FordMondeo Instructieboekje. Feel the difference

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "FordMondeo Instructieboekje. Feel the difference"

Transcriptie

1 FordMondeo Instructieboekje Feel the difference

2 De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties, ontwerpen of onderdelen zonder voorafgaande kennisgeving of verplichtingen te wijzigen. Deze publicatie, of een deel daarvan, mag niet worden gereproduceerd of vertaald zonder onze toestemming. Fouten of omissies uitgesloten. Ford Motor Company 2007 Alle rechten voorbehouden. Onderdeelnummer: 7S7J-19A321-CA (CG3536nl) 12/

3 Inhoudsopgave Inleiding Over deze handleiding...7 Overzicht van symbolen...7 Onderdelen en accessoires...7 Kort overzicht Kort overzicht...10 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderzitjes...20 Zitverhogers...21 Plaatsing van kinderzitjes...22 ISOFIX verankeringspunten...24 Kindersloten...26 Bescherming van inzittenden Werking...27 Veiligheidsgordels vastmaken...30 Hoogte van veiligheidsgordels afstellen...31 Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel...31 Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap...32 Passagiersairbag uitschakelen...32 Sleutels en afstandsbediening Gebruik van de sleutel...34 Algemene informatie over radiofrequenties...34 Programmeren van de afstandsbediening...34 Batterij van afstandsbediening vervangen...35 Sloten Vergrendelen en ontgrendelen...37 Centrale vergrendeling...40 Sleutelloze toegang...41 Motorstartblokkering Werking...45 Gecodeerde sleutels...45 Immobilisatiesysteem inschakelen...45 Immobilisatiesysteem uitschakelen...45 Alarm Werking...46 Alarm inschakelen...49 Alarm uitschakelen...49 Stuurwiel Stuurwiel afstellen...50 Audiobediening...50 Ruitenwissers en ruitensproeiers Voorruitwissers...52 Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers...52 Regensensor...53 Voorruitsproeiers...53 Achterruitwissers en -sproeiers...53 Koplampsproeiers

4 Inhoudsopgave Ruitenwisserbladen controleren...54 Ruitenwisserbladen vervangen...55 Technische specificatie...56 Verlichting Verlichtingsbediening...57 Automatisch in- en uitschakelende verlichting...58 Voorste mistlampen...58 Mistachterlichten...58 Koplamphoogte afstellen...59 Waarschuwingsknipperlichten...60 Adaptief verlichtingssysteem, voor (AFS)...60 Richtingaanwijzers...62 Interieurverlichting...62 Een koplamp verwijderen...63 Gloeilampen vervangen...64 Gloeilampentabel...72 Ruiten en spiegels Elektrisch bedienbare ruiten...74 Buitenspiegels...77 Elektrisch verstelbare buitenspiegels...77 Binnenspiegel...79 Automatisch dimmende spiegel...80 Instrumenten Meters...81 Waarschuwings- en indicatielampen...83 Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties...86 Infodisplays Algemene informatie...87 Tripcomputer...96 Persoonlijke instellingen...98 Infoberichten Klimaatregeling Werking Ventilatieroosters Handmatige klimaatregeling Automatische klimaatregeling Verwarmde ruiten en spiegels Extra verwarming Elektrisch zonnedak Stoelen De juiste zitpositie innemen Handmatig verstelbare stoelen Elektrisch verstelbare stoelen Hoofdsteunen Achterbank Verwarmde stoelen Geventileerde stoelen Gemaksfuncties Zonnekleppen Zonneschermen Dimmer instrumentenpaneelverlichting.136 Klok Aansteker

5 Inhoudsopgave Asbak Extra voedingsaansluitingen Bekerhouders Dashboardkastje Middenconsole Opbergruimtes Wegenkaartopbergvakken Geheugenfunctie Glashouder Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) De motor starten Algemene informatie Contactslot Sleutelloos starten Stuurwielblokkering Een benzinemotor starten Een dieselmotor starten Dieselroetfilter (DPF) Motor uitschakelen Brandstof en tanken Veiligheidsmaatregelen Brandstofkwaliteit - Benzine Brandstofkwaliteit - Diesel Katalysator Tankklep Tanken Brandstofverbruik Technische specificatie Versnellingsbak/transmissie Handgeschakelde versnellingsbak Automatische transmissie Remmen Werking Tips voor rijden met ABS Parkeerrem Stabiliteitsregeling Werking Gebruik maken van stabiliteitsregeling Hill launch assist (HLA) Werking Gebruik van HLA Actieve schokdemperregeling Werking Gebruik van de actieve schokdemperregeling Parkeerhulp Werking Gebruik maken van de parkeerhulp Snelheidsregeling (cruise control) Werking

6 Inhoudsopgave Gebruik maken van snelheidsregeling (cruise control) Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Werking Gebruik maken van ACC Functie voorgangerwaarschuwing (forward alert) Transport Algemene informatie Bagageverankeringspunten Schuifbare laadvloer Opbergruimte onder vloer achterin Bagagenetten Bagageafdekkingen Dakrekken en bagagedragers Hondenrek Aanhangers trekken Trekken van een aanhanger Afneembare trekhaakkogel Tips voor het rijden Inrijden Nooduitrusting Eerstehulpset Gevarendriehoek Staat na een aanrijding Componenten van veiligheidssysteem inspecteren Onderbrekingsschakelaar brandstoftoevoer Zekeringen Plaatsen zekeringenhouders Een zekering vervangen Specificatie-overzicht zekeringen Bergen van de auto Sleeppunten Auto op vier wielen slepen Onderhoud Algemene informatie De motorkap openen en sluiten Overzicht motorruimte - 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT (Sigma) Overzicht motorruimte - 2,0 l Duratec-HE (MI4) Overzicht motorruimte - 2,3 l Duratec-HE (MI4) Overzicht motorruimte - 2.5L Duratec-ST (VI5) Overzicht motorruimte - 1,8 l Duratorq-TDCi (Lynx) diesel Overzicht motorruimte - 2,0 l Duratorq-TDCi (DW) diesel Overzicht motorruimte - 2,2 l Duratorq-TDCi (DW) diesel Motorolie controleren

7 Inhoudsopgave Motorkoelvloeistof controleren Automatische controle vloeistofpeil transmissie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren Ruitensproeiervloeistof controleren Technische specificatie Verzorging van de auto Reinigen van buitenzijde auto Reinigen van binnenzijde auto Kleine lakschade repareren Accu van de auto Onderhoud van de accu Gebruik van startkabels Velgen en banden Algemene informatie Een wiel vervangen Bandenreparatieset Run flat banden Verzorging van banden Gebruik van winterbanden Gebruik van sneeuwkettingen Bandenspanningcontrolesysteem.245 Technische specificatie Voertuigidentificatie Voertuigidentificatieplaatje Voertuigidentificatienummer (VIN) Motornummer - 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT (Sigma) Motornummer - 2,0 l Duratec-HE (MI4) Motornummer - 2,3 l Duratec-HE (MI4) Motornummer - 2.5L Duratec-ST (VI5) Motornummer - 1,8 l Duratorq-TDCi (Lynx) diesel Motornummer - 2,0 l Duratorq-TDCi (DW) diesel /2,2 l Duratorq-TDCi (DW) diesel Technische specificaties Technische specificatie Telefoon Algemene informatie Setup telefoon Setup Bluetooth Bedieningselementen telefoon Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Travel Pilot EX Spraaksturing Werking Spraakgestuurd regelsysteem gebruiken Commando s audio-unit Commando s telefoon

8 Inhoudsopgave Commando s navigatiesysteem Commando s klimaatregeling Bijlagen Elektromagnetische compatibiliteit Typegoedkeuringen

9 Inleiding OVER DEZE HANDLEIDING Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. Wij raden u aan de tijd te nemen om uw auto goed te leren kennen door dit instructieboekje zorgvuldig te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede. N.B.: In dit instructieboekje worden alle modellen en opties beschreven, soms zelfs voordat deze leverbaar zijn. Soms worden opties beschreven waarmee uw auto niet is uitgerust. N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de geldende regels en wetgeving. N.B.: Overhandig bij verkoop van uw auto dit instructieboekje aan de nieuwe eigenaar. Het instructieboekje is een onderdeel van de auto. OVERZICHT VAN SYMBOLEN Symbolen in dit instructieboekje WAARSCHUWING U riskeert de dood of ernstige verwonding van uzelf en anderen wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit waarschuwingssymbool wordt geattendeerd. LET OP U riskeert beschadiging van uw auto wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit waarschuwingssymbool wordt geattendeerd. Symbolen op uw auto Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan eerst de betreffende instructies in dit instructieboekje en volg deze op voordat u iets aanraakt of probeert af te stellen. ONDERDELEN EN ACCESSOIRES Nu kunt u er zeker van zijn dat uw Ford onderdelen Ford onderdelen zijn. U Ford is volgens de hoogste normen gebouwd met gebruik van Originele Ford onderdelen van hoge kwaliteit. Met als resultaat dat u er vele jaren met plezier in kunt rijden. Mocht het onverwachte plaatsvinden en een belangrijk onderdeel moet worden vervangen, dan raden wij u aan met niets minder dan Originele Ford Onderdelen genoegen te nemen. 7

10 Inleiding Het gebruik van Originele Ford Onderdelen verzekert dat uw wagen in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht en zijn maximale restwaarde behoudt. Originele Ford Onderdelen voldoen aan de strenge veiligheidseisen en hoge eisen ten aanzien van pasvorm, afwerking en betrouwbaarheid. Eenvoudig gezegd: zij staan in voor de laagst mogelijke reparatiekosten, inclusief onderdelen en arbeidsloon. Het is nu eenvoudiger te bewijzen dat werkelijk Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt. Het Ford logo is duidelijk op de volgende onderdelen zichtbaar wanneer Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt. Wanneer uw wagen moet worden gerepareerd, kijk dan of het duidelijk zichtbare Ford beeldmerk te zien is en controleer of uitsluitend Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt. Kijk voor het Ford logo op de volgende onderdelen Plaatwerk Motorkap Portieren Kofferdeksel of achterklep E88678 Bumper en radiateurgrille Radiateurgrille Voor- en achterbumper E

11 Inleiding Buitenspiegel E88506 E88508 Ruit Achterruit Zijruiten Voorruit E88507 Verlichting Achterlichtunits Koplampen 9

12 Kort overzicht KORT OVERZICHT Overzicht van het instrumentenpaneel - stuur links A B C D E F G H I J K L M U T S R Q P O N E87719 A B C D E F Lichtschakelaars. Zie Verlichting (bladzijde 57). Luchtroosters. Zie Klimaatregeling (bladzijde 112). Richtingaanwijzers. Zie Verlichting (bladzijde 57). Toetsen van Voice Control en telefoon. Zie afzonderlijke handleiding. Instrumentengroep. Zie Instrumenten (bladzijde 81). Toetsen van het informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 87). Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 52). 10

13 Kort overzicht G H I J K L M N O P Q R S T U Startknop. Zie De motor starten (bladzijde 143). Audio- of navigatiesysteem. Zie afzonderlijke handleiding. Schakelaar stabiliteitsregeling. Zie Stabiliteitsregeling (bladzijde 162). Schakelaar parkeerhulp. Zie Parkeerhulp (bladzijde 169). Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Verlichting (bladzijde 57). Controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie Bescherming van inzittenden (bladzijde 27). Schakelaars voor- en achterruitverwarming. Zie Klimaatregeling (bladzijde 112). Toetsen klimaatregeling. Zie Klimaatregeling (bladzijde 112). Contactslot. Zie De motor starten (bladzijde 143). Schakelaars snelheidsregeling (cruise control). Zie Snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 171). Schakelaars adaptieve snelheidsregeling. Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC) (bladzijde 173). Verstelhendel stuurkolom. Zie Stuurwiel (bladzijde 50). Claxon. Schakelaars snelheidsregeling (cruise control). Zie Snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 171). Schakelaars adaptieve snelheidsregeling. Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC) (bladzijde 173). Knieairbag aan bestuurderszijde. Zie Bescherming van inzittenden (bladzijde 27). Opbergvak. Zie Gemaksfuncties (bladzijde 136). 11

14 Kort overzicht Overzicht van het instrumentenpaneel - stuur rechts A B C D E F G H I J K L M U T S R Q P O N E87720 A B C D E F Schakelaars voor- en achterruitverwarming. Zie Klimaatregeling (bladzijde 112). Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Verlichting (bladzijde 57). Controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie Bescherming van inzittenden (bladzijde 27). Schakelaar stabiliteitsregeling. Zie Stabiliteitsregeling (bladzijde 162). Schakelaar parkeerhulp. Zie Parkeerhulp (bladzijde 169). Audio- of navigatiesysteem. Zie afzonderlijke handleiding. 12

15 Kort overzicht G H I J K L M N O P Q R S T U Startknop. Zie De motor starten (bladzijde 143). Richtingaanwijzers. Zie Verlichting (bladzijde 57). Toetsen van Voice Control en telefoon. Zie afzonderlijke handleiding. Instrumentengroep. Zie Instrumenten (bladzijde 81). Toetsen van het informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 87). Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 52). Luchtroosters. Zie Klimaatregeling (bladzijde 112). Schakelaars verlichting. Zie Verlichting (bladzijde 57). Opbergvak. Zie Gemaksfuncties (bladzijde 136). Contactslot. Zie De motor starten (bladzijde 143). Knieairbag aan bestuurderszijde. Zie Bescherming van inzittenden (bladzijde 27). Schakelaars snelheidsregeling (cruise control). Zie Snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 171). Schakelaars adaptieve snelheidsregeling. Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC) (bladzijde 173). Verstelhendel stuurkolom. Zie Stuurwiel (bladzijde 50). Claxon. Schakelaars snelheidsregeling (cruise control). Zie Snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 171). Schakelaars adaptieve snelheidsregeling. Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC) (bladzijde 173). Toetsen klimaatregeling. Zie Klimaatregeling (bladzijde 112). 13

16 Kort overzicht Keyless entry Wagen vergrendelen E87384 E78276 Voor het passief vergrendelen en ontgrendelen van de portieren moet zich binnen een van de drie externe detectiezones een passive key bevinden. Wagen ontgrendelen E87435 De vergrendelingsknoppen bevinden zich op beide voorportieren en de kofferdeksel/ achterklep. Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 41). E78278 Trek een portierkruk uit om alle portieren en de kofferdeksel/ achterklep te ontgrendelen en het alarmsysteem uit te schakelen. 14

17 Kort overzicht Keyless starten E85766 Druk de startknop in. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 143). Stuurwiel instellen WAARSCHUWING Verstel nooit het stuurwiel als de wagen in beweging is. E71221 Druk de vergrendelhendel omlaag om de hoogte van het stuurwiel en de afstand tot de bestuurder ervan in te stellen. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 50). 15

18 Kort overzicht Elektrisch inklapbare spiegels Zie Infodisplays (bladzijde 87). Automatisch in- /uitschakelende verlichting E70719 E72623 Druk op de toets om de spiegels in of uit te klappen. Zie Elektrisch verstelbare buitenspiegels (bladzijde 77). Afhankelijk van het omgevingslicht gaan de koplampen automatisch aan en uit. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 57). Richtingaanwijzers Informatiedisplays E70727 E70499 Navigeer met de pijltjestoetsen door de menu's en druk op OK om een keuze te maken. N.B.: Beweeg de richtingaanwijzerschakelaar kort omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen. 16

19 Kort overzicht Automatisch wissen D C B Zie Voorruitwissers (bladzijde 52). Geheugenfunctie A E70696 A B C D E70316 A B Een wisslag A Automatisch wissen Normale wissnelheid Hoge wissnelheid A B Hoge gevoeligheid Lage gevoeligheid Stel de gevoeligheid van de regensensor met behulp van de draaiknop in. E86768 A B B Bedieningstoetsen voor de stoelverstelling. Geheugentoetsen. 1. Steek, bij wagens zonder keyless startsysteem, de sleutel in het contactslot en draai hem in stand I of II. Druk bij wagens met een keyless startsysteem op de startknop. 2. Stel de stoel en de buitenspiegels in de gewenste stand. 3. Druk de betreffende voorkeuzetoets B minimaal drie seconden in. 4. In het informatiecentrum verschijnt een bericht, dat deze handeling bevestigt. Ter bevestiging klinkt de gong eenmaal. 17

20 Kort overzicht Zie Geheugenfunctie (bladzijde 140). Voorruit ontdooien en ontwasemen Handbediende klimaatregeling Interieur snel verwarmen E71382 E71377 Interieur snel afkoelen Zie Handmatige klimaatregeling (bladzijde 113). Automatische klimaatregeling E70304 E71381 Zie Automatische klimaatregeling (bladzijde 116). 18

21 Kort overzicht De achteruit inschakelen Wagens met een 6-versnellingsbak Wagens met een benzinemotor 1 2 Klep van brandstofvulopening WAARSCHUWINGEN Voorkom dat tijdens het tanken brandstof wordt gemorst, die zich in het vulpistool bevindt. Wij raden aan minimaal 10 seconden te wachten alvorens het vulpistool uit de vulbuis te halen, zodat alle achtergebleven brandstof in de brandstoftank kan stromen. E75051 Wagens met een dieselmotor E86613 E Druk op de klep om deze te openen. Open de klep volledig tot hij vergrendelt. Wanneer u het vulpistool in de vulbuis steekt, opent een veerbelaste klep wanneer de correcte vulpistooldiameter wordt geregistreerd. Hierdoor wordt voorkomen dat onjuiste brandstof wordt getankt. Zie Versnellingsbak/transmissie (bladzijde 155). Zie Tankklep (bladzijde 151). 19

22 Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, laat dan het kinderzitje door een hiertoe opgeleide monteur controleren. E68916 WAARSCHUWINGEN Laat kinderen met een lengte van minder dan 150 centimeter of jonger dan 12 jaar plaatsnemen in een geschikt, goedgekeurd kinderzitje, dat op de achterbank is geplaatst. Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an air bag in front of it! Lees de instructies van de fabrikant en volg deze op wanneer u een kinderzitje aanbrengt. Verander op geen enkele wijze het kinderzitje. Neem tijdens het rijden geen kinderen op schoot. Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter. N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend. Uw Ford dealer beschikt over een ruime keuze aan ECE goedgekeurde kinderzitjes. Vraag welk kinderzitje wij voor uw auto aanbevelen. Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen Gebruik het correcte kinderzitje als volgt: Babyzitje E

23 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Plaats kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 13 kilogram in een achterwaarts gericht babyzitje dat op de achterbank is geplaatst. Kinderveiligheidszitje WAARSCHUWINGEN Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten. Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop zitten. Laat kinderen met een lichaamsgewicht van meer dan 15 kilogram maar met een lengte van minder dan 150 centimeter in een kinderzitje of op een zitverhoger plaatsnemen. Zitverhoger E68920 Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13 tot 18 kilogram in een kinderveiligheidszitje dat op de achterbank is geplaatst. ZITVERHOGERS WAARSCHUWINGEN Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel. Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen is of gedraaid zit. Leg de schoudergordel niet onder de arm of achter de rug van het kind langs. E70710 Wij raden het gebruik van een kinderzitje aan, dat uit een zitverhoger met een rugleuning bestaat. De hogere zitpositie zorgt ervoor dat de standaard veiligheidsgordel correct over het midden van de schouder van het kind en de heupgordel over de heupen komt te liggen. 21

24 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Zitverhoger E68924 PLAATSING VAN KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Wanneer u een kinderzitje op de tweede zitrij met een steun gebruikt zitrij, let er dan op dat de steun stevig op de vloer steunt. Wanneer een voorwaarts gericht kinderzitje op een zitplaats op de tweede zitrij wordt geplaatst, verwijder dan de hoofdsteun van die zitplaats. N.B.: Wanneer u een kinderzitje op een voorstoel gebruikt, kan het moeilijk zijn de heupgordel strak te trekken. Plaats in dit geval de rugleuning volledig rechtop en breng de stoel omhoog. Zie Stoelen (bladzijde 128). Zitplaatsen Gewichtsgroepen 0 0+ I II III Tot 10 kg Tot 13 kg 9-18 kg kg kg Front-airbag aan passagierszijde AAN X X UF¹ UF¹ UF¹ Voorstoel aan passagierszijde met airbag UIT U¹ U¹ U¹ U¹ U¹ Zitplaatsen, tweede zitrij U U U U U X Niet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep. 22

25 Veiligheidsuitrusting voor kinderen U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. U¹ Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst. UF¹ Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst. ISOFIX kinderzitjes Zitplaatsen Gewichtsgroepen 0 0+ I II III Tot 10 kg Tot 13 kg 9-18 kg kg kg ISOFIX zitplaatsen op de tweede zitrij IL IL IL, IUF** X X ISOFIX zitplaatsen op de tweede zitrij, klasse* E C, D, E A, B, B1, C, D X X X Niet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep. IUF Geschikt voor universele ISOFIX kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. IL Geschikt voor de volgende ISOFIX kinderzitjes: Roemer Duo ISOFIX (groep 1), Roemer Babysafe ISOFIX (groep 0+). Bovendien kan ieder semi-universeel ISOFIX kinderzitje worden gebruikt wanneer de auto in de lijst met auto's van de fabrikant is vermeld. * Als omschreven in ECE-R16. N.B.: ** Wanneer u een ISOFIX kinderzitje aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is voor de gewichtsgroep van uw kind en dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de plaats waar het zitje wordt aangebracht. N.B.: ** Let erop dat het mechanisme van de bovenste veiligheidsriem niet in aanraking komt met het bagage-afdekpaneel. 23

26 Veiligheidsuitrusting voor kinderen ISOFIX VERANKERINGSPUNTEN WAARSCHUWING Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening dat voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of een steun aan. Uw auto is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten die geschikt zijn voor het gebruik van goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes. Het ISOFIX systeem bestaat uit twee stevige bevestigingsarmen aan het kinderzitje, die op de verankeringspunten op de buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij tussen de rugleuning en de zitting worden bevestigd. Verankeringspunten voor de veiligheidsgordels aan de bovenzijde bevinden zich aan de achterzijde van de buitenste zitplaatsen op de tweede zitrij. Kinderzitje met een veiligheidsriem aan de bovenzijde bevestigen N.B.: Verwijder om het zitje makkelijker te kunnen aanbrengen bij 5-deurs uitvoeringen en de Wagon het bagage-afdekpaneel. Zie Transport (bladzijde 181). N.B.: Let er bij 4-deurs uitvoeringen op dat het mechanisme van de veiligheidsriem aan de bovenzijde bereikbaar blijft wanneer de rugleuning is vergrendeld. 1. Verwijder de hoofdsteun. Zie Stoelen (bladzijde 128). E Plaats het kinderzitje op de zitting van de zitplaats achterin en klap de betreffende rugleuning naar voren. Zie Stoelen (bladzijde 128). WAARSCHUWING Bevestig de veiligheidsgordel aan de bovenzijde aan geen ander punt dan aan het verankeringspunt dat hiervoor is bestemd. 24

27 Veiligheidsuitrusting voor kinderen E87146 WAARSCHUWING Zorg ervoor dat de veiligheidsriem aan de bovenzijde niet doorhangt of gedraaid is en goed op het verankeringspunt is bevestigd. 3. Geleid de gordel naar het verankeringspunt. WAARSCHUWING Controleer of de rugleuning van de zitplaats achterin stevig vastzit en goed is vergrendeld. E Druk het kinderzitje stevig naar achteren zodat de onderste ISOFIX verankeringspunten goed aangrijpen. 6. Bevestig de veiligheidsgordel volgens de instructies van de fabrikant van het kinderzitje. 4. Druk de rugleuning weer in verticale stand. 25

28 Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERSLOTEN WAARSCHUWING Wanneer de kindersloten in werking zijn gesteld, kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend. B A E73697 A B Vergrendelen Ontgrendelen 26

29 Bescherming van inzittenden WERKING Airbags WAARSCHUWINGEN Wijzig de voorzijde van de wagen op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben. Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an airbag in front of it! Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal zijn werk kan doen. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 128). Laat reparaties aan het stuurwiel, de stuurkolom, stoelen, airbags en veiligheidsgordel uitvoeren door goed getrainde monteurs. Houd de gebieden voor de airbags vrij. Breng niets aan op of over de panelen van de airbags. Steek geen scherpe voorwerpen in gebieden waar airbags zijn gemonteerd. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben en de airbags kunnen beschadigen. WAARSCHUWINGEN Gebruik stoelhoezen die zijn ontworpen voor stoelen met zij-airbags. Laat deze aanbrengen door goed getrainde monteurs. N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal en u ziet een onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit is normaal. N.B.: Reinig de panelen van de airbags met een vochtige doek. Het systeem omvat: een airbag voor de bestuurder een airbag voor de passagier, voorin zijairbags een knieairbag voor de bestuurder side curtains een gordelspanner voor de bestuurder een gordelspanner voor de passagier, voorin crashsensoren een controlelamp airbag een herinneringssysteem voor de veiligheidsgordel een elektronisch regel- en diagnosesysteem. U kunt uw auto ook laten uitrusten met: 27

30 Bescherming van inzittenden een schakelaar voor het uitschakelen van een airbag een controlelamp 'airbag uitgeschakeld' Airbags voor de bestuurder en passagier, voorin Knieairbag voor de bestuurder LET OP Probeer het paneel van de knieairbag voor de bestuurder niet te openen. E86311 E74302 De frontairbags treden in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van opzij of van achteren worden de frontairbags niet geactiveerd. De knieairbag voor de bestuurder treedt in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbag wordt in enkele milliseconden opgeblazen en stroomt weer leeg zodra hij in contact komt met het lichaam van de inzittende, waardoor hij een kussen vormt tussen de knieën van de bestuurder en de stuurkolom. Tijdens het over de kop slaan van de auto, aanrijdingen van achteren en opzij wordt de knieairbag niet geactiveerd. N.B.: De knieairbag heeft een lagere activeringsdrempel dan de frontairbags. Tijdens een lichte aanrijding is het mogelijk dat alleen de knieairbag wordt geactiveerd. 28

31 Bescherming van inzittenden Zijairbags Side curtains E72658 De zijairbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. Een label op de rugleuning geeft aan dat uw auto is uitgerust met zijairbags. De zijairbags worden geactiveerd bij zware zijdelingse aanrijdingen. Alleen de airbag aan de zijde van de aanrijding wordt geactiveerd. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor zij bescherming bieden aan de omgeving van borst en schouder. Bij lichte aanrijdingen van opzij, het over de kop slaan van de auto, aanrijdingen van voren of van achteren worden de zijairbags niet geactiveerd. E75004 Achter de bekledingspanelen boven de voorste en achterste zijruiten zijn side curtains aangebracht. Opschriften in reliëf op de B-stijlen geven aan dat de wagen is uitgerust met side curtains. De side curtains worden geactiveerd bij zware zijdelingse aanrijdingen. Alleen de airbag aan de zijde van de aanrijding wordt geactiveerd. De airbag wordt in enkele milliseconden opgeblazen en stroomt weer leeg zodra hij in contact komt met het lichaam van de inzittende, waardoor hij bescherming biedt aan het hoofd. Bij lichte zijdelingse aanrijdingen, frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren of het over de kop slaan van de auto worden de side curtains niet geactiveerd. 29

32 Bescherming van inzittenden Veiligheidsgordels WAARSCHUWINGEN Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer u de veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt, kan deze u op uw plaats houden, waardoor de airbag zijn maximale bescherming kan bieden. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 128). Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meer dan een persoon. Gebruik voor iedere stoel het juiste gordelslot. Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel niet slap of gedraaid zit. Draag geen dikke kleding. De veiligheidsgordels bieden optimale bescherming wanneer ze nauwsluitend worden gedragen. Leg de schoudergordel over het midden van de schouder en leg de heupgordel strak over uw heupen. De oprolmechanismen van de veiligheidsgordels voor de bestuurder en de passagier voorin zijn voorzien van een gordelspanner. De gordelspanners hebben een lagere activeringsdrempel dan de airbags. Bij lichte aanrijdingen is het mogelijk dat alleen de gordelspanners worden geactiveerd. VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN WAARSCHUWING Steek de slottong in het gordelslot tot een zachte klik hoorbaar is. Wanneer de veiligheidsgordel niet correct is bevestigd, hoort u geen klik. E74124 E

33 Bescherming van inzittenden Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. De veiligheidsgordel kan blokkeren wanneer deze te snel wordt uitgetrokken of wanneer de wagen op een helling staat. Druk op de rode knop om de veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat hem volledig en geheel oprollen. HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN E87511 N.B.: Door het stelmechanisme iets in te drukken terwijl u de knop indrukt komt het verstelmechanisme makkelijker los. Druk voor het hoger of lager stellen de vergrendelknop op het verstelmechanisme in en beweeg deze zonodig. WAARSCHUWINGSSIGNAAL VEILIGHEIDSGORDEL WAARSCHUWING Ga niet op een in het gordelslot gestoken veiligheidsgordel zitten om te voorkomen dat het herinneringssysteem wordt geactiveerd. Het veiligheidssysteem voor inzittenden biedt alleen optimale veiligheid wanneer u de veiligheidsgordel correct gebruikt. De lamp van het herinneringssysteem gaat branden en er klinkt een akoestisch signaal wanneer u u of de passagier op de voorstoel de veiligheidsgordel niet hebt omgedaan en de rijsnelheid meer dan 10 km/h (6 mph) bedraagt. De lamp gaat ook branden wanneer de veiligheidsgordels worden losgemaakt wanneer de wagen in beweging is. Het akoestisch signaal wordt na na vijf minuten uitgeschakeld maar de lamp van het herinneringssysteem blijft branden tot u de veiligheidsgordel hebt omgedaan. Herinneringssysteem uitschakelen U kunt het herinneringssysteem door uw Ford dealer laten uitschakelen. 31

34 Bescherming van inzittenden GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS TIJDENS ZWANGERSCHAP PASSAGIERSAIRBAG UITSCHAKELEN WAARSCHUWING Zorg ervoor dat de airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld wanneer u een kinderzitje achterwaarts op de passagiersstoel voorin plaatst. E68587 WAARSCHUWING Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel. De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik. E71313 Schakelaar voor airbag aan passagierszijde monteren WAARSCHUWING Wanneer u een kinderzitje op een stoel moet plaatsen, waarvoor zich een operationele airbag bevindt, laat dan een schakelaar monteren waarmee de airbag aan passagierszijde kan worden uitgeschakeld. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie. 32

35 Bescherming van inzittenden N.B.: De sleutelschakelaar wordt in het handschoenenkastje gemonteerd en op het instrumentenpaneel wordt een controlelamp aangebracht. Wanneer de controlelamp van de airbag tijdens het rijden gaat branden of knipperen, duidt dit op een storing. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 83). Verwijder het kinderzitje en laat deze storing onmiddellijk controleren. Airbag aan passagierszijde uitschakelen Airbag aan passagierszijde inschakelen WAARSCHUWING Zorg ervoor dat de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld wanneer zich geen kinderzitje op de passagiersstoel voorin bevindt. Zet de schakelaar in stand B. E71312 A B A Uitgeschakeld Ingeschakeld B Zet de schakelaar in stand A. Controleer bij het aanzetten van het contact, of de controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld brandt. 33

36 Sleutels en afstandsbediening GEBRUIK VAN DE SLEUTEL Afstandsbediening met inklapbaar sleutelblad E74382 ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES LET OP De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, medische apparatuur, draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen). Wanneer de frequenties worden gestoord, kunt u geen gebruik meer maken van uw afstandsbediening. De portieren kunt u met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen. N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen wanneer u de toetsen op de afstandsbediening per ongeluk indrukt. Het bereik tussen uw afstandsbediening en uw auto is afhankelijk van de omgeving. PROGRAMMEREN VAN DE AFSTANDSBEDIENING U kunt maximaal acht afstandsbedieningen voor uw auto programmeren (inclusief die met uw auto werd meegeleverd). Vraag uw dealer om instructies. 34

37 Sleutels en afstandsbediening BATTERIJ VAN AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN Afstandsbediening met inklapbaar sleutelblad E E Steek een schroevendraaier zover mogelijk in de sleuf aan de zijkant van de afstandsbediening. Druk de schroevendraaier in de richting van het sleutelblad en verwijder dit. E Draai de schroevendraaier in de afgebeelde richting om de twee huishelften van de afstandsbediening van elkaar te scheiden. LET OP Raak de batterijcontacten of de printplaat niet met de schroevendraaier aan. 4. Maak de batterij voorzichtig met de schroevendraaier los. 5. Breng een nieuwe batterij (3V CR 2032) aan met de + naar beneden gekeerd. 6. Zet de twee huishelften van de afstandsbediening op elkaar vast. 7. Breng het sleutelblad aan. 2. Draai de schroevendraaier in de afgebeelde richting om een begin te maken de twee huishelften van de afstandsbediening van elkaar te scheiden. 35

38 Sleutels en afstandsbediening Afstandsbediening zonder inklapbaar sleutelblad E Steek een schroevendraaier in de uitsparing aan de achterzijde van de sleutel en verwijder het sleutelblad. 2. Maak de klemmen met de schroevendraaier los en scheid de twee huishelften van de afstandsbediening. LET OP Raak de batterijcontacten of de printplaat niet met de schroevendraaier aan. 3. Maak de batterij voorzichtig met de schroevendraaier los. 4. Breng een nieuwe batterij (3V CR 2032) aan met de + naar beneden gekeerd. 5. Zet de twee huishelften van de afstandsbediening op elkaar vast. 6. Breng het sleutelblad aan. 36

39 Sloten VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN Centrale vergrendeling U kunt de portieren alleen centraal vergrendelen wanneer alle portieren zijn gesloten. N.B.: Het bestuurdersportier kan met de sleutel worden ontgrendeld. Deze moet worden gebruikt wanneer de afstandsbediening of de keyless entry niet werkt. N.B.: Het centraal vergrendelingssysteem vergrendelt en ontgrendelt ook de klep van de brandstofvulopening. Dubbele vergrendeling WAARSCHUWINGEN Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer zich personen of dieren in de wagen bevinden. Wanneer de dubbele vergrendeling is ingeschakeld kunnen de portieren niet van binnenuit worden ontgrendeld. E71961 Dubbele vergrendeling is een voorziening tegen diefstal die voorkomt dat personen de portieren van binnenuit kunnen ontgrendelen. Alleen wanneer alle portieren zijn gesloten kunnen deze dubbel worden vergrendeld. Bevestiging van het vergrendelen en ontgrendelen Wanneer u de portieren ontgrendelt, knipperen de richtingaanwijzers eenmaal. Wanneer u de portieren vergrendelt, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal. N.B.: Wanneer uw wagen is voorzien van dubbele vergrendeling, knipperen de richtingaanwijzers slechts tweemaal wanneer u de dubbele vergrendeling inschakelt. 37

40 Sloten Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen B B Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen A A E87379 A B C A B C Ontgrendelen Vergrendelen Kofferdeksel/ achterklep ontgrendelen E71962 A B Ontgrendelen Vergrendelen Portieren met de sleutel dubbel vergrendelen Draai de sleutel tweemaal binnen drie seconden in de stand vergrendelen om de portieren dubbel te vergrendelen. De portieren met de afstandsbediening vergrendelen Druk toets B eenmaal in. Portieren met de afstandsbediening dubbel vergrendelen Druk toets B tweemaal binnen drie seconden in. 38

41 Sloten De portieren van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen Voorportieren De kofferdeksel/ achterklep sluiten 4-deurs A E89131 B 5-deurs E71958 A B Alle portieren vergrendelen Alle portieren ontgrendelen Achterportieren Druk, om de achterportieren afzonderlijk de te vergrendelen op toets A en sluit het portier na het verlaten van de wagen. Kofferdeksel/ achterklep E89132 Wagon De kofferdeksel/ achterklep ontgrendelen Druk toets C op de afstandsbediening tweemaal binnen drie seconden in. E

42 Sloten Aan de binnenzijde van de kofferdeksel/ achterklep bevindt zich een greep die het sluiten vereenvoudigt. Automatisch opnieuw vergrendelen De portieren worden automatisch opnieuw vergrendeld wanneer u niet binnen 45 seconden na het ontgrendelen met de afstandsbediening een portier opent. De portieren worden vergrendeld en de alarminstallatie keert terug in de vorige stand. Ontgrendelfunctie opnieuw programmeren Indien de ontgrendelfunctie opnieuw is geprogrammeerd zodat alleen het bestuurdersportier wordt ontgrendeld ( Zie Sleutels en afstandsbediening (bladzijde 34). ), let dan op het volgende: Wanneer u de ontgrendeltoets op de afstandsbediening indrukt, worden alle portieren ontgrendeld of wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld. Door opnieuw op de ontgrendeltoets te drukken worden alle portieren ontgrendeld. CENTRALE VERGRENDELING N.B.: Het integraal sluiten werkt alleen als het geheugen voor elke ruit afzonderlijk correct is ingesteld. Zie Elektrisch bedienbare ruiten (bladzijde 74). Integraal openen E71955 Druk, om alle ruiten te openen, op de ontgrendel toets en houd deze minstens drie seconden ingedrukt. Druk nogmaals op de vergrendel of de ontgrendel toets om het openen te onderbreken. Integraal sluiten WAARSCHUWING Sla het sluiten van de ruiten altijd gade. Druk in noodgevallen onmiddellijk op een toets om de beweging te stoppen. U kunt ook bij afgezet contact de elektrisch bedienbare ruiten bedienen met behulp van de functie integraal openen en sluiten. 40

43 Sloten E71956 Druk om alle ruiten te sluiten op de vergrendel toets en houd deze minstens twee seconden ingedrukt. Druk nogmaals op een toets om het sluiten te onderbreken. Tijdens het integraal sluiten is de antiklemfunctie geactiveerd. Het passive entry systeem werkt niet indien: De frequenties van de passive key worden gestoord. De batterij van de passive key leeg is. N.B.: Wanneer het passive entry systeem niet werkt, moet u voor het vergrendelen en ontgrendelen van uw wagen de sleutelbaard gebruiken. Het keyless entry systeem maakt het gebruik van een sleutel of afstandsbediening overbodig. SLEUTELLOZE TOEGANG Algemene informatie WAARSCHUWING Het keyless entry systeem werkt misschien niet wanneer de sleutel zich dicht bij metalen voorwerpen of elektronische apparaten, zoals mobiele telefoons, bevindt. N.B.: Als er binnen een kort tijdsbestek herhaaldelijk aan de portierkrukken wordt getrokken zonder dat er een geldige passive key aanwezig is, wordt het systeem gedurende 30 seconden geblokkeerd. E78276 Voor het passief vergrendelen en ontgrendelen is een geldige passive key nodig die zich in de omgeving van een van de drie externe detectiezones bevindt. Deze zones bevinden zich op ongeveer anderhalve meter afstand van de portierkrukken aan bestuurders- en passagierszijde en de achterklep. 41

