KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN GASTEL GERT LV

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN GASTEL GERT LV"

Transcriptie

1 KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN GASTEL GERT LV Hernieuwing en uitbreiding van een pluimveehouderij tot een totaal van stuks pluimvee WUUSTWEZEL Opmaak en begeleiding: SBB Accountants & Adviseurs Milieubureau Joveco bvba Diestsevest 32 bus 1 Kriesberg 29b 3000 Leuven 3221 Holsbeek Tel Tel Uitvoering Fax meet en 88 inspectiewerk Tel

2 Colofon Titel Opdrachtgever Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV Heivelden Wuustwezel KBO-nummer Vestigingseenheidsnummer Projectlocatie Huisheuvelstraat Wuustwezel Uitvoering meet- en Datum 26 oktober 2015 Deskundigen- Studiebureaus SBB Accountants & Adviseurs Diestsevest 32 bus 1a 3000 Leuven Tel Uitvoering Fax meet en 28 inspectiewerk Erkende MER deskundigen coördinaten Milieubureau Joveco bvba Kriesberg 29b 3221 Holsbeek Tel Tel Handtekening Lucht Bodem (deeldomein pedologie) Water (deeldomein oppervlaktewater) Coördinator Johan Versieren Johan Versieren Kriesberg 29b 3221 Holsbeek tel Uitvoering Deskundigen meet- en inspectiewerk Fauna en Flora Landschap Mens Bodem Water Lucht Geluid Initiatiefnemer Annick Van de Walle Oostveldstraat Eeklo An Maes Witte Molenstraat 45 bus Brugge Isabelle Rommens Diksmuidseweg Ieper Sara Kelchtermans Diestsevest 32 bus Leuven Van Gastel Gert LV Huisheuvelstraat Wuustwezel tel Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 2/213

3 INHOUDSOPGAVE COLOFON 3 INHOUDSOPGAVE 5 1 IDENTIFICATIE VAN HET BEDRIJF BEKNOPTE PROJECTBESCHRIJVING TOETSING MER-PLICHT RELEVANTE GEGEVENS UIT VORIGE RAPPORTAGES GEGEVENS INITIATIEFNEMER EN DESKUNDIGE MER initiatiefnemer uitbater Samenstelling en taakverdeling van team van deskundigen SITUERING PROJECT LIGGING EXPLOITATIE ADMINISTRATIEVE VOORGESCHIEDENIS Overzicht afgeleverde milieuvergunningen Overzicht afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen JURIDISCHE EN BELEIDSMATIGE VOORGESCHIEDENIS Juridische randvoorwaarden Beleidsmatige randvoorwaarden BESCHRIJVING PROJECT ALGEMENE DOELSTELLING EN VERANTWOORDING PROJECT OVERZICHT VERGUNDE EN GEWENSTE TOESTAND BESCHRIJVING BEDRIJFSINFRASTRUCTUUR Huidige en toekomstige bedrijfsinfrastructuur AFBRAAK- EN AANLEGFASE BESCHRIJVING EXPLOITATIECYCLUS Huidige exploitatiecyclus Toekomstige exploitatiecyclus PRODUCTIEBEHEER EN GRONDSTOFFENVERBRUIK Productiebeheer Grondstoffenverbruik Eindproducten Residuen en emissies BESCHRIJVING ALTERNATIEVEN Nulalternatief Doelstellingsalternatieven Locatiealternatieven Uitvoeringsalternatieven METHODIEK EN ONTWIKKELINGSSCENARIO S METHODIEK ONTWIKKELINGSSCENARIO S Autonome ontwikkeling Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 3/213

4 4.2.2 Gestuurde ontwikkeling Ruimtelijke ordening Mestdecreet AFBAKENING STUDIEGEBIED, METHODIEK, BESCHRIJVING REFERENTIESITUATIE & ONTWIKKELINGSSCENARIO S LUCHT Afbakening studiegebied Toelichting gegevensgebruik Geur Methodiek Methodiek effectbepaling Vlarem II afstandsregels IFDM-modellering Referentiesituatie Vlarem II afstandsregels IFDM-modellering Geplande situatie Vlarem II afstandsregels IFDM-modellering Stof Methodiek effectbepaling Bepaling stofemissies Bepaling stofconcentratie in omgevingslucht Toetsing stofconcentratie Referentiesituatie Actuele luchtkwaliteit in het studiegebied Bepaling stofemissie Bepaling impact stofconcentratie in de omgevingslucht Geplande situatie Bepaling stofemissie Bepaling impact op stofconcentratie in omgevingslucht Verzurende en vermestende impact Methodiek Methodiek effectbepaling Bepaling ammoniakemissie Referentiesituatie Geplande situatie Energie en broeikasgassen Methodiek Methodiek Referentiesituatie Methaanemissie Lachgasemissie CO 2 -emissie Nieuwe situatie Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 4/213

5 Methaanemissie Lachgasemissie CO 2 -emissie Totale broeikasgasemissies Energieverbruik en broeikasgassen Synthese discipline lucht Milderende maatregelen Door het bedrijf genomen maatregelen Door het bedrijf geplande maatregelen Verdere mogelijkheden of aanbevelingen WATER Afbakening studiegebied Inhoudelijke afbakening Geografische afbakening Toelichting gegevensgebruik Grondwater Methodiek Methodiek analyse referentiesituatie Methodiek effectbepaling - analyse geplande situatie Analyse van de referentiesituatie Effectbepaling - Analyse van de geplande situatie Oppervlaktewater Methodiek Analyse van de referentiesituatie Effectinschatting - Analyse van de geplande situatie Synthese Milderende maatregelen Reeds toegepast in de huidige situatie Geplande maatregelen Verdere mogelijkheden of aanbevelingen BODEM Afbakening studiegebied Inhoudelijke afbakening Geografische afbakening Toelichting gegevensgebruik Methodiek Analyse referentiesituatie Beschrijving geologie Beschrijving bodem Effectbepaling Effecten in de actuele situatie Effecten in de geplande situatie synthese Milderende maatregelen De genomen maatregelen: Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 5/213

6 De geplande maatregelen : De verdere mogelijkheden : GELUID Afbakening studiegebied Referentiesituatie Gevolgen van geluidshinder Methodiek Bepalen van de geluidsemissie Bepalen van de geluidsimmissie Beoordeling van de geluidsimmissie Continue bronnen Richtwaarden/Grenswaarden Significantiekader uit het richtlijnenboek geluid en trillingen Incidentele bronnen Conclusie van de beoordeling Bepaling van de verschillende geluidsbronnen Ventilatoren Laden en lossen Landbouwdieren Effectinschatting - Bestaande situatie Geluidsemissie van de bestaande inrichting Continue geluidsbronnen Incidentele bronnen Geluidsimmissie van de bestaande inrichting Continue bronnen Huidige situatie: Incidentele bronnen Beoordeling van de geluidsimmissie van de bestaande inrichting Continue bronnen Incidentele bronnen Effectinschatting - Geplande situatie Geluidsemissie van de geplande inrichting Geluidsemissie nieuwe bronnen Geluidsimmissie van de extra nieuwe bronnen Beoordeling van de geluidsimmissie van de nieuwe bronnen (uitbreiding op zich) Continue geluidsbronnen Er wordt voldaan aan de grenswaarde, er moeten geen milderende maatregelen genomen worden Incidentele bronnen Beoordeling van de geluidsimmissie van de gewenste situatie (in zijn geheel) Samenvatting effecten geplande situatie Synthese Milderende maatregelen Door het bedrijf genomen maatregelen Door het bedrijf geplande maatregelen Verdere mogelijkheden of aanbevelingen Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 6/213

7 5.5 MENS Afbakening studiegebied Toelichting gegevensgebruik Methodiek Methodiek effectbepaling Referentiesituatie Effectinschatting Klachtenbehandeling Verkeershinder Geplande situatie Effectinschatting Verkeershinder Geluidshinder Geurhinder Stofhinder Bestrijding ongedierte Synthese Milderende maatregelen Door het bedrijf genomen maatregelen Door het bedrijf geplande maatregelen Verdere mogelijkheden of aanbevelingen FAUNA EN FLORA Afbakening studiegebied Toelichting gegevensgebruik Toelichting referentiesituatie Biologische waarderingskaart Aandachtsgebieden (gebieden met belangrijke natuurwaarde) Kwetsbaarheid t.a.v. verzuring en vermesting Methodiek Verzuring en vermesting door ammoniakdepositie Verdroging Rustverstoring Effectinschatting Direct ecotoopverlies Verzuring en vermesting door ammoniakdepositie Verdroging Rustverstoring Synthese Milderende maatregelen Door het bedrijf genomen maatregelen Door het bedrijf geplande maatregelen Verdere mogelijkheden of aanbevelingen LANDSCHAP, BOUWKUNDIG ERFGOED EN ARCHEOLOGIE Afbakening studiegebied Toelichting gegevensgebruik Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 7/213

8 5.7.3 Methodiek Het landschap als relatiesysteem De erfgoedaspecten De perceptieve aspecten Toelichting referentiesituatie Geografische situering Landschapsatlas (ankerplaatsen ) Bouwkundig erfgoed Bedrijf in de referentiesituatie Effectinschatting Het landschap als relatiesysteem Erfgoedaspecten Perceptieve aspecten Synthese Milderende maatregelen De genomen maatregelen: De geplande maatregelen : De verdere mogelijkheden : ELEMENTEN TEN BEHOEVE VAN DE WATERTOETS PASSENDE BEOORDELING -TOETS BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN LEEMTEN IN KENNIS MONITORING EN EVALUATIE CONTROLE Geurhinder klachtenopvolging op gemeentelijk niveau Verzuring sectorale opvolging op gewestelijk niveau Verstoring waterhuishouding debietmeter grondwater Bodemverontreiniging Vermesting MAP-meetpunten Emissies stookinstallaties TEWERKSTELLINGS- EN INVESTERINGSRAPPORT TEWERKSTELLING INVESTERINGEN DUURZAAM GEBRUIK VAN GRONDSTOFFEN EN GOEDEREN SYNTHESE MILIEUEFFECTEN EN MILDERENDE MAATREGELEN GEUR EN LUCHT WATER BODEM GELUID Door het bedrijf geplande maatregelen: Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 8/213

9 Verdere mogelijkheden of aanbevelingen: MENS Door het bedrijf geplande maatregelen: Verdere mogelijkheden of aanbevelingen: FAUNA EN FLORA Door het bedrijf geplande maatregelen: LANDSCHAP, BOUWKUNDIG ERFGOED EN ARCHEOLOGIE De geplande maatregelen: De verdere mogelijkheden: NIET-TECHNISCHE SAMENVATTING VERKLARENDE WOORDENLIJST LITERATUURLIJST OVERZICHT TABELLEN EN FIGUREN BIJLAGEN IFDM-PARAMETERS UITTREKSELS AKOESTISCH ONDERZOEK NEDERLAND FOTOREPORTAGE NIET-TECHNISCHE SAMENVATTING Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 9/213

10 VOORAF Milieueffectrapportage (m.e.r.) Milieueffectrapportage (m.e.r.) is een instrument om de doelstellingen en beginselen van het milieubeleid te helpen realiseren, nl. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Milieueffectrapportage is een juridisch-administratieve procedure waarbij alvorens een activiteit of een ingreep (projecten, beleidsvoornemens zoals plannen en programma's) plaatsvindt, de milieugevolgen ervan op een wetenschappelijk verantwoorde wijze worden bestudeerd, besproken en geëvalueerd. Om een vergunning voor een bepaald project te bekomen, is soms een milieueffectrapport (MER) vereist. Dit MER rapporteert de milieueffecten van het onderwerp van de vergunningsaanvraag (zowel milieu-, als bouwvergunning), en dient als ondersteunend document voor de vergunningverlener. De wettelijke eisen van de inhoud van het MER zijn omschreven in het MER - VR decreet van 18 december De projecten en/of activiteiten waarvoor een MER dient te worden opgesteld, worden vastgelegd in het uitvoeringsbesluit van 10 december 2004 van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (B.S. 17/02/2005). M.e.r.-procedure Het m.e.r.-proces is toegankelijk voor publieke inspraak. Dit gebeurt in de beginfase van het m.e.r.-proces door middel van een kennisgevingsdossier. Het kennisgevingsdossier bevat naast een beschrijving van het project zelf, eveneens een beschrijving van de ruimtelijke situering, van de bestaande vergunningstoestand en van de toestand zoals die zal worden aangevraagd. Mogelijke alternatieven met hun voor- en nadelen worden onderzocht en er wordt aangegeven welke alternatieven in het MER verder onderzocht zullen worden. Een laatste luik van het kennisgevingsdossier betreft de inhoudelijke aanpak die bij de opmaak van het milieueffectrapport zal gevolgd worden. Na het kennisgevingsdossier wordt het eigenlijke MER opgesteld. Deze fase is niet toegankelijk voor publieke inspraak. De m.e.r.-makers zullen evenwel voor hun informatieverzameling beroep doen op de kennis en inventarisaties van milieuverenigingen, gemeenten, De rol van de aangesproken instanties is in deze fase meestal passief en beperkt zich tot het verstrekken van de gevraagde gegevens. In het huidige rapport wordt er voor geopteerd om de kennisgevingsfase te koppelen aan het eigenlijke MER. Deze fase wordt gebundeld dat 1 procedurestap. Nadat het MER goedgekeurd verklaard is, wordt het rapport openbaar gemaakt. Vanaf dan kunnen het project- MER, het project-mer-verslag, de beslissing omtrent de volledigverklaring van de kennisgeving en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, ten allen tijde geraadpleegd worden bij LNE, Dienst Mer. Na het doorlopen van de m.e.r.-procedure is inspraak opnieuw mogelijk. Ter verduidelijking wordt volgend schematisch overzicht (met vermelding van de wettelijk vastgelegde termijnen) van de gehele m.e.r.-procedure weergegeven: Uitgebreid kennisgevingsdossier (kennisgeving/ontwerp-mer) De Dienst MER geeft de mogelijkheid om een kennisgeving/ontwerp-mer op te maken hetgeen de vroegere kennisgeving en de ontwerptekst vervangt. Deze kennisgeving/ontwerp-mer onderzoekt reeds de te verwachte Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 10/213

11 effecten en stelt milderende maatregelen voor. Dit document wordt dan aan de adviesverlenende adviesverlenen instanties voorgelegd en ter inzage gelegd. Schematisch verloop van de m.e.r.-procedure procedure voor een project, project ingeval er grensoverschrijdende effecten van belang zijn: Kennisgeving/Ontwerp-MER MER VAN GASTEL GERT LV 11/213

12 Richtlijnenboek Sinds september 1997 beschikken de deskundigen over een belangrijk hulpmiddel. Op initiatief van de cel Milieueffectrapportage werd namelijk een Richtlijnenboek opgesteld. De elf boekdelen (variërend van zo'n 20 tot 250 bladzijden geven een stand van zaken uit de periode van de kennis, de informatiebronnen, richtlijnen over MER in het algemeen, de algemene methodologie en de methodologie per MER-discipline. Het "Richtlijnenboek voor het opstellen en beoordelen van milieueffectrapporten" beantwoordt aan een uit de m.e.r.-praktijk gegroeide behoefte. Het biedt geen kant-en-klare recepten maar basisrichtlijnen over hoe een kwaliteitsvol MER kan opgesteld worden. Het richtlijnenboek bundelt heel wat kennis, zowel procedureel als methodologisch, op het gebied van milieueffectrapportage. Het is nuttig voor initiatiefnemers van een MER-plichtige activiteit, de MER-maker, de administratie, de vergunningverlenende en de controlerende overheden en de bevolking. Specifiek voor de veehouderij werd een richtlijnenboek uitgewerkt. De meest recente versie van het richtlijnenboek landbouwdieren dateert van juni Het milieueffectrapport gaat ter zake dan ook van dit richtlijnenboek uit. Procedure milieuvergunningsaanvraag Indien een milieuvergunningsaanvraag wordt ingediend onderzoekt de provincie of de aanvraag volledig en ontvankelijk kan verklaard worden. Indien dit kan gebeuren, dan moet ze dit binnen de 30 dagen (Besluit van de Vlaamse Regering van 01/03/2013) per aangetekend schrijven laten weten. Zoniet, dan krijgt u ook een, niet aangetekend, bericht. De datum van volledig en ontvankelijk verklaren is van belang. Vanaf dan heeft de provincie 4 maanden de tijd (eventueel 6 maanden) om het dossier te beslissen. Alle dossiers worden dan naar de verschillende adviesverlenende diensten verstuurd. Aan de gemeente wordt eveneens de opdracht gegeven om een openbaar onderzoek (gedurende 30 dagen) uit te voeren. Voor bepaalde hernieuwingsaanvragen kan de Deputatie afwijken van deze termijnen. De adviesverlenende overheidsorganen zijn: het College van Burgemeester en Schepenen, de Afdeling Milieuvergunningen van LNE, de Afdeling grondwater van VMM (niet voor elke inrichting), het Agentschap Ruimtelijke Ordening, het Agentschap Zorg en Gezondheid (niet voor elke inrichting), de Vlaamse Milieumaatschappij (niet voor elke inrichting), Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 12/213

13 Alle adviezen worden gegroepeerd door de Provinciale Milieuvergunningcommissie, die zelf ook een globaal advies geeft, dat overgemaakt wordt aan de Deputatie. Op verzoek kan de aanvrager door deze commissie gehoord worden. Het is aan te bevelen u hierin te laten bijstaan. Het openbaar onderzoek omvat: mogelijkheid tot inzage van het dossier gedurende 30 dagen, aanplakking gedurende 30 dagen, kennisgeving van de aanvraag aan eigenaars en gebruikers binnen 100 m rond perceel, bekendmaking in de pers, informatievergadering (verplicht in het kader van een MER-plichtig bedrijf). De Deputatie dient een beslissing te nemen binnen de gestelde periode. Zij zendt deze binnen de 10 kalenderdagen naar de bevoegde burgemeester, die belast wordt met de bekendmaking. Dit houdt in: aanplakking gedurende 30 dagen van de beslissing, ter inzage leggen van de beslissing gedurende 30 dagen. Indien er geen beslissing is gevallen binnen de gestelde periode wordt de aanvraag als geweigerd beschouwd. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 13/213

14 Schematisch verloop van een Milieuvergunningsaanvraag voor een inrichting KLASSE 1 Indienen Milieuvergunningsaanvraag klasse 1 Volledig en ontvankelijk (30 dagen) Openbaar onderzoek (30 dagen) met informatievergadering Advies Provinciale Milieuvergunningscommissie (+ hoorzitting) (90 dagen) Advies CBS (50 dagen) Adviesverlenende instanties (LNE, VMM,...) (60 dagen) Beslissing Deputatie (4 maanden of evt. na verlenging 6 maanden) Bekendmaking Beroep bij Minister (30 dagen) Procedure stedenbouwkundige vergunning De aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente. Binnen 75 of 105 dagen na ontvangst van de aanvraag neemt het college van burgemeester en schepenen een beslissing. Tegen de beslissing is beroep mogelijk. Dit beroep moet gebeuren (binnen de 30 dagen na ontvangst van de beslissing) bij de bestendige deputatie van de provincieraad. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 14/213

15 1 IDENTIFICATIE VAN HET BEDRIJF 1.1 BEKNOPTE PROJECTBESCHRIJVING De exploitatie van Van Gastel Gert LV is gelegen aan de Huisheuvelstraat 53 te 2990 Wuustwezel. De huidige vergunde situatie betreft een pluimveebedrijf voor stuks slachtkuikens in 2 stallen. Voor de pluimveehouderij is het nodige toebehoren voorzien zoals bijvoorbeeld de opslag van mazout en petroleum, een verdeelinstallatie, branders, een noodstroomgroep en de opslag van dierlijke mest. Er is eveneens een vergunning voor het oppompen van grondwater. De huidige milieuvergunning dateert van 03/12/2009 en heeft een looptijd tot 03/12/2029, samenvallend met de einddatum van de termijn van de vergunning. Het doel is om een uitbreiding te realiseren door de bouw van twee nieuwe pluimveestallen voor elk slachtkuikens. Deze stallen komen naast de bestaande pluimveestallen stal 1 en stal 2. De nieuwe pluimveestallen zullen conform de ter zake geldende wetgeving uitgerust worden als ammoniakemissie-arme stal. De bestaande stallen zijn vergund als traditionele stallen. Ze zijn ondertussen omgevormd naar het ammoniakemissiearm systeem P-6.4. Dit systeem omvat een warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging van de strooisellaag. In de nieuwe situatie zal een vergunning gevraagd worden voor in totaal slachtkuikens verdeeld over 4 stallen. Er wordt eveneens een uitbreiding gevraagd met een nieuwe grondwaterwinning voor stal 3 en 4. Gelet op de belangrijke verandering wordt ook een vroegtijdige hernieuwing gevraagd voor de volledige inrichting. Voor een volledig overzicht van de aangevraagde rubrieken wordt verwezen naar de tabel in hoofdstuk 3.2. De initiatiefnemer laat een milieueffectrapport opstellen om deze toe te voegen aan de milieuvergunningsaanvraag en de stedenbouwkundige aanvraag, die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het hier voorliggend project. 1.2 TOETSING MER-PLICHT Het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage vermeldt de categorieën van projecten die aan de projectm.e.r. worden onderworpen (bijlage I lijst) of waarvoor de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing kan indienen (bijlage II lijst).. De initiatiefnemer van het voorliggende project vraagt de uitbreiding aan van een milieuvergunning om tot een bedrijfssituatie te komen met slachtkuikens. Dit project valt onder rubriek 21a) van Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan: plaatsen voor mesthoenders ander gevogelte dan legkippen) van de bijlage I lijst van bovenvermeld besluit en is bijgevolg m.e.r.-plichtig. 1.3 RELEVANTE GEGEVENS UIT VORIGE RAPPORTAGES Voor het betrokken bedrijf werd er in het verleden geen MER opgesteld. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 15/213

16 1.4 GEGEVENS INITIATIEFNEMER EN DESKUNDIGE MER INITIATIEFNEMER UITBATER De uitbater van de gemengde veehouderij en tevens de initiatiefnemer is Van Gastel Gert LV, Heivelden 25 te 2990 Wuustwezel met volgende gegevens: KBO-nummer Vestigingseenheidsnummer SAMENSTELLING EN TAAKVERDELING VAN TEAM VAN DESKUNDIGEN Conform artikel van het MER-decreet van 18 december 2002 moet de initiatiefnemer een beroep doen op een team van erkende MER-deskundigen onder leiding van een MER-coördinator. De initiatiefnemer stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. De initiatiefnemer kiest de deskundigen uit een lijst van erkende onafhankelijke specialisten in één of andere milieudiscipline, derwijze dat in de werkgroep de milieueffecten, eigen aan het geplande project, doeltreffend onderzocht kunnen worden. Voor dit project werd een erkende deskundige voor de disciplines bodem (pedologie), water (oppervlaktewater) en lucht in het team van deskundigen opgenomen. Volgende MER-deskundigen zullen hun medewerking aan dit milieueffectrapport verlenen: Erkende MER deskundigen coördinaten Lucht Bodem (deeldomein pedologie) Water (deeldomein oppervlaktewater) Johan Versieren Erkenningsnr. MB/MER/EDA/059/V-4 Einddatum erkenning: 11/05/2015 Kriesberg 29b 3221 Holsbeek tel Coördinator Johan Versieren Uitvoering meet- en inspectiewerk Verder wordt dit team van deskundigen bijgestaan door volgende medewerkers van SBB: Deskundigen Water Bodem An Maes Witte Molenstraat 45 bus Brugge Geluid Sara Kelchtermans Diestsevest 32 bus Leuven Lucht Isabelle Rommens Diksmuidseweg Ieper Fauna en Flora Mens Landschap Annick Van de Walle Oostveldstraat Eeklo Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 16/213

17 2 SITUERING PROJECT 2.1 LIGGING EXPLOITATIE Deze inrichting is gelegen aan de Huisheuvelstraat 53 te 2990 Wuustwezel. De stallen en het woonhuis van het bedrijf zijn gelegen op de kadastrale percelen 1 e afdeling, sectie C, nummers 192C en 192D. De nieuwe pluimveestalen worden ingeplant op het kadastraal perceel 192C naast en aansluitend op de bestaande pluimveestallen. De stallen zijn volgens het gewestplan Turnhout (B.S. 30/09/1977) volledig gelegen in agrarisch gebied (zie In Figuur 2). De afstand van het bedrijf t.o.v. andere gebieden zoals aangeduid op het gewestplan wordt weergegeven in Tabel 1. Het bedrijf ligt op ongeveer 85 m van de Nederlandse grens van de gemeente Zundert.. Tabel 1: Ligging bedrijf volgens gewestplan Gebied Afstand tot het centrum van Richting het bedrijf Bosgebied m Z W Landschappelijk waardevol agrarisch gebied m ZW Stortgebied (huisvuil) 760 m ZW Natuurgebied m Z Ambachtelijke bedrijven en kmo m ZO Woongebied met landelijk karakter m ZO woonuitbreidingsgebied m ZO Figuur 1 (bijlage) geeft het uittreksel van het kadasterplan (schaal 1/2500). In Figuur 2 (bijlage) wordt het gewestplan op de locatie van het bedrijf weergegeven. Op deze plaats is geen gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan van kracht. Volgens de kaart met de aanduiding van de Natura 2000-gebieden in Figuur 3 (bijlage) is deze inrichting gelegen in een SBZ, nl. het Vogelrichtlijngebied 'De Maatjes, Wuustwezelheid en Groot Schietveld (BE )'. Op 4,9 km is het Habitatrichtlijngebied 'Klein en groot Schietveld (BE )' gelegen. In de ruime omgeving van het bedrijf is een VEN- of IVON-gebied gesitueerd. Dit wordt weergegeven in Figuur 4 (bijlage). De Maatjes ligt op 4,6 km ten W van het bedrijf. Het nummer van het VEN-gebied is 302 en het type is een Grote eenheid natuur (gen). Het bedrijf is niet gelegen in een beschermingszone voor grondwaterwinning zoals bedoeld in het decreet van 24/01/1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer (Figuur 5 in bijlage). Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 17/213

18 2.2 ADMINISTRATIEVE VOORGESCHIEDENIS OVERZICHT AFGELEVERDE MILIEUVERGUNNINGEN In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beslissingen genomen door de Deputatie. Tabel 2: Overzicht lopende milieuvergunningen Datum beslissing Refertenummer Overheid* Onderwerp Naam exploitant 03/12/2009 MLAV1/ BD Exploiteren van een 16/02/2012 MLOV *BD: Bestendige Deputatie CBS: College van Burgemeester en Schepenen slachtkuikenbedrijf Van Gastel Gert BD Melding van overname Van Gastel Gert LV De lopende vergunning vergunning eindigt op 03/012/2029, samenvallend met de einddatum van de termijn van de verleende basisvergunning met kenmerk MLAV1/ In de lopende vergunning zijn een geen bijzondere voorwaarden opgenomen.de lopende vergunning is de basisvergunning en aldus de eerste vergunning behorende tot het bedrijf OVERZICHT AFGELEVERDE STEDENBOUWKUNDIGE VERGUNNINGEN In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beslissingen in het kader van een stedenbouwkundige aanvraag genomen door het College van Burgemeester en Schepenen, de Deputatie of de Minister. Tabel 3: Overzicht afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen Datum beslissing Overheid* Onderwerp 22/02/2010 CBS Bouwen van een loods met een noodwoning en 2 pluimveestallen Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 18/213

19 2.3 JURIDISCHE EN BELEIDSMATIGE VOORGESCHIEDENIS JURIDISCHE RANDVOORWAARDEN Juridische randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) ALGEMEEN Gewestplan Geeft de bestemming en het ja zie punt 2.1 (Ligging exploitatie) // ( referentiesituatie, discipline lucht en mens) gebruik van de gronden in Vlaanderen weer. Vlarem I Bepaalt de modaliteiten met betrekking tot exploitatie en/of verandering van meldings- en vergunningsplichtige inrichtingen. ja zie punt 3.2 (Vergunningstoestand) // (vergunningstoestand) Vlarem II Wet betreffende bescherming en welzijn van dieren en betreffende bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren Bevat milieukwaliteitsnormen en algemene en sectorale milieuvoorwaarden met betrekking tot o.a. ligging en exploitatie van inrichtingen. Verdeelt dieren in 5 categorieën, met hieraan verbonden een aantal voorwaarden voor bescherming van dierenwelzijn Decreet van 16 november 2012 Milieubeleidsovereenkomst (B.S ) worden de (MBO s) zijn overeenkomsten bepalingen inzake tussen het Vlaamse Gewest en milieubeleidsovereenkomsten vanaf één of meer overkoepelende, 1 januari 2013 ondergebracht onder representatieve organisaties om titel VI van het Decreet van 5 april een doelmatig milieubeheer te 1995 houdende algemene bekomen bepalingen inzake milieubeleid (DABM). Het uitvoeringsbesluit van 10 december 2004 van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (B.S. 17/02/2005) en het gewijzigd MERbesluit van 1 maart 2013 (B.S. 29 april 2013). LUCHT Bepaalt de regels van de projectm.e.r.-screening ja Voor het bedrijf zijn al de relevante voorwaarden gerelateerd aan de aangevraagde en vergunde rubrieken (Vlarem I) belangrijk. Deze zullen meer specifiek behandeld worden in het dossier. // (algemeen relevant) ja ja ja Slachtkuikens behoren tot de groep van de landbouwhuisdieren. De hierop volgens de wet op het dierenwelzijn van toepassing zijnde voorwaarden, dienen gerespecteerd te worden (voldoende bewegingsvrijheid voorzien, goede klimaatregeling, goede voedingswijze ) door de bedrijven // (beschrijving bedrijf, ontwikkelingsscenario s) Het bedrijf dient zich te houden aan de milieubeleidsovereenkomst die voor de exploitatie relevant is. Het bedrijf is merplichtig. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 19/213

20 Juridische randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) IPPC (96/61/EC en 2008/1/EG) IED (Richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010) ja EU kaderrichtlijn 96/62 inzake beoordeling en beheer van luchtkwaliteit + dochterrichtlijnen 1999/30, 2000/69, 2002/3 en 2004/107 + richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit Vlaams stofplan NEC-richtlijn (2001/81/EG) De Lijst van stalsystemen voor ammoniakreductie (Ministerieel besluit van 31/05/2011; Belgisch Staatsblad 08/07/ wijzigingen MB van 26/03/2012, 16/08/2012 en van 19/07/2013) Deze Europese Richtlijn (2008/1/EG en 96/61/EC), schrijft de lidstaten voor op volgende twee pijlers te steunen bij het vastleggen van milieuvergunningsvoorwaarden: de BBT dienen toegepast te worden; de resterende milieueffecten mogen geen afbreuk doen aan de vooropgestelde milieukwaliteitsdoelstellingen De IED richtlijn 2010/75/EU is van toepassing vanaf 6 januari 2011 en moet tegen 7 januari 2013 geïmplementeerd zijn in nationale wetgeving. Vormt de basis voor nieuw luchtkwaliteitsbeleid binnen de Europese Unie. Globaal kader waarmee de EU luchtkwaliteit beoordeelt en beheert Is opgesteld om te voldoen aan de verplichtingen van de eerste dochterrichtlijn lucht en de Vlarem II-reglementering. Impliceert het opnemen van bindende emissieplafonds voor SO 2, NO x, VOS en NH 3 in Vlarem II. (emissie-reductieprogramma s, zie Vlarem II). Geeft een lijst weer van de toegelaten stalsystemen bij nieuwbouw ja ja ja ja Algemeen relevant // (alle disciplines) Het bedrijf heeft zowel in de huidige als in de toekomstige situatie meer dan plaatsen voor pluimvee, en is bijgevolg een IPPC-bedrijf. Veestallen kunnen aanzienlijke stofemissies met zich meebrengen. In het MER zal nagegaan worden in welke mate er stofhinder ten gevolge van het voorliggende bedrijf te verwachten valt. Naast de toetsing aan de norm voor PM10 zal in het MER eveneens een toetsing uitgevoerd worden aan de nieuw voorgestelde norm voor PM2,5. // (discipline lucht en mens) Stallen kunnen aanzienlijke stofemissies met zich meebrengen. In het MER zal nagegaan worden in welke mate er stofhinder ten gevolge van het voorliggende bedrijf te verwachten valt. // (discipline lucht en mens) De emissies ten gevolge van het bedrijf zullen specifiek beschouwd worden in het dossier. // (disciplines lucht) Er worden 2 nieuwe pluimveestallen gebouwd. Deze nieuwe stallen dienen wettelijk gezien ammoniakemissiearm uitgevoerd te worden // (disciplines lucht en mens) Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 20/213

21 Juridische randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Richtlijn Industriële Emissies De Richtlijn Industriële Emissies vervangt en actualiseert zeven verschillende bestaande Europese wetgevende bepalingen, waaronder de IPPC-richtlijn en de richtlijn betreffende grote verbrandingsinstallaties en is bedoeld om duidelijkere, beter te handhaven regels en een betere luchtkwaliteit te bekomen. De omzetting in nationale wetgeving gebeurde o.a. via het Decreet van 25 mei 2012 tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) ja Een van de kernelementen van de nieuwe richtlijn is een betere toepassing van de best beschikbare technieken (BBT's), waardoor het gebruik van die technieken het referentiepunt wordt in het vergunningsproces. Met de wetgeving wordt de uitstoot van een hele reeks vervuilende stoffen in de lucht, het water en de bodem aan banden gelegd. De regels hebben onder meer betrekking op zwavel- en stikstofhoudende stoffen, fijn stof, asbest en zware metalen. Voor de industriële uitstoot van CO2, de voornaamste oorzaak van het broeikaseffect, is echter geen beperking voorzien. De uitbaters van installaties die onder de richtlijn vallen krijgen tot 2016 de tijd om hun installaties aan de nieuwe wetgeving aan te passen, maar de Europese lidstaten die dat wensen kunnen deze transitieperiode verlengen tot Omzendbrief LNE 2012/1 betreffende de milderende maatregelen voor geuremissies die afkomstig zijn van bestaande varkens- en pluimveestallen in Vlaanderen WATER De omzendbrief vormt een beoordelingskader voor de vergunningsverlenende overheden en bevat een aantal maatregelen voor bestaande bedrijven ter vermindering van de geurhinder. ja De omzendbrief biedt de kans geurhinder tegen te gaan a.d.h.v. een aantal algemene en bijkomende maatregelen. Algemene maatregelen zijn standaardmaatregelen die vooral gericht zijn op goede managementpraktijken en bijkomende maatregelen zijn maatregelen die verder gaan dan het toepassen van goede managementpraktijken Aan elk van deze (combinatie van) maatregelen is een geurreductiepercentage gekoppeld en biedt hierdoor een vormt van rechtszekerheid voor de landbouwer. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 21/213

22 Juridische randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Decreet Integraal Waterbeleid van 18 juli 2003, met inbegrip van het eerste uitvoeringsbesluit (9 september 2005) en het uitvoeringsbesluit watertoets (20 juli 2006, B.S. 3 november 2006) ja Nitraatrichtlijn Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Mestdecreet) en Decreet houdende wijzigingen van het Mestdecreet van 22 december 2006 Wetgeving grondwater Heeft als doel de bescherming van oppervlaktewater en grondwater en de bescherming en verbetering van het aquatisch milieu te bewerkstelligen. Besluit B.S. 3 nov 2006 geeft de lokale, provinciale en gewestelijke overheden, die een vergunning moeten afleveren, richtlijnen voor de toepassing van de watertoets. Op basis van o.a. de bijlagen bij dit besluit kan aangegeven worden of er schadelijke effecten te verwachten zijn. Heeft als doel waterverontreiniging veroorzaakt door nitraten uit agrarische bronnen, te verminderen en verdere verontreiniging van die aard te voorkomen. Het decreet houdende de bescherming van water tegen verontreiniging van nitraten uit agrarische bronnen moet ervoor zorgen dat er in heel Vlaanderen minder mest uitgereden wordt, zodat de waterkwaliteit verbetert. Het Vlaams Parlement heeft op 4 mei 2011 het Decreet houdende wijziging van het mestdecreet goedgekeurd (MAP4). Dit decreet werd op 13 mei 2011 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het omvat een aantal wijzigingen ten opzichte van het bestaande mestdecreet. Een aantal van deze zaken worden verder uitgewerkt via uitvoeringsbesluiten. Het nieuwe mestdecreet trad op 1 januari in werking. De tekst van het decreet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 29 december (sinds 1999 opgenomen in VLAREM-wetgeving) ja ja ja Voorliggend bedrijf kan een risico inhouden naar verdroging, vermesting en oppervlaktewaterverontreiniging. Het MER biedt hiervan een analyse en evaluatie aan als nodige elementen voor het uitvoeren van een watertoets // (discipline water) Het bedrijf dient zich te houden aan de richtlijnen gesteld in het Mestdecreet. // (discipline water en bodem). Ten gevolge van het nieuwe mestdecreet wijzigen er een aantal elementen inzake forfaitaire normen, mestafzet, mestverwerking, enz. Het bedrijf dient zich te houden aan deze nieuwe wetgeving. // (discipline water en bodem) Er is op het bedrijf een grondwaterwinning aanwezig // (discipline water) Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 22/213

23 Juridische randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Bescherming oppervlaktewater (waterkwaliteitsdoelstellingen en ja Voorliggend bedrijf kan een risico inhouden naar oppervlaktewaterverontreiniging // (discipline water) lozingsvoorwaarden opgenomen in VLAREM II) Bestemming en milieukwaliteitsnormen oppervlaktewater Duidt bestemming oppervlaktewater aan (milieukwaliteitsnormen zie VLAREM II) ja Voorliggend bedrijf kan een risico inhouden naar oppervlaktewaterverontreiniging. // (discipline water) Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (in voege op 01/01/2014) (BS 08/10/2013)) Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets (31/10/2006 gewijzigd 14/10/2011) Waterbeleidsnota (4/2005) FAUNA EN FLORA Natuurbeheersrecht Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu Vlaamse en/of erkende natuurreservaten Bevat minimale voorschriften voor de lozing van nietverontreinigd hemelwater, afkomstig van verharde oppervlakken. Dit besluit geeft de lokale, provinciale en gewestelijke overheden, die een vergunning moeten afleveren, richtlijnen van de watertoets Legt de visie van de Vlaamse regering op integraal waterbeleid vast via krachtlijnen. Deze nota vormt het uitgangspunt voor de (toekomstige) opstelling van bekkenbeheersplannen en stroomgebied-beheersplannen. Centraal staan een planmatige aanpak (natuurbeleidsplan), een horizontaal beleid ( stand-still principe) en een gebiedsgericht beleid Terreinen, van belang voor behoud en ontwikkeling van natuur(lijk milieu), die aangewezen of erkend zijn door de Vlaamse regering ja ja ja ja Deze verordening is van toepassing bij de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarbij daken of verhardingen worden gepland. Voor de bouw van nieuwe constructies in dit project, zal dienen rekening gehouden te worden met deze verordening. // ((discipline water) Het project moet getoetst worden aan de bepalingen opgenomen in de watertoets (art. 8) (discipline water) Algemeen relevant // (discipline water) Het bedrijf ligt op 2235 m van bosgebied en op 2900 m van natuurgebied volgens het gewestplan Turnhout. Het bedrijf is gelegen in Vogelrichtlijngebied' 'De Maatjes, Wuustwezelheid en Groot Schietveld (BE )'. Op 4,9 km is het Habitatrichtlijngebied 'Klein en groot Schietveld (BE )' gelegen. De Maatjes (GEN) ligt op 4,1 km. // (discipline fauna en flora). ja Er is geen Erkend natuurreservaat gelegen in de ruime omgeving, het Vlaams natuurreservaat De Maatjes ligt op 1270 m. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 23/213

24 Juridische randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Vogelrichtlijngebieden Heeft als doel de instandhouding van alle natuurlijke in het wild ja Het bedrijf is gelegen in Vogelrichtlijngebied' 'De Maatjes, Wuustwezelheid en Groot Schietveld (BE )'. // (discipline fauna en flora) levende vogelsoorten en hun leefgebieden; er werden speciale beschermingszones (SBZ-V) afgebakend Ramsargebieden Overeenkomst inzake neen Er is geen Ramsargebied gelegen in de ruime omgeving van het bedrijf. watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels Habitatrichtlijngebieden Heeft als doel de instandhouding van soorten en natuurlijke habitats; er werden speciale beschermingszones (SBZ-H) afgebakend neen Het bedrijf ligt op 4,9 km is het Habitatrichtlijngebied 'Klein en groot Schietveld (BE )' // (discipline fauna en flora) Bosdecreet Het Bosdecreet heeft tot doel het behoud, de bescherming, de aanleg en het beheer van de bossen te regelen. Het behandelt alle bossen in Vlaanderen. LANDSCHAP, BOUWKUNDIG ERFGOED, ARCHEOLOGIE Regionale landschappen Duurzaam samenwerkingsverband gericht op behoud van streekeigen karakter, bevorderen natuureducatie, recreatief medegebruik, ontwikkeling KLE, Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten, gewijzigd bij de decreten van 18 december 1992, 22 februari 1995, 22 december 1995, 8 december 1998, 18 mei 1999, 7 december 2001, 21 november 2003 en 30 april 2004 Beschermde monumenten, landschappen en/of stads- of dorpsgezichten Ter bescherming van monumenten en stads- en/of dorpsgezichten en landschappen; instandhouding, herstel en beheer van beschermde landschappen. Ter bescherming van monumenten en stads- en/of dorpsgezichten en landschappen; instandhouding, herstel en beheer van beschermde landschappen. neen neen neen neen In de ruime omgeving van het bedrijf is er geen bosreservaat gelegen. Het bedrijf ligt op 2235 m van bosgebied volgens het gewestplan Turnhout. // (discipline fauna en flora) Het bedrijf is niet gelegen in een van de zeventien regionale landschappen in Vlaanderen. // (discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie). Binnen een straal van 1 km zijn er geen beschermde landschappen (ankerplaats, relictzone, traditioneel landschap, lijnrelict) gelegen. // (discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie) Binnen een straal van 1 km zijn er geen beschermde landschappen (ankerplaats, relictzone, traditioneel landschap, lijnrelict) gelegen. // (discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie) Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 24/213

25 Juridische randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Het decreet dd 16/04/1996 betreffende de landschapszorg, gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, 8 december 2000, 21 december 2001, 19 juli 2002 en 13 februari 2004 neen Decreet erfgoedlandschap Decreet op het archeologisch patrimonium + ratificering van Verdrag van Malta door Vlaamse Regering op 12/10/2011 BODEM Decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium (B.S , en ) Materialendecreet ter bescherming van de in het Vlaamse Gewest gelegen landschappen, de instandhouding, het herstel en het beheer van beschermde landschappen, ankerplaatsen en erfgoedlandschappen en stelt maatregelen vast voor de bevordering van de algemene landschapszorg Doel van het decreet is vooral een juridische basis te creëren voor het behoud en de zorg van landschapskenmerken en - waarden van ankerplaatsen en erfgoedlandschappen. Doel van het decreet is de bescherming, het behoud en de instandhouding, het herstel en het beheer van archeologisch patrimonium Behandelt de bescherming van archeologisch erfgoed in het bijzonder betreffende ruimtelijke planning en financiering Dit decreet regelt de bescherming, het behoud, de instandhouding, het herstel en het beheer van het archeologisch patrimonium, alsmede de organisatie en de reglementering van de archeologische opgravingen. Decreet ter voorkoming, beheer en verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen, met als doel de gezondheid van mens en milieu te vrijwaren tegen schadelijke invloeden van afvalstoffen en verspilling van grondstoffen en energie tegen te gaan. neen ja ja ja Binnen een straal van 1 km zijn er geen beschermde landschappen (ankerplaats, relictzone, traditioneel landschap, lijnrelict) gelegen. // ((discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie). Binnen een straal van 1 km van het bedrijfscentrum bevindt zich geen ankerplaats, geen relictzone // ((discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie). In het kader van het voorliggende project dienen grondwerkzaamheden plaats te vinden. Mogelijkerwijs kan hierbij archeologisch patrimonium vernield of verstoord worden. Eventuele toevalsvondsten dewelke gedaan worden tijdens de werkzaamheden dienen gemeld te worden aan het VIOE (Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed).// (discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie) Het bedrijf dient zich tijdens de graafwerken voor de nieuwe stallen te houden aan de regels met betrekking tot de meldingsplicht. // (discipline bodem) Het bedrijf dient de regels met betrekking tot de opslag en de ophaling van afvalstoffen en krengen na te leven. // (discipline lucht) Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 25/213

26 Juridische randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Bodemsaneringdecreet, incl. Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van bouwkundig bodemgebruik van uitgegraven bodem en van de lijst van vormvaste toepassingen van uitgegraven bodem van (B.S , in werking vanaf ) Decreet dat moet toelaten beslissingen inzake bodemsanering op systematische wijze te treffen, prefinanciering ervan te verzekeren en kosten daarvan te verhalen. ja Rekening houdend met Vlarebo Artikel 4 dient al dan niet, rekening houdend met de categorie waarin de inrichting ingedeeld wordt, een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Verdere bedrijfsspecifieke uitwerking vindt plaats in het MER bij de bespreking van de milieueffecten. // (disciplines water en bodem) Gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten Verordening met als doel vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, dit met het oog op het verzekeren van een hoog niveau van gezondheid en veiligheid in de gehele voedselketen. ja Implementatie via mestdecreet en materialendecreet Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 26/213

27 2.3.2 BELEIDSMATIGE RANDVOORWAARDEN Beleidsmatige randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen Geeft een visie op de ruimtelijke ontwikkeling van Vlaanderen en legt de krachtlijnen vast van het ruimtelijk beleid naar de toekomst. ja Algemeen relevant // (alle milieuthema s) Om de verstedelijkingsdruk op het buitengebied af te remmen, dienen de functies die kenmerkend zijn voor dit gebied gevrijwaard te worden, met name de landbouw, het bos en de natuur en in zekere mate ook het wonen en werken. Met betrekking tot intensieve veeteelt wordt gesteld dat verdere exploitatie en/of uitbreiding van bestaande bedrijven kan, doch dat voor nieuwe bedrijven dient gestreefd te worden naar het bundelen ervan in speciale agrarische bedrijfszones. Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Vlaams Milieubeleidsplan (MINA-plan 4) + milieujaarprogramma's Geeft een visie op de ruimtelijke ontwikkeling van de provincie en legt de krachtlijnen vast van het ruimtelijk beleid naar de toekomst. Beschrijft de ruimtelijke structuur en visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling, enz. op gemeentelijk niveau. Bepaalt het milieubeleid dat het Vlaams Gewest, alsmede provincies en gemeenten in aangelegenheden van gewestelijk belang, dient te voeren. ja Algemeen relevant // (alle milieuthema s) Het PRS Antwerpen vermeldt dat de open ruimte sterk gefragmenteerd is door lineaire ontwikkelingen en verspreide bebouwing langs steeds drukkere wegen en losse puntmatige ontwikkelingen. O. a. landbouw gaat hierdoor minder goed functioneren. De landbouwfunctie als historische beheerder van de open ruimte staat momenteel onder druk. Schaalvergroting en intensivering van het grondgebruik zijn elementen die knelpunten vormen zowel binnen de landbouw zelf als op het vlak van de relaties met andere vormen van ruimtegebruik. Volgens het provinciaal plan maakt Wuustwezel deel uit van de Noorderkempen, meerbepaald Het land van Kalmthout en Essen op de grens met het Land van Rijkevorsel.. Dit gebied wordt gekenmerkt door een sterk geconcentreerde, intensieve veehouderij. Globaal gezien gaat het om een open gebied met grootschalige landbouw en verspreide natuurlijke gebieden. Het PRS Antwerpen duidt erop dat dit gaat zorgen voor problemen in verband met mestproductie, mede door dat dit gebied een kwetsbare grondwatertafel heeft. Uitgangspunt voor de Noorderkempen is dat, steunend op het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, landbouw als één van de hoofdfuncties van de open ruimte wordt beschouwd. Wuustwezel is een belangrijke kern waaraan ontwikkelingsbehoeften worden toegekend. De concentratie in deze kern gebeurd in functie van het behoud van de omringende open ruimte ja Het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Wuustwezel werd door de gemeenteraad definitief goedgekeurd in zitting van 4 december Algemeen relevant // (alle milieuthema s) ja Naar landbouwbedrijven toe zijn o.a. volgende doelstellingen belangrijk: - afname van de nutriëntenconcentratie van het oppervlaktewater en grondwater in het landbouwgebied - daling van de totale uitstoot van verzurende emissies - vermindering van de afzet van nutriënten (fosfaat) uit dierlijk mest op de landbouwbodem - afname van het nitraatresidu van de landbouwbodem - vervanging van hoogwaardig water, waar mogelijk, door laagwaardig water, bv. door de inzet van hemelwater - permanente bedekking van meer erosiegevoelige landbouwpercelen Zowel het Göteborg Protocol als de NEC-richtlijn zullen in de planperiode een revisie ondergaan. Beiden zullen, voor 2020, mogelijk aanleiding geven tot nog scherpere emissieplafonds voor de vier al geviseerde polluenten en tot een nieuw plafond voor fijn stof (vermoedelijk PM2.5). Voor landbouw zal, naast het realiseren van de huidige (en toekomstige) NECdoelstelling voor NH3, het beleid erop gericht zijn om de impact van de individuele bedrijfsontwikkeling op de NH3-emissie zoveel mogelijk te beperken door middel van de huisvesting in emissiearme stallen (cf. Mestdecreet). Specifieke aandacht zal ook uitgaan naar de ontwikkeling en plaatsing van emissiearme stalsystemen voor die pluimveecategorieën waarvoor dat nog niet voorhanden is. In het licht van de nieuwe emissieplafonds en de bestaande Vlaamse regelgeving zal de optie uitbreiding mits bewezen mestverwerking uit het mestdecreet geëvalueerd worden. Algemeen relevant // (alle disciplines) Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 27/213

28 Beleidsmatige randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Provinciaal Milieubeleidsplan Bepaalt het milieubeleid dat de ja Algemeen relevant // (alle disciplines) provincie dient te voeren, binnen de beleidslijnen van het gewestelijk plan. Gemeentelijk Milieubeleidsplan Bepaalt het milieubeleid dat de ja Algemeen relevant // (alle disciplines) gemeente dient te voeren, binnen de beleidslijnen van het gewestelijk en provinciaal plan. Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan Gemeentelijk zoneringsplan Natuurinrichtingsproject Landinrichtingsproject Ruilverkavelingsproject Landschapsatlas Beoogt een doorgedreven natuurbeleid in de gemeente op zowel korte als lange termijn; het actieplan vormt daarbij de uitvoering. Het zoneringsplan geeft weer op welke manier en wie moet instaan voor de zuivering van het huishoudelijke afvalwater. Hiervoor werden door de VMM in overleg met de gemeenten verschillende zuiveringszones afgebakend. Het doel is een gebied optimaal inrichten in functie van behoud van bestaande natuur, maar ook herstel en ontwikkeling van natuur en het beheer nadien (zie natuurdecreet). Het doel is de inrichting van landelijke gebieden te realiseren overeenkomstig de bestemmingen toegekend door ruimtelijke ordening. Ruilverkavelingsprojecten beogen meer dan een eenvoudige perceelshergroepering. Zij zorgen voor de herstructurering van het landbouw-gebied passend in een multi-functionele inrichting van het buitengebied. Geeft aan waar historisch gegroeide landschapstructuur tot op vandaag herkenbaar gebleven is en duidt deze aan als relicten en/of ankerplaatsen. ja Het Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan voor Wuustwezel werd door de gemeenteraad goedgekeurd eind Het document is bijna 10 jaar oud en deels niet meer relevant binnen de huidige context. Algemeen relevant // (discipline fauna & flora) ja neen neen Het bedrijf bevindt zich volgens het zoneringsplan van de gemeente in een rode cluster (zuiveringszone IBA), zijnde een individueel te optimaliseren buitengebied. Er moet dus worden overgegaan op de realisatie van een eigen verdergaande vorm van afvalwaterzuivering (individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater) overeenkomstig de code van de goede praktijk en de lozingsnormen van Vlarem II. // (discipline water). Binnen een straal van 1 km rondom het bedrijf komen er geen natuurinrichtingsprojecten voor. // (discipline fauna & flora en discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie) De gemeente Wuustwezel is niet betrokken bij een landinrichtingsproject. (discipline fauna & flora en discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie) ja Het bedrijf is gelegen in een afgewerkt Ruilverkavelingsproject. De ruilverkavelingsakte dateert vann 20/12/1982. // (discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie). neen Binnen een straal van 1 km zijn er geen beschermde landschappen (ankerplaats, relictzone, traditioneel landschap, lijnrelict) gelegen. //(discipline Landschap, Bouwkundig erfgoed en Archeologie) Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 28/213

29 Beleidsmatige randvoorwaarden Inhoudelijk Relevant Bespreking relevantie // (locatie bespreking MER) Beleidsbrief landbouw Beschrijft de toekomstige visie op ja Algemeen relevant // (alle disciplines) landbouw in Vlaanderen en tracht ze te concretiseren in een aantal acties. BBT en BREF Geven op Vlaams en Europees niveau weer, welk de best beschikbare technieken zijn vanuit milieuoogpunt voor specifieke sectoren ja Er wordt rekening gehouden met de BBT en BREF studies voor de veeteeltsector (o.a. BBT Veeteelt en BREF Intensive Livestock Farming) // (alle disciplines) Vlaams Programma Plattelandsontwikkeling voor de periode Visiedocument voor administratief overleg: De weg naar een duurzaam geurbeleid versie september 2008 voor maatschappelijk overleg + Advies van de Minaraad van 29 april 2009 bij het Visiedocument duurzaam geurbeleid Omzendbrief LNE 2012/1. - Milderende maatregelen voor geuremissies die afkomstig zijn van bestaande varkens- en pluimveestallen in Vlaanderen Economische haalbaarheid, sociale aanvaardbaarheid en imago, normen in en multifunctionaliteit van de landbouw; en Natura 2000 Dit visiedocument (momenteel in ontwerpfase) geeft een samenvatting van de belangrijkste beleidshiaten en van de voorstellen die in het kader van het geurbeleid door de Afdeling Milieu en Natuurbeleid worden geïdentificeerd. In deze brief worden een aantal mogelijke geurreducerende maatregelen opgesomd om te implementeren in bestaande stallen ja ja ja Met betrekking tot landbouw: investering in voldoen aan normering, concurrentiekrachtverhoging, tewerkstelling op het platteland, bijdrage aan de kaderrichtlijn water en Natura // (alle disciplines) Veeteeltbedrijven geven door de aanwezige dieren een geuremissie die eventueel hinder kan veroorzaken voor omwonenden. In het MER (onderdeel geurhinder) zal nagegaan worden hoe het bedrijf voldoet aan de beschermingsniveaus die in dit visiedocument worden voorgedragen. // (disciplines lucht en mens) Veeteeltbedrijven geven door de aanwezige dieren een geuremissie die eventueel hinder kan veroorzaken voor omwonenden. In het MER (onderdeel geurhinder) zal nagegaan worden welke maatregelen geïmplementeerd kunnen worden. // (disciplines lucht en mens) Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 29/213

30 3 BESCHRIJVING PROJECT 3.1 ALGEMENE DOELSTELLING EN VERANTWOORDING PROJECT Het project omvat de uitbreiding van het pluimveebedrijf Van Gastel Gert LV te Wuustwezel. De initiatiefnemer wenst door uitvoering van voorliggend project de economische draagkracht van het bedrijf te optimaliseren. Dit om zo een rendabele en concurrentiewaardig bedrijf te bestendigen naar de toekomst. Na uitbreiding van het bedrijf zullen in totaal slachtkuikens gehuisvest worden. Hiertoe zullen 2 stallen bijgebouwd worden. De nieuwe stallen komen naast de bestaande pluimveestal 2. De bestaande stallen stal 1 en stal 2 dateren van De stallen zijn vergund als traditionele stallen. Ze werden ondertussen ammoniakemissiearm uitgevoerd. De nieuwe stallen zullen ammoniakemissiearm uitgevoerd worden met systeem P-6.4. Ook de bestaande stallen 1 en 2 zijn omgevormd naar het AEA systeem P-6.4. De doelstelling van dit milieueffectrapport bestaat erin de effecten aan te tonen van de exploitatie van het bedrijf op het omliggende milieu, en dit zowel in de vergunde, de huidige toestand, en de toestand na de uitbreiding. Bovendien zullen er conform de bepalingen van het mestdecreet ook de nodige nutriëntenemissierechten (NER- D) moeten voorzien worden. De wetgever heeft hier 2 mogelijkheden voorzien: Enerzijds via de overname van NER-D van een ander bedrijf; Anderzijds via het systeem van bedrijfsontwikkeling door middel van bewezen mestverwerking Aan beide mogelijkheden zijn een aantal voorwaarden verbonden. Momenteel beschikt het bedrijf over ,80 NER-D en ,00 NER-MVW. De benodigde NER-D zullen via het systeem van bedrijfsontwikkeling bekomen worden. 3.2 OVERZICHT VERGUNDE EN GEWENSTE TOESTAND Het doel van de initiatiefnemer is om te komen tot een uitbreiding van zijn bedrijf met twee nieuwe pluimveestallen. Tevens wordt, gelet op de belangrijke verandering, ook een vroegtijdige hernieuwing voorzien. Het bedrijf is een klasse 1-inrichting. Een milieuvergunningsaanvraag dient bij de Deputatie van de provincie Antwerpen te gebeuren. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 30/213

31 Tabel 4: Overzicht vergunde en gewenste toestand Rubrieknummer + omschrijving Vergunde situatie Gewenste situatie Rubriek c.2 Kippenstal, stal voor pluimvee en/of niet onder rubriek f) en begrepen gevogelte, waaronder verstaan wordt, één of meer gebouwen en/of installaties waarin leghennen en mestkippen respectievelijk pluimvee en/of gevogelte gefokt of gehouden worden, duiventillen met geringde duiven voor wedstrijddoeleinden uitgezonderd; met inbegrip van: - de installatie(s) voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval - de installatie(s) voor de compostering van dierlijke mest afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest met groenafval afkomstig van de eigen inrichting en de bij de inrichting horende gronden. c) in een agrarisch gebied : Plaatsen voor slachtkuikens Plaatsen voor slachtkuikens 2 met plaatsen voor meer dan kippen, stuks p luimvee of gevogelte ouder dan 1 week. (klasse 1) Rubriek d. Kippenstal, stal voor pluimvee en/of niet onder rubriek f) en begrepen gevogelte, waaronder verstaan wordt, één of meer gebouwen en/of installaties waarin leghennen en mestkippen respectievelijk pluimvee en/of gevogelte gefokt of gehouden worden, duiventillen met geringde duiven voor wedstrijddoeleinden uitgezonderd; met inbegrip van: - de installatie(s) voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval - de installatie(s) voor de compostering van dierlijke mest afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest met groenafval afkomstig van de eigen inrichting en de bij de inrichting horende gronden. Plaatsen voor slachtkuikens Plaatsen voor slachtkuikens Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 31/213

32 d) intensieve pluimveehouderij met meer dan plaatsen voor pluimvee. (klasse 1) Rubriek b Elektriciteitsproductie : niet in rubrieken , en 43.2 bedoelde inrichtingen voor elektriciteitsproductie, uitgezonderd de aspecten die betrekking hebben op de kernbrandstofcyclus, met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van: Uitzondering: elektriciteitsproductie op basis van zonne-energie is niet ingedeeld kw voor de noodstroomgeneratoren De inrichtingen voor elektriciteitsproductie, vallend onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8, zijn niet ingedeeld in onderhavige rubriek b)100 kw tot en met 300 kw, voor de andere dan de sub a) bedoelde gevallen (klasse 2) Rubriek Al dan niet overdekte ruimte, andere dan deze bedoeld in rubriek 15.5 en rubriek 19.8, waarin gestald worden : 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens (klasse 3) 5 landbouwvoertuigen 5 landbouwvoertuigen Rubriek b Bijtende vloeistoffen en vaste stoffen. Opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van: 200 kg tot en met 2 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied (klasse 3) 218,5 kg ontsmettingsmiddel 218,5 kg ontsmettingsmiddel Rubriek b Brandgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen. Opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 - Ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 - Gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen 2 x l petroleum l mazout 2 x l petroleum l mazout Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 32/213

33 met een vlampunt 55 C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van: 1 00 kg tot en met 20 ton voor andere inrichtingen dan vermeld in punt a Rubriek Brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, zijnde installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en) : met maximaal 1 verdeelslang Rubriek 28.2.c.1 Opslagplaats voor dierlijke mest in een agrarisch gebied van 10 m³ tot en met 5.000m³ (klasse 3) 1 verdeelinstallatie met 1 verdeelslang, horende bij de tank van l mazout Opslag van 40 m³ dierlijke mest (reinigingswater) 1 verdeelinstallatie met 1 verdeelslang, horende bij de tank van l mazout Opslag van 200 m³ dierlijke mest (reinigingswater) Rubriek b Motoren met inwendige verbranding : vast opgestelde motoren met een nominaal vermogen van: Voor de vast opgestelde motoren met minder dan 360 bedrijfsuren per kalenderjaar die noodgeneratoren of bluswaterpompen aandrijven, moet het nominaal vermogen maar voor 50% in rekening worden gebracht voor het bepalen van het totaal nominaal vermogen (De motoren, vallend onder toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8 zijn niet ingedeeld in onderhavige rubriek) Noodstroomgroep met nominaal vermogen van 75 kw (50 % van het nominaal vermogen van 150 kw) Noodstroomgroep 2 x 75 kw (50% van het nominaal vermogen van 150 kw) -Meer dan 100 kw tot en met 500 kw, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied (klasse 2) Rubriek b Verbrandingsinrichtingen zonder elektriciteitsproductie (stookinstallaties e.d.), met een totaal warmtevermogen van: meer dan 500 kw tot en met kw in de gevallen andere dan vermeld sub 1, a) (klasse 2) Rubriek Boren van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning andere dan deze bedoeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 met een opgepompt debiet van 500 m3/jaar tot m3/jaar (klasse 2) 6 petroleumbranders, elk met een warmtevermogen van 75 kw, met een gezamelijk warmtevermogen van 450 kw GWW m³/j en 20 m³/dag 16 heaters (16 x 75 kw) met een gezamelijk warmtevermogen van 1200 kw GWW m³/jaar en 31,6 m³/dag Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 33/213

34 3.3 BESCHRIJVING BEDRIJFSINFRASTRUCTUUR HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE BEDRIJFSINFRASTRUCTUUR De inplanting van de verschillende bedrijfsgebouwen in de huidige situatie en de toekomstige situatie is weergegeven in Figuur 6 en Figuur 7 in bijlage.fout! Verwijzingsbron niet gevonden. Op basis van de fotoreportage in bijlage wordt ook een visueel overzicht gegeven van de bedrijfsgebouwen en omgeving. In Tabel 5,Tabel 6 en Tabel 7 wordt een overzicht gegeven van de stallen en gebouwen in de vergunde, huidige, en in de toekomstige situatie. Tabel 5: Overzicht stallen en bedrijfsgebouwen in de vergunde toestand Stal Diercategorie Beschrijving stal Staltype Stal 1 Slachtkuikens kippen Mechanische ventilatie Stal 2 Slachtkuikens kippen Mechanische ventilatie Loods Stalling voertuigen Stallen 5 voertuigen noodwoning Noodwoning in loods Tabel 6: Overzicht stallen en bedrijfsgebouwen in de huidige toestand Stal Diercategorie Beschrijving stal Staltype Stal 1 Slachtkuikens kippen AEA P-6.4 Stal 2 Slachtkuikens kippen AEA P-6.4 Loods Stalling voertuigen Stallen 5 voertuigen noodwoning Noodwoning in loods Tabel 7: Overzicht stallen en bedrijfsgebouwen in de nieuwe situatie Stal Diercategorie Beschrijving stal Staltype Stal 1 Slachtkuikens kippen AEA P-6.4 Stal 2 Slachtkuikens kippen AEA P-6.4 Stal 3 Slachtkuikens kippen AEA P-6.4 Stal 4 Slachtkuikens kippen AEA P-6.4 Loods Stalling voertuigen Stallen 8 voertuigen noodwoning Noodwoning in loods Stallen Op het bedrijf zijn 2 pluimveestallen aanwezig en 1 loods. Stal 1: Er worden slachtkuikens gehouden op houtkrullen. Stal 2: Er worden eveneens slachtkuikens gehouden op houtkrullen. De 2 bestaande pluimveestallen staan parallel ten opzichte van elkaar. Stal 1 en stal 2 zijn identiek aan elkaar, en hebben als afmetingen 90 m op 20 m. De bestaande stallen zijn vergund als zijnde mechanisch geventileerde stallen met een verticale uitstoot > 0,5 m boven de nok. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 34/213

35 In de nieuwe situatie worden twee nieuwe stallen gebouwd voor slachtkuikens naast de bestaande stal 2. De nieuwe stallen zijn identiek aan de bestaande 20 m breed en 90 m lang. De nieuwe stallen zullen ammoniakemissiearm uitgevoerd worden met systeem P-6.4. Ook de bestaande stallen zijn ondertussen uitgevoerd naar het AEA systeem P-6.4. Dit systeem omvat een warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging van de strooisellaag. De nieuwe stallen worden achteraan voorzien van een stofbak. De nieuwe stallen worden elk gebouwd voor slachtkuikens. In totaal zullen er op het bedrijf slachtkuikens worden gehuisvest. Loods De loods is vergund voor het stallen van 5 landbouwvoertuigen. In de loods wordt een mazouttank van l voorzien met verdeelslang. In de loods is ook een noodwoning voorzien. Voederopslag Het voeder wordt opgeslagen in diverse voedersilo's: Huidige en vergunde situatie: 3 silo's tussen stal 1 en 2 van elk 30 ton Toekomstige situatie: 3 silo's tussen stal 1 en 2 van elk 30 ton 3 silo's tussen stal 3 en 4 van elk 30 ton Watervoorziening Het bedrijf beschikt in de huidige situatie over een grondwaterwinning in de Zanden van Berchem en/of Voort (HCOV 0254) met een diepte van de boorput 152 m-mv met een jaarlijks debiet van m³/j en 20 m³/d. Het opgepompte water wordt gebruikt als drinkwater voor de dieren en voor reiniging van de stallen. Onder de loods van de exploitant was het de bedoeling een hemelwateropslag te voorzien, deze werd niet gerealiseerd. Het reinigingswater van de bestaande pluimveestallen 1 en 2 wordt opgevangen in verschillende citernes van 5 m³. In de toekomst is het de bedoeling om het reinigingswater van stal 3 en 4 ook op te vangen hiervoor wordt 50 m³ per stal voorzien. In de toekomstige situatie zal het grondwater enkel nog aangewend worden voor hoogwaardige toepassingen met name als drinkwater voor de kippen. In de toekomst wordt een hemelwateropslag voorzien van 30 m³ tussen stal 1 en 2 en 30 m³ tussen de nieuw te bouwen stallen 3 en 4. De hemelwaterputten zullen overlopen in een infiltratievoorziening met een oppervlakte van 315 m² en een buffervolume van 250 m³. Dit hemelwater zal aangewend worden voor laagwaardige toepassingen met name het reinigen van de kippenstallen. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 35/213

36 Opslag fosiele brandstoffen Er zijn in de vergunde situatie 3 tanken vergund: T1 is een bovengrondse, dubbelwandige mazouttank van l + verdeelslang T2 is een bovengrondse, dubbelwandige tank bij stal 1 voor de opslag van l petoleum T3 is een bovengrondse, dubbelwandige tank voor opslag van l petroleum bij stal 2. Er is in de huidige situatie 1 tank aanwezig: T2 is een bovengrondse, dubbelwandige tank bij stal 1 en 2 voor de opslag van l petoleum Er zullen in de toekomstige situatie 3 tanken aanwezig zijn: T1 is een bovengrondse, dubbelwandige mazouttank van l + verdeelslang (nog te plaatsen) T2 is een bovengrondse, dubbelwandige tank bij stal 1 en 2 voor de opslag van l petoleum T3 is een bovengrondse, dubbelwandige tank bij stal 3 en 4 voor de opslag van l petoleum (nog te plaatsen) Energieproductie In stal 1 en stal 2 zijn telkens 4 petroleumbranders voorzien voor het verwarmen van de stal. De branders hebben elk een afzonderlijk vermogen van 75 kw. In de toekomst zullen de nieuwe stallen voorzien worden van elk 4 warmteheaters. Elk met een afzonderlijk vermogen van 75 kw Bovendien wekt het bedrijf ook energie op door middel van zonnepanelen op de pluimveestal. Er is een noodstroomgroep aanwezig van 150 kw (ingedeeld voor 75 kw). Bij de twee nieuwe stallen zal een bijkomende noodstroomgroep voorzien worden van 150 kw (ingedeeld voor 75 kw). Terreinverharding Vooraan de bestaande stallen is er betonverharding aangelegd met een totale oppervlakte van 1760 m². De stallen zijn te bereiken langs de bestaande betonverharding. In de huidige situatie bedraagt het dakoppervlakte van de gebouwen m². Naast de bestaande stallen komen twee identieke stallen met een totale oppervlakte van m². De totale dakoppervlakte van de gebouwen zal dan m² bedragen. Kadaveropslag Er staat een gekoelde kadaveropslag geplaatst aan de straatkant tussen de pluimveestal 1 en 2. Groenaanplant Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 36/213

