Institutionele druk en responsiestrategieën

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Institutionele druk en responsiestrategieën"

Transcriptie

1 Institutionele druk en responsiestrategieën tijdens de olie- en gasreservekwestie Lian M. M. Schouten, Amsterdam, juni 2006 Master thesis BCO Faculteit Sociale Wetenschappen Vrij Universiteit te Amsterdam Begeleidster: dr. Y. Taminiau Tweede lezer: dr. A.M.J. van Hoof

2 Voorwoord Na een flinke dosis inzet, talloze koppen koffie en te veel Dextro Energy s is het dan toch gelukt: mijn master thesis is af! Na maanden achter mijn computer te hebben doorgebracht is het moment dan toch aangebroken dat ik lekker van de zon kan gaan genieten en mijn sociale leven weer kan oppakken. Alvorens ik het terras op duik zou ik graag een aantal mensen willen bedanken. Als eerste mijn afstudeerbegeleidster dr. Yvette Taminiau. Ik vond het erg leuk dat je me benaderde voor deze master thesis. Dank voor al je feedback en je vertrouwen in mij. Ook wil ik meelezer dr. Anita van Hoof bedanken. Ik hoop dat jullie allebei plezier zullen hebben in het lezen van deze master thesis. Ook zou ik graag mijn vrienden en familie willen bedanken voor de vele lieve en soms wat bezorgde telefoontjes die ik de afgelopen tijd heb mogen ontvangen. Aan mijn collega s en baas wil ik ook graag mijn dank uitspreken. Ik waardeer jullie flexibiliteit, interesse en steun enorm. Tot slot wil ik met name Rick bedanken voor al zijn steun, begrip en vooral geduld. Lian Schouten Haarlem, 30 juni

3 Samenvatting De bekendmaking van in januari 2004 dat de organisatie 20 procent van haar olie- en gasreserves niet meer als bewezen kon boeken kwam als een klap aan bij aandeelhouders, beurstoezichthouders, kredietbeoordelaars, medewerkers en andere organisaties die met zijn verbonden op basis van de boekhouding van olie- en gasreserves. Dit gaat in tegen de het idee uit de institutionele theorie dat er sprake is van isomorphisme: organisaties gaan steeds meer op elkaar gelijken doordat zij algemeen aanvaarde normen en gebruiken aanhangen (DiMaggio en Powell, 1983). Deze homogeniteit onder de organisaties wordt volgens DiMaggio en Powell (1983) veroorzaakt door drie mechanismen van isomorphisme waarin druk wordt uitgeoefend op organisaties om zich te voegen naar institutionele normen en gebruiken. De drie soorten druk die leiden tot gelijkvormigheid betreffen dwang door regelgeving, normatieve druk door professionalisering, en nabootsende druk door onderprestatie in vergelijking tot concurrenten. Een nadeel van deze conformering is de beperking van keuzevrijheid die de organisaties ondervinden, waar ook wel aan gerefereerd wordt als bureaucratie. Zoals de afwijking van aangeeft is er enige speelruimte in de druk om te conformeren aan institutionele normen. Dit wordt beschreven door Oliver (1991) die het agentschap van individuele organisaties onderstreept en stelt dat zij verschillende maten van weerstand kunnen bieden aan institutionele druk. Zij verdeelt deze maten van weerstand in vijf strategieën in oplopende mate van weerstand, te weten: berusting, tegemoetkoming, ontwijking, verzet en manipulatie. De keuze voor een strategie hangt volgens Oliver (1991) af van een aantal factoren, maar hierin wordt geen onderscheid gemaakt tussen de soorten druk die DiMaggio en Powell (1983) onderscheiden. De crisis van biedt een ideale casus om de dynamiek tussen druk vanuit het macroniveau (regelgevers, concurrenten en andere constituenten) en de reacties op het microniveau (de strategieën van individuele organisatie) nader te bestuderen. Dit onderzoek biedt daarmee gehoor aan de vraag om gedetailleerd kwalitatief onderzoek vanuit het vakgebied (Louche, 2004) en doet een poging om nieuwe verbanden aan het licht te brengen tussen de twee niveaus. De probleemstelling betreft de vraag in hoeverre er een verband is te ontwaren tussen de verschillende soorten institutionele druk die op zijn uitgeoefend en de gevolgde strategieën van tijdens de olie- en gasreserves crisis. Dit onderzoek is gedaan aan de hand van een conceptueel model dat gebaseerd is op de theorieën van ondermeer DiMaggio en Powell (1983), Oliver (1991), Scott (1995, 2001) en Kondra en Hinings (1998). Dit model laat zien dat een organisatie legitimiteit ontleent aan haar conformering met een institutie, wat leidt tot isomorphisme in het organisatieveld dat behoort bij deze institutie. De eerder genoemde drie soorten druk om te conformeren alsmede de vijf strategieën van Oliver (1991) samen met proactie van Cashore en Vertinsky (2000) komen terug in dit model om de dynamiek tussen het macroniveau van het organisatieveld en het microniveau van de individuele organisatie weer te geven. 3

4 De resultaten zijn verkregen middels een casestudie van de genoemde crisis waar in verkeerde. De gegevens komen uit twee kranten en betreffen handelingen van een groot aantal actoren in het organisatieveld. De handelingen zijn gecodeerd naar soort druk of strategie en weergegeven in een tijdlijn, frequentiegrafiek en verhoudingendiagram voor kwalitatieve analyse in een real-life setting. Uit de resultaten komen een zestal nieuwe inzichten naar voren die zijn geformuleerd in een aantal hypotheses voor nader onderzoek. De onderzoeksvraag welke verbanden er zijn tussen de verschillende soorten druk en de strategieën is maar in beperkte mate beantwoord wegens een tekortkoming van de krantenanalyse. Doordat uit de krantenanalyse voornamelijk de dwang naar voren komt kunnen er weinig verbanden worden gevonden met de andere soorten druk. Uit de analyse komt naar voren dat de gekozen strategie niet is te koppelen aan alleen de soort druk of het mechanisme waar vanuit de druk voortkomt. Druk X leidt dus niet altijd tot responsiestrategie Y binnen tijdspanne Z. Wel opvallend is dat druk vanuit het dwingende mechanisme in de meeste gevallen uiteindelijk leidt tot berusting van. Ook blijkt dat het conceptueel model nog enige ruimte biedt voor nuancering in de soort druk. 4

5 Inhoudsopgave 1. INLEIDING AANLEIDING RELEVANTIE DOELSTELLING PROBLEEMSTELLING ONDERZOEKSMETHODE SAMENSTELLING VAN DE THESIS INSTITUTIONELE THEORIE INSTITUTIONALISME: OUD EN NIEUW Het oude institutionalisme Het nieuwe institutionalisme ENKELE DEFINITIES Instituties Organisatieveld Institutionalisering Legitimiteit MECHANISMEN VAN INSTITUTIONELE DRUK Dwingend isomorphisme Normatief isomorphisme Nabootsend isomorphisme PILAREN VAN SOCIALE DRUK Regulatieve pilaar Normatieve pilaar Cognitieve pilaar Combinatie van pilaren (NON-)CONFORMERING VAN ORGANISATIES Responsiestrategieën van Oliver Empirische ondersteuning voor Olivers raamwerk EFFECTEN OP MACRONIVEAU Onderling risico Processen van deïnstitutionalisering ONDERZOEKSMODEL METHODE VORM, STRATEGIE EN BEPERKINGEN Onderzoeksvorm Onderzoeksstrategie

6 Beperkingen DE CASUS De olie- en gasreservecrisis van GEGEVENSVERZAMELING GEGEVENSANALYSE Beoordeling van de druk Beoordeling van de strategieën Voorbeelden van institutionele druk Voorbeelden van responsiestrategieën Categorisering van gebeurtenissen Betrouwbaarheid RESULTATEN WEERGAVE VAN RESULTATEN Kleurcodering Diagrammen van verhoudingen Grafieken van frequenties Tijdlijnen Beschrijvingen ALGEMENE RESULTATEN REGELS EN RESERVES BEDRIJFSSTRUCTUUR BESTUUR, BONUS EN REPUTATIE TRANSPARANTIE DISCUSSIE BEVINDINGEN Institutionele druk Responsiestrategieën CONCLUSIE Beperkingen VERVOLGONDERZOEK LITERATUURLIJST Krantenartikelen op volgorde van verschijning in de kranten Handelsblad en Financial Times Websites BIJLAGEN DE CASUS: SHELL TIJDENS DE OLIE- EN GASRESERVECRISIS ACHTERGRONDINFORMATIE ANALYSE VAN GEBEURTENISSEN ONTLEEND UIT KRANTENARTIKELEN

