Hierbij doe ik u onze beslissing op het bezwaar van TROS tegen ons besluit van 24 mei 2000 inzake BZN / Helmut Lotti Out of Africa toekomen.

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Hierbij doe ik u onze beslissing op het bezwaar van TROS tegen ons besluit van 24 mei 2000 inzake BZN / Helmut Lotti Out of Africa toekomen."

Transcriptie

1 Hoge Naarderweg 78 lllll 1217 AH Hilversum lllll Postbus 1426 lllll 1200 BK Hilversum lllll lllll lllll T lllll F lllll AANTEKENEN TROS Lage Naarderweg GN HILVERSUM Datum Onderwerp 18 oktober 2001 Beslissing op bezwaar / BZN/Helmut Lotti Out of Africa Uw kenmerk Ons Kenmerk Contactpersoon Doorkiesnummer JuZa ld Mevr. mr. L.H. Doorman (035) Hierbij doe ik u onze beslissing op het bezwaar van TROS tegen ons besluit van 24 mei 2000 inzake BZN / Helmut Lotti Out of Africa toekomen. Het Commissariaat wijst u er op dat TROS tegen bijgevoegd besluit op grond van de Algemene wet bestuursrecht beroep kan instellen bij Arrondissementsrechtbank Amsterdam, Postbus 75850, 1070 AW Amsterdam. Dit beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben. Hoogachtend, Commissariaat voor de Media drs. L. van der Meulen Commissaris Aantal bijlagen: 2

2 Het Commissariaat voor de Media, gezien het besluit van 24 mei 2000, kenmerk PTZ/2550/ld, waarbij het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) de TROS een boete heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 56a, eerste lid, artikel 52b, eerste lid, en artikel 55 van de Mediawet in de programmaonderdelen BZN, BZN in Ierland en Helmut Lotti Out of Africa en wegens overtreding van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet in de programmaonderdelen BZN en BZN in Ierland. gezien het daartegen op 19 juni 2000 ingediende bezwaarschrift, gelet op de artikelen 134 en 135 van de Mediawet, gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, overwegende 1. Procedure Bij besluit van 24 mei 2000 heeft het Commissariaat de TROS een bestuurlijke boete opgelegd van ƒ ,-, wegens overtreding van artikel 56a, eerste lid, artikel 52b, eerste lid, artikel 55 en artikel 52, tweede lid, van de Mediawet. Bij brief van 19 juni 2000, kenmerk JZ/BvB.wdv.20214, heeft de TROS op nader aan te voeren gronden een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemd besluit. Bij brief van 23 juni 2000, kenmerk PTZ lvdz, heeft het Commissariaat de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en heeft het Commissariaat de TROS tot 26 juli 2000 de gelegenheid gegeven voor het indienen van de gronden van bezwaar. Bij brief van 25 juli 2000, kenmerk JZ/BvB.wdv.20264, heeft de TROS de gronden van bezwaar ingediend. Bij brief van 1 augustus 2000, kenmerk PTZ lvdz heeft het Commissariaat de ontvangst van de gronden van bezwaar bevestigd en aan de TROS meegedeeld dat het bezwaarschrift voor advies is doorgezonden aan de Adviescommissie bezwaarschriften commissariaat voor de media (hierna: de Adviescommissie). Bij brief van 1 augustus 2000, kenmerk PTZ lvdz, heeft het Commissariaat de Adviescommissie verzocht te adviseren over het bezwaarschrift. Op 23 augustus 2000 heeft een door de Adviescommissie georganiseerde hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting heeft de Adviescommissie het Commissariaat verzocht nadere gegevens in te winnen bij de STER. Bij brief van 31 augustus 2000, kenmerk PTZ lvdz, heeft het Commissariaat de STER een aantal vragen gesteld. Bij brief van 8 september 2000, kenmerk CV/AH/422, heeft de STER op de brief van het Commissariaat geantwoord. Bij brief van 18 september 2000, kenmerk PTZ lvdz, heeft het Commissariaat een afschrift van de brief van de STER aan de Adviescommissie gestuurd. Bij brief van 2 november 2000, kenmerk PTZ lvdz, heeft het Commissariaat de termijn waarbinnen de beslissing op het bezwaarschrift moet zijn genomen onder verwijzing naar artikel 7:10 van de Awb verdaagd tot vier weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie. blad 2

