AUTONOOM IN EEN ONSTUIMIG MEDIALANDSCHAP

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "AUTONOOM IN EEN ONSTUIMIG MEDIALANDSCHAP"

Transcriptie

1 AUTONOOM IN EEN ONSTUIMIG MEDIALANDSCHAP Een onderzoek naar de maatschappelijke noodzaak en de status van mediaonderwijs gericht op de kritische consumptie van online journalistiek door scholieren in het voortgezet onderwijs MASTERSCRIPTIE Jelmer Mommers Studentnummer Master Journalistiek Rijksuniversiteit Groningen Studiepad dagbladjournalistiek Hoofdbegeleider: Prof. dr. M.J. Broersma Tweede lezer: Dr. A.R.J. Pleijter Datum: 18 maart 2012 Bovenstaande foto is volgens de voorwaarden in Creative Commons License 2.0 overgenomen van Flickr Op dit werk is een Creative Commons licentie van toepassing, zie de laatste pagina van dit bestand.

2 En verbeeld je, dat iemand aan boord van een schip maar mocht doen wat hij wilde, terwijl hij het inzicht en de vaardigheden van een stuurman miste; zie je niet reeds, wat er met hem en zijn medeopvarenden zou gebeuren? Socrates, in Plato s Alcibiades ii

3 SAMENVATTING In de toekomst zal journalistiek steeds vaker geconsumeerd worden via online media. Binnen die online mediaomgeving vervagen als gevolg van technologische, culturele en economische ontwikkelingen de formele grenzen tussen verschillende soorten informatie. Hierdoor wordt het steeds moeilijker om de kwaliteit van informatie te beoordelen en om bijvoorbeeld marketing van journalistiek te onderscheiden. Eerder onderzoek toont dat hedendaagse jongeren niet mediawijs zijn: ze beschikken onvoldoende over de informatievaardigheden, kennis en mentaliteit die ze nodig hebben om zich goed te informeren. Mediaonderwijs kan leerlingen helpen deze vermogens beter te ontwikkelen, zodat ze kritische gebruikers van journalistiek kunnen worden. Dit is geen doel op zich, maar een noodzakelijke voorwaarde voor democratisch burgerschap. Middels diepte-interviews met twaalf mediacoaches is de praktijk van het mediaonderwijs op middelbare scholen onderzocht. Geconcludeerd wordt dat het onderzochte mediaonderwijs er onvoldoende in slaagt leerlingen de vaardigheden, kennis en mentaliteit aan te leren die nodig zijn bij de kritische consumptie van journalistiek in het internettijdperk. Omdat het gebruik van nieuwsmedia bovendien geen centrale rol lijkt te spelen in het onderzochte mediaonderwijs, worden leerlingen onvoldoende getraind hun algemene mediawijsheid aan te wenden wanneer ze journalistiek gebruiken. Tot slot lijken er aanzienlijke verschillen te zijn in de kwaliteit, reikwijdte en continuïteit van het mediaonderwijs op de verschillende scholen. Deze conclusie wordt geïnterpreteerd in het licht van de digitale kloof. Trefwoorden: Journalistiek, jongeren, internet, grensvervaging, burgerschap, mediaonderwijs, mediawijsheid, mediacoaches. iii

4 VOORWOORD Ik had het niet door. Ik was aan het werk en wilde tijdens een pauze even snel wat nieuws tot me nemen. Toch die site van de NRC nog maar eens proberen. Blijkbaar in een stemming om te kijken, niet te lezen, beland ik bij Het energievraagstuk in twintig foto s, een pagina in de rubriek In Beeld (NRC Handelsblad, 2011). Ik scroll de foto s geduldig door, indrukwekkend zijn ze, ik lees de onderschriften en denk, God, wat is het toch ingewikkeld. Ik had het eens uitgezocht en geconstateerd dat windmolenparken op zee lang niet gek waren, maar hier lees ik: Hoe verder van de kust, des te minder horizonvervuiling zou je denken, maar hoe langer de hoogspanningskabel naar de kust, hoe minder rendabel het park is. Shit. Had ik het bij het verkeerde eind? Ik begin te twijfelen. Verderop lees ik dat kernenergie op zich een bijzonder schone energievorm is. Misschien is dat dan ook wel waar. Who knows. Pas weken later kom ik erachter, als ik een stukje van NRC s Ombudsman lees. Deze In Beeld wordt u aangeboden door Shell Nederland. Het stond er wel bij, maar ik had het niet gezien. Gefopt. En dat terwijl ik bezig was met een scriptie over grensvervaging op het internet. Je zou toch denken dat ik er wel alert op zou zijn geweest. Het stond er ook niet duidelijk boven, dat het een advertentie was, iets waar de Ombudsman zich naderhand over zou opwinden (De Jong, 2011). Maar het kwaad was al geschied. Ik voelde me voor de gek gehouden en ik besloot dat mensen die zeiden dat de NRC de laatste tijd zoveel slechter was geworden, met al die commerciële glossy s, toch gelijk hadden. Zonde. Deze scriptie gaat over een verschijnsel dat de journalistiek direct aangaat: grensvervaging op het internet. Het is een subtiel en doorgaans onbesproken fenomeen, maar met directe invloed op de perceptie en de geloofwaardigheid van de journalistiek. Alles wijst erop dat de grensvervaging toeneemt, en dat met name jongere generaties mezelf incluis zich daar niet bewust van zijn. Genoeg reden om uit te zoeken of het zogenaamde mediaonderwijs zijn naam waarmaakt. Ik besloot mediacoaches te benaderen om via hen een beeld van de onderwijspraktijk te krijgen. Al met al was dat een omvangrijke en tijdrovende klus, maar na veel tobben en onderzoeken en interviewen en transcriberen en lezen en schrijven en herschrijven is het dan eindelijk gelukt, en voor u ligt nu mijn scriptie. Hij was er niet geweest als ik het alleen had moeten doen. Mijn dank gaat daarom in de eerste plaats uit naar mijn scriptiebegeleider, Marcel Broersma, die er van begin tot eind bij was. Ik wil hem bedanken voor zijn geduldige begeleiding, behulpzame commentaar en enthousiasme. Ook wil ik Alexander Pleijter danken voor zijn bereidheid als tweede lezer op te treden. Daarnaast wil ik de mediacoaches die mee hebben gewerkt aan het onderzoek van harte bedanken. Zonder hun uitgebreide en openhartige antwoorden op mijn vragen zou het empirisch onderzoek niets om het lijf hebben gehad. Ik hoop dat ik de mediacoaches met dit verhaal iets terug kan geven voor hun tijd en moeite. Tot slot was deze scriptie natuurlijk niets geworden zonder de steun van mijn familie en vrienden. Mam en pap vooral, dank jullie wel. Jelmer Mommers Amsterdam, 18 maart 2012 iv

5 INHOUD SAMENVATTING... iii VOORWOORD... iv INLEIDING ONLINE JOURNALISTIEK, GRENSVERVAGING EN MEDIAONDERWIJS Journalistiek en de jeugd van tegenwoordig Wat is journalistiek en waarom moeten we het afbakenen? De consumptie van journalistiek door jongeren De commerciële mediaomgeving van het hedendaagse kind Commercialisering van kindercultuur Zorgen over commercialisering Levenslessen De impact van marketing in branded communities Een eerste grond voor mediaonderwijs Over het internet Van chaos naar controle Gebaande paden Invloed op de inhoud van de journalistiek Het probleem van journalistiek, vorm en grensvervaging Grensvervaging en vorm Vorm en betrouwbaarheid op het wereldwijde web Verhuur van journalistieke vormen: enkele voorbeelden Implicaties voor de online consumptie van journalistiek Andermaal een grond voor mediaonderwijs Een digitale kloof Gebrekkige vaardigheden De noodzaak van formeel mediaonderwijs v

6 1.6 De invulling van mediaonderwijs Mediawijsheid Vaardigheden Kennis Mentaliteit Effectief mediaonderwijs Mediaonderwijs in Nederland Onderzoeksmethode Onderzoeksobject: mediacoaches Onderzoeksvragen Diepte-interviews Aantal gesprekken en selectie mediacoaches Analyse van de gesprekken Betrouwbaarheid van het onderzoek ONDERZOEKSRESULTATEN Hoe beoordelen mediacoaches de capaciteiten van scholieren? Welke visie is leidend in het werk van de mediacoaches? Blik op medialandschap Ideeën over en doelen van het mediaonderwijs Invulling functie In hoeverre is het onderwijs geïmplementeerd? Inschatting implementatie Hoe ziet de onderwijspraktijk er uit? Wat zijn obstakels of steunpunten waar mediacoaches mee te maken hebben? Eigen positie en de rol van de directie Lesmateriaal en collega s Lukt het om de theorie te vertalen naar de praktijk? Welke vaardigheden achten de mediacoaches relevant? In hoeverre denken de mediacoaches dat deze vaardigheden daadwerkelijk worden onderwezen? Welke plaats heeft kennis in het programma dat mediacoaches coördineren? vi

