November 2010 Inleiding: Het jaar 2010 kwam maar langzaam op gang. Vooral het voorjaar was

Nadere informatie

Ik ben het Net. Netje is een meid! Vrolijke meid, uit een vissersdorp! VISSERIJ 7 8 GROEP. Dit verhaal is onderdeel van de Europese Verhalenkoffer.

Ik ben het Net. Netje is een meid! Vrolijke meid, uit een vissersdorp! VISSERIJ 7 8 GROEP. Dit verhaal is onderdeel van de Europese Verhalenkoffer. VISSERIJ Ik ben het Net Netje is een meid! Vrolijke meid, uit een vissersdorp! Aangeboden door Dit verhaal is onderdeel van de Europese Verhalenkoffer. www.eu.nl -> onderwijs Europese Unie Haring! Verse

Nadere informatie

Wegvangen van kleine modderkruipers i.v.m. het vergraven van watergangen in de Klapwijkse Pier

Wegvangen van kleine modderkruipers i.v.m. het vergraven van watergangen in de Klapwijkse Pier Ecologisch werkprotocol Wegvangen van kleine modderkruipers i.v.m. het vergraven van watergangen in de Klapwijkse Pier Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4a, 3329 KH Dordrecht Ecologisch Adviesbureau

Nadere informatie

Nieuwsbrief 18 van RAVON Afdeling Utrecht Maart 2015

Nieuwsbrief 18 van RAVON Afdeling Utrecht Maart 2015 Nieuwsbrief 18 van RAVON Afdeling Utrecht Maart 2015 Contactpersoon RAVON Utrecht Wim de Wild wim.de.wild@ziggo.nl tel. 030-6963771 RAVON Utrecht verstuurt onregelmatig een nieuwsbrief naar de RAVON waarnemers

Nadere informatie

Bever. Laatste bever in Nederland. Over de bever

Bever. Laatste bever in Nederland. Over de bever Bever Laatste bever in Nederland Om te beginnen vertel ik jullie een verhaal over de laatste bever in Nederland! We gaan een eind in de geschiedenis terug, naar het jaar 1825. Een visser voer op de IJssel

Nadere informatie

Lees eerst informatie 1 tot en met 7 en beantwoord dan vraag 40 tot en met 52. Bij het beantwoorden van die vragen kun je de informatie gebruiken.

Lees eerst informatie 1 tot en met 7 en beantwoord dan vraag 40 tot en met 52. Bij het beantwoorden van die vragen kun je de informatie gebruiken. De Waddenzee Lees eerst informatie 1 tot en met 7 en beantwoord dan vraag 40 tot en met 52. Bij het beantwoorden van die vragen kun je de informatie gebruiken. 2p 40 In de informatie worden biotische en

Nadere informatie

Schildpadden Alex. Schildpadden. Geschreven door : Alex Groep : 7 Datum : 9 november 2014

Schildpadden Alex. Schildpadden. Geschreven door : Alex Groep : 7 Datum : 9 november 2014 Schildpadden Geschreven door : Alex Groep : 7 Datum : 9 november 2014 1 Inleiding Ik heb de schildpad als onderwerp gekozen omdat het mijn lievelingsdier is. Ik ben al bijna mijn hele leven geïnspireerd

Nadere informatie

Galápagos-eilanden. Inleiding. Inhoudsopgave. 1. Algemeen

Galápagos-eilanden. Inleiding. Inhoudsopgave. 1. Algemeen Galápagos-eilanden Inleiding Ik wil mijn spreekbeurt graag houden over de Galápagos-eilanden. De Galápagos-eilanden liggen in de Stille Oceaan en zijn heel bijzonder omdat er dieren en planten leven die

Nadere informatie

Japanse duizendknoop Help mee deze plant te bestrijden

Japanse duizendknoop Help mee deze plant te bestrijden Japanse duizendknoop Help mee deze plant te bestrijden Stad met een hart Deze folder gaat over de bestrijding van de Japanse duizendknoop. Deze plant groeit erg snel. De wortels zijn heel sterk en kunnen

Nadere informatie

Beheer- en onderhoudsplan

Beheer- en onderhoudsplan Beheer- en onderhoudsplan 2010-2015 Algemeen Deel Naar een meer gedifferentieerd en extensief onderhoud van hoofdwatergangen in het landelijk gebied Tabel 4:

