K i n d e rfy s i o t h e r a p i e

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "K i n d e rfy s i o t h e r a p i e"

Transcriptie

1 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e 49 T i j d s c h r i f t v a n d e N V F K juni 2006 π jaargang 17 π nummer 49 Obesitas en Diabetes: een groeiend probleem onder de jeugd! Doorzetters: Ontwikkeling van een multidisciplinair behandelprogramma in Heliomare voor kinderen met overgewicht en een motorische beperking Fitkids: voor kinderen met overgewicht en obesitas De nieuwe kinderfysiotherapeutische verslagleggingset 2006

2 Redactioneel Inhoud Het was weer raak in Netwerk ( ). Te zoet, snacks,overgewicht, obesitas, ziekenhuis, meer sport op school, dieet Kortom het ging over kinderen die te zwaar zijn. Dit is zo actueel dat een themanummer van Kinderfysiotherpie over dit onderwerp niet mag ontbreken. Verheugd zijn we over het verschijnen van dit nummer, tegelijkertijd stemt het mij persoonlijk ook wel triest. Overgewicht is een kenmerk, er wordt ook wel over ziekte gesproken, dat meer onder invloed staat van de omgeving dan weinig andere kenmerken. Hoewel er stofwisselings- en genetische oorzaken kunnen spelen worden de meeste kinderen niet dik geboren, maar gemaakt. Ouder(s), familie, school, winkels, horeca enz spelen hierbij een essentiële rol. Je zou je kunnen verbazen over het feit dat er nog kinderen bestaan die niet te zwaar zijn. Een kernpunt in deze thematiek is dat er zo veel invalshoeken zijn om overgewicht aan te pakken dat er geen sprake is van enige uniformiteit. Speel je in op de agogische aspecten (gedragsverandering), de voeding (dieet) of de fysieke aspecten (sport, bewegen). Speel je in op het kind zelf, de omgeving of beiden. Pak je het multidisciplinair aan of niet. Tim Takken laat ons het groeiend probleem zien bij de jeugd. Liesbeth Bosma toont ons de doorzetterskant van te dikke kinderen in een revalidatiecentrum. Marjolein Bolhuis neemt ons mee binnen de organisatie van het Fitkids programma. Marlene Bronzwaer en Eugene Rameckers laten ons hierbij zien welke rol plezier in bewegen heeft bij deze kinderen en hoe je een interventieprogramma ook kunt evalueren. Het bestuur toont hoe zij het belang voor de kinderfysiotherapeut ziet bij deze kinderen en in Juni wordt het voorjaarscongres er s middags aan gewijd. Krijgen we antwoord op de vragen die ons bezig houden? Wordt in de veelheid van programma s en in de bescheiden effectiviteit ervan de weerbarstigheid van het fenomeen overgewicht bij kinderen weerspiegeld? Of passeert er een trend, die zich gedraagt naar de varkenscyclus? Of moeten we ons echt zorgen maken over de gezondheid van kinderen nu en over de ziektekostenpremie straks? Het wordt een zwaar blad en van groot gewicht. Verder in dit nummer Nieuwe ontwikkelingen in het bestuur en de bekendmaking van de nieuwe kinderfysiotherapeutische verslagleggingset. In Platform Wetenschap en Praktijk beschrijft Mariette Klerks de karakteristieken van het klinische profiel van kinderen met symptomatische hypermobiliteit. Tot slot heeft Jopy van Denen haar laatste van de bestuurstafel geschreven. Weer een afscheid van een gedreven kinderfysiotherapeut van het bestuur. Jopy heeft het roer durven te houden in een zeer roerige tijd en draagt dit nu over aan een nieuwe voorzitter. Het klinkt bekend maar zeker van harte Jopy bedankt. Van de bestuurstafel 1 Mening van het bestuur over obesitas 3 De nieuwe kinderfysiotherapeutische verslagleggingset 2006 Annet van Eerden en Gera Peters: NVFK-werkgroep Verslaglegging O n d e r z o e k 7 Plezier in Bewegen Deel 1: Beschrijving van de ontwikkeling van een i n t e r ventie programma voor kinderen met ove r g e w i c h t Marlène Bronzwaer-Prick 12 Plezier in Bewegen Deel 2: Een pilot studie naar de mogelijkheden van een interventie programma voor kinderen met ove r g e w i c h t Eugène Rameckers Informatief 17 Obesitas en Diabetes: een groeiend probleem onder de jeugd! Dr. Tim Takken, Dr. Edgar G.A.H. van Mil, Drs. Marco van Brussel, Dr. Jan W. H. Custers, Olaf Verschuren en Prof. Dr. Paul J. M. Helders 22 Behandelprogramma voor Doorzetters Liesbeth Bosma, Elza Korbee, Roy Piette en Peter de Koning 27 Fitkids voor kinderen met overgewicht en obesitas M.Y.C.G. Bolhuis en A.M.F.Winkler R u b r i e k e n 29 Platform Wetenschap en Praktijk Het artikel: Karakteristieken van het klinische profiel van kinderen met symptomatische hypermobiliteit 32 Re f e r a t e n r u b r i e k 33 K i n d e r a g e n d a 33 C o l o f o n Eugene en Ruud K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

3 Van de bestuurstafel N i e u w s Kinderfysiotherapie en Obesitas Een week voor het congres met als titel Kinderfysiotherapie bij kinderen met obesitas ontvangt U dit tijdschrift rondom hetzelfde thema. Een actueel onderwerp bij overheid en gezondheidszorg, maar ook binnen de fysiotherapie. Was het een aandachtsgebied tijdens de publiekscampagne de registerfysiotherapeut specialist in beweging vorig jaar, ook uit initiatieven binnen onze eigen beroepsgroep blijkt belangstelling om rondom dit steeds groter wordend probleem kinderfysiotherapeutische producten te ontwikkelen. Ik ben er daarom van overtuigd dat u dit tijdschrift met belangstelling zult lezen en hoop dat u als congresbezoeker geniet van een leerzame dag in Zwolle. Lange Termijn Visie: Kinderfysiotherapie 2012 Beleid maken betekent voor onze ve re n i g i n g o.a. pro-actief re a g e ren op te ve r w a c h t e n ontwikkelingen in de gezondheidszorg, en daarbij luisteren naar de wensen van de leden. Het huidige visiedocument dateert uit Een aantal grote doelstellingen, o.a.dire c t e toegankelijkheid en een opleidingspro f i e l (BCP) op professional masterniveau, zijn g e h a a l d. Dit jaar zal de nieuwe Lange Termijn Visie K i n d e r fysiotherapie 2012 geschre ve n wo rden. Een traject waarbij ook uw stem van belang is. Informatie vanuit de leden, ve r k regen middels de enquête van de Commissie Wetenschap en uit de beroepsmonitor zullen meegenomen wo rden. Een ve r t e g e n wo o rd i- ging vanuit de commissies en we r k g ro e p e n zal in eerste instantie met het bestuur en onder professionele leiding een aanzet geve n. Op de komende ALV (30 mei a.s.) zult u meer informatie krijgen over het traject en het b e t rekken van de leden hierin. In de ALV van dit najaar willen we de nieuwe Lange Termijn Visie vaststellen. Een nieuwe voorzitter Is er een beter moment om het stokje door te g e ven? Ik denk het niet. Nieuwe lange termijn beleidsdoelen wo rden samen met u vastgesteld en geven op die manier een opdracht aan het Nieuw Bestuur Een bestuur dat intern meer en meer zal gaan werken met p ro j e c t g roepen, maar dat ook zal zoeken naar nut en noodzaak van samenwerking of afstemming met andere (bero e p s ) o r g a n i s a- ties in de gezondheidszorg en mogelijk zelfs daarbuiten. Een mooie uitdaging voor een n i e u we vo o r z i t t e r, nu mijn tweede termijn afloopt. Na een unanieme vo o rdracht van de sollicitatiecommissie en een kennismaking met het bestuur, geven we als huidig bestuur een positief stemadvies en hopen we dat u Bert Aukema als uw nieuwe voorzitter zult kiezen in de komende Algemene L e d e n vergadering (30 mei a.s) En ik? Ik ga wennen aan zeeën van tijd, maar kom u vast en zeker nog eens tegen, want de k i n d e r fysiotherapie én de we reld die fy s i o t h e- rapie heet liggen me na aan het hart. Tot ziens, Jopy Deenen van Zon, Voorzitter NVFK Gevraagd: Congrescoördinator Het bestuur is dringend op zoek naar een opvolg(st)er voor Jennifer Dennison, de congrescoördinator! Bent u iemand of kent u iemand die het leuk vindt om een congres te organiseren (samen met 2 andere enthousiaste leden van de congresorganisatiecommissie), dan kunt u zich melden bij het bestuur. Nadere informatie kunt u krijgen via K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

4 N i e u w s Van de bestuurstafel Oproep tot deelname aan een landelijke werkgroep Down syndroom In 2003 heeft Wil Busweiler, als kinderfysiotherapeut verbonden aan de Down Poli van de VUMC Amsterdam, het initiatief genomen om een KF mail/werkgroep Down Syndroom op te richten. Tijdens de bijeenkomsten kwam naar voren dat er behoefte is om eenduidigheid te krijgen over het KFT testen en begeleiden van DS kinderen van 0-4 jaar. Uit de werkgroep is een kerngroep gevormd, bestaande uit vijf kinderfysiotherapeuten uit Down teams en 1e lijn. Doel van de kerngroep is evalueren en bereiken van een consensus over het KFT testen en begeleiden van DS kinderen. Middels een landelijke enquête onder de werkgroepleden is het KFT handelen geïnventariseerd en in samenhang met literatuur geïnterpreteerd. De kerngroep gaat in overleg met het KNGF en de NVFK het vervolgtraject uitzetten om te komen tot een consensus. Tijdens de werkgroep bijeenkomst in november a.s. zal er inhoudelijk verdieping plaatsvinden over de onderwerpen uit de consensus. Werkt U ook als (kinder)fysiotherapeut met DS kinderen dan kunt U zich als actief lid aansluiten bij de werkgroep/mailgroep: Namens de kerngroep Down Syndroom: Joleen Boomgaart, Marije Breevoort, Wil Busweiler, Nicole Flapper en Peter Lauteslager. Accreditatie voor kinderfysiotherapeut en algemeen practicus s Heeren Loo Midden-Nederland (locatie Ermelo) organiseert in de tweede helft van 2006 de cursus Basis-motorische Vaardigheden van Kinderen met Downsyndroom: motorisch onderzoek en behandeling. De test Basis-motorische Vaardigheden van Kinderen met Downsyndroom (BVK) is een evaluatief motorisch meetinstrument, specifiek ontwikkeld voor kinderen met Downsyndroom van 0 tot 3 jaar. Cursisten leren in 2,5 dag om de BVK af te nemen en om het testresultaat te herleiden tot functionele behandelingsdoelstellingen. De methode is gebaseerd op wetenschappelijk (promotie)onderzoek. De cursus wordt in Ermelo gegeven onder leiding van dr. Peter E.M. Lauteslager (kinderfysiotherapeut). De accreditatiecommissie van het Centraal Kwaliteitsregister KNGF heeft voor het register Kinderfysiotherapeuten (K1926) en voor het register Algemeen Practicus (AP1925) 30 accreditatiepunten toegekend. Deelname kost 550 euro. De cursus is gepland op 23 september, 7 oktober en 24 november. U krijgt cursusinformatie en een inschrijfformulier toegezonden indien u uw naam en adres kenbaar maakt onder vermelding van BVK-cursus s Heeren Loo Midden-Nederland, Secretariaat Paramedisch Team, Postbus 550, 3850 AN Ermelo, (0341) , ADVERTENTIE K i n d e rfy s i o t h e r a p i e Een nieuwe uitdaging voor 2006 Op de hoogte blijven van de laatste vakontwikkelingen binnen de kinderfysiotherapie en de activiteiten van de NVFK? Samenwerken met een gezellig en bevlogen team van redactieleden? Met elkaar ideeen gestalte geven qua vorm en inhoud van Kinderfysiotherapie, tijdschrift van de NVFK? Informeer dan zo spoedig mogelijk naar de vacature van REDACTEUR voor Kinderfysiotherapie Vijf vergaderingen per jaar, meestal in Utrecht Vacatievergoeding volgens de NVFK regelingen Redactiecommunicatie verloopt via 7 januari 2006 is de volgende redactievergadering: misschien met u? Informatie: 2 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

5 Van de bestuurstafel N i e u w s De nieuwe kinderfysiotherapeutische verslagleggingsset 2006 Sleutel voor een brede toepassing Annet van Eerden* en Gera Peters In 2001 werd de eerste Voorbeeldset Verslaglegging Kinderfysiotherapie gepresenteerd en aan de NVFK-leden uitgereikt een mijlpaal voor de beroepsgroep. In de afgelopen jaren heeft de professionalisering onder andere op inhoud en methodische probleemanalyse zich verder doorgezet en dat vraagt om daarop afgestemde instrumenten in verslaglegging. Begin 2005 heeft de NVFK daarom een werkgroep geformeerd met als opdracht een set leeftijdsgebonden verslagleggingsformulieren te ontwikkelen, die zo breed mogelijk wordt gedragen. In opdracht van de NVFK zullen we in dit artikel de achtergrond schetsten van en verantwoording afleggen over de keuzes die ten grondslag liggen aan deze nieuwe verslagleggingsset. Zo vanzelfsprekend als het nu lijkt, zo bijzonder was het nog aan het begin van dit millennium om over een standaardformulier voor kinderfysiotherapeutische verslaglegging te beschikken. In de context van de destijds actuele ontwikkelingen rond professionalisering en positionering van de beroepsgroep kinderfysiotherapie groeide de behoefte aan een standaardformulier dat voldeed aan de kwaliteitseisen van het moment en dat de positie van de beroepsgroep tegenover zorgverzekeraars en overheid kon verstevigen. De NVFK speelde hierop in en formeerde een werkgroep die als opdracht kreeg een Statusformulier te ontwikkelen dat voldeed aan de Richtlijn Verslaglegging KNGF. In 2001 kwam het eerste officiële statusformulier kinderfysiotherapie ter beschikking van de leden. De ontwikkelingen in de zorg, zowel binnen als buiten de beroepsgroep, volgden zich in de jaren daarna razendsnel op. Dit werd onder andere zichtbaar in nieuwe wet- en regelgeving, richtlijnen, nascholingsmodules en beleidsdocumenten zoals het Functieprofiel Kinderfysiotherapie. Het belang van evidencebased handelen en best practice wordt binnen de beroepsgroep breed erkend. En de onlangs verkregen bevoegdheid tot directe toegankelijkheid is een terechte waardering voor onze professionele standaard. Al deze ontwikkelingen moesten vertaald worden naar een nieuw model voor verslaglegging, in de vorm van een actualisering en upgrade van de verslagleggingsset uit Uit verschillende hoeken kwamen immers geluiden dat men niet (meer) goed uit de voeten kon met het format en de inhoud, die nog sterk geënt waren op de destijds gebruikelijke verzamelmethode. Kortom, het werd tijd voor een document in een hedendaags jasje, passend bij de meer gangbare analytische insteek. Opdracht NVFK Begin 2005 formeerde de NVFK opnieuw een werkgroep, die de opdracht meekreeg een leeftijdsgebonden verslagleggingsset te ontwerpen. Met het oog op een zo groot mogelijk draagvlak in de beroepsgroep werd de werkgroep breed samengesteld, met vertegenwoordigers uit verschillende geledingen: praktiserende, studerende en docerende kinderfysiotherapeuten uit de eerste, tweede en derde lijn, met uitgebreide kennis en ervaring. De leden van de werkgroep konden gebruik maken van een gevarieerd netwerk als achterban voor advies en feedback. Ontwerpcriteria Een eerste vereiste voor het ontwerpen van een nieuw format was helderheid en consensus over doelstellingen en criteria waaraan de nieuwe verslagleggingsset, gelet op de opdracht van het NVFK-bestuur, moest voldoen. In overleg met het NFVK-bestuur heeft de werkgroep de volgende (sub)doelstellingen uitgewerkt: Annet van Eerden, kinderfysiotherapeut en medepraktijkhouder Kinderfysioteam Wooldrik te Enschede Gera Peters, kinderfysiotherapeut UMC St. Radboud te Nijmegen en docent Modulaire Opleiding Kinderfysiotherapie, Avans+ te Breda *Correspondentie via: Leeftijdsgebonden De kenmerkende variabelen, namelijk groei en ontwikkeling, vormen een leidraad bij de opzet en uitwerking. Breed draagvlak De nieuwe verslagleggingsset kan alleen op een breed draagvlak rekenen als hij op de verschillende niveaus van het werkveld een zinvolle bijdrage levert aan het primaire proces. De formulieren moeten daarom zinvol zijn voor de individuele fysiotherapeut of student (microniveau), de organisatie of instelling (mesoniveau) en de beroepsgroep als geheel (macroniveau: lokaal, regionaal en landelijk). Microniveau: de set dient als geheugensteun voor de individuele fysiotherapeut, zodat hij sturing kan geven aan zijn kinderfysiotherapeutische zorgproces, van intake tot evaluatie, en tevens als een werkdocument voor reflectie op zijn eigen handelen; de set dient als werkdocument voor het gestructureerd informeren van de patiënt over het verloop van de behandeling; de set vergemakkelijkt de overdracht van gegevens door de continuïteit (intra- en interdisciplinair) te waarborgen; de set is hanteerbaar voor de kinderfysiotherapiestudent in een gevorderde studiefase; de vereiste basiskennis dient in het voorafgaande traject te worden opgedaan. Mesoniveau: uit verzamelde formulieren kunnen gegevens K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

