Lesbrief Buitenland 2

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Lesbrief Buitenland 2"

Transcriptie

1 Lesbrief Buitenland 2 Hoofdstuk 1 Internationale handel 1.1 Uitvoer en invoer Invoervolume ( = importvolume): Uitvoervolume (= exportvolume): de hoeveelheid goederen en / of diensten gekocht uit het buitenland de hoeveelheid goederen en / of diensten verkocht aan het buitenland Als we spreken over invoer ( = import) of uitvoer (= export) dan bedoelen we de waarde van de verhandelde goederen en /of diensten dus volume x prijs. Uitvoersaldo ( = exportsaldo): het verschil tussen de waarde van de uitvoer en de waarde van de invoer Exportoverschot: Importoverschot: export groter dan import import groter dan export 1.2 Oorzaken internationale handel Waarom handel? (1) Omdat landen bepaalde producten niet zelf hebben (2) Omdat andere landen het product goedkoper kunnen maken en / of betere kwaliteit Wat zijn de oorzaken van de verschillen in internationale concurrentiepositie? Anders gezegd: Waarom worden sommige producten goedkoper in het ene land en andere producten goedkoper in het andere land gemaakt? (1) de natuurlijke omstandigheden klimaat, aanwezigheid grondstoffen etc. (2) technische ontwikkeling: - loonkosten per product deze hangen af van de loonkosten per arbeider én de arbeidsproductiviteit (zie verderop)** - kwaliteit van de productie hangt af van innovatie, modernisering, goede scholing (3) infrastructuur betere havens, wegen, luchthavens etc. de productie verloopt soepeler kosten van productie lager. (4) stabiliteit landen met veel stakingen of grote maatschappelijke tegenstellingen zijn onaantrekkelijk als vestigingsplaats voor internationale bedrijven. ** Als de loonkosten per arbeider in verhouding (procentueel) minder stijgen dan de arbeidsproductiviteit zullen de loonkosten per product dalen de concurrentiepositie verbetert. loonkosten per arbeider loonkosten per product = arbeidsproductiviteit 1

2 Oefenopgave 1 Lees de volgende gegevens De getallen geven de procentuele veranderingen ten opzichte van het vorige jaar aan Loonkosten per uur 2,3 4,3 3,1 2,5 2,7 Arbeidsproductiviteit per uur 2,1 0,2-0,3 3,2 1,2 In welk jaar of welke jaren daalden de loonkosten per product? Licht het antwoord toe. Antwoord: 1994 de loonkosten per uur (2,5%) steeg in dat jaar procentueel minder dan de arbeidsproductiviteit per uur (3,2%) Of: (102,5 / 103,2) x 100 = 99,32 dus de loonkosten per product daalde in 1994 met ,32 = 0,68%. Oefenopgave 2 Hier volgen indexcijfers over de Duitse economie (1985 = 100) lonen per arbeider 133 A.. 140,4 145,3 arbeidsproductiviteit 113, B 119,8 loonkosten per product 117,3 120,9 119,9 C.. Vul met behulp van berekeningen de drie open plaatsen in. Antwoord: Je gebruikt de volgende formule: lonen per arbeider (in indexcijfer) loonkosten per product = x 100 (in indexcijfer) arbeidsproductiviteit (in indexcijfer) A A A 120,9 = x 100 1,209 = A = 1,209 x 113 = 136, ,4 140,4 140,4 B 119,9 = x 100 1,199 = B = = 117,1 B B 1, ,3 C C = x 100 C = 121,3 119,8 2

3 1.3 Open of gesloten economie Nederland, een open economie Nederland heeft een open economie dat wil zeggen dat Nederland een hoge exportquote (51%) en een hoge importquote (48%) heeft. waarde export exportquote = x 100% nationaal inkomen waarde import importquote = x 100% nationaal inkomen De VS is met export- en importquote s van 10% en 12% al meer gesloten, maar er zijn landen die nog lagere export- en importquote s hebben. Als een land een exportquote en een importquote van 0 heeft wil dat zeggen dat er helemaal niet gehandeld wordt met het buitenland. Er is geen export en import. Euroland heeft als geheel een relatief gesloten economie met een exportquote en een importquote die beide ongeveer 15% zijn. Vaak hebben kleine landen een meer open economie dan grote landen. Oorzaak: (1) kleine landen hebben vaak maar één soort klimaat en bodemgesteldheid waardoor ze niet veel verschillende goederen kunnen produceren (2) het ontbreken van schaalvoordelen bij sommige productieprocessen denk aan vliegtuigbouw, ruimtevaart etc. (schaalvoordelen = dat je per eenheid product goedkoper produceert naarmate je meer produceert. Kleine landen hebben een kleine afzetmarkt, kunnen niet veel producten produceren constante kosten per product zijn hoog). Oorzaken (van een meer gesloten economie) die niet met de omvang (grootte) van het land te maken hebben: (1) slechte vervoersmogelijkheden of een ruig landschap (bijv. Afghanistan) (2) een regering die zoveel mogelijk onafhankelijk wil zijn van het buitenland (bijv. Cuba, Noord-Korea) 1.4 De betalingsbalans Betalingsbalans: is een systematisch overzicht van alle betalingen aan en ontvangsten van het buitenland gedurende een periode van één jaar. Wanneer een land meer geld ontvangt uit het buitenland dan het uitgeeft aan het buitenland spreken we van een overschot op de betalingsbalans. Wanneer een land meer geld uitgeeft aan het buitenland dan het ontvangt van het buitenland spreken we van een tekort op de betalingsbalans. 3

