Rechtsvormen voor de beeldende kunsten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Rechtsvormen voor de beeldende kunsten"

Transcriptie

1 Faculteit TEW Master Cultuurmanagement Rechtsvormen voor de beeldende kunsten Een aanzet in het onderzoek naar alternatieve organisatievormen in de beeldende-kunstensector. Promotor: Prof. Dr. Rita De Graeve Begeleiders: Sam Eggermont (BAM), Babila Poma (Muziekcentrum Vlaanderen) Master Cultuurmanagement Masterscriptie, voorgelegd aan de Examencommissie ter verkrijgen van de graad van Master in het Cultuurmanagement: Major Arts door Martijn Dentant,

2 Abstract English This dissertation focuses on the notion of collaborations, organization and the problems that may arise in these processes, within the Flemish contemporary art scene. We base the main arguments of this paper on literary research, a focus group interview and two in-depth interviews, the latter of which are reprised as cases later on. It is important to realise that this dissertation is only part of a larger study led by BAM, Flanders Music Centre, Cera and the Flemish Government, and that our main goal is not to offer any definitive and universal answers and solutions, but to place the research premise against a larger frame of reference. The paper is structured around three main research questions. First, we ask ourselves which forms of collaboration are discernible in the Flemish visual arts sector. Secondly, we look for problems that artists and art organisations may experience during those collaborations. Thirdly and finally, we speculate about which legal form might offer a solution for these problems. [2] First, we argue that the archetypal image of the solitary visual artist, as passed on to us in centuries of Romantic imagery, is in fact largely misguiding. While the visual artist is indeed still very solitary in his artistic vision, for the execution of his ideas, he depends on a large number of others in the sector. Thus, the art scene is a complex, layered organism, containing a multitude of different actors, who each perform a string of sometimes even contradictory functions. Basing ourselves on a 2004 study, we discern three fundamental forces in the sector that create certain tensions that govern the field. While this gives great diversity and energy to the sector, it also brings along a couple of problems, the most important we perceive being the lack of a clearly defined purpose in some of the field s actors, and the presence of two contradictory economic logics, profit and non-profit, which are both very important to the texture of the sector, however produce a number of unpleasant side-effects. After an attempt at defining the most prevalent actors in the field and their functions, we compile a list of what we perceive as the most important forms of collaboration in the sector, together with a short excursion on some of the problems that occur during these collaborations. We decide to focus on the problem of organising oneself in a legal form. We then discuss some of the principles that guide the process of the choice for a legal form in a significant way. We also try to link the ideas that we propel in this dissertation to the reality in the sector, by presenting two cases which both show another view on the problems discussed.

3 We conclude the dissertation by stating that the field is too diverse to be able to support only one ideal legal form which would be able to solve the problems we discuss in this paper. We do however reconsider the cooperative company as an alternative to the more commonplace company and association forms, and conclude that it, provided it is combined with a social purpose, is ideed a form which should be considered a worthy alternative. Nederlands Deze scriptie concentreert zich op de noties samenwerking, organisatie en de problemen die bij die processen kunnen opduiken in de Vlaamse hedendaagse beeldende-kunstensector. We baseren onze voornaamste argumenten op literatuuronderzoek, een focusgroep en twee diepte-interviews, waarvan de laatste twee later als casus opgenomen worden. Het is belangrijk te beseffen dat deze scriptie slechts een onderdeel is van een grotere studie van BAM, Muziekcentrum Vlaanderen, Cera en de Vlaamse Overheid, en dat ons hoofddoel niet is om definitieve en universele antwoorden en oplossingen aan te bieden, maar om het onderzoek in een breder kader te plaatsen. De thesis is opgebouwd rond drie onderzoeksvragen. Allereerst vragen we onszelf af welke samenwerkingsvormen we kunnen onderscheiden in de beeldende-kunstensector. Ten tweede kijken we naar problemen die kunstenaars en kunstenorganisaties bij deze samenwerkingen kunnen ondervinden. Ten derde speculeren we over welke rechtsvorm een oplossing voor deze problemen zou kunnen bieden. Allereerst stellen we dat het archetypische beeld van de eenzame beeldende kunstenaar, zoals we dat al eeuwen in Romantische beelden te zien krijgen, in zekere zin nogal misleidend is. Hoewel de beeldende kunstenaar in zijn artistieke visie inderdaad nog erg solitair is, hangt hij bij de uitwerking daarvan af van een groot aantal anderen in de sector. Op die manier is het kunstenveld een complex, gelaagd organisme, dat een grote hoeveelheid verschillende actoren bevat die elk een reeks soms zelfs tegenstrijdige functies uitoefenen. Ons baserend op een studie uit 2004 onderscheiden we drie fundamentele krachten in de sector die bepaalde spanningen creëren in het veld. Hoewel dit een grote diversiteit en energie aan de sector geeft, brengt het ook enkele problemen met zich mee, waarvan we het gebrek aan een goedgedefinieerde functie in sommige van de actoren in het veld en de aanwezigheid van twee tegengestelde economische logica s, profit en non-profit, die beide zeer belangrijk zijn voor de textuur van de sector maar niettemin een aantal neveneffecten veroorzaken als de belangrijkste beschouwen. Na een poging om de belangrijkste actoren in het veld en hun functies te omschrijven stellen we een list samen met wat wij de belangrijkste samenwerkingsvormen in de sector beschouwen. We besluiten ons toe te leggen op de problemen die te maken hebben met rechtsvormen. Daarna bespreken we enkele van de voornaamste principes die het keuzeproces voor een rechtsvorm op een significante manier beïnvloeden. Ook proberen we de ideeën die we naar voren schuiven in deze scriptie te linken met de realiteit in de sector door twee cases uit te werken die elk een andere blik werpen op de besproken problematiek. [3] We beëindigen de scriptie door te stellen dat het veld te divers is voor één ideale rechtsvorm die alle problemen die we in de paper besproken hebben zou kunnen oplossen. We stellen echter de coöperatieve vennootschap voor als een alternatief voor de bekendere vennootschaps- en verenigingsvormen, en besluiten dat ze, als ze eenmaal gecombineerd wordt met een sociaal oogmerk, inderdaad een vorm is die als waardig alternatief beschouwd moet worden.

4 Maar onderwijl hij door wondere kunst met den beitel bewerkte 't sneeuwwit ivoor; een gedaante het gaf, zoo schoon als geen vrouw ooit had haar geboorte gedankt; en ontstak voor zijn schepping in liefde. Als van een werk'lijke maagd is 't gelaat: men zou meenen dat 't leefde, En het, wanneer niet de schroom het verbood, zich zou willen bewegen. Zoo in de kunst bleef verborgen de kunst! Dan verbaast zich en koestert 't minnevuur Pygmalion voor het nabootst lichaam in 't harte. Vaak slaat hij tastend de hand aan zijn arbeid, of werkelijk lichaam is, of ivoor, wat hij ziet: niet tot dusver erkent dat 't ivoor is. 1 [4] Deze scriptie is gezet in het open-sourcelettertype Gentium, vrij te verkrijgen op scripts.sil.org/gentium. 1 Ovidius, Metamorphosen, X, vert. H.J. Scheuer.

5 Woord vooraf Een thesis schrijven blijft voor veel studenten hun academische levenswerk, schreef ik in juli 2010 in het voorwoord van mijn eerste thesis. Had ik op dat moment geweten dat ik minder dan een jaar later opnieuw aan het voorwoord van een nieuwe scriptie bezig zou zijn, dan had ik toch eerst eens goed moeten slikken. En plots is het weer zover, en de hoeveelheid werk die in dit bundeltje van nog geen honderd bladzijden kroop, bleek toch opnieuw een veelvoud van wat ik oorspronkelijk ingeschat had, ook al had ik er al eentje achter de rug. Niettemin zal ik straks waarschijnlijk mijn thesis toch met een zeker gevoel van trots bij de copyshop laten inbinden. Het is per slot van rekening de definitieve afsluiter van mijn studentencarrière. Ik wil van dit voorwoord gebruik maken om een aantal mensen te bedanken zonder wie deze thesis nooit had bestaan. In de eerste plaats gaat mijn grootste dank uit naar Babila Poma, de onderzoekster van Muziekcentrum Vlaanderen die tijdens mijn hele schrijfproces (en ook daarbuiten) bijzonder behulpzaam en vooral ook geduldig voor mij is geweest, en naar mijn medestudente Dorien Schampaert, op wie ik steeds kon rekenen en met wie ik een constructieve en bovenal aangename samenwerking heb mogen beleven. Daarnaast ook grote dank aan prof. dr. Rita De Graeve, wiens professionele begeleiding regelmatig een enorme geruststelling voor mij was, en mijn stagebegeleider Sam Eggermont, bij wie ik steeds terecht kon met vragen en andere aangelegenheden. Ik wil ook mijn ouders bedanken om mij voor het vijfde jaar op rij de kans te geven aan de universiteit te studeren, en Céline Van Acker, voor alles. Daarnaast ook veel dankbaarheid voor mijn klasgenoten, zonder wie ik dit academiejaar zeker niet tot een goed einde had gebracht. Ook wil ik Elly Simoens bedanken, niet alleen een ex-collega, maar vooral ook een fantastische vriendin, die last-minute het verbeterwerk van deze scriptie nog op zich nam. Ten slotte wens ik nog dank te betuigen aan de vele tientallen mensen die elk op hun eigen manier bijgedragen hebben aan dit werkstuk, van de verschillende respondenten op wie dit onderzoek gebaseerd is, via de mensen die mij hun studentenkaart te leen gaven om boeken te kunnen ontlenen in de bibliotheek, tot zij bij wie ik tot diep in de nacht terecht kon om te zeuren over deze thesis, of over wat dan ook. [5] Martijn Dentant, mei 2011

6 Inhoudstafel Abstract... 2 English... 2 Nederlands... 3 Woord vooraf... 5 Inhoudstafel... 6 Over BAM Inleiding Ter introductie Onderzoeksvraag [6] 1-3 Opbouw van deze scriptie Methodologisch intermezzo Kwalitatief en kwantitatief Focusgroepen en diepte-interviews Kwalitatieve analyse Methodologie in deze scriptie Het Belgische vennootschapsrecht Het concept rechtspersoonlijkheid Overzicht van de voornaamste rechtspersonen in België Geen winstoogmerk: verenigingen en stichtingen Wel winstoogmerk: vennootschappen Bijzondere situatie: de vennootschap met sociaal oogmerk Overzichtsschema van de voornaamste rechtsvormen Een habitat voor de kunsten? De heterogeniteit van de sector... 34

7 3-1 Geld en de beeldende kunsten Veldtekening van het beeldende-kunstenlandschap Schematische voorstelling Een bijzonder heterogeen gezelschap Standpunt De dynamiek van de sector De drie spanningsvelden van Gielen en Laermans Situatie in de gesubsidieerde sector Over het belang van samenwerking in de sector De eenzame kunstenaar? Samenwerkingsvormen in de beeldende kunsten Samenwerkingsproblemen in de beeldende kunsten Conclusie: de heterogeniteit van de sector De keuze voor een rechtsvorm Factoren die de keuze beïnvloeden Administratieve lasten en oprichtingskosten Bescherming [7] Relatie tussen de betrokken personen Fiscaliteit Kapitaalsvereiste Missie van de organisatie Stadium in de levenscyclus Samenwerkingsvorm Subsidiëring en andere financieringsbronnen Staat, vermogen & bekwaamheid Winstoogmerk De sector in cijfers Bronnen Cijfers uit de sector Opmerkingen bij de grafieken Cases... 72

8 4-3-1 Methodologische inleiding Vrijstaat O, kunstencentrum aan zee Studio Hans op de Beeck De ideale rechtsvorm? Ideale rechtsvormen De cvba herbekeken Ontdubbelde structuren Terugkoppeling onderzoeksvraag en afrondende bedenkingen Krijtlijnen voor verder onderzoek Bijlagen Bibliografie [8]

9 Over BAM BAM, het officiële steunpunt voor beeldende, audiovisuele en mediakunst, ontstond in 2007 vanuit de samensmelting van de toenmalige organisaties IAK en IBK - het Initiatief Audiovisuele Kunsten en het Initiatief Beeldende Kunsten, die de functie van steunpunt voor hun respectievelijke sectoren sinds hun oprichting in 2001 hadden vervuld (BAM 2010:10). BAM, omschrijft zichzelf als een onafhankelijk en intermediair steunpunt dat, samen met de sector en het beleid, ijvert voor een kwalitatieve ontwikkeling, draagvlakversterking en grotere zichtbaarheid van beeldende, audiovisuele en mediakunst (ibid.). Tot haar voornaamste taken rekent ze: Het in kaart brengen en analyseren van de diverse spelers, het opzetten van informatie-en overlegplatformen, het ontwikkelen van een visie, het stimuleren van zelforganisatie en zelfredzaamheid, het stimuleren van nieuwe praktijken en samenwerkingsverbanden (ibid.), en dit alles ziet ze in een internationaal referentiekader (ibid.). Daarbij beschouwt ze zich als een knooppunt tussen sector en beleid, een knooppunt in een open netwerk van veldspelers en een knooppunt tussen de audiovisuele, beeldende en mediakunst (ibid.:11). Daarmee conformeert BAM aan de drie kerntaken die ze van de Vlaamse overheid meekreeg: praktijkondersteuning, praktijkontwikkeling en beeldvorming en communicatie (CJSM 2011). De organisatie wordt voor haar taak volledig gesubsidieerd door de Vlaamse Overheid. In de subsidieronde van 2009 ontving BAM van de overheid een totaal van ,26. Ter vergelijking de cijfers van de andere steunpunten: het VTI (steunpunt voor de podiumkunsten) krijgt ,63; MCV (steunpunt voor de muzieksector) ,04; VAI (steunpunt voor architectuur) ,18; het IAK (het steunpunt voor de audiovisuele kunsten) kreeg tenslotte ,99 2 (Kunsten en Erfgoed 2009b:37). In de subsidieronde van 2010 stijgt het totaalbedrag voor werkingssubsidies voor steunpunten een goeie , met als grote winnaar vooral het VTI, dat een werkingssubsidie van krijgt. De situatie bij de andere steunpunten blijft min of meer gelijk: MCV krijgt , het VAI BAM krijgt (met de fusie formeel voltooid) , wat neerkomt op ongeveer minder dan wat BAM en IAK gezamenlijk kregen het jaar ervoor (Kunsten en Erfgoed 2010a:12). [9] 2 IAK wordt hier nog vermeld, omdat het fusieproces met BAM in 2009 nog niet volledig voltooid was: 2009 was het laatste jaar waarin IAK nog afzonderlijk gesubsidieerd werd in het kader van de subsidieperiode Vanaf 2010 gaat deze werking na een succesvolle operationele samenwerking sedert 2008 ook juridisch integraal op in die van IBK dat onder de naam BAM verder gesubsidieerd wordt (Kunsten en Erfgoed 2009b:37).

10 1 Inleiding 1-1 Ter introductie Ovidius beschrijft in zijn Metamorfosen het verhaal van Pygmalion 3, een begenadigd kunstenaar die verliefd wordt op een van zijn eigen sculpturen: een prachtig ivoren beeld van een vrouw. In dit verhaal wordt de innige, passionele relatie tussen kunstenaar en kunstwerk schitterend gesymboliseerd. Het zet ons echter ook in zekere zin op het verkeerde spoor. Het beeld van de kunstenaar, eenzaam aan het werk in zijn atelier, is vandaag de dag hopeloos voorbijgestreefd. De kunstenaar is niet langer een marginale figuur, ergens weggestopt aan de rand van de maatschappij, die zoals de legende over Michelangelo zegt drie maand naar een blok marmer zit te kijken voor hij er een meesterwerk uit hakt 4. Neen, de kunstenaar is een vernetwerkt persoon met rond zich een heel web van tussenpersonen en actoren, die continu moet en wil samenwerken met een massa personen om nieuwe creatieve initiatieven op poten te zetten, en (minstens even belangrijk) zijn werken aan de man te brengen. Dit web wordt, naarmate de sector verandert en functies heen en weer schuiven, steeds complexer. Zo lezen we bij De Wit: Het veld van de actuele beeldende kunsten is vandaag een stuk diverser en complexer geworden dan de de traditionele as kunstenaar-galerie-museum-presentatieplektijdschriften, zoals we die kennen van vroeger (De Wit 2011:54). Complexiteit brengt haast onvermijdelijk problemen met zich mee. Deze scriptie probeert hierop een blik te geven, in het bijzonder op de problematiek die samenwerkingen en organisatievormen met zich meebrengen als gevolg van de dynamische structuur van de sector. [10] 1-2 Onderzoeksvraag Deze masterscriptie kadert binnen een onderzoek dat ontstond vanuit een samenwerking tussen BAM, Muziekcentrum Vlaanderen, Cera en de Vlaamse Gemeenschap. Centraal in dat onderzoek staat de vraag in hoeverre de huidige organisatievormen en structuren die gehanteerd worden binnen twee culturele sectoren beeldende kunsten en muziek nog voldoen aan de noden van de actoren en spelers op het veld die ervan gebruik maken. Hierbij wordt in het bijzonder gekeken naar de behoeften waarop kunstenaars en organisaties die betrokken zijn in de artistieke waardenketen willen inspelen door zich te organiseren en door samen te 3 Zie ook het fragment hierboven. 4 Dit is uiteraard een erg geromantiseerd beeld. Ook lang geleden bestond er al iets als de kunstindustrie, denken we maar aan het hele bedrijf dat Rubens rond zijn kunstproductie had opgezet, waarbij het niet ongewoon was om een schilderij met Rubens naam erop volledig door assistenten te laten schilderen.

11 werken, de problemen die daarbij ontstaan, en hoe hierop ingespeeld kan worden. Ikzelf neem hierbij de beeldende kunsten voor mijn rekening. Mijn medestudente Dorien Schampaert onderzoekt de muzieksector vanuit hetzelfde perspectief. Het is belangrijk te weten dat deze scriptie, noch die van Schampaert, een definitief antwoord kan bieden op de onderzoeksvraag. Dit is slecht een klein onderdeel van het grote onderzoek, dat nog loopt tot februari De resultaten die in deze scriptie naar voren komen, zullen hierna in dat onderzoek verder gebruikt worden. Meer hierover in het methodologisch intermezzo (1-4) hieronder. De beeldende-kunstensector een moeilijke sector. Gielen en Laermans schrijven in 2004 net na de invoering van het Kunstendecreet: Het gaat om een weinig gestructureerd veld (zeker in vergelijking met de podiumkunsten) waarbinnen de individuele actoren een centrale plaats innemen: kunstenaars en kunstenaarsinitiatieven, tentoonstellingsmakers, critici, privé-verzamelaars, enzovoort. Een aantal, vooral voluntarische organisaties, is er actief waarvan er enkele, ondanks een constante onderfinanciering, in de loop der jaren een (in enkele gevallen) internationale reputatie en een knowhow hebben opgebouwd. Toch is er de laatste twee jaar sprake van een zekere (aanzet tot) doorgroei van de sector (Gielen & Laermans 2004:7-8). Deze aanzet tot doorgroei van de sector zien we zich nu nog steeds voltrekken, al moeten we zeggen dat dit voornamelijk in de gesubsidieerde sector gebeurt 5. Daarmee gepaard zien we de laatste jaren in de sector een zekere professionaliseringstendens opduiken. Zo stellen Gielen en Laermans dat binnen [de beeldendekunstensector] een groeiend besef valt waar te nemen dat men ook voor deze minder artistieke aspecten oog moet hebben. Denken we maar aan organisaties als het NICC en VOBK 6 (Gielen & Laermans 2004:8). Ook cultuurminister Joke Schauvliege stelt in haar aanbevelingen voor de sector dat er nog steeds nood is aan het realiseren van samenwerking, synergie of clustering met andere spelers, en dat de maatschappelijke [11] inbedding van de organisatie, samenwerking met culturele centra en andere culturele initiatieven in de regio versterkt moet worden (Schauvliege 2011:4). Een intensieve en doorgedreven samenwerking is dan ook een van de mogelijkheden om die professionalisering in de hand te werken. Echter, Schauvliege meent ook dat nieuwe artistieke praktijken niet [hoeven] te leiden tot de oprichting van een eigen organisatiestructuur. Daarom stimuleert ze gezamenlijke productiekernen of alternatieve managementbureaus voor nieuwe artistieke praktijken die eventueel inhaken op bestaande structuren (Schauvliege 2011:5). Binnen dit kader moeten we de eigenlijke onderzoeksvraag van deze masterscriptie situeren. In zijn eenvoudigste vorm is die te herleiden tot drie kernvragen, waarrond ik mijn discours zal opbouwen: Welke samenwerkingsvormen zijn er te onderscheiden in het landschap van de beeldendekunstensector? Welke belemmeringen ervaren de kunstenaars en de kunstenorganisaties bij die samenwerking? Welke rechtspersoon kan hierbij een oplossing bieden? 5 In het derde hoofdstuk hebben we het uitgebreider over de bijzondere structuur van de sector, en schenken we extra aandacht aan de gesubsidieerde sector (zie 3-1). 6 Het NICC is (o.a.) een aanspreekpunt en spreekbuis voor beeldende kunstenaars en ijvert voor een kwaliteitsvol maatschappelijk en sociaal kader waarin de beeldende kunstenaar (zichzelf en) zijn/haar artistieke praktijk professioneel, zelfstandig en autonoom kan ontwikkelen (of vormgeven) (NICC 2011). Het VOBK daarentegen is een performante belangenbehartiger die streeft naar een verenigd, sterk, solidair, evenwichtig en professioneel kunstenveld (VOBK 2011). Als doelstellingen vermeldt het VOBK daaronder: het verdedigen van de belangen van de leden, het uitbouwen van een sterk netwerk, het werken aan professionaliseren van de leden via dienstverlening en het onderhouden van goede contacten met externen en andere belanghebbenden (ibid.).