6 N i e u w s Van de bestuurstafel voor kwaliteitsjaarverslagen van praktijk of instelling worden gedestilleerd; uit verzamelde formulieren kunnen gegevens voor bepaalde (intercollegiale) toetsingsactiviteiten worden gegenereerd; verzamelde formulieren kunnen worden geraadpleegd ten behoeve van de communicatie met zorgverzekeraars. Macroniveau: uit verzamelde formulieren kunnen gestructureerd gegevens over patiëntenzorg worden gegenereerd als bijdrage aan (wetenschappelijk) onderzoek; uit verzamelde formulieren kunnen trends worden afgeleid ten behoeve van evaluatie van beleid en eventuele ontwikkeling van nieuw beleid. Toetsingskader De belangrijkste documenten en modellen die als uitgangspunt dienen zijn: Functieprofiel Kinderfysiotherapie; de uitgangspunten van het Functieprofiel Kinderfysiotherapie dienen te worden gehanteerd. De taakgebieden kinderfysiotherapeutische zorg, voorlichting en preventieve zorg, administratie en beheer, zoals die zijn beschreven onder het hoofdstuk Beroepstaken, zijn alle te herleiden in de nieuwe formulieren. Richtlijn Verslaglegging KNGF Methodisch Fysiotherapeutisch Handelen; de punten die hiervoor zijn gedefinieerd moeten worden verwerkt volgens het 8-stappenplan ICF-classificatiesysteem; het gezondheidsprobleem dient geclassificeerd en geordend te worden in termen van de ICF, zodat door ordening van gegevens uit anamnese en onderzoek groei, ontwikkelingsaspecten en de specifieke risicofactoren van het kind inzichtelijk kunnen worden gemaakt. De invloed van persoonlijke (interne) en externe factoren in relatie tot de specifieke hulpvraag van ouders en/of kind kan in de probleemanalyse worden meegewogen. HOAC-II model; een clinical reasoning-handleiding voor de zorgprofessional dient ter ondersteuning bij de probleemanalyse; daarmee kunnen op een transparante wijze stapsgewijs klinische beslissingen tot stand komen. Van verzamelen naar procesgeoriënteerd De formulieren dienen een praktische leidraad te vormen voor een stapsgewijs klinisch besluitvormingsproces. De opzet stimuleert tot interpretatie van gegevens en expliciete besluitvorming, waarbij het hypothetico-deductief redeneren op de voorgrond staat. Daarnaast dient het format een ondersteuning te bieden in de procesdiagnostiek van onderliggende processen die tot het bestaande gezondheidsprobleem geleid hebben. Herkenbaar De basisopzet dient herkenbaar en geüniformeerd te zijn wat betreft de gebruikte terminologie en de ingepaste modellen en schema s. Daar waar mogelijk minder herkenbare elementen toegevoegd worden, kan dit een prikkel geven tot nieuwe denkpatronen en wijze van noteren. Duurzaam De wetenschap dat het ontwikkelen van documenten een dynamisch proces is, dient het format een herleidbaar stramien te hebben. Gebruiksvriendelijk en flexibel De nieuwe set dient ruime gebruiksmogelijkheden te bieden op de verschillende hierboven gedefinieerde gebruiksniveaus. Ontwerpproces Binnen het ontwerpproces is allereerst gebrainstormd over de recente ontwikkelingen rond professionalisering. In deze fase zijn de feitelijke basisvoorwaarden vastgesteld waaraan de verslagleggingsset dient te voldoen. Hierbij is gekeken welke opvattingen binnen de verschillende werkvelden van ons vak breed gedeeld worden. Vervolgens werden de verschillende onderliggende modellen en documenten geïntegreerd in een format met inachtneming van de herleidbaarheid van elk document afzonderlijk. Dit was een lastig en tegelijk boeiend proces. Doordat er eerst consensus werd bepaald over de stijl van klinisch redeneren en over het probleemanalysemodel, kreeg het verslagleggingsformulier logischerwijze een andere opzet en lay-out dan zijn voorganger. Het formulier heeft meer het karakter heeft gekregen van een stroomschema en werkdocument dan van een invulformulier. Tevens is een handleiding geschreven en zijn aanbevelingen gedaan aan het bestuur van de NVFK voor een implementatietraject. Via de klankbordgroep en de werkgroep zelf zijn de opleidingen Kinderfysiotherapie betrokken bij het ontwerpproces. Bovendien is getracht een brug te slaan tussen de ontwikkeling van de nieuwe verslagleggingsset en de nieuwe versie van het handboek Kinderfysiotherapie. In de nieuwe versie van het handboek Kinderfysiotherapie wordt dezelfde terminologie als in de verslagleggingsset gebruikt en is hetzelfde probleemanalysemodel als uitgangspunt gehanteerd. Er is uitgebreid tussen bestuur, werkgroep, redactie van het handboek en de opleidingen gecommuniceerd, met het oog op consensus. Een nieuw format Het format is aangepast en bestaat nu uit: een hoofdformulier vier anamneseformulieren vier onderzoeksformulieren Onderdelen zijn verwijderd in geval ze niet meer relevant waren, of verplaatst naar posities waar ze thuishoren. Er zijn vier leeftijdscategorieën gedefinieerd, waarbij voor elke categorie een leeftijdsspecifieke Anamnese- en Onderzoeksformulier is ontworpen. De gebruiker kan per leeftijdscategorie en binnen de afgesproken algemene kaders inzoomen op aandachtspunten uit anamnese en motoscopie. Hierdoor wordt de ballast per formulier gereduceerd. De leeftijdsindeling sluit aan op bestaande meetinstrumenten, op de belangrijkste leeftijdsspecifieke mijlpalen in de (preschool)ontwikkeling en op dagelijkse praktijkervaring. Voor de bovengrens aan de leeftijd worden in de praktijk verschillende leeftijden gehanteerd, daarom is ervoor gekozen de leeftijdsgroep 9 jaar en ouder te definiëren. Binnen de verschillende anamneseformulieren worden op uniforme wijze een aantal categorieën vragen gehanteerd, waarbij de indeling volgens ICF als uitgangspunt is genomen. Het is niet de bedoeling dat deze lijst volledig is op subvragen. Bovendien kan er verschil van opvatting zijn over de plaats waar verschillende onderwerpen behoren te worden ondergebracht. Dit wordt ter nadere invulling overgelaten aan de individuele gebruiker. Duidelijk moet zijn dat de anamnese hulpvraaggestuurd moet zijn. 4 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

7 Van de bestuurstafel N i e u w s Figuur 1 : voorbeeld anamneseformulier 0-2 jaar Op de onderzoeksformulieren is een prominente plek ingeruimd voor ontwikkelingsgerelateerde meetinstrumenten, observatielijsten en vragenlijsten. Dit doet recht aan de positie die klinimetrie binnen de KFT inneemt. Hierbij is uitgegaan van de meest bekende en meest toegepaste meetinstrumenten in de eerste, tweede en derde lijn. Deze lijst is niet volledig en er is bij enkele meetinstrumenten zeker nog discussie mogelijk over validiteit en betrouwbaarheid. Er is gekozen voor best practice waar best evidence voor meetinstrumenten nog ontbreekt. In deze fase van het proces is er voor gekozen om summier om te gaan met het brede spectrum van aandoeningsgebonden meetinstrumenten en geen specifieke aandoeninggebonden meetinstrumenten te noemen. In het betreffende kader op het formulier is om die reden ruimte gelaten voor de individuele kinderfysiotherapeut en instelling om zelf gekozen meetinstrumenten aan te vullen en toe te spitsen op de eigen patiëntenpopulatie. Er is weloverwogen veel ruimte gereserveerd voor de procesdiagnostiek. Aan de hand van de processen zoals die zijn beschreven binnen de eenheden van het Model van Actie (zoals beschreven in het Handboek Kinderfysiotherapie) worden de motoscopische gegevens verwerkt. Vervolgens geeft dit binnen het werkdocument richting en sturing aan de probleemanalyse om expliciet te komen tot een kinderfysiotherapeutische diagnose. Het formulier biedt de mogelijkheid om een transparant onderscheid te maken in hypothesen die direct gerelateerd zijn aan de huidige probleemstelling en hypothesen die gericht zijn op de mogelijk te verwachten problemen (feedforward reasoning). Het is van belang dit transparant binnen de kinderfysiotherapeutische besluitvorming en verslaglegging kenbaar te maken met het oog op doelmatige besluitvormen en handelen. Verder wordt de kinderfysiotherapeut gestimuleerd tot het expliciet beschrijven van adaptatieruimte op de verschillende domeinen, omdat dit van belang is bij het formuleren van een behandelplan op korte en lange termijn. De anamnese- en onderzoeksresultaten die van belang zijn voor de centraal staande hulpvraag bij die episode, kunnen worden gemarkeerd en vervolgens worden getransporteerd naar het hoofdformulier. Het hoofdformulier ondersteunt aan de hand van het methodisch fysiotherapeutisch handelen het procesgeoriënteerd denken van de therapeut. De gebruiker kan opteren voor twee routes: de tekstuele route: de tekstuele route is opgenomen voor de volledigheid en ter voorbereiding op het HOAC-denken. de visuele route: in de visuele route is gekozen voor het RPS-schema (Rehabilitation Problem Solving). Dit schema maakt een visuele ordening mogelijk van de door de patiënt/ouders benoemde problemen in de anamnese versus de door de therapeut gevonden problemen in het onderzoek. Vervolgens kan een probleem-analyse plaatsvinden in het schema. Het RPS-schema is gebaseerd op de ICF-terminologie en sluit aan op de HOAC II (Hypothesis Oriënted Algorithm for Clinicians). Figuur 2a Figuur 2b Tekstuele Route Visuele route Doordat het model van de HOAC II inspiratiebron is geweest bij het ontwerp, biedt het huidige formulier de mogelijkheid om bestaande problemen te onderscheiden in volgens de patiënt en volgens de therapeut. Dankzij deze opzet kan de set door verschillende doelgroepen naar eigen inzicht en overwegingen worden toegepast en als kapstok dienen om supplementen aan te hangen. Een ondersteuning hierbij vormt de bijgevoegde handleiding waarin het gebruikte probleemanalysemodel wordt toegelicht. De verslagleggingsset is beschikbaar voor leden van de NVFK en te downloaden van Overwegingen Het hier gepresenteerde ontwerp voldoet aan het in de criteria geformuleerde toetsingskader en heeft een procesgeoriënteerd karakter, maar er zijn zeker ook nog lacunes te ontdekken wat betreft gebruikersniveaus en leeftijdsgerelateerde aspecten. De doelstelling om leeftijdsgebonden formulieren te ontwerpen is in essentie gerealiseerd, K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

8 N i e u w s Van de bestuurstafel dat wil zeggen er ligt een stramien. Een aantal storende details uit de oude set zijn weggewerkt en inhoudelijk zijn evidence based en best practice ontwikkelingsaspecten terug te vinden in de meetinstrumenten. Het hanteren van dit document vereist echter een bepaalde basisexpertise over groei- en ontwikkelingsaspecten van een kind, voorkennis bij de gebruiker van de onderliggende modellen en vaardigheid in het hypotheticodeductief klinisch redeneren. We beseffen dat dit voor studenten in opleiding mogelijk nog een stap te ver is. Om de set voor kinderfysiotherapie-studenten gebruiksvriendelijker te maken en in elke opleidingsfase adequaat te kunnen hanteren is het een optie om leeftijdsen aandoeningsgerelateerde schema s, geheugensteuntjes en opsommingen in de vorm van didactisch ondersteunende supplementen toe te voegen. Het voordeel is dat supplementen ook weer weggelaten kunnen worden, en dat de kern van het document overeind blijft. De bouwstenen hiervoor zouden uit het opleidingsveld aangedragen kunnen worden. Voor het werkveld dient deze set als fundament. Afhankelijk van het profiel van de patiëntenpopulatie kunnen bouwstenen aangedragen worden die zorgen voor verdere finetuning, bijvoorbeeld wat betreft anamneselijsten en klinimetrie. Supplementen kunnen de flexibiliteit en gebruiksvriendelijkheid van de verslagleggingsset ook hier vergroten. Voor elk ervaringsniveau, voor elke setting en voor elke patiëntengroep kan het document op deze wijze een basisstructuur bieden. De tweede doelstelling, een breed gedragen basisdocument, levert eveneens beperkingen op ten aanzien van de gebruiksvriendelijkheid en doelmatigheid. Om in te spelen op de behoefte aan documenten op maat kan implementatie in een softwareprogramma efficiënt zijn. Dit biedt de gebruiker tal van mogelijkheden om naar eigen inzicht het diagnostisch en behandelingsproces te doorlopen en keuzes te maken uit werkbladen, supplementen en achterliggende velden. Bijvoorbeeld voor het genereren van data zou het ICF-coderingssysteem geactiveerd kunnen worden; de gebruiker die het RPS-schema handig vindt kan het tekstuele gedeelte op pagina 2 van het hoofdformulier verwijderen; voor de student kunnen basisdocumenten en ontwikkelingsprofielen worden toegevoegd. In de verantwoording aan de NVFK heeft de werkgroep software-implementatie als een belangrijke aanbeveling opgenomen. Een stappenplan waarin de wensen van verschillende gebruikersgroepen kunnen worden meegenomen moet echter nog in overleg met bestuur en opleidingen worden opgesteld. Zodra implementatie in software-programma s een feit is, wordt het ook mogelijk om teksten snel en efficiënt te transporteren naar andere posities binnen en buiten het document. Dit bespaart onder meer tijd en papier, verhoogt de gebruiksvriendelijkheid, bevordert de onderlinge communicatie en vereenvoudigt de uitwisseling van data. Het biedt tevens meer kansen om maatwerk te leveren. Tot slot De hier beschreven verslagleggingsset 2006 is een volgende stap in de professionalisering van de beroepsgroep. Het basisdocument is ontworpen als sleutel voor brede toepassing in werkveld en opleidingen. Het ontwikkelen van verslagleggingsdocumenten blijft echter een dynamisch proces. De ideeën- en gedachtenvorming houdt niet op bij het verschijnen van deze set. De afgelopen maanden is gebleken dat dit onderwerp de communicatie over en weer tussen verschillende geledingen heeft verlevendigd en versterkt en dat biedt kansen voor de toekomst. Feedback en reflectie is voor verdere upgrading en updating van basisdocumenten zoals deze een absolute voorwaarde. In dat perspectief gezien is deze nieuwe verslagleggingsset 2006 een stap op weg naar verdere innovaties. De tijd en de praktijk zullen leren hoe die er uit gaan zien. De werkgroep Verslaglegging bestond uit de volgende personen: Annet van Eerden-voorzitter (werkzaam in eerste lijn), Barbara Kolzer (student fysiotherapiewetenschap en werkzaam in eerste lijn), Anneloes Overvelde (docent en werkzaam in eerste lijn), Gera Peters (docent en werkzaam in tweede lijn) en Jeannette Schipper (werkzaam in eerste lijn). De werkgroep wil graag de volgende personen en instanties bedanken voor hun constructieve bijdrage: de klankbordgroep (Ingrid van Bommel, Marian Bos, Harry Crombag, Anjo Jansen, Ellen Hemler, Alexandra Hotke, Ria Nijhuis, Els Tempelaars, Marjolein van Velzen) voor het positief-kritisch beschouwen van de conceptversie; Leo van Vlimmeren voor zijn reflectie op de eindversie; het NPI, voor adviezen over de ICF-terminologie; het NVFK-bestuur, in het bijzonder Jacqueline Nuijsink en Liesbeth Bosma, voor het gestelde vertrouwen en de prettige samenwerking. Literatuur Functieprofiel kinderfysiotherapie; domeinomschrijving kinderfysiotherapie maart 2001, Dr. Ria Nijhuis van der Sanden, Betty van Goor, Dr. Raoul Engelbert, Dr. Yvonne Heerkens. Richtlijn verslaglegging KNGF 2003 Protocol Diagnostiek en Evaluatie. Medewerkers Afdeling kinderfysioterhapie UMC St. Radboud Nijmegen 2001 Handboek Kinderfysiotherapie, red. Ron van Empelen, Ria Nijhuis van der Sanden, Annelies Hartman, 2000 Syllabus verslaglegging van het fysiotherapeutisch zorgproces, kwaliteitsthema binnen het landelijk bijen nascholingsprogramma voor fysiotherapeuten, augustus 1999 The Hypothesis Oriented Algorithm for Clinicians II (HOAC II), a guide for patient management; Jules M. Rothstein, John L Echternach, Daniel L Riddle, Physical Therapy volume 83, number 5, may 2003 Vertaling HOAC II, de hypothese georiënteerde probleembenadering, auteurs: M.G. Nijhuis-van der Sanden, G. Peters, R. van Empelen en A. Hartman, Boek Kinderfysiotherapie second edition, in press. The use of the ICF Model as a clinical problem solving tool in physical therapy and rehabilitation medicine. Werner A Steiner, Liliane Ryser, Erika Huber, Daniel Uebelhart, Andre Aeschlimann, Gerold Stucki, Physical Therapy volume 82, number 11, November 2002 ICF developed by the World Health Organization (WHO) Kinderfysiotherapie in de eerste lijn; indicaties en behandeling, C.D. Ravensberg, A.M. v.d. Riet e.a., K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