37 Er is een beperkte groenzone aanwezig op het bedrijf. Dit wordt uitgebreid in de toekomst. Een erfbeplantingsplan wordt opgemaakt door de Hooibeekhoeve van de Provincie Antwerpen. 3.4 AFBRAAK- EN AANLEGFASE Er dient niets afgebroken te worden. Van zodra de nodige vergunningen voorhanden zijn worden de werken voorzien. De belangrijkste deelaspecten in deze fasen zijn: Bemaling (indien noodzakelijk) Terrein bouwklaar maken, uitgravingen, enz. Transport: aanvoer grondstoffen ten behoeve van de bouwwerken Eigenlijk bouwproces en de daarmee gepaard gaande geluidsproductie en aanleg van verharding Afwerking: plaatsen van omheiningen, groenscherm, erfbeplanting, enz. Voor de plaatsing van de nieuwe stallen zal er +/ m³ grond moeten uitgegraven worden en de grond zal ter plaatse opnieuw gebruikt worden. Het aantal transporten voor de aanlevering van de bouwmaterialen voor de stallen wordt ingeschat op een 75-tal transporten (aanlevering beton, bovenbouw dak, afwerking, enz.). De werkzaamheden voor de plaatsing van de nieuwe stal zal gebeuren door een erkend aannemer. De totale duur van de werkzaamheden wordt ingeschat op een 4-tal maanden. 3.5 BESCHRIJVING EXPLOITATIECYCLUS HUIDIGE EXPLOITATIECYCLUS Het bedrijf is een gemengd bedrijf pluimvee en runderen. In hoofdzaak worden er op het bedrijf slachtkuikens afgemest. De infrastructuur voor het uitbaten van een slachtkippenbedrijf is vrij eenvoudig. De slachtkippen worden in één grote ruimte ondergebracht waarin de dieren vrij rondlopen. De vloer is gebetonneerd en gepolierd. Op deze vloer wordt een strooisellaag van houtkrullen aangebracht. De kuikens worden op het bedrijf gebracht als ééndagskuikens, jaarlijks ongeveer stuks. De slachtrijpe dieren worden na 6 weken van het bedrijf afgevoerd. Op 5 weken wordt reeds 1/5 van de kippen uitgeladen. Gedurende de periode tussen 2 afmestronden Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 37/213

38 staat de stal gedurende 1 week leeg. Op deze wijze worden ongeveer 7 à 8 rondes per jaar afgemest. Dit levert zo n kippen per jaar. De dieren worden niet meer omgehokt. Om hygiënische redenen wordt er voor gezorgd dat alle dieren bij de opzet van de stallen dezelfde ouderdom hebben. Normaal gezien worden de stallen gelijk opgevuld. Op deze manier kan, wanneer zich een besmettelijke ziekte zou voordoen, deze snel onder controle gebracht worden en is een blijvende besmetting op het bedrijf uitgesloten. Na iedere teeltronde is er een leegstand van een week. In deze periode worden de stallen uitgemest en grondig gereinigd (dus na elke ronde). Eerst worden de stallen uitgemest, waarna de stallen grondig geborsteld worden om de laatste mestresten te verwijderen. Na het borstelen worden de stallen en de installaties een paar uur ingeweekt. Vervolgens worden de stallen gereinigd met water en ontsmet. Na het ontsmetten blijven de stallen nog enkele dagen leeg. Het reinigingswater wordt opgevangen. De dierlijke mest wordt gedurende de opkweek opgevangen in de strooisellaag van houtkrullen en wordt na elke ronde direct afgevoerd van het bedrijf. De mest wordt door een erkende mestvervoerder opgehaald en naar de mestverwerking gereden of geëxporteerd. De mest wordt dus afgezet conform de regels van het Mestdecreet. In de pluimveestallen zijn drink- en voederlijnen aanwezig. Er zijn drinknippels met een lekschaal. De uitval tijdens een teeltronde bedraagt gemiddeld 2 %. Uitgevallen dieren worden onmiddellijk uit de stal verwijderd en tijdelijk gestockeerd in de gekoelde kadaveropslag. De kadavers worden op afroep opgehaald door het bedrijf door Rendac TOEKOMSTIGE EXPLOITATIECYCLUS In de toekomstige situatie zal een uitbreiding plaatsvinden met twee nieuwe stallen. Zo zullen in de toekomst slachtkuikens gehuisvest worden en in elk van de vier de stallen. Jaarlijks zullen er ongeveer jonge kuikens aangevoerd worden op het bedrijf en worden er ongeveer slachtkippen afgeleverd. Ook in de toekomstige situatie zal wat betreft de mestafzet voldaan worden aan het huidige mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten. In de toekomstige situatie zal nog steeds alle pluimveemest afgevoerd worden voor verdere verwerking. De exploitatiecyclus blijft gelijkaardig aan de huidige situatie. 3.6 PRODUCTIEBEHEER EN GRONDSTOFFENVERBRUIK PRODUCTIEBEHEER Aan de hand van de technische en bedrijfseconomische boekhouding wordt de productie en productiemethode van het bedrijf geëvalueerd. In deze evaluatie spelen een aantal technische kenmerken een rol. De sturing van voeder, ventilatie, verwarming zijn gelet op de kostprijs bedrijfskritische sturingsfactoren. Een gedegen opvolging ervan is dan ook noodzakelijk. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 38/213

39 3.6.2 GRONDSTOFFENVERBRUIK In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het grondstoffengebruik. Tabel 8: Overzicht grondstoffengebruik in de huidige en de toekomstige situatie Huidige situatie Nieuwe situatie Grondstof Omschrijving Verbruik Transporten (per jaar) Verbruik Transporten (per jaar) Dieren Eéndagskuikens transporten transporten dieren/jaar dieren/jaar Voeders Pluimveevoeder ( transporten transporten fasen) ton/jaar ton/jaar Strooisel Houtkrullen 30 ton/jaar 7 transporten 60 ton/jaar 14 transporten Water* Reinigingswater 960 m³/jaar m³/jaar - Drinkwater m³/jaar m³/jaar Mazout traktor 0 l l 1 transport Petroleum Verwarming stallen l 7 transporten l 14 transporten Ontsmettingsmiddelen CID 150 l l - Electriciteit* Ventilatoren, licht, voederinstallatie kwh/jaar kwh/jaar - *Het waterverbruik werd berekend op basis van de waterverbruikcijfers die gehanteerd worden door de VMM, en opgenomen zijn in de studie Waterwegwijzer voor de veehouderij (VMM, 2001) en/of in de BBT-studie Veeteelt (VITO, 2006). **Het elektriciteitsverbruik houdt hier geen rekening met de geïnstalleerde zonnepanelen op de pluimveestallen 200 kwp. Tabel 9: Huidige waterbehoefte op basis van de vergunde dierenaantallen Diersoort Aantal dieren Drinkwater per dier (m³/j) Reinigingswater per dier (m³/j) Drinkwater (m³/jaar) Reinigingswater (m³/jaar) slachtkuikens ,072 0, Totaal In Tabel 9 wordt de waterbehoefte weergegeven in de huidige toestand, op basis van de vergunde dierenaantallen. Het werkelijke waterverbruik voor de productiejaren , volgens de respectievelijke VMM-wateraangiftes, wordt weergegeven in Tabel 10. Tabel 10: Werkelijk waterverbruik volgens VMM-wateraangifte Grondwater m³ m³ m³ Hemelwater Leidingwater Tabel 11: Waterbehoefte in de nieuwe situatie Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 39/213

40 Diersoort Aantal dieren Drinkwater per dier (m³/j) Reinigingswater per dier (m³/j) Drinkwater (m³/jaar) Reinigingswater (m³/jaar) slachtkuikens ,072 0, Totaal Voor de waterbalans wordt verwezen naar hoofdstuk EINDPRODUCTEN Het bedrijf is moment gespecialiseerd in de productie van slachtkippen. In de huidige situatie worden zo n slachtkippen en in de toekomst zullen er ongeveer slachtkippen afgeleverd worden. Tabel 12: Overzicht eindproducten in de huidige en de toekomstige situatie Huidige situatie Nieuwe situatie Eindproduct Productie Transporten (per jaar) Productie Transporten (per jaar) Slachtkippen stuks 76 transporten transporten stuks Mest ton 48 transporten ton 97 transporten RESIDUEN EN EMISSIES De voornaamste residuen en emissies ten gevolge van een veeteeltbedrijf zijn over het algemeen: Afvalwater; Mestproductie; Emissie fijn stof; Ammoniakuitstoot; Geurproductie; Geluidsproductie; Kadavers. Op het bedrijf wordt geen afvalwater geloosd. Reinigingswater van de stallen worden opgevangen. Door de exploitant werd de keuze gemaakt om het met mest verontreinigd water afkomstig van de stallen op het land te brengen, met respect van de betreffende bepalingen van het mestdecreet. Lozingen van bedrijfsafvalwater komen dus niet voor. In de toekomstige situatie zal achteraan tussen de nieuwe stal twee nieuwe ondergrondse opslagen voorzien worden voor reinigingswater. Er is momenteel geen huishoudelijk afvalwater aanwezig. Dit blijft voorlopig zo in de toekomstige situatie gezien de exploitant niet verblijft op de exploitatie. Bij de noodwoning is wel een IBA voorzien. Alle mest van de pluimveestallen worden door een erkende mestvervoerder opgehaald en naar een compostering gevoerd in Nederland. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 40/213

41 Elk jaar wordt een prognose gemaakt van de af te voeren hoeveelheden dierlijke mest. Deze prognose is gebaseerd op de te verwachten gemiddelde veebezetting en de forfaitaire mestproductiecijfers zoals zij in het mestdecreet zijn gedefinieerd. Op basis van deze prognose wordt gezorgd dat een mestafzet in navolging van het mestdecreet mogelijk is. In de loop van het jaar wordt in het oog gehouden of deze prognose correct is, hoewel grote afwijkingen vrijwel uitgesloten zijn, aangezien de hoeveelheid geproduceerde en dus af te zetten nutriënten recht evenredig is met het aantal dieren. Aan het einde van het jaar wordt tenslotte de mestbalans opgemaakt, waarin wordt nagegaan of aan de mestafzetplicht voldaan werd. De jaarlijkse ammoniakuitstoot wordt in dit dossier voor de vergunde, huidige en de toekomstige situatie ingeschat op basis van het staltype, en komt verder aanbod. Ventilatielucht uit de stallen bevat een aantal componenten die geurhinder kunnen veroorzaken. De effectieve geurproductie uit de stallen is voornamelijk afhankelijk van het aantal dieren, het type dieren, het stalsysteemtype en de bedrijfsvoering. Een specifieke inschatting van de geurproductie veroorzaakt door het bedrijf zal worden weergegeven onder de discipline lucht (effectbespreking). Bij de uitbating van het bedrijf komt ook zwevend stof vrij. Een deel van het geëmitteerde stof slaat neer in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf. De stofconcentratie uit de stallen wordt in de buitenlucht snel verdund, zodat mogelijke stofconcentraties in de omgevingslucht beperkt blijven tot de onmiddellijke omgeving van de stallen. De voornaamste bronnen van fijn stof op een veeteeltbedrijf zijn het voeder, de mest, huidschilfers, enz. De bespreking van de effecten zal verder aan bod komen. De belangrijkste bronnen met betrekking tot geluidsproductie zijn de ventilatoren, vrachtwagens, verkeer, de dieren, enz. De bespreking van de effecten zal verder aan bod komen. De krengen worden bewaard in een gekoelde kadaveropslag en opgehaald door Rendac. 3.7 BESCHRIJVING ALTERNATIEVEN NULALTERNATIEF Het nulalternatief is het scenario waarbij geen vergunning verleend wordt. In dit scenario wordt het bedrijf verder uitgebaat tot de bestaande vergunningen verlopen zijn DOELSTELLINGSALTERNATIEVEN Doelstellingsalternatieven (andere activiteiten) worden niet in beschouwing genomen. Het bestaande bedrijf is een pluimveehouderij. De initiatiefnemer wenst aldus de productie van deze bedrijfstak verder te zetten na de uitbreiding van het bedrijf LOCATIEALTERNATIEVEN Met betrekking tot het voorliggende project doen zich geen locatiealternatieven voor. De nieuwe stallen worden zo goed mogelijk op het bedrijfsterrein ingepland, rekening houdende met de reeds bestaande stallen, zodat het bedrijf een compact en ordelijk geheel vormt. De inplanting van de nieuwe pluimveestallen wordt gekozen aansluitend op stal 1 en UITVOERINGSALTERNATIEVEN Onder uitvoeringsalternatieven wordt verstaan: technische ingrepen of maatregelen op vlak van bedrijfsvoering. In het MER zullen de gebruikte stalsystemen op basis van beschikbare gegevensbronnen geëvalueerd worden. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 41/213

42 Nagegaan zal worden of de gebruikte systemen beschouwd kunnen worden als BBT (Best Beschikbare Techniek), zie hoofdstuk 8. Nieuwe stallen dienen ammoniakemissiearm uitgevoerd te worden voor zover er ammoniakemissiearme stalsystemen op de lijst van stalsystemen voor ammoniakemissiereductie zijn opgenomen. Voor vleeskippen zijn er een 6-tal systemen opgenomen in de lijst. Voor de nieuw te bouwen pluimveestal wordt geopteerd voor de plaatsing van een warmtewisselaar (stalsysteem P-6.4 volgens de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen). De bestaande stallen 1 en 2 werden eveneens reers voorzien van dit ammoniakemissiearm systeem P-6.4. Naast aandacht voor het type stalsysteem zal verder eveneneens ingegaan worden op andere mogelijke milderende maatregelen mogelijk toepasbaar op het bedrijf. Een inschatting van de relevantie voor deze toepassingen zal gemaakt worden, rekening houdend met de significantie van de in dit MER bepaalde effecten en de geschiktheid van de maatregel als Best Beschikbare Techniek (BBT). De Europese Richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996 inzake Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging (de IPPC- of GPBV-richtlijn) vraagt dat alle annex-1 bedrijven (GPBV-bedrijven volgens Vlarem I) ten laatste in 2007 werken volgens vergunningsvoorwaarden gebaseerd op BBT. Deze verplichting is overgenomen in titel I van Vlarem, Artikel 41bis. Het bedrijf van Van Gastel Gert LV valt onder deze richtlijn. De gebruikte en geplande processen en installaties (stallen) zullen geëvalueerd worden ten opzichte van alle relevante passages uit de studie van VITO Beste Beschikbare Technieken voor de veeteeltsector en de Europese BREF Intensive Livestock Farming. Alle alternatieven of emissiereducerende technieken die deze bronnen als BBT beschouwen zullen in het MER opgelijst worden. 4 METHODIEK EN ONTWIKKELINGSSCENARIO S 4.1 METHODIEK In overeenstemming met het Richtlijnenhandboek Landbouwdieren, wordt voor de beschrijving van de mogelijke effecten een indeling volgens discipline gevolgd. Bij de effectbespreking wordt voor elke discipline de methodiek verder verduidelijkt. Hierbij worden telkens volgende aspecten onderscheiden: Afbakening studiegebied Referentiesituatie Methodiek effectbeschrijving Effectbeschrijving Milderende maatregelen De mogelijke effecten die door het voorliggende project verwacht kunnen worden zullen in het MER besproken worden. Hieruit zal een onderscheid gemaakt worden tussen de afbraak- en aanlegfase en de exploitatiefase. De afbraak- en aanlegfase houdt als voornaamste elementen in: Voorbereidingswerkzaamheden Transport: afvoer oude afbreekmaterialen en aanvoer grondstoffen ten behoeve van de bouwwerken Eigenlijk bouwproces + geluidsproductie Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 42/213

43 Afwerkingsfase De exploitatiefase kan opgedeeld worden in een aantal deelfasen: Transport: aanvoer grondstoffen en afvoer eindproducten Eigenlijke productieproces : afmesten van slachtkuikens Opslag en verwerking reststoffen: in hoofdzaak mest Elke deelfase heeft zijn specifieke emissies, residuen en gevolgen voor de onderscheiden deelcomponenten van het milieu. De ingreep-effectenmatrix (Tabel 13) geeft een elementair overzicht van het verband tussen de verschillende projectactiviteiten (of ingrepen) en mogelijke relevante effecten op de verschillende milieucomponenten. De relevante effecten zullen per milieu- en natuurthema besproken worden. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 43/213

44 Tabel 13: Effectbeschrijving per milieudiscipline Activiteit Mogelijke effecten Lucht Water Bodem Geluid Mens Landschap Fauna en flora AFBRAAK-EN AANLEGFASE bouw nieuwe stallen Verstoring waterhuishouding Profielverstoring Geluidshinder Verkeershinder Visuele hinder Verstoring biodiversiteit EXPLOITATIEFASE Aanvoer en afvoer (grondstoffen, eindproducten, nevenproducten) Verspreiding stof Geluidshinder Verkeershinder Stofhinder Productieproces Verspreiding stof en ammoniak (verzuring) Verdroging Verzuring Vermesting Geluidshinder Stofhinder Geurhinder Verdroging Visuele hinder Verzuring Vermesting Verdroging Opslag en afvoer mest Verspreiding stof en ammoniak (verzuring) Vermesting Vermesting Geluidshinder Geurhinder Verkeershinder Verzuring Vermesting Onderhoud: reiniging en ontsmetting en opslag brandstoffen Verspreiding broeikasgassen Verontreiniging Verontreiniging Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 44/213

45 BEDRIJFSDIENSTEN 4.2 ONTWIKKELINGSSCENARIO S AUTONOME ONTWIKKELING Er zijn geen aanwijzingen om te veronderstellen dat het karakter van het studiegebied op korte tot middellange termijn sterke wijzigingen zal ondergaan. Volgens de autonome en gestuurde ontwikkeling worden dezelfde effecten van toepassing geacht zoals deze in het MER worden beschreven voor de huidge en de toekomstige situatie GESTUURDE ONTWIKKELING Ruimtelijke ordening De basisprincipes van de ruimtelijke ordening voor de toekomst worden momenteel uitgezet in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). Stedelijke gebieden dienen selectief uitgebouwd te worden om de uitgroei van kernen in het buitengebied af te remmen. Het buitengebied dient verder beschermd te worden tegen versnippering en afkalving. Daarvoor dienen de kenmerkende funties van het buitengebied: landbouw, bos, natuur en in zeker mate ook wonen en verkeer gevrijwaard te worden Mestdecreet In 1991 werd de Europese Nitraatrichtlijn van kracht voor alle lidstaten van de Europese Unie (Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991). In deze richtlijn werd onder andere een basiskwaliteitsnorm voor het grond- en oppervlaktewater vastgelegd op maximum 50 mg nitraat per liter. Net als in andere lidstaten werd ook in Vlaanderen deze norm niet overal gehaald en moesten hieromtrent maatregelen genomen worden. Eén van de oorzaken van de te hoge nitraatgehaltes in het grond- en oppervlaktewater is de mate waarin dierlijke mest werd toegediend op de Vlaamse landbouwgronden. Om deze toediening te reglementeren werd voor Vlaanderen het mestdecreet opgesteld. Dit decreet werd goedgekeurd op 23 januari 1991 en is sindsdien een aantal keren grondig aangepast. In 2010 werd het Vlaamse Mestbeleid opnieuw geëvalueerd door Europa. Zij oordeelde dat de geleverde inspanningen onvoldoende waren, vooral op het gebied van fosfaten, en eiste dat in het nieuwe actieprogramma, MAP 5, de inspanningen zouden worden opgedreven en de bemestingsnormen aangescherpt (vooral voor fosfaten). Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 45/213

46 BEDRIJFSDIENSTEN 5 AFBAKENING STUDIEGEBIED, METHODIEK, BESCHRIJVING REFERENTIESITUATIE & ONTWIKKELINGSSCENARIO S 5.1 LUCHT AFBAKENING STUDIEGEBIED Het studiegebied wordt bepaald door de zones die rechtstreeks beïnvloed kunnen worden door de emissies uit de stallen, de activiteiten van de dieren en het vullen van de voedersilo s. Deze effecten beperken zich meestal tot 1 à 2 km, hoewel verdere effecten niet uit te sluiten zijn. Voortgaand op de berekende impact inzake geur en verzurende/vermestende depositie wordt het studiegebied afgebakend tot op 1 km voor geur en stof, en tot op 2,2 km voor de verzurende/vermestende depositie TOELICHTING GEGEVENSGEBRUIK Voor de referentiesituatie wordt een algemeen beeld geschetst van Vlaanderen op basis van informatie uit de milieu- en natuurrapporten: VMM-rapporten (Lozingen in de lucht , Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest 2012,...). Aangezien voor veeteeltbedrijven voornamelijk de toestand met betrekking tot de ammoniakemissie (en de daarmee samenhangende verzurende luchtverontreiniging) van belang is, wordt het aandeel van ammoniak in de verzuring van het milieu meer in detail besproken. Hierbij wordt de algemene ammoniakproblematiek geschetst, alsook het belang van de landbouw. Bij de eigenlijke effectbespreking wordt dieper ingegaan op de effectieve verzurende belasting en de geurhinder van het voorliggende bedrijf op de omgeving. De voornaamste gegevensbronnen zijn: MINA-plan 4 MIRA-T 2003 MIRA-S Emissie van fijn stof door de landbouw (Vlaanderen, , VMM) Immissie Frequentie Distributie Model (IFDM) van het VITO Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest, 2011 (VMM) Luchtkwaliteit in Vlaanderen - Zure regen in Vlaanderen in 2011 (VMM, 2013) Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest - Jaarverslag immissiemeetnetten kalenderjaar 2012 (VMM, 2013) Luchtkwaliteit in Vlaanderen - Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen - jaarrapport 2013 (VMM, 2014) Jaarverslag lozingen in de lucht (VMM, 2012) Modelling Particulate Emissions in Europ. A Framework to Estimate Reduction Potential and Control Costst, 2002 (IIASA) Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 46/213

47 BEDRIJFSDIENSTEN De berekende ammoniakdepositie (Zeq/ha.jaar) per gemeente (VMM, 2002) Verzurende en vermestende luchtverontreiniging in Vlaanderen - jaarrapport 2012 (VMM, 2014) Regeling ammoniak in de veehouderij (Staatsecretariaat Infrastructuur en Milieu, Nl, laatste wijziging 31 december 2013) GEUR Methodiek Het vrijkomen van geurcomponenten (geuremissie) tijdens de uitbating van veestallen wordt voornamelijk veroorzaakt door microbiële afbraak van proteïne bevattende afvalproducten. Deze proteïne bevattende afvalproducten worden teruggevonden in de faeces, urine, huid, haar, voedsel en indien deze aanwezig is, de bodembedekkende onderlaag. De geuremissie op veeteeltbedrijven wordt voornamelijk bepaald door de diersoort, de diercategorie, het aantal dieren, het stalsysteem, het voeder en de aanwezigheid van een al dan niet gekoelde kadaveropslag Methodiek effectbepaling De inschatting van de effecten naar geurimpact wordt op twee manieren bepaald. Enerzijds wordt er een IFDMmodellering uitgevoerd, anderzijds wordt er gebruik gemaakt van de Vlarem II afstandsregels. Deze effectbepaling wordt op een gelijkaardige wijze uitgevoerd voor zowel de actuele als de geplande situatie Vlarem II afstandsregels Ter beperking van de hindereffecten stelt Vlarem II afstandsregels voor varkens en pluimvee voorop. Hierbij wordt in functie van de aanwezige dierenaantallen en het gebruikte stalsysteem een bepaalde te respecteren afstand opgelegd (te meten vanaf de meest nabij gelegen staluiteinde tot de grens van het meest nabijgelegen gevoelig gebied). Deze afstandsregels bieden echter geen garantie voor het correct inschatten van de geurkwaliteit. Bepaalde versoepelingen zijn toegepast bij het vaststellen van de afstandsregels en afstandsregels zijn een sterke vereenvoudiging van het de reëel optredende effecten. De afhankelijkheid van geurverspreiding met betrekking tot klimatologische parameters, zoals de windrichting, wordt niet in rekening gebracht. Niettemin kunnen deze afstandsregels aanvullend en nuancerend werken. Modellering en toetsing aan (voorstel van) normen is soms streng in beoordeling en hier kunnen afstandsregels dus nuanceren. De beoordeling gebeurt dan ook door het al dan niet overschrijden van afstandsregels. In een eerste stap wordt aan de inrichting een aantal waarderingspunten toegekend, volgens stalsysteem, stalverluchtingssysteem en de opslag van dierlijke mest. In Tabel 14 worden de verbods- en afstandsregels voor pluimveestallen weergegeven. Dit is de minimumafstand tussen elke stal en een aantal op het gewestplan aangegeven gevoelige gebieden (woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijk waarde of natuurreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter). Tabel 14: Verbods- en afstandsregels voor pluimveestallen in agrarisch gebied Waarderingspunten, toegekend aan de inrichting minimale afstand in meter bij aantal stuks gevogelte tot van tot van van van van meer dan Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 47/213

48 BEDRIJFSDIENSTEN tot tot tot tot < verbod Verbod Verbod Verbod > IFDM-modellering In eerste instantie wordt getracht de geuremissie van het bedrijf te bepalen. Deze wordt zoveel mogelijk kwantitatief benaderd met behulp van de emissiefactoren. In tweede instantie wordt deze emissie omgezet in een geurconcentratie in de omgeving, door middel van een overdrachtsberekening. Hierbij wordt, niettegenstaande de aanzienlijke beperkingen van het model, gebruik gemaakt van het programma IFDM, gezien het gebruik van dit model voorgeschreven wordt in de van toepassing zijnde Richtlijnenboeken. Bovendien werd IFDM eveneens aangewend in beleidsstudies inzake geur, waarbij voorstellen van potentiële grenswaarden werden vastgesteld. Ook voor de beoordeling van de impact inzake geur wordt er in de code van goede praktijk "Bepalen van de geurverspreiding door middel van snuffelploegmetingen" door VITO voor de Vlaamse overheid het gebruik van IFDM voorgeschreven (VITO, 2008). Bepaling geuremissies Veestallen kunnen onderverdeeld worden in ammoniakemissiearme stallen en conventionele stallen, op basis van het al dan niet voorkomen op de lijst van stalsystemen voor ammoniakreductie. Ook al is er geen eenduidige algemeen geldende relatie tussen geur- en ammoniakemissie bij veestallen en mest, toch blijkt uit de praktijk dat door het implementeren van ammoniakreducerende maatregelen in veel gevallen ook een reductie van geur kan worden bekomen. Op Vlaams niveau zijn er de deskundigen tot op heden geen onderzoeken bekend waarbij emissiefactoren, andere dan voor varkens, werden afgeleid. Vlaamse geuremissiewaarden voor pluimvee zijn bijgevolg niet gekend. De inschatting van de geuremissie voor pluimveebedrijven wordt, wegens gebrek aan Vlaamse cijfers, op basis van emissiecijfers afkomstig uit Nederlands onderzoek uitgevoerd (zoals weergegeven volgens de Regeling geurhinder en veehouderij). Hierbij is er geen onderscheid tussen conventionele en ammoniakemissiearme stalsystemen. In de Nederlandse Regeling geurhinder & veehouderij, worden volgende geurcijfers weergegeven: Tabel 15: geuremissiecijfer pluimvee op basis van Regeling geur en veehouderij diercategorie Opfokpoeljen van legkippen Legkippen incl. (groot-)ouderdieren van legrassen kooi- of batterijsystemen Legkippen incl. (groot-)ouderdieren van legrassen geen kooisystemen Slachtkuikens Slachtkuikenouderdieren geuremissie 0,18 OUe/s per dier 0,35 OUe/s per dier 0,34 OUe/s per dier 0,24 OUe/s per dier 0,93 OUe/s per dier Andere bronnen van geuremissies in de veehouderij zijn: Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 48/213

49 BEDRIJFSDIENSTEN Geuremissie uit de kadaveropslag: kwantitatieve gegevens voor geuremissies uit de kadaveropslag op veeteeltbedrijven zijn niet voorhanden. Praktijkervaring leert dat geuremissie uit gekoelde kadaveropslag te verwaarlozen valt. In geval van een niet gekoelde kadaveropslag zijn bijkomende geuremissies niet uit te sluiten. T.o.v. de globale geuremissies kunnen deze evenwel als beperkt beschouwd worden. Snelle afvoer van de kadavers kan uiteraard de impact sterk beperken. Er is een gekoelde kadaveropslag voorzien op het bedrijf. Bijkomende geuremissies vanuit deze opslag zijn dus te verwaarlozen. Externe mestopslag buiten de stal: er zijn geen kwantitatieve gegevens beschikbaar voor geuremissies uit externe mestopslag. Op het bedrijf is er geen externe mestopslag aanwezig voor de kippenmest. De kippenmest wordt rechtstreeks vanuit de stal naar de mestverwerking afgevoerd. Bepaling geurconcentratie Met behulp van een verspreidingsmodel (IFDM) wordt in voorliggend dossier een inschatting gemaakt van de geurimmissie in de omgeving van het bedrijf voor de huidige en de toekomstige situatie. Kenmerkend voor een veeteeltbedrijf is dat dit (meestal) gelegen is in agrarisch gebied, waar diverse gelijksoortige geurbronnen verspreid liggen in de omgeving van de te onderzoeken inrichting. Voor dergelijke inrichtingen, gelegen in een bronnencluster, worden minder strenge normen gehanteerd dan voor geïsoleerd gelegen bedrijven. Twee (of meer) bronnen vormen een cluster wanneer de ene bron binnen het 98-percentiel voor het nuleffectniveau van de andere bron is gelegen. Inrichtingen met minder dan 5 % van de geuremissie van de inrichting onder studie kunnen als achtergrondgeur worden beschouwd en dienen dus niet mee in rekening te worden gebracht (of benaderd als minder dan 5 % van de geuremissie). Een aanpak voor cumulatiesituaties werd uitgewerkt in het onderzoeksproject "Voorstellen van een aanpak om beschermingsniveaus voor geurhinder vast te stellen rondom bronnencomplexen en bronnenclusters (2004)" dat door PRG Odournet in opdracht van de Dienst Lucht & Klimaat van LNE werd uitgevoerd (zie ook Dit onderzoek had tot doel beschermingsniveaus voor te stellen voor zowel in- als omwonenden van bronnenclusters als bronnencomplexen. Met name voor stallen werden reeds toetsingswaarden voor beoordeling van cumulatieve impacten uitgewerkt (zie verder). Er zijn namelijk verschillende toetsingswaarden afgebakend voor geïsoleerde bedrijven en voor de gecumuleerde impact van een bronnencluster. Voor bedrijven gelegen in een bronnencluster dient dus steeds de geuruitstoot van de omliggende veeteeltbedrijven mee in beschouwing genomen te worden. In IFDM wordt als bron dus niet enkel het bedrijf zelf, maar ook omliggende bedrijven ingegeven. De geuremissies van de omliggende bedrijven wordt afgeleid uit de milieuvergunningen van deze bedrijven, die werden opgevraagd bij de gemeente. Hierbij worden de vergunde aantallen dieren (ongeacht of deze effectief gerealiseerd zijn of niet), dan vermenigvuldigd met een geuremissiefactor volgens diertype. Hierbij dient wel aangehaald te worden dat dit een inschatting betreft, aangezien er voor de omliggende bedrijven geen uitspraak kan gedaan worden van staltype en van de aanwezige niet-vergunde dieren (zoals biggen). Benaderend wordt daarom uitgegaan van conventionele stalsystemen. Het is bovendien evenmin bekend in hoever de vergunde aantallen dieren effectief gerealiseerd werden. Bij de beoordeling van de impact als bronnencluster dient dan ook met een aanzienlijk verhoogde onzekerheid rekening gehouden te worden. In navolging van de open LNE WG geur van 1 juli 2014 wordt een nieuwe afbakening voor bronnenclusters voorgesteld als volgt (richtlijnen dienst MER oktober 2014): De bedrijven behorende tot de bronnencluster worden als volgt bepaald: cirkel vanuit het middelpunt/geurzwaartepunt van het bedrijf met een straal die overeenstemt met de afstand van het bedrijf tot het verste punt waar er nog een immissie van 2 OU e/m³ als 98-percentiel veroorzaakt door het individuele bedrijf in Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 49/213

50 BEDRIJFSDIENSTEN de huidige situatie) is. De straal mag echter niet kleiner zijn dan 750 m. Binnen een straal van 750 m wordt rekening gehouden met bedrijven met een totale geuremissie van 2500 OU e/s of meer. Indien de 2 OU e/m³ als 98-percentiel -contour een grotere straal heeft dan 750 m, dienen buiten de cirkel van 750 m enkel de bedrijven in rekening gebracht te worden die meer dan 5% van de geuremissie van het bedrijf in de huidige situatie uitstoten. Rundveebedrijven moeten niet kwantitatief meegerekend worden in de cumulatieve geurstudie. Wel dienen ze in de bespreking van de omgeving kwalitatief in beschouwing genomen te worden. De cumulatieve geurimmissies worden berekend voor elke relevante woning in de huidige vergunde situatie, de huidige vergunde situatie zonder het bedrijf en de aangevraagde situatie. Toetsing geurconcentratie Aangezien het bedrijf deel uitmaakt van een bronnencluster, wordt de geurmodellering getoetst aan de normen voor een bedrijf dat deel uitmaakt van een bronnencluster. Volgende normering wordt in het visiedocument vooropgesteld: 10: wordt voorgesteld als grenswaarde voor een varkenscluster, waarbij dient getoetst te worden t.o.v. verspreide woningen in agrarisch gebied (hierbij worden geen woningen gerekend van andere, naburige veehouderijen). 3 OU e/m³ als 98-percentiel: wordt voorgesteld als richtwaarde voor een varkenscluster, waarbij dient te worden getoetst t.o.v. hoog geurgevoelige bestemmingen (woongebied volgens gewestplan, ziekenhuizen, scholen, winkelcentra, kampeerterreinen). De tussenwaarde van 5 OUe/m³ als 98-percentiel werd in vroegere versies van het visiedocument voorgesteld als richtwaarde (3 OUe/m³ werd toen voorgesteld als streefwaarde i.p.v. richtwaarde). Deze waarde is in de laatste versie van het visiedocument niet meer voorzien. Nochtans, om ook woongebieden met landelijk karakter enige bescherming te kunnen bieden, is een tussenliggende toetsingswaarde aangewezen. Woongebieden met landelijk karakter dienen getoetst te worden ten opzichte van deze waarde van 5 OUe/m³ als 98-percentiel. Voor bedrijven met kippen zijn geen specifieke toetsingswaarden opgenomen, en bij ontstentenis hiervan zullen de beoordelingscriteria voor varkensstallen gebruikt worden. Het RLB merkt immers op dat strikt genomen bovenstaande beoordeling werd ontwikkeld voor varkensbedrijven, maar dat deze werkmethode echter aangeraden wordt voor alle veehouderijen. Volgende beoordeling wordt gekoppeld aan de toetsing van de geuremissie en de geldende normen: Tabel 16: Toetsingswaarden bronnencluster (Richtlijnenhandboek landbouwdieren, Willems et. al, 2009) Verspreide woningen in agrarisch gebied Woongebied met landelijk karakter Woongebied (woongebied s.s., woonuitbreidingsgebied, reservegebied voor woonuitbreiding) >10 OUe/m³ als 98P 5-10 OUe/m³ als 98P Matig negatief effect Significant negatief effect Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 50/213

51 BEDRIJFSDIENSTEN 3-5 OUe/m³ als 98P Gering negatief effect Matig negatief effect Gezien de aanvaardbaarheid van geurbelasting functie is van de geurgevoeligheid van de beoordelingspunten wordt bij het vastleggen van de aanvaardbaarheidscriteria gebruik gemaakt van de beoordeling opgenomen in het begin 2012 aangepaste richtlijnenboek lucht bij opmaak van MER s. Deze beoordelingswijze is afgestemd op het Vlaamse geurbeleid zoals opgenomen in het zgn. 'Visiedocument geur' van LNE. Een overzicht van de indeling wordt in onderstaande Tabel 17 opgenomen. Tabel 17: Beschrijving geurgevoelige bestemmingen (Richtlijnenhandboek lucht, LNE, 2012) Hoog geurgevoelige bestemmingen Matig geurgevoelige bestemmingen Laag geurgevoelige bestemmingen Beschrijving Waar grote aantallen mensen langdurig verblijven of waar recreatieve buitenactiviteiten plaatsvinden: woongebieden, ziekenhuizen, scholen, winkelcentra, kampeerterreinen, speelterreinen Mensen kunnen hier op alle momenten van de dag of nacht aanwezig zijn, zowel binnen als buiten Gebieden gekenmerkt door lage bevolkingsdichtheid: agrarische en op bedrijventerreinen gelegen bedrijfwoningen, natuurterreinen, sportterreinen,. dergelijke bedrijventerreinen worden gekenmerkt door activiteiten als handel, retail, productie voedingsmiddelen. Mensen kunnen hier op alle momenten van de dag of nacht aanwezig zijn, zowel binnen als buiten. Typische gebiedseigen achtergrondgeur (bvb. Van landbouwactiviteiten in landbouwgebied) kan aanwezig zijn Tolerantie ten aanzien van gebiedsvreemde geuren kan laag zijn Industriegebieden, openbare wegen Bestemming volgens gewestplan Woongebieden, woonuitbreidingsgebieden, woongebieden met landelijk karakter (ingeval toetsing aan niet-landbouweigen geuren), woonparken, dienstverleningsgebieden, gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven, recreatiegebieden, gebieden voor gemeenschapvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, Woongebieden met landelijk karakter (ingeval toetsing aan landbouweigen geuren), agrarische gebieden, (ingeval toetsing aan nietlandbouweigen geuren), gebieden voor ambachtelijke bedrijven en gebieden voor KMO s, parkgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, gemengde woon- en industriegebieden, Industriegebieden, gebieden voor milieubelastende industrieën, gebieden voor ambachtelijke bedrijven en KMO s, agrarische gebieden (ingeval toetsing aan landbouweigen geuren), bosgebieden, natuurgebieden, groengebieden, bufferzones, waterwegen, luchtvaartterreinen, Gezien de aard/herkomst van de geur (landbouweigen geuren) wordt bij de beoordeling van de geurimpact t.h.v. bewoning dan ook rekening gehouden met volgende indelingswijze: Hoog geurgevoelige bestemmingen: woongebied en woonuitbreidingsgebied Matig geurgevoelige bestemmingen: woongebieden met landelijk karakter Laag geurgevoelige bestemmingen : agrarische gebieden Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 51/213

52 BEDRIJFSDIENSTEN Volgens het nieuwe maatregelenkader van LNE wordt als basisbeschermingsniveau 10/5/3 OUe/m³ als 98P waarde gehanteerd (achtergronddocument bij het visiedocument en het MER-Richtlijnenboek landbouwdieren) voor respectievelijk laag, matig en hoog geurgevoelige gebieden. Voor de individuele toetsing wordt er geen toename van de geurimmissies toegestaan ten aanzien van de huidige geurimmissie indien de huidige geurimmissie (in OUe/m³ als 98P) bij bedrijfsvreemde woningen hoger is dan 10/5/3 OUe/m³ (als 98P) in functie van de geurgevoeligheid van de bestemming. Als de huidige geurimmissie hoger is dan 20/10/6 OUe/m³ als 98P waarde (in functie van de geurgevoeligheid van de bestemming), dan moet bij nieuwbouw en verbouwing, het gedeelte van de huidige geurimmissie van het totale bedrijf boven de 20/10/6 OUe/m³ als 98P waarde, onmiddellijk met minimaal 50% verminderd worden, waarbij de nieuwe geurimmissie ook de 25/15/9 OUe/m³ als 98P waarde niet mag overschrijden. Als de huidige geurimmissie lager is dan 10/5/3 OUe/m³ als 98P waarde, dan mag er nog een toename zijn van de geurimmissies ter hoogte van de bedrijfsvreemde woningen. Deze toename wordt beperkt tot max. 50% van het verschil tussen de huidige geurimmissie en 10/5/3 OUe/m³ (als 98P). Voor de cumulatieve toetsing wordt er geen toename van de geurimmissies toegestaan ten aanzien van de huidige geurimmissie indien de huidige geurimmissie (in OUe/m³ als 98P) bij bedrijfsvreemde woningen hoger is dan 10/5/3 OUe/m³ (als 98P). Als de huidige geurimmissie hoger is dan 20/10/6 OUe/m³ als 98P waarde, dan moet, bij nieuwbouw en verbouwing, het gedeelte van de huidige geurimmissie van het totale bedrijf boven de 20/10/6 OUe/m³ als 98P waarde, onmiddellijk met minimaal 50% gewogen verminderd worden, waarbij de nieuwe geurimmissie ook de 30/15/9 OUe/m³ als 98P waarde gewogen niet mag overschrijden. Als de huidige geurimmissie lager is dan 10/5/3 OUe/m³ als 98P waarde, dan mag er nog een toename zijn van de geurimmissies ter hoogte van de bedrijfsvreemde woningen. Deze toename wordt beperkt tot max. 50% van het verschil tussen de huidige geurimmissie en 10/5/3 OUe/m³ (als 98P). Volgens het maatregelenkader van LNE (zoals in de praktijk toegepast dd. 15/12/2014) dienen bijgevolg saneringsmaatregelen genomen te worden als de geurimmissie > 20/10/6 OUe/m³ (als 98P) ter hoogte van de indicator woningen. Als het berekende immissieniveau in de gewenste situatie minder dan 1 OUe/m³ als 98P waarde verschilt van de waarde die volgens het maatregelenkader moet gehaald worden, is dit nog aanvaardbaar. Deze marge bedraagt 0,5 OUe/m³ als 98P waarde als de huidige geurimmissie tussen 10/5/3 en 20/10/6 ligt. Deze marge kan slechts éénmalig toegepast worden Referentiesituatie Het bedrijf Van Gastel Gert LV is gelegen Huisheuvelstraat 53, 2990 Wuustwezel, in agrarisch gebied. De bedrijfsomgeving wordt gekenmerkt door zijn agrarisch karakter. In de nabije omgeving zijn nog een aantal veeteeltbedrijven aanwezig Vlarem II afstandsregels De 2 pluimveestallen aanwezig op het bedrijf huisvesten in de huidige situatie stuks slachtkuikens. Het aantal waarderingspunten voor pluimvee in de vergunde situatie bedraagt 160 punten. Deze verschilt van de huidige situatie, gezien ondertussen de stallen aangepast werden. In de huidige situatie bedraagt het aantal waarderingspunten 209,5. Op basis van deze gegevens geeft Vlarem II (cfr. Tabel 14) een te respecteren afstand van 250 meter aan voor de vergunde situatie en 225 m voor de huidige situatie. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 52/213

53 BEDRIJFSDIENSTEN Tabel 18: Vergund aantal waarderingspunten Van Gastel Gert LV Stal volgnummer Stal1 Stal2 Dierenaantal / stal Strooiselvloer (droge mest) roostervloer (dunne mest) batterij zonder geforceerde mestdroging: open opslag onder batterij batterij zonder geforceerde mestdroging: regelm. afvoer naar gesloten put batterij zonder geforceerde droging: dagelijkse afvoer naar gesloten put batterij met geforceerde mestdroging ammoniakemissie-arme stal 60 Pt Pt 20 Pt 40 Pt 80 Pt 110 Pt 110 Pt Ventilatie biofilter / biobed: vertikale uitstoot > 0.5 m boven nok, zonder pet vertikale uitstoot > 0.5 m boven nok, met pet vertikale uitstoot < 0.5 m boven nok, zonder pet vertikale uitstoot < 0.5 m boven nok, met pet mech ventilatie zijdelingse uitst natuurlijke ventilatie: open nok trekschouw natuurlijke ventilatie met afdekking 110 Pt 50 Pt Pt 40 Pt 20 Pt 10 Pt 20 Pt 10 Pt Mestopslag geen opslag van mest (onmiddellijke afvoer) gesloten opslag eenvoudige afdekking open opslag, open mestgoten 50 Pt Pt 30 Pt 0 Pt Puntentotaal per stal Totaal aantal dieren : Puntentotaal : gewogen gemiddelde : 160,0 Tabel 19: Huidig aantal waarderingspunten Van Gastel Gert LV Stal volgnummer Stal1 Stal2 Dierenaantal / stal Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 53/213

54 BEDRIJFSDIENSTEN Strooiselvloer (droge mest) roostervloer (dunne mest) batterij zonder geforceerde mestdroging: open opslag onder batterij batterij zonder geforceerde mestdroging: regelm. afvoer naar gesloten put batterij zonder geforceerde droging: dagelijkse afvoer naar gesloten put batterij met geforceerde mestdroging ammoniakemissie-arme stal 60 Pt 20 Pt 20 Pt 40 Pt 80 Pt 110 Pt 110 Pt Ventilatie biofilter / biobed: 110 Pt vertikale uitstoot > 0.5 m boven nok, zonder pet 50 Pt 47,5 47,5 vertikale uitstoot > 0.5 m boven nok, met pet 30 Pt vertikale uitstoot < 0.5 m boven nok, zonder pet 40 Pt 2(*) 2 vertikale uitstoot < 0.5 m boven nok, met pet 20 Pt mech ventilatie zijdelingse uitst natuurlijke ventilatie: open nok trekschouw natuurlijke ventilatie met afdekking 10 Pt 20 Pt 10 Pt Mestopslag geen opslag van mest (onmiddellijke afvoer) gesloten opslag eenvoudige afdekking open opslag, open mestgoten 50 Pt Pt 30 Pt 0 Pt Puntentotaal per stal 209,5 209,5 Totaal aantal dieren : Puntentotaal : gewogen gemiddelde : 209,5 (*): max. 5 % van de stallucht van de emissiearme stal wordt afgevoerd via een verticale uitstoot < 0,5 m boven de nok zonder pet Aangezien de inrichting op ongeveer 1785 m ligt van de hindergevoelige gebieden, wordt in de vergunde en huidige situatie ruimschoots voldaan aan de verbods- en afstandsregels zoals opgenomen in Vlarem IFDM-modellering Bepaling geuremissies bedrijf Van Gastel Gert LV Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 54/213

55 BEDRIJFSDIENSTEN De totale geuremissie in de vergunde en de huidige situatie wordt weergegeven in Tabel 20 en wordt berekend met de geuremissie-eenheden volgens de Nederlandse Regeling geur en veehouderij. In de huidige situatie zijn er 2 pluimveestallen aanwezig (stal 1 en stal 2). De geuremissie is volgens de kengetallen niet verschillend voor een ammoniakemissiearme stal en een traditionele stal, vandaar dat de geuremissie in de vergunde en de huidige situatie dezelfde zijn. De emissiepunten zijn echter wel verschillend, en worden weergegeven in Tabel 22 en Tabel 23. De totale geuremissie van het bedrijf Van Gastel Gert LV wordt voor het pluimvee vervolgens ingeschat op OUe/s in de vergunde/huidige toestand. Tabel 20: Geuremissie bedrijf Van Gastel Gert LV in de vergunde/huidige situatie Huidige situatie Geuremissie Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren Geur (OU E/s/dier) Totaal (OU E/s) Totaal stal (OU E/s) Stal slachtkippen AEA P , Stal slachtkippen AEA P , Totaal Bepaling geuremissies omliggende bedrijven De bedrijfsomgeving van het bedrijf van Van Gastel Gert LV is gekenmerkt door veeteeltactiviteiten. In dit geval spreekt men hier van een "bronnencluster" aangezien er meerdere geurbronnen dicht bij elkaar gelegen zijn. De gegevens omtrent de bedrijven die behoren tot de bronnencluster van het bedrijf werden opgevraagd bij de gemeente Wuustwezel. De bedrijven behorende tot de bronnencluster worden als volgt bepaald volgens de richtlijnen van oktober 2014 van de dienst MER: cirkel vanuit het middelpunt/geurzwaartepunt van het bedrijf met een straal die overeenstemt met de afstand van het bedrijf tot het verste punt waar er nog een immissie van 2 OU E/m 3 (veroorzaakt door het individuele bedrijf in de huidige situatie) is. De straal mag echter niet kleiner zijn dan 750 m. Binnen een straal van 750 m wordt rekening gehouden met bedrijven met een totale geuremissie van 2500 OU E/s of meer. Indien de 2 OU E/m 3 -contour een grotere straal heeft dan 750 m, dienen buiten de cirkel van 750 m enkel de bedrijven in rekening gebracht te worden die meer dan 5% van de geuremissie van het bedrijf in de huidige situatie uitstoten. Hierbij moeten rundveebedrijven niet kwantitatief meegerekend worden in de cumulatieve geurstudie. Wel dienen ze in de bespreking van de omgeving kwalitatief in beschouwing genomen te worden. Tabel 21: Geuremissie omliggende bedrijven bronnencluster Bedrijf X Y Straat nr. PC Gemeente Geuremissie (OUe/s) Huisheuvelstraat Wuustwezel * Huisheuvelstraat Wuustwezel * Heivelden Wuustwezel 56513** *: Bedrijven 1 en 2 worden niet in rekening gebracht in de bronnencluster, aangezien dit respectievelijk een paardenhouderij, en een mestkalverbedrijf betreft. **: Bedrijf 3 is een gemengde veehouderij met varkens en pluimvee Bepaling geurconcentratie Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 55/213

56 BEDRIJFSDIENSTEN Bij de evaluatie van de geurverspreiding wordt gebruik gemaakt van IFDM-model. De uitstootpunten van het bedrijf en de omliggende bedrijven worden als puntbronnen beschouwd. In onderstaande tabel worden de inputparameters weergegeven van de berekeningen in het IFDM model in de huidige situatie. Tabel 22: Parameters IFDM-model in de vergunde situatie Stal/bedrijf Parameter Waarde Opmerkingen Stal 1-2: pluimvee via nokventilatie Hoogte uitstoot Temperatuur van de afgassen Diameter uitstootopening Volumestroom van het afgas emissiemassastroom 6,7 25 0, m C m Nm³/s g/s Hoogte ventilatoren Verticale uitstoot 30% via nok Stal 1-2: pluimvee via lengteventilatie Hoogte uitstoot Temperatuur van de afgassen Diameter uitstootopening Volumestroom van het afgas emissiemassastroom ,2 0, m C m Nm³/s g/s Hoogte ventilatoren Horizontale uitstoot 70% via lengteventilatie Bedrijf 3 in cluster Hoogte uitstoot Temperatuur van de afgassen Diameter uitstootopening Volumestroom van het afgas ,6 1 m C m Nm³/s Mechanische ventilatie emissiemassastroom g/s * Tabel 23: Parameters IFDM-model in de huidige situatie Stal/bedrijf Parameter Waarde Opmerkingen Stal 1-2: pluimvee via stofbak Hoogte uitstoot Temperatuur van de afgassen Diameter uitstootopening Volumestroom van het afgas 7,1 25 1,1 3 m C m Nm³/s Hoogte stofbak Natuurlijke ventilatie emissiemassastroom 9120 g/s Stal 1-2: pluimvee via warmtewisselaar Hoogte uitstoot Temperatuur van de afgassen Diameter uitstootopening Volumestroom van het afgas 6,1 25 0,5 2,2 m C m Nm³/s Hoogte uitlaat warmtewisselaar Verticale uitstoot emissiemassastroom 480* g/s Bedrijf 3 in cluster Hoogte uitstoot Temperatuur van de afgassen Diameter uitstootopening Volumestroom van het afgas ,6 1 m C m Nm³/s Mechanische ventilatie emissiemassastroom g/s *: max. 5% van de lucht wordt afgevoerd via de warmtewisselaar Toetsing geurconcentratie De toetsing van de immissies, bekomen uit het IFDM-model, gebeurt volgens Tabel 16. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 56/213

57 BEDRIJFSDIENSTEN De verschillende zones (> 10 OUe/m³; 5-10 OUe/m³; 3-5 OUe/m³ als 98P) worden weergegeven in Figuur 8 en Figuur 9 in bijlage. In Tabel 27 wordt het aantal woningen weergegeven in de verschillende zones, en dit zowel voor de vergunde situatie, de huidige situatie als voor de toekomstige situatie. Hierbij werden zowel woningen horende bij veeteeltbedrijven als woningen bij niet veeteeltbedrijven meegerekend. Er dient echter wel opgemerkt te worden dat het gebruik van IFDM een grote onnauwkeurigheid met zich meebrengt. De actualisatie van het Richtlijnenboek Lucht vermeldt: Des te dichter bij de bron, des te onnauwkeuriger worden de resultaten van de verspreidingsberekeningen. De foutenmarge op de berekende concentraties in de nabijheid van de bron kan relatief groot worden (als gevolg van gekozen gridgrootte, gebouwinvloed en andere modelbeperkingen). Het is dan ook zinledig exacte geurconcentraties toe te kennen aan woningen die worden blootgesteld aan concentraties ver boven de bovenste toetsingswaarde van 10se of OUe/m³ als 98P. De hoogste weer te geven geurcontour is deze van 10se of OUe/m³ als 98P. De weergave van hogere contouren of concentraties ter hoogte van de dichtstbijzijnde geurgevoelige woningen heeft hooguit een indicatieve waarde, en dient dan ook als dusdanig geïnterpreteerd te worden. Cfr. bijkomende richtlijnen van de dienst MER van september 2013 wordt in de geurmodellering met IFDM naast de 3, 5 en 10 OUe-contour, toch ook de contour van 20 OUe mee opgenomen (zowel voor de individuele berekening als voor de bronnencluster). Omwille van de vergaande aannames neemt de nauwkeurigheid van de impactberekeningen nog verder af bij de beoordeling op clusterniveau. Zowel in de vergunde als in de huidige situatie zijn er 3 woningen die een negatief effect ondervinden van het bedrijf van Van Gastel Gert LV. Deze woningen zijn gelegen in agrarisch gebied. In de vergunde situatie zijn er nog 5 woningen in agrarisch gebied die een matig negatief effect ondervinden, en 3 woningen in agrarisch gebied die een gering negatief effect ondervinden. In de huidige situatie zijn er 3 woningen met een matig negatief effect en 5 woningen met een gering negatief effect. Er is dus een effect op 11 woningen waarvan 3 behorende tot landbouwbedrijven, en dit zowel in de vergunde als in de huidige situatie. In Nederland is er een gering negatief effect, daar liggen nog een drietal woningen. Er is geen effect op woongebied Geplande situatie Vlarem II afstandsregels In de toekomstige situatie zullen op het bedrijf Van Gastel Gert LV slachtkuikens aanwezig zijn in 4 identieke stallen. Er worden hiertoe twee nieuwe pluimveestallen gebouwd naast de bestaande stal. Het aantal waarderingspunten voor pluimvee bedraagt in de toekomstige situatie 209,5 punten. Op basis van deze gegevens geeft Vlarem II een te respecteren afstand van respectievelijk 250 m aan. Het bedrijf voldoet aan de Vlarem II afstandsregels, zowel in de bestaande situatie als in de toekomstige situatie. Op basis hiervan kan bijgevolg uitgegaan worden van geen of verwaarloosbaar effect. Tabel 24: Toekomstig aantal waarderingspunten Van Gastel Gert LV Stal volgnummer Stal1 Stal2 Stal 3 Stal 4 Dierenaantal / stal Strooiselvloer (droge mest) roostervloer (dunne mest) batterij zonder geforceerde mestdroging: open opslag onder batterij 60 Pt 20 Pt 20 Pt Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 57/213

58 BEDRIJFSDIENSTEN batterij zonder geforceerde mestdroging: regelm. afvoer naar gesloten put batterij zonder geforceerde droging: dagelijkse afvoer naar gesloten put batterij met geforceerde mestdroging ammoniakemissie-arme stal 40 Pt 80 Pt 110 Pt 110 Pt Ventilatie biofilter / biobed: vertikale uitstoot > 0.5 m boven nok, zonder pet vertikale uitstoot > 0.5 m boven nok, met pet vertikale uitstoot < 0.5 m boven nok, zonder pet vertikale uitstoot < 0.5 m boven nok, met pet mech ventilatie zijdelingse uitst natuurlijke ventilatie: open nok trekschouw natuurlijke ventilatie met afdekking 110 Pt 50 Pt 47,5 47,5 47,5 47,5 30 Pt 40 Pt Pt 10 Pt 20 Pt 10 Pt Mestopslag geen opslag van mest (onmiddellijke afvoer) gesloten opslag eenvoudige afdekking open opslag, open mestgoten 50 Pt Pt 30 Pt 0 Pt Puntentotaal per stal 209,5 209,5 209,5 209,5 Totaal aantal dieren : Puntentotaal : gewogen gemiddelde : 209, IFDM-modellering M.b.v. het model IFDM wordt de geurimpact in de omgeving berekend. Hierbij wordt voor de omliggende bedrijven aangenomen dat er op die locaties geen wijzigingen optreden. De berekeningen worden uitgevoerd voor de toekomstige situatie. De resultaten van de berekening worden opgenomen in een overzichtstabel (Tabel 27) alsook in de figuren in bijlage. Bepaling geuremissies bedrijf Van Gastel Gert LV De totale geuremissie uit de bestaande pluimveestallen 1 en 2 en de nieuwe pluimveestallen 3 en 4 in de toekomstige situatie wordt weergegeven in onderstaande tabel en wordt eveneens berekend met de geuremissieeenheden volgens de Nederlandse Regeling geur en veehouderij. De totale geuremissie van het bedrijf van Van Gastel Gert LV wordt vervolgens op deze manier ingeschat op OUe/s in de toekomstige situatie, dit is een stijging met 100 % t.a.v. de huidige situatie. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 58/213

59 BEDRIJFSDIENSTEN De nieuwe stallen wordt ammoniakemissiearm uitgevoerd. Als systeem wordt gekozen voor P-6.4., analoog aan de stallen in de huidige situatie. Bij de beoordeling van de geuremissie dient, zoals hierboven reeds gemeld, er wel op gewezen te worden dat de emissiefactoren geen onderscheid maken tussen al of niet ammoniakarme stallen. De impactbeoordeling kan dan ook als een worst case benadering aanzien worden. Er dient dan ook melding gemaakt te worden van een aanzienlijke onzekerheid ten aanzien van de impactberekeningen. Dat voor de geplande situatie in principe zou kunnen uitgegaan worden van lagere geuremissies kan indirect afgeleid worden van de ammoniakemissiefactoren die later in deze studie zullen toegepast worden. Stalsysteem NH 3 (kg/j/dier) Traditioneel stalsysteem 0,08 Ammoniakemissiearm stalsysteem AEA P ,045 Bij de toegepaste worst case benadering wordt hiermee evenwel geen rekening gehouden. Tabel 25: Geuremissie bedrijf Van Gastel Gert LV in de toekomstige situatie Nieuwe situatie Geuremissie Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren Geur (OU E/s/dier) Totaal (OU E/s) Totaal stal (OU E/s) Stal slachtkippen AEA P , Stal slachtkippen AEA P , Stal slachtkippen AEA P , Stal slachtkippen AEA P , Totaal Bepaling geuremissies omliggende bedrijven De geuremissies van de omliggende bedrijven werd weergegeven onder Bepaling geurconcentratie In onderstaande tabel worden de inputparameters weergegeven van de berekeningen in het IFDM model in de toekomstige situatie. Tabel 26: Parameters IFDM-model Stal/bedrijf Parameter Waarde Opmerkingen Stal : Hoogte uitstoot 7,1 m Hoogte stofbak pluimvee via Temperatuur van de afgassen 25 C stofbak Diameter uitstootopening 1,1 m Volumestroom van het afgas 3 Nm³/s Natuurlijke ventilatie emissiemassastroom 9120 g/s Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 59/213

60 BEDRIJFSDIENSTEN Stal : pluimvee via warmtewisselaar Hoogte uitstoot Temperatuur van de afgassen Diameter uitstootopening Volumestroom van het afgas emissiemassastroom 6,1 25 0,5 2,2 480* Bedrijf 3 in cluster Hoogte uitstoot 4 Temperatuur van de afgassen 25 Diameter uitstootopening 0,6 Volumestroom van het afgas 1 emissiemassastroom *: max. 5% van de lucht wordt afgevoerd via de warmtewisselaar m C m Nm³/s g/s m C m Nm³/s g/s Hoogte uitlaat warmtewisselaar Verticale uitstoot Mechanische ventilatie Toetsing geurconcentratie De toetsing van de immissies, bekomen uit het IFDM-model, gebeurt volgens Tabel 16. De verschillende zones (> 10 OUe/m³; 5-10 OUe/m³; 3-5 OUe/m³ als 98P) worden weergegeven in de Figuur 10 in bijlage. In Figuur 11 wordt de ligging van de dichtste woningen en de bedrijf in de cluster weergegeven. Cfr. bijkomende richtlijnen van de dienst MER van september 2013 wordt in de geurmodellering met IFDM naast de 3, 5 en 10 OUe-contour, toch ook de contour van 20 OUe mee opgenomen (zowel voor de individuele berekening als voor de bronnencluster). In de onderstaande tabel wordt de resultatentabel weergegeven voor de clusterbeoordeling. Tabel 27: Resultatentabel clusterbeoordeling (met inbegrip van de emissies van het bedrijf in de aanvraag) Aantal woningen Geurcontour Vergunde situatie Huidige situatie Toekomstige situatie >10 OU E/m³ als 98P Agrarisch gebied* 3* 3* 3* 5-10 OU E/m³ als 98P Agrarisch gebied*** 5** 3 5** 3-5 OU E/m³ als 98P Agrarisch gebied 3 Legende 3 (Nederland) Negatief effect Matig negatief effect Gering negatief effect * waarvan woning behorende tot bedrijf 3 in de cluster ** waarvan 2 woningen behorende tot bedrijf 1 en 2 in de cluster 5** (3 Nederland) (2 Nederland) 3 (3 Nederland) Ook in de geplande situatie blijft het totaal aantal woningen dat een effect van 3 of meer OU E/m³ als 98P zal ondervinden zeer beperkt. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 60/213

61 BEDRIJFSDIENSTEN Door de uitbreiding van het bedrijf zijn er geen bijkomende woningen die een significant negatief effect ondervinden wat betreft het aspect geur voor de bronnencluster. Er zijn ook geen bijkomende woningen met een matig negatief effect of een gering negatief effect t.o.v. de vergunde situatie. In de nieuwe situatie zijn er 3 woningen met een significant negatief effect, met een geurconcentratie hoger dan 10 OUe/m³ als 98P. Hiervan is er 1 woning behorende tot het landbouwbedrijf 3 in de cluster. Deze woningen zijn gelegen in agrarisch gebied. Er zijn 5 woningen in agrarisch gebied met een matig negatief effect, waarvan 2 behorende tot de landbouwbedrijven 1 en 2 in de cluster. Er zijn 3 woningen in agrarisch gebied met een gering negatief effect. Ook in Nederland zijn er een 2-tal woningen (waaronder ook een landbouwbedrijf) die een matig negatief effect ondervinden, en een 3-tal woningen die een gering negatief effect ondervinden. De woningen die een effect ondervinden van het bedrijf liggen ten oosten van het bedrijf Van Gastel Gert LV, terwijl de stallen een uitstoot hebben die naar het westen gericht is. In het westen van het bedrijf Van Gastel Gert LV liggen weinig particuliere woningen die een effect ondervinden van het bedrijf. De geurconcentraties ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen wordt weergegeven in Tabel 28. Er zijn een drietal woningen waarvan de geurconcentraties hoger liggen dan 10 OUe/m³ als 98P (woning 5-6-7). Deze woningen zijn gelegen bij bedrijf 3 uit de cluster, en ondervinden nagenoeg geen invloed van het bedrijf Van Gastel Gert LV. Dit blijkt ook uit Tabel 29, de geurconcentraties ter hoogte van deze woningen blijft immers dezelfde als de situatie berekend wordt zonder het bedrijf Van Gastel Gert LV. Voor de overige woningen is een stijging waar te nemen van de geurconcentraties als 98P in de nieuwe situatie. In de nieuwe situatie blijft de geurconcentratie echter lager dan 10 OUe/m³ als 98P, en blijft de stijging beperkt tot max. 50% van het verschil tussen de vergunde/huidige geurimmissie en 10 OUe/m³ als 98P. Ten aanzien van de berekeningen op woningniveau dient aangegeven te worden dat de berekende geurbelasting louter als indicatieve waarden te aanzien zijn omwille van de aanzienlijke modelmatige onzekerheden, welke bij clusterbeoordeling nog toenemen. Beperkte verschillen in berekende waarden zijn in feite niet als relevant (niet onderscheidend) te aanzien. Gezien de methodiek zijn de berekende waarden en verschillen louter als indicatief te aanzien, zeker voor die locaties waar immissiewaarden berekend worden die aanzienlijk hoger zijn dan 10 OUe/m³ als 98P. De geurconcentraties voor de woningen die verder af liggen van het bedrijf van Van Gastel Gert LV worden niet weergegeven. Er zijn eerder beperkte verschillen in de immissiewaarden voor de woningen die verder van het bedrijf liggen, en rond de bedrijven in de cluster. Tabel 28: Gedetailleerd overzicht van de geurconcentraties in de cluster (OUe/m³) als 98P voor de vergunde, huidige en de geplande situatie ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen Geurconcentratie (OUe/m³) als 98P op clusterniveau Woning Ligging Vergunde toestand Huidige toestand Nieuwe toestand 1 woning bij bedrijf 1 Agrarisch gebied 5,5 4,9 7,0 2 woning Agrarisch gebied 7,6 5,6 8,1 3 woning bij bedrijf 2 Agrarisch gebied 5,5 4,8 6,8 4 woning Agrarisch gebied 5,9 5,5 6,5 5 woning bij bedrijf 3 Agrarisch gebied woning Agrarisch gebied woning Agrarisch gebied 16,6 16,6 14,9 8 woning Agrarisch gebied 5,0 4,9 5,1 Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 61/213

62 BEDRIJFSDIENSTEN 9 woning Agrarisch gebied 1,9 1,8 2,1 Voor de meest relevante individuele woningen worden in onderstaande tabel eveneens de geurconcentraties weergegeven in de cluster (OUe/m³) als 98P zonder het bedrijf van Van Gastel Gert LV. Tabel 29: Gedetailleerd overzicht van de geurconcentraties in de cluster (OUe/m³) als 98P zonder het bedrijf van Van Gastel Gert LV ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen Geurconcentratie (OUe/m³) als 98P Woning Ligging Cluster zonder bedrijf Van Gastel Gert LV 1 woning bij bedrijf 1 Agrarisch gebied 2,3 2 woning Agrarisch gebied 2,2 3 woning bij bedrijf 2 Agrarisch gebied 1,3 4 woning Agrarisch gebied 4,2 5 woning bij bedrijf 3 Agrarisch gebied 60 6 woning Agrarisch gebied 53 7 woning Agrarisch gebied 16,2 8 woning Agrarisch gebied 4,9 9 woning Agrarisch gebied 1,6 Voor deze woningen worden tenslotte de geurconcentraties weergegeven voor de vergunde, de huidige situatie en voor de gewenste situatie als 98P, die enkel door het bedrijf zelf veroorzaakt worden (individuele benadering). De individuele geurconcentraties t.h.v. de meest nabijgelegen woningen, gelegen in agrarisch gebied zijn lager dan 10 OUe/m³. Wat betreft de individuele benadering zijn er dus geen negatieve effecten ter hoogte van de nabijgelegen woningen. De verschillen in de geurconcentraties in de vergunde toestand en de huidige toestand zijn te wijten aan de verschillende parameters die gebruikt worden in de berekeningen (cfr. Tabel 22 en Tabel 23). In de huidige toestand zijn de bestaande stallen immers voorzien van warmtewisselaar en stofbak, terwijl deze stallen niet op deze manier vergund zijn. Tabel 30: Gedetailleerd overzicht van de geurimpact veroorzaakt door het bedrijf van Van Gastel Gert LV (OUe/m³) als 98P voor de vergunde, huidige en nieuwe situatie ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen Individuele geurconcentratie (OUe/m³) als 98P Woning Ligging Vergunde toestand Huidige toestand Nieuwe toestand 1 woning bij bedrijf 1 Agrarisch gebied 4,3 3,1 5,7 2 woning Agrarisch gebied 5,2 3,9 6,8 3 woning bij bedrijf 2 Agrarisch gebied 4,1 3,3 6,3 4 woning Agrarisch gebied 1,6 1,4 2,8 5 woning bij bedrijf 3 Agrarisch gebied 0,4 0,4 0,8 6 woning Agrarisch gebied 0,4 0,3 0,7 7 woning Agrarisch gebied 0,3 0,3 0,6 8 woning Agrarisch gebied 0,5 0,5 0,9 9 woning Agrarisch gebied 0,3 0,3 0,6 Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 62/213

63 BEDRIJFSDIENSTEN STOF Momenteel wordt fijn stof gezien als één van de belangrijkste luchtverontreinigende stoffen die leiden tot nadelige gezondheidseffecten. Deze treden zowel op bij kortstondige blootstelling aan hoge concentraties als bij langdurige blootstelling aan lage concentraties. De kleinere deeltjes dringen het diepst door in de longen. De afzetting van zwevend stof leidt tevens tot vervuiling en verwering van gebouwen. De grovere fractie zwevend stof is eerder in te delen als hinderlijk bij depositie. Naast primair fijn stof (deeltjes die als dusdanig geëmitteerd worden), kan nog melding gemaakt worden van secundair fijn stof, dat ontstaat bij chemische reactie tussen verschillende polluenten (bvb NH4, SOx, VOS). Bij de impactbeoordeling wordt met dit secundair gevormd fijn stof evenwel geen rekening gehouden gezien de effecten ervan zich veel minder op lokale schaal voordoen en de kwantificatie ervan niet evident is. De stofdeeltjes worden ook ingedeeld in fracties op basis van hun grootte. Een onderscheid wordt gemaakt tussen PM10, PM2,5 en PM0,1 (PM = Particulate Matter = PM). De grovere fijn stof fractie (de fractie > 2,5 µm en < PM10, deeltjes met een aërodynamische diameter (a.d.) kleiner dan 10 µm en groter dan 2,5 µm) bestaat vooral uit mechanisch gevormde deeltjes die in de lucht gebracht worden door de wind of door antropogene activiteiten, zoals opwaaiend stof bij verkeer en bij opslag en overslag van bulkgoederen De fijne fractie (PM2,5, deeltjes met een a.d. kleiner dan 2,5 µm) bestaat vooral uit deeltjes ontstaan bij verbrandingsprocessen en secundaire reacties. Ook roet behoort tot deze fractie. Momenteel bestaan er sterke aanwijzingen dat fijne deeltjes (< 2,5 µm) schadelijker zijn dan de grovere deeltjes. Daarom verschuift de aandacht dan ook meer en meer naar PM2,5 of zelfs naar de ultrafijne deeltjes (met a.d. < 0,1 µm). Het aandeel PM2,5 in de PM10 fractie is evenwel beperkt bij de stofemissies vanuit de veeteelt. De sector landbouw en visserij is één van de belangrijkste bronnen van PM10-emissie. Dit bestaat echter hoofdzakelijk uit het stof dat opwaait bij bewerking van de landbouwgronden. Deze onzekere bron van emissie is vermoedelijk minder belangrijk vanuit het oogpunt van gezondheid (VMM, 2005, VMM, 2007; Mira-T, 2006). Grof stof met een a.d. groter dan 10 µm komt o.a. in de lucht terecht door opwaaien en verwaaien bij wegverkeer, op- en overslag van ertsen, afbraakwerken, maar ook vanuit landbouwbedrijven (bvb wegwaaiend stof). Vanuit de site van veeteeltbedrijven komt het stof voornamelijk uit de stallen (via de ventilatie verwaaien van stof afkomstig van voederdeeltjes, huidschilfers, ). Anderzijds ontstaat stofemissie ten gevolge van het vullen van de voedersilo s en de transportbewegingen ten behoeve van het bedrijf. Bijkomend vindt eveneens emissie plaats van zwarte rook, gerelateerd aan de verbranding van fossiele brandstoffen (verwarming van de stallen, gebruik van landbouwvoertuigen, transporten ten behoeve van de aan- en afvoer van grondstoffen, gebruik van een noodstroomgroep, ). De stofemissie omvat in feite ook micro-organismen en celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën (endotoxinen). Deze microbiële componenten bevinden zich vooral in de grovere fractie van zogeheten fijn stof (Nederlandse Gezondheidsraad, 2012, Gezondheidsrisico s rondom veehouderijen ). De deeltjescocktail rond veehouderijen is daarmee duidelijk anders samengesteld dan stedelijk fijn stof. Voor de beoordeling van de (gezondheids)impact van dit deelaspect wordt verwezen naar de discipline mensgezondheid Methodiek effectbepaling Bepaling stofemissies Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 63/213