3 Per van 8 december 2000 heeft de Adviescommissie het Commissariaat een aantal vragen gesteld. Hierin heeft de Adviescommissie aangegeven het in de naar voren gebrachte vraagpunt en de reactie van het Commissariaat voor te leggen aan de TROS met het verzoek om een reactie. Bij brief van 17 januari 2001, kenmerk PTZ lvdz, heeft het Commissariaat deze vragen beantwoord en heeft het Commissariaat de Adviescommissie verzocht te adviseren over het door de TROS ingediende bezwaarschrift. Bij brief van 2 augustus 2001, kenmerk JuZa lvdz, heeft het Commissariaat de Adviescommissie verzocht uiterlijk 1 september 2001 advies uit te brengen. Bij brief van 20 augustus 2001, kenmerk JZ/PGZ.wdv , heeft de TROS het Commissariaat een afschrift gestuurd van haar brief aan de Adviescommissie. Bij brief van 23 augustus 2001 heeft de Adviescommissie het Commissariaat meegedeeld dat het advies uiterlijk 31 augustus 2001 verstuurd zal worden. Bij brief van 29 augustus 2001 heeft de Adviescommissie advies aan het Commissariaat uitgebracht. Daarbij is een verslag van de hoorzitting gevoegd. Het advies en het verslag zijn met deze beslissing meegezonden. 2. Ontvankelijkheid Aangezien de bestreden beslissing op 24 mei 2000 is verzonden en de TROS bij brief van 19 juni 2000 een bezwaarschrift daartegen heeft ingediend, is de TROS tijdig in bezwaar gekomen, zodat de TROS in haar bezwaar kan worden ontvangen. 3. Motivering 3.1 BZN/BZN in Ierland Artikel 52 Mediawet De TROS is van oordeel dat het Commissariaat ten onrechte stelt dat de uitingen in de BZN specials zijn aan te merken als niet toegestane vermijdbare reclame-uitingen. In de specials werd slechts de titel van de CD getoond. Deze vertoning heeft niet op overdreven wijze plaatsgevonden. Evenmin is sprake geweest van een specifieke aanprijzing van de CD. De vermelding van de titel van de CD in de special dient een programmatisch belang, te weten een verantwoording richting de kijker. Voorts heeft het Commissariaat naar het oordeel van de TROS niet gesteld dat in het programmaonderdeel zelf een niet toegestane vermijdbare reclame-uiting aanwezig was. Wel heeft het Commissariaat overwogen dat de uitingen in de special, in samenhang met de reclameboodschappen vermijdbare reclame-uitingen zijn. Naar het oordeel van de TROS is de door het Commissariaat gegeven uitleg van het begrip reclame-uiting niet juist. Naar het oordeel van de TROS kan alleen dan sprake zijn van een reclame-uiting voor zover deze plaatsvindt in het programmaonderdeel. De TROS verwijst hierbij naar het Advies van de Adviescommissie in de Borsato-zaak. De Rechtbank Amsterdam heeft in de Borsato-zaak de uitleg van het Commissariaat op dit punt bekrachtigd, namelijk dat van een reclameuiting sprake kan zijn als een uiting in een uitzending op zichzelf geen wervend karakter heeft, maar door uitingen buiten die uitzending waarbij op die uitzending wordt aangehaakt, dat wervende karkater krijgt. De TROS is het niet eens met deze uitleg van het Commissariaat. De TROS is van oordeel dat het enkele tonen van de titel van de CD, analoog aan de uitingen op de radio, toelaatbaar zijn in een muziekspecial. Zonder de reclameboodschappen zou de TROS artikel 52 van de Mediawet niet hebben overtreden. De TROS ziet niet in hoe een vertoning automatisch overdreven en overdadig wordt door het enkele feit dat in STER-zendtijd reclameboodschappen voor de CD zijn uitgezonden. blad 3