9 Het interventieprogramma Plezier in Bewegen Deel 1 Beschrijving van de ontwikkeling van een interventieprogramma voor kinderen met overgewicht Marlène Bronzwaer-Prick* en Eugène Rameckers Overgewicht bij kinderen is in toenemende mate een probleem. Dit artikel beschrijft de ontwikkeling van een interventieprogramma voor kinderen met overgewicht. Gekozen is voor een multidisciplinaire benadering, met zowel aandacht voor bewegen, als voor voeding en leefwijze. Naast beweeglessen in de gymzaal en een conditieprogramma voor thuis en adviezen voor gezond eten, werd gewerkt aan leefstijlverandering in de vorm van huiswerkopdrachten, ouderavonden en een spellenmiddag. Marlène Bronzwaer-Prick, Mspt kinderfysiotherapeut, Fysiotherapie en kinderfysiotherapie Bronzwaer, Maastricht Eugène Rameckers, MRes kinderfysiotherapeut Stichting Revalidatie Limburg, docent MSPT aan Avans+, Breda Inleiding Overgewicht is in toenemende mate een wereldwijd probleem (1). Dit beperkt zich niet alleen tot volwassenen, maar ook bij kinderen neemt overgewicht schrikbarend toe (2). Het ontstaan van overgewicht is een complex gebeuren. De mate van dagelijkse beweging en de voedingsgewoonten zijn van belang, maar zeker ook de leefwijze, zoals de mate van sporten en de hoeveelheid tijd besteed aan televisie en computer, speelt een rol. Het behandelen van overgewicht zal aan al deze aspecten aandacht moeten geven (3). Behandelen van overgewicht bij kinderen stelt ons voor nieuwe uitdagingen. Therapieën ter bestrijding van overgewicht bij volwassenen kunnen niet zomaar toegepast worden op kinderen. We zullen rekening moeten houden met kindspecifieke eigenschappen, zoals groei en ontwikkeling, manier van benaderen, motivatie en specifieke belasting. In dit artikel wordt op basis van literatuurgegevens getracht evidentie te vinden voor een interventie gericht op behandelen van overgewicht bij kinderen. De bevindingen uit de literatuur vormden de basis voor de ontwikkeling van het aan het eind van dit artikel beschreven interventieprogramma. De effecten van het ontwikkelde interventieprogramma zijn vervolgens in een pilot studie onderzocht. De resultaten hiervan staan beschreven in deel 2. Overgewicht en obesitas Overgewicht wordt gedefinieerd als een situatie waarin het lichaamsgewicht van een persoon het standaard gewicht gebaseerd op de lichaamslengte overschrijdt doordat een meer dan normale vetopstapeling in het lichaam heeft plaatsgevonden. Overgewicht ontstaat meestal door een langdurige onevenwichtigheid tussen energie-inname en energieverbruik. Bij een voortschrijding van de mate van overgewicht ontstaat obesitas (4). De Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) definieert obesitas als een chronische ziekte die gepaard gaat met vetstapeling in het lichaam op een zodanige wijze dat er gezondheidsrisico s optreden (1). Als maat wordt de body mass index (BMI) gebruikt (kg lichaamsgewicht/lengte in het kwadraat). Volwassenen hebben overgewicht wanneer de BMI > 25 is en men spreekt van obesitas bij een BMI > 30. Voor kinderen wordt gebruik gemaakt van internationale geslacht- en leeftijdsgebonden BMI waarden (5). *Correspondentieadres: Marlène Bronzwaer, Esdoorn 2, 6226 TA Maastricht Tel , De afgelopen jaren is het aantal kinderen met overgewicht sterk toegenomen (zie figuur 1). De prevalentie van overgewicht bij Nederlandse kinderen is tussen 1980 en 1997 gestegen van 5% naar ongeveer 12% (6). Bovendien valt op dat dikke kinderen relatief steeds dikker worden en dat de sterkste stijging van het gewicht rond 6 jaar ligt (zie figuur 1) (6, 7). Obesitas bij kinderen gaat gepaard met velerlei co-morbiditeit, zoals zich al op jonge leeftijd openbarende hart- en vaatziekten en type 2 diabetes, klachten van het bewegingsapparaat, slaapproblemen en psychosociale problemen (8). Aangezien obesitas op jonge leeftijd samenhangt met obesitas bij de ouders en een voorspeller is voor obesitas op latere leeftijd, kun- Figuur 1 : Sterkste toename overgewicht en obesitas bij kinderen van 5-11 jaar (Hirasing R.A., Fredriks A.M., Buuren S. van et al. (2001) (6) Toegenomen prevalentie van overgewicht en obesitas bij Nederlandse kinderen en signalering daarvan aan de hand van internationale normen en nieuwe referentiediagrammen. Overgenomen met toestemming (Ned. Tijdschr. Geneeskunde 2001; 145: ). A = overgewicht (1996/97); B = overgewicht (1980); C = obesitas (1996/97); D = obesitas (1980). K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

10 nen we grote medische, maatschappelijke en financiële gevolgen verwachten (9). Veranderde voedingsgewoonten, toename van energierijke tussendoortjes en meer frisdrank dragen bij aan het ontstaan van overgewicht, maar de meeste studies geven aan dat obesitas vooral gepaard gaat met een inactieve leefstijl (10). Volgens de Nederlandse norm gezond bewegen voor jeugdigen moeten kinderen minimaal een uur per dag matig intensief lichamelijk actief zijn, waarbij de activiteiten minimaal twee keer per week een positief effect moeten hebben op de lichamelijke fitheid (11). Echter de hoeveelheid dagelijks bewegen is sterk verminderd ten opzichte van vroeger, terwijl het aantal uren dat achter de computer en voor de televisie wordt doorgebracht flink is toegenomen. Hoe hoger de zogenoemde screen time hoe minder tijd overblijft voor andere dingen zoals buitenspelen. Uit onderzoek waarin het aantal uren tv-kijken werd gerelateerd aan obesitas bij kinderen, is gebleken dat obesitas meer voorkomt bij kinderen die in verhouding langer tv-kijken (12,13). De prevalentie van obesitas was het hoogst in de groep die meer dan vier uur per dag televisie keek en het laagst in de groep die minder dan een uur per dag voor het scherm zat. Kinderen komen in een vicieuze cirkel terecht: inactiviteit leidt tot meer gewicht en meer gewicht kan leiden tot inactiviteit (zie figuur 2). Ten tijde van de start van het hier beschreven project waren geen Nederlandse studies bekend waarin interventies voor kinderen met obesitas worden beschreven. Het hier gepresenteerde programma Plezier in Bewegen, is zoveel mogelijk onderbouwd op basis van een literatuuronderzoek. Figuur 2: Vicieuze cirkel van inactiviteit en toenemende obesitas bij kinderen. (Uit: Committed to Kids, M. Sothern Louisiana State University. Bewerkt door Stimulus). Interventiestudies bij overgewicht en obesitas Vanuit het beroepscompetentieprofiel van de kinderfysiotherapie ligt er een primair aangrijpingspunt op het vlak van de fysieke activiteiten. Daarom is de literatuur search primair gericht op interventies waarin fysieke activiteiten centraal staan. In de vicieuze cirkel van inactiviteit en toenemende obesitas bij kinderen (zie figuur 2) zijn de volgende elementen te herkennen: toename van gewicht, meer eten, meer zitactiviteiten en minder bewegen. Dieet als middel wordt frequent beschreven, maar onze primaire interesse ging vooral uit naar de factoren die de hoeveelheid bewegen kunnen beïnvloeden zoals plezier in bewegen cardiovasculaire conditie aantal uren inactiviteit motorisch vaardigheidsniveau gewicht (BMI) omgeving (ouders, school) Methode literatuur search In de databases Pubmed, Medline, Cinahl, Psychinfo, PEDro en de Cochrane database is naar studies gezocht (in het Engels, Duits of Nederlands), met de volgende zoektermen: o b e s i t y, training, physical fitness, children (tot 18 jaar). Daarnaast zijn secondaire zoektermen: behaviour, environment, family, self esteem gebruikt. Nadat bleek dat deze zoekstrategie zeer veel studies opleverde (120), werd besloten alleen gerandomiseerde klinische trials (RCT s) en de systematische reviews en de meta-analyses verder te analyseren. In de meest recente Cochrane review (14) bleken alle gevonden RCT s na 2000 vertegenwoordigd te zijn. Specifiek gericht op de primaire zoektermen zijn aanvullend 1 systematische review en 2 Cochrane reviews gevonden (15-17). De studies werden geclassificeerd naar level of evidence volgens de systematiek van de EBRO (evidence based richtlijn ontwikkelingen) (zie figuur 3). Resultaten literatuursearch De gevonden studies kunnen worden ingedeeld naar de inhoud van de interventies: 1. fysieke activiteiten in relatie tot mate van inactiviteit 2. dieet en voeding 3. gedragstherapie 4. combinatie van bovenstaande programma s Gezien het doel van onze literatuursearch zullen de resultaten van interventies naar fysieke activiteiten, eventueel in combinatie met andere therapieën uitgebreid beschreven worden. De resultaten van studies die in de categorieën 2 en 3 vallen zullen niet worden beschreven. Ad 1 en 4. Interventies die primair gericht zijn op fysieke activiteiten, eventueel in combinatie met andere interventies. I n t o ta a l w e r d e n 7 RC T s g e v o n d e n (Epstein et a l., 1985a, niveau A2 1985b, niveau B 1995 niveau A2 ; Schwingshandl et al., 1999 niveau B en Epstein et al., 2000b niveau A2, Epstein et al., 2001, niveau B niveau A2(18-24) ; Sahota et al 2001 en in alle studies werd ook een of andere vorm van dieet toegepast. De activiteiten programma s varieerden van krachtoefeningen, aërobe oefeningen, laag intensieve oefeningen gericht op lopen, rennen, fietsen en zwemmen. De programma s werden in of na school in groepen vormgegeven. Frequentie was gemiddeld 2-3 x per week, gedurende minimaal 12 weken. De leeftijd van de kinderen varieerde van 7 t/m12 jaar. Alle RCT s hadden de BMI als primaire uitkomstmaat. In de studie van Epstein et al (20) werd ook de aërobe capaciteit gemeten. In alle studies daalde de BMI in de interventiegroep aan het eind van de interventie significant in vergelijking met de controlegroep. Na herevaluatie bij 6 maanden en bij Level of evidence conform de EBRO richtlijnen (evidence based richtlijn ontwikkeling) A1 Systematische reviews die ten minste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen, waarbij de resultaten van de afzonderlijke onderzoeken consistent zijn. A2 Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (gerandomiseerde, dubbelblind gecontroleerde trials) van voldoende omvang en consistentie. B Gerandomiseerde klinische trials van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd, vergelijkend cohort onderzoek, patiëntcontrole onderzoek). C Niet-vergelijkend onderzoek. D Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden. Figuur 3. Indeling van de literatuur naar de mate van bewijskracht interventie 8 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

11 1 jaar was de BMI weer op beginniveau en was er geen verschil meer tussen de groepen. Er waren geen programma s die meer of minder invloed hadden op de BMI. Deze daalde tijdens alle programma s. Indien een vermindering van de screen time structureel werd aangepakt had dit een groter effect op de BMI na 1 jaar dan wanneer alleen fysieke activiteiten werden gedaan (25). Wat betreft de studies waarin ook dieet een onderdeel van de interventie was, viel op dat er veel dropouts waren (21-37% oplopend tot 41% na 1 jaar (25). Conclusies en discussie literatuursearch Er is geen eenduidige conclusie te trekken of specifieke fysieke activiteiten programma s gecombineerd met dieet meer of minder effect hebben op de BMI. Bij alle programma s daalde de BMI. Maar na 1 jaar bleek de BMI weer op het oude niveau te zijn. Het volhouden van een dieet is moeilijk (hoge drop out na 1 jaar). Schijnbaar is obesitas zo sterk afhankelijk van vele factoren dat een multidisciplinaire benadering essentieel is en dat fysieke activiteit, het verminderen van inactiviteit, dieet of voedingsadvies, gedragstherapie en betrekken van de familie in het programma gecombineerd moeten worden. Renders en collega s (26) verwoorden dit heel helder: de geringe mate van succes van preventieprogramma s wordt wel toegeschreven aan sterke tegenkrachten, zoals advertentiecampagnes en de belangrijke rol die TV en computers in onze huidige maatschappelijke leven hebben. Samenwerking tussen diverse partijen (overheid, maatschappelijke organisaties, vertegenwoordigers van sociale partners en bedrijfsleven) is een belangrijke voorwaarde om de stijging van de prevalentie van overgewicht en obesitas te verminderen of zelfs om te buigen in een daling. Zijn onze vragen nu beantwoord? Nee, helaas niet. Centraal bij de studies staat de invloed van het interventieprogramma op de BMI. Of de kinderen meer gaan sporten, minder screen time hebben, meer plezier in het bewegen hebben, hun motorische vaardigheden verbeteren en een verbeterde conditie hebben na het volgen van een fysiek activiteiten programma werd niet beschreven omdat alleen het effect op de BMI beschreven werd. Daarom werd besloten een interventieprogramma op te zetten met drie doelstellingen: het plezier in het bewegen te vergroten, de conditie te verbeteren en de motorische vaardigheden te verbeteren. Gekozen werd voor een multidisciplinaire benadering met een beweegprogramma, en aandacht voor de voeding en de leefwijze m.b.t. voeding en bewegen. Het beweegprogramma Bewegingservaring heeft een kind nodig, niet alleen voor zijn motorische ontwikkeling, maar ook voor zijn zelfbeeld en succesbeleving. Voor kinderen met cystic fibrosis toonden Gulmans en Stangelle aan dat bewegingprogramma s de competentie-beleving bij kinderen verhoogden (27,28). Voor kinderen met rheuma vond Takken een verbetering van het psychosociaal functioneren (29). Bij kinderen met obesitas is bekend dat er ook psychosociale problemen kunnen voorkomen (8). Voor deze groep zouden beweeginterventies belangrijk kunnen zijn voor het ontwikkelen van het zelfbeeld. In het interventieprogramma ligt de nadruk op het opbouwen van het dagelijks bewegen en van het plezier in bewegen. We willen het plezier in bewegen laten toenemen en we denken dat je daarvoor niet alleen een goede conditie nodig hebt, maar ook voldoende motorische vaardigheden. Aangezien de stijging van het gewicht al in de voorschoolse leeftijd te zien is (figuur 1) rijst de vraag of kinderen met overgewicht een goede conditie en voldoende motorische vaardigheden kunnen opbouwen (6,7). Omdat kinderen niet, zoals volwassenen, zich extra gaan inspannen alleen omdat iemand zegt dat het gezond voor ze is, is het belangrijk dat een interventie plezier oplevert (10). Fitness in een sportschool lijkt dan ook niet de meest geschikte manier om basisschoolkinderen met overgewicht te benaderen. Kinderen willen al bewegend zichzelf en de omgeving ontdekken. Dit doen ze door middel van spel in hun directe omgeving en door te spelen met andere kinderen. Bij fitness mis je het spel in de groep. De mogelijkheid om een geleerde vaardigheid toe te passen in spel met de andere kinderen ontbreekt. We h e b b e n g e k o z e n voor spel als bewegingsinterventie, niet alleen omdat het meer geschikt en leuker lijkt voor kinderen in deze leeftijd, maar ook omdat meer effect van de interventie te verwachten is naar mate de activiteit meer lijkt op dagelijkse handel i n g e n ( 3 0 ). Door te werken met spel in de groep hebben we de mogelijkheid om het bewegen als zeer plezierig te laten ervaren en zowel de motorische vaardigheidstraining als de conditie training kan gegeven worden in de vorm van spel. De meeste spel en sport situaties vragen zowel aërobe conditie als ook anaërobe conditie. Kinderen met overgewicht hebben moeite om hun klasgenoten bij te houden met rennen en moeten hun extra gewicht meenemen bij springvaardigheden. Op het aërobe vlak zijn de problemen vooral het niet kunnen volhouden van de activiteit en op anaërobe vlak het te langzaam zijn voor die activiteit. De training moet hierop aansluiten en zeer geschikt hiervoor is de interval tempo en tempo-duurtraining. Kenmerkend voor deze training is dat het heel sport en spelspecifiek uitgevoerd kan worden (31). De conditietraining in het beweegprogramma is niet gericht op vetverbranding, maar gericht op vergroten van het aërobe en anaërobe vermogen, zodat kinderen na afloop van het programma de middelen hebben om dagelijks meer te gaan bewegen. De verwachting is dat dit uiteindelijk van invloed is op het gewicht. Gekozen is voor groepsinterventie omdat kinderen dan elkaar kunnen stimuleren om meer te bewegen. De groepen kunnen het beste naar leeftijd of naar vaardigheid worden ingedeeld en niet te groot zijn. Wanneer de groepsgrootte even groot zou zijn als een schoolklas van bijvoorbeeld 25 leerlingen zou er, ook gezien de lesduur van een uur, onvoldoende individuele aandacht gegeven kunnen worden aan de motorische vaardigheden van elk kind. Bij 8-12 kinderen vinden wij dit nog te overzien en kan de groep in tweeën gesplitst worden om een spel met elkaar te kunnen spelen. Met een betere motorische vaardigheid, een betere conditie en meer bewegingsplezier geef je kinderen de mogelijkheid dagelijks meer te bewegen, met andere kinderen samen te spelen en een actiever en dus gezonder leven te leiden. Kenmerken van het beweegprogramma samengevat: Gericht op kinderen met overgewicht of obesitas Rekening houdend met het motorisch vaardigheidsniveau en de conditie Groepsindeling naar leeftijd Groepsgrootte van 8-12 kinderen Locatie bij gymzaal, speelplaats of zwembad De doelen zijn: Plezier in het bewegen Conditieverbetering en motorische vaardigheidsverbetering Dit is in het programma vormgegeven middels: Sport en spel Individuele aandacht K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