7 INDEX VAN TABELLEN TABEL 1. DE DRIE INSTITUTIONELE PILAREN, NAAR HET MODEL VAN SCOTT (1995) TABEL 2. ANTECEDENTEN VAN STRATEGISCHE RESPONSIES (NAAR OLIVER, 1991) TABEL 3. RELATIE TUSSEN ORGANIZATIONAL FIT EN PRESTATIE, GEBASEERD OP KONDRA EN HININGS (1998). * ORGANISATIES MET EEN HIGH INSTITUTIONAL FIT KUNNEN NIET BUITEN DE INSTITUTIONELE NORMEN PRESTEREN TABEL 4. INDICATOREN, DRAGERS EN BRONNEN VAN DE VERSCHILLENDE SOORTEN DRUK TABEL 5. RESPONSIESTRATEGIEËN OP INSTITUTIONELE DRUK, GEBASEERD OP OLIVER (1991) TABEL 6. KLEURCODERING VOOR DE SOORTEN DRUK(-VERLICHTING) EN DE STRATEGIEËN TABEL 7. AANTAL GEBEURTENISSEN DAT PER CATEGORIE IS BEOORDEELD ALS DRUK, DRUKVERLICHTING OF STRATEGIE INDEX VAN FIGUREN FIGUUR 1. CONCEPTUEEL MODEL VAN HET PROCES VAN (DE-)INSTITUTIONALISERING IN EEN ORGANISATIEVELD. 39 FIGUUR 2. PERCENTAGES VAN DE GEMELDE DRUK EN DRUKVERLICHTING PER CATEGORIE FIGUUR 3. FREQUENTIES VAN DRUK EN DRUKVERLICHTING IN ALLE CATEGORIEËN FIGUUR 4. PERCENTAGES VAN DE GEMELDE STRATEGIEËN PER CATEGORIE FIGUUR 5. FREQUENTIES VAN DRUK EN STRATEGIEËN IN ALLE CATEGORIEËN FIGUUR 6. FREQUENTIES DRUK EN DRUKVERLICHTING (BOVEN) OF DRUK EN STRATEGIEËN (ONDER) IN DE CATEGORIE REGELS EN RESERVES GETELD PER 14 DAGEN MET DATUMVERMELDING PER 8 WEKEN EN MAATLIJNEN OP HOOGTEN VAN 0, 4, 8, ET CETERA FIGUUR 7. FREQUENTIES DRUK EN DRUKVERLICHTING (BOVEN) OF STRATEGIEËN (ONDER) IN DE CATEGORIE BEDRIJFSSTRUCTUUR GETELD PER 14 DAGEN MET DATUMVERMELDING PER 8 WEKEN EN MAATLIJNEN OP HOOGTEN VAN 0, 4, 8, ET CETERA FIGUUR 8. FREQUENTIES DRUK EN DRUKVERLICHTING (BOVEN) OF STRATEGIEËN (ONDER) IN DE CATEGORIE BESTUUR, BONUS EN REPUTATIE GETELD PER 14 DAGEN MET DATUMVERMELDING PER 8 WEKEN EN LIJNEN OP HOOGTEN VAN 0, 4, 8, ET CETERA FIGUUR 9. FREQUENTIES DRUK EN DRUKVERLICHTING (BOVEN) OF DRUK EN STRATEGIEËN (ONDER) IN DE CATEGORIE TRANS-PARANTIE GETELD PER 14 DAGEN MET DATUMVERMELDING PER 8 WEKEN EN MAATLIJNEN OP HOOGTEN VAN 0, 4, 8, ET CETERA FIGUUR 10. TIJDSLIJN VAN GEBEURTENISSEN IN DE CATEGORIE REGELS EN RESERVES MET DE INSTITUTIONELE DRUK OP SHELL BOVEN EN DE GEVOLGDE STRATEGIEËN ONDER DE TIJDSLIJN GEPLAATST FIGUUR 11. TIJDSLIJN VAN GEBEURTENISSEN IN DE CATEGORIE BEDRIJFSSTRUCTUUR MET DE INSTITUTIONELE DRUK OP SHELL BOVEN EN DE GEVOLGDE STRATEGIEËN ONDER DE TIJDSLIJN GEPLAATST FIGUUR 12. TIJDSLIJN VAN GEBEURTENISSEN IN DE CATEGORIE BESTUUR, BONUS EN REPUTATIE MET DE INSTITUTIONELE DRUK OP SHELL BOVEN EN DE GEVOLGDE STRATEGIEËN ONDER DE TIJDSLIJN FIGUUR 13. TIJDSLIJN VAN GEBEURTENISSEN IN DE CATEGORIE TRANSPARANTIE MET DE INSTITUTIONELE DRUK OP SHELL BOVEN EN DE GEVOLGDE STRATEGIEËN ONDER DE TIJDSLIJN GEPLAATST

8 1. Inleiding 1.1. Aanleiding Op 9 januari 2004 schokte de wereld met het bericht dat zij eenvijfde van haar bewezen voorraden aan olie- en gasreserves moest afboeken. Deze onthulling bracht veel commotie teweeg in de bedrijfstak, de financiële wereld en ver daarbuiten. bleek namelijk al een aantal jaren af te wijken van de gangbare normen met betrekking tot het boeken van reserves. De gerespecteerde oliegigant waarvan altijd werd aangenomen dat deze conservatief was in het boeken van reserves krijgt hiermee een ander gezicht. komt uit allerlei richtingen onder vuur te liggen en moet zich staande zien te houden onder de groeiende druk vanuit de beurstoezichthouders, aandeelhouders, concurrenten en andere actoren. De norm waar van afweek wordt ook wel gezien als een instituut. De institutionele theorie, die met de werken van Meyer en Rowan (1977) en DiMaggio en Powell (1983) een stevige basis heeft gevonden, beargumenteert dat organisaties zich zullen conformeren aan dergelijke instituties. Door conformering aan heersende mythen over wat efficiënte of geschikte handelswijzen zijn, verkrijgen de organisaties legitimiteit, maar wordt ook hun keuzevrijheid beperkt. Deze conformering zorgt ervoor dat organisaties wat betreft hun formele structuren, dagelijkse routines en praktijken op elkaar gaan gelijken in een proces dat door DiMaggio en Powell (1983) isomorphisme wordt genoemd. Zij onderscheiden hierin drie mechanismen die tot deze gelijkvormigheid kan leiden. Een organisatie wordt gedwongen zich te houden aan de regels (dwingend mechanisme), de professionele normen (normatief mechanisme), of de prestaties van concurrenten te evenaren (nabootsend mechanisme). De afwijkende manier waarop zich gedroeg gaat lijnrecht in tegen deze opvatting dat institutionele druk vaak resulteert in isomorphisme of gelijkvormigheid van organisaties. Het laat juist zien dat een individuele organisatie zoals is beargumenteerd door ondermeer Covaleski en Dirsmith, 1988; DiMaggio, 1988; Powell en DiMaggio, 1991; Elsbach en Sutton, 1992; Fligstein, 1997; Hoffman, 1999; Oliver, 1991 wel degelijk de mogelijkheid heeft om af te wijken, hetgeen resulteert in verschillende mate van naleving van, dan wel verzet tegen, institutionele druk. Oliver (1991) beschrijft vijf strategieën die een organisatie kan volgen in reactie op institutionele druk in oplopende mate van weerstand, namelijk berusting, tegemoetkoming, ontwijking, verzet en manipulatie. Waar Oliver (1991) echter geen onderscheid in maakt is de soort druk die vooraf gaat aan de strategie die een organisatie naar aanleiding van die druk volgt. De koppeling tussen de soort druk dwingend, normatief en nabootsend (DiMagggio en Powell, 1983) en de gekozen strategie berusting, tegemoetkoming, ontwijking, verzet en manipulatie is later ook niet gemaakt. 8

9 De bekendmaking van leidde tot nieuwe druk vanuit de omgeving om te conformeren aan regels, normen en gebruiken. De media hebben vele malen melding gemaakt van deze druk en de reacties die daarop had. De reservecrisis van lijkt daarom een uitermate geschikt onderwerp om de koppeling tussen de drie verschillende soorten druk (DiMaggio en Powell) en de strategieën van Oliver (1991) te onderzoeken en te zien of daartussen een verband is te ontwaren Relevantie De nadruk van dit exploratieve onderzoek ligt op het verkrijgen van nieuwe inzichten ten aanzien van de huidige opvattingen over institutionalisme. De institutionele theorie is sinds de werken van Meyer en Rowan (1977), DiMaggio en Powell (1983) en Oliver (1991) flink gegroeid en de hoeveelheid onderzoek is intussen aanzienlijk. Zo is het proces van deïnstitutionalisering gedefinieerd (Oliver, 1992) en wordt de vaststelling van de norm in het proces van institutionalisering omschreven als een isomorphische dialoog (White, 1992) en zelfs als een institutionele oorlog (Hoffman, 1999). Deze oorlog vindt plaats op het macroniveau van het organisatie veld: een (slag)veld van alle organisaties die te maken heeft met het instituut behorend bij dat veld. De druk die ondervindt nadat de afwijking bekend wordt gemaakt zou volgens de institutionele theorie deel uitmaken van een proces waarin zich schikt en er weer homogeniteit in het organisatieveld ontstaat. biedt echter weerstand aan de groeiende druk en het proces van isomorphisme dat de institutionele theorie beschrijft lijkt dus niet zo vanzelfsprekend. De casus laat zien dat een individuele organisatie zoals ondermeer Oliver (1991) beargumenteert wel degelijk kan afwijken en manoeuvreerruimte voor agentschap kan hebben, hetgeen resulteert in verschillende mate van naleving van, dan wel verzet tegen, institutionele druk. Cashore en Vertinsky (2000) voegen nog een strategie toe aan het raamwerk, namelijk die van de proactieve conformering. Kondra en Hinings (1998) geven een raamwerk waarin zij de dynamiek beschrijven van druk op organisaties en hun reacties wanneer zij onderpresteren aan de norm en proberen terug te komen binnen de prestatienormen (Kondra en Hinings, 1998). De hoeveelheid kwalitatief onderzoek naar de dynamiek tussen het microniveau en het macroniveau is echter nog beperkt (Louche, 2004). In dit onderzoek zullen de genoemde responsiestrategieën die heeft gevolgd tijdens crisis (berusting, ontwijking, tegemoetkoming, verzet en manipulatie, aangevuld met proactie) tot in detail worden geanalyseerd. Dit aangevulde raamwerk zal vervolgens worden uitgebreid door na te gaan of de door getoonde responsies een reactie waren op druk vanuit het dwingende, normatieve dan wel nabootsende mechanisme (ook wel gerefereerd met respectievelijk dwingende, normatieve of nabootsende druk). Hiermee wordt gehoor gegeven aan de vraag vanuit bijvoorbeeld Louche (2004) om meer kwalitatieve benadering van de individuele strategische responsies in het licht van verschillende soorten druk. Op deze manier kan wellicht een verband worden gevonden tussen de soorten druk (DiMaggio en Powell, 1983) waarmee tijdens de crisis te maken had en de 9

10 responsiestrategieën (Oliver, 1991) die zij heeft gevolgd. Een combinatie van deze twee theorieën biedt wellicht inzicht in (i) het belang dat als organisatie hecht aan de verschillende soorten druk en (ii) de impact die de verschillende soorten druk kunnen hebben op de strategie die deze organisatie volgt Doelstelling De auteur hoopt te kunnen vaststellen of er een patroon is te herkennen in de dynamiek tussen de druk vanuit het macroniveau en de strategische keuzes op microniveau. Dit onderzoek richt zich op het uitbreiden van een bestaand raamwerk van Oliver (1991) dat de mate van individuele weerstand van een organisatie voorspeld uit een aantal institutionele factoren. In dit raamwerk bestaat er nog geen onderscheid tussen de soorten druk waarop gereageerd wordt en door middel van een gedetailleerde analyse zal worden getracht mogelijke verbanden aan het licht te brengen Probleemstelling De probleemstelling van deze scriptie luidt als volgt: In hoeverre is er een verband te ontwaren tussen de verschillende soorten institutionele druk die op zijn uitgeoefend en de gevolgde strategieën van tijdens de olie- en gasreserves crisis? Deze vraag is te ontleden in drie deelvragen: Welke soorten institutionele druk heeft tijdens de crisis ervaren? Heeft alle soorten druk ervaren die door DiMaggio en Powell (1983) zijn gedefinieerd, of betreft het slechts een selectie? Welke strategieën heeft tijdens de crisis gevolgd? Heeft alle strategieën gevolgd die volgens het raamwerk van Oliver (1991), aangevuld met de proactieve strategie van (Cashore en Vertinsky, 2000) kunnen worden gekozen, of beperkte de organisatie zich tot een selectie van deze strategieën? In hoeverre is er een verband tussen een soort druk en een gevolgde strategie? Welke verbanden kunnen er worden ontdekt in de gedetailleerde analyse van de dynamiek tussen druk en responsiestrategie? Als er geen verbanden zijn, hoe komt dat dan? 1.5. Onderzoeksmethode Dit onderzoek is kwalitatief, gericht op het diepgaand analyseren van een enkele casus waarbij de interpretatie van de context van belang is omdat het causale verbanden in een locale context bestudeert, en tevens verkennend, met als doel het verwerven van nieuwe inzichten die kunnen leiden 10