4 De betalingsbalans kan worden onderverdeeld in: (1) goederenrekening (= handelsbalans) (2) dienstenrekening (3) inkomensrekening (a) primaire inkomensrekening (b) inkomensoverdrachtenrekening (4) kapitaalrekening (5) goud- en deviezenrekening (= officiële reserves = monetaire reserves = salderingsrekening) (1) de goederenrekening = de handelsbalans = het zichtbare verkeer (2) + (3) de dienstenrekening en de inkomensrekening = het onzichtbare verkeer (1) + (2) + (3) de goederenrekening + de dienstenrekening + de inkomensrekening = de lopende rekening Hieronder volgt de betalingsbalans van Euroland in 2006 ad(1) goederenrekening (=handelsbalans) In 2006 een overschot van 30 mld. handelsoverschot Dekkingspercentage = (exportwaarde / importwaarde) x 100% het dekkingspercentage geeft aan in welke mate de uitgaven van de import al dan niet gedekt worden door de ontvangsten van de export ad(2) dienstenrekening Hieronder vallen o.a. reisverkeer, transport, verzekering en technische dienstverlening. In 2006 een overschot van 37 mld. ad(3a) primaire inkomensrekening (= beloning van de productiefactoren) Beloningen van productiefactoren zijn bijvoorbeeld loon, rente, huur, winst en dividend (een winstuitkering op een aandeel). Wanneer deze vormen van (primair) inkomen van het ene land naar het andere worden overgemaakt worden zij op de betalingsbalans geregistreerd. Omdat deze beloningen worden verdiend in het productieproces horen ze tot de primaire inkomens. ad(3b) inkomensoverdrachtenrekening (= secundaire inkomens) Hieronder vallen betalingen aan en van het buitenland waar géén productieve tegenprestatie tegenover staat (m.a.w. schenkingen). Bijv. - noodhulp bij natuurrampen - overmakingen van geld van buitenlandse werknemers aan hun familie in het moederland - ontwikkelingshulp en subsidies uit EU-fondsen In 2006 had Euroland een tekort van 72 mld. op de inkomensrekening ad(4) kapitaalrekening (= vermogensrekening) Het kapitaalverkeer betreft beleggingen, directe investeringen, aflossingen, leningen en effectentransacties (bijv. aandelen, obligaties) Beleggen is het kopen van aandelen en obligaties. Investeren is het kopen van machines en gebouwen om bijvoorbeeld een fabriek op te zetten. In 2006 had Euroland een overschot van 145 mld. op de kapitaalrekening 4

5 Het saldo van de lopende rekening + het saldo van de kapitaalrekening bij elkaar opgeteld heet het materieel saldo van de betalingsbalans. Euroland had in 2006 een materieel overschot van ( =) 140 mld. Een materieel overschot op de betalingsbalans betekent dat de ontvangsten op de betalingsbalans groter zijn dan de uitgaven. Hierdoor stijgt de voorraad internationale betaalmiddelen van Euroland die beheerd wordt door de Europese Centrale Bank (ECB). De voorraad internationale betaalmiddelen wordt ook wel de valutareserve of de deviezenreserve genoemd. De valutareserve omvat internationaal geaccepteerde valuta s, zoals de dollar, de yen en het pond. Materieel betalingsbalansevenwicht: De lopende rekening en de kapitaalrekening zijn met elkaar in evenwicht. De betalingsbalans van Euroland vertoont al jaren hetzelfde beeld: een overschot op de goederenrekening en de dienstenrekening en een tekort op de inkomensrekening, vooral veroorzaakt door inkomensoverdrachten. Het overschot op de kapitaalrekening wordt vooral veroorzaakt doordat beleggers van buiten Euroland aandelen en obligaties in Euroland kopen. Landen met een overschot op de lopende rekening, zoals China, ontvangen geld uit het buitenland. Een groot deel hiervan wordt vervolgens belegd of geïnvesteerd in het buitenland met het doel opbrengst uit het vermogen te verwerven. Deze kapitaalexport veroorzaakt een tekort op de kapitaalrekening. Landen met een tekort op de lopende rekening (VS) hebben vaak een overschot op de kapitaalrekening. Het tekort wordt namelijk geleend in het buitenland. Deze grote toestroom van buitenlands kapitaal (kapitaalimport) zorgt voor een overschot op de kapitaalrekening. Over het geleende geld moet rente worden betaald. Deze rentebetalingen leiden weer tot een tekort op de inkomensrekening. 1.5 Multinationale ondernemingen Multinationals: bedrijven met productievestigingen in verschillende landen. Voorbeelden: Philips, Unilever, Shell, IBM, Coca Cola, MacDonald s etc. De afgelopen tijd is het bedrijfsleven sterk geïnternationaliseerd. In 1970 waren er 7000 multinationale ondernemingen, nu al meer dan Redenen voor een bedrijf om een vestiging in het buitenland te beginnen of om een bedrijf over te nemen: (1) kostenbeperking door lagere lonen, minder strenge milieueisen, schaalvergroting (2) het omzeilen van handelsbelemmeringen (3) het sneller bedienen van de afzetmarkt (4) het helemaal beheersen van een bedrijfskolom (Shell, Unilever) 5

