EEN HONDERDJARIG PROTEST

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "EEN HONDERDJARIG PROTEST"

Transcriptie

1 EEN HONDERDJARIG PROTEST DE JURIDISCHE, ETHISCHE EN ETHISCH-JURIDISCHE WEG TOT KERKHERSTEL (Metbijlage: PROTEST DER CLASSIS AMSTERDAM IN 1816) DOOR Dr. P. J. KROMSIGT Predikant te Amsterdam En zy kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht. Luk. 18 : 3.

2 Hetgeen hier volgt, werd met geringe wijsiging ^uitgesproken op de laatste jaarvergadering der Confessioneele Vereeniging te Utrecht. Om het hooge belang der Baak, waarom het gaat, wordt het thans in dit honderdste gedenkjaar van het Protest der Classis Amsterdam uitgegeven, mede als teeken, dat het protest nog niet is verdoofd, maar veeleer verlevendigd. Het Protest" self, dat thans moeilijk meer te verkrijgen is, wordt hierbij als Bijlage" herdrukt. De heer Dr. Joh. C. Breen was soo vriendelijk ons een exemplaar te verschaffen, waarvoor wij hem bij dese onsen dank betuigen. Moge soowel het eene als het andere door den segen Gods dienen tot waarachtigen opbouw onser Nederlandsche Hervormde Kerk, die door Zijne genade staan mag tot op desen dag. P. J. KROMSIGT. AMSTERDAM, 14 Juni 1916.

3 En mj kivam tot hem, zeggende: Doe mij recht. Luk. 18 : 3. Dit jaar 1916 is ook voor onze Ned. Herv. Kerk een alleszins merkwaardig jaar. Immers, het is thans honderd jaar geleden, dat onze tegenwoordige bestuurs-organisatie werd ingevoerd en dat dus aan onze Ned. Herv. Kerk voor het uitwendige die eigenaardige gedaante werd gegeven, die zij thans nog bezit. Onze Synode bestaat dus in haren tegenwoordigen vorm juist honderd jaren. Belangrijker echter dan dit honderdjarig bestaan der Synode achten we het honderdjarige protest, dat reeds aanstonds tegen het bestaan der Synode in dien vorm is uitgegaan en dat in al dien tijd niet is verdoofd, maar veeleer nog is verlevendigd tot op den huidigen dag toe. Vandaar dat wij dit aanstonds reeds in den titel van dit geschrift hebben willen uitdrukken : Een honderdjarig protest." Inderdaad, dit protest schijnt ons belangrijker dan het bestaan der Synode zelf. Immers, wij kunnen in de Synode en heel de synodale organisatie niet anders zien dan een betreurenswaardig monument van de willekeurige machtsoverschrijding der overheid in Doch in het protest zien wij een heilzaam en verblijdend levensteeken van de Kerk zelve, die, Gode zij dank, onder allen druk van machtswillekeur niet is bezweken, die ook geenszins, zooals sommigen meenen, in het kerkgenootschap" is opgegaan, maar die ziéh

4 4 levend betoond heeft, niet het minst door het telkens herhaalde protest, tot op dit oogenblik toe. Waarlijk, het zal sommigen, die zich langzamerhand aan de s} ;r nodale organisatie gewenden, vreemd in de ooren klinken misschien, maar het komt mij voor, dat naar het meer of minder levendige van het protest in menig opzicht het innerlijke leven der Kerk selve als Kerk beoordeeld mag worden. In tijden van verslapping en inzinking legt men zich gemakkelijk bij zijn knechtschap neer, maar, wanneer het leven onze Kerk als Kerk machtig begint te doorstroomen, maakt men zich ook vanzelf op om middelen en wegen te beramen, om te worden bevrijd van eene organisatie, die nu reeds honderd jaren lang het leven der Kerk heeft belemmerd/ haren groei tegengehouden, ja, straks, indien God het niet verhoedt, doodend en ontbindend voor haar zal blijken. Niet de honderdjarige Synode dus, maar het honderdjarige protest is blijk, onloochenbaar blijk voor vriend en vijand saam van het leven onzer Ned. Herv. Kerk! Doch laat ons eerst iets uit dit protest, dat ons juist onlangs in sijn geheel in handen is gekomen l ), mededeelen. Wanneer we dat protest nu nog lezen, dan kunnen we niet anders dan erkennen, dat wat daarin reeds als de verkeerde gevolgen der nieuwe organisatie werd voorspeld, volkomen is bevestigd, en dan zullen we ook, wat de gronden van het protest betreft, ons nog geheel daarbij kunnen aansluiten. Allereerst wordt gewezen op het omoettige van het willekeurig ingrijpen van de overheid in de innerlijke aangelegenheden der Kerk. Hoe zeer moesten wij 1) Zie het geheele protest als bijlage" bij deze brochure. 2) Wij hebben een en ander gecursiveerd.

5 5 wenschen, Sire," zoo spreekt de Classis van Amsterdam in haar protest, dat onze sedert meer dan twee eeuwen gevestigde kerkelijke vergaderingen l ) opgeroepen waren geworden, om, indien veranderingen in onze Kerkorde noodig waren geweest, dezelve onder approbatie der Gemachtigden v&n Uwe Majesteit daar te stellen." Dan toch zouden zulke veranderingen bij onze Gemeenten minder aan tegenzin blootgesteld en door deze beschouwd zijn als een volledige grond van wettigheid te hebben." M. a. w. die volledige grond van wettigheid'" (de stellers drukken zich zeer voorzichtig en bescheiden uit; men vergete niet, dat Willem I pas onlangs tot blijdschap van heel het volk was teruggekeerd) was er nu niet. En wat nu de bijzonderheden der nieuwe regeling betreft, maakt men al aanstonds bezwaar voornamelijk tegen het kleine getal der Bestuurders in alle collegiën, aan welk klein getal in de Provinciale Besturen eene zoo gewichtige zaak als het admitteeren tot den Predikdienst en, zoo het schijnt, ook het admitteeren der aankomende predikanten is toevertrouwd." Men beroept zich hiertegenover uitdrukkelijk op art. 31 onzer Nederlandsche Geloofbelijdenis, waarvan een gedeelte wordt aangehaald. Indien aan zoo weinige Leden van het Synode, het hoogst en oppermachtig bestuur in de Kerk zou worden opgedragen, zou dan niet het eerste gedeelte van het aangehaalde artikel worden tegengesproken?" (bedoeld is de belijdenis, dat de Dienaars des Woords een zelfde macht en autoriteit hebben en dat Jezus Christus is de eenige algemeene Bisschop en het eenig Hoofd der Kerk"). Wat men echter het meest vreest, is niet verandering in het formeele, maar in het materieele. Men 1) De cursiveeringen zijn van ons.

6 6 is namelijk beducht, dat verandering in den vorm der kerkregeering zal leiden tot verandering in hare leer, zoowel bij de prediking als bij het godsdienstonderwijs. Het recht", zoo lezen we in het protest, om.het godsdienstig onderwijs te regelen en te verbeteren, om het misschien in te richten naar de nieuwe verordeningen omtrent het lager schoolwezen, het recht, om wellicht onze formulieren van Eenigheid en onze liturgie te veranderen, behoort Sire! naar ons inzien, niet toegekend te worden aan een Synode van zoo weinige personen, welke, zelfs in de allergewichtigste zaken, aan geenen lastbrief van hunne vergaderingen zouden gebonden zijn. Sire! daar alle deze onderwerpen van zulk een teederen aard zijn, hebben de grondleggers van de Hervormde Nederlandsche Kerk wijselijk gezorgd, dat het gezag in kerkelijke zaken niet aan een klein getal personen werd opgedragen, maar aan alle de Dienaren en aan eenige Ouderlingen, in Klassen vergaderd, een getal van omtrent meer dan twee duizend uitmakende, welke gewoon zijn Gecommitteerden naar het Synode te zenden met bepaalde lastbrieven. Deze vaststellingen hebben zij geoordeeld de beste waarborg te zijn voor onze kerkelijke vereeniging [eenheid] en het behoud van de rechten des gewetens. Zich te moeten onderwerpen aan hetgeen weinige Mededienaren zouden goedvinden voor te schrijven te gelooven of niet te gelooven, te leeren of niet te leeren, zou in den grond weinig verschillen van op nieuw onderworpen te geraken aan een zekere soort van Pauselijke of Bisschoppelijke Heerschappij, tot afwerping van welke onze Vaderen zooveel geleden hebben." Waarlijk, wie de geschiedenis daarna kent, kan niet anders dan met aandoening de woorden van dit zeer zacht (wellicht te zacht) gestelde, maar niette-