44 Sloten Passive key De wagen kan met de passive key worden ontgrendeld en vergrendeld. De passieve key kan tevens als afstandsbediening worden gebruikt. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 37). Wagen vergrendelen E87384 E87435 WAARSCHUWING De wagen wordt niet automatisch vergrendeld. Indien er geen vergrendelknop wordt ingedrukt blijft de auto ontgrendeld. N.B.: Wanneer de wagen vanaf de achterklep wordt vergrendeld, moet de passive key zich binnen de detectiezone bij de achterklep bevinden. De vergrendeltoetsen bevinden zich op de beide voorportieren en de achterklep. Activeren van centraal vergrendelingssysteem en alarminstallatie: Druk een vergrendeltoets eenmaal in. Dubbele vergrendeling, alarminstallatie en interieursensoren activeren: Druk een vergrendeltoets tweemaal binnen drie seconden in. N.B.: Eenmaal geactiveerd, blijft de wagen gedurende drie seconden vergrendeld. Hierdoor is het mogelijk een portierkruk uit te trekken om te controleren of de auto is vergrendeld. Na de vertragingsperiode kunnen de portieren weer worden ontgrendeld, op voorwaarde dat de passive key zich binnen het detectiegebied bevindt. kofferdeksel/ achterklep N.B.: Als de passive key zich in de bagageruimte bevindt, kan de kofferdeksel/ achterklep niet worden gesloten en komt deze weer omhoog. 42

45 Sloten N.B.: Indien zich een tweede geldige passive key binnen het detectiegebied van de kofferdeksel/ achterklep bevindt, kan de bagageruimte niet worden afgesloten. Wagen ontgrendelen N.B.: Indien de wagen langer dan vijf dagen niet wordt ontgrendeld, schakelt het key free systeem over op een energiebesparende modus. Hierdoor wordt voorkomen dat de accu leegraakt. Wanneer de auto in deze modus wordt ontgrendeld kan de reactietijd enigszins langer zijn dan normaal. Nadat de auto na eenmaal is ontgrendeld, wordt de energiebesparende modus uitgeschakeld. E78278 Trek een van de portierkrukken of de hendel van de kofferdeksel/ achterklep uit. N.B.: De passive key moet zich binnen het detectiegebied van dat portier bevinden. Een lang lichtsignaal van de richtingaanwijzers geeft aan dat alle portieren, de bagageruimte en de tankvulklep zijn ontgrendeld en dat de alarminstallatie is uitgeschakeld. Alleen bestuurdersportier ontgrendelen Indien de ontgrendelfunctie opnieuw is geprogrammeerd zodat alleen het bestuurdersportier wordt ontgrendeld ( Zie Sleutels en afstandsbediening (bladzijde 34). ), let dan op het volgende: Als het bestuurdersportier als eerste wordt geopend blijven de andere portieren en de bagageruimte vergrendeld. Alle andere portieren kunnen vanuit het interieur worden ontgrendeld door de toets naast de portierkruk op het bestuurdersportier in te drukken. De portieren kunnen afzonderlijk worden ontgrendeld door vanuit het interieur de portierkruk van het betreffende portier uit te trekken. Als het portier aan passagierszijde of een van de achterportieren als eerste wordt geopend, worden alle portieren en het bagagecompartiment ontgrendeld. Uitgeschakelde sleutels In de wagen achtergebleven sleutels worden uitgeschakeld bij het vergrendelen van de wagen. Een uitgeschakelde sleutel kan niet meer worden gebruikt voor het aanzetten van het contact of het starten van de motor. 43

46 Sloten Om deze passive keys opnieuw te kunnen gebruiken moeten ze opnieuw worden geactiveerd. Ontgrendel de wagen met behulp van een passive key of de afstandsbediening om al uw passive keys te activeren. Bij het aanzetten van het contact of wanneer de motor met een geldige sleutel wordt gestart worden alle passive keys worden geactiveerd. Type Portieren met de sleutelbaard vergrendelen en ontgrendelen Type 1 E Verwijder voorzichtig de kapje. 2. Verwijder de sleutelbaard en steek hem in het slot. 2 1 E Duw de ongrendelschuif in de richting van de pijl en trek de sleutelbaard met de duim naar buiten. 2. Verwijder de sleutelbaard en steek hem in het slot. 44

47 Motorstartblokkering WERKING Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten. GECODEERDE SLEUTELS N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen voorwerpen af. Hierdoor kan de ontvanger uw sleutel niet herkennen als geldige sleutel. N.B.: Wanneer u een sleutel bent verloren, laat dan de code bij al uw overige sleutels wissen. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie. Laat de vervangingssleutels samen met uw overige sleutels opnieuw coderen. Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij uw Ford dealer een vervangingssleutel verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw dealer het sleutelnummer door, dat op het plaatje staat dat met de originele sleutels is geleverd. U kunt ook extra sleutels bij uw Ford dealer verkrijgen. IMMOBILISATIESYSTEEM UITSCHAKELEN Het immobilisatiesysteem wordt automatisch uitgeschakeld bij het met een correct gecodeerde sleutel aanzetten van het contact. Wanneer het bericht Immobiliser active op het informatiedisplay verschijnt, is uw sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals. Wanneer u de motor met een correct gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt dit op een storing. Het bericht Immobiliser active verschijnt bij het aanzetten van het contact op het informatiedisplay. Laat het immobilisatiesysteem onmiddellijk controleren. IMMOBILISATIESYSTEEM INSCHAKELEN Het immobilisatiesysteem wordt automatisch een seconde na het afzetten van het contact ingeschakeld. 45

48 Alarm WERKING Alarminstallatie Uw wagen kan zijn uitgerust met één van de volgende alarminstallaties: Perimeter alarminstallatie. Perimeter alarminstallatie met interieursensoren. Categorie 1 alarm met interieursensoren en sirene met afzonderlijke accu. Categorie 1 alarm met interieursensoren, sirene met afzonderlijke accu en hellingssensoren. Perimeter alarminstallatie Het perimeter alarm is een afschrikmiddel voor personen die ongeoorloofd de portieren en de motorkap proberen te openen. Het beveiligd ook de audio-installatie. Interieursensoren E71401 WAARSCHUWING De sensoren in de interieurverlichting mogen niet worden afgedekt. Schakel het alarm niet in indien zich personen, dieren of andere bewegende voorwerpen in de auto bevinden. Dit sensoren zijn een afschrikmiddel voor indringers door elke beweging in de auto met behulp van sensoren te registreren. Sirene met afzonderlijke accu De sirene met afzonderlijke accu is een extra alarmsysteem dat de sirene inschakelt wanneer het alarm wordt geactiveerd. Deze wordt direct ingeschakeld bij het afsluiten van de wagen. De sirene heeft zijn eigen accu en wordt ingeschakeld zodra iemand de accukabels of de accu van de sirene zelf loskoppelt. Hellingsensoren De hellingssensoren detecteren of iemand probeert een wiel te stelen of de wagen probeert weg te slepen door de verandering van hellingshoek van de wagen te registreren. N.B.: Wanneer de wagen met ingeschakeld alarm op een veerboot wordt geplaatst, moeten de hellingssensoren worden uitgeschakeld door een gereduceerde beveiligingsklasse te selecteren. Hierdoor wordt voorkomen dat het alarmsignaal door de bewegingen in werking treedt. 46

49 Alarm Alarm activeren Wanneer het alarm is ingeschakeld, kan het op een van de volgende manieren worden geactiveerd: Wanneer iemand een portier, de achterklep of de motorkap opent zonder geldige sleutel of afstandsbediening. Wanneer iemand de audio-installatie of het navigatiesysteem verwijdert. Bij uitvoeringen zonder keyless startsysteem, wanneer het contactslot zonder geldige sleutel in stand I, II of III wordt gezet. Wanneer de interieursensoren bewegingen in de wagen registreren. Bij wagens met een sirene met afzonderlijke accu, wanneer iemand de accukabels of de accu van de sirene zelf loskoppelt. Wanneer de hellingssensoren een verandering in de hellingshoek van de wagen registreren. Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt het alarmsignaal gedurende 30 seconden en knipperen de waarschuwingsknipperlichten vijf minuten. Iedere verdere poging om een van bovenstaande handelingen uit te voeren activeert het alarm opnieuw. Volledige en gereduceerde beveiliging Volledige beveiliging Volledige beveiliging is de standaard instelling. Bij volledige beveiliging worden de interieursensoren en de hellingssensoren geactiveerd bij het inschakelen van het alarm. N.B.: Dit kan resulteren in vals alarm wanneer zich dieren of bewegende voorwerpen in de wagen bevinden of, bij wagens met hellingsensoren, als de wagen op een veerboot wordt geplaatst. Gereduceerde beveiliging Bij gereduceerde beveiliging worden de interieursensoren en de hellingssensoren gedeactiveerd bij het inschakelen van het alarm. N.B.: U kunt de gereduceerde beveiliging slechts gedurende één contactcyclus inschakelen. De volgende keer dat u het contact aanzet, zal het alarm worden teruggesteld naar volledige beveiliging. Vragen bij het verlaten van de wagen U kunt het informatiedisplay zodanig instellen, dat telkens wordt gevraagd welk beveiligingsniveau u wilt instellen. 47

50 Alarm Wanneer u Ask on Exit selecteert, verschijnt telkens wanneer u het contact afzet het bericht Reduced guard? op het display in de instrumentengroep. Wanneer u de gereduceerde beveiliging wilt instellen, drukt u op de OK toets wanneer dit bericht verschijnt. Wanneer u de volledige beveiliging wilt instellen, verlaat dan de auto zonder op de OK te drukken. Volledige of gereduceerde beveiliging selecteren N.B.: Door Reduced te selecteren wordt de alarminstallatie niet permanent in de gereduceerde beveiligingsmodus gezet. De installatie wordt slechts één contactcyclus in de gereduceerde modus geschakeld. Wanneer u regelmatig de alarminstallatie in de gereduceerde beveiligingsmodus zet, selecteer dan Ask on Exit. E70499 E74509 Alarm Voll. alarm Gereduceerd Vragen 1. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Alarm en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Reduced of Full guard. Wanneer u wenst dat dit telkens wordt gevraagd bij het afzetten van het contact, selecteer dan Ask on Exit. 5. Druk op de OK toets om de keuze te bevestigen. 6. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. Informatieberichten Zie Infoberichten (bladzijde 101). 48

51 Alarm ALARM INSCHAKELEN Alarminstallatie inschakelen, wagen vergrendelen. Zie Sloten (bladzijde 37). ALARM UITSCHAKELEN Uitvoeringen zonder keyless entry systeem Perimeter alarminstallatie Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren met de sleutel te ontgrendelen, zet het contact met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening. Perimeter alarminstallatie Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren te ontgrendelen en zet het contact aan, of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening. Categorie 1 alarm Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren te ontgrendelen en zet het contact binnen 12 seconden aan, of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening. Categorie 1 alarm Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de portieren met de sleutel te ontgrendelen, zet het contact met een correct gecodeerde sleutel binnen 12 seconden aan of ontgrendel de portieren of de achterklep met de afstandsbediening. Uitvoeringen met keyless entry systeem N.B.: Voor keyless entry moet zich binnen het detectiegebied van dat portier een geldige passive key bevinden. Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 41). 49

52 Stuurwiel STUURWIEL AFSTELLEN AUDIOBEDIENING WAARSCHUWING Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is. E A D B E72288 C E71221 Druk de vergrendelhendel omlaag om de hoogte van het stuurwiel en de afstand tot de bestuurder ervan in te stellen. Breng de hendel weer in zijn oorspronkelijke stand om de stuurkolom te vergrendelen. Zorg ervoor dat u in de juiste positie zit. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 128). A B C D E Modus Volume hoger Voorwaarts zoeken Volume lager Achterwaarts zoeken Modus Druk de modus toets in en houd deze ingedrukt om de audiobron te kiezen. Druk de modus toets in om: op het volgende radiostation af te stemmen de volgende CD af te spelen de andere zijde van de cassetteband af te spelen een inkomende telefoonoproep te beantwoorden. een telefoongesprek te beëindigen. 50

53 Stuurwiel Zoekfunctie Druk op de seek toets om: af te stemmen op het volgende radiostation op een hogere of lagere frequentie het volgende of vorige nummer op de CD af te spelen de cassetteband snel voor- of achterwaarts te laten spoelen. Druk een seek toets in en houd deze ingedrukt om: af te stemmen op een radiostation op een hogere of lagere frequentie door een CD nummer te zoeken 51

54 Ruitenwissers en ruitensproeiers VOORRUITWISSERS D C B AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS B E70696 A B C D E70315 A B C A Eenmalig wissen Wissen met intervallen Normale wissnelheid Hoge wissnelheid Wissen met intervallen A B C Wissen met korte intervallen Wissen met intervallen Wissen met lange intervallen E76677 LET OP Schakel de automatische wisfunctie niet bij droog weer in. De regensensor is bijzonder gevoelig en de ruitenwissers kunnen in werking treden indien de voorruit met vuil, mist of vliegen in aanraking komt. Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil op de voorruit achterlaten. Als de ruitenwisserbladen niet worden vervangen, blijft de regensensor continu water op de voorruit waarnemen. Dit heeft tot gevolg dat de ruitenwissers in werking treden terwijl het grootste deel van de voorruit droog is. Zorg bij vorst dat de voorruit volledig is ontdooit voordat u de automatische wisfunctie selecteert. Schakel de automatische wisfunctie uit voordat u een wasstraat binnenrijdt. 52

55 Ruitenwissers en ruitensproeiers Wanneer u de automatische wisfunctie inschakelt, maken de ruitenwissers pas een wisbeweging nadat water op de voorruit is geregistreerd. De regensensor meet daarna continu de hoeveelheid water op de voorruit en zal de snelheid van de ruitenwissers automatisch instellen. REGENSENSOR VOORRUITSPROEIERS WAARSCHUWING Schakel de ruitenwissers niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is. N.B.: Wanneer het contact aanstaat worden de ruitensproeiermonden verwarmd. A E70316 B E70776 A B Hoge gevoeligheid Lage gevoeligheid Stel de gevoeligheid van de regensensor met de draaiknop in. Wanneer u de knop in de stand voor lage gevoeligheid zet, zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een grote hoeveelheid water op de voorruit registreert. Wanneer u de knop in de stand voor hoge gevoeligheid zet, zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een kleine hoeveelheid water op de voorruit registreert. ACHTERRUITWISSERS EN -SPROEIERS Wissen met intervallen E

56 Ruitenwissers en ruitensproeiers Wissen tijdens achteruitrijden De achterruitwisser treedt automatisch in werking wanneer de achteruit wordt ingeschakeld en de ruitenwisserschakelaar in stand B, C of D staat. Ruitensproeier WAARSCHUWING Schakel de achterruitsproeier niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is. E70777 Trek de hendel volledig naar het stuurwiel toe en houd hem in deze stand om de ruitensproeiers in te schakelen. KOPLAMPSPROEIERS E70776 Bij ingeschakelde koplampen werken de koplampsproeiers in combinatie met de voorruitsproeiers. N.B.: Om ervoor te zorgen de het ruitensproeierreservoir te snel leegraakt, werken de koplampsproeiers niet telkens wanneer de voorruitsproeiers in werking worden gesteld. RUITENWISSERBLADEN CONTROLEREN E66644 Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden. 54

57 Ruitenwissers en ruitensproeiers Reinig de ruitenwisserbladen met een in water gedrenkte, zachte spons. RUITENWISSERBLADEN VERVANGEN Voorruitwisserbladen LET OP Zet om de ruitenwisserbladen te vervangen de voorruitwissers in de onderhoudsstand. U kunt de onderhoudsstand in de winter gebruiken om de ruitenwisserbladen eenvoudiger te kunnen bereiken om deze vrij te maken van sneeuw en ijs. De voorruitwissers keren in hun normale stand terug zodra u het contact aanzet, u moet er dus voor zorgen dat de voorruit geheel ontdooid is voordat u het contact aanzet. Onderhoudsstand E75188 Zet het contact af en zet binnen drie seconden de ruitenwisserhendel in de stand A. Laat de hendel los wanneer de ruitenwissers in de onderhoudsstand staan. Ruitenwisserbladen vervangen A Zet de ruitenwissers in de onderhoudsstand en trek de wisserarmen omhoog. 2 E E Druk de lip in. 2. Verwijder het ruitenwisserblad. N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. 3. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. 55

58 Ruitenwissers en ruitensproeiers Achterruitwisserblad Achterruitwisserblad vervangen - Wagon 1. Til de ruitenwisserarm op. 3 4 N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. 5. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. Achterruitwisserblad vervangen - 5-deurs uitvoering 1. Til de ruitenwisserarm op. 3 E E Draai het ruitenwisserblad onder een rechte hoek op de ruitenwisserarm. 3. Maak het ruitenwisserblad los van de wisserarm. 4. Verwijder het ruitenwisserblad. 2. Druk de lip in. 3. Verwijder het ruitenwisserblad. N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. 4. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. TECHNISCHE SPECIFICATIE Lengte van de ruitenwisserbladen van de voorruit Afmeting in mm (inches) Bestuurderszijde 650 (25,6) Passagierszijde 475 (18,7) 56

59 Verlichting VERLICHTINGSBEDIENING Standen van de lichtschakelaar Een zijde A A B C B E75505 A B Rechterzijde Linkerzijde E70718 Grootlicht en dimlicht A B C Uit Stads- en achterlichten Koplampen Parkeerlichten LET OP Door langdurig gebruik van de parkeerlichten wordt de accu ontladen. Zet het contact af. Beide zijden Zet de lichtschakelaar in stand B. E70725 Trek de hendel geheel naar het stuurwiel toe om te wisselen tussen grootlicht en dimlicht. Lichtsignaal Trek de schakelaarhendel naar het stuurwiel toe. 57

60 Verlichting Home safe verlichting Schakel de verlichting uit en trek de richtingaanwijzerhendel naar het stuurwiel toe om de koplampen in te schakelen. De koplampen worden 30 seconden na het sluiten van het laatste portier automatisch uitgeschakeld. AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE VERLICHTING VOORSTE MISTLAMPEN E70721 WAARSCHUWING Gebruik de mislampen alleen wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of regen. MISTACHTERLICHTEN E70719 N.B.: Wanneer u de automatisch in-/uitschakelende verlichting hebt ingeschakeld, kunt u alleen het grootlicht inschakelen wanneer de functie de koplampen heeft ingeschakeld. Afhankelijk van de lichtsituatie worden de koplampen automatisch in- en uitgeschakeld. E70720 WAARSCHUWINGEN Gebruik de mistachterlichten alleen wanneer het zicht minder dan 50 meter bedraagt. 58

61 Verlichting WAARSCHUWINGEN Schakel de mistachterlichten niet in bij regen of sneeuwval en wanneer het zicht meer dan 50 meter bedraagt. KOPLAMPHOOGTE AFSTELLEN A B N.B.: Uitvoeringen met Xenon koplampen zijn uitgerust met automatische hoogteregeling van de koplamplichtbundels. E70722 A B Hoge stand van de koplamplichtbundels Lage stand van de koplamplichtbundels Aanbevolen regelknopstanden U kunt de hoogte van de koplamplichtbundels aanpassen aan de belading van de wagen. Voorstoelen Belading Stoelen, tweede zitrij Lading in bagagecompartiment Max 1 Max 1 Stand draaiknop 0 0 (0.5 2 ) 1 (0.5 2 ) 3 (0.5 2 ) 4 (1.5 2 ) 1 Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 251). 2 Uitvoeringen met actieve schokdemperregeling. 59

62 Verlichting WAARSCHUWINGSKNIP- PERLICHTEN N.B.: De waarschuwingsknipperlichten werken ook bij afgezet contact. N.B.: Afhankelijk van de verkeerswetgeving van het land waarin uw auto oorspronkelijk is gebouwd, knipperen de waarschuwingsknipperlichten wanneer u krachtig remt. E71943 ADAPTIEF VERLICHTINGSSYSTEEM, VOOR (AFS) A A B B E72897 A B zonder AFS met AFS 60

63 Verlichting Het AFS stelt het dimlicht afhankelijk van de richting en de snelheid van de wagen af. Het verbetert het zicht tijdens het rijden in het donker en helpt verblinding van tegenliggers voorkomen. Het systeem werkt niet bij stilstaande wagen, wanneer de verlichting overdag of de achteruitversnelling is ingeschakeld. Bochtverlichting Bij storingen in het systeem verschijnt een bericht op het informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 101). De koplampen worden in een vaste centrale stand of die van het dimlicht gesteld. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren. A A B B E72898 A B Lichtbundel van koplamp Lichtbundel van bochtverlichting Bij het nemen van een bocht verlicht de bochtverlichting de binnenzijde van de bocht. 61

64 Verlichting RICHTINGAANWIJZERS E70727 N.B.: Beweeg de richtingaanwijzerschakelaar even omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen. INTERIEURVERLICHTING Binnenverlichting Wanneer u de schakelaar in stand B zet, gaat de binnenverlichting branden wanneer u een portier of de achterklep ontgrendelt of opent. Wanneer u het contact afzet, gaan de leeslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen. De binnenverlichting gaat ook branden wanneer u het contact afzet. Het gaat korte tijd later automatisch uit of wanneer u de motor start of opnieuw start. Wanneer u de schakelaar in stand C zet, gaat de binnenverlichting branden. Deze gaat korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen. Leeslampen A B C E71945 A B C Uit Portiercontact Aan E71946 Wanneer u het contact afzet, gaan de leeslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen. 62

65 Verlichting Verlichting make-up spiegels A B E72900 A B Uit Aan E Verwijder de schroeven. Wanneer u het contact afzet, gaat de verlichting van de make-up spiegels korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen. EEN KOPLAMP VERWIJDEREN WAARSCHUWING Laat Xenon gloeilampen door een geschoolde monteur vervangen. Er bestaat kans op een elektrische schok. E Verwijder de kunststof schroef en de houder. 1. Open de motorkap. Zie De motorkap openen en sluiten (bladzijde 212). 63

66 Verlichting E Trek voorzichtig de hoek van de grille en de bumper naar de voorzijde van de wagen. 5. Trek voorzichtig de hoek van de koplamp omhoog en druk deze zover mogelijk naar de achterzijde van de wagen Verwijder de koplamp. LET OP Zorg bij het aanbrengen van de koplamp ervoor dat de bevestigingspunten niet worden beschadigd. N.B.: Zorg er bij het aanbrengen van de koplamp voor dat deze volledig in het onderste bevestigingspunt aan de buitenzijde aangrijpt. N.B.: Zet bij het aanbrengen van de koplamp eerst de schroef aan de voorzijde vast en daarna de schroef aan de achterzijde. GLOEILAMPEN VERVANGEN WAARSCHUWINGEN Schakel de verlichting uit en zet het contact af. Laat de gloeilamp afkoelen voordat u deze verwijdert. Laat Xenon gloeilampen door een geschoolde monteur vervangen. Er bestaat kans op een elektrische schok. E Trek voorzichtig de koplamp achter de grille en de bumper, naar het midden van de wagen om hem los te maken van het buitenste bevestigingspunt aan de onderzijde. LET OP Raak het glas van de gloeilamp niet aan. Breng alleen gloeilampen met het juiste vermogen aan. Zie Gloeilampentabel (bladzijde 72). 64

67 Verlichting N.B.: De volgende instructies beschrijven hoe de gloeilampen moeten worden verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in omgekeerde volgorde van verwijderen aan, tenzij anders is voorgeschreven. Grootlicht 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 63). Koplampen N.B.: Verwijder de kappen om de gloeilampen te kunnen bereiken. Richtingaanwijzer 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 63) E E Trek de stekker los. 3. Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp. Koplamp, dimlicht 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 63) Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. 2 E Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 65

68 Verlichting 3. Verwijder de gloeilamp. Bochtverlichting 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 63). 1. Verwijder voorzichtig het huis van het zijknipperlicht. 2. Pak de lamphouder beet, draai het huis linksom en verwijder het. 3. Verwijder de gloeilamp. Instapverlichting 3 2 E Trek de stekker los. 3. Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp. Zijknipperlichten 2 E N.B.: Draai het spiegelglas zover mogelijk naar binnen. 1. Steek een schroevendraaier in de spleet tussen het spiegelhuis en het spiegelglas maak de metalen klem los. 3 1 E

69 Verlichting 3 2 N.B.: Verwijder niet de schroeven. 1. Draai de schroeven los. 2. Verwijder de lamp. 3. Trek de stekker los. 4. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. Achterlichtunits Richtingaanwijzer en rem-/achterlicht E Verwijder de lamp. 3. Verwijder de gloeilamp. 1 Mistlampen, vóór 4 2 E Verwijder het bekledingspaneel. 2 3 E N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan niet uit de lamphouder worden verwijderd. E

70 Verlichting 2. Maak de lamphouder los. 2 A 3 E86005 B E Maak de lamphouder los. A B Richtingaanwijzer Achterlicht en remlicht A 3 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. Achteruitrijlamp, achterlicht en mistachterlicht E86008 B C 1 A B C Achteruitrijlamp Achterlicht Mistachterlicht 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. E Verwijder het bekledingspaneel. 68

71 Verlichting Derde remlicht Wagon Verwijder het bekledingspaneel. 4-deurs 13 E Maak de klemmen los. E87617 Verwijder de lamp. 1. Maak de klemmen los. 5-deurs 2 2 E E Verwijder de schroeven. 2. Maak de klemmen los. 1. Breng een geschikt voorwerp in de openingen aan. 2. Trek voorzichtig de lamp naar de voorzijde van de wagen om de klemveren los te maken. 69

72 Verlichting Kentekenplaatverlichting 3 E72789 E Verwijder de lamp. 1. Maak voorzichtig de klemveer los. 2. Verwijder de lamp. 3. Verwijder de gloeilamp. Interieurverlichting Uitvoeringen zonder interieursensoren 4 E Maak de lamphouder los. 5. Verwijder de gloeilamp. E Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder het glas. 3. Verwijder de gloeilamp. 70

73 Verlichting Uitvoeringen met interieursensoren 2. Verwijder het glas. 3. Verwijder de gloeilamp. Uitvoeringen met interieursensoren E Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder het glas. 3. Verwijder de gloeilamp. Leeslampen Uitvoeringen zonder interieursensoren E Werk voorzichtig de lamp los. 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. E E Verwijder de gloeilamp. 1. Werk voorzichtig de lamp los. 71

74 Verlichting Verlichting make-up spiegel Verlichting bagagecompartiment E Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder de gloeilamp. E Werk voorzichtig de lamp los. 2. Verwijder de gloeilamp. GLOEILAMPENTABEL Lamp Richtingaanwijzer, voor Grootlicht Koplamp, dimlicht Bochtverlichting Zijknipperlicht Instapverlichting Mistlampen, vóór Stadslicht Richtingaanwijzer, achter Remlicht en achterlicht Specificatie PY21W H1 H7 H1 W5W W5 HB4 W5W PY21W P21/5W Vermogen (watt) /5 72

75 Verlichting Lamp Achterlicht Mistachterlicht Achteruitrijlamp Derde remlicht Kentekenplaatverlichting Interieurverlichting Leeslamp Verlichting make-up spiegel Verlichting bagagecompartiment Specificatie P21/4W P21/5W P21W 5 x W5W W5W Buislamp BA 9s W5W W5W Vermogen (watt) 4 21/

76 Ruiten en spiegels ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN WAARSCHUWING Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies. N.B.: Wanneer de ruiten gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen. N.B.: U kunt de ruiten nog enkele minuten na het afzetten van het contact bedienen. Zodra een portier wordt geopend wordt het ruitmechanisme uitgeschakeld. N.B.: Wanneer u de schakelaar voor het betreffende portier en de schakelaar voor de ruit op het bestuurdersportier tegelijkertijd indrukt, stopt de ruit. Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of te sluiten. Integraal openen en sluiten Met behulp van de functie integraal openen en sluiten kunt u ook de elektrisch bedienbare ruiten bij afgezet contact bedienen. Zie Centrale vergrendeling (bladzijde 40). N.B.: Met deze functie worden, alleen bij uitvoeringen met vier elektrisch bedienbare ruiten, de ruiten automatisch geopend of gesloten. N.B.: Het integraal sluiten werkt alleen als het geheugen voor elke ruit afzonderlijk correct is ingesteld. Schakelaar op het bestuurdersportier Met behulp van de schakelaars op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten bedienen. E70848 A B A B Sluiten Openen 74

77 Ruiten en spiegels Schakelaars op het vooren achterportier aan passagierszijde A E70849 A B B Sluiten Openen Ruiten automatisch openen en sluiten Druk de schakelaar tot de tweede aanslag in of til hem tot de tweede aanslag op en laat hem los. Druk de schakelaar opnieuw in of trek hem opnieuw op om de beweging te stoppen. Veiligheidsschakelaar voor de achterste ruiten N.B.: U kunt altijd de achterste ruiten vanaf het bestuurdersportier bedienen. E70850 Met een schakelaar op het bestuurdersportier kan de elektrische bediening van de achterste ruiten worden geblokkeerd. Het lampje in de schakelaar gaat branden en de lampjes in de schakelaars van de achterste ruiten gaan uit wanneer de blokkering is ingeschakeld. Antiklemfunctie WAARSCHUWING Het onzorgvuldig sluiten van de ruiten kan deze beschermingsfunctie opheffen en verwonding tot gevolg hebben. De ruit stopt automatisch tijdens het sluiten en gaat een stukje terug wanneer de ruit een obstakel tegenkomt. 75

78 Ruiten en spiegels Antiklemfunctie uitschakelen LET OP Wanneer u de ruit voor de derde keer sluit, wordt de antiklemfunctie uitgeschakeld. Controleer of er geen obstakels in de weg zitten. Om deze veiligheidsvoorziening uit te schakelen wanneer er meer weerstand is, bijvoorbeeld in de winter, gaat u als volgt te werk: 1. Sluit de ruiten tweemaal tot aan de weerstand en laat deze terugschuiven. 2. Sluit de ruit voor een derde keer tot deze weerstand ondervindt. De antiklemfunctie wordt uitgeschakeld en u kunt de ruit niet meer automatisch sluiten. De ruit zal de weerstand overbruggen en u kunt de ruit volledig sluiten. 3. Laat de ruit door een deskundige controleren indien ze na de derde poging niet sluiten. Geheugen van de elektrisch bedienbare ruiten opnieuw instellen 1. Trek de schakelaar omhoog tot de ruit volledig is gesloten. Houd de schakelaar nog een seconde omhooggetrokken. 2. Laat de schakelaar los en trek hem twee tot drie keer opnieuw een seconde lang omhoog. 3. Open de ruit en probeer hem automatisch te sluiten. 4. Herhaal de procedure wanneer de ruit niet automatisch sluit. Veiligheidsmodus WAARSCHUWING De antiklemfunctie werkt tijdens deze procedure niet. Wanneer het systeem een storing vaststelt, treedt de veiligheidsmodus in werking. De ruiten bewegen per keer slechts 0,5 seconde en stoppen opnieuw. Sluit de ruiten door de schakelaar opnieuw in te drukken wanneer deze stopt. Laat het systeem onmiddellijk door een deskundige controleren. WAARSCHUWING De antiklemfunctie wordt buiten werking gesteld tot het geheugen opnieuw is ingesteld. Nadat de accukabels zijn losgenomen moet het geheugen van elke ruit afzonderlijk opnieuw worden ingesteld: 76

79 Ruiten en spiegels BUITENSPIEGELS Groothoek buitenspiegels Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig wordt vergrendeld wanneer u deze weer in zijn oorspronkelijke stand terugzet. ELEKTRISCH VERSTELBARE BUITENSPIEGELS E71042 WAARSCHUWING Vergis u niet in de afstand van voorwerpen die u in deze grootboekspiegel ziet. Voorwerpen die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit en lijken verder weg te zijn dan in werkelijkheid het geval is. De spiegels vergroten het zicht naar achteren en verkleinen de zogenaamde dode hoek schuin naar achteren. Inklapbare buitenspiegels E70846 A B C A C B Linker spiegel Uit Rechter spiegel E

80 Ruiten en spiegels Richtingen waarin de spiegel kan worden gekanteld D N.B.: U kunt de buitenspiegels nog gedurende enkele minuten na het afzetten van het contact bedienen (kantelen en inklappen). Zodra een portier wordt geopend wordt het mechanisme uitgeschakeld. G E E70847 F D E F G Op Rechts Neer Links De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn voorzien van een verwarmingselement dat het spiegelglas ontdooit en ontwasemt. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 120). Elektrisch inklapbare spiegels De elektrisch inklapbare spiegels werken bij aangezet contact. E72623 Druk op de toets om de spiegel in of uit te klappen. Wanneer nogmaals op de schakelaar wordt gedrukt terwijl de spiegels in beweging zijn, stoppen deze en keren in de oorspronkelijke stand terug. N.B.: Wanneer de spiegels gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen. 78

81 Ruiten en spiegels Spiegel kantelen tijdens achteruitrijden Afhankelijk van de geselecteerde spiegelstand (A of C), kantelt de betreffende buitenspiegel wanneer u de achteruit inschakelt, zodat u de trottoirband kunt zien. Wanneer u deze voorziening voor het eerst gebruikt, kantelen de spiegels in een in de fabriek ingestelde stand. U kunt de kantelhoek programmeren door de volgende procedure uit te voeren: N.B.: U kunt deze voorziening uitschakelen door de keuzeschakelaar van de elektrisch bedienbare buitenspiegels in stand B te zetten. De buitenspiegels keren in hun oorspronkelijke stand terug: Wanneer de rijsnelheid hoger is dan 10 km/h (6 mph). Ongeveer 10 seconden nadat de achteruit niet langer is ingeschakeld. Wanneer de keuzeschakelaar van de elektrisch bedienbare buitenspiegels weer in stand B wordt gezet. 4. Stel de spiegels in de gewenste, gekantelde stand. 5. Schakel een vooruitversnelling in. De instellingen worden automatisch opgeslagen. Actieve instelling 1. Zet het contact aan. Start de motor niet. 2. Selecteer de gewenste buitenspiegel (A of C). 3. Schakel de achteruit in, de geselecteerde buitenspiegel keert in de vooringestelde stand. 4. Stel de spiegel in de gewenste, gekantelde stand. 5. Druk op de gewenste voorkeuzetoets en houd deze ingedrukt tot ter bevestiging een gongsignaal klinkt. Zie Geheugenfunctie (bladzijde 140). BINNENSPIEGEL Passieve instelling 1. Zet het contact aan. Start de motor niet. 2. Selecteer de gewenste buitenspiegel A of C). 3. Schakel de achteruit in, de geselecteerde buitenspiegel keert in de vooringestelde stand. E71272 Kantel de spiegel om verblinding 's nachts te verminderen. 79

82 Ruiten en spiegels AUTOMATISCH DIMMENDE SPIEGEL E71028 De automatisch dimmende achteruitkijkspiegel voorkomt verblinding door achteropkomend verkeer. Bij ingeschakelde achteruitversnelling werkt hij niet. 80

83 Instrumenten METERS Type 1 en 2 A B C D E72984 A B C D Toerenteller Koelvloeistoftemperatuurmeter Brandstofmeter Snelheidsmeter 81

84 Instrumenten Type 3 A B E D C E87713 A B C D E Toerenteller Snelheidsmeter Koelvloeistoftemperatuurmeter Brandstofmeter Informatiecentrum. Zie Infodisplays (bladzijde 87). Koelvloeistoftemperatuurmeter Geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft de naald in het middengedeelte. LET OP Start de motor niet voordat de oorzaak voor de oververhitting is verholpen. 82

85 Instrumenten Wanneer de naald in de richting van 120 C beweegt, is de motor oververhit. Zet de motor af, zet het contact af en stel de oorzaakzodra de motor is afgekoeld vast. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). Brandstofmeter De pijl naast het symbool van de pomp duidt aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt. WAARSCHUWINGS- EN INDICATIELAMPEN Nadat het contact is aangezet gaan de volgende waarschuwings- en controlelampen kort branden ter bevestiging dat het systeem operationeel is. Controlelamp ABS Controlelamp airbag Controlelamp remsysteem Controlelamp motor Controlelamp 'Vorst' Controlelamp laadstoom Controlelamp oliedruk (alle uitvoeringen behalve 2,5 l Duratec-ST) Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) Indien een van deze waarschuwingsof controlelampen niet gaat branden wanneer het contact wordt aangezet, duidt dit op een storing. Laat het systeem door een deskundige controleren. Controlelamp ABS De controlelamp van het ABS knippert wanneer het systeem actief is. Wanneer de lamp tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. De remmen blijven normaal werken (zonder ABS) maar laat deze storing zo spoedig mogelijk controleren. Controlelamp airbag Wanneer de controlelamp van de airbag tijdens het rijden gaat branden of knipperen, duidt dit op een storing. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Controlelamp remsysteem WAARSCHUWING Verlaag geleidelijk uw snelheid. Druk het rempedaal bijzonder voorzichtig in. Druk het rempedaal vooral niet abrupt in. Wanneer de controlelamp van het remsysteem tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing in een van beide remcircuits. Controleer het remvloeistofniveau. Zie Onderhoud (bladzijde 211). 83