4 Advies Adviescommissie Naar het oordeel van de Adviescommissie wordt in de sanctiebeschikking voldoende duidelijk dat het Commissariaat het oog heeft op het tonen van de titel van de CD aan het begin en einde van de special en dat deze vertoningen niet toegestane reclame-uitingen vormen. Het vertonen van de titel van de CD levert in beginsel een reclame-uiting in de zin van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet op. Het Commissariaat oordeelt vervolgens dat de reclame-uiting niet is toegestaan nu de vertoning op een overdreven en overdadige wijze heeft plaatsgevonden omdat (1) in de special alleen repertoire van de nieuwe BZN-cd was verwerkt en de special daardoor in het teken van deze cd stond en (2) er in de special beelden te zien waren die ook in aansluitende reclamespots werden gebruikt. De Adviescommissie is van oordeel dat dit geen goede argumenten zijn om te kunnen concluderen dat de vertoning van de titel van de CD op overdreven en overdadige wijze heeft plaatsgevonden. Zo levert het eerste criterium per definitie strijd op met de bedoeling van de wetgever om het bespreken van boeken en het laten horen van muziek uitdrukkelijk toe te staan. Op grond van de criteria van artikel 28 van het Mediabesluit gaat het er om of het vertonen van de cd-titel zelf op een overdreven en overdadige wijze heeft plaatsgevonden. Dit is naar het oordeel van de Adviescommissie niet het geval nu de titel slechts korte tijd in beeld is geweest, dit alleen aan het begin en eind van de special, en er ook bijvoorbeeld niet is ingezoomd op de titel van de CD. Dat in de special alleen repertoire van de cd was verwerkt zegt niets over de vraag of de cd-titel overdreven en overdadig is getoond. Hetzelfde geldt voor het punt dat in de special en de reclameboodschap dezelfde beelden te zien waren. De Adviescommissie is derhalve van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat TROS artikel 52, tweede lid, van de Mediawet zou hebben overtreden. Zoals in de beschikking is aangegeven, en door de Adviescommissie is bevestigd, wordt het tonen (en inderdaad, zoals de Adviescommissie opmerkt, niet het vermelden) van de titel van de cd in de programmaonderdelen BZN en BZN in Ierland aangemerkt als reclame-uiting. Het Commissariaat is het niet eens met het oordeel van de Adviescommissie dat het eerste criterium per definitie in strijd is met de bedoeling van de wetgever om het bespreken van boeken en het laten horen van muziek uitdrukkelijk toe te staan, nu uit artikel 29, tweede lid, van het Mediabesluit blijkt dat de wetgever deze toegestane besprekingen en aankondigingen nadrukkelijk heeft geclausuleerd. In voornoemd artikellid is bepaald dat in afwijking van artikel 28, eerste lid, van het Mediabesluit programmaonderdelen van informatieve of educatieve aard vermijdbare reclame-uitingen mogen bevatten, bestaande uit het aankondigen en recenseren van boeken, video s, compact discs en soortgelijke culturele uitingen, alsmede van toneel-, muziek- en filmuitvoeringen, tentoonstellingen en soortgelijke evenementen van kunstzinnige aard. De onderhavige muziekspecials vallen buiten de reikwijdte van artikel 29, tweede lid, van het Mediabesluit nu zij niet kunnen worden aangemerkt als programmaonderdelen van informatieve of educatieve, maar van verstrooiende aard. Voorts kunnen de specials niet worden aangemerkt als een aankondiging of recensie. Tot slot is in casu de vraag aan de orde of de betreffende uitingen overdreven en overdadig zijn, en niet of er sprake is van specifieke aanprijzingen (de in artikel 29, tweede lid, van het Mediabesluit genoemde uitzondering). Met betrekking tot het tweede criterium merkt het Commissariaat allereerst op dat de Adviescommissie dit niet geheel juist heeft weergegeven. In het primaire besluit is aangegeven dat het Commissariaat