7 7 min waardige, van zuiver gereformeerde grondgedachten uitgaande protest lezen! Hoe zijn deze protesteerende broeders door de geschiedenis der gansche 19e eeuw volkomen in het gelijk gestéld! En hoe noodig is het dus nu voor ons om ons in den geest bij deze waardige mannen aan te sluiten en thans na honderd jaren, nu de geschiedenis zelve heeft gesproken, in den jare 1916 dit protest met luider stem te hernieuwen! Zeker, men heeft van de zijde der regeering getracht de ingebrachte bezwaren te ontzenuwen. De Commissaris Generaal voor het onderwijs, provisioneel belast met de zaken der Hervormden", de heer Repelaer van Driel, heeft een antwoord gezonden aan de bezwaarden, dat een staaltje vertoont van een zoodanige aanmatiging en hoogheidswaan als gelukkig in onze vaderlandsche, kerkelijke geschiedenis zeldzaam is. We zullen dit antwoord thans niet kritisch gaan ontleden. We hebben daartoe-: later en elders l ) wellicht gelegenheid. Onze democratisch voelende tijd zou er zeker verbaasd van staan en niet langer zeggen, dat de machtsoverschrijding der overheid in 1816 tegenover de Ned. Herv. Kerk toch eigenlijk een vrij onbeduidende zaak is geweest. i b Genoeg zij het te constateeren, dat men de klagers met een kluitje in het riet stuurde, op hunne argumenten niet inging en eenvoudig macht boven recht liet gelden 3 ), intusschen echter deze verklaring afleggende, 1) Waarschijnlijk komen we in de Gevef. jfcérfy, öp'dï.t overigens weinig beteekenende antwoord tews^-f.^, 2) Op het einde leest men deze woorden: Deze verklaring Zr.M. aan de leden der tegenwoordige Classis van Amsterdam mededeelende, acht ik mij tevens verplicht, hen te herinneren, dat derzelver vergadering dis Collegie van Kerkelijk Bestuur met den laatsten dezer maand Maart [het stuk was geteekend 28Maart!] volgens de, overeenkomstig den last Zr.M. gestelde orders, zal

8 8 die natuurlijk ook voor onzen strijd nog altijd groot gewicht heeft: Maar daarenboven, het Synode wordt thans niet opgeroepen, om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen. Wat deleer selve betreft, sijn de verplichtingen van desselfs leden, en die van alle andere Kerkbesturen, begrepen in het 9de [thans 11de] artikel van het Algemeen Reglement, hetwelk met ronde woorden van hen vordert de handhaving van de Leer der Hervormde Kerk" ". Deze verklaring klonk zeer schoon en welmeenend en heeft natuurlijk formeel, uit juridisch oogpunt, voor ons nog altijd hooge waarde; ook lijdt hetgeen twijfel, dat koning Willem I van harte met haar instemde en * het goede met de Kerk bedoelde. Doch heel anders stond het met hen, die in deze de adviseurs van den Koning zijn geweest en waaronder mannen waren, van wie het bekend is, dat zij de gereformeerde leer haatten. Hunne bedoeling was geene andere dan onder den formeel goeden schijn van art. 9 (later 11) materieel, praktisch, feitelijk de leervrijheid in de Kerk in te voeren. Immers, juist die bepaling, dat eenerzij ds de bestuurders der Kerk de leer moesten handhaven", terwijl anderzijds tevens gezegd werd, dat de Synode niet samengeroepen was om leergeschillen te beslissen" (een uitspraak, waarop men ook ophouden te bestaan, en als zoodanig niet weder bijeen komen; maar dat de predikanten van het classikaal ressort zich zullen behooren te bepalen tot de werkzaamheden, bij het Algemeen Reglement aan de Classicale Ringvergaderingen opgedragen". Zóó werd dus met de regeermacht der Classicale vergaderingen korte metten gemaakt. Dit alles in strijd met de onvervreemdbare macht van regeering", door Christus aan de opzieners Zijner Kerk volgens Eph. 4 : 11 gegeven, en met de in onze Kerk nog steeds geldende Pormulieren tot bevestiging van dienaren des Woords en ouderlingen! Zal nu nog iemand durven beweren, dat in 1816 aan onze Kerk geen onrecht is gedaan?

9 9 later nimmer is teruggekomen), bracht praktisch dit gevolg met zich, dat de leergeschillen bleven bestaan, dat geen kerkelijk oordeel" over leergeschillen werd uitgesproken, dat inzake de leer ieders eigen geioeten maar beslissen moest, m. a. w. dat ieder in deze sijn eigen rechter was, d. w. z. dat er praktisch leervrijheid begon te heerschen in de Kerk almeer. Zóó is maar al te droevig vervuld geworden, wat de vromen in den lande blijkens het protest reeds aanstonds vreesden, hetgeen we nog lezen in dat merkwaardige slot: Wij weten, hoe bekommerd de meest Godsdienstigen zijn, dat men, tredende buiten de inrichtingen, die de wijsheid der Vaderen heeft vastgesteld, van schrede tot schrede sal voortgaan in het veranderen der meest gewichtige leerstukken, en door een ongeregelde zucht tot het nieuwe, den Godsdienst in de hartader zal aantasten". Let wel, men zag dus toen reeds in, dat op den duur de Christelijke godsdienst zelf in de hartader zou worden getroffen. Welnu, wat is de geschiedenis der gansche 19de eeuw anders geweest dan de bevestiging dezer ontzettende profetie? Doch we gaan voort, om te zien, hoe heel die eeuw door het protest toch levendig is gebleven in de harten en in de daden der menschen, ook niettegenstaande allerlei machtswillekeur, die het telkens weer nu eens meer bedekt, dan weer openlijk trachtte te dempen en krachteloos te maken en tegen te staan. Het eerst vond het protest weerklank in 1823 in Da Costa's Beswaren tegen den geest der'eeuw. Daarna in 1827 in Ds.^Molenaar's Adres aan al mijne Hervormde Geloofsgenooten, in 1830 in van der Kemp's De eere der Ned.*Herv. icerk gehandhaafd, n.1. tegenover de anti-gereformeerde voorstellingen van het bekende geschiedwerk van Ypey en Dermout,

10 10 en in Dr. Kohlbrugge's Het lidmaatschap bij de Herv. Gemeente hier te lande mij willekeurig belet {1833). Vooral na de opkomst der Groninger richting om-* streeks 1830 begon zich ook het protest tegen de thans in de praktijk almeer leervrijheid" begunstigende r synodale organisatie steeds luider te doen hooren. ) Ten deele verliep deze beweging in de afscheiding" in 1834, doch ten deele werd zij ook voortgezet vooral in cïen kring van de vrienden van da Costa. Verschillende adressen, aandringende op handhaving der belijdenis, werden bij de Synode ingezonden, zoo reeds in 1834 uit verschillende gemeenten 2 ), in 1835 van verschillende predikanten (waarna door de afscheiding een stilstand intrad), in 1841 het adres van een 4tal kerkeraden (Nijkerk, Oosterwolde 3 ), Elspeet en 's Grevelduin-Kapelle) en het adres-moorrees (van Wijk bij Heusden) met bijna 9000 onderteekeningen van gemeenteleden, in 1842 het bekende adres der, Zeven Haagsche heeren", waaronder Groen, Capa-! dose, Elout, van Hogendorp en van der Kemp. 1) De begunstiging der leervrijheid werd verdedigd door prof. Hofstede de Groot in zijn Gedachten over de beschuldiging tegen de leeraars der Ned. Herv. Kerk (1834) en bestreden door van der Kemp in De beschuldiging tegen de leeraars der Ned. Herv. Kerk (1834). 2) Merkwaardig was het antwoord der S3 7 node, die zeide deze adressen wegens derzelver ongepasten inhoud, als rustende allen tezamen op onbewezen beschuldigingen, en voor het grootste gedeelte, volgens de in dezelve uitgedrukte bedoeling, leidende tot het stichten van schade en wanorde in de Ned. Herv. Kerk niet te mogen aannemen, maar dezelve te moeten deponeren." Vg. Dr. G. J. Vos Az., Geschiedenis der Vaderlandsche Kerk, II, bl Vg. ook H. M. C. van Oosterzee, De Synode en de Leervrijheid 1865, waarin vele belangrijke gegevens zijn bijeengebracht. 3) Te Oosterwolde was destijds predikant Ds. J. C. Eykman en te Nijkerk Ds. C. C. Callenbach, wier correspondentie over het adres in 1842 nog in mijn bezit is en een levend beeld geeft van den toenmaligen toestand.

11 11 Merkwaardig is in dit laatste adres, dat men zich beroept op eene uitspraak "vahtde Synode, die zich totnogtoe altijd van een bepaalde verklaring'omtrent de eenigszins dubbelzinnige proponentsformule had onthouden, doch zich nu als antwoord op het adres- Mqorrees had" laten ontvallen, dat in die formule atieen~sprake was van de handhaving der leer, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk." Aan deze uitdrukking klemde Groen zich vast en vroeg aan de Synode haar nader te preciseeren en wel in dien zin, dat men de proponenten zou binden op onbekrompen en ondubbelzinnige wijze" aan de formulieren van eenigheid en tevens eenige met name genoemde hoofdwaarheden als wezen en hoofdzaak" der leer zou aangeven. In dit adres vinden we het eerst de uitdrukking onbekrompen en ondubbelzinnig" \ die later in 1862 ook als grondslag der Utrechtsche predikantenvergadering en (in 1864) der Confessioneele Vereeniging zou worden gebruikt. Van dat oogenblik af echter heeft vooral Groen den strijd samengetrokken op het wezen en de hoofdzaak" der belijdenis, eene vrij willekeurige bepaling, waartoe Groen door de praktijk (bij gebrek aan een kerkelijk oordeel") gebracht werd, doch die later tot heel wat moeilijkheden aanleiding gegeven heeft ook in den boezem deionder Groen's auspiciën in 1864 opgerichte Confessioneele Vereeniging. In 1842 verscheen intusschen de Ministerieele dispositie, waarbij de regeering zich terugtrok van de i zaken der Kerk, niet echter, helaas, om het recht der 1) Deze uitdrukking is dus van Groen, daar deze de steller van het adres was. Dr. G. J. Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd, I, bl. 205, 208.