86 Instrumenten WAARSCHUWING Laat dit onmiddellijk controleren. Wanneer de controlelamp van het remsysteem samen met de controlelamp van het ABS of de stabiliteitscontrole gaat branden, duidt dit op een storing. Breng de wagen zo snel mogelijk tot stilstand wanneer dit veilig kan en laat dit controleren voordat u uw reis hervat. Controlelamp automatische snelheidsregeling De controlelamp van de automatische E71340 snelheidsregeling gaat branden wanneer u een rijsnelheid met behulp van het systeem hebt ingesteld. Zie Snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 171). Bij wagens met adaptieve snelheidsregeling (ACC) gaat de indicator branden wanneer de ACC is ingeschakeld. Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC) (bladzijde 173). Richtingaanwijzers De controlelamp van de richtingaanwijzers knippert wanneer u de richtingaanwijzers inschakelt. Een plotselinge toename van de knipperfrequentie waarschuwt voor een defecte gloeilamp. Controlelamp motor Wanneer de controlelamp van de motor bij draaiende motor gaat branden, duidt dit op een storing. Wanneer deze tijdens het rijden knippert, minder dan onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp knipperen, vermijd dan snel optrekken en krachtig afremmen. De motor blijft draaien maar levert minder vermogen. Laat dit onmiddellijk controleren. Controlelamp Forward Alert De controlelamp Forward Alert brandt wanneer dit systeem actief is. Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC) (bladzijde 173). Controlelamp mistlampen, vóór De controlelamp van de mistlampen, vóór, gaat branden wanneer u de mistlampen inschakelt. Controlelamp 'Vorst' De controlelamp 'Vorst' gaat branden of gloeit oranje wanneer de buitentemperatuur 4 ºC tot 1 ºC bedraagt. Hij wordt rood wanneer de temperatuur lager is dan 1 ºC. 84

87 Instrumenten Controlelamp voorgloeien Zie De motor starten (bladzijde 143). Controlelamp koplampen De controlelamp van de koplampen gaat branden wanneer u het dimlicht of het stadslicht inschakelt. Controlelamp laadstoom Wanneer de controlelamp laadstroom tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. Schakel alle onnodige stroomverbruikers uit en laat dit onmiddellijk controleren. Controlelamp laag brandstofniveau Wanneer de controlelamp laag brandstofniveau gaat branden, ga dan zo spoedig mogelijk tanken. Controlelamp grootlicht De controlelamp grootlicht gaat branden wanneer u het grootlicht inschakelt. Het knippert wanneer u een lichtsignaal geeft. Controlelamp maximum motortoerental De controlelamp voor het maximum motortoerental gaat branden wanneer het maximum toerental is bereikt. Berichtenindicator De berichtenindicator gaat branden wanneer een nieuw bericht in het informatiedisplay is opgeslagen. Zie Infodisplays (bladzijde 87). Controlelamp oliedruk LET OP Hervat uw reis niet wanneer de controlelamp oliedruk gaat branden terwijl het oliepeil correct is. Laat dit onmiddellijk controleren. Wanneer de controlelamp oliedruk tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. Breng de wagen tot stilstand zodra dit veilig kan en zet de motor af. Controleer het motoroliepeil. Zie Onderhoud (bladzijde 211). Controlelamp mistachterlicht De controlelamp mistachterlicht gaat branden wanneer u de mistachterlichten inschakelt. 85

88 Instrumenten Herinneringssysteem veiligheidsgordel Zie Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel (bladzijde 31). Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) N.B.: Het ESP schakelt automatisch uit wanneer het systeem niet correct werkt. De controlelamp van het ESP knippert wanneer het systeem actief is. Wanneer de lamp niet knippert of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Zie Infoberichten (bladzijde 101). Wanneer u het ESP uitschakelt, gaat de controlelamp branden. De lamp gaat uit wanneer u het systeem weer inschakelt of wanneer u het contact afzet. E Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Chimes en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer de gong en druk op de OK toets om de gong in en uit te schakelen. 5. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. AKOESTISCHE WAARSCHUWINGSSIGNALEN EN -INDICATIES De gongsignalen in- en uitschakelen Bepaalde gongsignalen kunt u uitschakelen. Type gong instellen: 86

89 Infodisplays ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWING Bedien de toetsen van het informatiedisplay niet tijdens het rijden. N.B.: Het informatiedisplay blijft nadat u het contact hebt afgezet gedurende enkele minuten aan. Diverse systemen van uw wagen kunnen met behulp van de toetsen op het stuurwiel worden bediend. De bijbehorende informatie wordt op het display in de instrumentengroep weergegeven. Raadpleeg voor gedetailleerde bedieningsinstructies voor de audio-installatie, het navigatiesysteem, de telefoon enz. de betreffende handleiding. Bedieningstoetsen Druk op de op en neer pijltjestoetsen: om door de displays van de boordcomputer te scrollen om door de opties van een menu te scrollen en deze te selecteren. Druk op de rechter pijltjestoets: om het hoofdmenu binnen te gaan vanuit de displays van de boordcomputer om een sub-menu binnen te gaan Druk op de linker pijltjestoets om een menu te verlaten. Houd telkens de linker pijltjestoets ingedrukt wanneer u naar het hoofdmenu wilt terugkeren (escape toets). N.B.: Wanneer u enige tijd op geen enkele toets drukt, keert het systeem automatisch terug naar het display van de boordcomputer. Druk op de OK toets om een keuze te maken en een instelling te bevestigen. E

90 Infodisplays Functies van de instrumentengroep Functie Type 1 Type 2 Type 3 Boordcomputer X X X Informatieberichten X X X Klok gelijkzetten X X X Display-instellingen - X X Standkachel instellen - X X Bediening navigatiesysteem - - X Bediening CD-speler - - X Bediening CD-wisselaar - - X Bediening radio - - X Bediening telefoon - - X Bediening auxiliary aansluiting - - X Type 1 Scroll met de op en neer pijltjestoetsen door de displays van de boordcomputer. Zie Tripcomputer (bladzijde 96). E

91 Infodisplays Menustructuur Reset afst. Gereden afstand Gem.Verbruik Gem.Snelheid Alle waarden E87751 Type 2 Informatie Klok 09:00 Berichten Klok instellen 24-uursmodus 12-uursmodus Scroll met de op en neer pijltjestoetsen door de displays van de boordcomputer. Zie Tripcomputer (bladzijde 96). E74426 Gem.Verbruik l 6,3 100km km 234,2 km 89

92 Infodisplays Menustructuur Reset afst. Informatie Klok Gereden afstand Gem.Verbruik Gem.Snelheid Alle Berichten Band.spann. Klok instellen 24-uursmodus 12-uursmodus Instellingen Scherm Configureren Help-scherm Radioinfo Telefooninfo NAV-info Altijd uit Bij aanw. Altijd aan Talen Engels Duits Italiaans Frans Spaans Turks Russisch Nederlands Polijsten Zweeds Portugees A B Meeteenheid Metrisch Brits E

93 Infodisplays A B Geluiden Forw. Alert WeinigBrndst Alg. Info. Alg. waarsch. Uitstaplicht ACC waarsch. FA-waarsch. Gevoeligheid Waarsch.toon Vroeg Normaal Laat Hellingstart Band.spann. Uit Automatisch Handmatig Controleer Onbeladen Beladen Alarm Voll. alarm Gereduceerd Vragen Parkeerverw Hulpverwarm. Tijd 1 Instellen Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag Zaterdag Zondag E87753 Tijd 2 Eenmalig Nu actief Instellen Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag Zaterdag Zondag 91

94 Infodisplays Type 3 Navigatie CD-speler CD-wisselaar Radio E88048 Scroll met de toetsen door de menudisplays. N.B.: Na korte tijd wordt de screen saver modus ingeschakeld. Druk op de linker pijltjestoets om van hieruit de menu's binnen te gaan. Lijst met componenten De geselecteerde icoon geeft het menu weer dat in gebruik is. Telefoon Boordcomputer Instellingen Externe (auxiliary) ingang 92

95 Infodisplays Menustructuur Navigatie CD Naar huis Favor.Gebruik. Favor. A-Z Laatste best. Beg.beëind. Map / Tracks Bestemmingen Bestemmingen Bestemmingen CD-wisselaar CD 1 CD 2 CD 3 CD 4 CD 5 CD 6 Map / Tracks Map / Tracks Map / Tracks Map / Tracks Map / Tracks Map / Tracks Radio Lijst zenders FM 1 / FM FM 2 FM 3 FM - AST MW / AM LW / AM-AST Zenders Zenders Zenders Zenders Zenders Zenders Zenders E87754 Telefoon A Telefoonboek Kiesherhaling Bin.gek.opr. Gev. Nrs. Oproepstatus Nummers Nummers Nummers 93

96 Infodisplays A Tripcomputer Afst. tot leeg Gem.Verbruik Gem. snelheid Act.elem.terugstell. Dagteller terugstellen Instellingen Informatie Klok Berichten Band.spann. Klok instellen 24-uursmodus 12-uursmodus Instellingen Scherm Kleurthema's Configureren Help-scherm NAV-info Altijd uit Bij aanw. Altijd aan Talen Engels Duits Italiaans Frans Spaans Turks Russisch Nederlands Polijsten Zweeds Portugees A E87755 B C Meeteenheid Metrisch Brits 94

97 Infodisplays C Geluiden Forw Alert Hellingstart Band.spann. Alarm WeinigBrndst Alg. Info. Alg. waarsch. Uitstaplicht ACC waarsch. FA-waarsch. Gevoeligheid Waarsch.toon Uit Automatisch Handmatig Controleer Onbeladen Beladen Voll. alarm Gereduceerd Vragen Vroeg Normaal Laat E87756 Hulpverwarm. 95

98 Infodisplays A B Parkeerverw. Tijd 1 Tijd 2 Eenmalig Nu actief Instellen Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag Zaterdag Zondag Instellen Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag Zaterdag Zondag E88067 Aux-ingang TRIPCOMPUTER Kilometerteller De kilometerteller geeft het totale aantal gereden kilometers weer. Dagteller De dagteller registreert het aantal kilometers van een bepaald traject. Actieradius tot de brandstoftank leeg is Duidt bij benadering de afstand aan die nog kan worden afgelegd voordat de tank leeg is. De waarde kan variëren naarmate de rijomstandigheden veranderen. Gemiddeld brandstofverbruik Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld. 96

99 Infodisplays Gemiddelde snelheid Geeft de berekende gemiddelde snelheid aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld. Buitentemperatuur Geeft de buitentemperatuur weer. Type 1 en 2 E74428 A B C 10:20 Average Fuel l km km km Boordcomputer Kilometerteller Dagteller De boordcomputer beschikt over de volgende informatiedisplays: A B C E74441 Gem.Verbruik Gem.Snelheid Outside air Reset afst Afstand Druk op de op en neer pijltjestoetsen op het stuurwiel om door de displays van de boordcomputer te scrollen. N.B.: De positie van het display van de boordcomputer kan variëren afhankelijk van de getoonde informatie. Boordcomputer terugstellen met behulp van het hoofdmenu Een bepaald display terugstellen: 1. Druk op de rechter pijltjestoets om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Reset Trip. met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer de functie die moet worden teruggesteld. 4. Druk op de rechter pijltjestoets om de functie te selecteren. 5. Houd de OK toets ingedrukt. 97

100 Infodisplays Selecteer, om alle drie displays terug te stellen All values en houd de OK toets ingedrukt. Type 3 E88049 A A Boordcomputer Boordcomputer terugstellen met behulp van het hoofdmenu Een bepaald display terugstellen: 1. Selecteer Trip Computer met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 2. Selecteer de functie die moet worden teruggesteld. 3. Houd de OK toets ingedrukt. PERSOONLIJKE INSTELLINGEN De volgende informatie wordt op het display getoond wanneer u dit hebt geselecteerd: Helpscherm, informatie met betrekking tot de radio, het navigatiesysteem en de telefoon. Het helpscherm verschijnt enkele seconden wanneer u het contact aan zet. Wanneer de radio, het navigatiesysteem of de telefoon is ingeschakeld, verschijnt informatie over dit systeem op het display. Informatie selecteren die op het display moet worden weergegeven: Type 1 en 2 1. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Configure en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Om het Helpscherm, Radio Info en Phone Info in of uit te schakelen, kiest u de optie en drukt u op de OK toets. 6. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. 98

101 Infodisplays Type 3 1. Selecteer Settings met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Configure en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Om het Help screen en NAV Info in of uit te schakelen, kiest u de optie en drukt u op de OK toets. Navigatie-informatie U kunt ook kiezen wanneer navigatie-informatie moet worden weergegeven. Er zijn drie mogelijkheden: Always off: Er verschijnt geen navigatie-informatie op het display. On guidance: De navigatie-informatie verschijnt alleen wanneer het navigatiesysteem een instructie wil doorgeven. Deze functie is alleen bij enkele navigatiesystemen beschikbaar. Always on: Navigatie-informatie verschijnt op het display wanneer het navigatiesysteem is ingeschakeld. Instelling wanneer navigatie-informatie moet worden weergegeven: Type 1 en 2 1. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Configure en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Selecteer Nav Info en druk op de rechter pijltjestoets. 6. Selecteer de gewenste instelling en druk op de OK toets. 7. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. Type 3 1. Selecteer Settings met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Configure en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Selecteer Nav Info en druk op de rechter pijltjestoets. 6. Selecteer de gewenste instelling en druk op de OK toets. 99

102 Infodisplays Taal Er kan uit elf talen worden gekozen: Engels, Duits, Italiaans, Frans, Spaans, Turks, Russisch, Nederlands, Pools, Zweeds en Portugees. Type 1 en 2 1. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. 4. SelecteerLanguage en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Selecteer de gewenste taal en druk op de OK toets om de keuze te bevestigen. 6. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. Type 3 1. Selecteer Settings met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. 4. SelecteerLanguage en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Selecteer de gewenste taal en druk op de OK toets om de keuze te bevestigen. Maateenheden N.B.: De buitentemperatuur wordt alleen in graden Celsius weergegeven en kan niet op Fahrenheit worden ingesteld. Metrische of Engelse eenheden kiezen: Type 1 en 2 1. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Measure Unit en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Selecteer de gewenste instelling en druk op de OK toets om de keuze te bevestigen. 6. Druk op de linker pijltjestoets om naar het menu terug te keren. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. Type 3 1. Selecteer Settings met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 100

103 Infodisplays 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Display en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Measure Unit en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Selecteer de gewenste instelling en druk op de OK toets om de keuze te bevestigen. INFOBERICHTEN Berichtenindicator Bij sommige berichten gaat de berichtenindicator branden. Afhankelijk van de ernst van het bericht is de indicator rood of oranje en blijft deze branden tot de oorzaak van het bericht is verholpen. Berichtsymbolen Zie het instructieboekje. Laat het systeem bij de volgende onderhoudsbeurt controleren. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan. E70499 Druk om te bevestigen en om enkele berichten van het informatiedisplay te verwijderen op OK. Andere berichten worden korte tijd later automatisch verwijderd. Bij instrumentengroep 3 moeten enkele berichten worden bevestigd voordat u de menu's kunt binnengaan. Actuele berichten bekijken Type 1 en 2 1. Druk op de rechter pijltjestoets om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Information met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Messages en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Bekijk de actuele berichten met behulp van de op en neer pijltjestoetsen. 101

104 Infodisplays Type 3 1. Druk op de rechter pijltjestoets om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Settings met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Information met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer Messages en druk op de rechter pijltjestoets. 5. Bekijk de actuele berichten met behulp van de op en neer pijltjestoetsen. Actief veersysteem Bericht IVDC malfunction IVDC comfort IVDC normal IVDC sport Waarschuwingslamp bericht oranje Betekenis Het actieve veersysteem werkt niet correct. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Zie Actieve schokdemperregeling (bladzijde 167). Het actieve veersysteem staat in de stand 'comfort'. Het actieve veersysteem staat in de stand 'normaal'. Het actieve veersysteem staat in de stand 'sport'. Alarmsignaal Bericht Alarm triggered Alarm system service reqd. Waarschuwingslamp bericht oranje - Betekenis De alarminstallatie is geactiveerd. Controleer de auto op sporen van braak. De alarminstallatie heeft niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. 102

105 Infodisplays Accu en laadsysteem Bericht Overvoltage Stop safely! Storing elektrische installatie Low battery Waarschuwingslamp bericht rood oranje Betekenis De laadspanning is hoger dan normaal. Breng uw auto tot stilstand zodra dit veilig kan. Zet de motor en het contact af. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. De accuspanning is laag. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Klimaatregeling Bericht Aux. Heater on Waarschuwingslamp bericht oranje Betekenis Cruise control / Adaptive cruise control (ACC) Bericht Cruise control malfunction Cruise control active Cruise control standby Het extra verwarmingssysteem is ingeschakeld. Waarschuwingslamp bericht oranje - - Betekenis De cruise control [snelheidregelsysteem] werkt niet correct. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. De cruise control is ingeschakeld. De cruise control staat in standby. 103

106 Infodisplays Bericht ACC unavailable ACC malfunction Clean radar sensor Forward Alert malfunction Waarschuwingslamp bericht - oranje oranje oranje Betekenis De stabiliteitsregeling (ESP) kan zijn uitgeschakeld. Schakel het ESP weer in en probeer de ACC opnieuw in te schakelen. Probeer anders het contact af en weer aan te zetten om dit bericht te wissen. De ACC heeft niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Iets kan de sensor van de radar afdekken. Verwijder vuil, sneeuw, water of andere voorwerpen van de grille. Forward alert heeft niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Niet goed gesloten portier(en) Bericht Driver door open Driver side rear door open Passenger door open Passenger side rear door open Luggage comp. open Bonnet open Waarschuwingslamp bericht rood rood rood rood rood rood Betekenis Het voorportier aan bestuurderszijde is open. Het achterportier aan bestuurderszijde is open. Het voorportier aan passagierszijde is open. Het achterportier aan passagierszijde is open. De achterklep is open. De motorkap is open. 104

107 Infodisplays Immobilisatiesysteem Bericht Immobiliser active Waarschuwingslamp bericht oranje Betekenis Het immobilisatiesysteem is ingeschakeld. Zie Motorstartblokkering (bladzijde 45). Hill launch assist (HLA) Bericht Hill Launch not available Hill Launch Assist active Hill Launch Assist off Please use park brake! Waarschuwingslamp bericht oranje - - oranje Betekenis De HLA werkt niet correct. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. De HLA is ingeschakeld. De HLA is uitgeschakeld. De HLA is i.v.m. een storing uitgeschakeld. Gebruik gewoon de parkeerrem op hellingen. Zie Hill launch assist (HLA) (bladzijde 164). Keyless systeem Bericht Steering malfunction Key not detected Waarschuwingslamp bericht rood oranje Betekenis De stuurinrichting werkt niet correct. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Er is geen geldige passive key herkend. 105

108 Infodisplays Bericht Car operative Press STOP Key outside car Key battery low Steering locked - Retry Waarschuwingslamp bericht oranje oranje Oranje - Betekenis De motor draait nog. Zet het contact af. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 143). In de wagen is geen geldige passive key gedetecteerd. Laad de batterij zo snel mogelijk op. Het stuurslot is nog geactiveerd. Druk de startknop in. Verlichting Bericht Front lights malfunction Low beam: Bulb fault Rear fog light: Bulb fault Stop lamps: Bulb fault Trailer stopl.: Bulb fault Waarschuwingslamp bericht oranje Betekenis De adaptieve koplampen (AFS) hebben niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Een of beide gloeilampen van het dimlicht is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van het dimlicht. Zie Verlichting (bladzijde 57). Een of beide gloeilampen van de mistachterlichten is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de mistachterlichten. Zie Verlichting (bladzijde 57). Een of beide gloeilampen van de remlichten is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de remlichten. Zie Verlichting (bladzijde 57). Een of beide gloeilampen van de remlichten van uw aanhanger is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de remlichten van uw aanhanger. 106

109 Infodisplays Bericht Trailer turnl.: Bulb fault Waarschuwingslamp bericht - Betekenis Een of beide gloeilampen van de richtingaanwijzers van uw aanhanger is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de richtingaanwijzers van uw aanhanger. Onderhoud Bericht Storing in motor Check engine oil level Water detected in fuel Low washer fluid level Service oil Waarschuwingslamp bericht rood oranje oranje - - Betekenis De motor heeft niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Het motoroliepeil is laag. Controleer zo snel mogelijk het motoroliepeil. Zie Onderhoud (bladzijde 211). Er zit water in de brandstof. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Het peil van de ruitensproeiervloeistof is laag. Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Onderhoud (bladzijde 211). De motorolie moet worden ververst. Laat de motorolie zo spoedig mogelijk verversen. 107

110 Infodisplays Bescherming van de inzittenden Bericht Crash mode Waarschuwingslamp bericht - Betekenis Handrem Bericht Park brake malfunction Release park brake Re-Apply park brake Park brake applied Park brake released For drive away use park brake Park brake service reqd. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren. Waarschuwingslamp bericht rood rood rood oranje oranje oranje - Betekenis De parkeerrem heeft niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Zet de handrem los. Zie Parkeerrem (bladzijde 161). Schakel de parkeerrem weer in. Zie Parkeerrem (bladzijde 161). De parkeerrem is ingeschakeld. De parkeerrem is uitgeschakeld. Zie Parkeerrem (bladzijde 161). De EPB heeft niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. 108

111 Infodisplays Stuurbekrachtiging Bericht Power steering malfunction Waarschuwingslamp bericht oranje Betekenis De stuurbekrachtiging heeft niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Stabiliteitsregeling (ESP) Bericht ESP off ESP malfunction Waarschuwingslamp bericht - - Betekenis De stabiliteitsregeling is uitgeschakeld. De stabiliteitsregeling heeft niet correct gewerkt. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Transmissie Bericht Transmission overtemperatur Waarschuwingslamp bericht oranje Betekenis De transmissie is oververhit. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Bandenspanningcontrolesysteem Bericht Check... tyre! Waarschuwingslamp bericht rood Betekenis De spanning van aangeduide band is lager geworden. Controleer de band en breng de spanning op de aanbevolen waarde. 109

112 Infodisplays Bericht Check tyre pressures Check... tyre Tyre monitor malfunction Inflate tyres for high speed Waarschuwingslamp bericht rood oranje oranje oranje Betekenis De spanning van een of meer banden is aanzienlijk te laag. Dit bericht kan verschijnen nadat een nieuwe sensor is gemonteerd. Controleer de banden en breng de spanning op de aanbevolen waarde. De aangeduide band heeft een aanzienlijk te lage spanning. Controleer uw banden en breng de spanning op de aanbevolen waarde. U hebt een reservewiel voor tijdelijk gebruik gemonteerd. Monteer zo spoedig mogelijk een wiel met normale afmetingen, de voorgeschreven bandenspanning en een sensor. Wanneer een storing optreedt, kan het systeem mogelijk de lage bandenspanning niet detecteren of doorgeven. Maximaal drie sensoren werken niet correct, een niet-goedgekeurd accessoire stoort het systeem of er is een algemene storing gedetecteerd. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren. Wanneer een storing optreedt, kan het systeem mogelijk de lage bandenspanning niet detecteren of doorgeven. De bandenspanning is niet geschikt voor het rijden met snelheden van 160 km/h (100 mph). Breng de spanning van alle banden op de voorgeschreven waarde. Zie Velgen en banden (bladzijde 233). Dit bericht wordt samen met de waarschuwing voor een te lage bandenspanning slechts enkele seconden weergegeven. 110

113 Infodisplays Bericht Tyre sensors not detected Waarschuwingslamp bericht - Betekenis U hebt velgen en banden gemonteerd die niet zijn voorzien van sensoren. De bandenspanning wordt niet gecontroleerd. Alle sensoren werken niet correct of een niet-goedgekeurd accessoire stoort het systeem. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. Spraakbesturing Bericht Voice control Please speak Voice control Not recognised Voice control Not allowed Waarschuwingslamp bericht Betekenis Voice control is ingeschakeld. Controleer de voice control. Voice control is in deze modus niet toegestaan. 111

114 Klimaatregeling WERKING Buitenlucht Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat het klimaatregelsysteem effectief kan werken. Gerecirculeerde lucht LET OP Wij raden aan de recirculatiestand niet langer dan 30 minuten in te schakelen. De lucht die zich in het passagierscompartiment bevindt, wordt gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht de auto in. Verwarming De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur. Airconditioning N.B.: De airconditioning werkt alleen wanneer de temperatuur hoger is dan 4 ºC. N.B.: Wanneer de airconditioning is ingeschakeld, zal het brandstofverbruik hoger zijn. De lucht wordt door de warmtewisselaar gevoerd, waar deze wordt gekoeld. Om de ruiten wasemvrij te houden wordt vocht aan de lucht onttrokken. Het condens wordt naar buiten afgevoerd en daarom is het normaal dat zich een klein plasje water onder de auto vormt. Algemene informatie over de klimaatregeling in het interieur Sluit alle ruiten. Het interieur verwarmen Laat de lucht naar de beenruimten stromen. Laat, bij koud of vochtig weer, een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit en de portierruiten stromen. Het interieur afkoelen Laat de lucht naar het hoofdniveau stromen. 112

115 Klimaatregeling VENTILATIEROOSTERS Luchtroosters, voor HANDMATIGE KLIMAATREGELING Aanjager A E71942 Luchtroosters, achter A B E75470 A Uit N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt kan de voorruit beslaan. Temperatuurregelknop E89129 A B Open Dicht E75471 Blauw Rood Koud Warm 113

116 Klimaatregeling Luchtverdeelknop Interieur snel verwarmen F A B E C E71377 Ventilatie E71379 D A B C D E F Voorruit Beenruimte en voorruit Beenruimte Hoofdniveau en beenruimte Hoofdniveau Hoofdniveau en voorruit De luchtverdeelknop kan in elke gewenste stand tussen de symbolen worden gezet. Een kleine hoeveelheid lucht stroomt altijd naar de voorruit. Luchtrecirculatie E71378 Zet de luchtverdeelknop in stand D of E. Zet de aanjagerschakelaar in een willekeurige stand. Open de luchtroosters naar gelang uw persoonlijke wensen. Airconditioning Airconditioning in- en uitschakelen Druk op de toets om te kiezen tussen toevoer van buitenlucht en het recirculeren van de in het interieur aanwezige lucht. Druk op de A/C schakelaar om de airconditioning in of uit te schakelen. Het lampje in de schakelaar brandt wanneer de airconditioning is ingeschakeld. 114

117 Klimaatregeling Wanneer u de aanjager uitschakelt, wordt ook de airconditioning uitgeschakeld. Wanneer u de aanjager weer inschakelt, schakelt de airconditioning automatisch in. Voorruit ontdooien en ontwasemen Koelen met buitenlucht E71382 E71380 Schakel de airconditioning in. Interieur snel afkoelen E71381 Schakel de airconditioning en de recirculatiestand in. Zet de luchtverdeelknop in stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 C, schakelt de airconditioning automatisch in. Let erop dat de aanjager aanstaat. Het lampje in de A/C schakelaar brandt tijdens het ontdooien en ontwasemen. Wanneer u de luchtverdeelknop in een andere stand dan stand A zet, blijft de A/C ingeschakeld. U kunt de airconditioning en luchtrecirculatie in- en uitschakelen terwijl de luchtverdeelknop in de stand A staat. Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 120). N.B.: Zet, om de achterste zijruiten te ontdooien of te ontwasemen de luchtroosters bij de tweede zitrij in de ontdooi- en ontwasemstand. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 113). 115

118 Klimaatregeling Luchtvochtigheid in het interieur verlagen Zet de luchtverdeelknop in stand B en schakel de airconditioning in. E71383 AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING Automatische klimaatregeling E70302 Het systeem regelt automatisch de temperatuur, de hoeveelheid en verdeling van de lucht en past deze aan de rij- en weersomstandigheden aan. Door eenmaal op de AUTO toets te drukken wordt de auto modus ingeschakeld. 116

119 Klimaatregeling Uw wagen is uitgerust met een automatisch klimaatregelsysteem met twee zones. Wanneer het systeem in de mono modus staat, worden alle temperatuurzones gekoppeld aan de zone aan bestuurderszijde. Wanneer u de mono modus uitschakelt, kunt u met het dual zone systeem verschillende temperaturen instellen voor de bestuurder en passagier voorin. N.B.: Vermijd het wijzigen van de instellingen wanneer het in de auto extreem warm of koud is. De automatische klimaatregeling past zich automatisch aan de actuele omstandigheden aan. Voor een correcte werking van het systeem moeten de midden- en zijroosters volledig zijn geopend. N.B.: De zonnesensor bevindt zich bovenop het instrumentenpaneel. Bedek de zonnesensor niet. N.B.: Als het systeem bij lage buitentemperaturen in de auto modus staat, wordt de lucht zolang de motor koud is naar de voorruit en de zijruiten geleid. N.B.: Een beschrijving van het Ford DVD-navigatiesysteem in combinatie met automatische klimaatregeling vindt u in een afzonderlijke handleiding. Temperatuur instellen E70304 U kunt de temperatuur tussen 16 ºC en 28 ºC met stappen van of 0,5 ºC instellen. In de stand LO (lager dan 16 ºC) schakelt het systeem permanent de koeling in, in HI (hoger dan 28 ºC) permanent de verwarming en wordt geen stabiele temperatuur ingesteld. Mono modus In de mono modus zijn de temperatuurinstellingen voor de bestuurder en de passagier aan elkaar gekoppeld. Wanneer u de temperatuur met de draaiknop aan bestuurderszijde verandert, wordt dezelfde instelling voor de passagierszijde doorgevoerd. In de mono modus verschijnt MONO op het display. 117

120 Klimaatregeling Mono modus uitschakelen Selecteer met de draaiknop aan passagierszijde een temperatuur voor de passagierszijde. De mono modus wordt uitgeschakeld en MONO verdwijnt van het display. De temperatuur voor de bestuurderszijde blijft ongewijzigd. U kunt nu de temperaturen voor de bestuurderszijde en de passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen. De temperatuurinstellingen voor beide zijden worden op het display weergegeven. U kunt een temperatuurverschil van maximaal 4 ºC instellen. N.B.: Wanneer het temperatuurverschil groter is dan 4 C, wordt de temperatuur aan de andere zijde bijgesteld zodat het verschil 4 C blijft. N.B.: Wanneer u voor een van de zijden HI of LO kiest, worden beide zijden in de stand HI of LO gezet. Mono modus weer inschakelen Om de mono modus weer in te schakelen drukt u op de MONO toets. MONO verschijnt op het display en de temperatuur aan passagierszijde wordt aangepast aan de temperatuur aan bestuurderszijde. Aanjager Stel het aanjagertoerental met de toetsen in. De aanjagerinstelling wordt op het display weergegeven. Druk om terug te keren naar de auto modus op de AUTO toets. Luchtverdeling Druk op de gewenste toets om de luchtverdeling in te stellen. Iedere combinatie van instellingen kan tegelijkertijd worden geselecteerd. E70308 A B C A B C Beenruimte Hoofdniveau Voorruit Wanneer u voorruit ontdooien en ontwasemen kiest schakelen A, B en C automatisch uit en wordt de airconditioning ingeschakeld. Buitenlucht stroomt nu het interieur in. U kunt de recirculatiestand niet selecteren. 118

121 Klimaatregeling Voorruit ontdooien en ontwasemen Druk de toets voorruit ontdooien en ontwasemen in. Buitenlucht stroomt nu het interieur in. De airconditioning wordt automatisch ingeschakeld. Zolang de luchtverdeling in deze stand blijft staan, kunt u de recirculatiestand niet selecteren. Het aanjagertoerental en de temperatuurregeling werken automatisch en kunnen niet met de hand worden bediend. De aanjager staat op een hoge stand en de temperatuur in de stand HI. Wanneer u voorruit ontdooien en ontwasemen selecteert, schakelt de voorruitverwarming automatisch in en na korte tijd weer uit. Druk om terug te keren naar de auto modus op de AUTO toets. N.B.: Stel de luchtroosters van de tweede zitrij in op ontdooien en ontwasemen om de zijruiten te ontdooien en te ontwasemen. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 113). Airconditioning in- en uitschakelen Druk op de A/C toets om de airconditioning in of uit te schakelen. A/C OFF verschijnt op het display wanneer de airconditioning is uitgeschakeld. A/C ON verschijnt op het display wanneer de airconditioning is ingeschakeld. Gerecirculeerde lucht Druk op de toets voor luchtrecirculatie om de lucht te laten recirculeren. N.B.: In de auto modus wordt bij hoge binnen- en buitentemperaturen voor een maximale koeling van het interieur automatisch de recirculatiestand ingeschakeld. Wanneer de ingestelde temperatuur eenmaal is bereikt, selecteert het systeem automatisch toevoer van buitenlucht. Automatische klimaatregeling uitschakelen E70980 Druk de OFF toets in. 119

122 Klimaatregeling Het verwarmings-, ventilatie- en airconditioningsysteem wordt uitgeschakeld en de recirculatiestand ingeschakeld. VERWARMDE RUITEN EN SPIEGELS Verwarmbare ruiten Schakel de ruitverwarming in om de voor- of achterruit te ontdooien of ontwasemen. N.B.: De ruitverwarming werkt alleen bij een draaiende motor. Voorruitverwarming Druk opnieuw op de schakelaar om de achterruitverwarming uit te schakelen. Na korte tijd schakelt het systeem automatisch uit. Verwarmbare buitenspiegels IN de elektrisch bedienbare buitenspiegels is een verwarmingselement gemonteerd dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt. Wanneer u de achterruitverwarming inschakelt, worden deze elementen automatisch ingeschakeld. EXTRA VERWARMING Standverwarming Druk de schakelaar in om de voorruitverwarming in te schakelen. Het lampje in de schakelaar brandt wanneer de voorruitverwarming is ingeschakeld. Druk opnieuw op de schakelaar om de voorruitverwarming uit te schakelen. Na korte tijd schakelt het systeem automatisch uit. Achterruitverwarming Druk de schakelaar in om de achterruitverwarming in te schakelen. Het lampje in de schakelaar brandt wanneer de achterruitverwarming is ingeschakeld. WAARSCHUWING Schakel de standverwarming uit tijdens het tanken, wanneer u zich in een omgeving bevindt met brandbare dampen of stoffen en in gesloten ruimten. De standverwarming werkt onafhankelijk van de verwarming van de auto door het koelvloeistofcircuit van de motor te verwarmen. Hij wordt door de brandstoftank van energie voorzien. U kunt het systeem ook tijdens het rijden gebruiken om het interieur sneller te laten opwarmen. Wanneer de standverwarming correct wordt gebruikt, biedt deze de volgende voordelen: 120

123 Klimaatregeling Het interieur wordt voorverwarmd. De ruiten blijven bij vorst vrij van ijs en condensatie wordt voorkomen. De koude start wordt vermeden waardoor de motor eerder op bedrijfstemperatuur is. N.B.: De standverwarming werkt alleen wanneer er zich minimaal 7,5 liter brandstof in de tank bevindt en de buitentemperatuur lager is dan 15 C. De standverwarming werkt niet wanneer de accu slecht geladen is. N.B.: De verwarming werkt afhankelijk van de buitentemperatuur. N.B.: Wanneer de standverwarming is ingeschakeld, kunnen wat uitlaatgassen onder de zijkanten van de wagen uitkomen. Dit is normaal. N.B.: Bij wagens met een handmatig geregelde verwarming, ventilatie en airconditioning, is de verwarming van het interieur afhankelijk van de ingestelde temperatuur, de luchtverdeling en het aanjagertoerental. Om te voorkomen dat de accu wordt ontladen: Nadat de standverwarming een verwarmingscyclus heeft doorlopen, zal de volgende geprogrammeerde verwarmingstijd alleen worden uitgevoerd indien de motor tussentijds is gestart. Rijd met de auto na een verwarmingscyclus minimaal een verwarmingscyclus. Programmeerbare standverwarming N.B.: De geprogrammeerde tijd is de tijd waarop u wilt dat de auto warm is en klaar is om weg te rijden, niet de tijd waarop de verwarming inschakelt. N.B.: U moet de tijden minimaal 70 minuten ten opzichte van de tijd die u wilt instellen vooruit programmeren. N.B.: U moet de tijd en de datum correct invoeren. Zie Klok (bladzijde 136). Verwarmingstijden programmeren: E Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Park Heater en druk op de rechter pijltjestoets. 121

124 Klimaatregeling E74467 Parkeerverw Tijd 1 Tijd 2 Eenmalig Nu actief Met de functies Program 1 en Program 2 kunt u twee verwarmingstijden per dag programmeren. Deze tijden blijven in het geheugen opgeslagen en de verwarming schakelt elke dag van de week op deze tijden in. Met de functie One-Time kunt u een verwarmingstijd voor één specifieke dag programmeren. De functie Active now schakelt de verwarming direct in. De functies Program 1 en Program 2 programmeren E74468 Tijd 1 [07:55] Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag 1. Selecteer Program 1 en druk op de rechter pijltjestoets. 2. Selecteer de dag waarop de verwarming de wagen moet verwarmen. 3. Druk op de OK toets om de keuze te bevestigen. In het vak naast de dag verschijnt een kruis om aan te duiden dat deze dag is geselecteerd. 4. Ga op dezelfde wijze te werk om alle dagen te selecteren waarop de verwarming de wagen moet verwarmen. 5. Selecteer, om de tijd in te stellen waarop de wagen moet zijn verwarmd, de tijd aan de bovenzijde van het display en druk op de rechter pijltjestoets. 122

125 Klimaatregeling 6. Druk op de OK toets en de uren knipperen. Voer met behulp van de op en neer pijltjestoetsen de individuele instellingen in en ga met de linker en rechter pijltjestoetsen naar de volgende of de vorige instelling. 7. Wanneer alle instellingen zijn ingevoerd, drukt u nogmaals op de OK toets om de instellingen te bevestigen. E74469 Parkeerverw Tijd 1 07:55 01:12:2006 OK=bevestig U kunt met de functie Program 2 een tweede tijd invoeren, bijvoorbeeld verschillende tijden op verschillende dagen of twee tijden op dezelfde dag. De procedure van programmeren is hetzelfde voor de functie Program 1. De functie One-Time programmeren 1. Selecteer One-Time en druk op de rechter pijltjestoets. 2. Druk op de OK toets en de uren knipperen. Voer met behulp van de op en neer pijltjestoetsen de individuele instellingen in en ga met de linker en rechter pijltjestoetsen naar de volgende of de vorige instelling. 3. Wanneer alle instellingen zijn ingevoerd, drukt u nogmaals op de OK toets om de instellingen te bevestigen. Nu inschakelen Selecteer Active now en druk op de OK toets. In het vak naast de functie verschijnt een kruis om aan te duiden dat de verwarming is geactiveerd. Selecteer, om de verwarming uit te schakelen, Active now en druk nogmaals op de OK toets. Extra verwarming diesel (afhankelijk van het land) Deze extra verwarming (PTC elektrische verwarming) helpt bij het verwarmen van de motor en het interieur bij auto's met dieselmotor. Het systeem wordt afhankelijk van de buitentemperatuur, de koelvloeistoftemperatuur en de belasting van de dynamo automatisch in- of uitgeschakeld. 123