van oordeel was dat de onderhavige reclame-uitingen in casu strijdig zijn met het bepaalde in artikel 28, eerste lid, van het Mediabesluit omdat (1) in de special alleen repertoire van de nieuwe BZN-cd was verwerkt en de special daardoor in het teken van deze cd stond en (2) in de op de betreffende programmaonderdelen aansluitende reclameblokken reclamespots voor de cd zijn opgenomen. Dat in de betreffende programmaonderdelen dezelfde beelden zijn gebruikt als in de daarop aansluitende reclamespots geldt naar het oordeel van het Commissariaat als een verzwarende omstandigheid. Voorts dient naar het oordeel van het Commissariaat, in tegenstelling tot dat van de Adviescommissie, de inhoud van het programmaonderdeel wel degelijk te worden betrokken bij de vaststelling of een reclame-uiting op overdreven of overdadige wijze is vertoond of vermeld. blad 4

5 De Adviescommissie gaat, zoals ook blijkt uit de noten 25 en 59 van het advies, geheel voorbij aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 18 december 2000 inzake de AVRO e.a. Borsato, waarin de Afdeling de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam en, daarmee het standpunt van het Commissariaat, bevestigt. De Afdeling overweegt het volgende: Zoals de Afdeling rechtspraak heeft overwogen (uitspraak van 16 december 1993 in zaak no. R Oriënt Express), kan aanhakende reclame een rol spelen bij de beoordeling of een programmaonderdeel een verboden reclame-uiting, als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de Mediawet, bevat. Daarvoor is derhalve niet vereist dat dergelijke uitingen in dat programma zelf voorkomen. Het Commissariaat heeft zich, lettend op de inhoud van de uitzendingen, bezien in het licht van de desbetreffende STER-spots en de advertentie in de Telegraaf, op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van zodanige uitingen. Het kon dan ook een boete opleggen. Dat appellanten, zoals zij stellen, niet verantwoordelijk zijn voor de STER-spots en de advertentie, leidt niet tot een ander oordeel. Appellanten waren immers verantwoordelijk voor de inhoud van hun uitzendingen. Zij hadden kunnen en moeten begrijpen dat die in het licht van de daaraan voorafgaande STER-spots en de advertentie, een wervend karakter zouden krijgen en maatregelen dienen te treffen om reclame-uitingen te voorkomen. De vertoningen aan het begin en aan het einde van de BZN-specials zijn geen op zichzelf staande uitingen, maar dienen als aankondiging en afsluiting van programmaonderdelen die in hun geheel aan de betreffende cd zijn gewijd. De reclamespots, die deze programmaonderdelen omringen, hebben als functie het publiek op te roepen tot koop van deze cd. Gelet op deze constellatie, door middel waarvan commerciële informatie over de cd in overvloed aan het publiek wordt verschaft, is het Commissariaat van oordeel dat de reclame-uitingen aan het begin en einde van het programmaonderdeel op overdreven en overdadige wijze hebben plaatsgevonden. Gelet op het bovenstaande blijft het Commissariaat van oordeel dat de vertoning van de titel van de CD in de titel van het programmaonderdeel in strijd is met artikel 52, tweede lid, van de Mediawet Samenloop artikel 52 en artikel 55 Mediawet De TROS is voor hetzelfde feitencomplex zowel beboet voor overtreding van artikel 52 als voor overtreding van artikel 55 van de Mediawet. Naar het oordeel van de TROS kan hetzelfde feitencomplex niet leiden tot een overtreding van én het dienstbaarheidsverbod van artikel 55 van de Mediawet en het reclameverbod uit artikel 52 van de Mediawet. Artikel 52 van de Mediawet is immers een lex specialis van artikel 55 van de Mediawet. De TROS verwijst hiertoe naar de wetsgeschiedenis (MvA, TK, vergaderjaar , 19136, nr. 