7 4. CONCLUSIE Inhoud van het mediaonderwijs: journalistiek geen speerpunt Vorm van het mediaonderwijs: effectiviteit, obstakels en doorbraken Een voortdurende kloof Discussie BRONNEN BIJLAGEN vii

8 INLEIDING We leven in verwarrende tijden. Onze samenleving wordt geconfronteerd met complexe problemen en vraagstukken waar we geen vat op weten te krijgen. Of het nu gaat over de voortdurende financiële crisis, het klimaatprobleem of de toekomst van Europa we worden continu geconfronteerd met tegenstrijdige geluiden. Stellige politici, experts en talking heads zeggen te weten hoe het zit, maar omdat ze elkaar allemaal tegenspreken, telkens met andere feiten komen, en we inmiddels wel hebben geleerd alles met een korreltje zout te nemen, blijven we in verwarring achter. Een gebrek aan informatie is het probleem niet: dankzij het web hebben we daar meer dan genoeg van. Desondanks lijkt het steeds moeilijker te worden om betekenis te geven aan de wereld om ons heen. Baudrillard (1994) kwam met een radicale verklaring voor deze tegenstrijdigheid. Volgens hem is met de ondergang van het modernisme de werkelijkheid geïmplodeerd te pletter gestort in zichzelf. In een postmoderne wereld is dan overal informatie, maar nergens betekenis. Het enige wat overblijft is een eindeloze naar zichzelf verwijzende brij van informatie, maar dat is louter lawaai, pure effect without content or meaning (Kellner, 1988). De mens zou volgens Baudrillard weerloos zijn tegen deze stroom, hij zou een puur scherm worden, a switching center for all the networks of influence (Kellner, 1988 met verwijzing naar Baudrillard, 1983: 133). De geteisterde postmoderne mens zou alleen nog kunnen vluchten in de hyperrealiteit een gemedieerde reproductie van de realiteit die echter dan echt is. Ik zal later uiteenzetten waarom ik het oneens ben met het idee van implosie en met Baudrillards filosofische onderbouwing daarvan. Tegelijkertijd vind ik zijn conceptualisering van de weerloze mens die is overgeleverd aan grillige informatiestromen buitengewoon treffend. In de Kohnstammlezing Feiten in overvloed van Louise Fresco (2011) klinken echo s van Baudrillards typering door: Alles speelt in het hier en nu. Inzichten schrijden niet meer voort maar exploderen, bezinking en toetsing schijnen onnodig. Kennis verandert per dag afhankelijk van wat er op mijn favoriete web pages en via Facebook en Twitter aanspoelt. Tussen bronnen van kennis bestaat geen hiërarchie en geen verschil, de bottom line van de autoriteit zijn we zelf. Niemand heeft voor deze toestand gekozen. Hij is ons overkomen, en heeft alles te maken met de komst van het internet, met de staat van de journalistiek, en het verband tussen die twee. De aloude hiërarchie tussen producenten en consumenten werd zwaar onder druk gezet toen steeds meer mensen het web gingen gebruiken om zich, zonder tussenkomst van redacties, omroepen en mediabedrijven, te informeren (vgl. Raad voor Cultuur, 2005: 8). In principe was dat een goede zaak, maar in de praktijk zorgde het voor problemen. Want wie zich op het wereldwijde web begeeft om zich te informeren, heeft specifieke vaardigheden nodig om het overzicht te bewaren. In het kortademige hedendaagse 1

9 medialandschap, waar feiten en opinies overvloedig, vluchtig en tegenstrijdig zijn, is het buitengewoon moeilijk het kaf van het koren te scheiden. Nu media alomtegenwoordig zijn is dit evenwel een taak voor alle mediagebruikers. Baudrillards schrikbeeld is niet aan de orde omdat betekenis überhaupt onmogelijk is geworden, maar omdat het buitengewoon moeilijk is om op een goede manier betekenis te construeren en zo overeind te blijven te midden van een onstuimig medialandschap. Sterker, de beoordeling van journalistieke en andersoortige informatie wordt onder invloed van verregaande commercialisering en grensvervaging steeds moeilijker. Bijna vijftien jaar geleden voorspelde Williams (1998: 31) dat advertenties, opinies en nieuws in het internettijdperk zo naadloos met elkaar verweven zouden raken, dat het toekomstige publiek niet langer in staat zou zijn objectieve verslaggeving van marketing te onderscheiden. In het vervolg zal ik dit fenomeen van grensvervaging onderzoeken. Is de voorspelling van Williams uitgekomen? En zo ja, waardoor en op welke manier? Ik zal het web hierbij karakteriseren als een vlakke, grenzeloze omgeving waar (journalistieke) autoriteit geen voet aan de grond kan krijgen en waar de waarheid vluchtig en relatief is. Ik zal laten zien dat we moeilijk weerstand kunnen bieden tegen de dagelijkse informatiestroom omdat de online mediaomgeving weinig houvast biedt. Niet alle mediagebruikers worden in dezelfde mate door deze problematiek getroffen. Mensen die zijn geboren voor de opkomst van het internet hadden al ervaring en kennis opgedaan met oude media toen ze het internet in huis haalden. Zij konden die ervaring en kennis aanwenden om nieuwe (meng)vormen van online journalistiek, reclame en andersoortige informatie te beoordelen (Van Dijck, 2002: 422). Hedendaagse jongeren, die zijn opgegroeid met het internet, missen de ervaring en kennis die daarvoor nodig is. Ik zal in deze scriptie betogen dat jongeren mediaonderwijs nodig hebben om te leren hoe ze zich adequaat kunnen informeren. Daarbij moet met name aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van kritische vaardigheden, niet alleen om de journalistiek op waarde te schatten, maar ook om die te gebruiken bij de invulling van hedendaags burgerschap. Deze scriptie gaat kortom over het hedendaagse en toekomstige gebruik van journalistiek met het oog op democratisch burgerschap, en over de rol die het mediaonderwijs hierbij moet spelen. In het eerstvolgende hoofdstuk doe ik verslag van een literatuuronderzoek naar dit thema. Ik bouw daarbij voort op een betoog van José van Dijck. In Nieuws in het internettijdperk. Een genre tussen technologie en culturele vorm (2002) schetste zij verscheidene ontwikkelingen op economisch, cultureel en technologisch gebied, om vervolgens te beschrijven welke implicaties deze hebben voor de consumptie van nieuws in het internettijdperk. Ik zal onder meer concepten uit de studie van de journalistiek en de media, economie, filosofie en psychologie gebruiken om mijn thema te verkennen. Voor een goed begrip is het noodzakelijk deze invalshoeken af te wisselen, omdat we alleen door oog te hebben voor alle diverse en elkaar tegenwerkende krachten, en daarnaast in herinnering te roepen hoe vergelijkbare 2

10 krachten in het verleden hebben gewerkt, tot adequate inzichten kunnen komen over de consumptie van journalistiek in het medialandschap van morgen. De literatuurstudie dient als opmaat voor kwalitatief onderzoek naar de praktijk van het mediaonderwijs op middelbare scholen. Om een beeld te krijgen van die praktijk zijn diepte-interviews afgenomen met twaalf zogenaamde mediacoaches. Een mediacoach is iemand die de taak heeft het mediaonderwijs binnen een school te coördineren, hij of zij is spin in het web. De hoofdvraag van het onderzoek luidt: In hoeverre slaagt het mediaonderwijs op de middelbare school er volgens mediacoaches in om de vaardigheden, kennis en mentaliteit over te brengen die nodig zijn voor de kritische consumptie van journalistiek in een medialandschap dat is gekarakteriseerd door commercialisering, grensvervaging en een overvloed aan informatie? Het onderzoek is opgezet volgens de methode van Grounded Theory, wat betekent dat het iteratief is ingericht en dat de probleemstelling gedurende het hele onderzoek is bijgewerkt (Bryman, 2008). Om dit proces transparant te maken is een uitgebreid onderzoeksverslag in de bijlagen opgenomen. De onderzoeksmethode wordt in hoofdstuk 2 in meer detail besproken. In hoofdstuk 3 volgen de onderzoeksresultaten. In hoofdstuk 4 tot slot worden de conclusies besproken in het licht van de probleemstelling, waar ik me nu eerst op zal richten. 3