6 Hoofdstuk 2 Wisselkoersen 2.1 De hoogte van de wisselkoers Wisselkoers: de waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt De hoogte van de wisselkoers worst bepaald op de valutamarkt. De valutamarkt is het geheel van vraag naar en aanbod van valuta s. Wisselkoers van de euro: de prijs van de euro uitgedrukt in een andere munt Let wel: je kunt niet spreken van dé wisselkoers van de euro!!! Er is ten opzichte van alle buitenlandse valuta een andere wisselkoers. Alle betalingen aan niet eurolanden hebben aanbod van euro s op de valutamarkt tot gevolg. Alle ontvangsten uit niet eurolanden leiden tot vraag naar euro s op de valutamarkt (= wisselmarkt). We kunnen de betalingsbalans voor euroland vertalen in vraag naar en aanbod van euro s op de valutamarkt. Zo krijgen we inzicht in de vorming van de wisselkoers. De oorzaken van veranderingen in de wisselkoers zijn dus veranderingen van inkomsten en uitgaven op de lopende rekening en / of de kapitaalrekening van de betalingsbalans. Een stijging van de wisselkoers als gevolg van een grotere vraag en / of een kleiner aanbod van een munt op de valutamarkt noemen we een appreciatie van de wisselkoers. Een wisselkoersdaling als gevolg van een groter aanbod en / of een kleinere vraag heet een depreciatie van de wisselkoers. Inkomsten uit het buitenland (export op de lopende rekening, import van kapitaal) op de betalingsbalans van een land betekenen vraag naar de munt van dat land op de valutamarkt. Uitgaven aan het buitenland (import op de lopende rekening, export van kapitaal) op de betalingsbalans betekenen aanbod van de munt van een land op de valutamarkt. Een overschot op de betalingsbalans betekent dat de ontvangsten groter zijn dan de uitgaven. Dan is ook de vraag naar die munt op de valutamarkt groter dan het aanbod. De wisselkoers van die munt ten opzichte van andere munten zal dan stijgen. Dit noemen we appreciatie. Omgekeerd zal een tekort op de betalingsbalans leiden tot een daling van de wisselkoers ten opzichte van een andere munt. Dit noemen we depreciatie. 2.2 Invloed wisselkoers op export en import Door een stijging van de wisselkoers worden geïmporteerde producten goedkoper minder kans op geïmporteerde kosteninflatie. Een stijging van de wisselkoers maakt de exportproducten van dat land voor het buitenland echter duurder minder vraag naar de producten uit dat land nadelig voor de concurrentiepositie van dat land bovendien is de import goedkoper dus meer import minder export en meer import minder afzet voor binnenlandse bedrijven minder productie nadelig dus ook voor de werkgelegenheid. Door een daling van de wisselkoers worden geïmporteerde producten duurder (grondstoffen en halffabrikaten etc.) de kosten stijgen wanneer deze kostenstijging wordt doorberekend in de verkoopprijzen geïmporteerde kosteninflatie. Een daling van de wisselkoers maakt de exportproducten van dat land voor het buitenland goedkoper meer vraag naar de producten uit dat land gunstig voor de concurrentiepositie van dat land bovendien is de import duurder dus minder import meer export en minder import meer afzet voor binnenlandse bedrijven meer productie goed voor de werkgelegenheid. 6

7 2.3 Flexibele (= vrije = zwevende) wisselkoersen We zien in de grafiek dat vraag en aanbod van de euro s op de valutamarkt de hoogte van de wisselkoers van de euro bepalen. Er is evenwicht bij een koers van $ 0,95, immers vraag en aanbod zijn aan elkaar gelijk. Overigens is er geen sprake van één wisselkoers, immers de euro kan ook uitgedrukt worden in bijv. yens of ponden. Verklaring dalend verloop van de vraaglijn. Bij een lagere koers van de euro stijgt de vraag naar euro s. De Europese export wordt goedkoper voor de VS, immers voor de euro hoeven minder dollars neergeteld te worden. Dit leidt tot meer vraag naar euro s door de Amerikanen. Verklaring stijgend verloop van de aanbodlijn. Bij een hogere koers van de euro stijgt het aanbod van euro s. De producten uit de VS worden goedkoper voor Eurolanden, immers voor een dollar hoeft minder euro s neergeteld te worden. Dit leidt tot meer vraag naar Amerikaanse producten, dus meer vraag naar de dollar, dus meer aanbod van euro s door de eurolanden. Vraag en aanbod bepalen de evenwichtskoers. Een verschuiving van vraag en aanbod leidt tot koersveranderingen. De vraaglijn verschuift naar rechts door bijv: - voorkeur voor Europese producten stijgt; - inkomens in de VS stijgen; - prijzen van internationale concurrenten stijgen t.o.v. prijzen in Euroland; - de rente in Euroland stijgt, waardoor het voor buitenlanders (in dit geval ook Amerikanen) aantrekkelijker wordt in Euroland te beleggen. Zo'n toename van de vraag (zie figuur V ') leidt tot een hogere koers (k'), we spreken van een appreciatie van de euro. De aanbodlijn verschuift naar rechts door bijv: - voorkeur voor Amerikaanse producten stijgt; - inkomens in Euroland stijgen; - prijzen in Euroland stijgen harder dan in het buitenland; - de rente in het buitenland (lees de VS) stijgt. Zo'n toename van het aanbod (zie figuur A') leidt tot een lagere koers (k''), we spreken van een depreciatie van de euro. 7