12 Elk van deze drie vragen hangt samen met het grotere onderzoek waarbinnen deze scriptie kadert. Allereerst zoek ik naar een antwoord op de vraag welke samenwerkingsvormen voorkomen in het beeldendekunstenlandschap. Zoals hierboven reeds even aangehaald, is de sector van de beeldende kunsten een complexe sector waarbinnen zeer diverse actoren met zeer diverse doelstellingen opereren. Dit zorgt ervoor dat er binnen de sector een aantal samenwerkingen ontstaan van wisselende complexiteit. We hopen met deze scriptie een beknopt overzicht te geven van deze processen. Slechts een klein deel van deze samenwerkingsvormen kristalliseert daarna uit tot de organisatie in een rechtsvorm. Ten tweede probeer ik met deze scriptie een beeld op te stellen van de belemmeringen die kunstenaars en kunstenaarsorganisaties bij die samenwerkingen ondervinden. Vooral kijken we daarbij naar hoe de wettelijke beperkingen van een rechtsvorm eventueel een plafond kunnen betekenen binnen een organisatie, maar ook andere samenwerkingsproblemen, zoals de correcte toepassing van contracten, worden vermeld. We leggen daarbij in zekere zin de nadruk op de problemen die onvermijdelijk opduiken wanneer kunstenaars en kunstenorganisaties, die zich a priori in zekere zin buiten het marktcircuit bevinden, door omstandigheden, verplichting of op eigen wens toch in de reguliere economie terecht komen. Als voornaamste bron hiervoor gebruik ik twee focusgesprekken die vanuit het onderzoek werden uitgevoerd. Deze worden in het deel over methodologie hieronder nader toegelicht. Ten derde wordt onderzocht welke rechtsvorm een oplossing kan bieden voor deze problemen. Hierbij kijken we vooral naar de cvba, die vanwege zijn flexibele structuur een interessante bijdrage kan leveren aan het landschap. Zoals opvalt uit deze beschrijving concentreren we ons in het bijzonder op de problematiek van de rechtsvormen. Dit is uiteraard slechts een klein gedeelte van de gehele problematiek die voortvloeit uit de sector, maar één bepaalde invalshoek was nodig om een duidelijke lijn te trekken. Andere problemen, zoals met de verschillende sociale statuten die een kunstenaar kan aannemen, auteursrecht en financiële problemen, worden hier slechts zeer summier behandeld. Ze zijn zeer interessant en relevant voor het onderzoek, maar de plaats die hiervoor in een masterscriptie voorhanden is, is helaas te beperkt. [12] Bij de opzet van de scriptie willen we ten slotte nog enkele belangrijke kanttekeningen plaatsen. Allereerst geven we toe dat de term de beeldende kunsten als een umbrella term, zoals men dat in de Angelsaksische wereld zo mooi kan zeggen, beschouwd moet worden; een overkoepelend woord dat een veelheid aan verschillende concepten omvat. In deze scriptie kiezen we dan ook voor een interpretatie van de beeldende kunsten als de hedendaagse beeldende kunsten. Daaronder verstaan we: de verzameling nieuwe tendenzen die we binnen de beeldende kunst zien opduiken vanaf de jaren 60 als vervolg op de moderne kunst van de eerste helft van de twintigste eeuw. Als voornaamste concretiseringen daarvan kunnen we de schilderkunst, de beeldhouwkunst, de fotografie en de audiovisuele kunst aanhalen, maar ook kunstvormen die zich eerder in de marge bevinden, zoals grafiek, textielkunsten en performance art vallen onder onze interpretatie. Al geven we toe dat onze focus daarbij voornamelijk op de eerste vier zal liggen, toch zijn de ideeën die in deze masterscriptie besproken worden ook van toepassing op de andere subsectoren, zeker gezien het groeiende aantal cross-overs in de hedendaagse kunstpraktijk, en de constante vervaging van de grenzen tussen de verschillende disciplines. Ook temporeel is het moeilijk om lijnen te trekken, aangezien de lijn tussen moderne kunst en hedendaagse kunst vaak erg flou is. Verschillende organisaties waarop dit onderzoek van toepassing is, bevinden zich dan ook in de schemerzone tussen de twee. Als voorbeeld kunnen we hier het

13 Oostendse MuZee aanhalen, dat zowel moderne kunst als hedendaagse kunst in zijn werking betrekt. Onze afbakeningsdrang heeft uiteraard niets te maken met een of andere aversie tegenover de niet-hedendaagse kunsten. Veeleer toont zich hier de nood aan een compact en werkbaar begrip om de rest van de studie op te baseren, omdat het verwerken van een ruimere interpretatie ons te ver zou brengen. Verder onderzoek daarentegen zou wellicht een zeer interessant licht kunnen werpen op de relatie tussen de hedendaagse en de niet-hedendaagse beeldende-kunstvormen. Daarmee samenhangend bedoelen we van nu af aan met de term kunstenaar consequent beeldende kunstenaar, tenzij anders vermeld wordt. De andere gangbare term, artiest, past semantisch beter bij de meer uitvoerende kunstsectoren, zoals de muziek- en de podiumkunstensector. Daarnaast vermelden we ook nog dat we het hier vrijwel uitsluitend over het Vlaamse beeldende-kunstenlandschap hebben, waarbij we af en toe het Brusselse betrekken. Dit is uiteraard niet vanuit enige politieke overtuiging, maar heeft rechtstreeks te maken met het feit dat in België cultuur een materie van de Gemeenschappen is, en dat in de Franstalige gemeenschap andere regels gelden. Het is ten slotte uiteraard niet de bedoeling om in deze masterscriptie de volledigheid na te streven, of om een ideale rechtsvorm voor te stellen die de vernoemde problemen plotsklaps zou doen verdwijnen. Zulks is zelfs niet de intentie van het grotere onderzoek waarin deze thesis kadert. Gezien de complexe structuur van de beeldende-kunstensector, zoals in het hoofdstuk De heterogeniteit van de sector (zie onder) beargumenteerd zal worden, zou het a priori een verloren zaak zijn om ook hier de pretentie van volledigheid tentoon te spreiden; waarschijnlijk is het eerlijker te stellen dat er voor elke actor in het veld apart een mening en een ideaal te vormen is. Veeleer is het de bedoeling om een overzicht te geven van de algemene processen die bij de verschillende actoren in de sector in hun werk gaan bij de keuze voor deze of gene rechtsvorm, alsook de omstandigheden en samenwerkingsvormen waarin deze keuze gebeurt, en de problemen die zij hierin ervaren. Voor een vollediger beeld van de problematiek verwijs ik dan ook graag naar de parallelle masterscriptie van Dorien Schampaert, waarin de onderzoeksvraag behandeld wordt vanuit het standpunt van de muzieksector, die op belangrijke punten afwijkt van de beeldende-kunstensector. [13] 1-3 Opbouw van deze scriptie Deze thesis bestaat uit vijf hoofdstukken die de volgorde van de onderzoeksvragen niet volgen. Veeleer werd er gekozen voor een thematische opbouw. In dit eerste hoofdstuk, waarin eerder al de opzet en de onderzoeksdoelen werden toegelicht, komt verder nog een methodologisch gedeelte, waarin de gebruikte methodologie voor het kwalitatief onderzoek wordt beschreven. In een tweede hoofdstuk trachten we een beknopt overzicht te geven van de voornaamste rechtsvormen die in het Belgische rechtssysteem voorhanden zijn. Hoofdstuk drie De heterogeniteit van de sector heeft het over de complexe opbouw van het hedendaagse beeldende-kunstenveld. Hierbij worden de voornaamste dynamieken in de sector aangekaart, en worden de verschillende actorengroepen kort besproken. Ook wordt er een schematische landschapstekening geïntroduceerd, en worden er ten slotte enkele cijfers gebruikt om een duidelijk beeld te geven van welke rechtsvormen uit hoofdstuk twee ook effectief terugkomen in het veld. Op die manier hopen we de complexiteit van de sector en haar voornaamste samenwerkingsvormen gedeeltelijk te verklaren. Het kortere vierde hoofdstuk probeert kort de criteria die belangrijk zijn voor de keuze voor deze of gene rechtsvorm op te sommen op basis van informatie uit het onderzoek, samen met hun uiteindelijke invloed op het

14 keuzeproces. Naast een kort overzicht van enkele alternatieven voor rechtspersoonlijkheid en andere problemen die bij rechtsvormen voorvallen, presenteren we ook twee cases die de stellingen die we in de rest van de scriptie veronderstellen illustreren. Het vijfde hoofdstuk ten slotte poogt de informatie van de voorafgaande hoofdstukken te synthetiseren en bekijkt wat de meest geschikte rechtsvorm voor de beeldende-kunstensector is, als er al zoiets bestaat. 1-4 Methodologisch intermezzo Kwalitatief en kwantitatief In de sociologie wordt sociologisch onderzoek traditioneel opgedeeld in twee brede categorieën: enerzijds kwantitatief onderzoek, dat sociale fenomenen onderzoekt door middel van gegevens die op objectieve en statistische wijze bewezen worden, en anderzijds kwalitatief onderzoek, dat de nadruk legt op directe observatie en subjectieve analyse. Beide zijn ook toepasbaar buiten de sociologie, en worden dan ook gebruikt in een zeer groot gamma aan verschillende onderzoeksgebieden, variërend van economische marketing- en marktonderzoeksinitiatieven tot culturele ethnologie. In deze scriptie leggen we ons toe op kwalitatief onderzoek, om redenen die hieronder uitgelegd worden. De Pelsmacker en Van Kenhove stellen voor kwalitatief onderzoek ook de term motivatie-onderzoek voor (De Pelsmacker & Van Kenhove 1994:133); kwalitatief onderzoek kan een hulpmiddel zijn in het onderzoek naar menselijke gedragingen, opvattingen en opinies. De mogelijke doeleinden voor kwalitatief onderzoek zijn legio. De volgende (niet-exhaustieve) lijst haalt de voornaamste aan: [14] Verzamelen van achtergrondinformatie wanneer niets van een probleem bekend is of wanneer een studiedomein nieuw is. Identificeren en exploreren van een concept. Identificeren van relevante gedragspatronen, opvattingen, opinies, attitudes, motivaties. Leggen van prioriteiten in gedragscategorieën en psychologische variabelen zoals opvattingen, opinies en attitudes. Definiëren van probleemvelden en het formuleren van hypothesen voor verder onderzoek. Reduceren van een groot aantal alternatieven tot een meer werkbaar aantal. Exploreren en genereren van topics voor verder kwantitatief onderzoek. Uitdiepen op kleine schaal van elementen uit een grotere studie. Piloteren van vragenlijsten qua verstaanbaarheid, woordgebruik,... Doorbreken van rationalisme bij de consument (De Pelsmacker & Van Kenhove 1994:134). Niet alles uit deze lijst is even relevant voor ons onderzoek, maar het geeft toch een goed beeld van wat met kwalitatief onderzoek bereikt kan worden. Kwalitatief onderzoek is doorgaans van pragmatische aard; kwalitatieve gegevens gelden als exploratieve voorbereiding van conclusief kwantitatief onderzoek (De Pelsmacker 2011). Met andere woorden: de gegevens die uit het kwalitatief onderzoek naar boven komen vormen meestal de basis waarop verder en sluitender kwantitatief onderzoek wordt uitgebouwd. Kwalitatief onderzoek is dus vaak exploratief-diagnostisch ingesteld. Uit enkele diepte-interviews die een bedrijf uitvoert in het kader van een onderzoek naar klanttevredenheid, kan het bijvoorbeeld vragen of interessante kwesties afleiden, die het vervolgens kan gebruiken in een grootschalige kwantitatieve enquête. Omgekeerd kunnen kwalitatieve gegevens ook gebruikt worden om een

15 diagnose te stellen van kwantitatieve data. Daarmee verwant is het feit dat kwalitatief onderzoek zich in de eerste instantie richt op onderliggende redenen en motivaties, kortom: het waarom achter een bepaald gedrag of thema (De Pelsmacker 2011). Kwantitatief onderzoek daarentegen zal zich eerder focussen op het wat en het hoeveel in een bepaalde kwestie. De steekproeven voor een kwalitatieve studie bestaan dan ook steeds uit een kleine tot zeer kleine groep respondenten, terwijl het aantal respondenten bij kwantitatief onderzoek in de miljoenen kan lopen (De Pelsmacker 2011). Daarnaast vermeldt De Pelsmacker ten slotte nog dat kwalitatief onderzoek meestal semi- of ongestructureerd verloopt (ibid.). In het volgende schema worden de voornaamste kenmerken en onderscheidende criteria van beide stromingen nog eens naast elkaar geplaatst: Doel Kwalitatief onderzoek Onderliggende redenen en motivaties ( waarom? ) Kwantitatief onderzoek Steekproef Klein, niet-representatief Groot, representatief Gegevensverzameling Ongestructureerd Gestructureerd Gegevensverwerking Niet-statistisch Statistisch Kwantitatieve gegevens en veralgemeenbare resultaten ( wat?, hoeveel? ) Resultaat Eerste inzicht Specifieke aanbevelingen Tabel 1: Kwalitatief versus kwantitatief onderzoek (De Pelsmacker 2011). De Pelsmacker vermeldt ten slotte drie gangbare methoden van kwalitatief onderzoek: brainstorming, diepteinterviews en focusgroepgesprekken, en projectieve technieken. De eerste categorie, brainstorming, wordt omschreven als het genereren van ideeën in [de] beginfase van onderzoek in een kleine groep onder leiding van een moderator, waarbij ideeën niet op hun haalbaarheid onderzocht of bediscussieerd [worden] (De [15] Pelsmacker 2011). Diepte-interviews en focusgroepen zijn gericht op het ontdekken van dieperliggende gevoelens en motiveringen van de consument (De Pelsmacker 2011) op basis van de behandeling van een topicgids of niet-gestructureerde vragenlijst bij respectievelijk één persoon of een kleine groep respondenten (ibid.). Projectieve technieken ten slotte worden door De Pelsmacker omschreven als: [De] respondent projecteert gevoelens en reacties op een ander subject of object en gebruikt [daarbij] zijn eigen attitudes als referentiepunt (De Pelsmacker 2011). Aangezien zowel brainstorming als projectieve technieken in dit onderzoek niet gehanteerd werden, worden ze beide niet meer behandeld, en richten we ons in wat volgt enkel op de focusgroep- en diepte-interviewtechnieken Focusgroepen en diepte-interviews Mortelmans citeert Robert Merton bij het definiëren van de techniek focusgroepen : een onderzoekstechniek die gebruikt wordt wanneer een groep respondenten gezamenlijk iets heeft meegemaakt en daarover geïnterviewd wordt (Mortelmans 2007:317). Het toepassingsgebied van een dergelijke techniek is erg ruim. Stewart en Shamdasani sommen zeven heel uiteenlopende onderzoeken op die aan de focusgroeptechniek voordeel kunnen hebben: Het verzamelen van achtergrondinformatie over een bepaald thema. Het opstellen van onderzoekshypothesen die dan door meer kwantitatieve technieken kunnen getest worden (het idee van focusgroepen als vooronderzoek [...]). Het opwekken van nieuwe ideeën en creatieve concepten.

16 Het diagnosticeren van problemen bij het invoeren van vernieuwingen (in een organisatie of in beleid bijvoorbeeld). Het verkrijgen van indrukken over producten, organisaties, en dergelijke. Het verkrijgen van inzichten in de denkwijzen van mensen over een bepaald thema. Het opvolgen en begrijpen van kwantitatieve resultaten (in: Mortelmans 2007:318). Focusgroepen zijn anders dan groepsbrainstorms, in die zin dat er wel degelijk gewerkt wordt met een topiclijst, waarop de te bespreken onderwerpen voor de focusgroep vermeld staan. Deze worden dan door de moderator, die bij focusgroepen een zeer belangrijke rol speelt, op een gepast moment aangebracht, in een gepaste volgorde. Een interview wordt bij Mortelmans daarentegen omschreven als informatierijke data verzamelen bij een geïnterviewde (Mortelmans 2007:208). Diepte-interviews zijn daar intensievere versies van, en peilen op een intensieve manier naar persoonlijke meningen of informatie. Meestal wordt hierbij gewerkt met een semi-gestructureerde vragenlijst. Bij De Pelsmacker vinden we ten slotte de volgende voor- en nadelen van focusgroepen en diepte-interviews terug: Voordelen Nadelen Diepte van inzicht Getrainde interviewers nodig Attributie van antwoorden aan respondenten Gegevens moeilijk te analyseren / interpreteren Geen sociale conformiteitsdruk Hoge kosten Weinig respondenten Tabel 2: Voor- en nadelen van diepte-interviews en focusgroepen (De Pelsmacker 2011) Kwalitatieve analyse [16] De analyse van kwalitatief bronnenmateriaal wordt door Dimitri Mortelmans zelf omschreven als moeilijk : Het is alsof je in woorden moet vertellen wat verliefd worden is om daarna [...] de straat op te trekken en verliefd te worden (Mortelmans 2007:347), en met de kwestie wordt dan ook in de verschillende vakliteratuur op heel uiteenlopende manieren omgegaan (ibid.). In deze scriptie houden we vooral vast aan de Grounded Theory, ook wel de inductieve benadering, die vertrekt van de data zelf en niet van een voorafgaand schema (Mortelmans 2007:151 e.v.), en een van de frequentst toegepaste benaderingen is. De Grounded Theory wil conceptualiseren - de data abstraheren tot concepten. Voorkennis wordt hier niet gebruikt, en de eerste labels komen rechtstreeks uit de data. De naam van de code ligt best zo dicht mogelijk bij de data. Codes die letterlijk uit de woorden van de respondent komen, de zogeheten in vivo -codes, zijn het meest gewenst. De Grounded Theory-methode werkt vaak met de constant vergelijkende methode: data worden vergeleken met eerder verworven en verwerkte data, en vergelijkbare data krijgen dezelfde code. Allereerst wordt de data open gecodeerd ( de fase van het opdelen van de gegevens in kleinere gehelen (Mortelmans 2007:356)), vervolgens axiaal gecodeerd ( verbinden van losse codes tot een geheel van concepten (ibid.)) en ten slotte selectief gecodeerd (het uiteindelijke verbinden van concepten (ibid.)). Dit levert een werkbaar geheel van codes op, dat het makkelijk maakt om de informatie uit de bron te analyseren. In de bijlagen van deze scriptie is enkel de uiteindelijke versie opgenomen.