12 Beloning bij het doen van het huiswerkprogramma Om conditie te verbeteren is het nodig om drie keer per week gedurende drie maanden te trainen, waarbij rekening gehouden moet worden met specifieke trainingsprincipes zodat de training voldoende effect heeft (32). De beweeglessen kunnen twee keer per week gegeven worden, waarbij de derde training als huiswerk wordt opgegeven. In de opbouw kan de duur van de oefeningen verlengd worden, kan de intensiteit verhoogd worden en kan tot slot de arbeid -rustverhouding veranderen. Met betrekking tot de motorische vaardigheid kan men van enkelvoudige opdrachten tot samengestelde opdrachten werken met daarna de toepassing in het spel. Voeding In Terug naar de gezonde basis, de campagne ter preventie van overgewicht bij kinderen in Nederland stelt Verheul-Koot (4) dat er een aantal veranderingen zijn in eetgewoonten die mogelijk van invloed zijn op de toename van obesitas. Dit betreft niet of slecht ontbijten, toename van tussendoortjes, en meer gebruik van frisdrank. De literatuurstudie laat zien dat het volhouden van een dieet moeilijk te realiseren is (25). Daarom hebben we in het interventieprogramma, in overleg met de diëtist, gekozen voor algemene voedingsinformatie, gericht op slechte eetgewoonten. Uit de voedselconsumptiepeiling 1997/98 blijkt dat bijna 80% van de energie-inname van schoolkinderen binnenshuis wordt gegeten. Van de overige 21-25% die buitenshuis wordt geconsumeerd wordt de helft van huis meegenomen en de andere helft buitenshuis verkregen (Voedingscentrum 1998). De rol van de ouders is heel belangrijk door de invloed op de voedselinname van hun kinderen. Informatie voor de ouders is dus essentieel bij de behandeling van kinderen met overgewicht. De kinderen kunnen ook leren wat gezond leven is en moeten informatie krijgen over gezond eten. In het project kregen ouders informatie door middel van foldermateriaal en oudermiddagen met de diëtist, de kinderfysiotherapeut en de pedagoog. De kinderen kregen informatie op school van een diëtist, en door middel van foldermateriaal, huiswerkopdrachten, kringgesprekken en spellenmiddagen in de gymzaal. Leefwijze m.b.t. voeding en bewegen Niet alleen voorlichting voor ouder en kind over gezonde voeding is nodig, maar ook verandering van leefwijze met betrekking tot voeding en beweging. Uit de literatuurstudie bleek dat meer bewegen van invloed was op de BMI, maar dat 1 jaar na de interventie de BMI weer op het beginniveau zat. Robinson (33) toonde aan dat alleen al het verminderen van TV/video kijken en van computerspelletjes na 1 jaar zonder andere maatregelen een BMI vermindering tot gevolg had. Daarom werd in het interventieprogramma gestreefd naar een beïnvloeding van de volgende factoren: verminderen van de screen time vermeerderen van het dagelijks bewegen deelname aan sporten leefwijze verandering ten opzichte van voeding en bewegen Ook hier ligt een belangrijke rol voor de ouders als rolmodel voor een actieve leefstijl, De beweeginterventie bij kinderen met overgewicht en obesitas is opgebouwd uit de volgende elementen: Er wordt rekening gehouden met het motorisch vaardigheids - en conditieniveau. Gelijkgerichte leeftijdgroepen of vaardigheidsgroepen, groepsgrootte van 8-12 kinderen. Duur 2 x 1 uur per week gedurende 12 weken, voorlichting voor ouders en kind, huiswerkprogramma met beloningspuntensysteem. Locatie bij voorkeur in gymzaal, speelplaats in de woonomgeving van het kind. Samenwerking met diëtist en psycholoog of pedagoog. Samenwerking met schoolorganisaties en GGD. De beweeglessen werden gegeven in een gymzaal onder leiding van een kinderfysiotherapeut. Va s t e o p b o u w : 1. Inleiding met huiswerkbespreking 2. Warming up 10 minuten 3. Conditietraining in spelvorm 20 minuten 4. Motorische vaardigheidstraining 10 minuten 5. Spel en sport 10 minuten 6. Cooling down Figuur 4. Overzicht opbouw beweeginterventie in totaal en per les. meer samen met het gezin te fietsen en te wandelen in plaats van televisie kijken. Daarnaast kunnen ouders hun kind ook helpen door het aan te melden bij een sportvereniging na afloop van het programma. De laatste bewegingslessen en het huiswerk in de laatste maand van het project waren gericht op het kiezen van een sport en ook in het eindgesprek met ouder en kind werd getracht een sport te vinden die bij het kind past. Om verandering van leefwijze te kunnen realiseren werd gebruik gemaakt van het health counselingmodel (34) wat uit drie fasen bestaat namelijk voorbereiden van het advies, uitvoeren van het advies en de nazorgfase. Ook het gedragsveranderingmodel waarbij de volgende stappen horen: openstaan, begrijpen, willen, kunnen, doen, blijven doen, werd toegepast in het project (35). Ondersteuning bij de uitvoering zijn intensieve multidisciplinaire samenwerking, informatie aan scholen, aan ouders en kinderen en de mogelijkheid om binnen het programma ervaringen met de verstrekte informatie te kunnen uitwisselen, toetsen en eventueel bijstellen. Het middel om te komen tot verandering van leefwijze is naast voorlichting aan ouder en kind, vooral ook actieve deelname van het kind en ouder. Dit kan vormgegeven worden door het kind aan kringgesprekken, huiswerkopdrachten en spellenmiddagen te laten deelnemen en door actieve deelname van de ouder aan de oudermiddagen en hulp aan het kind bij het uitvoeren van de huiswerkopdrachten. Bij de oudermiddagen werd de voorlichting gegeven door de kinderfysiotherapeut en de diëtist; de ouders konden de problemen die zij ondervonden bij het uitvoeren van het advies bespreken met elkaar en met de pedagoog die bij latere ouderbijeenkomsten aanwezig was. De kinderen kregen hun informatie via het huiswerk en de bespreking hiervan in de kringgesprekken aan het begin van de beweegles door de kinderfysiotherapeut. Het voordeel van bespreking met de kinderen onderling is dat ze de stof beter kunnen begrijpen door de herhaling en door de anderen gestimuleerd worden om mee te doen. In de spellenmiddag kregen ze informatie van de diëtist. De voorlichting aan de kinderen door de diëtist en door de kinderfysiotherapeut was op elkaar afgestemd. Zo kregen ze bijvoorbeeld in het huiswerk de opdracht om een collage te maken met goede en slechte tussendoortjes welke dan met de diëtist in de spellenmiddag besproken worden. 10 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

13 Figuur 5. Model bij interventieproject Plezier in Bewegen Ouders en kinderen kregen tegelijkertijd dezelfde informatie zodat het mogelijk werd om samen thuis te werken aan gedragsverandering, bijvoorbeeld afspraken maken over het aantal uren TV kijken en computeren of welke tussendoortjes meegegeven worden naar school. Multidisciplinaire benadering Zoals beschreven grijpt het programma op meerdere factoren aan. Multidisciplinaire samenwerking bij de uitvoering is dan wenselijk. De disciplines welke aan Plezier in Bewegen hebben meegewerkt zijn: de G G D, een kinderfysiotherapeut, een pedagoog en een diëtist. De uitvoering van het beweegprogramma lag in handen van een kinderfysiotherapeut. Dit is bij uitstek de deskundige op het gebied van motorische vaardigheid en kwaliteit van bewegen van kinderen. Bovendien is een kinderfysiotherapeut in staat de motorische activiteit individueel aan te passen indien er al lichamelijke klachten of beperkingen zijn ontsta a n. Daarnaast wordt in de kringgesprekken aan het begin van een beweegles informatie verstrekt en worden ervaringen uitgewisseld over verandering van leefwijze. Ook dit werd gedaan door een kinderfysiotherapeut. Gestreefd werd naar een nauwe samenwerking, waarbij niet ieder vanuit zijn eigen vakgebied ouder en kind benadert. In dit interventieprogramma komt het voor dat de kinderfysiotherapeut gesprekken heeft met de groep kinderen over gezond eten en dat de diëtiste drie keer een spellenmiddag met opdrachten in de gymzaal organiseert. Goede contacten met sportverenigingen en informatie van de gemeentelijke afdeling sport en recreatie maken dat in het eindgesprek met de ouders adequate adviezen gegeven kunnen worden met betrekking tot sportbeoefening van het kind na afloop van het programma. Het project Er werd een project beschreven waarbij de interventie zoveel mogelijk voldeed aan de bovengenoemde voorwaarden, zoals samengevat in figuur 5. Besloten werd hier tevens een pilot studie aan te koppelen. De opzet van het project, de methode van de pilot studie en de resultaten ervan zijn beschreven in het tweede artikel over dit onderwerp: Een pilot studie naar de effectiviteit van een interventie programma voor kinderen met overgewicht. Literatuur 1. World Health Organization. Obesity: preventing and managing the global epidemic. Geneva; Report No.: World Health Assembly Resolution. Diet, Physical Activity and Health. Geneva; Report No.: Bar-Or O, Foreyt J, Bouchard C, Brownell KD, Dietz WH, Ravussin E, et al. Physical activity, genetic, and nutritional considerations in childhood weight management. Medical Science Sports Exercise 1998;30: Verheul-Koot M. Terug naar de gezonde basis. Campagne ter preventie van overgewicht bij kinderen in Nederland. Nederlandse Vereniging van Diëtisten, Oss Cole TJ, Bellizzi MC, Flegal KM, Dietz WH. Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey. BMJ 2000;320(7244): Hirasing RA, Fredriks AM, van Buuren S, Verloove- Vanhorick SP, Wit JM. Toegenomen prevalentie van overgewicht en obesitas bij Nederlandse kinderen en signalering daarvan aan de hand van internationale normen en nieuwe referentiediagrammen. Ned Tijdschr Geneeskd 2001;145(27): Fredriks AM, van Buuren S, Burgmeijer RJ, Meulmeester JF, Beuker RJ, Brugman E, et al. Continuing positive secular growth change in The Netherlands Pediatr Res 2000;47(3): Wabitsch M. Overweight and obesity in European children: definition and diagnostic procedures, risk factors and consequences for later health outcome. Eur J Pediatr 2000;159 Suppl 1:S Magarey AM, Daniels LA, Boulton TJ, Cockington RA. Predicting obesity in early adulthood from childhood and parental obesity. Int J Obes Relat Metab Disord 2003;27(4): Bar-Or O. The Juveniel Obesity Epidemic: Strike Back with Physical Activity. Med Sci Sports Exerc 2003;89(16): Hildebrandt V.H, Ooiiendijk W.T.M, Stiggelhout M. Trendrapport bewegen 1998/1999. Leiden; Crespo CJ, Smit E, Troiano RP, Bartlett SJ, Macera CA, Andersen RE. Television watching, energy intake, and obesity in US children: results from the third National Health and Nutrition Examination Survey, Arch Pediatr Adolesc Med 2001;155(3): Gortmaker SL, Must A, Sobol AM, Peterson K, Colditz GA, Dietz WH. Television viewing as a cause of increasing obesity among children in the United States, Arch Pediatr Adolesc Med 1996;150(4): Summerbell CD, Waters E, Edmunds LD, Kelly S, Brown T, Campbell KJ. Interventions for preventing obesity in children. Cochrane Database Syst Rev 2005(3):CD Harvey EL, Glenny AM, Kirk SF, Summerbell CD. An updated systematic review of interventions to improve health professionals management of obesity. Obes Rev 2002;3(1): Reilly JJ, McDowell ZC. Physical activity interventions in the prevention and treatment of paediatric obesity: systematic review and critical appraisal. Proc Nutr Soc 2003;62(3): Campbell K, Waters E, O Meara S, Summerbell C, Barlow SE, Dietz WH, et al. Interventions for preventing obesity in childhood. A systematic review. Obes Rev 2001;2(3): Epstein L, Wing R, Koeske R, Valoski A. A comparison of lifestyle exercise, aerobic exercise, and calisthenics on weight loss in obese children. Behaviour Therapy 1985;16: Epstein LH, Wing RR, Penner BC, Kress MJ. Effect of diet and controlled exercise on weight loss in obese children. J Pediatr 1985;107(3): Epstein LH, Valoski AM, Kalarchian MA, McCurley J. Do children lose and maintain weight easier than adults: a comparison of child and parent weight changes from six months to ten years. Obes Res 1995;3(5): Schwingshandl J, Sudi K, Eibl B, Wallner S, Borkenstein M. Effect of an individualised training programme during weight reduction on body composition: a randomised trial. Arch Dis Child 1999;81(5): Sahota P, Rudolf MC, Dixey R, Hill AJ, Barth JH, Cade J. Randomised controlled trial of primary school based intervention to reduce risk factors for obesity. BMJ 2001;323(7320): Epstein LH, Paluch RA, Gordy CC, Saelens BE, Ernst MM. Problem solving in the treatment of childhood obesity. J Consult Clin Psychol 2000;68(4): Epstein LH, Paluch RA, Saelens BE, Ernst MM, Wilfley DE. Changes in eating disorder symptoms with pediatric obesity treatment. J Pediatr 2001;139(1): Israel AC, Shapiro LS. Behavior problems of obese children enrolling in a weight reduction program. J Pediatr Psychol 1985;10(4): Renders CM, Seidell JC, van Mechelen W, Hirasing RA. Overgewicht en obesitas bij kinderen en adolescenten en preventieve maatregelen. Ned Tijdschr Geneesk 2004; 148(42): Gulmans VA, de Meer K, Brackel HJ, Faber JA, Berger R, Helders PJ. Outpatient exercise training in children with cystic fibrosis: physiological effects, perceived competence, and acceptability. Pediatr Pulmonol 1999;28(1): Stanghelle JK, Maehlum S, Skyberg D, Landaas S, Oftebro H, Bardon A, et al. Biochemical changes and endocrine responses in cystic fibrosis in relation to incremental maximal exhaustive exercise. Int J Sports Med 1988;9 Suppl 1: Takken T, van der Net J, Helders PJ. Do junvenile idiopathic arthritis patients benefit from an exercise program? A pilot study. Arthritis Rheum 2001;45(1): Epstein LH, McKenzie SJ, Valoski A, Klein KR, Wing RR. Effects of mastery criteria and contingent reinforcement for family-based child weight control. Addict Behav 1994;19(2): Rameckers EAA, Coenen M. Kracht en Conditietraining bij kinderen met een tonusdysregulatie ten gevolge van een aangeboren Centraal Neurologische Aandoening verdi enen een volwaardige plaats in de fysiotherapie. Key Point 2001;November. 32. Fox EL, Bowers RW, Foss ML. Fysiologie voor de lichamelijke opvoeding, sport en revalidatie. 5 ed. Maarssen: elsevier / de Tijdstroom; Robinson TN. Reducing children s television viewing to prevent obesity: a randomized controlled trial. JAMA 1999;282(16): Gerards F. health Counseling. Het adviesgesprek in de (para) medische en verpleegkundige zorg. Baarn: Nelissen; Burgt M vd, Verhulst F. Doen en blijven doen. Voorlichting en compliance bevordering door de paramedici. Houten/Antwerpen: Bohn Stafleu Van Loghum; K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

14 Het interventiepr0gramma Plezier in Bewegen Deel 2 Een pilot studie naar de effectiviteit van een interventieprogramma voor kinderen met overgewicht Eugène Rameckers*, Marlène Bronzwaer, Sandra Beurskens en Tim Takken In 2004 en 2005 is een pilot project gestart met als doel kinderen met overgewicht meer plezier te geven in bewegen en meer te leren over gezond leven. Verondersteld wordt dat deze doelen pas realiseerbaar zijn als aan de voorwaarden: conditie, motorische vaardigheden en verminderde screen time is voldaan. Van de eerste 2 groepen worden de effecten van het interventieprogramma weergegeven op de conditie, de motorische vaardigheden, aantal uren bewegen en de Body Mass Index (BMI). De uitvoerbaarheid van het programma is geëvalueerd. De mogelijkheden van het programma lijken posit i e f. Na evaluatie van de eerste twee groepen zijn ook enkele aanpassingen gedaan om het programma te optimaliseren. In het vorige artikel ( Het interventieprogramma Plezier in Bewegen deel 1: Beschrijving van de ontwikkeling van een interventie programma voor kinderen met overgewicht ) is het programma Plezier in bewegen beschreven (zie p. 7). Hierin wordt in 12 weken aan een groep kinderen met overgewicht en obesitas van 9 tot 12 jaar een multidisciplinair programma aangeboden. Kinderfysiotherapeut, diëtist en pedagoog begeleiden hierin kind en ouder. In figuur 5 van het vorige artikel is schematisch weergegeven hoe het programma is opgebouwd. De 9-12 jarigen zijn gekozen als doelgroep omdat vanaf die leeftijd de deelname aan sportverenigingsleven van groter belang wordt en door de obesitas snel uitval te zien is. Tevens wordt de sterkste stijging van overgewicht gezien vanaf 6 jaar en de mate van sportbeoefening neemt in de verenigingen toe vanaf 7-8 jaar (1,2). In de multidisciplinaire benadering wordt aandacht geschonken aan het bewegen, voeding en leefwijze. Diëtist en pedagoog vormden samen met de kinderfysiotherapeut de leden van dit team. Het programma Plezier in bewegen is gericht op het veranderen van de leefwijze op het vlak van bewegen en voeding. Het verminderen van BMI is een secundair doel. Een actieve rol van ouders, familie, school is essentieel in dit programma omdat het kan leiden tot een geringere mate van drop out tijdens en na het beweegprogramma (3). De pedagoog speelt hierin een belangrijke rol. De diëtist verzorgde de bijeenkomsten waarin ouders en kinderen kennis werd gegeven over gezonde voeding. (4-7) Samenwerking met pedagoog, diëtist en ouders kan meer garantie bieden om het fysieke activiteitsniveau van een kind te verhogen, de niet-activiteit uren te verminderen en dieet of voedingsadvies vol te houden. Het programma heeft de volgende kenmerken: Het programma is gericht op kinderen met overgewicht of obesitas in de leeftijd van 9 t/m 12 jaar Rekening houdend met het motorische vaardigheidsniveau en de conditie Groepsgrootte van 8 12 kinderen Locatie bij voorkeur in gymzaal, speelplaats of zwembad De doelen van het programma zijn gericht op het veranderen van de leefwijze met betrekking tot bewegen en voeding. We willen het plezier in het bewegen vergroten voor deze kinderen. Dit is in dit project niet direct gemeten. We gaan in dit programma uit van de veronderstelling dat als we de lessen op een plezierige manier vormgeven door middel van spelletjes en sport (aanbiedingsvorm) en de conditie (fysiologische Eugène Rameckers, MRes kinderfysiotherapeut, Stichting Revalidatie Limburg, docent MOK aan Avans+ Breda Marlène Bronzwaer-Prick, Mspt kinderfysiotherapeut, fysiotherapie en kinderfysiotherapie Bronzwaer, Maastricht Drs. Sandra Beurskens, PhD Fysiotherapeut, epidemioloog, senior docent Faculteit Gezondheid en Techniek, Kenniskring Autonomie en Participatie, Hogeschool Zuyd, Heerlen Dr. Tim Takken, Inspanningsfysioloog, Afdeling Kinderfysiotherapie & Pediatrische Inspanningsfysiologie, Wilhelmina Kinderziekenhuis, UMC Utrecht *Correspondentieadres: Eugène Rameckers, Onderstestraat 29, 6301 KA Valkenburg Houthem kenmerken) en motorische vaardigheden (motorische kenmerken) trainen, uiteindelijk ook het plezier in bewegen zal toenemen. Tevens krijgt het laten toenemen van de kennis over gezonde voeding en kennis over het nut van bewegen veel aandacht in dit programma. Het creëren van plezier in bewegen in het gehele programma werd vormgegeven door veel spel en sportvormen aan te bieden. De kinderen hebben hierin een keuze en worden individueel begeleid. De hypothesen in dit pilot onderzoek zijn dat: de conditie na de interventie vooruit is gegaan de motorische vaardigheden toegenomen zijn de BMI gelijk blijft of afgenomen is 12 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