64 BEDRIJFSDIENSTEN In eerste instantie wordt de stofemissie van het bedrijf bepaald. De stofemissie vanuit de stallen wordt, net als de geuremissie, kwantitatief benaderd met behulp van emissiefactoren. Voor de stookinstallaties kunnen de emissies beoordeeld worden uitgaande van de wettelijk verplicht uit te voeren emissiemetingen (vanaf een vermogen van 300 kw), aantal werkingsuren en het brandstofverbruik. Bij ontstentenis van meetgegevens wordt gebruik gemaakt van de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden. Stofemissie uit de stallen Voor het maken van een inschatting stofemissies vanuit de stallen (zowel PM2,5 als PM10) wordt, net als bij geur en ammoniak, gebruik gemaakt van studies uit Nederland, en dit tot er Vlaamse cijfers beschikbaar zullen zijn. Voor de emissie van PM10 wordt voortgegaan op recente emissiefactoren afkomstig van het VROM (Ministerie van Infrastructuur en Milieu van maart 2011 (www.rijksoverheid.nl)). Voor PM2,5 wordt bij gebrek aan emissiefactoren gebruik gemaakt van de verhouding tussen PM10 en PM2,5 via volgende formule voorgesteld door Chardon en van der Hoeck (2002) : PM2,5 = 8/45 * PM10. Stofemissie bij vullen voedersilo s Voeder wordt op het bedrijf geleverd door voederfirma s. Via een persleiding wordt het voeder bij levering onder druk in de silo s geblazen. Om overdruk in de silo s te vermijden is er een uitlaatopening voorzien om een teveel aan statische luchtdruk in de silo te laten ontsnappen naar de buitenlucht. Via deze uitlaatopening kunnen ook stofdeeltjes in de omgevingslucht terechtkomen. Om deze stofemissie zoveel mogelijk te beperken is het gebruik van een stof zak bij het vullen een gangbare praktijk. Het gebruik van een stofzak bij het vullen van de voedersilo s wordt verplicht door de exploitant. Hierbij kan opgemerkt worden dat het vullen van de voedersilo s een zeer tijdelijke stofbron is. Diffuse emissie Diffuse emissies in de landbouwsector zijn vooral te wijten aan emissies ten gevolge van akkerbewerking en verkeer (niet-uitlaatemissies). Andere eerder incidentele stofbronnen die kunnen voorkomen op het bedrijf zijn o.a. het laden van dieren, het uitmesten van de stallen, enz. Verdere oorzaken van diffuse vormen van stofemissies zijn : aan- en afvoertransporten en de aanlegfase van het bedrijf. Door een grote reinheid van het bedrijf na te streven en het aantal nodige transporten te beperken tot het minimum tracht de exploitant de diffuse stofemissies te beperken. De emissiebronnen voor veeteelt zijn moeilijk kwantificeerbaar, enkel voor de emissielucht uit de stallen zijn er emissiefactoren van stof beschikbaar. Stofemissie uit de stookinstallaties Gezien het lage vermogen van de verwarmingsinstallaties, het gebruik van huisbrandolie en het beperkt brandstofverbruik, kan gesteld worden dat de stofemissies van deze bronnen niet relevant zijn. Bijkomend zorgt de emissie van de verbrandingsgassen via een schouw voor een betere dispersie in de omgevingslucht. Bijkomend dient nog rekening gehouden te worden met de thermische pluimstijging, wat ook een positief effect heeft op de dispersie. Hierdoor kan de impact op omgevingsniveau dan ook als verwaarloosbaar ingeschat worden. Er zal dan verder ook niet in detail op deze emissie en de impact ervan ingegaan worden. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 64/213

65 BEDRIJFSDIENSTEN Hoger vermelde is ook van toepassing op de emissie van de verbrandingsparameters CO, NOx en SOx.Bij gebruik van petroleum treedt zelfs geen kwantificeerbare SOx emissie op Bepaling stofconcentratie in omgevingslucht In tweede instantie wordt deze stofemissie omgezet naar een stofconcentratie in de omgeving, door middel van een overdrachtsberekening met het IFDM-model. In tegenstelling tot geurhinder wordt hier geen cumulatieve modellering uitgevoerd in IFDM, aangezien stofbronnen in de omgeving, niet enkel stofbronnen zijn van veebedrijven, maar vooral van verkeer, akkerbewerkingen, verwarmingsemissies,. Daarnaast dragen ook natuurlijke bronnen bij tot stofemissies. Bij de beoordeling wordt er niet rechtstreeks getoetst t.o.v. het al dan niet overschrijden van een norm, maar t.o.v. de bijdrage aan deze norm Toetsing stofconcentratie De EU (1999/30/EG) formuleerde in 1999 een aantal grenswaarden voor PM10 in de omgevingslucht: Jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m³ Niet meer dan 35 x overschrijden per jaar van het daggemiddelde van 50 µg/m³ Volgens de geactualiseerde versie van het Richtlijnenboek Lucht wordt het toegelaten aantal overschrijdingen per jaar voor PM10 van de daggrenswaarde (35) herrekend naar een rekenkundige jaargemiddelde waarde. Dit rekenkundig gemiddelde bedraagt 31,3 µg/m³. Voor PM10 wordt dus getoetst t.o.v. één luchtkwaliteitsnorm, nl. deze rekenkundige gemiddelde waarde, en volgens het significantiekader Volgend significantiekader wordt gehanteerd ter beoordeling van de immissiewaarde X in functie van de richtwaarde (grenswaarde) (Richtlijnenhandboek Lucht). Tevens zal een toetsing uitgevoerd worden ten opzichte van de jaargemiddelde PM2,5-grenswaarde van 25 µg/m³, die uiterlijk in 2015 dient gerespecteerd te worden (Europese richtlijn Lucht, 2008/50/EG). Hierbij zijn evenwel geen gemeentelijke achtergrondconcentraties beschikbaar. Indicatief kan aangegeven worden dat de PM2,5 concentraties zowat 60 à 70% van de PM10 concentraties uitmaken. Bij evaluatie kan dan ook met een achtergrond van 65% van de PM10 gerekend worden. Tevens wordt een indicatieve grenswaarde vooropgesteld van 20 µg/m³ in Tabel 31: Significantiekader PM10 en PM2,5 Toetsing Toetsing aan PM10 rekenkundig gemiddelde van 31,3 µg/m³ Toetsing aan PM2,5 jaargemiddelde van 25 µg/m³ Beoordeling X < 1% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde 0,313µg/m³ 0,25 µg/m³ Geen of verwaarloosbaar effect 1% < X <3% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde >0,313 µg/m³ <0,939 µg/m³ >0,25 µg/m³ <0,75 µg/m³ Beperkte bijdrage 3% < X <10% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde >0,939 µg/m³ <3,13 µg/m³ >0,75 µg/m³ < 2,5 µg/m³ Belangrijke bijdrage X >10% van de milieukwaliteitsnorm of >3,13 µg/m³ >2,5 µg/m³ Zeer belangrijke bijdrage Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 65/213

66 BEDRIJFSDIENSTEN richtwaarde Referentiesituatie Actuele luchtkwaliteit in het studiegebied Het bedrijf bevindt zich op ongeveer 20 km ten NO van het meetstation Schoten 42R811 (PM10) / 90R811 (PM2,5). De jaargemiddelde PM10- en PM2,5-concentraties voor het station wordt weergegeven in Tabel 32 (VMM, 2014, Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest - Jaarverslag Immissiemeetnetten 2013). Deze waarden zijn, gezien de afstand tot het bedrijf, louter als indicatief te aanzien voor het studiegebied. De meetwaarden voldoen wel ruimschoots aan de jaargemiddelde grenswaarden. Tabel 32: Jaargemiddelde PM10- en PM2,5-concentratie (µg/m³) voor 2012 van het dichtstbijzijnde VMMmeetpunt Plaats VMM-code Jaargemiddelde PM10- concentratie (µg/m³) Jaargemiddelde PM2,5-concentratie (µg/m³) Schoten 42R Een interpolatiekaart, opgesteld door de VMM, geeft de meerjaarsgemiddelde PM10-concentraties in Vlaanderen weer. Op basis van deze kaart wordt ter hoogte van het studiegebied een meerjaarsgemiddelde ( ) PM10-concentratie van 24 µg/m³ en 17 overschrijdingen van de daggemiddelde PM10 grenswaarde afgeleid (bron VMM, Geoloket Advisering RUP Thema Lucht). Deze gegevens wijzen ook op het ruimschoots voldoen aan de grenswaarden. Dit sluit evenwel niet uit dat er t.h.v. een zeer belangrijke lokale bron er toch een overschrijding kan optreden, zeker bij jaren die gekenmerkt worden door een meteo situatie die leidt tot slechte dispersie (bvb langdurige perioden met weinig wind, temperatuursinversie,..). Rekening houdend met een gemiddeld aandeel van 65% van PM2,5 in PM10 kan inzake PM2,5 een concentratie van 15,6 µg/m³ voorop gesteld worden. Er wordt inzake PM10 en PM2,5 dan ook ruimschoots aan de actuele en reeds vastgelegde toekomstige grenswaarden voldaan. Ook aan de jaargemiddelde NO2 grenswaarde wordt ruimschoots voldaan (in het kader van dit MER is deze parameter echter niet relevant). Tabel 33: Luchtkwaliteit in het studiegebied (gemiddelde ) (bron VMM, Geoloket Advisering RUP Thema Lucht) X Y PM10 jaargemiddelde Aantal overschrijdingen norm PM10 daggemiddelde NO 2 jaargemiddelde (2012) Bepaling stofemissie In Tabel 34 wordt de stofemissie in de vergunde toestand weergegeven. In de vergunde situatie bedraagt de PM10-emissie uit de stallen kg/jaar. De totale PM2,5-emissie uit de stallen bedraagt 128 kg/jaar in de vergunde situatie. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 66/213

67 BEDRIJFSDIENSTEN Tabel 34: Stofemissie bedrijf van Van Gastel Gert LV in de vergunde situatie met vermelding van stofemissiefactoren (kg/dier/jaar) (geactualiseerde lijst emissiefactoren MER-richtlijnenboek landbouwdieren) Vergunde situatie Stofemissie Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren PM10 (kg/dier/j) PM 2,5 (kg/dier/j) Totaal PM10 (kg/j) Totaal PM2,5 (kg/j) Stal slachtkippen Traditioneel ,022 0,0016 Stal slachtkippen Traditioneel ,022 0,0016 Totaal In Tabel 35 wordt de stofemissie in de huidige toestand weergegeven. In de huidige situatie bedraagt de PM10- emissie uit de stallen kg/jaar. De totale PM2,5-emissie uit de stallen bedraagt 128 kg/jaar in de vergunde situatie. Tabel 35: Stofemissie bedrijf van Van Gastel Gert LV in de huidige situatie met vermelding van stofemissiefactoren (kg/dier/jaar) (geactualiseerde lijst emissiefactoren MER-richtlijnenboek landbouwdieren) Huidige situatie Stofemissie Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren PM10 (kg/dier/j) PM 2,5 (kg/dier/j) Totaal PM10 (kg/j) Totaal PM2,5 (kg/j) Stal slachtkippen AEA P ,019 0,0016 Stal slachtkippen AEA P ,019 0,0016 Totaal Gezien het gebruik van NH3-emissie arme stallen kan nog gesteld worden dat dit een positieve impact heeft op de vorming van secondair fijn stof. Dit effect kan evenwel niet gekwantificeerd worden Bepaling impact stofconcentratie in de omgevingslucht De IFDM-modellering van de jaargemiddelde PM10-concentratie en de jaargemiddelde PM2.5-concentratie in de vergunde en huidige situatie wordt weergegeven in de Figuur 12 en Figuur 13 in bijlage. In de vergunde situatie is er voor PM10 geen woning die een zeer belangrijke bijdrage ondervindt. Er is 1 woning die een belangrijke bijdrage ondervindt met name tussen 3 % en 10 % van 31,3 µg/m³. Er zijn 3 woningen die een bijdrage ondervinden tussen 1% en 3% van 31,3 µg/m³, waaronder 2 woningen behorende tot een een landbouwbedrijf. In de huidige situatie is er voor PM10 geen woning die een zeer belangrijke of belangrijke bijdrage ondervindt. Er zijn 3 woningen die een bijdrage ondervinden tussen 1% en 3% van 31,3 µg/m³, waaronder 2 woningen Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 67/213

68 BEDRIJFSDIENSTEN behorende tot een landbouwbedrijf. Hierbij werd evenwel nog geen rekening gehouden met het plaatsen van de stofbak achter de bestaande stallen waarmee een stofreductie gerealiseerd wordt. Hier dient ook aangegeven te worden dat de impact op de luchtkwaliteit enkel buiten de eigen perceelsgrenzen dient beoordeeld te worden. Voor de PM2,5- concentraties stellen we vast dat geen enkele woning een bijdrage ondervindt voor de PM2,5 stofconcentratie (> 1% van 25 µg/m³) Geplande situatie Bepaling stofemissie In Tabel 36 wordt de stofemissie weergegeven in de nieuwe toestand. Tabel 36: Stofemissie bedrijf van Van Gastel Gert LV in de nieuwe situatie met vermelding van stofemissiefactoren (kg/dier/jaar) (geactualiseerde lijst emissiefactoren MER-richtlijnenboek landbouwdieren) Nieuwe situatie Stofemissie Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren PM10 (kg/dier/j) PM 2,5 (kg/dier/j) Totaal PM10 (kg/j) Totaal PM2,5 (kg/j) Stal slachtkippen AEA P ,019 0,0016 Stal slachtkippen AEA P ,019 0,0016 Stal slachtkippen AEA P ,019 0,0016 Stal slachtkippen AEA P ,019 0,0016 Totaal In de nieuwe situatie bedraagt de PM10-emissie uit de stallen kg/jaar. De totale PM2,5-emissie uit de stallen bedraagt dan 256 kg/jaar. Tabel 37 : Relatieve stofemissie in vergelijking met de stofemissie in de referentie situatie Stofemissie PM10 (kg/jaar) Vergunde situatie Huidige situatie Gewenste situatie Relatieve stofemissie t.o.v. referentie, in % Bepaling impact op stofconcentratie in omgevingslucht Op basis van IFDM zal een modellering voor het bedrijf in kwestie uitgevoerd worden. De IFDM-modellering van de jaargemiddelde PM10-concentratie en de jaargemiddelde PM2,5-concentratie door het bedrijf in de nieuwe situatie wordt weergegeven in de Figuur 14 in bijlage. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 68/213

69 BEDRIJFSDIENSTEN In de gewenste situatie is er voor PM10 geen enkele woning die een zeer belangrijke bijdrage ondervindt van het project van Van Gastel Gert LV. Er zijn 2 woningen die een belangrijke bijdrage ondervinden ( tussen 3% - 10%), waarvan er 1 woning behoort tot een veeteeltbedrijf. Er zijn 2 woningen met een beperkte bijdrage, m.n. tussen 1% - 3% van 31,3 µg/m³. 1 woning hiervan is een woning bij een landbouwbedrijf. Ook in Nederland liggen een tweetal bijkomende woningen die een belangrijke bijdrage ondervinden van het bedrijf Van Gastel. Hier dient er wel aan toegevoegd te worden dat de term belangrijk effect reeds gehanteerd wordt vanaf een bijdrage van 3% op 31,3 µg/m³, terwijl in Nederland er sprake is van een niet in betekenende mate van impact tot 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m³. Het in Vlaanderen gehanteerde beoordelingskader (en terminologie) kan dan ook als veel strenger aanzien worden dan het Nederlandse. Voor de PM2,5- concentraties stellen we vast dat er geen bijdrage wordt verwacht ter hoogte van de woningen in de omgeving van het bedrijf. Tabel 38: Effectoverzicht impact fijn stof Aantal woningen Toetsing Vergunde situatie Huidige situatie Nieuwe situatie Beoordeling PM10 - toetsing tov 31,3 µg/m³ 1% < X <3% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde Beperkte bijdrage 3% < X <10% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde Belangrijke bijdrage X >10% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde Zeer belangrijke bijdrage Toetsing Vergunde situatie Huidige situatie Nieuwe situatie Beoordeling PM2.5 - toetsing tov 25 µg/m³ 1% < X <3% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde* Beperkte bijdrage 3% < X <10% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde Belangrijke bijdrage X >10% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde Zeer belangrijke bijdrage Voor PM2,5 zijn er geen woningen die een effect ondervinden zowel in de huidig vergunde situatie als in de toekomstige situatie door de uitvoering van het project van Van Gastel Gert LV. Voor PM10 zijn er 2 bijkomende woning met een belangrijke bijdrage tussen 3% en 10% van 31,3 µg/m³ tov de huidige situatie (of 1 bijkomende woning tov de vergunde situatie) en 2 bijkomende woningen met een beperkte bijdrage (tussen 1% en 3%). Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 69/213

70 BEDRIJFSDIENSTEN VERZURENDE EN VERMESTENDE IMPACT Methodiek Bij verzuring en vermesting, twee belangrijke milieubegrippen, is ammoniak in de veehouderij de belangrijkste factor. Ammoniak wordt relatief snel uit de atmosfeer verwijderd, o.a. door zijn zeer goede oplosbaarheid in water. Het belangrijkste effect dat ammoniak dan ook met zich mee brengt wordt veroorzaakt door de depositie ervan, waarbij ammoniak voor een verzurend en vermestend effect zorgt op bodem, water en fauna & flora. Bijgevolg wordt er ter inschatting van de milieu-impact van de ammoniakemissie geen immissie berekend, maar wordt de depositie beschouwd Methodiek effectbepaling In dit hoofdstuk wordt enkel ingegaan op de berekening van de ammoniakemissie. De verzurende en vermestende gevolgen worden besproken onder de discipline Fauna & Flora Bepaling ammoniakemissie Ammoniakemissiearme stallen: In een Vlaamse werkgroep stallen werden de stalsystemen geselecteerd die in aanmerking komen in het kader van het ammoniakreductieplan voor Vlaanderen. De systemen die wettelijk kunnen toegepast worden als ammoniakemissiearm stalsysteem voor varkens en pluimvee werden opgenomen in de Lijst van stalsystemen voor ammoniakreductie (Ministerieel besluit van 19 maart 2004, bijlage 1; Belgisch Staatsblad 14/10/2004, gewijzigd bij ministerieel besluit van 31 mei 2011 (B.S. 08/07/2011)). Voor deze stalsystemen dienen de ammoniakemissiefactoren gebruikt te worden die in deze lijst zijn opgenomen. De nieuwe stal wordt voorzien van een ammoniakemissiearm systeem. Het systeem is P-6.3 'Grondhuisvesting met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren'. De bestaande stal 3 wordt eveneens omgevormd naar het ammoniakemissiearm systeem P-6.3 'Grondhuisvesting met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren' Referentiesituatie De ammoniakemissie uit de stallen van het bedrijf van Van Gastel Gert LV bedraagt in de vergunde situatie 6,4 ton NH 3/jaar, en in de huidige situatie 3,6 ton NH 3/jaar. Tabel 39: Ammoniakemissie bij bedrijf van Van Gastel Gert LV in de vergunde situatie Vergunde situatie Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren NH 3 (kg/j/dier) Amoniakemissie Totaal (kg/jaar) Totaal stal (kg/jaar) Stal slachtkippen traditioneel , Stal slachtkippen traditioneel , Totaal Tabel 40: Ammoniakemissie bij bedrijf van Van Gastel Gert LV in de huidige situatie Huidige situatie Amoniakemissie Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 70/213

71 BEDRIJFSDIENSTEN Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren NH 3 (kg/j/dier) Totaal (kg/jaar) Totaal stal (kg/jaar) Stal slachtkippen AEA P , Stal slachtkippen AEA P , Totaal In de huidige situatie is de ammoniakemissie beduidend lager dan in de vergunde situatie, door toepassing van een warmtewisselaar op de bestaande stallen (ammoniakemissiearm systeem P-6.4.) Geplande situatie In de toekomstige situatie is er een stijging van de ammoniakemissie tot 7,2 ton NH 3/jaar. Tabel 41: Ammoniakemissie bij bedrijf van Van Gastel Gert LV in de geplande situatie Nieuwe situatie Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren NH 3 (kg/j/dier) Amoniakemissie Totaal (kg/j) Totaal (kg/j/stal) Stal slachtkippen AEA P , Stal slachtkippen AEA P , Stal slachtkippen AEA P , Stal slachtkippen AEA P , Totaal ENERGIE EN BROEIKASGASSEN Methodiek De theorie van het broeikaseffect is op zich goed gekend en algemeen aanvaard. Klimaatverandering is een rechtstreeks gevolg van de oplopende concentraties aan broeikasgassen in onze atmosfeer. Die gassen laten de invallende zonnestralen door, maar houden de door de aarde teruggekaatste warmte tegen. Dit fenomeen is bekend als het broeikaseffect. Koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O) zijn enkele belangrijke broeikasgassen. De emissie van broeikasgassen uit de landbouw is een gevolg van de methaanvergisting (CH4) in de dierlijke spijsvertering en in mestopslag, de productie van lachgas (N2O) uit biologische processen, het gebruik van fossiele brandstoffen (CO2- en N2O-emissie) en de emissie van koolstofdioxide (CO2) door de daling van de bodemkoolstofvoorraad. De voornaamste bronnen van broeikasgassen op het veeteeltbedrijf zijn afkomstig van geproduceerde stalgassen en van de verbranding van fossiele brandstoffen. Ook het elektriciteitsverbruik zorgt voor een zekere CO2-productie ter hoogte van de elektriciteitscentrale. De grootste energieverbruikers zijn de verwarming en de verlichting van de stallen en de ventilatoren. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 71/213

72 BEDRIJFSDIENSTEN Tabel 42 geeft de totale emissie in Vlaanderen weer aan broeikasgasemissie, alsook het aandeel van de veeteelt (VMM, 2010b). Tabel 42: Broeikasgasemissie in Vlaanderen en aandeel veeteeltsector (VMM, 2010b) Vlaanderen Broeikasgasemissie (ton CO 2-equivalenten) Totale broeikasgasemissie veeteelt Totale broeikasgasemissie al de sectoren Bij deze effectgroep dient opgemerkt te worden dat ze zich niet op lokaal niveau afspeelt, maar eerder op regionaal niveau of zelfs continentaal of mondiaal niveau. Tijdens de opmaak van een milieueffectrapport voor een project zullen ze dus zelden tot nooit op een zinvolle manier gekwantificeerd worden. Wel kunnen de atmosferische emissies van het project gekaderd worden in de beleidsmatige context (bron: Richtlijnenboek discipline Lucht). Uit Tabel 42 kan afgeleid worden dat het aandeel van de veeteeltsector in 2009 ca. 7% bedraagt van de totale broeikasgasemissies in Vlaanderen Methodiek In wat volgt zal bijgevolg de emissie aan broeikasgassen door het bedrijf zelf ingeschat worden aan de hand van emissiefactoren die werden gepubliceerd in de IPCC Guidelines 96 en De jaarlijkse broeikasgasemissies ten gevolge van de veeteeltexploitatie wordt bepaald op basis van de vergunde dierenaantallen, het jaarlijkse verbruik aan fossiele brandstoffen en de van toepassing zijnde emissiefactoren voor methaan, lachgas en CO 2. Eveneens wordt dieper ingegaan op het energieverbruik van het bedrijf, en de aanwending van hernieuwbare energiebronnen. De grootste energieverbruikers zijn hier de verlichting van de stallen, de ventilatoren, het voedersysteem en de warmteheaters. Het totale energieverbruik en de eigen productie wordt vergeleken met de CO 2-uitstoot van klassieke elektriciteitscentrales. Een echte beoordeling wordt hier niet aan gekoppeld. Er kunnen, indien nodig, bijkomende aanbevelingen gebeuren Referentiesituatie Methaanemissie Op basis van de door de VMM gehanteerde emissiefactoren (IPPC, 1996), wordt een inschatting gemaakt van de totale methaanemissie ten gevolge van de dieren. Voor het pluimvee wordt enkel rekening gehouden met methaanemissie ten gevolge van de mestopslag. Voor rundvee is er een methaanemissie uit de stallen als gevolg van methaanvergisting in zowel de dierlijke spijsvertering als in de mestopslag. Merk op dat de toepassing van ammoniakemissiearme stalsystemen niet in rekening gebracht werd inzake methaanemissie, dit omdat hierover geen meer gegevens gekend zijn. Mogelijks hebben deze ook een beperkend effect op de methaanemissie. Daarnaast komt ook methaan vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Voor de berekening van de methaanemissie wordt gebruik gemaakt van de emissiefactoren uit de 2006 IPCC Guidelines for National Greenhouse Gas Inventories. Tabel 43: Berekening methaanemissie uit de stallen bij bedrijf Van Gastel Gert LV in de huidige situatie Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 72/213

73 BEDRIJFSDIENSTEN Stalnr Dierplaats # dieren Emissiefactor CH 4 (kg/dier/j) verteringsproces Emissiefactor CH 4 (kg/dier/j) mestopslag Emissie CH 4 (kg/dier/j) verteringsproces Emissie CH 4 (kg/dier/j) mestopslag Stal 1 Slachtkippen , Stal 2 Slachtkippen , Totaal (kg) Totaal (ton CO 2-equivalenten) 0 34 Tabel 44: Berekening methaanemissie t.g.v. verbranding fossiele brandstoffen in de huidige situatie Jaarlijks verbruik brandstof (l) Energievoorraad (TJ) Emissiefactor CH 4 (kg/tj) (IPCC, 2006) CH 4-emissie (kg/jaar) CO 2- equivalenten (ton) l petroleum 2 3,4 6,3 0, Lachgasemissie Eveneens inzake lachgasemissie wordt op basis van de door de VMM gehanteerde emissiefactoren (IPCC, 2006) een inschatting gemaakt van de totale lachgasemissie die de mestopslag veroorzaakt. Voor kippen bedraagt de lachgasemissie 0,001 kg N2O-N per kg uitgescheiden N. In de huidige situatie bedraagt de totale N2O-emissie gekoppeld aan de dieren aanwezig op het bedrijf van Van Gastel Gert LV in totaal 80 kg N2O/jaar (~25 ton CO2- equivalenten). Ook hier werd een eventuele reductie in emissie door toepassing van de ammoniakemissiearme stalsystemen niet in rekening gebracht. In onderstaande tabel wordt de berekening (met emissiefactoren uit IPCC, 2006) weergegeven van de lachgasemissie ten gevolge van de verbruiken aan brandstof. Tabel 45: Berekening lachgasemissie t.g.v. verbranding fossiele brandstoffen in huidige situatie Jaarlijks verbruik brandstof (l) Energievoorraad (TJ) Emissiefactor N 2O (kg/tj) (IPCC, 2006) N 2O-emissie (kg/jaar) CO 2- equivalenten (ton) l petroleum 2 0,6 1,1 0, CO 2 -emissie Tabel 46: Berekening CO 2-emissie t.g.v. verbranding in de huidige situatie Jaarlijks verbruik brandstof (l) Energievoorraad (TJ) Emissiefactor CO 2 (kg/tj) (IPCC, 2066) CO 2-emissie (kg/jaar) l petroleum 2 73,3 136 Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 73/213

74 BEDRIJFSDIENSTEN Nieuwe situatie Methaanemissie In de toekomstige situatie bedraagt de totale CH4-emissie gekoppeld aan de dieren aanwezig op het bedrijf Van Gastel Gert LV in totaal 3,2 ton CH4/jaar (~67 ton CO2-equivalenten). Het jaarlijks verbruik aan fossiele brandstoffen voor het bedrijf bedraagt in de toekomstige situatie L petroleum. Dit petroleumverbruik brengt een emissie 12,58 kg CH4/jaar (= 0,26 ton CO2-equivalenten) met zich mee. Tabel 47: Berekening methaanemissie t.g.v. verbranding fossiele brandstoffen in toekomstige situatie Jaarlijks verbruik brandstof (l) Energievoorraad (TJ) Emissiefactor CH 4 (kg/tj) (IPCC, 2066) CH 4-emissie (kg/jaar) CO 2- equivalenten (ton) l petroleum 4 3,4 12,6 0, Lachgasemissie In de toekomstige situatie bedraagt de totale N2O-emissie gekoppeld aan de dieren aanwezig op het bedrijf Van Gastel Gert LV in totaal 160 kg N2O/jaar (~50 ton CO2-equivalenten). In onderstaande tabel wordt de berekening (met emissiefactoren uit IPCC, 2006) weergegeven van de lachgasemissie ten gevolge van de verbruiken aan brandstof. Tabel 48: Berekening lachgasemissie t.g.v. verbranding fossiele brandstoffen in toekomstige situatie Jaarlijks verbruik brandstof (l) Energievoorraad (TJ) Emissiefactor N 2O (kg/tj) (IPCC, 2006) N 2O-emissie (kg/jaar) CO 2- equivalenten (ton) l petroleum 4 0,6 2,2 0, CO 2 -emissie Tabel 49: Berekening CO 2-emissie t.g.v. verbranding in de toekomstige situatie Jaarlijks verbruik brandstof (l) Energievoorraad (TJ) Emissiefactor CO 2 (kg/tj) (IPCC, 2066) CO 2-emissie (kg/jaar) l petroleum 4 73,3 271, Totale broeikasgasemissies In Tabel 50 wordt een overzicht gegeven van de totale broeikasgasemissies in de huidige en in de nieuwe situatie. Tabel 50: Totale broeikasgasemissie in de huidige en de nieuwe situatie Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 74/213

75 BEDRIJFSDIENSTEN Emissie uitgedrukt in ton CO 2- equivalenten Stal Huidige situatie Nieuwe situatie CH 4-emissie per jaar t.g.v. mestopslag N 2O-emissie per jaar t.g.v. mestopslag CH 4-emissie per jaar t.g.v. verbranding van fossiele 0,1 0,3 brandstoffen N 2O-emissie per jaar t.g.v. verbranding van fossiele 0,3 0,7 brandstoffen CO 2-emissie per jaar t.g.v. verbranding van fossiele 135,7 271,3 brandstoffen TOTAAL Door het voorliggende project neemt de totale broeikasgasemissie ten gevolge van het bedrijf toe met 194 ton CO 2-equivalenten. In Tabel 51 worden de cijfers voor Vlaanderen vergeleken met de emissie ten gevolge van voorliggend bedrijf. Tabel 51: Procentuele bijdrage bedrijf aan broeikasgasemissie in Vlaanderen t.g.v. veeteeltsector en overige sectoren Bijdrage in % Huidige situatie Nieuwe situatie Procentuele aandeel bedrijf t.o.v. veeteeltsector 0,004 0,007 Procentuele aandeel bedrijf in Vlaanderen 0,0002 0, Energieverbruik en broeikasgassen In de huidige situatie bedraagt het elektriciteitsverbruik ongeveer kwh per jaar. In de toekomstige situatie zou dit toenemen tot ca kwh per jaar. Het elektriciteitsverbruik houdt hier geen rekening met de geïnstalleerde zonnepanelen. Op de pluimveestallen werden reeds zonnepanelen gelegd met een vermogen van totaal 200 kwpiek. Ook aan dit energieverbruik kan een zekere CO2-emissie gekoppeld worden. In klassieke elektriciteitscentrales gaat de productie van 1 kwh namelijk gepaard met ongeveer 0,687 kg CO2-uitstoot (bron: - emissies van klassieke elektriciteitscentrales in België). Door het zelf opwekken van duurzame energie, bv. d.m.v. zonnepanelen, zal het bedrijf bijdragen aan een beperking van de broeikasgassen. Algemeen geldt dat afhankelijk van de ondersteuningsmaatregelen waarvoor het bedrijf in aanmerking komt (hetgeen gekoppeld is aan het financiële statuut van het bedrijf), het plaatsen van zonnepanelen al dan niet economisch interessant is. De plaatsing van de zonnepanelen vergt eveneens een aanzienlijke startinvestering, de financiële draagkracht van het bedrijf dient voldoende groot te zijn om zulk een investering te kunnen realiseren. Wat de plaatsing van windturbines betreft, is het plaatsen van grote windturbines (diameter meter en met een vermogen > 1 MW) als financieel interessant te beschouwen. Kleinere turbines variëren in vermogen van 100 Watt tot 10 Kilowatt. Het bekomen van een vergunning voor een windturbine ligt nog steeds heel moeilijk. Het uitvoeren van een energieaudit is volgens expertinschatting economisch haalbaar voor alle veeteeltbedrijven. Hierdoor kan de bedrijfsleider een goed zicht bekomen op het energieverbruik op zijn bedrijf en kunnen veelal Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 75/213

76 BEDRIJFSDIENSTEN enkele besparende maatregelen doorgevoerd worden. Eveneens kan bij het uitvoeren van een energieaudit aandacht besteed worden aan de mogelijkheid voor het bedrijf tot het duurzaam opwekken van energie. Tot op heden werd nog geen energieaudit uitgevoerd op het bedrijf SYNTHESE DISCIPLINE LUCHT Inzake de discipline lucht werd de impact van het bedrijf bekeken inzake geurhinder, stofhinder, ammoniakemissie en emissie broeikasgassen. In de vergunde situatie gaat het bedrijf gepaard met: Een geuremissie van OU E/s. Deze geuremissie veroorzaakt samen met de emissies van andere bedrijven behorende tot dezelfde bronnencluster een negatief effect op 3 woningen. Deze woningen zijn allen gelegen in agrarisch gebied. Van deze 3 woningen behoort 1 woning tot een landbouwbedrijf uit de cluster. Er is een matig negatief effect voor 5 woningen, waarvan 2 woningen behorende tot een landbouwbedrijf. Voor 3 woningen in agrarisch gebied (en een 3-tal woningen in Nederland) is er tenslotte een gering negatief effect. Volgens de afstandsregels is er geen of verwaarloosbaar effect. In de huidige situatie is de geuremissie identiek als de vergunde situatie, maar de uitstoot is anders omwille van de plaatsing van een stofbak en een warmtewisselaar. Hierdoor is er een verschuiving van het effect op de omgeving. Er zijn ook 3 woningen met een negatief effect (waarvan 1 behorend tot een landbouwbedrijf), 3 woningen met een matig negatief effect en 5 woningen met een gering negatief effect (waarvan 2 behorende tot een landbouwbedrijf), en een 3-tal woningen in Nederland met een gering negatief effect. De vergunde PM10-emissie bedraagt kg, in de huidige situatie bedraagt de PM10-emissie kg. Zowel in de vergunde als in de huidige situatie zijn er geen woningen die een belangrijke bijdrage ondervinden. In de vergunde situatie is er 1 woning die een belangrijke bijdrage, en 2 woningen die een beperkte bijdrage ondervinden. In de huidige situatie zijn er geen woningen met een belangrijke bijdrage, en 3 woningen met een beperkte bijdrage (waarvan 2 behorende tot een landbouwbedrijf). In de huidige situatie zijn de bestaande stallen immers ammoniakemissiearm uitgevoerd, en is de uitstoot anders door de plaatsing van een stofbak. Er werd echter nog geen rekening gehouden met een eventuele stofreductie door de stofbak. De vergunde/huidige PM2,5-emissie bedraagt 128 kg. In de vergunde/huidige situatie zijn er geen woningen die een effect ondervinden van het bedrijf Van Gastel Gert LV. In de vergunde situatie is er een ammoniakemissie van kg NH 3/kg. In de huidige situatie is er een ammoniakemissie van kg NH 3/jaar door de plaatsing van ammoniakemissiearme systemen op de bestaande stallen. Voor de verzurende en vermestende impact van deze emissie, wordt verwezen naar de discipline Fauna en Flora. Een broeikasgasemissie (CH 4, N 2O en CO 2) van 195 ton CO 2-equivalenten ten gevolge van de dieren en het verbranden van fossiele brandstoffen. Hiermee heeft het bedrijf een bijdrage van 0,0002% van de CO 2-uitstoot in Vlaanderen. In de nieuwe situatie gaat het bedrijf gepaard met: Een geuremissie van OU E/s. Deze geuremissie veroorzaakt samen met de emissies van andere bedrijven behorende tot dezelfde bronnencluster een negatief effect op 3 woningen (waarvan 1 woning behoort tot een landbouwbedrijf). Deze woningen zijn allen gelegen in agrarisch gebied. Er is een matig negatief effect voor 5 woningen (en 2 woningen in Nederland). Van deze 5 woningen zijn er 2 woningen die behoren tot een landbouwbedrijf. Voor 3 woningen in agrarisch gebied (en 3 woningen in Nederland), is er een gering negatief effect. Het aantal woningen dat een effect ondervindt blijft dus gelijk, er is wel Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 76/213

77 BEDRIJFSDIENSTEN een verschuiving van gering naar matig negatief effect. In Nederland zijn er wel 2 bijkomende woningen, echter ook behorende tot landbouwbedrijven. Er is een stijging van de geurconcentraties waar te nemen, die echter beperkt blijft tot max. 50% van het verschil tussen de vergunde/huidige geurimmissie en 10 OUe/m³ als 98P. voor de woningen gelegen rond bedrijf3 in de cluster is er een hogere geurconcentratie die status quo blijft in de nieuwe situatie, en die louter te wijten is aan de geuremissie van bedrijf 3 uit de cluster. Het bedrijf Van Gastel Gert LV heeft geen invloed op deze woningen. Een jaarlijkse PM10-emissie van kg ten gevolge van stalemissies. In de nieuwe situatie is er 1 bijkomende woning die een belangrijke bijdrage ondervindt van fijn stof t.o.v. de vergunde situatie. T.o.v. de huidige situatie is er 1 bijkomende woning, maar ook een verschuiving van een woning van een beperkte bijdrage naar een belangrijke bijdrage. Het betreft de woning van een naburig landbouwbedrijf. In Nederland zijn er 2 bijkomende woningen die een belangrijke bijdrage ondervinden van het project Van Gastel Gert LV. Hier dient er wel aan toegevoegd te worden dat de term belangrijk effect reeds gehanteerd wordt vanaf een bijdrage van 3% op 31,3 µg/m³, terwijl in Nederland er sprake is van een niet in betekenende mate van impact tot 3% van 40 µg/m³. Het in Vlaanderen gehanteerde beoordelingskader (en terminologie) kan dan ook als veel strenger aanzien worden dan het Nederlandse.. Een jaarlijkse PM2,5-emissie van 256 kg ten gevolge van stalemissies. Net zoals voor verandering zijn er geen woningen die een effect ondervinden. Een ammoniakemissie van kg NH 3/jaar. Voor de verzurende en vermestende impact van deze emissie, wordt verwezen naar de discipline Fauna en Flora. Een broeikasgasemissie (CH 4, N 2O en CO 2) van 389 ton CO 2-equivalenten ten gevolge van de dieren en het verbranden van fossiele brandstoffen. Hiermee heeft het bedrijf een bijdrage van 0,0005% van de CO 2-uitstoot in Vlaanderen. Opmerking : ten aanzien van de hierboven opgenomen evaluatie dient aangegeven te worden dat de impact binnen de eigen bedrijfsgrens in feite niet dient beoordeeld te worden MILDERENDE MAATREGELEN Door het bedrijf genomen maatregelen Het bedrijf maakt in de huidige situatie reeds gebruik van het ammoniakemissiearme stalsysteem P-6.4. Warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag. De bestaande stallen zijn voorzien van een stofbak aan de kopgevel van de stallen. Een stofbak zorgt voor de reductie van de stofuitstoot, door impact van stof met de wand bij het afbuigen van de luchtstromen. De horizontale luchtstroom wordt omgebogen naar een verticale luchtstroom, waardoor de emissies hoger zullen uitgestoten worden. Een bijkomend voordeel valt te verwachten doordat er meer stof ter plekke zal neerslaan. Er kan dus vanuit gegaan worden dat dit een reducerend effect heeft op de stofemissies van het bedrijf (vnl. ten aanzien van de grovere fracties). Er zijn evenwel geen gegevens bekend m.b.t. het emissiereducerend effect inzake PM10. Een stofbak werkt met het principe van impactie en inertiedepositie. De uitstromende lucht wordt sterk van richting veranderd (horizontaal naar verticaal). Kleinere deeltjes zullen geneigd zijn de luchtstroom te volgen, terwijl grotere deeltjes uit de bocht vliegen en botsen tegen de wand van de stofbak. Door de zwaartekracht vallen de deeltjes Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 77/213

78 BEDRIJFSDIENSTEN vervolgens naar beneden en worden uit de lucht verwijderd. Een deel van het stof blijft ook aan de wand kleven. In het rapport BBT fijnstof van de Wageningen Universiteit wordt het verwijderingsrendement van een droogfilterwand ingeschat op 20-40% (bij een droogfilterwand wordt ook gebruik gemaakt van impact om tot een emissie reducerend effect te komen). Voor de berekeningen in dit MER werd geopteerd om de ondergrens van 20% reductie van een droogfilterwand te hanteren voor de stallen met een stofbak. Dit is louter een zeer indicatieve schatting. Voor PM10 hebben we dan in de huidige situatie een emissie van kg/j. Voor PM 2,5 is een reductie van 20% waarschijnlijk een overschatting, en wordt de reductie niet doorgerekend. In de huidige situatie werd nog geen rekening gehouden met een reductie van de stofemissies. Als geurbeïnvloedende maatregelen inzake voeder en voederwijze wordt in de BBT-studie het toedienen van meerfasenvoedering aangehaald. Doordat de voeders beter afgestemd zijn op de specifieke behoefte van de dieren, daalt de stikstofexcretie in de mest. Ook toediening van eiwitarm voeder heeft een significante reductie in de stikstofexcretie in de mest tot gevolg. Het bedrijf maakt gebruik van meerfasenvoeders met verlaagd fosforgehalte en ruw eiwitgehalte. Dit effect is niet meegenomen in de berekening van de geurconcentraties, de bekomen resultaten zijn dus een worst-case scenario. Bij het vullen van de silo s wordt gebruik gemaakt van stofzakken. De stallen worden op regelmatige basis intensief gereinigd. Dit resulteert in een beperking van de geuremissie. Het aantal transporten op het bedrijf wordt geoptimaliseerd, waardoor stofopwaaiing, slijtage emissies en emissies van verbrandingsgassen door het verbruik van mazout wordt beperkt. Het bedrijfsterrein wordt zo goed als kan proper en stofvrij gehouden Door het bedrijf geplande maatregelen De nieuwe stallen worden eveneens voorzien van het ammoniak emissiearm systeem P-6.4. Warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag. Naast de bestaande stallen zullen ook de nieuwe stallen voorzien worden van een stofbak aan de kopgevel van de stallen. Een stofbak zorgt voor de reductie van de stofuitstoot. Dit steunt op het principe om lucht af te buigen. De horizontale luchtstroom wordt omgebogen naar een verticale luchtstroom, waardoor de emissies hoger zullen uitgestoten worden. Een bijkomend voordeel valt te verwachten doordat er meer stof ter plekke zal neerslaan. Er kan dus vanuit gegaan worden dat dit een reducerend effect heeft op de stofemissies van het bedrijf (vnl. ten aanzien van de grovere fracties). Er zijn evenwel geen gegevens bekend m.b.t. het emissiereducerend effect inzake PM10. Een stofbak werkt met het principe van impactie en inertiedepositie. De uitstromende lucht wordt sterk van richting veranderd (horizontaal naar verticaal). Kleinere deeltjes zullen geneigd zijn de luchtstroom te volgen, terwijl grotere deeltjes uit de bocht vliegen en botsen tegen de wand van de stofbak. Door de zwaartekracht vallen de deeltjes vervolgens naar beneden en worden uit de lucht verwijderd. Een deel van het stof blijft ook aan de wand kleven. In het rapport BBT fijnstof van de Wageningen Universiteit wordt het verwijderingsrendement van een droogfilterwand ingeschat op 20-40% (bij een droogfilterwand wordt ook gebruik gemaakt van impact om tot een emissie reducerend effect te komen). Voor de berekeningen in dit MER werd geopteerd om de ondergrens van 20% reductie van een droogfilterwand te hanteren voor de stallen met een stofbak. Dit is louter een zeer indicatieve schatting. Voor PM10 hebben we dan in de nieuwe situatie een emissie van kg/j. Voor PM 2,5 is een reductie van 20% waarschijnlijk een overschatting, en wordt de reductie niet doorgerekend. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 78/213

79 BEDRIJFSDIENSTEN In onderstaande tabel wordt de emissie weergegeven bij reductie van 20% door de stofbak. Uit de IFDM-modellering blijkt dat er een verschuiving is van 2 woningen met een belangrijke bijdrage, naar een beperkte bijdrage in de nieuwe situatie met stofbak. Dit wordt weergegeven in Figuur 15. Tabel 52: Stofemissie bedrijf van Van Gastel Gert LV in de nieuwe situatie, met een reductie van 20% door de stofbak Nieuwe situatie Stalnr Dierplaats Stalsysteem # dieren PM10 (kg/dier/j) Stofemissie PM 2,5 (kg/dier/j) Totaal PM10 (kg/j) Totaal PM2,5 (kg/j) Stal slachtkippen AEA P ,0152 0,0016 Stal slachtkippen AEA P ,0152 0,0016 Stal slachtkippen AEA P ,0152 0,0016 Stal slachtkippen AEA P ,0152 0,0016 Totaal De erfbeplanting zal uitgebreid worden in de toekomst, op basis van een erfbeplantingsplan opgemaakt door de Hooibeekhoeve van de Provincie Antwerpen Verdere mogelijkheden of aanbevelingen Onderzoek naar mogelijkheden voor reductie geurhinder In Nederland werd er in 2003 een meetcampagne uitgevoerd om de invloed van een landschapselement (windsingel) op de verspreiding van emissies (in eerste instantie voornamelijk ammoniak) uit een varkenshouderij na te gaan (Van Dijk et al., 2004). Deze meetcampagne werd uitgevoerd bij een vleesvarkenshouderij met ruim dierplaatsen. Aan de oostzijde van het stallencomplex lag op ca. 20 m afstand van de dichtstbijzijnde stal een vrij uniforme windsingel. De situering is zo, dat bij wind uit zuidwestelijke tot westelijke richting de emissiepluim vanuit de stal grotendeels door en over de windsingel verspreid werd. De begroeiing in de meetcampagne bestond uit loofbomen (acacia, zomereik en berk) met struiken. De hoogte van de windsingel was ca m, en de breedte ca Als gevolg van deze Nederlandse meetcampagne werd onderzocht op welke manier landschapselementen in staat zijn om de impact van de emissies te verminderen (Van Dijk et al., 2005). Hieruit bleek dat landschapselementen zoals windsingels een fysiek obstakel vormen voor de verspreiding van stoffen en deeltjes in de atmosfeer. Het effect wordt voornamelijk bepaald door twee elkaar tegenwerkende processen: verhoogde depositie en snelheidsdemping. De resultaten uit het Nederlandse onderzoek laten zien dat een windsingel op korte afstand van een stal de ongewenste verspreiding van ammoniak, maar ook van andere agrarische emissies zoals fijn stof en geur tegengaat en dat de bomen in de windsingel een deel van de stikstof opnemen vanuit de lucht. De geurreductie door een windsingel zal op twee manieren gebeuren. Enerzijds zal geur (die zich als gas verspreidt) als gevolg van de extra turbulentie die ontstaat door de beplanting, worden gemengd en verdund met Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 79/213

80 BEDRIJFSDIENSTEN hogere luchtlagen waardoor de geurbelasting op leefniveau afneemt. Anderzijds zullen geurpartikels die geadsorbeerd worden aan stofdeeltjes gedeeltelijk door de beplanting worden gecapteerd (Van Dijk et al., 2005). Het windbrekend effect, waardoor een lagere dispersie optreedt, veroorzaakt echter een tegenovergesteld effect, en zal het verdunnend effect beperken. Hierdoor wordt de positieve impact van de hierboven vermelde elementen gedeeltelijk teniet gedaan. Ook aan de universiteit van McGill in Canada loopt momenteel eveneens een project naar het effect van natuurlijke windsingels op de verspreiding en het terugdringen van geur. Hieruit blijkt dat windsingels moeten bestaan uit minimum 2 rijen bomen of struiken, met variabele hoogtes, geplaatst loodrecht op de meest overheersende windrichting. Zij vermelden dat hoge barrières rond bvb. mestopslagplaatsen voor een geurreductie kunnen zorgen van 26 tot 92% aan de windluwe zijde (Bradshaw, 2003). Mogelijke milderende maatregelen voor het bedrijf Van Gastel Gert LV:: De aanwezige groenelementen dienen dus zeker behouden te blijven en kunnen mogelijks verder uitgebouwd worden. Een positief effect hiervan kan zeker verwacht worden. Bij de modellering werd geen rekening gehouden met de groenelementen, zodat dit als een worst-case scenario beschouwd kan worden. Onderzoek naar mogelijkheden voor reductie fijn stof Niettegenstaande de impact van het bedrijf op de fijn stof belasting in de omgeving globaal gezien als beperkt beschouwd kan worden, en geen overschrijdingen van de grenswaarden aangetoond worden in het studiegebied, wordt in wat volgt toch aandacht geschonken aan mogelijke milderende maatregelen. Implementatie hiervan is, cfr. het beoordelingskader van het RLB-lucht van LNE, en de hierin opgenomen koppeling met milderende maatregelen evenwel niet vereist op korte of middellange termijn. In Nederland wordt ook onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om specifiek de uitstoot van fijn stof uit de veehouderij te beperken. In de Buisonjé & Aarnink (2008) werden de opties voor reductie van stofemissies uit pluimveestallen onderzocht. Voor elk gangbaar staltype met een hoge emissie van fijn stof, zoals rondhuisvesting en volière, werden maatregelen geïnventariseerd die de fijnstofemissie kunnen reduceren. Daarbij is aangegeven of deze maatregelen op de korte termijn (implementatierijp in 2009) of op de langere termijn implementatierijp in 2011) toegepast kunnen worden in de praktijk. In dit onderzoek worden de mogelijke technieken in categorieën opgedeeld: 1) Stofreductie door aanpak van de bron Volgende zaken kunnen een invloed hebben op de stofemissie: - de eigenschappen van het strooiselmateriaal: houtkrullen geven bijvoorbeeld minder stof dan gehakseld stro (Aarnink e.a., 2004). Daarnaast is het mogelijk strooisel vooraf te ontstoffen. - de frequentie van bijstrooien of vervanging van strooisel - de dikte van de strooisellaag: in de varkenshouderij zou een dikke laag stro(oisel) mogelijks zorgen voor lagere stofconcentratie, of dit voor pluimvee een vergelijkbaar effect heeft, is nog niet gekend - het vochtgehalte van de strooisellaag (hier dient wel aan toegevoegd dat een hoger vochtgehalte, leidend tot lagere stofemissies, wel gepaard gaat met hogere NH3 emissies) De geschatte haalbare emissiereductie door aangepast strooiselmanagement bedraagt 10 50%. 2) Stofreductie door het voorkómen van stofvorming Volgende maatregelen vallen hieronder: Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 80/213

81 BEDRIJFSDIENSTEN - verbeterde, gesloten transportsystemen voor voer en strooiselmateriaal in de stal. - korrelkwaliteit van het voer: zodat de korrels tijdens het transport en in de stal niet uit elkaar vallen en verstoffen. Gezien in de pluimveehouderij gesloten voersystemen gangbaar zijn en aan de korrelkwaliteit reeds veel aandacht geschonken wordt, hebben dergelijke maatregelen echter minder perspectieven. 3) Stofreductie door het voorkómen van stofopname in de lucht - het bevorderen van rustig gedrag van de dieren (bijvoorbeeld door een extra schemerperiode of een langeredonkerperiode te geven) geeft naar verwachting een beperkte reductie van de stofemissie (10 30%), maar is eenvoudig te realiseren, vooral op (vlees)pluimveebedrijven die (semi)continu verlichting toepassen. Wel moet men naar een optimum zoeken tussen het lichtschema, vigerende welzijnseisen en de productie van de dieren. - het aanbrengen van een film van plantaardige olie in de stal (waardoor het stof wordt gebonden aan alle oppervlakken in de stal, met name in het strooisel) lijkt perspectief te bieden op een hoge reductie met % en is in principe bij alle ventilatiesystemen toepasbaar. Momenteel wordt nog onderzoek uitgevoerd naar een systeem voor het aanbrengen van een oliefilm in vleeskuikenstallen. Te vochtig strooisel kan problemen leveren met de voetzolen van de dieren. - i.p.v. plantaardige olie kan ook water gebruikt worden, hierbij zijn wisselende resultaten verkregen. Aangezien water snel verdampt, moet er regelmatig worden verneveld. Bovendien moet naar een optimaal vochtgehalte van het strooisel gestreefd worden, aangezien te vochtig strooisel een negatief effect heeft op de ammoniakemissie en problemen kan geven met de voetzolen van de dieren. De hoeveelheid water die tijdens zeer warme dagen verneveld wordt in de inkomende lucht op veel pluimveebedrijven om de temperatuur in de stal te verlagen, komt niet in het strooisel terecht, doordat dit water snel in de lucht verdampt, en heeft bijgevolg geen effect op de stofproductie. Voor een effectieve stofreductie moet meer water worden gebruikt, zodat het strooisel vochtig wordt, wat een aanpassing van het vernevelsysteem vergt. Dit leidt wel tot hogere NH3 emissies. 4) Stofreductie door middel van luchtbehandeling Luchtwassers kunnen zorgen voor een reductie van de fijnstofemissie op vrij korte termijn bij stallen met mechanische ventilatie. Stallen met lengteventilatie zijn hiervoor het meest geschikt. Het toepassen van luchtwassers op pluimveebedrijven met alternatieve huisvesting (leghennen) en grondhuisvesting (vleeskuikens, kalkoenen) ligt echter moeilijker. De hoge stofconcentraties op deze bedrijven stellen hoge eisen aan de capaciteit van de luchtwasser. Er kan snel vervuiling en verstopping van het waspakket kan optreden. Conclusie: De Buisonjé en Aarnink (2008) vermelden als meest geschikte technieken voor een substantiële reductie van de fijnstofemissie uit pluimveestallen op de korte termijn luchtwassers of het aanbrengen van een plantaardige oliefilm over het strooisel in de stal, vanwege het grote reductiepotentieel. Eenvoudiger maatregelen, maar met een geringer reductiepotentieel, zijn verbetering van het strooiselmanagement en toepassing van relatief eenvoudige watergordijnen en nevelgordijnen. Voor vleeskuikens wordt ook het bevorderen van rustig diergedrag door aangepaste lichtschema s als eenvoudig toepasbare reductietechniek beschouwd. Ook ionisatie van lucht zou een vrij snel inpasbare techniek zijn. Voor alle reductietechnieken is echter nog bijkomend onderzoek nodig, voor deze systemen breed in de praktijk kunnen worden geïmplementeerd. Mogelijke milderende maatregelen voor het bedrijf Van Gastel Gert LV:: Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 81/213

82 BEDRIJFSDIENSTEN Gezien luchtwassers op pluimveestallen met grondhuisvesting moeilijk toepasbaar zijn, lijken volgende maatregelen op het bedrijf best inpasbaar: - goed strooiselmanagement -> mogelijke reductie: 10-50% Mogelijkheden voor reductie van broeikasgasemissies Aanbevolen wordt om op het bedrijf een energieaudit te laten uitvoeren, opdat een goed zicht zou bekomen worden op het energieverbruik. Via zo n audit kunnen veelal enkele besparende maatregelen doorgevoerd worden. Eveneens kan bij het uitvoeren van een energieaudit aandacht besteed worden aan de mogelijkheid voor het bedrijf tot het duurzaam opwekken van energie. 5.2 WATER AFBAKENING STUDIEGEBIED Inhoudelijke afbakening Bij de discipline water wordt de impact beoordeeld ten aanzien van: Grondwater Oppervlaktewater Bedrijfsafvalwater en hemelwater Effecten ten aanzien van zowel kwantiteit als kwaliteit worden hierbij beoordeeld Geografische afbakening Grondwater Bij de afbakening van het studiegebied wordt ruim aandacht besteed aan de beschrijving van de grondwaterkwetsbaarheid, de watervoerende lagen en eventuele andere grondwaterwinningen in de ruime omgeving van het bedrijf. Deze omschrijving omvat aldus het eigenlijke projectgebied en de ruimere omgeving. Oppervlaktewater Het studiegebied beperkt zich tot de oppervlaktewateren die rechtstreeks kunnen beïnvloed worden door het project, meer bepaald door verontreiniging van oppervlaktewater door vermesting, door gebruik van reinigings- en ontsmettingsmiddelen, eventueel lekkage, Hemelwater Enkel het hemelwater dat op de huidige en toekomstige verhardingen valt wordt beoordeeld. Het geografisch studiegebied beperkt zich dan ook enkel tot deze oppervlakten en de locatie van de hemelwateropslag TOELICHTING GEGEVENSGEBRUIK Voornaamste bronnen: Gegevens vergunde grondwaterwinningen, grondwaterkwetsbaarheidskaart en boorrapporten (http://dov.vlaanderen.be) Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 82/213

83 BEDRIJFSDIENSTEN Kwetsbaarheidskaart van het grondwater in Antwerpen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1986) Ligging waterwingebieden en beschermingszones (www.geopunt.be) Ontwikkeling van een lokaal axi-symmetrisch model op basis van de HCOV kartering ter ondersteuning van de adviesverlening van grondwaterwinningen (Lebbe & Vandenbohede, 2004) Grondwater in Vlaanderen: Het Centraal Kempisch Systeem (VMM, 2008) Grondwaterbeheer in Vlaanderen Het onzichtbare water doorgrond (Anoniem, 2006) Informatie per waterlichaam (Geoloket VMM) Zoneringsplannen (Geoloket VMM) Watertoetskaarten (www.geopunt.be) Ontwikkeling van regionale modellen ten behoeve van het Vlaams Grondmodel (VGM) in GMS/MODFLOW. Perceel 1. Het Centraal Kempisch model. Deelrapport 1: Basisgegevens en conceptueel model (VUB, 16 juni 2004) Waterwegwijzer voor de veehouderij (VMM, 2001) Opbouw van een Vlaams Grondwatervoedingsmodel. (Meyus et al., 2004) VHA-bestanden: digitale vectoriële bestanden van de Vlaamse Hydrografische Atlas (www.geopunt.be) Gegevens meetpunten VMM: (link geoloket) GRONDWATER Methodiek Methodiek analyse referentiesituatie De grondwaterkwetsbaarheidskaarten van Vlaanderen geven de risicograad aan van verontreiniging van het grondwater in de bovenste watervoerende laag door stoffen die van het aardoppervlakte de bodem in dringen. Als watervoerende laag worden de verzadigde zones met voldoende dikte en uitbreiding beschouwd, die waterwinning op een economisch verantwoorde wijze toelaten. Verdergaand op de beschrijving van de geologie (bodem) wordt de hydrogeologie besproken. De hydrogeologische informatie wordt verkregen uit de grondwaterkwetsbaarheidskaarten opgesteld door Vlaanderen en de Geologische kaart. Hierbij wordt nagegaan waar zich de eerste watervoerende lagen bevinden en in welke mate deze eventueel worden afgeschermd door bovenliggende formaties (doorlaatbaarheid van de verschillende lagen, grondwaterkwetsbaarheid ). Verder worden de openbare drinkwatervoorzieningen en/of grondwaterwinningen die zich bevinden in het studiegebied, alsook de eventuele winningen van het bedrijf zelf, beschreven en gesitueerd Methodiek effectbepaling - analyse geplande situatie Bij de beoordeling van de effecten in de huidige situatie worden de effecten beoordeeld van de vergunde situatie. Bij de beoordeling van de effecten in de geplande situatie worden de gecumuleerde effecten van de huidige vergunde situatie + de geplande uitbreiding beoordeeld. Bij deze beoordeling worden de effecten in feite dan ook vergeleken t.o.v. de situatie waarbij er geen exploitatie is. Waterhuishouding Verstoring grondwater: bronbemaling tijdens de geplande aanlegfase Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 83/213

84 BEDRIJFSDIENSTEN Op basis van de diepte van de grondwatertafel ter hoogte van de bedrijfslocatie en van de noodzakelijk geachte bouwdiepte, wordt berekend hoe groot de grondwaterstanddaling dient te zijn. De invloedsstraal van de bemaling R kan berekend worden met de formule van Sichardt: R 3000.s. K met: s = de gewenste grondwaterstanddaling K = doorlaatbaarheidcoëfficiënt (m/s) Verstoring grondwater ten gevolge van bedrijfsuitbating De grondwaterwinning pompt water uit het grondwaterlichaam CKS_0200_GWL_2, een freatisch watervoerende laag. In principe is de formule van Theis ontwikkeld voor gespannen lagen. Hydraulisch gezien kan Theis niet toegepast worden bij freatische lagen aangezien de verzadigde dikte van een freatische aquifer niet steeds constant is wanneer je pompt. Maar vanuit praktisch oogpunt is het te overwegen. Jacob (1950) toonde aan dat de formule ook toepasbaar is in freatische lagen indien de grondwatertafeldaling relatief klein is ten opzichte van de verzadigde dikte van de watervoerende laag (Ritzema, 1994). In dat geval wordt de elastische bergingscoëfficient S bepaald als de bergingscoëfficiënt bij de watertafel (S 0) en 'D' de hoogte van de watertafel ten opzichte van de ondoorlatende basis. De invloedsstraal, berekend met de formule van Theis ligt steeds op oneindig. Er wordt dus nooit een evenwicht bereikt. Praktisch gezien moet er bij toepassing van Theis een bepaalde tijd gekozen worden waarvoor verondersteld wordt dat er een evenwicht is bereikt. Aangezien de pompen van een grondwaterwinning op een landbouwbedrijf slechts een paar uur per dag in werking zijn, wordt deze werkingsduur gekozen. De formule van Theis bepaalt op basis van de bodemkarakteristieken (dikte aquifer, doorlaatbaarheid, etc.) en het debiet van de pomp de invloedskegel: 4 4 Met: s = de grondwatertafeldaling op r meter van de winningsput (m) Q K D KD W(u) = het pompdebiet per put( m³/dag) = doorlaatbaarheidscoëfficient (m/dag) = dikte van het aquifer of de hoogte van de watertafel ten opzichte van de ondoorlatende basis in geval van freatische laag = transmissiviteit van de formatie (m²/dag) = 0,5722! + + (* $ %&' % (*+ (.(! u =,-. /012 S t = S 0 (met S 0= elastiche bergingscoëfficiënt (1/m)) bij de watertafel) = tijd sinds het begin van pompen (dag) Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 84/213

85 BEDRIJFSDIENSTEN De invloedsstraal R, is de straal waarbij vanaf deze afstand geen invloed meer waar te nemen is op de grondwaterstand. In praktijk stijgt de afpompingskegel heel snel, om dan uiteindelijk heel traag toe te nemen op lange afstand van de boorput. In praktijk wordt daarom eerder gerekend met een straal, waarop s (de daling van de watertafel) 10 cm bedraagt. De invloed van de onttrekking op de grondwaterpeilen in de omgeving van het bedrijf en/of in het studiegebied wordt bepaald, alsook de daling van de grondwatertafel ter hoogte van naburige grondwaterwinningen. Tabel 53 geeft het significantiekader ter beoordeling van de onttrekking van grondwater op de omgeving weer. Tabel 53: Significantiekader ter beoordeling van de ontrekking van grondwater op de omgeving Toetsing Afstand waarop een daling van de watertafel van 10 cm < of = 10 % van de afstand van de dichtste bedrijfsvreemde grondwaterwinning/groengebied Afstand waarop een daling van de watertafel van 10 cm > 10 % en < of = 30 % van de afstand van de dichtste bedrijfsvreemde grondwaterwinning/groengebied Afstand waarop een daling van de watertafel van 10 cm > 30 % en < of = 100 % van de afstand van de dichtste bedrijfsvreemde grondwaterwinning/groengebied Afstand waarop een daling van de watertafel van 10 cm > afstand van de dichtste bedrijfsvreemde grondwaterwinning/groengebied Beoordeling Geen of verwaarloosbaar effect Gering negatief effect Matig negatief effect Negatief effect De verdrogingseffecten in de oppervlakkige bodem worden, indien relevant, onder de discipline Fauna & Flora beschouwd. Waterkwaliteit Door grondwaterwinning kan verandering in de waterkwaliteit in het waterlichaam optreden afhankelijk van de oorsprong van het voedingswater van het waterlichaam en eventuele bodemverontreiniging. Verontreiniging op een veeteeltbedrijf kan ontstaan door calamiteiten bij: de opslag van gevaarlijke producten (vb brandstoffen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen, ongediertebestrijdingsmiddelen) de opslag van afvalwater (bvb reinigingswater) de opslag van mest De beoordeling gebeurt op basis van het al dan niet aanwezig zijn van een beveiligde opslag en op basis van het gebruik van erkende producten (als reinigings- en bestrijdingsmiddelen). Het gebruik van erkende producten kan namelijk de ernst van de gevolgen van eventuele calamiteiten verminderen. In Tabel 54 wordt het significantiekader ter beoordeling van de waterkwaliteit weergegeven. Tabel 54: Significantiekader ter beoordeling van de waterkwaliteit Toetsing Beoordeling Geen opslag van gevaarlijke producten Geen of verwaarloosbaar effect Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 85/213

86 BEDRIJFSDIENSTEN Geen opslag van bedrijfsafvalwater Geen mestopslag Opslag van gevaarlijke producten, voldaan aan de VLAREM-wetgeving en periodieke controle, gebruik van erkende producten Gering negatief effect Opslag van bedrijfsafvalwater, uitrijden van bedrijfsafvalwater op bedrijfseigen percelen volgens de bepalingen van het Mestdecreet Mestopslag conform Vlarem II, peilputten aanwezig met periodieke controle of peilputten niet vereist Opslag van gevaarlijke producten, voldaan aan de VLAREM-wetgeving maar geen periodieke controle, gebruik van erkende producten Matig negatief effect Opslag van bedrijfsafvalwater, uitrijden van afvalwater op bedrijfseigen percelen niet volgens de bepalingen van het Mestdecreet Mestopslag conform Vlarem II, peilputten aanwezig maar geen periodieke controle Opslag van gevaarlijke producten, niet voldaan aan de VLAREMwetgeving, gebruik van niet erkende producten Negatief effect Lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater Mestopslag niet conform Vlarem II, geen peilputten aanwezig Analyse van de referentiesituatie De grondwaterkwetsbaarheidskaart geeft het studiegebied aan als zijnde Ca1/Cc zeer kwetsbaar tot weinig kwetsbaar. De Groep van de Kempen heeft een grillig karakter, bestaande uit een afwisseling van zand en klei. Dit heeft tot gevolg dat de Antwerpse Noorderkempen bestaat uit een afwisseling van zeer kwetsbare en weinig kwetsbare gebieden. De grote afwisseling heeft tot gevolg dat deze zones in de meeste gevallen moeilijk te begrenzen zijn. De veiligste benadering is het hele gebied van de Antwerpse Noorderkempen als zeer kwetsbaar voor te stellen met zeer dikke kleilagen die o.a. voorkomen rond Beerse, Sint-Lenaarts en Rijkevorsel, maken die zones minder kwetsbaar. De deklaag varieert van geen deklaag over een deklaag kleiner dan 5 m en of zandig tot een deklaag groter dan 5 m. De dikte van de onverzadigde zone waar er geen deklaag is, is kleiner dan 10 m waardoor het als zeer kwetsbaar voor verontreiniging van het grondwater wordt beschouwd. Ter hoogte van het bestaande bedrijf zijn er natte en matig natte zandgronden (Zeg) en (Zdg). De nieuwe stallen komen op dezelfde gronden en een beperkt deel (noorderlijk stuk van de stal) op zeer natte lemige zandbodems (w-sfg). Aan de matig natte en natte bodems wordt respectievelijk een gemiddelde grondwaterstand schommelend tussen 40 en 130 en tussen 15 en 100 cm-mv (cm onder maaiveldniveau) gekoppeld, aan de zeer natte bodems een gemiddelde grondwaterstand schommelend tussen 5 en 65 cm-mv (cm onder maaiveldniveau). De exploitant beschikt over een bedrijfseigen grondwaterwinningen in het Kempens aquifer, meer specifiek in het Mioceen Aquifer (HCOV 0250) met name in de Zanden van Berchem en/of Voort (HCOV 0254) met een diepte van de boorput van 152 m-mv met een jaarlijks debiet van m³/j (20 m³/d). In het rapport Grondwater in Vlaanderen Het Centraal Kempisch Systeem (VMM, 2008) wordt er voor de Zanden van Berchem en/of Voort een gemiddelde doorlatendheid van 6 m/dag (range 0,03-18 m/dag) en een gemiddelde en maximale dikte van respectievelijk 27 en 170 m vermeld. Het grondwaterlichaam CKS_0200_GWL_2 heeft een dikte van 72 tot 336 Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 86/213