12 12 oude, kerkelijke vergaderingen" weer te herstellen, maar om nu alle regeermacht te leggen in handen der Synode. Dit leidde tot de belangrijke wijzigingen in de organisatie der Kerk in 1853, waardoor echter die organisatie zelve in wezen niet veranderde, maar de oude bestuursorganisatie bleef. Ook de alle positieve belijdenis nivelleerende strekking dier organisatie, waardoor de leergeschillen niet werden beslist, maar rustig voortwoekerden, bleef dus. Geen wonder, dat ook het protest bleef aanhouden. Merkwaardig is echter, hoe reeds in dezen belangrijken tijd van gisting en overgang zich op eens zeer scherp een verschil tusschen de broeders vertoonde, dat reeds lang gevoeld was, doch nog nimmer zóó klaar aan het licht getreden was. Da Costa namelijk, de oude strijder, had het Haagsche adres niet geteekend en gaf in 1843 zijn Rekenschap van gevoelens, waarin hij verklaarde bezwaar te hebben tegen het vragen van handhaving van de Formtilieren van eenigheid" als kerkelijk middel tegen de krankheden der Kerk. Hij verlangde tegenover de dwalingen van onzen tijd eene geheel versche, in de taal en vormen van onzen tijd geuite verklaring, wederlegging en handhaving." Ook bleek da Costa in verband hiermede te zijn voor, wat men genoemd heeft, den medischen (of ethischen) weg van kerkherstel. In het menschelijk lichaam," zoo schreef hij, moge een krankheid in hare eerste beginselen kunnen worden gestuit, eenmaal gevestigd, moet zij doorwerken, en is tot genezing der ziekte de ziekte zelve onmisbaar. Zoude het in het geestelijke anders zijn? De treurige kwaal, die ook in deze bladzijden werd aangewezen, wordt door geene afsnijding of middelen van bedwang overwonnen. Vrije ontwikkeling der krankheid ter eene, mits vrije en ruime toediening van het eenig red-

13 13 middel, dat is Gods Woord, ter andere zijde, ziedaar, mijns inziens, de behoefte van het oogenblik in onze Vaderlandsche Kerk" l ). In deze woorden wordt ons de medische weg reeds zeer duidelijk geteekend, al heeft da Costa zelf nog niet aanstonds alle consequentiën, die daarin lagen opgesloten, getrokken. Dit zou pas later, meer systematisch en meer theologisch beredeneerd, geschieden door den vader der ethische theologie, Daniël Chantepie de la Saussaye. Al bedoelde da Cesta het zqo^niet, toch was züne brochure op dat kritieke oogenblik natuurlijk koren op ~d~en molen der tegenstanders. De Synode vreesde nu niet langer openlijk de afwijkenden van de belijdenis de hand boven het hoofd te houden. Zij werd daarin gesteund door meer dan 50 tegenadressen, geteekend door 474 predikanten en een kleine 500 gemeenteleden van de Groninger richting (merkwaardig, dat, juist omgekeerd als bij Moorrees en Groen, de predikanten-onderteekenaren hier zoovele waren tegenover een klein getal gemeenteleden!). En zoo werd dan aan de hoop, die een oogenblik gloorde, dat men betere toestanden zou tegengaan, ten eenenmale de bodem ingeslagen! Alles bleef, wat de leervrijheid betrof, bij het oude. Ja het werd, toen spoedig daarna de moderne richting begon op te komen, nog al erger. Een der voormannen zelf had, te kwader ure, den rechtstitel, waarop men zich beroepen kon in den strijd, prijsgeven. Da Costa had in zijne straks genoemde brochure voorbijgezien, dat kerkbederf geen ziefete maar Monde is, en daarmee had hij tevens het betrekkelijke recht-van het juridische standpunt van Groen miskend. 1) Vg. J. C. Rullmann, De strijd voor Kerkherstelj Amsterdam Kirchner 1915, bl. 31.

14 14 Groen ontwikkelde nu in den strijd tegen de leervrijheid nog hoe langer hoe sterker zijn juridisch standpunt. Toch was er dogmatisch tusschen hem en da Costa geen groot verschil. Ook Groen had zijne bezwaren" tegen de drie formulieren, zooals zij daar lagen. Alleen van der Kemp wilde bepaald handhaving van de geheele belijdenis der drie "formulieren. Groen en de meesten uit zijn kring wilden alleen handhaving van hoofdzaak en ivezen" der belijdenis, hetgeen zij dan in een zeker aantal leerstukken nader trachten te bepalen. Tot het diepere inzicht, dat Dr. Hoedemaker (door zijne gedachte van reorganisatie en beroep op Gods Woord langs kerkelijken weg) later brengen zou, was men nog niet gekomen. Men voelde wel algemeen, dat hier een moeilijkheid school, maar niemand wist toen het bevrijdende woord te spreken en zoo behielp men zich dan met zelfbedachte, toch altijd willekeurige formules als hoofdzaak en wezen", onbekrompen en ondubbelzinnig" enz. Zoo kwam men in 1845 tot de vergadering van de Christelijke vrienden" te Amsterdam, waar zeer verschillende elementen bijeen waren. Deze vergaderingen hielden tot 1854 stand. Op die vergaderingen gingen de mannen van de juridische en de medische methode nog samen. In 1854 kwam echter het verschil vooral in zake de Kerk naar aanleiding van eenige stellingen van de Liefde zeer scherp aan het licht en voortaan ging men almeer in verschillende groepen uiteen. De schoolwet van 1857 bracht nog meer verschil tusschen de vrienden. Door de oprichting van het tijdschrift Ernst en Vrede ( ) had zich de groep van ethisch-irenischen meer geschaard om Chantepie de la Saussaye, terwijl de meer confessioneel-gezinden zich hoofdzakelijk lieten leiden door Groen.

15 15 Door deze scheiding kwam ook Groen er toe om al sterker het juridisch beginsel op den voorgrond te plaatsen en den strijd te concentreeren op art. 11 van het Alg. Reglement, dat sprak van de handhaving der leer." Nadat in 1862 de Utrechtsche predikantenvergadering was opgericht, die beide richtingen nog trachtte te verbinden in den naam evangelisch-confessioneel" (een leuze, door van Toorenenbergen aangeheven), werd in 1864 op instigatie van Groen de Confessioneele Vereeniging opgericht. De kwestie-zaalberg in 1866 bracht steeds meer het juridisch beginsel naar voren ] ). Groen dreef dit. in die dagen zelfs zóó eenzijdig, dat hij voorstelde de organisatie eenvoudig op zij te zetten, indien de hoo- \ \ gere besturen niet wilden toegeven aan de verzoeken om art. 11 tegenover Dr. Zaalberg te handhaven. Zóó werd in die dagen, door de eenzijdige vooropstelling van het juridische beginsel, dat art. 11 en de belijdenis als"zoodanig isoleerde van het kerkverband en de geheele organisatie, waarin zich het kerkverband, hoe 1) Prof. Gunning, toen nog predikant in den Haag, was in die dagen voorstander van den medischen of ethischen weg. Treffend is de belijdenis, die hij later deed te dien opzichte, nadat hij zich bij de reorganisatiebeweging had aangesloten (Ons Tijdschrift, jaarg. III, afl. 10): Ik heb destijds te veel nadruk gelegd op het individueele geloofsleven en te weinig op de eere Gods, die allereerst eischt, dat de Kerk als Kerk, als geheel, als lichaam, den Naam des Heeren Jezus beliide. Dit laatste deed de heer Groen, / en ik had het met hem moeten doen. In den eisch, dat ' het Evangelie alléén door zijn zedelijke kracht, zijn voldoen aan de behoefte der menschelijke natuur, zijne legitimatie zou vinden, werd datgene, wat noodzakelijk gevolg is, tot voorwaarde van erkenning gesteld, en aldus het historische fecht der overlevering, waarin zich de majesteit van Gods gebod uitsprak, tezeer door mij miskend." Vg. Rullmann, t. a. p., bl Merkwaardige woorden, die thans vooral onder onze ethische broeders weerklank mogen vinden!