Nadere informatie

Vuursalamander. Vuursalamander

Vuursalamander. Vuursalamander Vuursalamander Trouw aan huis Met een lengte tot wel 25 cm is de vuursalamander vrij opvallend. Als vuursalamanders kleiner waren geweest, vielen ze nog steeds op door hun zwart met felgele of knaloranje

Nadere informatie

De kwabaal. Kabeljauw van het zoete water

De kwabaal. Kabeljauw van het zoete water De kwabaal Kabeljauw van het zoete water Herkenning De kwabaal (Lota lota) is de enige kabeljauwachtige die leeft in zoet water. Kenmerkend zijn de platte, brede kop en één enkele lange bekdraad in het

Nadere informatie

* populatie = alle schildpadden bij elkaar ** camoufleren verbergen, onzichtbaar proberen te maken (Wordt vervolgd)

* populatie = alle schildpadden bij elkaar ** camoufleren verbergen, onzichtbaar proberen te maken (Wordt vervolgd) VAK : TEKSTBEGRIP DATUM: WOENSDAG 17 JULI 2013 TIJD : 08.15 09.45 UUR Deel I I II III IV V VI 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39

Nadere informatie

Ecologisch werkprotocol

Ecologisch werkprotocol Ecologisch werkprotocol Lommerrijk 23 Lelystad Locatie en werkzaamheden Lommerrijk 23 ligt aan de noordwestzijde van Lelystad, in de gemeente Lelystad en de provincie Flevoland. Het plangebied is aangegeven

Nadere informatie

Huismus- en vleermuisinventarisatie op planlocatie de Marke III te Hengevelde

Huismus- en vleermuisinventarisatie op planlocatie de Marke III te Hengevelde Huismus- en vleermuisinventarisatie op planlocatie de Marke III te Hengevelde In opdracht van: SAB BV Oktober 2013 Huismus- en vleermuisinventarisatie op planlocatie de Marke III te Hengevelde Colofon:

Nadere informatie

Tuinieren voor amfibieën en reptielen

Tuinieren voor amfibieën en reptielen Tuinieren voor amfibieën en reptielen Hoe maak ik mijn tuin aantrekkelijk voor salamanders, kikkers, padden, hagedissen en (ring)slangen? Edo van Uchelen Bij het werken in de tuin of de heemtuin kom je

Nadere informatie

Veranderingen in de internationale positie van Nederlandse banken

Veranderingen in de internationale positie van Nederlandse banken Veranderingen in de internationale positie van Nederlandse banken De Nederlandse bancaire vorderingen 1 op het buitenland zijn onder invloed van de economische crisis en het uiteenvallen van ABN AMRO tussen

Nadere informatie

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind.

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Bullying among Students with Autism Spectrum Disorders in Secondary

Nadere informatie

Ecologisch onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan voor een terrein ten zuiden van Harmelen

Ecologisch onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan voor een terrein ten zuiden van Harmelen Ecologisch onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan voor een terrein ten zuiden van Harmelen - notitie - Oktober 2010 W 511 Natuur-Wetenschappelijk Centrum Noorderelsweg 4a 3329 KH Dordrecht 078-6213921

Nadere informatie

Adviesrapport. N203 groot onderhoud (Nesdijk) Aanvullend Natuuronderzoek

Adviesrapport. N203 groot onderhoud (Nesdijk) Aanvullend Natuuronderzoek Adviesrapport N203 groot onderhoud (Nesdijk) Uitgebracht aan: Froukje Oostra Rapport opgesteld door: Nico Jonker Kwaliteitscontrole: Jur Hoefakker Vrijgegeven door: Bonnummer IGI: 12252 WBS code: 20.0248-002

Nadere informatie

Aantal gevonden legsels in 2008

Aantal gevonden legsels in 2008 10 1 Broedpaaraantallen 2. Reproductie Na terugkomst van weidevogels in hun broedgebied vormen zich paren en kiezen de vogels een plek om te gaan broeden: de vestiging. Daarna komen twee belangrijke reproductiefasen:

Nadere informatie

Monitoring Natuurverbinding Hoorneboeg & Zwaluwenberg

Monitoring Natuurverbinding Hoorneboeg & Zwaluwenberg Monitoring Natuurverbinding Hoorneboeg & Zwaluwenberg Versie: december 2016 Uitwerpsel van de boommarter die voornamelijk uit lijsterbessen bestaan Inhoud 1. Inleiding 2. BBC interview 3. Natuurbrug Hoorneboeg

Nadere informatie

Het Effect van Verschil in Sociale Invloed van Ouders en Vrienden op het Alcoholgebruik van Adolescenten.