15 Figuur 1. Opzet procedure interventie programma: Plezier in bewegen. het aantal uur bewegen/sport toegenomen is het aantal uur screen time afgenomen is Behalve de resultaten bij de kinderen hebben we ook de uitvoerbaarheid van het programma geëvalueerd. De hiervoor ontwikkelde vragenlijst van de GGD hebben we pas bij de 2e groep kunnen gebruiken. Methode Deelnemers In dit project werd samengewerkt met de GGD, hierdoor werd de werving en selectie via de scholen zeer effectief. Twintig scholen werden aangeschreven. De meeste leerkrachten gaven aan het een goed en noodzakelijk initiatief te vinden, maar het moeilijk te vinden om ouders te attenderen op het overgewicht van hun kind. Zij wilden liever meewerken door de uitnodiging aan alle kinderen mee te geven of door een exemplaar op te hangen, zodat alle ouders ervan kennis konden nemen. Ook werd de tekst van de uitnodiging opgenomen in enkele schoolkranten. De huisartsen en de kinderartsen werden aangeschreven. Kinderen met overgewicht of obesitas, basisschoolleeftijd van 9-12 jaar en bereidheid om het 12 weken durende programma mee te doen werden geïncludeerd. Kinderen met gediagnosticeerde motorische problematiek werden uitgesloten. In totaal is het programma aan twee groepen aangeboden. In 2004 aan tien kinderen en in 2005 aan veertien kinderen. Zie figuur 1. Procedure Om de vragen met betrekking tot het beweegprogramma te beantwoorden werden de metingen verricht zoals in figuur 2 staan weergegeven. Algemene randvoorwaarden bij de metingen was dat ze uitvoerbaar zijn op de locatie van de interventie of in de praktijk van de kinderfysiotherapeut en een minimaal testinstrumentarium nodig is. De benodigdheden zijn: Lengte en gewichtmeter, sporttesters, pionnen en de motorische vaardigheidstest Körper Koordinations test für Kinder (KTK). De BMI en de 6 minuten test werden door een onafhankelijke tester afgenomen. De KTK werd door de trainer - therapeut afgenomen. De vragenlijst over het aantal uren screen time en activiteiten werden door de kinderen en ouders ingevuld. Alle metingen werden uitgevoerd voor de start van de beweeginterventie (week -2) en tijdens de laatste week van de beweeginterventie (week 12). De KTK en de BMI werden in de praktijk van de kinderfysiotherapeut afgenomen, de 6 minuten test in de gymzaal van de school. De uitvoerbaarheid van het programma door ouders werd na het doorlopen van het programma met een vragenlijst van de GGD geevalueerd. De ouders vulden deze lijst in. Primaire uitkomstmaten Aërobe conditie Om de aërobe conditie in de klinische praktijk te kunnen meten is deze bepaald met de 6 minuten ren test uit de Moper fitness test. Deze test geeft een goede maat voor het aërobe uithoudingsvermogen van de kinderen zonder motorische beperkingen en is gevalideerd voor 8-11 jarige kinderen (8). Motorisch vaardigheidsniveau Het motorisch vaardigheidsniveau is getest met de Körper Koordinations Test voor Kinder (KTK) (9-11). Deze test bestaat uit 4 test items, die worden uitgedrukt in Motorisch Quotiënten (MQ). Dit zijn het achterwaarts balanceren (MQ1), 1 benig over kussens springen (MQ2), zijwaarts heen en weer springen (MQ3), zijwaarts verplaatsen op plankje (MQ4). De keuze voor deze test is gebaseerd op het feit dat we met sportgerichte vaardigheden in het beweegprogramma werken, en de Motorische Quotienten (MQ) van de test-items en de totale MQ een grote correlatie vertonen met het motorische niveau van de sportactiviteiten (9-11). Aangezien de kinderen met overgewicht snel minder meedoen aan sporten is de verwachting dat het motorische niveau lager zal zijn. Vooral het niveau van lopen, rennen, en springen wordt lager verwacht omdat hierbij het gewicht een grote rol speelt. Deze items worden in de Korper Koordination Test gemeten. Voor de KTK totaalwaarde zijn normcategorieën berekend (9, 10). Deze delen de motorische prestatie in naar: hoog, goed, normaal, opvallend en gestoord. Figuur 2. Overzicht uitgangspunten en uitkomstmaten beweegprogramma Secundaire uitkomstmaten BMI De BMI (kg/m 2 ) is berekend aan de hand van de lengte en gewicht metingen. Verandering in beweeg en activiteitengedrag Met beweeggedrag bedoelen wij het aantal uren sport in een vereniging. Activiteitengedrag wordt door ons gedefinieerd als het aantal uren spel buiten, het fietsen en lopen naar school. Vermindering van aantal uren screen time wordt geregistreerd. Door middel van de vragenlijst van de GGD zijn deze voor de tweede groep in kaart gebracht. Het interventieprogramma Het concrete programma werd 2 keer per week gedurende één uur uitgevoerd. Het is beschreven in het vorige artikel (Het interventieprogramma Plezier in Bewegen Deel 1). Om drop out zoveel mogelijk te voorkomen werden de ouders betrokken bij het interventieprogramma. Zij kregen voorlichting over de oorzaken van overgewicht en de noodzaak om meer actief te bewegen. In drie extra bijeenkomsten werd dit gedaan onder leiding van een kinderfysiotherapeut, een diëtist en een pedagoog. Een tweede maatregel was het gebruik maken van een beloningssysteem voor de kinderen om het huiswerkprogramma vol te houden. De ouders en kinderen registreerden samen hoe het programma thuis verliep. Dit gaf ouders en kind de gelegenheid om samen veranderingen aan te brengen in leefwijze. Analyse Gezien de kleine aantallen werd er gebruik gemaakt van de beschrijvende statistiek en non-parametrische toetsen. De Wilcoxon Signed Rank test is uitgevoerd bij de uitkomstmaten van de 6 minuten test, de BMI en om de verschillen in de KTK te bekijken. Als significantie niveau werd een α van 0.05 genomen. Resultaten In totaal werden er 24 kinderen geïncludeerd K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

16 Persoonsgegevens Groep 1 en 2 samen Groep 1 Groep 2 Mediaan (25, 75 percentiel)/percentages leeftijd 10 (9-11) 9.5 (8-10) 10 (9-11) geslacht jongen 41.5 % 50% 35.7% meisje 58.3 % 50% 64.2 % lengte ( ) ( ) ( ) gewicht 47.5 ( ) 45 (40-50) 49 ( ) BMI 23.5 ( ) 22.4 ( ) 24.3 ( ) Afstand 6 minuten test (meters) 756 ( ) 729 ( ) 783 ( ) Motorisch vaardigheidsniveau KTK totaal 77.5 ( ) 79.5 (71-89) 75 ( ) % obesitas 38 % 33% 23% Aantal uren sport per dag Alleen groep 2 / 0.5 (0-1.75) Aantal uren screen time per dag Alleen groep 2 / 2.75 ( ) Tabel 1. Baseline gegevens van de deelnemende kinderen.(n=24). Groep 1 (n=10), Groep 2 (n=14) en ze zijn in twee groepen na elkaar gestart. Van deze 24 kinderen zijn de baseline gegevens vastgelegd (zie tabel 1). Beide groepen laten geen grote verschillen zien. De kinderen komen van zeven verschillende scholen, drie kinderen uit groep 5, een kind uit groep 6, vier kinderen uit groep 7 en drie kinderen uit groep 8. Een kind kwam uit speciaal onderwijs. gegevens uit de 2e groep gebruikt. De aërobe conditie De resultaten op de 6 minuten ren test namen significant toe van een mediaan van 756 m (inter kwartiel afstand ) naar een mediaan van 911 m (inter kwartiel afstand ) na de interventie (p<0.001) (zie figuur 3). Deze delen de motorische prestatie in naar: hoog, goed, normaal, opvallend en gestoord. Vooraf aan de metingen hadden zeven kinderen de score gestoord, na de interventie 2 kinderen. Vooraf hadden acht kinderen een score opvallend en daarna vijf. De score normaal steeg van vijf naar dertien kinderen na de interventie. Zie figuur 4. De BMI De BMI is bepaald ten opzichte van de afkappunten voor overgewicht en voor obesitas, specifiek voor kinderen (2). Van de twintig gemeten kinderen scoorden van de meisjes vijf boven afkappunt obesitas en van de jongens drie. Na de interventie scoorden vier meisjes en twee jongens nog boven de afkapwaarden van obesitas. Eén jongen en één meisje scoorden na de interventie net onder de afkapwaarde van overgewicht. De BMI nam af van een mediaan van 23,2 (interkwartiel afstand 21,0-23.2) Kg/m2 voor de interventie, tot 22,8 (interkwartiel afstand 20,8-24,2) Kg/m2 na de interventie. Deze afname was statistisch significant (p<0.05). Zie figuur 3. Gedurende het programma zijn twee kinderen uitgevallen. In iedere groep 1 kind. Het eerste kind ging langdurig op vakantie tijdens het programma en het tweede kind vond 2 keer in de week komen te veel. Twee andere kinderen hebben niet aan de nameting deelgenomen (een kind in groep 1 vanwege ziek zijn en het andere kind in groep 2 wilde geen metingen meer doen) en zijn daarom niet meegenomen in de evaluatie berekeningen. De resultaten zijn van 20 kinderen weergegeven. De eerste groep kreeg nog geen vragenlijst van de GGD, omdat de lijst nog in ontwikkeling was. Daarom zijn voor de vragenlijst de Het motorisch vaardigheidsniveau De KTK motorische vaardigheidsscore is berekend met de Motorische Quotiënt score (MQ). Op de totale MQ score zien we na de interventie een verbetering van mediaan MQ score van 76 (interkwartiel afstand ) naar 92.5 (interkwartiel afstand ) (figuur 3). Dit is een statistisch significante verbetering (p<0.001). De deelscores laten voor MQ1 een lichte stijging zien maar niet statistisch significant, de andere deelscores laten een significante verbetering zien (MQ2: p<0.03, MQ3: p< 0.01, MQ4: p< 0.02). Zie tabel 2. De KTK totaal score kent normcategorieën. Verandering in beweeg- en activiteitengedrag Uit de vragenlijst van de GGD bleek dat zes kinderen niet aan sport deden voorafgaand aan het programma, drie kinderen 1 uur en drie kinderen 2 uur per week. Direct na het programma deden drie kinderen geen sport (maar gingen starten met een proefles van een sport), vier kinderen 1-1,5 uur en vijf kinderen 2 tot 3 uur. In totaal zijn vijf kinderen meer aan sport gaan doen en drie kinderen gingen een proefles volgen. De screen-time was vooraf aan het programma voor zes kinderen 1 tot 3 uur per dag en bij zes kinderen 3 tot 6 uur per dag. Direct na het programma was dit voor tien kinderen 1-3 uur en voor Afgelegde afstand 6 minuten test Scores KTK totaal Body Mass Index Figuur 3. Resultaten van de metingen vooraf aan de interventie (=T0) en na de interventie (=T1). Bij A de afgelegde afstand bij de 6 minuten ren test; bij B de totaal score van de KTK en bij C de BMI. De metingen zijn bij 20 kinderen uitgevoerd. 14 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

17 KTK/MQ Mediaan (25-75 percentiel) Mediaan (25-75 percentiel) statistische significatntie Voor Na KTK totaal 76 ( ) 92.5 ( p = KTK MQ ( ) 88.5 ( ) p = 0.07 KTK MQ2 72 ( ) (99-106) p < KTK MQ3 79 ( ) 96.5 ( ) p < KTK MQ (76-97) 92.5 ( ) p = Tabel 2. Gescoorde mediaanwaarden en significantie van Motorische Quotient waarden van KTK. Voor en na het programma. twee kinderen 3-4 uur. Een derde van de groep had na het programma minder screentime dan ervoor. Uitvoerbaarheid van het beweegprogramma Alleen van de twaalf kinderen van de tweede groep zijn de gegevens van de vragenlijst verzameld. Op één kind na vonden alle kinderen de metingen prettig en niet belastend. Zes kinderen deden keer (maximum is 24 keer) en zes kinderen keer mee met het interventieprogramma. De sfeer tijdens de beweeglessen werd door negen kinderen als goed en door drie als matig ervaren. Tien kinderen vonden het huiswerk gemakkelijk uit te voeren en deden er 15 minuten over, de andere twee deden er 30 minuten over. Tien kinderen vonden het huiswerk en de mogelijkheid om hier punten mee te verdienen relevant. Bij zeven kinderen hebben de ouders meegeholpen. De spellenmiddag werd door negen kinderen als leuk of heel leuk ervaren en leerrijk. De drie andere kinderen hebben niets ingevuld. In de vragenlijst beantwoorden elf kinderen van de tweede groep de vraag of je meer aan de conditie bent gaan werken met ja. De drang om meer te gaan bewegen werd door alle twaalf kinderen als groter aangegeven en alle kinderen vonden dat ze meer inzicht hadden in het nut van bewegen. Acht kinderen gaven aan dat ze waarschijnlijk meer zullen gaan bewegen en vier kinderen gaven aan zeker meer te gaan bewegen na het project. De informatie-avond werd door vier van de negen ouders (drie hebben deze vraag niet ingevuld, ondanks dat ze aanwezig waren) als nieuwsgevend ervaren, vier gaven aan weinig nieuwe informatie gehoord te hebben en één geen nieuwe informatie. Acht ouders vonden dat hun kind veel geleerd had tijdens het project en willen dit project zeker aanraden bij andere ouders. De invloed op eigen bewegen werd als positief ervaren door de ouders en tien ouders gaven aan dat dit kwam omdat ze hun kind geholpen hebben bij het huiswerk programma. Persoonlijk coachen bij het volhouden van een gezonde leefstijl werd door 9 ouders gewenst geacht. Dit moet volgens vijf ouders door een diëtist en voor 5 ouders door een kinderfysiotherapeut uitgevoerd worden. Discussie en conclusies Na deze pilot studie kan geconcludeerd worden dat het programma plezier in bewegen de voorwaarden voor veranderingen in de leefwijze op het vlak van bewegen kan realiseren; op alle effectmaten is de groep verbeterd. Zowel de conditie als de motorische vaardigheden zijn dusdanig vooruitgegaan dat significante verschillen te meten zijn en deze ook relevant te noemen zijn. Bij de kinderen is het motorische vaardigheidsniveau dusdanig vergroot dat het grootste deel van de groep normaal gaat scoren op de KTK test. Ook de BMI is significant gedaald ondanks het feit dat er geen dieet is gevolgd en alleen voorlichting over voeding en bewegen is gegeven. Een van de doelen was het plezier in bewegen te vergroten. Als kinderen met veel plezier komen is de uitval gering en dit wordt Figuur 4. De verandering in de frequentie van de van de Motorisch Quotient scores voor en na de interventie bevestigd door de minimale uitval van slechts twee van de vierentwintig kinderen in twaalf weken en het feit dat de helft nagenoeg iedere keer aanwezig was en de helft %. Van de twaalf kinderen van de tweede groep hebben we de gegevens van de vragenlijst, hierbij viel op dat de interventie en de metingen grotendeels als plezierig werden aangegeven. Ook het huiswerk werd door tien van de twaalf kinderen als gemakkelijk ervaren. Het werd als plezierig ervaren om een beloning te krijgen als het huiswerk gedaan werd. De participatie van de ouders is heel belangrijk om resultaten te laten beklijven. Zeven van de twaalf ouders hielpen de kinderen met het huiswerk en deze ouders waren over het meehelpen heel positief. Acht van de twaalf kinderen hadden de intentie om na dit project meer te gaan bewegen en vier kinderen waren daar heel stellig in. Dit zullen we op langere termijn blijven volgen. We missen nu de informatie of ze daadwerkelijk zijn gaan sporten. Indien het bewegen plezierig is zal ook het aantal uren sporten toenemen en aantal uren screen-time afnemen. Dit kwam in de antwoorden op de vragenlijst duidelijk naar voren. Belangrijk is om op te merken dat deze pilot studie geen traditionele effect studie is. Er was geen sprake van randomisatie en er was ook geen controle groep. Opvallend was wel dat de kinderen op alle uitkomstmaten zijn vooruitgegaan. Met andere woorden er zit ook op deze manier beweging in het interventieprogramma plezier in bewegen. In een gerandomiseerd experiment kan nagegaan worden of het effect dat gevonden is, toe te schrijven is aan het programma en welke eventuele andere factoren een rol spelen. Belangrijke te bestuderen variabele zou kunnen zijn, de invloed van de hulp van de ouders. Wat willen we verbeteren in het programma? Na het programma twee keer uitgevoerd te hebben, zijn er een aantal verbeterpunten. De betrokkenheid van de ouders hadden we groter gewenst. Hoewel de informatieavonden geslaagd gevonden werden, is er een duidelijke behoefte van de ouders om verder begeleid te worden (negen van de twaalf ouders) door diëtist of kinderfysiotherapeut. Duidelijk is dat het plezier in bewegen moeilijk is vast te stellen. De relatie met de uitkomsten conditie en motorische vaardigheden, aantal uren screen time en sport met plezier in bewegen moet nog duidelijk worden. Heel tevreden zijn we over de multidiscipli- K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