11 1. ONLINE JOURNALISTIEK, GRENSVERVAGING EN MEDIAONDERWIJS 1.1 Journalistiek en de jeugd van tegenwoordig Het onderwerp van dit betoog is de consumptie van journalistiek door jongeren. Ik maak hier eerst duidelijk wat er met journalistiek wordt bedoeld, hoe journalistiek zich verhoudt tot andere culturele vormen, en wat de functie ervan is. Daarna wordt gekeken of, hoe en waarom jongeren vandaag de dag journalistiek consumeren Wat is journalistiek en waarom moeten we het afbakenen? Een algemene definitie van journalistiek is information and commentary on contemporary affairs taken to be publicly important (Schudson, 2002: 14, aldus geciteerd in Zelizer, 2004: 22). Het gaat dan om current affairs information (Zelizer, 2004:22) met een waarheidsclaim. Nieuws een bericht over recente gebeurtenissen of nieuwe informatie over iets (Zelizer, 2004:24) is het primaire maar zeker niet het enige product van de journalistiek. De journalistiek is ook een instituut, omdat journalistieke organisaties worden gezien als agents of empowerment or disempowerment, of marginalization of certain groups, and charged with upholding the status quo (Zelizer, 2004:26). Het is belangrijk te zien dat de journalistiek door nieuws te brengen, paradoxaal genoeg, houvast biedt. Journalistiek ontwricht niet, het brengt orde aan, maar altijd binnen en onder invloed van een bepaalde culturele, economische en technologische context. Journalistiek is daardoor nooit een spiegel van de wereld, eerder een lachspiegel. De postmoderne mediagebruiker is zich hiervan bewust: in zijn ervaring heeft nieuws geen geen vanzelfsprekende, transparante relatie met de werkelijkheid (Costera Meijer, 2006: 139). Ik wil journalistiek hier vooral afbakenen aan de hand van haar functies. Naast nieuwsvoorziening en het selecteren, controleren, vergelijken en in context plaatsen van de feiten zijn waarheidsvinding, analyse en het ondersteunen van opinievorming en het maatschappelijk debat typisch journalistieke functies. Ook in een tijd van makkelijk beschikbare informatie vervallen deze functies niet. Sommige functies, zoals het ophelderen van onduidelijkheden en het controleren van informatie, worden zelfs steeds belangrijker (zie Kovach & Rosentiel, 2010: 182 e.v.). Veel informatie leidt ook tot grotere informatieonzekerheid, waardoor juist in een grenzeloos online informatielandschap de waarheid makkelijk ondergesneuveld raakt. Volgens het gezegde kan een leugen de wereld om gaan terwijl de waarheid zijn broek nog staat aan te trekken. Dat is zeker waar in het internettijdperk. Journalistieke bedrijven leveren publieke diensten die een belangrijke rol spelen bij de ondersteuning van democratisch burgerschap (Zelizer, 2004: 32). Wie invulling wil geven aan zijn rol als burger moet zich informeren en heeft daarvoor doorgaans de journalistiek nodig. Daarom zal ik in deze scriptie 4

12 burgerschap steeds verbinden met de consumptie van journalistiek: het is een noodzakelijke tool of civic life (Schudson, 1999). Het begrip fourth estate wordt vaak gebruikt om de belangrijkste functie van de journalistiek in dit kader te beschrijven: het controleren van andere instituties en het verdedigen van het publieke belang (Zelizer, 2004: 147). Een goed functionerend medialandschap raakt zodoende rechtstreeks aan de kwaliteit van de democratie, de economie en de samenleving (WRR, 2005:11; Gans, 2003; Mindich, 2005). Deze publieke dimensie van het werk wordt door journalisten zelf als zeer belangrijk ervaren (Zelizer, 2004: 32), de krant wordt door hen gezien als bijbel van de democratie the book out of which a people determines its conducts (Lippmann, 2007: 28). In het licht van deze publieke functie kunnen we spreken over de normen van goede journalistiek. Journalisten definiëren hun vak zelf vaak (maar niet altijd) met een bepaald ethos en een ideaal, respectievelijk een streven naar onafhankelijkheid en het ideaal van objectiviteit. De ideale journalist is objectief, accuraat, gevoelig voor nuance en onpartijdig (Zelizer, 2004:58, Kovach & Rosentiel, 2001). Deuze (2005) bekritiseert de werkbaarheid van deze naïeve ideaaltypische waarden, maar ik zal ze hier toch gebruiken om de journalistiek en haar producten af te zetten tegen andersoortige culturele uitingen, zoals pr, voorlichting en reclame. Want wie zich journalist noemt mag worden aangesproken op de verhouding van zijn werk tot de werkelijkheid. De journalistiek heeft haar voeten altijd in de echte wereld, daarom verbinden we haar met feiten, waarheid, en realiteit (Zelizer, 2004: 186). In de praktijk komt een vasthouden aan deze drie woorden neer op een enigszins hardnekkig positivisme (vgl. Zelizer, 2004: 189), net als de suggestie dat journalistiek werkelijk onafhankelijk en objectief kan zijn. Maar met het inzicht dat echte objectiviteit onmogelijk is en dat geen enkele journalist echt onafhankelijk kan zijn, hoeven we de producten van de journalistiek niet direct op een hoop te gooien met alle andere culturele productie. Natuurlijk zijn categorische onderscheiden tussen journalistiek en andere teksten onmogelijk. Dit heeft ermee te maken dat de producten die de journalistiek voortbrengt, continu veranderen. Because journalism is particularly responsive to social and technological change [its] concrete content varies from one historic period to another and from one country to another, zo noteert Zelizer (2004: 22) in navolging van Splichal en Sparks (1994: 20). In deze tijd van vervaagde grenzen lijkt het ten principale al onhoudbaar om een streng onderscheid hoog te houden tussen journalistiek en andere culturele vormen. Sommige journalistieke producties worden gemaakt met winstoogmerk (net als reclame), goede journalistiek kan best vermakelijk zijn, entertainment neemt soms taken op zich die ook door journalisten worden uitgeoefend, en de websites van bedrijven, NGO s en actiegroepen bevatten soms teksten die sterk de indruk wekken in het belang van het publiek geschreven te zijn. Hieruit blijkt, zo stelt ook Zelizer (2004:28) dat journalistiek en de concurrentie soms wel erg veel op elkaar lijken. Zelfs binnen nieuwsorganisaties en programma s lopen journalistieke waarden en doelen 5

13 door elkaar heen (Kovach & Rosentiel, 2010: 34), want journalism itself is compromised of many contradictory sets of people, dimensions, practices, and functions (Zelizer, 2004: 29). De journalistiek is dus niet los te zien van andere vormen van culturele productie, of van de invloed van commercie en politiek. Ik stel echter wel dat relatieve onderscheiden tussen de verschillende vormen van culturele productie mogelijk blijven en in de praktijk nodig zijn. De teksten waartegen ik journalistiek definieer, hoeven hun voeten niet in die echte wereld te hebben. Functies en doelen kunnen overlappen, maar ze zijn niet gelijk: entertainment, pr en reclame hebben andere doelen dan journalistiek. Simpel gesteld wil de journalistiek mensen iets geven, terwijl met name reclame iets van mensen wil nemen. Goede journalistiek biedt houvast in een snel veranderende wereld. De journalistiek kan deze houvast alleen bieden als ze streeft naar kwaliteit, als ze trouw is aan haar professionele normen, en als ze voldoende autoriteit heeft om haar waarheidsclaims te ondersteunen. Met name die autoriteit hangt samen met het vermogen van het (toekomstige) publiek om de journalistiek te onderscheiden van andere culturele vormen. Lukt dat niet, dan is dat slecht nieuws voor de samenleving, omdat een voorlichter dan net zoveel in te brengen zou hebben als een verslaggever die streeft naar onafhankelijkheid, onpartijdigheid en het vertellen van een verhaal in het belang van het publiek, niet van zijn werkgever De consumptie van journalistiek door jongeren i Het verhaal gaat dat jongeren zich niet interesseren voor nieuws en andere journalistieke producten. Onderzoek naar de frequentie van nieuwsgebruik bevestigt dit beeld niet. Drie van de vijf jongeren gebruikt bijvoorbeeld regelmatig een papieren krant (Drok & Schwarz, 2009: 99) en naarmate ze ouder worden gaan jongeren meer nieuws gebruiken (CBS, 2003: 119; Elvestad & Blekesaune, 2008). Jongeren willen graag op de hoogte zijn van de actualiteit omdat ze dat belangrijk vinden en omdat het zorgt dat je mee kunt praten (Drok & Schwarz, 2009: 99, Costera Meijer, 2006: 82). Jongeren vinden niet alle journalistiek even interessant. Liever dan algemeen nieuws volgen ze nieuws over amusement en lifestyle (Drok & Schwarz, 2009: 99). Het buitenland, economie en binnenlandse politiek heeft minder hun interesse (Costera Meijer, 2006: 55), dat volgen ze alleen op hoofdlijnen (Raeymakers, 2003). Jongeren zeggen wel dat dit soort nieuws een belangrijk genre is (Costera Meijer, 2006: 59), maar dat brengt ze niet in beweging om het ook daadwerkelijk te gebruiken. Sterker nog, Costera Meijer constateerde dat jongeren zich er niet langer voor schamen om toe te geven dat nieuws weliswaar belangrijk is, maar dat ze zelf weinig kijken (2006: 60). Ze voelen minder de verplichting (ibidem, 62), zijn geneigd weg te zappen als ze het nieuws tegenkomen (ibidem, 67), omdat ze liever niet met al die narigheid geconfronteerd willen worden (ibidem, 61). i Ik beschrijf in deze paragraaf het gemiddelde nieuwsgebruik van jongeren. Zie Van Cauwenberge et.al. (2011) voor een typologie van verschillende jonge mediagebruikers. 6