7), naar jurisprudentie (RvSt. 9 augustus 1991, TROS Way of life, POC , nr. 24, p. 114) en naar een tweetal besluiten van het Commissariaat (POC , nr. 32 en nr. 37). Advies Adviescommissie De Adviescommissie is met TROS van oordeel dat er in beginsel geen sprake kan zijn van overtreding van zowel artikel 52, tweede lid, van de Mediawet als artikel 55, eerste lid, van de Mediawet. Nu er naar het oordeel van de Adviescommissie in casu geen sprake is van overtreding van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet is dit punt niet meer relevant. Het Commissariaat is met de TROS van oordeel dat voor eenzelfde overtreding niet een boete kan worden opgelegd voor overtreding van zowel artikel 52, tweede lid, als artikel 55, eerste lid, van de Mediawet. Het Commissariaat is echter van oordeel dat in casu sprake is van twee aparte overtredingen, één met betrekking tot het bepaalde in artikel 52, tweede lid, van de Mediawet en één met betrekking tot het bepaalde in artikel 55, eerste lid, van de Mediawet, ook al geschieden die in het kader van dezelfde uitzendingen of feitensubstraat. Enerzijds is aan de hand van het feitensubstraat vast te stellen dat de reclame-uitingen door hun overdaad niet zijn toegestaan op grond van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet. Anderzijds kan worden gesteld dat met betrekking tot de totstandkoming en financiering van de uitzendingen, en de rol die de TROS daarin heeft gespeeld, het dienstbaarheidsverbod van artikel 55, eerste lid, van de Mediawet is overtreden. Van dubbele bestraffing van één en hetzelfde feit is dan ook geen sprake. blad 5

6 3.2 Helmut Lotti Out of Africa Naar het oordeel van TROS dient Piet Roelen Productions N.V. niet als sponsor in de zin van de Mediawet te worden aangemerkt. Piet Roelen Productions N.V. is producent van het programmaonderdeel Helmut Lotti. Dit wordt ook door het Commissariaat in het besluit erkend. Of een onderneming zich bezighoudt met de vervaardiging van audiovisuele producties dient naar het oordeel van TROS feitelijk getoetst te worden. Nu Piet Roelen Productions N.V. het programmaonderdeel heeft geproduceerd, kan hij niet tevens sponsor zijn. Dit is op grond van de wetsgeschiedenis niet denkbaar. Advies Adviescommissie De Adviescommissie concludeert dat het Commissariaat op grond van de toelichting bij het wetsvoorstel waarmee sponsoring in de Mediawet werd ingevoerd terechtstelt dat Piet Roelen Productions N.V. als sponsor moet worden aangemerkt. Piet Roelen Productions N.V. maakt echter ook audiovisuele producties rond Helmut Lotti. Derhalve moet worden aangenomen dat het bedrijf tevens een audiovisueel producent is. Hiervan moet worden uitgegaan tenzij en totdat feitelijk aangetoond zou worden dat Piet Roelen Productions N.V. slechts incidenteel audiovisuele producties maakt. De bezwaren van de TROS zijn op dit punt terecht aangevoerd. Het Commissariaat deelt de mening van de Adviescommissie dat in casu geen sprake is van sponsoring omdat Piet Roelen Productions N.V. een audiovisueel producent is, niet. Het Commissariaat verwijst hierbij naar de motivering in het bestreden besluit en overweegt voorts het volgende. In artikel 1, aanhef en onderdeel ll van de Mediawet wordt de producent die zich gewoonlijk bezighoudt met de vervaardiging van audiovisuele producties en geheel of gedeeltelijk is belast met de productie van het programmaonderdeel waarvoor de bijdrage wordt verstrekt, uitgezonderd van het sponsorbegrip. In de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Mediawet in verband met de implementatie van de richtlijn nr. 89/552/EEG is het volgende opgenomen: Het is ook mogelijk dat het programmaonderdeel zelf onder de kostprijs ter uitzending wordt