126 Klimaatregeling Extra verwarming diesel (afhankelijk van het land) De standverwarming helpt bij het verwarmen van de motor en het interieur bij auto's met een benzineof dieselmotor. Het systeem wordt afhankelijk van de buitentemperatuur, de koelvloeistoftemperatuur en de belasting van de dynamo automatisch in- of uitgeschakeld, tenzij u het hebt uitgeschakeld. Wanneer de standverwarming in werking is verschijnt een bericht op het informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 87). Standverwarming uitschakelen: 3. Selecteer Aux. Heater en druk nogmaals op de OK toets om de verwarming in of uit te schakelen. Wanneer de verwarming is ingeschakeld verschijnt in het vak ernaast een kruis. 4. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. ELEKTRISCH ZONNEDAK E Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. E

127 Klimaatregeling WAARSCHUWING Controleer voordat u het elektrisch bedienbare schuifdak bedient, of deze vrij is van obstructies en overtuig u ervan dat zich geen kinderen en/of huisdieren in de nabijheid van de schuifdakopening bevinden. Het nalaten hiervan kan ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is in eerste instantie de verantwoording van de toeziende volwassenen dat een kind nooit alleen in de auto blijft; laat nooit de sleutels in de auto achter. De schakelaar van het elektrisch bedienbare schuifdak bevindt zich tussen de zonnekleppen. Schuifdak openen en sluiten N.B.: Wanneer de schakelaars gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen. N.B.: Het elektrisch bedienbare schuifdak kan bij afgezet contact worden bediend via de functie integraal openen/sluiten. Zie Centrale vergrendeling (bladzijde 40). Het schuifdak kan op twee manieren worden geopend - de achterzijde van het schuifdak kan omhoog worden gekanteld of het schuifdak kan horizontaal naar achteren worden geschoven. Wanneer de schakelaar wordt ingedrukt opent of sluit het schuifdak. Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare schuifdak te openen of te sluiten. E72188 E72185 A B B A Drukken om te sluiten Drukken om te openen 125

128 Klimaatregeling Schuifdak kantelen E72189 E72185 A B B A Drukken om te openen Drukken om te sluiten Schuifdak automatisch openen en sluiten N.B.: Bij het automatisch openen stopt het schuifdak op ongeveer 8 cm van de volledig geopende stand. Deze stand reduceert het dreunende geluid dat soms bij volledig geopend schuifdak hoorbaar is. Het schuifdak stopt alleen automatisch in deze stand wanneer het automatisch wordt geopend. Druk, om het schuifdak automatisch te openen of te sluiten, de betreffende zijde van de schakelaar tot de tweede aanslag in en laat hem vervolgens los. Druk de schakelaar opnieuw in om de beweging te stoppen. Het schuifdak stopt automatisch wanneer de gesloten stand is bereikt. Antiklemfunctie van het schuifdak WAARSCHUWINGEN De antiklemfunctie wordt buiten werking gesteld tot het geheugen opnieuw is ingesteld. Het onzorgvuldig sluiten van de ruit kan verwondingen tot gevolg hebben. Het onvoorzichtig sluiten van het elektrisch bedienbare schuifdak kan de antiklemfunctie teniet doen en verwondingen tot gevolg hebben. Wanneer het schuifdak tijdens het sluiten met een obstakel in aanraking komt, stopt het automatisch en schuift het een stukje terug. Ga, om de antiklemfunctie op te heffen wanneer er sprake is van weerstand, bijv. in de winter, als volg te werk: WAARSCHUWING Wanneer het schuifdak voor de derde maal wordt gesloten, wordt de antiklemfunctie uitgeschakeld. Let erop dat er tijdens het sluiten van het schuifdak geen obstakels in de weg kunnen zitten. 126

129 Klimaatregeling Sluit het schuifdak voor een derde keer tot deze weerstand ondervindt. De antiklemfunctie is uitgeschakeld en het schuifdak kan niet automatisch worden gesloten. Het schuifdak zal de weerstand overwinnen en kan vervolgens volledig worden gesloten. Laat het schuifdak door een deskundige controleren indien het na de derde poging niet sluit. Veiligheidsmodus van het schuifdak WAARSCHUWING De antiklemfunctie werkt tijdens deze procedure niet. Let erop dat er tijdens het sluiten van het schuifdak geen obstakels in de weg kunnen zitten. Wanneer het systeem een storing vaststelt, treedt de veiligheidsmodus in werking. Het schuifdak beweegt dan slechts gedurende ca. 0,5 seconden per keer en stopt vervolgens. Sluit het schuifdak door opnieuw de schakelaar in te drukken wanneer het schuifdak stopt. Wanneer de achterzijde van het schuifdak omhoog is gekanteld, laat dan het schuifdak volledig omhoogkantelen en sluit het vervolgens. Laat het systeem onmiddellijk door een deskundige controleren. Leerprocedure schuifdak WAARSCHUWING De antiklemfunctie werkt tijdens deze procedure niet. Let erop dat er tijdens het sluiten van het schuifdak geen obstakels in de weg kunnen zitten. Wanneer het schuifdak niet langer meer correct sluit, voer dan deze 'leerprocedure' uit: Kantel de achterzijde van het schuifdak zover mogelijk omhoog. Laat de schakelaar los. Druk de schakelaar opnieuw in en houd deze 30 seconden ingedrukt tot u het schuifdak ziet bewegen. Laat de schakelaar los en druk deze onmiddellijk opnieuw in. Het schuifdak sluit, schuift volledig open en schuift vervolgens weer dicht. Laat de schakelaar niet los voordat het schuifdak de gesloten stand voor de tweede keer heeft bereikt. Wanneer de schakelaar niet constant wordt ingedrukt, wordt de leerprocedure afgebroken. Begin van voren af aan opnieuw met de procedure. 127

130 Stoelen DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN E68595 WAARSCHUWINGEN Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimale kan functioneren. de hoofdsteun zodanig instelt, dat de bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover mogelijk naar voren in, maar u moet comfortabel kunnen zitten. voldoende afstand houdt tussen uzelf en het stuurwiel. minimaal 254 mm (10 inch) tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aanhoudt. het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt. uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken. de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt. Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de wagen hebt. Wanneer u de veiligheidsgordel correct draagt kunnen de stoel, hoofdsteun, veiligheidsgordel en airbags bij een eventuele aanrijding optimale bescherming bieden. Wij raden aan dat u: zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren. de rugleuning van de stoel niet meer dan 30 graden achterover kantelt. 128

131 Stoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Lendensteun afstellen Stoelen naar voren en achteren schuiven E70729 Hoogte van de bestuurdersstoel verstellen E70728 WAARSCHUWING Beweeg te stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel hebt losgelaten om te controleren of de stoel goed is vergrendeld. E

132 Stoelen Hellingshoek van de rugleuning verstellen ELEKTRISCH VERSTELBARE STOELEN In twee richtingen elektrisch verstelbare stoel 1 1 E E

133 Stoelen In acht richtingen elektrisch verstelbare stoel E

134 Stoelen HOOFDSTEUNEN Hoofdsteun instellen WAARSCHUWINGEN Trek de achterste hoofdsteun omhoog wanneer iemand achterin plaatsneemt. Wanneer een voorwaarts gericht kinderzitje op een stoel van de tweede of derde zitrij wordt geplaatst, verwijder dan altijd de hoofdsteun van die stoel. Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. E72593 Stel de hoek van een in vier richtingen verstelbare hoofdsteun van de voorstoel in door hem naar voren of naar achteren te kantelen. Hoofdsteun verwijderen Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun. ACHTERBANK WAARSCHUWINGEN Wanneer u de rugleuningen neerklapt, let er dan op dat uw vingers niet tussen de rugleuning en het stoelframe komen. Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld. E71879 Rugleuningen neerklappen LET OP Laat de hoofdsteunen zakken. 132

135 Stoelen E Druk de ontgrendelknoppen naar beneden en houd ze in deze stand. 2. Druk de rugleuning naar voren. Een vlakke laadvloer maken WAARSCHUWING Controleer of de rode indicator niet te zien is wanneer u de stoelen in de vergrendelingen drukt. LET OP Laat de hoofdsteunen zakken. E Steek uw vingers tussen de zitting en de rugleuning en klap de zitting naar voren. 2. Druk de ontgrendelknoppen naar beneden en houd ze in deze stand. 3. Druk de rugleuning naar voren. VERWARMDE STOELEN LET OP Wanneer de stoelverwarming bij stilstaande motor wordt ingeschakeld, wordt hierdoor de accu ontladen. 133

136 Stoelen Wanneer er geen lampje brandt, is de verwarming uitgeschakeld. N.B.: Bij het afzetten van het contact worden de instellingen in het geheugen opgeslagen. GEVENTILEERDE STOELEN E70601 De stoelverwarming werkt alleen wanneer de contactsleutel in de stand II staat. LET OP De accu wordt ontladen wanneer de ventilatie bij stilstaande motor wordt ingeschakeld. E71224 Stel de stoelverwarming bij met de toetsen op de middenconsole. Druk meerdere keren op de + toets om de temperatuur te verhogen of op de toets om de temperatuur te verlagen. Het aantal lampjes dat naast de toets brandt geeft het geselecteerde niveau aan. De verwarming wordt in rood aangeduid. E70601 De stoelventilatie werkt alleen wanneer de contactsleutel in de stand II staat. 134

137 Stoelen E70602 Stel de stoelventilatie bij met de toets op de middenconsole. Druk meerdere keren op de + toets om de temperatuur te verhogen of op de toets om de temperatuur te verlagen. Het aantal lampjes dat naast de toets brandt geeft het geselecteerde niveau aan. De verwarming wordt aangeduid met rode LED's, de koeling met blauwe. Wanneer er geen lampje brandt, is de ventilatie uitgeschakeld. N.B.: Wanneer het contact wordt afgezet, worden de instellingen in het geheugen opgeslagen. N.B.: Wanneer de stoel wordt geventileerd, is het mogelijk dat de verwarming automatisch wordt ingeschakeld. Dit om te voorkomen dat de luchtstroom oncomfortabel koud wordt. N.B.: Voor het ventileren van de stoelen wordt gebruik gemaakt van de lucht in het passagierscompartiment. Het koelende effect is daarom afhankelijk van de temperatuur in het interieur. Schakel zo nodig de airconditioning in en richt de luchtstroom op de beenruimte. Zie Klimaatregeling (bladzijde 112). 135

138 Gemaksfuncties ZONNEKLEPPEN Achterruit A A E86514 E72973 ZONNESCHERMEN DIMMER INSTRUMENTENPANEEL- VERLICHTING Trek het zonnescherm omhoog en bevestig het aan de haken (A). Zijruiten A A E70723 KLOK E74809 N.B.: Sommige navigatiesystemen stellen met behulp van GPS signalen automatisch tijd en de datum van de klok in. 12- of 24 uur modus N.B.: Zie Infodisplays (bladzijde 87). 1. Selecteer in het Main [hoofd] menu Clock [klok]. 136

139 Gemaksfuncties 2. Selecteer in het Clock [klok] menu 12 Hour Mode [12 uur modus] of 24 Hour Mode 24 uur modus. 3. Druk op OK. Datum en tijd veranderen N.B.: Zie Infodisplays (bladzijde 87). 1. Selecteer in het Main [hoofd] menu Clock [klok]. 2. Selecteer in het Clock [klok] menu Set Clock [tijd instellen]. 3. Druk op OK om de uren te selecteren en verander de waarde met de op en neer pijltjestoetsen. 4. Druk op rechts en links pijltjestoetsen om de minuten, dag, maand of jaar te selecteren en de op en neer pijltjestoetsen om de waarde te wijzigen. 5. Druk op OK. AANSTEKER LET OP Houd het verwarmingselement van de aansteker niet ingedrukt. N.B.: De aansteker werkt alleen bij aangezet contact. De aansteker kan nog 30 minuten nadat het contact is afgezet worden gebruikt. Druk het verwarmingselement in om de aansteker te laten gloeien. Hij springt automatisch in de oorspronkelijke stand terug. WAARSCHUWING Wanneer u de aansluiting van de aansteker gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen. U kunt de aansluiting van de aansteker gebruiken voor het aansluiten van elektrische accessoires van 12 volt en maximaal 15 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen. ASBAK E72972 E

140 Gemaksfuncties Trek, om de asbak te ledigen, deze compleet uit de houder. EXTRA VOEDINGSAAN- SLUITINGEN LET OP Wanneer u het extra elektrische aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt de accu ontladen. N.B.: U kunt het elektrisch aansluitpunt bij afgezet contact gebruiken. BEKERHOUDERS WAARSCHUWING Plaats tijdens het rijden geen hete dranken in de bekerhouders. E72975 DASHBOARDKASTJE Gekoeld handschoenenkastje U kunt het handschoenenkastje koelen met behulp van de lucht uit de airconditioning. E86470 U kunt het extra elektrisch aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 15 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen. E

141 Gemaksfuncties Zet de klep in het handschoenenkastje dicht om de toevoer van koude lucht te beëindigen. MIDDENCONSOLE E73705 Open de asbak om deze te verwijderen, druk hem tegen de veerdruk in en verwijder hem. OPBERGRUIMTES E73704 E72905 WAARSCHUWING Rijd niet met een openstaande klep van het opbergvak. Doe voordat u wegrijdt de klep dicht. LET OP Bewaar geen voor warmte gevoelige voorwerpen en vloeistoffen in het opbergvak. E72905 E

142 Gemaksfuncties WEGENKAARTOP- BERGVAKKEN A B E86768 E74686 GEHEUGENFUNCTIE WAARSCHUWINGEN Controleer voordat u het stoelgeheugen activeert, of de onmiddellijke omgeving van de stoel vrij is van belemmeringen en dat de inzittenden niet met bewegende delen in aanraking kunnen komen. Gebruik de geheugenfunctie niet tijdens het rijden. A B Bedieningsorganen stoelverstelling. Zie Stoelen (bladzijde 128). Insteltoetsen geheugen. In het geheugen kunnen maximaal vier verschillende stoelinstellingen en buitenspiegelstanden worden opgeslagen. Ook kan de kantelstand van de buitenspiegel tijdens het achteruitrijden worden opgeslagen. Zie Ruiten en spiegels (bladzijde 74). 140

143 Gemaksfuncties Een stand in het geheugen opslaan Passieve instelling Wanneer deze modus is geactiveerd, slaag de wagen de standen van de stoel en de buitenspiegels in de vier afstandsbedieningen of de passive keys op. De volgende keer dat de wagen wordt ontgrendeld, wordt de laatst gebruikte stand van de stoel en de buitenspiegels ingesteld. Vraag uw dealer hoe deze functie kan worden uitgeschakeld. Telkens bij het afzetten van het contact, worden de actuele standen van de stoel en de spiegels opgeslagen in de gebruikte afstandsbediening of passive key. Actieve instelling 1. Zet het contact aan. 2. Stel de stoel en de buitenspiegels in de gewenste stand. 3. Druk op voorkeuzetoets B en houd deze ingedrukt tot ter bevestiging een gongsignaal klinkt. Easy entry / easy exit Om het in- en uitstappen voor de bestuurder te vereenvoudigen, voert de bestuurdersstoel automatisch de volgende functie uit: Naar achteren schuiven na opdracht via de afstandsbediening of passive key. Naar achteren schuiven nadat het bestuurdersportier is geopend, tenzij de motor draait. In de rijstand terugschuiven (na opdracht van de sleutel) nadat het bestuurdersportier is gesloten en het contact is aangezet of nadat een passive key in de wagen is herkend. Vraag uw dealer hoe deze functie kan worden uitgeschakeld. Een opgeslagen stoelstand oproepen N.B.: Druk, om de stoel tijdens het innemen van de stand te stoppen, een willekeurige insteltoets, een geheugentoets of een spiegelschakelaar in. De stoel stopt ook met bewegen zodra de wagen gaat rijden. Passieve oproep N.B.: Wanneer de easy entry / easy exit is geactiveerd, beweegt de bestuurdersstoel zich in de in- en uitstapstand. Vraag uw dealer hoe deze functie kan worden uitgeschakeld. 141

144 Gemaksfuncties N.B.: Wanneer zich meer dan één passive key zich binnen de detectiezone bevindt, zal de geheugenfunctie de instellingen gebruiken van de sleutel die het eerst werd geprogrammeerd. Wanneer u de wagen ontgrendeld met de afstandsbediening of door aan de portierkruk te trekken terwijl een passive key zich binnen de detectiezone bevindt, zullen de stoel en de spiegels in de stand worden versteld, die in de betreffende afstandsbediening of passive key is opgeslagen. Actieve oproep Druk op de voorkeuzetoets voor de gewenste rijpositie. De stoel en de spiegels bewegen in de stand die onder de voorkeuzetoets is opgeslagen. AANSLUITING AUXILIARY INGANG (AUX IN) E71969 Zie afzonderlijke handleiding. GLASHOUDER E

145 De motor starten ALGEMENE INFORMATIE Algemene opmerkingen over het starten Als de accu losgekoppeld is geweest kan de motor, nadat de accukabels weer zijn aangesloten, een afwijkende draaikarakteristiek vertonen gedurende ca. 8 kilometer. De oorzaak is, dat het motormanagement zich weer aan de motor moet aanpassen. Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens deze periode moeten worden genegeerd. Motor starten door middel van slepen of duwen WAARSCHUWING Om beschadiging te voorkomen moet u uw auto niet aanduwen of aanslepen. Gebruik hulpstartkabels en een hulpaccu. Zie Gebruik van startkabels (bladzijde 231). CONTACTSLOT WAARSCHUWING Draai de sleutel nooit terug in de stand 0 zolang de auto nog in beweging is. E Contact uitgeschakeld. I De ontsteking en alle hoofdcircuits zijn uitgeschakeld. N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu leegraakt, de contactsleutel niet te lang in deze stand staan. II Het contact staat aan. Alle elektrische circuits zijn ingeschakeld. De controlelampen en indicators branden. Dit is de stand waarin de sleutel moet staan tijdens het rijden. U moet deze stand ook kiezen wanneer de auto wordt gesleept. III Startmotor ingeschakeld. Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. SLEUTELLOOS STARTEN WAARSCHUWINGEN Het is mogelijk dat het keyless startsysteem niet werkt wanneer de sleutel zich te dicht bij metalen voorwerpen of elektronische apparaten, zoals een mobiele telefoon, bevindt. 143

146 De motor starten WAARSCHUWINGEN Controleer altijd voordat u probeert uw wagen in beweging te brengen of het stuurslot is uitgeschakeld. Zie Stuurwielblokkering (bladzijde 146). N.B.: Om het contact aan te zetten en de motor te starten moet zich een geldige passive key in de wagen bevinden. N.B.: Druk het rempedaal of koppelingspedaal, afhankelijk van het type versnellingsbak, volledig in om de motor te starten. Motor starten bij uitvoeringen met automatische transmissie LET OP Laat de startknop los zodra de motor aanslaat. N.B.: Door tijdens het starten de startknop los te laten of het rempedaal op te laten komen, wordt de startmotor uitgeschakeld maar blijft het contact aan. 1. Controleer of de transmissie in stand P of N staat. 2. Druk het rempedaal volledig in. 3. Druk de startknop in. Motor starten bij uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak LET OP Laat de startknop los zodra de motor aanslaat. E85766 Contact aan Druk eenmaal de startknop in. Alle elektrische circuits zijn operationeel, de waarschuwings- en controlelampen gaan branden. N.B.: Door tijdens het starten de startknop los te laten of het koppelingspedaal op te laten komen, wordt de startmotor uitgeschakeld maar blijft het contact aan. 1. Druk het koppelingspedaal volledig in. 2. Druk de startknop in. 144

147 De motor starten Een dieselmotor starten N.B.: De startmotor kan pas worden ingeschakeld wanneer de het voorgloeien is voltooid. Onder extreem koude omstandigheden kan dit enkele seconden duren. N.B.: Houd de startknop en het koppelingspedaal of het rempedaal ingedrukt tot de startmotor inschakelt. 1. Houd de passive key precies zoals is weergegeven naast de stuurkolomkap. 2. Met de passive key in deze stand kunt u de startknop gebruiken om het contact aan te zetten en de motor te starten. Type 2 Motor slaat niet aan. Het startsysteem met passive key werkt niet indien: De frequenties van de passive key worden verstoord. De batterij in de passive key leeg is. Volg de volgende procedure wanneer de motor niet kan worden gestart. Type 1 E Werk voorzichtig de kap los. E85767 E Steek de sleutel in het sleutelhouder. 145

148 De motor starten 3. Met de passive key in deze stand kunt u de startknop gebruiken om het contact aan te zetten en de motor te starten. De motor afzetten Druk bij stilstaande wagen op de startknop om de motor af te zetten. Het contact, alle elektrische circuits, waarschuwings- en controlelampen worden uitgeschakeld. STUURWIELBLOKKERING WAARSCHUWING Controleer altijd voordat u probeert uw wagen in beweging te brengen of het stuurslot is uitgeschakeld. Uitvoeringen zonder keyless startsysteem Stuurslot activeren: 1. Neem de sleutel uit het contactslot. 2. Draai het stuurwiel. Uitvoeringen met keyless startsysteem Uw wagen is uitgerust met een elektronisch bediend stuurslot. Deze werkt automatisch. Het stuurslot is geactiveerd bij afgezet contact, als de motor niet draait en de wagen stilstaat. Het stuurslot wordt automatisch uitgeschakeld zodra het contact wordt aangezet. EEN BENZINEMOTOR STARTEN N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen. Koude of warme motor Alle modelvarianten LET OP Zet, wanneer de temperatuur lager dan -20 ºC is, het contact minimaal één seconde aan voordat u de motor start. Hierdoor zorgt u ervoor dat de maximale benzinedruk wordt opgebouwd voordat de motor wordt gestart. Uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak N.B.: Druk het gaspedaal niet in. 1. Druk het koppelingspedaal volledig in. 2. Start de motor. Uitvoeringen met automatische transmissie N.B.: Raak het gaspedaal niet aan. 1. Schakel park of neutral in. 2. Druk het rempedaal volledig in. 3. Start de motor. 146

149 De motor starten Alle modelvarianten Wacht even wanneer de motor niet binnen 15 seconden aanslaat en probeer het nogmaals. Wanneer de motor na drie startpogingen nog niet is aangeslagen, wacht dan tien seconden en ga te werk zoals is beschreven onder Verzopen motor. Wanneer het starten problemen oplevert bij temperaturen onder -25 ºC, druk dan het gaspedaal ¼ tot ½ van de gaspedaalweg in en probeer het opnieuw. Verzopen motor Uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak 1. Druk het koppelingspedaal volledig in. 2. Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt. 3. Start de motor. Uitvoeringen met automatische transmissie 1. Schakel park of neutral in. 2. Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt. 3. Druk het rempedaal volledig in. 4. Start de motor. Alle modelvarianten Slaat de motor niet aan, herhaal dan de startprocedure zoals beschreven onder Koude of warme motor. Stationair toerental na het starten Het stationaire toerental waarmee de motor direct na het aanslaan draait is afhankelijk van de motortemperatuur. Wanneer de motor koud is, wordt het stationaire toerental automatisch verhoogd om de katalysator zo snel mogelijk op temperatuur te brengen. Hierdoor wordt de uitlaatgasemissie van de auto tot een absoluut minimum beperkt. Het stationaire toerental neem langzaam af tot normaal zodra de katalysator opwarmt. EEN DIESELMOTOR STARTEN Koude of warme motor Alle modelvarianten N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan -15 ºC, mag u de startmotor 25 seconden achtereen inschakelen. Wanneer de auto frequent wordt gebruikt bij dergelijk lage temperaturen raden wij aan een verwarmingselement in het motorblok te laten monteren. N.B.: Schakel de startmotor in tot de motor aanslaat. 147

150 De motor starten N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen. uitgaat. Zet het contact aan en wacht tot de controlelamp van het voorgloeisysteem Uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak N.B.: Raak het gaspedaal niet aan. 1. Druk het koppelingspedaal volledig in. 2. Start de motor. Uitvoeringen met automatische transmissie 1. Selecteer park of neutral. 2. Druk het rempedaal volledig in. 3. Start de motor. DIESELROETFILTER (DPF) Het DPF is een onderdeel van het uitlaatgasemissiesysteem van uw auto. Het zuivert de uitlaatgassen van schadelijke roetdeeltjes bij wagens met dieselmotor. Regeneratie WAARSCHUWING Parkeer uw auto niet boven droge bladeren of droog gras. Het regeneratieproces werkt met bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en na het afzetten van de motor blijft de uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen. Dit is een potentieel gevaar van brand. In tegenstelling tot een normaal filter, dat periodiek moet worden vervangen, is het DPF ontwikkeld om te regenereren, of zichzelf te reinigen om efficiënt zijn werk te doen. Het regeneratieproces vindt automatisch plaats. Onder sommige rijomstandigheden moet u echter het regeneratieproces ondersteunen. Wanneer u vaak korte afstanden aflegt of wanneer u vaak moet starten en stoppen, moet u het regeneratieproces elke kilometer ( mijl) in werking stellen. Rijd hiertoe met 80 km/h (50 mph) gedurende 40 km (25 mijl) in de laagst mogelijke versnelling wanneer dit veilig kan. U kunt als alternatief normaal rijden, maar in een lagere versnelling. 148

151 De motor starten MOTOR UITSCHAKELEN Auto's met turbocompressor LET OP Zet de motor niet af wanneer deze met een hoog toerental draait. Als de motor bij een hoog toerental wordt afgezet, zal de turbocompressor nog draaien nadat de oliedruk al tot nul is gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van de compressorlagers tot gevolg. Laat het gaspedaal los. Wacht tot de motor stationair draait en zet de motor af. 149

152 Brandstof en tanken VEILIGHEIDS- MAATREGELEN WAARSCHUWINGEN Stop altijd met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers. Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding. BRANDSTOFKWALITEIT - BENZINE N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen. LET OP Gebruik geen gelode benzine of benzine met additieven die andere metallische bestanddelen (bijv. op mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen het emissiesysteem beschadigen. Gebruik ongelode benzine met een minimum octaangetal van 95 die voldoet aan de specificatie EN 228, of een equivalent. BRANDSTOFKWALITEIT - DIESEL N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen. WAARSCHUWING Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie veroorzaken. LET OP Voeg geen kerosine, paraffine of petroleum aan de dieselolie toe. Deze kunnen het brandstofsysteem beschadigen. N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van additieven af die vlokvorming moeten voorkomen. Gebruik dieselolie die voldoet aan de specificatie EN 590, of een equivalent. U kunt dieselolie gebruiken die maximaal 5% RME (biodiesel) bevat. KATALYSATOR Rijden met een auto met katalysator LET OP Zorg ervoor dat u de tank niet leeg rijdt. Schakel de startmotor niet langdurig achtereen in. 150

153 Brandstof en tanken LET OP Laat de motor niet met een losgekoppelde bougiekabel draaien. Sleep of duw de auto niet aan. Gebruik hulpstartkabels. Zie Gebruik van startkabels (bladzijde 231). Zet het contact tijdens het rijden niet af. LET OP Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw wagen te wassen, spuit dan kort op de sensoren vanaf een afstand van niet minder dan 20 centimeter (8 inches). Parkeren WAARSCHUWING Parkeer uw auto niet boven droge bladeren of gras. Na het afzetten van de motor straalt het uitlaatsysteem nog gedurende enige tijd veel warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand. TANKKLEP WAARSCHUWINGEN Voorkom dat tijdens het tanken brandstof wordt gemorst, die zich in het vulpistool bevindt. Wij raden aan minimaal 10 seconden te wachten alvorens het vulpistool uit de vulbuis te halen, zodat alle achtergebleven brandstof in de brandstoftank kan stromen. E86613 Druk op de klep om deze te openen. Open de klep volledig tot hij vergrendelt. Wanneer u het vulpistool in de vulbuis steekt, opent een veerbelaste klep wanneer de correcte vulpistooldiameter wordt geregistreerd. Hierdoor wordt voorkomen dat onjuiste brandstof wordt getankt. 151

154 Brandstof en tanken Auto's met dieselmotor Uitvoeringen met een bandenreparatieset TANKEN LET OP Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor kan de motor worden beschadigd. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. E86734 Uitvoeringen zonder bandenreparatieset E86645 In de reservewielkuip bevindt zich een trechter. Gebruik deze wanneer u brandstof uit een jerrycan tankt. BRANDSTOFVERBRUIK De CO2 waarden en de brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van laboratoriumtests volgens EEC richtlijn 80/1268/EEC en aanvullingen daarop. Deze richtlijnen worden door alle automobielfabrikanten aangehouden. Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen. Het werkelijke brandstofverbruik wordt door vele factoren bepaald, waaronder de rijstijl, rijden met hoge snelheden, starten/stoppen, gebruik van de airconditioning, de gemonteerde accessoires, rijden met een aanhanger, enz. Uw Ford dealer dient u gaarne van advies hoe u het brandstofverbruik kunt verlagen. TECHNISCHE SPECIFICATIE 152

155 Brandstof en tanken 4- en 5-deurs Brandstofverbruikscijfers Variant Gecombineerd Stadsverkeer l/100 km (mpg) Buitenweg l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) CO2- emissie g/km 1,6 l Duratec-Ti-VCT (110 pk) 10,0 (28,2) 5,6 (50,4) 7,2 (39,2) 172 1,6 l Duratec-Ti-VCT (125 pk) 10,3 (27,4) 5,7 (49,6) 7,4 (38,2) 177 2,0 l Duratec-HE 11,2 (25,2 6,0 (47,1) 7,9 (35,8) 189 2,3 l Duratec-HE ,5 l Duratec-ST 13,6 (20,8) 6,8 (41,5) 9,3 (30,4) 222 1,8 l Duratorq-TDCi (100 pk) 7,4 (38,2) 4,7 (60,1) 5,7 (49,6) 151 1,8 l Duratorq-TDCi (124 pk) 7,5 (37,7) 4,8 (58,9) 5,8 (48,7) 154 2,0 l Duratorq-TDCi, handgeschakelde 6- versnellingsbak 7,6 (37,2) 4,9 (57,6) 5,9 (47,9) 156 2,0 l Duratorq-TDCi, 6- traps automatische transmissie ,2 l Duratorq-TDCi, handgeschakelde 6- versnellingsbak ,2 l Duratorq-TDCi, 6- traps automatische transmissie

156 Brandstof en tanken Wagon Brandstofverbruikscijfers Variant Gecombineerd Stadsverkeer l/100 km (mpg) Buitenweg l/100 km (mpg) l/100 km (mpg) CO2- emissie g/km 1,6 l Duratec-Ti-VCT (110 pk) 10,0 (28,2) 5,6 (50,4) 7,2 (39,2) 172 1,6 l Duratec-Ti-VCT (125 pk) 10,3 (27,4) 5,7 (49,6) 7,4 (38,2) 177 2,0 l Duratec-HE 11,2 (25,2 6,0 (47,1) 7,9 (35,8) 189 2,3 l Duratec-HE ,5 l Duratec-ST 13,6 (20,8) 6,8 (41,5) 9,3 (30,4) 222 1,8 l Duratorq-TDCi (100 pk) 7,5 (37,7) 4,8 (58,9) 5,8 (48,7) 154 1,8 l Duratorq-TDCi (124 pk) 7,6 (37,2) 4,9 (57,6) 5,9 (47,9) 156 2,0 l Duratorq-TDCi, handgeschakelde 6- versnellingsbak 7,6 (37,2) 4,9 (57,6) 5,9 (47,9) 156 2,0 l Duratorq-TDCi, 6- traps automatische transmissie ,2 l Duratorq-TDCi, handgeschakelde 6- versnellingsbak ,2 l Duratorq-TDCi, 6- traps automatische transmissie

157 Versnellingsbak/transmissie HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Alle uitvoeringen LET OP Schakel de achteruit niet in zolang de wagen nog in beweging is. Dit kan inwendige schade aan de versnellingsbak veroorzaken. Oefen een onnodige zijdelingse kracht uit op de schakelhendel wanneer u van de 5e naar de 4e versnelling schakelt. Hierdoor kan per ongeluk de 2e versnelling worden ingeschakeld, waardoor de versnellingsbak kan worden beschadigd. N.B.: Druk het koppelingspedaal volledig en en wacht drie seconden voordat u de eerste versnelling inschakelt. Wagens met een 5 traps transmissie Achteruit inschakelen E75050 Wagens met een 6 traps transmissie (2,5 l Duratec- ST motor) Achteruit inschakelen 1 2 E

158 Versnellingsbak/transmissie Wagens met een 6 traps transmissie (turbodieselmotoren) Achteruit inschakelen AUTOMATISCHE TRANSMISSIE Keuzehendelstanden 2 1 S E75052 E80836 P R N D S Parkeren Achteruit Neutraal Rijden Handmatig schakelen en sportmodus WAARSCHUWING Druk het rempedaal in voordat u de keuzehendel verplaatst en houd het pedaal ingedrukt totdat u gereed bent om weg te rijden. N.B.: Het stationaire toerental is bij een koude motor hoger. Wanneer een rijstand is ingeschakeld is hierdoor de neiging van uw wagen te gaan kruipen groter. 156

159 Versnellingsbak/transmissie Druk de knop op de keuzehendel in om de achteruit of de parkeerstand in te schakelen. De stand van de keuzehendel wordt op het informatiedisplay weergegeven. Parkeren WAARSCHUWINGEN Schakel de parkeerstand alleen in wanneer de wagen stilstaat. Trek de handrem aan en schakel de parkeerstand in voordat u de wagen verlaat. Controleer of de keuzehendel is vergrendeld. N.B.: Wanneer het bestuurdersportier worden geopend en u de parkeerstand niet hebt ingeschakeld, klinkt een akoestisch signaal. In deze stand wordt geen aandrijfkracht op de wielen overgebracht en de transmissie is geblokkeerd. Wanneer de keuzehendel in deze stand staat, kunt u de motor starten. Achteruit WAARSCHUWING Schakel de achteruit alleen in wanneer de wagen stilstaat en de motor stationair draait. Neutraal In deze stand wordt geen aandrijfkracht op de wielen overgebracht maar de transmissie is niet geblokkeerd. Wanneer de keuzehendel in deze stand staat, kunt u de motor starten. Rijden Schakel de rijstand (D) in om automatisch gebruik te maken van alle voorwaartse versnellingen. Handmatig schakelen en sportmodus 2 S E S N.B.: Het schakelen vindt alleen plaats bij bepaalde rijsnelheden en motortoerentallen. N.B.: U kunt alleen bij stilstaande wagen de eerste en tweede versnelling inschakelen. 157

160 Versnellingsbak/transmissie Selecteer handmatig schakelen om handmatig gebruik te maken van de voorwaartse versnellingen. Druk de keuzehendel naar voren om terug te schakelen en trek hem naar achteren om op te schakelen. Activeer de sportmodus door de keuzehendel in de stand S te plaatsen. De sportmodus blijft actief tot u handmatig op- of terugschakelt. Rijmodi De transmissie kiest de meest geschikte versnelling voor optimale prestaties gebaseerd op de omgevingstemperatuur, het hellingspercentage van de weg, de belading van de wagen en de informatie van de bestuurder. Kickdown Druk het gaspedaal volledig in terwijl de keuzehendel in de rijstand staat om voor optimale prestaties de op één na hoogste versnelling in te schakelen. Laat het gaspedaal opkomen wanneer kickdown niet langer nodig is. Noodvoorziening voor het ontgrendelen van de keuzehendel Gebruik bij een elektrische storing of bij een lege accu de hendel om de keuzehendel uit de parkeerstand te verplaatsen. Aanwijzingen voor het rijden met een automatische transmissie Wegrijden 1. Zet de handrem los. 2. Laat het rempedaal opkomen en druk het gaspedaal in. Stoppen 1. Laat het gaspedaal opkomen en druk het rempedaal in. 2. Schakel de parkeerrem in. E Verwijder het zijpaneel van de middenconsole. 158

161 Versnellingsbak/transmissie E87935 N.B.: De hendel is geel van kleur. 1. Steek een dun schroevendraaiertje in de opening en draai het schroevendraaiertje 90 graden rechtsom. 159

162 Remmen WERKING Gescheiden remsysteem E71353 WAARSCHUWING Wanneer een remcircuit uitvalt, voelt het rempedaal zachter aan. Druk het rempedaal krachtig in en houd rekening met een langere remweg. Stop en laat dit onmiddellijk controleren. Hervat uw reis niet. Uw auto is uitgerust met een diagonaal gescheiden remsysteem. Wanneer een remcircuit uitvalt, blijft het andere operationeel. Schijfremmen Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen. ABS WAARSCHUWING ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen, waardoor de auto in noodsituaties volledig bestuurbaar en stabiel blijft. Het ABS controleert de omtreksnelheid van alle wielen en regelt de remdruk naar elk wiel afzonderlijk. Tijdens krachtig remmen optimaliseert het ABS de adhesie tussen band en wegdek. TIPS VOOR RIJDEN MET ABS E71354 E

163 Remmen Wanneer het ABS in werking is, pulseert het rempedaal. Dit is normaal. Blijf het rempedaal indrukken. Het ABS voorkomt geen gevaren die ontstaan wanneer: u te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt. de auto te maken krijgt met aquaplaning. u bochten te snel neemt. het wegdek slecht is. PARKEERREM Handrem aantrekken Op een helling parkeren Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingopwaarts, schakel dan de eerste versnelling in en draai dan de voorwielen van de trottoirband af. Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingafwaarts, schakel dan de achteruit in en draai dan de voorwielen naar de trottoirband toe. Handrem vrijzetten 1. Druk het rempedaal stevig in. 2. Trek de handremhefboom lichtjes aan, druk de knop in en druk de hefboom naar beneden. E66567 WAARSCHUWING Controleer of de handrem is aangetrokken voordat u de hefboom vrijzet. N.B.: Druk de knop niet in wanneer u de handrem aantrekt. 1. Druk het rempedaal stevig in. 2. Trek de handremhefboom zo ver mogelijk naar boven. 161