17 1-4-4 Methodologie in deze scriptie Hierboven zei ik al hoe deze masterproef kadert in een groter onderzoek naar alternatieve organisatiestructuren in de beeldende-kunstensector. Dit heeft enkele gevolgen voor de opzet en methodologie van de scriptie. De resultaten die in deze thesis naar voren geschoven worden zijn allerminst volledig. Veeleer is deze scriptie een poging om de relevante factoren voor dit onderzoek samen te brengen en een samenvatting te voorzien voor een aantal mogelijkheden en alternatieven. Deze masterproef focust zich in het bijzonder op het zakelijk-juridische aspect van de onderzoeksvraag, terwijl het sociologische aspect later nog wordt uitgespit. Het onderzoek waarover sprake staat op dit moment ook nog op een relatief vroeg niveau, waardoor nog geen definitieve, conclusieve resultaten kúnnen worden gegeven. Die worden pas verwacht in Niettemin proberen we toch voldoende concreet enkele (in onze ogen) belangrijke elementen te bespreken. Vanwege de aard van het onderwerp werd van het begin af aan gekozen voor een kwalitatieve aanpak. Echter, wegens de positie van deze thesis in het grotere geheel van het onderzoek beschikken we hier slechts over het relatief beperkte aantal van twee focusgroepen en drie diepteinterviews. Toch kunnen we stellen dat uit deze vijf kwalitatieve bronnen reeds een schat aan informatie blijkt. De grote bulk diepte-interviews (een twintigtal) volgt immers na het publiceren van deze scriptie. Wegens de sterke verbondenheid van deze thesis met het onderzoek en haar methodologie, konden we hier niet van afwijken. Onze kwalitatieve bronnen zijn aangevuld met een studie van relevante literatuur over de verschillende (en soms erg diverse) betrokken onderwerpen, aangezien dat in dit stadium van het onderzoek gewenst en van toepassing was. Wanneer we even terugkijken naar De Pelsmacker & Van Kenhoves korte lijst doelstellingen voor kwalitatief onderzoek van hierboven, kunnen we daar de relevantie van de keuze voor kwalitatief onderzoek in deze studie uit afleiden. Zo kunnen we vooral verwijzen naar het identificeren van relevante opvattingen, opinies, attitudes en motivaties en het definiëren van probleemvelden en het formuleren van hypothesen voor verder onderzoek rond het thema van de alternatieve organisatievormen. De kans bestaat dat de resultaten van dit (veeleer exploratief) onderzoek ooit gebruikt worden als basis voor een kwantitatieve studie. Ook de voordelen van de keuze voor kwalitatief onderzoek zijn makkelijk te ontdekken: de focus op meningen staat ons toe om in de diepte te gaan, waardoor veel meer dan bij kwantitatief onderzoek de diepte van dit complex probleem uitgespit kan worden. Op die manier creëren we ook ruimte voor nieuwe inzichten. Het werken met meningen brengt evenwel nadelen met zich mee. Het gebrek aan concreet cijfermateriaal maakt het moeilijk om algemene, conclusieve uitspraken te doen, en de inmenging van verschillende tussenpersonen (observator, moderator, enzovoort) kan een vertekend beeld geven. Deze nadelen gaan we tegen door met literatuuronderzoek iets meer objectiviteit in het verhaal te brengen. [17] Bij de focusgroepen (beeldende kunsten en muziek) is bewust gekozen voor een zo gelijkmatig mogelijk groep. In beide gevallen ging het over experten uit de sector met elk een eigen invalshoek, om op die manier een zo breed mogelijk beeld van de beeldende-kunstensector te krijgen. De Focusgroep Beeldende Kunsten vond plaats op zes april 2011 in het Agentschap Kunsten en Erfgoed. Het gesprek werd georganiseerd en geobserveerd door Babila Poma van Muziekcentrum Vlaanderen, en gemodereerd door Sam Eggermont van BAM. Verslag werd opgenomen door mijzelf en Sarah Poesen van Vrijstaat O. De respondenten waren:

18 Stijn Maes, algemeen coördinator bij Studio Hans op de Beeck, die daarnaast ook de oprichting voorbereidt van een eigen alternatief managementbureau. Lieve Jacobs, juriste van Cera, een bedrijf dat zich specialiseert in het stimuleren coöperatief ondernemen. Binnen Cera werkt ze aan Coopconsult, een adviesbureau voor startende en groeiende coöperaties. Jan Timmermans, directeur van het Kunstenloket, een adviesorgaan voor informatie, opleiding en consultatie aan kunstenaars. Eric Lauwers, projectleider voor SMART Vlaanderen, een organisatie die kunstenaars en mensen met een creatief beroep verregaand zakelijk en met tools ondersteunt. Robert Michel, van de afdeling Kunsten van de Vlaamse Overheid, en secretaris van de Beoordelingscommissie Beeldende Kunst. Evi Swinnen, bestuurder van VOBK, de belangenbehartiger voor de beeldende en audiovisuele kunsten. Koen Haspeslagh, extern accountant en hoofdzakelijk bezig in de culturele sector. Sarah Keserne, onderzoekscoördinator bij Sint-Lucas Beeldende Kunsten Gent, en ervaring binnen de culturele jobwereld. Sarah Poesen, medewerkster bij kunstencentrum Vrijstaat O, die de oprichting van een coöperatieve vennootschap overwegen. Voor de gelegenheid hielp ze mij met de transcriptie. Als moderator werd voor Sam Eggermont gekozen vanwege zijn kennis over de sector als onderzoeker bij BAM en zijn ervaring met het voorzitten van dergelijke focusgroepen. De Focusgroep Muziek ging op dezelfde dag door, en werd gemodereerd door Stef Conincx, de directeur van Muziekcentrum Vlaanderen, om gelijkaardige redenen als Eggermont. Verslag werd opnieuw opgemaakt door Sarah Poesen en mijzelf. In deze scriptie komen wegens duidelijke redenen nauwelijks letterlijke citaten uit die focusgroep voor, maar niettemin werd ik door het bijwonen, verslagnemen en transcriberen van de focusgroep sterk beïnvloed, vooral in verband met algemenere zaken rond samenwerking en rechtsvormen. De transcriptie van het gesprek is daarom [18] opgenomen in de bijlagen. Bij beide focusgroepen is gebruik gemaakt van een topiclijst. Beide werden ook opgenomen met een dictafoon, op basis waarvan later de notities van die dag werden uitgewerkt tot volwaardige transcripties. De diepte-interviews worden verder ingeleid en besproken bij de respectievelijke cases in hoofdstuk vier.

19 2 Het Belgische vennootschapsrecht 2-1 Het concept rechtspersoonlijkheid In elke rechtsorde zijn er spelers en spelregels, stelt De Corte in Overzicht van het burgerlijk recht, en die spelers worden rechtssubject of persoon genoemd (De Corte 2005:183). Deze worden bekleed met rechten en verplichtingen (samen de zogenaamde juridische persoonlijkheid ), waardoor ze kunnen deelnemen aan de rechtsorde (ibid.). In het Belgische recht zijn twee entiteiten drager van rechtspersoonlijkheid: de mens (of natuurlijke persoon ) en de rechtspersoon, een abstracte juridische constructie die rechtshandelingen kan stellen. Het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid impliceert het toekennen van een staat, een eigen vermogen en bekwaamheid (ibid.). Met staat wordt het geheel van elementen en juridische kenmerken die hun identiteit bepalen (ibid.), zoals een unieke naam, een woonplaats en nationaliteit. Natuurlijke personen beschikken ook over een geslacht en een huwelijkse staat. Het vermogen van een rechtssubject betekent de capaciteit tot het deelnemen aan de economische orde, met andere woorden: de verzameling goederen en geld (alsook vorderingen) waarover de persoon beschikt (ibid.). Personen beschikken ook over vermogensrechten, die beperkt zijn tot enkel het doel waarvoor ze in het leven geroepen zijn 7 (ibid.:183-4). Tenslotte impliceert rechtspersoonlijkheid ook genots- en handelingsbekwaamheid. Daarmee worden respectievelijk de mogelijkheid tot het hebben van rechten en verplichtingen en de mogelijkheid om de rechten die men heeft zelf uit te oefenen mee bedoelt (ibid.:184). In het Belgische vennootschapsrecht wordt tevens een onderscheid gemaakt tussen volkomen rechtspersoonlijkheid ( een beperking van de aansprakelijkheid tot hetgeen in de rechtspersoon is ingebracht ) en onvolkomen rechtspersoonlijkheid (waarbij schuldeisers ook het privévermogen van een vennoot kunnen aanspreken, bijvoorbeeld bij een faillissement). Het volgende schema geeft de relaties in het concept rechtspersoonlijkheid weer: [19] 7 Het zogenaamde specialiteitsbeginsel (De Corte 2005:184).

20 Rechtssubject Mens Rechtspersoon Politieke rechtspersonen, openbare instellingen, autonome overheidsbedrijven Uno,... Verenigingen, stichtingen, vennootschappen (burgerlijk, handels-, landbouw-) Fig. 1: Overzicht van het concept 'rechtssubject' (De Corte 2005:186). 2-2 Overzicht van de voornaamste rechtspersonen in België Binnen het Belgische rechtssysteem bestaan een aantal verschillende types waarin personen die willen samenwerken zich kunnen organiseren. Hieronder trachten we een overzicht te geven van de voornaamste Belgische organisatievormen. Een volledige bespreking van deze organisatievormen valt uiteraard buiten de actieradius van deze scriptie. We proberen ons daarom te beperken tot de belangrijkste types en hun voornaamste onderscheidende kenmerken. Veel van deze rechtsvormen verschillen echter van elkaar in kleine details, dus zal een zekere drogere en meer technische stijl onvermijdelijk zijn. [20] Allereerst de volgende typologische bemerking. Binnen het vennootschapsrecht worden een aantal belangrijke opdelingen gemaakt. De wetgever maakt bijvoorbeeld een onderscheid tussen publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen (ook zichtbaar op fig. 1 hierboven). Met dat eerste worden de traditionele overheden, alsmede alle rechtspersonen die door deze overheden in het leven geroepen zijn, voor zover ze belast zijn met een overheidstaak en beschikken over eenzijdig bindende beslissingsbevoegdheden (De Corte 2005:392) - of korter: de politieke rechtspersonen en de openbare instellingen - bedoeld. Onder privaatrechtelijke rechtspersonen worden entiteiten die door het privaat initiatief zijn tot stand gekomen en worden gehandhaafd. Ze hebben geen deel aan het overheidsbeleid en zijn dan ook niet bekleed met een gedeelte van het openbaar gezag (De Corte 2005: 392). Met andere woorden: het gaat om alle rechtspersonen die geen openbare instelling zijn. Binnen rechtspersonen van het privaatrecht wordt een opdeling gemaakt aan de hand van het al dan niet winstoogmerk nastreven: enerzijds de verenigingen en stichtingen, anderzijds de vennootschappen.

21 2-2-1 Geen winstoogmerk: verenigingen en stichtingen Een vereniging is de verzameling van twee of meer personen die zich verenigen om een doel van maatschappelijk nut te verwezenlijken. Het collectief belang van de vereniging staat voorop, dus winsten die de vereniging eventueel zou boeken kunnen enkel en alleen bestemd zijn voor het doel dat in de statuten (die bij de oprichting van de vereniging opgesteld worden) is aangegeven. Uitkering van winsten aan de leden van de vereniging is dus uitgesloten. Verenigingen zijn in België zeer populair, met een totaal aantal van meer dan vzw s die bovendien meer dan personen tewerkstellen (Vincke & Smits 2010:186), en spelen ook in de culturele sector een belangrijke rol (zie hieronder). De wetgeving maakt op basis van een aantal criteria ook een belangrijk onderscheid tussen kleine 8, grote 9 en zeer grote 10 verenigingen (Vincke & Smits 2010:185). Het geklasseerd worden onder deze of gene categorie heeft gevolgen voor o.a. de administratieve lasten die de organisatie opgelegd worden. a) De feitelijke vereniging De feitelijke vereniging is de enige verenigingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid, en dus zonder staat, vermogen en bekwaamheid (zie boven). In tegenstelling tot bijvoorbeeld de vzw wordt ze dus niet erkend als drager van rechten en plichten (Portaal Belgium.be 2011); ze kan met andere woorden geen rechten verwerven op roerende of onroerende goederen, ze kan geen overeenkomsten afsluiten [en] haar leden zijn met persoonlijk vermogen aansprakelijk voor de schulden van de vereniging (ibid.). De vereniging wordt niet erkend als aparte juridische entiteit, en alle rechtshandelingen gebeuren steeds via de leden. Daartegenover staat wel dat aan een feitelijke vereniging geen wettelijke of administratieve verplichtingen zijn opgelegd (ibid.). Feitelijke verenigingen kunnen dus niet worden opgericht, maar bestaan van zodra twee of meer mensen zich samen achter een bepaald, niet-winstgevend doel zetten. Veel feitelijke verenigingen maken later de overstap naar de vzw. [21] b) De vereniging zonder winstoogmerk (vzw) De vzw (vereniging zonder winstoogmerk) is in België veruit de bekendste en populairste verenigingsvorm. Zoals hierboven vermeld mag een vzw geen stoffelijk voordeel aan haar leden uitkeren. Dit weerhoudt haar er evenwel niet van winst te maken of handels- of industriële activiteiten uit te oefenen, zolang deze maar binnen de vereniging blijven en niet verdeeld worden onder de leden. Voor de oprichting van een vzw zijn minstens drie leden nodig, die geen enkele verplichting tot inbreng van vermogen kennen. Bij het oprichten is het verplicht statuten aan te leggen waarin het doel van de vzw schriftelijk worden vastgelegd. Dit kan zowel onderhands als via authentieke akte gebeuren. Gekoppeld aan de lage oprichtingskost levert dit een flexibele 8 Worden (nogal gemakkelijkheidshalve) omschreven als vzw s en stichtingen die niet aan de definitie van grote verenigingen beantwoorden, en die dus de criteria van grote en zeer grote verenigingen niet overschrijden (Vincke & Smits 2010:186). 9 Verenigingen worden als groot aangemerkt wanneer bij afsluiting van het boekjaar ten minste twee van de volgende drie criteria m.b.t. de onderstaande cijfers op hen van toepassing zijn: (a) het equivalent, gemiddeld over het jaar, van 5 voltijdse werknemers [...]; (b) in totaal aan andere dan uitzonderlijke ontvangsten, exclusief btw; (c) een balanstotaal van (Vincke & Smits 2010: ). 10 Verenigingen worden als zeer groot aangemerkt wanneer het aantal tewerkgestelde werknemers, gemiddeld over het jaar, het equivalent van 100 voltijdse werknemers [overschrijdt] OF wanneer de vzw bij de afsluiting van het boekjaar ten minste twee van de volgende drie criteria m.b.t. de onderstaande cijfers te boven gaat: (a) het equivalent, gemiddeld over het jaar, van 50 voltijdse werknemers ingeschreven in het personeelsregister; (b) in totaal aan andere dan uitzonderlijke ontvangsten, exclusief btw; (c) een balanstotaal van (Vincke & Smits 2010:187).

22 situatie op. Doelwijzigingen en aanpassing van belangrijke elementen in de statuten vergen echter 2/3 aanwezigheid en 4/5 meerderheid van de aanwezige of vertegenwoordigde leden (Vincke & Smits 2010:197), wat de flexibiliteit in zekere zin compromitteert. Alle leden van de vzw worden als gelijke geacht, en worden allen opgeroepen tot de algemene vergadering (AV), waarin beslist wordt over o.a. statutenwijzigingen, benoeming, afzetting en kwijting van bestuurders, uitsluiting van leden. De raad van bestuur (RVB) - die uit ten minste 3 personen moet bestaan - beschikt over alle bevoegdheden, met uitzondering van de bevoegdheden die de wet uitdrukkelijk verleent aan de algemene vergadering (Vincke & Smits 2010:191). De AV behoudt een sterke invloed op de RVB door haar recht op benoemen en afzetten van bestuurders. De wet voorziet ook in een derde, facultatief orgaan: het dagelijks bestuur (DB) (ibid.:194), dat wordt aangesteld door de RVB. Een vzw beschikt over volkomen rechtspersoonlijkheid, dus treft de bestuurders van de vereniging geen enkele aansprakelijkheid, tenzij er sprake is van een blunder van de betrokken bestuurder(s). In dat geval beschikt de AV over het recht tot kwijting van aansprakelijkheid. Vzw s zijn verplicht tot het jaarlijks opstellen van de jaarrekening en de begroting voor het komende boekjaar (ibid.). Deze administratieve last is gekoppeld aan de grootte van de vzw (zie vootnoot hierboven): een kleine vzw mag een vereenvoudigde boekhouding voeren, terwijl de grote en zeer grote vzw s verplicht zijn tot een volledige dubbele boekhouding. Ook de vorm van de jaarrekening is voor elke categorie verschillend 11. Elke vereniging is verplicht tot het neerleggen en openbaar maken van deze boekhouding. Een zeer grote vzw moet ook een commissaris aanstellen, die instaat voor de controle van de financiële situatie en de boekhouding (Vincke & Smits 2010:193). Een vzw kan tenslotte zowel gerechtelijk of vrijwillig ontbonden worden (ibid.:197), waarbij het eerste voorkomt bij bijvoorbeeld het verstrijken van de in de statuten vastgelegde duur van de vereniging of de onmogelijkheid tot het uitvoeren van de in de statuten gestipuleerde doelstellingen 12. Een vrijwillige ontbinding komt vaker voor, en is de exclusieve bevoegdheid van de AV (Vincke & Smits 2010:197) 13. Een vereffenaar die de openstaande schulden van de vereniging moet vereffenen kan op voorhand in de statuten aangesteld worden. [22] Het is interessant reeds te vermelden dat het georganiseerd zijn als rechtspersoon zonder winstoogmerk (waarvan de vzw de bekendste is) één van de voorwaarden is voor het in aanmerking komen van subsidies via het Kunstendecreet van enkele subsidiemogelijkheden voor individuele kunstenaars en projecten even buiten beschouwing gelaten. Dit dwingt vele kunstenorganisaties in zekere zin in het keurslijf van de vzw, in de hoop uit de ministriële budgetten een graantje mee te pikken. c) De internationale vereniging zonder winstoogmerk (ivzw) De ivzw (internationale vereniging zonder winstoogmerk) is een variant op de hierboven besproken vzw. De ivzw wijkt zowel inhoudelijk als formeel af van de reguliere vzw. De vereniging is niet enkel toegankelijk voor Belgen, zoals de vzw, maar kan ook worden (mede)opgericht door niet-belgen (al dan niet uit de EU) (Vincke & Smits 2010:200). Dit maakt uiteraard een andere manier van inter- en vooral transnationaal 11 Onder andere om kleine vzw s te beschermen van de concurrentie op de markt. 12 Andere redenen kunnen zijn: de vzw telt minder dan drie effectieve leden; is niet in staat haar verbintenissen (schulden...) na te komen; handelt in ernstige mate in strijd met de statuten, de wet of de openbare orde; wendt haar ontvangsten aan voor een ander doel dan datgene waarvoor zij is opgericht; verzuimt voor drie opeenvolgende boekjaren haar jaarrekening neer te leggen (Vincke & Smits 189). 13 Om een vzw te ontbinden gelden dezelfde voorwaarden als die van doelwijziging in de statuten.

23 samenwerken mogelijk. Het is niet verwonderlijk dat het niet-winstgevend doel van internationaal nut moet zijn (ibid.) 14. De wet geeft geen minimumaantal leden op, dus moet de ivzw minstens over twee leden beschikken om opgericht te worden. Dit moet overigens steeds bij authentieke akte gebeuren, en de ivzw verkrijgt pas rechtspersoonlijkheid bij koninklijk besluit (ibid.). Bij de ivzw is de AV vervangen door een algemeen leidinggevend orgaan (ALV), en de RVB heet hier het bestuursorgaan. De bevoegdheden en formaliteiten van beiden worden bepaald in de statuten (ibid.) en liggen dus niet wettelijk vast. Op andere vlakken, zoals boekhouding en ontbindingsregelingen, loopt de ivzw nagenoeg volledig gelijk met de vzw (ibid.). d) Stichtingen Net als bij de ivzw hierboven behandelen we de stichting enkel op die punten waarop ze verschilt van de vzw. Een stichting wordt opgericht [bij authentieke akte] door een rechtshandeling van één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen waarbij een vermogen wordt aangewend ter verwezenlijking van een bepaald belangeloos doel (Vincke & Smits 2010:202). Stichtingen mogen aan niemand een stoffelijk voordeel uitkeren, tenzij dit kadert in de verwezenlijking van het belangeloos doel (ibid.). In tegenstellingen tot andere verenigings- en vennootschapsvormen kent de stichting geen leden en geen vennoten, en dus ook geen AV. De wetgever onderscheidt twee soorten stichtingen. Stichtingen van openbaar nut zijn gericht op de verwezenlijking van een werk van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard (ibid.:203). Ze moeten door koninklijk besluit worden erkend om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen. Private stichtingen zijn alle stichtingen die in hun doel niet als van openbaar nut erkend worden (De Corte 2005:396). Stichtingen worden bestuurd door een RVB van minstens drie personen, die over zowel de bevoegdheden van de RVB als de AV van een vzw beschikt. Ook een stichting beschikt verplicht over statuten, waarvan de wijziging gebeurt zoals in die statuten opgenomen. Ontbinding van een stichting ten slotte kan niet gebeuren door een van haar eigen organen, en moet dus steeds via de rechtbank verlopen. [23] e) Andere verenigingsvormen Naast de hierboven beschreven verenigingstypes bestaan ook nog een aantal andere, specifiekere verenigingsvormen. Deze zijn voor dit onderzoek niet echt van belang, en worden hier daarom slechts volledigheidshalve vermeld. De Corte vermeldt nog de zogenaamde beroepsvereniging, een vereniging waarvan het doel uitsluitend bestaat in de studie, de bescherming en de ontwikkeling van de beroepsbelangen van de leden, [zonder] een commercieel of politiek belang na te streven (De Corte 2005:396). Een vereniging van medeeigenaars daarentegen is een vereniging opgericht door mede-eigenaars van bijvoorbeeld appartementen, met als doel het behoud en het beheer van de gebouwen (ibid.:397). 14 Vincke & Smits geven als mogelijke voorbeelden o.a. de vertegenwoordiging van de belangen en gemeenschappelijke standpunten van haar leden bij relevante nationale, Europese en internationale autoriteiten, organisaties en instellingen en de promotie en het bevorderen van internationale samenwerking (2010:200).