87 BEDRIJFSDIENSTEN meter. In het rapport 'Grondwaterbeheer in Vlaanderen - Het onzichtbare water doorgrond' (Anoniem, 2006) wordt het grondwaterlichaam CKS_0200_GWL_2 gekarakteriseerd door een maximale dikte van 54 m, een doorlatendheid van 0, m/dag en een transmissiviteit van m²/dag. Lebbe & Vandenbohede (2004) vermelden een horizontale doorlatendheid van 0,8 m/dag voor het Kempens aquifersysteem en een bergingscoëfficiënt nabij de watertafel S 0 van 0,08 m³/m². Op basis van de watertoetskaart zijn de percelen waarop de bestaande en nieuw te bouwen stallen komen, gelegen in niet overstromingsgevoelig, matig gevoelig voor grondwaterstroming en deels niet-infiltratiegevoelig en deels infiltratiegevoelig. In het studiegebied bevinden zich geen winningen voor openbare drinkwatervoorziening. In een straal van 1 km (Tabel 55) rond het bedrijf bevinden zich nog 9 vergunde grondwaterwinningen waarvan allemaal in het Kempisch aquifer. De dichtste bedrijfsvreemde grondwaterwinning in de vergunde toestand is deze in Huisheuvelstraat 58 op ongeveer 132 m ten noordoosten van de bestaande grondwaterwinning van het bedrijf. De nieuw te boren grondwaterwinning komt in de nieuwe situatie op 100 m ten oosten te liggen van de grondwaterwinning in de Huisheuvelstraat 58. De grondwaterwinningen van het bedrijf vertegenwoordigen samen in de vergunde situatie 6.8 % en in de nieuwe situatie 12.3 % van de vergunde hoeveelheden in het studiegebied. De effecten die zich voordoen bij de huidige exploitatie worden, om onnodige herhalingen te vermijden, opgenomen bij de bespreking van de effectinschatting en de analyse van de geplande situatie. Op deze wijze komt onmiddellijk het verschil tussen de effecten in de huidige en de geplande situatie duidelijk tot uiting. Tabel 55: Vergunde grondwaterwinningen binnen een straal van 1 km rond het bedrijf Diersoort Adres X Y Diepte Aquifer- Vergund Vergund (m-mv) code dagdebiet jaardebiet (m³) (m³) Veeteelt Huisheuvelstraat Pluimveehouderij Heivelden Groententeelt, bloementeelt Heivelden zn Varkenshouderij onbekend Groententeelt, bloementeelt Polderstraat Landbouw, jacht en aanverwante diensten Berkendreef zn Landbouw, jacht en aanverwante diensten Onbekend Veeteelt Polderstraat Veeteelt Polderstraat 70 A Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 87/213

88 BEDRIJFSDIENSTEN Effectbepaling - Analyse van de geplande situatie Hierbij wordt een effectvoorspelling en beoordeling gedaan van de geplande situatie t.o.v. de referentietoestand. Wat betreft de waterhuishouding wordt het effect van de verstoring van grondwater bestudeerd en wat betreft de grondwaterkwaliteit worden de bronnen van bodem- en grondwaterverontreiniging besproken. Waterhuishouding Verstoring grondwater: bronbemaling tijdens de geplande aanlegfase Onder de nieuw te bouwen kippenstallen komen er geen mestkelders maar bij hoge grondwaterstand zou bronbemaling bij de aanlegfase van de stal en voor het plaatsen van de 4 citernes van 15 m³ en 50 m³ voor respectievelijk opvang van hemelwater en reinigingswater toch noodzakelijk kunnen zijn omwille van de hoge grondwatertafel. Bronbemaling zal enkel nodig zijn gedurende maximaal 3 maanden en dit gedurende ongeveer 8 uur/dag met een dompelpomp van 2 m³/u. Er zal maximaal 900 m³ bemaald worden in deze periode (retourbemaling). Het bemalingwater infiltreert naast de stal in de grond of wordt gepompt in de gracht die paalt aan de nieuw te bouwen stallen ten noorden van het bedrijf indien de bodem tijdens de werkken volledige verzadigd is en de te hoge grondwaterstand geen infiltratie zou toelaten. De nieuw te bouwen stallen komt op (matig) natte zandbodems en een stukje op zeer natte lemige zandbodem. Aan de hand van de indicatieve gegevens inzake grondwaterpeilen in het studiegebied en op basis van de geplande diepte van de hemelwaterput, kan de te verwachten verlagingsdiepte (= diepte waarover het grondwater verlaagd dient te worden door bemaling) bepaald worden. indicatieve huidige grondwaterdiepte: drainageklasse d, diepte grondwater: 0,40-1,30 m-mv drainageklasse e, diepte grondwater: 0,15-1,00 m-mv drainageklasse f, diepte grondwater: 0,05-0,65 m-mv onderkant stal: 0 m-mv; onderkant citerne: 2 m-mv vereiste zone tussen onderkant citerne en grondwatertafel: 0,50 m de verlagingsdiepte bedraagt in de worstcase voor de citerne : 2,45 m (bij de hoogste grondwaterstand) in de zeer natte lemige zandbodem Op basis van de bepaalde verlagingsdiepte kan met de formule van Sichardt de invloedssfeer van de bemaling met verlaging van het grondwaterpeil t.o.v. de afstand tot de bouwput en het bemalingdebiet berekend worden. Bij de berekening worden volgende aannames gedaan: Er wordt uitgegaan van een doorlatendheidscoëfficiënt K van 1, m/s (Meyus et al., 2004) voor een lemige zandbodemtextuur Er wordt rekening gehouden met de hoogste grondwaterstand van 0,05 m onder het maaiveld voor de lemige zandbodem (worst-case-senario) Op basis van bovenstaande gegevens is er voor het plaatsen van de citernes een invloedsstraal van 28 m in de lemige zandbodem. De invloedssfeer van de bemaling reikt tot binnen het bedrijfsterrein zelf. Binnen deze straal liggen geen bedrijfsvreemde grondwaterwinningen. Voor wat betreft de bronbemaling tijdens de aanlegfase wordt verwacht dat er mogelijk in beperkte mate een bemaling nodig zal zijn. Gezien de korte bemalingsduur, het voorzien van infiltratie van het bemalingswater en het beperkte debiet, wordt er geen of verwaarloosbaar effect verwacht. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 88/213

89 BEDRIJFSDIENSTEN Verstoring grondwater ten gevolge van bedrijfsuitbating Grondwater In de huidige situatie is er een vergunning voor het oppompen van m³/j (20 m³/d). In de toekomstige situatie zal er m³/j (19.3 m³/d) opgepompt worden uit de bestaande grondwaterwinning 1 en m³/j (19.2 m³/d) uit de nieuw te boren grondwaterwinning 2. De pompen hebben telkens een pompcapaciteit van 6.6 m³/u. De formule van Theis bepaalt op basis van de bodemkarakteristieken (dikte aquifer, doorlaatbaarheid, etc.) en het debiet van de pomp de invloedskegel: 4 4 Rekening houdende met: Q = 20 m³/d (huidige situatie gww 1); 19,3 m³/d (nieuwe situatie gww 1) en 19,2 m³/d (nieuwe situatie gww 2) K = 0.8 m/dag (Lebbe en Vandenbohede, 2004) D = 54 m (Anoniem, 2006) S 0 = 0.08 m³/m² (Lebbe en Vandenbohede, 2004) t = 3 u (huidige situatie gww 1); 2,92 u (niewue situatie gww 1) en 2,91 u (nieuwe situatie gww 2) In de huidige situatie wordt een daling van de watertafel van 10 cm bereikt op 14 m voor de bestaande grondwaterwinning 1. In de toekomstige situatie blijft dit hetzelfde voor zowel grondwaterwinning 1 als 2 op 14 m. Binnen deze afstand bevinden zich geen groengebieden (bosgebied op meer dan 2000 m ten zuidwesten van het bedrijf). Op de groengebieden worden er geen relevante effecten van de grondwaterwinningen veroorzaakt. De dichtste bedrijfsvreemde grondwaterwinning (Huisheuvelstraat 58) bevindt zich volgens DOV Bodemverkenner (www.dov.vlaanderen.be) op 132 m van grondwaterwining 1 (bestaande grondwaterwinning) en op 100 m van grondwaterwinning 2 (nieuw te boren grondwaterwinning). Cumulatieve effecten vallen er niet te verwachten aangezien de 2 winningen op 54 m van elkaar liggen, en de effecten van elke individuele winning zich over een veel kleinere afstand voordoen. De grondwaterwinningen veroorzaken in de huidige en toekomstige situatie een gering negatief effect op de dichtste naburige bedrijfsvreemde grondwaterwinning. Grondwaterkwaliteit Opslag van gevaarlijke producten fossiele brandstoffen Momenteel staat er een bovengrondse dubbelwandige petroleumtank van l. Deze tank werd geplaatst in Ten minste om de 3 jaar moet de tank onderworpen worden aan een keuring. Een keuring werd nog niet uitgevoerd. In de toekomst is het de bedoeling om 2 nieuwe bovengrondse dubbelwandige tanken te plaatsen: 1 van l voor petroleum en 1 van 2500 l voor diesel. De nieuw te plaatsen tanken zullen voorzien zijn van een conformiteitsattest. Omwille van het ontbreken van een keuringsattest bij de bestaande petroleumtank van l, wordt de bestaande situatie beschouwd als een matig negatief effect. Van zodra de keuring uitgevoerd is en de nieuw te plaatsen tanken conform de wetgeving worden geplaatst, wordt de toekomstige situatie beoordeeld als een gering negatief effect. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 89/213

90 BEDRIJFSDIENSTEN reinigings- en ontsmettingsmiddelen Reinigingsproducten die gebruikt worden om de nippellijen te reinigen en ontsmettingsproducten die gebruikt worden om de stallen na ieder ronde te ontsmetten worden zowel in de huidige als de toekomstige situatie gestockeerd op een veilige plaats in een afgesloten ruimte. Er wordt enkel gebruik gemaakt van erkende producten. De huidige en toekomstige situatie wordt beoordeeld als een gering negatief effect. ongediertebestrijdingsmiddelen Ongediertebestrijding wordt door de exploitant zelf uitgevoerd, die gebruik maakt van erkende producten, die worden bijgehouden in een register. In de toekomstige situatie zal op het bedrijf dezelfde werkwijze gevolgd worden. Dit wordt beschouwd als een gering negatief effect. (Ondergrondse) opslag van afvalwater reinigingswater stallen De kippenstallen worden na iedere ronde eerste droog gereinigd. Daarna wordt steeds een natte reiniging uitgevoerd. Na de nodige inweektijd worden de stallen onder hoge druk schoon gespoten. Om de stal van kippen schoon te spuiten wordt er gedurende 15 uur met een hogedrukreiniger van 1 m³/u water verbruikt. Per ronde en per stal ontstaat er bijgevolg 15 m³ reinigingswater. In de huidige situatie wordt het reinigingswater opgevangen in 2 citernes van 5 m³ en daarna uitgevoerd op het veld. Volgens de regels van het Mestdecreet zou het reingingswater van het houden van 3 rondes (26 weken dat het reinigingswater/mestwater niet op het veld mag gebracht worden) kippen moeten kunnen opgevangen worden. Dit betekent dat er per stal 15 m³/ronde x 3 = 45 m³ dient opgevangen te worden. In de nieuwe situatie is het de bedoeling om voldoende opvang te voorzien. Hiervoor wordt er een opvang van 50 m³/stal voorzien. In de huidige situatie wordt door onvoldoende opslagcapaciteit uitgegaan van een matig negatief effect. Door in de nieuwe situatie voldoende opslagcapaciteit te voorzien, wordt de toekomstige situatie beschouwd als een gering negatief effect. Opslag van mest kippenmest De mest, bestaande uit een mengsel van gehakseld stro enerzijds en uitwerpselen anderzijds, wordt verwijderd en onmiddellijk afgevoerd van het bedrijf na elke ronde. De mest wordt momenteel door een erkende mestvervoerder (Dams Handel en transport) opgehaald en geëxporteerd naar Nederland om te composteren. De mest wordt dus afgezet conform de regels van het Mestdecreet. Omwille van de onmiddellijke afvoer van mest na iedere ronde, is een afzonderlijke mestopslagplaats buiten de stal niet vereist, en is er hier bijgevolg geen impact van te verwachten op de grondwaterkwaliteit. In de geplande situatie wijzigt dit niet. Peilputten zijn volgens Vlarem II art verplicht voor inrichtingen met mengmest waarin meer dan stuks gevogelte kunnen gehouden worden of inrichtingen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen de beschermingszone van een grondwaterwinning. Aangezien er in de inrichting geen mengmest wordt opgeslagen zijn zowel in de huidige als toekomstige situatie peilputten niet verplicht. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 90/213

91 BEDRIJFSDIENSTEN Aangezien er geen opslag van kippenmest is, en peilputten niet vereist zijn, is zowel in de huidige als de toekomstige situatie uitgegaan van geen effect OPPERVLAKTEWATER Methodiek Inventarisatie waterlopen in het studiegebied In een hydrografische beschrijving van de bedrijfsomgeving worden de waterlopen in de nabijheid van het bedrijf weergegeven en besproken. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de relevante bekkenstudie uitgevoerd door de UIA (Onderzoek naar de verspreiding en de typologie van ecologisch waardevolle waterlopen in het Vlaamse Gewest) en de Vlaamse Hydrografische Atlas. De relevante waterlopen in het studiegebied worden in kaart gebracht. De kwaliteit van de waterlopen in de omgeving van het bedrijf wordt beschreven op basis van metingen van de Biotische index en de Prati index (gegevens meetpunten VMM). Naast de reguliere VMM-meetpunten wordt er ook gebruik gemaakt van eventueel aanwezige MAP-meetplaatsen voor een inschatting van de oppervlaktewaterkwaliteit (gegevens VMM). Waterhuishouding Bij de beoordeling van de effecten in de huidige situatie worden de effecten beoordeeld van de vergunde situatie. Bij de beoordeling van de effecten in de geplande situatie worden de gecumuleerde effecten van de huidige vergunde situatie + de geplande uitbreiding beoordeeld. Bij deze beoordeling worden de effecten in feite dan ook vergeleken t.o.v. de situatie waarbij er geen exploitatie is. Door de relatief grote oppervlakte die de gebouwen innemen bij een landbouwbedrijf, dient nagegaan te worden of er voor het voorliggende bedrijf door de verharding en de daaraan gekoppelde waterafvoer geen problemen zouden kunnen optreden. De reeds aanwezige en bijkomende verharding zal namelijk zorgen voor een wijziging in infiltratiehoeveelheid, gevolgd door een wijziging van de afstromingshoeveelheid. Er zal op een kwalitatieve wijze nagegaan worden of de geplande ingreep gelegen is in of effecten kan hebben op een risicozone voor overstromingen. Deze zones kunnen afgeleid worden a.d.h.v. de watertoetskaart met overstromingsgevoelige gebieden. Inzake bijkomende verharde oppervlakte en dakoppervlakte is de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen en gescheiden afvoer van afvalwater en hemelwater van toepassing (Besluit van de Vlaamse Regering dd. 01/10/2004). Het besluit voorziet dat elke constructie of verharding groter dan 40 m² aan de verordening moet voldoen. Bij nieuwbouw van eengezinswoningen is de plaatsing van een hemelwaterput met een minimale inhoud van 5000 l verplicht. Voor nieuwe gebouwen groter dan 100 m², bedraagt het volume van de hemelwaterput 50 l/m² horizontaal dakoppervlakte met een maximum van 10 m³, tenzij gemotiveerd kan worden dat er een groter nuttig hergebruik mogelijk is. Op basis van het document Waterwegwijzer voor architecten (VMM, 2000) kan rekening houdende met aanwezige of geplande waterciternes en de grootte van het ontvangende dakoppervlak dat is aangesloten op de waterciterne, berekend worden hoeveel hemelwater kan aangewend worden. Hierbij wordt toevoerend dakoppervlak bepaald door de horizontale dakoppervlak x hellingscoëfficiënt x dakbedekkingcoëfficiënt x filtercoëfficiënt. Voor een symmetrisch dak is de hellingscoëfficiënt 1. De dakbedekkingcoëfficiënt voor een hellend dak bedraagt 0,9. Voor de filtercoëfficiënt wordt met 0,9 gerekend. Berekeningen worden uitgevoerd bij een leegstand van de hemelwaterput van maximum 5 % van de tijd. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 91/213

92 BEDRIJFSDIENSTEN Voor de bouw van een constructie of de aanleg van verharding is de plaatsing van een infiltratievoorziening verplicht tenzij het goed kleiner is dan 250 m². De infiltratieoppervlakte van de infiltratievoorziening bedraagt 4 m²/100 m² afwaterende oppervlakte en het buffervolume van de infiltratievoorziening betreft 25 l/m² afwaterend oppervlakte. Als in een hemelwaterput wordt voorzien, mag de afwaterende oppervlakte verminderd worden met 60 m². De plaatsing van een infiltratievoorziening is verboden in beschermingszone 1 of 2 van een drinkwatergebied. Er dient dan een buffervoorziening geplaatst te worden. Als een buffervoorziening moet aangelegd worden, bedraagt het buffervolume van de buffervoorziening minimaal 25 l/m²/afwaterend oppervlakte. Als de afwaterende oppervlakte groter is dan 2500 m², wordt de buffervoorziening uitgerust met een vertraagde afvoer met een maximaal ledigingsdebiet van 20 l/s/ha. Een afwijking van de verplichting van de verordening kan aangevraagd worden omwille van specifieke redenen met betrekking tot de mogelijkheden van hergebruik of plaatselijke terreinkenmerken. De toetsing aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, wordt uitgevoerd volgens Tabel 56. Tabel 56: Significantiekader ter beoordeling van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening Toetsing Voldaan aan de stedenbouwkundige verordening, ligging in nietoverstromingsgevoelig gebied Voldaan aan de stedenbouwkundige verordening, ligging in mogelijks overstromingsgevoelig gebied Voldaan aan de stedenbouwkundige verordening, ligging in overstromingsgevoelig gebied Niet voldaan aan de stedenbouwkundige verordening Beoordeling Geen of verwaarloosbaar effect Gering negatief effect Matig negatief effect Negatief effect Waterkwaliteit Mogelijke bronnen van oppervlaktewaterverontreiniging voor de inrichting werden besproken in het subdeel waterkwaliteit grondwater. Gezien het bedrijf noch in de huidige noch in de geplande situatie bedrijfsafvalwater loost wordt in dit subhoofdstuk enkel het effect van directe lozing van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater beschouwd op basis van Tabel 57. Tabel 57: Significantiekader ter beoordeling van lozing van huishoudelijk afvalwater Toetsing Geen lozing van afvalwater op oppervlaktewater Lozing van afvalwater op oppervlaktewater na verregaande zuivering (IBA of KWZI) Directe lozing van afvalwater op oppervlaktewater met beperkte zuivering (bv. septische put) Lozing van afvalwater op oppervlaktewater zonder voorafgaande zuivering Beoordeling Geen of verwaarloosbaar effect Gering negatief effect Matig negatief effect Negatief effect Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 92/213

93 BEDRIJFSDIENSTEN Structuureffecten Het project gaat niet gepaard met ingrepen aan of kruisingen van een waterloop. Bijgevolg treden structuureffecten niet op. Bijgevolg wordt geen effect toegekend aan het thema structuur. Watergebruik Er dient een waterbalans opgesteld te worden. Alle stromen van de waterbalans worden kwantitatief ingeschat. Door de realisatie van het project treden wijzigingen op inzake waterverbruik. Voor de waterbehoeftecijfers wordt inzake drinkwater en reinigingswaterverbruik per dier de cijfers gebruikt, die gepubliceerd werden in de studie Waterwegwijzer in de veehouderij (VMM, 2001). Op basis van de studie Waterwegwijzer in de veehouderij (VMM, 2001) wordt het huishoudelijk waterverbruik ingeschat op 30 m³/persoon. Voor de hoeveelheid hemelwater wordt standaard gerekend met 800 l/m²/jaar. Op basis van het document Waterwegwijzer voor architecten (VMM, 2000) kan rekening houdende met aanwezige of geplande waterciternes en de grootte van het ontvangende dakoppervlak dat is aangesloten op de waterciterne, berekend worden hoeveel hemelwater kan aangewend worden. Het waterverbruik wordt op twee verschillende manieren beoordeeld. In eerste instantie wordt er voor de bestaande situatie op basis van het werkelijk gemeten waterverbruik nagegaan of er sprake is van overmatig waterverbruik door toetsing ten opzichte van een theoretische waterverbruikbehoefte op basis van het vergund aantal dieren. Ten tweede wordt voor de geplande situatie het theoretisch verbruik vergeleken met het verbruik in de actueel vergunde situatie. Tevens wordt dieper ingegaan op de verschillende gebruikte waterbronnen. De beoordelingscriteria worden weergegeven in Tabel 58 en Tabel 59. Bij de beoordeling van de effecten in de huidige situatie worden de effecten beoordeeld van de vergunde situatie. Bij de beoordeling van de effecten in de geplande situatie worden de gecumuleerde effecten van de huidige vergunde situatie + de geplande uitbreiding beoordeeld. Bij deze beoordeling worden de effecten in feite dan ook vergeleken t.o.v. de situatie waarbij er geen exploitatie is. Overmatig waterverbruik Tabel 58: Significantiekader ter beoordeling van het waterverbruik Toetsing Werkelijk verbruik < of = aan theoretische waterbehoefte Werkelijk verbruik> theoretische waterbehoefte, maar < 10 % van de theoretische waterbehoefte Werkelijk verbruik tussen 10 à 30 % van de theoretische waterbehoefte Werkelijk verbruik > 30 % van de theoretische waterbehoefte Beoordeling Geen of verwaarloosbaar effect Gering negatief effect Matig negatief effect Negatief effect Waterbronnen Tabel 59: Significantiekader ter beoordeling van de waterbronnen Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 93/213

94 BEDRIJFSDIENSTEN Toetsing Geen gebruik van grondwater Grondwatergerbruik voor enkel hoogwaardige toepassingen Grondwatergerbruik voor laagwaardige toepassingen waarvoor alternatieven niet wenselijk zijn Grondwatergebruik voor laagwaardige toepassingen Beoordeling Geen of verwaarloosbaar effect Gering negatief effect Matig negatief effect Negatief effect Analyse van de referentiesituatie Hydrografisch situeert het studiegebied zich in het Maasbekken, subhydrografisch in de zone Weerysebeek van monding Weehagensebeek (excl.) tot monding in Mark'. Het bedrijf water af in de Huisheuvelloop om daarna te stromen in de Veldvoortloop, een waterloop van 2 de categorie. Op 120 m ten zuidoosten van het bedrijf bevindt zich een VMM-meetpunt in de Veldvoortloop ter hoogte van het kruispunt Huisheuvel en Heivelden. De Prati-index geeft matig verontreinigd aan. Sinds 1997 zijn er geen BBI (Biotische Index) metingen meer uitgevoerd. Op dezelfde plaats is er ook een MAP-meetpunt waarbij er gedurende de laatste 2 jaar in de maand januari en februari telkens een nitraatconcentratie van meer dan 50 mg NO3/l wordt vastgesteld om dan in mei te dalen tot minder dan 5 mg NO3/l. De effecten die zich voordoen bij de huidige exploitatie worden, om onnodige herhalingen te vermijden, opgenomen bij de bespreking van de effectinschatting en de analyse van de geplande situatie. Op deze wijze komt onmiddellijk het verschil tussen de effecten in de huidige en de geplande situatie duidelijk tot uiting Effectinschatting - Analyse van de geplande situatie Waterhuishouding Het bedrijf bestaat in de huidige situatie uit 2 kippenstallen en een loods-noodwoning met een totale dakoppervlakte van m². In de toekomstige situatie worden er 2 nieuwe kippenstallen bijgebouwd ( m²). Volgens de kaart met overstromingsgevoelige gebieden (zie Figuur 16 in bijlage) is het bedrijf gelegen in nietoverstromingsgevoelig gebied. Vooraan de bestaande stallen en loods en tussen de bestaande stallen is er betonverharding aangelegd met een totale oppervlakte van m². De stallen zijn te bereiken langs de bestaande betonverharding. Het hemelwater dat terechtkomt op de verharde oppervlakte stroomt in de huidige situatie af van de verhardingen en infiltreert in het omliggende grasland. De waterhuishouding van de verharding in de bestaande toestand blijft ongewijzigd in de toekomstige situatie. In de huidige situatie bedraagt het dakoppervlakte van de gebouwen m². Momenteel wordt het dakoppervlakte van de loods met noodwoning en 2 kippenstallen niet opgevangen en loopt in de beek achter de stallen gelegen. In de stedenbouwkundige vergunning afgeleverd op 22/02/2010 staat vermeld dat de bepalingen van het besluit van Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater strikt dienen nageleefd te worden. Op het bijhorende bouwplan staat een hemelwaterput van m³ onder de loods die overloopt naar de gracht. Deze werd niet uitgevoerd en bijgevolg is niet voldaan aan de stedenbouwkundige verordening van 1 oktober 2004 en wordt de bestaande situatie beschouwd als een negatief effect. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 94/213

95 BEDRIJFSDIENSTEN In de toekomstige situatie wordt er voor en tussen de nieuw te bouwen kippenstallen een bijkomende verharding aangelegd van m². Het hemelwater dat valt op de bijkomende verharding die aangelegd wordt om de nieuw te bouwen kippenstal te kunnen bereiken, zal infiltreren in het nabije akkerland. Problemen inzake wateroverlast hebben zich in het verleden nog niet voorgedaan. Er worden 2 nieuwe kippenstallen gebouwd met een totale dakoppervlakte van m². De percelen waarop de nieuwe stallen gebouwd worden, zijn deels infiltratiegevoelig en deels niet- infiltratiegevoelig. Omdat bij de bestaande stallen de gewestelijke verordening niet werd nageleefd, worden ook voor deze bestaande oppervlakte van m² de huidige stedenbouwkundige verordening toegepast. Omwille van het feit dat er per ronde 15 m³ hemelwater vereist is voor het reinigen van de stallen, wordt er een hemelwaterput van 15 m³ bij elke stal voorzien. Volgens de stedenbouwkundige verordening dient er een infiltratievoorziening met een infiltratieoppervlakte van 315 m² met een buffervolume van 197 m³ geplaatst te worden berekend op basis van een afwaterend oppervlakte dat rekening houdt met een horizontale dakoppervlakte van m² - 4 x 60 m² (voor de plaatsing van 4 hemelwaterputten bij de 4 stallen). De infiltratievoorziening wordt na de laatste nieuw te bouwen stal (stal 4) geplaatst met een infiltratieoppervlakte van 315 m² en een buffervolume van 200 m³. Door het voorzien van een infiltratievoorziening volgens de stedenbouwkundige voorschriften in de toekomstige situatie en door het feit dat het bedrijf gelegen is in niet overstromingsgevoelig gebied, is er sprake van geen of verwaarloosbaar negatief effect. Waterkwaliteit Het huishoudelijk afvalwater van de noodwoning van 1 gezinslid (ca. 30 m³ per jaar) wordt in de actuele situatie geloosd in de gracht na behandeling in een IBA. Gezien de ligging op het zoneringsplan in individueel te optimaliseren buitengebied is een individuele zuiveringsinstallatie een vereiste. Zowel in de huidige als de toekomstige situatie wordt er uitgegaan van een gering negatief effect. Overmatig waterverbruik In bijgevoegde figuren (Figuur 17 en Figuur 18 in bijlage) wordt een overzicht gegeven van de waterbalans in de huidige en de geplande situatie. Voor de berekening van de waterbehoefte en het waterverbruik in de toekomstige situatie verwijzen we naar hoofdstuk 3.6. Volgens de huidige vergunde aantallen bedraagt de totale drinkwaterbehoefte van de dieren m³/j en de reinigingswaterbehoefte 960 m³/j berekend op basis van de cijfers in 'Waterwegwijzer in de veehouderij (VMM, 2001). Het werkelijk geschat reinigingswaterverbruik bedraagt 15 m³/stal/ronde met een totaal waterverbruik op jaarbasis van 210 m³ (15 m³ x 7 rondes x 2 stallen). Op basis van de 1 gezinslid is er een waterverbruik van 30 m³/j. In totaal is er een waterverbruik van m³/j. Hemelwater van de stallen en de loods-noodwoning wordt op vandaag nog niet opgevangen. De kippenstallen en loods/noodwoning hebben een oppervlakte van m² waardoor er maximaal m³/j hemelwater (toevoerend dakoppervlakte van m² x 0.8 m³/m²/j) beschikbaar is. Er infiltreert m³/j hemelwater (betonoppervlakte m² x 0.8 m³/m²/j) van de bestaande verharding in de bodem. Grondwater wordt op vandaag gebruikt als drinkwater voor de dieren, reinigen van de kippenstallen en in het huishouden. Op basis van de wateraangifte voor het bedrijf voor productiejaar 2013 en 2014 was er op basis van een geregistreerde debietmeterstand een grondwaterverbruik van respectievelijk m³ (voor kippen) en m³ (voor kippen). Er werden geen aparte tellerstanden genoteerd voor drink- en reinigingswater. Dit betekent een waterverbruik van 51 l/kip in 2013 en 69 l/kip in De cijfers in de 'Waterwegwijzer in de veehouderij (VMM, 2001) geven een totaal verbruik van 84 l/kip. Er is een grondwatervergunning voor het oppompen van maximaal m³/j. Uit bovenstaande gegevens blijkt dat het totale werkelijke waterverbruik lager is dan de theoretische waterbehoefte, waardoor er uitgegaan wordt van geen of verwaarloosbaar effect. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 95/213

96 BEDRIJFSDIENSTEN In de toekomstige situatie zal hemelwater gebruikt worden voor de reiniging van de kippenstallen. Grondwater zal enkel nog gebruikt worden als drinkwater voor de kippen en in het huishouden. De drinkwaterbehoefte voor de kippen wordt geschat op m³/j en de reinigingswaterbehoefte op m³/j. Dit waterverbruik werd berekend op basis van de waterverbruikcijfers die gehanteerd worden door de VMM, en opgenomen zijn in de studie Waterwegwijzer voor de veehouderij (VMM, 2001). Het geschatte reinigingswaterverbruik voor de 4 stallen bedraagt op jaarbasis 420 m³ (15 m³ x 7 rondes x 4 stallen). Er is m³/j hemelwater beschikbaar van de gebouwen (toevoerend dakoppervlakte van m² x 0.8 m³/m²/j) en m²/j van de verharding (2350 m² x 0.8 m³/m²/j). Op basis van de 60 m³ hemelwateropslag en de dimensioneringsgrafiek, is er m³/j hemelwater werkelijk beschikbaar. Aangezien er slechts maximaal 420 m³/j water nodig is voor het reinigen van de kippenstallen volgens eigen inschattingen, is er voldoende hemelwater beschikbaar. De waterbehoefte voor het huishoudelijk gebruik is 30 m³/j. Er wordt een grondwatervergunning aangevraagd voor m³/j voor grondwaterwinning 1 als drinkwater voor de eerste 2 kippenstallen en in het huishouden en voor m³/j voor grondwaterwinning 2 als drinkwater voor de 2 nieuw te bouwen kippenstallen. Gezien de werkelijke verbruiken zowel voor grondwater- als hemelwatergebruik steeds lager zullen zijn in de toekomstige situatie dan de theoretische waterbehoefte kan er uitgegaan worden van geen of een verwaarloosbaar effect. Waterbronnen Het bedrijf maakte tot nu toe enkel gebruik van grondwater. Dit zowel voor hoog- als laagwaardige toepassingen. In de toekomstige situatie zal het grondwater enkel gebruikt worden voor hoogwaardige toepassingen, met name als drinkwater voor de dieren en in het huishouden. Voor het reinigen van de stallen zal er hemelwater gebruikt worden. In de huidige situatie wordt van een negatief effect uitgegaan. In de toekomstige situatie van een gering negatief effect SYNTHESE Voor wat betreft de bronbemaling tijdens de aanlegfase wordt verwacht dat er mogelijk in beperkte mate een bemaling nodig zal zijn. De invloedssfeer van de bemaling reikt enkel tot binnen het bedrijfsterrein zelf. Gezien de korte bemalingsduur, de voorziene infiltratie,- en het beperkte debiet wordt er geen of verwaarloosbaar effect verwacht. Inzake de eigen grondwaterwinning wordt er zowel in de huidige als de toekomstige situatie geen of een verwaarloosbaar effect op groengebieden veroorzaakt. Op de dichtste naburige grondwaterwinning valt zowel in de huidige als de toekomstige situatie een matig negatief effect te verwachten. Op het bedrijf is er zowel in de huidige als toekomstige situatie opslag van bepaalde risicostoffen. Het ontbreken van een periodieke keuring van de petroleumtank in de huidige situatie wordt beoordeeld als een matig negatief effect. Na keuring van de bestaande tank en het plaatsen van nieuwe tanken conform de VLAREM-wetgeving wordt de toekomstige situatie beoordeeld als een gering negatief effect. Opslag van reinigings-, ontsmettings-, en ongediertebestrijdingsmiddelen worden beoordeeld als een gering negatief effect doordat gebruik gemaakt wordt van erkende producten die op een veilige plaats worden gestockeerd. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 96/213

97 BEDRIJFSDIENSTEN In de huidige situatie is er onvoldoende opslag van reinigingswater waardoor wordt uitgegaan van een matig negatief effect. Door in de nieuwe situatie voldoende opslagcapaciteit te voorzien, wordt dit als een gering negatief effect beschouwd. Aangezien er geen opslag is van kippenmest en peilputten niet vereist zijn, wordt zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie uitgegaan van geen effect. In de huidige situatie infiltreert het hemelwater dat valt op de verharding in de bodem rond het bedrijf. Het hemelwater dat valt op de bestaande kippenstallen, loods en noodwoning wordt afgevoerd naar de beek. Er is niet voldaan aan de stedenbouwkundige verordening van 1 oktober 2004 waardoor dit als een negatief effect wordt beschouwd. In de toekomstige situatie zal ook het hemelwater dat valt op de bijkomende verharding infiltreren in de onverharde randzone in het akkerland. Het hemelwater afkomstig van iedere stal, wordt telkens opgevangen in een hemelwaterput van 15 m³, die overloopt in een infiltratievoorziening met een infiltratieoppervlakte van 315 m² en een buffervolume van 200 m³. In de toekomstige situatie is voldaan aan de stedenbouwkundige verordening waardoor er wordt uitgegaan van geen of verwaarloosbaar negatief effect. Het huishoudelijk afvalwater van de woning wordt zowel in de huidige als toekomstige situatie geloosd op het oppervlaktewater na behandeling in een individuele zuiveringsinstallatie. Er wordt uitgegaan van een gering negatief effect. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is het totale werkelijk waterverbruik < of = de theoretische waterbehoefte waardoor wordt uitgegaan van geen of verwaarloosbaar effect inzake waterverbruik. In de huidige situatie wordt enkel grondwater aangewend, dit voor zowel hoog- als laagwaardige toepassingen. Hierdoor wordt de huidige situatie als een negatief effect beschouwd. Door in de toekomstige situatie het hemelwater te gebruiken voor laagwaardige toepassigen, met name het reinigen van de stallen en enkel nog grondwater te gebruiken voor hoogwaardige toepassingen, wordt dit als een gering negatief effect beschouwd MILDERENDE MAATREGELEN Reeds toegepast in de huidige situatie Er wordt geen bedrijfsafvalwater geloosd. Het huishoudelijk afvalwater wordt gezuiverd in een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie. Gebruik van erkende producten. De stallen worden eerst droog gereinigd alvorens nat schoon te spuiten. Periodieke reiniging verharde oppervlakten om afspoelen potentiële verontreiniging te voorkomen. Alle kippenmest wordt afgevoerd naar een composteringsbedrijf Geplande maatregelen Keuring van de bestaande petroleumtank Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 97/213

98 BEDRIJFSDIENSTEN Voldoende opslagcapaciteit wordt voorzien voor de opvang van reinigingswater. Het hemelwater van de bestaande en de nieuw te bouwen stallen zal opgevangen worden en gebruikt worden voor het reiningen van de stallen. De overloop van de hemelwaterputten zal aangesloten worden op een infiltratievoorziening Verdere mogelijkheden of aanbevelingen Volgende tips zijn belangrijk voor een duurzaam watergebruik op bedrijfsniveau: Herstel lekken zo snel mogelijk en laat het water niet onnodig lopen Verder gebruik maken van een waterzuinige hogedrukreiniger. Hiermee kan het waterverbruik in vergelijking met een klassieke tuinslang tot de helft teruggebracht worden. De meest efficiënte hogedrukreinigers hebben een debiet van 6,5 l/min. Zowat alle types laten het gebruik van alternatieve waterbronnen vrij van bezinkbare deeltjes- toe. Bij gebruik van niet-leidingwater raden de producenten een extra voorfilter aan. Zorg bij het gebruik van een hogedrukreiniger altijd voor voldoende verluchting. Gebruik van goede drinkbakken, nippels en dergelijke. Vermijd mors- en lekverliezen door het afstellen van vlotter, Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 98/213

99 BEDRIJFSDIENSTEN 5.3 BODEM AFBAKENING STUDIEGEBIED Inhoudelijke afbakening De directe ingrepen op de bodem binnen het projectgebied kunnen veroorzaakt worden door het vergraven van de bodem in functie van de aanleg van nieuwe infrastructuren en grondverontreiniging door lekkage van opslagtanks. Depositie van verzurende stoffen zijn vnl. van belang voor de gevolgen op vegetatie en zullen dan ook in de discipline fauna & flora behandeld worden. Ook effecten op de bodem door het uitrijden van mest worden mee in rekening gebracht te worden, niettegenstaande het uitrijden van mest in feite geen directe link heeft met MER-plichtig project (zelfs zonder de uitbating van de stallen dienen de landbouwgronden bemest te worden) Geografische afbakening Het studiegebied omvat dan ook de onmiddellijke omgeving van het projectgebied en de in gebruik zijnde landbouwgronden TOELICHTING GEGEVENSGEBRUIK De voornaamste gegevensbronnen zijn: Geologische kaart van België, Vlaams Gewest, schaal 1/ (Belgische geologische dienst) Bodemkaart van België, schaal 1/ (Instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw, I.W.O.N.l.) Topografische kaart Databank Ondergrond Vlaanderen METHODIEK Voor de bespreking van de referentiesituatie voor de discipline bodem wordt een beschrijving gegeven van de geologie in het studiegebied. De geologische informatie (diepte Tertiair, verschillende voorkomende formaties, dikte Quartair, ) wordt afgeleid uit de Geologische kaart van België (enerzijds met kaartmateriaal, anderzijds met informatie uit het bijhorend verklarend tekstgedeelte). Op basis van de Bodemkaart van België worden de bodemseries nagegaan die typerend zijn voor het bedrijf en de omgeving. Effecten op de bodem ten gevolge van de bedrijfsuitbating, zowel in de actuele situatie als in de geplande situatie kunnen zijn: Bodemverontreiniging door opslag risicostoffen en het verplaatsen van grond Effecten op bodemprocessen door verzuring en vermesting; Bodemverstoring door aanleg verhardingen, graafwerkzaamheden, etc. Bodemverontreiniging Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 99/213

100 BEDRIJFSDIENSTEN Mogelijke puntbronnen van bodemverontreiniging op het bedrijf zijn: opslag van gevaarlijke producten (fossiele brandstoffen, reinigings-, ontsmettings- en ongediertebestrijdingsmiddelen) opslag van afvalwater (reinigingswater stallen) opslag van mest. Bodemverontreiniging hangt nauw samen met grondwaterverontreiniging, zoals reeds in het bovenstaande hoofdstuk 'water' werd behandeld. De potentiële effecten van hoger vermelde elementen op bodemverontreiniging kunnen als volledig gelijkaardig ingeschat worden als de effecten op potentiële grondwaterverontreiniging. Bijgevolg wordt hier niet meer op ingegaan. De afgegraven grond wordt weggevoerd en kan, indien verontreinigd, op andere plaatsen aanleiding geven tot bodemverontreiniging. Het Vlarebo regelt het afvoeren en hergebruik van grond. Bij de effectbespreking bodemverstoring in de geplande situatie wordt dan ook louter een grondbalans opgemaakt, waarbij aangegeven wordt hoeveel grond er zal worden aan- of afgevoerd. Effecten op bodemprocessen door verzuring & vermesting Vermesting en verzuring kan gebeuren door: Depositie van nutriënten die door het bedrijf werden uitgestoten: verzurende en vermestende depositie; Het uitrijden van mest op het land Calamiteiten: lek in de mestopslag Bij de effecten in de geplande situatie wordt een beschrijving gegeven op welke manier de mest wordt afgezet in de actuele en geplande situatie. Op deze manier wordt een inzicht gekregen in de werking van het bedrijf. Effecten worden hier echter niet aan gekoppeld. Hiervoor wordt verwezen naar de discipline fauna & flora. Inzake effecten te wijten aan mogelijke lekken bij de mestopslag wordt verwezen naar de discipline water (grondwater). Bodemverstoring Door de aanleg van nieuwe infrastructuren kan er bodemverstoring optreden. Naast het effect op aantasting van het bodemprofiel kan dit eveneens een verstoring van het archeologisch bodemarchief veroorzaken. Voor dit laatste wordt verwezen naar de discipline Landschappen, Bouwkundig erfgoed en Archeologie. Een beoordeling is mogelijk op basis van de landbouwtyperingskaart (opgemaakt door VLM in opdracht van de afdeling Land). Deze kaart heeft als doel een eenduidige differentiatie van het agrarisch gebied te bekomen. Hiervoor wordt in een eerste deel een waardering toegekend aan individueel geregistreerde landbouwpercelen op basis van bodemgeschiktheid, bemestingsnorm, perceelskenmerken en bedrijfskenmerken. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden dat de impact op het ruimtebeslag bij een nieuw bedrijf groter is dan bij een bestaand bedrijf. Tabel 60: Significantiekader ter beoordeling van de bodemverstoring Toetsing Beoordeling Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 100/213

101 BEDRIJFSDIENSTEN Geen nieuwe infrastructuren; nieuwe infrastructuren enkel ter hoogte van het bestaande bedrijfsterrein en aansluitend aan bestaande gebouwen (waar geen akkerbouw plaatsvindt), uitbreiding bestaand bedrijf op aanliggend perceel ter hoogte van landbouwgrond met (zeer) lage of matige waardering; inplanting nieuw bedrijf ter hoogte van landbouwgrond met (zeer) lage waardering. Uitbreiding bestaand bedrijf ter hoogte van landbouwgrond met (zeer) hoge waardering; of inplanting nieuw bedrijf ter hoogte van landbouwgrond met matige waardering Inplanting nieuw bedrijf ter hoogte van landbouwgrond met hoge waardering Inplanting nieuw bedrijf ter hoogte van landbouwgrond met zeer hoge waardering Geen of verwaarloosbaar effect Gering negatief effect Matig negatief effect Negatief effect ANALYSE REFERENTIESITUATIE Voor de relevante figuren wordt verwezen naar de bijlagen. Volgende figuren worden hierbij opgenomen: Kaart bodemtypes Figuur 19 Kaart bodemtextuur Belgische bodemclassificatie Figuur 20 Landbouwgebruik percelen 2014 Figuur Beschrijving geologie Ter hoogte van het bedrijf en de percelen zijn de Zanden van Berchem en/of Voort de dagzomende laag. Deze formatie wordt gevormd door grijs halfgrof tot grof glimmerhoudende, kwartsrijke zanden met regelmatig dunne klei. Quartair De quartaire afzettingen bezitten in het studiegebied een dikte van + 60 m (afgeleid uit de Geologische kaart van België, kaartblad 2-8 Meerle - Turnhout). Tertiair De tertiaire afzettingen, die in het studiegebied onmiddellijk onder het Quartair dek worden teruggevonden, zijn van jong naar oud: - Formatie van Gent: dit pakket bestaat uit massief tot horizontaal gelaagd fijn zand met discontinue grofkorrelige laagjes - Formatie van Weelde, Lid van Turhout: kleiig tot zandig micahoudend niet kalkrijk complex. De kleiafzettingen zijn massief, subhorizontaal, lensvormig en in minder mate golvend gelaagd. Typerend zijn één of meerdere begroeiingshorizonten en/of bodemhorizonten. - Formatie van Weelde, Lid van Rijkevorsel: kleiig-zandig complex waarvan de dikte gemiddeld tussen de 5 en 10 m ligt. Ze is opgebouwd uit grijze tot blauwgrijze niet kalkhoudende klei, al dan niet silteus, soms overgaand naar zwarte tot donkerbruine klei als gevolg van het venig of humeus karakter. - Formatie van Malle, Lid van Brasschaat: Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 101/213

102 BEDRIJFSDIENSTEN zandig complex waarvan dikte schommelt van minder dan 10 m tot 30 m. Het complex heeft dominante korrelgrootteverdeling gaande van zeer fijn tot halffijn zand. Typerende mineralen zijn mica's en glauconiet. - de Formatie van Merksplas: de dikte schommelt tussen de 2 tot 15 m. Deze formatie bestaat uit een formatie van Merksplas A en B Beschrijving bodem Het bedrijf is gelegen in een gebied met bodemkenmerken (I)-Zegb en w-sfg en omgeven door Zdgb en w-sfp. Tabel 61: Omschrijving bodemtype projectgebied (bron : kaart bodemtype geopunt Vlaanderen) bodemtype Zeg Omschrijving bodemtype Natte zandbodem met duidelijke ijzer en/of humus B horizont textuurklasse zand drainageklasse nat, sterk gleyig met reductiehorizont bodemtype w-sfg Omschrijving bodemtype Zeer natte lemige zandbodem met duidelijk ijzer en/of humus B-horizont textuurklasse Lemig zand drainageklasse Zeer nat, zeer sterk gleyig met reductiehorizont Het bedrijf en de omgeving ligt in een gebied van lemig zand (S) en zand (Z), Het landbouwperceel waarop de nieuw te bouwen stallen komen, werden in 2014 en 2013 gebruikt voor akkerbouw, meer in het bijzonder voor het telen van maïs EFFECTBEPALING Effecten in de actuele situatie Bodemverontreiniging Opslag van gevaarlijke producten, afvalwater en mest Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 102/213

103 BEDRIJFSDIENSTEN De opslag van brandstof kan enkel in geval van een accidentele situatie verantwoordelijk zijn voor eventuele bodemverontreiniging. Gezien dubbelwandig en bovengronds uitgevoerd is het risico hierop beperkt. Bij een eventuele accidentele situatie kan onmiddellijk ingegrepen worden om relevante effecten te vermijden. Door de gecontroleerde opslag van reinigings-, ontsmettings-, en ongediertebestrijdingsmiddelen wordt hiervan evenmin impact verwacht, behoudens bij calamiteiten. De betonstructuren vermijden uitloging naar de bodem bij toepassing van deze stoffen. Van de opslag van reinigingswater wordt er geen impact verwacht behoudens bij calamiteiten. Bodemverstoring Verharding In de bestaande situatie dient rekening gehouden te worden met de bestaande verharding omwille van de aanwezigheid van de bedrijfswoning-loods, de bestaande stallen en de verharding rondom en tussen de bestaande stallen. Deze verharding verhindert de infiltratie van het hemelwater Effecten in de geplande situatie T.o.v. de actuele situatie worden wijzigingen voorzien m.b.t.: Bodemverontreiniging door wijziging in opslag van brandstof, voeder en mest (inclusief reinigingswater) Wijze van mestafzet Bodemverstoring (door aanleg nieuwe stal en verharding) Bodemverontreiniging Opslag van brandstoffen, bestrijdingsmiddelen en mest In de geplande situatie wordt een uitbreiding van de opslag voor brandstoffen voorzien. Mits te voldoen aan de wettelijke bepalingen aangaande de opslag kan verwacht worden dat er louter bij calamiteiten een impact te verwachten is. De totaal voorziene opslaghoeveelheden zijn dermate beperkt dat er qua impact nauwelijks een relevant effect te verwachten is in vergelijking met de actuele situatie. Van de extra opslag van reinigingswater die voorzien wordt is ook enkel bij calamiteit een mogelijke impact te verwachten. Effecten op bodemprocessen door verzuring en vermesting: wijze van mestafzet Na de ronde wordt de mest rechtstreeks afgevoerd naar een externe verwerkingsinstallatie (Dams Mesthandel). Dit gebeurt op vandaag zo in de bestaande situatie en zal ook zo in de toekomst gebeuren. In de huidige situatie wordt er op basis van de vergunde productie ongeveer 900 ton kippenmest per jaar geproduceerd en afgevoerd, in de nieuwe situatie zal er dubbel zoveel mest afgevoerd. Door de rechtstreekse afvoer van kippenmest, is er geen mestopslag op het bedrijf. De mestafzet wordt dus als BBT beschouwd in zowel de huidige als toekomstige situatie. De BBT-Mestverwerking (Lemmens et al., 2007) geeft als Best Beschikbare Technieken voor de verwerking van pluimveemest de trajecten 'export van ruwe mest' en 'export na compostering en verbranding' aan. Bodemverstoring Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 103/213

104 BEDRIJFSDIENSTEN De aanleg van de nieuwe stal leidt tot extra verharding. Effecten op infiltratie/afvoer van hemelwater worden bij de discipline water besproken. Door de bouwactiviteiten dient wel rekening gehouden te worden met compactie van de bodem t.h.v. de werfzone (dit is inherent aan de bouwactiviteiten). Gezien de opvang van het hemelwater dat op deze zone valt, en gezien het beperkte oppervlak, zijn van deze compactie dan ook nauwelijks effecten te verwachten. Bodembalans Voor de aanleg van een nieuwe kippenstallen dient grond uitgegraven te worden voor plaatsen van de fundering (0.3 m diepte). Gezien dit niet over de ganse lengte en breedte van de stal is, zal er met in begrip van het plaatsen van de hemelwaterput en opvangputten voor reinigingswater maximaal m³ grond uitgegraven worden per stal. Deze grond zal ter plaatse gebruikt worden om te egaliseren. Rekening houdende met een grondverzet van meer dan 250 m³ dient de initiatiefnemer volgens Vlarebo (hoofdstuk XIII) een technisch verslag te laten uitvoeren ter bepaling van de kwaliteit van de te verzetten grond. Er dient voldaan te worden aan de Vlarebo- en Vlarea-wetgeving. Bij toepassen van het Vlarebo wordt terzake nauwelijks een effect verwacht. Landbouwtyperingskaart De percelen waarop de bestaande gebouwen en nieuw te bouwen kippenstallen komen, hebben op de landbouwtyperingskaart (opgemaakt door de VLM) een matige waardering voor landbouw. Er wordt dan ook uitgegaan van geen of verwaarloosbaar effect SYNTHESE Behoudens bij calamiteiten kunnen de effecten op de bodem als verwaarloosbaar tot hooguit beperkt beschouwd worden. Hierbij wordt er uiteraard van uit gegaan dat aan alle wettelijke bepalingen voldaan wordt m.b.t. o.a.: Opslag van brandstoffen Bodemverzet MILDERENDE MAATREGELEN De genomen maatregelen: De nieuw te bouwen stallen zijn uitgerust met een volle betonnen vloer zodat uitspoeling van mestdeeltjes naar de bodem en het grondwater verhinderd wordt. Jaarlijks wordt een mestaangifte gedaan De geplande maatregelen : Er dient voldaan te worden aan de Vlarebo-wetgving voor wat betreft het grondverzet. De extra mest die geproduceerd wordt in de toekomstige situatie wordt eveneens voor 100 % naar een externe mestverwerkingsinstallatie vervoerd. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 104/213

105 BEDRIJFSDIENSTEN Indien er toch calamiteiten zouden optreden die een impact kunnen hebben op de bodem of het grondwater, worden zo snel mogelijk de nodige acties ondernomen om de verontreiniging weg te nemen of om de verdere verspreiding van de verontreininging te voorkomen, bv. door de verontreinigde grond af te voeren naar een daartoe vergunde inrichting. Uiteraard dienen hierbij de wettelijke bepalingen gevolgd te worden De verdere mogelijkheden : Er wordt verwezen naar de disciplines Water (inzake bodem- en grondwaterverontreiniging) en de discipline Faune en Flora (inzake verzurende en vermestende deposities). 5.4 GELUID AFBAKENING STUDIEGEBIED Het studiegebied geluid wordt bepaald door de op het bedrijf aanwezige geluidsproducerende infrastructuren en activiteiten (zoals de ventilatoren, het laden en lossen, ). Het studiegebied strekt zich uit tot op 200 m van de perceelsgrens van het bedrijf conform de bepalingen in Vlarem II. Indien er zich eveneens kwetsbare gebieden zoals natuurgebieden, stiltegebieden, woonkernen op minder dan 500 m van het landbouwbedrijf bevinden is het aangewezen het effect tot daar te beoordelen. De stallen zijn volgens het gewestplan Turnhout (B.S. 30/09/1977) volledig gelegen in agrarisch gebied. Kwetsbare gebieden zijn op meer dan 500 m gelegen. In het schriftelijk leefomgevingonderzoek (SLO-2, 2008) werd gesteld dat de bronnen van lawaaihinder vanuit de landbouw landbouwwerktuigen, vee en ventilatoren van stallen zijn. In het kader van de activiteitengroep Landbouwdieren zijn dan ook de bronnen vee en ventilatoren belangrijk. Hieraan kunnen nog de vrachtwagens en landbouwvoertuigen toegevoegd worden die grondstoffen, eindproducten en afvalstoffen komen laden en lossen. Naast deze algemeen voorkomende bronnen dient voor de veeteelt ook in verschillende gevallen rekening gehouden te worden met mogelijke geluidshinder door mestverwerkingsinstallaties, bedrijfsactiviteiten zoals het vullen van silo s, enz. Geluidshinder in het kader van de aanleg- of afbraakfase wordt niet beoordeeld, aangezien het hinderniveau vergelijkbaar is met de woningbouw. De transportbewegingen kunnen naast een geluidsproductie ook zorgen voor verkeershinder. Hiervoor wordt verwezen naar de discipline mens REFERENTIESITUATIE Op basis van de gegevens die afgeleid kunnen worden van de topografische kaart, orthofoto, het terreinbezoek wordt een inschatting gemaakt van de voornaamste geluidsproducerende elementen in de bedrijfsomgeving. De onmiddellijke bedrijfsomgeving wordt gekenmerkt door zijn agrarisch karakter. Deze activiteiten leveren een bijdrage aan de geluidsbelasting. In de nabije omgeving zijn nog een aantal veeteeltbedrijven aanwezig. Binnen een straal van 200 m van de bedrijfspercelen (Figuur 22 in bijlage), zijn er 4 woningen gesitueerd in het Vlaamse Gewest, waarvan er 2 woningen behoren tot een landbouwbedrijf. De meest nabijgelegen woning is de woning gelegen Huisheuvelstraat 54 ten ZO van het bedrijf. Op Nederlands grondgebied zijn er eveneens een 4- Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 105/213

106 BEDRIJFSDIENSTEN tal woningen gelegen binnen de 200 m van de perceelsgrens. hiervan is er 1 woning van een landbouwbedrijf, en 1 woning van een tuinbouwbedrijf. Er zijn in deze studie geen meetresultaten beschikbaar. Als referentiewaarde voor het oorspronkelijk omgevingsgeluid in stille agrarische gebieden kan dan voor het L A95,1h voor de dagperiode 35 db(a), avondperiode 30 db(a) en 25 db(a) voor de nachtperiode gehanteerd worden. Deze waarden liggen bijgevolg 10 db(a) lager dan de milieukwaliteitsnormen voor agrarische gebieden. Dit zijn echter normale waarden voor het oorspronkelijke omgevingsgeluid in agrarisch gebied wanneer er geen stoorbronnen zijn in de onmiddellijke omgeving. Bijvoorbeeld voor agrarische gebieden waar er geen autosnelwegen of drukke primaire wegen binnen een straal van 2 km of geen industriegebieden binnen een straal van 500 m gelegen zijn GEVOLGEN VAN GELUIDSHINDER Geluidshinder en/of een verhoging van het omgevingsgeluid kan effecten hebben op de volgende gebieden: mentale en fysische gezondheidsproblemen van de mens; rustverstoring van de mens (slaapstoornissen, verminderd gebruik van woongedeelten,...); negatieve invloed op de kwaliteitsbeleving van het milieu; rustverstoring van fauna (o.a. populatiewijzigingen). Naast een beoordeling volgens Vlarem zal de discipline Geluid informatie aanreiken voor de discipline Mens en Fauna en Flora METHODIEK Bepalen van de geluidsemissie In eerste instantie worden alle relevante geluidsbronnen op het bedrijf aangeduid en worden deze bronnen zoveel mogelijk gekwantificeerd. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen continue bronnen en incidentele bronnen. Incidenteel geluid wordt gedefinieerd als geluid waarvan het niveau weinig frequent verhoogt ingevolge gebeurtenissen die langer dan 2 seconden duren; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in totaal niet langer dan 10% van de duur van de desbetreffende beoordelingsperiode(n). De dagperiode is van 7u tot 19u, de avondperiode van 19u tot 22u en de nachtperiode van 22u tot 7u, zodat we met volgende tijdsduren per beoordelingsperiode moeten rekening houden voor de bepaling van incidenteel geluid : voor de dagperiode betekent dit m.a.w. minder dan 72 minuten, voor de avondperiode minder dan 18 minuten en voor de nachtperiode minder dan 54 minuten. Geluid dat niet aan bovenstaande definitie voldoet, wordt beschouwd als continu geluid. Aangezien de in Vlarem opgenomen grenswaarden (zie verder) gelden voor het specifiek geluid van de hele inrichting, dient de impact als één geheel te worden beoordeeld. Enkele geluidstechnische begrippen In deze paragraaf definiëren we enkele begrippen die van belang kunnen zijn. Verder info is terug te vinden in het richtlijnenboek geluid en trillingen. Geluidsdrukniveau Geluidsdrukken kunnen zeer sterk uiteenlopende waarden hebben. Indien Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 106/213

107 BEDRIJFSDIENSTEN (L p) geluid zou weergegeven worden in Pascal zou dit leiden tot enorm grote en moeilijk hanteerbare getallen om mee te werken (de verhouding gehoordrempel/pijngrens is groter dan een miljoen). Geluidsdruk wordt daarom uitgedrukt aan de hand van geluidsdrukniveau (verwijzend naar een referentiewaarde). Het geluidsdrukniveau Lp wordt als volgt gedefinieerd: Lp= 10.log 10(p²/p 0²) (db) met p 0 = 20µPa Specifieke geluid (Lsp) De getalwaarde van de akoestische grootheid die het geluid van een inrichting of een deel ervan karakteriseert en die eventueel aangepast wordt met een beoordelingsgetal. L A95,T De waarde van het achtergrondgeluidsdrukniveau volgens Vlarem II (indien de waarneemperiode T = 1uur). L W, L WA Het geluidsvermogenniveau (lineair of A-gewogen). Het is een maat voor het uitgestraalde geluidsvermogen. Het is een éénduidig cijfer voor een bepaalde bron. Voor een puntbron geldt in het vrije veld volgende relatie tussen geluidsdrukniveau en geluidsvermogenniveau: LWA = LPA log r (r = afstand in m) Bepalen van de geluidsimmissie Voor de bepaling van het specifiek geluidsniveau (Lsp) in de omgeving van een veeteeltbedrijf, wordt hier een vereenvoudigde methode voorgesteld. Volgende formule berekent het geluidsniveau op een plaats op r meter van de bron (= de afstand tot aan de meest nabij gelegen bron op het bedrijf of centrum) en zonder afscherming tussen bron en immissiepunt : L sp = L wtot log( 4 π r² ) - 0,5 r /100 Met r de afstand tot het centrum van een deelinrichting of de afstand tot de meest nabij gelegen bron op het bedrijf De factor 0,5r/100 houdt rekening met de luchtabsorptie *. Op 500 m treedt er een reductie op van 2,5 db(a). * In principe is dit frequentie-afhankelijk. Er werd hier enkel de luchtabsorptie bepaald voor de 1000 Hz octaafband. Deze frequentie is echter meestal het meest db(a) bepalend Beoordeling van de geluidsimmissie Continue bronnen Aangezien de in Vlarem opgenomen richtwaarden (zie verder) gelden voor het specifiek geluid van de hele inrichting, dient de impact van de continue bronnen als één geheel te worden beoordeeld. Toetsing van het continue geluid dient dus te gebeuren met alle geluidsbronnen samen die als continu kunnen worden beschouwd Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 107/213

108 BEDRIJFSDIENSTEN en samen simultaan in werking kunnen zijn. Vlarem II definieert het specifiek geluid als de getalwaarde van de akoestische grootheid die het geluid van een inrichting, of een deel ervan karakteriseert, die eventueel aangepast wordt met een beoordelingsgetal. De beoordeling gebeurt door het berekende geluidsniveau te toetsen t.o.v. richtwaarden die zijn opgenomen in Vlarem. De richtwaarden worden gehanteerd voor bestaande of te hervergunnen installaties. Voor nieuwe installaties of veranderingen (aanzienlijke uitbreidingen) worden de grenswaarden gehanteerd. Voor de definities van bestaande/nieuwe inrichtingen verwijzen we naar paragraaf van het richtlijnenboek geluid en trillingen Richtwaarden/Grenswaarden Volgens de voorschriften van Vlarem II, hoofdstuk 4.5. Beheersing van geluidshinder gelden volgende richtwaarden (RW) voor het specifiek geluidsniveau (Lsp) in open lucht. Tabel 62: Richtwaarden in db(a) voor Lsp in open lucht volgens bijlage van Vlarem II Categorie Overdag s Avonds s Nachts (7u tot 19u) (19u tot 22u) (22u tot 7u) 1.Landelijke gebieden en gebieden voor verblijfsrecreatie 2.Gebieden of delen van gebieden op minder dan 500 m van industriegebieden niet vermeld in punt 3 of van gebieden voor gemeenschapsvoorziening en openbare nutsvoorzieningen 3.Gebieden of delen van gebieden op minder dan 500m van gebieden voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, van dienstverleningsgebieden of van ontginningsgebieden tijdens de ontginning Woongebieden Industriegebieden, dienstverleningsgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en ontginningsgebieden tijdens ontginning 6.Recreatiegebieden uitgezonderd gebieden voor verblijfsrecreatie 7.Alle andere gebieden, uitgezonderd : bufferzones, militaire domeinen en deze waarvoor in bijzondere besluiten richtwaarden worden vastgesteld Bufferzones Gebieden of delen van gebieden op minder dan 500 m gelegen van voor grindwinning bestemde ontginningsgebieden tijdens ontginning Agrarische gebieden Opmerking : Als een gebied valt onder twee of meer punten van de tabel, dan is in dat gebied de hoogste richtwaarde van toepassing Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 108/213

109 BEDRIJFSDIENSTEN Voor nieuwe inrichtingen is de grenswaarde afhankelijk van het oorspronkelijk omgevingsgeluid. Indien het L A95,1h van het oorspronkelijk omgevingsgeluid gelijk is aan of hoger is dan de milieukwaliteitsnorm (RW), dan moet de continue component van het specifiek geluid, voortgebracht door de nieuwe inrichting beperkt worden tot het L A95,1h van het oorspronkelijk omgevingsgeluid verminderd met 5 db(a), waarbij eveneens dient voldaan te zijn aan de bovenstaande richtwaarde. Indien het oorspronkelijk omgevingsgeluid (L A95,1h) lager is dan de milieukwaliteitsnorm (RW), dan worden er voorwaarden opgelegd, afhankelijk van de ligging: Gebieden 1, 4, 6, 7 (of 10): Lsp <=RW 5 én Lsp <= L A95,1h Gebieden 2, 3, 5 of 8: Lsp <= RW 5 Agrarische gebieden vallen onder de categorie 10 agrarische gebieden. Er is een gelijkstelling van de milieukwaliteitsnormen en richtwaarden voor geluid voor agrarische gebieden en woongebieden. De toetsing voor agrarische gebieden moet bijgevolg gebeuren zoals deze voor de gebieden onder 1, 4, 6 en 7, tenzij ze in categorie 2 of 3 vallen. Er dient opgemerkt te worden dat er in het kader van projecten binnen het toepassingsgebied van dit Richtlijnenboek zelden kwantitatieve gegevens voorhanden zijn voor het L A95,1h van het oorspronkelijk omgevingsgeluid. In dit geval is een correcte toetsing aan Vlarem niet altijd mogelijk ( indien voor gebied 10 geldt dat Lsp <= L A95,1h). Toch wordt in dit Richtlijnenboek een vereenvoudigde methode voorgesteld om de geluidseffecten in te schatten. Voor nieuwe inrichtingen en verandering van bestaande inrichtingen kan dan getoetst worden t.o.v. de norm RW Significantiekader uit het richtlijnenboek geluid en trillingen Hierna geven we het significantiekader weer zoals dat is opgenomen in het RLB geluid en trillingen. De scores 0, +1, +2 en +3 krijgen respectievelijk de beoordeling geen of verwaarloosbaar effect, gering positief, matig positief en positief effect. Tabel 63: Significantiekader geluid Invloed op omgeving Eindscore na correctie Voldoet aan het Vlarem? Lna-Lvoor* tussenscore Nieuw of verandering Bestaand LAX,T (effectscore) Lsp GW Lsp>GW Lsp RW RW<Lsp RW+10 Lsp>RW+10 LAX,T> < LAX,T < LAX,T LAX,T /-2 ** LAX,T< LAX,T< Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 109/213

110 BEDRIJFSDIENSTEN LAX,T< LAX,T : verschil in omgevingsgeluid in db(a) voor en nadat een project zal zijn uitgevoerd Met T = duur in seconden Met X: ofwel N parameter van statistische analyse (LAN,T), in Vlarem wordt N = 95 gebruikt ter toetsing aan de milieukwaliteitsnorm eq voor het equivalente geluidsdrukniveau (LAeq,T), van het omgevingsgeluid. GW : grenswaarde volgens het beslissingsschema van Vlarem II RW : richtwaarde Lsp : specifiek geluid *bij hervergunning dient Lvoor gebruikt te worden alsof het bestaande bedrijf er niet was. Bij een hervergunning van een inrichting met een mix van bestaande & nieuwe bronnen is het oorspronkelijk omgevingsgeluid voor de nieuwe bronnen, het omgevingsgeluid met de bestaande bronnen van de inrichting in werking. ** de keuze -1 ofwel -2 is afhankelijk van de grootte van de overschrijding van de GW (al dan niet binnen het betrouwbaarheidsinterval van de berekende specifieke immissie). De uiteindelijke negatieve scores worden als volgt gekoppeld aan milderende maatregelen. -1 (gering negatief effect) Onderzoek naar milderende maatregelen is minder dwingend, maar indien de juridische en beleidsmatige randvoorwaarden aangeven dat er zich een probleem kan stellen dan dient de deskundige over te gaan tot voorstellen van milderende maatregelen. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden. -2 (matig negatief effect) Er dient noodzakelijkerwijs gezocht te worden naar milderende maatregelen, te koppelen aan de langere termijn. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden. -3 (negatief effect) Er dient noodzakelijkerwijs gezocht te worden naar milderende maatregelen te koppelen aan de korte termijn. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden Incidentele bronnen Het incidenteel geluid moet afzonderlijk worden getoetst aan de hiervoor in Vlarem II gehanteerde waarden. Hiervoor is het maximaal voorkomende L Aeq,1s ter hoogte van de immissiepunten van de diverse activiteiten voor de effectbepaling van belang. Volgens bijlage van VLAREM II geldt als richtwaarde uitgedrukt in db(a) in open lucht van hinderlijk ingedeelde inrichtingen voor incidentele geluidsbronnen, de toepasselijke richtwaarde vermeerderd met 15 db(a) tijdens de dag en 10 db(a) s avonds en s nachts. Bij incidenteel geluid gaat het telkens om kortstondige gebeurtenissen die beschreven worden door L Aeq,1s en waarvan het maximum moet worden getoetst aan de hiervoor geldende normen in Vlarem II. Tabel 64: Normen voor incidenteel geluid Richtwaarden uitgedrukt in db(a) Overdag s Avonds s Nachts Toepasselijke waarde+ 15 Toepasselijke waarde + 10 Toepasselijke waarde + 10 Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 110/213

111 BEDRIJFSDIENSTEN De toepasselijke waarde is: voor nieuwe inrichtingen: richtwaarde in tabel 62 verminderd met 5 db(a) (voor alle gebieden) voor bestaande inrichtingen: richtwaarde in tabel 62. M.a.w. voor een nieuwe installatie in agrarisch gebied (gebied 10 - die niet voldoet aan categorie 2 of 3) dient er voor een incidentele geluidsbron overdag getoetst te worden aan: toepasselijke waarde + 15 = waarde uit tabel 62' = = 55 db(a) Conclusie van de beoordeling Er zal aangegeven worden welke geluidsniveaus verwacht worden ter hoogte van de beoordelingspunten. Dit zijn in eerste instantie de meest nabijgelegen woning en/of op 200 m vanaf de perceelsgrens. Er wordt in de tabel aangegeven wat de richtwaarde of grenswaarde is per beoordelingspunt en beoordelingsperiode, en of er al dan niet een overschrijding optreedt. Voor het continu geluid wordt ook de significantie van het effect in de tabel opgenomen. Bij een matig negatief of negatief effect (-2 of -3) dient er nooodzakelijkerwijs gezocht te worden naar milderende maatregelen. Bij een gering negatief effecte (-1) is onderzoek naar milderende maatregelen minder dwingend. Bij de beoordeling van de effecten in de geplande situatie worden zowel de effecten beoordeeld van de bestaande situatie, van de uitbreiding op zich (t.o.v. de huidige vergunde situatie) en de gecumuleerde effecten van de huidige vergunde situatie + de geplande uitbreiding. Bij deze laatste beoordeling worden de effecten in feite dan ook vergeleken t.o.v. de situatie waarbij er geen exploitatie is. Gezien de actuele vergunning pas in 2029 afloopt kan de beoordeling van de effecten van de uitbreiding op zich als meest relevant aanzien worden BEPALING VAN DE VERSCHILLENDE GELUIDSBRONNEN Ventilatoren De voornaamste continue geluidsbronnen zijn de ventilatoren. De stallen worden allemaal mechanisch geventileerd. De ventilatoren zijn vergund na 1993, ze worden allen beschouwd als nieuwe geluidsbronnen. In de vergunde situatie zijn er 28 ventilatoren aanwezig: Stal Aantal ventilatoren Opmerking Bronvermogen db(a)* Stal 1 9 dakventilatoren 82 5 achtergevel 85 Stal 2 9 dakventilatoren 82 5 achtergevel 85 Geluidsbron vergund na 1993 In de huidige situatie zijn er 24 ventilatoren aanwezig: Stal Aantal Opmerking Bronvermogen db(a)* Geluidsbron ventilatoren Stal 1 3 achtergevel met stofbak 70 9 achtergevel met stofbak 70 vergund na 1993 Stal 2 3 achtergevel met stofbak 70 9 achtergevel met stofbak 70 In de gewenste situatie zijn er 48 ventilatoren aanwezig: Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 111/213