164 Stabiliteitsregeling WERKING Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) WAARSCHUWING ESP houdt niet in dat u niet langer voorzichtig en aandachtig hoeft te rijden. Het systeem zorgt ook voor een betere tractieregeling door het motorkoppel te verlagen wanneer de wielen bij het accelereren beginnen door te spinnen. Het verbetert de mogelijkheden om op gladde of losse oppervlakken te kunnen optrekken en het verbetert het comfort door wielspin in haarspeldbochten te beperken. B B Controlelamp Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) De controlelamp ESP knippert wanneer het systeem wordt geactiveerd. Zie Waarschuwingsen indicatielampen (bladzijde 83). Noodremassistent E72903 B A B A B zonder ESP met ESP Het ESP ondersteunt de stabiliteit van de auto wanneer deze dreigt uit te breken. Dit wordt bewerkstelligd door de wielen afzonderlijk af te remmen en door het motorkoppel zo nodig te verlagen. A A WAARSCHUWING De noodremassistent is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. De noodremassistent kan een noodstopsituatie herkennen aan de snelheid waarmee u het rempedaal indrukt. Hij zorgt voor een maximale remdruk zolang het rempedaal wordt ingedrukt. De noodremassistent kan de remweg in kritieke situaties reduceren. 162

165 Stabiliteitsregeling GEBRUIK MAKEN VAN STABILITEITSREGELING E71225 Druk op de ESP schakelaar en houd deze een seconde ingedrukt. De ESP controlelamp gaat branden en gaat OFF in de schakelaar wordt verlicht. Ook verschijnt er een bericht op het display in de instrumentengroep. Zie Infoberichten (bladzijde 101). Druk opnieuw op de schakelaar om het ESP in te schakelen. Telkens wanneer u het contact aan zet wordt het systeem automatisch ingeschakeld. 163

166 Hill launch assist (HLA) WERKING De Hill Launch Assist (HLA) maakt het eenvoudiger op te trekken wanneer de wagen op een helling staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik te maken van de parkeerrem. Wanneer de HLA actief is, blijft de wagen nadat u het rempedaal hebt losgelaten twee tot drie seconden op de helling stilstaan. Gedurende deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het rempedaal te halen, het gaspedaal in te drukken en op te trekken. De remmen worden automatisch gelost zodra de koppeling in aangrijping is en de motor voldoende vermogen heeft opgebouwd om te voorkomen dat de wagen achteruit van de helling rolt. Dit is een voordeel wanneer u op een helling moet optrekken, bijv. bij een oprit van een parkeerplaats, bij verkeerslichten, of wanneer u achteruit een parkeerplaats oprijdt. WAARSCHUWING De HLA vervangt niet de parkeerrem. Trek altijd de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer u de auto verlaat. GEBRUIK VAN HLA De HLA kan zowel in de automatische of handmatige modus worden gebruikt. Wanneer u de automatische modus selecteert, wordt de HLA automatisch geactiveerd wanneer de wagen op een helling staat en u het rempedaal indrukt. Wanneer u de handmatige modus selecteert, moet u de HLA met behulp van het rempedaal activeren. Modus van de HLA instellen: E70499 Uit Hellingstart Automatisch Handmatig E

167 Hill launch assist (HLA) 1. Druk op de rechter pijltjestoets op het stuurwiel om het hoofdmenu binnen te gaan. 2. Selecteer Setup met de op en neer pijltjestoetsen en druk op de rechter pijltjestoets. 3. Selecteer Hill Launch en druk op de rechter pijltjestoets. 4. Selecteer de gewenste instelling en druk op de OK toets om de instelling te bevestigen. Wanneer Off is geselecteerd, is de HLA uitgeschakeld en kan deze niet automatisch of handmatig worden geactiveerd. 5. Druk op de linker pijltjestoets om het menu te verlaten. Houd de linker pijltjestoets ingedrukt om direct terug te keren naar het scherm van de boordcomputer. N.B.: Wanneer de HLA in de handmatige modus staat, gebruik dan de HLA alleen bij het optrekken op hellingen van meer dan 3%. Wanneer de wagen op een vlakke ondergrond of een neerwaartse helling staat, maat een actieve HLA het moeilijk om soepel op te trekken. De HLA activeren WAARSCHUWINGEN Wanneer u de HLA eenmaal hebt geactiveerd moet u in de wagen blijven. Wanneer u de wagen verlaat, schakelt de HLA automatisch uit. WAARSCHUWINGEN De HLA is alleen actief wanneer het bericht Hill Launch Assist active op het informatiescherm wordt weergegeven. U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de wagen en het zo nodig in en uitschakelen van de HLA. U kunt de HLA alleen inschakelen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: De motor draait. De HLA is ingeschakeld (in de automatische of handmatige modus). De parkeerrem is volledig losgezet. Bij wagens met een handgeschakelde versnellingsbak, het koppelingspedaal is ingedrukt. Bij wagens met automatische transmissie, het bestuurdersportier is gesloten. Er geen sprake is van storingen. HLA in de automatische modus activeren: 1. Druk het rempedaal in om de wagen volledig tot stilstand te brengen. Houd het rempedaal ingedrukt. 165

168 Hill launch assist (HLA) 2. Wanneer de sensoren detecteren dat de wagen op een helling staat en de juiste versnelling is geselecteerd (eerste versnelling wanneer de wagen op een opwaartse helling staat, achteruit wanneer de wagen met de voorzijde naar beneden staat), wordt de HLA automatisch geactiveerd. Hill Launch Assist active verschijnt op het display. 3. Wanneer u uw voet van het rempedaal neemt, blijft de wagen gedurende ongeveer twee tot drie seconden op de helling staan zonder achteruit te rollen. 4. Trek met behulp van het gaspedaal en het koppelingspedaal op. De remmen worden automatisch gelost. HLA in de handmatige modus activeren: 1. Druk het rempedaal in om de wagen volledig tot stilstand te brengen. Houd het rempedaal ingedrukt. 2. Druk snel het rempedaal verder in tot Hill Launch Assist active op het display verschijnt. De HLA is u actief. 3. Wanneer u uw voet van het rempedaal neemt, blijft de wagen gedurende ongeveer twee tot drie seconden op de helling staan zonder achteruit te rollen. 4. Trek met behulp van het gaspedaal en het koppelingspedaal op. De remmen worden automatisch gelost. WAARSCHUWING Wanneer de HLA actief is en het systeem een storing waarneemt, wordt de HLA gedeactiveerd en verschijnt het bericht Please use park brake! gevolgd door Hill Launch A.not available op het display. U kunt veilig met de wagen rijden en de storing kan bij de volgende onderhoudsbeurt worden verholpen. Het bericht Hill Launch A. not available verschijnt ook op het display bij handmatige bediening tijdens een storing of wanneer niet aan een van de activeringsvoorwaarden wordt voldaan. Wanneer u de HLA hebt uitgeschakeld, verschijnen er geen berichten op het display. De HLA uitschakelen Voer een van de volgende handelingen uit om de HLA te deactiveren: Schakel de parkeerrem in. Wacht twee tot drie seconden tot de HLA automatisch deactiveert. Wanneer een vooruit versnelling was ingeschakeld toen de HLA actief werd, schakel dan de achteruit in. Wanneer de achteruit was ingeschakeld toen de HLA actief werd, schakel dan een vooruit versnelling in. Hill Launch Assist off verschijnt op het display in de instrumentengroep. 166

169 Actieve schokdemperregeling WERKING Het actieve schokdempsysteem zorgt voor een betere wendbaarheid, verhoogd comfort en een hogere stabiliteit door continu de karakteristiek van de schokdempers aan te passen aan het wegdek en de rijomstandigheden. Dit systeem in combinatie met ABS heeft het voordeel dat de remweg op slechte wegen korter wordt. Al naar gelang uw wensen en rijstijl kunt u kiezen uit de volgende drie standen: Comfort In deze stand zijn de schokdempers ten aanzien van de weg en rijomstandigheden soepele ingesteld, maar bieden zij nog steeds maximale stabiliteit onder kritieke omstandigheden. De bewegingen van de carrosserie worden soepel door de dempers onderdrukt, waardoor het rijden comfortabel wordt. Normaal Deze stand is voor optimale prestaties tijdens normaal, maar sportief rijden. De carrosseriebewegingen zijn nog comfortabel, maar in vergelijking tot de comfort-stand reageert de wagen stugger op wegoneffenheden en rijomstandigheden. Het dynamische gedrag van de wagen in deze stand komt overeen met het kenmerkende gedrag van Ford personenwagens. Sport In deze stand zijn de schokdempers meer sportief ingesteld en worden de carrosseriebewegingen maximaal gedempt. De carrosserie volgt de wegoneffenheden om rolneigingen tijdens het snel nemen van bochten te onderdrukken en u krijgt het typische gevoel van een sportwagen. GEBRUIK VAN DE ACTIEVE SCHOKDEMPERREGELING Een instelling selecteren N.B.: Nadat u een instelling hebt geselecteerd, kunt u niet onmiddellijk een verschil in het gedrag van de wagen merken. Het effect van de continu geregelde demping is afhankelijk van het wegoppervlak en de rijomstandigheden. E

170 Actieve schokdemperregeling Selecteer de instelling met behulp van de schakelaars op de middenconsole. De indicator in de schakelaar geeft de actuele instelling weer. Een tekstbericht dat de gekozen instelling weergeeft verschijnt enkele seconden op het display in de instrumentengroep. De instelling kan tijdens het rijden worden veranderd. Storing in het systeem Het actieve schokdempersysteem schakelt bij storingen automatisch uit. Een controlelamp gaat branden en er verschijnt een waarschuwingsbericht in het berichtencentrum. Zie Infoberichten (bladzijde 101). Het schokdempersysteem wordt in de fail-safe modus geschakeld waardoor u uw reis kunt voortzetten; de instelling van het schokdempersysteem kan niet meer worden veranderd. Laat dit zo spoedig mogelijk controleren. 168

171 Parkeerhulp WERKING WAARSCHUWING Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden. LET OP Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het mogelijk dat de sensoren bepaalde voorwerpen niet 'zien'. De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak de ultrasone geluidsgolven absorberen niet 'zien'. De sensoren kunnen voorwerpen die zich dicht bij de auto bevinden (ca. 30 centimeter aan de achterzijde en boven of onder de sensoren) niet 'zien'. Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de sensoren vanaf een afstand van niet minder dan 20 centimeter (8 inch). N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal registreert dat op dezelfde frequentie wordt uitgezonden als de sensoren gebruiken, of wanneer de auto maximaal is beladen, kan een vals signaal worden gegeven. N.B.: De buitenste sensoren kunnen de zijmuren van een garage detecteren. Wanneer de afstand tussen de buitenste sensor en de muur gedurende drie seconden constant blijft, wordt het akoestisch signaal uitgeschakeld. Wanneer u doorrijdt, kunnen de binnenste sensoren objecten achter de auto detecteren. GEBRUIK MAKEN VAN DE PARKEERHULP N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de sensoren niet met scherpe voorwerpen. Parkeerhulp in- en uitschakelen N.B.: De parkeerhulp schakelt automatisch uit wanneer u de motor start of wanneer de rijsnelheid hoger is dan 16 km/h (10 mph). N.B.: Bij uitvoeringen met een trekhaakmodule die niet door ons is goedgekeurd, kunnen obstakels niet correct worden gedetecteerd. N.B.: Bij wagens met een afneembare trekhaakkoppeling worden de sensoren automatisch uitgeschakeld wanneer een van de aanhangerlampen (of verlichting) wordt aangesloten op de 13 pins stekkerdoos via een door ons goedgekeurde trekhaakmodule. Bij wagens zonder een door Ford goedgekeurde trekhaakmodule, moet u de parkeerhulp met behulp van de schakelaar uitschakelen. 169

172 Parkeerhulp N.B.: De sensoren aan de voor- en achterzijde worden altijd samen inof uitgeschakeld. N.B.: Bij uitvoeringen met een automatische transmissie werkt de parkeerhulp niet in stand P. De parkeerhulp is standaard uitgeschakeld. Druk de schakelaar op het instrumentenpaneel in of schakel de achteruit in om de parkeerhulp in te schakelen. Wanneer de parkeerhulp is ingeschakeld, brandt het lampje in de schakelaar. Druk nogmaals op de schakelaar om de functie uit te schakelen. Manoeuvreren met de parkeerhulp E72902 LET OP De parkeerhulp detecteert geen obstakels die van de wagen af bewegen. Zij worden alleen kort nadat zij opnieuw naar de wagen toe bewegen gedetecteerd. LET OP Wees bijzonder voorzichtig wanneer u met een gemonteerde trekhaakkogel of accessoires zoals een fietsdrager achteruitrijdt, omdat de parkeersensor alleen de afstand vanaf de bumper tot het obstakel meet. N.B.: Wanneer een hoge, harde waarschuwingstoon drie seconden lang klinkt en het lampje in de schakelaar knippert, duidt dit op een storing. Het systeem wordt uitgeschakeld. Laat het systeem door een deskundige controleren. U hoort een onderbroken signaal wanneer de afstand tussen de achterbumper en een obstakel 180 cm bedraagt, 80 cm tussen een obstakel en de voorbumper of 60 cm aan de zijkanten. Wanneer de afstand kleiner wordt, volgen de signalen elkaar sneller op. Bij een afstand van minder dan 30 cm klinkt een ononderbroken signaal. U hoort een wisselend signaal wanneer de obstakels aan de vooren achterzijde minder dan 30 centimeter van de voor- of achterbumper zijn verwijderd. 170

173 Snelheidsregeling (cruise control) WERKING Snelheid instellen Met cruise control (automatische snelheidsregeling) kunt u met behulp van de schakelaars op het stuurwiel de rijsnelheid instellen. Cruise control werkt vanaf snelheden van 30 km/h. GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING (CRUISE CONTROL) Cruise control inschakelen E70612 WAARSCHUWING Schakel onder drukke verkeersomstandigheden, op trajecten met veel bochten en op gladde wegen cruise control niet in. Druk op de ON schakelaar. Het systeem is gereed op de snelheid in te stellen. E70615 Druk op de SET+ of de SETschakelaar om de snelheid in het geheugen op te slaan en met de actuele snelheid te blijven rijden. De controlelamp van het cruise control gaat branden. Ingestelde snelheid veranderen WAARSCHUWING Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de snelheid hoger worden dan de ingestelde snelheid. Het systeem stelt niet de remmen in werking. Schakel terug en druk op de RES schakelaar om het systeem te helpen de ingestelde snelheid te handhaven. N.B.: Wanneer u het gaspedaal indrukt, verandert de ingestelde snelheid niet. Wanneer u het gaspedaal loslaat, gaat de wagen weer met de eerder ingestelde snelheid rijden. 171

174 Snelheidsregeling (cruise control) Druk, om de snelheid te verhogen of te verlagen, op de SET+ of de SETschakelaar. Cruise control uitschakelen Druk op de RES schakelaar. De controlelamp van het cruise control gaat branden en het systeem zal proberen de wagen met de eerder door u ingestelde snelheid te laten rijden. Cruise control uitschakelen E70614 Druk het rempedaal of de CAN schakelaar in. Het systeem regelt niet langer de rijsnelheid. De controlelamp van het cruise control gaat uit maar de laatst ingestelde rijsnelheid blijft in het geheugen opgeslagen. Cruise control opnieuw inschakelen E70613 Druk op de OFF schakelaar. De eerder door u ingestelde snelheid blijft niet in het geheugen opgeslagen. De controlelamp van het cruise control gaat uit. E

175 Adaptieve snelheidsregeling (ACC) WERKING Adaptive cruise control is ontwikkeld om u te helpen de afstand tot de auto voor u gelijk te houden of een rijsnelheid in te stellen wanneer er zich geen langzamer rijdend verkeer voor u bevindt. Het systeem is bedoeld om het rijden te veraangenamen wanneer u andere auto's volgt die op dezelfde rijstrook in dezelfde richting rijden. WAARSCHUWINGEN Adaptive cruise control is geen systeem dat waarschuwt voor aanrijdingen en deze voorkomt. De afzonderlijke forward alert functie waarschuwt voor aanrijdingen en verlaagt de rijsnelheid. Zie Functie voorgangerwaarschuwing (forward alert) (bladzijde 178). U moet zelf ingrijpen wanneer het systeem geen verkeer voor u waarneemt. Adaptive cruise control kan niet met alle verkeerssituaties, weers- en wegomstandigheden rekening houden. Tijdens het rijden bent u verantwoordelijk voor het handhaven van de juiste afstand en snelheid, ook wanneer adaptive cruise control is ingeschakeld. U moet altijd oplettend in het verkeer blijven en ingrijpen wanneer adaptive cruise control niet de juiste snelheid of afstand aanhoudt. Adaptive cruise control remt niet af voor langzaam rijdende of stilstaande auto's. WAARSCHUWINGEN Wanneer ACC is ingeschakeld, kunt u ongebruikelijke geluiden horen wanneer automatisch wordt afgeremd. Dit is normaal en het wordt veroorzaakt door het automatische remsysteem. Het adaptive cruise control systeem is gebaseerd op het gebruik van een radarsensor, die een stralenbundel direct vóór de auto projecteert. Binnen het bereik van het systeem zien deze stralenbundel alle auto's vóór u. De radarsensor is achter de grille gemonteerd, direct rechts naast het Ford ovaal (gezien vanaf de voorzijde van de auto). Wanneer ACC is ingeschakeld, volg dan de volgende richtlijnen strikt op: Gebruik adaptive cruise control alleen wanneer de verkeerssituatie dit toelaat, bijvoorbeeld op snelwegen en hoofdwegen waarop het verkeer blijft doorstromen. Gebruik ACC niet bij slecht zicht, vooral niet bij mist, zware regenval, opspattend water en sneeuw. Gebruik ACC niet op bevroren of gladde wegen. Het is uw verantwoording alert te blijven, veilig te rijden en te allen tijde de controle over de wagen te behouden. 173

176 Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Houd de voorzijde van de wagen vrij van vuil, metalen badges of voorwerpen, inclusief beschermers tegen steenslag en extra lampen die de werking van de sensor kunnen belemmeren. Gebruik de ACC niet wanneer u een snelweg oprijdt of verlaat. De radarsensor heeft een beperkt gezichtsveld. In sommige situaties kan het een andere wagen dan verwacht registeren of helemaal geen. Onverwachte reacties E71621 Onverwachte reacties kunnen optreden: wanneer u op een andere rijbaan rijdt dan uw voorganger (A). bij voertuigen die zich op uw rijbaan voegen en alleen kunnen worden 'gezien' wanneer ze zich volledig op de rijbaan bevinden (B). Motorfietsen kunnen soms laat of in het geheel niet worden 'gezien'. Er kunnen zich onverwachte reacties voordoen bij het 'zien' van wagens vóór u wanneer u een bocht in- of uitrijdt (C). De stralenbundel volgt geen scherpe bochten van de weg. WAARSCHUWING In dergelijke gevallen remt de ACC laat of onverwacht. De bestuurder moet alert blijven en zo nodig ingrijpen. Automatisch remmen met ACC Adaptive cruise control remt automatisch voor u, om de ingestelde afstand tussen uw auto en uw voorligger te handhaven. Het remvermogen is beperkt tot ongeveer 30% van de totale remcapaciteit zodat de wagen soepel en comfortabel blijft rijden. Wanneer sterker dan dit moet worden afgeremd, en u grijpt zelf niet in, klinkt er een alarmsignaal en verschijnt er een waarschuwingssymbool in de instrumentengroep. 174

177 Adaptieve snelheidsregeling (ACC) WAARSCHUWING U dient dan onmiddellijk te reageren, omdat de ACC onvoldoende remt om een veilige afstand tot uw voorligger aan te houden. E A B GEBRUIK MAKEN VAN ACC E82310 D C Het systeem wordt bediend met de toetsen op het stuurwiel. ACC wordt uitgeschakeld wanneer het rempedaal of het koppelingspedaal wordt ingedrukt, de schakelhendel in neutraal wordt gezet of het gaspedaal gedurende langere tijd wordt ingedrukt. ACC keert dan terug in de stand-by modus, wanneer u weer volledig handmatig de wagen kunt bedienen. N.B.: Wanneer het gaspedaal kortstondig wordt ingedrukt, bijvoorbeeld om in te halen, wordt de ACC tijdelijk uitgeschakeld en weer ingeschakeld wanneer het gaspedaal wordt losgelaten. ACC override verschijnt op het display. A B C D E ACC aan/uit ACC annuleren Forward alert aan/uit ACC afstand vergroten ACC afstand verkleinen ACC inschakelen Druk op de ACC ON/OFF (A) toets. Het systeem wordt in de stand-by modus geschakeld. Stand-by wordt bevestigd op het informatiedisplay. Snelheid instellen E70615 Om de ACC in te schakelen moet u eerst de stand-by modus selecteren. 175

178 Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Druk op de SET+ schakelaar of de SET- schakelaar om de gewenste snelheid in te stellen. De snelheid wordt op het display weergegeven en in het geheugen opgeslagen als de ingestelde snelheid. De ACC indicator in de instrumentengroep gaat branden. N.B.: De rijsnelheid kan in stappen van 5 km/h of 5 mph worden verhoogd of verlaagd. Kleinere stappen van 1 km/h of 1 mph kunnen worden ingesteld door de RES schakelaar in te drukken. Ingestelde snelheid veranderen Druk, om de snelheid te verhogen of te verlagen, op de SET+ of de SETschakelaar. N.B.: Wanneer de ACC niet op deze wijzigingen reageert, kan de reden zijn dat de ingestelde afstand tot uw voorligger voorkomt dat de rijsnelheid kan toenemen. Afstand tot uw voorligger instellen E82311 De afstand tussen u en uw voorligger wordt door een variabele instelling gehandhaafd. Deze staat uit vijf stappen, die met horizontale balken op het informatiedisplay worden weergegeven. Een balk komt overeen met de kleinste afstand en vijf balken met de grootste. Deze balken zijn leeg tijdens de stand-by modus en gekleurd tijdens de ingeschakelde modus. Wanneer geen voorligger wordt geregistreerd, wordt alleen uw wagen op het display onder de balken weergegeven. Dit is een vrije modus; het systeem handhaaft de ingestelde snelheid zolang de omstandigheden dit toelaten. De ingestelde afstand wordt gehandhaafd en weergegeven. Wanneer een voertuig door de sensor wordt geregistreerd. geeft het display een ander voertuig boven de horizontale balken weer: 176

179 Adaptieve snelheidsregeling (ACC) E82312 dit is de volgmodus en het systeem versnelt of vertraagt zo nodig om de ingestelde afstand tot de voorligger te handhaven. Druk op schakelaar E om de afstand te laten afnemen of op schakelaar D om de afstand te laten toenemen. De ingestelde afstand wordt door het aantal balken op het display weergegeven. De aanbevolen afstand is drie tot vijf balken. N.B.: De ingestelde afstand is tijdafhankelijk en daarom zal de afstand automatisch de rijsnelheid aanpassen. Wanneer bijvoorbeeld de afstand wordt ingesteld op drie balken, bedraagt de tijdsafstand 1,8 seconden. Dit houdt in dat bij een snelheid van 100 km/h (62 mph) de afstand tot uw voorligger wordt gehandhaafd op 50 meter (164 feet). LET OP Pas een afstand toe die in overeenstemming is met de plaatselijke regelgeving. ACC uitschakelen Druk hetzij het rempedaal of het koppelingspedaal in of druk op de CAN (B) schakelaar. Het systeem keert dan in de stand-by modus en de ingestelde snelheid en afstand worden in het geheugen opgeslagen. De ACC indicator in de instrumentengroep gaat uit. ACC opnieuw inschakelen Druk op de RES schakelaar. De ACC indicator gaat branden en het systeem handhaaft de eerder ingesteld snelheid en afstand wanneer de omstandigheden dit toelaten. ACC uitschakelen Druk op de ACC ON/OFF (A) schakelaar. N.B.: Met de ACC off schakelaar keert het systeem niet terug in de stand-by modus. De opgeslagen snelheid wordt gewist. Om tijdelijk de ACC uit te schakelen moet de ACC cancel (B) schakelaar worden gebruikt. Automatisch uitschakelen ACC is afhankelijk van diverse andere veiligheidssystemen, bijv. ABS en ESP. Wanneer een van deze systemen niet goed werkt of reageert op een noodsituatie wordt de ACC automatisch uitgeschakeld. 177

180 Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Bij een automatische uitschakeling klinkt een signaal en verschijnt het bericht ACC cancel op het display. U moet dan ingrijpen en uw rijsnelheid en de afstand tot uw voorligger aanpassen. Een automatische uitschakeling kan plaatsvinden wanneer: de snelheid afneemt tot onder 30 km/h (20 mph) de wielen de grip op het wegdek verliezen de temperatuur van de remmen hoog is, bijvoorbeeld tijdens het rijden door de bergen of over heuvelachtige wegen het motortoerental te laag is de radarsensor is afgedekt de parkeerrem is ingeschakeld Wanneer het motortoerental te laag wordt, verschijnt een bericht met de mededeling dat u moet terugschakelen (alleen handgeschakelde versnellingsbak). Wanneer u deze aanbeveling niet opvolgt, keert de ACC automatisch in de uitgeschakelde modus. N.B.: ACC werkt niet wanneer de elektronische stabiliteitsregeling (ESP) handmatig is uitgeschakeld. FUNCTIE VOORGANGER- WAARSCHUWING (FORWARD ALERT) Het forward alert systeem helpt u door u te waarschuwen voor een aanrijding en de zwaarte van een ongeval met een voorligger te reduceren. Dit werkt door gebruik te maken van de volgende methodes: u wordt geattendeerd op een potentiële aanrijding, dus kunt u eerder remmen dan normaal. het remsysteem wordt ondersteund waardoor maximaal effectief kan worden geremd. De waarschuwing voor een aanrijding vindt alleen plaats wanneer forward alert is ingeschakeld; de ondersteuning van het remsysteem is altijd ingeschakeld en kan niet worden uitgeschakeld. De waarschuwingen vinden zowel visueel als akoestisch plaats. De ondersteuning van het remsysteem wordt zo nodig automatisch geactiveerd om de snelheid waarmee de aanrijding plaatsvindt te reduceren. De ondersteuning van het remsysteem reduceert alleen de snelheid waarmee de aanrijding plaatsvindt wanneer u onmiddellijk na de waarschuwing remt. 178

181 Adaptieve snelheidsregeling (ACC) WAARSCHUWINGEN Wacht nooit tot een waarschuwing voor een aanrijding. Tijdens het rijden bent u verantwoordelijk voor het handhaven van de juiste afstand en snelheid, ook wanneer forward alert is ingeschakeld. Het systeem reageert alleen op voertuigen die vóór u in dezelfde richting rijden en reageert niet op langzaam rijdende of stilstaande voertuigen. Rijd nooit op een zodanige manier dat de forward alert functie wordt geactiveerd. Het forward alert systeem is uitsluitend bedoeld om in noodsituaties te assisteren. Het systeem waarschuwt u met gonggeluiden en een visuele waarschuwing op het informatiedisplay. Wanneer forward alert is geactiveerd verschijnt een rood knipperende gevarendriehoek op het display. N.B.: U kunt de gong uitschakelen via de instellingen op het informatiedisplay. Het forward alert systeem werkt niet onder alle rij-, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. De radarsensor registreert voertuigen die in dezelfde richting vóór u rijden. Wanneer na de eerste waarschuwing de kans op een aanrijding blijft toenemen, wordt de ondersteuning van het remsysteem ingeschakeld. De ondersteuning van het remsysteem bereidt het remsysteem voor op snel remmen en de remmen komen soepel in aangrijping, hetgeen als een lichte schok kan worden ervaren. Wanneer het rempedaal voldoende snel is ingedrukt treden de remmen met volle kracht in werking, ook al wordt het rempedaal licht ingedrukt. LET OP Waarschuwingen kunnen laat, niet of onnodig in werking worden gesteld wanneer de verkeerssituatie ertoe leidt dat de radarsensor niet accuraat de voorligger kan registreren. Het forward alert systeem maakt gebruik van dezelfde radar sensor als adaptive cruise control en heeft daardoor dezelfde beperkingen. Zie Werking (bladzijde 173). N.B.: Forward alert kan worden gebruikt met of zonder ingeschakeld ACC systeem. 179

182 Adaptieve snelheidsregeling (ACC) Forward alert in- /uitschakelen E A B E82310 D C Druk op de Forward alert aan/uit schakelaar (C). De ACC indicator in de instrumentengroep gaat branden. Gevoeligheid voor de waarschuwingen instellen De gevoeligheid waarmee de forward alert waarschuwing in werking treedt kan met de menu's op het informatiedisplay worden ingesteld. Zie Infodisplays (bladzijde 87). Deze regelt hoe snel de visuele en akoestische waarschuwing wordt geactiveerd. 180

183 Transport ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWINGEN Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN. Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet. Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte of de laadruimte. Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen. Overschrijd niet de maximum voor- en achterasbelasting voor uw auto. BAGAGEVERANKE- RINGSPUNTEN Wagon 4- en 5-deurs E86913 SCHUIFBARE LAADVLOER WAARSCHUWING Schuif de laadvloer niet naar achteren wanneer de wagen met de voorzijde naar boven op een helling van 15 graden of meer staat. LET OP Het maximum toelaatbare gewicht op de schuifbare laadvloer bedraagt 200 kg. Het maximum toelaatbare gewicht op het uiteinde van de schuifbare laadvloer bij volledig uitgetrokken laadvloer (buiten de bagageruimte uitgetrokken) bedraagt 120 kg. E

184 Transport N.B.: U hoeft weinig kracht op de ontgrendelhendel uit te oefenen wanneer u bij het indrukken van de ontgrendelhendel de laadvloer licht naar voren drukt. E74810 Druk de ontgrendelhendel in en trek de laadvloer naar achteren. Deze stopt en wordt in het midden vergrendeld. Opbergvak In de vloer aan de achterzijde van de bagageruimte bevindt zich een opbergvak. Til, om toegang te krijgen tot dit opbergvak, de laadvloer als volgt op: 2 1 E74812 E74811 Druk om de laadvloer geheel uit te trekken, de ontgrendelhendel opnieuw in en schuif de vloer uit tot deze in de eindstand wordt vergrendeld. Druk, om de laadvloer naar voren te schuiven, de ontgrendelhendel in en schuif de vloer naar voren. 182

185 Transport 1. Houd de vloer met een hand vast en maak de steun aan de andere zijde los. 2. Breng de steun weer in de klem aan. 3. Laat de vloer zakken. 4. Druk de ontgrendelhendel in en trek de vloer iets naar achteren tot hij op zijn plaats op de rails valt. E Druk de ontgrendelhendel in en trek de laadvloer iets achteren. 2. Til de achterzijde van de laadvloer 1) omhoog. 3. Druk de vloer naar voren tot deze aan de voorzijde (2) tegen de aanslag komt. 4. Maak de steun los van de klem op de onderzijde van de vloer. 5. Breng het uiteinde aan in de vierkante houder in de rail aan de linkerzijde (3). 6. Til het bagage-afdekpaneel aan de lus omhoog. Laadvloer in de normale stand terugbrengen: OPBERGRUIMTE ONDER VLOER ACHTERIN Uitvoeringen met een uitschuifbare laadvloer Trek de laadvloer omhoog om toegang tot het opbergvak te verkrijgen. Zie Schuifbare laadvloer (bladzijde 181). Uitvoeringen zonder uitschuifbare laadvloer E

186 Transport BAGAGENETTEN Bagagenet Net aanbrengen 2. Bevestig het net aan de bevestigingspunten voor de bagage. Zie Bagageverankeringspunten (bladzijde 181). E Druk de uiteinden van de bovenste stang naar elkaar toe en breng ze aan in de houders tegen het dak. Druk de stang naar voren in het smalle deel van de houders. E Zet de riemen vast. Net verwijderen E87135 E Maak de riemen los. 2. Maak het net los van de bevestigingspunten voor de bagage. 184

187 Transport 3. Verwijder de bovenste stangen. BAGAGEAFDEKKINGEN DAKREKKEN EN BAGAGEDRAGERS Imperiaal WAARSCHUWINGEN Wanneer u een imperiaal gebruikt, kan het brandstofverbruik van uw auto hoger zijn en kan de rijkarakteristiek anders zijn. Wanneer u een imperiaal aanbrengt, lees dan de instructies van de fabrikant en volg deze op. E72969 Trek de bagageafdekhoes uit en zet het in de bevestigingspunten vast. Maak hem uit de bevestigingspunten los en laat hem in de houder oprollen. Zet de haak op de houder vast. E72970 Druk beide uiteinden van de houder naar binnen om de hoes te verwijderen of aan te brengen. LET OP Overschrijd de maximum toelaatbare dakbelasting van 75 kg (inclusief de imperiaal) niet. Controleer of de imperiaal goed vastzit en zet de bevestigingen als volgt vast: voordat u vertrekt na 50 kilometer (30 mijl) te hebben gereden met intervallen van kilometer (600 mijl). HONDENREK LET OP Houd een afstand van minimaal een centimeter aan tussen het hondenrek en de stoelen ervoor. 185

188 Transport Hondenrek aanbrengen Aanbrengen achter de voorstoelen. 2. Bevestig het hondenrek aan de onderste bevestigingspunten. Zet de schroeven niet vast. E Druk de uiteinden van de bovenste stang op het rooster naar elkaar toe en breng ze aan in de houders tegen het dak. Druk de stang naar voren in het smalle deel van de houders. E Zet het rek met behulp van de kartelwielen vast op de onderste stang. Zet de kartelwielen niet vast. 4. Zet de schroeven bij de onderste bevestigingspunten vast. 5. Draai de kartelwielen vast. E

189 Transport Aanbrengen achter de achterbank E86842 E Druk de uiteinden van de bovenste stang op het rooster naar elkaar toe en breng ze aan in de houders tegen het dak. Druk de stang naar voren in het smalle deel van de houders. 3. Draai de kartelwielen vast. Het verwijderen geschiedt in omgekeerde volgorde. E Bevestig het hondenrek aan de onderste bevestigingspunten voor de bagage. Zie Bagageverankeringspunten (bladzijde 181). 187

190 Aanhangers trekken TREKKEN VAN EEN AANHANGER WAARSCHUWING Overschrijd het maximum toelaatbare totaalgewicht en het aanhangergewicht dat op het identificatieplaatje van de wagen staat niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 251). Plaats da lading zo laag mogelijk en midden op de as(sen) van de aanhanger. Wanneer u met een onbeladen wagen rijdt, moet de lading in de aanhanger zover mogelijk naar de aanhangerkoppeling worden geschoven, omdat dit voor de beste stabiliteit zorgt. Overschrijd de maximum toelaatbare kogeldruk niet. N.B.: De maximum kogeldruk kunt u vinden op het plaatje met gegevens op de trekhaak. De stabiliteit van de wagen-aanhanger combinatie is vooral afhankelijk van de kwaliteit van de aanhanger. In bergachtige streken moet vanaf hoogten van meter het maximum toelaatbaar gewicht voor iedere meter met 10% worden verlaagd. Steile hellingen WAARSCHUWING Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger geen deel uitmaakt van het antiblokkeersysteem van de auto. Schakel terug voordat u een steile afdaling bereikt. AFNEEMBARE TREKHAAKKOGEL WAARSCHUWINGEN Laat de afneembare trekhaakkogel nooit los in de wagen liggen. Dit verhoogt de kans op verwondingen bij een aanrijding. Het aanbrengen van de afneembare trekhaakkogel moet bijzonder zorgvuldig plaatsvinden aangezien de juiste bevestiging bepalend is voor de veiligheid van uw wagen en de aanhanger. 188

191 Aanhangers trekken 2 E E71328 Een 13 pins stekkerdoos en het bevestigingspunt voor de trekhaakkogel bevinden zich onder de achterbumper. Draai de stekkerdoos 90 graden naar beneden tot hij in zijn eindstand wordt vergrendeld. Wanneer de trekhaak niet wordt gebruikt, berg dan de trekhaakkogel stevig vastgezet in het bagagecompartiment op. Breng de dop in de opening aan. 1. Verwijder de beschermkap. Breng de sleutel aan en draai hem rechtsom om het mechanisme te ontgrendelen. 2. Houd de trekhaakkogel vast. Trek de draaiknop naar buiten en draai hem rechtsom totdat hij klikt. 3. Het rode merkteken op kartelwiel moet tegenover het groene merkteken op de trekhaakkogel staan. 4. Laat het kartelwiel los. De trekhaakkogel is nu ontgrendeld. Mechanisme van trekhaakkogel ontgrendelen WAARSCHUWING Gebruik geen gereedschap voor het aanbrengen of verwijderen van de afneembare trekhaakkogel. Wijzig de trekhaakkoppeling niet. Demonteer of repareer de trekhaakkogel niet. 189

192 Aanhangers trekken Trekhaakkogel aanbrengen 5. Trek de beschermkap van de sleutel en steek deze in het slot. Rijden met een aanhanger 1 A E71331 B E WAARSCHUWING Breng de trekhaakkogel alleen aan wanneer de koppeling volledig is ontgrendeld. 1. Verwijder de dop. 2. Druk de trekhaakkogel verticaal in de opening tot hij aangrijpt (1). Houd uw hand niet in de omgeving van het kartelwiel. 3. Het groene merkteken op kartelwiel moet tegenover het groene merkteken op de trekhaakkogel staan. 4. Draai de sleutel linksom om de trekhaakkogel te vergrendelen en verwijder de sleutel (2). WAARSCHUWING Wanneer aan één van onderstaande voorwaarden niet wordt voldaan, gebruik dan de trekhaak niet en laat hem door een deskundige controleren. Controleer voordat u gaat rijden of de trekhaakkogel goed is vergrendeld. Controleer of: de groene merktekens tegenover elkaar staan het kartelwiel (A) correct op de trekhaakkogel is aangebracht. of u de sleutel (B) hebt verwijderd. de trekhaakkogel stevig vastzit. Deze moet stevig op zijn plaats blijven als er aan getrokken wordt. 190