24 2-2-2 Wel winstoogmerk: vennootschappen Bij Vincke en Smits lezen we de volgende definitie van een vennootschap, geciteerd uit het Wetboek van Vennootschapsrecht: Een vennootschap wordt opgericht door een contract op grond waarvan twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen (Vincke & Smits 2010:3). In tegenstelling tot de verenigingen van hierboven kan aan de vennoten van een vennootschap dus wel stoffelijk voordeel uitgekeerd worden. De wet omschrijft twee bepalingen die afwijken van de gangbare definitie. De eenpersoonsvennootschap wordt opgericht op basis van een rechtshandeling van één persoon in plaats van verschillende 15. De vennootschap met sociaal oogmerk is een vennootschap die niet wordt opgericht met het doel aan de vennoten vermogensvoordeel te bezorgen, en die in de plaats daarvan een sociaal oogmerk beogen (ibid.) (zie hieronder). De wetgever maakt in het vennootschapsrecht een aantal belangrijke onderscheiden. Zo is er het verschil tussen zogenaamde handels- en burgerlijke vennootschappen. Zoals de naam reeds doet vermoeden beoogt een handelsvennootschap het uitoefenen van een handels- of industriële activiteit of dienst voorzien in het Wetboek van Koophandel (Vincke & Smits 2010:5). Daarnaast zijn er ook burgerlijke vennootschappen die een burgerlijk doel hebben (zoals vennootschappen voor de uitoefening van bepaalde beroepen, zoals dokters en architecten) (ibid.). Een tweede belangrijk onderscheid wordt gemaakt op basis van de mate van aansprakelijkheid waarover de rechtspersoon beschikt. In een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zijn de vennoten gehouden voor de verplichtingen van de vennootschap tot beloop van hun inbreng (ibid.). In vennootschappen zonder beperkte aansprakelijkheid staan ofwel alle vennoten, ofwel bepaalde categoriën van vennoten in voor de verbintenissen van de vennootschap (ibid.). Ook wordt er onderscheid gemaakt tussen personenvennootschappen, waarin belang gehecht wordt aan personen en die een gesloten karakter hebben (ibid.:6), en kapitaalvennootschappen, waarbij de focus niet zozeer op de participerende personen ligt, maar wel op de inbreng. Een kapitaalvennootschap heeft daarom ook een opener karakter: men kan op een eenvoudige wijze aandelen verwerven of vervreemden (ibid.). De Corte merkt overigens op dat tussen personenvennootschappen en kapitaalvennootschappen een glijdende scheidslijn [loopt] (De Corte 2005:401) 16, en dat het gamma aan vennootschappen best als een soort continuum beschouwd kan worden. Besloten vennootschappen hebben een beperkt aantal deelnemers, dus wordt er voor hun aandelen geen publiek toegankelijke markt georganiseerd. Vennootschappen die een beroep doen op het spaarwezen financieren zich wel op de kapitaalmarkt (ibid.:402). Ten slotte is er ook een onderscheid tussen vennootschappen met een vast en een variabel kapitaal: sommige vennootschappen zijn onderworpen aan verplichtingen betreffende de grootte en het behoud van hun kapitaal (het minimumkapitaal), terwijl bij andere vennootschappen het [24] 15 De enige organisatievorm die een eenpersoonsvennootschap kan zijn is een bvba. Een eerder opgerichte nv kan ook tot één aandeelhouder worden herleid (Vincke & Smits 2010:4). 16 Volgens De Corte hangt de keuze voor een persoons- dan wel een kapitaalsvennootschap van de volgende criteria af: de al dan niet overdraagbaarheid van de aandelen; de vraag of het wegvallen van een vennoot het einde van de vennootschap tot gevolg heeft; de vraag of een wijziging van de statuten eenparigheid dan wel een meerderheidsbeslissing vergt; de vraag of het bestuur van de vennootschap in beginsel bij de afzonderlijke vennoten dan wel bij een afzonderlijk orgaan berust; de vraag of het aansprakelijkheidsrisico van de vennoten al dan niet tot hun inbreng beperkt is (2005:401).

25 kapitaal uiteenvalt in een vast en een variabel gedeelte dat makkelijk kan wijzigen, en dus ook het vlot toe- en uittreden van vennoten toelaat (ibid.:402-3). a) Vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid Vincke en Smits vermelden de maatschap, de tijdelijke handelsvennootschap en de stille handelsvennootschap als vennootschapsvormen zonder rechtspersoonlijkheid. Een belangrijk gevolg van het ontbreken van rechtspersoonlijkheid is uiteraard het ontbreken van een scheiding tussen het patrimonium van de vennootschap en de vennoten (Vincke & Smits 2001:205). Zo is de maatschap een vennootschap met een burgerlijk of handelsdoel die geen rechtspersoonlijkheid bezit, waarvan de vennoten (indien het doel burgerlijk is) gelijk of (indien het doel een handelsdoel is) hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden. Ook bij een tijdelijke handelsvennootschap ( een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, die zonder een gemeenschappelijke naam te voeren, één of meer bepaalde handelsverrichtingen tot doel heeft (ibid.:183)) worden vennoten hoofdelijk aansprakelijk; zij worden rechtstreeks en persoonlijk gedagvaard (ibid.). De stille handelsvennootschap tenslotte is een vennootschap waarbij één of meer personen een belang nemen in de verrichtingen van één of meer anderen die in eigen naam optreden (ibid.). In tegenstelling tot de maatschap en de tijdelijke handelsvennootschap hebben derden geen rechtstreekse vordering tegen de vennoten van een stille handelsvennootschap, die zich tot een loutere deelneming hebben beperkt (ibid.). De oprichting van de maatschap, de tijdelijke handelsvennootschap en de stille handelsvennootschap moet niet aan specifieke vormvereisten voldoen. Voor de rest volgen deze drie organisatievormen de regels voor vennootschappen met rechtspersoonlijkheid. b) De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bvba) De bvba, of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, is één van de voornaamste vennootschapsvormen binnen het Belgische rechtssysteem. De hoofdactiviteit is een handelsactiviteit met winstoogmerk. De bvba beschikt hierbij over beperkte aansprakelijkheid: vennoten verbinden zich enkel tot datgene wat ze hebben ingebracht. Bijzonder aan de bvba is dat aandelen niet zomaar overdraagbaar zijn, en dat men dus niet geconfronteerd wordt met vreemden. [25] Voor de oprichting van elk vennootschap is de toestemming van minstens twee personen nodig (behalve de eenpersoons-bvba (ebvba)) (De Corte 2005:403) 17, omdat een vennootschap steeds een samenwerkingsverband veronderstelt. De oprichting van een bvba gebeurt steeds via authentieke akte. De bvba moet over een eigen kapitaal van minstens beschikken, dat door de oprichters wordt ingebracht als geld of in natura. In ruil daarvoor krijgt de investeerder aandelen (ibid.:404). Het bedrag van moet niet noodzakelijk van bij de start volgestort worden op een aparte rekening een minimale storting van volstaat (tenzij het om een eenmansvennootschap gaat; dan moet er minstens gestort worden). De oprichting van een bvba vereist ook het opstellen van een financieel plan, waarin aangetoond wordt dat het kapitaal van de vennootschap voldoende zal zijn om de activiteiten van de vennootschap gedurende de eerste drie jaar te financieren (Kunstenloket 2007a). Op het moment dat de nodige documenten worden neergelegd op de griffie van de Rechtbank van Koophandel verkrijgt de bvba rechtspersoonlijkheid. 17 Dit criterium wordt de pluraliteitsvereiste genoemd.

26 Een bvba kan één of meerdere vennoten hebben, die zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen zijn. De vennootschap wordt bestuurd door één of meer zaakvoerders (niet bestuurders ), die aangesteld worden door de vennoten maar zelf geen vennoot hoeven te zijn. Alle vennoten samen vormen samen de algemene vergadering (AV), die te allen tijde door de zaakvoerder samengeroepen kunnen worden. Statutenwijzigingen vergen een 3/4 meerderheid van de stemgerechtigde vennoten, voor een doelswijziging moet dat 4/5 zijn. De bvba wordt in principe opgericht voor onbepaalde duur, maar kan naar wens van de AV of door een uitspraak van een rechter ontbonden worden (De Graeve et al. 2010:147). Recentelijk werd door de wetgever een nieuwe soort vennootschap opgericht om de drempel tot het ondernemerschap te verlagen : de starters-bvba (ibid.). Een starters-bvba vereist een startkapitaal van minimaal 1 en maximaal dit om eventuele struikelblokken bij de oprichting van de bvba uit de weg te ruimen (ibid.:148). De starters-bvba moet na vijf jaar wel zijn omgevormd tot een andere vennootschapsvorm. Er zijn een viertal voorwaarden waaraan de starters-bvba zich moet houden om niet nietig verklaard te worden: enkel natuurlijke personen kunnen een starters-bvba oprichten; de natuurlijke personen die een starters-bvba oprichten mogen geen effecten bezitten in een andere vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die 5% of meer vertegenwoordigen van het totaal der stemrechten van deze vennootschap ; aandelen mogen enkel aan natuurlijke personen (dus geen vennootschappen) worden uitgekeerd; een starters-bvba mag maximaal vier werknemers in dienst hebben (ibid.). Bij oprichting wordt een financieel plan opgesteld, waarop verplicht toezicht gehouden moet worden door een boekhouder of revisor (ibid.). Deze vennootschapsvorm is een prima keuze voor jonge ondernemers en mensen die als zelfstandige actief zijn in bijberoep (ibid.:147) 18. [26] c) De naamloze vennootschap (nv) Anders dan een bvba, dat een personenvennootschap is, is de persoon van de aandeelhouder in een naamloze vennootschap in principe niet van belang. Aandelen kunnen met andere woorden vrijer en gemakkelijker overgedragen worden. We spreken daarom van een kapitaalvennootschap (De Graeve et al. 2010:83). De nv is een echte kapitaalvennootschap 19 met volkomen aansprakelijkheid. Een nv is daarom ideaal voor bedrijven met een grote kapitaalintensieve structuur, hoewel ook kleinere vennootschappen de nv toegankelijk zullen achten (ibid.). Belangrijk verschil is daarnaast ook dat inzake het bestuur van de nv [...] een strakkere en meer ingewikkelde bestuursorganisatie dan binnen een bvba [geldt] (ibid.). Voor de oprichting van een nv is een minimum van 2 oprichters (natuurlijke of rechtspersonen) vereist (ibid.:84). Deze oprichters moeten een minimaal maatschappelijk kapitaal van samenbrengen, dat volgestort moet worden (ibid.:85) 20. Bij de oprichting moet door de betrokkenen een financieel plan worden opgesteld, met daarin een verantwoording van het startkapitaal en een begroting voor de komende twee jaar. De nv wordt opgericht via authentieke akte (die zowel de oprichtingsakte als de statuten voor de vennootschap omvat) (ibid.:89). Ook de nv bestaat uit een aantal organen. De nv wordt bestuurd door een Raad van Bestuur van minstens 3 bestuurders (ibid.:99). De RvB is bevoegd voor alle materies die door de wet niet 18 Wat het tot een bijzonder interessante optie binnen de culturele sector, waar een groot aantal kunstenaars op deze manier actief is, maakt. 19 Wat betekent dat het door de aandeelhouders ingebrachte kapitaal essentieel is (De Graeve et al. 2010:83). 20 Inbreng van startkapitaal in natura (en quasi-inbreng van natura ) zijn ook toegestaan (ibid.:86).

27 aan een ander orgaan van de vennootschap worden toevertrouwd (W.Venn, in De Graeve et al. 2010:101) concreet dus om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet alleen de AV bevoegd is. De taak van de raad van bestuur bestaat er namelijk in om de vennootschap te besturen (ibid.). Bestuurders kunnen zowel contractueel als uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk gesteld worden (ibid.:113). Bestuursbevoegdheden kunnen eventueel, middels de statuten, overgedragen worden aan een directiecomité (ibid.:103), als ook aan een DB. Alles wordt hierbij opnieuw geregeld door de statuten (ibid.:104). De Algemene Vergadering van aandeelhouders van een nv heeft tenslotte de meest uitgebreide bevoegdheid om de handelingen die de vennootschap aangaat, te verrichten of te bekrachtigen (ibid.). Deze AV moet op zijn minst één keer per jaar gehouden worden, al kan ze ook te allen tijde bijeengeroepen worden (ibid.:108-9). Enkel grote vennootschappen moeten een commissariaat aanstellen, dat moet bestaan uit bedrijfsrevisoren (ibid.:112). Deze moeten de financiële toestand van de vennootschap en de boekhouding controleren. De uitbreiding van het maatschappelijk kapitaal gebeurt onder naleving van een aantal strikte en specifieke regels (ibid.:116). Een nv wordt ten slotte in principe opgericht voor onbepaalde duur (tenzij de statuten anders stipuleren). Daarnaast kan een nv ook ontbonden worden door de AV of door de rechtbank (ibid.:127). d) Vennootschap onder firma (vof) en commanditaire vennootschap (comm.v) De vennootschap onder firma (vof) is een vennootschap die als doel heeft een burgerlijke of handelsactiviteit uit te oefenen (Vincke & Smits 2010:175). Een commanditaire vennootschap (comm.v) is een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd (ibid.). Beide zijn strikt persoonsgebonden vennootschappen: de personen hebben omwille van de persoonlijkheid van de vennoten een overeenkomst gesloten (ibid.). Oprichting gebeurt enkel bij authentieke akte. Deze overeenkomst kan, net als de overdracht van aandelen, slechts mits eenparig akkoord gewijzigd worden. Alle vennoten in een vof en een comm.v zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de verbintenissen van de vennootschap. Omdat de vennoten hoofdelijk borg staan voor derden is er voor beide ook geen minimumkapitaalsvereiste (ibid.). De identiteit van de stille vennoten in een comm.v wordt niet bekendgemaakt, en ze mogen ook geen enkele daad van bestuur verrichten (ibid.:176). [27] e) Coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cvba) De cvba is een vennootschap die is samengesteld uit een veranderlijk aantal vennoten met veranderlijke inbrengen (De Graeve et al. 2010:151). Bij de cvba is er - in tegenstelling tot de nv en de cvba, waar er sprake is van enkel een vast gedeelte van het kapitaal zowel een vast als een variabel deel aan het kapitaal (ibid.:152). Het vaste gedeelte wordt bepaald door de statuten, en mag niet lager zijn dan Dit bedrag moet vanaf de oprichting volgestort zijn ten belope van (ibid.:152). Daarnaast is er ook het veranderlijke gedeelte van het maatschappelijk kapitaal, dat kan variëren zonder dat een wijziging van de statuten vereist is (ibid.:153). Variabel kapitaal kan wijzigen door bijneming of terugneming van aandelen door vennoten of de toetreding, uittreding of uitsluiting van vennoten (ibid.). Een cvba wordt steeds opgericht door minstens drie personen. Het te volstorten kapitaal kan door de vennoten in speciën, natura of quasi-inbreng gebeuren. Net als bij o.a. nv en bvba vereist de oprichting van een cvba het opstellen van een financieel plan, dat het vaste kapitaaldeel moet verantwoorden (ibid.:154). De

28 oprichting van een cvba gebeurt steeds via authentieke akte. Aandelen van een cvba zijn op naam. De overdracht van deze aandelen gebeurt met een relatief grote mate van statutaire vrijheid (ibid.:155). Ook bij wijzigingen van het vennotenbestand geldt een grote statutaire vrijheid, waarbij de regels van het W.Venn slechts aanvullend gelden (ibid.). Een cvba wordt normaliter bestuurd door één bestuurder, al dan niet vennoot, tenzij anders vermeld in de statuten. Ook beperkingen van bevoegdheden worden in de statuten gestipuleerd (ibid.:157). Elk aandeel geeft recht op één stem in de AV, tenzij opnieuw anders vermeld in de statuten. De AV is bevoegd voor o.a. de goedkeuring van de jaarrekening en de bestemming van winst of verlies (ibid.:157-8). De statuten kunnen ook bepalen dat één of meer vennoten belast worden met de controle van de financiële situatie van de vennootschap (ibid.:158). Regels voor aansprakelijkheid van de betrokken vennoten (oprichters-, bestuurders-, enzovoort) lopen verder grotendeels gelijk met die van nv en bvba (ibid.:160). f) Coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid Net als bij de andere vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid, zoals de vof, is er voor de oprichting van een cvoa geen minimumkapitaal voorzien. Ook hier zijn alle vennoten hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap (Vincke & Smits 2010:177). Anders dan bij een vof is de cvoa samengesteld uit een veranderlijk aantal vennoten met veranderlijke inbrengen, net als bij de cvba. Dit heeft gevolgen voor de overdracht van aandelen (die inbreng in natura vertegenwoordigen), die vrij kunnen worden overgedragen aan vennoten, in voorkomend geval onder de voorwaarden bepaald in de statuten (ibid.). Voor de rest volgt de cvoa de regels van de cvba (zie hierboven). g) Economisch samenwerkingsverband (esv) en Europees economisch samenwerkingsverband (eesv) Een esv ( economisch samenwerkingsverband ) is een vennootschap dat enkel kan opgericht worden voor een ondersteunende functie en dus niet om een nieuw bedrijf op te richten (De Graeve et al. 2010:183). De activiteit van het esv moet steeds ondergeschikt zijn aan die van haar leden en is erop gericht de economische activiteit van haar leden te verbeteren of te vergroten, door bijvoorbeeld het gezamenlijk voeren van de boekhouding, gemeenschappelijke informatica, gezamenlijke aankoopdienst, enzovoort (ibid.). De functionaliteit van een esv is aan relatief grote beperkingen onderhevig: zo mag ze bijvoorbeeld geen winst nastreven of zelf lid zijn van een andere (e)esv. Een esv kan worden opgericht bij onderhandse akte, en vereist geen minimumkapitaal (ibid.:184). De toe- en uittreding van leden moet in de overeenkomst voorzien zijn. Een esv is daarnaast een onvolkomen rechtspersoon, wat de vennoten hoofdelijk aansprakelijk stelt (ibid.:185). De vennootschap wordt bestuurd door één of meer natuurlijke personen als zaakvoerders, die in de overeenkomst worden aangesteld (ibid.). De vergadering van leden, die minstens eenmaal per jaar samenkomt, heeft, tenzij anders vermeld, de uitgebreidste bevoegdheden (ibid.:186). De eesv ( Europees economisch samenwerkingsverband ) is identiek aan de esv, maar heeft vennoten uit verschillende lidstaten van de EU (ibid.:183). [28] h) Europees vennootschap (se) De se ( societas europea, of Europees vennootschap) werd in 2001 bekrachtigd als instrument om bedrijven economisch actief te laten zijn in heel Europa, aangezien de rechtsvorm in heel de Unie wordt erkend.

29 Daardoor is het niet langer nodig om in elke lidstaat een aparte rechtspersoon op te richten (De Graeve et al. 2010:189). Een se kan opgericht worden op drie manieren: een fusie tussen minstens twee nv s, gelegen in minstens twee lidstaten ; het creëren van een holdingmaatschappij tussen minstens twee nv s, gelegen in minstens twee lidstaten ; de omzetting van een nv in een se, op voorwaarde dat ze, sinds minstens twee jaar, een dochter heeft in een andere lidstaat (ibid.). Deze oprichting gebeurt steeds via authentieke akte. Een minimum van is vereist als maatschappelijk kapitaal, waarvan volgestort moet zijn (ibid.:190). Een se is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. i) Europese coöperatieve vennootschap (sce) De sce (coöperatieve europese vennootschap) ontstond in Voor de oprichting van een sce moeten personen betrokken zijn uit ten minste twee landen van de EU (Vincke & Smits 2010:181), en is er een maatschappelijk kapitaal van ten minste vereist (ibid.), waarvan per aandeel ten minste een vierde van moet worden volgestort. Een sce kan ontstaan uit een fusie of door de omzetting van een cvba/cvoa in een Europese coöperatieve (ibid.) Bijzondere situatie: de vennootschap met sociaal oogmerk De vso (vennootschap met sociaal oogmerk) is een relatief jonge constructie, die in 1995 in het leven geroepen werd om te voldoen aan een nood in de sector van de sociale economie (De Graeve et al. 2010:165). Hoewel het winstprincipe dat zo typerend is voor vennootschappen hier afwezig is, werd deze tussenvorm toch gecreëerd om verenigingen en andere organisaties met sociaal oogmerk de kans te geven te participeren in de echte economie (ibid.). Een vso is een modaliteit die door elke vereniging en vennootschap aangenomen kan worden, mits er aan een aantal bepalende voorwaarden voldaan wordt. Zo moet er in de statuten expliciet worden vermeld dat de vennoten geen of een beperkt 21 vermogensvoordeel nastreven ; de statuten moeten nauwkeurig omschrijven wat het sociale oogmerk is van de vennootschap ; de statuten moeten voorzien in de bestemming van eventuele winst; jaarlijks moeten bestuurders of zaakvoerders een uitgebreid verslag maken over de financiële transacties binnen de vso; er zijn extra regels in verband met de personeelsleden; en de reserves mogen ten slotte niet worden uitgekeerd (ibid.:166-7). Een vso kan worden opgericht onder de vorm van een vof, comm.v., bvba, cvba/cvoa, nv, comm.va en een esv 22 (ibid.:167), of kan vanuit een vzw worden omgezet (ibid.:168). De oprichtingsvoorwaarden zijn afhankelijk van de gekozen vennootschapsvorm 23. De Graeve et al. merken op dat uit onderzoek blijkt dat de meeste vso s een coöperatieve vennootschap als rechtspersoon hebben, en dat de kwalificatie met sociaal oogmerk gericht is op het algemeen belang (ibid.:167). Regels voor bestuur en ontbinding zijn afhankelijk van de gekozen rechtsvorm (ibid.). [29] Het feit dat vennootschappen met sociaal oogmerk ook in aanmerking kunnen komen voor werkingssubsidies van het Kunstendecreet (zie hieronder), maakt het tot een zeer interessant instrument voor kunstenorganisaties die van de economische voordelen van een vennootschap willen genieten, maar toch afhankelijk zijn van subsidies om te overleven. 21 Waarbij het vermogensvoordeel dan een rentevoet, vastgelegd door de Koning, niet mag overschrijden (De Graeve et al. 2010:166). 22 De rechtsvorm moet dan steeds gevolgd worden door...met sociaal oogmerk (De Graeve et al. 2010:167). 23 Uitzondering hierop is de cvba met sociaal oogmerk, waarvan het vast gedeelte van het kapitaal minimaal moet bedragen waarvan bij de oprichting volgestort moet zijn en na twee jaar het volledig bedrag (ibid.).

