INHOUDSOPGAVE ECONOMIE HAVO

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "INHOUDSOPGAVE ECONOMIE HAVO"

Transcriptie

1 INHOUDSOPGAVE ECONOMIE HAVO (de onderdelen die alleen voor de totaal-vakkers gelden, zijn met * aangemerkt) ONDERDEEL 1: PRODUCTIE - 1. Over schaarse goederen, blz Over (bruto) toegevoegde waarde en welvaart, blz Over arbeidsaanbod en arbeidsvraag, blz Over investeringen, blz Over de balans en de resultatenrekening, blz Over het break-even-punt, blz Over collectieve lasten en collectieve uitgaven, blz Over directe belastingen, blz Over het financieringssaldo en de staatsschuld, blz Over internationale handel, blz Over de economische kringloop*, blz Over conjunctuur en structuur, blz Over recessie en de conjunctuurcyclus*, blz Over nominale en reële ontwikkelingen, blz. 38 ONDERDEEL 2: MARKTEN Over een marktmodel, blz Over de prijselasticiteit van de vraag, blz Over marktvormen, blz Over omzet, lineaire kosten en winst bij een polypolie*, blz Over een monopolist, blz Over minimum- en maximumprijzen, blz Over economische orde en economische politiek*, blz. 55 ONDERDEEL 3: GELD EN BANKEN Over omloopsnelheid en geld, blz Over primaire, secundaire banken en de Centrale Bank*, blz Over de liquiditeitsmassa (M3)*, blz Over de vermogensmarkt*,blz Over de monetaire politiek van de ECB*, blz Over inflatie, blz Over de betalingsbalans, blz Over de valutamarkt, blz Over stabiele wisselkoersen*, blz. 75 ONDERDEEL 4: ARBEID Over de arbeidsmarkt, blz Over werkloosheid, blz Over loonstijgingen, blz. 80 ONDERDEEL 5: INKOMENS Over de Lorenzcurve, blz Over de categoriale inkomensverdeling*, blz Over sociale zekerheid*, blz. 87 1

2 1. OVER SCHAARSE GOEDEREN Mensen hebben behoefte aan goederen (de vraag); de meeste moeten nog geproduceerd worden, de zgn. schaarse goederen (het aanbod). Daarvoor zijn productiefactoren (zoals arbeid, kapitaal, grond, ondernemerschap) nodig, die leiden tot toegevoegde waarden / inkomens (zoals loon, rente, pacht, winst). Schaarse goederen worden in drie groepen verdeeld: 1. Individuele goederen: goederen die door particuliere bedrijven worden geleverd en waarvoor men de kostprijs plus een winstopslag betaalt, b.v. boodschappen doen bij een supermarkt (of: particulier onderwijs) 2. Quasi-collectieve goederen: individuele goederen die door de overheid worden geleverd, maar waarvan men soms de kostprijs betaalt (b.v. stroom), soms een bijdrage daarin (b.v. het meeste onderwijs), maar waarin in principe nooit een winstopslag voor de overheid verwerkt zit; de term quasi betekent alsof, de goederen lijken collectief, maar zijn dat niet omdat mensen uitgesloten kunnen worden van het gebruik ervan indien ze niet betalen, denk aan het meeste onderwijs (collegegeld) en de stroomvoorziening (stroomnota). 3. Zuiver collectieve goederen: door de overheid geleverde goederen die niet in stukjes te verkopen zijn en waarvan niemand uitgesloten kan worden, ook al betaalt men er niet voor; betaal je b.v. geen belastingen, dan kun je niet uitgesloten worden van de bescherming van dijken of van het licht van een straatlantaarn. Soms is het moeilijk te onderscheiden of een goed quasi-collectief of individueel is. Dat ligt er b.v. aan of een overheidsbedrijf geprivatiseerd is, d.w.z. van de collectieve sector is overgebracht naar de private (particuliere) sector. Is dit het geval, zoals bij de Nederlandse Spoorwegen (NS) het geval is, dan is het product (hier: een treinkaartje) dus een individueel goed en niet quasi-collectief, zoals dat vroeger het geval was. Ook is het soms moeilijk aan te geven of een goed collectief is of quasi-collectief. Snelwegen in Frankrijk zijn bijvoorbeeld quasi-collectief (men moet tol betalen, anders wordt men uitgesloten), terwijl die in Nederland over het algemeen (nog) als collectieve goederen zijn aan te merken. Schematisch: Schaarse goederen (in Nederland) individueel quasi-collectief zuiver collectief b.v. -treinkaartje b.v. - onderwijs (meestal) b.v.- dijken -stroom (nu) - stroom (vroeger) - asfaltweg -lantaarn in mijn tuin - parkeerbon - straatlantaarn 2

3 Het economische begrip schaars moet men goed onderscheiden van het begrip zeldzaam. Een goed is volgens economen schaars als zij aan twee voorwaarden voldoet: 1. Er moet behoefte aan zijn (er moet vraag zijn). 2. Er moeten productiemiddelen voor opgeofferd worden om ze te maken (het aanbod moet gemaakt worden). Zo zijn aardbevingen in Nederland zeldzaam, omdat ze bijna niet voorkomen; ze zijn echter niet schaars, want er is geen behoefte aan. Zo is lucht in een lokaal niet schaars, omdat er geen productiemiddelen voor opgeofferd hoeven te worden om lucht te maken. Lucht in een onderzeeboot of in een fietsband is wel schaars, omdat er b.v. arbeid of kapitaal voor opgeofferd moet worden om de lucht in een fietsband of onderzeeboot te krijgen. Als het om schaarste gaat, gaat het dus altijd om vraag en aanbod; stijgt de vraag naar appels en blijft het aanbod gelijk, dan worden de appels schaarser en zal de prijs van appels gaan stijgen. Schaarse goederen hebben dus over het algemeen een prijs: men moet ervoor betalen. Men zegt wel eens: voor niets gaat de zon op, dat betekent dat de zon een vrij goed is. Een geproduceerde zon, b.v. in een zonnebank, is natuurlijk wel schaars: het kost b.v. stroom. Voorbeelden goederen/ diensten Wel behoefte aan Wel productie middelen opofferen Geen behoefte aan Geen productie middelen opofferen Wel schaars brood X X X lucht in een X X X lokaal lucht in een X X X fietsband een X X aardbeving bramen in het X X X bos bramen in de X X X supermarkt kraanwater X X X water in een X X X bergbeekje zonlicht X X X buiten zonlicht in een X X X zonnebank gratis X X X reclamefolders een dijk X X X onderwijs X X X bosweg X X X Niet schaars 3