193 Aanhangers trekken Trekhaakkogel verwijderen Rijden zonder aanhanger WAARSCHUWING Ontgrendel, om verwondingen te voorkomen, de trekhaakkogel nooit wanneer de aanhanger nog is aangekoppeld. E71332 N.B.: Koppel de aanhanger af. 1. Verwijder de beschermkap. Schuif de kap op de sleutel. Breng de sleutel aan en draai hem linksom. 2. Houd de trekhaakkogel vast. Trek de draaiknop naar buiten en draai hem rechtsom totdat hij klikt. 3. Verwijder de trekhaakkogel. 4. Laat het kartelwiel los. Wanneer de trekhaakkogel op deze wijze wordt ontgrendeld, kan hij ten alle tijde worden aangebracht Verwijder de trekhaakkogel. 2. Breng de dop in de opening aan. Onderhoud WAARSCHUWING Verwijder voordat u uw wagen met een hogedrukreiniger reinigt de afneembare trekhaakkogel en sluit de opening met de dop af. Houd het systeem schoon. Smeer de lagerpunten, glij-oppervlakken en vergrendelingskogels met harsvrij vet of olie. Smeer het slot met grafiet. Noteer het sleutelnummer. In geval van verlies kunnen vervangingssleutels onder vermelding van het sleutelnummer met vier cijfers bij de fabrikant worden besteld. 191

194 Tips voor het rijden INRIJDEN Banden WAARSCHUWING Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer (300 mijl). Gedurende deze periode kan de auto een andere rijkarakteristiek vertonen. Remmen en koppeling WAARSCHUWING Vermijd indien mogelijk het intensief gebruik van de remmen en de koppeling gedurende de eerste 150 kilometer (100 mijl) in de stad en gedurende de eerste kilometer (1.000 mijl) op snelwegen. Motor LET OP Rijd de eerste kilometer (1.000 mijl) niet te snel. Varieer uw snelheid en schakel tijdig op. Laat de motor niet zwoegen. 192

195 Nooduitrusting EERSTEHULPSET Wagon 4-deurs E87656 E deurs GEVARENDRIEHOEK 4-deurs E87655 E

196 Nooduitrusting 5-deurs Wagon met normaal reservewiel E87658 Wagon met ruimtebesparend reservewiel E87772 Uitvoeringen met een bandenreparatieset E87771 E87659 Zie Opbergruimte onder vloer achterin (bladzijde 183). 194

197 Staat na een aanrijding COMPONENTEN VAN VEILIGHEIDSSYSTEEM INSPECTEREN Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels die aan spanningen zijn blootgesteld - als gevolg van een aanrijding - moeten worden vervangen en de verankeringspunten moeten door een deskundige worden gecontroleerd. ONDERBREKINGS- SCHAKELAAR BRANDSTOFTOEVOER Uitvoeringen met een Duratec motor E72531 De brandstoftoevoer kan worden onderbroken als gevolg van een aanrijding of plotselinge trillingen (bijvoorbeeld wanneer u tijdens het parkeren ergens tegenaan rijdt). 195

198 Staat na een aanrijding De schakelaar bevindt zich in het zijpaneel bij het linker voorportier. Als de schakelaar geactiveerd wordt, springt de knop op de schakelaar omhoog. Schakelaar terugstellen WAARSCHUWING Stel de veiligheidsschakelaar niet terug wanneer u brandstof ruikt of ziet weglekken. Draai de contactsleutel in de stand 0. Controleer het brandstofsysteem op lekkage. Als u geen lekkage hebt geconstateerd, kunt u de knop op de veiligheidsschakelaar indrukken (zie afbeelding). Draai de contactsleutel in de stand II. Wacht enkele seconden en draai de sleutel terug in de stand I. Controleer het brandstofsysteem opnieuw op lekkage. 196

199 Zekeringen PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS Zekeringenkast in de motorcompartiment E72590 E Draai de knop 90 graden en maak de zekeringenkast los van de steun. 3. Laat de zekeringenkast zakken en trek deze naar u toe. Centrale zekeringenkast E72622 E Draai de schroeven los. 4. Verwijder het deksel zodat u bij de zekeringen kunt (uitvoeringen met een gekoeld handschoenenkastje). 5. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. 197

200 Zekeringen Zekeringenkast achterin - 4- en 5-deurs Zekeringenkast achterin - Wagon E Verwijder het deksel. E Maak de klemmen los. 2. Verwijder het deksel E Verwijder de kap van de zekeringenkast. E Verwijder de kap van de zekeringenkast. 198

201 Zekeringen EEN ZEKERING VERVANGEN WAARSCHUWINGEN Wijzig de elektrische installatie van de wagen op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door goed getrainde monteurs uitvoeren. Zet het contact af en schakel alle stroomverbruikers uit voordat u een zekering aanraakt of probeert te vervangen. Wees voorzichtig wanneer u onderdelen in de zekeringenkast aanraakt, omdat u zich door de hoge temperatuur van de componenten kunt branden. WAARSCHUWINGEN Raak geen metalen onderdelen in de zekeringenkast in het motorcompartiment aan met stroomgeleidende materialen of gereedschap. Er bestaat risico van verwonding en beschadiging van de elektrische installatie door kortsluiting. LET OP Breng een vervangingszekering met hetzelfde vermogen aan als van de verwijderde zekering. N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering herkennen aan de gebroken smeltdraad. N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen voor hoge stroomsterkten, zijn steekzekeringen. Gebruik een zekeringentrekker voor steekzekeringen en de reservezekeringen die zich in de zekeringenkast in het motorcompartiment bevinden. 199

202 Zekeringen SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN Zekeringenkast in de motorcompartiment E75525 Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits F1 10 rood Regeleenheid transmissie F2 5 geelbruin Gloeibougie (dieselmotor) 200

203 Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits F3 80 transparant Elektro-hydraulische stuurbekrachtiging (2,0 l Duratorq-TDCi) F4 60 blauw Gloeibougies F5 60 blauw Koelventilateur F6 10 rood Lambdasondes 1 (motormanagement), variabele kleptiming (motormanagement) F7 5 geelbruin Relaisspoelen F8 10 rood Regeleenheid aandrijfaggregaat F9 - - Wordt niet gebruikt F10 10 rood Regeleenheid motor F11 10 rood Kleppen, MAF regeling (motormanagement) F12 10 rood Sensor water in brandstof, bobines, MAF (motormanagement, dieselmotor) F13 15 blauw Relais airconditioning F14 15 blauw Verwarmingselement dieselolie F15 40 oranje Relais startmotor F16 80 transparant Extra verwarming dieselmotor (PTC) F17 60 blauw Voeding A centrale zekeringenkast F18 60 blauw Voeding B centrale zekeringenkast F19 60 blauw Voeding C zekeringenkast achterin F20 60 blauw Voeding D zekeringenkast achterin F21 Wordt niet gebruikt F22 30 groen Ruitenwissermodule F23 30 groen Achterruitverwarming 201

204 Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits F24 30 groen Koplampsproeiers F25 30 groen Kleppen van ABS F26 40 oranje Pomp van ABS F27 30 groen Standverwarming F28 40 oranje Aanjager F29 Wordt niet gebruikt F30 Wordt niet gebruikt F31 15 blauw Claxon F32 Wordt niet gebruikt F33 5 geelbruin Module lichtschakelaar, spoelen zekeringenkast in motorcompartiment F34 40 oranje Voorruitverwarming, linkerzijde F35 40 oranje Voorruitverwarming, rechterzijde F36 5 geelbruin ABS F37 10 rood Verwarmbare voorruitsproeiers F38 5 geelbruin Adaptieve snelheidsregeling (ACC) F39 15 blauw Adaptieve koplampen (AFS) F40 Wordt niet gebruikt F41 20 geel Instrumentenpaneel F42 10 rood Regeleenheid motor/ transmissie / EHPAS 15 voeding F43 5 geelbruin Hoogteregeling koplamplichtbundels, adaptieve koplampen (AFS) F44 20 geel Vacuümpomp (2,5 l Duratec-HE) F45 15 blauw Achterruitwisser 202

205 Zekeringen Zekeringenkast achterin 4- en 5-deurs E

206 Zekeringen Wagon E75526 Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits FA1 25 transparant Portiermodule linksvoor (ruit op/neer, centrale vergrendeling, inklapbare spiegel, spiegelverwarming) 204

207 Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits FA2 25 transparant Portiermodule rechtsvoor (ruit op/neer, centrale vergrendeling, inklapbare spiegel, spiegelverwarming) FA3 25 transparant Portiermodule linksachter (ruit op/neer) FA4 25 transparant Portiermodule rechtsachter (ruit op/ neer) FA5 10 rood Vergrendelen achter zonder portiermodules achter FA6 15 blauw Extra elektrische aansluiting FA7 5 geelbruin Relaisspoelen FA8 20 geel Stuurkolomslot FA9 Wordt niet gebruikt FA10 30 groen Elektrisch verstelbare bestuurdersstoel FA11 20 geel Accessoires, trekhaakmodule FA12 Wordt niet gebruikt FB1 5 geelbruin Module parkeerhulp FB2 15 blauw Module schokdemperregeling FB3 15 blauw Verwarming bestuurdersstoel FB4 15 blauw Verwarming passagiersstoel, voor FB5 15 blauw Verwarming linker achterstoel FB6 10 rood Klimaatregeling, achter FB7 15 blauw Verwarming rechter achterstoel FB8 Wordt niet gebruikt FB9 30 groen Elektrisch verstelbare passagiersstoel, voor FB10 10 rood Claxon alarminstallatie 205

208 Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits FB11 Wordt niet gebruikt FB12 Wordt niet gebruikt FC1 7,5 bruin Elektrisch bedienbare achterste zijruiten FC2 - - Wordt niet gebruikt FC3 - - Wordt niet gebruikt FC4 10 rood Airconditioning, achterin FC5 7,5 bruin CD wisselaar, entertainment systeem passagiers achterin FC6 20 geel Aanjager airconditioning, achterin FC7 5 geelbruin Geheugenfunctie module FC8 20 geel Keyless entry FC9 Wordt niet gebruikt FC10 Wordt niet gebruikt FC11 Wordt niet gebruikt FC12 Wordt niet gebruikt 206

209 Zekeringen Centrale zekeringenkast E75527 Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits F1 5 geelbruin Regensensor F2 10 rood Voeding SRS (airbag) F3 5 geelbruin Gierhoeksensor (ESP), elektrische parkeerrem F4 7,5 bruin Elektrische voeding, voeding gaspedaal, elektronische zekering F5 15 blauw Ruitenwisser, achter F6 15 blauw Audio-installatie (incl. Voice Control) 207

210 Zekeringen Zekering Ampère Kleur Beveiligde circuits F7 7,5 bruin Stuurwielmodule F8 5 geelbruin Instrumentengroep F9 15 blauw Grootlicht F10 20 geel Elektrisch bedienbaar schuifdak F11 7,5 bruin Achteruitrijlampen F12 Wordt niet gebruikt F13 15 blauw Mistlampen, vóór F14 15 blauw Ruitensproeiers, voor F15 10 rood Adaptieve snelheidsregeling (ACC) F16 Wordt niet gebruikt F17 10 rood Interieurverlichting F18 5 geelbruin Immobilisatiesysteem F19 15 blauw Aansteker F20 Wordt niet gebruikt F21 5 geelbruin Radio, regensensor F22 20 geel Brandstofpomp F23 Wordt niet gebruikt F24 5 geelbruin Contactslot F25 10 rood Klep van brandstofvulopening F26 5 geelbruin Sirene alarmsysteem met accu, OBD II (diagnose boordcomputer) F27 5 geelbruin Stuurkolomunit, module klimaatregeling F28 5 geelbruin Remlichtschakelaar 208

211 Bergen van de auto SLEEPPUNTEN Sleepoog, voor Uitvoeringen zonder bandenreparatieset E87283 E87280 Sleepoog, achter Uitvoeringen met een bandenreparatieset E87281 E87282 N.B.: Bij wagens met een trekhaak kan het sleepoog aan de achterzijde niet worden aangebracht. Gebruik de trekhaak om een wagen te slepen. Het afneembare sleepoog bevindt zich in het bagagecompartiment. Het sleepoog moet altijd in de wagen worden meegenomen. Steek uw vinger in het gat aan de onderzijde van het paneel en trek het paneel los. Breng het sleepoog aan. 209

212 Bergen van de auto LET OP Het afneembare sleepoog heeft linkse schroefdraad. Draai het linksom in het draadgat. AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN Alle uitvoeringen WAARSCHUWINGEN Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet. De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel. LET OP Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende wagen. Bevestig aan het voorste sleepoog geen sleepstang. Wagens met automatische transmissie LET OP Sleep uw wagen niet met snelheden hoger dan 50 km/h (30 mph) of over afstanden van meer dan 50 km (30 mijl). Wanneer uw wagen met snelheden boven 50 km/h (30 mph) en over afstanden van meer dan 30 miles (40 mijl) moet worden gesleept, moet hij worden getransporteerd terwijl alle vier wielen vrij zijn van het wegdek. Bij een mechanisch defect aan de transmissie moeten de aangedreven wielen worden opgehesen zodat deze vrij zijn van het wegdek. Sleep uw wagen niet achterwaarts. Zet de versnellingsbak in neutraal wanneer uw auto wordt gesleept. Trek rustig en soepel zonder rukken op. 210

213 Onderhoud ALGEMENE INFORMATIE Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren. Bovendien beschikken zij over gereedschappen en apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud aan uw auto uit te voeren. Naast het normale onderhoud raden wij aan de volgende extra controles uit te voeren. WAARSCHUWINGEN Zet het contact af voordat u onderdelen aanraakt of probeert af te stellen. Raak onderdelen van het elektronisch ontstekingssysteem bij aangezet contact of draaiende motor niet aan. Het systeem werkt met hoogspanning. Zorg dat uw handen en kledingstukken niet met de koelventilateur in aanraking kunnen komen. Onder bepaalde omstandigheden kan de koelventilateur na het afzetten van de motor nog enkele minuten blijven doordraaien. Dagelijkse controles Buitenverlichting. Interieurverlichting. Waarschuwings- en controlelampen. Controles bij het tanken Motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). Remvloeistofpeil. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 225). Bandenspanning (in koude toestand). Zie Velgen en banden (bladzijde 233). Staat van de banden. Zie Velgen en banden (bladzijde 233). Maandelijkse controles Koelvloeistofpeil (bij koude motor). Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). Slangen, leidingen en reservoirs op lekkage. Vloeistofpeil stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 225). Werking van de airconditioning. Werking van de parkeerrem. Werking van de claxon. Vastzitten van de wielmoeren. Zie Velgen en banden (bladzijde 233). 211

214 Onderhoud DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN Motorkap openen 2. Trek de motorkap iets omhoog en beweeg de veiligheidshaak naar links. E Trek aan de hendel. E Open de motorkap en ondersteun hem met de steunstang. Motorkap sluiten N.B.: Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten. Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van cm dichtvallen. E

215 Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATEC-16V TI- VCT (SIGMA) A B C D E E87714 J I H G F A B C D E F G H Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 231). Zekeringenkast motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 197). Luchtfilter: geen onderhoud vereist. Vloeistofreservoir ruitensproeiers: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 225). Motoroliepeilstaaf 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). 213

216 Onderhoud I J Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging: Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 225). Expansiereservoir: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATEC-HE (MI4) A B C D E E73231 I H G F A B C D E Expansiereservoir: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). Reservoir remsysteem en koppeling: Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 231). Zekeringenkast motorruimte: Zie Zekeringen (bladzijde 197). 214

217 Onderhoud F G H Ruitensproeiervloeistofreservoir: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 225). Luchtfilter: Geen onderhoud nodig. Motoroliepeilstaaf 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). I Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging: Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 225). 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning. OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,3 L DURATEC-HE (MI4) A B C D E E81313 A B I H G F Expansiereservoir: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). 215

218 Onderhoud C D E F G H Reservoir remsysteem en koppeling: Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 231). Zekeringenkast motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 197). Vloeistofreservoir ruitensproeiers: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 225). Luchtfilter: geen onderhoud vereist. Motoroliepeilstaaf 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). I Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging: Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 225). 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning. OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2.5L DURATEC-ST (VI5) A B C D E E73232 I H G F 216

219 Onderhoud A B C D E F G H Expansiereservoir: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). Reservoir remsysteem en koppeling: Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 231). Zekeringenkast motorruimte: Zie Zekeringen (bladzijde 197). Vloeistofreservoir ruitensproeiers: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 225). Luchtfilter: geen onderhoud vereist. Motoroliepeilstaaf 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). I Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging: Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 225). 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning. 217

220 Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,8 L DURATORQ-TDCI (LYNX) DIESEL A B C D E E73233 I H G F A B C D E F G Expansiereservoir: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). Reservoir remsysteem en koppeling: Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 231). Zekeringenkast motorruimte: Zie Zekeringen (bladzijde 197). Vloeistofreservoir ruitensproeiers: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 225). Luchtfilter: geen onderhoud vereist. 218

221 Onderhoud H Motoroliepeilstaaf 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). I Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging: Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 225). 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning. OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATORQ-TDCI (DW) DIESEL A B C D E E73234 H G F A B C D Expansiereservoir: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). Reservoir remsysteem en koppeling: Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 231). 219

222 Onderhoud E F G Zekeringenkast motorruimte: Zie Zekeringen (bladzijde 197). Vloeistofreservoir ruitensproeiers: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 225). Luchtfilter: geen onderhoud vereist. H Motoroliepeilstaaf 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning. OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (DW) DIESEL A B C D E E87715 J I H G F A B Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). 220

223 Onderhoud C D E F G H I J Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links): Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 224). Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 231). Zekeringenkast motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 197). Luchtfilter: geen onderhoud vereist. Vloeistofreservoir ruitensproeiers: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 225). Motoroliepeilstaaf 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 221). Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging: Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 225). Expansiereservoir: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 223). MOTOROLIE CONTROLEREN Het oliepeil controleren 1,6 l Duratec Ti-VCT LET OP Gebruik geen additieven of andere smeermiddelen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze de motor beschadigen. N.B.: Het olieverbruik van nieuwe motoren bereikt zijn normale waarde nadat ongeveer kilometer (3.000 mijl) is afgelegd. E ,8 l Duratec-HE en 2,0 l Duratec-HE E

224 Onderhoud 2,3 l Duratec-HE 2,2 l Duratorq-TDCi E ,5 l Duratec-ST E ,8 l Duratorq-TDCi E ,0 l Duratorq-TDCi E75475 Alle modelvarianten N.B.: Controleer het oliepeil voordat de motor wordt gestart. N.B.: Zorg dat de wagen op een vlakke ondergrond staat. N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor kan het oliepeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan. Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone, niet pluizende doek schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan en verwijder hem opnieuw om het oliepeil te controleren. Controleer of het oliepeil tussen de MIN en MAX merktekens op de peilstaaf staat. Zo niet, vul dan olie bij. Staat het tegenover het MIN merkteken, vul dan onmiddellijk olie bij. E

225 Onderhoud Olie bijvullen Alle modelvarianten MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN Koelvloeistofpeil controleren E73940 WAARSCHUWING Verwijder de olievuldop niet bij draaiende motor. Verwijder de olievuldop. WAARSCHUWING Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan. Vul olie bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 226). Alle behalve 2,0 l Duratorq-TDCi Breng de olievuldop aan. Draai hem tot u een klik hoort. Alleen 2,0 l Duratorq-TDCi Breng de olievuldop aan. Draai hem tot u sterke weerstand voelt. E73703 LET OP Controleer of het koelvloeistofpeil tussen de MIN en MAX merktekens staat. N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan. Koelvloeistof bijvullen WAARSCHUWING Verwijder de dop van het expansiereservoir niet bij warme motor. Laat de motor eerst afkoelen. Draai de dop langzaam los. Laat de druk langzaam ontsnappen terwijl u de dop losdraait. 223

226 Onderhoud WAARSCHUWINGEN Vul alleen koelvloeistof bij wanneer de motor koud is. Wanneer de motor warm is, wacht dan 10 minuten zodat de motor kan afkoelen. Laat koelvloeistof niet in aanraking komen met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts. LET OP Mors geen koelvloeistof op onderdelen van de motor. Vul alleen koelvloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 226). AUTOMATISCHE CONTROLE VLOEISTOFPEIL TRANSMISSIE Uw dealer controleert tijdens het uitvoeren van de voorgeschreven onderhoudsbeurten aan uw auto het vloeistofpeil in de automatische transmissie. CONTROLE VLOEISTOFPEIL KOPPELING EN REMSYSTEEM E73702 WAARSCHUWING Voorkom dat remvloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts. Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir. Controleer of het remvloeistofpeil zich tussen de MIN en MAX merktekens bevindt. 224

227 Onderhoud STUURBEKRACHTI- GINGSVLOEISTOF CONTROLEREN RUITENSPROEI- ERVLOEISTOF CONTROLEREN E73230 E73701 Bij koude motor moet het vloeistofpeil tot het MAX merkteken reiken. Vul de voorgeschreven vloeistof bij wanneer de vloeistofspiegel onder het MIN merkteken staat. Zie Technische specificatie (bladzijde 226). De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk reservoir. Draai de dop van het reservoir na het vullen weer stevig vast. Ruitensproeiers Houd de sproeiers vrij van sneeuw en ijs opdat het systeem correct kan functioneren. 225

228 Onderhoud TECHNISCHE SPECIFICATIE Vloeistoffen Motorolie Onderdeel Vloeistof stuurbekrachtiging Antivries Remvloeistof Aanbevolen vloeistof Ford of Motorcraft Formula E SAE 5W-30 motorolie * Ford of Motorcraft Power Steering Fluid Motorcraft SuperPlus antivries Ford of Motorcraft Super DOT 4 remvloeistof LET OP Specificatie WSS-M2C913-B WSS-M2C204-A2 WSS-M97B44-D ESD-M6C57-A Gebruik geen olie die niet voldoet aan de specificaties of eisen. Gebruik van een ongeschikte olie kan beschadiging van de motor tot gevolg hebben, hetgeen niet onder de Ford Garantie valt. * Als alternatief kunt u SAE 5W-30 motorolie gebruiken, wanneer deze voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-B. N.B.: Gebruik bij temperaturen lager dan -20 C SAE geen 10W-40 motorolie. Olie bijvullen: Wanneer geen olie verkrijgbaar is die voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-B, moet u SAE 5W-30 (aanbevolen), SAE 5W-40 of SAE 10W-40 die voldoet aan de specificatie ACEA A1/B1 (aanbevolen) of ACEA A3/B3 gebruiken. Het gebruik van deze oliën kan tot gevolg hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft. Inhouden Alle Alle Variant Nr. Stuurbekrachtiging Sproeiersysteem voor de voorruit en de achterruit Inhoud in liter (gallons) MAX-merkteken 3,6 (0,8) 226

229 Onderhoud Variant 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT 2,0 l Duratec-HE 2,0 l Duratec-HE 2,0 l Duratec-HE 2,0 l Duratec-HE 2,3 l Duratec-HE 2,3 l Duratec-HE 2,3 l Duratec-HE 2,3 l Duratec-HE 2,5 l Duratec-ST 2,5 l Duratec-ST 2,5 l Duratec-ST 2,5 l Duratec-ST 1,8 l Duratorq-TDCi Nr. Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter Koelsysteem Brandstoftank Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter Koelsysteem Brandstoftank Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter Koelsysteem Brandstoftank Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter Koelsysteem Brandstoftank Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter Inhoud in liter (gallons) 4,1 (0,9) 3,8 (0,8) Informatie niet beschikbaar. 70 (15,4) 4,3 (1,0) 3,9 (0,9) 6,2 (1,4) 70 (15,4) 4,3 (1,0) 3,9 (0,9) Informatie niet beschikbaar. 70 (15,4) 5,5 (1,2) 5,5 (1,2) 7,1 (1,6) 70 (15,4) 5,6 (1,2) 227

230 Onderhoud Variant 1,8 l Duratorq-TDCi 1,8 l Duratorq-TDCi 1,8 l Duratorq-TDCi 2,0 l Duratorq-TDCi 2,0 l Duratorq-TDCi 2,0 l Duratorq-TDCi 2,0 l Duratorq-TDCi 2,2 l Duratorq-TDCi 2,2 l Duratorq-TDCi 2,2 l Duratorq-TDCi 2,2 l Duratorq-TDCi Nr. Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter Koelsysteem Brandstoftank Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter Koelsysteem Brandstoftank Smeersysteem van de motor - inclusief oliefilter Smeersysteem van de motor - exclusief oliefilter Koelsysteem Brandstoftank Inhoud in liter (gallons) 5,0 (1,1) 7,9 (1,7) 60 (13,2) of 70 (15,4) 5,5 (1,2) 5,0 (1,1) 8,1 (1,8) 70 (15,4) 6,1 (1,3) 5,8 (1,3) 8,4 (1,9) 70 (15,4) 228

231 Verzorging van de auto REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO WAARSCHUWING Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de was van de voorruit. LET OP Sommige wasinstallaties maken gebruik van water onder hoge druk. Hierdoor kunnen sommige onderdelen van uw auto worden beschadigd. Verwijder de antenne voordat u een automatische wasstraat inrijdt. Schakel de aanjager uit om te voorkomen dat deeltjes was zich in het luchtfilter vastzetten. Wij raden aan uw auto met een spons en handwarm water en autoshampoo te wassen. Koplampen reinigen LET OP Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen om de koplampglazen te reinigen. Veeg de koplampglazen niet schoon wanneer ze droog zijn. Achterruit reinigen LET OP Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de binnenzijde van de achterruit te reinigen. Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen. Chromen onderdelen reinigen LET OP Gebruik geen schuurmiddelen of chemische oplosmiddelen. Gebruik een zeepoplossing. Onderhoud van de lak LET OP Poets de auto niet in de felle zon. Voorkom dat polish op kunststof oppervlakken komt. Dit laat zich moeilijk verwijderen. Breng geen polish op de vooren achterruit aan. Dit heeft een lawaaiige werking van de ruitenwissers tot gevolg; bovendien kunnen de ruiten dan niet goed worden drooggeveegd. Wij raden u aan de lak één- of tweemaal per jaar in de was te zetten. 229

232 Verzorging van de auto REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO Veiligheidsgordels WAARSCHUWINGEN Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of chemische oplosmiddelen. Let er op dat geen vocht in het oprolmechanisme komt. Reinig de veiligheidsgordels met een interieurreiniger of water met een zachte spons. Laat de veiligheidsgordels op een natuurlijke manier drogen. Gebruik geen haardroger o.i.d. KLEINE LAKSCHADE REPAREREN LET OP Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen van vogels, boomsappen, dode insecten, teervlekken, wegenzout en industriële neerslag). Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op. 230

233 Accu van de auto ONDERHOUD VAN DE ACCU Hulpstartkabels aansluiten De accu vraagt zeer weinig onderhoud. Uw Ford dealer zal in het kader van het normale onderhoudsschema regelmatig het vloeistofpeil in de accu controleren. GEBRUIK VAN STARTKABELS LET OP Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar. Gebruik altijd hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en een voldoende dikke kern. Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto. A C D B E75183 A B C D Auto met de lege accu Auto met de hulpaccu Positieve hulpstartkabel Negatieve hulpstartkabel 231

234 Accu van de auto 1. Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar niet raken. 2. Zet het contact van beide auto's af en schakel alle stroomverbruikers uit. 3. Verbind de pluspool (+) van wagen A met de pluspool (+) van wagen B (kabel C). 4. Verbind de massa-aansluiting (-) van wagen B met de massa-aansluiting aan de linkerzijde van de schokdempertoren van wagen A (kabel D). LET OP Sluit de kabel niet aan op de minpool ( ) van de ontladen accu. Zorg ervoor dat de hulpstartkabels niet met draaiende onderdelen van de motor in aanraking kunnen komen. LET OP Schakel niet de koplampen tijdens het loskoppelen van de hulpstartkabels in. Door de spanningspiek kunnen de gloeilampen doorbranden. Koppel de kabels in omgekeerde volgorde los. Motor starten 1. Start de motor van wagen B en laat deze met een matig hoog toerental draaien. 2. Start de motor van wagen A. 3. Laat beide motoren minimaal drie minuten draaien alvorens de kabels los te koppelen. 232

235 Velgen en banden ALGEMENE INFORMATIE LET OP Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken. Wanneer u banden met een andere diameter laat monteren dan die van de in de fabriek gemonteerde banden, geeft de snelheidsmeter niet meer de juiste snelheid aan. Breng uw wagen naar uw dealer en laat het motor managementsysteem opnieuw programmeren. Op de B-stijl bij het bestuurdersportier bevindt zich een plaatje met de bandenspanning. Controleer de bandenspanning bij een temperatuur waarin u gaat rijden en wanneer de banden koud zijn. Boordkrik WAARSCHUWINGEN De boordkrik die bij uw wagen is geleverd mag alleen in noodsituaties voor het vervangen van een wiel worden gebruikt. Controleer voordat u de boordkrik gebruikt of deze niet is beschadigd of vervormd, of de schroefdraad is gesmeerd en er geen vuil op zit. N.B.: Wagens met een bandenreparatieset zijn niet uitgerust met een boordkrik en een wielmoersleutel. Uitvoeringen zonder bandenreparatieset A EEN WIEL VERVANGEN Wielslotmoeren Na het overleggen van het certificaat met het referentienummer kunt u bij uw Ford dealer een vervangings dopsleutel en vervangings wielslotmoeren verkrijgen. B E86843 A B Boordkrik Wielmoersleutel Uw boordkrik en wielmoersleutel bevinden zich in de reservewielkuip. 233

236 Velgen en banden Kriksteunpunten LET OP Gebruik alleen de aangeduide kriksteunpunten. Wanneer u andere punten gebruikt kan dit de carrosserie, de stuurinrichting, de wielophanging, de motor, het remsysteem of de brandstofleidingen beschadigen. E72908 Uitsparingen in dorpels duiden de kriksteunpunten aan. Een wiel verwijderen WAARSCHUWINGEN Parkeer uw wagen dusdanig dat u, noch het verkeer hinder ondervindt of gevaar loopt. Zet een gevarendriehoek neer. Zorg ervoor dat de wagen met de wielen in de rechtuitstand op een stevige, vlakke ondergrond staat. Zet het contact af en trek de handrem aan. WAARSCHUWINGEN Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw wagen is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Selecteer de stand 'P' wanneer deze met een automatische transmissie is uitgerust. Laat de inzittenden uitstappen. Blokkeer het diagonaal tegenoverliggende wiel met een geschikt blok hout of een wielkeg. Let erop dat de pijlen op richting gebonden banden in de draairichting wijzen wanneer de wagen vooruit rijdt. Wanneer een reservewiel moet worden gemonteerd waarvan de pijlen tegengesteld aan de draairichting wijzen, laat dan de band zo spoedig mogelijk door een deskundige in de juiste richting monteren. Voer geen werkzaamheden uit onder een wagen die alleen wordt ondersteund door een krik. LET OP Leg lichtmetalen velgen niet op de grond, hierdoor wordt de lak beschadigd. N.B.: Zorg ervoor dat de krik verticaal ten opzichte van het kriksteunpunt staat en dat de voet vlak op de grond staat. N.B.: Het reservewiel bevindt zich onder het paneel in de bagageruimte. 234

237 Velgen en banden 1. Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel tussen de velg en de naafdop en verwijder voorzichtig de naafdop of het deksel. Een wiel aanbrengen WAARSCHUWINGEN Gebruik alleen banden en velgen met de juiste maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de wagen veroorzaken en maakt de typegoedkeuring ongeldig. Zie Technische specificatie (bladzijde 247). Laat geen run flat banden monteren als de wagen hiermee oorspronkelijk niet was uitgerust. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie over de geschiktheid van banden. E Breng de dopsleutel voor de slotmoer aan. 3. Klap de wielmoersleutel geheel uit. 4. Draai de wielmoeren een slag los. 5. Krik de wagen op tot de band vrij is van de grond. 6. Verwijder de wielmoeren en het wiel. LET OP Bevestig lichtmetalen velgen niet met moeren die voor stalen velgen zijn bestemd. N.B.: Controleer of de contactvlakken tussen velg en naaf schoon zijn. N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde van de wielmoeren naar de velg zijn gekeerd. 1. Breng het wiel aan. 2. Draai de wielmoeren handvast aan. 235

238 Velgen en banden 6. Draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde definitief vast. Zie Technische specificatie (bladzijde 247). 7. Druk de naafdop met de bal van uw hand vast. WAARSCHUWING Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo spoedig mogelijk controleren. E Breng de dopsleutel voor de slotmoer aan N.B.: Wanneer het reservewiel een andere maat heeft of anders is geconstrueerd dan de overige wielen, laat deze dan zo spoedig mogelijk vervangen. BANDENREPARATIESET Wanneer uw wagen niet met een reservewiel, maar met een bandenreparatieset (ContiMobilityKit) is uitgerust waarmee een lekke band kan worden gerepareerd, lees dan deze gehele rubriek voordat u probeert een lekke band te repareren. E Zet de wielmoeren in de aangegeven volgorde voorlopig vast. 5. Laat de wagen zakken en verwijder de krik. 236

239 Velgen en banden WAARSCHUWING Het opvolgen van deze instructies is van vitaal belang voor de veiligheid van de auto. Het niet opvolgen van deze instructies houdt het risico van beschadiging van de band in, hetgeen het weggedrag van de wagen kan beïnvloeden waardoor u de controle over het stuur geheel kunt verliezen. Dit kan ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg hebben. De ContiMobilityKit bevindt zich in de reservewielkuip. Algemene informatie De ContiMobilityKit dicht de meeste lekken zodat uw mobiliteit tijdelijk is gewaarborgd. Het systeem bestaat uit een compressor en een afdichtmiddel waarmee gaten in banden, veroorzaakt door spijkers en dergelijke met een diameter van maximaal 6 mm (1/4 inch) kunnen worden gedicht. WAARSCHUWING Afhankelijk van het type en de omvang van de beschadiging kunnen sommige banden slechts gedeeltelijk of soms geheel niet worden gedicht. Een te lage bandenspanning kan het weggedrag van de wagen beïnvloeden, waardoor u de macht over het stuur kunt verliezen. Let op het volgende bij het gebruik van de ContiMobilityKit: Rijd voorzichtig en maak geen plotselinge stuurbewegingen, vooral wanneer de wagen zwaar is beladen of tijdens het rijden met een aanhanger. Het systeem zorgt voor een tijdelijke reparatie, waardoor u uw reis tot de volgende dealer of bandenspecialist kunt voortzetten, of een afstand van maximaal 200 km (125 mijl) kunt afleggen. Rijd niet sneller dan maximaal 80 km/h (50 mph). Berg de ContiMobilityKit veilig in het bagagecompartiment op. Berg de set niet in het passagierscompartiment op omdat het dan bij en noodstop of een aanrijding tegen een inzittende kan komen en letsel kan veroorzaken. Houd de ContiMobilityKit buiten het bereik van kinderen. Gebruik de ContiMobilityKit bij omgevingstemperaturen van 30 C tot +70 C. WAARSCHUWING Gebruik de ContiMobilityKit niet wanneer de band al beschadigd was als gevolg en het rijden met een te lage bandenspanning. Probeer geen andere lekken te dichten dan zichtbare lekken in het loopvlak van de band. Probeer geen lekken te dichten in de bandwang. 237

240 Velgen en banden De ContiMobilityKit op veilige wijze gebruiken Gebruik de ContiMobilityKit alleen bij wagens die ermee zijn uitgerust. Wanneer de ContiMobilityKit wordt gebruikt voor andere doeleinden dan was bedoeld, kan de set ernstige beschadiging of verwonding veroorzaken. Samengeperste lucht kan zich gedragen als een explosief of drijfmiddel. Parkeer uw wagen zodanig langs de kant van de weg dat u het verkeer niet belemmert en dat u in staat bent de ContiMobiltyKit te gebruiken zonder in gevaar te komen. Trek de handrem aan, zelfs wanneer u de wagen op een vlakke weg hebt geparkeerd, om er zeker van de zijn dat de wagen niet kan bewegen. Probeer geen vreemde voorwerpen, zoals spijkers of schroeven, uit de band te verwijderen. Laat, wanneer u de ContiMobilityKit gebruikt, de motor draaien, maar niet wanneer de wagen in een gesloten of slecht geventileerde ruimte staat. Laat nooit de ContiMobilityKit onbeheerd achter wanneer deze in gebruik is. Schakel de compressor niet langer dan 10 minuten achtereen in, ander bestaat het gevaar van oververhitting. Vervang de fles met het afdichtmiddel door een nieuwe voordat de houdbaarheidsdatum (zie de bovenzijde van de fles) is bereikt. Informeer andere gebruikers van de wagen dat de band tijdelijk is gerepareerd met de ContiMobilityKit en stel ze op de hoogte van de speciale rijvoorschriften. Het afdichtmiddel met de lucht in de band pompen WAARSCHUWINGEN Controleer de bandwang voordat u het afdichtmiddel in de band pompt. Wanneer u scheuren, knobbels of dergelijke ziet, probeer dan niet de band op te pompen. Ga niet vlak naast de band staan wanneer de compressor draait. Sla de bandwang gade. Wanneer u scheuren, knobbels en dergelijke ziet verschijnen, schakel dan de compressor uit en laat de lucht met behulp van het drukregelventiel ontsnappen I. Vervolg in een dergelijk geval uw reis niet met deze band. 238

241 Velgen en banden B A D C E75437 E75436 D F E E

242 Velgen en banden C J E75439 H K WAARSCHUWING G I L F Het afdichtmiddel bevat natuurlijk latex. Voorkom contact met huid, ogen of kleding. 1. Open de klep. Verwijder het label A met de maximum toelaatbare snelheid van 80 km/h (50 mph) van de verpakking en breng dit in het gezichtsveld van de bestuurder op het instrumentenpaneel aan. 2. Neem de slang B en de stekker C met de stroomdraad uit de ContiMobilityKit verpakking. 3. Draai de oranje dop D van de fles los en de dop E van de fles met het afdichtmiddel. 4. Draai de fles rechtop op de houder F tot deze stevig vastzit. 5. Draai het ventieldopje van de beschadigde band eraf. 6. Trek de dop G van de slang en draai de slang H stevig op het ventiel van de lekke band. 7. Controleer of de compressorschakelaar J in de stand 0 staat. 8. Sluit de stekker C aan op de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. Zie Aansteker (bladzijde 137). Zie Extra voedingsaansluitingen (bladzijde 138). 9. Start de motor (alleen wanneer de wagen buiten of in een goed geventileerde ruimte staat). 10. Zet de compressorschakelaar J in stand I. 11. Pomp de band niet langer dan zeven minuten op voor een minimale druk van 1,8 bar (26 psi) en een maximum druk van 2,5 bar (51 psi). Schakel de compressor even uit om de bandenspanning op de manometer K te kunnen aflezen. 12. Zet de compressorschakelaar, wanneer de bandenspanning minimaal 1,8 bar (26 psi) bedraagt, in de stand Neem de stekker uit de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. 14. Draai de slang snel van het ventiel los en breng het dopje G weer aan. Draai het ventieldopje vast. 240