30 Oprichtingsakte Aansprakelijkheid Rechtspersoonlijkheid Type samenwerkingsvorm Min. # personen 2-3 Overzichtsschema van de voornaamste rechtsvormen Maatschap / Tijdelijke HV Stille HV Vof Comm.v. Nv Bvba S-bvba Cvba Cvoa Feitelijke vereniging Vzw Stichting (een beherende en een stille vennoot) 2 2 of 1 (ebvba) Personenvennootschap Personenvennootschap Personenvennootschap Personenvennootschap Kapitaalvennootschap Personenvennootschap Personenvennootschap Personenvennootschap Personenvennootschap Vereniging Vereniging Stichting NEEN NEEN JA (onvolkomen) JA (onvolkomen) JA (volkomen) JA (volkomen) JA (volkomen) JA (volkomen) JA (onvolkomen) NEEN JA (volkomen) JA (volkomen) Onbeperkt Geen / onderhands Zaakvoerder / beherende vennoot onbeperkt en hoofdelijk; stille vennoot beperkt tot inbreng indien contractueel bedongen. Onbeperkt en hoofdelijk. Beherende vennoot onbeperkt en hoofdelijk; stille vennoot beperkt tot inbreng. Beperkt tot de inbreng. Beperkt tot de inbreng. Beperkt tot de inbreng. Beperkt tot de inbreng. Onbeperkt. Onderhands Onderhands Onderhands Notarieel Notarieel Notarieel Notarieel Notarieel of onderhands. Onbeperkt. Geen / onderhands Beperkt. Onderhands of notarieel Beperkt. Notarieel

31 Mogelijkheid van overdracht Aandelen Verificatie revisor bij inbreng goederen Kapitaalinbreng Te volstorten kapitaal Minimum in te brengen kapitaal Geen minimumkapitaal Geen minimumkapitaal Geen minimumkapitaal Geen minimumkapitaal Min Min Min. 1, max ,99 Min Geen minimumkapitaal. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Min /5 per aandeel met min. van 6.200; voor e-bvba Min. 1 ¼ op elk aandeel met minimum van Integraal. Nvt. Nvt. Nvt. Geld of natura (ook arbeid) Geld of natura (ook arbeid) Geld of natura (ook arbeid) Vrij Geld of natura. Geld of natura. Geld of natura. Geld of natura. Geld of natura. Nvt. Nvt. Nvt. Neen Neen Neen Neen Ja Ja Ja Ja Ja Neen Neen Neen [31] Geen aandelen / deelbewijzen op naam Geen aandelen / deelbewijzen op naam Op naam Op naam Aan toonder of op naam / gedematerialiseerd Op naam Op naam Op naam Op naam. Nvt Nvt. Nvt. Met eenparigheid van stemmen Met eenparigheid van stemmen Met eenparigheid van stemmen Beherende vennoot Vrij overdraagbaar Niet vrij over te dragen / instemming van minstens ½ vennoten die ten minste ¾ v.h. maatsch. kapitaal bezitten. Niet overdraagbaar aan rechtspersoon. Voor de rest idem bvba. Idem bvba. (statutair te beperken) Vrij overdraagbaar. (statutair te beperken). Nvt. Nvt. Nvt.

32 Financieel plan Boekhoudkundige verplichtingen Fiscaal regime Bestuur Zaakvoerder Zaakvoerder / beherende vennoot Alle vennoten of één of meer zaakvoerders Beherende vennoot RVB / afgevaardigde bestuurder Eén of meerdere zaakvoerders Eén of meerdere zaakvoerders Eén bestuurder (al dan niet vennoot) Eén bestuurder (al dan niet vennoot). Nvt. RVB van 3 (2 als 3 leden) Min. 3 bestuurders. Vennootsch apsbelasting Vennootschap sbelasting. Personenbelasting / Vennootschapsbelasting Personenbelasting / Vennootschapsbelasting Vennootschapsbelasting Vennootschapsbelasting Vennootschapsbelasting Vennootschapsbelasting Vennootschapsbelasting Personenbelasting Personenbelasting / Vennootschapsbelasting Personenbelasting / Vennootschapsbelasting Vereenvoudigde boekhouding als omzet max Niet verplicht. Vereenvoudigde boekhouding als omzet max Niet verplicht. Niet verplicht. Vereenvoudigde boekhouding als omzet max / dubbele boekhouding. Vereenvoudigde boekhouding als omzet max / dubbele boekhouding. Niet verplicht. Dubbele boekhouding. Dubbele boekhouding. Dubbele boekhouding. Dubbele boekhouding. Dubbele boekhouding Verplicht. Verplicht. Verplicht. Verplicht. Niet verplicht. Niet verplicht. Niet verplicht. Vereenvoudigde boekhouding / Dubbele boekhouding Niet verplicht. Vereenvoudigde boekhouding / dubbele boekhouding. Niet verplicht. [32] Tabel 3: Overzicht van de voornaamste Belgische rechtsvormen (naar De Corte 2005, Vincke & Smits 2010, De Graeve et al. 2010).

33 2-4 Een habitat voor de kunsten? Het schema hierboven toont een rijk en divers organisatievormenlandschap, waarin verschillende rechtspersonen bedrijven toelaten om via kleine details een parcours uit te stippelen dat precies op maat is van de doelstellingen van het bedrijf. Of de beeldende-kunstensector hierin dan goed kan aarden, is een andere vraag. Zoals we hieronder nog uitgebreider zullen zien, bevat de beeldende-kunstensector een zeer diverse verzameling actoren met erg uiteenlopende doelstellingen. Een aantal van deze actoren richt zich voornamelijk op het commerciële aspect van de beeldende-kunstenwaardenketen, zoals de galerijen. Die vinden in het vennootschapslandschap een aantal erg interessante alternatieven die hun werking kunnen ondersteunen. De bvba lijkt daarvoor het meest aangewezen, voor verschillende redenen, die in het vijfde hoofdstuk ook kort aangeraakt zullen worden. De niet-commerciële organisaties in het kunstenveld zullen het in deze zoektocht lastiger hebben. Het aantal alternatieven zonder winstoogmerk (wat een vereiste is voor sommige organisaties, aangezien zij zich door hun werking niet kunnen beroepen op reguliere inkomsten, en daarom genoodzaakt zijn subsidies aan te vragen) is veeleer beperkt. Het huidige gamma bestaat voornamelijk uit de vzw, de ivzw en de stichtingen. De ivzw is in hoofdzaak gewoon een internationale variant op de vzw, en zal voor veel nationaal gerichte kunstenorganisaties niet interessant zijn. Stichtingen hebben een relatief zware oprichtingsprocedure, die via de notaris moet gaan, en ze moeten ook erkend worden. Daarnaast zijn ze in hun doel betrekkelijk statisch, en zullen in die zin weinig interessants kunnen bieden aan dynamische kunstenorganisaties. De beroepsverenigingen en verenigingen voor mede-eigenaars zijn in deze situatie zo goed als niet van toepassing, dus dan blijft enkel nog de vzw over. De vzw is op zich een interessant, makkelijk op te richten, flexibel en tevens erg populair model, en kan voor verschillende organisaties de ideale oplossing zijn. Echter, andere soorten organisaties, die zich op de dunne grens tussen commercieel en niet-commercieel bevinden, kunnen mogelijks tegen de grenzen van de rechtspersoon botsen. Daarnaast bestaat er sinds 1995 ook de mogelijkheid om te kiezen voor een vso, die zowel nieuw kan worden opgericht, als kan evolueren vanuit een vzw. In combinatie met een flexibele vennootschapsvorm zoals de cvba kan dit voor sommige kunstenorganisaties een erg interessant alternatief zijn. Alvorens we definitieve uitspraken kunnen doen, zijn er een aantal onderwerpen die we nader moeten onderzoeken: wat is er zo bijzonder en complex aan de beeldende-kunstensector, welke samenwerkingsvormen komen we daarin tegen en welke problemen komen bij die samenwerkingen kijken? Daarnaast is het belangrijk ook te kijken welke elementen een rol spelen in het keuzeproces van een rechtsvorm. Deze elementen worden in de volgende twee hoofdstukken besproken.

34 3 De heterogeniteit van de sector Zoals hierboven reeds enkele malen aangehaald is, hebben we volgens ons in de beeldende-kunstensector te maken met een erg complex en dynamisch veld. Dit vermelden ook verschillende auteurs. Bij BAM lezen we bijvoorbeeld: Het veld van audiovisuele, beeldende en mediakunst is divers en complex. Elke organisatie heeft een andere mix van functies en organisaties onderhouden meervoudige relaties, waarin de evenwichten voortdurend verschuiven. Deze disciplines zijn per definitie gericht op relaties met andere kunstdisciplines en andere sectoren zoals de entertainmentwereld, de creatieve industrie, de bedrijfswereld, de openbare ruimte en de wetenschap. Deze wisselwerking wordt als een rijkdom ervaren: hij zorgt voor voortdurende beweging, ontwikkeling en voor maatschappelijke kruisbestuivingen (BAM 2010:4). [34] Hieronder probeer ik een beknopt, maar belangrijk overzicht te geven van een aantal cruciale dynamieken in het beeldende-kunstenveld. Ik baseer mij daarvoor in de eerste plaats op een kunstsociologische studie van Gielen en Laermans, die daarmee een nieuw licht werpen op een daarvoor redelijk onbelichte sector. Op basis van die studie en een nieuwe landschapstekening van de organisatie Flanders DC bespreek ik kort de voornaamste actoren in de beeldende-kunstensector, en hun respectievelijke functies in het veld. Vervolgens kijken we welke samenwerkingsvormen we in de sector kunnen onderscheiden, en ten slotte trachten we daarna met enkele indicatieve cijfergegevens een beeld te geven van de spreiding van de verschillende rechtsvormen uit het tweede hoofdstuk bij de besproken actoren. De bedoeling van dit hoofdstuk is hoofdzakelijk een beeld te geven van de vooropgestelde complexiteit van het beeldende-kunstenlandschap. Zoals we zullen zien, gelden er in het veld andere logica s dan de straight-forward winstlogica van de het businessdenken en dit heeft bijgevolg een grote invloed op de manier waarop beeldende-kunstenorganisaties zich bewegen in een (toch voornamelijk door economische organisaties) gedomineerd juridisch landschap. 3-1 Geld en de beeldende kunsten In dit subhoofdstuk probeer ik functie van geld in de beeldende-kunstensector te verbinden met geld in een bredere zin in de cultuursector. Kunnen financiële wetmatigheden zomaar worden toegepast op kunst en cultuur?, stelt De Corte zich de vraag (De Corte 2010:13). Die vraag laat zich niet zo makkelijk beantwoorden. Jim Collins heeft er het volgende over te zeggen: We must reject the idea well-intentioned, but dead wrong that

35 the primary path to greatness in the social sectors is to become more like a business (in: De Corte 2010:13). Geld is met andere woorden in de sociale en culturele sectoren een middel, geen doel, en dus staat de vraag naar de effectivititeit van de aangewende middelen centraal, niet de hoogte van de financiële return. De kunsten hebben al zeer lang een dubbelzinnige relatie met financiën gehad. Aan de ene kant kunnen ze zonder geld niet bestaan, aan de andere kant is er de afschuw van commercie, die de creativiteit zou vervlakken. De Corte citeert Hans Abbing, de schrijver van Why artists are poor, the exceptional economy of the arts, dat stelt dat de overheid, redelijk malicieus, een systeem instand houdt waarbij artiesten (hij bedoelt dan eigenlijk beeldende kunstenaars [De Corte]) nét genoeg krijgen om niét uit te sterven, maar eigenlijk onvoldoende om fatsoenlijk te kunnen leven (ibid.:14-15). Abbing stelt verder dat de artiest, ondanks deze precaire situatie, gewoon zal voortdoen, omdat in hoofdzaak voor de kunstenaar de link tussen arbeid en verloning [...] er eigenlijk niet is (ibid.:15). Voor een kunstenaar is het scheppen van een kunstwerk primair op het economisch motief om daarvoor betaald te worden (ibid.). Daarnaast kunnen we ook stellen dat de kunsten zich in een economisch zwakke positie bevinden omdat het aanbod veel groter is dan de vraag: Daarmee onderscheidt de wereld van de kunst en cultuur zich van andere werelden. Kunst is geen noodzakelijk consumptiegoed, althans niet voor de afnemers, maar wel voor de aanbieders: de kunstenaars en cultuurinstellingen die hen presenteren (ibid.). Daarnaast moeten we ook de aandacht vestigen op subsidies als een wezenlijk kenmerk met een onuitwisbare stempel op de culturele sectoren. Uiteraard is niet de hele cultuursector gesubsidieerd, maar het is een dusdanige verstoring van het gewone marktgebeuren dat het onmiskenbaar een invloed heeft op een groot deel van de actoren die in het kunstenveld actief zijn. De Corte maakt echter een voor ons onderzoek erg interessante opmerking: [Het is] een niet meer te stoppen realiteit dat de grens tussen gesubsidieerd en niet-gesubsidieerd steeds vager wordt. Enerzijds zijn op een en hetzelfde veld zowel gesubsidieerde als nietgesubsidieerde spelers actief en zullen er in de toekomst ook nog meer actief worden. Anderzijds betrekken nu al tal van actoren (zeg maar: de ruime meerderheid) hun middelen zowel uit subsidies als uit de markt. Men kan dan ook verwachten dat de strikte scheiding tussen gesubsidieerde en nietgesubsidieerde spelers binnen korte termijn nog verder zal vervagen [...] (De Corte 2010:16). [35] Deze vervaging van de grens tussen gesubsidieerd en niet-gesubsidieerd, tussen commercieel en nietcommercieel, is een van de oorzaken voor de drie onderzoeksvragen van deze scriptie. De Corte gaat verder: Overigens raakt men binnen de sector maar langzaam genezen van het misverstand dat in het gesubsidieerde veld geen marktmechanismes, zoals de wet van vraag en aanbod, concurrentiekracht en positie, zouden bestaan. Ook gesubsidieerde bedrijven (cultuurbedrijven, maar ook ziekenhuizen, universiteiten, spoormaatschappijen, enzovoort) beconcurreren mekaar en worden geconfronteerd met dezelfde economische wetmatigheden als een niet-gesubsidieerd bedrijf. Gewoon omdat zij op eenzelfde speelveld actief zijn en zich tot een publiek richten dat in zijn consumeren zelden het onderscheid maakt tussen gesubsidieerde of niet-gesubsidieerde producten of diensten (ibid.). De betekenis van subsidies in de beeldende-kunstensector wordt hieronder nog uitgebreider besproken. In de podiumkunstensector werkt volgens veel deskundigen het zogenaamde Baumol en Bowen-effect 24. Vanwege de aard van de activiteiten in de beeldende-kunstensector is dit effect daar niet van toepassing. 24 Dat stelt dat begrippen zoals rendementsverbetering en productiviteitstoename, die zo eigen zijn aan de reguliere economie, in de podiumkunsten niet of slechts heel beperkt toepasbaar zijn (De Corte 2011:21). Hieruit wordt het economic dilemma of the performing arts afgeleid: méér spelen [betekent] in veel gevallen méér verlies (of meer subsidiebehoefte) (ibid.).

36 Integendeel, het lijkt alsof sommige actoren in de beeldende kunsten in zekere zin de commercialiteit van haar eigen activiteiten al een hele tijd hebben omarmd. Zo vertelt Mulder over Andy Warhol, die op het hoogtepunt van zijn roem een relletje veroorzaakte door bij afname van meer dan één exemplaar een flinke korting te geven: Een eerste kunstwerk kostte $25.000,-. Een koper die tegelijkertijd een tweede exemplaar afnam, kreeg $10.000,- korting, en zo verder (Mulder 2008:13). Een eeuw vroeger nog schilderde Claude Monet dertig keer hetzelfde zicht op de kathedraal van Rouen, die hij voor FF ,- per stuk verkocht (ibid.). Net zoals in de andere culturele sectoren, zoals hierboven beschreven, bestaat er in de beeldende-kunstensector een zekere spanning tussen economie, marketing en commercie enerzijds en kunst, cultuur en creativiteit anderzijds (ibid.:14). Bij de beeldende kunsten wordt die spanning echter op een andere manier beleefd dan in pakweg de podiumkunstensector. Waar er bij de podiumkunsten maandenlang gerepeteerd wordt op een theaterstuk dat twee à drie keer wordt opgevoerd, en er zeer zelden eens een dvd tje van een voorstelling wordt verkocht, zijn de beeldende kunsten een big business, waarbij continu werken te koop gesteld worden, soms voor astronomische bedragen. De beeldende-kunstensector bevat zoals we zullen zien een heel aantal actoren die zich toeleggen op het commercialiseren van kunstenaars en het verkopen van hun werken. Daar stopt het echter niet. Naast de actoren die zich concentreren op de verkoop zijn er ook organisaties in het veld zijn die zich focussen op het faciliteren, tentoonstellen of ondersteunen van kunst. Deze zijn van levensbelang voor de sector, aangezien zij ervoor zorgen dat er in de eerste plaats werken zijn om te verkopen, en vervolgens ook helpen in het naam maken van kunstenaars. Toch bevinden zij zich aan de andere kant van het spectrum van de commercialiteit. Wanneer deze twee velden met elkaar botsen, en wanneer de functie van bepaalde organisaties zodanig vaag worden dat ze niet meer in één van de twee logica s te plaatsen zijn, krijgen ze op een bepaald moment haast gegarandeerd problemen. [36] 3-2 Veldtekening van het beeldendekunstenlandschap Schematische voorstelling In een nog te publiceren bedrijfseconomische studie over de beeldende-kunstensector werd door Flanders DC 25 en de UAMS het volgende schema opgesteld: 25 Flanders DC ( Flanders District of Creativity ) omschrijft zichzelf als de Vlaamse organisatie voor ondernemingscreativiteit, opgericht door de Vlaamse regering, met als missie ondernemend Vlaanderen creatiever te maken en creatief Vlaanderen ondernemender. Flanders DC bouwt daarom aan kennis, sensibiliseert en ontwerpt handige hulpmiddelen voor wie creatief en ondernemend aan de slag wilt en richt zich op ondernemers, leerkrachten, leerlingen, beleidsmakers en het grote publiek (Flanders DC 2011). Op het moment van de deadline van deze masterscriptie werd de studie nog niet gepubliceerd, en hebben we haar ook niet kunnen inkijken omwille van intern beleid van de organisatie. Niettegenstaande hebben we wel deze landschapstekening en het cijfermateriaal van hieronder mogen gebruiken.