11 tot proposities binnen de institutionele theorie. De gekozen strategie is een casestudie, namelijk van de crisis waarin verkeerde nadat zij de bijstelling van hun olie- en gasreserves bekendmaakte. De gegevens waarop de analyse is gebaseerd zijn afkomstig uit twee dagbladen die tijdens de crisis uitgebreid bericht deden van verschillende ontwikkelingen en gebeurtenissen rondom en de andere actoren die met van doen hadden. Uit de kranten zijn artikelen geselecteerd op basis van een zoekopdracht in de zoekmachine LexisNexis. De zoekresultaten betroffen artikelen die handelden over en een van de termen reserves, SEC of crisis waaruit handelingen zijn ontleend die vervolgens werden gecodeerd naar soort druk of responsiestrategie. Deze gegevens zijn gecategoriseerd en geplaatst in aparte tijdlijnen, grafieken van frequentie en diagrammen van verhouding waarop de kwalitatieve analyse is gebaseerd. Door het gedetailleerde niveau van analyse en de vele tabellen, figuren en grafieken die de analyse weergeven is het gebruikelijke maximum aantal van 60 pagina s overschreden. Een concessie omwille van de omvang van het document zou echter een belangrijke afbraak doen aan de inhoud. Daarom is ervoor gekozen het document niet verder meer in te korten Samenstelling van de thesis Deze thesis is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 gaat uitgebreid in op de institutionele theorie en behandelt de belangrijkste concepten, onderzoekers en ontwikkelingen. Het hoofdstuk mondt uit in een conceptueel model dat als uitgangspunt is gebruikt voor dit onderzoek. Hoofdstuk 3 behandelt uitvoerig de gehanteerde methode volgens welke gegevens zijn verzameld en geanalyseerd. Vervolgens gaat hoofdstuk 4 in op de resultaten die uit de analyse naar voren zijn gekomen en behandeld deze per categorie. Tenslotte worden in hoofdstuk 5 de verworven inzichten gepresenteerd en wordt een antwoord op de onderzoeksvraag geformuleerd. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een beschouwing van de beperkingen van de gevonden resultaten en geeft aanwijzingen voor vervolgonderzoek. 11

12 2. Institutionele theorie Dit hoofdstuk gaat in op de bestaande theorie en empirische kennis op het gebied van het institutionalisme. Het eerste gedeelte geeft een korte historie van het ontstaan en de ontwikkeling van institutionele theorie. Het volgende gedeelte gaat in op enkele definities die in de theorie worden gehanteerd, zoals organisatieveld, institutionalisering, en legitimiteit. Vervolgens wordt een drietal mechanismen van institutionele druk in meer detail behandeld, waarna het model van institutionele pilaren wordt belicht. Het daarop volgende gedeelte gaat in op de manieren waarop organisaties kunnen conformeren aan de institutionele druk, dan wel weerstand bieden. Deze weerstand kan leiden tot bijstelling van de norm en deïnstitutionalisering zoals in het volgende gedeelte wordt beschreven. Tenslotte wordt in dit hoofdstuk het conceptueel model gepresenteerd dat de leemte in de huidige literatuur opvult, namelijk die van een koppeling tussen de verschillende soorten institutionele druk en responsiestrategieën, en als uitgangspunt is genomen voor het onderzoek Institutionalisme: Oud en nieuw Institutionele theorie biedt een theoretische basis voor het verkennen van sociale mechanismen. Het institutionalisme neemt de processen in ogenschouw waardoor structuren van normen, regels, routines en schema s zich ontwikkelen tot autoritaire richtlijnen voor sociaal gedrag en waardoor organisaties op elkaar gaan gelijken. Het onderzoekt hoe voornoemde elementen tot stand komen, hoe ze in de loop der tijd worden opgenomen, aangepast en tenslotte in verval en onbruik raken. In de literatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen de zogenoemde oude en nieuwe institutionele theorie (Selznick, 1996). Hieronder volgt kort een beschouwing van de twee stromingen. Het oude institutionalisme Het institutionalisme vindt haar oorsprong in velerlei studies reikend tot in de negentiende eeuw (Scott, 2001) en wordt in verband gebracht met Veblen, Commons, Marx en Durkheim (Louche, 2004). Wat deze verschillende benaderingen gemeen hebben is de overtuiging dat organisaties niet op zichzelf staan, maar dat men rekening moet houden met de context van institutionele regelingen en sociale processen. In de eerste van twee markante ontwikkelingsperioden worden drie scholen onderscheiden, vernoemd naar Amerikaanse universiteiten: Columbia, Harvard en Carnegie. Deze drie scholen van het oude institutionalisme laten zien hoe sociale structuren leiden tot beperking van keuzevrijheid van organisaties en individuen en de bevoordeling van enkele groeperingen, gezekerd door heersende beloningen en sancties. De eerste school is de zogenaamde Columbia school, waarvan Philip Selznick (1948) een overheersend onderzoeker is. Als student van Merton werd Selznick een aanhanger van de ideeën van onbedoelde consequenties en doelverlegging. Hij benadrukte het verschil tussen de gezichtspunten 12

13 van organisaties als geordende instrumenten die rationele acties ondernemen om doelstellingen te halen en organisaties als adaptieve organismen, die niet aan hun inbedding in een institutioneel matrix voorbij kunnen gaan (Selznick, 1948 in Scott, 2001). Het lukt organisaties zelden de non-rationele dimensies van organisatiegedrag (zoals waarden, tradities, historie, cultuur, gewoonten, interessen en routines) te overmeesteren (Selznick, 1948 in Jaffee, 2001). Volgens Selznick zijn sociale acties niet vrij van context, maar er juist door beperkt. Selznick definieert institutionalisering als een geleidelijk proces, dat in de loop der tijd plaatsvindt (Selznick, 1948 in Scott, 2001). De tweede zogenaamde Harvard school wordt aangevoerd door Talcott Parsons (1956), die de relatie tussen organisaties en hun omgeving bekijkt vanuit zijn cultureel-institutionele achtergrond. Vooral de vraag hoe het waardesysteem van organisaties legitimiteit verkrijgt door aanknoping met institutionele patronen (de matrices van Selznick) in verschillende functionele contexten houdt Parsons bezig. Hierin onderscheidde Parsons drie verticale niveaus binnen de organisatie: (i) het technische niveau, betrokken met productieactiviteiten; (ii) het bestuurlijke niveau, betrokken met controle- en coördinatieactiviteiten, alsmede de verwerving van middelen en verwijdering van producten; en (iii) het institutionele niveau, betrokken met het afstemmen van de organisatie op de normen en conventies van de gemeenschap en de maatschappij (Parson, 1956 in Scott, 2001). Tenslotte suggereerde Herbert Simon (1945) uit de Carnegie school als reactie op conventionele economische theorieën een theorie over adaptief gedrag, die gewaagde aannames deed over de koppeling tussen de kenmerken van de organisationele structuur en de beperking van individuele cognitieve capaciteiten (Simon, 1945 in Scott, 2001). Volgens Simon is gedrag binnen organisaties rationeel omdat keuzes beperkt zijn en individuen geleid worden door regels. Samen met March beargumenteerde Simon dan ook dat de organisatie, door regels te scheppen en routines te ontwikkelen, de individuele keuzemogelijkheden beperkt (March en Simon, 1958 in Scott, 2001). Deze scholen hebben dus al een basis gelegd voor de plaatsing van organisaties in een sociale omgeving die groter is dan enkel de relaties tussen organisaties en hun belanghebbenden. De Columbia school stelt dat de organisatie naast economische doelstellingen wordt beperkt door de waarden, normen en gebruiken van de sociale omgeving, de Harvard school stelt voor dat er een afstemming plaatsvindt tussen de organisatie en haar omgeving in het verkrijgen van legitimiteit, en de Carnegie school stelt dat de organisaties de beperkingen zelf alleen maar erger maken door nog meer regels en routines toe te voegen ten koste van de keuzevrijheid. Organisaties zijn gedoemd, zo lijkt het wel, tot een steeds meer beperkende omgeving van regels en bureaucratie. In een volgende ontwikkelingsperiode van het institutionalisme, aangeduid met de term nieuw institutionalisme, wordt de rationaliteit achter de bureaucratie verder uitgebreid en de rol van instituties genuanceerd. 13

14 Het nieuwe institutionalisme Naast vele anderen worden de werken van Meyer en Rowan (1977) en DiMaggio en Powell (1983) beschouwd als de grondlegging van het nieuwe institutionalisme, de tweede markante ontwikkelingsperiode. Terwijl beide stromingen aangeven dat de rationaliteit van organisaties wordt beperkt door institutionalisering, geeft de nieuwe stroming nieuwe bronnen van deze beperking. Belangrijkste verschillen met het oude institutionalisme zijn de analytische nadruk, de benadering van de omgeving, standpunten met betrekking tot conflicten en verandering, en het beeld van individuele acties. Zo ziet het nieuwe institutionalisme instituties als onafhankelijke variabelen en is het perspectief meer vanuit cognitieve en culturele benadering. Ook wordt er meer interesse getoond in de kenmerken van groepen mensen die niet kunnen worden verklaard uit individueel gedrag (DiMaggio et al in Louche, 2004). Voor een uitgebreide vergelijking tussen het oude en nieuwe institutionalisme verwijst de auteur naar DiMaggio en Powell (1991). Meyer en Rowan (1977a) stellen dat veel elementen van formele structuren in bureaucratieën als rationele mythen van efficiëntie functioneren (bijvoorbeeld de boekhouding) die meer vanuit traditie en conformiteit worden aangehangen dan wegens empirisch aangetoonde effectiviteit. Zij beargumenteren dat: institutional techniques are not based on efficiency but are used to establish an organization as appropriate, rational and modern. Their uses display responsibility and avoid claims of negligence (Meyer en Rowan, 1977a:344). Zo beweren Meyer en Rowan (1977a) dat bureaucratie voor een deel wordt veroorzaakt door de snelle verbreiding van deze rationele mythen in de maatschappij. Door een formele structuur aan te nemen die voldoet aan de voorschriften van de mythen van de institutionele omgeving, laat een organisatie zien dat zij zich op een gepaste en geschikte manier gedraagt. Zij stellen tevens dat mythen van algemeen geaccepteerde procedures een bescherming geven tegen de perceptie van irrationaliteit en ertoe bijdragen dat organisaties voortdurend zowel morele als financiële steun ontvangen van externe leveranciers van middelen. Professionele macht schermt de besluitvormers af van anderen die kritiek kunnen uiten op deze beslissingen en binds supervisors and subordinates to act in good faith (Meyer en Rowan, 1977a: ). Hieruit volgt dat organisaties die over veel institutionele formele structuren beschikken geneigd zijn om werk aan geschikte professionals te delegeren om op die manier de behoefte aan efficiëntie-evaluaties te beperken. DiMaggio en Powell (1983) beargumenteren dat besluitvorming wordt beperkt door institutionele regelingen. Organisatieactie wordt gestructureerd door gedeelde systemen van regels die zowel de capaciteit van actoren beperken alsmede sommige groepen bevoorrechten wiens belangen door heersende beloningen en sancties veilig worden gesteld (DiMaggio en Powell, 1983). Binnen het algemene raamwerk van de institutionele theorie bespreken zij het concept dat zij institutioneel isomorphisme noemen: a constraining process that forces one unit in a population to resemble other units that face the same set of environmental conditions (DiMaggio en Powell, 1983:149). 14