8 Verschuivingen van vraag en aanbod leiden tot een appreciatie (= koersstijging) of een depreciatie (= koersdaling) van de euro. Als de koers wordt overgelaten aan het vrije spel van vraag en aanbod, spreken we van zwevende wisselkoersen ( = vrije wisselkoersen) Voordeel: - altijd materieel betalingsbalansevenwicht (want vraag naar en aanbod van de betreffende valuta zijn aan elkaar gelijk)!!!!!!! Bij een verstoring van het betalingsbalansevenwicht zorgt de verandering van de wisselkoers voor evenwichtsherstel* - dus ruimte voor zelfstandig binnenlands beleid - het ontbreken van de noodzaak tot het aanhouden van een monetaire reserve * Immers, wanneer een land bijvoorbeeld een tekort heeft op de betalingsbalans dan daalt de wisselkoers. Hierdoor zal de export toenemen (betere concurrentiepositie t.o.v. het buitenland) en de import afnemen (import wordt duurder) waardoor het saldo op de betalingsbalans weer verbetert en het tekort afneemt. Nadeel: - grote koersrisico's; dit ontmoedigt de internationale handel!!!!!!!!! - koersschommelingen werken door in de prijzen van geïmporteerde producten en leiden tot instabiliteit van het binnenlands prijsniveau het voorspellen en het bestrijden van inflatie wordt hierdoor lastiger. Wisselkoersen binnen marges ( = stabiele wisselkoersen) Stabiele wisselkoersen met bandbreedte, het EMS-2 Landen kunnen afspreken dat hun wisselkoersen ten opzichte van elkaar maar beperkt mogen schommelen. Zo n systeem bestond in de EU tussen 1979 en 1999: het Europees Monetair Systeem (EMS). De regeringen van de deelnemende landen de meeste EU-landen- spraken een onderlinge wisselkoers af, de spilkoers. De werkelijke wisselkoers mocht slechts beperkt schommelen rond die spilkoers (een marge (2,25%) boven en een marge (2,25%) onder de spilkoers) De ruimte waarbinnen de koers mocht schommelen wordt de bandbreedte (4,5%) genoemd. In 1999 ging het EMS op in de euro. Nu is er het EMS-2, met Denemarken, dat niet meedoet aan de euro, als deelnemer. De spilkoers van de Deense Kroon is 0,130. De feitelijke koers mag hier 2,25% boven of 2,25% onder komen. De totale bandbreedte is 4,5%. De koers mag dus tussen de 0,127 en 0,133 schommelen. 8

9 Dreigt de munt buiten de toegestane marge met de spilkoers te raken, dan is het de taak van de Deense centrale bank om in te grijpen. Direct (via valuta-interventie) of indirect (via rente op de geldmarkt) Stel dat de Deense kroon steeds onder de onderste interventiekoers komt. De Deense centrale bank kan het volgende doen: (1) Valuta-interventie: De Deense centrale bank kan de vraag naar Deense kronen op de valutamarkt vergroten door zelf als vrager (=koper) van Deense kronen op te treden. De Deense centrale bank koopt dan Deense kronen (vraagt Deense kronen) en verkoopt euro s. De vraag naar Deense kronen neemt toe tot V 2 en de koers van de Deense kroon komt weer binnen de bandbreedte te liggen. De ECB moet ook Deense kronen vragen en euro s verkopen, dit schrijft het EMS-2 voor. Omdat centrale banken moeten interveniëren wanneer de koers buiten de bandbreedte dreigt te raken worden de grenzen van de bandbreedte de interventiekoersen genoemd. (2) Veranderingen in de korte rente: De Deense centrale bank kan de rente op kortlopend krediet (de korte rente) beïnvloeden. Een verhoging van de korte rente maakt Denemarken aantrekkelijk voor binnenlandse en buitenlandse beleggers. Buitenlandse beleggers zullen besluiten hun geld naar Denemarken te brengen. Zij wisselen bijv. hun euro s om in Deense kronen. Hierdoor neemt de vraag naar Deense kronen op de valutamarkt toe (V verschuift naar rechts --> V 2 ) : de koers van de Deense kroon stijgt en komt weer binnen de bandbreedte te liggen. Interveniëren is, net als het voortdurend verhogen of verlagen van rentetarieven, niet eindeloos mogelijk. De voorraad vreemde valuta raakt op en bijv. hoge rentetarieven hebben het gevaar van dalende binnenlandse bestedingen. Als de koers van een land voortdurend boven (dan wel onder) de bandbreedte valt is een revaluatie (dan wel devaluatie) noodzakelijk. revaluatie: verhoging van de officieel vastgestelde spilkoers door de monetaire autoriteiten devaluatie: verlaging van de officieel vastgestelde spilkoers door de monetaire autoriteiten Voordeel van stabiele wisselkoersen: is de zekerheid ten aanzien van de wisselkoersen een soepeler verlopende internationale handel. 9