112 BEDRIJFSDIENSTEN Stal Aantal Opmerking Bronvermogen db(a)* Geluidsbron ventilatoren Stal 1 3 achtergevel met stofbak 70 9 achtergevel met stofbak 70 vergund na 1993 Stal 2 3 achtergevel met stofbak 70 9 achtergevel met stofbak 70 Stal 3 3 achtergevel met stofbak 70 9 achtergevel met stofbak 70 Stal 4 3 achtergevel met stofbak 70 9 achtergevel met stofbak 70 Uit technische brochures van stalventilatoren (meestal axiale ventilatoren) en op basis van emissiemetingen blijkt dat het geluidsniveau op 1 m i.f.v. het vermogen varieert van 60 tot 74 db(a). Dit betekent een geluidsvermogenniveau (L w) van 71 à 85 db(a). Deze waarden zijn enkel indicatief en het juiste geluidsniveau hangt van een aantal factoren (aantal, geluidsemissie, spectrum) af. Ter controle werd een emissiemeting uitgevoerd aan een dergelijke axiale ventilator. Op 1 m van de ventilator werd bij een normale werking 54 db(a) gemeten en 74 db(a) bij vol vermogen. Ook het effect van de aanwezige (natuurlijke) geluidsschermen/gebouwen kan niet ingeschat worden zonder een geluidsmodel op te stellen. Aanbevolen wordt om indien het geluidsvermogenniveau van de aanwezige ventilatoren niet gekend is, rekening te houden met 85 db(a). Het effect op de immissiepunten houdt in een vereenvoudigde methode geen rekening met afscherming. Bij koudere temperaturen (winter of s nachts) zullen de ventilatoren minder werken dan in de zomer op warme dagen. Het aantal ventilatoren die op vol vermogen in werking zijn hangt ook af van het aantal dieren die zich op dat moment in de stallen bevinden. Hier worden cfr. het Richtlijnenboek Landbouwdieren volgende aannames gedaan : 1/3 van het totaal aantal ventilatoren voor de dag en avondperiode 1/5 van het totaal aantal ventilatoren voor de nachtperiode De ventilatoren zijn niet allen gelijttijdig met vol vermogen in werking. De aanname van 1/3 en 1/5 van het totaal aantal ventilatoren voor respectievelijk de dag- en avondperiode en de nachtperiode wordt gehanteerd conform het Richtlijnenboek Landbouwdieren. Het totale geluidsvermogenniveau van de ventilatoren in werking wordt berekend als volgt: L wtot_ventilatoren = 10 x log ( N x 10 (L wi_ventilator /10) ) Met N het totaal aantal identieke ventilatoren met dezelfde geluidsemissie Lwi_ventilator : het geluidsvermogenniveau van één ventilator of bron Lwtot_ventilatoren : het totale geluidsvermogenniveau van alle identieke ventilatoren *Voor de ventilatoren aanwezig op het bedrijf zijn geen gegevens beschikbaar, er wordt dan ook uitgegaan van 85 db(a) geluidsvermogenniveau. Er kunnen wel een aantal reducties in rekening worden gebracht afhankelijk van de ligging van de ventilatoren in dakkokers of in stofbakken. In een akoestisch onderzoek naar aanleiding van een MER voor een pluimveebedrijf in Nederland, wordt een demping van 15 db(a) aangegeven voor een stofbak (M&A Milieu Adviesbureau BV, 2010). Voor ventilatoren gelegen in kokers wordt een demping van 3 db(a) in rekening gebracht, zoals ook in een Nederlands akoestisch onderzoek wordt weergegeven (Exlan Consultants BV, 2011). Uittreksels van deze onderzoeken zijn opgenomen in bijlage. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 112/213

113 BEDRIJFSDIENSTEN Voor de ventilatoren die geplaatst zijn in kokers op het dak, brengen we bijgevolg 85 db(a) - 3 db(a) = 82 db(a) in rekening bij de berekeningen, voor de ventilatoren geplaatst voor een stofbak brengen we 85 db(a) - 15 db(a) = 70 db(a) in rekening o.w.v. de inwendige demping van de stofbak Laden en lossen Tabel 65: Transporten in de huidige en de toekomstige situatie Grondstof Huidige situatie Toekomstige situatie Tijdstip Type uren Transporten Transporten transport transport Aanvoer ± 7 transporten/jaar ± 14 transporten/jaar overdag Vrachtwagen 1,2 kuikens Aanvoer ± 76 transporten/jaar ± 152 transporten/jaar overdag Vrachtwagen 1 voeders Aanvoer ± 7 transporten/jaar ± 14 transporten/jaar overdag Vrachtwagen 1 strooisel Aanvoer ± 7 transporten/jaar ± 15 transporten/jaar overdag Vrachtwagen 0,5 brandstof Afvoer ± 76 transporten / jaar ± 152 transporten / jaar 's nachts Vrachtwagen 0,75 vleeskippen Afvoer mest ± 48 transporten/jaar ± 97 transporten/jaar overdag Vrachtwagen 0,5 Afvoer Wekelijks, of op afroep Wekelijks, of op afroep overdag Vrachtwagen 0,25 kadavers 273 transporten 496 transporten/jaar 5,3 transporten/week 9,5 transporten/week Tijdens het vullen van de voedersilo s kan er geluidshinder optreden als gevolg van de compressor op de vrachtwagen die het voeder komt lossen. Afhankelijk van het type compressor (omkast, geluidsarm, ) kan een geluidsniveau van 80 à 100 db(a) voorkomen op 1 m afstand tot de compressor. Eén voederlevering duurt gemiddeld genomen ongeveer 60 minuten (= duur effectieve geluidsproductie) en kan beschouwd worden als incidenteel geluid. De voederleveringen op het bedrijf komen van veevoederfirma De Heus voeders uit Nederland. De vrachtwagens waarmee het voeder wordt geleverd is voorzien van een omkasting, waarin de compressor wordt geplaatst. Door de omkasting is er een demping van het geluid van de compressor. De Heus voeders geeft een gemeten specifiek geluid op van 78 db(a) op 3 m van de omkasting van de compressor. Dit geeft een geluidsvermogenniveau van 98,5 db(a) voor de compressor. Tijdens het laden en lossen van grondstoffen, eindproducten en afvalstoffen treedt de meeste geluidshinder op door de vrachtwagen zelf. De vrachtwagens rijden tot aan de stallen en worden daar op het verharde deel van het bedrijf geparkeerd. Er zal steeds gevraagd worden om de motor van de vrachtwagen af te leggen, wat de lawaaihinder sterk zal reduceren. Voor een stationair draaiende motor wordt rekening gehouden met een geluidsvermogenniveau van ± 95 db(a). Tijdens het laden en lossen van dieren worden de motoren van de vrachtwagens stilgelegd. Het laden van een vracht duurt ongeveer 45 minuten. Dit kan eventueel 's nachts gebeuren. Lossen van een vracht eendagskuikens duurt ongeveer 1,2 u. Het kortstondig draaien van de motoren kan als incidenteel geluid worden beschouwd. Ook tijdens het leveren van het strooisel wordt de vrachtwagen stilgelegd. Tijdens het laden en lossen van overige producten, blijft de motor van de vrachtwagen draaien. We rekenen voor deze transporten met een geluidsvermogenniveau van 95 db(a). Het betreft hier volgende transporten: aanvoer van brandstof, afvoer van mest en afvoer van kadavers. Gemiddeld duren de mesttransporten een 30 tal minuten Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 113/213

114 BEDRIJFSDIENSTEN alsook het leveren van brandstof. Voor de afvoer van de kadavers is de duurtijd ongeveer 15 minuten. Al deze transporten gebeuren normaal gezien overdag. Ook het transport dat van en naar het landbouwbedrijf rijdt kan in de meeste gevallen beoordeeld worden als incidenteel geluid. In de bestaande toestand spreken we van gemiddeld 5,3 transporten (met vrachtwagen) per week. In de toekomstige toestand is er een toename van het aantal tot 9,5 transporten per week. Per uur spreken we over een gemiddelde van minder dan 1 vrachtwagenbeweging. Het uitdrukken in LAeq,1h is bijgevolg niet erg zinvol Landbouwdieren De geluidsproductie door de dieren is in de meeste gevallen weinig frequent en komt vooral voor wanneer de dieren gestoord worden, zoals bij het laden of lossen van de dieren, wachten op voeder,... Algemeen kan gezegd worden dat het laden van pluimvee meestal heel rustig verloopt EFFECTINSCHATTING - BESTAANDE SITUATIE Geluidsemissie van de bestaande inrichting Continue geluidsbronnen Het totale geluidsvermogenniveau van dit landbouwbedrijf in de bestaande situatie op het moment dat alle continue bronnen simultaan in werking zijn wordt dan bekomen door de geluidsniveaus op te tellen. Vergunde situatie In de vergunde situatie zijn er 28 ventilatoren in totaal, waarvan 18 dakventilatoren en 10 ventilatoren in de achtergevel. Dagperiode en avondperiode : enkel de ventilatoren worden als continue geluidsbronnen beschouwd (1/3 e in werking) : L wtot = 10 x log (6 x 10 8,2 ) + 10 x log (3,3 x 10 8,5 ) = 93,0 db(a) Nachtperiode : enkel de ventilatoren worden als continue geluidsbronnen beschouwd (1/5 e in werking) : L wtot = 10 x log (3,6 x 10 8,2 ) + 10 x log (2 x 10 8,5 ) = 90,8 db(a) Huidige situatie In de huidige situatie zijn er in totaal 24 ventilatoren, allen geplaatst in de achtergevel, en die gedempt worden door de aanwezigheid van een stofbak. Dagperiode en avondperiode : enkel de ventilatoren worden als continue geluidsbronnen beschouwd (1/3 e in werking) : L wtot = 10 x log (8 x 10 7,0 ) = 79,0 db(a) Nachtperiode : enkel de ventilatoren worden als continue geluidsbronnen beschouwd (1/5 e in werking) : L wtot = 10 x log (4,80 x 10 7,0 ) = 76,8 db(a) Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 114/213

115 BEDRIJFSDIENSTEN Incidentele bronnen Volgende activiteiten, die als incidenteel kunnen beschouwd worden zijn relevant voor dit landbouwbedrijf : Lossen van veevoeder (compressor op vrachtwagen met omkasting) : 98,5 db(a) Kortstondig draaien van vrachtwagens : 95 db(a) Een overzicht van de transporten in de huidige situatie wordt weergegeven in tabel Geluidsimmissie van de bestaande inrichting De beoordelingspunten zijn gelegen ter hoogte van de meest nabijgelegen woning ten ZO, gelegen Huisheuvelstraat 54 (niet-landbouw) en op 200 m van de perceelsgrens. Als centrum van de geluidsemissie voor de ventilatoren wordt het middelpunt van de ventilatoren genomen. Het verhandelen van de grondstoffen en eindproducten gebeurt op verschillende plaatsen, voornamelijk aan de voorkant van de pluimveestallen op de verharding. De korste afstand tussen de woning en laad- en losplaats is 60 m. Tabel 66: Afstand geluidsbron-beoordelingspunt Beoordelingspunt Afstand tot geluidsbron (m) voor continue bronnen Afstand tot geluidsbron (laad-/losplaats) (m) voor incidenteel geluid Dichtste woning 155 m 60 m Op 200 m van de perceelsgrens 210 m 230 m Continue bronnen Het specifiek geluidsniveau ter hoogte van de meest nabij gelegen woning en op 200 m van de perceelsgrens ten gevolge van de bedrijfsuitbating zonder afscherming tussen bronnen en immissiepunt bedraagt dan: Vergunde situatie: Tijdens de dag- en avondperiode t.h.v. de nabijgelegen woning en 200 m van de perceelsgrens: L sp = 93,0-10.log (4 π 155²) - 0,5*(155/100) = 37,4 L sp = 93,0-10.log (4 π 210²) - 0,5*(210/100) = 34,5 Tijdens de nachtperiode t.h.v. de nabijgelegen woning en 200 m van de perceelsgrens: L sp = 90,8-10.log (4 π 155²) - 0,5*(155/100) = 35,2 L sp = 90,8-10.log (4 π 210²) - 0,5*(210/100) = 32,3 Dag- en avondperiode: beoordelingspunt afstand tot geluidsbron (m) Lwtot (db(a)) Lsp (db(a)) Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 115/213

116 BEDRIJFSDIENSTEN Dichtste woning ,0 37,4 200 m perceelsgrens ,0 34,5 Nachtperiode: beoordelingspunt afstand tot geluidsbron (m) Lwtot (db(a)) Dichtste woning ,8 35,2 200 m perceelsgrens ,8 32,3 Lsp (db(a)) Huidige situatie: Tijdens de dag- en avondperiode t.h.v. de nabijgelegen woning en 200 m van de perceelsgrens: L sp = 79,0-10.log (4 π 155²) - 0,5*(155/100) = 23,5 L sp = 79,0-10.log (4 π 210²) - 0,5*(210/100) = 20,5 Tijdens de nachtperiode t.h.v. de nabijgelegen woning en 200 m van de perceelsgrens: L sp = 76,8-10.log (4 π 155²) - 0,5*(155/100) = 21,2 L sp = 76,8-10.log (4 π 210²) - 0,5*(210/100) = 18,3 Dag- en avondperiode: beoordelingspunt afstand tot geluidsbron (m) Lwtot (db(a)) Dichtste woning ,0 23,5 200 m perceelsgrens ,0 20,5 Nachtperiode: beoordelingspunt afstand tot geluidsbron (m) Lwtot (db(a)) Dichtste woning ,8 21,2 200 m perceelsgrens ,8 18,3 Lsp (db(a)) Lsp (db(a)) Incidentele bronnen Het berekende L Aeq,1s tengevolge het lossen van veevoeder bedraagt dan voor alle periodes: beoordelingspunt afstand tot geluidsbron (m) Lwtot (db(a)) Dichtste woning 60 98,5 51,6 200 m perceelsgrens ,5 39,1 Lsp (db(a)) Het berekende L Aeq,1s tengevolge de overige transporten bedraagt dan voor alle periodes: beoordelingspunt afstand tot geluidsbron (m) Lwtot (db(a)) Dichtste woning ,1 200 m perceelsgrens ,6 Lsp (db(a)) Beoordeling van de geluidsimmissie van de bestaande inrichting Op basis van de vereenvoudigde overdrachtsberekening wordt het specifiek geluidsniveau getoetst aan de richtwaarde en het effect op het oorspronkelijk omgevingsgeluid bepaald. De basisvergunning van het bedrijf Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 116/213

117 BEDRIJFSDIENSTEN dateert van na 1 januari 1993 en voldoet niet aan de definitie van een 'bestaande inrichting' volgens Vlarem II. Het bedrijf is een nieuwe inrichting Continue bronnen De ventilatoren op zich zijn geen ingedeelde inrichtingen volgens Vlarem II. We beschouwen de ventilatoren op het bedrijf als nieuwe geluidsbronnen, aangezien de pluimveestallen werden gebouwd na In onderstaande tabel wordt het Lsp geluid van de continue bronnen vergeleken met de grenswaarde (nieuwe inrichting). Vergunde situatie: Tabel 67: Lsp continue bronnen- GW grenswaarde Immissiepunt Lsp van de continue bronnen Grenswaarde nieuwe inrichting Dag Avond Nacht Dag Avond Nacht Dichtste woning 37,4 37,4 35, voldaan overschrijding overschrijding 200 m perceelsgrens 34,5 34,5 32, voldaan voldaan overschrijding In onderstaande tabel wordt het omgevingsgeluid van het bedrijf in de vergunde toestand vergeleken met de referentiewaarde voor het oorspronkelijk omgevingsgeluid, en wordt het verschil in omgevingsgeluid weergegeven ( L = Lna-Lvoor). Tabel 68: Omgevingsgeluid vergunde situatie - verandering omgevingsgeluid Immissiepunt Omgevingsgeluid vergund bedrijf (=OOG + Lsp) L=Lna-Lvoor Dag Avond Nacht Dag Avond Nacht Dichtste woning 200 m perceelsgrens 39,4 38,2 35,6 4,4 8,2 10,6 37,8 35,8 33,1 2,8 5,8 8,1 Op basis van deze gegevens kunnen we stellen dat er voor het specifiek geluid van de continue bronnen een overschrijding is van de grenswaarde voor nieuwe inrichtingen voor de avond- en nachtperiode t.h.v. de woning en tijdens de nacht t.h.v. 200 m van de perceelsgrens. Er is eveneens een verhoging van het omgevingsgeluid. Op basis van bovenstaande tabellen, kan volgens het significantiekader volgende beoordeling afgeleid worden: Tabel 69: Beoordeling continue bronnen vergunde situatie Immissiepunt Score Dag Avond Nacht Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 117/213

118 BEDRIJFSDIENSTEN Dichtste woning m perceelsgrens T.h.v. de dichtste woning is er tijdens de avond en tijdens de nacht een zeer significant negatief effect. Ook t.h.v. 200 m van de perceelsgrens is er tijdens de nacht een zeer significant negatief effect. Hier dient wel opgemerkt te worden dat er bij de bepaling van de geluidshinder geen rekening wordt gehouden met afscherming. Tussen het bedrijf en de dichtste woning zijn er diverse groenaanplantingen aanwezig. Huidige situatie: In de huidige situatie zijn de pluimveestallen uitgevoerd volgens het AEA systeem P-6.4 met alle ventilatoren geplaatst voor een stofbak. Dit geeft een meer gunstige beoordeling van de effecten van de ventilatoren. De ventilatoren worden gedempt door de aanwezigheid van een stofbak. Opnieuw wordt een beoordeling gemaakt o.b.v. de werkelijke huidige situatie van het bedrijf Van Gastel LV. Tabel 70: Lsp continue bronnen- GW grenswaarde Immissiepunt Lsp van de continue bronnen Grenswaarde nieuwe inrichting Dag Avond Nacht Dag Avond Nacht Dichtste woning 23,5 23,5 21, voldaan voldaan voldaan 200 m perceelsgrens 20,5 20,5 18, voldaan voldaan voldaan In de huidige situatie wordt er wel voldaan aan de grenswaarde voor een nieuwe inrichting, en dit voor alle beoordelingsperiodes en alle beoordelingspunten. In onderstaande tabel wordt het omgevingsgeluid van het bedrijf in de huidige toestand vergeleken met de referentiewaarde voor het oorspronkelijk omgevingsgeluid, en wordt het verschil in omgevingsgeluid weergegeven ( L = Lna-Lvoor). Tabel 71: Omgevingsgeluid huidige situatie - verandering omgevingsgeluid Immissiepunt Omgevingsgeluid huidig bedrijf (=OOG + Lsp) L=Lna-Lvoor Dag Avond Nacht Dag Avond Nacht Dichtste woning 200 m perceelsgrens 35,3 30,9 26,5 0,3 0,9 1,5 35,2 30,5 25,8 0,2 0,5 0,8 Op basis van deze gegevens kunnen we stellen dat er voor het specifiek geluid van de continue bronnen geen overschrijding is van de grenswaarde voor nieuwe inrichtingen. Er is wel een verhoging van het omgevingsgeluid. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 118/213

119 BEDRIJFSDIENSTEN Op basis van bovenstaande tabellen, kan volgens het significantiekader volgende beoordeling afgeleid worden: Tabel 72: Beoordeling continue bronnen huidige situatie Immissiepunt Score Dag Avond Nacht Dichtste woning m perceelsgrens In de huidige toestand wordt er voor de continue geluidsbronnen voldaan aan de grenswaarde voor een nieuwe inrichting. Bijgevolg dienen geen milderende maatregelen genomen te worden voor het bedrijf in de huidige toestand (beslissingsschema Vlarem II) Incidentele bronnen De transporten die voorkomen op het bedrijf, beschouwen we als bestaande incidentele bronnen. Aangezien het een nieuw bedrijf betreft, worden de incidentele bronnen afgetoetst aan de grenswaarde voor een nieuwe inrichting. In onderstaande tabel wordt het L Aeq,1s van de incidentele bronnen vergeleken met de grenswaarde voor een incidenteel geluid voor een nieuwe inrichting. Tabel 73: Lsp incidentele bronnen - GW grenswaarde Immissiepunt L Aeq,1s van het incidenteel geluid Lossen veevoeder/motor vrachtwagen Grenswaarde nieuwe inrichting Dag Avond Nacht Dag Avond Nacht Dichtste woning 51,6/48,1 - -/48, m perceelsgrens 39,1/35,6 - -/35, Uit deze toetsing blijkt dat het L Aeq,1s van de incidentele bronnen ter hoogte van de verschillende beoordelingspunten tijdens de dag voldoen aan de richtwaarde. Tijdens de nacht is er een overschrijding van de richtwaarde voor het stationair draaien van de vrachtwagen t.h.v. de woning, maar niet t.h.v. de perceelsgrens. De overschrijding t.h.v. de woning betreft 8,1 db(a). In het verleden zijn er geen klachten geweest i.v.m. geluidshinder. De exploitant zorgt ervoor dat het laden van de dieren rustig verloopt. De motor wordt stilgelegd. De exploitant kan eventueel ervoor zorgen dat ook het laden van de dieren overdag zou plaatsvinden EFFECTINSCHATTING - GEPLANDE SITUATIE Geluidsemissie van de geplande inrichting Geluidsemissie nieuwe bronnen De nieuwe pluimveestallen worden elk voorzien van voorzien van 12 nieuwe ventilatoren, geplaatst voor een stofbak. Wat betreft de incidentele bronnen zijn er geen nieuwe geluidsbronnen, het zijn reeds activiteiten die in Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 119/213

120 BEDRIJFSDIENSTEN de huidige toestand ook voorkomen. Er komen dus geen extra activiteiten bij. Ook de aard van de transporten wijzigt niet (enkel de frequentie stijgt) in de nieuwe situatie. Er is dus enkel een toename van een aantal van deze activiteiten. Deze incidentele bronnen worden dus niet opnieuw getoetst. Een overzicht van het aantal transporten in de nieuwe situatie wordt weergegeven in tabel Geluidsimmissie van de extra nieuwe bronnen Het middelpunt van deze 24 ventilatoren, is gelegen op een afstand van 175 m van de meest nabijgelegen woning. De specifieke bijdrage van deze 24 extra ventilatoren van de 2 nieuwe pluimveestallen bedraagt: Dag- en avondperiode: beoordelingspunt afstand tot geluidsbron (m) Lwtot (db(a)) Dichtste woning ,0 22,3 200 m perceelsgrens ,0 20,5 Lsp (db(a)) Nachtperiode: beoordelingspunt afstand tot geluidsbron (m) Lwtot (db(a)) Dichtste woning ,8 20,1 200 m perceelsgrens ,8 18,3 Lsp (db(a)) Beoordeling van de geluidsimmissie van de nieuwe bronnen (uitbreiding op zich) Op basis van de vereenvoudigde overdrachtsberekening wordt het specifiek geluidsniveau van de nieuwe continue bronnen getoetst aan de grenswaarde voor een nieuwe inrichting en wordt het effect op het omgevingsgeluid bepaald. Het omgevingsgeluid is het geluid dat echter door de huidige situatie ook al aanwezig is Continue geluidsbronnen In onderstaande tabel wordt het L sp geluid van de 24 extra ventilatoren vergeleken met de grenswaarde voor een nieuwe inrichting. Tabel 74: Lsp continue bronnen - GW grenswaarde Immissiepunt Lsp van de continue bronnen Grenswaarde nieuwe inrichting Dag Avond Nacht Dag Avond Nacht Dichtste woning 22,3 22,3 20, voldaan voldaan voldaan 200 m perceelsgrens 20,5 20,5 18, voldaan voldaan voldaan In onderstaande tabel wordt het omgevingsgeluid van het bedrijf na de uitbreiding vergeleken met het omgevingsgeluid in de huidige toestand. De verandering van omgevingsgeluid wordt weergegeven ( L = Lna- Lvoor). Tabel 75: Omgevingsgeluid na uitbreiding - verandering omgevingsgeluid Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 120/213

121 BEDRIJFSDIENSTEN Immissiepunt Omgevingsgeluid na uitbreiding bedrijf (=huidig omgevingsgeluid + Lsp nieuwe ventilatoren) L=Lna-Lvoor Dag Avond Nacht Dag Avond Nacht Dichtste woning 200 m perceelsgrens 35,5 31,4 27,4 0,2 0,6 0,9 35,3 30,9 26,6 0,1 0,4 0,7 Op basis van deze gegevens kunnen we stellen dat er voor het specifiek geluid van de nieuwe ventilatoren geen overschrijding is van de grenswaarde voor nieuwe inrichtingen voor alle beoordelingsperiodes en ter hoogte van de verschillende beoordelingspunten. Er is wel een verhoging van het omgevingsgeluid. Deze verhoging is steeds 1 db(a), wat geen tot een verwaarloosbaar effect geeft. Volgens het significantiekader kan volgende beoordeling afgeleid worden: Tabel 76: Beoordeling uitbreiding nieuwe continue bronnen Immissiepunt Score Dag Avond Nacht Dichtste woning m perceelsgrens Er wordt voldaan aan de grenswaarde, er moeten geen milderende maatregelen genomen worden Incidentele bronnen Er zijn geen nieuwe incidentele bronnen. De transporten die voorkomen zijn reeds bestaande activiteiten. Er is wel een toename van de frequentie van deze transporten in de nieuwe situatie. In de bestaande toestand spreken we van gemiddeld 5,3 transporten (met vrachtwagen) per week. In de toekomstige toestand is er een toename van het aantal tot 9,5 transporten per week Beoordeling van de geluidsimmissie van de gewenste situatie (in zijn geheel) Tot slot wordt de beoordeling gemaakt voor de gewenste situatie in zijn geheel. Het oorspronkelijk omgevingsgeluid is het geluid dat aanwezig was zonder het bedrijf van Van Gastel LV. Het omgevingsgeluid in de gewenste situatie in zijn geheel neemt alle ventilatoren in beschouwing, dus in totaal 48 ventilatoren. Deze ventilatoren zijn allen gesitueerd in de achtergevel, met de aanwezigheid van een stofbak. Het totale geluidsvermogenniveau van dit landbouwbedrijf in de gewenste situatie op het moment dat alle continue bronnen simultaan in werking zijn, wordt dan bekomen door de geluidsniveaus op te tellen: Dagperiode en avondperiode : enkel de ventilatoren worden als continue geluidsbronnen beschouwd (1/3 e in werking) : L wtot = 10 x log (16 x 10 7,0 ) = 82,0 db(a) Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 121/213

122 BEDRIJFSDIENSTEN Nachtperiode : enkel de ventilatoren worden als continue geluidsbronnen beschouwd (1/5 e in werking) : L wtot = 10 x log (9,6 x 10 7,0 ) = 79,8 db(a) De specifieke bijdrage van alle ventilatoren samen bedraagt: Dag- en avondperiode: beoordelingspunt Lwtot (db(a)) Dichtste woning 82,0 25,9 200 m perceelsgrens 82,0 23,6 Lsp (db(a)) Nachtperiode: beoordelingspunt Lwtot (db(a)) Dichtste woning 79,8 23,7 200 m perceelsgrens 79,8 21,3 Lsp (db(a)) De verandering in omgevingsgeluid L is nu het omgevingsgeluid van de gewenste toestand waarbij alle ventilatoren in rekening worden gebracht t.o.v. het oorspronkelijke omgevingsgeluid, met name het geluid alsof het bestaande bedrijf er niet was. Tabel 77: verandering omgevingsgeluid Immissiepunt L=Lna-Lvoor (met Lvoor = OOG) Dag Avond Nacht Dichtste woning 200 m perceelsgrens 0,5 1,4 2,4 0,3 0,9 1,6 Het specifiek geluid van alle ventilatoren samen in de gewenste toestand in zijn geheel, is t.h.v. de beoordelingspunten en tijdens alle beoordelingsperiodes lager dan de milieukwaliteitsnorm in agrarisch gebied voor de dag-, avond- en nachtperiode. De verandering in omgevingsgeluid is in bovenstaande tabel weergegeven. De situatie in zijn geheel wordt bijgevolg beoordeeld in onderstaande tabel: Tabel 78: Beoordeling van de gewenste situatie in zijn geheel (alle ventilatoren in gewenste toestand) Immissiepunt Score Dag Avond Nacht Dichtste woning m perceelsgrens Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 122/213

123 BEDRIJFSDIENSTEN T.h.v. de dichtste woning is er tijdens de avond en tijdens de nacht een matig negatief effect. Tijdens de dag is er geen tot verwaarloosbaar effect. Op 200 m van de perceelsgrens is er enkel een matig negatief effect tijdens de nacht. Tijdens de dag- en avondperiode is er geen tot een verwaarloosbaar effect. Er moeten geen milderende maatregelen genomen worden. Hier dient eveneens opgemerkt te worden dat er bij de bepaling van de geluidshinder geen rekening wordt gehouden met afscherming. Tussen het bedrijf en de dichtste woning zijn er diverse groenaanplantingen aanwezig. Er wordt voldaan aan de milieukwaliteitsnorm voor agrarisch gebied Samenvatting effecten geplande situatie Bij de beoordeling van de effecten in de geplande situatie worden zowel de effecten beoordeeld van de uitbreiding op zich (t.o.v. de huidige situatie) als de gecumuleerde effecten van de huidige situatie + de geplande uitbreiding. Bij deze laatste beoordeling worden de effecten in feite dan ook vergeleken t.o.v. de situatie waarbij er geen exploitatie is. Gezien de actuele vergunning pas in 2029 afloopt kan de beoordeling van de effecten van de uitbreiding op zich wel als meest relevant aanzien worden SYNTHESE Voor de discipline geluid worden de relevante geluidsbronnen op het bedrijf bepaald, zijnde de continue geluidsbronnen (ventilatoren) en de incidentele geluidsbronnen (transporten). De beoordelingspunten zijn de dichtste woning en 200 m van de perceelsgrens. De onmiddellijke bedrijfsomgeving wordt gekenmerkt door zijn agrarisch karakter. Deze activiteiten leveren een bijdrage aan de geluidsbelasting. In de nabije omgeving zijn nog een aantal veeteeltbedrijven aanwezig. Binnen een straal van 200 m van de bedrijfspercelen, zijn er 4 woningen gesitueerd, waarvan er 2 woningen behoren tot een landbouwbedrijf. De meest nabijgelegen woning is de woning gelegen Huisheuvelstraat 54 ten ZO van het bedrijf. Op Nederlands grondgebied zijn er eveneens een 4-tal woningen gelegen binnen de 200 m van de perceelsgrens. hiervan is er 1 woning van een landbouwbedrijf, en 1 woning van een tuinbouwbedrijf. Als referentiewaarde voor het oorspronkelijk omgevingsgeluid in stille agrarische gebieden kan dan voor het L A95,1h voor de dagperiode 35 db(a), avondperiode 30 db(a) en 25 db(a) voor de nachtperiode gehanteerd worden. In de vergunde situatie zijn er 28 ventilatoren aanwezig op twee stallen. In de vergunde situatie heeft elke stal 9 dakventilatoren (82 db(a)) en 5 ventilatoren in de achtergevel (85 db(a)). In de huidige situatie zijn er 24 ventilatoren aanwezig. De stallen 1 en 2 zijn reeds omgevormd naar het systeem P-6.4 en hebben elk 12 ventilatoren in de achtergevel geplaatst voor een stofbak (70 db(a)). Er is een geluidsdemping door de stofbak. In de gewenste situatie zijn er 48 ventilatoren aanwezig in de achtergevels van 4 stallen met stofbak. De basisvergunning van het bedrijf dateert van na 1 januari 1993 en is dus een nieuwe inrichting volgens Vlarem II. De ventilatoren op zich zijn geen ingedeelde inrichtingen volgens Vlarem II. We beschouwen al de ventilatoren op het bedrijf als nieuwe geluidsbronnen (vergund na 1993). Er wordt getoets aan de grenswaarde voor een nieuwe inrichting. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 123/213

124 BEDRIJFSDIENSTEN Continue geluidsbronnen: In de vergunde situatie geldt voor de continue bronnen volgens het significantiekader dat er t.h.v. de dichtste woning tijdens de avond en tijdens de nacht een zeer significant negatief effect is. Ook t.h.v. 200 m van de perceelsgrens is er tijdens de nacht een zeer significant negatief effect. Voor de overige periodes/punten is er een matig negatief effect. Hier dient wel opgemerkt te worden dat er bij de bepaling van de geluidshinder geen rekening wordt gehouden met afscherming. Tussen het bedrijf en de dichtste woning zijn er diverse groenaanplantingen aanwezig. In de huidige situatie is de beoordeling meer gunstig, aangezien alle ventilatoren geplaatst werden voor een stofbak. In de huidige toestand wordt er voor de continue geluidsbronnen voldaan aan de grenswaarde voor een nieuwe inrichting. Er is een verhoging van het omgevingsgeluid. Enkel voor de meest nabijgelegen woning tijdens de nacht is er een matig negatief effect. Voor de overige periodes/punten is er geen tot een verwaarloosbaar effect. Bijgevolg dienen geen milderende maatregelen genomen te worden voor het bedrijf in de huidige toestand (beslissingsschema Vlarem II). In de gewenste situatie is er voor de uitbreiding met de 24 ventilatoren op de 2 nieuwe stallen, geen effect of een verwaarloosbaar effect te verwachten ter hoogte van alle beoordelingspunen en tijdens alle eoordelingsperiodes. Voor de gewenste situatie in zijn geheel is t.h.v. de beoordelingspunten en tijdens alle beoordelingsperiodes het specifieke geluid van alle ventilatoren samen (48 ventilatoren) lager dan de milieukwaliteitsnorm in agrarisch gebied voor de dag-, avond- en nachtperiode. Incidentele geluidsbronnen: De transporten die voorkomen op het bedrijf, beschouwen we als incidentele bronnen. Ook de incidentele bronnen worden afgetoetst aan de grenswaarde voor nieuwe inrichtingen. Uit de toetsing blijkt dat het L Aeq,1s van de incidentele bronnen ter hoogte van de verschillende beoordelingspunten tijdens de dag voldoen aan de grenswaarde. Tijdens de nacht is er een overschrijding van de grenswaarde voor het stationair draaien van de vrachtwagen t.h.v. de woning, maar niet t.h.v. de perceelsgrens. De overschrijding t.h.v. de woning betreft 8,1 db(a). In het verleden zijn er geen klachten geweest i.v.m. geluidshinder. De exploitant zorgt ervoor dat het laden van de dieren rustig verloopt. De motor wordt stilgelegd. De exploitant kan eventueel ervoor zorgen dat ook het laden van de dieren overdag zou plaatsvinden. Er zijn geen nieuwe incidentele bronnen. De transporten die voorkomen zijn reeds bestaande activiteiten. Er is wel een toename van de frequentie van deze transporten in de nieuwe situatie. In de bestaande toestand spreken we van gemiddeld 5,3 transporten (met vrachtwagen) per week. In de toekomstige toestand is er een toename van het aantal tot 9,5 transporten per week. In het verleden zijn er eveneens geen klachten geweest i.v.m. geluidshinder. Voor deze berekeningen werden volgende aannames gedaan: geen afscherming MILDERENDE MAATREGELEN Er dient opgemerkt te worden dat de berekende effecten in dit MER wellicht een overschatting zijn. Er wordt bij de berekeningen geen rekening gehouden met de aanwezige afscherming van de geluidsbronnen door bijvoorbeeld Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 124/213

125 BEDRIJFSDIENSTEN aanwezigheid van gebouwen of groenaanplantingen. Zo zijn er tussen de meest nabijgelegen woning ten ZO van het bedrijf verschillende groenaanplantingen aanwezig Door het bedrijf genomen maatregelen Ventilatoren zijn computergestuurd en frequentiegestuurd. Tijdens het laden en het lossen worden de motoren van de bedrijfsvoertuigen zoveel mogelijk stilgelegd. Er is reeds een groenaanplant voorzien. De stallen zijn goed geïsoleerd zodanig dat het geluid van de dienen tot een minimum zal herleid worden. De stallen blijven in de mate van het mogelijke afgesloten. Er zijn reeds stofbakken geplaatst op de bestaande pluimveestallen, waardoor het geluid van de ventilatoren gedempt wordt. De ventilatoren werden zo ver mogelijk van de meest nabijgelegen woning geplaatst Door het bedrijf geplande maatregelen De exploitant voorziet in een aanvulling van het bestaande groenaanplant. Op de nieuwe pluimveestallen worden eveneens stofbakken geplaatst. De ventilatoren worden eveneens zo ver mogelijk van de meest nabijgelegen woning geplaatst Verdere mogelijkheden of aanbevelingen Tijdens de werkzaamheden dient de initiatiefnemer er op te letten dat de aannemer de geluidshinder ten gevolge van de werken zo goed mogelijk beperkt en dat het onnodig draaien van de machines en motoren voorkomen wordt. Er moet rekening gehouden worden met een schappelijk start- en einduur van de bouwwerken, enz. Dit opdat hinder naar omwonenden zoveel mogelijk beperkt wordt. De exploitant kan overwegen om het laden van de dieren ook overdag te laten plaatsvinden. 5.5 MENS AFBAKENING STUDIEGEBIED Het studiegebied voor de discipline mens wordt bepaald door de grootste gemene deler van de invloedssferen van de abiotische disciplines. Dit wordt voornamelijk bepaald door de grens waar relevante geurwaarneming voorkomt. Effecten zoals geluids- of stofhinder reiken minder ver. De effecten van verkeer kunnen zich echter verder uitstrekken, zodat de voornaamste antropogene elementen in de ruimere omgeving worden beschreven. Hier wordt het studiegebied gelijk genomen aan het studiegebied van geur. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 125/213

126 BEDRIJFSDIENSTEN TOELICHTING GEGEVENSGEBRUIK Voornaamste gegevensbronnen: Eigen terreinbezoek Gewestplan Wegenatlas Orthofoto Topografische kaart Op basis van kaartmateriaal (topokaart, gewestplan, orthofoto ), terreinbezoek en algemeen bekomen informatie wordt het antropogeen milieu in de nabijheid van het bedrijf beschreven. Hierbij wordt de omgeving van het bedrijf beschreven rekening houdend met de woonfunctie, recreatie, landbouw, overige bedrijven, voorname verkeersverbindingen en industrie METHODIEK Voor de discipline Mens wordt aandacht besteed aan mogelijke gezondheidseffecten, mogelijke hindereffecten en mobiliteitsaspecten. Voor de beoordeling van de effecten in de discipline Mens - gezondheid wordt onderscheid gemaakt tussen de hinder- en de gezondheidsaspecten. Opdat er sprake zou zijn van hinder dienen de effecten op de ene of andere wijze zintuiglijk waarneembaar te zijn. Het hinderaspect wordt dus gekoppeld aan zintuiglijke waarneembaarheid. Wijzigingen die hierin optreden als gevolg van de realisatie van het project spelen hierin dus een rol. Opdat er sprake zou zijn van gezondheidseffecten, dient er vooreerst een effectieve, realistische kans te bestaan voor: ingestie (inslikken); inhalatie (inademen); dermaal contact (contact met de huid); blootstelling aan fysische agentia (bv. geluid). Inzake gezondheidseffecten wordt nagegaan of er enig risico bestaat voor de menselijke gezondheid. De aard en de dosis van de effectieve blootstelling wordt vergeleken met de wettelijke normen of met wetenschappelijke advieswaarden ter zake. Als er relevante blootstellingen zijn, worden de mogelijke gezondheidseffecten bekeken bij de blootgestelde populatie. Waar nodig wordt rekening gehouden met cumulatieve aspecten door andere bronnen. Bijzondere aandacht gaat naar kwetsbare groepen (scholen, bejaardentehuizen, ). Voor geur en geluid wordt nagegaan of de emissies in de omgeving van die aard zijn dat psychosomatische effecten kunnen ontstaan. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 126/213

127 BEDRIJFSDIENSTEN Wat de hindereffecten betreft wordt het belang van geluidshinder en geurhinder ingeschat. Dit gebeurt enerzijds op basis van gegevens aangereikt vanuit de disciplines lucht en geluid en anderzijds op basis van de klachtenregistraties van de afgelopen jaren. Inzake effecten op mobiliteit worden de relevante transportbewegingen i.f.v. aan- en afvoer van producten in kaart gebracht. Vervolgens wordt het aandeel van deze transportbewegingen ingeschat t.o.v. de huidige totale verkeersstromen op de voornaamste ontsluitingswegen. De discipline Mens is een integrerende discipline, waar heel wat effectketens stoppen en het eindeffect beoordeeld moet worden; deze discipline heeft hierdoor gegevens nodig uit andere disciplines. Effectgroep Benodigde gegevens Te betrekken uit discipline Geluidshinder Invloedsstraal geluid Geluid Geurhinder Geurimmissie Lucht Stofhinder Stofimmissie Lucht Naast de beoordeling van de klachtenregistratie, zal in dit hoofdstuk voornamelijk ingegaan worden op het aspect verkeer. De transportstromen, die aan de inrichting verbonden zijn, worden besproken. Bij een landbouwbedrijf worden de belangrijkste transporten veroorzaakt door: aan- en afvoer van dieren; aanvoer van grondstoffen (voeder, fossiele brandstoffen, strooisel,...); afvoer van eindproducten (dieren,...); afvoer van afvalstoffen (mest, kadavers,...). De transportafstanden kunnen hierbij heel sterk variëren, gaande van het uitrijden van mest op aanpalende percelen, tot de afvoer van bijvoorbeeld mest op lange afstand. Het is bijgevolg bijna onmogelijk om alle aan- en afvoerroutes volledig te beschrijven. De nadruk ligt daarom voornamelijk op de afstand tussen het bedrijf en de meest nabij gelegen grote aan/afvoerroute METHODIEK EFFECTBEPALING In dit hoofdstuk wordt verder ingegaan op eventuele klachten die ooit tegen het bedrijf geuit zijn. Indien deze klachten betrekking hebben op andere disciplines, dan worden mogelijke maatregelen in die disciplines besproken en kort herhaald in dit hoofdstuk. Voor elk transport dienen volgende zaken ingeschat te worden: type transport: zwaar verkeer (via vrachtwagens) of lichte vracht (via tractoren of via wagens); frequentie: maandelijks, wekelijks, met aanduiding of de transporten gespreid zijn over het ganse jaar of gebonden aan enkele maanden; voornaamste transportroutes; tijdstip: dag, avond, ochtend, nacht. Omdat het effect van het lichte vrachtverkeer eerder verwaarloosbaar is, wordt vooral het zwaar verkeer, met vrachtwagens, beschouwd. Het significantiekader dat van toepassing is, wordt weergegeven in Tabel 79. Tabel 79: Significantiekader ter beoordeling van de verkeershinder Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 127/213

128 BEDRIJFSDIENSTEN Toetsing Gemiddeld >35 transporten (zwaar verkeer) per week langsheen lokale wegen & doorheen gevoelig gebied Gemiddeld 14 tot 35 transporten per week (zwaar verkeer) langsheen lokale wegen & doorheen gevoelig gebied Gemiddeld 7 tot 14 transporten (zwaar verkeer) per week langsheen lokale wegen & doorheen gevoelig gebied Gemiddeld < 7 transporten (zwaar verkeer) per week langsheen lokale of transporten enkel langsheen hoofdwegen Beoordeling Significant negatief effect Matig negatief effect Gering negatief effect Geen of verwaarloosbaar effect Ook de bestrijding van ongedierte wordt besproken. De effecten van geurhinder en geluidshinder worden uitvoerig besproken in de disciplines Lucht en Geluid. Daarnaast zijn er nog andere mogelijke effecten van geluidshinder, geur- en stofhinder naar de mens zoals niettoxische fysiologische reacties, invloed aërosoldeeltjes, gehoorbeschadiging, slapeloosheid,...). Bij de impactbeoordeling ten aanzien van eventuele geurhinder wordt beoordeeld rekening houdend met de hinderniveaus zoals gehanteerd in de discipline lucht. Er zijn voldoende consistente bewijzen dat de heersende concentraties fijn stof een negatieve impact hebben op de volksgezondheid. Er is een breed scala aan gezondheidseffecten, maar de voornaamste situeren zich ter hoogte van het ademhalings- en cardiovasculair systeem. De individuele gevoeligheid kan verschillen naargelang de gezondheidstoestand of leeftijd. Het risico neemt toe met de blootstelling. Er kunnen geen drempelwaarden worden geïdentificeerd waaronder geen effecten optreden. Er zijn gegevens die erop wijzen dat langdurige blootstelling aan lage concentraties geassocieerd is met hogere mortaliteit en andere chronische effecten, zoals het verhoogd voorkomen van bronchitis en verminderde longfunctie. Gezien er onvoldoende kwantitatieve gegevens zijn voor het afleiden van richtlijnen voor PM 10, werden door de WGO richtlijnen voorgesteld voor PM 2,5 en werden hieruit richtlijnen voor PM 10 afgeleid (PM 2,5-richtwaarde x 2 op basis van een minimale fractie van 50 % PM 2,5 ten opzichte van PM 10). De WGO-advieswaarden voor PM 2,5 zijn 10 µg/m³ als jaargemiddelde en 25 µg/m³ als 24-uursgemiddelde (en bijgevolg 20 µg/m³ als jaargemiddelde en 50 µg/m³ als 24-uursgemiddelde voor PM 10). De impact van de emissie van micro-organismen en endotoxines, als deel van de PM emissie, kan wegens gebrek aan gegevens niet éénduidig in kaart gebracht worden. Er kan hierbij wel verwezen worden naar de conclusies in literatuurgegevens, waaronder deze van Prof. dr. ir. D.J.J. Heederik et.al (2011), in Mogelijke effecten van intensieve-veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen, Omwonenden van intensieve-veehouderijbedrijven zijn potentieel blootgesteld aan fijn stof, aan een aantal specifieke micro-organismen en aan endotoxinen. Op kortere afstand van de bedrijven, vooral als het meerdere bedrijven zijn, kan deze blootstelling effecten geven op de gezondheid, met name op de luchtwegen. Uit de resultaten van dit onderzoek kan niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand tot bedrijven het nu precies gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden. Daarvoor is nodig dat er op meer locaties wordt gemeten (verschillende typen bedrijven) en ook bij specifieke activiteiten (uitrijden mest, dierentransport). De kans op gezondheidseffecten van de huidige signalen van de Q-koortsbacterie en van MRSA in de omgeving Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 128/213

129 BEDRIJFSDIENSTEN van veehouderijbedrijven wordt als gering ingeschat. Het lijkt een verrassende bevinding dat astma minder vaak voorkomt onder omwonenden van veehouderijbedrijven. Deze bescherming lijkt daarmee ook te gelden voor omwonenden. Uit de literatuur was al een beschermend effect voor astma gevonden voor kinderen die waren opgegroeid op een boerderij. Mensen met astma hebben vaker infecties van de bovenste luchtwegen (exacerbaties) en longontsteking dan astmatici in plattelandsgebieden met minder veehouderijbedrijven. Longontsteking wordt vaker gezien in de nabijheid van intensieve-veehouderij, vooral bij bedrijven met geiten en pluimvee. Omdat er vaker longontsteking werd gezien dan kan worden verklaard door de Q-koorts golf in 2009 (ter info Q-koorts bij de mens wordt vnl. veroorzaakt door schapen en geiten), dient de relatie tussen longontsteking en pluimveehouderij nader onderzocht te worden. Kinderen die wonen in de nabijheid van veehouderijbedrijven hebben, net als kinderen die zijn opgegroeid op een boerderij, vaker eczeem. Er bestonden weinig aanwijzingen dat zeer grote stallen, zogenaamde megastallen, sterker met gezondheidseffecten op omwonenden zijn geassocieerd. Mogelijke gezondheidsproblemen doen zicht echter wel vnl. voor bij de werknemers op de bedrijven zelf, desgevallend ook bij bvb de chauffeurs die dagelijks instaan voor het transport naar slachthuizen (contact bij laden en lossen, reiniging van de vrachtwagen). Overigens is in de literatuur al meerdere malen beschreven dat voor astma en allergie een beschermend effect is als men op een boerderij is opgegroeid. De resultaten van Radon e.a. (2007) (geciteerd in de studie van Heederik et.al.,2011), suggereren dat dit mogelijk ook opgaat voor omwonenden. Dat mogelijke effecten ook moeilijk kwantificeerbaar zijn volgt ook uit het feit dat er geen emissiekengetallen noch (concentratie)normen zijn waaraan mogelijke blootstelling kan getoetst worden. M.b.t. endotoxines zou wel kunnen verwezen worden naar een norm van 30 EU/ml (endotoxine units/ml) geciteerd door Bodden, in gezondheidsrisico s voor veehouderijen (TO, mei 2014, nr 1). Echter wegens ontbreken van éénduidige emissiekengetallen en achtergrondconcentraties kan geen uitspraak geformuleerd worden m.b.t. het al of niet voldoen aan deze doelstelling (hierbij kan nog aangegeven worden dat de resultaten van endotoxine metingen sterk afhangen van de meetmethodiek, wat het hanteren van een doelstelling nog delicater maakt). Dat conclusies hieromtrent niet éénduidig kunnen geformuleerd worden, wordt ook gesteld door de Nederlandse Gezondheidsraad. Zij stellen in Gezondheidsrisico s rondom veehouderijen (2012) dat: de gegevensbasis nog te smal is voor conclusies over oorzakelijke kwantitatieve verbanden tussen het optreden van gezondheidsproblemen en blootstelling aan specifieke componenten in het fijn stof. Het enige gezondheidsrisico waarvoor tot nu toe wel stevig wetenschappelijk bewijs bestaat zijn uitbraken van Q-koorts (wat echter vnl. betrekking heeft op overdacht afkomstig van schapen en geiten). Niettegenstaande er geen éénduidige conclusies te formuleren zijn ten aanzien van mogelijke blootstelling en effecten, kan wel aangegeven worden dat de kans op het optreden van effecten in principe zal afnemen met de afstand tot de veebedrijven, gezien bij toenemende afstand lagere concentraties aan micro-organismen en endotoxines aangetoond kunnen worden. Dit is uiteraard volkomen logisch rekening houdend met het verdunningseffect door aanvoer van lucht afkomstig van windopwaarts de bedrijven, die minder beladen is. Qua effecten t.g.v. blootstelling aan geluid wordt er globaal een onderscheid gemaakt tussen enerzijds geluidshinder en anderzijds slaapverstoring (*). (*) Het is algemeen onderkend dat een goede nachtrust een biologische noodzakelijkheid is. Verstoring van de slaap kan dan ook afhankelijk van de soort slaapverstoring en de frequentie van voorkomen aanleiding geven tot vermoeidheid, concentratiestoornissen, overgaan tot het gebruik van slaapmedicijnen,... en in meer ernstige situaties verhoogde bloeddruk, versneld hartritme,... die bij langdurig voorkomen de basis kunnen vormen voor cardiovasculaire aandoeningen, psychische aandoeningen,... Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 129/213

130 BEDRIJFSDIENSTEN In de Europese richtlijn Omgevingslawaai wordt om een inschatting te kunnen maken van het al dan niet voorkomen van hinder of slaapverstoring 2 types van geluidsbelastingsindicatoren vooropgesteld, nl. de L den en de L night. Het L den-niveau is het gewogen gemiddelde van de geluidsniveaus voor de dag ( ), de avond ( ) en de nacht ( ). De avond- en nachtniveaus krijgen daarbij een straffactor van +5 resp. +10 db aangerekend. Hierdoor wegen ze zwaarder door in het L den-niveau, wat overeenkomt met de vaststelling dat geluidsoverlast s avonds en s nachts doorgaans als hinderlijker wordt ervaren. Uit Europees onderzoek blijkt dan ook dat een L den een relatief goede voorspeller is van de mate waarin omwonenden hinder kunnen ondervinden. Op dit ogenblik zijn er nog geen drempelwaarden voor de indicator L den om te oordelen vanaf welke geluidsbelasting er effectief hinder optreedt. Het is ook niet eenvoudig om dergelijke drempelwaarden af te leiden. Uit onderzoeken blijkt dat persoonlijke kenmerken, zoals de gevoeligheid voor geluid, een sterke impact hebben op de mate waarin een bepaald geluidsniveau als storend wordt ervaren. Ook de lokale omstandigheden (optredende piekniveaus, aanwezigheid van een stille gevel of tuin,...) bepalen in grote mate de hinderlijkheid van een bepaalde geluidsbelasting. In een door de WGO uitgevoerde studie, is getracht om een verband te leggen tussen tijdens de nacht optredende omgevingsgeluidsniveaus L night-outside en de risico s op het optreden van slaapverstoringen. Uit dit onderzoek is gebleken dat blootstelling aan jaargemiddelde omgevingsgeluidsniveaus i (geluidsbelastingindicator voor slaapverstoringen tijdens de nachtperiode = L nacht = het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau over lange termijn (bvb. L A95), vastgesteld over alle nachtperioden van een jaar) tijdens de nacht van: 40 db(a) het laagste niveau is waarbij slaapverstoringen aan de hand van onderzoeken zijn vastgesteld geweest; 40 à 55 db(a) een zeker risico inhouden tot het voorkomen slaapverstoringen zoals het moeilijk aanvatten van de slaap, het tijdens de nacht wakker worden, het vervroegd wakker worden... en hieraan gekoppelde vermoeidheid, concentratiestoornissen, het gebruik van medicatie, gevoel van onbehagen,... Het feit of de personen die tijdens de nacht blootgesteld worden aan dergelijke omgevingsgeluidsniveaus, effectief hiervan gevolgen ondervinden m.b.t. hun slaappatroon is gerelateerd aan gevalspecifieke randvoorwaarden zoals de aard van het geluid (bvb. optredende piekgeluiden vs. een continue achtergrondgeluid), de mate van gewenning aan het geluid, individuele perceptie van het geluid,... Met andere woorden in deze gevallen zal het van geval tot geval afhangen of er al dan niet sprake is van een (on)aanvaardbare impact. 55 db(a) of meer leiden tot het frequent voorkomen van diverse vormen van (ernstige) slaapverstoring dit bij een groot deel van de blootgestelde bevolking, onafhankelijk van de gevalspecifieke randvoorwaarden. Aansluitend kan ook gesteld worden dat bij langdurige blootstelling tijdens de nacht aan dergelijke geluidsniveaus er op termijn een verhoogd risico is voor het optreden van ernstige gezondheidseffecten zoals cardiovasculaire en psychische aandoeningen. De WGO stelt dan ook finaal dat er op termijn globaal dient gestreefd te worden naar jaargemiddelde, nachtelijke omgevingsgeluidsniveaus van maximaal 40 db(a). Jaargemiddelde, nachtelijke omgevingsgeluidsniveaus tussen 40 db(a) en 55 db(a) kunnen beschouwd worden als tijdelijk, aanvaardbare targets. Jaargemiddelde, nachtelijke omgevingsgeluidsniveaus van meer dan 55 db(a) zijn niet aanvaardbaar wegens het te groot risico op het optreden van frequente slaapverstoring en de hieruit voortvloeiende gezondheidseffecten (op korte en lange termijn). Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 130/213

131 BEDRIJFSDIENSTEN REFERENTIESITUATIE Woonfunctie en recreatie Het bedrijf is gelegen langs Huisheuvelstraat 53 in Wuustwezel op zo n m van het dichtstbijzijnde woongebied met landelijk karakter. De onmiddellijke bedrijfsomgeving wordt gekenmerkt door zijn agrarisch karakter. Binnen een straal van ongeveer 200 m van het bedrijfsperceel liggen 2 bedrijfsvreemde woningen (Huisheuvelstraat 51 en 54), 1 woning die behoort tot een tuinbouwbedrijf (Heivelden 30) en 1 woning die behoort tot een landbouwbedrijf (Huisheuvelstraat 58). De meest nabijgelegen bedrijfsvreemde woning (Huisheuvelstraat 51) is in vogelvlucht gelegen op ongeveer 80 m van de hoek van de dichtste stal van Van Gastel Gert LV. Net over de grens bevindt zich een rundveebedrijf, een sierteeltbedrijf en 2 particuliere woningen. Tabel 80: Ligging bedrijf t.a.v. woonfunctie Gebied Afstand tot het centrum van Richting het bedrijf Woongebied met landelijk karakter m ZO woonuitbreidingsgebied m ZO Op m bevindt zich een woonuitbreidingsgebied, zoals bedoeld volgens het gewestplan. Landbouw De omgeving van het bedrijf wordt gekenmerkt door een agrarisch grondgebruik. In de omgeving vinden we een afwisseling van akkers en weiden terug. Verspreid binnen het studiegebied bevinden er zich een aantal andere landbouwbedrijven (Figuur 8 in bijlage). Verkeer Het bedrijf is gelegen langs Huisheuvelstraat 53 in Wuustwezel, dit is een lokale weg. Op ongeveer 1550 m ten O van het bedrijf ligt de gewestweg N1 (De Bredabaan) gelegen. Dit is ook de voornaamste aan- en afvoerroute van het bedrijf. Vanuit Huisheuvelstraat verloopt het transport naar de N1 via Heivelden of via de Berkendreef. Langsheen de lokale weg Heivelden richting Bredabaan liggen een aantal landbouwbedrijven en een aantal particuliere woningen. Op het einde van Heivelden kom je in een ambachtelijke zone aan de N1. Langsheen de Berkendreef liggen ook een beperkt aantal landbouwbedrijven en een aantal particuliere woningen. De bebouwing wordt dichter richting Bredabaan. Het laatste stuk van de Berkendreef is woongebied met landelijk karakter. De transporten voor het bedrijf gebeuren niet door een dorpskern, de route passeert wel Braken en nadien door Wuustwezel in zuidelijke richting. In noordelijke richting gaat de Bredabaan over in de N263 richting Zundert. De kwaliteit en capaciteit van de wegen, en de verkeersbewegingen gerelateerd aan het bedrijf worden verder besproken. Industrie Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 131/213

132 BEDRIJFSDIENSTEN Er bevinden zich in de nabije omgeving van het bedrijf geen industriezones, zoals bedoeld volgens het gewestplan. De dichtste zone is voor ambachtelijke bedrijven en kmo s ligt aan het einde van Heivelden, aansluitend langsheen de Bredabaan Effectinschatting Klachtenbehandeling Uit navraag bij de gemeente Wuustwezel blijkt dat er in kader van de bouwaanvraag voor de twee bestaande stallen, 4 bezwaarschriften werden ingediend. Tijdens het openbaar onderzoek van de milieuvergunningsaanvraag in 2009 werden 2 bezwaarschriften ingediend Verkeershinder De transporten die nodig zijn voor de bevoorrading van het bedrijf en de aan- en afvoer van dieren kunnen aanleiding geven tot verkeershinder. Een inschatting van het aantal verkeersbewegingen wordt weergegeven in onderstaande Tabel 81. Tabel 81: Overzicht transporten in de huidige situatie Soort transport Transporten (per jaar) Uren Tijdstip transport Type transport Aanvoer voeders ± 76 transporten / jaar 1 overdag Vrachtwagen (pluimvee) Aanvoer brandstof ± 7 transporten/jaar 0,5 overdag Vrachtwagen Aanvoer pluimvee ± 7 transporten / jaar 1,2 overdag Vrachtwagen Aanvoer strooisel ± 7 transport/jaar 1 overdag Vrachtwagen Afvoer pluimvee ± 76 transporten/jaar 0,75 's nachts Vrachtwagen Afvoer mest ± 48 transporten/jaar 0,5 overdag Vrachtwagen Afvoer kadavers wekelijks, of op afroep 0,25 overdag Vrachtwagen Totaal per jaar 273 transporten Gemiddeld per week 5,3 transporten Uit bovenstaande tabel blijkt dat in de huidige situatie wekelijks zo n 5,3 zware transporten (met vrachtwagen) gebeuren, van of naar het bedrijf. Het bedrijf is niet gelegen langs de aan- en afvoerroute, nl. de gewestweg N1 zodat hier de lokale weg gebruikt wordt om op de N1 te geraken. Het transport verloopt dus via Huisheuvelstraat naar Heivelden of naar de Berkendreef en zo naar de gewestweg N1 (Figuur 23 in bijlage) GEPLANDE SITUATIE Effectinschatting Verkeershinder Tabel 82: Overzicht transporten in de toekomstige situatie Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 132/213

133 BEDRIJFSDIENSTEN Soort transport Transporten (per jaar) Uren Tijdstip transport Type transport Aanvoer voeders ± 152 transporten / jaar 1 overdag Vrachtwagen (pluimvee) Aanvoer brandstof ± 15 transporten/jaar 0,5 overdag Vrachtwagen Aanvoer pluimvee ± 14 transporten / jaar 1,2 overdag Vrachtwagen Aanvoer strooisel ± 14 transport/jaar 1 overdag Vrachtwagen Afvoer pluimvee ± 152 transporten/jaar 0,75 's nachts Vrachtwagen Afvoer mest ± 97 transporten/jaar 0,5 overdag Vrachtwagen Afvoer kadavers wekelijks, of op afroep 0,25 overdag Vrachtwagen Totaal per jaar 496 transporten Gemiddeld per week 9,5 transporten Zoals aangegeven bij de bespreking van de referentiesituatie is de N1 (de Bredabaan) de voornaamste aan- en afvoerroute. In de bestaande situatie vinden er jaarlijks een 273-tal transporten plaats, in de toekomstige situatie worden dit een 496-tal transporten. De verkeersbewegingen zijn in hoofdzaak zware transporten. In een aantal gevallen wordt er materiaal e.d. aan- of afgevoerd via de tractor. Tot de zware transporten worden de aanvoer van mazout, strooisel, voeders, aan- en afvoer van kippen, de afvoer van krengen en de afvoer van mest gerekend. De meeste transporten gebeuren zowel in de huidige als in de geplande situatie telkens in de week overdag tussen 7u en 19u. Transporten tijdens het weekend worden steeds zoveel mogelijk vermeden. De meeste transporten gebeuren door de dag. Enkel de afvoer van de dieren gebeurt meestal ' s nachts. De transporten in het kader van de aanlegwerken voor de geplande uitbreiding zullen overdag gebeuren. Omdat de hinder ten gevolge van deze transporten beperkt blijft tot de duur van de werken, wordt hier niet dieper op ingegaan. Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie wordt geen of een verwaarloosbaar effect toegekend aan het verkeer voor de gewestweg. Het eerste gedeelte van het transport verloopt via locale weg, door de uitbreiding stijgt het aantal transporten van 5,3 naar 9,5 per week. Hierdoor wordt in de nieuwe situatie t.a.v de locale weg een gering negatief effect toegekend Geluidshinder Als we de aanbevelingen van de WGO vergelijken met de milieukwaliteitsnormen van geluid in open lucht, zoals opgenomen in VLAREM II, wordt vastgesteld dat er voldaan wordt aan de vooropgestelde jaargemiddelde, nachtelijke omgevingsgeluidsniveaus van 40 db(a) voor de ventilatoren op het bedrijf. Het laden van de kippen kan 's nachts plaatsvinden (afvoer). Hierbij is er een overschrijding van 40 db(a) door het kortstondig draaien van de motor van de vrachtwagen. Dit gebeurt echter een beperkt aantal keren per jaar (7 à 8 rondes per jaar) en is beperkt in de tijd (vrachtwagen wordt stilgelegd). Het betreft een incidenteel geluid. Algemeen kan gezegd Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 133/213

134 BEDRIJFSDIENSTEN worden dat het laden van pluimvee meestal heel rustig verloopt. De exploitant kan eventueel ervoor zorgen dat in de toekomst ook het laden van de dieren overdag zou plaatsvinden Geurhinder De geurcomponenten op zich zijn onder de te verwachten concentraties niet schadelijk voor de gezondheid. Dit houdt in dat eventuele gezondheidseffecten bij omwonenden niet direct het gevolg zijn van de geurbelasting, maar kunnen verklaard worden uit het stressmodel gekoppeld aan de geurhinder (psychosomatische effecten). Voor een detailbeoordeling wordt verwezen naar de bespreking opgenomen in de discipline lucht. De berekende blootstellingsniveaus zijn dermate dat slechts een zeer beperkt aantal woningen zich situeren in de maatgevende contouren van hinder en ernstige hinder. Er kan dan ook verwacht worden dat slechts een zeer beperkt aantal omwonenden potentieel gehinderd zijn en mogelijks onderhevig kunnen zijn aan psychosomatische klachten (ook klachtenregistraties hier te bespreken). Door het voorziene project wordt slechts een verwaarloosbare toename van de geurbelasting verwacht. Er wordt niet verwacht dat het project aanleiding zal geven tot hinder/klachten Stofhinder Uit vergelijking met de berekende bijdragen tov WGO-beoordelingswaarden kan vastgesteld worden dat zowel in de huidige situatie als in de nieuwe situatie bijdrage van het bedrijf voor de PM10 en de PM2,5 waarden ruim onder de WGO-advieswaarden liggen ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen. De relatieve bijdrage van de woning met de hoogste PM 10 concentratie ligt op 5% van de advieswaarde in de huidige situatie en na verandering op 6% van de advieswaarde voor PM10 (nl. 20 µg/m³ als jaargemiddelde). Na toepassing van milderende maatregelen, komen we ter hoogte van deze woning op 4% voor PM10. Ten aanzien van de wettelijke grenswaarde van PM10 (40 µg/m³) wordt na toepassing van de milderende maatregelen, de bijdrage < 3 % voor de dichtste woning. Zelfs ten opzicht voor de beoordelingswaarde die gehanteerd wordt voor het toetsen van de daggemiddelde grenswaarde inzake PM10 ligt deze bijdrage < 3 % (grenswaarde mag 35 keer per kalenderjaar overschreden worden, als indirecte beoordelingswaarde hiervoor wordt een jaargemiddelde waarde van 31,3 µg/m³ gehanteerd cfr RLH-lucht) Bestrijding ongedierte Bestrijding van ongedierte wordt door de exploitant zelf uitgevoerd en hij gebruikt hiervoor enkel erkende producten, die worden bijgehouden in een register. De exploitant past de producten volgens de gebruiksvoorschriften toe. In de toekomstige situatie zal op het bedrijf dezelfde werkwijze gevolgd worden. Dit wordt beschouwd als gering negatief effect SYNTHESE Het aantal zware transporten vermeerdert van 5,3 naar 9,5 per week in de geplande situatie. Het bedrijf is gelegen langs de Huisheuvelstraat 53 in Wuustwezel, dit is een lokale weg. Op ongeveer 1550 m ten O van het bedrijf ligt de gewestweg N1 (De Bredabaan) gelegen. Dit is ook de voornaamste aan- en afvoerroute van het bedrijf. Vanuit Huisheuvelstraat verloopt het transport naar de N1 via Heivelden of via de Berkendreef. Langsheen de lokale weg Heivelden richting Bredabaan liggen een aantal landbouwbedrijven en een aantal particuliere woningen. Op het einde van Heivelden kom je in een ambachtelijke zone aan de N1. Langsheen de Berkendreef liggen ook een beperkt aantal landbouwbedrijven en een aantal particuliere woningen. De bebouwing wordt dichter richting Bredabaan. Het laatste stuk van de Berkendreef is woongebied met landelijk karakter. De transporten voor het bedrijf gebeuren niet door een dorpskern, de route passeert wel Braken en nadien door Wuustwezel wanneer ze in zuidelijke richting gaat. In noordelijke richting gaat de Bredabaan over in Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 134/213

135 BEDRIJFSDIENSTEN de N263 richting Zundert. Er wordt bijgevolg uitgegaan van geen of een verwaarloosbaar effect voor de gewestweg en de locale weg in de vergunde situatie. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan voor geen of verwaarloosbaar effect voor de gewestweg en een gering negatief effect t.a.v. de locale wegen. Er worden geen effecten verwacht op de gezondheid van de mens ten gevolge van geluids-, geur- en stofhinder. Bestrijding van ongedierte gebeurt door de exploitant zelf, en wordt beschouwd als een gering negatief effect MILDERENDE MAATREGELEN Door het bedrijf genomen maatregelen Het bedrijf tracht de transporten zoveel mogelijk overdag te laten doorgaan tussen 7u en 19u. Transporten tijdens het weekend worden steeds zoveel mogelijk vermeden. De meeste transporten gebeuren door de dag. Enkel de afvoer van de dieren kan s nachts gebeuren. Tijdens het laden en lossen worden de motoren van de bedrijfsvoertuigen zo veel mogelijk afgelegd Door het bedrijf geplande maatregelen Er zijn door het bedrijf geen verdere maatregelen gepland Verdere mogelijkheden of aanbevelingen De exploitant kan het aantal benodigde transporten proberen te beperken door te vermijden dat niet-volle transporten gebeuren. 5.6 FAUNA EN FLORA AFBAKENING STUDIEGEBIED Verzuring, vermesting, verdroging, geluidshinder en direct ecotoopverlies worden beschouwd als de meest relevante potentiële invloeden door het bedrijf op de fauna en de flora. Het studiegebied voor de discipline Fauna & Flora wordt bepaald door de 'grootste gemene deler' van de invloedssferen van de abiotische disciplines Lucht, Geluid en Water. De beschrijving van het studiegebied houdt een algemeen overzicht in van de voorkomende ecotopen. Dit gebeurt aan de hand van de Biologische waarderingskaart. De grootste aandacht gaat hierbij naar de biologisch (zeer) waardevolle ecotopen. Daarnaast worden de gebieden met een belangrijke natuurwaarde gesitueerd (= de aandachtsgebieden). Hiervoor wordt o.a. beroep gedaan op de ruimtelijke afbakening van juridisch vastgelegde beschermde gebieden alsook beleidsmatig belangrijke gebieden, maar ook de impact op zeer waardevolle ecotopen volgens de BWK en op waardevolle kleine landschapselementen wordt in beschouwing genomen te worden. Verder binnen deze discipline blijkt dat op basis van de IFDM berekeningen de effecten inzake verzuring en vermesting (ten aanzien van de kritische last) op loofbos tot op ongeveer 2,2 km in noordoostelijke richting rijken TOELICHTING GEGEVENSGEBRUIK Voornaamste gegevensbronnen zijn: Biologische Waarderingskaart (INBO) Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 135/213