Het Effect van Verschil in Sociale Invloed van Ouders en Vrienden op het Alcoholgebruik van Adolescenten. Het Effect van Verschil in Sociale Invloed van Ouders en Vrienden op het Alcoholgebruik van Adolescenten. The Effect of Difference in Peer and Parent Social Influences on Adolescent Alcohol Use. Nadine

Nadere informatie

DE CALIFORNISCHE ZEELEEUW

DE CALIFORNISCHE ZEELEEUW DE CALIFORNISCHE ZEELEEUW Zwemmende acrobaat De Californische zeeleeuw is één van de meest elegante waterdieren die er bestaat. Met snelheden van wel 40 kilometer per uur schiet hij als een pijl door het

Nadere informatie

Trachemys scripta troostii. Geelwangschildpad Cumberlandschuckschidlkröte Cumberland slider / Cumberland turtle

Trachemys scripta troostii. Geelwangschildpad Cumberlandschuckschidlkröte Cumberland slider / Cumberland turtle Latijnse naam: Nederlandse naam: Duitse naam: Engelse naam: Trachemys scripta troostii Geelwangschildpad Cumberlandschuckschidlkröte Cumberland slider / Cumberland turtle Uiterlijk Ze hebben een groene

Nadere informatie

Bijlage VMBO-GL en TL

Bijlage VMBO-GL en TL Bijlage VMBO-GL en TL 2015 tijdvak 2 biologie CSE GL en TL Deze bijlage bevat informatie. GT-0191-a-15-2-b De Galapagos-eilanden Lees eerst informatie 1 tot en met 7 en beantwoord dan vraag 40 tot en met

Nadere informatie

Grote vos Nymphalis polychloros

Grote vos Nymphalis polychloros Nymphalis polychloros Jan Goedbloed Soortbeschrijving De is een grote bruinrode vlinder, behorend tot de familie van de schoenlappers Nymphalidae waar ook, Atalanta, Dagpauwoog, Gehakkelde aurelia en Distelvlinder

Nadere informatie

Amerikaanse rivierkreeft in veenweidegebied. Onderzoek naar de verspreiding, abundantie en beheer in relatie tot het bereiken van de KRWdoelen

Amerikaanse rivierkreeft in veenweidegebied. Onderzoek naar de verspreiding, abundantie en beheer in relatie tot het bereiken van de KRWdoelen Amerikaanse rivierkreeft in veenweidegebied Onderzoek naar de verspreiding, abundantie en beheer in relatie tot het bereiken van de KRWdoelen Inhoud exotische kreeften in Nederland autecologie geknobbelde

Nadere informatie

Sedimentatie in Harderwijker Bocht ten gevolge van de strekdam bij Strand Horst Noord

Sedimentatie in Harderwijker Bocht ten gevolge van de strekdam bij Strand Horst Noord Sedimentatie in Harderwijker Bocht ten gevolge van de strekdam bij Strand Horst Noord In het gebied tussen de strekdammen bij Strand Horst Noord en de bebouwing van Harderwijk ligt een klein natuurgebied

Nadere informatie

DE BRUINVIS. Kleinste walvisachtige van ons grootste natuurgebied, de Noordzee

DE BRUINVIS. Kleinste walvisachtige van ons grootste natuurgebied, de Noordzee DE BRUINVIS Kleinste walvisachtige van ons grootste natuurgebied, de Noordzee Bruinvis paspoort Lengte Gewicht Leeftijd Groepsgrootte 1-10 Voedsel vrouw ± 1,60 m man ± 1,45 m vrouw ± 60 kg man ± 50 kg