aangeboden. Ook in dat geval is er sprake van sponsoring (door de aanbieder van het programma). (Kamerstukken II 1993/94, , nr. 3, p. 7). Uit de combinatie met de passage, zoals aangegeven in de vorige alinea, concludeert het Commissariaat dat onder audiovisueel producent in de zin van artikel 1, onderdeel ll, van de Mediawet dient te worden verstaan de producent, die van een omroepinstelling de opdracht heeft gekregen tegen marktconforme betaling (waarin derhalve een bedrag voor bijvoorbeeld productiekosten, overhead, en een producentenfee is verdisconteerd) een programmaonderdeel te leveren. Overschrijdingen op het programmabudget en risicodragende investeringen van de reguliere televisieproducent zouden opgevat kunnen worden als een bijdrage aan de totstandkoming van een programmaonderdeel. Artikel 1, onderdeel ll, van de Mediawet sluit dit soort bijdragen uit van het sponsorbegrip. In voornoemde Memorie van Toelichting is voorts het volgende opgenomen: Wel onder de definitie van sponsoring vallen produkties, waarbij als zogenaamde coproducent optreedt een onderneming die de vervaardiging van audiovisuele produkties niet tot haar reguliere taken rekent. De voorwaarden die worden gesteld aan het sponsoren van programmaonderdelen, zoals een grote mate van terughoudendheid met betrekking tot inhoudelijke bemoeienis van de sponsor, kunnen derhalve niet worden omzeild door deze activiteit tot coproduktie te bestempelen. (Kamerstukken II 1993/94, , nr. 3, p. 8). Eenzelfde redenering gaat naar het oordeel van het Commissariaat op voor het onderhavige geval. Het Commissariaat merkt op dat in dit specifieke geval een programmaonderdeel om niet aan een omroepinstelling wordt aangeboden door een bedrijf wiens product uitgebreid in dit programmaonderdeel wordt gepresenteerd. Door een dergelijke bijdrage niet als een sponsorbijdrage aan te merken, op grond van de stelling dat het in casu een audiovisueel producent zou betreffen, zouden de voorschriften voor sponsoring van programma s van de publieke omroep buiten werking worden gesteld. De ratio achter het voorschrift van de sponsorvermelding is bijvoorbeeld dat het publiek geïnformeerd dient te worden over de externe financiering, en daarmee van mogelijke commerciële beïnvloeding door een derde, van een programmaonderdeel. Dit voorschrift zou in de onderhavige casus, als het standpunt van de TROS en de Adviescommissie zou worden gevolgd, terzijde worden gesteld. blad 6

7 Voorts stelt de Adviescommissie dat de uitzondering van artikel 52c van de Mediawet niet van toepassing is, nu er geen sprake is van een bijdrage ten behoeve van de aankoop van een programmaonderdeel, maar aan de totstandkoming van een programmaonderdeel. Volgens de Adviescommissie zou de motivering wel juist zijn geweest dat artikel 52c van de Mediawet niet van toepassing was, omdat er geen sprake is van een uit het buitenland aangekocht gesponsord programmaonderdeel (noot 46 van het advies). Het Commissariaat heeft in het primaire besluit vanwege het feit dat het programmaonderdeel Helmut Lotti Out of Africa afkomstig is van een buitenlands bedrijf en ten behoeve van het Belgische publiek in november 1999 is uitgezonden door de VTM, artikel 32, tweede lid, van het Mediabesluit van toepassing geacht. In casu is dus wel sprake van een uit het buitenland aangekocht programmaonderdeel. Het feit dat de TROS niet heeft betaald aan Piet Roelen Productions N.V. voor het geleverde programmaonderdeel, rechtvaardigt echter het oordeel van het Commissariaat dat de uitzondering van artikel 52c van de Mediawet niet opgaat. Het Commissariaat deelt het standpunt van de Adviescommissie niet en blijft van oordeel dat Piet Roelen Productions N.V. dient te worden aangemerkt als sponsor in de zin van de Mediawet. Bovenstaande betekent dat de artikelen 56a, eerste lid, en artikel 52b, eerste lid, van de Mediawet zijn overtreden, nu er geen schriftelijke overeenkomst aan de sponsorbijdrage ten grondslag ligt én de sponsor niet aan het begin of aan het eind van het programmaonderdeel op de daartoe vereiste wijze is vermeld. 