14 Jongeren staan net als volwassenen vooral via tv in verbinding met de actualiteit (Van Cauwenberge et al., 2011: 75, Drok & Schwarz, 2009; TNS NIPO, 2009). Dat zal echter niet zo blijven. Het relatieve belang van kranten en televisie in het nieuwsgebruik van jongeren neemt de laatste jaren snel af, terwijl internet telkens belangrijker wordt (Cauwenberge et al., 2011: 74, Drok & Schwarz, 2009: 100). Tussen 2005 en 2008 steeg het aantal Nederlanders dat kranten of nieuwsbladen op internet leest met ruim een derde, terwijl de oplagen van dagbladen in dezelfde periode met ongeveer 16 procent daalde (CBS 2009). Ook in de VS laten de cijfers zo n tendens zien (Pew, 2008). Het internet is dus bezig met een opmars als bron van nieuws, maar het zou een misverstand zijn te denken dat conventionele media hierdoor uit beeld zullen verdwijnen. In de eerste plaats worden nieuwe media doorgaans in gebruik genomen als aanvulling op reeds bestaande media, die nog steeds de hoofdmoot van het nieuwsmediamenu vormen (Van Cauwenberge et al ). In de afgelopen twee jaar nam de tijdsbesteding aan nieuws per saldo toe voor alle media behalve tijdschriften (Drok & Schwarz, 2009: 100). In de tweede plaats zullen de scheidslijnen tussen oude en nieuwe media steeds minder duidelijk worden naarmate het internet meer mediafuncties integreert (Costera Meijer, 2006: 136). In de toekomst zal de consumptie van journalistiek dus gebeuren via een mix van media, waarbij te verwachten valt dat internet een steeds grotere rol zal spelen (Van Cauwenberge et al., 2011). Wat betekent de opmars van het internet voor de consumptie van journalistiek? Vroeger was nieuws tamelijk schaars: tot diep in de jaren tachtig waren er niet meer dan twee televisiekanalen en een handjevol publieke radiozenders en piratenstations. In die context was het dagblad een baken van kennis en informatie (Van Vree, 2011). Tegenwoordig worden we continu omringd door online media waar actuele informatie overvloedig is. Jongeren gebruiken deze media de hele dag door om met elkaar te communiceren. MSN, Hyves en YouTube staan [ ] altijd aan op de achtergrond, ook wanneer ze informatie zoeken voor school en hun huiswerk maken (Martijen & Pijpers, 2010: 16, Duimel & De Haan, 2007: 15-16). De context waarbinnen journalistiek geconsumeerd wordt is nu dus radicaal anders dan een paar generaties geleden. De allesomvattende ervaring van nieuws bij onze jonge respondenten was dat ze het [ ] bijna nooit bewust en met aandacht keken. Nieuws komt gewoon voorbij (Costera Meijer, 2006: 59). De consumptie van nieuws is voor de jonge generatie geen relatief geïsoleerde activiteit, zoals het lezen van de krant vroeger, maar iets wat ze continu doen naast al hun andere activiteiten. Nieuws op tv is gewoon één programma in de stroom (Barnhurst & Wartella, 1998), niet iets waar men dagelijks voor gaat zitten (Costera Meijer, 2006: 59). Jongeren worden daarom wel grazers genoemd: ze verzamelen de hele dag door beetjes informatie en nieuws (Drok & Schwarz, 2009: 100). Als een verhaal ze interesseert, lezen ze doorgaans hooguit de eerste paar alinea s (Huang, 2009: 116). [These] impatient young people need short stories, a concise writing style, and multimedia visual presentations to bring them instant satiation (ibidem, 117). 7

15 Van alle media sluit het web natuurlijk het beste aan bij zo n vlotte stijl. Onder de voordelen van het web horen volgens jongeren dat je zelf kunt selecteren welk nieuws je leest, dat het gratis is, en dat je er video s kunt kijken (Huang, 2009: 117, Costera Meijer, 2006: 75). Over conventionele nieuwsmedia zijn jongeren veel minder positief: ze ervaren de manier waarop de actualiteit door traditionele nieuwsmedia wordt gebracht als onaantrekkelijk (Van Cauwenberge et al., 2011: 65; Costera Meijer, 2007; Raeymaeckers, 2003; Huang, 2009; Geursen & Plemp, 2005; Sterk, 2006). Jongeren geven veelal de voorkeur aan verhalen waar ze iets ervaren, boven artikelen met veel feiten (Costera Meijer, 2006). Dit soort vluchtige nieuwsconsumptie leidt doorgaans tot veel indrukken, maar niet tot verankerde kennis (Costera Meijer, 2006: 82). Dat wil natuurlijk niet zeggen dat jongeren niets weten. Volgens Costera Meijer (2006) leven hedendaagse kinderen in een postmoderne logica, waarbij de wereld meerstemmig is, en waarbij ervaring de plek inneemt die vroeger voor feiten gereserveerd was. Anderen, zoals Mindich (2005), zijn sceptischer en stellen dat hedendaagse jongeren veel te weinig weten. Duidelijk moge zijn dat jongeren wel continu in verbinding staan met de actualiteit. Het is de vorm, kwaliteit en diepgang van die verbinding die vragen oproept. 1.2 De commerciële mediaomgeving van het hedendaagse kind Al op jonge leeftijd leren mensen belangrijke lessen over de media. Om de consumptie van journalistiek in de toekomst te begrijpen, moeten we dus kijken naar de inhoud van die lessen. Hoe ziet de mediaomgeving van kinderen er vandaag uit, en wat leert een kind dat vandaag opgroeit over de wereld en de media? Sinds medio 2007 hebben bijna alle kinderen en jongeren in Nederland thuis toegang tot het internet (Valkenburg, 2008: 29). Nederlandse kinderen zijn in vergelijking met hun Europese leeftijdsgenootjes zelfs het beste aangesloten: bijna 100% kan thuis online (Livingstone et al., 2011: 21). Eind 2005 was de gemiddelde leeftijd waarop jongeren de computer voor het eerst gebruikten nog 7,8 jaar (Duimel & De Haan, 2007: 11), vandaag is een Nederlands kind gemiddeld 3,9 wanneer het voor het eerst online gaat (Pijpers, 2011a: 74). Het gemiddelde Nederlandse gezin heeft 3,7 verschillende soorten apparaten als laptops, desktops, smartphones, tablets en spelcomputers in huis (idem). Met name de tablets maken een snelle opmars door: Pijpers et al. (idem) spreken zelfs van een touchscreenrevolutie en wijzen erop dat deze apparaten vooral in trek zijn bij jongere kinderen, voor wie het surfen met de vinger gemaakt lijkt te zijn. Op het moment heeft 7% van de gezinnen in Nederland thuis een tablet, maar in een onderzoek in 2011 zei nog eens 11% van plan te zijn er dit jaar een te kopen. Deze nieuwe media zijn vaak een supplement op oude, geen vervanging ervan. Kinderen brengen nu evenveel tijd door met ouderwetse boekjes, als op de computer, laptop of ipad. Levin & Linn (2005: 214) stellen zelfs dat [the] average child now spends more time in front of a 8