16 16 gebrekkig dan ook, belichaamde, eigenlijk reeds de kiem van de latere doleantie gelegd. Het zou ons tever voeren dit alles historisch aan te wijzen, hoewel het ons gemakkelijk zou vallen ij; doch wij volstaan nu met een schets te geven van wat men, en inzonderheid Groen, toen bedoelde met den juridiscken_weg tot_ ker\he stel. Men concentreerde heel den strijd op art. 11 van het Alg. Reglement en wilde, dat de Synode en dehoogerebesturen opgrond daarvan de modernen uit de Kerk zouden weren. Daartoe werden petities tot de Synode gericht. Daartoe werden ook verschillende aanklachten ingediend bij de hoogere besturen, die echter meestal om formeele redenen niet ontvankelijk werden verklaard of waarbij de klagers door middel van allerlei vage en dubbelzinnige formules in het ongelijk werden gesteld. Telkens scheen het tot een breuke te zullen komen, doch de predikanten, die gevoelden, dat de eenheid der Kerk niet alleen bestond in de gemeenschappelijke, historische belijdenis, maar ook in het kerkverband, dat, hoewel gebrekkig, zich toch in de organisatie belichaamde, wisten dit gedurig nog te voorkomen. Zóó werd het protest tegen de leer vrijheid dus wel op allerlei wijze levendig gehouden, doch men kwam niet verder, het bleef een soort guerilla-oorlog. Er was geen eenheid in het optreden en daardoor ook geen kracht, omdat men zich niet recht bewust was van zijne verhouding tot het kerkverband self. Groen scheidde de belijdenis hoe langer hoe meer van de kerkelijke organisatie. Hij meende, dat wie op den bodem der belijdenis stond, zich kon afscheiden van de kerkelijke organisatie zonder de Kerk zelve 1) Om het belang der zaak hopen wij dit over eenigen tijd te. doen in de Gereformeerde Kerk of in Troffel en Zwaard. *

17 17 te verlaten. De belijdenis werd zoodoende de eenige rechtstitel, waarop hij zich wilde beroepen. Dat was zijn juridisch standpunt. Hij gevoelde niet, dat hij door eene dergelijke opvatting van het kerkverband inging 'tegen de belijdenis zelf, die niet alleen een leer des heils bevat in engeren zin, maar ook een leer aangaande de Kerk en aangaande de ambten (art. 31). Zelfs in de Statuten der Confessioneele Vereeniging werden deze met de belijdenis der Kerk strijdige beginselen destijds opgenomen. Zoo wordt bv. gezegd aangaande grondslag en doel der vereeniging, nadat van de leden is gevraagd eene onbekrompene en ondubbelzinnige instemming met den grondslag der Kerk, in hare belijdenisschriften neergelegd'':,,3 ) dat de belijdenis der Kerk boven allen kerkvorm en ieder reglement als voorwaarde der kerkgemeenschap behoort te worden geëerbiedigd, en bijgevolg geene bepaling, die aan de handhaving van dit hoogste goed der Kerk in den weg staat voor hare voorgangers en leden verbindend mag worden geacht; en 5 ) dat, als het blijkt, dat de reglementen der Ned. Herv. Kerk de wering van het radikale ongeloof, dat heden ten dage in de Kerk gedreven wordt, tegenhouden, hare geloovige voorgangers en leden verplicht zijn, met terzijdestelling van die kerkorde, hunne geloofsovertuiging te handhaven. Zij mogen, om de kerkorde, niet aan kerk verwoesting medeplichtig zijn, niet als voorgangers erkennen hen, die de Apostolische getuigenis van den Christus verwerpen, J ) niet langer den geloofsgenoot prijslaten aan de door het reglement beschermde willekeur van den bestrijder." 1) Hier wordt niet onderscheiden tusschen een kerkelijk en een privaat oordeel, zooals dit b.v. in de Geref. Kerk van 8 Juni 1.1. door Ds. Lingbeek zoo juist is uiteengezet.

18 18 Men kan thans deze dingen niet zonder verbazing lezen, en wel niet slechts als uitgesproken in eene improvisatie, maar vastgelegd in de statuten eener vereeniging. Hier ging men om de belijdenis te handhaven uit van kerkrechtelijke beginselen, die met de belijdenis zelve (art ) ten eenenmale in strijd waren. Immers, hier werd aan den enkelen persoon een recht gegeven, dat alleen aan de Kerk zelve in de vergadering harer ambtsdragers toekomt, om namelijk censuur uit te oefenen en de kerkorde op zij te zetten en door eene andere te vervangen. Het is zeer te betreuren, dat de predikanten, die praktisch niet of slechts zeer ten deele met Groen meegingen, deze beginselen niet meer principieel van uit de beginselen van het gereformeerde kerkrecht zelf hebben bestreden. Doch daartoe was destijds helaas de kennis van bedoeld kerkrecht, en van de gereformeerde belijdenis in het algemeen, mede tengevolge van -het zeeron voldoende hooger onderwijs, nog te gering. De droeve gevolgen van een en ander zijn niet uitgebleven. De miskenning van het kerkverband l ) door Groen in die dagen heelt in 1886 geleid tot eene al te gemakkelijke, lichtvaardige verbreking daarvan in de doleantie. Dit was het einde van den eensijdig-juridischen weg met voorbijzien van de waarheid, die in den medischen weg lag opgesloten. Men trachtte l z'n recht alleen juridisch te handhaven en het einde was, dat men ten slotte van alle recht werd beroofd en buiten de Kerk gesteld. Praktisch kwam het echter in Groen's dagen nog niet tot verbreking van het kerkverband. De strijd tegen de organisatie werd evenwel slechts slap gevoerd x ) Zie de doorgaande bestrijding dier miskenning door Dr. Hoedemaker in Op het Fundament der apostelen en profeten, 1885.

19 10 bij gemis aan een vast uitgangspunt. In den boezem der Confessioneele Vereeniging waren ook verschillende stroomingen waar te nemen. Er was geen klaarheid. Ook werden velen den schijnbaar nutteloozen strijd tegen de Synode moede. Men hield op met aanklachten en adressen mede ten gevolge van Groen's scherpe scheiding tusschen belijdenis en organisatie. Praktisch begon men zoodoende eigenlijk reeds de de organisatie op zij te zetten door te beweren, dat het verkeerd was zich te richten tot eene Synode, die men én om den onwettigen oorsprong van 1816 én om hare beschermende houding tegenover het ongeloof niet langer als wettig kerkbestuur kon erkennen. In die dagen van moedeloosheid was het, dat de Confessioneele Vereeniging steeds meer haar arbeid samentrok op evangelisatie en heil zocht in de leuze : reformatie door evangelisatie": Bovendien had het jaar 1867,een geheele omkeering gebracht in den toestand der Kerk door de invoering der kiescolleges. In tal van gemeenten, met name in de groote steden, waren de modernen geslagen. En zoo hoopte men dan langs dezen weg weldra betere toestanden te zullen verkrijgen. De aandacht werd meer gericht op de plaatselijke toestanden en afgericht van de Kerk als geheel. Ook hierdoor is in die jaren de algemeene kerkelijke actie door middel van adressen en petities aan de Synode verminderd. Men verwachtte niet langer hulp van boven af, maar (in verband ook met de al sterker wordende democratische strooming) van onder op. Aan deze beweging sluit zich dan Dr. Kuyper aan, die de juridische lijn van Groen in nog meer democratische en ook in meer streng-confessioneele richting voortzet met de bekende uitkomst in Ook de medische richting maakte intusschen een

20 20 ontwikkelingsgang door. In 1843 (tengevolge van da Costa's Rekenschap van gevoelens) had zij zich van de juridische gescheiden, al gingen beide richtingen aanvankelijk nog veelszins bij allerlei gelegenheden en in allerlei vereenigingen samen. Van consolideerde zij zich vooral om Ernst en Vrede. Na den strijd tusschen Kuyper en Beets in 1869 op de vergadering van Christelijk-Nationaal (men bedenke ook, dat dit plaats vond kort na de invoering der kiescolleges in 1867) werd de verwijdering nog grooter en gingen beide groepen èn politiek èn kerkelijk veelszins hun eigen weg. De medische richting, die in den beginne (in 1842) nog vroe bij monde van da Costa om eene Constituante" of algemeene, kerkelijke vergadering om zóó te komen tot een nieuwe, belijdende Kerk, legde zich almeer bij den toestand neer, wilde geenerlei strijd meer langs kerkrechtelijken weg en begeerde alleen maar, dat het woord des geloofs tegenover het woord des ongeloofs zou worden gesteld in prediking en evangelisatie. Da Costa gaf daarvan in zijn Rekenschap reeds de zuivere omschrijving: de glekte zelve kon en mocht niet worden uitgedreven, maar was noodzakelijk tot herstel". De la Saussaye gaf daarvan in allerlei geschriften de meer theologische uitwerking, zoo b.v. in de Crisis (1868) naar aanleiding van de Zaalbergsche kwestie. Hij spreekt daarin (bl. 21) over vde onuitvoerbaarheid van teerlucht in den tegenwoorditoestand der Kerk", al weet hij, dat hij daardoor op zich zal laden den blaam van eene zeer strafbare conniventie voor dwaling en leugen." Alleenlijk", zoo laat hij dan volgen, ik beschouw de ketterij, dat is leugenleer in den vorm der waarheid, niet als een plaatselijke kwaal, die kan worden uitgesneden, maar als eene ziekte in het bloed, die alleen kan uitge-