15 Institutioneel isomorphisme kan dus worden omschreven als het proces waarbij organisaties de neiging hebben om na verloop van tijd dezelfde praktijken en/of structuren aan te nemen in antwoord op gemeenschappelijke institutionele druk die op het niveau van het individu, van de organisatie en van het organisatieveld kan bestaan. Zij beargumenteren dat isomorphisme organisaties meer op elkaar doet lijken zonder hen noodzakelijk te verbeteren. Bureaucratie en ook andere vormen van standaardisatie ontstaan omdat organisaties institutionele legitimiteit willen verkrijgen (een opvatting die overeenkomt met die van de Harvard school). DiMaggio en Powell (1983) suggereren dat overheden, die vaak ambigue doelen hebben en onbetrouwbare maatstaven voor prestaties, hun toevlucht nemen in legitimiteitrituelen om hun sociale en economische geschiktheid op die manier aan te tonen. In deze korte historie zijn een aantal termen aan bod gekomen, waaronder institutie, institutionalisering, legitimiteit en isomorphisme die in volgende gedeelten nader worden toegelicht en gedefinieerd Enkele definities In dit gedeelte volgen de belangrijkste definities die binnen de institutionele theorie centraal staan. Dit zijn de definities voor instituties, organisatieveld, institutionalisering en legitimiteit die door de auteur ter afbakening van het onderzoeksgebied zijn gekozen. Instituties De institutionele theorie omschrijft instituties of instellingen (Van Dale) 214 als social structures that have attained a high degree of resilience. Social structures include norms, values, expectations, procedures, standards and routines (Scott, 2001:48). Een belangrijk aspect van deze beschrijving is dat instituties sociale structuren zijn en geen fysieke entiteiten. Een organisatie wordt daarom niet gezien als institutie, evenmin als een industrie of technologie zo wordt gezien (Van den Hoed, 2004). De sociale structuren alleen maken de instituties niet, zo benadrukt Scott (2001), maar het zijn de activiteiten waarin regels en normen worden geproduceerd en gereproduceerd. Giddens (1984 in Van den Hoed, 2004) voegt toe dat ook middelen en macht meegerekend zouden moeten worden wanneer we het hebben over instituties: regels kunnen enkel effectief zijn mits deze gesteund worden door macht, waarbij gedacht kan worden aan het uitvoeren van sancties (bijvoorbeeld door overheden). Als bepaalde regels niet worden ondersteund door middelen of macht, zullen zij afgeschaft of langzaamaan genegeerd worden. Uit de definitie van Scott (2001) blijkt tevens dat instituties veerkrachtig zijn en relatief bestand zijn tegen verandering. Volgens North (1990) hebben instituties als voornaamste rol onzekerheid te verminderen door een stabiele structuur te vestigen (North, 1990 in Louche, 2004). North (1990) 15

16 omschrijft instituties als perfectly analogous to the rules of the game in a competitive team sport. They consist of formal written rules as well as typically unwritten codes of conduct that underlie and supplement formal rules [ ] The rules and informal codes are sometimes violated and punishment is enacted (North, 1990:4 in Van den Hoed, 2004). Volgens hem bestaan instituties dus zowel uit geschreven regels als ongeschreven gedragscodes die soms worden geschonden, hetgeen leidt tot bestraffing. Als voorbeeld van instituties noemt Hoffman (2001) het huwelijkse instituut, dat connotes a cultural role, a practice of enduring value. [ ] For centuries couples repeat accepted customs involving clothing, religious ceremonies, and family celebrations (Hoffman, 2001 in Van den Hoed, 2004). De definitie wordt door Scott (2001:48) nog iets verder ontleed: Institutions consist of cognitive, normative, and regulative structures and activities that provide stability and meaning to social behavior. Institutions are transported by various carriers cultures, structures, and routines and they operate at multiple levels of jurisdiction. Samenvattend hebben instituties de volgende karakteristieken: Instituties zijn sociale structuren die een hoge graad van veerkracht hebben bereikt; Instituties zijn samengesteld uit cultureelcognitieve, normatieve en regulatieve elementen die, tezamen met geassocieerde activiteiten en middelen, stabiliteit en betekenis aan het sociale leven geven; Instituties impliceren per definitie stabiliteit, maar zijn aan veranderprocessen onderhevig waar zowel toename als beëindiging optreedt; Instituties worden overgebracht door verschillende soorten dragers waaronder symbolische en relationele systemen, routines en artefacten; Instituties opereren op meerdere niveaus van jurisdictie, variërend van het wereldwijde systeem tot gelokaliseerde relaties tussen personen. In dit onderzoek staat ondermeer het instituut van de boekhouding van olie- en gasreserves centraal. Organisatieveld Om de vraag te kunnen beantwoorden hoe instituties zich ontwikkelen en door de tijd heen veranderen kan het organisatieveld als bruikbaar niveau van analyse worden genomen (DiMaggio en Powell, 1983). Een organisatieveld is het analyseniveau van a community of organizations that partakes of a common meaning system and whose participants interact more frequently and fatefully with one another than with actors outside the field (Scott, 1995:56). Het is dus een groep organisaties met eenzelfde betekenissysteem, waarvan de participanten vaker en noodzakelijker met elkaar interageren 16

17 dan met actoren buiten het veld. Het organisatieveld kan publieke of private actoren omvatten, ofwel elke actor die een regulatieve, normatieve dan wel cognitieve invloed op een organisatie of populatie van organisaties uitoefent (Scott, 1995 in Van den Hoed, 2004; Hoffman, 1999). Aanverwante concepten zijn het industriesysteem (Hirsch, 1985 in Scott, 2001) en de societal sector (Scott en Meyer, [1983] 1991 in Scott, 2001). Deze concepten bouwen voort op het meer traditionele concept van de bedrijfstak, de verzameling van organisaties opererend in hetzelfde domein en wiens producten en diensten overeenkomsten vertonen. Toegevoegd aan deze populatie worden andere en verschillende organisaties die een enorme invloed kunnen uitoefenen op de prestaties van de organisatie, waaronder concurrenten, uitwisselingspartners, geldschieters, regelgevende instanties, et cetera. Velden zijn begrensd door de aanwezigheid van gedeelde cultureel-cognitieve, normatieve raamwerken of van een gemeenschappelijk regulatief systeem die een erkend gebied van institutioneel leven vormen (Scott, 2001). Scott (2001) volgt DiMaggio en Powell (1983) en definieert een organisatieveld als: those organizations that, in the aggregate, constitute a recognized area of institutional life: key suppliers, resource and product consumers, regulatory agencies, and other organizations that produce similar services or products (Scott, 2001:83). Dit onderzoek richt zich op de organisatievelden zich in bevindt. De actoren binnen dit veld zijn ondermeer concurrenten, overheden, media, regelgevende agentschappen als beurstoezichthouders, en belanghebbenden zoals personeel en aandeelhouders. Institutionalisering Institutionalisering, ofwel het tot een gevestigde instelling worden gemaakt (Van Dale) 214, wordt gezien als het sociale proces waardoor individuen een gezamenlijke definitie van sociale realiteit komen te aanvaarden. Het proces opereert om gemeenschappelijk begrip tot stand te brengen over welk gedrag geschikt en fundamenteel betekenisvol is (Zucker, 1983 in Louche, 2004). Covaleski en Dirsmith (1988:562) definiëren institutionalisering als the process by which societal expectations of appropriate organizational form and behavior come to take on rule-like status in thought and action. Door institutionalisering wordt een organisatieveld zeer gestructureerd, zodat interacties tussen de deelnemers stabiliseren en routine worden. Organisaties in sterk gestructureerde velden vertonen dan ook een convergentie naar normatieve praktijken die de diversiteit binnen een veld doen afnemen en dus de homogeniteit doen toenemen. DiMaggio en Powell (1983) kennen aan institutionalisering de volgende karaktereigenschappen toe: (i) een toename in interactie tussen organisaties van een veld, (ii) de ontwikkeling van controle- en relatiestructuren tussen organisaties, (iii) een toename in de hoeveelheid informatie die organisaties in het veld moeten verwerken, en (iv) de ontwikkeling van wederzijdse gewaarwording door leden van het veld. Scott (1994 in Louche, 2004) voegt daar aan toe: (v) een toename in overeenstemming binnen het veld over de institutionele logica, (vi) een toename in isomorphisme wat betreft de structurele vorm die een organisatie moet aannemen binnen een bepaald 17