18 naire aanpak omdat deze alle aspecten die nodig zijn om een leefwijze te veranderen mogelijk maakt op gebied van voeding, beweging en gedrag van kind en ouders. Of de verbeterde conditie en motorische vaardigheden blijven bestaan en de BMI verlaagd blijft is nog niet duidelijk omdat een follow-up meting nog niet is uitgevoerd. Door het accent niet te leggen op het gewicht en dieet lijken we een goede richting gekozen te hebben voor de kinderen om ze meer aan het bewegen te krijgen. Wat betreft de praktische mogelijkheden van dit project kunnen we stellen dat het een relatief eenvoudige aanpak is. Goede samenwerking met de GGD en multidisciplinaire aanpak zijn een noodzaak. Het is belangrijk te onderscheiden dat dit geen kinderen zijn met duidelijke gedragsproblematiek en dat ze allemaal regulier basisonderwijs kunnen volgen. De begeleiding en aanpassing aan het motorische vaardigheidsniveau van de kinderen maakt het ons inziens noodzakelijk dat een kinderfysiotherapeut dit programma vormgeeft. Voor de kinderfysiotherapie blijft fat but fit and have fun een na te streven principe. In 2006 wordt de training van een 3e groep kinderen afgerond en met een 4e en 5e groep gestart. 2005;59 Suppl 1:S172-8; discussion S Gillis LJ, Kennedy LC, Gillis AM, Bar-Or O. Relationship between juvenile obesity, dietary energy and fat intake and physical activity. Int J Obes Relat Metab Disord 2002;26(4): Mechelen van W, Twisk J, Molendijk A, Blom B, Snel J, Kemper JC. Subject-related risk factors for sport injuries: a 1-yr prospective study in yound adults. Med Sci Sport Exercise 1996;28(9): Kiphard EJ. [The problem of motoric frustration in physical training]. Prax Kinderpsychol Kinderpsychiatr 1971;20(8): Kiphard EJ, Schilling F. [The Hamm-Marburg body control test for children]. Monatsschr Kinderheilkd 1970;118(8): Schilling EJKF. Körperkoordinationstest für Kinder. Beltz Test GmbH Weinheim Literatuur 1. Fredriks AM, van Buuren S, Burgmeijer RJ, Meulmeester JF, Beuker RJ, Brugman E, et al. Continuing positive secular growth change in The Netherlands Pediatr Res 2000;47(3): Hirasing RA, Fredriks AM, van Buuren S, Verloove- Vanhorick SP, Wit JM. Toegenomen prevalentie van overgewicht en obesitas bij Nederlandse kinderen en signalering daarvan aan de hand van internationale normen en nieuwe referentiediagrammen. Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145(27): Bar Or O, Foreyt J, Bouchard C, Brownell KD, Dietz WH, Ravussin E, et al. Physical activity, genetic, and nutritional considerations in childhood weight management. Medicine and Science in Sports and Exercise 1998;30(1): Bar-Or O. Physical activity and physical training in childhood obesity. J Sports Med Phys Fitness 1993;33(4): Summerbell C, Waters E, Edmunds L, Kelly S, Brown T, Campbell K. Interventions for preventing obesity in children. Cochrane Database Syst Rev 2005(3):CD Summerbell CD, Chinnock P, O Malley C, van Binsbergen JJ. The Cochrane Library: more systematic reviews on nutrition needed. Eur J Clin Nutr 16 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

19 Obesitas en Diabetes: een groeiend probleem onder de jeugd! Tim Takken*, Edgar van Mil, Marco van Brussel, Jan Custers, Olaf Verschuren en Paul Helders De toename van obesitas en type 2 diabetes mellitus is bij het grote publiek vooral bekend als een probleem dat voorkomt in de super-size leefstijl van de Amerikanen. Maar dit fenomeen waait langzaam maar heel zeker over naar ons land; ook in Nederland is er sprake van een beangstigende toename in obesitas en type 2 diabetes onder kinderen en jongeren (Hirasing et al., 2001). Kinderfysiotherapeuten krijgen steeds vaker kinderen verwezen met overgewicht, obesitas en/of type 2 diabetes. Wa t voor soort behandeling kun je bij deze patiënten toepassen en wat is de evidentie voor de effectiviteit? In dit artikel zal er worden ingegaan op de pathofysiologische aspecten van obesitas en diabetes en wordt er een behandeladvies voor deze patiëntengroep voorgesteld. Achtergrond Type 2 diabetes leidt bij 80% van de patiënten tot hart- en vaatziekten. De snelle toename van obesitas en type 2 diabetes in de bevolking is vooral het gevolg van een verandering in leefstijl, vooral de reductie in voldoende fysieke activiteiten (Prentice & Jebb, 1995). Door de doorgaans ongezonde leefstijl bij mensen met obesitas stijgt de hoeveelheid vetten in het bloed. Dit heeft een aantal kwalijke effecten die uiteindelijk resulteren in het ongevoelig worden van belangrijke organen voor insuline. De skeletspier is een dergelijk belangrijk orgaan. Insuline is een hormoon dat zorgt voor een verlaging van de glucosewaarden in het bloed. De spieren in het menselijke lichaam hebben glucose (suiker) nodig als energiebron. Deze ongevoeligheid voor insuline wordt insulineresistentie genoemd en wordt door het lichaam gecompenseerd door meer insuline aan te maken in de alvleesklier. Deze zogeheten hyperinsulinemie is mogelijk de belangrijkste veroorzaker van het metabole syndroom, dat verder uit hypertensie en hyperlipidemie bestaat. Iemand die insulineresistent is kan glucoserijk voedsel nuttigen om de hoeveelheid bloedglucose in het bloed te laten stijgen, maar heeft ook weer meer insuline nodig om deze hoeveelheid vervolgens te verlagen. Deze manier om de bloedsuikerspiegel op pijl te houden kan geruime tijd goed gaan, maar bij obese mensen blijkt dat bij één op de drie mensen de alvleesklier op den duur faalt om genoeg insuline aan te maken. Door het falen van de ß cellen in de alvleesklier loopt de bloedsuikerspiegel langzaam op tot waarden waarop de diagnose diabetes mellitus type 2 gesteld kan worden. Door gewicht te verliezen wordt het lichaam minder insulineresistent, treedt er een daling op van de bloeddruk evenals een verbetering van de hoeveelheid vetten in het bloed. Obesitas Wereldwijd, zelfs in minder ontwikkelde landen, wordt er gesproken van een obesitas epidemie, vooral onder jeugdigen. Ook in ons land neemt kinderobesitas duidelijk toe. Obesitas wordt veroorzaak door een positieve energiebalans. De energiebalans is het evenwicht tussen energie inname door voedingsmiddelen, en energiegebruik door rust metabolisme, lichamelijke activiteit en spijsvertering. Kinderen horen een licht positieve energiebalans te hebben om te kunnen groeien. Echter, op momenten van groeiversnelling, zoals tijdens de groeispurt in de puberteit, bedraagt de extra benodigde energie voor groei niet meer dan 3% van het totaal. Een negatieve energiebalans lijdt tot gewichtsverlies, de meest effectieve manier om snel gewicht te verliezen is door middel van energie-inname reductie, ofwel lijnen. De energie-inname hangt echter af van de samenstelling van wat men eet. Zo heeft een gram vet meer dan de dubbele voedingswaarde (energie inhoud) dan 1 gram koolhydraat of eiwit (zie Tabel 1). Bovendien laten deze getallen zien dat je heel wat arbeid Afdeling Kinderfysiotherapie & Pediatrische Inspanningsfysiologie, Wilhelmina Kinderziekenhuis, UMC Utrecht; Netchild, Network for Childhood Disability Research. Afdeling Kinderendocrinologie, VU Medisch Centrum Amsterdam. Dr. Tim Takken, Klinisch Inspanningsfysioloog, Afdeling Kinderfysiotherapie & Pediatrische Inspanningsfysiologie. Dr. Edgar van Mil, Kinderarts, Afdeling Kinderendocrinologie, VU Medisch Centrum Amsterdam. Drs. Marco van Brussel, Inspanningsfysioloog, Afdeling Kinderfysiotherapie & Pediatrische Inspanningsfysiologie. Dr. Jan W.H. Custers, Kinderfysiotherapeut, Afdeling Kinderfysiotherapie & Pediatrische Inspanningsfysiologie. Drs. Olaf Verschuren, Kinderfysiotherapeut Revalidatiecentrum De Hoogstraat, Onderzoeker in opleiding, Afdeling Kinderfysiotherapie & Pediatrische Inspanningsfysiologie. Dr. Paul J. M. Helders, Hoogleraar Fysiotherapie, Afdeling Kinderfysiotherapie & Pediatrische Inspanningsfysiologie. *Correspondentieadres: Dr. Tim Takken, Klinisch Inspanningsfysioloog, Afdeling Kinderfysiotherapie & Pediatrische Inspanningsfysiologie, Wilhelmina Kinderziekenhuis, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Huispost: KB Postbus 85090, 3508 AB Utrecht. Tel , Fax: , moet verrichten, dus calorieën moet verbranden, om 1 kilogram vet kwijt te raken. Gedurende een gemiddelde etappe in de Tour de France gebruikt een wielrenner tussen de 5000 en 6000 Kilocalorieën (Saris et al., 1989), dit is theoretisch nog niet eens genoeg om 1 kilogram vet te verbranden. Dit voorbeeld toont overduidelijk aan hoe moeilijk het is om door bewegen gewicht te verliezen. K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni

20 Voedingsmiddel Energetische waarde 1 gram koolhydraat 17 kj (= 4 kcal) 1 gram eiwit 17 kj (= 4 kcal) 1 gram vet 37 kj (= 9 kcal) Tabel 1. De voedingswaarde van macronutriënten Overgewicht wordt meestal vastgesteld aan de hand van de Body Mass Index (BMI). Dit is de ratio tussen lichaamsgewicht en lichaamslengte in het kwadraat (kg/m 2 ). Vanwege groei en ontwikkeling nemen lengte en gewicht niet gelijkmatig toe, hierdoor zijn er in tegenstelling tot volwassenen geen vaste afkappunten voor overgewicht en obesitas bij kinderen. Bij volwassenen worden afkappunten van 25 en 30 aangehouden voor respectievelijk overgewicht en obesitas. Voor kinderen variëren deze afkappunten per geslacht en leeftijdsklasse en zijn er grafieken opgesteld met hierin de nationale (Hirasing et al., 2001) en internationale definities (Cole et al., 2000). Op de site van het voedingscentrum kunt u gemakkelijk vaststellen of een kind wel of geen overgewicht heeft. 1 Er dient echter wel een kritische noot geplaatst te worden bij het gebruik van de BMI. Het is slechts een wiskundige maat en heeft een relatief lage samenhang met het vetpercentage van het lichaam. Een bodybuilder zal op basis van zijn BMI zo ten onrechte te dik worden genoemd. We zien dit soms ook bij kinderen met een groeivertraging. Optimale vetverbranding Er zijn nog veel vragen rondom de maximale vetverbranding tijdens inspanning. Hieronder verstaat men de intensiteit waarbij de meeste vetten verbrandt (in gram per minuut) worden verbrand tijdens inspanning. De intensiteit waar de meeste vetten verbrand worden blijkt bij volwassenen op ongeveer 64% van de VO 2 peak te liggen (Achten et al., 2002). Een volwassen persoon verbrandt bij deze intensiteit ongeveer 0,5 tot 0,6 gram vet per minuut (Achten et al., 2002). De vetverbranding is hoger tijdens lopen dan tijdens fietsen (Achten et al., 2003) en is verder afhankelijk van de getraindheid van een persoon. Hoe beter de getraindheid, hoe beter het lichaam in staat is om vetten te verbranden tijdens inspanning (Hurley et al., 1986). Indien de VO 2 peak niet bekend is, kan aan de hand van de maximale hartslag worden getraind. De maximale vetverbranding bij volwassenen ligt namelijk op ongeveer 74% 1 body_mass.html van de maximale hartslag. De maximale hartfrequentie kan het beste bepaald worden aan de hand van de hoogst behaalde hartfrequentie tijdens een maximale inspanningstest. Schatting aan de hand van formules als 220-leeftijd of 210 (0.65 x leeftijd) zijn erg onnauwkeurig voor kinderen, en daardoor niet goed bruikbaar. De trainingsintensiteit luistert niet heel erg nauw, want tussen 55% en 72% van de VO 2 peak ligt de vetverbranding binnen 10% van maximaal. Indien de intensiteit boven 64% van VO 2 peak ligt, dan neemt de vetverbranding af. Wanneer de intensiteit boven 89% van de VO 2 peak (dat is boven 92% van de maximale hartslag) dan is het lichaam vrijwel uitsluitend koolhydraten aan het verbranden (Achten et al., 2002), de vetverbranding staat dan op een heel laag pitje. Bewegen en diëten Een recente review van de literatuur geeft aan dat meerdere onderzoeken bij obese kinderen hebben laten zien dat gewichtsreductie door energie-inname reductie, fysieke training of een combinatie van deze twee erg lastig is (Watts et al., 2005). Diverse studies laten wel een positief effect zien, echter de grootte van de effecten is maar erg klein (Watts et al., 2005). Het probleem waar men mee te maken krijgt is dat het rustmetabolisme tijdens gewichtsafname aanzienlijk daalt (Luke & Schoeller, 1992). Bovendien gaat een persoon ook minder bewegen in een periode van gewichtsreductie. Zeker bij kinderen is dit onwenselijk omdat je juist in deze groep een gezonde actieve leefstijl wilt aanleren, die beklijft naar volwassenheid toe. Onderzoek laat bovendien zien dat van elke kilo die men in lichaamsgewicht afvalt door een dieet, er 250 gram afkomstig is van de spiermassa. Spiermassa wil je juist niet verliezen, omdat deze vooral actief is in het stofwisselingsproces, terwijl vet juist een heel laag aandeel in de stofwisseling kent. Door het verlies aan spiermassa, gecombineerd met de daling in basaal metabolisme, wordt afvallen op deze wijze heel moeilijk. De mens is een van de zoogdieren die het beste in staat is om vet op te slaan, omdat vanuit een evolutionair perspectief, de genen van de mens zijn ingesteld op feesten en vasten. In onze huidige maatschappij is een periode van vasten nog nauwelijks aan de orde, dag en nacht staat de voeding met een enorme energiedichtheid tot onze beschikking. Studies waarbij inspanning en een energiebeperkt dieet worden gecombineerd lijken enig perspectief te bieden om gewicht te verliezen, vooral wanneer niet het individu maar het hele gezin het onderwerp van interventie is (Kaur et al., 2003; Watts et al., 2005). Echter in de meeste studies worden weinig effecten gevonden van deze gecombineerde interventie op lichaamsgewicht en BMI. Wel zijn er duidelijke verschuivingen gevonden in lichaamssamenstelling na een dergelijk gecombineerde dieet- en inspanningsinterventie. Het vetpercentage neemt af, terwijl de hoeveelheid spiermassa toeneemt. Hierdoor is de resultante op het totale lichaamsgewicht weliswaar nul (Watts et al., 2005), maar is het risicoprofiel van de patiënt duidelijk verbeterd, ondermeer vanwege de toegenomen fitheid. Vet maar fit Recent epidemiologisch onderzoek bij zowel volwassenen (Blair et al., 2001) als kinderen (Halle et al., 2004) heeft laten zien dat de risicofactoren die met obesitas samenhangen vrijwel te niet worden gedaan wanneer obese patiënten een goede fitheid hebben; het Fat-but-Fit principe. In een studie bij Duitse kinderen en jongeren werd gevonden dat de risicofactoren voor het ontstaan van cardiovasculaire aandoeningen in de groep obese kinderen met een goede fitheid zelfs lager waren in vergelijking met dan de groep kinderen die geen overgewicht hadden maar wel een slechte conditie slank en niet-fit (Halle et al., 2004). Deze en andere studies (Isasi et al., 2003; Ribeiro et al., 2005) suggereren dan ook dat de interventies niet zozeer op de gewichtsafname moeten focusseren, maar meer gericht moeten zijn op het verbeteren van de conditie van obesen. Kinderfysiotherapeuten zouden zich dan ook meer moeten richten op het verbeteren van de fitheid dan zich voornamelijk te richten op de afname in lichaamsgewicht. Interventie Onderzoek naar het energiemetabolisme bij kinderen geeft aan dat obese adolescenten minder actief zijn in vergelijking tot hun niet-obese leeftijdsgenoten (van Mil et al., 2001). Daarentegen is eveneens gevonden dat obese adolescenten vergeleken met hun niet-obese leeftijdsgenoten juist een 15% hoger basaal energiegebruik hebben (van Mil et al., 2001) (zie Figuur 1). Uit onderzoek blijkt ook dat obese kinderen een voldoende spierkracht bezitten. Vaak hebben zij juist een hogere maximale spierkracht in vergelijking met leeftijdsgenoten, omdat ze de hele dag hun extra lichaamsgewicht mee moeten dragen, wat voor een soort trainingseffect zorgt (Owens & Gutin, 1999). 18 K i n d e rfy s i o t h e r a p i e juni 2006

ToP opleiding oktober 2014-2015

ToP opleiding oktober 2014-2015 -2015 Informatie voor belangstellenden uit het verzorgingsgebied van het Academisch Ziekenhuis Maastricht en het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven. Expertisecentrum Ontwikkelingsondersteuning Prematuren

Nadere informatie

Samenvatting. Opvoeding en thuis omgeving als aangrijpingspunten in de preventie van overgewicht bij kinderen: resultaten van de ChecKid studie

Samenvatting. Opvoeding en thuis omgeving als aangrijpingspunten in de preventie van overgewicht bij kinderen: resultaten van de ChecKid studie Opvoeding en thuis omgeving als aangrijpingspunten in de preventie van overgewicht bij kinderen: resultaten van de ChecKid studie Overgewicht is een snel groeiend wereldwijd probleem en is geassocieerd

Nadere informatie

Functieprofiel van de fysiotherapeut met aanvullende scholing binnen de BeweegKuur

Functieprofiel van de fysiotherapeut met aanvullende scholing binnen de BeweegKuur Functieprofiel van de fysiotherapeut met aanvullende scholing binnen de BeweegKuur NISB ontwikkelt de BeweegKuur met subsidie van het ministerie van VWS en in samenwerking met NHG, LVG, NVDA, KNGF, LHV,

Nadere informatie

Concept zorgprotocol Beweeginterventies in de chronische ketenzorg 2014

Concept zorgprotocol Beweeginterventies in de chronische ketenzorg 2014 Concept zorgprotocol Beweeginterventies in de chronische ketenzorg 2014 Uitgangspunten: Beweeginterventies zijn het geheel van activiteiten dat tot doel heeft een bijdrage te leveren aan het voorkomen,

Nadere informatie

SAMENVATTING. MVW_proefschrift_170x240_17042013.indd 172

SAMENVATTING. MVW_proefschrift_170x240_17042013.indd 172 SAMENVATTING MVW_proefschrift_170x240_17042013.indd 172 ALIFE@WORK DE EFFECTEN VAN EEN LEEFSTIJLPROGRAMMA MET BEGELEIDING OP AFSTAND VOOR GEWICHTSCONTROLE BIJ WERKNEMERS ACHTERGROND Overgewicht, waarvan

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting De levensverwachting van mensen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) is gemiddeld 13-30 jaar korter dan die van de algemene bevolking. Onnatuurlijke doodsoorzaken zoals

Nadere informatie

Samenvatting Samenvatting

Samenvatting Samenvatting Samenvatting Samenvatting Binnen het domein van hart- en vaatziekten is een bypassoperatie de meest uitgevoerde chirurgische ingreep. Omdat bij een hartoperatie het borstbeen wordt doorgesneden en er meestal