4 2. OVER (BRUTO) TOEGEVOEGDE WAARDE EN WELVAART Bij productiemeting in een land moet men niet de omzetten van alle bedrijven optellen, maar uitgaan van de Bruto Toegevoegde Waarden (TW) van die bedrijven (en overheid), anders telt men bepaalde onderdelen van het productieproces dubbel, omdat ze reeds bij een ander geteld zijn als productie; daarom nemen we de toegevoegde waarde, dit is: Bruto TW = omzet minus alle ingekochte spullen (d.w.z. ingekochte grondstoffen, diensten van derden, ingekochte halffabrikaten, ingekochte goederen.) Dus alles wat men inkoopt bij een ander (de zgn. onderlinge leveringen), moet men afhalen van zijn eigen omzet, om te bepalen wat jezelf hebt geproduceerd of toegevoegd aan dingen die er reeds waren. Een voorbeeld: BOER GRAAN: 100,- MEELFABRIEK MEEL: 200,- BAKKER CONSUMENT BROOD: 300,- De boer verkoopt graan aan de meelfabriek voor 100,-; deze maakt er meel van en verkoopt dit voor 200,- aan de bakker; deze maakt er brood van en verkoopt dit aan de consument voor 300,-. De som van de omzetten is 600,-. Echter wordt dan het graan en het meel vaker dan 1 keer geteld; dit gebeurt niet als men de toegevoegde waarde neemt: TW boer = = 100 TW meelfabriek = = 100 TW bakker = = 100 4

5 De som van de toegevoegde waarden is nu 300,- en dit is de echte productie! Deze bestaat uit toegevoegde productiefactoren, dus uit arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap die men zelf toevoegt aan reeds bestaande zaken. Deze productiefactoren moet men wel betalen als ondernemer: de arbeiders geven we loon, de kapitaalverschaffers geven we rente, de natuurverschaffers geven we pacht en de ondernemer krijgt de winst. Dus de toegevoegde waarden bestaan uit de optelsom van lonen, renten, winsten en pachten; dit zijn de inkomens voor iedereen die meedoet aan het productieproces. De netto toegevoegde waarden van de overheid bestaat alleen uit de lonen (de ambtenarensalarissen), omdat de overheid geen winst maakt en we afzien van pacht en rente aldaar. De optelsom van de netto toegevoegde waarden van de bedrijven en overheid van een land heet tezamen het Netto Nationaal Product; deze is dus gelijk aan het Netto Nationaal Inkomen, want elke productie schept zijn eigen inkomen. Houden we ook rekening met de afschrijvingen (waardevermindering van machines door slijtage), dan verkrijgt men de bruto toegevoegde waarden en dus ook het Bruto Nationaal Product. Deze afschrijvingen blijven binnen de bedrijven (en overheid), worden dus niet uitgekeerd aan personen, maar gebruikt voor vervanging van versleten machines. Deze afschrijvingen zitten verwerkt in de verkoopprijzen en dus ook in de omzetten van de bedrijven (waar dus in feite alles nog inzit: afschrijvingen, BTW, loonkosten, directe belastingen, etc.) De afschrijvingen zitten dus nog in de Bruto Toegevoegde Waarden, maar niet meer in de Netto Toegevoegde Waarden. Voorbeeld: - omzetten bedrijven: 800 miljard - onderlinge leveringen bedrijven: 250 miljard - afschrijvingen bedrijven: 50 miljard - lonen, renten, pachten bij bedrijven: 400 miljard Bepaal het Bruto en Netto Nationaal Product en de winsten van de bedrijven (als we even afzien van ambtenarensalarissen). Uitwerking Onderstaand schema kan altijd helpen bij dit soort opgaven: omzetten onderlinge leveringen = bruto toegevoegde waarden = afschrijvingen - 50 = netto toegevoegde waarden = lonen, renten, pachten = winsten = 100 Het BNP is dus 550 mrd. en het NNP is 500 mrd.; de winsten zijn 100 mrd. 5

6 Ingekochte spullen Toegevoegde productiefactoren: - Arbeid: loon - Kapitaal: rente - Natuur: pacht - Ondernemerschap: winst + machines: afschrijvingen Omzet Bruto Toegevoegde Waarde NB: 1. Het Bruto Nationaal Product is dus altijd meer dan het Netto Nationaal Product. 2. Meestal spreekt men van Bruto Binnenlands Product i.p.v. Bruto Nationaal Product: men heeft het dan over productie binnen de landsgrenzen van een land, ongeacht door welke nationaliteit dat gebeurt. Voor welvaartsgroei moeten we ook rekening houden met positieve en negatieve externe effecten. We moeten dan onderscheid maken tussen welvaart in enge zin en welvaart in ruime zin. Bij enge zin gaat het alleen om productiegroei per hoofd van de bevolking (en dus om een reële inkomensgroei per hoofd = koopkrachtverbetering per hoofd). Het gaat dus bij welvaart in enge zin alleen om geld. Bij welvaart in ruime zin gaat het ook om zaken als behoefte aan vrije tijd, behoefte aan stilte en behoefte aan een schoon leefmilieu (moeilijk in geld uit te drukken). Stijgt b.v. de productie per hoofd met 3%, dan stijgt de welvaart in enge zin. Maar als door deze productiegroei het milieu met 4 % achteruit gaat, zijn de negatieve externe effecten groter dan de positieve productiegroei en daalt dus de welvaart in ruime zin met ongeveer 1%, want: 3% - 4% = -1%. 6

7 Voorbeeld Het Centraal Bureau voor de Statistiek van een land heeft ten behoeve van de schatting van de economische prestaties in het afgelopen jaar de volgende gegevens verzameld: - de totale bevolking is met 2% toegenomen; - de verkoopwaarde van de door bedrijven en overheid voortgebrachte goederen en diensten bedroeg 350 miljard; - de afschrijvingen van bedrijven en overheid bedragen 50 miljard; - door bedrijven en overheid is voor 165 miljard aan goederen en diensten ingekocht; - er heeft geen handel met het buitenland plaatsgevonden; - de productie van bedrijven en overheid 2% groter dan het afgelopen jaar; - ten behoeve van de bouw van woningen, industrieterreinen en wegen is het natuurlijk areaal met 0,5% (zijnde 85 km 2 ) afgenomen; - de hoeveelheid huishoudelijk afval per inwoner is gestegen van 500 kg naar 510 kg. VRAGEN: a. Is hier sprake van een verschil tussen Nationaal en Binnenlands Product? b. Bereken de grootte van enerzijds het Netto Nationaal Product (NNP) / Netto Binnenlands Product (NBP) en anderzijds Bruto Nationaal Product (BNP) / Bruto Binnenlands Product (BBP). c Geef hier een gemotiveerd oordeel over de ontwikkeling van de welvaart in ruime zin. ANTWOORDEN: a. Nee, aangezien er geen handel met het buitenland optreedt. b. BNP (= BBP) = = 185 miljard NNP (= NBP) = = 135 miljard c. De groei van de productie is gelijk aan de bevolkingsgroei, zodat gemiddeld dat is per hoofd van de bevolking de productie niet is toegenomen. Wanneer we rekening houden met het afnemen van de voorraad natuurlijke bronnen en met de toename van de hoeveelheid huishoudelijk afval, moeten we concluderen tot een afname van de welvaart in ruime zin. 7