18 veld, (vii) een toename van de gelijkwaardigheid van organisatierelaties in het veld, (viii) de evolutie van een steeds duidelijker grens tussen het veld en andere sociale structuren, en (ix) de ontwikkeling van een uniforme gewaarwording van de status van verschillende organisatievormen wordt geschapen. Ook de institutionalisering van gebruiken omtrent de boekhouding van olie- en gasreserves zorgt dus voor een noodzakelijke stabiliteit op ondermeer de Amerikaanse energiemarkt. Dankzij de gevestigde instituties kunnen verschillende energie-industriëlen met elkaar worden vergeleken, bijvoorbeeld om de waarde van een aandeel in de organisatie of de legitimiteit van hun handelen te bepalen. Legitimiteit Institutionele legitimiteit refereert aan de steun voor een organisatie die wordt verleend vanuit de omgeving op basis van de overeenkomst tussen de handelswijze van een organisatie en de verwachte handelswijze vanuit de omgeving. Theoretici verstaan verschillende dingen onder de term legitimiteit en verstrekken dan ook verschillende definities hiervoor. Meyer en Scott (1983) definiëren legitimiteit als the degree of cultural support for an organization the extent to which the array of established cultural accounts provide explanations for its existence, functions, and jurisdiction, and lack or deny alternatives (Meyer en Scott, 1983:202 in Carpenter en Feroz, 2001). Institutionele legitimiteit wordt afgeleid van de brede institutionele omgeving en niet van de locale bureaucraten, die hun eigen unieke interpretaties van juiste procedure kunnen gebruiken voor het behalen van hun doelen. Parsons (1960) stelt dat de mate van legitimiteit van organisaties samenhangt met de mate waarin de activiteiten van de organisatie overeenstemmen met de doelen van het overkoepelend systeem. Hij maakt een onderscheid tussen het welzijn van het individu en het algemeen welzijn in zijn definitie van legitimiteit, die luidt als the appraisal of action in terms of shared or common values in the context of the involvement of the action in the social system (Parsons, 1960 in Louche, 2004:70). Legitimiteit wordt enkel beschouwd als een output van ondergeschikten om aan middelen te geraken. De algemene doelstelling is om het overkoepelend systeem te dienen. Parsons houdt geen rekening met processen die leiden tot legitimiteit of keuzevrijheid van individuele organisaties. Dowling en Pfeffer (1975) maken Parsons opvattingen iets concreter en stellen dat organisaties proberen overeenstemming te bereiken tussen de sociale waarden die aan hun activiteiten zijn verbonden enerzijds, met de normen van acceptabel gedrag die gelden in het grotere sociale systeem waar zij deel van uit maken anderzijds. Er is sprake van legitimiteit als er overeenstemming is bereikt tussen de twee systemen. Zonder deze overeenstemming wordt de legitimiteit bedreigd, hetgeen kan resulteren in bijvoorbeeld rechterlijke en economische sancties. Het zich voegen van een organisatie naar een reeks geïnstitutionaliseerde geloven doet legitimiteit, overlevingsmogelijkheden en middelen toenemen volgens verschillende institutionele theoretici, waaronder Meyer en Rowan (1977a). Door 18

19 legitimiteit te waarborgen, zo stellen zij, laten organisaties zien dat zij handelen om gemeenschappelijk gewaardeerde doeleinden op een gepaste en geschikte manier te bereiken (Meyer en Rowan, 1977a). Streven naar legitimiteit Vanuit een institutioneel perspectief gezien is legitimiteit niet een handelsartikel om te bezitten of te ruilen, maar is het volgens Scott (1998) een staat of toestand die (i) waargenomen overeenstemming met relevante regels en wetten, normatieve steun, of (ii) het op één lijn zijn met cultureel-cognitieve raamwerken (instituties) weerspiegelt. In tegenstelling tot technische informatie of materiële middelen is legitimiteit geen input, die gecombineerd of getransformeerd kan worden om een nieuwe en andere output te produceren, maar is het een symbolische waarde, die op dusdanige wijze getoond moet worden dat deze zichtbaar is voor de buitenwereld (Scott, 1998 in Scott, 2001). Binnen de institutionele theorie worden organisaties gezien als entiteiten die legitimiteit eerder nastreven dan maximale winst: De organisatie heeft enerzijds te maken met haar eigen, individuele zoektocht naar winst, voordeel en de wens om te overheersen en anderzijds met het verkrijgen of vasthouden van legitimiteit, hetgeen de behoefte aan sociale banden impliceert die individuen in organisaties, families en staten samenbinden (Richardson et al., 1997 in Louche, 2004). Zo betoogt Scott (2001:58) dat organizations require more than material resources and technical information if they are to survive in their social environments. They also need social acceptability and credibility. Om te kunnen overleven hebben organisaties dus niet alleen materiële middelen en technische informatie nodig, maar ook sociale aanvaardbaarheid en geloofwaardigheid. Institutionele theoretici beweren dat het hebben van legitimiteit voor een organisatie zelfs noodzakelijk is om te kunnen overleven. Legitimiteit zorgt ervoor dat het gedrag van een organisatie niet in twijfel wordt getrokken. Het kan worden beschouwd als een soort rationalisatie en rechtvaardiging van de door organisaties getoonde gedragingen en uitgevoerde praktijken. Door middel van legitimiteit kan een organisatie haar overlevingskansen vergroten. Organisaties waar legitimiteit ontbreekt kunnen daarentegen als kwetsbaarder worden aangemerkt en afgedaan als onachtzaam, irrationeel dan wel onnodig. Omdat organisaties over het algemeen gevoelig zijn voor wat er in hun omgeving afspeelt zullen zij op zoek gaan naar rechtvaardiging van hun acties. Dit proces kan worden gezien als een voortdurende waardebepaling van de overeenstemming tussen het gedrag van een entiteit enerzijds en de gedeelde waarden en geloven van sociale groepen anderzijds. De beslissing van een organisatie om zich aan te passen om als legitiem te worden beschouwd kan volgens Carpenter en Feroz (2001) op meerdere niveaus worden beïnvloed: (i) op het individuele niveau door de normen, waarden en onbewuste aanpassing aan tradities van belangrijke besluitvormers (oftewel door ideologie, motivatie, bekwaamheid, professionalisme); (ii) op organisatieniveau door gedeelde geloofsystemen, macht en politiek (aard van politieke competitie; 19

20 decentralisatie; professionalisme); en (iii) op het niveau van het organisatieveld door druk vanuit regelgeving, publieke druk en druk vanuit de geldende normen en waarden in het betreffende veld (de institutionele omgeving). Verleners van legitimiteit Volgens Friedman (1970) is de legitimiteit van een organisatie beperkt tot de economische prestaties die zij levert. Volgens hem is de legitimiteit volledig afhankelijk van één partij, namelijk aandeelhouders, en moet een organisatie dus wel winstgevend zijn om als legitiem te worden gezien (Friedman, 1970 in Louche, 2004). Donaldson en Preston (1995) denken hier heel anders over. Zij stellen dat organisaties de belangen van alle partijen die door de acties van de organisatie worden beïnvloed in overweging moeten nemen. Organisaties zijn immers afhankelijk van bepaalde externe en interne gebieden van legitimiteit die de acceptatie en stabiliteit van een organisatie als sociale actor definiëren. Met andere woorden, organisaties zijn niet onafhankelijk opererende autonome entiteiten, maar zij maken deel uit van een sociale context die haar acties bepaald. Hieruit volgt dat legitimiteit dus niet bepaald wordt door slechts één type belanghebbende, zoals Friedman (1970) stelt, maar voortkomt uit interacties met en tussen een heel scala aan belanghebbenden. Organisaties hebben te maken met een institutionele omgeving waarbinnen zij legitimiteit nastreven, maar ook een technische omgeving waarbinnen winst moet worden behaald en fysieke diensten en producten geleverd (Meyer en Rowan, 1977a). De twee omgevingen verbeteren elkaar niet altijd, en het kan moeilijk zijn om zowel legitimiteit als winst te behalen. Door deze handelingen van elkaar los te koppelen kan het conflict tussen institutionele regels en efficiëntie worden opgelost. Dit wil zeggen dat een organisatie een andere actor in het veld doet geloven dat zij handelt in overeenstemming met de gestelde vereisten, door institutionele handelingen te ondernemen die losstaan van de activiteiten van de onderneming technische handelingen. Zodoende denken andere actoren dat de organisatie in kwestie handelt volgens de gestelde vereisten en zal aan de organisatie legitimiteit worden toegekend (Louche 2004). Des te meer geïnstitutionaliseerd een omgeving is, des te meer tijd en energie door elite organisaties wordt besteed aan hun publieke imago s en des te minder ze besteden aan het coördineren en voeren van grensoverschrijdende relaties Mechanismen van institutionele druk Het basisprincipe van de institutionele theorie stelt dat organisaties geneigd zijn om zich te conformeren aan overheersende normen, tradities en sociale invloeden in hun interne en externe omgeving. Met andere woorden, institutionele theorie stelt dat alle organisaties geneigd zijn zich te schikken naar sociale druk. Dit suggereert dat homogeniteit optreedt onder organisaties met betrekking tot hun structuren en praktijken en dat succesvolle organisaties diegene zijn die steun en legitimiteit winnen door zich te conformeren met sociale druk (Carpenter en Feroz, 2001). Binnen de 20

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97 Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk

Nadere informatie

WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT

WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT Posities als antecedenten van management-denken over concernstrategie ACHTERGROND (H. 1-3) Concernstrategie heeft betrekking op de manier waarop een concern zijn portfolio

Nadere informatie

Bedrijfsprocessen theoretisch kader

Bedrijfsprocessen theoretisch kader Bedrijfsprocessen theoretisch kader Versie 1.0 2000-2009, Biloxi Business Professionals BV 1. Bedrijfsprocessen Het procesbegrip speelt een belangrijke rol in organisaties. Dutta en Manzoni (1999) veronderstellen

Nadere informatie

One Style Fits All? A Study on the Content, Effects, and Origins of Follower Expectations of Ethical Leadership

One Style Fits All? A Study on the Content, Effects, and Origins of Follower Expectations of Ethical Leadership One Style Fits All? A Study on the Content, Effects, and Origins of Follower Expectations of Ethical Leadership Samenvatting proefschrift Leonie Heres MSc. www.leonieheres.com l.heres@fm.ru.nl Introductie

Nadere informatie

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is a publisher's version. For additional information about this publication click this link. http://hdl.handle.net/2066/111997

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting 169 Nederlandse samenvatting Het vakgebied internationale bedrijfskunde houdt zich bezig met de vraagstukken en de analyse van problemen op organisatieniveau die voortkomen uit grensoverschrijdende activiteiten.

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) onderhoudt middels de organisaties Kerk in Actie (KiA) en ICCO Alliantie contacten met partners in Brazilië. Deze studie verkent de onderhandelingen

Nadere informatie

TH-SCI Sales Capability Indicator. Best Peter Sales Representative

TH-SCI Sales Capability Indicator. Best Peter Sales Representative Best Peter Sales Representative TH-SCI Sales Capability Indicator Dit rapport werd gegenereerd op 03-09-2013 door White Alan van Brainwave Ltd.. De onderliggende data dateren van 24-07-2013. OVER DE SALES

Nadere informatie

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving Onderzoeksopzet Marktonderzoek Klantbeleving Utrecht, september 2009 1. Inleiding De beleving van de klant ten opzichte van dienstverlening wordt een steeds belangrijker onderwerp in het ontwikkelen van

Nadere informatie

Interne organisatie beïnvloedt effectiviteit en efficiëntie

Interne organisatie beïnvloedt effectiviteit en efficiëntie Interne organisatie beïnvloedt effectiviteit en efficiëntie Systematische vergelijking van de interne organisatie en prestaties van corporaties toont aan dat kleine corporaties met veel ervaring als maatschappelijke

Nadere informatie

DEFINITIES COMPETENTIES

DEFINITIES COMPETENTIES DEFINITIES COMPETENTIES A. MENSEN LEIDINGGEVEN A1 Sturen Geeft op een duidelijke manier richting aan een team, neemt de leiding op zich, zet mensen en middelen zodanig in dat doelen met succes worden bereikt.