37 Fig. 2: Landschapstekening beeldende kunsten (Guiette et al 2011). In de landschapstekening worden de voornaamste actoren 26 en hun relatie tot elkaar schematisch weergegeven. Centraal in het veld staat uiteraard de beeldende kunstenaar, de creatieve bron van waaruit het hele kunstgebeuren begint. Rondom de kunstenaar staan een aantal ondersteunende creatieve schakels, waaronder het toon- en het marktcircuit. In de rand van het veld vinden we ten slotte nog een aantal facilitatoren, zoals de overheid en de media. [37] Een bijzonder heterogeen gezelschap Zoals we hierboven reeds verschillende malen aanhaalden, beschouwen we de beeldende-kunstensector als een bijzonder complex gegeven. Verschillende auteurs zijn van dezelfde mening. We kunnen hier bijvoorbeeld opnieuw Gielen en Laermans citeren: Het gaat om een weinig gestructureerd veld (zeker in vergelijking met de podiumkunsten) waarbinnen de individuele actoren een centrale plaats innemen: kunstenaars en kunstenaarsinitiatieven, tentoonstellingsmakers, critici, privé-verzamelaars, enzovoort. Een aantal, vooral voluntarische organisaties, is er actief waarvan er enkele, ondanks een constante onderfinanciering, in de loop der jaren een (in enkele gevallen) internationale reputatie en een knowhow hebben opgebouwd. Toch is er de laatste twee jaar sprake van een zekere (aanzet tot) doorgroei van de sector (Gielen & Laermans 2004:7-8). 26 In onze interpretatie van het nogal abstracte woord actoren volgen we (weerom) Gielen en Laermans: In wat volgt hebben we het overigens niet alleen over individuen en hun sociale knowhow. We spreken in meer algemene zin van actoren, instanties die relaties initiëren en onderhouden. Dat kunnen uiteraard individuen zijn, zoals artiesten of curatoren. Maar evengoed kan het gaan om collectieve actoren zoals bewegingen of organisaties (musea, beeldendekunstencentra,...), zelfs om kunstwerken (Gielen & Laermans 2004:13).

38 Verschillende onderzoekers stootten tijdens hun trektochten door het Vlaamse beeldende-kunstenlandschap op een bijzonder heterogeen gezelschap: kunstwerken, collecties, databanken, kunstenaars, onafhankelijke curatoren, musea, CBK s, belangengroepen, kunsttijdschriften, galeriehouders, collectioneurs, foundations..., stellen Gielen en Laermans (in: Vansteenkiste 2005:161). Het viel niet mee om dit bonte geheel enigszins te ordenen, geven ze dan ook grif toe, want ze kregen immers te maken met zowel objecten als subjecten, zowel heuse instellingen als eenpersoonsondernemingen, zowel publieke als privé-initiatieven, zowel reële als discursieve en virtuele ruimtes (ibid.). Tevens merken verschillende auteurs de wildgroei aan functies op. Bij De Wit lezen we bijvoorbeeld dat organisaties ofwel meerdere functies op[nemen] als een mix, ofwel zijn functies verspreid over verschillende organisaties en kunnen die functies verbonden worden of op elkaar inspelen (De Wit 2011:54). De Wit gaat verder door te stellen dat het veld versnipperd is, met weinig onderlinge dialoog en afstemming en deels ondergefinancierd (ibid.:61). Deze versnippering van het veld maakt het erg kwetsbaar, en daardoor zijn er onvoldoende kansen voor professionalisering van taken en profielen volgens de opgenomen functies (ibid.). Het moge duidelijk zijn: het in kaart brengen van de erg complexe relaties tussen de verschillende actoren binnen de sector is een aanzienlijke opdracht, en valt uiteraard buiten de opzet van deze masterscriptie 27. Toch kan het niet onbelangrijk zijn om een zij het beknopt overzicht te geven van de voornaamste spelers op het beeldende-kunstenbord, aangezien de wirwar van functies en organisatiesoorten rechtstreeks met onze onderzoeksvraag verbonden is. Johan Vansteenkiste stelt dat de veldactoren binnen de beeldende kunst in een achttal groepen onderscheiden [kunnen] worden: kunstenaars en kunstenaarsinitiatieven, musea voor hedendaagse kunst, galeries, beeldendekunstencentra, tentoonstellingsmakers, kunstverzamelaars, kunstopleidingen en ten slotte publicaties en kunstkritiek (Vansteenkiste 2005:161). Dit komt ruwweg overeen met de actoren die op de tekening van Flanders DC vermeld worden. Hieronder kiezen we er zelf de meest relevante voor dit onderzoek uit. [38] Musea vervullen volgens de Beoordelingscommissie Beeldende Kunsten (hierna ook BBK) een spilfunctie, gecentreerd rond de collectie, die de BBK omschrijft als de kern van hun presentatie (Kunsten en Erfgoed 2009a:8). Aan die collectie wordt voortdurend gewerkt, en hun onderzoek, reflectie, documentatie, archiefwerking en restauratie-expertise sluiten daarop aan (ibid.). Musea focussen op het recente verleden, en de manier waarop dit doorwerkt in het heden, stelt de BBK (ibid.). Naast monografische tentoonstellingen worden er ook thematische tentoonstellingen verwacht, al mag het verband met de vaste collectie nooit verloren gaan. Musea hebben gewoonlijk een sterke binding met de eigen stad en/of streek, maar hun projecten ambiëren een veel ruimere uitstraling (ibid.). Er wordt daarom in onderling overleg gestreefd naar profilering, zowel in hun collectie als in hun tentoonstellingsbeleid (ibid.). Naast musea heeft de kunsthal binnen het Vlaamse kunstveld een hoge prioriteit. Anders dan musea, die zoals hierboven vermeld volgens de BBK achterom kijken, beweegt de kunsthal zich volop temidden de actualiteit van de beeldende kunst (Kunsten en Erfgoed 2009a:9). De kunsthal zorgt voor een continue stroom van tentoonstellingen op internationaal niveau, waarbij ook het beste uit eigen land aan bod komt (ibid.). Als voorwaarden voor een goede werking vermeldt de BBK zijn eigen infrastructuur met allure en een gunstige geografische ligging (ibid.). Beide situeren zich in het tooncircuit op de landschapsschets. Over de bijzondere relatie tussen de 27 Zulks is overigens al eerder (en veel beter) gedaan door Gielen en Laermans Een omgeving voor hedendaagse kunst (2004).

39 twee actoren wordt hieronder nog gesproken. Een andere belangrijke actor in het tooncircuit zijn de festivals (bi- en triënnales), die een belangrijke rol spelen in de spreiding en de verruiming van de beeldende kunsten; ze geven impulsen aan het lokale kunstenlandschap en zoeken aansluiting bij de internationale kunstactualiteit (Wittockx 2008). Festivals voor beeldende kunst zitten volgens De Wit in de lift, en zijn een internationale trend (De Wit 2011). Om aanvullend bij de musea voor hedendaagse kunst een middenveld tot stand te brengen, werd de organisatiecategorie Centra voor Beeldende Kunst (of CBK s) opgericht (Vansteenkiste 2005:161). De Vlaamse gemeenschap omschrijft deze categorie als ontwikkelingsgerichte centra, die tegelijk actief zijn op het vlak van creatie, reflectie, presentatie en publiekswerking (ibid.). De functie van de CBK s is een heel pak vager dan de organisaties in het tooncircuit. Gielen en Laermans bespreken ze ook uitgebreid in hun drie spanningsvelden, die hieronder (in hoofdstuk 3-3-1) kort toegelicht worden. Daarnaast vermeldt de BBK ook zogenaamde organisaties met een permanente en structurele werking in de beeldende kunst, die voor variatie, flexibiliteit en specialisatie zorgen (Kunsten en Erfgoed 2009a:9). De organisaties hebben vaak een sterke band met de individuele kunstenaar; sommige zijn [...] op initiatief van kunstenaars tot stand gekomen, terwijl andere het werk zijn van gemotiveerde en deskundige (groepen van) mensen (ibid.). De BBK vermeldt tevens dat veel van deze organisaties (op een paar uitzonderingen na, die [nog] kunnen rekenen op plaatselijke en provinciale overheden of op grote onderwijsinstellingen (ibid.)) niet zonder stevige ondersteuning van de Vlaamse overheid [kunnen] (ibid.). De BBK deelt deze groep daarna nog verder op in drie subgroepen: Organisaties die regelmatig tentoonstellen en het hele veld van de beeldende kunst bestrijken; organisaties die zich specialiseren; en alternatieve of nomadische, doorgaans kleinere organisaties, die van onderuit proberen te vernieuwen (ibid.). Net als de CBK s zijn deze organisaties heel wat lastiger om precies te omschrijven, en zijn ze moeilijk op een specifieke plaats in de tekening te pinpointen. Enkele van deze organisaties kunnen hun spits en bijzonder karakter best verwerven en behouden door te werken op projectbasis, wat verschillende dingen kan betekenen: een in de tijd gespreide vorm van tentoonstelling, [...] een coherente reeks van tentoonstelligen, een festival of evenement (ibid.). De BBK vermeldt hierbij dat er behoefte [is] aan een paar werkelijk grote en spraakmakende evenementen om als trekker te fungeren en ook een buitenlands publiek naar Vlaanderen te halen, maar zonder in citymarketing te vervallen (ibid.). Opnieuw is dit heel erg vaag, en is het bijzonder moeilijk om de ware functie van deze organisaties in te schatten. [39] Enkele kunstencentra en culturele centra in Vlaanderen hebben een beleid op poten gezet rond beeldende kunst, tussen de andere activiteiten waarrond gewerkt wordt. Beeldende kunsten worden normaliter niet in verband gebracht met cc s en kc s, die zich in hun werking vooral toeleggen op muziek en de andere podiumkunsten. Bij sommige heeft dit echter wel tot grotere samenwerkingen geleid om zich op dit terrein sterker op te stellen (ibid.). We denken hierbij bijvoorbeeld aan CC De Warande in Turnhout, die voor zijn beeldende-kunstenwerking een eigen vzw heeft opgericht. In het veld bestaan ook een aantal privé-actoren zoals galeries, veilinghuizen en verzamelaars, die volgens de BBK een grote impact hebben op het veld. Daarom moet er, zowel door het beleid als door andere actoren in het veld, rekening met hen gehouden worden (ibid.). Dit wordt bevestigd door Wittock, die stelt dat de kuntscène in Vlaanderen uit een bijzonder samenspel tussen kunstenaars, gesubsidieerde musea en

40 organisaties, maar ook private verzamelaars en commerciële galeries [bestaat] (Wittocx 2008). Volgens haar zijn er in België een uitzonderlijk hoog aantal verzamelaars actief, die een belangrijke rol spelen bij het ondersteunen van jonge kunstenaars (ibid.). Enkele verzamelaars (Vanhaerents in Brussel en Vanmoerkerke in Oostende) stelden hun verzameling open voor het grote publiek en vormen op deze manier een goede aanvulling op de werking en verzamelingen van de drie musea (ibid.). Een belangrijke actor in het marktcircuit zijn de galeries. De Beroepsvereniging van Handelaars in de Hedendaagse Kunst onderscheidt drie categorieën: de ingehuurde galerie, die louter haar ruimtes tegen een huurprijs ter beschikking van kunstenaars [stelt] ; de handelaar, die zich enkel op de pure verkoop [concentreert] ; en ten slotte de promotiegalerie, die een geheel aan activiteiten [ontwikkelt] die de kunstenaar ondersteunen in zijn positionering binnen het beeldende-kunstennetwerk (Ruyters 2005:149). De eerste twee categorieën zijn redelijk vanzelfsprekend, maar de derde vereist een korte excursie. Ruyters stelt dat deze zogenaamde promotiegalerijen in ons land in een zekere schizofrene positie verkeren: enerzijds worden ze geacht te functioneren als commerciële instellingen [...], anderzijds zoeken ze een artistiek-progressief (en dus minder mercantiel) imago, aansluitend op dat van musea, kunsthallen en andere actuele kunstcentra (ibid.). De promotiegalerij vervult nochtans een cruciale functie in het hedendaagse beeldende-kunstenlandschap, aangezien zij het is die de kunstenaar in de markt moet plaatsen (ibid.:150), en die hem de museale wereld [moet trachten] binnen te loodsen (waarbinnen zijn werk niet meer verhandeld kan worden), zonder hem uit de privémarkt weg te halen ; ze moet met andere woorden een subtiel evenwicht vinden tussen private en openbare collectioneur (ibid.). De eerste twee types galeries zijn redelijk vast omlijnd, maar de promotiegaleries zijn al moeilijker te vatten. Laermans en Gielen hebben het in hun spanningsvelden ook uitgebreider over galeries (zie hieronder). Verder vinden we in het marktcircuit naast galeries en verzamelaars ook nog kunstbeurzen en veilinghuizen, actoren die voor zich spreken. [40] Centraal in het veld staat de individuele kunstenaar, volgens de BBK de centrale speler. Hij blijft over de hele lijn een scheppende kunstenaar, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de podiumkunsten, waar het veel vaker over uitvoerende kunstenaars gaat (Kunsten en Erfgoed 2009a:10). De kunstenaar kan apart te werk gaan bij een creatie, of samen met andere kunstenaars in een collectief. De Wit stelt dat de kunstenaarspraktijk meer en meer hybride [wordt] (een mix van onderzoeksgerichte projecten, contextgevoelige projecten, installaties, opdrachten, tentoonstellingen, samenwerkingsverbanden, werken in culturele en private omgevingen enz.) (De Wit 2011:54). Hierdoor ontstaan binnen het productieveld nieuwe initiatieven rond productie en management, zoals de hierboven beschreven werkplaatsen, maar ook producerende galeries en centra voor beeldende kunst. Ten slotte vermeldt De Wit nog dat kunstenaars meer opdrachten [krijgen] en worden uitgenodigd om met bestaande contexten te werken in publieke ruimte, in bedrijven, in sociale contexten en gemeenschappen (wijken, scholen, doelgroepen), waardoor meer initiatieven rond kunst in publieke ruimte, kunst in bedrijven, socio-artistieke projecten [en] kunst in onderwijsinstellingen tot stand komen (ibid.). De individualiteit van de kunstenaar is volgens Laermans en Gielen een van de belangrijkste redenen waarom de sector zich zo moeilijk in kaart laat brengen: De wereld van de actuele kunsten omvat namelijk nogal wat mensen die opvallend sterk op hun individuele autonomie staan. Ze willen vaak niet op hun concrete veldpositie worden aangesproken, maar vinden hun eigen mening, kunstvisie en/of artistieke engagement doorslaggevend voor wat ze doen (in: Vansteenkiste 2005:161).

41 Nochtans kàn een kunstenaar nauwelijks functioneren zonder intensief samen te werken met anderen in het veld. Hierover hebben we het later nog even. Binnen het veld bestaan er ook structuren als werkplaatsen, die de organisatorische, inhoudelijke en technische voorwaarden voor beeldende kunstenaars [scheppen] om bepaalde projecten te realiseren (Kunsten en Erfgoed 2009a:9): Zo stimuleren zij een verdere ontwikkeling. Ze selecteren kunstenaars uit binnen- en buitenland, jong en ervaren. Zij bieden hun, in de eigen ruimtes maar zonodig ook daarbuiten, deskundige begeleiding; zij doen hijerbij een beroep op een nationaal en internationaal netwerk van experts. Verblijfsmogelijkheden zijn een pluspunt. Het gebeurt al is dit niet absoluut noodzakelijk dat de creaties uit de werkplaats publiek worden gemaakt (bijvoorbeeld via toonmomenten, workshops en lezingen). Het is aan te bevelen dat een werkplaats de betrokken kunstenaars behulpzaam is in de contacten met musea, kunstorganisaties, galeries, enz. (ibid.). De werkplaatsen zijn, ondanks hun zeer flexibele functie, redelijk strak omlijnd. We plaatsen ze in de landschapstekening binnen het vak van de kunstenaar. Ten slotte vermeldt de BBK nog enkele ondersteunende organisaties die zich in de marge van het veld bevinden. Zo is er BAM, het steunpunt voor de beeldende en mediakunsten, dat door de overheid werd opgericht om kennis en informatie [te] verzamelen en verspreiden; een platform [te] bieden voor praktijkonderzoek en ontwikkeling; als draaischijf [te] fungeren tussen beleid en praktijk; de contacten te bevorderen tussen [de] Vlaamse beeldende kunstscène en de internationale context (Kunsten en Erfgoed 2009a:10). Naast het steunpunt bestaat er ook een kunstenloket, waar belanghebbenden terecht kunnen over informatie over o.a. fiscale en juridische onderwerpen (ibid.). Het BKK wijst ook op het kunstenaarsstatuut, een instrument dat door de overheid in het leven is geroepen om voor o.a. sociale lasten beter in te kunnen spelen op de bijzondere sociale en arbeidssituatie waarin veel kunstenaars zich bevinden. Ten slotte hebben professionele organisaties en musea ook een ledenorganisatie die zich opwerpt als belangenbehartiger en overlegplatform (ibid.). Naast deze drie kunnen we ook de gespecialiseerde publicaties vermelden, die in het veld een veeleer observerende functie vervullen, zoals bijvoorbeeld De Witte Raaf. Hun belang voor de evolutie van het veld mogen we evenwel niet onderschatten, aangezien zij via hun nadruk en focus het kaf van het koren scheiden. Ten slotte spelen ook de overheid via haar subsidiepolitiek en de media via hun kritische reflectie een belangrijke rol in het sturen van de richting van het veld. De overige actoren op de landschapstekening spreken voor zich 28. [41] Standpunt Zelfs in de summiere presentatie van de verschillende actoren die we hierboven gaven, blijken al onmiddellijk problemen op te duiken. We zien een erg divers en rijk landschap, met een grote hoeveelheid verschillende actoren, die op verschillende plaatsen in het veld actief zijn, verschillende finaliteiten hebben en gezamenlijk een enorm aantal functies vervullen. Waar het schoentje echter wringt, is bij de actoren waarover we zeiden dat ze nogal vaag zijn. Met deze ook enigszins vage bewoording bedoelen we die actoren die binnen de sector 28 De BBK vermeldt overigens ook nog een drietal interessante lacunes in het veld. Zo wordt erop gewezen dat Vlaanderen niet echt over een centrum voor onderzoek beschikt (Kunsten en Erfgoed 2009a:10). Ten tweede is er volgens de BKK ook veel te weinig aandacht voor archivering en digitalisering (ibid.). Ten slotte wordt er gevraagd naar coördinatie van restauratie over het hele veld een taak die de BKK zou toewijzen aan de musea (ibid.).

42 één of meer functies uitvoeren die niet echt welomschreven zijn, en daarom aan nogal wat veranderingen en onduidelijkheden onderhevig zijn. In het bijzonder hebben we het dan onder andere over de CBK s, de promotiegaleries en de organisaties met een centrale werking in de beeldende kunsten. Van andere actoren, zoals de commerciële galeries, de verzamelaars en de cultuurcentra, kan veel makkelijker gezegd worden wat hun specifieke rol in de sector is, en hoe en op welke manier ze die uitvoeren. De drie aangehaalde actoren zijn heel wat moeilijker in een hokje op te delen. De promotiegalerieën bevinden zich bijvoorbeeld net op de grens de veeleer culturele promotie van een artiest en het veeleer commerciële verkopen van zijn werken. De CBK s en de beeldende-kunstenorganisaties worden evenzeer vaag gedefinieerd, en voeren een zeer uiteenlopend gamma activiteiten uit, gaande van promotie en verkoop tot experiment en onderzoek. Over al deze actoren kunnen we tevens zeggen dat ze erg moeilijk een concrete plaats in het schema te geven zijn. Uiteraard draagt dit bij tot de veelzijdigheid van de sector, maar het kan niettemin ook grote problemen met zich meebrengen, zeker in de zoektocht naar een geschikte rechtspersoon. Ook de kunstenaar zelf, het creatieve brein van de sector, bevindt zich in een moeilijke positie, waarbij hij naast creëren ook verschillende netwerken moet aanleggen, en in een vroeger stadium van zijn carrière soms zelf instaan voor de boekhouding en de verkoop van werk. Dit geeft allerlei complexe situaties, waarin niet meteen duidelijk is waar de hoofdfunctie van de betrokken actor ligt, en die dus moeilijk binnen een juridisch kader te plaatsen zijn. Het gemeen complexe veld waarin kunstenaars anno 2011 moeten opereren, heeft geleid tot hybride organisatievormen, lezen we bij Lauwaert (2011:39). Als voorbeeld geeft ze: kunstenaars die en een collectief productiebureau opstarten en met een galerie werken en voor bepaalde producties ook nog eens assistenten aantrekken (ibid.). Alles wijst daarom naar de noodzaak om na te denken over nieuwe samenwerkingsvormen. Door de sterke groei van nieuwe media, die communicatie aanzienlijk makkelijker en goedkoper maken, is samenwerken in tijdelijke of meer structurele samenwerkingsverbanden, ook geografisch verspreid, [...] makkelijker geworden (ibid., mijn cursivering); zo zijn we tezelfdertijd gefragmenteerder dan ooit (geografisch, maar ook in hoe we onze aandacht verdelen en werken) én toch ook zeer sterk vernetwerkt (ibid.). Dit citaat brengt opnieuw onze onderzoeksvraag naar boven, die we hieronder verder zullen uitwerken. [42] Grosso modo kunnen we de sector opdelen in een aantal circuits, die het makkelijker zullen maken later algemene uitspraken te doen. Allereerst is er het creatiecircuit, waartoe we de beeldende kunstenaar en de werkplaatsen rekenen. Vervolgens benoemen we het marktcircuit, met de galeries, beurzen en verzamelaars. Ten derde stellen we een tooncircuit voor, met de promotiegalerieën en musea, maar ook de cultuur- en kunstencentra. Ten vierde spreken we van een ondersteunend circuit, dat nagenoeg alle ondersteunende actoren, zoals het steunpunt, de media, de overheid en dergelijke meer groepeert. Ten slotte stellen we ook een middenveld voor, waarin de overige, meer flexibele kunstenorganisaties zich bevinden 29. Dit kunnen we samenvatten in het volgende gereduceerde schema: 29 Deze termen gebruiken we hier enkel en alleen ter vereenvoudiging van de complexiteit van het actorenveld, en hebben voor de rest absoluut geen vaste waarde.