21 dreven worden door bloedvernieuwing. Aderlating helpt hier niet, zij zou den patiënt aan tering doen steryen; alleen zuivering en vernieuwing." En iets verder zegt hij dan (bl. 35): uit de toepassing van het algemeene stemrecht [het is juist na 1867] ontsta een kerkgenootschappelijke vorm, die zoo min mogelijk bindt en klemt, die de ontwikkeling des geestes in de kerk vrij laat, de wetenschap vrij, de evangelisatie vrij, de gemeentelijke werkzaamheid vrij, die niets anders zij dan de organisatie der vrijheid" In den beginne sprak de la Saussaye nog meermalen van de mogelijkheid van leertucht, indien nl. de toestand der Kerk normaal zou zijn geworden, doch later schijnt hij ook die gedachte geheel te hebben prijsgegeven. In 1871 schreef hij in de Protestantsche Bijdragen (bl. 436): Voor eene scheiding [van orthodox en modern] is de gemeente niet rijp; het goede is niet aan de eene, het kwade aan de andere zijde zoodanig geconcentreerd, dat men door de scheiding tot eene zuivere kerkelijke positie zou komen. De kerkelijke strijd tegen de modernen is daarom in mijn oog onvruchtbaar en kan door mij niet meegestreden worden, omdat ik meen, dat de gemeente door het lijden, dat zij door de bestaande tweespalt ondervindt, nog niet alzoo geheiligd is, dat de ure harer verlossing, of, zooals men thans zegt, harer vrijmaking, geslagen is." En hij voegt er elders nog aan toe: Van moderne zijde is het eens gezegd en waarlijk schooner lof kon aan de orthodoxen niet gegeven worden dat de kerkelijke gemeenschap met de orthodoxen voor het godsdienstige leven der modernen noodig is. Zouden de orthodoxen niet moeten zeggen, dat de kerkelijke gemeenschap met de mo-/ dernen voor hen allerheilzaamst is om hen voor geestelijken hoogmoed en verstandelijke traagheid te

22 22 bewaren?" J ) Men ziet het uit deze citaten duidelijk: de la Saussaye neemt den medischen weg, dien men ook den ethischen (in tegenstelling met den juridischen) kan noemen, ten volle voor zijne rekening en zijne geestverwanten hebben dan ook in de praktijk steeds daarnaar gehandeld. Zij hebben alle leertuchtkwesties immer vermeden en, waar zij zich opdeden, zooveel mogelijk geëlimineerd. Men zeide: dejcerk moet uitzieken", doch van uitzieken is het hoe langer "hoe meer door zieken gewórden, zooals uit allerlei bedenkelijkë~vëïschijnsëlen temidden der orthodoxie zelve, en ook uit de weer oplevende moderne actie in onze groote steden, overvloedig blijkt. Wie wat thans in ethischen kring wordt geloofd, vergelijkt met wat omstreeks 1860 nog werd beleden, zal getroffen worden door het groote verschil, inzonderheid tengevolge van de doorwerking der intusschen opgekomen Schriftkritiek. Maar inzonderheid moet wel het pleiten voor evenredige vertegenwoordiging" door verschillende orthodoxen thans beschouwd worden als een bewijs van een zeer snellen afloop als der wateren." Daarom rijst nu als vanzelf de vraag: waar eenerzij ds dreigt het gevaar van het separatisme en anderzijds dreigt het gevaar van de vervloeiing", welken weg hebben wij dan te bewandelen? En we aarzelen niet daarop te antwoorden: den ethisch-juridischen wegbons door Hoedemaker reeds~sinds""t~t8s07döch vooral na de doleantie in 1886, met toenemende helderheid getoond en ook aangegeven in de onder zijne auspiciën herziene statuten der Confessioneele Vereeniging van ) Ik kon dit citaat, waarschijnlijk door een drukfout, niet terugvinden. Het komt voor bij Dr. Brouwer, Daniël Chantepie dé la Saussaye, bl. 126.

23 23 Wat is dan het eigenaardige van dezen_ethischjuridischen weg? Het is dit, dat hij het ware in het juridische èn in het ethische of medische standpunt verbindt. Immers, Dr. Hoedemaker aanvaardt het juridische. Hij aanvaardt de belijdenis der Kerk, zooals zij gegeven is in hare historische belijdenisschriften, als rechtstitel en als puntjnmi. uitgang. Doch nu snijdt hij tegelijkertijd af Groen's willekeur om een zeker extract als geest en hoofdzaak" der belijdenis vast te stellen èn de confessionalistische gedachte, alsof de belijdenis niet meer voor verdere ontwikkeling vatbaar zou zijn en dus een petrefact zou zijn geworden. En dit doet hij door die belijdenis aanstonds in verband te stellen met het Woord door middel van de door hem geëischte reorganisatie der Kerk. Bij Dr. Hoedemaker wordt dus m. a. w. de belijdenis niet losgemaakt van het kerkverband, of, om een zijner beelden te gebruiken,,,het hart wordt niet uitgerukt uit het lichaam;" en daarmede is dus tevens bij alle actie, die zich zuiver in deze richting beweegt, het gevaar voor separatisme vervallen. En daarmede is dus ook het bezwaar van hen, die voor den medischen weg" ijveren, dat men namelijk te spoedig de dwalenden zou prijsgeven en afsnijden, opgeheven. Dr. Hoedemaker stelt zich dus tot op zekere hoogte op juridisch standpunt. Hij zegt b.v. in 1888 op eene vergadering van predikanten: Door hunne tegenwoordigheid aan deze plaats betuigen de broeders in te stemmen met het Gereformeerd beginsel, niet stibjectief maar objectief opgevat, dat de Belijdenis, uitgedrukt in de drie Formulieren van eenigheid, rechtens de grondslag is, waarop onze Kerk, hetzij

24 24 plaatselijk, hetzij als een geheel gedacht, tot op dit oogenblik staat en waarmede zij valt." l ) Scherp wees hij echter tevens aan de fout bij hen, die tot nu toe tegen de leervrijheid waren opgekomen. Men achtte de Synodale organisatie wel onbijbelsch, maar stelde geen enkele poging in het werk om haar door eene Schriftuurlijke Kerkorde te doen vervangen" 2 ). Ook wees hij op het onbijbelsche in het streven vooral van Dr. Kuyper c.s.: Het onbijbelsche ligt in het isoleeren en vooropstellen van het confessioneele element." En dan liet hij ter toelichting dit volgen, dat nog altijd van groote beteekenis is: De Gereformeerden" [Dr. Kuyper c.s.] zijn m.a.w. op confessioneel standpunt blijven staan. Confessioneel" zijn zij in onze Kerk, die hare belijdenis vasthouden, en haar, al naar de wijze waarop zij haar opvatten, meestal met een beroep op Art. 11 Alg. Regiem., zoeken te handhaven. Met de Kerkorde, waaronder wij leven, hebben zij, althans tot op zekere hoogte, vrede. Gereformeerd" zijn zij, die Gods Woord niet alleen houden voor den eenigen regel van ons geloof en onzen wandel", maar die den eisch stellen, dat alles in de Kerk, dus ook in de regeering der Kerk, in de wetenschap, de staatkunde en iederen anderen levenskring naar dit Woord ga." Men voelt aanstonds, hoe dit standpunt den gezichtskring verbreedt. Hier wordt direct tot den diepsten grond van alles, d.i. het Woord Gods, teruggegaan. De belijdenis wordt dan ook niet geïsoleerd van, maar in verband gebracht met het Woord. Hier 1) De Congresbeweging, bl ) T. a. p. bl. 22.

25 25 wordt inderdaad de rechte synthese tusschen den juridischen en den ethischen (of medisch en) weg gegeven, omdat hier ernst gemaakt wordt met den vollen eisch des Woords. Dr. Hoedemaker wil namelijk de belijdenis niet op zichzelf beschouwd hebben, maar in verband met het Woord Gods, waarvan zij slechts de korte samenvatting" ( repetitio Sacrae Scripturae") wil zijn, èn als uiting eener levende Kerk, niet dus enkel als een dor document, als een dood statuut. Zóó opgevat, roept de belijdenis dus als vanzelf om eene Kerk, die haar belijdt in hare wettige, Schriftuurlijke, ambtelijke vergaderingen, en die dan ook bevoegd is om bezwaren" tegen de belijdenis aan Gods Woord te toetsen. Zóó kan er dus zijn beroep op Gods Woord en behoeft men zich niet langer met willekeurige formules als geest en hoofdzaak", ondubbelzinnig en onbekrompen" enz. te behelpen. Zóó kan men ook aan de modernen, en^aan alle afwijkenden, rechtdoen, wanneer zij maar bereid zijn hunne zaak op deze wijze, d.i. op zuiver-kerkelijke wijze (door middel van een waarlijk kerkelijk oordeer) aan de beslissing van Gods Woord l ) te onderwerpen. Zóó zal er ook 1) De H. Schrift als Gods Woord is voor de Kerk de conditio, sine qua non" van haar bestaan, de laatste toetsteen, de rechter van alle geschillen." Hiermede staat en valt het echte, historische Protestantisme. Vg. ook art. 7 onzer Geloofsbelijdenis. Wie dien niet erkent, is hiermede tot het nieuw-protestantisme" overgegaan. En tusschen dit nieuw-protestantisme" en het oude, eigenlijke Protestantisme in historischen zin gaapt een onoverbrugbare klove. Voor de helderheid in de discussie behoorde dit nu eindelijk onder allen vast te staan. Troeltsch heeft het voor den wetenschappelijken kring voldingend bewezen. Terecht zegt hij (Der moderne Protestantismus' S. 742 in Hinneberg's Kultur der Gegenwart, 1909): Was eine unbefangene Geschichtsforschung... allein wirkeji kann, dat ist die Einsicht in den