Nadere informatie

Kennisdeling in lerende netwerken

Kennisdeling in lerende netwerken Kennisdeling in lerende netwerken Managementsamenvatting Dit rapport presenteert een onderzoek naar kennisdeling. Kennis neemt in de samenleving een steeds belangrijker plaats in. Individuen en/of groepen

Nadere informatie

VRAGENLIJST LERENDE ORGANISATIE (op basis van Nelson & Burns) 1

VRAGENLIJST LERENDE ORGANISATIE (op basis van Nelson & Burns) 1 VRAGENLIJST LERENDE ORGANISATIE (op basis van Nelson & Burns) 1 Onderstaande diagnostische vragenlijst bestaat uit 12 items. De score geeft weer in welke mate uw organisatie reactief, responsief, pro-actief

Nadere informatie

Hieronder staat een voorstel voor het kennismodel voor de vernieuwde EAR wiki.

Hieronder staat een voorstel voor het kennismodel voor de vernieuwde EAR wiki. Kennismodel EAR wiki Het doel is een rijksbrede informatie-infrastructuur: De kaders en de generieke diensten en producten op het terrein van informatievoorziening en ICT die worden aangeboden aan organisaties

Nadere informatie

Samenvatting / Dutch summary

Samenvatting / Dutch summary Samenvatting / Dutch summary De verantwoordelijkheid die mensen al dan niet nemen voor hun eigen leven is een centraal thema op dit moment, zowel binnen de politieke als de publieke discussie: we gaan

Nadere informatie

TH-MI Motivation Indicator. Brown Jeremy Manager Brainwave Ltd.

TH-MI Motivation Indicator. Brown Jeremy Manager Brainwave Ltd. Brown Jeremy Manager Brainwave Ltd. TH-MI Motivation Indicator Dit rapport werd gegenereerd op 30-08-2013 door White Alan van Brainwave Ltd.. De onderliggende data dateren van 30-08-2013. OVER DE MOTIVATION

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Haar, Beryl Philine ter Title: Open method of coordination. An analysis of its

Nadere informatie

Kwaliteitsmanagement theoretisch kader

Kwaliteitsmanagement theoretisch kader 1 Kwaliteitsmanagement theoretisch kader Versie 1.0 2000-2009, Biloxi Business Professionals BV 1 1. Kwaliteitsmanagement Kwaliteitsmanagement richt zich op de kwaliteit organisaties. Eerst wordt het begrip

Nadere informatie

"The significant problems we have can not be solved at the level of thinking we were at when we created them."

The significant problems we have can not be solved at the level of thinking we were at when we created them. Levens Stijlen Inventarisatie De Levens Stijlen Inventarisatie (LSI) is een instrument waarmee mensen hun persoonlijke effectiviteit blijvend kunnen verbeteren. "The significant problems we have can not

Nadere informatie

MOTIVES, VALUES, PREFERENCES INVENTORY OVERZICHT

MOTIVES, VALUES, PREFERENCES INVENTORY OVERZICHT MOTIVES, VALUES, PREFERENCES INVENTORY OVERZICHT INTRODUCTIE De Motives, Values, Preferences Inventory () is een persoonlijkheidstest die de kernwaarden, doelen en interesses van een persoon in kaart brengt.

Nadere informatie

STAKEHOLDERS. Hoe gaan we daar mee om? Jacques van Unnik Manager Personnel Certification & Training 3 december 2015 BUSINESS ASSURANCE

STAKEHOLDERS. Hoe gaan we daar mee om? Jacques van Unnik Manager Personnel Certification & Training 3 december 2015 BUSINESS ASSURANCE BUSINESS ASSURANCE STAKEHOLDERS Hoe gaan we daar mee om? Jacques van Unnik Manager Personnel Certification & Training 3 december 2015 1 DNV GL 2014 Stakeholders 19 November 2015 SAFER, SMARTER, GREENER

Nadere informatie

Summary 215. Samenvatting

Summary 215. Samenvatting Summary 215 216 217 Productontwikkeling wordt in steeds vaker georganiseerd in de vorm van consortia. Het organiseren van productontwikkeling in consortia is iets wat uitdagingen met zich meebrengt omdat

Nadere informatie

Kwaliteitszorg met behulp van het INK-model.

Kwaliteitszorg met behulp van het INK-model. Kwaliteitszorg met behulp van het INK-model. 1. Wat is het INK-model? Het INK-model is afgeleid van de European Foundation for Quality Management (EFQM). Het EFQM stelt zich ten doel Europese bedrijven

Nadere informatie

De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention

De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention Samenvatting Wesley Brandes MSc Introductie Het succes van CRM is volgens Bauer, Grether en Leach (2002) afhankelijk van

Nadere informatie

Indorama Ventures Public Company Limited Ondernemingsbestuur beleid

Indorama Ventures Public Company Limited Ondernemingsbestuur beleid Indorama Ventures Public Company Limited Ondernemingsbestuur beleid (Goedgekeurd door de raad van bestuur vergadering nr.1/2009 op 29 september 2009) Bericht van de voorzitter Indorama Ventures Public

Nadere informatie

NEDERLANDSE SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH)

NEDERLANDSE SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) Nederlandse Samenvatting NEDERLANDSE SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) Dankzij de opkomst van sociale media, zoals Facebook en Twitter, is de frequentie en het belang van niet-transactioneel klantgedrag

Nadere informatie

Balanced Scorecard. Een introductie. Algemene informatie voor medewerkers van: SYSQA B.V.

Balanced Scorecard. Een introductie. Algemene informatie voor medewerkers van: SYSQA B.V. Balanced Scorecard Een introductie Algemene informatie voor medewerkers van: SYSQA B.V. Organisatie SYSQA B.V. Pagina 2 van 9 Inhoudsopgave 1 INLEIDING... 3 1.1 ALGEMEEN... 3 1.2 VERSIEBEHEER... 3 2 DE

Nadere informatie

IN ZES STAPPEN MVO IMPLEMENTEREN IN UW KWALITEITSSYSTEEM

IN ZES STAPPEN MVO IMPLEMENTEREN IN UW KWALITEITSSYSTEEM IN ZES STAPPEN MVO IMPLEMENTEREN IN UW KWALITEITSSYSTEEM De tijd dat MVO was voorbehouden aan idealisten ligt achter ons. Inmiddels wordt erkend dat MVO geen hype is, maar van strategisch belang voor ieder

Nadere informatie

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Mensen die als afwijkend worden gezien zijn vaak het slachtoffer van vooroordelen, sociale uitsluiting, en discriminatie.

Nadere informatie

MVO-Control Panel. Instrumenten voor integraal MVO-management. Intern MVO-management. Verbetering van motivatie, performance en integriteit

MVO-Control Panel. Instrumenten voor integraal MVO-management. Intern MVO-management. Verbetering van motivatie, performance en integriteit MVO-Control Panel Instrumenten voor integraal MVO-management Intern MVO-management Verbetering van motivatie, performance en integriteit Inhoudsopgave Inleiding...3 1 Regels, codes en integrale verantwoordelijkheid...4

Nadere informatie

Communiceren en Improviseren. Omgaan met dynamiek en complexiteit bij de ontwikkeling en implementatie van een gezondheidsinterventie W.M.A.

Communiceren en Improviseren. Omgaan met dynamiek en complexiteit bij de ontwikkeling en implementatie van een gezondheidsinterventie W.M.A. Communiceren en Improviseren. Omgaan met dynamiek en complexiteit bij de ontwikkeling en implementatie van een gezondheidsinterventie W.M.A. ter Haar Samenvatting In dit proefschrift is de aard en het

Nadere informatie

TH-PI Performance Indicator. Best Peter Assistant

TH-PI Performance Indicator. Best Peter Assistant Best Peter Assistant TH-PI Performance Indicator Dit rapport werd gegenereerd op 11-11-2015 door White Alan van Brainwave Ltd.. De onderliggende data dateren van 10-03-2015. OVER DE PERFORMANCE INDICATOR

Nadere informatie

Hardell: mobiel bellen en hersentumoren aan de belzijde

Hardell: mobiel bellen en hersentumoren aan de belzijde Hardell: mobiel bellen en hersentumoren aan de belzijde Kennisbericht over een publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift: Hardell L, Carlberg M, Söderqvist F, Hansson Mild K, Meta-analysis of long-term

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch)

Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) (Summary in Dutch) Omgaan met Informatie over Complexe Onderwerpen: De Rol van Bronpercepties In het dagelijkse leven hebben mensen een enorme hoeveelheid informatie tot hun beschikking (bijv. via het

Nadere informatie

Strategisch management theoretisch kader

Strategisch management theoretisch kader 1 Strategisch management theoretisch kader Versie 1.0 2000-2009, Biloxi Business Professionals BV 1 1. Strategisch management Strategisch management ligt ten grondslag aan bewust en verantwoord handelen.

Nadere informatie

Kinderopvang in transitie. Derk Loorbach, Zeist, 27-11-2014

Kinderopvang in transitie. Derk Loorbach, Zeist, 27-11-2014 Kinderopvang in transitie Derk Loorbach, Zeist, 27-11-2014 Conclusies Ingrijpende maatschappelijke verandering vraagt aanpassing Transities leiden tot onzekerheid, spanning en afbraak Omgaan met transities

Nadere informatie

3D SUPPLY CHAIN VISIBILITY TRENDS & CHALLENGES IN THE HIGH TECH WORLD IR. EMILE VAN GEEL

3D SUPPLY CHAIN VISIBILITY TRENDS & CHALLENGES IN THE HIGH TECH WORLD IR. EMILE VAN GEEL 3D SUPPLY CHAIN VISIBILITY TRENDS & CHALLENGES IN THE HIGH TECH WORLD IR. EMILE VAN GEEL CONTENTS 1. trends in high tech supply chain management... 3 1. trends & uitdagingen... 3 2. omgaan met de huidige

Nadere informatie

Organisatieprestatiescan. Deze techniek wordt gebruikt in de focus- en analysefase bij het analyseren van de huidige situatie.