10 Nadeel van de stabiele wisselkoersen: - is dat er niet automatisch een materieel evenwicht wordt verkregen - de noodzaak van binnenlandse aanpassingen bij verstoringen - het aanhouden van een monetaire reserve (= goud en deviezenvoorraad). 2.4 Vaste wisselkoersen De wisselkoers van een land is helemaal vastgekoppeld aan een andere munt of aan andere munten. Daarbij is er geen bandbreedte waarbinnen de koers kan schommelen. Dit biedt dezelfde voordelen als het EMS: - minder koersrisico en minder onzekerheid wat betreft exportprijzen en importprijzen voor exporteurs en importeurs goed voor internationale handel Nadeel van de vaste wisselkoersen: - is dat er niet automatisch een materieel evenwicht wordt verkregen - de noodzaak van binnenlandse aanpassingen bij verstoringen - het aanhouden van een monetaire reserve (= goud en deviezenvoorraad om tekorten te kunnen aanzuiveren Kleine tekorten op de betalingsbalans zijn niet erg zolang het land over genoeg deviezen beschikt waarmee de tekorten kunnen worden gedekt. Wanneer de tekorten echter te groot worden en de valutareserve van de centrale bank uitgeput dreigt te raken, kan de afgesproken wisselkoers niet gehandhaafd blijven. Het nadeel van vaste wisselkoersen is dat als er tekorten en / of overschotten op de betalingsbalans ontstaan, de wisselkoers zich niet zodanig zal aanpassen dat die tekorten en overschotten weer verdwijnen (dus niet automatisch materieel evenwicht). De munt moet dan devalueren of revalueren. devaluatie: verlaging van de officieel vastgestelde spilkoers door de monetaire autoriteiten revaluatie: verhoging van de officieel vastgestelde spilkoers door de monetaire autoriteiten Devaluatie en revaluatie zijn nogal ingrijpende gebeurtenissen. Je kunt niet de hele tijd devalueren of revalueren: dan worden de handelaren weer onzeker. Daarom zal bij vaste wisselkoersen eerst gepoogd kunnen worden om door aanpassing van het binnenlands beleid de bestaande vaste wisselkoersverhouding te handhaven. Als een land een tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans heeft, zijn er verschillende beleidsmogelijkheden: - overschot op de kapitaalrekening kweken (via renteverhoging) - export bevorderen (via loonmatiging, handelsmissies) - import beperken (door binnenlandse bestedingen te beperken) Als er na een devaluatie nog steeds een betalingsbalanstekort ontstaat en de valutareserve van de centrale bank op raakt, moet de vaste wisselkoers worden losgelaten en zal de wisselkoers van de zwakkere munt vaak sterk dalen. 2.5 Van vaste wisselkoersen naar één munt Een stap verder naar een soepeler internationale handel is een gezamenlijke munt, zoals de euro. Voordeel: Nadeel: - prijzen beter vergelijkbaar - geen omwisselingskosten meer - geen koersrisico meer (en de kosten om je daartegen te verzekeren) - landen kunnen niet meer via een daling van de wisselkoers hun concurrentiepositie verbeteren (devaluatie is niet meer mogelijk) 10

11 Dus in een monetaire unie waar er sprake is van één munt, kan er niet meer onderling gedevalueerd worden en leidt hogere inflatie tot een dalende export, en dus oplopende werkloosheid in de exportindustrieën. Is de Euro een harde munt? Een harde munt betekent dat de inflatie laag is en de wisselkoers stabiel of stijgend. Voordelen van een harde munt: - de lage inflatie is goed voor de koopkracht - lage inflatie zorgt voor lage rente - geeft zekerheid aan spaarders en ondernemers wat betreft toekomstige prijzen Voordelen van een lage inflatie: - goede concurrentiepositie t.o.v. het buitenland, dus goedkope export - beleggers nemen genoegen met een lagere rente - minder import, ten gunste van de eigen industrie - minder geldontwaarding en geen loon / prijsspiraal Betalingsbalans en wisselkoers in euroland De stand van de betalingsbalans van bijvoorbeeld Nederland tegenover andere EMU-landen is minder belangrijk geworden: het beïnvloedt de onderlinge wisselkoersen niet want die zijn er niet. Er zal meer gekeken worden naar de stand van de betalingsbalans van Euroland ten opzichte van andere landen, met name de VS en Japan, de andere economische grootmachten. De stand van de betalingsbalans van een afzonderlijk EMU-land beïnvloedt de koers van de euro alleen voor zover het betrekking heeft op geldstromen met niet-emu-landen. Het belang van de wisselkoers van de euro voor de Eurolandse economie is niet zo groot. Het belang van de koers van de gulden voor Nederland was veel groter. Nederland is namelijk een heel open economie met exportquotes en importquotes van respectievelijk 53% en 47%. Een wisselkoersverandering werd dus in een groot deel van de economie gevoeld en had sterke gevolgen voor werkgelegenheid en inflatie. Euroland is een vrij gesloten economie met export- en importquotes van iets meer dan 10%. Een verandering van de eurokoers heeft in een gesloten economie relatief weinig gevolgen voor werkgelegenheid en inflatie. 11