43 Fig. 3: Vereenvoudigde voorstelling van het beeldende-kunstenveld. Deze vereenvoudiging geldt slechts als abstractie om een en al duidelijker te maken en doet uiteraard in zekere zin onrecht aan enkele actorengroepen en relaties die in het veld leven, maar het helpt ons wel om een groter overzicht te krijgen over de sector. Nu we de belangrijkste spelers op het beeldende-kunstenbord kort besproken hebben, krijgen we de kans om wat dieper in te gaan op enkele belangrijke spanningen die in het veld leven. Dat doen we hieronder. Vervolgens kijken we naar hoe de sector met deze en andere spanningen omgaat door intensief samen te werken, en bespreken we ook enkele problemen die bij deze samenwerkingen naar boven kunnen komen. [43] 3-3 De dynamiek van de sector De drie spanningsvelden van Gielen en Laermans In Een omgeving voor actuele kunst beschrijven Gielen en Laermans drie cruciale spanningslijnen binnen de hedendaagse beeldende-kunstsector in Vlaanderen. Die studie werd gepubliceerd in 2004, net na de opstart van het Kunstendecreet, en is vandaag de dag misschien niet meer exact zo actueel als zeven jaar geleden. Toch kunnen we stellen dat de bevindingen van Gielen en Laermans ook vandaag nog erg relevant zijn. Naar onze mening reiken ze verder dan de voorbeelden die in de tekst aangehaald worden, en wijzen ze op enkele universelere karaktereigenschappen van het beeldende-kunstenlandschap. a) Collectioneren vs. tonen Een eerste belangrijke spanning binnen het veld ontvouwt zich rond de verhouding tussen het collectioneren en het tonen van artistieke artefacten (Gielen & Laermans 2004:119). Gielen en Laermans argumenteren dat de basisregels voor behoud, beheer en restauratie door veel spelers in dat circuit verwaarloosd raken door een te grote focus op het toon -aspect. Ze verwijzen hierbij onder andere naar de drie grote Vlaamse musea voor hedendaagse kunst, het S.M.A.K. in Gent, het MuHKA in Antwerpen en het P.M.M.K. (nu MuZee) in Oostende, die als façade wel een levendig tentoonstellingsbeleid kunnen presenteren, waar men echter in de

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97 Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk

Nadere informatie

Feitelijke vereniging of VZW? Een overzicht

Feitelijke vereniging of VZW? Een overzicht Feitelijke vereniging of VZW? Een overzicht Ouders die zich willen engageren in de school van hun kind verenigen zich vaak in een ouderraad, oudervereniging, oudercomité. Verschillende begrippen die meestal

Nadere informatie

S e v e n P h o t o s f o r O A S E. K r i j n d e K o n i n g

S e v e n P h o t o s f o r O A S E. K r i j n d e K o n i n g S e v e n P h o t o s f o r O A S E K r i j n d e K o n i n g Even with the most fundamental of truths, we can have big questions. And especially truths that at first sight are concrete, tangible and proven

Nadere informatie

Ontwerp van samenwerkingsakkoord

Ontwerp van samenwerkingsakkoord Ontwerp van samenwerkingsakkoord Tussen: de Franse Gemeenschap Vertegenwoordigd door Mevrouw Fadila LAANAN, Minister van Cultuur, Audiovisuele Zaken, Gezondheid en Gelijkheid van Kansen En: de Vlaamse

Nadere informatie

Bijlage 1: Methode. Respondenten en instrumenten

Bijlage 1: Methode. Respondenten en instrumenten Bijlage 1: Methode In deze bijlage doen wij verslag van het tot stand komen van onze onderzoeksinstrumenten: de enquête en de interviews. Daarnaast beschrijven wij op welke manier wij de enquête hebben

Nadere informatie

Ius Commune Training Programme 2015-2016 Amsterdam Masterclass 16 June 2016

Ius Commune Training Programme 2015-2016 Amsterdam Masterclass 16 June 2016 www.iuscommune.eu Dear Ius Commune PhD researchers, You are kindly invited to attend the Ius Commune Amsterdam Masterclass for PhD researchers, which will take place on Thursday 16 June 2016. During this

Nadere informatie

Uitwerking oefeningen hoofdstuk 7

Uitwerking oefeningen hoofdstuk 7 Uitwerking oefeningen hoofdstuk 7 2 Feedback en commentaar: a. Waar wil de auteur antwoord op geven en hoe doet hij dat? - Introduction Op basis van de opbouw van de tekst kun je - What is multimedia?

Nadere informatie

Projectsubsidies organisaties: doel

Projectsubsidies organisaties: doel Projectsubsidies organisaties: doel De projectsubsidiëring is erop gericht organisaties die niet structureel ondersteund worden, de kans te bieden om één project, afgerond in tijd en doelstelling, te realiseren.

Nadere informatie

Het museum: - beschikt over een kwaliteitslabel als museum - heeft tijdig een aanvraag ingediend voor Vlaamse indeling en subsidiëring

Het museum: - beschikt over een kwaliteitslabel als museum - heeft tijdig een aanvraag ingediend voor Vlaamse indeling en subsidiëring Museum voor Industriële Archeologie en Textiel (MIAT), Gent 1. Gemotiveerd advies van de beoordelingscommissie Collectiebeherende Cultureel-erfgoedorganisaties over indeling bij het Vlaamse niveau en toekenning

Nadere informatie

NATUURLIJK PERSOON VENNOOTSCHAP - VERENIGING

NATUURLIJK PERSOON VENNOOTSCHAP - VERENIGING NATUURLIJK PERSOON VENNOOTSCHAP - VERENIGING 1. Inleiding Als men een onderneming opstart kan men dit doen als natuurlijk persoon, onder vorm van een vennootschap of via een vereniging. 2. Definities -

Nadere informatie

De Invloed van Religieuze Coping op. Internaliserend Probleemgedrag bij Genderdysforie. Religious Coping, Internal Problems and Gender dysphoria

De Invloed van Religieuze Coping op. Internaliserend Probleemgedrag bij Genderdysforie. Religious Coping, Internal Problems and Gender dysphoria De Invloed van Religieuze Coping op Internaliserend Probleemgedrag bij Genderdysforie Religious Coping, Internal Problems and Gender dysphoria Ria de Bruin van der Knaap Open Universiteit Naam student:

Nadere informatie

CREATIEF WERKEN: SMART. Tag Archives: Werken

CREATIEF WERKEN: SMART. Tag Archives: Werken 1 sur 5 23/12/2014 14:54 Tag Archives: Werken CULTUUR, SOCIAAL ONDERNEMERSCHAP, WERKEN CREATIEF WERKEN: SMART 2014/06/23 LEAVE A COMMENT Wat doe je als je van je talent je beroep wil maken wanneer er nog

Nadere informatie

Subsidiemogelijkheden Kunstendecreet

Subsidiemogelijkheden Kunstendecreet Subsidiemogelijkheden Kunstendecreet Meerjarige werkingsubsidies Projectsubsidies (organisaties) Subsidies voor kunstenaars: Ontwikkelingsgerichte beurzen Projectsubsidies voor kunstenaars Creatieopdrachten

Nadere informatie

Subsidiëring in het kader van het Kunstendecreet: Projectsubsidies: - Voor kunstenorganisaties, kunsteducatieve en sociaal-artistieke organisaties

Subsidiëring in het kader van het Kunstendecreet: Projectsubsidies: - Voor kunstenorganisaties, kunsteducatieve en sociaal-artistieke organisaties Subsidiëring in het kader van het Kunstendecreet: Projectsubsidies: - Voor kunstenorganisaties, kunsteducatieve en sociaal-artistieke organisaties -Voor kunstenaars - Periodieke publicaties Algemene principes

Nadere informatie

WERKGROEP. comply or explain PRACTICALIA. Datum: 30 november 2015. EY, De Kleetlaan 2, 1831 Diegem. Nederlands en Frans

WERKGROEP. comply or explain PRACTICALIA. Datum: 30 november 2015. EY, De Kleetlaan 2, 1831 Diegem. Nederlands en Frans WERKGROEP comply or explain PRACTICALIA Datum: 30 november 2015 Locatie: Timing: Taal: EY, De Kleetlaan 2, 1831 Diegem 14u00 17u00 Nederlands en Frans DOELSTELLING Het finale doel is om betere inzichten

Nadere informatie

Rechtsvorm en gebruik van LLP s en LLC s

Rechtsvorm en gebruik van LLP s en LLC s Rechtsvorm en gebruik van LLP s en LLC s Onderzoek door mr. J.M. Blanco Fernández en prof. mr. M. van Olffen (Van der Heijden Instituut, Radboud Universiteit Nijmegen) in opdracht van het Wetenschappelijk

Nadere informatie

Pesten op het werk en de invloed van Sociale Steun op Gezondheid en Verzuim.

Pesten op het werk en de invloed van Sociale Steun op Gezondheid en Verzuim. Pesten op het werk en de invloed van Sociale Steun op Gezondheid en Verzuim. Bullying at work and the impact of Social Support on Health and Absenteeism. Rieneke Dingemans April 2008 Scriptiebegeleider:

Nadere informatie

Vlaamse overheid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Afdeling Strategie en Coördinatie Koning Albert II-laan 35, bus 10 1030 Brussel

Vlaamse overheid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Afdeling Strategie en Coördinatie Koning Albert II-laan 35, bus 10 1030 Brussel Evaluatie van beleid en beleidsinstrumenten Protocol tussen de entiteit 1 verantwoordelijk voor de (aansturing van de) evaluatie en (de instelling verantwoordelijk voor) het beleidsinstrument Vlaamse overheid

Nadere informatie

Tabel competentiereferentiesysteem

Tabel competentiereferentiesysteem Bijlage 3 bij het ministerieel besluit van tot wijziging van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling

Nadere informatie

Ontpopping. ORGACOM Thuis in het Museum

Ontpopping. ORGACOM Thuis in het Museum Ontpopping Veel deelnemende bezoekers zijn dit jaar nog maar één keer in het Van Abbemuseum geweest. De vragenlijst van deze mensen hangt Orgacom in een honingraatpatroon. Bezoekers die vaker komen worden

Nadere informatie

20/04/2013: Kwalitatief vs. Kwantitatief

20/04/2013: Kwalitatief vs. Kwantitatief 20/04/2013: Kwalitatief vs. Kwantitatief Wat is exact het verschil tussen kwalitatief en kwantitatief marktonderzoek in termen van onderzoek (wat doe je) in termen van resultaat (wat kan je er mee) in

Nadere informatie

Media en creativiteit. Winter jaar vier Werkcollege 7

Media en creativiteit. Winter jaar vier Werkcollege 7 Media en creativiteit Winter jaar vier Werkcollege 7 Kwartaaloverzicht winter Les 1 Les 2 Les 3 Les 4 Les 5 Les 6 Les 7 Les 8 Opbouw scriptie Keuze onderwerp Onderzoeksvraag en deelvragen Bespreken onderzoeksvragen

Nadere informatie

INVLOED VAN CHRONISCHE PIJN OP ERVAREN SOCIALE STEUN. De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren

INVLOED VAN CHRONISCHE PIJN OP ERVAREN SOCIALE STEUN. De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren Sociale Steun The Effect of Chronic Pain and the Moderating Effect of Gender on Perceived Social Support Studentnummer:

Nadere informatie

Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme

Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effects of Contact-oriented Play and Learning in the Relationship between parent and child with autism Kristel Stes Studentnummer:

Nadere informatie

Inhoudsopgave Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Inhoudsopgave Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Validatie van het EHF meetinstrument tijdens de Jonge Volwassenheid en meer specifiek in relatie tot ADHD Validation of the EHF assessment instrument during Emerging Adulthood, and more specific in relation

Nadere informatie

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind.

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Bullying among Students with Autism Spectrum Disorders in Secondary

Nadere informatie

COGNITIEVE DISSONANTIE EN ROKERS COGNITIVE DISSONANCE AND SMOKERS

COGNITIEVE DISSONANTIE EN ROKERS COGNITIVE DISSONANCE AND SMOKERS COGNITIEVE DISSONANTIE EN ROKERS Gezondheidsgedrag als compensatie voor de schadelijke gevolgen van roken COGNITIVE DISSONANCE AND SMOKERS Health behaviour as compensation for the harmful effects of smoking

Nadere informatie

De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en. Discrepantie

De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en. Discrepantie De Relatie tussen Betrokkenheid bij Pesten en Welbevinden en de Invloed van Sociale Steun en Discrepantie The Relationship between Involvement in Bullying and Well-Being and the Influence of Social Support

Nadere informatie

Tevredenheidsonderzoek bij klanten van interim management (providers)

Tevredenheidsonderzoek bij klanten van interim management (providers) FEDERGON OPDRACHTGEVERS BEOORDELEN INTERIM MANAGEMENT PROVIDERS POSITIEF Tevredenheidsonderzoek bij klanten van interim management (providers) Tevredenheidsonderzoek bij de klanten van interim management

Nadere informatie

DE RECHTEN VAN DE VRIJWILLIGER EN PLICHTEN VAN DE ORGANISATIE. 1. Situering algemene informatie over het aantal vrijwilligers

DE RECHTEN VAN DE VRIJWILLIGER EN PLICHTEN VAN DE ORGANISATIE. 1. Situering algemene informatie over het aantal vrijwilligers DE RECHTEN VAN DE VRIJWILLIGER EN PLICHTEN VAN DE ORGANISATIE 1. Situering algemene informatie over het aantal vrijwilligers 2. Wettelijke initiatieven 1) wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van

Nadere informatie

Voor wat dividenduitkeringen uit vennootschappen betreft, zijn er verregaande wijzigingen aan het fiscaal regime dat die ondergaan.

Voor wat dividenduitkeringen uit vennootschappen betreft, zijn er verregaande wijzigingen aan het fiscaal regime dat die ondergaan. Beste klant, Voor wat dividenduitkeringen uit vennootschappen betreft, zijn er verregaande wijzigingen aan het fiscaal regime dat die ondergaan. 1. De belangrijkste wijziging betreft de roerende voorheffing

Nadere informatie

Interview met minister Joke Schauvliege

Interview met minister Joke Schauvliege Interview met minister Joke Schauvliege over de rol en de toekomst van etnisch-culturele federaties in Vlaanderen. Dertien etnisch-cultureel diverse federaties zijn erkend binnen het sociaalcultureel werk.

Nadere informatie

Functies die toegang geven tot Private Search (lezen, wijzigen, mandaat geven)

Functies die toegang geven tot Private Search (lezen, wijzigen, mandaat geven) Functies die toegang geven tot Private Search (lezen, wijzigen, mandaat geven) Ondernemingen- natuurlijk persoon Oprichter van de onderneming- natuurlijk persoon Wettelijke vertegenwoordiger van de oprichter

Nadere informatie

32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid. Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid. Brief van de minister van Buitenlandse Zaken 32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid Nr. 5 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 26 april 2012 Mede namens de Staatssecretaris

Nadere informatie

Onderstaande vragen zijn gesteld tijdens kennismakingsbijeenkomsten met de stad.

Onderstaande vragen zijn gesteld tijdens kennismakingsbijeenkomsten met de stad. Vragen en antwoorden Onderstaande vragen zijn gesteld tijdens kennismakingsbijeenkomsten met de stad. De aanvraagtermijn is minimaal 12 weken voordat de activiteit start. Maar sommige activiteiten vergen

Nadere informatie

INKOMSTEN BEELDENDE KUNSTENAARS

INKOMSTEN BEELDENDE KUNSTENAARS INKOMSTEN BEELDENDE KUNSTENAARS In het kader van de opdracht coördinatie en verruiming van het sociaal overleg in de artistieke sector wil het Kunstenloket met dit onderzoek nagaan op welke manier beeldende

Nadere informatie

Samen aan de IJssel Inleiding

Samen aan de IJssel Inleiding Samen aan de IJssel Samenwerking tussen de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel, kaders voor een intentieverklaring en voor een onderzoek. Inleiding De Nederlandse gemeenten bevinden

Nadere informatie

Voorpublicatie Vertrouwen in de wetenschap

Voorpublicatie Vertrouwen in de wetenschap Voorpublicatie Vertrouwen in de wetenschap Augustus 2015 Het meeste wetenschappelijk onderzoek wordt betaald door de overheid uit publieke middelen. De gevolgen van wetenschappelijke kennis voor de samenleving

Nadere informatie

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving Onderzoeksopzet Marktonderzoek Klantbeleving Utrecht, september 2009 1. Inleiding De beleving van de klant ten opzichte van dienstverlening wordt een steeds belangrijker onderwerp in het ontwikkelen van

Nadere informatie

ONDERZOEK VOOR JE PROFIELWERKSTUK HOE DOE JE DAT?

ONDERZOEK VOOR JE PROFIELWERKSTUK HOE DOE JE DAT? ONDERZOEK VOOR JE PROFIELWERKSTUK HOE DOE JE DAT? Wim Biemans Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit Economie & Bedrijfswetenschappen 4 juni, 2014 2 Het doen van wetenschappelijk onderzoek Verschillende

Nadere informatie

Aanvraagformulier openen Rabo Business Account voor een feitelijke vereniging

Aanvraagformulier openen Rabo Business Account voor een feitelijke vereniging Aanvraagformulier openen abo Business Account voor een feitelijke vereniging Gegevens van de feitelijke vereniging: Sociale benaming: Oprichtingsdatum: Doel van de vereniging: BTW-nummer: ]]]]]]]]] ]]]]]]]]]

Nadere informatie

Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland

Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland 1. Londen In Londen kunnen gebruikers van een scootmobiel contact opnemen met een dienst

Nadere informatie

HOGE RAAD VOOR DE ZELFSTANDIGEN EN DE KMO

HOGE RAAD VOOR DE ZELFSTANDIGEN EN DE KMO HOGE RAAD VOOR DE ZELFSTANDIGEN EN DE KMO N EU - Contractenrecht A03 Brussel, 9 december 2010 MH/SL/AS A D V I E S over DE CONSULTATIE VAN DE EUROPESE COMMISSIE OVER HET EUROPEES CONTRACTENRECHT VOOR CONSUMENTEN

Nadere informatie

De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim

De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim The Relationship between Work Pressure, Mobbing at Work, Health Complaints and Absenteeism Agnes van der Schuur Eerste begeleider:

Nadere informatie

MEET, LEARN, EXPERIENCE

MEET, LEARN, EXPERIENCE MEET, LEARN, EXPERIENCE Dynamiek, het is de energie die ons in beweging houdt, en ons sterk maakt in een wereld die constant verandert. Het houdt ons scherp en alert. Het doet ons bewegen, stappen vooruit

Nadere informatie

Thomas Voorbeeld. Thomas Leiderschap Vragenlijst. Persoonlijk & Vertrouwelijk

Thomas Voorbeeld. Thomas Leiderschap Vragenlijst. Persoonlijk & Vertrouwelijk 360-rapport Thomas Voorbeeld Thomas Leiderschap Vragenlijst Persoonlijk & Vertrouwelijk Inhoud Inleiding Toelichting bij het 360-rapport Gemiddelde per competentie Weergave van de 5 hoogste en 5 laagste

Nadere informatie

blur Aukje Fleur Janssen & Roos Gomperts Volvo Design Challange

blur Aukje Fleur Janssen & Roos Gomperts Volvo Design Challange blur Aukje Fleur Janssen & Roos Gomperts Volvo Design Challange blur (NL for English see bellow) Aukje Fleur Janssen & Roos Gomperts Volvo Design Challenge Voor Volvo Design Challenge bundelden we onze

Nadere informatie

Extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm Dr. Steven Van Garsse Manager Vlaams Kenniscentrum PPS Overzicht Inleiding Begrip Wanneer Welke vorm Statuut PEVA s praktisch Onderscheid

Nadere informatie

THE WEB 3.0 CLOTHING BUYING EXPERIENCE. Masterproef Propositie

THE WEB 3.0 CLOTHING BUYING EXPERIENCE. Masterproef Propositie THE WEB 3.0 CLOTHING BUYING EXPERIENCE Masterproef Propositie Tom Knevels Communicatie & MultimediaDesign 2011-2012 KERNWOORDEN Online in combinatie met offline kopen, beleving/ervaring, vertrouwen, kledij

Nadere informatie

Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: The Manager as a Resource.

Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: The Manager as a Resource. Open Universiteit Klinische psychologie Masterthesis Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: De Leidinggevende als hulpbron. Emotional Job Demands, Vitality and Opportunities

Nadere informatie

infonota Ondernemingsvormen De eenmanszaak De vennootschap

infonota Ondernemingsvormen De eenmanszaak De vennootschap Ondernemingsvormen De eenmanszaak De eenmanszaak is een ondernemingsvorm waarbij de onderneming wordt opgericht door een natuurlijk persoon (oprichter). De éénmanszaak wordt ook wel 'onderneming natuurlijk

Nadere informatie

Wat is jouw voorkeursstijl voor conflicten?

Wat is jouw voorkeursstijl voor conflicten? Wat is jouw voorkeursstijl voor conflicten? Conflictstijlen test Bron: K.W. Thomas & R.H. Kilmann Inhoud/doel: Doel van deze vragenlijst is inzicht verkrijgen in de persoonlijke manier waarop iemand met

Nadere informatie

De vragenlijst van de openbare raadpleging

De vragenlijst van de openbare raadpleging SAMENVATTING De vragenlijst van de openbare raadpleging Tussen april en juli 2015 heeft de Europese Commissie een openbare raadpleging gehouden over de vogel- en de habitatrichtlijn. Deze raadpleging maakte

Nadere informatie

2.3.2. Wie is er bevoegd om het huishoudelijk reglement op te stellen?

2.3.2. Wie is er bevoegd om het huishoudelijk reglement op te stellen? DEEL 1: DE IDENTITEITSKAART VAN DE VZW 23 de wijze van benoeming, ambtsbeëindiging en afzetting van de bestuurders, de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen, ofwel alleen, ofwel

Nadere informatie

Y.S. Lubbers en W. Witvoet

Y.S. Lubbers en W. Witvoet WEBDESIGN Eigen Site Evaluatie door: Y.S. Lubbers en W. Witvoet 1 Summary Summary Prefix 1. Content en structuur gescheiden houden 2. Grammaticaal correcte en beschrijvende markup 3. Kopregels 4. Client-

Nadere informatie

Gecoördineerde tekst:

Gecoördineerde tekst: Gecoördineerde tekst: Decreet van 27 oktober 1998 houdende de erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (B.S.22-12-1998) Decreet

Nadere informatie

Bijlage 2 Bedrijfsplan GovUnited. [Separaat bijgevoegd]

Bijlage 2 Bedrijfsplan GovUnited. [Separaat bijgevoegd] Bijlage 2 Bedrijfsplan GovUnited [Separaat bijgevoegd] Bijlage 3 Rechtsvormen Inleiding De keuze voor een juridische vorm van een zelfstandige samenwerkingsorganisatie kent diverse afwegingen. Ze verschillen

Nadere informatie

Abstract Waaier van Merken Een inventarisatie van branding in de Nederlandse gesubsidieerde theatersector Margriet van Weperen

Abstract Waaier van Merken Een inventarisatie van branding in de Nederlandse gesubsidieerde theatersector Margriet van Weperen Abstract Waaier van Merken Een inventarisatie van branding in de Nederlandse gesubsidieerde theatersector Margriet van Weperen Bachelorscriptie Kunsten, Cultuur en Media Rijksuniversiteit Groningen Begeleider:

Nadere informatie

Het glazen plafond in de Nederlandse culturele sector Een samenvatting

Het glazen plafond in de Nederlandse culturele sector Een samenvatting Het glazen plafond in de Nederlandse culturele sector Een samenvatting Noem drie namen van leidinggevende vrouwen in de kunst- en cultuurwereld : het zou een quizvraag kunnen zijn. Nochtans is er veel

Nadere informatie

Verschillen in het Gebruik van Geheugenstrategieën en Leerstijlen. Differences in the Use of Memory Strategies and Learning Styles

Verschillen in het Gebruik van Geheugenstrategieën en Leerstijlen. Differences in the Use of Memory Strategies and Learning Styles Verschillen in het Gebruik van Geheugenstrategieën en Leerstijlen tussen Leeftijdsgroepen Differences in the Use of Memory Strategies and Learning Styles between Age Groups Rik Hazeu Eerste begeleider:

Nadere informatie

UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT GENEESKUNDE EN GEZONDHEIDSWETENSCHAPPEN Medisch-Sociale Wetenschappen Optie Beheer & Beleid Academiejaar 2003-2004

UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT GENEESKUNDE EN GEZONDHEIDSWETENSCHAPPEN Medisch-Sociale Wetenschappen Optie Beheer & Beleid Academiejaar 2003-2004 UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT GENEESKUNDE EN GEZONDHEIDSWETENSCHAPPEN Medisch-Sociale Wetenschappen Optie Beheer & Beleid Academiejaar 2003-2004 STUDIE NAAR DE RELEVANTIE VAN MISSION STATEMENTS IN VLAAMSE

Nadere informatie

Kennisdeling in lerende netwerken

Kennisdeling in lerende netwerken Kennisdeling in lerende netwerken Managementsamenvatting Dit rapport presenteert een onderzoek naar kennisdeling. Kennis neemt in de samenleving een steeds belangrijker plaats in. Individuen en/of groepen

Nadere informatie

WELKE JAS DRAAGT UW BEDRIJF? (UITGAVE 2012)

WELKE JAS DRAAGT UW BEDRIJF? (UITGAVE 2012) WELKE JAS DRAAGT UW BEDRIJF? (UITGAVE 2012) Met jas bedoelen wij het juridische jasje, oftewel de rechtsvorm. Inleiding Het Nederlandse recht kent (onder meer) de volgende rechtsvormen: 1. eenmanszaak;

Nadere informatie

Pascale Peters (Radboud Universiteit) Laura den Dulk (Universiteit Utrecht) Judith de Ruijter (A&O Consult)

Pascale Peters (Radboud Universiteit) Laura den Dulk (Universiteit Utrecht) Judith de Ruijter (A&O Consult) Mag ik thuiswerken? Een onderzoek naar de attitudes van managers t.a.v. telewerkverzoeken Pascale Peters (Radboud Universiteit) Laura den Dulk (Universiteit Utrecht) Judith de Ruijter (A&O Consult) Nederland

Nadere informatie

Memo Academic Skills; the basis for better writers

Memo Academic Skills; the basis for better writers Memo Academic Skills; the basis for better writers With the rise of broader bachelor degrees and the University College, Dutch universities are paying more attention to essays and other written assignments.

Nadere informatie

Interne organisatie beïnvloedt effectiviteit en efficiëntie

Interne organisatie beïnvloedt effectiviteit en efficiëntie Interne organisatie beïnvloedt effectiviteit en efficiëntie Systematische vergelijking van de interne organisatie en prestaties van corporaties toont aan dat kleine corporaties met veel ervaring als maatschappelijke

Nadere informatie

Loopbaanbeleid in Belgische organisaties: op weg naar duurzame loopbanen? Prof. dr. Ans De Vos

Loopbaanbeleid in Belgische organisaties: op weg naar duurzame loopbanen? Prof. dr. Ans De Vos Loopbaanbeleid in Belgische organisaties: op weg naar duurzame loopbanen? Prof. dr. Ans De Vos Wat als...? Loopbanen verantwoord organiseren? Loslaten Binden Loopbanen: it takes two to tango... maar wat

Nadere informatie

CKV Festival 2012. CKV festival 2012

CKV Festival 2012. CKV festival 2012 C CKV Festival 2012 Het CKV Festival vindt in 2012 plaats op 23 en 30 oktober. Twee dagen gaan de Bredase leerlingen van het voortgezet onderwijs naar de culturele instellingen van Breda. De basis van

Nadere informatie

Uw brief van Uw kenmerk: Ons kenmerk: Bijlage: III.21/721.40.067/358/06 model-document Contactpersoon : E-mail: Tel.: Fax: Frank VERDUYN Call Center

Uw brief van Uw kenmerk: Ons kenmerk: Bijlage: III.21/721.40.067/358/06 model-document Contactpersoon : E-mail: Tel.: Fax: Frank VERDUYN Call Center vda Brussel Burgemeesters Provinciegouverneurs Instellingen en Bevolking Bevolking Arrondissementscommissarissen Uw brief van Uw kenmerk: Ons kenmerk: Bijlage: III.21/721.40.067/358/06 model-document Contactpersoon

Nadere informatie

De Relatie tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen; de Modererende Rol van de Aanwezigheid van de Partner

De Relatie tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen; de Modererende Rol van de Aanwezigheid van de Partner De Relatie tussen Momentaan Affect en Seksueel Verlangen; de Modererende Rol van de Aanwezigheid van de Partner The association between momentary affect and sexual desire: The moderating role of partner

Nadere informatie

Naslagwerk KOERS. Producten van dit documenten zijn:

Naslagwerk KOERS. Producten van dit documenten zijn: Naslagwerk KOERS Dit document is bedoeld om ieder individu een eigen beeld te laten formuleren van de eigen koers als werkend mens en vervolgens als functionaris. Daarna kun je collectief de afdelingskoers

Nadere informatie

Experience Tracker is de eerste praktische tool op dit vlak in Vlaanderen en vermoedelijk ook in Europa. Deze tool zal zorgen dat:

Experience Tracker is de eerste praktische tool op dit vlak in Vlaanderen en vermoedelijk ook in Europa. Deze tool zal zorgen dat: De opportuniteit In de huidige productmaatschappij hebben consumenten doorgaans de keuze uit een ruim assortiment producten om een bepaalde behoefte te bevredigen. Bijgevolg is het product op zich niet

Nadere informatie

FUNCTIEFAMILIE 5.3 Projectmanagement

FUNCTIEFAMILIE 5.3 Projectmanagement Doel van de functiefamilie Leiden van projecten en/of deelprojecten de realisatie van de afgesproken projectdoelstellingen te garanderen. Context: In lijn met de overgekomen normen in termen van tijd,

Nadere informatie

Op de vraag of men de artikelen zelf in het Engels schrijft, gaf één wetenschapper het volgende aan:

Op de vraag of men de artikelen zelf in het Engels schrijft, gaf één wetenschapper het volgende aan: NEDERLANDS, TENZIJ Onderzoek Vakgroep Marktkunde en Marktonderzoek RUG In dit onderzoek zijn de volgende vragen geformuleerd: Welke factoren zijn op dit moment van invloed op de beslissing of Nederlandse

Nadere informatie

LEIDING GEVEN. Functiefamilie: Niveau: Doel van de functiefamilie

LEIDING GEVEN. Functiefamilie: Niveau: Doel van de functiefamilie Functiefamilie: Niveau: LEIDING GEVEN D Doel van de functiefamilie Instaan voor de coördinatie en de opvolging van de werkzaamheden van een administratieve of operationele entiteit waarin men medewerkers

Nadere informatie

Tax Shelter voor Starters - Checklist met betrekking tot RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN in Startersvennootschappen

Tax Shelter voor Starters - Checklist met betrekking tot RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN in Startersvennootschappen 7 september 2015 Tax Shelter voor Starters - Checklist met betrekking tot RECHTSTREEKSE INVESTERINGEN in Startersvennootschappen Deze checklist heeft betrekking op rechtstreekse investeringen in een Startersvennootschap.

Nadere informatie

BELEIDSPLAN. Brederodestraat 104 4 1054 VG Amsterdam Nederland. www.stichtingopen.nl info@stichtingopen.nl Rabobank: NL44RABO0143176986

BELEIDSPLAN. Brederodestraat 104 4 1054 VG Amsterdam Nederland. www.stichtingopen.nl info@stichtingopen.nl Rabobank: NL44RABO0143176986 BELEIDSPLAN Brederodestraat 104 4 1054 VG Amsterdam Nederland www.stichtingopen.nl info@stichtingopen.nl Rabobank: NL44RABO0143176986 BELEIDSPLAN STICHTING OPEN 1 1. INLEIDING Voor u ligt het beleidsplan

Nadere informatie

Akte Oprichting TITEL 1 NAAM ZETEL DOEL - DUUR. De vereniging heeft als naam overlegplatform voor energiedeskundigen, afgekort OVED.

Akte Oprichting TITEL 1 NAAM ZETEL DOEL - DUUR. De vereniging heeft als naam overlegplatform voor energiedeskundigen, afgekort OVED. Akte Oprichting Benaming: OVED: Overlegplatform voor energiedeskundigen Rechtsvorm: Vereniging zonder Winstoogmerk Zetel: 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 1007 De ondergetekenden, - E-STER bvba, Koning Albertlaan

Nadere informatie

Psychological Determinants of Absenteeism at Work by Pregnant Women. Psychologische determinanten van uitval uit het arbeidsproces door zwangere

Psychological Determinants of Absenteeism at Work by Pregnant Women. Psychologische determinanten van uitval uit het arbeidsproces door zwangere Psychological Determinants of Absenteeism at Work by Pregnant Women Psychologische determinanten van uitval uit het arbeidsproces door zwangere vrouwen: Onderzoek naar de relatie tussen angst, depressieve

Nadere informatie

Coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cv/cvba)

Coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cv/cvba) Coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cv/cvba) Omschrijving van de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cv/cvba) Cvba is de afkorting van coöperatieve vennootschap

Nadere informatie

Risk & Requirements Based Testing

Risk & Requirements Based Testing Risk & Requirements Based Testing Tycho Schmidt PreSales Consultant, HP 2006 Hewlett-Packard Development Company, L.P. The information contained herein is subject to change without notice Agenda Introductie

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2012/8 De boekhoudkundige verwerking van de inbreng in eigendom in een Belgische burgerlijke maatschap die niet de rechtsvorm heeft aangenomen van een handelsvennootschap

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden De Europese Ministerraad hechtte op 25 juli 1985 zijn goedkeuring

Nadere informatie

DECREET. houdende de erkenning en de subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur

DECREET. houdende de erkenning en de subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur VLAAMS PARLEMENT DECREET houdende de erkenning en de subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Artikel 1

Nadere informatie

het Domein patiëntenperspectief

het Domein patiëntenperspectief het Domein patiëntenperspectief omschrijving: Het effect van de behandeling op de levenskwaliteit van de patiënt, gemeten op basis van een combinatie van een objectieve (op basis van meetschalen) en een

Nadere informatie

10 onmisbare vaardigheden voor. de ambtenaar van de toekomst. 10 vaardigheden. Netwerken. Presenteren. Argumenteren 10. Verbinden.

10 onmisbare vaardigheden voor. de ambtenaar van de toekomst. 10 vaardigheden. Netwerken. Presenteren. Argumenteren 10. Verbinden. 10 vaardigheden 3 Netwerken 7 Presenteren 1 Argumenteren 10 Verbinden Beïnvloeden 4 Onderhandelen Onderzoeken Oplossingen zoeken voor partijen wil betrekken bij het dat u over de juiste capaciteiten beschikt

Nadere informatie

Palliatieve Zorg. Onderdeel: Kwalitatief onderzoek. Naam: Sanne Terpstra Studentennummer: 500646500 Klas: 2B2

Palliatieve Zorg. Onderdeel: Kwalitatief onderzoek. Naam: Sanne Terpstra Studentennummer: 500646500 Klas: 2B2 Palliatieve Zorg Onderdeel: Kwalitatief onderzoek Naam: Sanne Terpstra Studentennummer: 500646500 Klas: 2B2 Inhoudsopgave Inleiding Blz 2 Zoekstrategie Blz 3 Kwaliteitseisen van Cox et al, 2005 Blz 3 Kritisch

Nadere informatie

Beoordeling van het PWS

Beoordeling van het PWS Weging tussen de drie fasen: 25% projectvoorstel, 50% eindverslag, 25% presentatie (indien de presentatie het belangrijkste onderdeel is (toneelstuk, balletuitvoering, muziekuitvoering), dan telt de presentatie

Nadere informatie

CSRQ Center Rapport over onderwijsondersteunende organisaties: Samenvatting voor onderwijsgevenden

CSRQ Center Rapport over onderwijsondersteunende organisaties: Samenvatting voor onderwijsgevenden CSRQ Center Rapport over onderwijsondersteunende organisaties: Samenvatting voor onderwijsgevenden Laatst bijgewerkt op 25 november 2008 Nederlandse samenvatting door TIER op 5 juli 2011 Onderwijsondersteunende

Nadere informatie

Sessie 5: Methodes voor dataverzameling

Sessie 5: Methodes voor dataverzameling Sessie 5: Methodes voor dataverzameling en -analyse Overzicht van de presentatie Deel I: Fien Depaepe Vragenlijsten Interviews Observaties Deel II: Kristof De Witte Methodologische heterogeniteit Voor-

Nadere informatie

04/11/2013. Sluitersnelheid: 1/50 sec = 0.02 sec. Frameduur= 2 x sluitersnelheid= 2/50 = 1/25 = 0.04 sec. Framerate= 1/0.

04/11/2013. Sluitersnelheid: 1/50 sec = 0.02 sec. Frameduur= 2 x sluitersnelheid= 2/50 = 1/25 = 0.04 sec. Framerate= 1/0. Onderwerpen: Scherpstelling - Focusering Sluitersnelheid en framerate Sluitersnelheid en belichting Driedimensionale Arthrokinematische Mobilisatie Cursus Klinische Video/Foto-Analyse Avond 3: Scherpte

Nadere informatie

Software Engineering. Universiteit Antwerpen

Software Engineering. Universiteit Antwerpen Software Engineering 3de BAC Informatica (Computer Science) [Academic year 2010-2011] Prof. Serge Demeyer Universiteit Antwerpen HOOFDSTUK 0 Praktische Zaken Doel Professionele Informaticus Plaats in het

Nadere informatie

Meedoen& Meetellen. Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals

Meedoen& Meetellen. Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals Meedoen& Meetellen Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals Samenstelling trainingsmodule Eline Roelofsen Roel Schulte www.verwondering.nu Illustratie

Nadere informatie

Gelet op het auditoraatsrapport van de Kruispuntbank van 6 september 2004;

Gelet op het auditoraatsrapport van de Kruispuntbank van 6 september 2004; SCSZ/04/105 BERAADSLAGING NR 04/034 VAN 5 OKTOBER 2004 M.B.T. DE MEDEDELING VAN PERSOONSGEGEVENS DOOR DE KRUISPUNTBANK VAN DE SOCIALE ZEKERHEID AAN HET FOREM MET HET OOG OP DE EVALUATIE VAN HET PLAN FORMATION-INSERTION

Nadere informatie

Formuleren van de onderwijsdoelen van de bacheloropleidingen aan de UA

Formuleren van de onderwijsdoelen van de bacheloropleidingen aan de UA Formuleren van de onderwijsdoelen van de bacheloropleidingen aan de UA Inleiding Tijdens de eerste studiedag van de BAMA-werkgroep op 10 oktober l.l. werd aan de BAMAcoördinatoren de opdracht gegeven om

Nadere informatie

A Reglement Projectaanvraag (versie 3 december 2012)

A Reglement Projectaanvraag (versie 3 december 2012) A Reglement Projectaanvraag (versie 3 december 2012) Stichting Cultuurfonds Tilburg (SCT) staat voor ontwikkeling en versterking van kunst en cultuur in Tilburg en omgeving. SCT verwezenlijkt dit door

Nadere informatie

Benefits Management. Continue verbetering van bedrijfsprestaties

Benefits Management. Continue verbetering van bedrijfsprestaties Benefits Management Continue verbetering van bedrijfsprestaties Agenda Logica 2010. All rights reserved No. 2 Mind mapping Logica 2010. All rights reserved No. 3 Opdracht Maak een Mindmap voor Kennis Management

Nadere informatie

Whitepaper Verbonden Partijen

Whitepaper Verbonden Partijen Whitepaper Verbonden Partijen Om meer aandacht te kunnen besteden aan hun kernactiviteiten zijn steeds meer lokale overheden geneigd om organisatieonderdelen te verzelfstandigen al dan niet in samenwerking

Nadere informatie

Onderzoek Module 10.3 Het empirisch onderzoek ontwerpen. Master Innovation & Leadership in Education

Onderzoek Module 10.3 Het empirisch onderzoek ontwerpen. Master Innovation & Leadership in Education Onderzoek Module 10.3 Het empirisch onderzoek ontwerpen Master Innovation & Leadership in Education Leerdoelen Aan het eind van deze lesdag heb je: Kennis van de dataverzamelingsmethodes vragenlijstonderzoek,

Nadere informatie

De Modererende Invloed van Sociale Steun op de Relatie tussen Pesten op het Werk. en Lichamelijke Gezondheidsklachten

De Modererende Invloed van Sociale Steun op de Relatie tussen Pesten op het Werk. en Lichamelijke Gezondheidsklachten De Modererende Invloed van Sociale Steun op de Relatie tussen Pesten op het Werk en Lichamelijke Gezondheidsklachten The Moderating Influence of Social Support on the Relationship between Mobbing at Work

Nadere informatie