Organisatieprestatiescan. Deze techniek wordt gebruikt in de focus- en analysefase bij het analyseren van de huidige situatie. 1 Bijlage 2 De organisatieprestatiescan Techniek: Organisatieprestatiescan Toepassingsgebied: Achtergrond: Deze techniek wordt gebruikt in de focus- en analysefase bij het analyseren van de huidige situatie.

Nadere informatie

Betekenis nieuwe GRI - Richtlijnen. Rob van Tilburg Adviesgroep duurzaam ondernemen DHV Utrecht, 23 November 2006

Betekenis nieuwe GRI - Richtlijnen. Rob van Tilburg Adviesgroep duurzaam ondernemen DHV Utrecht, 23 November 2006 Betekenis nieuwe GRI - Richtlijnen Rob van Tilburg Adviesgroep duurzaam ondernemen DHV Utrecht, 23 November 2006 Opbouw presentatie 1. Uitgangspunten veranderingen G2 - > G3 2. Overzicht belangrijkste

Nadere informatie

Huiswerk, het huis uit!

Huiswerk, het huis uit! Huiswerk, het huis uit! Een explorerend onderzoek naar de effecten van studiebegeleiding op attitudes en gedragsdeterminanten en de bijdrage van de sociale- en leeromgeving aan deze effecten Samenvatting

Nadere informatie

DEEL I KENNISMANAGEMENT: INLEIDING EN TOEPASSINGSGEBIEDEN

DEEL I KENNISMANAGEMENT: INLEIDING EN TOEPASSINGSGEBIEDEN DEEL I KENNISMANAGEMENT: INLEIDING EN TOEPASSINGSGEBIEDEN 2. Kennis...6 2.1 Definitie... 6 2.2 Gezichtspunten ten aanzien van kennis... 9 3. Kennismanagement...16 3.1 Definitie...16 3.2 Belang van kennismanagement...18

Nadere informatie

Zelfsturend leren met een puberbrein

Zelfsturend leren met een puberbrein Zelfsturend leren met een puberbrein Jacqueline Saalmink In het hedendaagse voortgezet onderwijs wordt een groot beroep gedaan op zelfsturend leren. Leerlingen moeten hiervoor beschikken over vaardigheden

Nadere informatie

Waarom een samenvatting maken?

Waarom een samenvatting maken? Waarom een samenvatting maken? Er zijn verschillende manieren om actief bezig te zijn met de leerstof. Het maken van huiswerk is een begin. De leerstof is al eens doorgenomen; de stof is gelezen en opdrachten

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/29570 holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/29570 holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/29570 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Beek, Maurice H. ter Title: Team automata : a formal approach to the modeling

Nadere informatie

Thema 1. Inleiding tot het management

Thema 1. Inleiding tot het management Thema 1 Inleiding tot het management 1. Management: definitie MANAGEMENT verwijst naar het voortdurend nemen van beslissingen en het ontplooien van activiteiten (proces) tijdens het plannen, organiseren,

Nadere informatie

Tabel competentiereferentiesysteem

Tabel competentiereferentiesysteem Bijlage 3 bij het ministerieel besluit van tot wijziging van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling

Nadere informatie

Wij leggen rekenschap af over:

Wij leggen rekenschap af over: VRAGEN Het afleggen van rekenschap. ANTWOORDEN TOELICHTING / VOORBEELDEN VRAAG 1. Onze organisatie legt rekenschap af over onze effecten op de maatschappij, de economie en het milieu. Welke activiteiten

Nadere informatie

Test naam Marktgerichtheidsscan Datum 28-8-2012 Ingevuld door Guest Ingevuld voor Het team Team Guest-Team Context Overige

Test naam Marktgerichtheidsscan Datum 28-8-2012 Ingevuld door Guest Ingevuld voor Het team Team Guest-Team Context Overige Test naam Marktgerichtheidsscan Datum 28-8-2012 Ingevuld door Guest Ingevuld voor Het team Team Guest-Team Context Overige Klantgerichtheid Selecteren van een klant Wanneer u hoog scoort op 'selecteren

Nadere informatie

Leren bedrijfseconomische problemen op te lossen door het maken van vakspecifieke schema s

Leren bedrijfseconomische problemen op te lossen door het maken van vakspecifieke schema s Leren bedrijfseconomische problemen op te lossen door het maken van vakspecifieke schema s Bert Slof, Gijsbert Erkens & Paul A. Kirschner Als docenten zien wij graag dat leerlingen zich niet alleen de

Nadere informatie

Samenwerking en innovatie in het MKB in Europa en Nederland Een exploratie op basis van het European Company Survey

Samenwerking en innovatie in het MKB in Europa en Nederland Een exploratie op basis van het European Company Survey Samenwerking en innovatie in het MKB in Europa en Nederland Een exploratie op basis van het European Company Survey ICOON Paper #1 Ferry Koster December 2015 Inleiding Dit rapport geeft inzicht in de relatie

Nadere informatie

Een Project Management model. Wat is IASDEO?

Een Project Management model. Wat is IASDEO? Een Project Management model Project Management betekent risico s beheersen, voldoen aan allerlei vereisten, klanten tevreden stellen, beslissingen nemen, producten leveren, activiteiten coördineren, inputs

Nadere informatie

Naast basiscompetenties als opleiding en ervaring kunnen in hoofdlijnen bijvoorbeeld de volgende hoofd- en subcompetenties worden onderscheiden.

Naast basiscompetenties als opleiding en ervaring kunnen in hoofdlijnen bijvoorbeeld de volgende hoofd- en subcompetenties worden onderscheiden. Competentieprofiel Op het moment dat duidelijk is welke kant de organisatie op moet, is nog niet zonneklaar wat de wijziging gaat betekenen voor ieder afzonderlijk lid en groep van de betreffende organisatorische

Nadere informatie

Rampen- en Crisisbestrijding: Wat en wie moeten we trainen

Rampen- en Crisisbestrijding: Wat en wie moeten we trainen Kenmerken van rampen- en crisisbestrijding Crisissen of rampen hebben een aantal gedeelde kenmerken die van grote invloed zijn op de wijze waarop ze bestreden worden en die tevens de voorbereiding erop

Nadere informatie

Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding. G.J.E. Rutten

Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding. G.J.E. Rutten 1 Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding G.J.E. Rutten Introductie In dit artikel wil ik het argument van de Amerikaanse filosoof Alvin Plantinga voor

Nadere informatie

CobiT. Drs. Rob M.J. Christiaanse RA PI themabijeenkomst Utrecht 29 juni 2005 9/2/2005 1

CobiT. Drs. Rob M.J. Christiaanse RA PI themabijeenkomst Utrecht 29 juni 2005 9/2/2005 1 CobiT Drs. Rob M.J. Christiaanse RA PI themabijeenkomst Utrecht 29 juni 2005 9/2/2005 1 Control objectives for information and related Technology Lezenswaardig: 1. CobiT, Opkomst, ondergang en opleving

Nadere informatie

dat individuen met een doelpromotie-oriëntatie positieve eigeneffectiviteitswaarnemingen

dat individuen met een doelpromotie-oriëntatie positieve eigeneffectiviteitswaarnemingen 133 SAMENVATTING Sociale vergelijking is een automatisch en dagelijks proces waarmee individuen informatie over zichzelf verkrijgen. Sinds Festinger (1954) zijn assumpties over sociale vergelijking bekendmaakte,

Nadere informatie

Situationeel Leidinggeven

Situationeel Leidinggeven Situationeel Leidinggeven 1. Inleiding De theorie van Situationeel Leiderschap is ontwikkeld door Paul Hersey en Ken Blanchard (Hersey, P. and Blanchard, K. H. (1969). Management of Organizational Behavior

Nadere informatie

Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die

Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die worden uitgevoerd om uit het gevonden bronnenmateriaal

Nadere informatie

Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting

Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting xvii Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting Samenvatting IT uitbesteding doet er niet toe vanuit het perspectief aansluiting tussen bedrijfsvoering en IT Dit proefschrift is het

Nadere informatie

Examen VWO. Nederlands. tijdvak 1 woensdag 16 mei 9.00-12.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen VWO. Nederlands. tijdvak 1 woensdag 16 mei 9.00-12.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen VWO 2007 tijdvak 1 woensdag 16 mei 9.00-12.00 uur Nederlands Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 20 vragen en een samenvattingsopdracht. Voor dit examen zijn maximaal 50 punten

Nadere informatie

KWALITEIT EN TOEZICHT

KWALITEIT EN TOEZICHT KWALITEIT EN TOEZICHT Hij gaat in zijn bijdrage in op de gemeentelijke verantwoordelijkheid en de vraag hoe je als gemeente vanuit die verantwoordelijkheid stuurt op kwaliteit. Dit in een context waarin

Nadere informatie

De vloeiende organisatie

De vloeiende organisatie De vloeiende organisatie Sociologische mijmeringen over social media Ben Caudron Social Media, sterren in het universum van Enterprise 2.0 verzameling van ondernemingsgerichte, webgebaseerde collaboratie-

Nadere informatie

Is een klas een veilige omgeving?

Is een klas een veilige omgeving? Is een klas een veilige omgeving? De klas als een vreemde sociale structuur Binnen de discussie dat een school een sociaal veilige omgeving en klimaat voor leerlingen moet bieden, zouden we eerst de vraag

Nadere informatie

Werknemervertrouwen in Nederland 2010

Werknemervertrouwen in Nederland 2010 Werknemervertrouwen in Nederland 2010 - onderzoek naar vertrouwen, trots en plezier onder Werkend Nederland - Eindrapport Amersfoort, 8 april 2010 Great Place To Work Institute Nederland Postbus 1775 3800

Nadere informatie

Kortom, van visie naar werkelijkheid!