26 26 gelegenheid zijn om de verschillende trappen der l tucht ) toe te passen en dus niet aanstonds tot afsnijding over te gaan, m.a.w. den medischen (of ethischen) weg te bewandelen, voorzoover noodig en goed. Maar hiertoe is dan ook de Kerk in hare tegenwoordige organisatie allerminst bekwaam. De besturen toch hebben geenerlei wettige, geestelijke, schriftuurlijke bevoegdheid om leergeschillen te beslissen en dus op de rechte wijze tucht te oefenen. De besturen zijn eene onschriftuurlijke macht in de Kerk, die te kwader ure aan de Kerk is opgedragen. Er moet dus allereerst gevraagd worden van de Synode als negotiorum gestor" [provisioneele zaakwaarneemster] wegneming der besturen en herstel der oorspronkelijke, Schriftuurlijke, kerkelijke vergaderingen (Classicale Vergadering, Provinciale Synode, Nationale Synode). Pas wanneer dit is geschied, zullen de geschillen op wettige wijze in kerkelijken weg kunnen worden beslist en mag men een nieuwen bloei der Kerk, ja, ook van heel onze natie, tegemoet zien, aangezien dan het Woord Gods als hoogste rechter weer in het middelpunt is geplaatst. Daarom stelde Hoedemaker naast den eisch: terugkeer tot de belijdenis", en in onmiddellijk verband daarmee, den eisch: terugkeer tot eene Schriftuurlijke kerkorde". Want, zeide hij, eene belijdenis op zichzelf is niet anders dan een hart op sterk water; het hart behoort in een levend lichaam"! fundamentalen Unterschied zwischen Alt-und Neu-Protestantismus". ( Wat eene onbevangene geschiedbeschouwing alleen kan geven, dat is het inzicht in het fundamenteele onderscheid tusschen oud- en nieuw-protestantisme"). Vg. ook het oriënteerende boekje van Troeltsch, Die Bedeutung des Protestantismus für die Entstehung der modernen Welt, Berlin Oldenburg ) Overeenkomstig Matth. 18 :

27 Veel behoeven we hieraan niet meer toe te voegen. De volkomen Schriftuurlijkheid dezer beginselen springt in het oog. Voor wie ze eenmaal goed heeft gezien, zijn zij volkomen duidelijk en doorzichtig. Bovendien zijn zij reeds herhaaldelijk bepleit ook door schrijver dezes, zoodat nadere toelichting en uitwerking wel overbodig mag heeten 1 ). Moge ook dit geschrift ertoe medewerken om in dit jaar van 'herinnering aan het thans honderdjarige protest van 1816 de beginselen, waarom het gaat en die voor heel het leven den Kerk van zoo uitnemend gewicht zijn, bij vernieuwing aan de orde te stellen. Waar het ambt in het geding is, daar gaat het niet om een zaak van menschelijk goedvinden, om eene meer of minder praktische inrichting, maar om eene instelling van Christus zelf, dan gaat het inderdaad naar Eph. 4 : 11 en 12 om de volmaking des heiligen en de opbouwing van het lichaam van Christus". 1) Zie inzonderheid Reorganisatie eisch van Gods Woord, met bijlage over de nieuwe actie". (Rotterdam Bredee 1906) en Is de presbyteriaal-synodale kerkinrichting de eenige Schriftuurlijke, deze vraag bevestigend beantwoord (P. van der Kamp, Amsterdam, overdruk uit Troffel en Zwaard 1910).

28 BIJLAGE. MEMORIE VAN BEZWAREN. g AAN ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING DER NEDERLANDEN, PRINS YAN ORANJE NASSAU, G-ROOTHERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ. ENZ. ENZ. Sire! De Classis van Amsterdam, van Zijne Excellentie, den Heer Commissaris Generaal, provisioneel belast met de zaken der Hervormde Kerk, ontvangen hebbende het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, heeft niet kunnen nalaten, hetzelve, als een stuk, den welstand harer Gemeenten betreffende, ernstig te overwegen, en vindt zich onvermijdelijk verpligt, hare beswaren over den inhoud van hetzelve, met den diepsten eerbied ter kennis van Uwe Majesteit te brengen. Bekend met de verhevene hoedanigheden van eenen Koning, die, als de Vader zijnes Volks, zoo gereed is, de bekommeringen van hoogstdeszelfs Kinderen weg te nemen, hebben wij geene vrijheid gevonden, die te verzwijgen. Nimmer is de overtuiging eenpariger en levendiger bij ons geweest van onze dure verpligting, om te spreken voor de belangen der Gemeenten, van welke wij de eer hebben, de Leeraars, 1) Deze Memorie van Bezwaren is overhandigd door eene Commissie uit de Classis Amsterdam aan Z. M. Koning Willem I den 7den Maart Deze Memorie wordt thans herdrukt naar de uitgave voorkomende in het Maandblad der Ned. Ver. van Vrienden der Waarheid, 1885.

29 Herders en Opzieneren te wezen: nimmer de vrees grooter, dat wij, nalatende, eenen zoo goedertierenen Vorst, deswegen ootmoedig te naderen, onze verpligting tot getrouwheid jegens onzen Heer Jezus Christus, grootelijks zouden krenken; naar waarheid intusschen betuigende, dat het besluit tot dezen stap ons veel gekost heeft, die zoo ongaarne, zelfs in de minst aangelegene zaak, van een Gouvernement verschillen, aan hetwelk wij geheellijk verknocht zijn. Bij de treurige gewaarwording daardoor in ons verwekt, kunnen alleen Uwer Majesteits hartelijke door ons menigmalen vernomen betuigingen van aankleving aan de Hervormde Kerk, van welker Dienaren Hoogst-deszelfs weldadige hand reeds de voornaamste wonden geheeld heeft, onze harten verkwikken, terwijl wij ook nog de levendige voorstelling van alle de genoemde redenen noodig hebben, om met die vrijmoedigheid te spreken, waardoor wij alleen in staat zijn, aan Uwe Majesteit het gewigt van onze bezwaren te doen gevoelen. Voor wij eenige, over den inhoud van het Reglement zelve voordragen, zij het ons vergund bescheidenlijk aan te merken, hoe vurig wij gewenscht hadden, dat, indien eenige nieuwe verordening, betrekkelijk ons Kerkbestuur, noodig ware geoordeeld, dezelve uit den boezem onzer Kerkelijke Vergaderingen, onder approbatie van Uwe Majesteit hadden mogen voortkomen. Van den oosrprong af der Christelijke Kerk, hebben de Apostelen onzes Heeren en andere Leeraars inrigtingen gemaakt op het bestuur der Gemeenten, oordeelende, dat, zonder de regeling daarvan, ook deze Geestelijke Maatschappij niet doelmatig zoude kunnen bestaan. De magt deswegen aan hen opgedragen, is blijkbaar uit de benamingen van Voorstanders, Huishouders,

30 30 Opzieners en Herders, en wij weten ook uit gegevene voorbeelden in de Heilige Schrift opgeteekend, dat de Apostelen en eerste Leeraars werkelijk Vergaderingen hebben gehouden tot regeling van hetgeen de omstandigheden, voor den welstand der Gemeenten, kwamen te vorderen. De latere Leeraars en Opzieners, aangesteld volgens den last des Heeren, tot Herders en Leeraars, tot opbouw van het ligchaam, dat is de Gemeente van Christus, hebben alzoo, uit kracht van hunne zending, insgelijks zulke inrigtingen beraamd, daartoe bijeengekomen in Conciliën en Synoden, en heeft men deze gewoonte ook in volgende tijden van het Christendom zien standgrijpen, nadat de Vorsten in de beschaafde wereld, met alle hunne onderdanen in ééne en dezelfde belijdenis van den Christelijken Godsdienst waren vereenigd, en de eerstgenoemde de Beschermers daarvan geworden waren. Van de eerste oprigting af der Hervormde Nederlandsche Kerk, hebben de Leeraars en Opzieners der Gemeenten geheel op zich zelve, in onderscheidene Provinciale en Nationale Synoden, Kerkenordeningen vervaardigd en ingevoerd; ook in het jaar 1586 is dit geschied in het Synode van 's Gravenhage, zijnde de aldaar vastgestelde Kerkeordening, door den toenmaligen Gouverneur-Generaal Leycester en de Staten van Holland geapprobeerd. Naderhand is die Kerkordening niet anders dan blootelijk overzien, en overeenkomstig de tijdsomstandigheden eenigzins veranderd ; maar ook dit is geschied in en door het Nationaal Synode van Dordregt in het jaar 1619, en hebben Heeren Commissarissen Politiek, op dat Synode tegenwoordig, in naam der Staten Generaal, dezelve insgelijks geapprobeerd. Hoe zeer moesten wij wenschen, Sire! dat onze