12 Hoofdstuk 3 De Samenhang 3.1. Onderlinge afhankelijkheid van markten soort markt hoe heet de prijs op deze markt? hoe heet een stijging van de prijs? hoe heet een daling van een prijs? goederenmarkt / prijs inflatie deflatie dienstenmarkt arbeidsmarkt loon loonstijging loondaling vermogensmarkt rente rentestijging rentedaling (geld- en kapitaalmarkt) valutamarkt wisselkoers appreciatie depreciatie 3.2 Inflatie en wisselkoers Inflatie beïnvloedt de wisselkoers Hoge inflatie de concurrentiepositie verslechtert t.o.v. het buitenland minder export minder vraag naar de munt op de valutamarkt wisselkoers daalt. Lage inflatie de concurrentiepositie verbetert t.o.v. het buitenland meer export meer vraag naar de munt op de valutamarkt wisselkoers stijgt. Wisselkoers beïnvloedt de inflatie Wisselkoers daalt prijs geïmporteerde producten stijgt als deze worden doorberekend in de binnenlandse prijzen (kosten)inflatie stijgt Wisselkoers daalt de concurrentiepositie verbetert t.o.v. het buitenland meer export productie stijgt de bezettingsgraad stijgt meer kans op (bestedings)inflatie Wisselkoers stijgt prijs geïmporteerde producten daalt als deze daling wordt doorberekend in de binnenlandse prijzen kosten)inflatie daalt Wisselkoers stijgt de concurrentiepositie verslechtert t.o.v. het buitenland minder export productie daalt de bezettingsgraad daalt minder kans op (bestedings)inflatie 3.3 Wisselkoers en werkgelegenheid Wisselkoers stijgt internationale concurrentiepositie verslechtert export daalt, import stijgt productie daalt werkgelegenheid daalt. Wisselkoers daalt internationale concurrentiepositie verbetert export stijgt, import daalt productie stijgt werkgelegenheid stijgt. 3.4 Invloed van de officiële rente Rente en bestedingen De rentestand beïnvloedt de binnenlandse bestedingen. Als de ECB de officiële rente verlaagt, zullen de banken die renteverlaging volgen waardoor de rente op de geldmarkt daalt. Een lagere rentestand 12

13 maakt lenen aantrekkelijker en sparen juist minder aantrekkelijk. Meer lenen en minder sparen houdt in dat gezinnen en bedrijven meer kopen en de bestedingen dus toenemen. Leningen worden vooral afgesloten om bestedingen te doen zoals auto s en huizen kopen. Rente in Euroland stijgt sparen stijgt (aantrekkelijker), lenen daalt (minder aantrekkelijk) binnenlandse bestedingen dalen productie daalt kans op inflatie daalt werkgelegenheid daalt Rente in Euroland daalt sparen daalt (minder aantrekkelijk), lenen stijgt (aantrekkelijker) binnenlandse bestedingen stijgen productie stijgt kans op inflatie stijgt werkgelegenheid stijgt Rente en wisselkoers Rente in Euroland stijgt beleggingen uit het buitenland stijgt vraag naar euro s op de valutamarkt stijgt wisselkoers euro stijgt. Rente in Euroland daalt beleggingen uit het buitenland daalt, aantrekkelijker om in het buitenland te beleggen aanbod van euro s op de valutamarkt stijgt wisselkoers euro daalt. Zorg dat je de kennis- en inzichtvragen van lesbrief Buitenland 2 goed kent!!!!!!!!!! 13

Handel (tastbare goederen) 61 35 + 26 Diensten (transport, toerisme, ) 5 4 + 1 Primaire inkomens (rente, dividend, ) 11 3 + 8

Handel (tastbare goederen) 61 35 + 26 Diensten (transport, toerisme, ) 5 4 + 1 Primaire inkomens (rente, dividend, ) 11 3 + 8 betalingsbalans Zweden behoort tot de EU maar (nog) niet tot de EMU. Dat maakt Zweden een leuk land voor opgaven over wisselkoersen, waarbij een vrij zwevende kroon overgaat naar een kroon met een vaste

Nadere informatie

Valutamarkt. fransetman.nl

Valutamarkt. fransetman.nl euro in dollar wisselkoers Wisselkoers (ontstaat op valutamarkt) Waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt Waardoor kan de vraag naar en het aanbod van veranderen? De wisselkoers van de euro in

Nadere informatie

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590?

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? 1,3644 * 590 = $805 2300 is dan 1,3644 * 2300 =$3138,12 Hoeveel euro is $789? 1,3644 dollar = 1 euro $789 / 1,3644 =578,28 euro Bereken

Nadere informatie

Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen

Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen Economie VWO 2011/2012 www.lyceo.nl H5: Internationale betrekkingen Economie 1. Inkomen 2. Consument 3. Producenten 4. Markt en Overheid 5. Internationale betrekkingen

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase

Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase Opgave 1 Sinds 1 juni 1998 maakt De Nederlandsche Bank (DNB) samen met de centrale banken van andere

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS Valutamarkt De euro op koers Havo Economie 2010-2011 VERS 2 Hoofdstuk 1 : Inleiding Opdracht 1 a. Dirham b. Internet c. Duitsland - Ierland - Nederland - Griekenland - Finland - Luxemburg - Oostenrijk

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

we noemen een munt convertibel indien deze bij banken inwisselbaar is. (bijv. de Roebel is niet convertibel; wordt door banken niet geaccepteerd).

we noemen een munt convertibel indien deze bij banken inwisselbaar is. (bijv. de Roebel is niet convertibel; wordt door banken niet geaccepteerd). Dome D Nederlandse betalgsbalans Open economie / gesloten economie: Open economie: veel handel (export en import) met het benland. (bij een open economie zijn de exportquote en importquote groot). Bijvoorbeeld

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

oefentoets 3 e periode 0910 vier opgaven pagina 1 van 4

oefentoets 3 e periode 0910 vier opgaven pagina 1 van 4 oefentoets 3 e periode 0910 vier opgaven pagina 1 van 4 Opgave 1 valutamarkt Groot-Brittannië behoort niet tot de Economische Monetaire Unie (EMU). Het Britse pond ( ) is op de valutamarkt nog een zelfstandig

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land.