16 screen than doing anything else but sleeping (Roberts, Foehr, Rideout, & Brodie, 1999). Dat is een formidabel verschil met vorige generaties (vgl. Costera Meijer, 2006: 55) Het feit dat zelfs de allerjongste kinderen vandaag in een media-saturated world wonen, heeft ingrijpende gevolgen voor hoe zij zich ontwikkelen, al is nog niet duidelijk wat die gevolgen precies zijn (Wartella et al., 2005). De meest ingrijpende verandering in de hedendaagse, gemedieerde kindercultuur, is ongetwijfeld de vergaande commercialisering ervan. De mediaomgeving waarin onze kinderen opgroeien, is volledig geëntertainiseerd. Er is meer geweld, meer seks, het is allemaal meer gericht op jonge kinderen, zegt onderzoekster Patti Valkenburg in de Volkskrant. Informatie, reclame en vermaak zijn vaak volledig met elkaar verweven geraakt (Keulemans & Van Calmthout, 2011). Door de commercialisering lijken kinderen uit de middenklasse over de hele wereld te leven in een parallel universum, schrijft Barber (2008: 17). Ze groeien op in vergelijkbare omstandigheden, worden omringd door dezelfde producten, die ze worden aangeprezen via dezelfde media (zie Sigismondi, 2009). Ik bespreek de commercialisering hieronder in meer detail, omdat deze belangrijke implicaties heeft voor de consumptie van journalistiek Commercialisering van kindercultuur Wanneer ze online gaan, surfen kinderen het liefst naar sites met spelletjes, filmpjes, muziek en de mogelijkheid om te chatten. De populairste sites onder Amerikaanse kinderen zijn van mediaconglomeraten als Nickelodeon, Disney, Fox en Time Warner en van grote speelgoedfabrikanten. Deze voorkeur voor commerciële sites geldt ook voor Nederlandse kinderen, bleek uit onderzoek van Valkenburg (2008: ). De verzameling van marktgegevens is een van de belangrijkste doelen van populaire kinderwebsites, vaak kunnen kinderen punten verdienen door enquêtes in te vullen, advertenties te bekijken, of zich aan te melden bij andere sites (Valkenburg, 2008: ; Pijpers, 2011b; Seiter, 2005: 91). Op basis van hun voorkeuren worden kinderen vervolgens gericht bediend met advertenties (Seiter, 2005: 2; Barbaro, 2008). Razend populair zijn virtuele games zoals Panfu, Habbo en gosupermodel. Op deze sites worden kinderen verleid om via de telefoon of via een creditcard te betalen voor privileges in het spel, zoals toegang tot de premium versie. ii Omdat de wereld van deze spellen doordraait als het kind offline gaat, beloont dit soort sites tinkering, strategizing, obsessive play, and absorption (Seiter, 2005: 88, 95, 99; vgl. Pijpers, 2011b: 24-25). Deze commerciële sites worden wel branded communities genoemd, vaak is het voornaamste doel brand immersion (Ferrazzi & Benezra, 2001). Kinderen kunnen urenlang in deze virtuele werelden spelen, maar vaak hebben ze niet door dat ze zich op een site bevinden die primair een commercieel doel heeft [ ] Uit een onderzoek van Henke (1999) bleek inderdaad dat maar weinig kinderen van negen tot elf jaar (slechts 13%) weten dat het doel van hun favoriete commerciële site adverteren is. Verreweg de meeste kinderen (74%) dachten dat hun favoriete site er was om hen te vermaken ii Deze spellen leiden tot problemen omdat kinderen op een laagdrempelige manier en vaak buiten bereik van ouders worden verleid geld uit te geven. Zie voor een bespreking van de problemen Pijpers (2011) 9

17 (Valkenburg, 2008: 154). Seiter (2005: 100) concludeert dan ook dat [commercialization] is more pervasive and more integral than it is in television programming. [ ] The World Wide Web is a more aggressive and stealthy marketer to children than television ever was. Online marketing gericht op kinderen is kortom een lucratieve en verfijnde business. Er worden rapporten geschreven waarin de kindermarkt in detail in kaart gebracht wordt, vol besprekingen van het gedrag van kinderen als consument, specifieke kindergerichte marketingstrategieën, en met extra aandacht voor de nieuwe online mogelijkheden (Wasko, 2008: 462). Om door te dringen tot de wereld van het kind worden alle zeilen bij gezet. Er wordt gebruik gemaakt van filmpjes, forums en weblogs (bijvoorbeeld over cosmetica), maar ook van reclame in games en van games die zijn ontworpen als reclame ( advergaming ) (Valkenburg, 2008:117). Kennis uit de sociaal-psychologie wordt gebruikt voor de fine-tuning van marketing (Barbaro, 2008; Roedder-John, 1999; Levin & Linn, 2005:217). Er worden programma s en sites ontwikkeld zodat speelgoed, snoep, kleding en make-up in de winkel beter verkopen (Valkenburg, 2008:117). Een samenspel van technologische mogelijkheden en commerciële belangen zorgt ervoor dat kinderen vandaag de dag geïntegreerde fenomenen aangeboden krijgen: de teksten in de online media overlappen met de producten in de winkel (Buckingham, 2000: 88, 91). Op verpakkingen van koekjes, toetjes, pasta en soep domineren karakters uit de media zoals Dora the Explorer, Hannah Montana, Bob de Bouwer, K3, Kabouter Plop en Spongebob Squarepants. (Buijzen, 2010: 3). Deze personages zijn een hoeksteen geworden in leven van jonge kinderen: een bron van stabiliteit in een drukke en ingewikkelde wereld. Kinderen vormen er een hechte band mee, en die band wordt vervolgens op doelbewuste wijze te gelde gemaakt (Seiter, 2005: 98, Barbaro, 2008). Marketing gericht op kinderen is in Nederland aan regels gebonden, maar marketeers zoeken altijd de grenzen op want daar worden ze voor betaald, aldus een voorman van de snoepindustrie in de Volkskrant (Herderscheê, 2012; zie ook Geraci, 2004) Zorgen over commercialisering Deze toenemende commercialisering veroorzaakt nogal wat zorgen onder de volwassenen. Zulke zorgen over veranderingen in het medialandschap zijn zo oud als de media zelf (Lemish, 2008: 153), maar legitiem als het gaat om mediagebruik op zeer jonge leeftijd. Als jonge kinderen te veel tijd in de buurt van schermen doorbrengen kan dat ten koste gaan van het ontwikkelen van motorische en andere vaardigheden (Wartella & Robb, 2007). Ook hebben jonge kinderen nog onvoldoende cognitieve vermogens om zich te verdedigen tegen marketing, mocht dat nodig zijn (Eagle et al., 2003: 133). Tot rond het vierde levensjaar begrijpen kinderen het verschil tussen gemedieerde en niet-gemedieerde informatie niet: ze geloven dat alles echt is (Buckingham, 2005b: 15-16, Valkenburg, 2008:41-42). Nog tot de basisschoolleeftijd begrijpen kinderen het onderscheid tussen commerciële en niet-commerciële inhoud niet goed, en waarderen ze reclame vaak als entertainment (Buijzen, 2010: 7, Lawlor & Prothero, 2007: 1216). Pas rond het tiende jaar leren ze [hun kritische] inzichten ook zelfstandig toe te passen als afweermechanisme, schrijft Buijzen (2010: 8). Maar dat ze het kunnen (wanneer ze erop 10

18 worden getest), wil nog niet zeggen dat ze het ook doen als niemand kijkt. Zelfs oudere kinderen (11-12 jaar) die de kennis hebben om marketing te weerstaan, passen die soms niet toe als ze er niet aan herinnerd worden (Brucks, Armstrong, & Goldberg, 1988 aldus aangehaald in Moore & Rideout, 2007: 203). Een ander deel van de ouderlijke zorgen moet worden genuanceerd. Ten eerste zijn natuurlijk niet alle media commercieel van aard: er zijn in Nederland vaak niet-commerciële programma s en sites beschikbaar. Daarnaast heeft Buckingham gelijk wanneer hij erop wijst dat niet aan te tonen is dat kinderen materialistisch of consumentistisch worden van de media dat kan net zo goed komen van familie en de directe omgeving (Buckingham, 2000: 151). Ten derde zijn zorgen over consumentisme vaak niet vrij van elitaire neigingen, schrijven Buckingham (2007b) en Seiter (1993), omdat altijd de consumptie van iemand anders als problematisch wordt gezien. Buckingham (2000: ) wijst erop dat er niet zoiets is als een essentiële, reeds bestaande menselijke behoefte ( cultuur ) die ofwel gecorrumpeerd wordt door, ofwel tot uiting komt in de consumptie van goederen ( commercie ). Hedendaags kind zijn is dus inextricably entwined with consumer culture (Buckingham, 2000: 166). Volgens Seiter (1993: 3) is het zinloos daartegen ten strijde te trekken. Consumer culture [is not] something to be censored, to be overcome. Ook het idee dat marketeers de kwetsbare kinderzieltjes uitbuiten is te simplistisch. Het kind wordt vaak voorgesteld als machteloos slachtoffer van de media (Buckingham, 2007b: 15-16). Het antwoord vanuit de marketingsector op deze kritiek luidt dat kinderen juist behoorlijk soevereine consumenten zijn. Het argument wordt omgedraaid: het zijn de kinderen die de touwtjes in handen hebben en die de media gebruiken voor hun eigen empowerment (Buckingham, 2000: 46). Seiter stelt dat we marketeers serieus moeten nemen als ze zeggen dat kinderen niet zo plooibaar zijn als doorgaans wordt aangenomen, omdat het de marketeers zijn die veel kwalitatief onderzoek doen naar de invloed van reclame op kinderen, en die het dus goed kunnen weten (1993: 107, zie voor de discussie ook Kline, 2007). Ook Buckingham (2007b) en anderen (e.g. Lawlor & Prothero, 2007; Roedder-John, 1999) breken een lans voor de relatieve autonomie van kinderen. Onderzoek over de invloed van conventionele marketing tends to confirm that children are not easily manipulated or exploited; that they can understand the persuasive intent of advertising from a young age; and that they are not merely helpless victims of consumer culture (e.g. Gunter & Furnham, 1998; Hansen, Rasmussen, Martensen & Tufte, 2002; Young, 1990) (Buckingham, 2007b: 17) Levenslessen De invloed van commerciële media is dus gecompliceerd. Als we deze werkelijk willen begrijpen, moeten we naar de onderliggende boodschap kijken. Die is voor een belangrijk deel onzichtbaar, zeker online. Om dat te doorzien moeten we de virtuele kinderwereld beschouwen als plek of ruimte, die is ontworpen om bewoonbaar en aantrekkelijk te zijn (White & Preston, 2005). Wasko laat zien welke 11