Nadere informatie

Flora- en faunawet. Gedragscode Bestendig beheer groenvoorziening

Flora- en faunawet. Gedragscode Bestendig beheer groenvoorziening Flora- en faunawet De Flora- en faunawet (Ffwet) is in april 2002 in werking getreden. De wet beschermt alle in het wild levende flora en fauna in Nederland. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet altijd

Nadere informatie

Statistieken 2015 99 ste Vierdaagse

Statistieken 2015 99 ste Vierdaagse Statistieken 2015 99 ste Vierdaagse De limiet voor het aantal inschrijvingen is in 2015 gesteld op 46.000. In totaal zijn 5.462 personen uitgeloot voor de Vierdaagse. Barometer 2015 alle lopers % uitval

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Meer doden onder fietsers, minder onder motorrijders. Meeste verkeersdoden onder twintigers

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Meer doden onder fietsers, minder onder motorrijders. Meeste verkeersdoden onder twintigers Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB07-031 23 april 2007 10.00 uur Sterke stijging verkeersdoden onder fietsers In 2006 kwamen 811 mensen in het Nederlandse verkeer om. Dit zijn er 6 minder

Nadere informatie

Deze maand aandacht voor de Zwarte Lori en Loro Parque Nieuws..

Deze maand aandacht voor de Zwarte Lori en Loro Parque Nieuws.. Deze maand aandacht voor de Zwarte Lori en Loro Parque Nieuws.. Soortbeschrijving Formaat: 32 cm. Man en pop: algemene lichaamskleur zwart, overgoten met een paars- tot purperachtige gloed. Stuit en bovenstaartdekveren

Nadere informatie

Toerisme in cijfers Tourism in figures 2013. 03 aantal overnachtingen naar verblijfsmotief 2013 number of overnight stays by motive of stay 2013

Toerisme in cijfers Tourism in figures 2013. 03 aantal overnachtingen naar verblijfsmotief 2013 number of overnight stays by motive of stay 2013 Toerisme in cijfers Tourism in figures 2013 XL 03 aantal overnachtingen naar verblijfsmotief 2013 number of overnight stays by motive of stay 2013 Ju i 2014 2 AANTAL OVERNACHTINGEN NAAR VERBLIJFSMOTIEF,

Nadere informatie

op en rond de Filippijnse eilanden 142 Lacerta 65 nummer 4

op en rond de Filippijnse eilanden 142 Lacerta 65 nummer 4 herpetologische waarnemingen op en rond de Filippijnse eilanden 142 Lacerta 65 nummer 4 J. ter Borg Nieuwemeerdijk 253 1171 NM Badhoevedorp Foto s van de auteur (tenzij anders vermeld) Lacerta 65 nummer

Nadere informatie

Haag - Rohrbeck. Luister naar de zee!

Haag - Rohrbeck. Luister naar de zee! Belangrijke informatie Dit product gebruikt drie batterijen van 1,5V (knoopcel batterijen van het type AG10/LR1130). Gebruik geen oude en nieuwe batterijen door elkaar. Plaats de nieuwe batterijen met

Nadere informatie

l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n SPREEKBEURT AXOLOTL AMFIBIEËN OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN

l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n SPREEKBEURT AXOLOTL AMFIBIEËN OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n SPREEKBEURT AXOLOTL AMFIBIEËN OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN WE HEBBEN DE BELANGRIJKSTE INFORMATIE OVER DE AXOLOTL BIJ

Nadere informatie

PROJET0 TAMAR IBAMA PRAIA DO FORTE & SUBAUMA FILHOTE, NET UIT HET ZAND OP WEG NAAR HET WATER

PROJET0 TAMAR IBAMA PRAIA DO FORTE & SUBAUMA FILHOTE, NET UIT HET ZAND OP WEG NAAR HET WATER PROJET0 TAMAR IBAMA PRAIA DO FORTE & SUBAUMA Tamar is een Portugese afkorting van Tartaruga Marinara, de zeeschildpad. Projeta Tamar is het Braziliaanse projekt dat gericht is op de bescherming van zeeschildpadden.

Nadere informatie

Factsheet Paling. Factsheet, december 2015. www.goedevis.nl

Factsheet Paling. Factsheet, december 2015. www.goedevis.nl De levenscyclus van de paling De paling is een trekvis die zich voortplant in de Sargasso zee, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. De palinglarfjes zwemmen met de warme golfstroom terug naar

Nadere informatie