243 Velgen en banden 15. Laat de fles in de houder. 16. Zorg ervoor dat de ContiMobilityKit, de dop van de fles en de oranje kap veilig worden opgeborgen, maar makkelijk bereikbaar zijn. De set kan weer nodig zijn wanneer u de bandenspanning controleert. 17. Rijd onmiddellijk weg en rijd ongeveer drie kilometer (twee mijl) zodat het afdichtmiddel het lek kan afdichten. WAARSCHUWING Wanneer de bandenspanning binnen zeven minuten lager wordt dan 1,8 bar (26 psi), kan de band ernstig zijn beschadigd, waardoor een tijdelijke reparatie onmogelijk is. Vervolg in een dergelijk geval uw reis niet met deze band. LET OP Wanneer de fles op de houder wordt gedraaid, wordt de afdichting van de fles verbroken. Draai een volle fles met afdichtmiddel niet los van de houder omdat dan het afdichtmiddel uit de fles stroomt. N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de band wordt gepompt, kan de druk toenemen tot 6 bar (87 psi) maar deze neemt na ca. 30 seconden weer af. WAARSCHUWING Wanneer u heftige trillingen, onbalans in het stuurwiel of lawaai tijdens het rijden waarneemt, minder dan snelheid en rijd voorzichtig naar een plaats waar u veilig kunt stoppen. Controleer de band en de bandenspanning opnieuw. Wanneer de bandenspanning lager is dan 1,3 bar (19 psi) of wanneer er scheuren, knobbels of dergelijke zichtbaar zijn, hervat dan uw reis niet met deze band. Bandenspanning controleren WAARSCHUWING Wanneer de motor in een niet of een slecht geventileerde ruimte draait (bijv. in een gebouw, kan dit de verstikkingsdood tot gevolg hebben. 1. Stop na ongeveer drie kilometer (twee mijl) te hebben gereden. Controleer en corrigeer zo nodig de spanning van de beschadigde band. 2. Verwijder de dop G van de slang. 3. Draai de slang H stevig op het ventiel van de beschadigde band. 4. Lees de druk af op de manometer K. 5. Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi) of hoger is, breng de band dan op de voorgeschreven spanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 247). 241

244 Velgen en banden 6. Controleer of de compressorschakelaar J in de stand 0 staat. 7. Sluit de stekker C aan op de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. 8. Start de motor (alleen wanneer de wagen buiten of in een goed geventileerde ruimte staat). 9. Zet de compressor in stand I en pomp de band op tot de voorgeschreven spanning. 10. Schakel de compressor uit en controleer de spanning opnieuw. Wanneer de spanning te hoog is, laat dan de spanning afnemen met behulp van de drukregelklep I. 11. Zet, wanneer de band eenmaal op de juiste spanning is gebracht, de compressor af, neem de stekker los, draai de slang los en breng het ventieldopje en de dop G aan. 12. Laat de fles in de houder en berg de ContiMobilityKit op een veilige plaats in de bagageruimte op. 13. Rijd naar de dichtstbijzijnde deskundige om de beschadigde band te laten vervangen. Vertel, voordat de band van de velg wordt afgenomen, de bandenspecialist dat de band een afdichtmiddel bevat (zie afzonderlijke demontage-instructies) Na gebruik van de ContiMobilityKit moeten zowel de slang als de fles met afdichtmiddel worden vervangen. Het afdichtmiddel dat in de slang is achtergebleven kan ervoor zorgen dat de ContiMobilityKit niet goed meer werkt. N.B.: Bedenk dat een bandenreparatieset slechts voor tijdelijke mobiliteit zorgt. Voorschriften aangaande bandreparatie na gebruik van de ContiMobilityKit kunnen per land verschillen. Raadpleeg een bandenspecialist voor advies. WAARSCHUWING Controleer voordat u gaat rijden of de bandenspanning overeenkomt met de voorgeschreven waarde. Zie Technische specificatie (bladzijde 247). Controleer voortdurend de bandenspanning tot de band is vervangen. Ga te werk zoals is beschreven vanaf punt 2 in de rubriek Bandenspanning controleren. Lege flessen afdichtmiddel mogen samen met het huishoudelijk afval worden afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel naar uw dealer of voer ze af volgens de lokale richtlijnen. 242

245 Velgen en banden RUN FLAT BANDEN Werkingsprincipe Standard band E75207 A B C B A C Plaats van de velg bij correcte bandenspanning Plaats van de velg bij een te lage bandenspanning Band Run flat band E87667 A B B D A C Plaats van de velg bij correcte bandenspanning Plaats van de velg bij een te lage bandenspanning C D Band Verzwaarde bandwang Wanneer de spanning in een standaard band aanzienlijk afneemt, brengt de velg het volledige wagengewicht over op de ingezakte bandwangen. U kunt nauwelijks sturen met de wagen en de band wordt vernield. Run flat banden hebben stugge, verzwaarde bandwangen die de velg dragen wanneer de spanning in de band afneemt of verloren gaat. Wat te doen wanneer een run flat band lek raakt Door de run flat eigenschappen van deze banden merkt u misschien niet dat de band lek is. Om ervoor te zorgen dat u zich bewust bent dat de band lek is, is de wagen uitgerust met een bandenspanning controlesysteem dat u erop attendeert dat de spanning in een band afneemt. Zie Technische specificatie (bladzijde 247). Wanneer een band lek raakt: minder onmiddellijk snelheid tot maximaal 80 km/h (50 mph) voorkom plotselinge of abrupte rem- en stuurmanoeuvres en wees vooral voorzichtig bij het nemen van bochten leg geen afstanden van meer dan 80 km (50 mijl) af nadat het defect is vastgesteld laat de defecte band zo spoedig mogelijk repareren. 243

246 Velgen en banden Run flat banden vervangen WAARSCHUWINGEN Zorg ervoor dat de werkplaats op de hoogte is dat uw wagen is uitgerust met speciale run flat banden. Repareer run flat banden die zijn beschadigd of waarop in lekke toestand is gereden niet, gebruik ze niet opnieuw. Wanneer een run flat band moet worden vervangen, laat dat de betreffende velg op beschadiging controleren. Gebruik geen run flat banden en standaard banden door elkaar. Bij een wagen met run flat banden kan in uitzonderingsgevallen tijdelijk een standaard band worden gebruikt. Aan de bestuurder moet worden verteld dat de standaard band geen run flat eigenschappen heeft. Monteer geen run flat banden op wagens die er niet oorspronkelijk mee waren uitgerust. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie met betrekking tot de compatibiliteit. Run flat banden mogen uitsluitend worden verkocht en gemonteerd door speciaal opgeleide en gecertificeerde bandenspecialisten. VERZORGING VAN BANDEN E70415 Zorg voor een langere levensduur ervoor dat de banden van de vooren achterwielen gelijkmatig slijten. Wij raden aan dat de voor- en achterwielen met regelmatige intervallen van tot km (3.000 tot mijl) te wisselen. LET OP Laat tijdens het parkeren de bandwangen niet langs trottoirbanden schuren. Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk haaks met de wielen het trottoir op. Controleer regelmatig de banden op scheuren, vreemde voorwerpen of onregelmatige slijtage van het loopvlak. Ongelijkmatige slijtage betekent dat de wieluitlijning niet meer aan de specificaties voldoet. Controleer iedere twee weken de bandenspanning (inclusief het reservewiel) wanneer de banden koud zijn. 244

247 Velgen en banden GEBRUIK VAN WINTERBANDEN LET OP Controleer of u de winterbanden met het correcte type wielmoeren hebt bevestigd. Indien winterbanden zijn gemonteerd, controleer dan of de bandenspanning correct is. Zie Technische specificatie (bladzijde 247). GEBRUIK VAN SNEEUWKETTINGEN WAARSCHUWINGEN Rijd niet harder dan 50 km/h (30 mph). Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuwvrij wegdek. Monteer geen sneeuwkettingen op 235/45 R 17, 235/40 R 18 of T125/90 R 16 banden. LET OP Wanneer uw wagen is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen monteert. BANDENSPANNINGCON- TROLESYSTEEM WAARSCHUWINGEN Het systeem ontheft u niet van de verantwoording om regelmatig de bandenspanning te controleren. Het systeem waarschuwt u alleen voor een lage bandenspanning. Het pompt de banden niet op. Wanneer sneeuwkettingen zijn gemonteerd, heeft het systeem meer tijd nodig om een lage bandenspanning te detecteren. Rijd niet met een aanzienlijk te lage bandenspanning. Hierdoor kunnen de banden oververhit raken en worden beschadigd. Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik, verkort de levensduur van de banden en heeft een nadelige invloed op de rijeigenschappen. LET OP Buig of beschadig de ventielen niet wanneer u de banden oppompt. Laat banden door goed opgeleide monteurs monteren. N.B.: Het ABS blijft normaal werken. Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine schakels. Monteer alleen sneeuwkettingen op de voorwielen. 245

248 Velgen en banden Het systeem bewaakt met behulp van sensoren die zich in de wielen bevinden en een ontvanger in de wagen de bandenspanning. Wanneer het systeem registreert dat de bandenspanning te laag is, verschijnt een waarschuwingsbericht op het informatiedisplay. Wanneer een waarschuwingsbericht voor een lage bandenspanning op het informatiedisplay wordt weergegeven, controleer dan de bandenspanning zo spoedig mogelijk en breng deze op de voorgeschreven waarde. Zie Technische specificatie (bladzijde 247). Wanneer dit zich regelmatig voordoet, laat dan de oorzaak zo spoedig mogelijk opsporen en verhelpen. Bandenspanning controleren N.B.: Wanneer de bandenspanning hoger of gelijk is aan 3,3 bar (48 lbf/in²), ziet u het + symbool onder de spanningswaarde. Het systeem meet spanningen tot 3,3 bar (48 lbf/in²). Het + symbool duidt aan dat de bandenspanning hoger kan zijn. Selecteer vanuit het Information menu Tyre pressure. Zie Infodisplays (bladzijde 87). Belading instellen Banden Controleer Onbeladen Beladen Banden E74434 E ,0 bar 0,0 0,0 bar 0,0 Een correcte bandenspanning is afhankelijk van de belading van de wagen. Zie Technische specificatie (bladzijde 247). Het systeem kan alleen een lage spanning detecteren wanneer u de actuele belading van de wagen hebt ingevoerd. Selecteer vanuit het Setup menu Tyres en selecteer Low Load of High Load en druk op OK. Zie Infodisplays (bladzijde 87). 246

249 Velgen en banden TECHNISCHE SPECIFICATIE Aanhaalmoment van de wielmoeren Alle wielen 130 Nm Bandenspanning (koude banden) Tot 80 km/h (50 mph) Bandenspanning Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) Alle T125/90 R 16 4,2 (61) 4,2 (61) 4,2 (61) 4,2 (61) Tot 160 km/h (100 mph) Bandenspanning Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 1,6 l Duratec-Ti- VCT 205/55 R 16 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratec-HE 215/55 R 16 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratec-HE 235/45 R 17 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratec-HE 235/40 R 18 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,3 l Duratec-HE 215/55 R 16 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 247

250 Velgen en banden Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 2,3 l Duratec-HE 235/45 R 17 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,3 l Duratec-HE 235/40 R 18 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,5 l Duratec-ST 215/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,5 l Duratec-ST 235/45 R 17 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,5 l Duratec-ST 235/40 R 18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 1,8 l Duratorq-TDCi 205/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 1,8 l Duratorq-TDCi 215/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 1,8 l Duratorq-TDCi 235/45 R 17 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 1,8 l Duratorq-TDCi 235/40 R 18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratorq-TDCi 215/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratorq-TDCi 235/45 R 17 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratorq-TDCi 235/40 R 18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,2 l Duratorq-TDCi 215/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,2 l Duratorq-TDCi 235/45 R 17 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,2 l Duratorq-TDCi 235/40 R 18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 248

251 Velgen en banden Snelheid continu hoger dan 160 km/h (100 mph) Bandenspanning Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 1,6 l Duratec-Ti- VCT 205/55 R 16 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratec-HE 215/55 R 16 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratec-HE 235/45 R 17 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratec-HE 235/40 R 18 2,2 (32) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,3 l Duratec-HE 215/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 2,8 (41) 2,3 l Duratec-HE 235/45 R 17 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 2,8 (41) 2,3 l Duratec-HE 235/40 R 18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 2,8 (41) 2,5 l Duratec-ST 215/55 R 16 2,5 (36) 2,3 (33) 2,7 (39) 3,0 (44) 2,5 l Duratec-ST 235/45 R 17 2,5 (36) 2,3 (33) 2,7 (39) 3,0 (44) 2,5 l Duratec-ST 235/40 R 18 2,5 (36) 2,3 (33) 2,7 (39) 3,0 (44) 1,8 l Duratorq-TDCi 205/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 3,0 (44) 1,8 l Duratorq-TDCi 215/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 1,8 l Duratorq-TDCi 235/45 R 17 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 1,8 l Duratorq-TDCi 235/40 R 18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratorq-TDCi 215/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratorq-TDCi 235/45 R 17 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,0 l Duratorq-TDCi 235/40 R 18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,5 (36) 2,8 (41) 2,2 l Duratorq-TDCi 215/55 R 16 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 2,8 (41) 2,2 l Duratorq-TDCi 235/45 R 17 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 2,8 (41) 249

252 Velgen en banden Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor Achter Voor Achter bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) bar (lbf/in²) 2,2 l Duratorq-TDCi 235/40 R 18 2,4 (35) 2,2 (32) 2,6 (38) 2,8 (41) 250

253 Voertuigidentificatie VOERTUIGIDENTIFICA- TIEPLAATJE VOERTUIGIDENTIFI- CATIENUMMER (VIN) A B E85610 A B C D E E D Voertuig Identificatie Nummer C Maximaal toelaatbare totaalgewicht Maximaal toelaatbaar treingewicht Maximum voorasbelasting Maximum achterasbelasting Het Voertuig Identificatie Nummer en de maximum toelaatbare gewichten zijn vermeld op een plaatje aan slotzijde onderin de opening van het passagiersportier. E87496 Het Voertuig Identificatie Nummer (chassisnummer) is rechtsvoor naast de voorstoel in de bodemplaat ingeslagen. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld. MOTORNUMMER - 1,6 L DURATEC-16V TI-VCT (SIGMA) Het motornummer is links aan de achterzijde van het motorblok ingeslagen. MOTORNUMMER - 2,0 L DURATEC-HE (MI4) Het motornummer is links aan de achterzijde van het motorblok ingeslagen. 251

254 Voertuigidentificatie MOTORNUMMER - 2,3 L DURATEC-HE (MI4) Het motornummer is links aan de achterzijde van het motorblok ingeslagen. MOTORNUMMER - 2.5L DURATEC-ST (VI5) Het motornummer is links aan de achterzijde van het motorblok ingeslagen. MOTORNUMMER - 1,8 L DURATORQ-TDCI (LYNX) DIESEL Het motornummer is in het inlaatspruitstuk ingeslagen. MOTORNUMMER - 2,0 L DURATORQ-TDCI (DW) DIESEL /2,2 L DURATORQ-TDCI (DW) DIESEL Het motornummer is naast het oliefilter en de oliekoeler in het motorblok ingeslagen. 252

255 Technische specificaties TECHNISCHE SPECIFICATIE Afmetingen van de wagen 4-deurs D A C E87088 E B Nr. A B Afmetingen Totale lengte Totale breedte inclusief buitenspiegels Afmetingen in mm (inches) 4844 (190,7) 2078 (81,8) 253

256 Technische specificaties Nr. C D E E Afmetingen Totale hoogte bij EC rijklaargewicht Wielbasis Spoorbreedte voor Spoorbreedte, achter Afmetingen in mm (inches) (57,2-59,1) 2850 (112,2) (62,2-62,6) (62,8-63,2) 254

257 Technische specificaties 5-deurs D A C E87089 E B Nr. A B C D Afmetingen Totale lengte Totale breedte inclusief buitenspiegels Totale hoogte bij EC rijklaargewicht Wielbasis Afmetingen in mm (inches) (188,1-189,1) 2078 (81,8) (57,2-59,1) 2850 (112,2) 255

258 Technische specificaties Nr. E E Afmetingen Spoorbreedte, voor Spoorbreedte, achter Afmetingen in mm (inches) (62,2-62,6) (62,8-63,2) Wagon D A C E87090 E B 256

259 Technische specificaties Nr. A B C C D E E Afmetingen Totale lengte Totale breedte inclusief buitenspiegels Totale hoogte bij EC rijklaargewicht zonder dwarsprofielen dakrails Totale hoogte bij EC rijklaargewicht met dwarsprofielen dakrails Wielbasis Spoorbreedte, voor Spoorbreedte, achter Afmetingen in mm (inches) (190,2-191,2) 2078 (81,8) (57,7-59,5) (59,1-61,0) 2850 (112,2) (62,2-62,6) (62,8-63,2) 257

260 Technische specificaties Afmetingen trekhaak 4-deurs A B C D E E87091 F G Nr. A B C D E Afmetingen Bumper achterzijde trekhaakkogel Bevestigingspunt hart trekhaakkogel Hart wiel hart trekhaakkogel Hart trekhaakkogel langsbalk Binnenzijde langsbalk Afmetingen in mm (inches) 102 (4,0) 1 (0,04) 1150 (45,3) 438 (17,2) 876 (34,5) 258

261 Technische specificaties Nr. F G Afmetingen Hart trekhaakkogel hart 1e bevestigingspunt Hart trekhaakkogel hart 2e bevestigingspunt Afmetingen in mm (inches) 434 (17,1) 707 (27,8) 5-deurs A B C D E E87092 F G Nr. A A Afmetingen Bumper achterzijde trekhaakkogel Bumper einde van trekhaakkogel (met sportbumper) Afmetingen in mm (inches) 100 (3,9) 90 (3,5) 259

262 Technische specificaties Nr. B C D E F G Afmetingen Bevestigingspunt hart trekhaakkogel Hart wiel hart trekhaakkogel Hart trekhaakkogel langsbalk Binnenzijde langsbalk Hart trekhaakkogel hart 1e bevestigingspunt Hart trekhaakkogel hart 2e bevestigingspunt Afmetingen in mm (inches) 1 (0,04) 1082 (42,6) 438 (17,2) 876 (34,5) 364 (14,3) 637 (25,1) Wagon A B C D E E87093 F G 260

263 Technische specificaties Nr. A B C D E F G Afmetingen Bumper achterzijde trekhaakkogel Bevestigingspunt hart trekhaakkogel Hart wiel hart trekhaakkogel Hart trekhaakkogel langsbalk Binnenzijde langsbalk Hart trekhaakkogel hart 1e bevestigingspunt Hart trekhaakkogel hart 2e bevestigingspunt Afmetingen in mm (inches) 100 (3,9) 1 (0,04) 1134 (44,7) 438 (17,2) 876 (34,5) 419 (16,5) 692 (27,2) 261

264 Telefoon ALGEMENE INFORMATIE In dit hoofdstuk worden de functies en eigenschappen van de Bluetooth mobiele telefoon en Voice Control (spraakbesturingssysteem) beschreven. In dit hoofdstuk worden de volgende varianten beschreven: een mobiele telefoon met een telefoonhouder zonder Voice Control een Bluetooth en Voice Control systeem met telefoonhouder een Bluetooth en Voice Control systeem zonder telefoonhouder. Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte van het systeem zorgt voor de interactie tussen de audio-installatie of het navigatiesysteem en uw mobiele telefoon. Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie of het navigatiesysteem kunt gebruiken voor het ontvangen van telefoongesprekken zonder daarbij gebruik te maken van uw mobiele telefoon. Het Voice Control systeem kan worden gebruikt voor: mobiele telefoongesprekken functies van de audio-installatie functies van de airconditioning. N.B.: De mobiele telefoon schakelt na het afzetten van het contact schakelt niet onmiddellijk uit: de vertraging waarmee de voeding wordt uitgeschakeld is ingesteld op 10 minuten. U kunt deze periode instellen tussen 0 en 60 minuten. Afhankelijk van uw mobiele telefoon kunt u dit bewerkstelligen door een adres in uw telefoonboek op te slaan met de naam Timer en de gewenste vertraging als telefoonnummer. Wanneer Bluetooth en Voice Control gedurende langere tijd bij stilstaande wagen worden gebruikt, laat dan de motor stationair draaien om te voorkomen dat de accu wordt ontladen. SETUP TELEFOON Aansluiting met behulp van een telefoonhouder Uw telefoon moet in een telefoonhouder zijn geplaatst voordat hij kan worden gebruikt als handsfree of spraakgestuurde telefoon. De juiste telefoonhouder is bij uw dealer verkrijgbaar. Uw telefoon in de telefoonhouder plaatsen N.B.: Uw mobiele telefoon moet in een telefoonhouder zijn geplaatst om de telefoon verbinding met de telefoonhouder te kunnen laten maken. Sluit uw telefoon op de telefoonhouder aan. 262

265 Telefoon 1. Plaats de onderzijde van de telefoon in de aansluiting in de telefoonhouder. N.B.: Druk de telefoon zover mogelijk naar achteren in de telefoonhouder. 2. Druk de telefoon naar beneden tot deze vastklikt. 2 1 O H F Kantoor Huis Fax N.B.: Adressen kunnen met of zonder toevoegingen worden weergegeven. De categorie kan ook als icoon worden weergegeven: Telefoon Mobiel Huis E87688 N.B.: De verbinding met het systeem wordt op uw telefoon weergegeven. Telefoonboek Na het opstarten kan het twee minuten duren voordat u toegang tot het telefoonboek kunt krijgen. Telefoonboekcategorieën Afhankelijk van uw telefoonboekadres kunnen verschillende categorieën op de audio-installatie of het navigatiesysteem worden weergegeven. Voorbeeld: Kantoor Fax Van een telefoon een actieve telefoon maken Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem. Na het aanzetten van het contact worden een telefoon in de telefoonhouder en een Bluetooth telefoon op verschillende wijze door het systeem herkend. M Mobiel 263

266 Telefoon Bluetooth telefoon Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. Raadpleeg voor meer informatie het menu van de telefoon. In sommige gevallen moet de Bluetooth telefoon eerst worden geactiveerd door de betreffende voorkeuzetoets van de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken. Wanneer het contact weer wordt aangezet, wordt de verbinding met de laatst actieve telefoon door het systeem hersteld. Een andere Bluetooth telefoon koppelen N.B.: Voordat een andere Bluetooth telefoon kan worden gekoppeld, moet de bestaande actieve Bluetooth telefoon worden uitgeschakeld. Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon zoals is beschreven onder 'Eisen voor een Bluetooth verbinding'. Telefoons die in het systeem zijn opgeslagen zijn met behulp van de telefoonlijst op de audio-installatie of het navigatiesysteem toegankelijk. N.B.: Wanneer zes (vijf Bluetooth telefoons voor systemen met een telefoonhouder) Bluetooth telefoons zijn gekoppeld, moet één hiervan vervallen om een nieuwe telefoon te kunnen koppelen. Telefoon in telefoonhouder Wanneer uw telefoon zich in de telefoonhouder bevindt, wordt deze niet automatisch de actieve telefoon. Raadpleeg in dergelijke gevallen Van actieve telefoon veranderen in het betreffende hoofdstuk waarin het systeem waarmee uw wagen is uitgerust wordt beschreven. SETUP BLUETOOTH Voordat u uw telefoon kunt gebruiken moet deze worden gekoppeld aan het telefoonsysteem in de wagen. Telefoons bedienen Een telefoon kan in de auto worden aangesloten met behulp van een telefoonhouder of een Bluetooth verbinding. Bij wagens met een telefoonhouder, kunnen maximaal vijf Bluetooth telefoons met het systeem in de auto worden gekoppeld. Bij wagens zonder telefoonhouder, kunnen maximaal zes Bluetooth telefoons met het systeem in de auto worden gekoppeld. N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar de audio-installatie in de wagen. 264

267 Telefoon N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een systeem in de wagen is gebonden, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt. Eisen voor een Bluetooth verbinding Het volgende is vereist voordat met een Bluetooth telefoon een verbinding tot stand kan worden gebracht. 1. De Bluetooth functie moet op de telefoon en op de audio-installatie zijn ingeschakeld. Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van uw telefoon. 2. De privé modus op de Bluetooth telefoon moet zijn geactiveerd. 3. Zoek de audio-installatie op. 4. Selecteer Ford Audio. 5. Het Bluetooth PIN nummer 0000 moet via de toetsen op de telefoon worden ingevoerd. N.B.: Wanneer het audio- of navigatiesysteem wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden. Compatibiliteit van telefoontoestellen LET OP Omdat er geen algemene overeenkomst bestaat, kunnen fabrikanten van mobiele telefoons een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren. Daardoor is het mogelijk dat een telefoon niet compatible met een handsfree systeem is, waardoor in sommige gevallen de prestaties van het systeem aanzienlijk worden beperkt. Om dit te voorkomen moeten alleen aanbevolen telefoons worden gebruikt. Neem voor meer informatie over de actuele lijst met geschikte telefoontoestellen contact op met uw dealer. Telefoontoestellen met een Symbian bedieningssysteem N.B.: Om via Bluetooth toegang tot het telefoonboek te kunnen krijgen moet voor bepaalde telefoons eerst een speciaal bestand worden geïnstalleerd. Dit bestand wordt een SIS bestand genoemd is via de Ford website beschikbaar. Raadpleeg uw dealer voor uitgebreide informatie. 265

268 Telefoon BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON Oproepen beëindigen of weigeren Door op een van de diverse functietoetsen op de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken (bijvoorbeeld: AM/FM, CD/AUX) kunnen actieve gesprekken worden beëindigd of oproepen worden geweigerd. Afstandsbediening Uw auto kan zijn uitgerust met één van de diverse typen afstandsbedieningen: Voice en mode toets 2 1 Voice en beantwoorden/weigeren toets E Voice toets Beantwoorden/weigeren toets Met de VOICE toets wordt de spraakbesturing in- of uitgeschakeld. Bij wagens met een beantwoorden/weigeren toets kunnen telefoongesprekken worden beantwoord of geweigerd door op de juiste toets te drukken. N.B.: Sommige audio-installaties hebben beantwoorden/weigeren toetsen op het front. Deze werken op dezelfde wijze. E Voice toets Mode toets Mode toets op het stuurwiel Oproepen kunnen worden beantwoord door eenmaal op de MODE toets te drukken of worden beëindigd door er tweemaal op te drukken. E

269 Telefoon Alleen Mode toets Zelfs wanneer uw telefoon op de audio-installatie is aangesloten, kan de telefoon op de gebruikelijke wijze worden gebruikt. N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten door op de CD, AM/FM of AUX toets te drukken. Opbellen E87664 Bij uitvoeringen zonder een VOICE toets wordt de MODE toets op de afstandsbediening gebruikt om de spraakbesturing in en uit te schakelen. N.B.: Tijdens een oproep of een actief gesprek kunt u niet met de MODE toets de spraakbesturing activeren. U kunt niet met de MODE toets de audio-installatie bedienen. GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S ZONDER NAVIGATIESYSTEEM Hierna worden de telefoonfuncties van de audio-installatie beschreven. N.B.: Raadpleeg de handleiding van de audio-installatie voor meer informatie over de bedieningsorganen. Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn. Een nummer kiezen U kunt toegang tot uw telefoonboekadres krijgen met hetzij de telefoon in de telefoonhouder of via Bluetooth. De namen en nummers verschijnen op het display van de audio-installatie. 1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'. 2. Druk op de MENU toets. 3. Houd de MENU toets ingedrukt tot PHONEBOOK verschijnt. 4. Druk op de zoektoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren. N.B.: Houd de zoektoets ingedrukt om naar de volgende letter van het alfabet te gaan. 5. Druk op de PHONE toets of de toets 'beantwoorden' om het geselecteerde telefoonnummer op te bellen. Wanneer u over een audio-installatie met een telefoontoetsenbord (toetsen 0-9, * en #) beschikt, dan kunt u ook direct kiezen door het nummer via het toetsenbord op het radiodisplay in te voeren en op de toets 'beantwoorden' te drukken: 267

270 Telefoon 1. Druk op de toets 'beantwoorden'. 2. Kies het nummer met het toetsenbord op de audio-installatie. 3. Druk op de toets 'beantwoorden'. N.B.: Wanneer u bij het kiezen van een telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst, druk dan op de toets 'neerwaarts zoeken' om het laatste cijfer te wissen. Wanneer de toets lang wordt ingedrukt, wordt de complete serie cijfers gewist. Houd de 0 ingedrukt om een + in te toetsen. Een gesprek beëindigen Gesprekken kunnen worden beëindigd door hetzij: op één van de volgende toetsen van de audio-installatie te drukken: PHONE, CD, AM/FM, ON/OFF op de MODE toets op de afstandsbediening drukken op de toets 'weigeren' te drukken. N.B.: Wanneer u over een audio-installatie met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen beëindigen door op de toets 'weigeren' te drukken. Een nummer herhalen 1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'. 2. Druk op de MENU toets. 3. Selecteer de lijst CALL OUT of de lijst CALL IN. N.B.: Wanneer de actieve telefoon niet over een lijst met laatst gekozen nummers beschikt, wordt het laatst gekozen nummer weergegeven. 4. Druk op de zoektoets op de audiounit. 5. Druk op de PHONE toets of de toets 'beantwoorden' om het gewenste telefoonnummer op te bellen. Laatst gekozen nummer opnieuw opbellen N.B.: Dit geldt alleen voor audio-units met een telefoontoetsenbord 1. Druk op de toets 'beantwoorden'. 2. Druk opnieuw op de toets 'beantwoorden' om het laatst gekozen nummer weer te geven. 3. Druk voor de derde maal op de toets 'beantwoorden' om het nummer op te bellen. Een oproep ontvangen Een oproep beantwoorden Oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij: op de PHONE toets te drukken op de MODE toets op de afstandsbediening drukken op de toets 'beantwoorden' te drukken 268

271 Telefoon Een oproep weigeren Oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij: op de toets 'weigeren' te drukken op de CD toets te drukken op de AM/FM toets te drukken. N.B.: Wanneer u over een audio-installatie met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen weigeren door op de toets 'weigeren' te drukken. N.B.: U kunt geen oproep met behulp van de afstandsbediening weigeren. Een tweede oproep beantwoorden N.B.: De wachtfunctie op uw telefoon moet zijn geactiveerd. Wanneer er tijdens een gesprek een tweede oproep binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en de tweede oproep beantwoorden. Een tweede oproep beantwoorden Tweede oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij: op de toets 'beantwoorden' te drukken op de MODE toets op de afstandsbediening drukken op de PHONE toets te drukken. N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek beëindigd. Een tweede oproep weigeren Tweede oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij: op de toets 'weigeren' te drukken op de CD toets te drukken op de AM/FM toets te drukken. N.B.: Wanneer u over een audio-installatie met een telefoontoetsenbord beschikt, kunt u een telefoongesprek alleen weigeren door op de toets 'weigeren' te drukken. Van actieve telefoon veranderen N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze aan het systeem worden gekoppeld. Met behulp van de voorkeuzetoetsen 1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie. 2. Druk op de gewenste voorkeuzetoets (gebruik voorkeuzetoetsen 1-6). N.B.: Deze procedure geldt alleen voor audio-installaties met een telefoontoetsenbord. Met behulp van het menu op de audio-installatie 1. Druk op de PHONE toets of de toets 'beantwoorden'. 269

272 Telefoon 2. Druk op de MENU toets op de audio-installatie. 3. Selecteer de ACTIVE PHONE optie op de audio-installatie. 4. Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende opgeslagen telefoons om de gekoppelde telefoons weer te geven. 5. Druk op MENU om de telefoon te selecteren die de actieve telefoon moet worden. N.B.: Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. Gekoppelde telefoon ontkoppelen Een gekoppelde telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd. 1. Druk op de PHONE toets of de toets 'beantwoorden'. 2. Druk op de MENU toets op de audio-installatie. 3. Selecteer de optie DEBOND op de audio-installatie. 4. Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende telefoons om de te ontkoppelen telefoon weer te geven. 5. Druk op MENU om de telefoon te selecteren die moet worden ontkoppeld. GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S MET TRAVEL PILOT EX In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van het TravelPilot EX navigatiesysteem beschreven. N.B.: Raadpleeg de handleiding van uw TravelPilot EX navigatiesysteem voor meer informatie over de bedieningstoetsen. Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn. Zelfs wanneer uw telefoon met het TravelPilot EX navigatiesysteem is gekoppeld, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt. Opbellen Een nummer kiezen - telefoon in telefoonhouder Wanneer u de telefoon in de telefoonhouder gebruikt, heeft u toegang tot het telefoonboek in uw mobiele telefoon. De namen en nummers verschijnen op het display van de TravelPilot EX. 1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie. 2. Maak gebruik van de TELEFOONBOEK optie in het menu. 3. Kies het netnummer. 4. Selecteer met de rechter draaiknop het gewenste telefoonnummer. 270

273 Telefoon 5. Door op de INFO toets te drukken wordt meer informatie over het adres in het telefoonboek weergegeven. 6. Druk op de rechter draaiknop. Een nummer kiezen - telefoon met Bluetooth Bij een Bluetooth telefoon kunnen de telefoonnummers met behulp van Voice Control worden gekozen, raadpleeg het hoofdstuk Voice Control. Een gesprek beëindigen Gesprekken kunnen worden beëindigd door hetzij: op de toets 'weigeren' te drukken op de MODE toets op de afstandsbediening drukken op de OFF toets op het navigatiesysteem te drukken op de rechter draaiknop te drukken. Een nummer herhalen - telefoon in telefoonhouder 1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie. 2. Druk op de MENU toets. 3. Selecteer de UITGAANDE GESPR. lijst, de INKOMENDE GESPR. lijst of OPNIEUW BEL. 4. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie om het gewenste telefoonnummer te kiezen. Een nummer herhalen - telefoon met Bluetooth 1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie. 2. Druk op de MENU toets. 3. Kies OPNIEUW BEL. 4. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie om het telefoonnummer te kiezen. Een oproep beantwoorden Een oproep beantwoorden Oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij: op de toets 'beantwoorden' te drukken op de MODE toets op de afstandsbediening drukken op de PHONE toets op de audio-installatie te drukken met behulp van de AANNEMEN optie in het menu. Een oproep weigeren Oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij: op de toets 'weigeren' te drukken op één van de volgende toetsen van de audio-installatie te drukken: CD, AM/FM met behulp van de AFWIJZEN optie in het menu. N.B.: U kunt geen oproep met behulp van de MODE toets op de afstandsbediening weigeren. 271

274 Telefoon Een tweede oproep beantwoorden N.B.: De wachtfunctie op uw telefoon moet zijn geactiveerd. Wanneer er tijdens een gesprek een tweede oproep binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en de tweede oproep beantwoorden. Een tweede oproep beantwoorden Tweede oproepen kunnen worden beantwoord door hetzij: op de toets 'beantwoorden' te drukken op de MODE toets op de afstandsbediening drukken. op de PHONE toets op de audio-installatie te drukken. met behulp van de AANNEMEN optie in het menu. N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek beëindigd. Een tweede oproep weigeren Tweede oproepen kunnen worden geweigerd door hetzij: op de reject toets te drukken op één van de volgende toetsen op de audio-installatie te drukken: CD, AM/FM. Van actieve telefoon veranderen N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze aan het systeem worden gekoppeld. 1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie. 2. Selecteer met behulp van de ACTIEVE TELEFOON optie in het menu met de voorkeuzetoetsen de actvieve telefoon uit de lijst. Gekoppelde telefoon ontkoppelen Een gekoppelde telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd. 1. Druk op de PHONE toets op de audio-installatie. 2. Selecteer de AFMELDEN optie in het menu. 3. Selecteer de telefoon uit de lijst met behulp van de voorkeuzetoetsen. N.B.: Nadat een Bluetooth telefoon met het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. In sommige gevallen moet de Bluetooth telefoon eerst worden geactiveerd door de betreffende voorkeuzetoets van de audio-installatie of het navigatiesysteem te drukken. 272

275 Spraaksturing WERKING Met spraakbesturing kunt u de audio-installatie bedienen zonder dat uw aandacht van de weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld instellingen te veranderen of om reacties van het systeem te ontvangen. Wanneer u bij geactiveerd systeem één van de gedefinieerde spraaklabels gebruikt, zet het spraakbesturingssysteem uw spraaklabel om in een bedieningssignaal voor de audio-installatie. Uw spraaklabels nemen de vorm van dialogen of commando's aan. U wordt door mededelingen of vragen door deze dialogen geleid. Maak uzelf vertrouwd met de functies van de audio-installatie voordat u het spraakherkenningsysteem gaat gebruiken. N.B.: Wanneer Bluetooth en spraakbesturing gedurende langere tijd bij stilstaande wagen worden gebruikt, laat dan de motor stationair draaien om te voorkomen dat de accu wordt ontladen. Ondersteunde commando's Met het spraakbesturingssysteem kunt u de volgende systemen in de wagen bedienen: telefoon radio CD-speler klimaatregeling navigatiesysteem. N.B.: Het spraakbesturingssysteem is een taalgevoelig systeem. Wanneer u wenst dat het systeem in een andere taal werkt, raadpleeg dan uw dealer. Reactie van het systeem Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan. Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando. Wanneer u niet precies weet hoe u moet doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan. De "HELP" functie biedt u alleen een verzameling van de beschikbare commando's. Gedetailleerde uitleg over alle mogelijke gesproken commando's kunt u op de volgende bladzijden vinden. Gesproken commando's Alle commando's moeten op natuurlijke wijze worden uitgesproken, alsof u tot een passagier spreekt of een telefoongesprek voert. Uw stemvolume moet afhankelijk zijn van omgevingsgeluiden in of buiten de auto, maar schreeuw niet. 273