8 3. OVER ARBEIDSAANBOD EN ARBEIDSVRAAG We kunnen het arbeidsaanbod (= beroepsbevolking), dat wil zeggen het aantal arbeiders dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt enerzijds en de arbeidsvraag (= werkzame beroepsbevolking), dat wil zeggen het aantal mensen dat gevraagd wordt door de werkgevers anderzijds, cijfermatig halen uit de bevolking: BEVOLKING in Nederland ,15 MILJOEN - MENSEN JONGER DAN 15 EN OUDER DAN 64: 5,22 MILJOEN = BEROEPSGESCHIKTE BEVOLKING: 10,93 MILJOEN - NIET-ACTIEVEN (huisvrouwen, arbeidsongeschikten, vutters): 3,19 MILJOEN = BEROEPSBEVOLKING = ARBEIDSAANBOD 7,74 MILJOEN - WERKLOZEN: 0,27 MILJOEN = WERKZAME BEROEPSBEVOLKING = ARBEIDSVRAAG 7,47 MILJOEN We kunnen uit deze getallen twee belangrijke economische percentages berekenen: 1. Participatiegraad (of: deelnemingspercentage): geeft aan hoeveel procent van het aantal mensen dat geschikt is om te werken, zich daadwerkelijk aanbiedt op de arbeidsmarkt: participatiegraad = beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100% = 7,74 / 10,93 * 100% = 70,8% Deze participatiegraad kan stijgen, doordat bijvoorbeeld: meer vrouwen zich melden op de arbeidsmarkt (b.v door emancipatie, kinderopvang, etc.) arbeidsongeschikten worden herkeurd en weer op de arbeidsmarkt komen door aanmoedigingseffect meer studenten eerder gaan werken (voor meer dan 12 uur per week) 2. Werkloosheidspercentage: geeft aan hoeveel procent van de beroepsbevolking werkloos is: werkloosheidspercentage = werklozen / beroepsbevolking * 100% = 0,27 / 7,74 * 100% = 3,5% 8

9 4. OVER INVESTERINGEN Investeren betekent het kopen van kapitaalgoederen (b.v. machines, gebouwen, dijken, etc.) door bedrijven (en de overheid). Er dan ook diverse soorten investeringen te onderscheiden: Bruto investeringen (alle investeringen in een jaar) Netto investeringen (uitbreidingsinvesteringen): de productiecapaciteit neem toe Vervangingsinvesteringen (afschrijvingen): de productiecapaciteit blijft op peil uitbreidingsinvesteringen in vaste activa voorraadinvesteringen (uitbreiding in vlottende activa (deze kan vaak negatief zijn, men gaat dan desinvesteren!) Breedte investeringen (een zelfde type machines) gelijke kapitaalintensiteit Diepte investeringen (modernere machines) de kapitaalintensiteit neemt toe Conclusies: 1. Bruto = netto + afschrijvingen 2. Netto = uitbreidingsinvesteringen in vaste + in vlottende 3. Uitbreidingsinvesteringen in vaste = breedte + diepte. 4. Een toename van de voorraden betekent een investering, omdat de goederen nog niet zijn verkocht, dus nog geen consumptiegoederen zijn, maar nog steeds kapitaalgoederen: het bedrijfsgeld zit dus nog in de voorraad goederen. Zijn de voorraden wel verkocht, dan is het geen investering meer, want het bedrijfsgeld is vrij gekomen en zit nu b.v. in de bedrijfskas. NB: In de praktijk loopt dit schema wel eens door elkaar heen, omdat b.v. een vervangingsinvestering vaak ook deels een diepte-investering betekent. Een bedrijf schaft bij vervanging namelijk meestal een nieuwer type machine aan, waarmee vaak niet alleen een stukje capaciteit wordt vervangen, maar ook wordt uitgebreid, omdat deze machine meer kan. Ook kan het bij een diepte-investering soms gaan om een verbeteringsinvestering (b.v. het aanleggen van een airconditioning in een slagerij). 9

10 5. OVER DE BALANS EN DE RESULTATENREKENING Een balans is een vermogensoverzicht van een bedrijf, waarbij aan de creditzijde staat waar het vermogen vandaan komt (zelf ingebracht vermogen of geleend vermogen), d.w.z. eigen of vreemd vermogen (= schulden) en aan de debetzijde staat waar het vermogen is ingestoken (in de zogenaamde kapitaalgoederen of activa = bezittingen). Hoe ziet een balans eruit? debet BALANS credit Bezittingen Eigen vermogen Schulden Totaal y Totaal Y Let erop dat het balanstotaal altijd gelijk is aan beide kanten en dat dit ook zo blijft, omdat het eigen vermogen daar altijd voor zorgt. Het eigen vermogen wordt ook wel eens op de volgende manier berekend: BEZITTINGEN - SCHULD = EIGEN VERMOGEN. Of ook wel: Of: BEZITTINGEN = EIGEN VERMOGEN + SCHULD DEBET (ACTIVA) = CREDIT (PASSIVA) Het eigen vermogen op een balans van een eenmanszaak heet gewoon eigen vermogen; het eigen vermogen op een balans van een N.V. heet aandelenvermogen (plus de reserves, b.v. winstreserve). debet BALANS credit VASTE ACTIVA (alles wat je langer dan 1 jaar in je bezit hebt) a. Gebouwen b. Transportmiddelen. c. Inventaris d. Machines VLOTTENDE ACTIVA (alles wat je korter dan 1 jaar in je bezit hebt) e. Debiteuren f. Voorraad goederen EIGEN VERMOGEN h. Geplaatst aandelen kap. i. Reserves LANG VREEMD VERMOGEN (schulden die je langer dan een jaar hebt) j. Hypotheek k. Obligatielening KORT VREEMD VERMOGEN (schulden die je korter dan een jaar hebt) l. Crediteuren m. Belastingschuld LIQUIDE MIDDELEN (meest vloeibare vorm van vermogen) g. Kas g. Bank Totaal: X Totaal: X 10