Nadere informatie

hoofdstuk 1 hoofdstuk 2 hoofdstuk 3

hoofdstuk 1 hoofdstuk 2 hoofdstuk 3 SAMENVATTING Dit proefschrift is gewijd aan Bouwen aan Gezondheid : een onderzoek naar de effectiviteit van een leefstijlinterventie voor werknemers in de bouwnijverheid met een verhoogd risico op hart

Nadere informatie

waardoor een beroerte kan worden gezien als een chronische aandoening.

waardoor een beroerte kan worden gezien als een chronische aandoening. amenvatting Elk jaar krijgen in Nederland zo n 45.000 mensen een beroerte, ook wel CVA (Cerebro Vasculair Accident) genoemd. Ongeveer 60% van hen keert na opname in het ziekenhuis of revalidatiecentrum

Nadere informatie

RealFit. Wat is het Doelstelling Voor wie Historie Waarom RealFit

RealFit. Wat is het Doelstelling Voor wie Historie Waarom RealFit RealFit Wat is het Doelstelling Voor wie Historie Waarom RealFit Wat is RealFit? Effectieve multidisciplinaire aanpak van overgewicht bij jongeren van 13 tot 18 jaar. De 13 weken durende cursus bevat:

Nadere informatie

Cursus Evidence-Based Practice voor zorgprofessionals. Utrecht, 14 en 15 oktober 2015. Cochrane

Cursus Evidence-Based Practice voor zorgprofessionals. Utrecht, 14 en 15 oktober 2015. Cochrane Cursus Evidence-Based Practice voor zorgprofessionals Utrecht, 14 en 15 oktober 2015 Cochrane Achtergrond Iedere zorgprofessional neemt gedurende een werkdag continu beslissingen, bijvoorbeeld over welke

Nadere informatie

Zoeken naar evidence

Zoeken naar evidence Zoeken naar evidence Faridi van Etten-Jamaludin Clinical librarian Medische Bibliotheek AMC 2 december 2008 Evidence Based Practice? Bij EBP worden klinische beslissingen genomen op basis van het best

Nadere informatie

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar Alcoholgebruik Psychosociale gezondheid Genotmiddelen Voeding, bewegen en gewicht Seksueel gedrag Samenvatting en aanbevelingen Monitor jongeren tot 24 jaar Jongerenmonitor In 2011 is in de regio IJsselland

Nadere informatie

Opzet van de interventie 4-8 en 8-13 jaar Stappen Wanneer Wie Frequentie Duur

Opzet van de interventie 4-8 en 8-13 jaar Stappen Wanneer Wie Frequentie Duur Ontstaan Cool 2B Fit In Twente zijn in de afgelopen jaren verschillende initiatieven ontwikkeld om kinderen met overgewicht te helpen om op gezond gewicht te komen. Vijf lokale initiatieven hebben in 2010

Nadere informatie

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar Alcoholgebruik Psychosociale gezondheid Genotmiddelen Voeding, bewegen en gewicht Seksueel gedrag Samenvatting en aanbevelingen Monitor jongeren 12 tot 24 jaar Jongerenmonitor In 2011 is in de regio IJsselland

Nadere informatie

Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen

Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen Congres Focus op Onderzoek, 22 juni 2015 Gerda de Kuijper, AVG/senior senior onderzoeker CVBP/UMCG Dederieke Festen AVG/senior onderzoeker

Nadere informatie

behandeling volgens de KNGF-richtlijn bij mensen met artrose aan de heup en/of knie.

behandeling volgens de KNGF-richtlijn bij mensen met artrose aan de heup en/of knie. Samenvatting De primaire doelstelling van het onderzoek was het onderzoeken van de lange termijn effectiviteit van oefentherapie en de rol die therapietrouw hierbij speelt bij patiënten met artrose aan

Nadere informatie

Een voorbeeld van een schoolprogramma gericht op preventie van overgewicht in Nederland: het DOiT programma

Een voorbeeld van een schoolprogramma gericht op preventie van overgewicht in Nederland: het DOiT programma 7 Samenvatting 8 Dit proefschrift beschrijft de voorbereiding op de landelijke implementatie van het Dutch Obesity Intervention in Teenagers (DOiT) programma. Daarnaast wordt de evaluatie beschreven die

Nadere informatie

Samenvatting. In hoofdstuk 1 wordt een algemene introductie gegeven over de onderwerpen die in dit proefschrift worden behandeld.

Samenvatting. In hoofdstuk 1 wordt een algemene introductie gegeven over de onderwerpen die in dit proefschrift worden behandeld. 155 Sport- en spelactiviteiten bevorderen over het algemeen de gezondheid. Deze fysieke activiteiten kunnen echter ook leiden tot blessures. Het proefschrift beschrijft de ontwikkeling en evaluatie van

Nadere informatie

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar Alcoholgebruik Psychosociale gezondheid Genotmiddelen Voeding, bewegen en gewicht Seksueel gedrag Samenvatting en aanbevelingen Monitor jongeren 12 tot 24 jaar Jongerenmonitor In 2011 is in de regio IJsselland

Nadere informatie

NEUROMOTOR TASK TRAINING

NEUROMOTOR TASK TRAINING NEUROMOTOR TASK TRAINING Hulp aan bewegingszwakke kinderen vanuit een wetenschappelijk fundament. Cursuscoördinator Theo de Groot Neuromotor task training (NTT) is een wetenschappelijk onderbouwde behandelmethode

Nadere informatie

Beweegprogramma GOUD Tips en tricks voor effectieve uitvoering

Beweegprogramma GOUD Tips en tricks voor effectieve uitvoering Beweegprogramma GOUD Tips en tricks voor effectieve uitvoering Diet Tielbeek Marieke van Schijndel-Speet Consortium Gezond OUDer met een verstandelijke beperking Deze workshop Doel onderzoek Ontwikkeling

Nadere informatie

Integrale aanpak kinderen met overgewicht in Enschede en Almelo

Integrale aanpak kinderen met overgewicht in Enschede en Almelo Integrale aanpak kinderen met overgewicht in Enschede en Almelo Voorstellen Marlie Cerneus GGD Regio Twente Jeugdgezondheidszorg 0-19! Wie zijn jullie? Gemeente Enschede en Almelo Waar gaat deze presentatie

Nadere informatie

Cochrane Netherlands. Cursus Evidence-Based Practice voor zorgprofessionals

Cochrane Netherlands. Cursus Evidence-Based Practice voor zorgprofessionals Cochrane Netherlands Cursus Evidence-Based Practice voor zorgprofessionals Utrecht, 6 en 7 oktober 2016 Achtergrond Iedere zorgprofessional neemt gedurende een werkdag continu beslissingen, bijvoorbeeld

Nadere informatie

Het schrijven van een artikel of casus voor Oedeminus

Het schrijven van een artikel of casus voor Oedeminus Het schrijven van een artikel of casus voor Oedeminus Procedure De redactie van Oedeminus verheugt zich op uw bijdrage aan ons blad. Voor u uw kennis, inzichten en ideeën op papier zet, is het goed om

Nadere informatie

ToP opleiding april 2014 Informatie voor cursisten

ToP opleiding april 2014 Informatie voor cursisten ToP opleiding april 2014 Informatie voor cursisten Expertisecentrum Ontwikkelingsondersteuning Prematuren (EOP-nl) Academisch Medisch Centrum, Amsterdam Afdeling Revalidatie A-01, 386-1 Postbus 22660 1100

Nadere informatie

Behandeling van kinderen en jongeren met overgewicht

Behandeling van kinderen en jongeren met overgewicht Het Obesitas Centrum Behandeling van kinderen en jongeren met overgewicht Deze folder is bedoeld voor ouders van kinderen en jongeren met ernstig overgewicht, die hier samen onder professionele begeleiding

Nadere informatie

8 Samenvatting Samenvatting Het is alom bekend dat te weinig bewegen schadelijk is voor de gezondheid van zowel kinderen als volwassenen. Ondanks dat de positieve effecten van een actieve jeugd talrijk

Nadere informatie

Inleiding Gedragsprotocol Kinderfysiotherapie op het basisonderwijs

Inleiding Gedragsprotocol Kinderfysiotherapie op het basisonderwijs Inleiding Gedragsprotocol Kinderfysiotherapie op het basisonderwijs Het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie (NVFK) erkent dat er op verschillende manieren wordt gewerkt binnen

Nadere informatie

Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen

Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen Congres Focus op Onderzoek, 22 juni 2015 Gerda de Kuijper, AVG/senior senior onderzoeker CVBP/UMCG Dederieke Festen AVG/senior onderzoeker

Nadere informatie

Kennis in Beweging. 30/10/14 MTP Fysiotherapie/KBC Haaglanden 1

Kennis in Beweging. 30/10/14 MTP Fysiotherapie/KBC Haaglanden 1 Kennis in Beweging 30/10/14 MTP Fysiotherapie/KBC Haaglanden 1 Eisen en doelen overheid Opdracht Kwaliteitsinstituut: maak kwaliteit transparant. Kwaliteitsstandaarden & Meetinstrumenten Tripartiet (patiënten,

Nadere informatie

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers ummery amenvatting Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers 207 Algemene introductie Werkgerelateerde arm-, schouder- en nekklachten zijn al eeuwen

Nadere informatie

Voorwoord. JONG Nieuwsbrief Opvoedpraktijk Jong - November 2015. 1. Voorwoord 2. Nieuwsberichten 3. Thema 4. Aan het Woord 5. Agenda.

Voorwoord. JONG Nieuwsbrief Opvoedpraktijk Jong - November 2015. 1. Voorwoord 2. Nieuwsberichten 3. Thema 4. Aan het Woord 5. Agenda. JONG Nieuwsbrief Opvoedpraktijk Jong - November 2015 1. Voorwoord 2. Nieuwsberichten 3. Thema 4. Aan het Woord 5. Agenda Voorwoord Beste Lezers, We naderen al weer de laatste maand van het jaar, de maand

Nadere informatie

Lekker Fit. Werken aan een gezonde leefstijl voor Rotterdamse jeugd

Lekker Fit. Werken aan een gezonde leefstijl voor Rotterdamse jeugd 01 Lekker Fit! Inhoudsopgave Lekker Fit 1 Tien pijlers 2 01 Extra bewegingsonderwijs tijdens en na schooltijd 3 02 De komst van de gymleraar nieuwe stijl 4 03 Lespakket Lekker Fit! 5 04 Sportlessen als

Nadere informatie

STAPPENPLAN BIJ HET MODEL STUURYSTEEM DECUBITUS (PROJECT DECUBITUSZORG IN DE DAGELIJKSE PRAKTIJK; DOOR STUREN STEEDS BETER)

STAPPENPLAN BIJ HET MODEL STUURYSTEEM DECUBITUS (PROJECT DECUBITUSZORG IN DE DAGELIJKSE PRAKTIJK; DOOR STUREN STEEDS BETER) STAPPENPLAN BIJ HET MODEL STUURYSTEEM DECUBITUS (PROJECT DECUBITUSZORG IN DE DAGELIJKSE PRAKTIJK; DOOR STUREN STEEDS BETER) Juni 2004 INLEIDING Voor u ligt een stappenplan dat gebaseerd is op de CBO-richtlijn

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting SAMENVATTING

Nederlandse samenvatting SAMENVATTING AMENVATTING Obesitas is een groeiend wereldwijd probleem. Om die reden is preventie onderzoek erg belangrijk. In de zwangerschap is dit zelfs nog belangrijker. Vrouwen met overgewicht of obesitas die zwanger

Nadere informatie

WELKOM. Dorien Gerards (Zuyd hogeschool)

WELKOM. Dorien Gerards (Zuyd hogeschool) WELKOM Dorien Gerards (Zuyd hogeschool) Klinisch redeneren in het fysiotherapie onderwijs TMO okt. 2011, vol 30 nr 5 programma Fysiotherapie Klinisch redeneren Aspecten van 4C-ID Onderzoek Discussie Fysiotherapie

Nadere informatie

Evidence based richtlijnontwikkeling (EBRO) training voor patiënten. Ton Kuijpers, Epidemioloog

Evidence based richtlijnontwikkeling (EBRO) training voor patiënten. Ton Kuijpers, Epidemioloog Evidence based richtlijnontwikkeling (EBRO) training voor patiënten Ton Kuijpers, Epidemioloog Guru based medicine Inhoud Voorbeeld van een wetenschappelijk onderzoeksdesign (RCT) Mate van bewijs Conclusies

Nadere informatie

Samenvatting Beleidsplan Kwaliteit 2015-2017

Samenvatting Beleidsplan Kwaliteit 2015-2017 Samenvatting Beleidsplan Kwaliteit 2015-2017 Inleiding De Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU) heeft als doel kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen bij iedere uroloog ten gunste van iedere patiënt.

Nadere informatie

Aanbod scholingen PEDI-NL November 2010 SCHOLINGEN PEDI-NL

Aanbod scholingen PEDI-NL November 2010 SCHOLINGEN PEDI-NL SCHOLINGEN PEDI-NL De PEDI-NL is de Nederlandse vertaling en bewerking van Pediatric Evaluation of Disability Inventory. Met de PEDI kan de mate van zelfstandigheid in het uitvoeren van de dagelijkse activiteiten

Nadere informatie

Nederlandse Obesitas Kliniek

Nederlandse Obesitas Kliniek 2 Nederlandse Obesitas Kliniek Bijna 2 miljoen mensen in Nederland hebben overgewicht. Fors overgewicht wordt obesitas genoemd. Obesitas is erkend als chronische ziekte. Op dit moment komen ruim 800.000

Nadere informatie

De Leefgezondcoach in de praktijk. Een handleiding voor professionals

De Leefgezondcoach in de praktijk. Een handleiding voor professionals De Leefgezondcoach in de praktijk Een handleiding voor professionals Waarom deze handleiding? Heeft u ook cliënten die weinig weten over gezonde voeding? Die wel minder vet willen eten, maar niet goed

Nadere informatie

Evidence Based Practice in de alledaagse praktijk. Definitie EBP 16-4-2015

Evidence Based Practice in de alledaagse praktijk. Definitie EBP 16-4-2015 Evidence Based Practice in de alledaagse praktijk Lies Braam, verpleegkundig specialist neurologie 26 maart 2015 V &VN neurocongres Definitie EBP Bij EBP gaat het om klinische beslissingen op basis van

Nadere informatie

STAPPENPLAN: ONTWIKKELEN VAN VRAAGGERICHTE MODULAIRE ZORG EN DIENSTVERLENING

STAPPENPLAN: ONTWIKKELEN VAN VRAAGGERICHTE MODULAIRE ZORG EN DIENSTVERLENING STAPPENPLAN: ONTWIKKELEN VAN VRAAGGERICHTE MODULAIRE ZORG EN DIENSTVERLENING Inhoudsopgave Inleiding Stap 1: Identificeren van doelgroepen en hun behoeften Stap 2: Samenstellen multidisciplinaire projectgroep

Nadere informatie

CheckTeen 2011: Eet- en beweeggedrag van leerlingen in het voortgezet onderwijs in Zwolle

CheckTeen 2011: Eet- en beweeggedrag van leerlingen in het voortgezet onderwijs in Zwolle Onderzoekscentrum Preventie Overgewicht CheckTeen 2011: Eet- en beweeggedrag van leerlingen in het voortgezet onderwijs in ZWOLLE Een onderzoek naar het eet- en beweeggedrag van leerlingen van de 2 e klas

Nadere informatie

ENERGIEK. Bewegingsprogramma bij chronische neurologische aandoeningen

ENERGIEK. Bewegingsprogramma bij chronische neurologische aandoeningen ENERGIEK Bewegingsprogramma bij chronische neurologische aandoeningen Achtergrond Bewegen is goed, voor iedereen! Dat is wat u vaak hoort en ziet in de media. En het is waar, bewegen houdt ons fit en

Nadere informatie

Evidence Based Nursing

Evidence Based Nursing Evidence Based Nursing - filosofie - Bart Geurden, RN, MScN Van verpleegkundige Diagnostiek naar evidence-based handelen Medische Diagnostiek >1900 Multi- Disciplinaire Problemen 1980- Verpleegkundige

Nadere informatie

Domeinbeschrijving manuele therapie NVMT

Domeinbeschrijving manuele therapie NVMT Domeinbeschrijving manuele therapie NVMT Voor u ligt de domeinbeschrijving manuele therapie. Deze beschrijving vormt de uitkomst van het project domeinbeschrijving manuele therapie dat door het bestuur

Nadere informatie

Opleiding Verpleegkunde Stage-opdrachten jaar 3

Opleiding Verpleegkunde Stage-opdrachten jaar 3 Opleiding Verpleegkunde Stage-opdrachten jaar 3 Handleiding Voltijd Jaar 3 Studiejaar 2015-2016 Stage-opdrachten Tijdens stage 3 worden 4 stage-opdrachten gemaakt (waarvan opdracht 1 als toets voor de

Nadere informatie

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle  holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/38701 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Visschedijk, Johannes Hermanus Maria (Jan) Title: Fear of falling in older patients

Nadere informatie

- 172 - Prevention of cognitive decline

- 172 - Prevention of cognitive decline Samenvatting - 172 - Prevention of cognitive decline Het percentage ouderen binnen de totale bevolking stijgt, en ook de gemiddelde levensverwachting is toegenomen. Vanwege deze zogenaamde dubbele vergrijzing

Nadere informatie

Innovatieve beweegstimulering

Innovatieve beweegstimulering Innovatieve beweegstimulering Van wetenschap naar praktijk: professionaliseren in beweging Tinus Jongert lector Haagse Hogeschool directeur NPi 1 Doelen lectoraat (tbv HHS/NPI) Professionaliseren van beweegprofessionals

Nadere informatie

Algemeen: - Twee collega s worden aan elkaar gekoppeld en bezoeken éénmaal elkaars werkplek.