3.3 Artikel 55 Mediawet Het Commissariaat stelt dat de programmaonderdelen in het teken hebben gestaan van de producten die door Mercury Records en Piet Roelen Productions N.V. zijn geëxploiteerd. De TROS is het hier niet mee eens. De muziekspecials zijn van groot belang voor de programmering. De TROS dient uitsluitend het eigen belang en niet het belang van de platenmaatschappijen. Dat Mercury en Piet Roelen beelden uit de special hebben gebruikt voor de aansluitende reclameboodschappen regardeert de TROS niet, in zoverre dat de platenmaatschappijen zelf beschikken over de rechten van de beelden van de special. De TROS heeft slechts het recht gekregen de specials tweemaal uit te zenden en heeft dus niets te zeggen over het hergebruik door de platenmaatschappijen van het beeldmateriaal. De TROS heeft derhalve normaal economisch gehandeld. Voorts draagt de TROS wel degelijk de eindverantwoordelijkheid voor vorm en inhoud van de programmaonderdelen. Ten overvloede merkt de TROS op dat Mercury en Piet Roelen buiten de TROS om reclamezendtijd bij STER hebben ingekocht. Advies Adviescommissie De Adviescommissie is van oordeel dat de TROS door het uitzenden van de muziekspecials dienstbaar is geweest aan het maken van een meer dan normale winst door Mercury Records, onderscheidenlijk Piet Roelen Productions N.V.. Door het uitzenden van de specials werd het publiek er op attent gemaakt dat er een (nieuw) album van BZN, onderscheidenlijk Helmut Lotti was. De special was gemaakt in opdracht van de platenmaatschappijen, en om niet aangeleverd. De TROS heeft zich voorts, naar eigen zeggen, niet beziggehouden met de vraag of het materiaal ook door de platenmaatschappijen zelf gebruikt zou worden, voor bijvoorbeeld reclamedoeleinden, welk gebruik overigens in de normale lijn der verwachtingen ligt. Deze desinteresse c.q. nalatigheid acht de Adviescommissie verwijtbaar in het kader van het dienstbaarheidsverbod. Nu heeft namelijk de TROS, door de special op deze wijze uit te zenden, de reclamecampagnes van de platenmaatschappijen ondersteund c.q. versterkt weer anders gezegd: de omroep heeft zich voor het karretje van de platenmaatschappijen laten spannen met als gevolg dat zo kan worden aangenomen er daardoor meer cd s zijn verkocht dan dat zonder die ondersteuning c.q. versterking het geval zou zijn geweest. Aldus kan aangenomen worden dat de platenmaatschappijen een grotere winst zal hebben behaald dan zij behaald zou hebben als de reclamecampagne niet ondersteund zou zijn door de uitzending van de special. Aldus kan met recht geconcludeerd worden dat de TROS artikel 55 lid 1 van de Mediawet heeft overtreden. Het Commissariaat wijst het bezwaar van TROS af en verwijst ter motivering hiervan naar het advies van blad 7

8 de Adviescommissie. Het advies wordt door het Commissariaat op dit punt overgenomen en wordt hier als ingelast beschouwd. Het Commissariaat blijft derhalve van oordeel dat TROS met het uitzenden van de muziekspecials BZN, BZN in Ierland en Helmut Lotti Out of Africa artikel 55, eerste lid, van de Mediawet heeft overtreden. 