11 Debiteuren zijn mensen waar jij nog geld van krijgt en crediteuren zijn mensen, waaraan jij nog geld moet betalen. Inventaris betekent inboedel, d.w.z. magazijnstellingen, toonbanken, computers, etc. Worden de schulden groter dan de bezittingen, dan wordt het eigen vermogen negatief en is het bedrijf failliet. Op een resultatenrekening staan de kosten en de opbrengsten van het bedrijf in het lopende jaar. Hieruit is dus ook de toegevoegde waarde te bepalen van het bedrijf door van de omzet de ingekochte spullen af te halen. Ook is er natuurlijk de winst te bepalen, als restant van de toegevoegde waarde, nadat de lonen, renten en pachten eraf zijn. Kosten Inkopen Resultatenrekening Opbrengsten Omzet Kosten productiefactoren Winst Bedrag x Bedrag x Dus: toegevoegde waarde = omzet - inkopen En: toegevoegde waarde = kosten productiefactoren (lonen, renten, pachten) + winst Opmerkingen: 1. Op een balans staan dus geen kosten en opbrengsten; wel kan er eventueel op het eind van het jaar het winstsaldo op staan. 2. Een balans is een momentopname, een voorraadgrootheid. 3. Op een resultatenrekening zet men de kosten en opbrengsten, die in het loop der jaar zijn ontstaan, het is dus een stroomgrootheid.. 4. Van een balans zijn een aantal kengetallen af te leiden: - liquiditeit (hoe goed zijn we bij kas, ons vloeibare ( liquid ) vermogen: kunnen we de korte schulden betalen?) - solvabiliteit (kunnen we alle schulden afbetalen met ons eigen vermogen, als het bedrijf nu zou stoppen, nu dus zou oplossen? ( solution ) Liquiditeit = (vlottende activa + liquide middelen) / kortlopende schulden (deze moet groter zijn dan 1,5 of 2) Solvabiliteit = eigen vermogen / totaal vermogen * 100% (deze moet groter zijn dan 50%) 11

12 6. OVER HET BREAK-EVEN-PUNT De kosten van een bedrijf worden onderscheiden in constante en variabele kosten. De constante kosten heeft men al bij een productie van nul stuks, en bestaan in het bijzonder uit de afschrijvingskosten en interestkosten van machines en gebouwen. De variabele kosten ontstaan pas als men gaat produceren en bestaan vooral uit de grondstofkosten (bij een industriële onderneming), de inkoopprijs van het product (bij een handelsonderneming) en de loonkosten van het uitzendpersoneel. De variabele kosten stijgen meestal proportioneel, d.w.z. stijgen recht evenredig met de productie, want dan is namelijk heel gemakkelijk het breakeven-punt uit te rekenen. Men heeft dan namelijk een lineaire kostenvergelijking en grafisch is dit een rechte lijn. Bij het break-even-punt zijn de kosten en de opbrengsten gelijk aan elkaar, men maakt dus winst noch verlies; men speelt quitte. Als men de break-even-omzet moet berekenen moet men de break-even-afzet vermenigvuldigen met de verkoopprijs. Algemeen geldt: 1. Kosten: TK = TVK + TCK waarbij: TK = totale kosten, TVK = totale variabele kosten, TCK = totale constante kosten. Verder geldt dat: TVK = GVK * q waarbij GVK = variabele kosten per product of gemiddelde variabele kosten 2. Omzet: TO = P * Q waarbij: P = verkoopprijs en Q = afzet 3. Winst: TW = TO - TK waarbij TW = totale winst Nu geldt in het break-even-punt: TW = 0 Of: TO - TK = 0 Dus: TO = TK 12

13 Men vindt dan eerst de break-even-afzet q en kan dan simpel de break-evenomzet in euro s vinden door deze q te vermenigvuldigen met de verkoopprijs, dus: BEO = BEA * PRIJS VOORBEELD Verkoopprijs: 10,- Variabele kosten per product: 4,- Totale constante kosten: ,- Bepaal de Break-even-afzet (BEA) en de Break-even-omzet (BEO). Er volgt nu: TO = 10 Q en TK = 4 Q TO = TK 10 Q = 4 Q Q = Q = Dus: BEA = stuks En: BEO = BEA * p = stuks * 10,- per stuk = ,- Grafisch: - de omzetlijn (TO) start altijd in de oorsprong - de totale kostenlijn (TK) start altijd ter hoogte van de totale constante kosten - het snijpunt in de grafiek van deze twee heet break-even-punt (BEP) - de afzet Q die daar bij hoort heet break-even-afzet (BEA, op q as) en de omzet die daar bij hoort heet break-even-omzet (BEO, op -as). TO TK BEO BEP TCK 0 BEA Q 13

14 Hoe zit het nu met GTK, GVK en GCK? GVK = TVK / q GCK = TCK / q GTK = TK / q = (TVK + TCK) / q = TVK /q + TCK / q = GVK + GCK Een voorbeeld TK = 4 Q (zie hierboven) Productie q GVK TVK TCK GCK TK GTK , , Opmerkingen: 1. Als q = 0, bestaan er geen gemiddelde kosten, want delen door nul is flauwekul. 2. GVK blijft steeds gelijk, hier 4 geldeenheden, waardoor de TVK lineair stijgen, dat heet ook wel: proportioneel stijgende variabele kosten. 3. De TCK blijven steeds gelijk, maar de GCK daalt naarmate q toeneemt, want de TCK worden uitgesmeerd over steeds meer producten. 4. De TK is steeds TVK plus TVK; de GTK is steeds TK / q, maar ook is dus de GTK steeds gelijk aan GVK plus GCK. 5. De GTK heet ook wel kostprijs, d.w.z. alle kosten per product; dit moet men goed onderscheiden van de verkoopprijs, die natuurlijk hoger moet zijn dan de kostprijs. 6. We zien hierboven dat de break-even-afzet inderdaad stuks is, zoals eerder berekend, want bij stuks is de GTK gelijk aan de verkoopprijs van 10 geldeenheden en maakt men geen winst en geen verlies. 7. De winst is dus maximaal als de productie q maximaal is (dus bij de productiecapaciteit), want de verkoopprijs blijft steeds gelijk, maar de GCK neemt steeds af (en de GVK blijft steeds gelijk), waardoor de GTK ook steeds afneemt en het verschil tussen verkoopprijs en GTK steeds groter wordt; de winst per stuk wordt dus steeds groter en daarmee dus ook de totale winst. 14