31 zedert meer dan twee eeuwen gevestigde Kerkelijke Vergaderingen opgeroepen waren geworden, om, indien veranderingen in onze Kerkeorde noodig waren geweest, dezelve onder approbatie der Gemagtigden van Uwe Majesteit daar te stellen. Zoo veel meer reden hadden wij, dit te verlangen, omdat die veranderingen, uit den boezem der Kerkelijke Vergaderingen voortgekomen, bij onze Gemeenten minder aan tegenzin blootgesteld, en door deze moesten beschouwd worden, eenen volledigen grond van wettigheid te hebben. Maar, ten opzigte van den inhoud van het Reglement zelve, hebben wij geene geringe bekommeringen. Veelvuldig zijn de aanmerkingen, welke, zoo over den aard van den besturingsvorm, bij het Reglement bepaald, als over de groote veranderingen, die daaruit zullen voortvloeijen, gemaakt worden. Niet minder over vele bijzondere artikelen van het Reglement; als, om iets op te noemen, dat Oud- Ouderlingen, schoon zij geene Leden zijn van de oorspronkelijke Vergaderingen, voor welke zij geacht worden te verschijnen, echter tot Leden van de Synodale en andere Vergaderingen kunnen benoemd worden; en voornamelijk omtrent het klein getal der Bestuurders in alle de Collegiën, aan welk klein getal in de Provinciale Besturen, eene zoo gewigtige zaak, als het admitteren tot den Predikdienst en, zoo het het schijnt, ook het examineren der aankomende Predikanten is toevertrouwd. Huiverig, Uwer Majesteits aandacht te veel te vergen, zullen wij ons voornamelijk bepalen tot die bezwaren, welke veelal in een naauw verband met onze Leer geplaatst zijn, of dezelve onmiddelijk betreffen; omdat deze punten de gewichtigste van alle zijn. Eene hoofdzaak, waaromtrent wij niet zonder be-

32 32 kommering" verkeeren, betreft de onbepaaldheid van den invloed, welke aan het Ministerieel Departement voor de zaken der Hervormden wordt toegekend. Volgens het 21ste Artikel staat het Synode in een onmiddelijk verband met dat Departement; maar geenszins wordt de aard van de betrekking en verpligting van het Synode tot hetzelve nauwkeuriglijk genoeg, maar ons inzien, aangewezen en bepaald; hetgeen ons voorkomt, Sire! van geen gering belang te zijn. Volgens Artikel schijnt wel het regt tot het ontwerpen en daarstellen van Bijzondere Reglementen op alles, zoo wel wat de Leer, of het Godsdienstig onderwijs, als de orde en tugt betreft, aan het Synode te worden toegekend, met bijvoeging, dat dezelve, aan het Ministerieel Departement, sullen worden voorgedragen, ten einde daarop de goedkeuring van Uwe Majesteit te erlangen: maar, bij Art. 4, van het besluit van den 7. Januari 1.1. wordt, ten gevolge van Art. 30 van het algemeen Reglement, het vervaardigen van bijzondere Reglementen opgedragen aan den Heer Commissaris Generaal, welke dit wederom aan de respective Leden der Consulerende Commissie verzocht heeft, en zullen deze bijzondere Reglementen, door voornoemde Zijne Excellentie, aan de eerste Synodale Vergadering worden aangeboden, ten einde daarop te besluiten. Uit de woorden van het 21ste Artikel, vergeleken met hetgeen omtrent de bijzondere Reglementen nu geschiedt, welke niet, door het Synode, sullen ontworpen en vervaardigd worden, maar, vervaardigd sijnde, aan de eerste Synodale Vergadering, sullen worden aangeboden; wordt de vrees geboren, dat wellicht op gelijke wijze, vervolgens de Concept besluiten, ook betrekkelijk tot de Leer, de Leenvijse en het

33 33 Godsdienstig Onderwijs door den Heer Commissaris Generaal, aan het S3mode zullen worden voorgedragen, hetgeen, volgens het Reglement kunnende geschieden, men geenszins als nuttig beschouwen kan voor de bevordering der belangen van den Godsdienst; waarom men dan ook verlangd had, nauwkeuriglijk bepaald te zien, waarin het onmiddelijk verband van het Synode met het Ministerieel Departement zou bestaan. Indien men oordeelt, dat het Synode zelve, op alle belangrijke zaken, de besluiten en Reglementen zou kunnen vervaardigen, gelijk wij nauwelijks twijfelen, of dit zal aan hetzelve geoorloofd zijn; blijven er echter onzekerheden over, die bekommeringen verwekken. Niet zonder reden vraagt men, of, ten gevolge van het onmiddellijk verband van het Synode met het Ministerieel Departement, het laatst genoemde ook bevoegd zal zijn, de door het Synode vervaardigde Reglementen en besluiten te veranderen? of dit ook zal kunnen geschieden ten aanzien van zulke zaken, die de Leer, de Leerwijze en het Godsdienstig onderwijs betreffen, en of zoodanige veranderingen al dan niet aan het Synode zullen moeten worden voorgesteld, en deze Vergadering de vrijheid zal hebben, dezelve al dan niet aan te nemen? welk alles men oordeelt, dat, tot voorkoming van groote ongelegenheden, had kunnen bepaald worden. Het zij verre van ons, Sire! dat wij, van den tegenwoordigen Heer Commissaris Generaal, bekend wegens zijne gehechtheid aan onzen Godsdienst, immer eenig misbruik van zoodanig eenen onbepaald gelaten invloed zouden vreezen; maar, provisioneel slechts belast met deze zaken, zou de Opvolger van denzelven, of ook in volgende tijden, een of ander der Opvolgers min gunstig over onze Kerk kunnen denken.

34 34 Men houdt het voor eene zaak van groot belang, den aard en de grenzen van deszelfs invloed te bepalen, ook uit aanmerking, dat het hoofd van het Ministerieel Departement volgens Art. 18, geen Lid van den Hervormden Godsdienst behoeft te wezen. In plaats van zich te bepalen bij de oefening van eene uitwendige politie, de bescherming der Kerk, de regeling der tijden en plaatsen van Godsdienstoefening, het geven van handopening, het goed- of afkeuren van beroepen' Predikanten, het zorgen, dat geene Kerkelijke besluiten de grondbeginselen der Regering, de rust van den Staat zouden kunnen benadeelen; zou, bij zoodanig eenen onbepaald gelaten' invloed, ook onder de Opvolgers van Uwe Majesteit, het Ministerieel Departement zich bevoegd kunnen achten, een wetgevend gezag te oefenen over het innerlijk bestuur der Hervormde Kerk. Alzoo zou het gezag der Opzieners, altijd erkend in zaken, die de orde van bestuur, vooral de Leer en het Godsdienstig onderioijs betreffen, steeds beschermd door Uwer Majesteits voorzaten, geheel in handen van zoodanig" Departement kunnen overgaan. Op deze wijze zou zulk een Minister zich kunnen beschouwen als bekleed met dezelfde magt in het Godsdienstige, als elk zijner ambtgenooten in zaken van den staat en van de Regeering, en alle Leeraren en Opzieners, alle Leden van den Hervormden Godsdienst als zijne ondergeschikten in deze betrekking, welke zijne wetten omtrent hunne geestelijke belangen zouden moeten gehoorzamen. Alzoo zoude de Hervormde Kerk, het geloof, de belijdenis en verkondiging van de Christelijke Leer, afhangelijk geworden van vreemde grondbeginselen, alle Godsdienstige vrijheid, welke de Protestanten op het hoogst waardeeren, en die eene der voorname

35 35 reden was, waarom zij zich aan de Heerschappij van den Roomschen Paus onttrokken hebben, geheel verloren kunnen gaan. Volkomen ons verzekerd houdende, dat het nimmer de bedoeling van Uwe Majesteit, of Hoogstdeszelfs Minister geweest is, ook de mogelijkheid toe te laten, dat zoodanige gevaren immer verwezenlijkt zouden worden, durven wij veilig hopen, dat op onze aanwijzing, de noodige behoedmiddelen daartegen, onder approbatie van Uwe Majesteit, zullen mogen worden vastgesteld. Vooral Sire! hebben wij een allergewigtigst bezwaar, geboren uit de groote magt van het Synode, aan hetwelk, volgens Art. 16, het hoogst Kerkelijk bestuur sou worden opgedragen, en waarvan de Leden, naar Art. 4, altijd hoofdelijk souden moeten stemmen sonder aan lastbrieven gebonden te sijn. Verondersteld, dat de bedoeling is van Art. 23, en volgende, dat het Synode, zonder te zeer afhangelijk te zijn van het Ministerieel Departement, belast zou wezen met het ontwerpen en doen invoeren van alle inrigtingen op de examina der aankomende Leeraren, de plaatselijke Kerkeraden, de Predikantsberoepingen, en inzonderheid met het regelen en verbeteren van het Godsdienstig onderwijs; welk eene groote magt wordt dan niet aan hetzelve toegekend! Was dezelve betrekkelijk tot zaken van minder gewigt, wij zouden er ons niet zoo zeer over bekommeren; maar hier geldt het inrigtingen, die met onze belijdenis in het naauwst verband staan, inrigtingen, die de wijze der openbare verkondiging van het Evangelie en het bijzonder onderwijs der Christenen regelregt betreffen. Naar de grondbeginselen, door onzen Heere en diens Apostelen voorgeschreven, en naar de wetten onzer