19 waarden er in deze ruimtes worden gepromoot met een case study van Neopets, een site waar kinderen kunnen zorgen voor een virtueel dier. In Neopia, de wereld van de Neopets, zijn er winkels in overvloed en kunnen gebruikers hun eigen winkels openen. Er is een bank en een aandelenbeurs, er kan worden gegokt en als het virtuele dier ziek is kan de eigenaar met Neopoints betalen voor een behandeling. Overall, there is an overt emphasis on materialism and consumption, as players are encouraged to acquire (buy) items and sell them for Neopoints. Dit soort sites is volgens Wasko (2008: 470) een training ground or grooming for capitalist or consumer culture. De branded communities waar kinderen veel tijd doorbrengen hebben dus een ideologische lading. Ook in reclames en tv-programma s worden keer op keer dezelfde waarden benadrukt, en dezelfde ideale werelden geconstrueerd. Tegenover schaarste in het echte leven wordt overvloed geplaatst, tegenover vermoeidheid onbegrensde energie, tegenover somberheid staat intensiteit, tegenover fragmentatie een gevoel van gemeenschap (Seiter, 1993: 11). Lapierre (2008) noemt deze wereld niet voor niets Kidtopia. De hedendaagse kindercultuur is universally appealing to children in its subversion of parental values of discipline, seriousness, intellectual achievement, respect for authority, and complexity by celebrating rebellion, disruption, simplicity, freedom, and energy (Seiter, 1993: 11). In de ideale werelden is alles in het hier en nu, spannend, snel, en grappig. Om deze betere wereld te betreden hoeft een kind maar één ding te doen: het geadverteerde product consumeren. Dag in dag uit worden dezelfde waarden gepropageerd. Consequently, young children grow up with the rather consistent message that consumption happily trumps all (Lapierre, 2008: 21). Bij gebrek aan realworld experience waarmee dit idee kan worden vergeleken, heeft zo n boodschap een sterke impact (vgl. Jenkins, 2009: 83). Het is om deze reden dat ik het eens ben met Valkenburg (2008: 122) wanneer ze stelt dat door de vergaande commercialisering de sociale en culturele behoeften van hedendaagse en toekomstige generaties kinderen met name gedefinieerd [zullen] worden in relatie tot commerciële mediaproducten en producenten. Valkenburg duidt de jeugd in dit kader als een proces van consumentensocialisatie (2008: 122, zie ook Roedder-John, 1999). Kinderen leren van hun dagelijkse mediaconsumptie dus een belangrijke les: wat het betekent om consument te zijn en hoe je dat wordt. Ze leren in de branded communities niet wat het betekent om burger te zijn De impact van marketing in branded communities Als we kijken naar de marketingstrategie die in de branded communities wordt gebruikt, wordt duidelijk dat kinderen online nog een andere belangrijke les niet leren: hoe je kritisch nadenkt over de media. Sterker nog, kinderwebsites zijn succesvoller in commerciële zin naarmate ze er beter in slagen te verhinderen dat de geavanceerde cognitie zich op de site zelf richt. Om dit aan te tonen moet ik een klein uitstapje maken naar de wereld van de marketing. Daar hebben mengvormen tussen persuasie en entertainment de laatste decennia opgang gedaan. Er wordt steeds meer gebruik gemaakt van blurred 12

20 communications (Aksoy, Bhatnagar & Malkoc, 2004: 99), waarvan de bekendste en meest wijdverbreide vorm product placement in televisieprogramma s is (vgl. Buijzen, 2010: 2). De idee achter product placement, is dat een persuasieve uiting meer effect heeft als die op niet storende of subliminale wijze wordt overgebracht. Mensen verwerken informatie binnen een verhaallijn anders dan informatie in een retorische context (Shrum, 2004: 8). Het verschil zit hem in ofwel het gebruik van primitieve cognitie ofwel het gebruik van meer geavanceerde cognitie. The more primitive system, primary-process thinking, is suffused with emotions and drives and is characterized by a primitive cognitive style [ ]. The more advanced cognitive style, secondary-process thinking, which is associated with consciousness, is the opposite: It is realistic, logical, discriminating, and inhibiting, and its language is more abstract. iii Wanneer we een claim in een advertentie bewust verwerken met onze geavanceerde cognitie, zullen we die kritisch onder ogen nemen en wellicht afwijzen (Erdelyi en Zizak, 2004: 39). Als we de claim echter verwerken met onze primitieve cognitie, krijgt de stimulus ruim baan om de ontvanger te beïnvloeden. De standaardreactie op een persuasieve uiting om hem voor waar aan te nemen wordt dan namelijk niet weerlegd na kritische analyse (idem, met verwijzing naar Gilbert, 1991). Het is deze gedachtegang die ten grondslag ligt aan het marketingcredo passive is powerful (Pariser, 2011: 67) en het is de reden dat adverteren s avonds meer effect heeft dan s ochtends. Persuasieve invloed is groter wanneer we te moe zijn en geen zin hebben om onze kritische vermogens in te zetten. Het doel van veel reclame is dan, in algemene bewoordingen, om de bewuste cognitie te ondergraven of omzeilen (Ruskin, aan het woord in Barbaro, 2008). Product placement is een populaire marketingtechniek omdat het de stimulus op zo n manier degradeert, dat de bewust cognitie niet wordt geactiveerd. Hoe beter een persuasieve uiting is verwerkt in een verhaallijn, hoe minder de aandacht van het publiek op de effort to persuade wordt gericht (McCarty, 2004: 48), en hoe succesvoller de reclame. De beste product placement is bijna onzichtbaar (McCarty, 2004: 50-51, 57). Hetzelfde principe is leidend bij de marketing in branded communities. Merken worden ingebed in het spel: ze nemen een rol aan op de achtergrond en zijn daardoor moeilijk te herkennen als advertentie. Seiter beschrijft hoe in de krochten van bijvoorbeeld Neopets advertenties verwerkt zitten. Zo kunnen kinderen Capri Sun frisdrank voor hun huisdier kopen (2005: 91). Door op een niet-ingrijpende manier onderdeel te worden van de (speel)ervaring, blijft de intentie van dit soort merkuitingen verborgen. De persuasie stoort niet, zoals in reclame op televisie, maar valt samen met het spel. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat kinderen dit soort non-spot advertising niet of nauwelijks als zodanig herkennen (Owen et al., 2009; Cai & Markiewicz, 2003: 3; Seiter, 2005: 91; Livingstone & iii Andere bekende psychologische modellen maken in grote lijnen hetzelfde onderscheid, vgl. het verschil tussen centrale en perifere informatieverwerking in het elaboration-likelihood model of persuasion van Petty & Cacioppo (1986) en het onderscheid tussen mindfulness en mindlessness in mindfulness theory (Langer, 1989). 13