136 BEDRIJFSDIENSTEN Eigen terreinwaarnemingen Ecosysteemkwetsbaarheidkaarten voor Vlaanderen (INBO) Topografische kaart Het biotisch milieu in de nabijheid van het bedrijf wordt besproken op basis van informatie voortkomend uit het terreinbezoek en de Biologische Waarderingskaart. Er wordt een visuele voorstelling van de vegetatie-elementen in de nabijheid van het bedrijf weergegeven, alsook een korte bespreking van deze elementen (precieze omschrijving, BWK-beoordeling, verzuringsgevoeligheid, enz.) TOELICHTING REFERENTIESITUATIE Biologische waarderingskaart Figuur 24 in bijlage geeft de Biologische Waarderingskaart (BWK) weer van de omgeving van het bedrijf. De bedrijfsomgeving bestaat voornamelijk uit minder waardevolle elementen, nl. soortenarm permanent cultuurgrasland (hp), zeer soortenarme, ingezaaide graslanden (vaak tijdelijk) (hx) en akkers op zandige bodem (bs). Er komen ook een aantal waardevolle elementen voor (zie onderstaande tabel). Ten zuidoosten en zuidwesten van het bedrijf bevinden zich ook een beperkt aantal zeer waardevolle vegetaties (hp+, hp en ppmb). Er zijn eveneens een beperkt aantal complexen van minder waardevolle en waardevolle elementen en van waardevolle en zeer waardevolle elementen aanwezig. Ten noorden van het bedrijf ligt vlakbij de grens met Nederland. Net over de grens ligt voornamelijk akkerland en grasland. De waardevolle (w) en zeer waardevolle elementen (z), alsook de complexen van minder waardevolle en waardevolle elementen (mw) en de complexen van waardevolle en zeer waardevolle elementen (wz) in de omgeving van het bedrijf worden in onderstaande tabel weergegeven en zijn ook weergegeven in de figuur. Tabel 83: biologische waardevolle en zeer waardevolle elementen in onmiddellijke omgeving van het bedrijf Nr BWK Eenheid waarde Afstand tot bedrijfscentrum Omschrijving 1 hp mw 35 z soortenarm permanent cultuurgrasland 2 Hp, kbgml mw 95 zw soortenarm permanent cultuurgrasland 3 Hp, kbp mw 120 zo soortenarm permanent cultuurgrasland, bomenrij populier 4 Ur, kbgml mw 90 zo Bebouwing in agrarische omgeving, bomenrij gemengd loofhout 5 Weg, kbae mw 225 Zo Weg, bomenrij met eutrofe plas 6 Weg, kbb mw 230 zo Weg, bomenrij berk 7 kbr w 75 z Bomenrij met dominantie van Robinia pseudoacacia 8 Hp+ w 300 zo Soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden 9 Hp, kbs mw 760 o-zo soortenarm permanent cultuurgrasland, bomenrij wilg 10 Ur, hp, pmb mw 850 o-zo Bebouwing in agrarische omgeving, Soortenarm permant cultuurgrasland, Naaldhoutaanplant met ondergroei van struiken en bomen Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 136/213

137 BEDRIJFSDIENSTEN ae z 922 z kba w 820 Zo Hp+ w 1008 Zo Hp, kbr, kbp mw 1090 zo Hp, kbgml mw 587 zo kbq w 757 Zo eutrofe plas (diverse plantengemeenschappen) Bomenrij met dominantie van els (Alnus sp.) Soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden soortenarm permanent cultuurgrasland, bomerijen soortenarm permanent cultuurgrasland, bomerij gemengd loofhout Bomenrij met dominantie van zomereik (Quercus robur) 17 kbae w 740 Zo bomenrij met eutrofe plas 18 n, gml w 800 zw Loofhoutaanplant (exclusief populier, gemengd loofhout 19 Qb, uv mz 930 zw Eikenberkenbos, terrein met recreatieinfrastructuur 20 Ppmb,uv mw 935 zw Aanplant van grove den met ondergroei van struiken en bomen, terrein met recreatieinfrastructuur 21 kbae w 1016 zw bomenrij met eutrofe plas 22 kbb w 763 zw Bomenrij met berk 23 gml w 940 zw Gemengd loofhout Aandachtsgebieden (gebieden met belangrijke natuurwaarde) Volgens de kaart met de aanduiding van de natura-2000 gebieden is deze inrichting gelegen in een SBZ (speciale beschermingzone). Het meest nabijgelegen Habitatrichtlijngebied Klein en Groot Schietveld (BE ) situeert zich op ongeveer 4,9 km. Het bedrijf ligt in SBZ-Vogelrichtlijngebied De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld (BE ). In de ruime omgeving van het bedrijf is geen VEN-gebied gesitueerd. De Maatjes ligt op 4,6 km ten westen van het bedrijf. In een straal van 1 km rond het bedrijf (onmiddellijke omgeving van het bedrijf) liggen een beperkt aantal waardevolle vegetaties. Deze zijn terug te vinden in Tabel 83. Ten zuidoosten en zuidwesten van het bedrijf bevinden zich ook een beperkt aantal zeer waardevolle vegetaties (hp+, hp en ppmb). Er zijn eveneens een aantal complexen van waardevolle en minder waardevolle elementen aanwezig (hp, kb). De habitatkaart versie 2014, opgesteld door INBO d.d geeft voor de meeste habitattypen van de Bijlage I van de Habitatrichtlijn een indicatie van hun voorkomen en dit zowel binnen als buiten de speciale beschermingszones. De habitatkaart versie 214 bevat zowel een integratie van de Biologische Waarderingskaart als een indicatieve situering van de Natura 2000 habitats en de regionaal belangrijke biotopen. Binnen een straal van 1 km rond het bedrijf komen geen habitattypes of RBB's (Regionaal Belangrijke Biotopen) voor. Net buiten deze straal komt er een habitatwaardige vegetatie voor. Het gaat om de habitatype 9190 (Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur) ten ZW. Verder komen er, buiten de straal van 1 km van het bedrijf, geen regionaal belangrijke biotopen voor. De vegetaties weergegeven in Tabel 83 werden niet gekarteerd als habitattype. Ze worden dan ook niet weerhouden als aandachtsgebieden. Als aandachtsgebied wordt het habitattype 9190 beschouwd (gelegen in vogelrichtlijngebied of habitatrichtlijngebied): Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 137/213

138 BEDRIJFSDIENSTEN 9190 op 1050 m ten ZW van het bedrijf In Figuur 25 in bijlage wordt de Habitatkaart van de omgeving weergegeven. In Figuur 26 in bijlage de habitatvegetaties in de omgeving Kwetsbaarheid t.a.v. verzuring en vermesting Het bedrijf zal op zich een bijdrage leveren aan de verzurende en vermestende depositie in het studiegebied. Voor Vlaanderen werden er in de opeenvolgende MINA-plannen en in Vlarem depositienormen vooropgesteld inzake verzurende depositie van SO x, NH x, en NO y, die berekend worden op basis van de overeengekomen beleidsdoelstellingen en emissieplafonds zoals opgenomen in de NEC-richtlijn (National Emission Ceillings). Het betreft hier normen voor totale depositie. De tabel geeft de berekende beleidsdoelstellingen weer voor totale depositie en per component. Tabel 84: Beleidsdoelstellingen berekend met VLOPS o.b.v. emissiedoelstellingen uit NEC-richtlijn in Zeq/ha.jaar, (VMM,2013) Doelstelling SO 2 NO x NH 3 Totaal MLTD (2010) LTD1 (2030) LDT2 (2030) 75 à à à à 700 MLTD: middellange termijndoelstelling LTD1: lange termijndoelstelling voor de meeste bosecosystemen LTD1: lange termijndoelstelling voor verzuringsgevoelige gebieden, zoals heide op zandgronden en kalkarme vennen In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de verzurende depositie (Zeq/ha.jaar) in de gemeente Hoogstraten voor het jaar 2011 (berekend op basis van VLOPS door VMM, 2011). VLOPS staat voor Vlaamse versie Operationeel Prioritaire Stoffen en berekent jaargemiddelde concentraties en deposities op basis van enerzijds emissiegegevens en anderzijds de jaarlijkse meteogegevens. De emissiegegevens worden aangeleverd door bedrijven of zijn gebaseerd op ramingen en/of emissiemodellen (bijvoorbeeld verkeer). De meteogegevens zijn afkomstig van meteomasten. De resultaten worden gevalideerd en gekalibreerd met meetgegevens en tot kaartmateriaal gevisualiseerd door middel van GIS software. Voor Hoogstraten blijkt dat de waarden hoger liggen dan de emissiedoelstellingen MLTD voor SO 2 en NO x. De doelstellingen werden hierdoor nog niet behaald. Bij deze berekeningen dient echter wel met een zeer aanzienlijke (model)onzekerheid rekening gehouden te worden. Deze onzekerheid zit zowel vervat in de modelmatig gehanteerde emissies, bronkarakteristieken, depositiefactoren als modelmatige onzekerheden. Tabel 85: Gemiddelde gemodelleerde verzurende deposities SO2, NOx en NH3 (Zeq/ha.jaar) te Wuustwezel, 2011 (VMM,2013) SO 2 NO x NH 3 Totaal Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 138/213

139 BEDRIJFSDIENSTEN METHODIEK Direct ecotoopverlies is het gevolg van het directe ruimtebeslag en is dus makkelijk te kwantificeren door de oppervlakte in combinatie met het waardevolle karakter van de al dan niet permanent verloren gegane ecotoop. Het waardevol karakter van de ecotoop wordt weergegeven op de Biologische waarderingskaart. Het verlies van een biologisch (zeer) waardevol ecotoop zal dan ook zwaarder beoordeeld worden dan een minder waardevol ecotoop zoals een akker of een soortenarm ingezaaid grasland. Tabel 86: Significantiekader ter beoordeling van het ecotoopverlies Toetsing Verlies van biologisch zeer waardevol ecotoop Verlies van biologisch waardevol ecotoop (>0.5 ha) Verlies van biologisch waardevol ecotoop voor beperkte opp. (<0.5 ha) Geen nieuwe infrastructuren, of verlies van biologisch minder waardevol ecotoop Beoordeling Negatief effect Matig negatief effect Gering negatief effect Geen of verwaarloosbaar effect Verzuring en vermesting door ammoniakdepositie Door lange verblijftijden in de atmosfeer (enkele dagen voor SO2 en nog langer voor NOx) kunnen de verzurende componenten al gauw over afstanden tot km getransporteerd worden. De lange-afstandstransporten brengen de verzurende stoffen via droge depositie en vooral via uitregenen tot in ver afgelegen landelijke streken en natuurgebieden. Verzuring is dan ook een grensoverschrijdend probleem dat noodzakelijkerwijze een gecoördineerde internationale aanpak vereist. Omdat NH3 sneller uit de atmosfeer verwijderd wordt, beperkt de invloed daarvan zich voornamelijk tot op enkele kilometers van de bron. Naast het verzurend effect van ammoniakemissie uit de stallen kan deze emissie eveneens een vermestende invloed veroorzaken, dit ten gevolge van de stikstofhoudende samenstelling van ammoniak. Zoals reeds gesteld is de verzurende / vermestende depositie in agrarisch gebied ten gevolge van de ammoniakuitstoot meestal verwaarloosbaar in vergelijking met de verzurende / vermestende invloed van bemesting van de akkers in de omgeving (bron: Richtlijnenboek landbouwdieren). Dit is niet het geval in gebieden met een hoge natuurwaarde, waar beperkingen gelden voor bemesting. Invloeden van de verzurende / vermestende depositie worden bijgevolg enkel uitvoerig beschouwd bij de aanwezigheid van aandachtsgebieden in het studiegebied. De ammoniakemissie werd berekend bij de discipline lucht. De omzetting van ammoniakemissie naar ammoniakdepositie wordt bepaald in de discipline Lucht op basis van IFDM. De verzurende depositie wordt beschouwd door omzetting van de ammoniakdepositie (uitgedrukt in kg/ha/jaar) naar zuurequivalenten, door gebruik te maken van volgende relatie van 1 Zeq = 17 g ammoniak (ofwel 14 g N). De vermestende stikstofdepositie wordt bepaald door de ammoniakdepositie om te zetten naar stikstofdepositie (in 1 g ammoniak zit 0,82 g stikstof). Om te weten hoeveel terrestrische natuur (bos, heide & soortenrijk grasland) tegen verzuring en vermesting door atmosferische depositie beschermd is, is het nodig om de draagkracht tegen verzuring / vermesting te kennen. Deze draagkracht wordt uitgedrukt als de kritische last. Dit is de maximaal toelaatbare depositie per eenheid van oppervlakte voor een bepaald ecosysteem zonder dat er - volgens de huidige kennis - schadelijke effecten optreden. De kritische last verzuring wordt uitgedrukt als zuurequivalenten per hectare en per jaar, de kritische last vermesting in kg stikstof per hectare per jaar. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 139/213

140 BEDRIJFSDIENSTEN Effectieve verzuring / vermesting treedt pas op indien de depositie uitstijgt boven een bepaald niveau (men spreekt van critical load of duurzaam depositieniveau). Bijgevolg is de kritische last een uitstekende norm om het effect van de verzurende / vermestende depositie te beoordelen. Het concept kritische lasten, dat de gevoeligheid van ecosystemen voor verzurende en vermestende deposities bepaalt, werd in het leven geroepen in het kader van de Conventie over grensoverschrijdende luchtverontreiniging (UNECE LRTAP Convention). De berekening van kritische lasten wordt gecoördineerd door het Coordination Center for Effects (CCE) in opdracht van ICP Modelling and Mapping, wat één van de zes Internationale Cooperatieve Programma s is van de Working Group on Effects van de Conventie LRTAP. Voor de berekening van deze kritische lasten, dient dan ook gebruik gemaakt te worden van een op Europees niveau gestandaardiseerde aanpak die door deze Conventie wordt ondersteund. Kritische lasten worden bepaald op basis van een statische massabalans, waarbij het aanvaardbare lange-termijn niveau van atmosferische depositie berekend wordt voor een ecosysteem dat in evenwicht is met de depositie (steady state). De kritische last wordt volgens de handleiding (Mapping Manual, 2004) berekend waarbij de kritische lastfunctie van N in zijn eenvoudigste model wordt voorgesteld als de som van (i) de netto N-immobilisatie in organisch bodemmateriaal, (ii) de netto verwijdering van N in de geoogste vegetatie, (iii) N-flux naar de atmosfeer door denitrificatie en (iv) uitspoeling van N beneden de wortelzone. Voor het MER worden de kritische depositiewaarden voor verzuring voor Natura 2000 habitattypen gebruikt volgens bijlage 2 van de praktische wegwijzer voor de Passende Beoordeling ( Passende Beoordeling praktische wegwijzer effectgroepen voor het habitatspoor Effectgroep 4 verzuring subgroep 4.1. via lucht-vastleggen huidige werkwijzen in afwachting van de ontwikkeling van PAS : overgangfase, versie 2, 24/02/2015 en Passende Beoordeling praktische wegwijzer effectgroepen voor het habitatspoor Effectgroep 3 eutrofiëring subgroep 3.1. via lucht Vastleggen huidige werkwijze in afwachting van de ontwikkeling van PAS: overgangsfase, versie 2, 24/02/2015). De kritische depositiewaarden worden weergegeven in onderstaande tabel. Deze werden afgeleid uit Hens M., Neirynck J., 2013, Kritische depositiewaarden voor stikstof voor duurzame instandhouding van Europese habitattypen in Vlaanderen, INBO, nota WBC, gebaseerd op H.F. van Dobben, Bobbink R., Bal D. & van Hinsberg A Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura Alterra rapport Alterra, WUR, Wageningen, Nederland. De kolommen van de tabel hebben volgende betekenis: Code habitattype Code habitatsubtype Naam KDW (kg N/ha/j) van Dobben et al. (2012) KDW (zea/ha/j) Nummer van het habitattype Code van de in Vlaanderen onderscheiden subtypes, opgebouwd uit het nummer van het habitattype en een suffix met afkorting voor subtype Naam van het habitat(sub)type Kritische depositiewaarde in kg N per hectare per jaar, afgerond op hele kilogrammen, volgens van Dobben et al. (2012) Kritische depositiewaarde in zuurequivalenten per hectare per jaar, afgerond op hele kilogrammen, volgens van Dobben et al. (2012) Tabel 87: KDW-waarde van de verschillende habitattypes Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 140/213

141 BEDRIJFSDIENSTEN Code habitattype Code habitatsubtype Naam KDW kg N/ha/j KDW zeq/ha/j Permanent met zeewater van geringe diepte > 34 > 2400 overstroomde zandbanken Estuaria > 34 > Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten > 34 > _zk Buitendijks gelegen zeekraalvegetaties _pol Binnendijks gelegen zeekraalvegetaties _zv Buitendijks hoog schor met zeevetmuurvegetaties Schorren met slijkgrasvegetaties _da Atlantische schorren buitendijks _hpr Binnendijkse zilte vegetaties Embryonale wandelende duinen Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen) _had Vastgelegde duingraslanden van kalkarme milieus _hd Vastgelegde duingraslanden van kalkrijke milieus Atlantisch vastgelegde ontkalkte duinen Duinen met Hippophae rhamnoides Duinen met Salix repens ssp. argentea *** Beboste duinen van Atlantische, Continentale en Boreale kustgebied _mp Duinpannen met kalkminnende vegetaties _rest Overige waterrijke biotopen van duinvalleien Psammofiele heide met Calluna en Genista _bu Buntgrasvegetaties op landduinen _dw Dwerghaververbond op landduinen Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten _aom Oeverkruidgemeenschappen _na Eénjarige dwergbiezen vegetaties Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. Vegetaties op hogere zandgronden 3140 Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. Vegetaties in laagveengebied Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition Dystrofe natuurlijke poelen en meren Submontane en laagland rivieren met vegetaties >34 >2400 behorende tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Rivieren met slikoevers behorend tot het >34 >2400 Chenopodietum rubri en Bidention 4010** 4010*** Noord-Atlantische vochtige heide ** 4030 Droge Europese heide _kalk Jeneverbesstruweel in kalkgrasland 15* > _hei Jeneverbesstruweel in heide Thermofiele pionierbegroeiingen op kalkrijke stenige bodems Kalkminnend grasland op dorre zandbodems Droge graslanden en struikvormende facies op kalkhoudende bodems _hn Droge heischrale graslanden _hmo Vochtige heischrale graslanden Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 141/213

142 BEDRIJFSDIENSTEN Code habitattype Code habitatsubtype Naam KDW kg N/ha/j KDW zeq/ha/j 6230_ha Soortenrijke schraallanden van het struisgrasverbond _hnk Droge kalkrijke heischrale graslanden _ve Basenarm blauwgrasland en veldrusassociatie _mo Blauwgrasland _bz Nitrofiele boszomen _hf Zoomvormende ruigtes van het moerasspireaverbond >34 > _hw Zoomvormende ruigtes van het verbond van harig >34 >2400 wilgenroosje 6430_mr Rietlanden met Echte Heemst, Moeraslathyrus of 26* >2400 Moerasmelkdistel _hu Glanshavergraslanden _hua Graslanden behorende tot het verbond van grote vossenstaart 6510_huk Kalkrijk kamgrasland 22* > _hus Glanshavergraslanden met Grote pimpernel *** Actief hoogveen _base Basenrijk trilveen met ronde zegge _meso Mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen _mrd Varen en/of (veen)mosrijke rietlanden op drijftillen _oli*** Oligotroof en zuur overgangsveen Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae Kalktufbronnen met tufsteenformatie <34? > Alkalisch laagveen Niet voor publiek opengestelde grotten n.v.t Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en Taxus in de ondergroei Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum 20* > Midden-Europese kalkminnende beukenbossen 20* >2400 behorende tot het Cephalanthero-Fagion Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukenbossen behorende tot het Carpinion-Betuli Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur 91E0 91E0_bron Goudveil-essenbos E0_eutr Ruigt elzenbos E0_meso Mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen 91E0_oli Oligotroof broekbos, inclusief elzen-berkenbroekbos en berkenbroekbos 91E0_veb*** Beekbegeleidend vogelkers-essenbos en esseniepenbos E0_wvb Zachthoutooibos F0 91F0 Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus minor, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia langs de grote riveren *voor dit habitattype bestaan er geen KDW in de lijst van H. van Dobben. De waarden zijn ingevuld op basis van gelijkaardige habitaten op gelijkaardige standplaatsen. Door verder onderzoek van INBO is dit te bevestigen. Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 142/213

143 BEDRIJFSDIENSTEN ** Een uitzondering wordt gemaakt voor de ecosystemen op grofzandige bodems (Z) : voor droge heide (4030) wordt hier best voorlopig gewerkt met de minimale grens overeenkomstig Meykens (2001), meer bepaald 752,7 Zeq/ha*jaar en voor vochtige heide (4010) op zandbodem met 906,5 Zeq/ha*jaar. *** voor habitattypen waar de KDW een range voorstelt, wordt steeds de minimumwaarde gebruikt. Dit omwille van het feit dat verschillende subhabitattypen tot het habitat kunnen behoren en het niet precies uitgeklaard is welke KDW bij welk subhabitattype behoort. In de praktische wegwijzer eutrofiëring en verzuring is een beoordelingskader opgenomen om de impact van de N-depositie als gevolg van de NH3-uitstoot in te schatten. Belangrijk hierbij om te vermelden is dat met de toegepaste methodiek (IFDM-berekeningen, aftoetsen en gebruikt KDW, de visualisatie, e.d.) een grote onzekerheid gepaard gaan. Elke beoordeling dient dan ook hiermee rekening te houden. Tabel 88: Significantiekader ter beoordeling van verzuring en eutrofiëring als gevolg NH3-uitstoot Aandeel voorziene depositie t.o.v. de kritische depositiewaarde van de getroffen gevoelige habitat Niet relevant volgens depositiescan Bij hervergunning Uitbreiding van een bestaande inrichrting Bij een nieuwe inrichting Niet significant Niet significant Niet significant x<3% Niet significant Niet significant Significant 3<x<50% Geen uitspraak over significantie: beoordeling na 2016/2019 Niet significant indien emissiereductie meer of gelijk is aan 30% van de oorspronkelijk vergunde toestand Significant Significant indien de emissiereductie minder is dan 30% x>50% Geen uitspraak over significantie: beoordeling na 2016 Significant Significant Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 143/213

144 BEDRIJFSDIENSTEN Figuur: Significantiekader voor NH3 Kennisgeving/Ontwerp-MER Van Gastel Gert LV 144/213

145 aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW < 3% Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat minder is dan 3%, dan wordt beoordeeld dat deze bijdrage niet significant is. Dit geldt zowel voor hervergunningen als voor uitbreidingen. Voor nieuwe activiteiten wordt hun bijdrage steeds als significant beschouwd. aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW > 3% < 50% Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat groter is dan 3%, maar kleiner dan 50% dan zijn er verschillende significantiekaders, afhankelijk van een hervergunning, een uitbreiding, dan wel een nieuwe activiteit. Voor nieuwe activiteiten wordt steeds beoordeeld dat hun bijdrage significant is. Een uitbreiding van een bestaande activiteit is niet significant indien de emissie daalt met minstens 30 % ten opzichte van de totale emissie van de vergunde situatie vóór de uitbreiding. Dit gebeurt door de totale ammoniakemissie (uitgedrukt in kg NH 3/jaar) van de activiteit in de vergunde toestand te vergelijken met de nieuwe toestand. De beoordeling van de significantie van een hervergunning waarvan het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat groter is dan 3%, maar kleiner dan 50%, wordt uitgesteld gelet op de decretale verlenging van de vergunning. aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW > 50% Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat meer is dan 50%, dan wordt beoordeeld dat deze bijdrage significant is voor uitbreidingen en nieuwe activiteiten. De beoordeling van de significantie van een hervergunning waarvan het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat meer is dan 50%, wordt uitgesteld gelet op de decretale verlenging van de vergunning. In afwijking van de toepassing van de praktische wegwijzer eutrofiëring en verzuring waarin een beoordelingskader opgenomen is om de impact van de N-depositie als gevolg van de NH3-uitstoot in te schatten voor de SBZ-H, kan worden terug gevallen op de het beoordelingskader in de MER voor verzuring en vermesting voor de SBZ-V. Door de vergelijking te maken van de verzurende respectievelijk vermestende depositie met de overeenstemmende kritische last/kdw kan een beoordeling gebeuren op basis van het referentiekader gebruikt in de MER-richtlijnenhandboek. Tabel 89: Significantiekader ter beoordeling van verzuring en vermesting Toetsing Deposities > 50 % van de KL/SW Depositie > 10% van KL/SW Beoordeling Significant negatief effect Belangrijke bijdrage 5% van KL/SW < depositie < 10% van KL/SW Relevante bijdrage 3% van KL/SW < depositie < 5% van KL/SW Beperkte bijdrage Depositie < 3% van KL/SW Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV Geen of verwaarloosbaar effect 145/213

146 Uit bovenstaande blijkt dat er reeds vanaf een bijdrage van 10% aan de kritische last, uitgegaan wordt van een negatief effect. Tien % wordt gekozen omdat ongeveer 50% van de depositie afkomstig is van het buitenland; en dit geeft ruimte aan 5 bedrijven (met elk een eigen bijdrage van 10%) in een gemiddeld gebied van 3 km afstand van kwetsbare gebieden (d.i. de afstand waarbinnen met name ammoniak bijna integraal wordt gedeponeerd), voordat de KL bereikt wordt. Berekening bestaande milieudruk In het kader van de Convention on Long-Range Transboundary Air Pollution (CLRTAP) en van de Vlaamse milieu- en natuurrapportering monitoren zowel de Vlaamse Milieumaatschappij als het INBO deposities van verzurende en vermestende stoffen in Vlaanderen. Zowel VMM als INBO gebruiken daarbij meetstations die continu atmosferische deposities verzamelen en/of de luchtkwaliteit bepalen. De meest recente meetgegevens zijn terug te vinden op Daarnaast gebruikt de VMM het atmosferisch verontreinigingsmodel VLOPS ( Vlaams Operationeel Prioritaire Stoffen -model) voor het gebiedsdekkend opvolgen van de depositie en hun ruimtelijke spreiding (Overloop 2011). Het VLOPS14-model berekent met een ruimtelijke resolutie van 1 km² de jaargemiddelde depositie van verzurende en vermestende stoffen op basis van ruimtelijk gedistribueerde binnen- en buitenlandse emissiegegevens, meteoparameters en van het landgebruik. Via het VLOPS-model wordt dus de bestaande milieudruk weergegeven. Jaarlijks worden de nieuwe meteogegevens van het afgelopen meetjaar toegevoegd aan het model, en wordt het model desgevallend verbeterd. Voor de emissiebestanden geldt niet dat zij steeds betrekking hebben op het afgelopen meetjaar. Meestal zit daar ongeveer 2 jaar tussen. Zo worden bijvoorbeeld de kaarten voor 2011 berekend op basis van emissies van Berekening van doelafstand per habitatvlek Binnen de toetszone wordt de huidige milieudruk bepaald door gebruik te maken van de beschikbare resultaten van het VLOPS-model. Door een vergelijking te maken van het berekende jaargemiddelde van de vermestende depositie uit het VLOPS-model en de grenswaarde van de (potentïele) habitaten/voorlopige zoekzones binnen de toetszone is de doelafstand per individuele habitatvlek te bepalen. Door het INBO is een overschrijdingskaart stikstofdeposities gemaakt, waarbij per habitat/voorlopige zoekzone de overschrijding van de KDW is weergegeven Aangezien bij de opmaak van de overschrijdingskaart voor stikstofdepositie is vertrokken van de verrasterde habitatkaart kunnen delen van actuele habitaten buiten de contourberekening vallen van de stikstofdepositie. De overschrijdingskaart stikstofdeposities geeft dus voor deze delen van de actuele habitat geen uitkomst. Voor dit deel van de actuele habitat dient de waarde genomen te worden van het dichtst bijgelegen zelfde habitattype, waarvoor de overschrijdingskaart stikstofdeposities wel een uitkomst geeft. In onderstaande figuren is cartografisch weergegeven welke de doelafstand van de huidige milieudruk ten opzichte van de grenswaarden voor alle voorkomende (potentiële) habitattypen/voorlopige zoekzones binnen de toetszone is. Bij de interpretatie willen de ingekleurde habitatcellen het volgende zeggen: - groen wil zeggen dat er de huidige milieudruk lager is dan de grenswaarde - geel wil zeggen dat huidige milieudruk tussen de 0 en 7 kg N/ha hoger is dan de grenswaarde - zalmroze wil zeggen dat er de huidige milieudruk 7en 14 kg N/ha hoger is dan de grenswaarde Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 146/213

147 Uit het kaartmateriaal blijkt dat er geen habitats en zoekzones gelegen zijn binnen de toetszone, waardoor de milieudruk niet weergegeven is. Figuur: Weergave doelafstand huidige milieudruk t.o.v. KDW voor habitattypen en actuele habitat binnen de toetszone Figuur: Weergave doelafstand huidige milieudruk t.o.v. KDW voor habitattypen en voorlopige zoekzones binnen de toetszone Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 147/213

148 Legende Berekenen van cumulatieve effecten Voor de effectgroep eutrofiëring en verzuring wordt de berekening van de cumulatieve effecten vervangen door een toets aan de actuele milieudruk door stikstofdepositie (zie hoger achtergronddepositie). Een berekening van cumulatieve effecten is immers weinig zinvol, gegeven de hoge achtergronddeposities en de afstand waarover effecten van individuele activiteiten doorwerken. De actuele milieudruk is zelf de resultante van de reële cumulatieve effecten en ze benadert deze dus veel dichter dan mogelijk is via een doorrekening van cumulatie met een selectie aan vergunningen. Concreet betekent dit dat binnen de toetszone wordt nagegaan in welke mate de milieudruk door stikstofdepositie de kritische depositiewaarde van de voorkomende (potentiële) habitaten of voorlopige zoekzones al dan niet overschrijdt. Voor de aangrenzende gemeente Zundert (N-Brabant) bedraagt de totale stikstofdepositie gemiddeld 1890 mol/ha.jaar.of 26,46 kg/ha.jaar Verdroging Verdrogingseffecten kunnen optreden door het onttrekken van grondwater en dit zowel door bronbemaling in de aanlegfase als door grondwateronttrekking in de exploitatiefase van de grondwaterwinning. In de discipline Water werd de invloedsstraal berekend van eventueel voorkomende grondwateronttrekkingen. Het inschatten of een grondwateronttrekking zorgt voor een verdrogingseffect is sterk afhankelijk van de gevoeligheid van de voorkomende vegetatie voor verdroging. Voor verdroging zijn er geen kritische lasten bepaald. Het verdrogingseffect kan beoordeeld worden op basis van een kwetsbaarheidsbenadering. Op basis van de aanwezige ecotopen op de BWK kan er een kwetsbaarheidskaart worden opgesteld voor verdroging. Verdroging kan vervolgens beoordeeld worden volgens Tabel 90. Tabel 90: Significantiekader ter beoordeling van verdroging Toetsing Voor ecotopen binnen de invloedsstraal behorende tot de klassen kwetsbaar tot zeer kwetsbaar en zeer kwetsbaar en gelegen binnen een speciale beschermingszone (SBZ-H, SBZ-V) Voor ecotopen binnen de invloedsstraal behorende tot de klassen kwetsbaar tot zeer kwetsbaar en zeer kwetsbaar Voor ecotopen binnen de invloedsstraal behorende tot de klassen weinig kwetsbaar tot kwetsbaar en kwetsbaar Voor ecotopen binnen de invloedsstraal behorende tot de klassen niet Beoordeling Significant negatief effect Matig negatief effect Gering negatief effect verwaarloosbaar effect Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 148/213

149 kwetsbaar, niet kwetsbaar tot weinig kwetsbaar Rustverstoring Het voorspellen en beoordelen van effecten door rustverstoring is niet eenvoudig. Net zoals bij mensen is verstoring voor dieren een 'subjectieve' ervaring. Ook bij dieren kan gewenning optreden, en gegevens over schuwheid en aanpassingsvermogen van een diersoort zijn er nauwelijks. Reijnen en Foppen hebben een aantal studies gepubliceerd waarbij het effect van hetzij autoverkeer, hetzij treinverkeer op bos-, weide- en heidevogels zijn beschreven waaronder Reijnen en Foppen (1991) en Reijnen (1995). Uit het onderzoek bleek dat geluid boven een bepaalde drempelwaarde leidt tot een afname in de draagkracht van een gebied voor vogels. De vastgelegde drempelwaarden en de afname van de dichtheden als een functie van de geluidssterkte verschilt afhankelijk van de onderzochte soort. Voor een aantal soorten zijn dus drempelwaarden beschikbaar maar zeker niet voor alle soorten. De drempelwaarde algemeen geldend voor bosvogels bedraagt 42 db(a), voor weidevogels is de drempelwaarde 47 db(a). Als gemiddelde waarde kan 45 db(a) genomen worden EFFECTINSCHATTING Direct ecotoopverlies Het perceel waar de twee nieuwe pluimveestallen komen, staat aangeduid als biologisch minder waardevol soortenarm permanent cultuurgrasland op matig natte en natte zandbodem met duidelijke ijzer en/of humus B horizont (Zeg, Zdg). De impact wordt dan ook als verwaarloosbaar aanzien (geen of verwaarloosbaar effect). De inplanting van de stallen (naast de twee vergunde stallen) is op dit vlak dan ook goed gekozen Verzuring en vermesting door ammoniakdepositie De verzurende/vermestende depositie in agrarisch gebied ten gevolge van de ammoniakuitstoot is meestal verwaarloosbaar in vergelijking met de verzurende/vermestende invloed van bemesting van de akkers in de omgeving. Dit is niet het geval in gebieden met een hoge natuurwaarde, waar beperkingen gelden voor bemesting. Invloeden van de verzurende/vermestende depositie worden bijgevolg hoofdzakelijk beschouwd voor de aanwezige aandachtsgebieden in het studiegebied. De ammoniakemissie werd reeds bepaald in de discipline lucht. De ammoniakemissie uit de stallen van het bedrijf Van Gastel Gert LV in de vergunde situatie bedraagt NH3/jaar in de huidige situatie bedraagt de ammoniakemissie kg NH3/jaar. In de huidige situatie passen we voor de twee bestaande pluimveestallen het ammoniakemissiearm stalsysteem P toe. In de toekomstige situatie stijgt de ammoniakemissie tot kg NH3/jaar. In de nieuwe situatie passen we voor de twee bestaande en de twee nieuwe pluimveestallen het ammoniakemissiearm stalsysteem P- 6.4.(warme luchtwisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooiselaag) toe. De verzurende depositie wordt beschouwd door omzetting van de ammoniakdepositie (uitgedrukt in kg/ha/jaar) naar zuurequivalenten, door gebruik te maken van volgende relatie van 1 Zeq = 17 g ammoniak. De vermestende stikstofdepositie wordt bepaald door de ammoniakdepositie om te zetten naar stikstofdepositie (in 1 g ammoniak zit 0,82 g stikstof). Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 149/213

150 Voor de toe te passen kritische lasten of depositiewaarden wordt gewerkt met de documenten: PRAKTISCHE WEGWIJZER EFFECTGROEPEN VOOR HET HABITATSPOOR Effectgroep 3 eutrofiëring subgroep 3.1 via lucht (versie 2-24/02/2015) en PRAKTISCHE WEGWIJZER EFFECTGROEPEN VOOR HET HABITATSPOOR Effectgroep 4 verzuring subgroep 4.1 via lucht (versie 2-24/02/2015) De gebruikte KDW werden gehaald uit het rapport van Alterra met kenmerk Alterra rapport 2397, van Dobben H.F., Bobbink R., Bal D. & van Hinsberg A 'Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000.' Uit bovenstaande kunnen voor deze MER van toepassing zijnde elementen volgende kritische depositiewaarde (KDW) afgeleid worden: Loofbos KDW habitattype 9190 KDW voor verzuring = 1071 Zeq/ha.jaar KDW voor vermesting = 15 kg N/ha.jaar Naast toetsing aan de kritische lasten kan ook getoetst aan de streefwaarde voor verzuring, nl Zeq/ha.jaar voor loofbos op arme gronden volgens Vlarem en Zeq/ha.jaar volgens het MINA-plan (lange termijndoelstelling voor 2030). De streefwaarde voor vermesting is 14 kg N/ha.jaar. Per scenario (vergunde situatie, de huidige en de geplande situatie) werd er via IFDM model een simulatie uitgevoerd voor het vegetatietype loofbos. Net buiten de straal van 1 km rond het bedrijf is het habitattype 9190 gelegen. Van deze vegetatie-eenheden werd de relatieve ligging ten opzichte van het bedrijf bepaald, uitgedrukt in Lambert-coördinaten. Verder zijn ammoniakemissie per scenario, bepaald bij de discipline Lucht, en de gemiddelde depositiesnelheid per vegetatietype, overgenomen van het RLB (Richtlijnenhandboek Landbouwdieren), nodig als inputparameter voor het IFDM-model. Zodoende kon per vegetatie-eenheid en per scenario de ammoniakdepositie bepaald worden. In onderstaande tabel werd de ammoniakdepositie omgezet naar verzurende depositie. Onderstaande tabel geeft de aldus bekomen verzurende depositie per vegetatie-eenheid en per scenario weer. Dit wordt ook gedaan voor vermesting. Tabel 91: Verzurende depositie per vegetatie-eenheid (voor de Habitatvegetaties in SBZ-V) X,Y coord Eenheid/ complex van eenhede n waarde habitat Afstand tot bedrijf (m) vergunde situatie (Zeq/ha.jaar) % tav KL in vergunde situatie Nieuwe situatie (Zeq/ha.j aar) % tav KL in nieuwe situatie Qb,uv, gml, gmn mwz ZW , ,2 De bijdrage van de kritische last voor verzuring, die de verschillende vegetaties ondervinden van het bedrijf stijgt in de nieuwe situatie t.a.v. de vergunde situatie. Het percentage van bijdrage aan de kritische last voor verzuring voor het habitattype 9190 ligt tussen de 3 % en de 5 % in de nieuwe situatie. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 150/213

151 Tabel 92: Vermestende depositie per vegetatie-eenheid (voor de habitatvegetatie in SBZ-V) X,Y coord Eenheid/ complex van eenhede n waarde habitat Afstand tot bedrijf (m) vergunde situatie (kg N/ha.jaar) % tav KL in vergunde situatie Nieuwe situatie (kg N/ha.jaar) % tav KL in nieuwe situatie Qb,uv, gml, gmn mwz ZW 0,4 2,7 0,5 3,2 De bijdrage van de kritische last voor vermesting, die de verschillende vegetaties ondervinden van het bedrijf stijgt eveneens in de nieuwe situatie t.a.v. de vergunde situatie. De bijdrage van de kritische last voor vermesting is vergelijkbaar met de bijdrage voor verzuring. Het percentage van bijdrage aan de kritische last in de nieuwe situatie voor vermesting ligt voor het aanwezige vegetatietype 9190 beneden de 5 %. Daarnaast wordt de oppervlakte berekend waarop het bedrijf een bijdrage levert van > 50%, 10-50%, 5-10% en 3-5% ten aanzien van de kritische last, en dit zowel voor het aspect verzuring als vermesting. Dit is terug te vinden in de onderstaande tabellen. De vegetatie is dezelfde als in bovenstaande tabel. De vegetatie is gelegen in SBZ-V. De totale oppervlakte van de vegetatie is 1,1 ha. Tabel 93: Oppervlakte (ha) waarop het bedrijf een bijdrage levert voor verzuring t.a.v. de KL/KDW Vegetatieeenheid Overschrijdin g 3-5 % (beperkte bijdrage) Overschrijding 5-10 % (relevante bijdrage) Overschrijding % (belangrijke bijdrage) Overschrijding >50 % (significant negatief effect) Totale oppervlakte (ha) Habitatvegetatie volgens BWK in SBZ-V ZW Vergund Nieuw 0, ,2 Uit de voorgestelde contouren blijkt duidelijk de verschillen tussen de vergunde situatie en de toekomstige situatie. Het vergroten van de contouren heeft te maken met de stijging van ammoniakproductie in de nieuwe situatie. In de vergunde situatie ondervindt de vegetatie 9190 een bijdrage van de kritische last voor verzuring van < 3 %. Dit is ook zo voor de huidige situatie. In de nieuwe situatie is er een beperkte bijdrage te verwachten voor het habitattype 9190 op 1050 m ten ZW van het bedrijf voor een oppervlakte van 0,2 ha. Dit habitattype heeft een totale oppervlakte van 1,1 ha. Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aandachtsgebied dat we in beschouwing nemen, nl. de habitats volgens de BWK versie 2014 kaart, er geen of een verwaarloosbaar effect te verwachten valt ten gevolge van de verzurende deposities van het bedrijf in de vergunde en in de huidige situatie voor het habitattype 9190 in SBZ-V. In de toekomstige situatie wordt dit een beperkte bijdrage voor 0,1 ha van de 1,1 ha. In Figuur 27 in bijlage wordt de verzurende depositie weergegeven t.a.v. KL Loofbos voor de vergunde en de toekomstige situatie. Tabel 94: Oppervlakte (ha) waarop het bedrijf een bijdrage levert voor vermesting t.a.v. KL/KDW Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 151/213

152 Vegetatieeenheid Overschrijdin g 3-5 % (beperkte bijdrage) Overschrijding 5-10 % (relevante bijdrage) Overschrijding % (belangrijke bijdrage) Overschrijding >50 % (significant negatief effect) Totale oppervlakte (ha) Habitatvegetatie volgens BWK in SBZ-V ZW Vergund Nieuw 0, ,1 Uit de voorgestelde contouren blijken de verschillen tussen de bestaande situatie en de toekomstige situatie. Het vergroten van de contouren heeft te maken met de stijging van ammoniakproductie in de gewenste situatie. De contouren van vermesting vallen nagenoeg samen met de contouren van verzuring. In de vergunde situatie ondervindt de vegetatie 9190 een bijdrage van de kritische last voor vermesting van < 3 %. Dit is ook zo voor de huidige situatie. In de nieuwe situatie is er een beperkte bijdrage te verwachten voor het habitattype 9190 op 1050 m ten ZW van het bedrijf voor een oppervlakte van 0,1 ha. Dit habitattype heeft een totale oppervlakte van 1,1 ha. Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aandachtsgebied dat we in beschouwing nemen, nl. de habitats volgens de BWK versie 2014 kaart, er geen of een verwaarloosbaar effect te verwachten valt ten gevolge van de vermestende deposities van het bedrijf in de vergunde en in de huidige situatie voor het habitattype 9190 in SBZ- V. In de toekomstige situatie wordt dit een beperkte bijdrage voor 0,1 ha van de 1,1 ha. In Figuur 28 in bijlage wordt de vermestende depositie weergegeven t.a.v. de KDW voor 9190 voor vermesting in de vergunde en in de toekomstige situatie. In Figuur 29 in bijlage wordt de vermestende depositie weergegeven t.a.v. de KDW voor 9190 voor vermesting in de huidige en in de toekomstige situatie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in Nederland ligt op een afstand meer dan 15 km zijnde het vogelrichtlijngebied 'Brabantse Wal' NL en op ruim 19 km van het habitatgebied 'Het Ulvenhoutse bos' NL Op basis van de Aeriuscalculator kan aangetoond worden dat er geen stikstofdepositie is van het project t.a.v. de Brabantse Wal en het Ulvenhoutse bos Verdroging Ter hoogte van het bestaande bedrijf zijn er voornamelijk natte en matig natte zandgronden (Zeg) en (Zdg) terug te vinden. Aan de matig natte en natte bodems wordt een gemiddelde grondwaterstand schommelend tussen 40 en 130 cm-mv (cm onder maaiveldniveau) gekoppeld en tussen 15 en 100 cm-mv (cm onder maaiveldniveau) en aan de zeer natte bodems een gemiddelde grondwaterstand schommelend tussen 5 en 65 cm-mv (cm onder maaiveldniveau). De nieuw te bouwen pluimveestallen komen op een matig natte en natte zandbodem en een beperkt deel op zeer natte lemige zandbodem (w-sfg). In de huidige situatie wordt een daling van de watertafel van 10 cm bereikt op 14 m (zie discipline water). In de toekomstige situatie wordt een daling van de watertafel van 10 cm bereikt op 14 m voor zowel de bestaande grondwaterwinning 1 als voor de nieuwe grondwaterwinning. De grondwaterwinning aanwezig op het bedrijf in de huidige en toekomstige situatie veroorzaakt geen relevante effecten op naburige grondwaterwinningen Gezien een verlaging van het waterniveau van 10 cm bereikt wordt op 14 m in de nieuwe situatie voor de twee diepe winningen, en rekening houdend met de afstand tot de groengebieden (>2 km) kan ervan uitgegaan worden Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 152/213

153 dat er geen of verwaarloosbaar effect is ten aanzien van verdroging. Er is evenmin een cumulatief effect te verwachten van de bestaande en de geplande winning, zelfs niet indien deze gelijktijdig effectief in werking zijn. Er is dan ook evenmin een grensoverschrijdend effect te verwachten Rustverstoring Het bedrijf ligt in het Vogelrichtlijngebied. De drempelwaarde algemeen geldend voor bosvogels bedraagt 42 db(a), voor weidevogels is de drempelwaarde 47 db(a). Als gemiddelde waarde kan de 45 db(a)-contour genomen worden. De invloedsstraal werd berekend in de discipline Geluid. Het specifieke geluid van alle ventilatoren samen in de gewenste toestand is lager dan de drempelwaarde van 45 db(a) op 20 m afstand van de ventilatoren tijdens de dag- en avond en op 16 m tijdens de nacht. Voor de incidentele geluidsbronnen is het specifieke geluid van het lossen van veevoeder op een afstand van 125 m beneden de drempelwaarde van 45 db(a) gelegen. Bijgevolg kan er geconcludeerd worden dat er geen tot verwaarloosbare effecten waar te nemen zijn van de geluidsbronnen op het bedrijf t.a.v. vegetaties die van belang zijn voor de vogels SYNTHESE Het perceel waar de nieuwe pluimveestallen komen, staat aangeduid als biologisch minder waardevol soortenarm permanent cultuurgrasland op matig natte en natte zandbodem met duidelijke ijzer en/of humus B horizont (Zeg, Zdg). De impact wordt dan ook als verwaarloosbaar aanzien (geen of verwaarloosbaar effect). De inplanting van de stallen (naast de vergunde stallen) is op dit vlak dan ook goed gekozen. Volgens de kaart met de aanduiding van de natura-2000 gebieden is deze inrichting gelegen in een SBZ (speciale beschermingzone vogelrichtlijngebied). Het meest nabijgelegen Habitatrichtlijngebied situeert zich op ongeveer 4,9 km van de inrichting. In de ruime omgeving van het bedrijf is eveneens geen VEN-gebied gesitueerd. In een straal van 1 km rond het bedrijf (onmiddellijke omgeving van het bedrijf) liggen een beperkt aantal waardevolle vegetaties. Ten zuidoosten en zuidwesten van het bedrijf bevinden zich ook een beperkt aantal zeer waardevolle vegetaties (hp+, hp en ppmb). Er zijn eveneens een aantal complexen van waardevolle en minder waardevolle elementen aanwezig (hp, kb). Binnen een straal van 1 km rond het bedrijf komen geen habitattypes of RBB's (Regionaal Belangrijke Biotopen) voor. Net buiten deze straal komt er een habitatwaardige vegetatie voor. Het gaat om de habitatype 9190 (Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur) ten ZW op 1050 m. Verder komen er, buiten de straal van 1 km van het bedrijf, geen regionaal belangrijke biotopen voor. Als aandachtsgebied wordt het habitattype 9190 beschouwd (gelegen in vogelrichtlijngebied, niet in habitatrichtlijngebied): 9190 op 1050 m ten ZW van het bedrijf Uit de voorgestelde contouren blijken de verschillen tussen de vergunde situatie en de toekomstige situatie. Het vergroten van de contouren heeft te maken met de stijging van ammoniakproductie in de gewenste situatie. Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aandachtsgebied dat we in beschouwing nemen, nl. de habitats volgens de BWK versie 2014 kaart, er geen of een verwaarloosbaar effect te verwachten valt ten gevolge van de verzurende deposities van het bedrijf in de vergunde en in de huidige situatie voor het habitattype 9190 in SBZ-V. In de toekomstige situatie wordt dit een beperkte bijdrage voor 0,2 ha van de 1,1 ha. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 153/213

154 De contouren van vermesting vallen nagenoeg samen met de contouren van verzuring. Er kan voor vermesting eveneens geconcludeerd worden dat er voor het aandachtsgebied dat we in beschouwing nemen, nl. de habitats volgens de BWK versie 2014 kaart, er geen negatief effect te verwachten valt ten gevolge van de vermestende deposities van het bedrijf in de vergunde en de huidige situatie voor het habitattype In de toekomstige situatie wordt dit een beperkte bijdrage voor 0,1 ha. Inzake het gebruik van de eigen grondwaterwinning wordt er in de huidige en toekomstige situatie uitgegaan van geen of verwaarloosbaar effect rekening houdend met het feit dat de dat afstand tot de groengebieden aanzienlijk is, en gezien de verlaging van het waterniveau (drawdown) van 10 cm in de huidige en nieuwe situatie bereikt wordt op respectievelijk 14 m van beide winningen. Ook effecten ten gevolge van rustverstoring werden als verwaarloosbaar ingeschat. Voor de thema s direct ecotoopverlies, verdroging, rustverstoring zijn de milieueffecten op fauna en flora te verwaarlozen zodat milderende maatregelen zich niet opdringen. Op basis van de Aeriuscalculator kan aangetoond worden dat er geen stikstofdepositie is van het project t.a.v. de Brabantse Wal en het Ulvenhoutse bos MILDERENDE MAATREGELEN Door het bedrijf genomen maatregelen Voor door het bedrijf genomen milderende maatregelen met effect op fauna en flora wordt verwezen naar de disciplines lucht, water en geluid Door het bedrijf geplande maatregelen De nieuwe pluimveestallen zullen conform de ter zake geldende wetgeving uitgerust worden als ammoniakemissie-arme stal volgens het systeem P-6.4. Het systeem P-6.4 betreft : Warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag. De ammoniakemissie wordt beperkt door het drogen en verwarmen van de mest-strooisellaag door middel van een warmtewisselaar en continu draaiende circulatieventilatoren. De warmtewisselaar zorgt ervoor dat warme ventilatielucht vanuit de stal verse lucht opwarmt. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt in geval van nok- of combiventilatie midden bovenin de stal in twee richtingen uitgeblazen. Vervolgens wordt deze lucht door circulatieventilatoren vermengd met de warme lucht bovenin de stal en naar de beide staluiteinden gestuwd. In geval van lengteventilatie wordt de opgewarmde verse ventilatielucht door circulatieventilatoren vermengd met de warme stallucht boven in de stal en naar het staluiteinde gedreven dat zich tegenover de ventilatoren bevindt. Via de topgevelwand(en) wordt de lucht terug over de strooisellaag geleid. Door het mengen van de stallucht wordt een gelijkmatige temperatuur in de gehele stal bereikt. De mest-strooisellaag wordt gedroogd en de zware CO2 wordt bij de dieren verdreven. Er worden stofbakken voorzien voor de nieuwe pluimveestallen. Een extra reductie van ammoniak werd hier niet mee in rekening gebracht. Hoewel we kunnen vermoeden dat hoewel er meer stof zal afgevangen worden, dit ook een gunstig effect kan hebben op de ammoniak. Voor verdere door het bedrijf geplande milderende maatregelen met effect op fauna en flora wordt verwezen naar de disciplines lucht, water en geluid. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 154/213

155 Verdere mogelijkheden of aanbevelingen Er wordt evenwel de aandacht op gevestigd dat wat ammoniakdepositie betreft, het hier om een worst-case scenario gaat, en dat een goed ontwikkeld groenscherm rond het bedrijf een deel van de ammoniakuitstoot zou kunnen opvangen, waardoor de werkelijke depositie vermoedelijk lager zal liggen. Dit kan afgeleid worden uit o.a. Nederlands onderzoek. Windsingel: In Nederland werd er in 2003 een meetcampagne uitgevoerd om de invloed van een landschapselement (windsingel) op de verspreiding van emissies (in eerste instantie voornamelijk ammoniak) uit een varkenshouderij na te gaan (Van Dijk et.al.,2004). Deze meetcampagne werd uitgevoerd bij een vleesvarkenshouderij met ruim dierplaatsen. Aan de oostzijde van het stallencomplex lag op ca. 20 m afstand van de dichtstbijzijnde stal een vrij uniforme windsingel. De situering is zo, dat bij wind uit zuidwestelijke tot westelijke richting de emissiepluim vanuit de stal grotendeels door en over de windsingel verspreid werd. De begroeiing in de meetcampagne bestond uit loofbomen (acacia, zomereik en berk) met stuiken. De hoogte van de windsingel was ca m, en de breedte ca In de studie werden op korte afstand van de bron, voor de windsingel, tot 6 maal hogere concentraties ammoniakconcentraties gemeten dan voorspeld voor een situatie zonder windsingel. De ammoniak wordt als het ware bij de bron gehouden. Als gevolg hiervan was het gebied waar er een verzurende depositie kan optreden kleiner. Om een grootteorde te geven, bleek uit de meetcampagne dat de afstand van het bedrijf tot waar de ammoniakemissie het achtergrondniveau van de omgeving bereikte ongeveer 485 m bedroeg, terwijl deze afstand in het geval dat er geen windsingel zou aanwezig geweest zijn (berekening op basis van een verspreidingsmodel) ongeveer 815 m zou bedragen. M.a.w. is er in dit rekenvoorbeeld een afname van 40% van de invloedsstraal. Vanzelfsprekend zal veel afhankelijk zijn van de precieze klimatologische omstandigheden windrichting, windsterkte, neerslag, ), alsook van de morfologie van de windsingel zelf. Uit de meetcampagne bleek dat windsingels wel degelijk in staat zijn om emissies te verminderen. Een aanvullende studie (Van Dijk et. al., 2005) moest duidelijkheid brengen op welke manier ze dit doen. Landschapselementen zoals windsingels vormen een fysiek opstakel voor de verspreiding van stoffen en deeltjes in de atmosfeer. Het effect wordt voornamelijk bepaald door twee processen: filtering en snelheidsdemping. De filterende werking is een gevolg van de gasuitwisseling tussen blad en atmosfeer waarvoor een zekere turbulentie rond het blad nodig is. Om de luchtbeweging in een beplanting in stand te houden moet deze een zekere openheid (optische porositeit) hebben. De structuur van een windsingel is bepalend voor het effect op de verspreiding van agrarische emissies. Eenduidige criteria voor het ontwerpen van een optimaal functionerende windsingel zijn nog niet voorhanden. De resultaten uit het Nederlandse onderzoek laten zien dat een windsingel op korte afstand van een stal de ongewenste verspreiding van ammoniak (maar ook van andere agrarische emissies zoals fijn stof en geur) tegengaat en dat de bomen in de windsingel een deel van de stikstof opnemen vanuit de lucht. Voor NO2 bleek dat de filterende werking als gevolg van opname door de planten in de windsingel geschat kan worden op maximaal 10%. Voor ammoniak zou dit percentage hoger liggen. Precieze cijfers zijn niet voor handen. In het kader van de effectbeoordeling ten aanzien van het aandachtsgebied is de uitbouw van een windsingel een alternatief voor een stofbak. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 155/213

156 Voor de verdere aanbevelingen met effect op fauna en flora wordt verwezen naar de disciplines lucht, water en geluid. 5.7 LANDSCHAP, BOUWKUNDIG ERFGOED EN ARCHEOLOGIE AFBAKENING STUDIEGEBIED Het studiegebied omvat vooreerst het projectgebied (= de locatie van de installatie). Het wordt dan lateraal uitgebreid om de eventuele zichtbaarheidszone rond de ingreep te vatten. Die wordt bepaald door de afstand van waarop de ingreep als dominante beelddrager in het landschapsbeeld nog zichtbaar is. Als studiegebied wordt de omgeving binnen een straal tot 1 km rondom het bedrijfscentrum beschouwd TOELICHTING GEGEVENSGEBRUIK Voornaamste gegevensbronnen: Eigen terreinwaarnemingen + foto s Lijst van beschermde monumenten en landschappen (Afdeling M&L) Landschapsatlas (GIS-Vlaanderen) Traditionele landschappen Vlaanderen (Antrop, 2002) Topografische kaart Luchtfoto s Agiv De referentiesituatie voor het landschap wordt besproken op basis van het terreinbezoek, topografische kaartenmateriaal, orthofoto en foto s van het bedrijf en de bedrijfsomgeving, de Landschapsatlas en de algemene literatuur, zoals onder andere: Traditionele landschappen in Vlaanderen (Antrop et al., 2002). Hierbij wordt een algemeen beeld van het landschap geschetst, alsook dieper ingegaan op eventuele ankerplaatsen, relictplaatsen, lijnelementen, enz. typerend voor de bedrijfsomgeving METHODIEK Een veeteeltbedrijf is meestal gelegen in een agrarisch landschap, gekenmerkt door min of meer wijdse zichten. Gezien de grootschaligheid van een intensief veeteeltbedrijf, kan dit een sterke impact hebben op de omgeving. Onder landschap wordt verstaan een begrensde oppervlakte met een geringe dichtheid van bebouwing en een onderlinge samenhang waarvan de verschijningsvorm en de samenhang het resultaat zijn van natuurlijke processen en van maatschappelijke ontwikkelingen. De drie effectgroepen zoals weergegeven in het disciplinerichtlijnenboek Landschap, Bouwkundig erfgoed & Archeologie worden besproken: het landschap als relatiesysteem de erfgoedaspecten de perceptieve aspecten Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 156/213

157 Het landschap als relatiesysteem Structuren drukken relaties tussen elementen uit. Met betrekking tot landschappen worden structuren zowel ruimtelijk, functioneel als temporeel gedefinieerd. Voorbeelden van ruimtelijke structuren zijn bewoningspatroon, wegennet, percelering. Er zal worden nagegaan of het project enige relatie- of structuurwijzigingen met zich mee brengt. Het effect is moeilijk kwantitatief uit te drukken, waardoor de beoordeling eerder gebaseerd is op deskundigenoordeel. Volgend significantiekader wordt gehanteerd: Tabel 95: Significantiekader ter beoordeling van wijzigingen die de landschappelijke structuren beïnvloeden Toetsing Grote wijziging die de bestaande landschappelijke structuren en of relaties drastisch verstoort Duidelijk waarneembare wijziging die de bestaande landschappelijke structuren en/of relaties verstoort Beperkt waarneembare wijziging die de bestaande landschappelijke structuren en of relaties verandert en/of nadelig beïnvloedt Geen wijziging van de bestaande landschappelijke structuren en/of relaties of een wijziging die niet of nauwelijks waarneembaar is Beoordeling Significant negatief effect Matig negatief effect Gering negatief effect Geen of verwaarloosbaar effect De erfgoedaspecten Er dient rekening gehouden te worden met drie soorten 'erfgoedwaarden': 1. landschap 2. bouwkundig erfgoed 3. archeologie Tot het bouwkundig erfgoed behoren de historische gebouwen. Een bijzondere categorie binnen het bouwkundig erfgoed vormen de monumenten. De term 'monument' is voorbehouden voor bij wet beschermd bouwkundig erfgoed. Ook de voorlopig beschermde monumenten vallen hieronder. Het beschermd erfgoed omvat de beschermde landschappen, beschermde archeologische monumenten en zones, beschermde monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Stads- en dorpsgezichten zijn een groepering van een of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen zoals onder andere beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, die wegens hun artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang is. Hiertoe behoort ook de directe, er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving van een monument die door haar beeldbepalend karakter de intrinsieke waarde van het monument tot zijn recht doet komen dan wel door haar fysische eigenschappen de instandhouding en het onderhoud van het monument kan waarborgen. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 157/213

158 Als archeologisch erfgoed worden beschouwd alle overblijfselen, voorwerpen en andere sporen van de mens uit het verleden waarvan het behoud en de studie bijdragen tot het reconstrueren van de bestaansgeschiedenis van de mensheid en haar relatie tot de natuurlijke omgeving, en ten aanzien waarvan opgravingen of ontdekkingen en andere methoden van onderzoek betreffende de mensheid en haar omgeving de voornaamste bronnen van informatie zijn. Voorspelling van de effecten op gekende erfgoedelementen (monumenten, relicten, zichten, ensembles...) impliceert het inschatten van het mogelijke waardeverlies. Tabel 96: Significantiekader ter beoordeling van de verstoring van de erfgoedwaarde Toetsing Grote verstoring landschappelijke erfgoedwaarde en/of beschermde entiteit (vb. directe aantasting van erfgoed door vergravingen, verwijdering KLE s Matige verstoring landschappelijke erfgoedwaarde en/of beschermde entiteit (vb. erfgoedzone beïnvloed door een negatieve beelddrager in een open landschap Geringe verstoring landschappelijke erfgoedwaarde en/of beschermde entiteit (vb erfgoedwaarde beperkt beïnvloed door een negatieve beelddrager (landbouwinfrastructuur) in een gesloten landschap Geen verstoring landschappelijke erfgoedwaarde en/of beschermde entiteit Beoordeling Significant negatief effect Matig negatief effect Gering negatief effect Geen of verwaarloosbaar effect De perceptieve aspecten In de meeste MER's voor intensieve veeteeltbedrijven is het wijzigen van de perceptieve kenmerken de belangrijkste effectengroep binnen de discipline Landschap, bouwkundig erfgoed & archeologie. Landbouwbedrijven bepalen mee het karakter van het platteland. Dat platteland wordt niet alleen gebruikt door land- en tuinbouwers, maar ook door plattelandsbewoners en recreanten. Door een goede integratie van de land- en tuinbouwbedrijven kan de landbouwsector z n steentje bijdragen tot een mooi en aantrekkelijk platteland. Tabel 97: Significantiekader ter beoordeling van de perceptieve kenmerken Toetsing Drastische aantasting van integriteit op vlak van structuur, samenhang en landschapsbeeld Aantasting van integriteit op vlak van structuur, samenhang en landschapsbeeld Beperkte vermindering van integriteit op vlak van structuur, samenhang en landschapsbeeld Geen wijziging of een wijziging die niet of nauwelijks waarneembare verstoring Beoordeling Significant negatief effect Matig negatief effect Gering negatief effect Geen of verwaarloosbaar effect Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 158/213

159 5.7.4 TOELICHTING REFERENTIESITUATIE Geografische situering Rekening houdend met de indeling van Vlaanderen in Traditionele Landschappen (Antrop et a., 2002) is het bedrijf gelegen in het Traditionele Landschap 'Land van Brecht (code )'. Het is een subeenheid van de Traditionele Landschappen de Noorderkempen (code ). De landschapseenheid wordt gedomineerd door open, grootschalige landbouwgronden. Het zijn hoofdzakelijk botanisch arme akkers en cultuurgraslanden met een groot faunistisch belang voor weidevogels. Relicten van de voormalige vegetaties op voedselarme, vochtige tot natte zandgronden zijn het best bewaard gebleven in de Maatjes en de Brechtse Heide. Verder komen ze verspreid in het landbouwgebied en in kleine landschapselementen voor. In de nabijheid van de verspreide dorpskernen en op de noordelijk gelegen duinruggen wordt het landschap bosrijker en kleinschaliger. Belangrijke bos- en parkbestanden zijn het Sterbos, De Hees, de Horendonkse bossen en de bossen op de duinen rond Meerle. In deze halfopen gevarieerde randzones blijven weidevogels aanwezig maar verbreden de faunistische waarden naar roof- en zangvogels en, plaatselijk, libellen, dagvlinders en amfibieën. Ook de botanische waarden zijn hier plaatselijk hoog (heide-, ven en veenrelicten). Met name de twee hoogveenrelicten (Rommensbos, Ringven) zijn prioritair voor het natuurbehoud. Oppervlaktewater heeft een belangrijke structurerende en natuurbehoudwaarde in deze omgeving. Bij de natuurlijke waterlopen gaat het om Kleine Aa, de Weerijsbeek en de Mark. Belangrijke kunstmatige oppervlaktewaters zijn de oude turfvaarten in Essen/Kalmthout, het kanaal Dessel-Schoten en de talrijke kleiputten die in de nabijheid hiervan werden uitgegraven. De kleiputten zijn in twee grote zones onder te verdelen: Hoofsweer/Kooldries en Volharding-Leeuwerk-Klokkeven. Er worden volgende kenmerken gegeven voor de Noorderkempen: Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 159/213

160 Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 160/213

161 Landschapsatlas (ankerplaatsen ) In Figuur 30 worden de relicten weergegeven in de omgeving van het bedrijf VAN GASTEL GERT LV. Op 1,8 km ten ZW is een relictzone gelegen, namelijk Bos en vengebied Westdoorn en domein Sterbos (R10009)'. Op 2,3 km in oostelijke en zuidoostelijke richting ligt het lijnrelict de Oude weg Antwerpen-Breda (L 10019). In Figuur 31 worden de ankerplaatsen weergegeven in de omgeving van het bedrijf. In westelijke richting op 3,1 km ligt de ankerplaats de Maatjes (A10086) en in zuidwestelijke richting op 2,4 km ligt de ankerplaats Kasteel van Wuustwezel en de Vloeikens (A10008). En aansluitend hieraan bevindt zich de ankerplaats Het Groot Schietveld (A10011) op ca 5 km. Momenteel is enkel de ankerplaats Het Groot Schietveld bij ministerieel besluit definitief vastgesteld op 08/02/2011. Het Groot Schietveld werd aangelegd in de periferie van een reeks dorpen. Het terrein wordt daarom doorsneden door tal van oude gemeentegrenzen en beslaat delen van 4 oude gemeenten (Loenhout, Wuustwezel, Brecht, Brasschaat,). Het gebied Brasschaat maakte eertijds deel uit van Ekeren. Wuustwezel en Loenhout werden op 1 januari 1977 verenigd tot de nieuwe gemeente Wuustwezel. De ruimtelijk-structurerende waarde van het oefenterrein wordt geïllustreerd door de kaart waarop de gehuchten en hun oude akkergronden zijn aangegeven. Het Groot Schietveld is met zijn 10km lengte en 2km breedte een unieke gave open ruimtecorridor tussen de gemeenten Brecht, Brasschaat, Wuustwezel en Loenhout. Het gebied vormt voor Vlaanderen een van de grootste ruimtelijke ensembles met een zeer grote samenhang. De hoogste zone in het Groot Schietveld ( 28 m ) vormt een oostwest-gerichte rug die het waterscheidingsvlak vormt tussen het Maas- en het Scheldebekken. Deze waterscheiding is een markante terreinovergang en vormt een structurerend reliëfelement. (Bron: Ministerieel besluit tot definitieve aanduiding van de ankerplaats Groot Schietveld te Brasschaat, Brecht en Wuustwezel 8/2/ ruimtelijk-structurerende waarde) Bouwkundig erfgoed In de ruime bedrijfsomgeving (straal van 1 km) komen geen beschermde dorps- of stadsgezichten, monumenten en landschappen voor. Het dichtst bijzijnde beschermde stads- en dorpgezicht ligt op iets meer dan 2,5 km ten zuiden, het gaat om het beschermd stads- en dorpsgezicht 'Hoeve Nuytemans met omliggende gronden, en de gebouwen op de hoek van de Kruisweg en het Achterstraatje (OA001642)'. Deze wordt weergegeven in Figuur 32. Binnen de straal van 1 km bevinden zich geen elementen die opgenomen werden in de inventaris Bouwkundig erfgoed Bedrijf in de referentiesituatie Volgens het gewestplan is het bedrijf VAN GASTEL GERT LV volledig gelegen in agrarisch gebied. Het bedrijf ligt in een vlak landschap met blokvormige patronen van vegetaties en open ruimte. Er zijn voornamelijk open ruimtes aanwezig. Het landschap wordt eveneens gekenmerkt door een aantal land- en tuinbouwbedrijven die verspreid voorkomen in het landschap. Het bedrijf ligt vlak tegen de Nederlandse grens. Het bedrijf is in het straatbeeld aanwezig net als een andere landbouwbedrijf, een tuinbouwbedrijf en een particuliere woning. Net over de grens bevindt zich een rundveebedrijf en een sierteeltbedrijf. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 161/213

162 De gebouwen staan allen geordend en compact opgesteld. Een geordende inplanting van de structuren zorgt voor rust en evenwicht in het ontwerp, alsook voor de samenhorigheid van de gebouwen op het bedrijf. De gebouwen vormen één aansluitend geheel. Er is bij het bedrijf een beperkte groenaanplanting aanwezig. Het bedrijf is gelegen langs de kruising van de Steenpaalweg en de Huisheuvelstraat. Het bedrijf is vanuit alle richtingen redelijk zichtbaar in het landschap. Het is een open landschap voorzien van akkerland en weiden. Aan de voorkant van het bedrijf, voor de loods ligt een groenzone. Langs de zijkant van het bedrijf langsheen de Steenpaalweg is de weg voorzien van een bomenrij waardoor het bedrijf langs die kant gebufferd is. Dit zorgt voor een inkleding van het bedrijf in het landschap. De erfbeplanting, zoals opgenomen in de stedenbouwkundige vergunning, is momenteel nog niet volledig uitgevoerd.. Achter de stallen is momenteel geen groenscherm aangebracht. In het omliggende landschap zie je in de omgeving van landbouwbedrijven beplanting, in de omgeving van het tuinbouwbedrijf is de groenaanplanting beperkt. De nieuwe pluimveestallen worden gebouwd parallel naast de bestaande pluimveestallen EFFECTINSCHATTING Het landschap als relatiesysteem Het voorliggende project voorziet in de bouw van twee nieuwe identieke pluimveestallen naast de bestaande stallen. De oppervlakte van deze nieuwe stallen is in totaal m². De hoogte van de nieuwe stal zal ongeveer 6.1 m (nokhoogte) zijn. De bebouwde oppervlakte in de huidige situatie bedraagt m², in de toekomstige situatie is komt er m² bebouwde oppervlakte bij. In de huidig vergunde situatie is er tussen de 2 stallen nog geen doorlatende verharding aangebracht. Voor de twee stallen en de loods is er wel de nodige betonverharding aangelegd. Bij de twee nieuwe stallen zal de betonverharding voor de stallen uitgebreid worden tot aan de rand van stal 4. Langsheen stal 4 wordt een waterdoorlatende verharding voorzien voor de brandweer. Er is een bijkomende betonverharding voorzien in de toekomstige situatie van +/ m²: voor de twee nieuwe stallen. De bestaande betonverharding omvat m². Er wordt een groenaanplant voorzien achter de stallen en naast stal 4. De nieuwe constructies vormen één geheel met het bestaand bedrijf. De gebouwen worden ruimtelijk gebonden tot één geheel. Uitgaande van de bestaande situatie zijn dit de wijzigingen na de uitbreiding: de bebouwde oppervlakte stijgt van m² naar m², een stijging met ca 82 % t.a.v. de bestaande bebouwing verharde oppervlakte stijgt van m² naar m² in de toekomst Het bestaande bedrijf is waarneembaar in het landschap. Wijziging van bestaande landschappelijke structuren en/of relaties treden niet op door het geplande project. Door de schaalvergroting wordt uitgegaan van een gering negatief effect t.o.v. de bestaande situatie. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 162/213