36 36 Kerk verklaren wij Art. 31, van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, éen der formulieren van de vereeniging onzer Opzieners en Belijders, dat de Dienaars des Woords, in welke plaatsen zij zijn, eene zelve magt en Authoriteit hebben, zijnde allegaar Dienaars van Jezus Christus, den eenigen algemeenen Bisschop en het eenig Hoofd der Kerk, en wij betuigen te gelooven, dat de Dienaars des woords Gods, ouderlingen en Diakenen, tot hunne ambten behoor en verkoren te worden door wettelijke verkiezing der Kerk. Indien aan zoo weinige Leden van het Synode, het hoogst, het oppermachtig bestuur in de Kerk zou worden opgedragen; zou dan niet het eerste gedeelte van het aangehaald artikel worden tegengesproken? Indien zij verordeningen kunnen maken op de plaatselijke Kerker aden, uit welke de magt van kerkelijk bestuur oorsprongelijk is; zoo zouden zij ook wel de beroeping der Predikanten en anderen, tegen het tweede gedeelte van het artikel, kunnen veranderen, die alzoo zouden ophouden, hunne zending uit de Gemeente te hebben. Het regt, om het godsdienstig onderwijs te regelen en te verbeteren, om het misschien in te rigten naar de nieuwe verordeningen omtrent het lager schoolwezen, het regt om welligt onze formulieren van Eenigheid en onze liturgie te veranderen, behoort Sire! naar ons inzien, niet toegekend te worden aan een Synode, van zoo weinige personen, welke, zelfs in de. allergewigtigste zaken, aan geenen lastbrief van hunne vergaderingen, zouden gebonden zijn. Sire! daar alle deze onderwerpen, van zulk eenen tederen aard zijn, hebben de grondleggers van de Hervormde Nederlandsche Kerk wijzelijk gezorgd, dat het gezag in kerkelijke zaken niet aan een klein getal personen werd opgedragen, maar aan alle de

37 37 Dienaren en aan eenige Ouderlingen, in Klassen vergaderd, een getal van omtrent meer dan twee duizend uitmakende, welke gewoon zijn, Gecommitteerden naar het Sjmode te zenden met bepaalde lastbrieven. Deze vaststellingen hebben zij geoordeeld, de beste waarborg te zijn voor onze kerkelijke vereeniging en het behoud van de regten des gewetens. Zich te moeten onderwerpen aan het geen weinige Mededienaren zouden goedvinden voor te schrijven te gelooven of niet te gelooven, te leeren of niet te leeren, zou in den grond weinig verschillen, van op nieuw onderworpen te geraken aan zekere soort van Pauselijke of Bisschoppelijke Heerschappij, tot afwerping van welke onze vaderen zoo veel geleden hebben: Het kan niet anders of Uwe Majesteit moet met ons gevoelen, dat over het geen men gemeenschappelijk gelooft en leert, zoo veel mogelijk, allen behooren gekend te worden en te besluiten. De éénheid, in onze Kerk stand grijpende, was de vrucht, zoo veel mogelijk, eener langdurige vereeniging van aller begrippen en gevoelens. Zou men eene andere eenheid in geloofs- en leerpunten willen daarstellen, door bevelen van weinige daarstellen; wij bidden U Sire! te overwegen, hoezeer daardoor inbreuk zou geschieden niet alleen op de regten van ons geweten, maar ook op die van zoo vele duizenden, voor het behoud van welker dierbaar eigendom wij de bescherming van Uwe Majesteit inroepen. Zoo groot de bekommeringen zijn, welke bij ons ontstaan over de gevolgen, die uit de invoering van het dikwijls gemelde Reglement zouden kunnen voort - vloeijen; zoo zeer gebiedt ons ook onze ongeveinsde liefde voor Uwe Majesteit, dezelve voor te dragen.

38 38 Wij houden ons verzekerd, dat, zoo niet alle, te minsten verre de meeste Leeraren diep bedroefd zullen wezen. Moede van zoo vele worstelingen en verdrietelijkheden, hadden zij gehoopt, vrij van ontmoedigende zorgen, hunne ambtsbezigheden genoegelijk te zullen kunnen waarnemen, en hunne Lidmaten, afgeleid door zoo vele gebeurtenissen van de ware kennis en beoefening des Godsdienstes, zachtelijk te zullen kunnen terug leiden; en zou dan die hoop hen nu moeten ontvallen? Zouden wij, na zoo vele beroeringen, in den schoot van burgerlijken vrede en onder eene Vaderlijke regering terug gebragt, de stormen in de Kerk moeten zien opsteken, en zoo velen in den avond van hun leven, waarin zij meestal niet dan ellende gezien hebben, nog meer van nabij dan te voren, door tweespalt en alle hare rampzalige gevolgen, gekweld moeten worden? Indien de Leeraars verpligt worden, zich te onderwerpen aan de verordeningen, welke, ingevolge het Reglement vervolgens souden kunnen worden vastgesteld, voor vervallen moetende houden alle daarmede niet overeenkomende wetten en inrigtingen; zullen zij welligt, naar mate zij door de Gemeenten geacht worden, het met meerder of minder genoegen te doen, beschouwd en behandeld worden als meerder of minder getrouwen, en zullen sommigen wel, voor vrijwillig afvalligen en trouweloozen, worden gehouden. Ligtelijk zullen er twee partijen ontstaan, welke men, van eenen anderen kant, wederom als gehoorzame of tegenstrevige onderdanen zal aanmerken. Aan deze partijen zullen zich de Godsdienstige meeningen verbinden, en men heeft groote verdeeldheid, zoo geene scheuring, te vreezen. Met al den aandrang onzer zielen, Sire! heffen wij

39 39 opwaards ons oog, en smeeken onzen verhoogden Heer die zoo lang de Hervormde Kerk behoed heeft, dat deze gevaren mogen worden afgewend! maar wij, die bekend zijn met den innerlijken toestand van onze Gemeenten, weten, hoe weinig er zelfs noodig is, om schadelijke vermoedens en wantrouwen omtrent oogmerken tegen de Hervormde Kerk te doen ontstaan. Wij weten, hoe bekommerend de meest Godsdienstigen zijn, dat men, tredende buiten de inrigtingen, die de wijsheid der Vaderen heeft vastgesteld, van schrede tot schrede zal voortgaan in het veranderen der meest gewigtige leerstukken, en door eene ongeregelde zucht tot het nieuwe, den Godsdienst in de hartader zal aantasten. De ondervinding heeft in het Burgerlijke zoo smertelijk geleerd, welke de gevolgen zijn der veranderingvan regeringsvorm, dat men, zelfs bij het invoeren van blijkbaar nuttige veranderingen in het Godsdienstige, geene te groote voorzigtigheid kan aanwenden, want elke nieuwigheid in de zaak bij welke allen een onschatbaar belang hebben, boezemt reeds vrees in, en wekt slapende driften op. Sommigen onzer Belijders zijn zoo onverschillig ten aanzien van hunne verbindtenis met eenig Kerkgenootschap, dat zij slechts een voorwendsel noodig hebben, om zich aan onze Kerkgemeenschap te onttrekken; en hoe vele voorwendselen zouden zij vinden, die den schijn van voldoende redenen zouden vertoonen! Andere, vervoerd door onedele driften, zullen waarschijnlijk allerlei twisten en verdeeldheden weder doen opwakkeren; en het gevolg van dit alles zal zijn, dat de plaatsen in onze Bedehuizen ledig zullen staan, en de ware belangen van den Godsdienst, op de klippen van wantrouwen, liefdeloosheid en bitterheid, schipbreuk zullen lijden.

40 40 Ach! Sire! dat onze oogen deze rampen niet mogen aanschouwen! Neen! zij zullen afgewend worden, zoodra zij tot kennis van Uwe Majesteit zullen gekomen zijn! Vervuld met deze vertroostende hope, leggen wij onze beswaren neder aan de voeten van Uwe Majesteit, niet twijfelende of Hoogstdezelve zal die volkomen doen opheffen, en op onze voordragt in Hare wijsheid zoodanig besluiten, als onder den Goddelijken zegen, strekken kan tot bevordering van den duurzamen welstand der Nederlandsche Kerk en onzer bijzonder e Gemeenten. Vuriglijk God biddende, dat het Hem behagen moge, Uwer Majesteil eene langdurige en gelukkige regering te verleenen tot heil van het lieve Vaderland en vermeerdering van deszelfs herlevenden voorspoed, noemen wij ons met diepen eerbied, Van Uwe Majesteit, De gehoorzaamste en getrouwste Onderdanen. De Classis voornoemd. (Was get.j R. J. VAN DER MEULEN, Pra>ses. en D. C. VAN VOORST, Scriba, (Onderstond.) Vit onse Vergadering, den 4 Maart 1816.

41 THEOL. UNIV. APELDOORN O