21 Bober, 2003; 2004). Omdat ze zich over het algemeen niet bewust zijn van het feit dat ze te maken hebben met advertenties, activeren kinderen hun kritische vermogens niet. Marketeers weten dat het effect van hun boodschap dan groter is: het verwerken van reclame-uitingen in entertainmentmedia kan een effectieve manier zijn om het scepticisme van kinderen te doen afnemen, en de ontvankelijkheid voor een boodschap te doen toenemen (Lindstrom & Seybold, 2003). Moesten televisiemakers nog een actieve poging doen om kinderen van kijkers te transformeren tot consumenten om advertenties te kunnen verkopen (Preston & White, 2004: 115), in deze online omgeving vallen advertentieruimte en inhoud samen en zijn kinderen vanaf minuut één consument. Ze verhouden zich op intieme en vaak langdurige wijze tot deze online ruimte, waar ze in alle rust (prettige) associaties kunnen opbouwen met het merk en vertrouwd kunnen raken met het wereldbeeld van de aanbieder. De grensvervaging tussen entertainment en beïnvloeding is totaal. Zo bezien is online marketing van een fundamenteel andere orde dan marketing op tv of in printmedia (Moore & Rideout, 2007: 203), want subtieler, minder goed zichtbaar, en daardoor vermoedelijk invloedrijker (vgl. Buckingham, 2007b: 21, Moore & Rideout, 2007: 203). Dit lijkt ouders en opvoeders over het algemeen te ontgaan, zij zijn in meerderheid van mening dat televisie de grootste bron van advertising influence is (Eagle et al., 2003: 137, vgl. Wasko, 2008: 471). Overigens kunnen online spelletjes op hun eigen niveau best ingewikkeld zijn (Seiter, 2005: 89) en kinderen helpen bij het ontwikkelen van nieuwe (sociale) vaardigheden (Eagle et al., 2010: 132, Pijpers, 2011b: 14-15). Ze zullen echter nooit metavragen over zichzelf oproepen, omdat de invloed van de persuasieve uitingen binnen de sites groter is naarmate ze niet als zodanig worden herkend. De sites zijn dus succesvoller naarmate ze de gebruiker minder vragen zijn verstand actief in te zetten om te reflecteren over de media-ervaring Een eerste grond voor mediaonderwijs Om de volle consequenties van dit inzicht te verhelderen, moeten we kijken naar de invloed van media op ons denken. Laten we voorop stellen dat het menselijke verstand historisch veranderlijk is. Zoals de uitvinding van de klok de menselijke ervaring van tijd fundamenteel heeft beïnvloed, en zoals de luchtvaart onze ervaring van afstand heeft veranderd, zo hebben ook de nieuwe media een ingrijpende invloed op ons verstand. The effects of technology do not occur at the level of opinions or concepts, schreef McLuhan terecht. Eerder veranderen ze onze patterns of perception steadily and without any resistance (1964: 18). Een betere formulering van hetzelfde idee komt recentelijk van Carr, die in navolging van McLuhan stelt dat media aren t just channels of information. They supply the stuff of thought, but they also shape the process of thought (2011: 18). De vraag is dan: hoe vormt de internetervaring het denken? Volgens Carr (2010) zorgt het web voor een vervlakking van de geest omdat webgebruikers worden ontmoedigd diep of creatief na te denken. Hun 14

22 geheugen werkt minder goed dan dat van niet-internetgebruikers, en hoewel ze ontzettend veel informatie bekijken, verwerken ze maar weinig. It s possible to think deeply while surfing the Net, just as it s possible to think shallowly while reading a book, but that s not the type of thinking the technology encourages and rewards, schrijft hij (2010: 125). Carrs boek gaat in feite over een les die het internet niet leert, te weten: diep nadenken. Hierboven werd duidelijk dat de commerciële mediaomgeving waarin kinderen vandaag de dag opgroeien, er direct belang bij heeft dat gebrek aan kritische vermogens in stand te houden. Online leren kinderen dus wel wat het betekent om consument te zijn, maar niet wat het betekent om burger te zijn. Er worden wel vaardigheden opgedaan, maar niet het soort vaardigheden dat nodig is in de publieke sfeer (Seiter, 1993: 234). Puur en alleen op basis van mijn analyse van de hedendaagse mediale omgeving moeten we dus al constateren dat er behoefte is aan een toevoeging. Als we willen dat kinderen kritische mediagebruikers worden, en later kritische consumenten van journalistiek en zelfbeschikkende burgers, dan moeten we ze de middelen aanreiken die niet met de media-ervaring gegeven zijn, maar die wel nodig zijn om haar actief en kritisch te bevragen. Er is kortom behoefte aan mediaonderwijs. Dat is te karakteriseren als een contrapedagogiek die tegengesteld is aan de lessen die de mediaomgeving zelf propageert (vgl. Valkenburg, 2008: 48), maar vruchtbaarder is het om het te zien als toevoeging. Het afleren van de consumentistische lessen van de commerciële media is hypocriete en kansloze onderneming in een maatschappij waar consumentisme hoogtij viert. Bovendien is de fascinatie van kinderen voor de fantastische werelden where adults have vanished or figure as despicable villains and where kids rule hoe dan ook te groot om te weerstaan (Seiter, 1993: 233). De analyse van de hedendaagse mediale omgeving geeft eerste aanleiding om te stellen dat mediaonderwijs noodzakelijk is en werpt bovendien licht op het fenomeen van grensvervaging, dat in deze scriptie centraal komt te staan. Als de branded communities waar kinderen deels in opgroeien een les wel propageren, dan is het deze: er zijn geen grenzen. Reclame, entertainment en informatie lopen vloeiend in elkaar over. Karakters van tv en internet wachten je op in de winkel en in het pretpark. Dit is een les die vanaf jonge leeftijd, dag in dag uit wordt herhaald: grenzeloosheid is de natuurlijke toestand. Wanneer kinderen die in zo n context zijn opgegroeid volwassen worden, nemen ze deze les mee, of ze nu entertainment, cultuur of journalistiek gaan consumeren. Mensen zijn niet zomaar mediagebruikers, ze worden het en ze worden het altijd binnen een bepaalde culturele en mediale context. Hierboven heb ik laten zien dat bijna alle pijlen in de hedendaagse culturele en mediale context één kant op wijzen: richting consumentisme en weg van de kritische vermogens. Een perfect recept voor weerloosheid in een tijd van grote verwarring. 15

23 1.3 Over het internet Er is een schets nodig van de technologische, culturele en economische ontwikkelingen rond het wereldwijde web, voordat goed en wel uiteen kan worden gezet welke uitdagingen het internet precies in petto heeft voor de nieuwsconsumenten van morgen Van chaos naar controle Het web was anders. Toen het grote publiek een verbinding met het internet kreeg en zich voorzichtig waagde aan de eerste uitstapjes op het wereldwijde web, stonden de utopisten van het internet op. Vaak waren dat technodeterministen, die het web zagen als een onvermijdelijke kracht met maar een uitkomst: de omverwerping van de status quo. Men droomde van meer democratie, vrije gemeenschapsvorming en nieuwe vormen van participatie, en gaf daarmee uiting aan het libertarian ethos of Silicon Valley (Hirschorn, 2010), waar het internet geboren was. Vanaf het begin werd het web door enthousiastelingen afgezet tegen alle andere media, bijvoorbeeld de televisie, die wordt gezien als passief, terwijl het net actief zou zijn. Van televisie werden we dom, online zouden we gaan leren. Traditionele media leidden tot uniformaliteit, nieuwe media zouden diversiteit koesteren (Buckingham, 2000: 46). Jenkins (2006, 2008, 2009) is een prototypische utopist, die de mogelijkheden bejubelt voor gebruikers die geen publiek meer zijn maar participanten. Zijn werk, schrijft hij, is motivated by a belief in the potential benefits of these new participatory cultures in terms of diversifying media content, fostering a more empowered public, and making media companies more responsive to their consumers (2008: 16). De utopisten vermoedden dat het internet bestaande instituties overbodig zou maken. Ook de institutionele journalistiek zou aan relevantie inboeten, omdat een web van gebruikers de people formerly known as the audience (Rosen, 2006) haar functies zouden overnemen, stelden verschillende auteurs (e.g. Gillmor, 2004). Een kleine dertig jaar later komen veel profeten van toen bedrogen uit. Aan de economische en institutionele basisstructuur van de samenleving is weinig tot niets veranderd. Het web heeft een enorme impact gehad, maar geen radicale omslag voortgebracht in de manier waarop industriële samenlevingen zijn georganiseerd, of in de richting waarin zij zich ontwikkelen. Er zijn zeker nieuwe vormen ontstaan voor citizenship, participation, activism, dialogue, and interactive communication (Deuze, 2006: 72). Maar deze zijn nooit op zichzelf komen te staan: de sociale ruimtes die het web heeft weten te creëren, zijn altijd ingebed gebleven binnen bestaande economische structureren (Jones, 1997: 8, aldus aangehaald in Burke, 2008: 18). The imperatives of profit, power and control seem as predominant now as they have ever been in the history of capitalist industrialism (Kumar, 1995: 154, aldus geciteerd in Van Dijk, 2005: 133). 16