15 7. OVER COLLECTIEVE LASTEN EN COLLECTIEVE UITGAVEN Onder de collectieve sector verstaat men de overheid (het Rijk en de lagere overheden) en de sociale verzekeringsfondsen (volks- en werknemersverzekeringen). Door de burgers moet aan deze collectieve sector betalingen verricht worden, de zgn. collectieve lasten, zodat de collectieve sector haar collectieve uitgaven (b.v. wegen aanleggen, uitkeringen betalen) kan financieren. De belastingen en niet-belastingen betaalt men aan de overheid en de sociale premies betaalt en aan de sociale fondsen (zoals de UWV = Uitvoering Werknemersverzekeringen en de SVB = Sociale Verzekeringsbank) De collectieve lasten zijn dus de inkomsten voor de collectieve sector, die als een last op de burger drukken. Hoe delen we deze collectieve lasten in? collectieve lasten betalingen aan de overheid betalingen aan de sociale verzekeringsfondsen belastingen niet-belastingen sociale premies directe indirect retributies andere premies premies volks- werkverzekeringen nemersverzek. loonbelasting, B.T.W., collegegeld, verkeers- W.W. en AOW- en vennootschaps- accijnzen parkeergeld boetes, W.I.A.premie A.W.W.- belasting staatsloterij premie NB de W.I.A. (Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen) is de opvolger van de WAO. 15

16 De uitgaven van de collectieve sector (= overheid + sociale fondsen) worden meestal zo ingedeeld: Collectieve Uitgaven Overheidsuitgaven SocialeVerzekeringsuitgaven (inkomensoverdrachten door Sociale Fondsen) b.v. W.I.A.- uitkering Overheidsbestedingen Overdrachtsuitgaven Uitgaven Staatsschuld (inkomensoverdrachten overheid) b.v. huursubsidie Overheidsconsumptie Overheidsinvesteringen Rente Aflossingen b.v. wegen aanleggen over op Staatsschuld Staatsschuld (aan beleggers) Ambtenarensalarissen b.v. salarissen docenten Materiële Overheidsconsumptie b.v. energiekosten 2 e Kamer NB: de rente en aflossingen over de staatsschuld worden vaak ondergebracht bij overdrachtsuitgaven (die de overheid gratis verstrekt), maar dat is zeker wat de rente betreft niet correct. Omdat rente een vergoeding is voor het afstaan van kapitaal door beleggers. Dus het is beter deze (samen met aflossing) onder een apart kopje in te delen. 16

17 8. OVER DIRECTE BELASTINGEN Directe belastingen worden geheven over de inkomens van personen (staan dan op naam van iemand, b.v. de loon - en inkomstenbelasting) of over de inkomens/winsten van organisaties (b.v. vennootschapsbelasting). Hier wordt alleen ingegaan op de inkomstenbelasting en om te bepalen hoeveel iemand moet betalen, wordt het inkomen ingedeeld in drie categorieën of boxen. Voor elke box geldt een apart belastingtarief: Box 1: inkomen uit werk en woning; hier geldt een progressief tarief: oplopende percentages Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang: hier geldt een proportioneel tarief: 1 percentage. Box 3: inkomen uit sparen en beleggen, hier geldt een proportioneel tarief: 1 percentage 30% van 4% fictief rendement (dus 1,2% van het vermogen) Box 1 Het gaat hier dus om loon, pensioen en winst uit het eigen bedrijf (b.v. eenmanszaak) Ook moet iedere eigenaar van een eigen huis zijn inkomen in deze box verhogen met een bepaald percentage van de waarde van zijn huis, het zgn. eigen woning forfait. Dit is een percentage, b.v. 0,60% (of: 6 promille) van de waarde van het huis (de zgn. W.O.Z.-waarde, de waarde volgens de Wet Waardering Onroerende Zaken, bepaald door gemeenten). De overheid ziet dit forfait als een denkbeeldig inkomen uit het eigen huis, omdat je tenslotte je geld belegt in zo n huis en de waarde ervan kan toenemen; daarom moet je dus een bedrag optellen bij je bruto-inkomen (soort optelpost). Verder heeft een bezitter van een eigen huis wel een aftrekpost in de vorm van hypotheekrente, die hij betaalt aan de bank (de aflossing is dus niet fiscaal aftrekbaar!). Hoe vindt men nu het belastbaar inkomen, d.w.z. het inkomen waarover je daadwerkelijk de belastingen en premies volksverzekeringen moet betalen? Looninkomen plus: eigen woning forfait = inkomen uit werk en woning minus: aftrekposten (b.v. hypotheekrente) = belastbaar inkomen. Het belastbaar inkomen in deze box wordt belast volgens een schijventarief, er zijn vier schijven; men moet zijn belastbaar inkomen dus in vier stukken hakken en elk stuk wordt verschillend belast, waarbij het hoogste stuk het zwaarst belast wordt, de marginale tarieven worden dus steeds hoger, bijvoorbeeld onderstaande tabel (die jaarlijks iets verandert): 17

18 Schijf van tot en met tarief (marginaal) % % % oneindig 52% Het marginale tarief loopt dus op, d.w.z. hoe meer men verdient, hoe meer extra men van de extra verdiensten aan belastingen moet betalen, daarom zal het gemiddelde tarief natuurlijk ook oplopen, als men meer verdient, moet men gemiddeld in procenten van het gehele inkomen ook meer belastingen betalen; dit stelsel is dus progressief. Dus: marginale druk (tarief) = extra belastingen / extra inkomen * 100 % En: gemiddelde druk (tarief) = te betalen belastingen / gehele inkomen * 100 % De gemiddelde druk is altijd lager dan de marginale druk en heeft in theorie een waarde tussen 0 % en 52%; de marginale druk is of 32% of 38% of 42% of 52% (in dit voorbeeld). De gemiddelde druk van iemand die een miljoen euro per jaar verdient, ligt dus dicht bij 52% Box 2 Wanneer iemand ten minste 5% bezit van de aandelen van een B.V. of N.V. spreekt men van een aanmerkelijk belang. Het inkomen uit aanmerkelijk belang (b.v. dividend) wordt belast met een tarief van 25% en is dus proportioneel, omdat de gemiddelde belastingdruk steeds 25% is. Box 3 De inkomsten uit sparen en beleggen worden berekend op basis van het gemiddelde vermogen in een jaar. Dit vermogen is het verschil tussen de waarde van de bezittingen en de schulden (exclusief het eigen huis, zie box 1). De fiscus gaat hierbij uit van een zgn. fictief rendement van 4 % van het vermogen, d.w.z. dat zij er van uitgaat dat spaarders een rendement (winstgevendheid, b.v. rente opbrengsten) hebben van 4% van hun vermogen; over deze 4% inkomsten van een belastbaar vermogen, wordt 30% belasting geheven, waarbij dus eigenlijk totaal 1,2% (= 30% van 4%) van het belastbare deel van het vermogen wordt belast. Heb je dit jaar minder dan 4% rente ontvangen, dan heb je pech, heb je meer dan 4% ontvangen, dan heb je geluk, want dan hoef je toch slechts over 4% van je belastbaar vermogen die 30% te betalen. Dit tarief is proportioneel. 18