276 Spraaksturing Spraaklabel Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan). Sla maximaal 20 actieve spraaklabels per functie op. De gemiddelde opnametijd per spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot 3 seconden. SPRAAKGESTUURD REGELSYSTEEM GEBRUIKEN Werking van het systeem De volgorde en de inhoud van de spraaklabels zijn in de volgende lijst weergegeven. De tabel toont de volgorde van de spraaklabels van de gebruiker en de reacties van het systeem die voor iedere functie beschikbaar zijn. <> duidt een nummer of opgeslagen spraaklabel aan, die door de gebruiker moet worden opgeslagen. telefoon: "MOBILE NAME" 1, "DIAL NUMBER", "DIAL NAME", en "REDIAL" CD-speler: "DISC" en "TRACK" klimaatregeling: "TEMPERATURE" en "FAN" radio: "TUNE NAME" navigatie: "ZOOM" en "ROUTE SETTING". 1) Alleen wanneer een mobiele telefoon met Bluetooth en Voice Control is aangesloten. Communicatie met het systeem starten Voordat u kunt beginnen met het systeem toe te spreken moet u voor iedere handeling eerst op de VOICE of de MODE toets drukken en wachten tot het systeem met een piep antwoordt. Short cuts Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn: 274

277 Spraaksturing COMMANDO S AUDIO- UNIT CD-speler/ CD-wisselaar Met behulp van Voice Control kunt u direct een CD of een nummer kiezen. Overzicht Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor het bedienen van uw CD-speler. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu. E87665 "CD" "HELP" "DISC" a "TRACK" b a) Kan alleen worden gebruikt voor een CD-wisselaar. b) Kan als short cut worden gebruikt. CD Wanneer u een CD-wisselaar hebt, kunt u het nummer van de CD kiezen Stappen 1 Gebruiker zegt "CD" Systeem antwoordt "CD" 275

278 Spraaksturing Stappen 2 3 Gebruiker zegt "DISC" a "<een getal tussen 1 en 6>" Systeem antwoordt "DISC NUMBER PLEASE" "DISC <nummer>" a) Kan als short cut worden gebruikt. Muzieknummer U kunt ook direct een muzieknummer op de CD kiezen. Stappen Gebruiker zegt "CD" "TRACK" a "<een getal tussen 1 en 99>" Systeem antwoordt "CD" "TRACK NUMBER PLEASE" "TRACK <nummer>" a) Kan als short cut worden gebruikt. Radio De gesproken commando's ondersteunen de radiofuncties en u kunt met Voice Control op radiostations afstemmen. Overzicht Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor de bediening van uw radio. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu. "RADIO" "HELP" "AM" "FM" "TUNE NAME" a "DELETE NAME" "DELETE DIRECTORY" 276

279 Spraaksturing "RADIO" "PLAY DIRECTORY" "STORE NAME" a) Kan als short cut worden gebruikt. Afstemfrequentie Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations. Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "AM" "FM" "<frequentie>" Systeem antwoordt "RADIO" "FREQUENCY PLEASE" "FREQUENCY PLEASE" "TUNE <frequentie>" Naam opslaan Wanneer u op een radiostation hebt afgestemd, kunt u deze met een naam in het bestand opslaan. Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "STORE NAME" "<naam>" "<naam>" Systeem antwoordt "RADIO" "STORE NAME" "NAME PLEASE" "REPEAT NAME PLEASE" "STORING NAME" "<naam> STORED" 277

280 Spraaksturing Afstemmen op naam Met deze functie kunt u op een opgeslagen radiostation afstemmen. Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "TUNE NAME" a "<naam>" Systeem antwoordt "RADIO" "NAME PLEASE" "TUNE <naam>" a) Kan als short cut worden gebruikt. Naam wissen Met deze functie kunt u een opgeslagen radiostation wissen Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "DELETE NAME" "<naam>" "YES" "NO" Systeem antwoordt "RADIO" "NAME PLEASE" "DELETE <naam>" "CONFIRM YES OR NO" "DELETED" "COMMAND CANCELLED" Bestand afspelen Met deze functie kunt u het systeem alle opgeslagen radiostations laten opnoemen. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "RADIO" "PLAY DIRECTORY" Systeem antwoordt "RADIO" "PLAY <DIRECTORY>" 278

281 Spraaksturing Bestand wissen Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen. Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "DELETE DIRECTORY" "YES" "NO" Systeem antwoordt "RADIO" "DELETE DIRECTORY" "CONFIRM YES OR NO" "RADIO DIRECTORY DELETED" "COMMAND CANCELLED" COMMANDO S TELEFOON Telefoon Met uw telefoonsysteem kunt u een extra telefoonboek aanleggen. De opgeslagen nummers kunnen met behulp van Voice Control worden gekozen. Telefoonnummers, die met behulp van Voice Control zijn opgeslagen, worden in het systeem van de auto opgeslagen en niet in dat van uw telefoon. Overzicht Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor het telefoonsysteem. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu. "PHONE" "HELP" "MOBILE NAME" a, b "DIAL NUMBER" a "DIAL NAME" a "DELETE NAME" 279

282 Spraaksturing a) Kan als short cut worden gebruikt. "PHONE" "DELETE DIRECTORY" "PLAY DIRECTORY" "STORE NAME" "REDIAL" a "ACCEPT CALLS" "REJECT CALLS" b) Alleen mogelijk bij mobiele telefoons die met Bluetooth zijn aangesloten en voorzien zijn van Voice Control en opgeslagen spraaklabels. Een telefoonboek aanleggen Naam opslaan Nieuwe spraaklabels kunnen worden opgeslagen met het commando "STORE NAME". Deze eigenschap kan worden gebruikt voor het kiezen van een nummer door de naam in plaats van het complete telefoonnummer uit te spreken. Stappen Gebruiker zegt "PHONE" "STORE NAME" "<naam>" "<naam>" "<telefoonnummer>" Systeem antwoordt "PHONE" "STORE NAME" "NAME PLEASE" "REPEAT NAME PLEASE" "STORING NAME" "<naam> STORED" "NUMBER PLEASE" "<telefoonnummer>" 280

283 Spraaksturing Stappen 6 Gebruiker zegt "STORE" Systeem antwoordt "STORING NUMBER" "<telefoonnummer>" "NUMBER STORED" Naam wissen Opgeslagen namen kunnen ook uit het bestand worden gewist. Stappen Gebruiker zegt "PHONE" "DELETE NAME" "<naam>" "YES" "NO" Systeem antwoordt "PHONE" "NAME PLEASE" "DELETE <naam>" "CONFIRM YES OR NO" "<naam> DELETED" "COMMAND CANCELLED" Bestand afspelen Gebruik deze functie om het systeem alle opgeslagen namen en nummers te laten opnoemen. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "PHONE" "PLAY DIRECTORY" Systeem antwoordt "PHONE" "PLAY DIRECTORY" Bestand wissen Met deze functie kunt u alle ingevoerde gegevens in één keer wissen. 281

284 Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt "PHONE" "DELETE DIRECTORY" "YES" "NO" Systeem antwoordt "PHONE" "DELETE DIRECTORY" "CONFIRM YES OR NO" "PHONE DIRECTORY DELETED" "COMMAND CANCELLED" Telefoonfuncties Naam mobiele telefoon Met deze functie kunt u met een spraaklabel toegang krijgen tot de in uw mobiele telefoon opgeslagen telefoonnummers. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "PHONE" "MOBILE NAME" a, b Systeem antwoordt "PHONE" "MOBILE NAME" "<telefoonafhankelijke dialoog>" a) Kan als short cut worden gebruikt. b) Alleen wanneer een mobiele telefoon met Bluetooth en Voice Control is aangesloten (afhankelijk van de mobiele telefoon). Nummer kiezen Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen. Stappen 1 Gebruiker zegt "PHONE" Systeem antwoordt "PHONE" 282

285 Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt "DIAL NUMBER" a "<telefoonnummer>" "DIAL" "CORRECTION" Systeem antwoordt "NUMBER PLEASE" "<telefoonnummer> CONTINUE?" "DIALLING" "<laatste deel van nummer herhalen> CONTINUE?" a) Kan als short cut worden gebruikt. Naam kiezen Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen. Stappen Gebruiker zegt "PHONE" "DIAL NAME" a "<naam>" "YES" "NO" Systeem antwoordt "PHONE" "NAME PLEASE" "DIAL <naam>" "CONFIRM YES OR NO" "DIALLING" "COMMAND CANCELLED" a) Kan als short cut worden gebruikt. Nummer herhalen Deze functie maakt het mogelijk het laatst gekozen nummer te herhalen. Stappen 1 Gebruiker zegt "PHONE" Systeem antwoordt "PHONE" 283

286 Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt Systeem antwoordt 2 "REDIAL" a "REDIAL" "CONFIRM YES OR NO" 3 "YES" "NO" "DIALLING" "COMMAND CANCELLED" a) Kan als short cut worden gebruikt. DTMF ('Tone' instelling) Deze functie zet gesproken nummers om in DTMF tonen, bijvoorbeeld voor het op afstand bedienen van het antwoordapparaat bij u thuis. N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt tijdens een telefoongesprek. Druk op de VOICE of de MODE toets en wacht op het teken van het systeem. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje, sterretje>" Systeem antwoordt "NUMBER PLEASE" Hoofdinstellingen Oproepen beantwoorden en weigeren Oproepen kunnen met Voice Control worden beantwoord of geweigerd. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "PHONE" "ACCEPT CALLS" "REJECT CALLS" Systeem antwoordt "PHONE" "ACCEPT CALLS" "REJECT CALLS" 284

287 Spraaksturing COMMANDO S NAVIGATIESYSTEEM Raadpleeg de afzonderlijke handleiding van het navigatiesysteem voor meer informatie over de commandomenu's. Overzicht Het overzicht toont de beschikbare gesproken commando's voor de bediening van het klimaatregelsysteem. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu. COMMANDO S KLIMAATREGELING Klimaat Met gesproken commando's voor de klimaatregeling kunnen het aanjagertoerental en de temperatuur worden ingesteld. Niet alle functies zijn in alle autotypen beschikbaar. "CLIMATE" "HELP" "FAN" a "TEMPERATURE" a "AUTO MODE" a a) Kan als short cut worden gebruikt. Bij wagens met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar. Aanjager Met deze functie kunt u het aanjagertoerental instellen. Stappen 1 Gebruiker zegt "CLIMATE" Systeem antwoordt "CLIMATE" 285

288 Spraaksturing Stappen 2 3 Gebruiker zegt "FAN" a "MINIMUM" "<een getal tussen 1 en 7>" "MAXIMUM" Systeem antwoordt "FAN SPEED PLEASE" "FAN MINIMUM" "FAN <getal>" "FAN MAXIMUM" a) Kan als short cut worden gebruikt. Bij wagens met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar. Ontdooien/ontwasemen Stappen 1 2 Gebruiker zegt "CLIMATE" "DEFROSTING/DEMISTING ON" a "DEFROSTING/DEMISTING OFF" a Systeem antwoordt "CLIMATE" "DEFROSTING/DEMISTING ON" "DEFROSTING/DEMISTING OFF" a) Kan als short cut worden gebruikt. Bij wagens met een Engelse taalmodule is de short cut "FAN" niet beschikbaar. Temperatuur Met deze functie kunt u de temperatuur instellen. Stappen Gebruiker zegt "CLIMATE" "TEMPERATURE" a "MINIMUM" Systeem antwoordt "CLIMATE" "TEMPERATURE PLEASE" "TEMPERATURE MINIMUM" 286

289 Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt "<een getal tussen 15 en 29 C met stappen van 0,5>" of "<een getal tussen 59 en 84 F>" "MAXIMUM" Systeem antwoordt "TEMPERATURE <getal>" "TEMPERATURE MAXIMUM" a) Kan als short cut worden gebruikt. Automatische modus Stappen 1 2 Gebruiker zegt "CLIMATE" "AUTO MODE" a Systeem antwoordt "CLIMATE" "AUTO MODE" a) De automatische modus kan worden uitgeschakeld door een andere temperatuur of een ander aanjagertoerental in te stellen. 287

290 Bijlagen ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT WAARSCHUWINGEN Uw wagen is getest en gecertificeerd volgens de Europese wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (EMC) (2004/104/EC). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving. Laat apparatuur door goed geschoolde monteurs monteren. Radiofrequentie (RF) zenders (bijv. mobiele telefoons, amateur radiozenders, enz.) mogen alleen in uw wagen worden gemonteerd, wanneer deze volledig voldoen aan de parameters die in de onderstaande tabel zijn weergegeven. Er zijn geen bijzondere voorzieningen of voorwaarden voor het monteren of gebruik. WAARSCHUWINGEN Monteer geen zender/ontvangers, microfoons, luidsprekers en dergelijke in de ontvouwruimte van de airbags. Bevestig geen antennekabels aan de originele bedrading, brandstofleidingen en remleidingen van de wagen. Houd antennekabels en stroomdraden minimaal 100 mm weg van elektronische modules en airbags E

FordKuga Instructieboekje. Feel the difference

FordKuga Instructieboekje. Feel the difference FordKuga Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

Instructieboekje FordMondeo 100% Ford. 100% tevredenheid.

Instructieboekje FordMondeo 100% Ford. 100% tevredenheid. Instructieboekje FordMondeo 100% Ford. 100% tevredenheid. De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het

Nadere informatie

FORD FUSION Instructieboekje

FORD FUSION Instructieboekje FORD FUSION Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties,

Nadere informatie

FORD FIESTA Instructieboekje

FORD FIESTA Instructieboekje FORD FIESTA Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

FORD FOCUS Instructieboekje

FORD FOCUS Instructieboekje FORD FOCUS Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

Instructieboekje FordTourneoConnect FordTransitConnect 100% Ford. 100% tevredenheid.

Instructieboekje FordTourneoConnect FordTransitConnect 100% Ford. 100% tevredenheid. Instructieboekje FordTourneoConnect FordTransitConnect 100% Ford. 100% tevredenheid. De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling

Nadere informatie

FORD TOURNEOCONNECT / TRANSITCONNECT Instructieboekje

FORD TOURNEOCONNECT / TRANSITCONNECT Instructieboekje FORD TOURNEOCONNECT / TRANSITCONNECT Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het

Nadere informatie

FORD C-MAX Instructieboekje

FORD C-MAX Instructieboekje FORD C-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

FORD C-MAX Korte beschrijving

FORD C-MAX Korte beschrijving FORD C-MAX Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

FordTransit Instructieboekje. Feel the difference

FordTransit Instructieboekje. Feel the difference FordTransit Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

FORD B-MAX Instructieboekje

FORD B-MAX Instructieboekje FORD B-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM H6716G Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motor-immobilisatiesysteem. Tevens beschikt het voertuig over een aantal extra veiligheidssystemen.

Nadere informatie

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies

Nadere informatie

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen Stoelen VOORSTOELEN De stoel nooit afstellen als het voertuig in beweging is. Als van deze instructies wordt afgeweken, kan dit leiden tot lichamelijk letsel of verlies van controle over het voertuig.

Nadere informatie

FORD MONDEO Korte beschrijving

FORD MONDEO Korte beschrijving FORD MONDEO Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889.

Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889. COBRA 889 INLEIDING Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889. De belangrijkste vernieuwing in deze 889-serie bestaat uit het systeem, dat de herkenningscode van de afstandsbediening

Nadere informatie

Zekeringen ZEKERINGEN

Zekeringen ZEKERINGEN Zekeringen ZEKERINGEN Zekeringen zijn eenvoudige circuit-onderbrekers waardoor elektrische uitrusting wordt beschermd tegen de gevolgen van stroom-stoten. Een doorgebrande zekering blijkt uit het feit

Nadere informatie

Veiligheid van kinderen

Veiligheid van kinderen Veiligheid van kinderen KINDERZITJES Voor maximale veiligheid moeten kinderen altijd achterin zitten. Wij raden u aan om kinderen nooit voorin te laten zitten. Als het echter onvermijdelijk is om een kind

Nadere informatie

Volvo 940 Malmö, een eigen identiteit.

Volvo 940 Malmö, een eigen identiteit. Volvo 940 Malmö, een eigen identiteit. Een Volvo 940 Malmö staat borg voor kwaliteit die samen met zijn gedistingeerde uitstraling, een eigen identiteit weerspiegelt in een wereld waarin auto's steeds

Nadere informatie

FORD KUGA Korte beschrijving

FORD KUGA Korte beschrijving FORD KUGA Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids Deze gids is opgesteld om u te helpen bepaalde functies van de auto snel te leren kennen. De gids bevat alleen basisinstructies (korte beschrijvingen)

Nadere informatie

MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING

MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING TOEPASSING DOCUMENT Dit document beschrijft de belangrijkste kenmerken ten tijde van het drukken van de: MODEL S SOFTWARE-versie: 5,0 Kenmerken van latere software-versies

Nadere informatie

MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING

MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING TOEPASSING DOCUMENT Dit document beschrijft de belangrijkste kenmerken ten tijde van het drukken van de: MODEL S SOFTWARE-versie: 5,0 Kenmerken van latere software-versies

Nadere informatie

FORD MONDEO HYBRID Instructieboekje

FORD MONDEO HYBRID Instructieboekje FORD MONDEO HYBRID Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

Voordat u gaat rijden. Tijdens het rijden. Onderhoud en verzorging. Trefwoordenlijst INHOUDSOPGAVE

Voordat u gaat rijden. Tijdens het rijden. Onderhoud en verzorging. Trefwoordenlijst INHOUDSOPGAVE Aygo Handleiding INHOUDSOPGAVE 1 Voordat u gaat rijden Het afstellen en bedienen van systemen als de portiervergrendeling, spiegels en stuurkolom. 2 Tijdens het rijden Rijden, stoppen en informatie over

Nadere informatie

PROACE Dubbele Cabine Prijzen & Specificaties. 1 juni 2016

PROACE Dubbele Cabine Prijzen & Specificaties. 1 juni 2016 PROACE Prijzen & Specificaties 1 juni 2016 Prijzen PROACE PROACE Dubbele 1 juni 2016 (vervolg) Cabine 1 juni 2016 PROACE (inhoud 4 m 3 ) Zitplaatsen Laadvermogen* Netto Cat.prijs excl. BTW ( ) Bedrag BPM

Nadere informatie

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding OPEL AMPERA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 52 Instrumenten en bedieningsorganen... 59

Nadere informatie

2 Inleiding. Inleiding

2 Inleiding. Inleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 33 Opbergen... 51 Instrumenten en bedieningsorganen... 56 Verlichting... 93 Klimaatregeling...

Nadere informatie

OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding

OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 47 Opbergen... 72 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

2 Inleiding. Inleiding

2 Inleiding. Inleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 32 Opbergen... 53 Instrumenten en bedieningsorganen... 60 Verlichting... 77 Infotainmentsysteem...

Nadere informatie

SCdefault. 900 Montagerichtlijn. Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces 12 799 012 9:88-15 May 03 12 798 998 12 798 998 Jun 02

SCdefault. 900 Montagerichtlijn. Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces 12 799 012 9:88-15 May 03 12 798 998 12 798 998 Jun 02 SCdefault 900 Montagerichtlijn SITdefault Kinderzitje Saab Child Seat MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction

Nadere informatie

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding OPEL AMPERA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 52 Instrumenten en bedieningsorganen... 60

Nadere informatie

Configuratie. Swift 5 deurs. Samenvatting. 7 airbags standaard ESP-systeem standaard 5 jaar garantie en assistance Manueel of automaat Laag verbruik

Configuratie. Swift 5 deurs. Samenvatting. 7 airbags standaard ESP-systeem standaard 5 jaar garantie en assistance Manueel of automaat Laag verbruik Swift 5 deurs 7 airbags standaard ESP-systeem standaard 5 jaar garantie en assistance Manueel of automaat Laag verbruik Samenvatting Swift 5 deurs 1.2 benzine 4 A/T (), Tweewielaandrijving, 4 automaat

Nadere informatie

Sleutels en zenders SLEUTELS EN ZENDERS

Sleutels en zenders SLEUTELS EN ZENDERS Sleutels en zenders Bedieningsorganen en instrumenten SLEUTELS EN ZENDERS H6718G Met het voertuig heeft u twee zenders met integrale sleutels ontvangen waarmee alle sloten van het voertuig kunnen worden

Nadere informatie

Dit instructieboekje gebruiken

Dit instructieboekje gebruiken Inhoudsopgave Inleiding...1 Kort en bondig...3 Sleutels, portieren en ruiten...17 Stoelen, hoofdsteunen...35 Opbergruimte...59 Instrumenten en bedieningsorganen... 71 Verlichting...107 Infotainment- systeem...115

Nadere informatie

Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards

Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleidingding Effectief en gebruiksvriendelijk Het in uw voertuig gemonteerde Cobra alarmsysteem biedt een simpele, maar uiterst effectieve en gebruiksvriendelijke

Nadere informatie

Pagina. Paragraaf. 1.1 Openen. 1.2 Starten. 1.3 Uitschakelen. 1.4 Afsluiten. 2.1 Tanken. 3.1 Openen kap. 3.2 Sluiten kap. 1.

Pagina. Paragraaf. 1.1 Openen. 1.2 Starten. 1.3 Uitschakelen. 1.4 Afsluiten. 2.1 Tanken. 3.1 Openen kap. 3.2 Sluiten kap. 1. Paragraaf 1.1 Openen 1.2 Starten 1.3 Uitschakelen 1.4 Afsluiten 2.1 Tanken 3.1 Openen kap 3.2 Sluiten kap 1.3 Zijruiten verwijderen en plaatsen 1.3 Uitschakelen 5.1 Motorkap openenn 6.1 Kachel bedienenn

Nadere informatie

AYGO. Instructieboekje

AYGO. Instructieboekje AYGO Instructieboekje Voorwoord Welkom in de steeds groeiende groep van waardebewuste automobilisten die voor Toyota hebben gekozen. Wij zijn trots op de vooruitstrevende techniek en hoge kwaliteit van

Nadere informatie

GfS Day Alarm. Algemene omschrijving...p. 2. Montage handleiding en functies...p. 3. Instellingen van magneet contacten...p. 4

GfS Day Alarm. Algemene omschrijving...p. 2. Montage handleiding en functies...p. 3. Instellingen van magneet contacten...p. 4 Art.-Nr.: Art.-Nr.: Montage handleiding Inhoud Algemene omschrijving...p. Montage handleiding en functies...p. Instellingen van magneet contacten...p. Aansluiting met draadloos magneet contact...p. Aansluiting

Nadere informatie

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleiding Vodafone Power to you Effectief en gebruiksvriendelijk 1. Alarmsysteem met aparte autorisatie Het in uw voertuig gemonteerde

Nadere informatie

DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012

DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012 DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012 VERSIEPRIJZEN LOGAN VAN/PICK-UP Dacia Logan Van Motor Uitvoering CATALOGUSPRIJS BTW BPM* CONSUMENTENPRIJS Netto INCL. BTW en BPM 1.6 MPI 85 Euro 5 Logan

Nadere informatie

iq iq Handleiding Handleiding 09-2010 01651-01010-00

iq iq Handleiding Handleiding 09-2010 01651-01010-00 iq Handleiding INHOUDSOPGAVE 1 Voor het rijden Het afstellen en bedienen van systemen als de portiervergrendeling, spiegels en stuurkolom. 2 Tijdens het rijden Rijden, stoppen en informatie over veilig

Nadere informatie

Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote

Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Alarmsysteem met afstandsbediening leidraad bij het instellen - Dutch Geachte klant, In deze handleiding vindt u de informatie en bedieningen die nodig

Nadere informatie

Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948

Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948 Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948 Belangrijke informatie Gefeliciteerd met de aankoop van uw voertuig beveiligingsysteem. Het is ontworpen om jaren van probleemloze

Nadere informatie

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleiding Vodafone Power to you Effectief en gebruiksvriendelijk 1. Alarmsysteem met aparte autorisatie Het in uw voertuig gemonteerde

Nadere informatie

Mitsubishi - Cobra Alarm CO4627. Gebruikers Handleiding

Mitsubishi - Cobra Alarm CO4627. Gebruikers Handleiding Mitsubishi - Cobra Alarm CO4627 Gebruikers Handleiding Clifford Electronics Benelux BV Tel.+31 20 40 40 919 info@clifford.nl ISO 9001:2008 Mitsubishi - Cobra Alarmsysteem: Om uw auto optimaal te beschermen

Nadere informatie

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net

Nadere informatie

Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding

Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding Cobra Alarm 4627 Gebruikers Handleiding Clifford Electronics Benelux BV Tel.+31 20 40 40 919 info@clifford.nl ISO 9001:2008 Cobra Alarmsysteem: Diefstal is de laatste tijd explosief gestegen. CAN Bus manipulatie

Nadere informatie

GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW NIEUWE VOLVO!

GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V50 QUICK GUIDE GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW NIEUWE VOLVO! Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen. Neem deze Quick Guide door om nog meer plezier te hebben van uw nieuwe Volvo.

Nadere informatie

Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5

Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Inhoud verpakking: Alarmunit Sirene Handzender ( 2 stuks) Kabels incl. zekeringen Zoekfunctie Stil alarm Startblokkering Paniek functie Anti carjacking Aansturing

Nadere informatie

HET WEGRIJDEN VOOR HET WEGRIJDEN

HET WEGRIJDEN VOOR HET WEGRIJDEN HET WEGRIJDEN VOOR HET WEGRIJDEN BELANGRIJKE Uw voertuig heeft een hogere bodem-vrijheid en dus ook een zwaartepunt dat hoger ligt dan bij een conventionele personenauto. Dit resulteert onvermijdelijk

Nadere informatie

Voorwoord. 2002 Mazda Motor Corporation Printed in Japan Mar. 2003(Print3)

Voorwoord. 2002 Mazda Motor Corporation Printed in Japan Mar. 2003(Print3) Voorwoord Hartelijk dank voor het kiezen van een Mazda. Bij het ontwerp en de constructie van automobielen geven wij bij Mazda aan de volledige tevredenheid van de klant de hoogste prioriteit. Wij raden

Nadere informatie

OPEL ASTRA. Gebruikershandleiding

OPEL ASTRA. Gebruikershandleiding OPEL ASTRA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 23 Stoelen, veiligheidssystemen... 41 Opbergen... 63 Instrumenten en bedieningsorganen... 104

Nadere informatie

Handleiding. Tilly Light fietsendrager

Handleiding. Tilly Light fietsendrager Handleiding Tilly Light fietsendrager mei 2015 Tilly Light BV Inhoudsopgave Algemeen 4 Onderdelen 5 Stekker aansluiting 10 Eerste gebruik 11 Op de auto plaatsen 15 Fietsen plaatsen 18 Rijden 23 Fietsen

Nadere informatie

N 1 zonder autorijbewijs

N 1 zonder autorijbewijs e e N 1 zonder autorijbewijs e De e City is het meest compacte model in het e AIXAM assortiment. Het ideale stadsvoertuig van een onvergelijkbare kwaliteit en een uitgesproken design. De e City is speels;

Nadere informatie

OPEL Vivaro Gebruikershandleiding

OPEL Vivaro Gebruikershandleiding OPEL Vivaro Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 45 Opbergen... 70 Instrumenten en bedieningsorganen... 78

Nadere informatie

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles ! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch

Nadere informatie

Dit beveiligingssysteem voor uw auto is getest en goedgekeurd door

Dit beveiligingssysteem voor uw auto is getest en goedgekeurd door SYSTEEM 2980 COMPLEET ALARMSYSTEEM MET AFSTANDSBEDIENING GEBRUIKERSHANDLEIDING GOED BEWAREN VOOR TOEKOMSTIG GEBRUIK DIT SYSTEEM MAG UITSLUITEND DOOR EEN VAKKUNDIG INSTALLATEUR WORDEN INGEBOUWD BELANGRIJK

Nadere informatie

Afstelbare parameters - Alarm en centrale vergrendeling

Afstelbare parameters - Alarm en centrale vergrendeling Inleiding Inleiding De lijst van afstelbare parameters is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Bezoek voor meer informatie over de huidige parameters voor een

Nadere informatie

VOORWOORD. Dit instructieboekje hoort bij uw auto. Bewaar het daarom altijd in uw auto, ook als u de auto verkoopt.

VOORWOORD. Dit instructieboekje hoort bij uw auto. Bewaar het daarom altijd in uw auto, ook als u de auto verkoopt. VOORWOORD Dit instructieboekje maakt u vertrouwd met de bediening van en het onderhoud aan uw nieuwe auto. Verder vindt u in dit instructieboekje belangrijke informatie over veiligheid. Lees het daarom

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

Renault CLIO. Instructieboekje

Renault CLIO. Instructieboekje Renault CLIO Instructieboekje een passie voor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op

Nadere informatie

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1 FordKa Instructieboekje Owner s handbook Feel the difference K10468_Service_Portfolio_090508.1 1 09.05.2008 15:52:47 Uhr 001-025 Ford KA NL 22-07-2008 9:45 Pagina

Nadere informatie

Renault TRAFIC. Instructieboekje

Renault TRAFIC. Instructieboekje Renault TRAFIC Instructieboekje eenpassievoor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op

Nadere informatie

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl info@rhodelta.nl - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914

Nadere informatie

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33. Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht

Nadere informatie

Radio codeklavier RTS

Radio codeklavier RTS Radio codeklavier RTS Installatiehandleiding Radio codeclavier RTS Artikelnummer 1841030 Radio codeklavier RTS n Oplichtende toetsen bij bediening. n Keuze tussen 4, 5 of 6 cijfer combinatie. n Verschillende

Nadere informatie

Mauer GmbH Technologie voor beveiliging. Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard

Mauer GmbH Technologie voor beveiliging. Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard Informatie over de bediening: Mauer GmbH Technologie voor beveiliging Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard Bedieningsinstructies Lees deze instructies aandachtig door voordat u het slot

Nadere informatie

Configuratie. Jimny 3 deurs. Samenvatting

Configuratie. Jimny 3 deurs. Samenvatting Jimny 3 deurs 5 jaar garantie en assistance Compacte 4x4 Uitstekende terreincapaciteiten Laagste kostprijs per kilometer Uniek in zijn segment Krachtige motor Bekijk alle 4x4's van Suzuki Samenvatting

Nadere informatie

PRIJZEN EN SPECIFICATIES CAPTIVA

PRIJZEN EN SPECIFICATIES CAPTIVA PRIJZEN EN SPECIFICATIES CAPTIVA MY11, 18 APRIL 2012 PRIJZEN CONSUMENTENPRIJS BPM PRIJS INCLU. BTW PRIJS EXCLU. BTW ENERGIELABEL 2.2D WD 2.2D AT WD 3.0 V6 AT WD 38.995,00 16.612,00 22.383,00 8.195,00 51.695,00

Nadere informatie

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene installatiehandleiding Alarmlicht met sirene INSTALLATIEHANDLEIDING ALARMLICHT MET SIRENE Gefeliciteerd met de aankoop van het Egardia alarmlicht met sirene. Website Egardia www.egardia.com Klantenservice

Nadere informatie

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe

Nadere informatie

De nieuwe Toyota Prius Wagon Nu al te koop!

De nieuwe Toyota Prius Wagon Nu al te koop! De nieuwe Toyota Prius Wagon Nu al te koop! pagina 04-05 pagina 06-09 pagina 10-15 - 1.8 Hybride aandrijving met CVT-automaat - 1.8 Hybride aandrijving - Gecombineerd met CVT-automaat - vermogen Gecombineerd

Nadere informatie

MEGANE COUPE CABRIOLET INSTRUCTIEBOEKJE

MEGANE COUPE CABRIOLET INSTRUCTIEBOEKJE MEGANE COUPE CABRIOLET INSTRUCTIEBOEKJE een passie voor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten

Nadere informatie

PRIJZEN EN SPECIFICATIES CAPTIVA

PRIJZEN EN SPECIFICATIES CAPTIVA PRIJZEN EN SPECIFICATIES CAPTIVA MY11, 1 FEBRUARI 2012 CONSUMENTENPRIJS CONSUMENTENPRIJS BPM PRIJS INCLU. BTW PRIJS EXCLU. BTW ENERGIELABEL 2.2D WD 2.2D AT WD 3.0 V6 AT WD 38.995,00 16.612,00 8.195,00

Nadere informatie

Snel starten GEBRUIKEN VAN DE ZENDER

Snel starten GEBRUIKEN VAN DE ZENDER Snel starten GEBRUIKEN VAN DE ZENDER H676G Uw zender is voorzien van vier knoppen waarmee u het voertuig kunt vergrendelen en ontgrendelen en waarmee alle veiligheidssystemen kunnen worden geactiveerd..

Nadere informatie

GEBRUIKSHANDLEIDING. Art. 866 DRIVERCARD 06DE1939A - 03/04. Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA

GEBRUIKSHANDLEIDING. Art. 866 DRIVERCARD 06DE1939A - 03/04. Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA GEBRUIKSHANDLEIDING Art. 866 DRIVERCARD 12 Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA 06DE1939A - 03/04 1 06DE1939A.pmd 1 GARANTIE Garantie bepaling INHOUD Introductie... pagina 2 1. DriverCard

Nadere informatie

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene

installatiehandleiding Alarmlicht met sirene installatiehandleiding Alarmlicht met sirene INSTALLATIEHANDLEIDING ALARMLICHT MET SIRENE Gefeliciteerd met de aankoop van het WoonVeilig alarmlicht met sirene. Telefoonnummer WoonVeilig 0900-388 88 88

Nadere informatie

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G05 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE CENTRALE VERGRENDELING Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076)

Nadere informatie

voor- & achterwaarts gericht Gebruiksaanwijzing groep gewicht leeftijd 0+/ kg 6m-4j

voor- & achterwaarts gericht Gebruiksaanwijzing groep gewicht leeftijd 0+/ kg 6m-4j voor- & achterwaarts gericht Gebruiksaanwijzing ECE R44 04 groep gewicht leeftijd 0+/1 0-18 kg 6m-4j 1 Dank u voor uw keuze voor de Besafe izi Combi ISOfix. BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig

Nadere informatie

PRIJZEN EN SPECIFICATIES AVEO 5-DEURS 1 JANUARI 2013, MODELJAAR 12.5

PRIJZEN EN SPECIFICATIES AVEO 5-DEURS 1 JANUARI 2013, MODELJAAR 12.5 PRIJZEN EN SPECIFICATIES AVEO -DEURS 1 JANUARI 2013, MODELJAAR 12. PRIJZEN* CONSUMENTENPRIJS BPM PRIJS INCL. BTW PRIJS EXCL. BTW ENERGIELABEL CO2-EMISSIE 1.29,00 AT Z 2.000,00 1.,00 17.39,00 20.6,00 18.29,00

Nadere informatie

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling

Nadere informatie

2013 Instructieboekje Chevrolet Camaro M

2013 Instructieboekje Chevrolet Camaro M 2013 Instructieboekje Chevrolet Camaro M Kort en bondig............... 1-1 Instrumentenpaneel............ 1-2 Basisinformatie................ 1-4 Voertuigkenmerken........... 1-11 Prestaties en onderhoud.....

Nadere informatie

De Leasewissel Autobrochure

De Leasewissel Autobrochure De Leasewissel Autobrochure Wilt u een proefrit of een offerte aanvragen? Neem dan contact op met ons kantoor via telefoonnummer 010 351 0025 of stuur een e-mail naar: info@lefiko.nl. LEFIKO automotive

Nadere informatie

2 Inleiding. Inleiding

2 Inleiding. Inleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 39 Opbergen... 56 Instrumenten en bedieningsorganen... 66 Verlichting... 98 Infotainmentsysteem...

Nadere informatie

Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93

Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Inleiding Het Car Access System (CAS) regelt de toegangsmogelijkheden tot de auto.ne De CASregeleenheid

Nadere informatie

604.31.649 NL INSTRUCTIEBOEK ALFA

604.31.649 NL INSTRUCTIEBOEK ALFA 604.31.649 NL INSTRUCTIEBOEK ALFA 147 Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa 147 is ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te garanderen. Dit instructieboekje

Nadere informatie

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u het instructieboekje

Nadere informatie

BTW auto (zakelijke klanten kunnen BTW verrekenen) Vraagprijs Euro 16.495,=

BTW auto (zakelijke klanten kunnen BTW verrekenen) Vraagprijs Euro 16.495,= UITVOERING V70 Momentum Diesel (Type 135) 2.0D 100KW 136PK (D4204T) Handgeschakeld 6 versnellingen (M66W/50L) Grijs (492 Saville Grey Pearl) 27-NHD-5 190.000 KM (laatste reguliere onderhoud gehad op 180.000KM,

Nadere informatie

Uitschakelen in noodgevallen Doe de touch-key kort in de opening op het bedieningspaneel. Het alarm zal uitgaan.

Uitschakelen in noodgevallen Doe de touch-key kort in de opening op het bedieningspaneel. Het alarm zal uitgaan. Basis handeling Het systeem inschakelen Kort op de grote (in-/uitschakelen) knop drukken. Alarm klinkt eenmaal kort. Voortentlamp gaat 30 seconden aan. Het duurt 15 seconden voordat het alarm op beweging

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de

Nadere informatie

FordTransit prijslijst

FordTransit prijslijst Prijzenbladnr. 2817R Ingaande: 1 juli 2011 FordTransit prijslijst Ford official sponsor destinationfootball Feel the difference 1 Business Pack voor 500,- Business Pack bestaat uit: 5-inch kleurennavigatie

Nadere informatie

gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw VOLVO XC90 quick guide

gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw VOLVO XC90 quick guide VOLVO XC90 quick guide gefeliciteerd MeT de AAnkOOP VAn Uw nieuwe VOlVO! Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen. Neem deze Quick Guide door om nog meer plezier te hebben van uw nieuwe Volvo.

Nadere informatie

INSTALLATIE HANDLEIDING MKR 41

INSTALLATIE HANDLEIDING MKR 41 INSTALLATIE HANDLEIDING MKR 41 MKR41 HI-SEC DEZE KIT BESTAAT UIT: 1. Elektronische module met een startonderbrekingssysteem, knipperlichtsignalering, aansluitingen voor alle typen deurvergrendeling en

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

FIAT ULYSSE 603.45.458 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT ULYSSE 603.45.458 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT ULYSSE 603.45.458 NL INSTRUCTIEBOEK WEGWIJS IN UW AUTO Fiat-CODE... 7 Diefstalalarm... 12 Start-/contactslot... 14 Portieren... 14 Kinderveiligheidsslot... 19 Zitplaatsen voor... 20 Zitplaatsen achter...

Nadere informatie