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. 1 De wisselmarkt 1.1 Begrip Wisselkoers = de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. bv: prijs van 1 USD = 0,7

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT

HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT 1 HOOFDSTUK 19: WISSELKOERS EN WISSELMARKT 1. PRIJSVORMING OP DE WISSELMARKTEN 1.1. Enkele begrippen Wisselkoers = prijs van de buitenlandse munt, uitgedrukt in nationale munt bv. wisselkoers () van de

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 10 Een klein binnenland, een groot buitenland

Samenvatting Economie Hoofdstuk 10 Een klein binnenland, een groot buitenland Samenvatting Economie Hoofdstuk 10 Een klein binnenland, een groot buitenland Paragraaf 1 Karakteristieken van het internationale handels- en betalingsverkeer Nederland heeft een relatief open economie.

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

Het internationale economisch verkeer

Het internationale economisch verkeer Hoofdstuk 2 Het internationale economisch verkeer 2.29 2.30 2.31 2.32 2.33 2.34 2.35 2.36 D D C D A D C D 2.37 a. Als Aland zich specialiseert in dat product waarin het relatief goed is, kan het door internationale

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2000-II Deze uitwerking wordt ook opgenomen in de Examenbundel Onderwijspers 2001-2002 die in de zomer van 2001 bij

Nadere informatie

EUROPESE SAMENWERKING

EUROPESE SAMENWERKING ECONOMIE EUROPESE SAMENWERKING HOOFDSTUK 1: HET BUITENLAND 1.1 OVER DE GRENS Bij uitvoer oefent het buitenland vraag uit naar Nederlandse producten. Tegenover goederen- en dienstenstromen staan geldstromen.

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Zelftest hoofdstuk 1 Gesloten vragen 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A

Zelftest hoofdstuk 1 Gesloten vragen 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A Zelftest hoofdstuk 1 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A 1.33 a. $25 1, 1 = $27,50 b. -invoercontingenten, -kwaliteitseisen, -douaneformaliteiten, -subsidies

Nadere informatie

HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN 1 HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN 1. Op de beurs van New York worden de volgende koersen genoteerd : 100 JPY = 0,8 USD ; 1 GBP = 1,75 USD en 1 euro = 0,9273 USD. In Tokyo is de notering 1 USD = 140 JPY. In Londen

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Internationale handel H7 1. Internationale handel. Waarom importeren: 25-2-2013. Waar komt het vandaan?

Internationale handel H7 1. Internationale handel. Waarom importeren: 25-2-2013. Waar komt het vandaan? Internationale handel H7 1 Waar komt het vandaan? Economie voor het vmbo (tot 8,35 m.) Internationale handel Importeren = invoeren (betalen) Exporteren = uitvoeren (verdienen) Waarom importeren: Meer keuze

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

TENTAMEN ALGEMENE ECONOMIE

TENTAMEN ALGEMENE ECONOMIE Locatie Fraijlemaborg Zuidoost Postbus 22575, 1100 msterdam TENTMEN LGEMENE EONOMIE HOOFFSE EONOMIE Onderwijseenheid : EVH101-1 atum : 2009 Tijd : ocenten : OH EE VRJ Tentamen lgemene Economie Pagina 2

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) volkomen concurrentie bij (2) niet bij (3)

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 VAK: NIVEAU: EXAMEN: ECONOMIE I HAVO 2000-II Deze uitwerking wordt ook opgenomen in de Examenbundel Onderwijspers 2001-2002 die in de zomer van 2001 bij

Nadere informatie

H2: Economisch denken

H2: Economisch denken H2: Economisch denken 1 : Produceren Produceren: Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van de productiefactoren door bedrijven en de overheid. Alleen bedrijven en de overheid kunnen produceren

Nadere informatie

Katern De waarde van de munt

Katern De waarde van de munt Vwo katern 5 De waarde van de munt - hoofdstuk 1 Geldontwaarding Katern De waarde van de munt hoofdstuk 1 Geldontwaarding Opdracht 1 a Het gaat om 2,4 procentpunt. In de zin de centrale bank verwacht dat

Nadere informatie

Katern 4 Waarde van de munt

Katern 4 Waarde van de munt Katern 4 Waarde van de munt Begrippen CPI = geeft aan hoe hoog de kosten voor het levensonderhoud zijn Deflatie = geld wordt meer waard Geldillusie = mensen denken dat ze rijker zijn dan in werkelijkheid

Nadere informatie

Maak bij de beantwoording van de volgende vraag gebruik van onderstaande grafiek.