19 Totaal: Heeft men nu via alle boxen zijn te betalen belastingen uitgerekend, dan moet men eerst deze bedragen optellen en dan mag er van het totaalbedrag aan belastingen een bepaald bedrag afgetrokken worden, de zgn. heffingskortingen, die per persoon kunnen verschillen (b.v. een kinderkorting op belastingen geldt alleen voor mensen met kinderen) Voorbeeld (waarin alles verwerkt is): Voor meneer Jansen geldt het volgende: - Arbeidsinkomen: ,- - Eigen woning forfait: 1200,- (= 0,6 % * ,-, de WOZ - waarde van het huis) - Hypothecaire lening: ,-: hij betaalde hierover 5% rente dit jaar. (het hypotheekbedrag is ongeveer 3 maal het jaarinkomen, een vuistregel bij banken); - Spaarrekening: gespaard bedrag begin v/h jaar: , - en aan het eind: ,- - Tarieven box 1, zoals boven gegeven - In box 3 is een vermogen van vrijgesteld van belastingen. - Heffingskorting: 2500,- (naast algemene korting van 2000, - nog andere kortingen, zoals kinderkorting, ter waarde van 500,-; dit alles staat in tabellen van de belastingdienst!). Zijn te betalen belastingen worden nu: Box 1: Eerst het belastbaar inkomen uitrekenen: , - plus: 1200,- = ,- (inkomen uit werk en woning) minus: 5% * = 9000 = belastbaar inkomen: ,- Dit belastbaar inkomen gaan we in 4 stukken hakken, elk met een eigen tarief: Schijf 1: van 0 t/m betaalt hij: 32 % * = 4800,- Schijf 2: van t/m betaalt hij: 38% * = 4560,- Schijf 3: van t/m betaalt hij: 42% * = 7980 Schijf 4: over het restant ( ) 6200 betaalt hij: 52% * 6200 = 3224,- Totaal betaalt hij volgens box 1 dus: = ,- Zijn gemiddelde druk in box 1 is nu: / * 100% = 34,27 % (als we nog geen rekening houden met inkomen in box 3 en de heffingskortingen!). 19

20 (Zijn marginale tarief is 52%, omdat hij met de top van zijn inkomen in schijf 4 zit en als hij iets extra s zou gaan verdienen, hij van dit extra s 52% aan belastingen kwijt zou zijn.) Van een ander iemand, die maar een belastbaar inkomen heeft van ,- (en een inkomen van b.v ,-) is dat procentueel veel minder: 4800 / * 100% = 24%. Dus in box 1 geldt een progressief tarief: bij stijgend (belastbaar) inkomen, stijgt de gemiddelde belastingdruk. Box 2: Volgens box 2 heeft meneer Jansen geen inkomen. Box 3: Zijn gemiddeld vermogen is in dit jaar: ,-, maar hij hoeft slechts over het rendement van het vermogensbedrag verminderd met de vrijstelling (een soort belastbaar vermogen dus) belasting te betalen, dus: over = ,- Het fictief rendement daarvan is: 4 % * = 460,- (is rente = inkomen in box 3); Hiervan 30% belastingen te betalen: 30% * 460 = 138,- (is 1,2% van ,-). Totaal: Zijn totaal te betalen belastingen zijn nu: Box 1: ,- Box 2: 0,- Box 3: 138,- Totaal: ,-. Hiervan gaat af, vanwege de heffingskortingen: 2500,- Te betalen: ,- De gemiddelde druk van het inkomen is nu (nadat alle boxen, heffingskortingen, e.d. in beschouwing zijn genomen): / * 100% = 30,34 %. NB: het fictieve inkomen in box 3 (hier: 460 euro), wordt in deze berekening meestal niet meegenomen, omdat het inkomen niet werkelijk gehaald is (anders werd de gemiddelde druk / ) * 100% = 30,1 %, een klein verschil dus). Overigens moeten we hierbij wel bedenken dat er maandelijks reeds belastingen en sociale premies worden ingehouden van mensen die in loondienst werken; dit noemen we de voorheffing op de inkomstenbelasting of ook wel: de loonheffing. Het gaat hierbij om loonbelasting en premies volksverzekeringen.aan het eind van het belastingjaar (een kalenderjaar) wordt pas gekeken of mensen teveel belasting betaald hebben of te weinig, middels de beruchte blauwe envelop die in januari/februari bij de meeste mensen in de bus valt. 20

INHOUDSOPGAVE ECONOMIE HAVO

INHOUDSOPGAVE ECONOMIE HAVO INHOUDSOPGAVE ECONOMIE HAVO (de onderdelen die alleen voor de totaal-vakkers gelden, zijn met * aangemerkt) ONDERDEEL 1: PRODUCTIE - 1. Inleiding Economie, blz. 2-2. Over (bruto) toegevoegde waarde en

Nadere informatie

INHOUDSOPGAVE ECONOMIE VWO (de onderdelen, die alleen voor de totaal-vakkers gelden, zijn met * aangemerkt)

INHOUDSOPGAVE ECONOMIE VWO (de onderdelen, die alleen voor de totaal-vakkers gelden, zijn met * aangemerkt) INHOUDSOPGAVE ECONOMIE VWO (de onderdelen, die alleen voor de totaal-vakkers gelden, zijn met * aangemerkt) ONDERDEEL 1: PRODUCTIE - 1. Inleiding economie, blz. 2-2. Over (bruto) toegevoegde waarde en

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Economie Pincode klas 4 VMBO-GT 5 e editie Samenvatting Hoofdstuk 7 De overheid en ons inkomen Exameneenheid: Overheid en bestuur

Economie Pincode klas 4 VMBO-GT 5 e editie Samenvatting Hoofdstuk 7 De overheid en ons inkomen Exameneenheid: Overheid en bestuur Paragraaf 7.1 Groeit de economie? BBP = Bruto Binnenlands Product, de totale productie in een land in één jaar Nationaal inkomen = het totaal van alle inkomens in een land in één jaar Inkomen = loon, rente,

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

H2: Economisch denken

H2: Economisch denken H2: Economisch denken 1 : Produceren Produceren: Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van de productiefactoren door bedrijven en de overheid. Alleen bedrijven en de overheid kunnen produceren

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

4.1 Klaar met de opleiding

4.1 Klaar met de opleiding 4.1 Klaar met de opleiding 1. Werken in loondienst - Bij een bedrijf of bij de overheid (gemeente, provincie, ministerie); - Je krijgt loon/salaris; - Je hebt een bepaalde zekerheid, dat je werk hebt,

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Economie Samenvatting M4

Economie Samenvatting M4 Economie Samenvatting M4 Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Ruilen over tijd is een belangrij onderdeel van economisch handelen. Dat geldt voor huishoudens, bedrijven en de overheid. Gezinnen sparen voor hun

Nadere informatie

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro.