Algemeen: - Twee collega s worden aan elkaar gekoppeld en bezoeken éénmaal elkaars werkplek. IKB Inleiding: In juli 2005 is de Nederlandse Vereniging van Fysiotherapeuten voor Verstandelijk Gehandicapten opgericht met als doel het verbeteren van de kwaliteit van de fysiotherapeutische ondersteuning

Nadere informatie

Nek/schouder en armklachten bij groepsbegeleiders in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking

Nek/schouder en armklachten bij groepsbegeleiders in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking Aanleiding onderzoek Nek/schouder en armklachten bij groepsbegeleiders in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking Lydi de Lange bedrijfsfysiotherapeut paramedisch team Advisium Ermelo december

Nadere informatie

Vitale Vaten. Ineke Sterk projectleider Vitale Vaten 4 oktober 2011

Vitale Vaten. Ineke Sterk projectleider Vitale Vaten 4 oktober 2011 Vitale Vaten Ineke Sterk projectleider Vitale Vaten 4 oktober 2011 Dé Gezonde regio: waar? Dé Gezonde regio: wie? Verleiden Opbouw presentatie Inleiding hart- en vaatziekten Project Vitale Vaten Gorinchem

Nadere informatie

Casus mevrouw Driebergen. 52 jaar, status na icva mei 2014. Thuiswonend. Goede cognitie. Lopen: FAC 4. Couch potato: overdag veelal inactief

Casus mevrouw Driebergen. 52 jaar, status na icva mei 2014. Thuiswonend. Goede cognitie. Lopen: FAC 4. Couch potato: overdag veelal inactief Fysieke activiteiten; nieuwe inzichten en innovaties in de revalidatie. nothing to declare 52 jaar, status na icva mei 2014 Thuiswonend Goede cognitie Lopen: FAC 4 Couch potato: overdag veelal inactief

Nadere informatie

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Wolbert (PvdA) over kinderen van allochtone afkomst die overgewicht hebben (2014Z07817).

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Wolbert (PvdA) over kinderen van allochtone afkomst die overgewicht hebben (2014Z07817). > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 2008 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 255 XP Den Haag www.rijksoverheid.nl Bijlage(n)

Nadere informatie

Leidraad beoordelingen behandelingen tot verzekerde pakket door Kenniscentrum GGZ van Zorgverzekeraars Nederland

Leidraad beoordelingen behandelingen tot verzekerde pakket door Kenniscentrum GGZ van Zorgverzekeraars Nederland Leidraad beoordelingen behandelingen tot verzekerde pakket door Kenniscentrum GGZ van Zorgverzekeraars Nederland Mei 2014 Aanleiding Het CVZ beschrijft in het Rapport geneeskundige GGZ deel 2 de begrenzing

Nadere informatie

samenvatting 127 Samenvatting

samenvatting 127 Samenvatting 127 Samenvatting 128 129 De ziekte van Bechterew, in het Latijn: Spondylitis Ankylopoëtica (SA), is een chronische, inflammatoire reumatische aandoening die zich vooral manifesteert in de onderrug en wervelkolom.

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting Het is een uitdaging om ouderen te identificeren die baat kunnen hebben bij een interventie gericht op de preventie van beperkingen in het dagelijks leven op het moment dat dergelijke

Nadere informatie

Projectplan overzicht (deel 1)(ja, mits)

Projectplan overzicht (deel 1)(ja, mits) Projectplan overzicht (deel 1)(ja, mits) Algemeen Naam umc Projectleider + email Programmalijn Werkplaats Draagt bij aan de volgende deliverables -zie programma- LUMC Tobias Bonten; t.n.bonten@lumc.nl

Nadere informatie

Formulier voor het beoordelen van de kwaliteit van een systematische review. Behorend bij: Evidence-based logopedie, hoofdstuk 2

Formulier voor het beoordelen van de kwaliteit van een systematische review. Behorend bij: Evidence-based logopedie, hoofdstuk 2 Formulier voor het beoordelen van de kwaliteit van een systematische review Behorend bij: Evidence-based logopedie, hoofdstuk 2 Toelichting bij de criteria voor het beoordelen van de kwaliteit van een

Nadere informatie

} EBM. De vertaalslag van de richtlijn naar de diabeteszorg. Implementatie van weerstand naar commitment. Doel richtlijn.

} EBM. De vertaalslag van de richtlijn naar de diabeteszorg. Implementatie van weerstand naar commitment. Doel richtlijn. De vertaalslag van de richtlijn naar de diabeteszorg van weerstand naar commitment Evidence level Diabeteszorg We doen het al jaren zo Het gaat toch goed. dr. R.P.J. Michels, internist Kwaliteit(s) zorg

Nadere informatie

218 SAMENVATTING De prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen is de laatste jaren sterk toegenomen. In Nederland hebben 12.8% van de jongen

218 SAMENVATTING De prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen is de laatste jaren sterk toegenomen. In Nederland hebben 12.8% van de jongen Samenvatting 217 218 SAMENVATTING De prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen is de laatste jaren sterk toegenomen. In Nederland hebben 12.8% van de jongens en 14.8% van de meisjes overgewicht,

Nadere informatie

VAN KLINISCHE ONZEKERHEID NAAR EEN ZOEKSTRATEGIE

VAN KLINISCHE ONZEKERHEID NAAR EEN ZOEKSTRATEGIE VAN KLINISCHE ONZEKERHEID NAAR EEN ZOEKSTRATEGIE Drs. Willemke Stilma Docent verpleegkunde HvA Mede met dank aan dr. Anne Eskes 1 INHOUD 5 stappen EBP Formuleren van een klinische vraagstelling PICO Zoekstrategie

Nadere informatie

Revant, de kracht tot ontwikkeling!

Revant, de kracht tot ontwikkeling! Neurologische revalidatie Hartrevalidatie Revalidatie bij complex chronisch longfalen Oncologische revalidatie Kind- en jeugdrevalidatie Revalidatie bij pijn en gewrichtsaandoeningen Arm-, hand- en polsrevalidatie

Nadere informatie

Visie Dimence Groep op VerpleGinG en VerzorGinG

Visie Dimence Groep op VerpleGinG en VerzorGinG Visie Dimence Groep op verpleging en verzorging Visie Dimence Groep op verpleging en verzorging De zorg verandert en vindt zoveel mogelijk thuis of dichtbij huis plaats. Er worden minder mensen opgenomen

Nadere informatie

Een holistische benadering door klinisch redeneren

Een holistische benadering door klinisch redeneren Een holistische benadering door klinisch redeneren Barbara van der Meij (Links), Halime Ozturk (rechts) Publicatiedatum: 14-02-2014 Klinisch redeneren lijkt hét middel om de diëtetiek naar een hoger niveau

Nadere informatie

Neurorevalidatie bij Centraal Neurologische Aandoeningen

Neurorevalidatie bij Centraal Neurologische Aandoeningen Cursusinformatie Neurorevalidatie bij Centraal Neurologische Aandoeningen Overeenkomsten in symptomen en paramedische interventies Ontwikkeling en coördinatie : Frans van der Brugge Maart 2015 1 Algemene

Nadere informatie

Functieprofiel: Studentenconsultant Functiecode: 0402

Functieprofiel: Studentenconsultant Functiecode: 0402 Functieprofiel: Studentenconsultant Functiecode: 0402 Doel Voorlichten, adviseren, begeleiden, testen en trainen van studenten, alsmede waarborgen van de volledigheid, toegankelijkheid en actualiteit van

Nadere informatie

Chapter 9 Samenvatting CHAPTER 9. Samenvatting

Chapter 9 Samenvatting CHAPTER 9. Samenvatting Chapter 9 Samenvatting CHAPTER 9 Samenvatting 155 Chapter 9 Samenvatting SAMENVATTING Richtlijnen en protocollen worden ontwikkeld om de variatie van professioneel handelen te reduceren, om kwaliteit van

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Docenten in het hoger onderwijs zijn experts in wát zij doceren, maar niet noodzakelijk in hóe zij dit zouden moeten doen. Dit komt omdat zij vaak weinig tot geen training hebben gehad in het lesgeven.

Nadere informatie

Factsheet Astma-/COPD-Monitor Oktober 2006

Factsheet Astma-/COPD-Monitor Oktober 2006 Factsheet Astma-/COPD-Monitor Oktober 06 Deze factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met bronvermelding worden gebruikt (M. Heijmans, Teveel mensen met COPD bewegen te weinig, NIVEL,

Nadere informatie

Preventie Bevorderen van gezond gedrag

Preventie Bevorderen van gezond gedrag Preventie Preventie Bevorderen van gezond gedrag Marleen Mares Pepijn Roelofs Tweede druk Boom Lemma uitgevers Amsterdam 2015 Voorwoord In de Nederlandse Grondwet ligt vastgelegd dat de overheid verantwoordelijk

Nadere informatie

In Beweging! Lizette Wattel Universitair Netwerk Ouderenzorg UNO-VUmc 1-2-2015

In Beweging! Lizette Wattel Universitair Netwerk Ouderenzorg UNO-VUmc 1-2-2015 2015 In Beweging! Lizette Wattel Universitair Netwerk Ouderenzorg UNO-VUmc 1-2-2015 IN BEWEGING IMPLEMENTATIE VAN EEN BEST PRACTICE BINNEN HET UNO-VUMC. EINDVERSLAG INLEIDING Ouderen in woonzorgcentra

Nadere informatie

Onderscheid door Kwaliteit

Onderscheid door Kwaliteit Onderscheid door Kwaliteit 2010 Algemeen Binnen de intensieve overeenkomst fysiotherapie 2010 verwachten wij van u 1, en de fysiotherapeuten vallend onder uw overeenkomst, een succesvol afgeronde toets

Nadere informatie

Dr. Hilde Verbeek 15 april 2014. Department of Health Services Research Focusing on Chronic Care and Ageing 1

Dr. Hilde Verbeek 15 april 2014. Department of Health Services Research Focusing on Chronic Care and Ageing 1 Dr. Hilde Verbeek 15 april 2014 Department of Health Services Research Focusing on Chronic Care and Ageing 1 Doelstelling Nurses on the Move Bijdragen aan verbetering kwaliteit van zorg in verpleeg- en

Nadere informatie

Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving

Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving Introductie Met de REQUEST methode wordt getracht de participatie van het individu in hun eigen mobiliteit te vergroten. Hiervoor moet het individu voldoende

Nadere informatie

Methodisch handelen & Klinisch redeneren

Methodisch handelen & Klinisch redeneren Methodisch handelen & Klinisch redeneren Methodisch handelen & Doel: Begripsverheldering Kennismaken en oefenen met de methodiek en systematiek van klinisch redeneren aan de hand van casuïstiek Nieuwe

Nadere informatie

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis Samenvatting Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis Hoofdstuk 1 bevat de algemene inleiding van dit proefschrift. Dit hoofdstuk

Nadere informatie

Zorgketen c.q. Netwerkaanpak actieve leefstijl. Anneke Hiemstra en Marloes Aalbers, NISB

Zorgketen c.q. Netwerkaanpak actieve leefstijl. Anneke Hiemstra en Marloes Aalbers, NISB Zorgketen c.q. Netwerkaanpak actieve leefstijl Anneke Hiemstra en Marloes Aalbers, NISB Ketenaanpak / netwerkaanpak actieve leefstijl De oplossing om meer mensen met een hoog gezondheidsrisico in beweging

Nadere informatie

Klinisch redeneren moeilijker dan het lijkt! Em. prof. dr. Rob Oostendorp Drs. Geert Rutten Dr. Janneke Harting Prof. dr. Ria Nijhuis van der Sanden

Klinisch redeneren moeilijker dan het lijkt! Em. prof. dr. Rob Oostendorp Drs. Geert Rutten Dr. Janneke Harting Prof. dr. Ria Nijhuis van der Sanden Klinisch redeneren moeilijker dan het lijkt! Em. prof. dr. Rob Oostendorp Drs. Geert Rutten Dr. Janneke Harting Prof. dr. Ria Nijhuis van der Sanden Wat kunt u verwachten? Spreek- en behandelkamer van

Nadere informatie

sa m e n v A t t i n G

sa m e n v A t t i n G sa m e n v A t t i n G In dit proefschrift staat de samenwerking tussen ouders, revalidatieprofessionals en onderwijsprofessionals in de zorg voor kinderen met een cerebrale parese (CP) centraal. Het belang

Nadere informatie

Eindtermen voor de vervolgopleiding tot oncologie verpleegkundige

Eindtermen voor de vervolgopleiding tot oncologie verpleegkundige Eindtermen voor de vervolgopleiding tot oncologie verpleegkundige De beschrijving van de eindtermen voor de vervolgopleiding tot oncologie verpleegkundige is ontleend aan het deskundigheidsgebied van de

Nadere informatie

Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut.

Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut. Samenvatting Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut. De Jeugdmonitor Zeeland De Jeugdmonitor Zeeland is een plek waar allerlei informatie bij

Nadere informatie

Dagelijks ontbijten en elke dag groente en fruit eten zijn gedragingen die bijdragen aan een gezonde leefstijl.

Dagelijks ontbijten en elke dag groente en fruit eten zijn gedragingen die bijdragen aan een gezonde leefstijl. De Vlieger 3 CHECKID ChecKid is een grootschalig leefstijlonderzoek onder basisschoolleerlingen in Zwolle. Het brengt (on)gezond gedrag, leefstijl en de leefomgeving van kinderen in Zwolle in kaart. ChecKid

Nadere informatie

PATIËNTEN INFORMATIE. Pijnrevalidatie. Locatie Spijkenisse Medisch Centrum VAN WEEL-BETHESDA

PATIËNTEN INFORMATIE. Pijnrevalidatie. Locatie Spijkenisse Medisch Centrum VAN WEEL-BETHESDA PATIËNTEN INFORMATIE Pijnrevalidatie Locatie Spijkenisse Medisch Centrum VAN WEEL-BETHESDA In deze folder geven het Maasstad Ziekenhuis, het Spijkenisse Medisch Centrum en Het Van Weel-Bethesda Ziekenhuis

Nadere informatie

De 7 stappen van een CAT

De 7 stappen van een CAT De 7 stappen van een CAT Patiënt (praktijk) Vertaalslag (expert) Wetenschap (literatuur) 1 klinisch scenario trefwoorden 2 klinische vraag 3 literatuur search 4 kritisch beoordelen artikel 7 bottom line

Nadere informatie

Bijlage WIJS (Wat Is Jouw Stijl)

Bijlage WIJS (Wat Is Jouw Stijl) Bijlage WIJS (Wat Is Jouw Stijl) Deze bijlage hoort bij de beschrijving van de interventie WIJS (Wat Is Jouw Stijl), zoals die is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Meer informatie:

Nadere informatie

Scholing 3 Het Rug netwerk Kwaliteitsfysiotherapie Noord-Holland. Programma. De resultaten op een rijtje. Kwaliteitsfysiotherapie Noord-Holland

Scholing 3 Het Rug netwerk Kwaliteitsfysiotherapie Noord-Holland. Programma. De resultaten op een rijtje. Kwaliteitsfysiotherapie Noord-Holland Scholing 3 Het Rug netwerk Kwaliteitsfysiotherapie Noord-Holland Ria Nijhuis Guus Meerhoff Simone van Dulmen Philip van der Wees Marjo Maas Juliette Cruijsberg Annick Bakker-Jacobs Programma Opening (

Nadere informatie

KWALITEITSONTWIKKELING GGZ

KWALITEITSONTWIKKELING GGZ KWALITEITSONTWIKKELING GGZ Kwalitatief goede zorg tegen aanvaardbare kosten Door Sebastiaan Baan Korte uitleg animatie: https://youtu.be/dl6n5hix2d Y 2 NETWERK KWALITEITSONTWIKKELING GGZ Landelijk Platform

Nadere informatie

ZiN en kwaliteitsbeleid

ZiN en kwaliteitsbeleid ZiN en kwaliteitsbeleid Ineen Werkconferentie kwaliteit 24 april 2014 Prof Niek J de Wit, huisarts Lid advies commissie kwaliteit achtergrond Agenda Organisatie ZiN Visie op kwaliteit Kwaliteitsregister

Nadere informatie

Overwegingen voor deelname aan netwerk / samenwerking

Overwegingen voor deelname aan netwerk / samenwerking Overwegingen voor deelname aan netwerk / samenwerking Mede als gevolg van hervormingen en kostenbesparingen in de zorg ontstaan in toenemende mate mono- en multidisciplinaire netwerken en samenwerkingsverbanden.

Nadere informatie

Oncologische Revalidatie. Zuyderland Revalidatie

Oncologische Revalidatie. Zuyderland Revalidatie Oncologische Revalidatie Zuyderland Revalidatie Inleiding Kanker is een veel voorkomende, ingrijpende ziekte. Het aantal mensen dat leeft met kanker of met de psychische, fysieke en sociale gevolgen daarvan,

Nadere informatie

1. Buurtsportcoach Sport en Zorg, 0.4 fte

1. Buurtsportcoach Sport en Zorg, 0.4 fte 1. Buurtsportcoach Sport en Zorg, 0.4 fte Bevolking Doesburg De gemeente Doesburg heeft 11.437 inwoners. 30-39: 1129 Daarvan is 39% tussen de 40 64 jaar ( 4455) en 21% boven de 65 jaar ( (Bron: CBS 2014).

Nadere informatie

oinleiding 1 c oovergewicht en ernstig overgewicht (obesitas) in Nederlandd

oinleiding 1 c oovergewicht en ernstig overgewicht (obesitas) in Nederlandd oinleiding 1 c Gewichtsstijging ontstaat wanneer de energie-inneming (via de voeding) hoger is dan het energieverbruik (door lichamelijke activiteit). De laatste decennia zijn er veranderingen opgetreden

Nadere informatie

Oncologische Revalidatie:

Oncologische Revalidatie: Oncologische Revalidatie: Verleden Heden - Toekomst dr. Jan Paul van den Berg, revalidatiearts Meander MC Doelstelling Oncologische Revalidatie Het verbeteren van de kwaliteit van leven van patiënten met

Nadere informatie

Van zorgen voor naar zorgen dat

Van zorgen voor naar zorgen dat Van zorgen voor naar zorgen dat fysiotherapeutisch COPD zorg in de eerste lijn. Annemarie de Vey Mestdagh- van der List van zorgen voor 1988 Cursus Astma en COPD Pt. werd gestuurd door arts Kracht en Cardio

Nadere informatie

Woord vooraf 2 e druk

Woord vooraf 2 e druk V Woord vooraf 2 e druk Verpleegkundig, zorgkundig en verzorgend Je zult merken dat in dit boek vaak het woord verpleegkundig gebruikt wordt. Dat is niet omdat verpleegkundig werk belangrijker zou zijn

Nadere informatie