Kortom, van visie naar werkelijkheid! Wie zijn wij Scopeworks is een internationaal bureau wat zich richt op executive search, interim management en consulting. Ons kantoor is gevestigd in Nederland en vanuit hier worden onze diensten wereldwijd

Nadere informatie

Geschiedenis van leidinggevende stijlen

Geschiedenis van leidinggevende stijlen Geschiedenis van leidinggevende stijlen Aan het begin van de vorige eeuw zijn de eerste theorieën over management en leiderschap geformuleerd. Tegen de achtergrond van de industriële revolutie stonden

Nadere informatie

Leadership in Project-Based Organizations: Dealing with Complex and Paradoxical Demands L.A. Havermans

Leadership in Project-Based Organizations: Dealing with Complex and Paradoxical Demands L.A. Havermans Leadership in Project-Based Organizations: Dealing with Complex and Paradoxical Demands L.A. Havermans LEADERSHIP IN PROJECT-BASED ORGANIZATIONS Dealing with complex and paradoxical demands Leiderschap

Nadere informatie

De strategische keuzes die moeten gemaakt worden zijn als volgt: Interne controle of zelfcontrole/sociale controle

De strategische keuzes die moeten gemaakt worden zijn als volgt: Interne controle of zelfcontrole/sociale controle 1 Hoofdstuk 1 1.1 Dirigeren en coördineren p43 1.1.1 Dirigeren Dirigeren is een synoniem voor delegeren. Dirigeren houdt in dat bepaalde bevoegdheden overgedragen worden naar een persoon met een lagere

Nadere informatie

Hengelo, april 2013. 02 Gedragscode Twence

Hengelo, april 2013. 02 Gedragscode Twence Gedragscode Twence Twence in Hengelo is een (inter)nationale speler op de markt van grondstoffen en duurzame energie met hoogwaardige verwerking van afvalstromen en biomassa. Met innovatieve technieken

Nadere informatie

HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS. Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics

HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS. Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics 1 Inleiding Veel organisaties hebben de afgelopen jaren geïnvesteerd in

Nadere informatie

College 1 inleiding ondernemerschap

College 1 inleiding ondernemerschap College 1 inleiding ondernemerschap Ondernemen is het uitvoeren van innovaties waarbij discontinuïteit wordt veroorzaakt - discontinuïteit is het creëren van waarde die voorheen nog niet beschikbaar was

Nadere informatie

Prestatiebeloning werkt nauwelijks, maar prestatieafstemming

Prestatiebeloning werkt nauwelijks, maar prestatieafstemming Prestatiebeloning werkt nauwelijks, maar prestatieafstemming werkt wel André de Waal Prestatiebeloning wordt steeds populairder bij organisaties. Echter, deze soort van beloning werkt in veel gevallen

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) Elke dag nemen mensen talrijke beslissingen. Belangrijk voor het maken van keuzen is dat men weet wat de gevolgen van de verschillende mogelijkheden zijn. Het verzamelen

Nadere informatie

Strategische Issues in Dienstverlening

Strategische Issues in Dienstverlening Strategische Issues in Dienstverlening Strategisch omgaan met maatschappelijke issues Elke organisatie heeft issues. Een definitie van de term issue is: een verschil tussen de verwachting van concrete

Nadere informatie

Vernieuwing geeft méér waarde aan medezeggenschap

Vernieuwing geeft méér waarde aan medezeggenschap 10 Vernieuwing geeft méér waarde aan medezeggenschap Vernieuwing geeft méér waarde aan medezeggenschap Kim van der Hoeven 1. Inleiding Ontwikkelingen in maatschappij en samenleving denk met name aan de

Nadere informatie

Over de Zorgbalans: achtergrond en aanpak

Over de Zorgbalans: achtergrond en aanpak 1 Over de Zorgbalans: achtergrond en aanpak 1.1 De Zorgbalans beschrijft de prestaties van de gezondheidszorg In de Zorgbalans geven we een overzicht van de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Docenten in het hoger onderwijs zijn experts in wát zij doceren, maar niet noodzakelijk in hóe zij dit zouden moeten doen. Dit komt omdat zij vaak weinig tot geen training hebben gehad in het lesgeven.

Nadere informatie

De kracht van een sociale organisatie

De kracht van een sociale organisatie De kracht van een sociale organisatie De toegevoegde waarde van zakelijke sociale oplossingen Maarten Verstraeten. www.netvlies.nl Prinsenkade 7 T 076 530 25 25 E mverstraeten@netvlies.nl 4811 VB Breda

Nadere informatie

Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving

Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving Introductie Met de REQUEST methode wordt getracht de participatie van het individu in hun eigen mobiliteit te vergroten. Hiervoor moet het individu voldoende

Nadere informatie

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Algemene vorming op het einde van de derde graad secundair onderwijs Voor de sociale

Nadere informatie

Toekomst van pijnrevalidatie vanuit het managementperspectief Efficiënter selecteren voor pijnrevalidatie. Leo D. Roorda 24 oktober 2014

Toekomst van pijnrevalidatie vanuit het managementperspectief Efficiënter selecteren voor pijnrevalidatie. Leo D. Roorda 24 oktober 2014 Toekomst van pijnrevalidatie vanuit het managementperspectief Efficiënter selecteren voor pijnrevalidatie Leo D. Roorda 24 oktober 2014 Voorstellen Leo D. Roorda Reade Achtergrond Revalidatiearts, fysiotherapeut

Nadere informatie

Arbeid, systeemintegratie en inclusie. 1. Systeemtheorie: auteurs (#1)

Arbeid, systeemintegratie en inclusie. 1. Systeemtheorie: auteurs (#1) Arbeid, systeemintegratie en inclusie 1. Systeemtheorie 2. Arbeid integratie 4. Inclusie 5. Drie soorten ruilverhoudingen 1. Systeemtheorie: auteurs (#1) Algemeen: Bertalanffy, jaren 1930 (organismic system

Nadere informatie

A c. Dutch Summary 257

A c. Dutch Summary 257 Samenvatting 256 Samenvatting Dit proefschrift beschrijft de resultaten van twee longitudinale en een cross-sectioneel onderzoek. Het eerste longitudinale onderzoek betrof de ontwikkeling van probleemgedrag

Nadere informatie

OPQ Profiel OPQ. E.I. rapport. Naam Dhr. Sample Candidate. Datum 23 oktober 2013. www.ceb.shl.com

OPQ Profiel OPQ. E.I. rapport. Naam Dhr. Sample Candidate. Datum 23 oktober 2013. www.ceb.shl.com OPQ Profiel OPQ E.I. rapport Naam Dhr. Sample Candidate Datum 23 oktober 2013 www.ceb.shl.com Inleiding Kennis van de eigen emoties, het onderkennen van andermans emoties en het omgaan met relaties kunnen

Nadere informatie

Het Management Skills Assessment Instrument (MSAI)

Het Management Skills Assessment Instrument (MSAI) Het Management Skills Assessment Instrument (MSAI) Het zelfbeoordelingsformulier Het doel van deze evaluatie is om u te helpen bij het bepalen van de belangrijkste aandachtsvelden van uw leidinggevende

Nadere informatie

Mintzberg Organisatiestructuren / modellen Geschreven door Chris Stapper op 17 mei 2012 00:00 Categorie: Strategische HRM

Mintzberg Organisatiestructuren / modellen Geschreven door Chris Stapper op 17 mei 2012 00:00 Categorie: Strategische HRM Mintzberg Organisatiestructuren / modellen Geschreven door Chris Stapper op 17 mei 2012 00:00 Categorie: Strategische HRM De Mintzberg organisatiestructuren, of eigenlijk de Mintzberg configuraties, zijn

Nadere informatie

Middelen Proces Producten / Diensten Klanten

Middelen Proces Producten / Diensten Klanten Systeemdenken De wereld waarin ondernemingen bestaan is bijzonder complex en gecompliceerd en door het gebruik van verschillende concepten kan de werkelijkheid nog enigszins beheersbaar worden gemaakt.

Nadere informatie

Strategisch beleidsplan Stichting Promes 2015-2018

Strategisch beleidsplan Stichting Promes 2015-2018 Strategisch beleidsplan Stichting Promes 2015-2018 Voorwoord. De planperiode van 2011-2014 ligt bijna achter ons en geeft ons reden tot nadenken over de doelen voor de komende vier jaar. Als we terugdenken

Nadere informatie

Maatschappijleer in kernvragen en -concepten

Maatschappijleer in kernvragen en -concepten Maatschappijleer in kernvragen en -concepten Deel I Kennis van de benaderingswijzen, het formele object Politiek-juridische concepten Kernvraag 1: Welke basisconcepten kent de politiek-juridische benaderingswijze?

Nadere informatie

Samenvatting (Dutch summary)

Samenvatting (Dutch summary) Parenting Support in Community Settings: Parental needs and effectiveness of the Home-Start program J.J. Asscher Samenvatting (Dutch summary) Ouders spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van kinderen.

Nadere informatie

gegevens analyseren Welk onderzoekmodel gebruik je? Quasiexperiment ( 5.5) zonder controle achtergronden

gegevens analyseren Welk onderzoekmodel gebruik je? Quasiexperiment ( 5.5) zonder controle achtergronden een handreiking 71 hoofdstuk 8 gegevens analyseren Door middel van analyse vat je de verzamelde gegevens samen, zodat een overzichtelijk beeld van het geheel ontstaat. Richt de analyse in de eerste plaats

Nadere informatie

Gender: de ideale mix

Gender: de ideale mix Inleiding 'Zou de financiële crisis even hard hebben toegeslaan als de Lehman Brothers de Lehman Sisters waren geweest?' The Economist wijdde er vorige maand een artikel aan: de toename van vrouwen in

Nadere informatie

Het effect van doelstellingen

Het effect van doelstellingen Het effect van doelstellingen Inleiding Goalsetting of het stellen van doelen is een van de meest populaire motivatietechnieken om de prestatie te bevorderen. In eerste instantie werd er vooral onderzoek

Nadere informatie

WHOIS-beleid.eu-domeinnamen v.1.0. WHOIS-beleid.eu-domeinnamen

WHOIS-beleid.eu-domeinnamen v.1.0. WHOIS-beleid.eu-domeinnamen DEFINITIES De termen zoals gedefinieerd in de Bepalingen en voorwaarden en/of de.eu- Regels voor geschillenbeslechting worden in dit document gebruikt en geschreven met een hoofdletter. PARAGRAAF 1. PRIVACYBELEID

Nadere informatie

BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID PREAMBULE Erkennende dat ondanks de bestaande verschillen in de nationale familierechten er evenwel een toenemende convergentie

Nadere informatie

EFFECTIEVE INKOOPSAMENWERKING MET AUTONOMIE- EN CONFEDERATIESTRUCTUREN

EFFECTIEVE INKOOPSAMENWERKING MET AUTONOMIE- EN CONFEDERATIESTRUCTUREN EFFECTIEVE INKOOPSAMENWERKING MET AUTONOMIE- EN CONFEDERATIESTRUCTUREN 9 SAMENVATTING Het Centraal Planbureau voorspelt dat de zorgkosten stelselmatig toenemen en dat ze op de lange termijn onbetaalbaar

Nadere informatie

Naslagwerk KOERS. Producten van dit documenten zijn:

Naslagwerk KOERS. Producten van dit documenten zijn: Naslagwerk KOERS Dit document is bedoeld om ieder individu een eigen beeld te laten formuleren van de eigen koers als werkend mens en vervolgens als functionaris. Daarna kun je collectief de afdelingskoers

Nadere informatie

Samenvatting Het draait om het kind

Samenvatting Het draait om het kind Samenvatting Het draait om het kind Visie op monitoring in de opvoedingsvariant van pleegzorg Inleiding Aangezien de pleegzorg een onvoldoende geobjectiveerd overzicht heeft van hoe het met de jeugdige

Nadere informatie