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro. Grote opgave personele inkomensverdeling Blz. 1 van 4 personele inkomensverdeling Inkomensverschillen tussen personen kunnen te maken hebben met de verschillende soorten inkomen. 1 Noem drie soorten primair

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Domein Welvaart en Groei

Domein Welvaart en Groei Domein Welvaart en Groei Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Welvaart Welvaart Hoe je jouw wensen kan vervullen met producten. Dat is thuistaal. Voor een toets schrijf je op: de mate van behoeftebevrediging

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Domein Welvaart en Groei

Domein Welvaart en Groei Domein Welvaart en Groei Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Welvaart Welvaart Hoe je jouw wensen kan vervullen met producten. Dat is thuistaal. Voor een toets schrijf je op: de mate van behoeftebevrediging

Nadere informatie

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST OVER OMZET, KOSTEN EN WINST De Totale Winst (TW) van bedrijven vindt men door van de Totale Opbrengsten (TO), de Totale Kosten (TK) af te halen. Daarvoor moeten we eerst naar de opbrengstenkant van het

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

De overheid. Uitgaven: uitkeringen en subsidies. De overheid. Ontvangsten: belasting en premies. De grote herverdeler van inkomens

De overheid. Uitgaven: uitkeringen en subsidies. De overheid. Ontvangsten: belasting en premies. De grote herverdeler van inkomens Overheid H2 De overheid De grote herverdeler van inkomens Ontvangsten: belasting en premies De overheid Uitgaven: uitkeringen en subsidies De grote herverdeler van inkomens 2 De Nederlandse overheid Belangrijke

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016 TOELATINGSTOETS M&O VUL IN: Datum 14-1-2016 Naam en voorletters. Adres. Postcode. Woonplaats. Geboortedatum / / Plaats Land. Telefoonnummer. E-mail. Gekozen opleiding. OPMERKINGEN: Tijdsduur: 90 minuten

Nadere informatie

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen Economie module 4 Ruilen in de tijd 27 blz. werkboek = 1 ½ blz. per les H1 par 1 & 2 vb.1 O O sparen om tijd storting + rente iets te kopen goederen kopen vb.2 O O geld lenen om tijd aflossing + rente

Nadere informatie

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 Inhoud 1 Inleiding 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 modellen 12 2 Markt of overheid 1 de vraag 14 Prijzen en gevraagde hoeveelheid 14 D De vraagfunctie 14 D Verschuiving

Nadere informatie

Aurington. Administratie en Advies

Aurington. Administratie en Advies Aurington Administratie en Advies Let op de houdbaarheidsdatum! Mei 5 Pincode 6 7 8 Boetes Dit jaar Deze maand De balans Tandorine B.V. Debet Activa Bezittingen Wat heb ik? Credit Passiva Vermogen Hoe

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: VWO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Inkomstenbelasting. Module 7 hoofdstuk 2

Inkomstenbelasting. Module 7 hoofdstuk 2 Inkomstenbelasting Module 7 hoofdstuk 2 Verschillende vormen inkomen, verschillende vormen belasting Verschillende boxen Box 1 Bruto inkomen uit arbeid (denk aan brutoloon) Inkomen uit koophuis Aftrekposten

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 maandag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 maandag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Examen VWO 28 tijdvak 1 maandag 26 mei 13.3-16.3 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

Toegepast Rekenen Opdrachten:

Toegepast Rekenen Opdrachten: Toegepast Rekenen Opdrachten: Hfst 1: Rekenen Opdr. 1: a. 66 : 3 = c. -66 : (-3) = e. 12 - (+5) = b. 66 : (-3) = d. -12 + 5 = f. -12 (-5) = De omzet van een laptopwinkel is 15.000,-. De verkoopprijs per

Nadere informatie

Leuker kunnen we het niet maken

Leuker kunnen we het niet maken Leuker kunnen we het niet maken Belastingen: blij met een blauwe envelop? De beruchte blauwe envelop belastingaangifte! De overheid heeft het recht om heffingen aan burgers op te leggen om inkomsten te

Nadere informatie

1 De economische kringloop

1 De economische kringloop 1 De economische kringloop Wat is Marco-economonie? Studie van het verband tussen Gezinnen Bedrijven Overheid Buitenland Welke soorten economische vraagstukken hebben we? Productie Werkloosheid Inflatie

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 8 Over de grens?

Samenvatting Economie Hoofdstuk 8 Over de grens? Samenvatting Economie Hoofdstuk 8 Over de grens? 8.1 Waarom handel met het buitenland? Importeren = het kopen van goederen en diensten uit het buitenland. Waarom? -Goedkoper of van betere kwaliteit -Bepaalde

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid = mensen Door werkgevers: bedrijven en overheid Werkgelegenheid Hoe lager het loon, hoe groter de vraag naar arbeid Aanbod van arbeid: beroepsbevolking (iedereen tussen de

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden 3.1 De reis van een spijkerbroek 1 3.1 De reis van een spijkerbroek Bedrijfskolom = De weg die een product aflegt van grondstof tot eindproduct. Tussen elke schakel van de bedrijfskolom bevindt zich een

Nadere informatie

Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30. 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten. In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing.

Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30. 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten. In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten Opgave 1 In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Firma Balans produceert uitsluitend twee typen weegschalen,

Nadere informatie

17-4-2014. Onderwerpen: Wet op de inkomstenbelasting 2001

17-4-2014. Onderwerpen: Wet op de inkomstenbelasting 2001 Onderwerpen: Korte uitleg heffingssysteem inkomstenbelasting Korte uitleg heffingssysteem vennootschapsbelasting Vrijstellingen en heffingskortingen Aflossen eigenwoningschuld Familielening eigen woning

Nadere informatie

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving 1. Schaarste heeft in de economie een andere betekenis dan in het normale spraakgebruik. We spreken in de economie van schaarste als: a. De behoeften beperkt en

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Ruilen over de tijd Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Bedenk dat bij ruilen er altijd twee dingen gedaan worden. Je geeft wat en je krijgt wat terug. Als je twee keer ruilt - ruilen over de tijd

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Eindexamen economie havo 2011 - I

Eindexamen economie havo 2011 - I Opgave 1 AWBZ-zorgen Havo-leerling Dick besluit voor economie een profielwerkstuk te maken over de stijgende uitgaven van de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Hieronder staan drie delen van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

Handel (tastbare goederen) 61 35 + 26 Diensten (transport, toerisme, ) 5 4 + 1 Primaire inkomens (rente, dividend, ) 11 3 + 8

Handel (tastbare goederen) 61 35 + 26 Diensten (transport, toerisme, ) 5 4 + 1 Primaire inkomens (rente, dividend, ) 11 3 + 8 betalingsbalans Zweden behoort tot de EU maar (nog) niet tot de EMU. Dat maakt Zweden een leuk land voor opgaven over wisselkoersen, waarbij een vrij zwevende kroon overgaat naar een kroon met een vaste

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

Bedrijfseconomie. B-cluster BBBBEC2A.1

Bedrijfseconomie. B-cluster BBBBEC2A.1 Bedrijfseconomie B-cluster BBBBEC2A.1 Succes met leren Leuk dat je onze bundels hebt gedownload. Met deze bundels hopen we dat het leren een stuk makkelijker wordt. We proberen de beste samenvattingen

Nadere informatie

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij. 2.2 Kinderjaren Het krijgen van kinderen heeft voor ouders economische gevolgen: 1. Ouders krijgen minder tijd voor andere zaken en gaan bv. minder werken; 2. Kinderen kosten geld. De overheid komt ouders

Nadere informatie

Internationale handel H7 1. Internationale handel. Waarom importeren: 25-2-2013. Waar komt het vandaan?

Internationale handel H7 1. Internationale handel. Waarom importeren: 25-2-2013. Waar komt het vandaan? Internationale handel H7 1 Waar komt het vandaan? Economie voor het vmbo (tot 8,35 m.) Internationale handel Importeren = invoeren (betalen) Exporteren = uitvoeren (verdienen) Waarom importeren: Meer keuze

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43

Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43 Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43 25 januari 2011 proeftoets 100 minuten Opgave 1 Handelsonderneming Astan bv heeft gegevens verzameld. Deze gegevens zijn nodig voor het opstellen van de

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

Samenvatting Hoofdstuk 7 Welvaart, wie vaart er wel bij?

Samenvatting Hoofdstuk 7 Welvaart, wie vaart er wel bij? Paragraaf 1: Het nationaal inkomen Samenvatting Hoofdstuk 7 Welvaart, wie vaart er wel bij? Voor iedere productiefactor die gezinnen ter beschikking stellen, krijgen ze een beloning. In het schema kun

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

2 Constante en variabele kosten

2 Constante en variabele kosten 2 Constante en variabele kosten 2.1 Inleiding Bij het starten van een nieuw bedrijf zal de ondernemer zich onder andere de vraag stellen welke capaciteit zijn bedrijf moet hebben. Zal hij een productie/omzet

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Economie Elementaire economie 3 VWO

Economie Elementaire economie 3 VWO Economie Elementaire economie 3 VWO Les 13 Introductie overheid Ontwerp power point: Henk Douna docent: Jeannette de Beus De komende weken: de overheid Consumenten De markt Producenten Bijvoorbeeld Goederenmarkt

Nadere informatie

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur Examen VWO 2013 tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur economie Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 59 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met een

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2011 tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk vraagnummer

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

De resultatenrekening

De resultatenrekening De resultatenrekening format resultatenrekening kosten/uitgaven en opbrengsten/ontvangsten afschrijvingen rente eindbalans Joop Lengkeek Kamer H0.012 Email: Lengkeek.J@NHTV.nl www.jooplengkeek.nl 1 De

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd quiz beginner printen en uitsnijden of knippen. Bijlage

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

INLEIDING WET OP DE INKOMSTENBELASTING

INLEIDING WET OP DE INKOMSTENBELASTING INLEIDING WET OP DE INKOMSTENBELASTING ECONOMIE VMBO 3 VMBO TL 1 Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1: Box 1 berekenen Hoofdstuk 2: Box 3 berekenen Hoofdstuk 3: Alles bij elkaar Hoofdstuk 4: Handleiding

Nadere informatie

Grootverdiener zwaarder belast

Grootverdiener zwaarder belast 4 september 2009 Grootverdiener zwaarder belast AMSTERDAM - De PvdA zint op de terugkeer van een toptarief van 60 procent in de inkomstenbelasting. Het toptarief is nu 52 procent. Acht jaar geleden was

Nadere informatie

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord Categorie Vraag & Antwoord De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN Er zijn te weinig middelen om in alle behoeften te kunnen voorzien. Hoe heet dit verschijnsel?

Nadere informatie

Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting.

Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting. Hoofdstuk 4 Beoordeling van de liquiditeit Extra opgaven Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting. Opgave 4.4a De handelsonderneming Hartema vof heeft

Nadere informatie

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Financiering niveau 4 Examenopgaven voorbeeldexamen Belangrijke informatie Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Dit voorbeeldexamen

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2001-II

Eindexamen m&o vwo 2001-II 4 Antwoordmodel Opgave Het boekresultaat (winst of verlies) dat ontstaat bij verkoop van vaste activa /deelnemingen. Niet, want in een beoordelingsgesprek staat de beoordeling van de prestaties van de

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2012 tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur oud programma economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen.

Nadere informatie

Waarom gaan we investeren We verwachten winst te maken! Alleen rekening houden met toekomstige ontvangsten en uitgaven.

Waarom gaan we investeren We verwachten winst te maken! Alleen rekening houden met toekomstige ontvangsten en uitgaven. www.jooplengkeek.nl Investeringsselectie Waarom gaan we investeren We verwachten winst te maken! Alleen rekening houden met toekomstige ontvangsten en uitgaven. belangrijk Calculaties voor beslissingen

Nadere informatie

Uitwerking opgaven Brugboek 19.3, 19.5, 19.6 t/m 19.20 en 19.22

Uitwerking opgaven Brugboek 19.3, 19.5, 19.6 t/m 19.20 en 19.22 Uitwerking opgaven Brugboek 19.3, 19.5, 19.6 t/m 19.20 en 19.22 T/m 19.12 zijn activiteitskengetallen. Vanaf 19.13 Rentabiliteitskengetallen Opgave 19.3 A. Bereken de gemiddelde voorraad over 2013 Q1 1-1

Nadere informatie

Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo

Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo Sectie economie 2012-2013 1 Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo In de bovenbouw kunnen jullie in de vrije ruimte het vak M&O opnemen. Het is daarom handig om dit jaar al een aantal lessen

Nadere informatie