3.4 Hoogte boete Bij brief van 20 augustus 2001 heeft de TROS de Adviescommissie meegedeeld dat de TROS van oordeel is dat wanneer het Commissariaat zich op het standpunt stelt dat muziekspecials niet meer uitgezonden zouden mogen worden, het Commissariaat dit via haar beleid duidelijk zou moeten maken en niet middels het opleggen van een boete. Nu het Commissariaat nimmer op basis van kenbaar gemaakt beleid heeft aangegeven dat het uitzenden van muziekspecials (op de wijze zoals door de TROS is gedaan) niet zou kunnen, komt het opleggen van een boete naar de overtuiging van de TROS volledig uit de lucht vallen. Advies Adviescommissie De Adviescommissie is van oordeel dat nu het Commissariaat niet eerder (duidelijk) bezwaar heeft gemaakt tegen het uitzenden van door platenmaatschappijen aangeleverd promotiemateriaal, en het op dit punt ook geen beleidsvisie naar buiten had (en heeft) gebracht, verdedigd zou kunnen worden dat de TROS mocht menen dat zij bij het uitzenden van dit materiaal niet achteraf zou worden geconfronteerd met boetes wegens overtredingen van artikel 52, tweede lid, en/of artikel 55, eerste lid, van de Mediawet. Het Commissariaat stelt vast dat de TROS eerst bij brief van 20 augustus 2001, ruim een jaar na indiening van het bezwaarschrift, zich in de bezwaarprocedure op het standpunt stelt dat het opleggen van de boete voor de TROS uit de lucht komt vallen. In het bezwaarschrift, noch tijdens de hoorzitting heeft de TROS dit punt als bezwaar aangevoerd. Naar aanleiding van de vragen die de Adviescommissie heeft gesteld is dit punt in het geding gebracht. Het Commissariaat merkt met betrekking tot uitzendingen waarin videoclips worden getoond in combinatie waarmee aanhakende reclameboodschappen worden uitgezonden het volgende op. Het Commissariaat stelt vast nooit actief te hebben aangegeven deze vormen van financiering van programma s niet als sponsoring aan te merken of dergelijke programma s niet in strijd te achten met artikel 52, tweede lid, van de Mediawet. Zoals ook door de Adviescommissie meerdere malen zelf betoogd, is voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel een actief handelen van het Commissariaat vereist (KRO - Ik heb al een boek (advies van 29 augustus 1997, O&C , p. 72; Veronica - Nederland-België (advies van 27 maart 1999, O&C 1998, p. 104). Voorts heeft het Commissariaat in zijn brief van 17 januari 2001 de verschillen tussen bovengenoemde gevallen en de onderhavige casus afdoende aangegeven. Het opgeworpen verweer dat de handelswijze van het Commissariaat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel acht het Commissariaat dan ook niet steekhoudend en overtuigend. Voorts is het Commissariaat van oordeel dat de regels voor muziekspecials niet anders zijn dan de regels voor andere programmaonderdelen. Met name de gehele procedure met betrekking tot de Borsato-actie op Radio 3 FM heeft helderheid verschaft over de reikwijdte van artikel 52, tweede lid, en artikel 55, eerste lid, van de Mediawet. Voor een matiging van de boete bestaat naar het oordeel van het Commissariaat geen grond, nu de regels voldoende bekend moeten worden verondersteld. Op grond van het bovenstaande en na afweging van alle betrokken belangen, waarbij het Commissariaat voor een weerlegging van de bezwaren voor het overige verwijst naar de uitvoerige motivering in het bestreden besluit, heeft het Commissariaat het volgende besloten: blad 8

9 4. Besluit Het Commissariaat verklaart het bezwaar tegen zijn besluit van 24 mei 2000 ongegrond, met dien verstande dat de motivering op de hiervoor aangegeven wijze wordt aangevuld. Hilversum, 18 oktober 2001 Commissariaat voor de Media Prof. dr. J.J. van Cuilenburg Voorzitter drs. L. van der Meulen Commissaris Het Commissariaat wijst erop dat een belanghebbende tegen dit besluit op grond van de Algemene wet bestuursrecht beroep kan instellen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen zijn woonplaats zich bevindt. Dit beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. blad 9