Maak bij de beantwoording van de volgende vraag gebruik van onderstaande grafiek. Opgave 1 M-vragen Maak bij de beantwoording van de volgende vraag gebruik van onderstaande grafiek. Euros to 1 RL 1 Is in de periode 31 maart 17 april sprake van een devaluatie van de euro ten opzichte

Nadere informatie

Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1

Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Vraag 1 Bin. Munt/Buit. munt Hoeveelheid buitenlandse munt Beschouw bovenstaande grafiek met op de Y-as de hoeveelheid binnenlandse

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2013-I

Eindexamen havo economie 2013-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) monopolie bij (2) toe

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,5

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: HAVO EXAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

De vermogensmarkt De euro op koers

De vermogensmarkt De euro op koers De vermogensmarkt De euro op koers Havo Economie 2 INHOUD HOOFDSTUK 1: EEN MARKT VOOR VREEMDE VALUTA pag 3 1.1 Inleiding pag 3 1.2 Vreemde valuta pag 4 1.3 Vraag en aanbod op de valutamarkt pag 7 HOOFDSTUK

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2

Examen VWO. economie 1,2 economie 1,2 Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 30 mei 13.30 16.30 uur 20 05 Voor dit examen zijn maximaal 62 punten te behalen; het examen bestaat uit 26 vragen. Voor

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2012 tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur oud programma economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen.

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Examen VWO. Economische wetenschappen 1 en recht

Examen VWO. Economische wetenschappen 1 en recht Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 33 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Begrippenlijst betalingsbalans (met antwoorden) pagina 1 van 8

Begrippenlijst betalingsbalans (met antwoorden) pagina 1 van 8 Begrippenlijst betalingsbalans (met antwoorden) pagina 1 van 8 A Betalingsbalans De betalingsbalans registreert het betalingsverkeer tussen een land en het buitenland. Dit betalingsverkeer wordt vooral

Nadere informatie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie Federaal Planbureau Economische analyses en vooruitzichten Perscommuniqué Brussel, 15 september 2000 Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen HAVO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 19 juni 13.30 16.00 uur 20 02 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 32

Nadere informatie

Examen HAVO. economie 1

Examen HAVO. economie 1 economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 31 mei 9.00 11.30 uur 20 06 Voor dit examen zijn maximaal 56 punten te behalen; het examen bestaat uit 30 vragen. Voor elk

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden

Centraal Bureau voor de Statistiek Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden Factsheet Macro-economische onevenwichtigheden 10 april 2014 pagina 1 Inleiding Door de uitbraak van de kredietcrisis in 2008 en de daaropvolgende Europese schuldencrisis is het duidelijk geworden dat

Nadere informatie

Correctievoorschrift VWO. Economische wetenschappen I en recht

Correctievoorschrift VWO. Economische wetenschappen I en recht Economische wetenschappen I en recht Correctievoorschrift VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak Inzenden scores Uiterlijk 3 juni de scores van de alfabetisch eerste vijf kandidaten per school

Nadere informatie

Samenvatting Hoofdstuk 9 Betalen in binnen- en buitenland

Samenvatting Hoofdstuk 9 Betalen in binnen- en buitenland Paragraaf 1 Geld Samenvatting Hoofdstuk 9 Betalen in binnen- en buitenland Er is sprake van directe ruil wanneer er goederen tegen goederen worden geruild. We spreken van indirecte ruil wanneer er eerst

Nadere informatie

Correctievoorschrift HAVO. economie 1,2

Correctievoorschrift HAVO. economie 1,2 economie 1,2 Correctievoorschrift HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs 20 04 Tijdvak 1 inzenden scores Verwerk de scores van de alfabetisch eerste vijf kandidaten per school in het programma Wolf of

Nadere informatie

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang: economie 1 Correctievoorschrift VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs 20 06 Tijdvak 1 Het correctievoorschrift bestaat uit: 1 Regels voor de beoordeling 2 Algemene regels 3 Vakspecifieke regels

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 29 mei 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 62 punten te behalen; het examen bestaat uit 31 vragen.

Nadere informatie

Module 16: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 16: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 16: antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Domein Welvaart en Groei

Domein Welvaart en Groei Domein Welvaart en Groei Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Welvaart Welvaart Hoe je jouw wensen kan vervullen met producten. Dat is thuistaal. Voor een toets schrijf je op: de mate van behoeftebevrediging

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Examen HAVO - Compex. economie 1

Examen HAVO - Compex. economie 1 economie 1 Examen HAVO - Compex Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 23 mei totale examentijd 2,5 uur 20 05 Vragen 1 tot en met 19 In dit deel staan de vragen waarbij de computer niet

Nadere informatie

Internationale varkensvleesmarkt 2012-2013

Internationale varkensvleesmarkt 2012-2013 Internationale varkensvleesmarkt 212-213 In december 212 vond de jaarlijkse conferentie van de GIRA Meat Club plaats. GIRA is een marktonderzoeksbureau, dat aan het einde van elk jaar een inschatting maakt

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 56

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst 4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst De arbeidsvoorwaarden van veel werknemers zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is een overeenkomst die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Examen HAVO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2007 tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen. Voor elk

Nadere informatie

Landenanalyse H4. Week 1 Landenrisico

Landenanalyse H4. Week 1 Landenrisico Landenanalyse H4 Week 1 Landenrisico Risico s en problemen die verbonden zijn met het exporteren naar het buitenland - Importbelemmeringen (als bijvoorbeeld de handelsbalans een groot tekort vertoont)

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl)

Examen VWO. Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Voor dit examen zijn maximaal 62 punten te behalen; het examen bestaat

Nadere informatie