163 Erfgoedaspecten Landschap Op een ca 5 km van het bedrijfscentrum bevindt zich de vastgestelde ankerplaats Groot Schietveld' In de ruime omgeving van het bedrijf liggen een aantal relictzones. De dichtste wordt teruggevonden op meer 1,8 km van het bedrijf. Voor de huidige situatie is er een geringe verstoring van landschappelijke erfgoedwaarden of beschermde entiteiten.. De uitbouw van het bedrijf gebeurt aansluitend bij de bestaande gebouwen. Er treedt geen verdere versnippering op van de open ruimte, gezien de uitbreiding gebeurt in het landschap geconcentreerd ter hoogte van het bestaande bedrijf. In de toekomstige situatie wordt er eveneens rekening gehouden met een geringe verstoring van landschappelijke erfgoedwaarden of beschermde entiteiten. Beschermd erfgoed In de ruime bedrijfsomgeving (straal van 1 km) komen geen beschermde dorps- of stadsgezichten, monumenten en landschappen voor. Het dichtst bijzijnde beschermde stads- en dorpgezicht ligt op iets meer dan 2,5 km ten zuiden, het gaat om het beschermd stads- en dorpgezicht 'Hoeve Nuytemans met omliggende gronden, en de gebouwen op de hoek van de Kruisweg en het Achterstraatje (OA001642)'. Het dichtst bijzijnde beschermde monument is gelegen ter hoogte van bovenstaand bescherm stads- en dorpgezicht, nl. Hoeve Nuytemans, meer bepaald woonhuis, stal en schuur (OA001641)' Gezien de afstand is een invloed hierop dan ook niet te verwachten. Bouwkundig erfgoed Binnen een straal van 2000 m bevinden geen elementen die opgenomen werden in de in de Inventaris Bouwkundig erfgoed. Een invloed hierop is dan ook niet te verwachten gezien de afstand.. Er geen bemaling toegepast worden tijdens de aanlegfase. Er wordt uitgegaan van geen of verwaarloosbaar effect. Archeologie Voor de bouw van de nieuwe stallen zijn graafwerkzaamheden vereist. Archeologische vondsten zijn nooit uitgesloten.. Op de plaats waar het bedrijf gelegen is, of in de omgeving van het bedrijf, werden (nog) geen meldingen gedaan van archeologische vondsten (https://geo.onroerenderfgoed.be) toont geen vondsten op deze plaats. Het respecteren van de meldingsplicht bij het vinden van archeologische vondsten wordt als voldoende maatregel beschouwd om het archeologisch patrimonium te beschermen. Er wordt rekening gehouden met een potentieel gering negatief effect. Eventuele toevalsvondsten dewelke gedaan worden tijdens de werkzaamheden dienen gemeld te worden aan het Agentschap Ruimte en Erfgoed Onroerend Erfgoed Perceptieve aspecten De instrumenten die gehanteerd kunnen worden voor een goede integratie van bedrijfsgebouwen in de omgeving zijn voornamelijk (brochure Agrarische architectuur, technisch bekeken'; Provincie West-Vlaanderen): Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 163/213

164 correcte keuze van de inplantingsplaats doordacht materiaalgebruik gepaste kleurkeuze doordachte afmetingen Inzake de keuze van de inplantingsplaats kunnen volgende aandachtspunten aangestipt worden: Streven naar gesloten, compact geheel van het bedrijf. De stallen staan compact en geordend opgesteld. Een geordende inplanting van de vormen zorgt voor rust en evenwicht in het ontwerp. Bovendien zorgt een overzichtelijke inplanting voor samenhorigheid van de bedrijfsgebouwen op het bedrijf. In de toekomstige situatie zal het bedrijf, ondanks de uitbreiding in oppervlakte, nog steeds een compact geheel vormen. Op het bedrijf worden zijn alle gebouwen en constructies geordend en compact opgesteld staan. Een geordende inplanting van de structuren zorgt voor rust en evenwicht, alsook voor de samenhorigheid van de gebouwen op het bedrijf. Na de keuze van de inplantingsplaats komt de keuze van de kleurtinten en de materialen aan bod. De materiaalkeuze en kleur mogen niet storend zijn in de omgeving. Een juist kleur- en materiaalgebruik is doorslaggevend voor een goed geïntegreerd gebouw. Over het algemeen kan gesteld worden dat felle kleuren af te raden zijn. Een witte kleur levert een vergrotend effect op. Zwarte of donkere daken maken het bouwvolume optisch kleiner. De bestaande stallen bestaan allen uit prefab betonpanelen met rode baksteenmotief en een donker dak (zwarte golfplaten). De nieuwe stallen zijn op dezelfde manier uitgevoerd worden.. Inzake de afmetingen werden de stallen gedimensioneerd volgens het aantal dierplaatsen. Rekening houdend met de normen voor dierenwelzijn werd de nieuwe stal correct gedimensioneerd. Het verkleinen van de stal is dan ook in deze geen optie. In tweede orde is ook de beplanting op het bedrijf belangrijk. Er werden reeds enkele groenelementen voorzien. De beplanting opgelegd in de vorige stedenbouwkundige aanvraag werd nog niet volledig uitgevoerd. Het bedrijf wordt goed opgenomen in het omliggende landschap. Bomen en struiken kunnen indien nodig zo aangeplant worden dat ze het zicht op de gebouwen breken en ook uitlopers vormen in de omgeving (bron: brochure Bedrijfsintegratie, Provinciebestuur van West-Vlaanderen, 2006). Voor de huidige situatie wordt uitgegaan van een gering negatief effect. Voor de toekomstige situatie worden de nieuwe stallen aansluitend parallel gebouwd met de bestaande stallen. De nieuwe stallen zullen op een gelijkaardige manier opgetrokken worden in betonpanelen. De betonpanelen zijn uitgevoerd met baksteenmotief in een rode kleur. De stallen zijn voorzien van donkere daken. Voor de nieuwe stallen zal door de Hooibeekhoeve een beplantingsplan opgemaakt worden rekening houdend met wat opgelegd werd in de vorige stedenbouwkundige vergunning. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 164/213

165 5.7.6 SYNTHESE Volgens het gewestplan is het bedrijf VAN GASTEL GERT LV volledig gelegen in agrarisch gebied. Het bedrijf ligt in een vlak landschap met blokvormige patronen van vegetaties en open ruimte. Er zijn voornamelijk open ruimtes aanwezig. Het landschap wordt eveneens gekenmerkt door een aantal land- en tuinbouwbedrijven die verspreid voorkomen in het landschap. Het bedrijf ligt vlak tegen de Nederlandse grens. Het bedrijf is in het straatbeeld aanwezig net als een andere landbouwbedrijf, een tuinbouwbedrijf en een particuliere woning. Net over de grens bevindt zich een rundveebedrijf en een sierteeltbedrijf. Het bedrijf is gelegen in het Traditionele Landschap 'Land van Brecht (310020)' in de Noorderkempen. Op 1,8 km ten ZW is een relictzone gelegen, namelijk Bos en vengebied Westdoorn en domein Sterbos (R10009)'. Op 2,3 km in oostelijke en zuidoostelijke richting ligt het lijnrelict de Oude weg Antwerpen-Breda (L 10019). Het Groot Schietveld (A10011) op ca 5 km is de enige ankerplaats die bij ministerieel besluit definitief vastgesteld werd op 08/02/2011. In de ruime bedrijfsomgeving komen geen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde monumenten of beschermde landschappen voor. Binnen een straal van 1 km is er op de inventaris bouwkundig erfgoed geen bouwkundige relicten vastgesteld. Er wordt geen invloed hierop verwacht. Het bedrijf is in het straatbeeld aanwezig net als een paar andere landbouwbedrijven. De gebouwen staan allen geordend en compact opgesteld. Een geordende inplanting van de structuren zorgt voor rust en evenwicht in het ontwerp, alsook voor de samenhorigheid van de gebouwen op het bedrijf. De gebouwen vormen één aansluitend geheel. Er is bij het bedrijf een beperkte groenaanplanting aanwezig. De opgelegde beplanting opgelegd in de stedenbouwkundige vergunning werd niet volledig uitgevoerd. Er zal door de Hooibeekhoeve een beplantingsplan opgemaakt worden om een goede inkleding van het bedrijf in het landschap te bekomen. Er treedt geen verdere versnippering op van de open ruimte, gezien de uitbreiding gebeurt in het landschap geconcentreerd ter hoogte van het bestaande bedrijf en bestaande stallen. In de toekomstige situatie wordt er eveneens rekening gehouden met een verwaarloosbare verstoring van het landschap. M.b.t. perceptieve aspecten wordt er uitgegaan van een gering negatief effect. Voor de toekomstige situatie worden de nieuwe stallen parallel gebouwd bij de bestaande stallen en gebouwen MILDERENDE MAATREGELEN De genomen maatregelen: Er is een beperkte groenaanplant aanwezig Het bedrijf vormt een verzorgd onderdeel van een agrarisch landschap De geplande maatregelen : De bestaande stallen bestaan allen uit prefab betonpanelen met rode baksteenmotief en een donker dak (zwarte golfplaten). De nieuwe stallen zullen in dezelfde materialen uitgevoerd worden als de vergunde stallen. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 165/213

166 De nieuwe infrastructuur wordt zodanig ingeplant dat ze een geheel vormt met de bestaande infrastructuren De verdere mogelijkheden : Uitbreiding van de beplanting in functie van het erfbeplantingsplan. Het groenscherm wordt verder aangelegd, zodat een optimale inpassing in het landschap gerealiseerd wordt. 6 ELEMENTEN TEN BEHOEVE VAN DE WATERTOETS 1. De vergunningsvraag heeft betrekking op het verkavelen van een stuk grond, het oprichten van een constructie (al dan niet gedeeltelijk of volledig ondergronds), het aanleggen van een verharding. Het voorliggende project behelst een uitbreiding van de bestaande infrastructuur door de aanleg van 2 nieuwe kippenstallen. Het bedrijf voorziet in de aanleg van m² bijkomende verharding. De nieuwe te bouwen kippenstallen beslaan een oppervlakte van m². Het projectgebied (plaats waar nieuwe gebouwen komen) is gelegen in niet overstromingsgevoelig gebied. Volgens de bepalingen van de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (Belgisch Staatsblad, 8 november 2004) dienen er 2 hemelwaterputten van 10 m³ en een infiltratievoorziening met een infiltratieoppervlakte van 315 m² en een buffervolume van 197 m³ aangelegd te worden. In werkelijkheid worden er 4 hemelwaterputten van 15 m³ voorzien die overlopen in een infiltratievoorziening met een infiltratieoppervlakte van 315 m² en een buffervolume van 200 m³. Dit wordt uitgebreid besproken bij de effectbespreking bij de discipline Water. 2. De vergunningsvraag heeft betrekking op de opslag van, het storten van bodemvreemd materiaal of de wijziging van vegetatie. Voorliggend project voorziet in de bouw van 2 nieuwe kippenstallen. De eerste nieuw te bouwen kippenstal wordt gebouwd op 9 m van de bestaande kippenstal. De aanleg vindt plaats op het bedrijfseigen terrein waar zich akkerland bevindt. 3. De vergunningsvraag heeft betrekking op een reliëfwijziging. Niet van toepassing. 4. De vergunningsvraag heeft betrekking op het aanleggen van een buffer- of infiltratievoorziening voor de opvang van oppervlaktewater of hemelwater Zie hoger onder punt De vergunningsvraag heeft betrekking op een lozing op een rioleringsstelsel, het oppervlaktewater of het grondwater Zowel in de huidige als toekomstige situatie wordt 30 m³/jaar (huishoudelijk afvalwater) geloosd op het oppervlaktewater na behandeling door een IBA. Volgens het zoneringsplan ligt het bedrijf in individueel te optimaliseren gebied. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 166/213

167 6. De vergunningsvraag heeft betrekking op een grondwaterwinning Het bedrijf beschikt over 1 grondwaterwinning (verbuisde boorput op 152 m diepte) in de Zanden van Berchem en/of Voort (HCOV-code 0254). In de huidige situatie is de exploitant vergund voor het winning van maximaal m³ grondwater/j. In de toekomstige situatie wenst de exploitant 1 extra winning te vergunning op dezelfde diepte, met een debiet van m³/j. Uit de bestaande grondwaterwinning wordt een iets lager debiet gevraagd dan vergund, nl m³/j. 7. De vergunningsvraag heeft betrekking op een wijziging van de bedding en de structuurkwaliteit van de waterloop Niet van toepassing. 7 PASSENDE BEOORDELING -TOETS De habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) verplicht de lidstaten tot het nemen van alle noodzakelijke maatregelen om de achteruitgang van de natuurlijke waarde van Natura 2000-gebieden (Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden, de zgn. speciale beschermingszones) te voorkomen. Volgens Art. 36ter. van het Natuurdecreet dient de administratieve overheid in de speciale beschermingszones, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, de nodige instandhoudingsmaatregelen te nemen, die steeds dienen te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen habitats vermeld in Bijlage I van dit decreet en de soorten vermeld in de Bijlagen II, III en IV van dit decreet. Verder stelt Art. 36ter dat de administratieve overheid in deze gebieden tevens alle nodige maatregelen dient te nemen om elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats van bijlage I van dit decreet en van de habitats van de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet in een speciale beschermingszone te vermijden; elke betekenisvolle verstoring van een soort vermeld in de bijlagen II, III of IV van dit decreet in een speciale beschermingszone te vermijden. Een vergunningsplichtige activiteit, een plan of een programma waarvan kan verondersteld worden dat het toch een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een zgn. Passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. Indien een vergunningsplichtige activiteit, plan of programma onderworpen is aan de m.e.r.-plicht geschiedt de passende beoordeling in het kader van de milieueffectrapportage. Hieronder wordt de relevantie en noodzaak van een passende beoordeling in het kader van voorliggend project nagegaan. 1. Liggen er binnen het studiegebied speciale beschermingszones (SBZ-V en SBZ-H)? Zo ja, welke en op welke afstand. Volgens de kaart met aanduiding van de Natura 2000-gebieden ligt het bedrijf in een SBZ, nl. het Vogelrichtlijngebied 'De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld (BE ). Op 4,9km ten aanzien van het bedrijf ligt het Habitatrichtlijngebied 'Klein en Groot Schietveld (BE ). De SBZ-H ligt hierdoor buiten de invloedsfeer van het bedrijf. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 167/213

168 Werden er in het kader van de discipline Lucht gering negatieve, matig negatieve of negatieve effecten ingeschat ter hoogte van een SBZ? Neen, ter hoogte van de SBZ-V wordt er uitgegaan van een beperkte bijdrage. 2. Werden er in het kader van de discipline Fauna & Flora gering negatieve, matig negatieve of negatieve effecten ingeschat ter hoogte van een SBZ? Neen, er zijn geen negatieve effecten wat betreft de verzurende en vermestende deposities afkomstig van het bedrijf t.a.v. het habitattypes 9190_doel behorende tot de SBZ-V, niet gelegen in SBZ-H. Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aandachtsgebied dat we in beschouwing nemen, nl. de habitats volgens de BWK versie 2014 kaart geen negatieve effecten te verwachten zijn ten gevolge van de verzurende en vermestende deposities van het bedrijf in de huidige situatie en in de toekomstige situatie. 3. Werden er in het kader van de discipline Bodem gering negatieve, matig negatieve of negatieve effecten ingeschat ter hoogte van een SBZ? Neen, ter hoogte van de SBZ-V wordt er uitgegaan van geen effect of een verwaarloosbaar effect. 4. Werden er in het kader van de discipline Water gering negatieve, matig negatieve of negatieve effecten ingeschat ter hoogte van een SBZ? Neen, ter hoogte van de SBZ-V wordt er uitgegaan van geen of een verwaarloosbaar effect. 5. Werden er in het kader van de discipline Landschap gering negatieve, matig negatieve of negatieve effecten ingeschat ter hoogte van een SBZ? Neen, ter hoogte van de SBZ-V wordt er uitgegaan van een beperkte bijdrage.. 6. Werden er in het kader van de discipline Geluid gering negatieve, matig negatieve of negatieve effecten ingeschat ter hoogte van een SBZ? Neen. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 168/213

169 8 BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN In onderstaande tabel wordt weergegeven of het bedrijf voldoet aan de beste beschikbare technieken. Volgens het BBT-rapport Veeteelt (Vito, 2006) zijn er een 15 technieken die steeds BBT zijn voor alle veeteeltbedrijven, en een 6-tal technieken die BBT zijn voor alle veeteeltbedrijven mits een aantal randvoorwaarden voldaan zijn. Daarnaast zijn er nog een aantal BBT s specifiek voor nieuwbouwstallen en een aantal specifiek voor bepaalde subsectoren (rundveebedrijven, varkensbedrijven of pluimveebedrijven). Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 169/213

170 Techniek Beschrijving techniek Toepassing op het bedrijf Verdere mogelijkheden/ milderende maatregelen Huidige situatie Geplande situatie Toepasbaar voor alle veeteeltbedrijven Opstellen waterbalans Ja, zie discipline water Ja, zie discipline water Grof vuil verwijderen door droog Wordt gedaan Blijft ongewijzigd reinigen Goed gebruik van de Mors- en lekverliezen ter hoogte van de drinkwatervoorziening kunnen voorkomen Drinkwatervoorziening Blijft ongewijzigd drinkwatervoorziening worden door de drinkwatervoorziening te optimaliseren o.a. qua uitvoering, locatie en positie (aangepaste hoogte in functie van het gewicht van het dier en aangepast debiet). Door lekken onmiddellijk te repareren en de drinkwatervoorziening regelmatig te ijken kan waterverspilling worden vermeden. gebeurt via drinknippels met cups en drinktorens, alles wordt regelmatig gecontroleerd. Gebruik maken van alternatieve waterbronnen Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen klassieke waterbronnen zoals leiding- en grondwater, en alternatieve waterbronnen zoals hemel-, captatie- en recuperatiewater. Grondwater mag enkel gebruikt worden voor hoogwaardige toepassingen. In de huidige situatie wordt geen gebruik gemaakt van regenwater In de toekomst worden twee hemelwaterputten van elk 30 m³ aangelegd. Regenwater zal gebruikt worden voor laagwaardige toepassingen. Afvalwater dat mestdeeltjes bevat opvangen en uitrijden op het land Het reinigingswater van de stallen wordt Er zal een opvang voor reinigingswater Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 170/213

171 Techniek Beschrijving techniek Toepassing op het bedrijf Verdere mogelijkheden/ milderende maatregelen Huidige situatie Geplande situatie opgevangen in de voorziene opvang. (citernes van 5 m³) en van 200 m³ voorzien worden voor de 4 stallen samen. conform het mestdecreet afgezet. Opstellen nutriëntenbalans Ja Ja Toepassen precisievoedering Om uitscheiding van nutriënten via de mest te beperken dient het voeder optimaal Het bedrijf maakt Blijft ongewijzigd afgestemd te worden op de behoefte van de dieren in de diverse productiestadia. gebruik van meerfasenvoedering met laag fosfor en laag eiwit gehalte Vloerbevuiling zoveel mogelijk Mogelijke maatregelen ter voorkoming van vloerbevuiling zijn: voorkomen Het zuiver houden van vloeren en wanden; Wordt gedaan Wordt gedaan Regelmatige afvoer van mest en urine; Wordt gedaan Wordt gedaan Manueel schoonmaken van roosters; Nvt Nvt Vaste mest verwijderen buiten de pot in een potstal Nvt Nvt Mestschuiven e.d. regelmatig gebruiken en goed onderhouden Nvt Nvt Voldoende mestopslagcapaciteit De mestopslagcapaciteit moet minstens voldoende zijn om de mest te kunnen Na de ronde wordt de Blijft ongewijzigd voorzien opslaan tot het moment waarop deze verder kan worden be- en/of verwerkt of op het land kan worden gebracht. De minimale vereiste opslagcapaciteit is o.a. afhankelijk van de hoeveelheid mest die op het bedrijf wordt geproduceerd en de periode waarin de mest niet mag worden uitgereden. Vlarem voorzien een minimale opslag van 9 maand, tenzij er mogelijkheden zijn om mest af te voeren (zonder deze op het land te brengen). mest rechtstreeks afgevoerd naar een externe verwerkingsinstallatie. Afvloeiing van mest en/of Opslagplaatsen van vaste dierlijke mest buiten de stal moeten zo gebouwd worden Geen externe Nvt Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 171/213

172 Techniek Beschrijving techniek Toepassing op het bedrijf Verdere mogelijkheden/ milderende maatregelen Huidige situatie Geplande situatie mestsappen voorkomen bij externe mestopsslag optimalisatie van de dat er geen afvloeiing van mest en/of mestsappen kan optreden. Dit houdt in dat een dergelijke opslag voorzien is van een mestdichte, verharde vloer en aan drie mestopslag aanwezig. Nvt. mestopslag zijden omgeven is door mestdichte wanden. De vierde zijde moet zo zijn uitgevoerd dat afspoeling van drain- en regenwater niet mogelijk is. Het drain- en hemelwater moet opgevangen worden en verzameld in mestdichte gesloten opslagruimten (aalputten). Mestaanwending afstemmen op de De hoeveelheid mest en het moment van uitrijden dient maximaal afgestemd te Na de ronde wordt de Blijft ongewijzigd betrokken landbouwgrond, gewasbehoefte en klimatologische omstandigheden worden op o.a. bodemgesteldheid, grondsoort en helling van de betrokken landbouwgrond, de soorten en groeistadium van de gewassen, en klimatologische omstandigheden zoals neerslag, windrichting en irrigatie. Het aanwenden van de mest op het land kan enkel toegestaan worden: mest rechtstreeks afgevoerd naar een externe verwerkingsinstallatie. Indien de betrokken landbouwgrond niet drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt is; De exploitant heeft geen Indien de betrokken landbouwgrond niet steil hellend is; landbouwgronden op Bij afwezigheid van waterlopen in de nabijheid (een onbehandelde strook land vrijlaten) deze exploitatie. Zo kort mogelijk voordat de maximale gewasgroei en opname van voedingsstoffen optreedt; In periodes waarin geen uitrijverbod geldt; Bij een gunstige windrichting ten opzichte van omwonenden. Mest emissiearm aanwenden, nauwkeurig doseren en gelijkmatig Emissiearm aanwenden van de mest betekent het beperken van de contacttijd van de meststof met de lucht. Bovendien dient de mest nauwkeurig gedoseerd en Nvt, geen landbouwgronden Nvt, geen landbouwgronden. verspreiden gelijkmatig verspreid te worden. Opstellen van energiebalans / uitvoeren van een energieaudit Werd nog niet uitgevoerd - Wordt aanbevolen Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 172/213

173 Techniek Beschrijving techniek Toepassing op het bedrijf Verdere mogelijkheden/ milderende maatregelen Huidige situatie Geplande situatie Regelmatige controle en reiniging Om het ventilatiesysteem optimaal te laten werken dienen de leidingen en Dit wordt gedaan Blijft ongewijzigd van leidingen en ventilatoren in mechanisch geventileerde stallen ventilatoren regelmatig gecontroleerd en gereinigd te worden. Afvalstromen minimaliseren en Het in kaart brengen van de soort en de hoeveelheid afval dat ontstaat op het Door een goede Blijft ongewijzigd volgens de meest aangewezen opties afvoeren bedrijf heeft tot doel de afvalstromen te minimaliseren en het gesorteerde afval via de meest aangewezen optie af te voeren. bedrijfsvoering wordt de hoeveelheid afval beperkt. Toepasbaar voor alle veeteeltbedrijven met nieuwbouwstallen Optimaliseren binnen de bedrijfslocatie Optimale lokalisatie omvat naast een technische beoordeling (b.v. inplanting van bedrijfseenheden tov elkaar, herlokaliseren of groeperen van geuremissiebronnen), de evaluatie van meteorologische omstandigheden (b.v. windrichting) en topografische gegevens (b.v. heuvels, waterlopen). Stallen en/of mestopslagplaatsen dienen binnen de bedrijfslocatie zoveel als mogelijk - De nieuwe pluimveestallen worden ingeplant aansluitend naast de bestaande stallen. gelokaliseerd te worden op plaatsen waar ze de minste hinder (o.a. geur) vormen voor het milieu en omwonenden. Optimaliseren van het ontwerp van het ventilatiesysteem in mechanisch geventileerde stallen Door het optimaliseren van het ontwerp van het ventilatiesysteem kan een goede temperatuursbeheersing in de stallen worden bekomen en kan de mate van ventilatie geminimaliseerd worden in de winter. - Bij nieuwbouw wordt het ventilatiesysteem geoptimaliseerd. BBT voor de subsector pluimveebedrijven Toepassen ammoniakemissiearme stalsystemen bij nieuwbouwstallen Bestaande stallen zijn ammoniakemissiearm uitgevoerd volgens het systeem P-6.4. De nieuwe stallen zullen eveneens uitgevoerd worden volgens het AEA systeem P-6.4. Het afzuigen van de stallucht en het Dit is BBT mits voldaan wordt aan de onderstaande 3 voorwaarden: Op het bedrijf zijn Plaatsing van Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 173/213

174 Techniek Beschrijving techniek Toepassing op het bedrijf Verdere mogelijkheden/ milderende maatregelen Huidige situatie Geplande situatie behandelen ervan met een Bij mechanisch geventileerde nieuwbouwstallen geen luchtwassers luchtwassers is niet gaswasser Voor diercategorieën waarvoor nog geen AEA-stalsystemen in bijlage I van het MB van 19/03/2004 zijn opgenomen aanwezig gepland. Indien naast de emissie vanuit de stal nog bijkomende emissiebronnen aangepakt moeten worden Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 174/213

175 9 GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN Het bedrijf is in vogelvlucht op ongeveer 85 m van de Nederlandse grens gelegen (gemeente Zundert). Er treden ten gevolge van het voorliggende project mogelijks grensoverschrijdende effecten op. Discipline Lucht: Geur De individuele bijdrage van het bedrijf Van Gastel Gert LV aan de geurconcentraties ter hoogte van de grens met Nederland, is in de vergunde situatie gelegen tussen de 5 en de 10 OUe/m³ als P98. Na de uitvoering van het project wordt dit > 10 Oue/m³ als P98. Ter hoogte van de dichtste woningen in Nederland ligt de individuele geurconcentratie in de nieuwe situatie tussen de 5 en de 10 Oue/m³ als P98. Bij de eerste woning in Nederland bedraagt de geuremissie in de nieuwe situatie 6,4 Oue/m³P98 en bij de tweede woning 5,8 Oue/m³P98. Ook op niveau van de cluster is er ter hoogte van woningen gelegen in Nederland, geen negatief effect te verwachten van het project. De woningen in Nederland liggen in het zuidelijk concentratiegebied. Voor een concentratiegebied buiten de bebouwde kom is de maximale geurbelasting 12 Oue/m³ als P98. Stof Wat betreft de stofemissies van het bedrijf, ligt de bijdrage van het bedrijf Van Gastel Gert LV ter hoogte van de grens met Nederland in de vergunde situatie tussen de 0,93 en de 3,1 µg/m³. In de nieuwe situatie stijgt dit tot >3,1 µ/m³ voor PM10 aan de grens. In Nederland zijn er 2 bijkomende woningen die een belangrijke bijdrage ondervinden van het project Van Gastel Gert LV zonder dat dit er evenwel toe leidt dat de grenswaarden overschreden worden. Bij de eerste woning over de grens bedraagt de stofconcentratie in de nieuwe situatie 1,4 µg/m³ bij de tweede woning 1,0 µg/m³. Wordt echte de reductie van de stofbak in rekening gebracht dan daalt de stofconcentratie ter hoogte van beide woningen. Bij de eerste woning wordt de concentratie 1,1 µg/m³ bij de tweede woning 0,7 µg/m³. Hier dient er wel aan toegevoegd te worden dat de term belangrijk effect reeds gehanteerd wordt vanaf een bijdrage van 3% op 31,3 µg/m³, terwijl in Nederland er sprake is van een niet in betekenende mate van impact tot 3% van 40 µg/m³. Het in Vlaanderen gehanteerde beoordelingskader (en terminologie) kan dan ook als veel strenger aanzien worden dan het Nederlandse. Discipline Water: In de huidige situatie wordt een daling van de watertafel van 10 cm bereikt op 14 m. In de toekomstige situatie blijft dit hetzelfde voor zowel grondwaterwinning 1 als 2 op 14 m. In Nederland zijn er geen effecten te verwachten van het project m.b.t. het aspect water. Discipline Bodem: In Nederland zijn er geen effecten te verwachten van het project m.b.t. het aspect bodem. Discipline Geluid: In Nederland zijn er geen effecten te verwachten van het project m.b.t. het aspect geluid. Discipline Mens: In Nederland zijn er geen effecten te verwachten van het project m.b.t. het aspect mens. Discipline Fauna & Flora: Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 175/213

176 Ten gevolge van het voorliggende project treden er mogelijks grensoverschrijdende effecten op voor de verzurende en vermestende deposities in Nederland. De contouren verzuring en vermesting t.a.v. de kritische lasten voor de verschillende habitattypes, rijken tot in Nederland. Echter, in de buurt van het bedrijf Van Gastel Gert LV liggen in Nederland geen beschermde natuurgebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in Nederland ligt op een afstand meer dan 15 km zijnde het vogelrichtlijngebied 'Brabantse Wal' NL en op ruim 19 km van het habitatgebied 'Het Ulvenhoutse bos' NL Op basis van de Aeriuscalculator kan aangetoond worden dat er geen stikstofdepositie is van het project t.a.v. de Brabantse Wal en het Ulvenhoutse bos Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 176/213

177 Figuur 33: Natura 2000-gebieden (Bron Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 177/213

178 Discipline Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie In Nederland zijn er geen effecten te verwachten van het project m.b.t. het aspect landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie. 10 LEEMTEN IN KENNIS Geurimpact Op Vlaams niveau zijn er de deskundigen tot op heden geen onderzoeken bekend waarbij emissiefactoren, andere dan voor varkens, werden afgeleid. Vlaamse geuremissiewaarden voor pluimvee zijn bijgevolg niet gekend. De inschatting van de geuremissie voor pluimveebedrijven wordt, wegens gebrek aan Vlaamse cijfers, op basis van emissiecijfers afkomstig uit Nederlands onderzoek uitgevoerd (zoals weergegeven volgens de Regeling geurhinder en veehouderij). Hierbij is er geen onderscheid tussen conventionele en ammoniakemissiearme stalsystemen. In het milieueffectenrapport werd de geuremissie ten gevolge van het bedrijf ingeschat op basis van een maximale bezetting. Met betrekking tot de geurnormering zelf werd een toetsing uitgevoerd aan de hand van nieuw bepaalde basisbeschermingsniveaus voor Vlaanderen. Deze beschermingsniveaus zijn echter slechts voorlopig voorgestelde niveaus (voorgesteld in het nog in opmaak zijnde visiedocument: De weg naar een duurzaam geurbeleid ) en mogen aldus nog niet als definitief vastgelegde niveaus geïnterpreteerd worden. Kwantitatieve inschatting van cumulatieve effecten is moeilijk. Op basis van informatie inzake de vergunde dierenaantallen van omliggende veeteeltbedrijven wordt getracht een ruwe inschatting te maken van de aanwezige hinder (slechts een beperkt aantal bedrijven kan binnen de scoop van de MER-studie mee in rekening worden gebracht; over deze bedrijven zijn geen detailgegevens gekend i.v.m. gebruikte stalsystemen, aantal dieren per diercategorie en aantal niet-vergunde dierenaantallen, juiste bronconfiguraties,...). Het gebruik van IFDM brengt leemtes met zich mee. Zo treedt er een grote foutenmarge op bij geurconcentraties in de nabijheid van de bron. De actualisatie van het Richtlijnenboek Lucht vermeldt : Des te dichter bij de bron, des te onnauwkeuriger worden de resultaten van de verspreidingsberekeningen. De foutenmarge op de berekende concentraties in de nabijheid van de bron kan relatief groot worden (als gevolg van gekozen gridgrootte, gebouwinvloed en andere modelbeperkingen). Het is dan ook zinledig exacte geurconcentraties toe te kennen aan woningen die worden blootgesteld aan concentraties ver boven de bovenste toetsingswaarde van 10 se of OU E per m³ als 98P. De hoogste weer te geven geurcontour is deze van 10 se of OU E per m³ als 98P. De weergave van hogere contouren of concentraties ter hoogte van de dichtstbijzijnde geurgevoelige woningen heeft hooguit een indicatieve waarde, en dient dan ook als dusdanig geïnterpreteerd te worden. Verzuring Over de gehanteerde emissiecoëfficiënten van ammoniak bestaat nog wetenschappelijke onzekerheid. Naast de uitgestoten hoeveelheden ammoniak staan ook de depositiefactoren in functie van de afstand tot het bedrijf nog ter discussie. IFDM zou ook minder geschikt zijn om ammoniakdepositie te modelleren. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 178/213

179 Kwantitatieve inschatting van cumulatieve effecten is moeilijk. Het inschatten van het exacte effect van groenelementen is niet mogelijk. Gezien er bij de IFDM modelberekening inzake verzurende en vermestende depositie telkens slechts één depositiefactor kan gehanteerd worden, en deze factoren sterk functie zijn van het type vegetatie, zijn de berekende deposities slechts als indicatieve waarden te aanzien. Geluidshinder De geluidsniveaus van geluidsbronnen worden niet gemeten. Toch kan naar verwachting op basis van geluidsniveaus uit de literatuur, technische brochures en eerdere metingen in combinatie met mathematische wetmatigheden een vrij realistisch beeld van de geluidsniveaus bekomen worden. Bij de inschatting van de geluidsproductie door ventilatoren kan enige overschatting optreden wegens het feit dat het drempeleffect van de stal zelf niet gekend is. De gebruikte berekening is dan ook een slechtste geval benadering. Stofhinder De simulatie van de PM10- en PM2,5-emissie is eveneens gebaseerd op algemene waarden. Bedrijfsspecifieke metingen zijn niet beschikbaar. De achtergrondwaarde inzake de PM10 binnen het studiegebied kan slechts benaderend bepaald worden. Over de gehanteerde stofemissiecoëfficiënten bestaat nog wetenschappelijke onzekerheid. Het inschatten van het exacte effect van groenelementen is niet mogelijk. Samenvattend kan gesteld worden dat de aanwezige leemten zo goed mogelijk ingevuld werden. Ingeval van onzekerheden is hiervoor uitgegaan van een worstcase scenario benadering. Deze leemten hebben echter geen wezenlijke invloed gespeeld op de algemene besluitvorming voor het voorliggende project. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 179/213

180 11 MONITORING EN EVALUATIE 11.1 CONTROLE Door de overheid, als mede door de geldende wetgevingen, zijn er verschillende maatregelen opgelegd en gegevens opgemeten en/of gerapporteerd, dewelke het (gedeeltelijk) mogelijk maken op te volgen hoe het bedrijf ten opzichte van bepaalde milieueffecten evolueert. Hier worden de verschillende relevante elementen aangehaald en bondig toegelicht GEURHINDER KLACHTENOPVOLGING OP GEMEENTELIJK NIVEAU Met betrekking tot geurhinder worden eventuele klachten geregistreerd op de betreffende gemeentelijke milieudiensten. Indien noodzakelijk worden de klachten doorgegeven aan de milieu-inspectie, die deze klachten verder onderzoekt VERZURING SECTORALE OPVOLGING OP GEWESTELIJK NIVEAU Voor de opvolging van de verzuringsproblematiek wordt specifiek op bedrijfsniveau geen monitoring voorgesteld. De verzuringsproblematiek dient eerder sectoraal en op gewestelijk niveau opgevolgd te worden (MINA-plan) VERSTORING WATERHUISHOUDING DEBIETMETER GRONDWATER Sinds 1 juli 1997 moet iedere heffingsplichtige grondwaterwinning uitgerust zijn met een debietmeter, die het opgepompte volume grondwater bepaalt. Deze teller moet geplaatst worden voor het eerste aftappunt van het gewonnen grondwater. VLAREM II bepaalt de voorwaarden waaraan deze meetinrichting moet voldoen (afdeling ). Deze maatregel en de vergunningsplicht hebben tot doel de kwaliteit en de kwantiteit van de grondwaterreserves en de omgeving van de waterwinning (waterpomp) voor schade te behoeden. Op het bedrijf is een debietmeter aanwezig op de grondwaterwinning. Naar de toekomst toe wordt het verbruik verder opgevolgd en kan nagegaan worden hoe het bedrijf verder kan besparen op het gebruik van grondwater BODEMVERONTREINIGING In overeenstemming met de Vlarem II-wetgeving dienen de mazouttanks ten minste om de 3 jaar onderzocht te worden door een erkend deskundige (of door erkend technicus in geval van mazouttanks zonder verdeelslang). Dit onderzoek heeft betrekking op de inzage van het vorige rapport, de algemene staat van de installatie, de doeltreffendheid van de overvulbeveiliging en de aanwezigheid van water en slib in de houder en van verontreiniging buiten de houder. Er dient op gelet dat de tanken van het bedrijf consequent gekeurd worden VERMESTING MAP-MEETPUNTEN De exploitant dient verder mee de evolutie van de nitraatconcentratie binnen het deelbekken waarin hij actief is op te volgen. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 180/213

181 EMISSIES STOOKINSTALLATIES Voor stookinstallaties met een vermogen van 300 tot kw geldt cfr Vlarem-II, 5.43 een 5-jaarlijkse meetverplichting. Uitvoering van deze metingen is niet noodzakelijk gezien de individuele branders een vermogen hebben van minder dan 300 kw. 12 TEWERKSTELLINGS- EN INVESTERINGSRAPPORT 12.1 TEWERKSTELLING Het bedrijf is een gezinsbedrijf. Dit blijft ook in de toekomst het geval INVESTERINGEN In het kader van het voorliggende project voorzien de initiatiefnemer investeringen inzake de bouw van twee nieuwe pluimveestallen. Eveneens wordt een aanleg van hemelwateropvang en reinigingswater voorzien, evenals de verdere aanleg van groenaanplant DUURZAAM GEBRUIK VAN GRONDSTOFFEN EN GOEDEREN Alle gebouwen en inrichtingen worden geconstrueerd conform de landbouwtechniek en de geldende milieuwetgeving. De aard, hoeveelheid en herkomst van de gebruikte materialen en de aard, hoeveelheid en bestemming van de te produceren goederen wordt toegelicht in deel 3.5. Het bedrijf evalueert zelf de productie en de hiervoor gebruikte methodes aan de hand van een technische boekhouding en op basis van ervaring. De resultaten hiervan laten de bedrijfsleider toe om zijn productiemethode en de keuze van de grondstoffen (dieren en voeders) te evalueren. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 181/213

182 13 SYNTHESE MILIEUEFFECTEN EN MILDERENDE MAATREGELEN 13.1 GEUR EN LUCHT Inzake de discipline lucht werd de impact van het bedrijf bekeken inzake geurhinder, stofhinder, ammoniakemissie en emissie broeikasgassen. In de vergunde situatie gaat het bedrijf gepaard met: Een geuremissie van OU E/s. Deze geuremissie veroorzaakt samen met de emissies van andere bedrijven behorende tot dezelfde bronnencluster een negatief effect op 3 woningen. Deze woningen zijn allen gelegen in agrarisch gebied. Van deze 3 woningen behoort 1 woning tot een landbouwbedrijf uit de cluster. Er is een matig negatief effect voor 5 woningen, waarvan 2 woningen behorende tot een landbouwbedrijf. Voor 3 woningen in agrarisch gebied (en een 3-tal woningen in Nederland) is er tenslotte een gering negatief effect. Volgens de afstandsregels is er geen of verwaarloosbaar effect. In de huidige situatie is de geuremissie identiek als de vergunde situatie, maar de uitstoot is anders omwille van de plaatsing van een stofbak en een warmtewisselaar. Hierdoor is er een verschuiving van het effect op de omgeving. Er zijn ook 3 woningen met een negatief effect (waarvan 1 behorend tot een landbouwbedrijf), 3 woningen met een matig negatief effect en 5 woningen met een gering negatief effect (waarvan 2 behorende tot een landbouwbedrijf), en een 3-tal woningen in Nederland met een gering negatief effect. De vergunde PM10-emissie bedraagt kg, in de huidige situatie bedraagt de PM10-emissie kg. Zowel in de vergunde als in de huidige situatie zijn er geen woningen die een belangrijke bijdrage ondervinden. In de vergunde situatie is er 1 woning die een belangrijke bijdrage, en 2 woningen die een beperkte bijdrage ondervinden. In de huidige situatie zijn er geen woningen met een belangrijke bijdrage, en 3 woningen met een beperkte bijdrage (waarvan 2 behorende tot een landbouwbedrijf). In de huidige situatie zijn de bestaande stallen immers ammoniakemissiearm uitgevoerd, en is de uitstoot anders door de plaatsing van een stofbak. Er werd echter nog geen rekening gehouden met een eventuele stofreductie door de stofbak. De vergunde/huidige PM2,5-emissie bedraagt 128 kg. In de vergunde/huidige situatie zijn er geen woningen die een effect ondervinden van het bedrijf Van Gastel Gert LV. In de vergunde situatie is er een ammoniakemissie van kg NH 3/kg. In de huidige situatie is er een ammoniakemissie van kg NH 3/jaar door de plaatsing van ammoniakemissiearme systemen op de bestaande stallen. Voor de verzurende en vermestende impact van deze emissie, wordt verwezen naar de discipline Fauna en Flora. Een broeikasgasemissie (CH 4, N 2O en CO 2) van 195 ton CO 2-equivalenten ten gevolge van de dieren en het verbranden van fossiele brandstoffen. Hiermee heeft het bedrijf een bijdrage van 0,0002% van de CO 2-uitstoot in Vlaanderen. In de nieuwe situatie gaat het bedrijf gepaard met: Een geuremissie van OU E/s. Deze geuremissie veroorzaakt samen met de emissies van andere bedrijven behorende tot dezelfde bronnencluster een negatief effect op 3 woningen (waarvan 1 woning behoort tot een landbouwbedrijf). Deze woningen zijn allen gelegen in agrarisch gebied. Er is een matig negatief effect voor 5 woningen (en 2 woningen in Nederland). Van deze 5 woningen zijn er 2 woningen die behoren tot een landbouwbedrijf. Voor 3 woningen in agrarisch gebied (en 3 woningen in Nederland), Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 182/213

183 is er een gering negatief effect. Het aantal woningen dat een effect ondervindt blijft dus gelijk, er is wel een verschuiving van gering naar matig negatief effect. In Nederland zijn er wel 2 bijkomende woningen, echter ook behorende tot landbouwbedrijven. Er is een stijging van de geurconcentraties waar te nemen, die echter beperkt blijft tot max. 50% van het verschil tussen de vergunde/huidige geurimmissie en 10 OUe/m³ als 98P. voor de woningen gelegen rond bedrijf3 in de cluster is er een hogere geurconcentratie die status quo blijft in de nieuwe situatie, en die louter te wijten is aan de geuremissie van bedrijf 3 uit de cluster. Het bedrijf Van Gastel Gert LV heeft geen invloed op deze woningen. Een jaarlijkse PM10-emissie van kg ten gevolge van stalemissies. In de nieuwe situatie is er 1 bijkomende woning die een belangrijke bijdrage ondervindt van fijn stof t.o.v. de vergunde situatie. T.o.v. de huidige situatie is er 1 bijkomende woning, maar ook een verschuiving van een woning van een beperkte bijdrage naar een belangrijke bijdrage. Het betreft de woning van een naburig landbouwbedrijf. In Nederland zijn er 2 bijkomende woningen die een belangrijke bijdrage ondervinden van het project Van Gastel Gert LV. Hier dient er wel aan toegevoegd te worden dat de term belangrijk effect reeds gehanteerd wordt vanaf een bijdrage van 3% op 31,3 µg/m³, terwijl in Nederland er sprake is van een niet in betekenende mate van impact tot 3% van 40 µg/m³. Het in Vlaanderen gehanteerde beoordelingskader (en terminologie) kan dan ook als veel strenger aanzien worden dan het Nederlandse. Een jaarlijkse PM2,5-emissie van 256 kg ten gevolge van stalemissies. Net zoals voor verandering zijn er geen woningen die een effect ondervinden. Een ammoniakemissie van kg NH 3/jaar. Voor de verzurende en vermestende impact van deze emissie, wordt verwezen naar de discipline Fauna en Flora. Een broeikasgasemissie (CH 4, N 2O en CO 2) van 389 ton CO 2-equivalenten ten gevolge van de dieren en het verbranden van fossiele brandstoffen. Hiermee heeft het bedrijf een bijdrage van 0,0005% van de CO 2-uitstoot in Vlaanderen. Opmerking : ten aanzien van de hierboven opgenomen evaluatie dient aangegeven te worden dat de impact binnen de eigen bedrijfsgrens in feite niet dient beoordeeld te worden. Milderende maatregelen Het bedrijf maakt in de huidige situatie reeds gebruik van het ammoniakemissiearme stalsysteem P-6.4. Warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag. De bestaande stallen zijn voorzien van een stofbak aan de kopgevel van de stallen. Een stofbak zorgt voor de reductie van de stofuitstoot. Dit steunt op het principe om lucht af te buigen. De horizontale luchtstroom wordt omgebogen naar een verticale luchtstroom, waardoor de emissies hoger zullen uitgestoten worden. Een bijkomend voordeel valt te verwachten doordat er meer stof ter plekke zal neerslaan. Er kan dus vanuit gegaan worden dat dit een reducerend effect heeft op de stofemissies van het bedrijf (vnl. ten aanzien van de grovere fracties). Er zijn evenwel geen gegevens bekend m.b.t. het emissiereducerend effect inzake PM10. Een stofbak werkt met het principe van impactie en inertiedepositie. De uitstromende lucht wordt sterk van richting veranderd (horizontaal naar verticaal). Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 183/213

184 Kleinere deeltjes zullen geneigd zijn de luchtstroom te volgen, terwijl grotere deeltjes uit de bocht vliegen en botsen tegen de wand van de stofbak. Door de zwaartekracht vallen de deeltjes vervolgens naar beneden en worden uit de lucht verwijderd. Een deel van het stof blijft ook aan de wand kleven. In het rapport BBT fijnstof van de Wageningen Universiteit wordt het verwijderingsrendement van een droogfilterwand ingeschat op 20-40% (bij een droogfilterwand wordt ook gebruik gemaakt van impact om tot een emissie reducerend effect te komen). Voor de berekeningen in dit MER werd geopteerd om de ondergrens van 20% reductie van een droogfilterwand te hanteren voor de stallen met een stofbak. Dit is louter een zeer indicatieve schatting. Voor PM10 hebben we dan in de huidige situatie een emissie van kg/j. Voor PM 2,5 is een reductie van 20% waarschijnlijk een overschatting, en wordt de reductie niet doorgerekend. In de huidige situatie werd nog geen rekening gehouden met een reductie van de stofemissies. Als geurbeïnvloedende maatregelen inzake voeder en voederwijze wordt in de BBT-studie het toedienen van meerfasenvoedering aangehaald. Doordat de voeders beter afgestemd zijn op de specifieke behoefte van de dieren, daalt de stikstofexcretie in de mest. Ook toediening van eiwitarm voeder heeft een significante reductie in de stikstofexcretie in de mest tot gevolg. Het bedrijf maakt gebruik van meerfasenvoeders met verlaagd fosforgehalte en ruw eiwitgehalte. Dit effect is niet meegenomen in de berekening van de geurconcentraties, de bekomen resultaten zijn dus een worst-case scenario. Bij het vullen van de silo s wordt gebruik gemaakt van stofzakken. De stallen worden op regelmatige basis intensief gereinigd. Dit resulteert in een beperking van de geuremissie. Het aantal transporten op het bedrijf wordt geoptimaliseerd, waardoor stofopwaaiing, slijtage emissies en emissies van verbrandingsgassen door het verbruik van mazout wordt beperkt. Het bedrijfsterrein wordt zo goed als kan proper en stofvrij gehouden. Door het bedrijf worden eveneens een aantal maatregelen bijkomend gepland: De nieuwe stallen worden eveneens voorzien van het ammoniak emissiearm systeem P-6.4. Warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag. Naast de bestaande stallen zullen ook de nieuwe stallen voorzien worden van een stofbak aan de kopgevel van de stallen. Een stofbak zorgt voor de reductie van de stofuitstoot. Dit steunt op het principe om lucht af te buigen. De horizontale luchtstroom wordt omgebogen naar een verticale luchtstroom, waardoor de emissies hoger zullen uitgestoten worden. Een bijkomend voordeel valt te verwachten doordat er meer stof ter plekke zal neerslaan Verder worden er nog een aantal aanbevelingen gedaan voor het bedrijf Van Gastel Gert LV: De aanwezige groenelementen dienen dus zeker behouden te blijven en kan verder uitgebouwd worden. Een positief effect hiervan kan zeker verwacht worden. Bij de modellering werd geen rekening gehouden met de groenelementen, zodat dit als een worst-case scenario beschouwd kan worden. Gezien luchtwassers op pluimveestallen met grondhuisvesting moeilijk toepasbaar zijn, lijken volgende Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 184/213

185 maatregelen op het bedrijf best inpasbaar: - aanbrengen van een plantaardige oliefilm over het strooisel in de stal -> mogelijke reductie: 50-90% - goed strooiselmanagement -> mogelijke reductie: 10-50% Aangezien momenteel nog onderzoek loopt rond de techniek om een plantaardige oliefilm aan te brengen op het strooisel, lijkt het aangewezen om de resultaten hiervan af te wachten, vooraleer deze techniek op te leggen. Voorlopig wordt dus aangeraden om een goed strooiselmanagement toe te passen. Aanbevolen wordt om op het bedrijf een energieaudit te laten uitvoeren, opdat een goed zicht zou bekomen worden op het energieverbruik. Via zo n audit kunnen veelal enkele besparende maatregelen doorgevoerd worden. Eveneens kan bij het uitvoeren van een energieaudit aandacht besteed worden aan de mogelijkheid voor het bedrijf tot het duurzaam opwekken van energie WATER Inzake de discipline water werd de impact beoordeeld van het bedrijf en van het geplande project op de drie watersysteemcomponenten: grondwater, oppervlaktewater en watergebruik. Onder de kippenstal komt er geen mestkelder maar bij hoge grondwaterstand zal bronbemaling bij de aanlegfase van de stal toch noodzakelijk zijn. Bronbemaling zal enkel nodig zijn tijdens de aanlegfase van de stal gedurende maximaal 3 maanden. Voor wat betreft de bronbemaling tijdens de aanlegfase wordt verwacht dat er mogelijk in beperkte mate een bemaling nodig zal zijn. De invloedssfeer van de bemaling reikt enkel tot binnen het bedrijfsterrein zelf. Gezien de korte bemalingsduur en het beperkte debiet wordt er geen of verwaarloosbaar effect verwacht. Inzake de eigen grondwaterwinning wordt er zowel in de huidige als de toekomstige situatie geen of een verwaarloosbaar effect op groengebieden veroorzaakt. Op de dichtste naburige grondwaterwinning valt zowel in de huidige als de toekomstige situatie een matig negatief effect te verwachten. Op het bedrijf is er zowel in de huidige als toekomstige situatie opslag van bepaalde risicostoffen. Het ontbreken van een periodieke keuring van de petroleumtank in de huidige situatie wordt beoordeeld als een matig negatief effect. Na keuring van de bestaande tank en het plaatsen van nieuwe tanken conform de VLAREM-wetgeving wordt de toekomstige situatie beoordeeld als een gering negatief effect. Opslag van reinigings-, ontsmettings-, en ongediertebestrijdingsmiddelen worden beoordeeld als een gering negatief effect doordat gebruik gemaakt wordt van erkende producten die op een veilige plaats worden gestockeerd. In de huidige situatie is er onvoldoende opslag van reinigingswater waardoor wordt uitgegaan van een matig negatief effect. Door in de nieuwe situatie voldoende opslagcapaciteit te voorzien, wordt dit als een gering negatief effect beschouwd. Aangezien er geen opslag is van kippenmest en peilputten niet vereist zijn, wordt zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie uitgegaan van geen effect. In de huidige situatie infiltreert het hemelwater dat valt op de verharding in de bodem rond het bedrijf. Het hemelwater dat valt op de bestaande kippenstallen, loods en noodwoning wordt afgevoerd naar de beek. Er is Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 185/213

186 niet voldaan aan de stedenbouwkundige verordening van 1 oktober 2004 waardoor dit als een negatief effect wordt beschouwd. In de toekomstige situatie zal ook het hemelwater dat valt op de bijkomende verharding infiltreren in de onverharde randzone in het akkerland. Het hemelwater afkomstig van iedere stal, wordt telkens opgevangen in een hemelwaterput van 15 m³, die overloopt in een infiltratievoorziening met een infiltratieoppervlakte van 315 m² en een buffervolume van 200 m³. In de toekomstige situatie is voldaan aan de stedenbouwkundige verordening waardoor er wordt uitgegaan van geen of verwaarloosbaar negatief effect. Het huishoudelijk afvalwater van de woning wordt zowel in de huidige als toekomstige situatie geloosd op het oppervlaktewater na behandeling in een individuele zuiveringsinstallatie. Er wordt uitgegaan van een gering negatief effect. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is het totale werkelijk waterverbruik < of = de theoretische waterbehoefte waardoor wordt uitgegaan van geen of verwaarloosbaar effect inzake waterverbruik. In de huidige situatie wordt enkel grondwater aangewend, dit voor zowel hoog- als laagwaardige toepassingen. Hierdoor wordt de huidige situatie als een negatief effect beschouwd. Door in de toekomstige situatie het hemelwater te gebruiken voor laagwaardige toepassingen, met name het reinigen van de stallen en enkel nog grondwater te gebruiken voor hoogwaardige toepassingen, wordt dit als een gering negatief effect beschouwd.. De invloedssfeer van de bemaling reikt enkel tot binnen het bedrijfsterrein zelf. Binnen deze straal liggen geen bedrijfsvreemde grondwaterwinningen. Er wordt dus geen of verwaarloosbaar effect verwacht. Milderende maatregelen Er wordt geen bedrijfsafvalwater geloosd. Het huishoudelijk afvalwater wordt gezuiverd in een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie. Gebruik van erkende producten. De stallen worden eerst droog gereinigd alvorens nat schoon te spuiten. Periodieke reiniging verharde oppervlakten om afspoelen potentiële verontreiniging te voorkomen. Alle kippenmest wordt afgevoerd naar een composteringsbedrijf. Geplande maatregelen: Keuring van de bestaande petroleumtank Voldoende opslagcapaciteit wordt voorzien voor de opvang van reinigingswater. Het hemelwater van de bestaande en de nieuw te bouwen stallen zal opgevangen worden en gebruikt worden voor het reiningen van de stallen. De overloop van de hemelwaterputten zal aangesloten worden op een infiltratievoorziening. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 186/213

187 Verdere mogelijkheden of aanbevelingen: Volgende tips zijn belangrijk voor een duurzaam watergebruik op bedrijfsniveau: Herstel lekken zo snel mogelijk en laat het water niet onnodig lopen Verder gebruik maken van een waterzuinige hogedrukreiniger. Hiermee kan het waterverbruik in vergelijking met een klassieke tuinslang tot de helft teruggebracht worden. De meest efficiënte hogedrukreinigers hebben een debiet van 6,5 l/min. Zowat alle types laten het gebruik van alternatieve waterbronnen vrij van bezinkbare deeltjes- toe. Bij gebruik van niet-leidingwater raden de producenten een extra voorfilter aan. Zorg bij het gebruik van een hogedrukreiniger altijd voor voldoende verluchting. Gebruik van goede drinkbakken, nippels en dergelijke. Vermijd mors- en lekverliezen door het afstellen van vlotter, 13.3 BODEM Door de bouw van de nieuwe stallen wordt er grond uitgegraven. Het grondverzet bedraagt m³ en is bijgevolg groter dan 250 m³, waardoor een technisch verslag nodig is. De uitgegraven grond wordt gebruikt om ter plaatse te egaliseren. De kippenmest wordt onmiddellijk na iedere ronde afgevoerd naar een externe mestverwerkingsinstallatie. De nieuwe pluimveestallen worden gebouwd op een perceel akkerland, met een matige waardering voor landbouw. Bijgevolg wordt uitgegaan van geen of een verwaarloosbaar effect. Milderende maatregelen De nieuw te bouwen stallen zijn uitgerust met een volle betonnen vloer zodat uitspoeling van mestdeeltjes naar de bodem en het grondwater verhinderd wordt. Jaarlijks wordt een mestaangifte gedaan. Geplande maatregelen: Rekening houdende met een grondverzet van meer dan 250 m³ dient de initiatiefnemer volgens Vlarebo (hoofdstuk XIII) een technisch verslag te laten uitvoeren ter bepaling van de kwaliteit van de te verzetten grond. Er dient voldaan te worden aan de Vlarebo- en Vlarea-wetgeving. De extra mest die geproduceerd wordt in de toekomstige situatie wordt eveneens voor 100 % naar een externe mestverwerkingsinstallatie vervoerd. Indien er toch calamiteiten zouden optreden die een impact kunnen hebben op de bodem of het grondwater, worden zo snel mogelijk de nodige acties ondernomen om de verontreiniging weg te nemen of om de verdere verspreiding van de verontreiniging te voorkomen, bv. door de verontreinigde grond af te voeren naar een daartoe vergunde inrichting. Uiteraard dienen hierbij de wettelijke bepalingen gevolgd te worden. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 187/213

188 13.4 GELUID Voor de discipline geluid worden de relevante geluidsbronnen op het bedrijf bepaald, zijnde de continue geluidsbronnen (ventilatoren) en de incidentele geluidsbronnen (transporten). De beoordelingspunten zijn de dichtste woning en 200 m van de perceelsgrens. De onmiddellijke bedrijfsomgeving wordt gekenmerkt door zijn agrarisch karakter. Deze activiteiten leveren een bijdrage aan de geluidsbelasting. In de nabije omgeving zijn nog een aantal veeteeltbedrijven aanwezig. Binnen een straal van 200 m van de bedrijfspercelen, zijn er 4 woningen gesitueerd, waarvan er 2 woningen behoren tot een landbouwbedrijf. De meest nabijgelegen woning is de woning gelegen Huisheuvelstraat 54 ten ZO van het bedrijf. Op Nederlands grondgebied zijn er eveneens een 4-tal woningen gelegen binnen de 200 m van de perceelsgrens. hiervan is er 1 woning van een landbouwbedrijf, en 1 woning van een tuinbouwbedrijf. Als referentiewaarde voor het oorspronkelijk omgevingsgeluid in stille agrarische gebieden kan dan voor het L A95,1h voor de dagperiode 35 db(a), avondperiode 30 db(a) en 25 db(a) voor de nachtperiode gehanteerd worden. In de vergunde situatie zijn er 28 ventilatoren aanwezig op twee stallen. In de vergunde situatie heeft elke stal 9 dakventilatoren (82 db(a)) en 5 ventilatoren in de achtergevel (85 db(a)). In de huidige situatie zijn er 24 ventilatoren aanwezig. De stallen 1 en 2 zijn reeds omgevormd naar het systeem P-6.4 en hebben elk 12 ventilatoren in de achtergevel geplaatst voor een stofbak (70 db(a)). Er is een geluidsdemping door de stofbak. In de gewenste situatie zijn er 48 ventilatoren aanwezig in de achtergevels van 4 stallen met stofbak. De basisvergunning van het bedrijf dateert van na 1 januari 1993 en is dus een nieuwe inrichting volgens Vlarem II. De ventilatoren op zich zijn geen ingedeelde inrichtingen volgens Vlarem II. We beschouwen al de ventilatoren op het bedrijf als nieuwe geluidsbronnen (vergund na 1993). Er wordt getoets aan de grenswaarde voor een nieuwe inrichting. Continue geluidsbronnen: In de vergunde situatie geldt voor de continue bronnen volgens het significantiekader dat er t.h.v. de dichtste woning tijdens de avond en tijdens de nacht een zeer significant negatief effect is. Ook t.h.v. 200 m van de perceelsgrens is er tijdens de nacht een zeer significant negatief effect. Voor de overige periodes/punten is er een matig negatief effect. Hier dient wel opgemerkt te worden dat er bij de bepaling van de geluidshinder geen rekening wordt gehouden met afscherming. Tussen het bedrijf en de dichtste woning zijn er diverse groenaanplantingen aanwezig. In de huidige situatie is de beoordeling meer gunstig, aangezien alle ventilatoren geplaatst werden voor een stofbak. In de huidige toestand wordt er voor de continue geluidsbronnen voldaan aan de grenswaarde voor een nieuwe inrichting. Er is een verhoging van het omgevingsgeluid. Enkel voor de meest nabijgelegen woning tijdens de nacht is er een matig negatief effect. Voor de overige periodes/punten is er geen tot een verwaarloosbaar effect. Bijgevolg dienen geen milderende maatregelen genomen te worden voor het bedrijf in de huidige toestand. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 188/213

189 In de gewenste situatie is er voor de uitbreiding met de 24 ventilatoren op de 2 nieuwe stallen, geen effect of een verwaarloosbaar effect te verwachten ter hoogte van alle beoordelingspunen en tijdens alle beoordelingsperiodes. Voor de gewenste situatie in zijn geheel is t.h.v. de beoordelingspunten en tijdens alle beoordelingsperiodes het specifieke geluid van alle ventilatoren samen (48 ventilatoren) lager dan de milieukwaliteitsnorm in agrarisch gebied voor de dag-, avond- en nachtperiode. Incidentele geluidsbronnen: De transporten die voorkomen op het bedrijf, beschouwen we als incidentele bronnen. Ook de incidentele bronnen worden afgetoetst aan de grenswaarde voor nieuwe inrichtingen. Uit de toetsing blijkt dat het L Aeq,1s van de incidentele bronnen ter hoogte van de verschillende beoordelingspunten tijdens de dag voldoen aan de grenswaarde. Tijdens de nacht is er een overschrijding van de grenswaarde voor het stationair draaien van de vrachtwagen t.h.v. de woning, maar niet t.h.v. de perceelsgrens. De overschrijding t.h.v. de woning betreft 8,1 db(a). In het verleden zijn er geen klachten geweest i.v.m. geluidshinder. De exploitant zorgt ervoor dat het laden van de dieren rustig verloopt. De motor wordt stilgelegd. De exploitant kan eventueel ervoor zorgen dat ook het laden van de dieren overdag zou plaatsvinden. Er zijn geen nieuwe incidentele bronnen. De transporten die voorkomen zijn reeds bestaande activiteiten. Er is wel een toename van de frequentie van deze transporten in de nieuwe situatie. In de bestaande toestand spreken we van gemiddeld 5,3 transporten (met vrachtwagen) per week. In de toekomstige toestand is er een toename van het aantal tot 9,5 transporten per week. In het verleden zijn er eveneens geen klachten geweest i.v.m. geluidshinder. Voor deze berekeningen werden volgende aannames gedaan: geen afscherming. Milderende maatregelen Er dient opgemerkt te worden dat de berekende effecten in dit MER wellicht een overschatting zijn. Er wordt bij de berekeningen geen rekening gehouden met de aanwezige afscherming van de geluidsbronnen door bijvoorbeeld aanwezigheid van gebouwen of groenaanplantingen. Zo zijn er tussen de meest nabijgelegen woning ten ZO van het bedrijf verschillende groenaanplantingen aanwezig. Ventilatoren zijn computergestuurd en frequentiegestuurd. Tijdens het laden en het lossen worden de motoren van de bedrijfsvoertuigen zoveel mogelijk stilgelegd. Er is reeds een groenaanplant voorzien. De stallen zijn goed geïsoleerd zodanig dat het geluid van de dienen tot een minimum zal herleid worden. De stallen blijven in de mate van het mogelijke afgesloten. Er zijn reeds stofbakken geplaatst op de bestaande pluimveestallen, waardoor het geluid van de ventilatoren gedempt wordt. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 189/213

190 De ventilatoren werden zo ver mogelijk van de meest nabijgelegen woning geplaatst. Door het bedrijf geplande maatregelen: De exploitant voorziet in een aanvulling van het bestaande groenaanplant. Op de nieuwe pluimveestallen worden eveneens stofbakken geplaatst. De ventilatoren worden eveneens zo ver mogelijk van de meest nabijgelegen woning geplaatst. Verdere mogelijkheden of aanbevelingen: Tijdens de werkzaamheden dient de initiatiefnemer er op te letten dat de aannemer de geluidshinder ten gevolge van de werken zo goed mogelijk beperkt en dat het onnodig draaien van de machines en motoren voorkomen wordt. Er moet rekening gehouden worden met een schappelijk start- en einduur van de bouwwerken, enz. Dit opdat hinder naar omwonenden zoveel mogelijk beperkt wordt. De exploitant kan overwegen om het laden van de dieren ook overdag te laten plaatsvinden MENS Het aantal zware transporten vermeerdert van 5,3 naar 9,5 per week in de geplande situatie. Het bedrijf is gelegen langs de Huisheuvelstraat 53 in Wuustwezel, dit is een lokale weg. Op ongeveer 1550 m ten O van het bedrijf ligt de gewestweg N1 (De Bredabaan) gelegen. Dit is ook de voornaamste aan- en afvoerroute van het bedrijf. Vanuit Huisheuvelstraat verloopt het transport naar de N1 via Heivelden of via de Berkendreef. Langsheen de lokale weg Heivelden richting Bredabaan liggen een aantal landbouwbedrijven en een aantal particuliere woningen. Op het einde van Heivelden kom je in een ambachtelijke zone aan de N1. Langsheen de Berkendreef liggen ook een beperkt aantal landbouwbedrijven en een aantal particuliere woningen. De bebouwing wordt dichter richting Bredabaan. Het laatste stuk van de Berkendreef is woongebied met landelijk karakter. De transporten voor het bedrijf gebeuren niet door een dorpskern, de route passeert wel Braken en nadien door Wuustwezel wanneer ze in zuidelijke richting gaat. In noordelijke richting gaat de Bredabaan over in de N263 richting Zundert. Er wordt bijgevolg uitgegaan van geen of een verwaarloosbaar effect voor de gewestweg en de locale weg in de vergunde situatie. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan voor geen of verwaarloosbaar effect voor de gewestweg en een gering negatief effect t.a.v. de locale wegen. Er worden geen effecten verwacht op de gezondheid van de mens ten gevolge van geluids-, geur- en stofhinder. Bestrijding van ongedierte gebeurt door de exploitant zelf, en wordt beschouwd als een gering negatief effect. Milderende maatregelen Het bedrijf tracht de transporten zoveel mogelijk overdag te laten doorgaan tussen 7u en 19u. Transporten tijdens het weekend worden steeds zoveel mogelijk vermeden. De meeste transporten gebeuren door de dag. Enkel de afvoer van de dieren kan s nachts gebeuren. Tijdens het laden en lossen worden de motoren van de bedrijfsvoertuigen zo veel mogelijk afgelegd. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 190/213

191 Door het bedrijf geplande maatregelen: Er zijn door het bedrijf geen verdere maatregelen gepland. Verdere mogelijkheden of aanbevelingen: De exploitant kan het aantal benodigde transporten proberen te beperken door te vermijden dat niet-volle transporten gebeuren FAUNA EN FLORA Het perceel waar de nieuwe pluimveestallen komen, staat aangeduid als biologisch minder waardevol soortenarm permanent cultuurgrasland op matig natte en natte zandbodem met duidelijke ijzer en/of humus B horizont (Zeg, Zdg). De impact wordt dan ook als verwaarloosbaar aanzien (geen of verwaarloosbaar effect). De inplanting van de stallen (naast de vergunde stallen) is op dit vlak dan ook goed gekozen. Volgens de kaart met de aanduiding van de natura-2000 gebieden is deze inrichting gelegen in een SBZ (speciale beschermingzone vogelrichtlijngebied). Het meest nabijgelegen Habitatrichtlijngebied situeert zich op ongeveer 4,9 km van de inrichting. In de ruime omgeving van het bedrijf is eveneens geen VEN-gebied gesitueerd. In een straal van 1 km rond het bedrijf (onmiddellijke omgeving van het bedrijf) liggen een beperkt aantal waardevolle vegetaties. Ten zuidoosten en zuidwesten van het bedrijf bevinden zich ook een beperkt aantal zeer waardevolle vegetaties (hp+, hp en ppmb). Er zijn eveneens een aantal complexen van waardevolle en minder waardevolle elementen aanwezig (hp, kb). Binnen een straal van 1 km rond het bedrijf komen geen habitattypes of RBB's (Regionaal Belangrijke Biotopen) voor. Net buiten deze straal komt er een habitatwaardige vegetatie voor. Het gaat om de habitatype 9190 (Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur) ten ZW op 1050 m. Verder komen er, buiten de straal van 1 km van het bedrijf, geen regionaal belangrijke biotopen voor. Als aandachtsgebied wordt het habitattype 9190 beschouwd (gelegen in vogelrichtlijngebied, niet in habitatrichtlijngebied): 9190 op 1050 m ten ZW van het bedrijf Uit de voorgestelde contouren blijken de verschillen tussen de vergunde situatie en de toekomstige situatie. Het vergroten van de contouren heeft te maken met de stijging van ammoniakproductie in de gewenste situatie. Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aandachtsgebied dat we in beschouwing nemen, nl. de habitats volgens de BWK versie 2014 kaart, er geen of een verwaarloosbaar effect te verwachten valt ten gevolge van de verzurende deposities van het bedrijf in de vergunde en in de huidige situatie voor het habitattype 9190 in SBZ-V. In de toekomstige situatie wordt dit een beperkte bijdrage voor 0,2 ha van de 1,1 ha. De contouren van vermesting vallen nagenoeg samen met de contouren van verzuring. Er kan voor vermesting eveneens geconcludeerd worden dat er voor het aandachtsgebied dat we in beschouwing nemen, nl. de habitats volgens de BWK versie 2014 kaart, er geen negatief effect te verwachten valt ten gevolge van de vermestende deposities van het bedrijf in de vergunde en de huidige situatie voor het habitattype In de toekomstige situatie wordt dit een beperkte bijdrage voor 0,1 ha. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 191/213

192 Inzake het gebruik van de eigen grondwaterwinning wordt er in de huidige en toekomstige situatie uitgegaan van geen of verwaarloosbaar effect rekening houdend met het feit dat de dat afstand tot de groengebieden aanzienlijk is, en gezien de verlaging van het waterniveau (drawdown) van 10 cm in de huidige en nieuwe situatie bereikt wordt op respectievelijk 14 m van beide winningen. Ook effecten ten gevolge van rustverstoring werden als verwaarloosbaar ingeschat. Voor de thema s direct ecotoopverlies, verdroging, rustverstoring zijn de milieueffecten op fauna en flora te verwaarlozen zodat milderende maatregelen zich niet opdringen. Milderende maatregelen Voor door het bedrijf genomen milderende maatregelen met effect op fauna en flora wordt verwezen naar de disciplines lucht, water en geluid. Door het bedrijf geplande maatregelen: De nieuwe pluimveestallen zullen conform de ter zake geldende wetgeving uitgerust worden als ammoniakemissie-arme stal volgens het systeem P-6.4. Het systeem P-6.4 betreft : Warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag. De ammoniakemissie wordt beperkt door het drogen en verwarmen van de mest-strooisellaag door middel van een warmtewisselaar en continu draaiende circulatieventilatoren. De warmtewisselaar zorgt ervoor dat warme ventilatielucht vanuit de stal verse lucht opwarmt. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt in geval van nok- of combiventilatie midden bovenin de stal in twee richtingen uitgeblazen. Vervolgens wordt deze lucht door circulatieventilatoren vermengd met de warme lucht bovenin de stal en naar de beide staluiteinden gestuwd. In geval van lengteventilatie wordt de opgewarmde verse ventilatielucht door circulatieventilatoren vermengd met de warme stallucht boven in de stal en naar het staluiteinde gedreven dat zich tegenover de ventilatoren bevindt. Via de topgevelwand(en) wordt de lucht terug over de strooisellaag geleid. Door het mengen van de stallucht wordt een gelijkmatige temperatuur in de gehele stal bereikt. De mest-strooisellaag wordt gedroogd en de zware CO2 wordt bij de dieren verdreven. Er worden stofbakken voorzien voor de nieuwe pluimveestallen. Een extra reductie van ammoniak werd hier niet mee in rekening gebracht. Hoewel we kunnen vermoeden dat hoewel er meer stof zal afgevangen worden, dit ook een gunstig effect zal hebben op de ammoniak. Voor verdere door het bedrijf geplande milderende maatregelen met effect op fauna en flora wordt verwezen naar de disciplines lucht, water en geluid LANDSCHAP, BOUWKUNDIG ERFGOED EN ARCHEOLOGIE Volgens het gewestplan is het bedrijf VAN GASTEL GERT LV volledig gelegen in agrarisch gebied. Het bedrijf ligt in een vlak landschap met blokvormige patronen van vegetaties en open ruimte. Er zijn voornamelijk open ruimtes aanwezig. Het landschap wordt eveneens gekenmerkt door een aantal land- en tuinbouwbedrijven die verspreid voorkomen in het landschap. Het bedrijf ligt vlak tegen de Nederlandse grens. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 192/213

193 Het bedrijf is in het straatbeeld aanwezig net als een andere landbouwbedrijf, een tuinbouwbedrijf en een particuliere woning. Net over de grens bevindt zich een rundveebedrijf en een sierteeltbedrijf. Het bedrijf is gelegen in het Traditionele Landschap 'Land van Brecht (310020)' in de Noorderkempen. Op 1,8 km ten ZW is een relictzone gelegen, namelijk Bos en vengebied Westdoorn en domein Sterbos (R10009)'. Op 2,3 km in oostelijke en zuidoostelijke richting ligt het lijnrelict de Oude weg Antwerpen-Breda (L 10019). Het Groot Schietveld (A10011) op ca 5 km is de enige ankerplaats die bij ministerieel besluit definitief vastgesteld werd op 08/02/2011. In de ruime bedrijfsomgeving komen geen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde monumenten of beschermde landschappen voor. Binnen een straal van 1 km is er op de inventaris bouwkundig erfgoed geen bouwkundige relicten vastgesteld. Er wordt geen invloed hierop verwacht. Het bedrijf is in het straatbeeld aanwezig net als een paar andere landbouwbedrijven. De gebouwen staan allen geordend en compact opgesteld. Een geordende inplanting van de structuren zorgt voor rust en evenwicht in het ontwerp, alsook voor de samenhorigheid van de gebouwen op het bedrijf. De gebouwen vormen één aansluitend geheel. Er is bij het bedrijf een beperkte groenaanplanting aanwezig. De opgelegde beplanting opgelegd in de stedenbouwkundige vergunning werd niet volledig uitgevoerd. Er zal door de Hooibeekhoeve een beplantingsplan opgemaakt worden om een goede inkleding van het bedrijf in het landschap te bekomen. Er treedt geen verdere versnippering op van de open ruimte, gezien de uitbreiding gebeurt in het landschap geconcentreerd ter hoogte van het bestaande bedrijf en bestaande stallen. In de toekomstige situatie wordt er eveneens rekening gehouden met een verwaarloosbare verstoring van het landschap. M.b.t. perceptieve aspecten wordt er uitgegaan van een gering negatief effect. Voor de toekomstige situatie worden de nieuwe stallen paralles gebouwd bij de bestaande stallen en gebouwen. Milderende maatregelen Er is een beperkte groenaanplant aanwezig. In de toekomst zal de beplanting aangepast worden indien nodig. Het bedrijf vormt een verzorgd onderdeel van een agrarisch landschap. De geplande maatregelen: De bestaande stallen bestaan allen uit prefab betonpanelen met rode baksteenmotief en een donker dak (zwarte golfplaten). De nieuwe stallen zullen in dezelfde materialen uitgevoerd worden als de vergunde stallen. De nieuwe infrastructuur wordt zodanig ingeplant dat ze een geheel vormt met de bestaande infrastructuren. De verdere mogelijkheden: Uitbreiding van de beplanting in functie van het erfbeplantingsplan. Het groenscherm wordt verder aangelegd, zodat een optimale inpassing in het landschap gerealiseerd wordt. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 193/213

194 14 NIET-TECHNISCHE SAMENVATTING Voor de niet-technische samenvatting wordt verwezen bijlage VERKLARENDE WOORDENLIJST abiotisch milieu aërodynamische diameter alluviaal ammoniak ammonium antropogeen autonome ontwikkeling Belgische Biotische Index biotisch bodemkaart denitrificatie depositie discipline drainageklasse ecosysteem de niet-levende materie de aerodynamische diameter van een stofdeeltje is gelijk aan de diameter van een bolvormig deeltje dat in de omgevingslucht hetzelfde gedrag vertoont als dat stofdeeltje behorend tot het alluvium, dat ontstaan is door aanslibbing van rivierklei NH 3, scherpriekend gas (= ammoniakgas) het ion NH + 4, waarvan ammoniumbasen en -zouten afgeleid worden ontstaan door menselijke activiteit de ontwikkeling die het studiegebied zou doormaken zonder gestuurde beïnvloeding van buitenaf een systeem om via de bepaling van de aanwezigheid van een aantal groepen macro-invertebraten in een waterloop de biologische waterkwaliteit van deze waterloop te beoordelen met betrekking tot de levende materie geeft de verspreiding aan van bodemseries, die elk gekenmerkt wordt door hun grondsoort, natuurlijke drainageklasse en horizontenopvolging; ze geeft ook de blijvende landbouwwaarde van de verschillende bodems aan proces waarbij bepaalde micro-organismen nitraat en nitriet omzetten in vrije stikstof en distikstofoxide, veelal onder anaërobe omstandigheden afzetting vanuit de lucht naar een ecosysteem; het is een hoeveelheid per tijdseenheid per oppervlakte-eenheid (vb. 10 kg SO 2/dag/ha) milieuaspect dat in het kader van milieueffectrapportage onderzocht wordt, door de regelgeving vastgelegd als de disciplines mens, fauna en flora, bodem, water, lucht, licht, warmte en straling, geluid en trillingen, klimaat, monumenten en landschappen en materiële goederen ontwateringtoestand van het bodemprofiel uitgedrukt volgens het Belgisch bodemclassificatiesysteem geheel van abiotische en biotische componenten en onderlinge relaties Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 194/213

195 ecotoop effecten emissie g.e. geluidsdrukniveau (L p) geurdrempel GPVB-installatie grondgebonden afzet grondverbonden afzet grondwaterkwetsbaarheid immissie indelingslijst ingreep-effect-schema initiatiefnemer kritische last ruimtelijke eenheid die homogeen is ten aanzien van de vegetatie en de abiotische standplaatsfactoren (water, bodem) die voor de vegetatie bepalend zijn veranderingen in het abiotische milieu ten gevolge van (vooral) antropogene activiteiten uitstoot van stoffen in de omgevingslucht geureenheid geeft een waarde aan de geluidsterkte (uitdrukking in decibel, db) concentratie van een gasvormige stof of van een mengsel van gasvormige stoffen die door de helft van een panel waarnemers wordt onderscheiden van geurvrije lucht; de geurdrempel heeft per definitie een geurconcentratie van één geureenheid/m³; de individuele geurdrempel is de geurdrempel die voor een individu werd vastgesteld een inrichting die als dusdanig onder de toepassing valt van de bepalingen van de titels I en II van het Vlarem inzake geïntegreerde preventie en bestijding van verontreiniging als bedoeld in de EU-richtlijn 96/61/EEG van 24/09/1996 en die de vaste technische eenheid omvat waarin de activiteiten en processen die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg difosforpentoxide; die op de in aanmerking komende tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond mag worden opgebracht de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg difosforpentoxide, waarvoor er één of meer door de Mestbank goedgekeurd(e) mestafzetovereenkomst(en) is (zijn) hiermee wordt aangegeven in welke mate een watervoerende laag beschermd is tegen verontreiniging s.l. vanaf het maaiveld de concentratie van een bepaalde stof/contaminant in de omgevingslucht de aan het VLAREM als bijlage I toegevoegde alfabetische lijst en indeling van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen schema of netwerk dat de relaties tussen de milieueffecten onderling en met de afgeleide ingrepen van de activiteit aanduidt de natuurlijke of rechtspersoon die een vergunning voor het project wenst te bekomen de maximaal toegelaten depositiewaarde per eenheid van oppervlakte en per tijdseenheid van een bepaald ecosysteem die onbeperkt kan getolereerd worden zonder dat er nadelige effecten optreden op basis van de huidige kennis Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 195/213

196 L A95,T de waarde van het geluidsdrukniveau dat wordt overschreden in 95% van de waarnemingen in de meettijd T. L A,eq het constante A-gewogen (d.i. met correctie voor het menselijk oor) geluiddrukniveau dat gedurende een tijdsinterval T dezelfde geluidsenergie zou veroorzaken als het werkelijk gemeten A-gewogen geluidsdrukniveau gedurende hetzelfde tijdsinterval T. L W, L WA M.e.r. M.e.r.-plicht MER MER-deskundige mestverwerking milderende maatregelen milieu olfactorisch Ontwikkelingsscenario OU peilbuizen percentielwaarde geluidsvermogenniveau (lineair, of A-gewogen) is de maat voor het door een bron uitgestraalde geluidsvermogen; deze eigenschap is onafhankelijk van afstand of akoestische omgeving milieueffectrapportage de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport voor hinderlijke en andere dan hinderlijke inrichtingen milieueffectrapport natuurlijke of rechtspersonen door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu als deskundige voor het opstellen van een milieueffectrapport in een of meerdere disciplines mens, fauna en flora, bodem, water, lucht, licht, warmte en straling, geluid en trillingen, klimaat, monumenten en landschappen en materiële goederen het behandelen en/of verwerken van dierlijke mest derwijze dat de nutriënten vervat in de dierlijke mest ofwel worden gemineraliseerd en de vaste residu s, die na de mineralisatie overblijven, niet op in het Vlaamse Gewest gelegen cultuurgrond worden opgebracht, tenzij deze residu s eerst zijn behandeld tot kunstmest; ofwel worden gerecycleerd en het gerecycleerde eindproduct niet op in het Vlaamse Gewest gelegen grond wordt gebracht maatregelen die voorgesteld worden om nadelige milieueffecten van het geplande project te vermijden, te beperken en zoveel mogelijk te verhelpen de fysieke, niet-levende en levende omgeving van de mens waarmee deze in een dynamische en wederkerige relatie staat betreft de geur beschrijft de evolutie van het studiegebied in de toekomst, rekening houdend met de autonome evolutie van het gebied en met de evolutie o.i.v. plannen en beleidsopties odour units tot op het grondwater geboorde putten, voorzien van een kunststof buis zodat hieruit grondwaterstalen genomen kunnen worden percentage van de tijd dat een zekere concentratie niet wordt overschreden Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 196/213

197 projectgebied het gebied waarin een voorgenomen activiteit gepland is referentiesituatie specifiek geluid studiegebied de toestand van het studiegebied, waarnaar gerefereerd wordt in functie van de effectvoorspelling, omvattende: de huidige, gewijzigde en de wenselijke situatie de getalwaarde van de component van het oorspronkelijk omgevingsgeluid die eenduidig kan toegewezen worden aan een inrichting of aan een deel van een inrichting. het gebied dat bestudeerd wordt in functie van het vaststellen van de milieueffecten en afhankelijk is van de invloedssfeer van de milieueffecten vaste mest dierlijke mest met een gehalte aan droge stof hoger dan 20 % vegetatie VITO waarnemingsdrempel zuurequivalent ruimtelijke massa van de plantenindividuen in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij spontaan en door onderlinge concurrentie hebben ingenomen Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek laagste gehalte of concentratie voor de betrokken parameter die kan worden waargenomen eenheid om de verzuringsgraad van een polluent te meten; deze eenheid staat toe om de verschillende verzurende polluenten met elkaar te vergelijken. Eén zuurequivalent komt overeen met 32 gram zwaveldioxide, 46 gram stikstofdioxide en 17 gram ammoniak Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 197/213

198 16 LITERATUURLIJST Aarnink, A.J.A. en H.H. Ellen (Veehouderij). Processen en factoren bij fijn stofemissie in de veehouderij (2006). Albers R., Beck J., Bleeker A., Van Bree L., Van Dam J., Van den Eerden L., Freijer J., Van Hinsberg A., Marra M., Van de Salm C., Tonneijck A., De Vries W., Wesselink L. en Wortelboer F. (2001). Evaluatie van de verzuringsdoelstellingen: de onderbouwing. RIVM rapport , juni Aminal, Cel Lucht. Saneringsplan fijn stof voor de zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in Vlaanderen (december, 2005). Plan in uitvoering van de richtlijnen 96/62/EG en 1999/30/EG. Anon. Dierlijk afval: Inventarisatie en juridisch kader (1996). uitgegeven door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM). Anon. Interimwet Ammoniak en veehouderij (1994). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 1994/634. Anon. Uitvoeringsregeling Ammoniak en veehouderij (1994). Staatscourant 25 augustus 1994, nr Anoniem (2004). Lozingen in de lucht Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst. 196 pp. + bijlagen Antrop M., Gulinck H., Van Looy K., De Blust G., Van Ghelue P., Melkebeke I. en Kuijken E. (1993). Structuurplan Vlaanderen. Deelfacet Open Ruimte. Eindrapport. Opdracht Plangroep Structuurplan Vlaanderen. Antrop M. (1995). Traditionele landschappen in Vlaanderen, voorlopig document van een studieopdracht, Universiteit Gent, Vakgroep geografie. -, (2001). Odour impacts and odour emission control measures for intensive agriculture. Final Report. Environmental research, R&D report series no.14. European community. Belgische Geologische Dienst ( ). Toelichtingen bij de geologische kaart van België: Vlaams Gewest. Berckmans D., Hendriks J. & Andries A. (2000). Bijdrage tot de uitbouw van beleidsmaatregelen voor de reductie van de ammoniakuitstoot door de landbouw in Vlaanderen, Deel 2: Reductietechnieken voor de ammoniakemissie. Bervoets L., Schneiders A. en Verheyen R.F. (1990). Onderzoek naar de verspreiding en de typologie van ecologisch waardevolle waterlopen in het Vlaamse Gewest, Maas- en Netebekken, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, AMINAL, Brussel. Boussery K., Calus A., Cocquyt M., Degloire T., Demeulemeester M., Desmet K., Desmyter L., Mahieu J., Martens I., Masquelin B., Storme K, Vanbecelaere D., Van Winghem J., Verhoest K., Wauters E. (2006). Agrarische architectuur, technisch bekeken. POVLT, Beitem. Calus A., Degloire T., Depraetere D., Desmyter L., Dezeure L., Storme K., Verhoest K., Mahieu J., Masquelin B., Van Winghem J. (2006). Bedrijfsintegratie, een wisselwerking tussen land- en tuinbouwbedrijven en hun omgeving. POVLT, Beitem. Chardon, W.J. (Alterra) en van der Hoek, K.W. (RIVM). Berekeningsmethode voor de emissie van fijn stof vanuit de landbouw, Wageningen. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 198/213

199 Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (2010). Stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde. VMM, Aalst. 306 p. Colanbeen M., Neukermans G. (1992). Stankbestrijding van ventilatielucht door het gebruik van biofilters en biowasfilters. Universiteit Gent, Gent. Dams R., Moens L. & Roos P. (1994). Verzuring, Wetenschappelijk verslag, Milieu- en natuurrapport Vlaanderen. Derden A., Meynaerts E., Vercaemst P. en Vrancken, K. (2006). Best Beschikbare Technieken (BBT) voor de veeteeltsector. Eindrapport BBT Veeteelt, VITO, februari De Fré R. (1993). Geurnormen, in cursus Geurhinder, KVIV. De Fré R. & Swaans W. (1999). Screening van ammoniakconcentraties in Vlaanderen, Uitgevoerd door VITO in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij. EIPPCB (European IPPC Bureau), Integrated Pollution Prevention and Control (IPPC), Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs, EC, JRC, EIPPC Bureau, EPA Environmental Protection Agency (2001). Odour impacts and Odour Emission Control Measures for Intensive Agriculture. Environmental research, R&D report series No. 14. Fangmeier A., Hadwiger-Fangmeier A., Vander Eerden L. & Jäger H.-J. (1994). Effects of atmospheric ammonia on vegetation a review. Environ. Pollut. 86, Feyaerts, T., Huybrechts, D. en Dijkmans, R.. Best Beschikbare Technieken (BBT) voor mestverwerking, tweede editie, oktober 2002, VITO. 363 p. Goedseels V. De evaluatie van odorantenemissie in relatie tot de infrastructuur van intensieve veebedrijven, K.U.Leuven, Faculteit Landbouwwetenschappen. Heij G.J. & Schneider T. (1991). Eindrapport tweede fase Additioneel Programma Verzuringsonderzoek, rapport nr , Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieuhygiëne, Bilthoven. Hendriks J., Berckmans D., Vinckier C. & Vranken E. (1997). Beperking van ammoniak-emissie uit de extractielucht van stallen, studiedag : Mestproblematiek, 30 oktober 1997, Beveren. Hendriks J., Andries A., Saevels P., Libaux C., Vranken E., Vinckier C., Berckmans D., De Bruyn G., Baron M. & Van Langenhove H. (2001). Ontwikkeling van een eenvoudige procedure voor de bepaling van geur- en ammoniakemissies van agrarische constructies ten behoeve van een aangepaste milieureglementering in Vlaanderen. K.U.Leuven, U.Gent & Vlaamse Gemeenschap. IIASA (International Institute for Applied Systems Analysis) (2002). Modelling Particulate Emissions in Europe. A Framework to Estimate Reduction Potential and Control Costs. I.N. (2003). Natuurrapport 2003: Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. I.N., Biologische waarderingskaart van België. Verklarende tekst bij de kaartbladen. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 199/213

200 I.W.O.N.L. Bodemkaart van België, verklarende tekst bij de kaartbladen, 1/ Ingelaere B., Geluidsisolatie. WTCB. Studiedag LNE 5 mei Jansen A.J.M., de Graaf M.C.C. & Roelofs J.G.M. (1996). The restoration of species-rich heathland communities in the Netherlands. Vegetatio 126, Katholieke Universiteit Leuven, Universiteit Gent, Ministerie van Middenstand en Landbouw ( ). Ontwikkeling van een eenvoudige procedure voor de bepaling van geur- en ammoniakemissies van agrarische constructies ten behoeve van een aangepaste milieureglementering in Vlaanderen. Deel I: Ammoniak- en geuremissies door de veeteelt bronnen en reductietechnieken; Deel II: Meetprocedure voor ammoniak- en geuremissies van agrarische constructies; Deel III: Voorstel beoordelingsrichtlijn. Studie uitgevoerd in opdracht van de Administratie Land en Tuinbouw. Klarenbeek J.V. & van Harrveld A.Ph. (1995). On the regulations, measurements and abatement of odours emanating from livestock housing in the Netherlands. In: New knowledge in Livestock odor, Proceedings of the International livestock odor conference Iowa State University, College of Agriculture, Ames, USA. Landbouw & Techniek, jaargang 5, 25 februari Ammoniakvervluchtiging beperken kan, p LNE. Visiedocument de weg naar een duurzaam geurbeleid. Draftversie 2006 en versie Malants D. en Feyen J, Kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van oppervlakte- en grondwaterstroming. Acco, Leuven. Meeus-Verdenne K, Scohart P.O., De Borger R. (1986). Vormen de zware metalen aanwezig in dierlijke afvalstoffen een risico voor het leefmilieu? Landbouwtijdschrift nr. 4, jaargang 39, MINA-plan 2 ( ). Instrument voor een milieuvriendelijke toekomst voor Vlaanderen. MINA-plan 3 ( ). Vlaams Milieubeleidsplan. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap ( ). Kwetsbaarheidskaarten van het grondwater. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Ruimtelijke Planning (1998). Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Ministerie van Middenstand en Landbouw (1998). Water op het landbouwbedrijf. MIRA (2011). Milieurapport Vlaanderen MIRA Indicatorrapport 2011, Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst, 171 p. MIRA (2008). Milieurapport Vlaanderen MIRA, Achtergronddocument Thema Klimaatverandering. De Nocker L., Schoeters K., Moorkens I., Jespers K., Aernouts K., Beheydt D., Vanneuville W., MOL, G. & Ogink, N.W.M. (2002). Geuremissies uit de veehouderij II Overzichtsrapportage IMAG Rapport , IMAG, Wageningen. Mosquera L., Hol J.M.G., Winkel A., Huis in t Veld J.W.H., Gerrits F.A., Ogink N.W.M., Aarnink A.J.A., Fijnstofemissie uit stallen: melkvee. Rapport 296- herziene versie. Wageningen UR Livestock Research. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 200/213

201 MVG (2000). Digitale vectoriële bestanden van de Vlaamse Hydrografische Atlas, toestand 13/6/2000, op schaal 1/10.000, opgemaakt door MVG, LIN, AMINAL, Afdeling Water. MVG (2001). Deel 1: Ammoniak- en geuremissies door de veeteelt bronnen en reductietechnieken. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, januari MVG, LIN, AROHM, M&L (2001). Landschapsatlas. Digitale vectoriële bestanden van de Vlaamse Landschapsaltas, toestand 31/03/2001 (schaal 1/ of 1/50.000). Nagels A., Schneiders A., Weiss L., Wils J., Peymen J. en Clement L. (1994). Onderzoek naar de verspreiding en de typologie van ecologisch waardevolle waterlopen in het Vlaamse Gewest, Polders en Gentse Kanalen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, AMINAL, Brussel. Neuckermans (1991). Beperking van geurhinder, in Mengmest: implicaties voor de landbouw en het milieu, B. Van Renterghem en W. Verstraete, september 1991, IWONL-Coval publicatie, 218p. Odor Control Task Force, (1998). Control of odor emissions from animal operations, A report from the board of governors of the university of North-Carolina, 35p., 1 sept North Carolina Agriculture Research Service, College of Agriculture and Life Scineces, North Carolina State University. Ogink N.W.M. & Groot Koerkamp P.W.G. (2001). Comparison of odour emissions from animal housing systems with low ammonia emission. 1 st IWA international conference on odour and VOCs: Measurement, Regulation and Control Techniques, The university of NSW, Sydney, Australia, 25-28th Guidoh Ogink, N.W.M. & Lens, P.N. (2001). Geuremissie uit de veehouderij. Overzichtsrapportage IMAG Rapport , IMAG, Wageningen. Omzendbrief LNE 2012/1 (2012). Milderende maatregelen voor geuremissies die afkomstig zijn van bestaande varkens- en pluimveestallen in Vlaanderen. Vlaamse Overheid Leefmilieu, Natuur en Energie, 29 juni Preene M., Roberts T., Powrie W. and Dyer M., Groundwater control - design and practice. Publisher: CIRIA. Pollet I., Van Langenhove H. & Christiaens J. (1996). Onderzoeks- en ontwikkelings-overeenkomst inzake de NH 3-emissies door de landbouw. Rapport in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij (174M3495), 193. Project Research Gent nv, Universiteit Gent, PRA Odournet bv (2004). Voorstellen van een aanpak om beschermingsniveaus voor geurhinder vast te stellen rondom bronnencomplexen en bronnenclusters. Studie uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Aminabel. Provincie West-Vlaanderen. Plantgoed voor meer streekeigen groen. Dienst MiNaWa, Sint-Andries. Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 Schirz S. (1989). Handhabung der VDI-Richtlinien 3471 Schweine und 3472 Hühner, Kuratorium für Technik und Bauwesen in der Landwirschaft, Darmstadt. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 201/213

202 Staelens, J., Neirynck, J., Genouw, G., Roskams, P. (2006). Dynamische modellering van streeflasten voor bossen in Vlaanderen. Studie uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA, MIRA/2006/03. Rapport INBO.R Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Schrooten, L. en Van Rompaey, H. (2002). Ontwikkeling van een methodologie voor een emissie-inventaris van PM10 en PM2,5 en opstellen van een emissie-inventaris voor 1995 en Studie uitgevoerd door Vito in opdracht van de VMM. TNO (2002), CEPMEIP-databank (Co-ordinated European Programme on Particulate Matter Emission Inventories, Projections and Guidance) (2002). Databank op internet Uenk, G. H., G. J. Monteny, T. G. M. Demmers, and M. G. Hissink Luchtsamenstelling onder de overkapping van mestsilo's voor en na het mixen van de mest, IMAG-DLO, Wageningen. UG (1998). Werkdocument Traditionele landschappen in Vlaanderen, Vakgroep geografie, Afdeling regionale geografie en landschapskunde, Universiteit Gent, gent. p.17 Universiteit Gent, Project Research Gent nv, PRA Odournet bv, Eco2 bvba (2002). Voorstellen van een geschikte methode om nuleffectniveaus van geurhinder te vertalen naar normen en toepassing op 5 pilootsectoren. Deel I: Evaluatie van het Nederlandse normeringsstelsel; Deel II: Uitwerken methode toepasbaar op de Vlaamse situatie; Deel II: Formulering voorstel voor de 5 pilootsectoren. Studies uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap, Aminabel. Vandamme M. en Nechelput H. (2005). De Grondwaterproblematiek en alternatieven voor grondwater in Vlaanderen voor land- en tuinbouw. Studie en vervolmakingsdag Duurzaam watergebruik in land- en tuinbouw. TI-KVIV. Melle, 27 april Van Langenhove, H. en Defoer, N. (2002). Valideren van de meetprocedure voor de bepaling van geur- en ammoniakemissies van referentiestallen als voorbereiding op de implementatie van de beoordelingsrichtlijn voor emissie-arme stalsystemen. Partim geur. Studie uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Mestbank en van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Aminabel. Van Geelen M. & van der Hoek K.W. (1982). Stankbestrijdingstechnieken voor stallen in de intensieve veehouderij, IMAG, publicatie 167. Van Houtte E., Lebbe L., Zeuwts L. en Vanlerberghe F. (2002). Concept for development of sustainable drinking water production in the Flemish coastal plain based on integrated water management. 17th Salt Water Intrusion Meeting, Delft, The Netherlands. Van Langenhove H. & Van Broeck G. (1997). Onderzoek geurnormering. Eerste fase: Ontwikkelen van methodologie voor opstellen van geurnormering voor homogene sectoren. Opdrachtgever: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, AMINAL, Bestuur Algemeen Milieubeleid. van Ouwerkerk E.N.J. (1996). Klimaat en energie in de veehouderij (Instituut Milieu- en Agritechniek), studiedag Techniek: Energie en Milieu, 12 maart 1996, Reehorst te Ede, p Velders, G.J.M., Aben, J.M.M., Beck, J.P., Blom, W.F., van Dam, J.D., Elzenga, H.E., Geilenkirchen, G.P., Hoen, A., Jimmink, B.A., Matthijsen, J., Peek, C.J., van Velze, K., Visser, H., de Vries, W.J., Concentratiekaarten Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 202/213

203 voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland, Rapportage Milieu- en Natuurplanbureau (MNP), Bilthoven, 102 pagina s. Vereecken H. & Hermy M. (2000). Ammoniak en de invloed op plantengemeenschappen. Uit: Bijdrage tot de uitbouw van beleidsmaatregelen voor de reductie van de ammoniakuitstoot door de landbouw in Vlaanderen (2000), Verlinden, G. (2005). Valorisatie van resteffluenten afkomstig van de mestverwerking. Deel 2: Chemische samenstelling van de resteffluenten. Bodemkundige Dienst van België vzw. Opdrachtgever: Mestbank, VLM. Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., Gabriëls J. & Van Der Krieken B., Atlas van de Vlaamse broedvogels Mededelingen van de Instituut voor Natuurbehoud 23, Brussel, 496 p. Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM), STIM-mestverwerking (2004). Mestverwerking op het landbouwbedrijf: mogelijkheden en kostprijs. VLM (2003). Landinrichtingsproject Brugse Veldzone. Richtplan. Deelstudie Landbouw. VLM (2004). Lijst van stalsystemen voor ammoniakemissiereductie. VMM (1994). Leren om te keren, Milieu- en natuurrapport Vlaanderen, Garant, Leuven/Apeldoorn. VMM (1995). Emissiejaarverslag, structuur en resultaten van de emissie-inventaris Vlaamse Regio. VMM (1996). Milieu- en natuurrapport Vlaanderen 1996, Leren om te keren, Garant, Leuven/Apeldoorn. VMM (1997). Emissiejaarverslag Vlaamse Milieumaatschappij, België. VMM (1998). Milieu- en natuurrapport Vlaanderen: thema s (MIRA-T 1998), Garant, Leuven/Apeldoorn. VMM (2000). Waterwegwijzer voor architecten. VMMa (2000). Mira-S Milieu- en natuurrapport Vlaanderen: scenario s, Garant, Leuven/Apeldoorn. VMMb (2000). MIRA-T 2000: milieu- en natuurrapport Vlaanderen: thema s, Garant, Kessel-Lo/Apeldoorn. p.503 VMM (2001). VMM, waterkwaliteit Lozingen in het water 2000, Erembodegem Vlaamse milieumaatschappij, p.36 VMM (2001). Emissie-inventaris 2000 (situatie 15 mei 2000). VMM (2002). VMM, Zure regen in Vlaanderen Depositiemeetnet verzuring 2002, Erembodegem Vlaamse milieumaatschappij, p. 43 VMM (2005). MIRA-T 2005: Milieu- en natuurrapport Vlaanderen : LannooCampus, Heverlee. VMM (2006). Milieurapport Vlaanderen. MIRA-T Focusrapport. Vlaamse Milieumaatschappij en uitgeverij Lannoo nv, Heverlee. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 203/213

204 VMM (2004). Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst. 270 pp. + bijlagen. VMM (2007). Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst. 148 pp. + bijlagen. VMM (2008). Grondwater in Vlaanderen: het Kust- en Poldersysteem. Vlaamse Milieumaatschappij. Aalst. 93 p. VMM (2008). Grondwater in Vlaanderen: het Sokkelsysteem. Vlaamse Milieumaatschappij. Aalst. 111 p. VMM (2010b). Lozingen in de lucht (+ bijlagen). Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst. VMM (2011). Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest Jaarverslag Immissiemeetnetten Vlaamse Milieumaatschappij. Aalst. 140 p. VMM (2011). Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest Jaarverslag Immissiemeetnetten Bijlagen. Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst. 110 p. Wijziging Regeling ammoniak en veehouderij (2005). Uit:Staatscourant 13 juli 2005, nr. 133/pag OVERZICHT TABELLEN EN FIGUREN Apart gedeelte 18 BIJLAGEN 18.1 IFDM-PARAMETERS Apart gedeelte UITTREKSELS AKOESTISCH ONDERZOEK NEDERLAND 1) Uittreksel uit akoestisch onderzoek uitgevoerd door M&A Milieuadviesbureau BV uitgevoerd voor een pluimveebedrijf in Nederland. Hierin wordt een demping van 15 db(a) door een stofbak vermeld. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 204/213

205 Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 205/213

206 2) Uittreksel uit een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Exlan Consultants BV voor een pluimveebedrijf in Nederland. Hierin wordt een demping van 3 db(a) in rekening gebracht voor ventilatoren in kokers. Kennisgeving/Ontwerp-MER VAN GASTEL GERT LV 206/213

KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VULSTEKE STEFAAN. Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij KORTEMARK

KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VULSTEKE STEFAAN. Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij KORTEMARK KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VULSTEKE STEFAAN Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij KORTEMARK Opmaak en begeleiding: SBB Accountants & Adviseurs Milieubureau Joveco bvba Diestsevest

Nadere informatie

MILIEUEFFECTRAPPORT VAN SCHIL LV. Hernieuwing en uitbreiding van een pluimveehouderij die behoort tot een milieutechnische eenheid LILLE

MILIEUEFFECTRAPPORT VAN SCHIL LV. Hernieuwing en uitbreiding van een pluimveehouderij die behoort tot een milieutechnische eenheid LILLE MILIEUEFFECTRAPPORT VAN SCHIL LV Hernieuwing en uitbreiding van een pluimveehouderij die behoort tot een milieutechnische eenheid LILLE Opmaak en begeleiding: SBB Accountants & Adviseurs Milieubureau Joveco

Nadere informatie

MILIEUEFFECTRAPPORT MERTENS POULTRY LV. Hernieuwing en uitbreiding van een pluimveehouderij tot een totaal van stuks pluimvee WUUSTWEZEL

MILIEUEFFECTRAPPORT MERTENS POULTRY LV. Hernieuwing en uitbreiding van een pluimveehouderij tot een totaal van stuks pluimvee WUUSTWEZEL MILIEUEFFECTRAPPORT MERTENS POULTRY LV Hernieuwing en uitbreiding van een pluimveehouderij tot een totaal van 111.333 stuks pluimvee WUUSTWEZEL Opmaak en begeleiding: SBB Accountants & Adviseurs Milieubureau

Nadere informatie

KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN DE LOCHT GUY. Hernieuwing en uitbreiding van een gemengde veeehouderij met pluimvee en rundvee

KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN DE LOCHT GUY. Hernieuwing en uitbreiding van een gemengde veeehouderij met pluimvee en rundvee KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN DE LOCHT GUY Hernieuwing en uitbreiding van een gemengde veeehouderij met pluimvee en rundvee WUUSTWEZEL Opmaak en begeleiding: SBB Accountants & Adviseurs

Nadere informatie

KENNISGEVING/ONTWERP MILIEUEFFECTRAPPORT LEEMANS LV. Hervergunning en verandering van een pluimveehouderij RIJKEVORSEL

KENNISGEVING/ONTWERP MILIEUEFFECTRAPPORT LEEMANS LV. Hervergunning en verandering van een pluimveehouderij RIJKEVORSEL KENNISGEVING/ONTWERP MILIEUEFFECTRAPPORT LEEMANS LV Hervergunning en verandering van een pluimveehouderij RIJKEVORSEL Opmaak en begeleiding: SBB Accountants & Adviseurs Milieubureau Joveco bvba Diestsevest

Nadere informatie

KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN EYNDE-VAN RAEMDONCK LV. Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij STEKENE

KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN EYNDE-VAN RAEMDONCK LV. Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij STEKENE KENNISGEVING/ONTWERP-MER MILIEUEFFECTRAPPORT VAN EYNDE-VAN RAEMDONCK LV Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij STEKENE Opmaak en begeleiding: SBB Accountants & Adviseurs Milieubureau Joveco

Nadere informatie

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen. Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen. Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Inhoud 1. Doel milieueffectrapportage 2. Regelgeving 3. Rapportagevormen (4)

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 9 januari 2015

college van burgemeester en schepenen Zitting van 9 januari 2015 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 9 januari 2015 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling De heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Pascal Van Ghelue Geograaf - Diensthoofd Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Inhoud 1. Doel milieueffectrapportage 2. Regelgeving 3. Rapportagevormen

Nadere informatie

MILIEUEFFECTRAPPORT PPS BVBA. Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij HOOGSTRATEN

MILIEUEFFECTRAPPORT PPS BVBA. Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij HOOGSTRATEN MILIEUEFFECTRAPPORT PPS BVBA Hernieuwing en uitbreiding van een varkenshouderij HOOGSTRATEN Opmaak en begeleiding: SBB Accountants & Adviseurs Joveco bvba Diestsevest 32 bus 1a Kriesberg 29b 3000 Leuven

Nadere informatie

Een overzicht van de mer-procedure en bespreking van de terinzagelegging van de kennisgeving

Een overzicht van de mer-procedure en bespreking van de terinzagelegging van de kennisgeving WOORD VOORAF: Een overzicht van de mer-procedure en bespreking van de terinzagelegging van de kennisgeving De bedoeling van dit voorwoord is om een kort overzicht te geven van de mer-procedure. Tevens

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 30 januari 2015

college van burgemeester en schepenen Zitting van 30 januari 2015 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 30 januari 2015 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling De heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 12 april 2013

college van burgemeester en schepenen Zitting van 12 april 2013 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 12 april 2013 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling De heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

MLAV1/ /MV/bd

MLAV1/ /MV/bd MLAV1/9900000064/MV/bd HOUDENDE VERGUNNING AAN DE N.V. BAYER ANTWERPEN VOOR HET VERANDEREN VAN EEN CHEMISCH BEDRIJF (XIV-KRACHTCENTRALE MIDDEN), GELEGEN TE 2040 ANTWERPEN, HAVEN 507- SCHELDELAAN 420. De

Nadere informatie

MLAV1/ /MV/lydr.

MLAV1/ /MV/lydr. /MV/lydr. OVER DE VERGUNNINGSAANVRAAG VAN DE N.V. BASF ANTWERPEN MET BETREKKING TOT EEN CHEMISCH BEDRIJF (SUPER ABSORBER POLYMEER - SAP), GELEGEN TE 2040 ANTWERPEN, SCHELDELAAN 600 - HAVEN 725. De bestendige

Nadere informatie

- Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (afgekort DABM ) 3

- Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (afgekort DABM ) 3 1.1. WETGEVING 1.1.1. INLEIDING I Een overzicht geven van alle wetgeving in verband met milieu is haast onbegonnen werk. Hieronder wordt de belangrijkste milieuwetgeving per thema weergegeven. In voorkomend

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 10 november 2011

college van burgemeester en schepenen Zitting van 10 november 2011 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 10 november 2011 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling Samenstelling De heer Patrick Janssens, burgemeester

Nadere informatie

OVER DE MEDEDELING VAN VERANDERING VAN DE BVBA VEVAR MET BETREKKING TOT EEN VARKENSBEDRIJF, GELEGEN IN 2321 HOOGSTRATEN (MEER), SLUISKENSWEG 10.

OVER DE MEDEDELING VAN VERANDERING VAN DE BVBA VEVAR MET BETREKKING TOT EEN VARKENSBEDRIJF, GELEGEN IN 2321 HOOGSTRATEN (MEER), SLUISKENSWEG 10. Besluit /hs. Departement Leefmilieu Dienst Milieuvergunningen BESLUIT VAN DE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN OVER DE MEDEDELING VAN VERANDERING VAN DE BVBA VEVAR MET BETREKKING TOT EEN VARKENSBEDRIJF,

Nadere informatie

Project-m.e.r.-screening

Project-m.e.r.-screening Project-m.e.r.-screening Aan het college van burgemeester en schepenen de deputatie van de provincieraad straat en nummer postnummer en gemeente LNE-MER-01-120913 In te vullen door de behandelende afdeling

Nadere informatie

PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN

PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Vergadering van 24 september 2015 Verslag van de deputatie Bevoegd deputatielid: Luk Lemmens Telefoon: 03 240 52 65 Agenda nr. 2/1 Uitvoering RSPA : PRUP Marnixdreef Lier voorlopige

Nadere informatie

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten; Besluit Departement Leefmilieu Dienst Milieuvergunningen MLVER-2011-0104/ELSL/kadc BESLUIT VAN DE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN OVER DE MEDEDELING VAN VERANDERING VAN NV COLOMBUS-HTC, BVBA AFVALSTOFFEN

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 30 januari 2015

college van burgemeester en schepenen Zitting van 30 januari 2015 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 30 januari 2015 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling De heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

Notaris Ines van Opstal

Notaris Ines van Opstal SW/BUR/SV Alle briefwisseling te richten aan Stad Antwerpen - / Stedenbouwkundige vergunningen, Jan Van Rijswijcklaan 162, 2020 Antwerpen Notaris Ines van Opstal Louisalei 60 2660 HOBOKEN uw bericht van

Nadere informatie

PROVINCIE ANTWERPEN STAD HERENTALS GEMEENTE GROBBENDONK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN HAZENPAD VERZOEK TOT RAADPLEGING BIJLAGE BUNDELING ADVIEZEN

PROVINCIE ANTWERPEN STAD HERENTALS GEMEENTE GROBBENDONK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN HAZENPAD VERZOEK TOT RAADPLEGING BIJLAGE BUNDELING ADVIEZEN PROVINCIE ANTWERPEN STAD HERENTALS GEMEENTE GROBBENDONK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN HAZENPAD VERZOEK TOT RAADPLEGING BIJLAGE BUNDELING ADVIEZEN bvba Advies Ruimtelijke Kwaliteit (bvba ARK) Augustijnenlaan

Nadere informatie

Notaris Hans Van Overloop

Notaris Hans Van Overloop Nieuwe contactgegevens vanaf 10 maart 2010 Stedenbouwkundige vergunningen Loketadres op afspraak Postadres Grote Markt 1 2000 Antwerpen Tel 03 338 67 45 notaria@stad.antwerpen.be SW/V/SV Alle briefwisseling

Nadere informatie

E R K E N N I N G M E R - D E S K U N D I G E A A N V R A A G F O R M U L I E R

E R K E N N I N G M E R - D E S K U N D I G E A A N V R A A G F O R M U L I E R Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer Afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid, Milieueffectrapportage Graaf

Nadere informatie

College van burgemeester en schepenen

College van burgemeester en schepenen verbaa College van burgemeester en schepenen beraadslaging/proces verbaal Samenstelling: de heer Patrick Janssens, burgemeester; de heren Robert Voorhamme, Philip Heylen, Ludo Van Campenhout, mevrouw Leen

Nadere informatie

Betreft: Advies over de planmer-screening met betrekking tot wijziging RUP zonevreemd bedrijf Nieuwmoer te Kalmthout Aanvrager: gemeente Kalmthout

Betreft: Advies over de planmer-screening met betrekking tot wijziging RUP zonevreemd bedrijf Nieuwmoer te Kalmthout Aanvrager: gemeente Kalmthout Vlaamse Overheid Koning Albert II laan 20 bus 16 1000 BRUSSEL T 02 214 21 11 F 02 553 21 05 www.vmm.be Urbis et Terra Schaffensestraat 3 3290 DIEST uw bericht van uw kenmerk ons kenmerk bijlagen 2/2/2017

Nadere informatie

Deel 10. Niet-technische samenvatting PRMER-0018

Deel 10. Niet-technische samenvatting PRMER-0018 Deel 10. Niet-technische samenvatting PRMER-0018 10.1 Ruimtelijke situering Het bedrijf is gelegen aan de Statiestraat 56 te Dentergem. Volgens het kadastraal plan bevindt het bedrijf zich op volgende

Nadere informatie

MER in de omgevingsvergunning

MER in de omgevingsvergunning MER in de omgevingsvergunning Inhoud Wat zijn de grote veranderingen? Wat is er nieuw in het algemeen? Welke wetgeving is er? Toelichting over de project-mer-procedure Handleiding voor INI/deskundigen

Nadere informatie

34013/110/1/W/1. De Bestendige Deputatie van de Provincieraad,

34013/110/1/W/1. De Bestendige Deputatie van de Provincieraad, 34013/110/1/W/1 Besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad, in verband met de aanvraag DEVAMIX / B.S.V. Beneluxlaan(S) 201 8530 Harelbeke tot het wijzigen/aanvullen van de vergunningsvoorwaarden

Nadere informatie

Aanvullende nota milieuscreening PRUP 'Reconversie verblijfsrecreatie Stekene fase 1'

Aanvullende nota milieuscreening PRUP 'Reconversie verblijfsrecreatie Stekene fase 1' directie Ruimte dienst Ruimtelijke Planning Aanvullende nota milieuscreening PRUP 'Reconversie verblijfsrecreatie Stekene fase 1' 1. Inleiding Deze nota behandelt de adviezen die zijn binnengekomen in

Nadere informatie

Besluit van de Bestendige Deputatie

Besluit van de Bestendige Deputatie 8e Directie Dienst 82 Milieuhygiëne aanwezig Marc De Buck, wnd. voorzitter Besluit van de Bestendige Deputatie Alexander Vercamer, Ivan Verleyen, Frans Van Gaeveren, Jean-Pierre Van Der Meiren, Carina

Nadere informatie

MLVER/9800000164/PAG/sdv

MLVER/9800000164/PAG/sdv MLVER/9800000164/PAG/sdv HOUDENDE GEDEELTELIJKE AKTENEMING VAN EEN MELDING VAN N.V. EEG SLACHTHUIS VOOR HET VERANDEREN VAN EEN INRICHTING, GELEGEN TE 2800 MECHELEN, SLACHTHUISLAAN 1. De bestendige deputatie

Nadere informatie

Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3

Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3 Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3 Aan het college van burgemeester en schepenen VLAREM-03-140917 In te vullen door de behandelende afdeling dossiernummer

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 8 februari 2013

college van burgemeester en schepenen Zitting van 8 februari 2013 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 8 februari 2013 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling De heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

HOUDENDE VERGUNNING AAN MATTHIJSSEN HERMAN VOOR HET VERANDEREN VAN EEN INRICHTING GELEGEN TE 2960 BRECHT, HOEKSTRAAT 26.

HOUDENDE VERGUNNING AAN MATTHIJSSEN HERMAN VOOR HET VERANDEREN VAN EEN INRICHTING GELEGEN TE 2960 BRECHT, HOEKSTRAAT 26. 2/MLAV1/9300000324/HWM/LO. Milieuvergunningen HOUDENDE VERGUNNING AAN MATTHIJSSEN HERMAN VOOR HET VERANDEREN VAN EEN INRICHTING GELEGEN TE 2960 BRECHT, HOEKSTRAAT 26. De bestendige deputatie van de Provincieraad

Nadere informatie

Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3

Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3 Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3 Aan het college van burgemeester en schepenen VLAREM-03-03022009 In te vullen door de behandelende afdeling dossiernummer

Nadere informatie

Besluit van de Deputatie

Besluit van de Deputatie directie Leefmilieu dienst Milieu- en natuurvergunningen aanwezig Alexander Vercamer, Wnd. voorzitter Besluit van de Deputatie Marc De Buck, Peter Hertog, Jozef Dauwe, Eddy Couckuyt, Hilde Bruggeman, leden

Nadere informatie

MODEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE IDENTIFICATIE VAN DE AANVRAGER. Beroep: Datum van aanvraag:

MODEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE IDENTIFICATIE VAN DE AANVRAGER. Beroep: Datum van aanvraag: 1 MODEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE Voorliggend formulier is slechts een model dat aangepast kan worden aan de specifieke wensen en noden van de gemeente vak in te vullen door de aanvrager

Nadere informatie

(artikelen 2, 5 en 42 Vlarem) A. IDENTIFICATIE VAN DE MELDINGSPLICHTIGE 1. EXPLOITANT

(artikelen 2, 5 en 42 Vlarem) A. IDENTIFICATIE VAN DE MELDINGSPLICHTIGE 1. EXPLOITANT BIJLAGE 3. Meldingsformulier inzake de exploitatie van een klasse 3 inrichting, de verandering van een inrichting of de overname van een inrichting door een andere exploitant (artikelen 2, 5 en 42 Vlarem)

Nadere informatie

p r o v i n Ruimte De deputatie van de provincie Limburg

p r o v i n Ruimte De deputatie van de provincie Limburg p r o v i n D i r e c t i e Ruimte D i e n s t Milieuvergunningen De deputatie van de provincie Limburg Gelet op de melding d.d. 2013-01-30 van overname door Haesen-Roebben lv, Diepestraat 8, 3620 Lanaken

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 12 april 2013

college van burgemeester en schepenen Zitting van 12 april 2013 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 12 april 2013 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling De heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 15 januari 2016

college van burgemeester en schepenen Zitting van 15 januari 2016 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 15 januari 2016 Besluit A-punt GOEDGEKEURD stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling de heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten; Besluit Departement Leefmilieu Dienst Milieuvergunningen /ddj. BESLUIT VAN DE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN OVER DE VERGUNNINGSAANVRAAG VAN DE NV GALLIBEL MET BETREKKING TOT EEN GRONDWATERWINNING

Nadere informatie

veranderen door uitbreiding met : - de lozing van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering (R 3.3.);

veranderen door uitbreiding met : - de lozing van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering (R 3.3.); MLVER/9600000236/JVDM/bd HOUDENDE AKTENEMING VAN EEN MELDING VAN NV GRALEX VOOR HET VERANDEREN VAN EEN INRICHTING, GELEGEN TE 2070 ZWIJNDRECHT, KRUIBEEKSESTEENWEG 227. De bestendige deputatie van de provincieraad

Nadere informatie

Gewijzigde regelgeving voor lokale besturen naar aanleiding van de inwerkingtreding van het kerntakenplan Onroerend Erfgoed

Gewijzigde regelgeving voor lokale besturen naar aanleiding van de inwerkingtreding van het kerntakenplan Onroerend Erfgoed Gewijzigde regelgeving voor lokale besturen naar aanleiding van de inwerkingtreding van het kerntakenplan Onroerend Erfgoed Dit document geeft een overzicht van de meest recente wijzigingen aan het Onroerenderfgoeddecreet,

Nadere informatie

Ontheffing tot het opstellen van een MER

Ontheffing tot het opstellen van een MER Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, Dienst Mer Koning Albert II-laan 20, bus 8 1000 BRUSSEL Tel: 02/553.80.79 fax: 02/553.80.75 Ontheffing

Nadere informatie

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 2 MAART 1999. - Omzendbrief RO 99/01 over de advisering m.b.t. de verenigbaarheid van ' omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen ' zoals

Nadere informatie

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten; Besluit /kh/mige. Departement Leefmilieu Dienst Milieuvergunningen BESLUIT VAN DE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN OVER DE MEDEDELING VAN VERANDERING VAN DE HEER VERSTRAELEN GUY MET BETREKKING TOT

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 6 februari 2015

college van burgemeester en schepenen Zitting van 6 februari 2015 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 6 februari 2015 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling De heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

Wordt ook gepubliceerd in de BVDA nieuwsbrief jaargang 11 nr 1

Wordt ook gepubliceerd in de BVDA nieuwsbrief jaargang 11 nr 1 Wordt ook gepubliceerd in de BVDA nieuwsbrief jaargang 11 nr 1 Voor in de inhoudstafel: Speciaal voor dit Jubileumnummer werd door twee gespecialiseerde advocaten een juridisch tweeluik samengesteld waarbij

Nadere informatie

AMV/ /1007 DE VLAAMSE MINISTER VAN OMGEVING, NATUUR EN LANDBOUW, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals

AMV/ /1007 DE VLAAMSE MINISTER VAN OMGEVING, NATUUR EN LANDBOUW, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals ^ \ Vlaamse Regering AMV/000119824/1007 Ministerieel besluit houdende uitspraak over een aanvraag tot afwijking van artikel 5.9.6.1, 2,1, van titel II van het VLAREM ingediend door Luc en Yves Van Caeneghem,

Nadere informatie

STEDENBOUWKUNDIG UITTREKSEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE

STEDENBOUWKUNDIG UITTREKSEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE STEDENBOUWKUNDIG UITTREKSEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE NOTARIS ANNELIES VERSTRAETE Zwaanaardestraat 18 9112 Sinaai (Sint-Niklaas) IDENTIFICATIE VAN DE AANVRAGER Naam Beroep NOTARIS ANNELIES

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 10 november 2011

college van burgemeester en schepenen Zitting van 10 november 2011 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 10 november 2011 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling Samenstelling De heer Patrick Janssens, burgemeester

Nadere informatie

Besluit van de Deputatie

Besluit van de Deputatie 8e Directie Dienst 82 Milieuhygiëne aanwezig André Denys, gouverneur-voorzitter Besluit van de Deputatie Alexander Vercamer, Peter Hertog, Jozef Dauwe, leden Frans Van Gaeveren toegevoegd lid referte betreft

Nadere informatie

(artikelen 2, 5 en 42 Vlarem)

(artikelen 2, 5 en 42 Vlarem) MELDINGSFORMULIER INZAKE DE EXPLOITATIE VAN EEN KLASSE 3 INRICHTING, DE VERANDERING VAN EEN INRICHTING OF DE OVERNAME VAN EEN INRICHTING DOOR EEN ANDERE EXPLOITANT (artikelen 2, 5 en 42 Vlarem) A. IDENTIFICATIE

Nadere informatie

Aanvraag van een planologisch attest

Aanvraag van een planologisch attest Bijlage I Model I Aanvraag van een planologisch attest AFDELINGSCODE- (Vul hier het adres in van de gedelegeerd planologisch ambtenaar) In te vullen door de behandelende afdeling ontvangstdatum Bezorg

Nadere informatie

HOE REAGEREN OP DE KENNISGEVING VAN EEN PLAN- MILIEUEFFECTRAPPORT?

HOE REAGEREN OP DE KENNISGEVING VAN EEN PLAN- MILIEUEFFECTRAPPORT? HOE REAGEREN OP DE KENNISGEVING VAN EEN PLAN- MILIEUEFFECTRAPPORT? 1. Wat is een milieueffectrapport? Er wordt een bepaald project of plan opgevat in uw gemeente. De uitvoering daarvan zal mogelijk effecten

Nadere informatie

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage Besluit van de Vlaamse Regering betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus

Nadere informatie

Gewestdirectie Dienst Milieuvergunningen

Gewestdirectie Dienst Milieuvergunningen Gewestdirectie Dienst Milieuvergunningen MLAV1/0300000171/AK/fs BESLUIT VAN DE BESTENDIGE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD OVER DE VERGUNNINGSAANVRAAG VAN DE HEER MATHIJSSEN JOHANNES MET BETREKKING TOT EEN

Nadere informatie

Ontheffing tot het opstellen van een MER. Ontheffingsbeslissing. Project:

Ontheffing tot het opstellen van een MER. Ontheffingsbeslissing. Project: Vlaamse Overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert II-laan 20, bus 8 1000 BRUSSEL tel: 02/553.80.79 fax: 02/553.80.75 Ontheffing tot het opstellen van een

Nadere informatie

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten; MLVER/0100000137/MV/lydr. OVER DE MEDEDELING VAN VERANDERING VAN DE N.V. BASF ANTWERPEN MET BETREKKING TOT EEN CHEMISCH BEDRIJF (POLYETHEROLENFABRIEK-BLOKVELD F 300), GELEGEN TE 2040 ANTWERPEN, HAVEN 725,

Nadere informatie

Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3

Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3 Melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van uitsluitend klasse 3 Aan het college van burgemeester en schepenen VLAREM-03-26062008 In te vullen door de behandelende afdeling dossiernummer

Nadere informatie

College van burgemeester en schepenen

College van burgemeester en schepenen verbaa College van burgemeester en schepenen beraadslaging/proces verbaal Samenstelling: de heer Patrick Janssens, burgemeester; de heren Robert Voorhamme, Philip Heylen, Ludo Van Campenhout, mevrouw Leen

Nadere informatie

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten; Besluit /crbo. Departement Leefmilieu Dienst Milieuvergunningen BESLUIT VAN DE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN OVER DE VERGUNNINGSAANVRAAG VAN DE N.V. AGFA-GEVAERT MET BETREKKING TOT EEN INRICHTING

Nadere informatie

VLAAMSE REGERING DE VLAAMSE REGERING,

VLAAMSE REGERING DE VLAAMSE REGERING, VLAAMSE REGERING Besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en de agrarische

Nadere informatie

23070_E_0141_V_000_00

23070_E_0141_V_000_00 IDENTIFICATIE VAN DE AANVRAGER Naam: Carl Ockerman Beroep: Notaris Adres: Lloyd Georgelaan 11 1000 Brussel Datum van aanvraag: 25 september 2015 IDENTIFICATIE VAN HET PERCEEL Gemeente: DILBEEK Postnummer:

Nadere informatie

Wanneer is een plan of programma plan-m.e.r.- plichtig?

Wanneer is een plan of programma plan-m.e.r.- plichtig? Wanneer is een plan of programma plan-m.e.r.- plichtig? Art. 4.1.1, 1, 4 DABM 3 cumulatieve voorwaarden Opstellen en/of vaststellen voorgeschreven op grond van decretale of bestuursrechtelijke bepalingen

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 15 januari 2016

college van burgemeester en schepenen Zitting van 15 januari 2016 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 15 januari 2016 Besluit A-punt GOEDGEKEURD stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling de heer Bart De Wever, burgemeester

Nadere informatie

STEDENBOUWKUNDIGE INLICHTINGEN

STEDENBOUWKUNDIGE INLICHTINGEN Aanvragen en afleveringen Dienstverlening Adres Paradeplein 2 bus 1 2500 LIER tel. 03/8000 300 info@lier.be www.lier.be Uw Referentie Datum 21/12/2016 12:42:09 Contact infovastgoed@lier.be tel. 03/8000

Nadere informatie

Milieukwaliteitsnormen

Milieukwaliteitsnormen Omgevingsrecht in de Lage Landen: Toren van Babel of Tuin der Lusten? Milieukwaliteitsnormen Jan Verheeke, secretaris Minaraad, VVOR-symposium, s Hertogenbosch, 22 april 2016 Legenda, en meteen ook beknopte

Nadere informatie

Aanvraag van een planologisch attest

Aanvraag van een planologisch attest Bijlage I Model I Aanvraag van een planologisch attest AFDELINGSCODE- (Vul hier het adres in van de gedelegeerd planologisch ambtenaar) In te vullen door de behandelende afdeling ontvangstdatum Bezorg

Nadere informatie

Bijlage 8 bij het ministerieel besluit houdende wijziging van een aantal formulieren naar aanleiding van inwerkingtreding van

Bijlage 8 bij het ministerieel besluit houdende wijziging van een aantal formulieren naar aanleiding van inwerkingtreding van Bijlage 8 bij het ministerieel besluit houdende wijziging van een aantal formulieren naar aanleiding van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning Bijlage 19 bij het besluit van de Vlaamse Regering

Nadere informatie

Pluimveehouderij met stalruimte voor 90.000 stuks pluimvee te Assenede ten gevolge van een hernieuwing van de milieuvergunning

Pluimveehouderij met stalruimte voor 90.000 stuks pluimvee te Assenede ten gevolge van een hernieuwing van de milieuvergunning Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Dienst Mer Koning Albert II-laan 20, bus 8 1000 BRUSSEL tel: 02/553.80.79 fax: 02/553.80.75 Project-MER-Verslag

Nadere informatie

De Omgevingsvergunning

De Omgevingsvergunning De Omgevingsvergunning Een overzicht Rita Agneessens 09.02.2017 1. Doelstelling 2. Wetgevend kader 3. Toepassingsgebied 4. Bevoegde overheid 5. Vergunningsprocedures 2 procedures Eerste aanleg Beroep Overzicht

Nadere informatie

Welke procedure volgt een archeologisch onderzoek bij vergunningsaanvragen? Verduidelijking van de overgangsperiode.

Welke procedure volgt een archeologisch onderzoek bij vergunningsaanvragen? Verduidelijking van de overgangsperiode. Welke procedure volgt een archeologisch onderzoek bij vergunningsaanvragen? Verduidelijking van de overgangsperiode. Waarom deze verduidelijking? Dit document helpt initiatiefnemers van bouw- en verkavelingsprojecten

Nadere informatie

Vlaamse Regering ::J..~-

Vlaamse Regering ::J..~- Vlaamse Regering ::J..~-..~tr Ij' AMV/000136715/1004 Besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur houdende uitspraak over een aanvraag tot afwijking van artikel 5.17.2.1, 3, van titel

Nadere informatie

Besluit van de Deputatie

Besluit van de Deputatie 8e Directie Dienst 82 Milieuhygiëne aanwezig André Denys, gouverneur-voorzitter Alexander Vercamer, Peter Hertog, Jozef Dauwe, leden Frans Van Gaeveren, toegevoegd lid Albert De Smet, provinciegriffier

Nadere informatie

De milieuvergunnings- en meldingsplicht

De milieuvergunnings- en meldingsplicht De milieuvergunnings- en meldingsplicht 03 3.1. Administratieve verplichtingen Scholen hebben stookinstallaties, slaan schadelijke producten op voor de verwarming, voor de laboratoria en voor werkplaatsen

Nadere informatie

Workshop watertoets 4

Workshop watertoets 4 Workshop watertoets 4 Juridische aangelegenheden VMM 1 Watertoets Doel : nagaan of wat men vergund wil zien een schadelijk effect op watersysteem kan hebben(1). Is dat zo, dan moet men maatregelen opleggen

Nadere informatie

Richtlijnen milieueffectrapportage: Varkensbedrijf Voeder Seurynck NV

Richtlijnen milieueffectrapportage: Varkensbedrijf Voeder Seurynck NV Richtlijnen milieueffectrapportage: Varkensbedrijf Voeder Seurynck NV Hernieuwing van de bestaande milieuvergunning met uitbreiding mestverwerking Voeder Seurynck NV Rennevoortstraat 3 8880 Sint-Eloois-Winkel

Nadere informatie

voor de vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in artikel 3, de toepasselijke procedureregels van de Vlaamse Codex Ruimtelijke

voor de vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in artikel 3, de toepasselijke procedureregels van de Vlaamse Codex Ruimtelijke 25 APRIL 2014. - Decreet houdende het rechtsherstel van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de planmilieueffectrapportage werd opgesteld met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18

Nadere informatie

college van burgemeester en schepenen Zitting van 4 september 2015

college van burgemeester en schepenen Zitting van 4 september 2015 beraadslaging/proces verbaal Kopie college van burgemeester en schepenen Zitting van 4 september 2015 Besluit GOEDGEKEURD A-punten stadsontwikkeling / vergunningen Samenstelling De heer Bart De Wever,

Nadere informatie

12-11-2014. Onroerenderfgoeddecreet. 13 november 2014 Vastgoedforum Onroerend Erfgoed. Inleiding

12-11-2014. Onroerenderfgoeddecreet. 13 november 2014 Vastgoedforum Onroerend Erfgoed. Inleiding Onroerenderfgoeddecreet 13 november 2014 Vastgoedforum Onroerend Erfgoed Inleiding 1 Onroerend erfgoed 3 Onroerenderfgoedzorg in partnerschap Regeerakkoord : samenwerking tussen overheidsdiensten wordt

Nadere informatie

Beslissing over het verzoek tot ontheffing van de project-mer-plicht. Duurzaam Beheerplan Boven-Zeeschelde

Beslissing over het verzoek tot ontheffing van de project-mer-plicht. Duurzaam Beheerplan Boven-Zeeschelde Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Dienst Mer Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Tel: 02/553.80.79 e-mail: mer@vlaanderen.be

Nadere informatie

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd bij latere decreten; Besluit Departement Leefmilieu Dienst Milieuvergunningen MLWV-2011-0053/KADC/inge BESLUIT VAN DE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN OVER EEN VERZOEK TOT WIJZIGING VAN VERGUNNINGSVOORWAARDEN. De deputatie

Nadere informatie

Milieuvergunningsaanvraag 1 ste klasse VLAREM

Milieuvergunningsaanvraag 1 ste klasse VLAREM Milieuvergunningsaanvraag 1 ste klasse VLAREM COGEN ENERGY / VAMO BVBA Ter Poperenweg 7 8560 MOORSELE Informatievergadering OC De Stekke Moorsele 5 januari 2010 Voorwerp van de aanvraag volgens VLAREM-definities

Nadere informatie

Tijdelijk ruimtegebruik in de Vlaamse wetgeving en reglementering ruimtelijke ordening. Studienamiddag tijdelijk ruimtegebruik 23 februari 2016

Tijdelijk ruimtegebruik in de Vlaamse wetgeving en reglementering ruimtelijke ordening. Studienamiddag tijdelijk ruimtegebruik 23 februari 2016 Tijdelijk ruimtegebruik in de Vlaamse wetgeving en reglementering ruimtelijke ordening Studienamiddag tijdelijk ruimtegebruik 23 februari 2016 1 Inhoud 1. Wetgeving en reglementering ruimtelijke ordening

Nadere informatie

Aanduiding ankerplaatsen - erfgoedlandschappen. Wetgeving: procedure en gevolgen

Aanduiding ankerplaatsen - erfgoedlandschappen. Wetgeving: procedure en gevolgen Aanduiding ankerplaatsen - erfgoedlandschappen Wetgeving: procedure en gevolgen Decretale basis Decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, gewijzigd bij decreet van 10 maart 2006, Hoofdstuk

Nadere informatie

adviezen n.a.v. planmer-screening

adviezen n.a.v. planmer-screening adviezen n.a.v. planmer-screening RUP nr. 6 Kragenwiel gemeente Bornem september 2012 ADVIES ONTWERPER colofon project: RUP Kragenwiel opdrachtgever: GEMEENTE BORNEM opdrachtnemer: OMGEVING cvba uitbreidingstraat

Nadere informatie

In dit hoofdstuk gaan wij op zoek naar de verschillende vergunningen die nodig zijn voor de opstart van een kapsalon.

In dit hoofdstuk gaan wij op zoek naar de verschillende vergunningen die nodig zijn voor de opstart van een kapsalon. 12. Vergunningen. In dit hoofdstuk gaan wij op zoek naar de verschillende vergunningen die nodig zijn voor de opstart van een kapsalon. Er zijn 3 type vergunningen : 1. Stedebouwkundige vergunning (bouwvergunning)

Nadere informatie

VLAAMSE GEMEENSCHAP AMV!000126707!1000

VLAAMSE GEMEENSCHAP AMV!000126707!1000 VLAAMSE GEMEENSCHAP AMV!000126707!1000 BESLUIT VAN DE VLAAMSE MINISTER VAN LEEFMILIEU EN LANDBOUW HOUDENDE UITSPRAAK OVER HET BEROEP AANGETEKEND TEGEN DE BESLISSING NR. 082!44081/74!1!A/l!BL!VC VAN 24

Nadere informatie

uw bericht van uw kenmerk ons kenmerk afdrukdatum 07/11/2011 TP/2110273 2570 09/11/2011

uw bericht van uw kenmerk ons kenmerk afdrukdatum 07/11/2011 TP/2110273 2570 09/11/2011 Alle briefwisseling sturen aan: - Stadsontwikkeling - Stedenbouwkundige vergunningen Grote Markt 1 2000 Antwerpen Steenackers Louis Clementinastraat 24 2018 ANTWERPEN uw bericht van uw kenmerk ons kenmerk

Nadere informatie

Controle van de voorwaarden uit de verordening hemelwater bij een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een melding

Controle van de voorwaarden uit de verordening hemelwater bij een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een melding Controle van de voorwaarden uit de verordening hemelwater bij een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een melding RO-01-131028 Waarvoor dient dit formulier? Met dit formulier kunt u nagaan

Nadere informatie

De omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning De omgevingsvergunning FORUM ADVOCATEN BVBA Nassaustraat 34 A 2000 Antwerpen T 03 369 95 65 F 03 369 95 66 E info@forumadvocaten.be W www.forumadvocaten.be Problematiek Het realiseren van belangrijke investeringsprojecten

Nadere informatie

MLVER/ /RTH/AG/sdv

MLVER/ /RTH/AG/sdv MLVER/9700000006/RTH/AG/sdv HOUDENDE AKTENEMING VAN EEN MELDING VAN ZWAN/HARTOG-UNION A DIVISION OF UNILEVER BELGIUM N.V. VOOR HET VERANDEREN VAN EEN INRICHTING, GELEGEN TE 2900 SCHOTEN, BRECHTSEBAAN 913.

Nadere informatie

Toelichting bij de procedure voor de bouw van een 2 de kerncentrale te Borssele (Nederland)

Toelichting bij de procedure voor de bouw van een 2 de kerncentrale te Borssele (Nederland) 21 september 2009 Toelichting bij de procedure voor de bouw van een 2 de kerncentrale te Borssele (Nederland) Inleiding In een gezamenlijke brief van 17 september 2008 aan de Nederlandse Tweede Kamer hebben

Nadere informatie

GEMEENTELIJKE VERORDENING INZAKE HEMELWATERPUTTEN, INFILTRATIEVOORZIENINGEN, BUFFERVOORZIENINGEN, GESCHEIDEN LOZING VAN AFVALWATER EN HEMELWATER

GEMEENTELIJKE VERORDENING INZAKE HEMELWATERPUTTEN, INFILTRATIEVOORZIENINGEN, BUFFERVOORZIENINGEN, GESCHEIDEN LOZING VAN AFVALWATER EN HEMELWATER GEMEENTELIJKE VERORDENING INZAKE HEMELWATERPUTTEN, INFILTRATIEVOORZIENINGEN, BUFFERVOORZIENINGEN, GESCHEIDEN LOZING VAN AFVALWATER EN HEMELWATER Onderhavige verordening bevat voorschriften inzake het plaatsen

Nadere informatie

MODEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE IDENTIFICATIE VAN HET ONROEREND GOED

MODEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE IDENTIFICATIE VAN HET ONROEREND GOED 1 MODEL INLICHTINGENFORMULIER VASTGOEDINFORMATIE Voorliggend formulier is slechts een model dat aangepast kan worden aan de specifieke wensen en noden van de gemeente vak in te vullen door de aanvrager

Nadere informatie