24 Achteraf valt te zeggen dat men te deterministisch naar technologie keek, en te weinig rekening hield met de natuurlijke hardheid van bestaande sociale gebruiken, instituties en economische structuren (Van Vree, 2012). Het internet bleek niet een zelfstandige kracht met vastgestelde richting en momentum, maar een medium, een doorgeefluik voor de krachten die het omringen. In tegenstelling tot wat doorgaans wordt aangenomen, zorgde het web niet voor nieuw politiek engagement (Gibson et al., aldus aangehaald in Lax, 2007: 203) of voor radicale sociale transformaties. Whether we study social mobility, participation in political activity or the take-up of educational opportunities, we find no convincing evidence of novel trends that might suggest some social transformation (Lax, 2007: 210). Bovendien verwarden de optimisten online participatie te vaak, en ten onrechte, met controle over de inhoud (Kim, 2010: 154). Natuurlijk was er wel bestaand engagement dat de online handschoen opnam. Dat leidde onder meer tot de ontmanteling van een carefully cultivated hierarchical relationship between (mass) media consumers and producers (Deuze, 2006: 64-66). Het web biedt ontegenzeggelijk ruimte aan krachten van emancipatie, activisme, participatie en politieke inmenging. Er wordt volop gediscussieerd, geleerd, gedeeld en geparticipeerd, precies zoals de utopisten droomden. Maar tegengestelde krachten doen hun werk net zo goed. Ook online media kunnen gebruikt worden als opium voor het volk, precies tegengesteld aan het idee dat online iedereen actief zou zijn (Morozov, 2011). Burgers hebben meer stem, maar dat hebben bedrijven en andere belangen die directe toegang tot het publiek willen ook (Kovach & Rosentiel, 2010: 7). Ook online ruimtes bleken ondemocratisch te werken, of als middel van uitsluiting (vgl. Buckingham, 2005b: 28). Ook online bleek domheid te kunnen zegevieren, ook online wordt er gescholden. Het web is kortom een medium dat wordt gekenmerkt door schijnbare tegenstellingen : er is collectieve intelligentie maar ook collectieve domheid, pluriformiteit naast eenvormigheid, techniek naast menselijkheid, schaalvergroting naast schaalverkleining (Raad voor Cultuur, 2005: 8). Het web is dit allemaal tegelijk, niet het een of het ander. Het technodeterminisme moet dus worden verworpen, en een mutual shaping view van technologie moet worden omhelsd, een inzicht dat we vormen én worden gevormd. Hoewel techniek nooit volledig neutraal is met een schaar kun je niet pinnen determineert ze evenmin de onontkomelijke uitkomst van haar gebruik. Oer-determinist McLuhan stelt, in de woorden van Culkin (1967): we shape our tools [media] and thereafter they shape us. Het is eerder: wij vormen onze media, en daarna vergeten we doorgaans dat we ze continu blijven vormen. Een technologische innovatie zorgt voor mogelijkheden, maar hoe die uitwerken is een kwestie van cultuur, kapitaal en de keuzes die consumenten maken. The tools available to a culture matter, but what that culture chooses to do with those tools matters more, schrijft Jenkins (2009: 8) terecht. Alleen door oog te hebben voor het krachtenspel dat het medium internet omringt, kunnen we recht doen aan deze realiteit. Aan de ene kant zijn er krachten uit het centrum die fragmentatie, 17

25 differentiatie en individualisering in de hand werken. Dit is de kracht die Esther Dyson beschrijft als ze stelt dat [the] great virtue of the Internet is that it erodes power. [ ] It sucks power out of the center, and takes it to the periphery, it erodes the power of institutions over people while giving to individuals the power to run their own lives (aldus geciteerd in Pariser, 2011: 59). Aan de andere kant zijn er krachten die centrale controle versterken, forces reasserting centralized control, the power of the state or of capital forces of homogeneity and uniformity (Buckingham, 2000: 97). De werking van deze krachten zien we bestendigd in internetbedrijven als Google en Facebook. Wie een van de krachten verabsoluteert, mist het punt. Buckingham belicht beide kanten van de medaille: [New] media technologies are bringing about a convergence of hitherto separate media and forms of communication that is largely subject to the operations of global capitalism. It could be argued that the media are merging into a form of endless intertextuality that is driven by commodification a consumer culture that effectively swallows all in its path. Yet it could equally be argued that these same technologies undermine traditional forms of regulation and control (2000: 97). We moeten het web dus zien als een plek waar zich een krachtmeting voltrekt. De uitkomst daarvan is niet principieel gedetermineerd. Toch is de manier waarop het internet zich ontwikkelt wel voorspelbaar als we in ogenschouw nemen dat we in een tijd van welhaast ongebreideld kapitalisme leven. Christopher (1998: ) zag het helder toen hij voorspelde dat the logic of capital and accumulation will influence, if not shape, social choices in a manner that constrain the liberating potential of [the Internet]. Wie naar de geschiedenis kijkt, ziet dat ieder medium zijn intrede op chaotische en ongecontroleerde wijze heeft gedaan. Of het nu ging om de drukpers, de radio, cinema of televisie: de opkomst van ieder medium verstoorde de status quo. In The Master Switch: The Rise and Fall of Information Empires (2010) beschrijft Tim Wu hoe het nieuwe medium na verspreiding en adaptatie telkens ondergeschikt wordt gemaakt aan een economische structuur die erop gericht is er effectief geld aan te verdienen. Zo is de ontwikkeling van ieder medium er één geweest van chaos naar controle, open naar gesloten. Hoewel rond het web nog steeds de air en retoriek hangt van de vroege utopisten, wordt nu evident dat het steeds meer een private sfeer is waar private belangen dominant zijn. We hebben het gevoel dat het web een nieuwe publieke ruimte is, maar zien over het hoofd dat alle online ruimte zelf is ingebed in bestaande structuren: het web is een corporate sphere that tolerates public speech (Shirky, aan het woord in Vance & Helft, 2010). iv Kovach & Rosentiel (2010: 202) schrijven nog dat we aan het begin staan van een new disruption. Ik vermoed met Tim Wu (2010) eerder dat we getuige zijn van een sluitstuk, een herhaling van zetten met een voorspelbare uitkomst: meer controle. Ik denk dat het publiek die beweging van chaos naar controle over het algemeen zelf in de hand werkt. Dat is goed te zien aan de opkomst van smartphones, tablets iv Althans, tot op zekere hoogte, zo bleek bij de affaires rond WikiLeaks, toen Amerikaanse websites beter controleerbaar bleken dan velen hadden gedacht of gehoopt (idem) 18

26 Figuur 1.1: Het app-model wordt wel de walled garden approach genoemd. (Afbeelding met toestemming van illustrator Jason Schneider overgenomen uit Hirschorn, 2010) en apps. Daarmee maken we een beweging door van een generative Internet that fosters innovation and disruption, to an appliancized network that incorporates some of the more powerful features of today s Internet while greatly limiting its innovative capacity and, for better or for worse, heightening its regulability (Zittrain, 2008: 8, mijn cursivering). We verlaten het Wilde Westen van het web: [The] move from the browser model to the app model (where content is more likely to be accessed via smartly curated stores like itunes, Amazon, or Netflix) signals the first real taming of the Wild Digital West. Apple s version of the West has nice white picket fences, clapboard houses, morals police, and lots of clean, well-organized places to spend money (Hirschorn, 2010). Waar het publiek op het web zich kon bemoeien met de productie van inhoud, daar wordt het in de wereld van de app vooral weer een kwestie van consumeren. There s much less overall opportunity for user-level reconfiguration and customization and user level control (Ito, 2011). Consumptie via apps kan nog steeds waardevol zijn, maar nooit de opzet van de producent te buiten gaan. De emancipatoire eigenschappen die aan het web worden toegedicht, gaan dan ook verloren wanneer consumenten ervoor kiezen het internet te gebruiken binnen de gecontroleerde paden van dichtgetimmerde toepassingen. Dit betoog gaat verder over de consumptie van journalistiek via het web, en ik laat de wereld van de app hier dus voor wat die is. Ik heb hier alleen willen tonen dat de nieuwste, populaire mediatechnologieën de beweging van chaos naar controle bevestigen en bestendigen. Deze beweging wordt zowel gedreven door de onvermijdelijke koers van het kapitalisme, als door de vraag van gebruikers (vgl. Anderson & Wolff, 2010) Gebaande paden Te stellen dat het internet een gecontroleerde omgeving is, gaat in tegen de intuïtie. Wie over het web surft, voelt zich vrij en heeft ook enige vrijheid, bijvoorbeeld om zelf te bepalen op welke links hij klikt. De gebruiker brengt dus zelf structuur aan en is in die zin producent van zijn eigen informatiepad. Maar het web wordt ook voor hem gestructureerd. Om de structurering zichtbaar te maken, is een institutionele analyse nodig: we moeten een blik werpen op de mediabedrijven die het web domineren. Hieruit volgen als vanzelf de implicaties voor de journalistiek. 19

27 Het internettijdperk heeft een aantal megabedrijven voortgebracht. Het gaat in het Westen om Google, Apple, Facebook en Amazon (gevolgd door Twitter en ebay). Deze bedrijven zijn allemaal ontstaan vanuit hun eigen core business, maar beginnen steeds heftiger met elkaar te concurreren. Uit strategisch en commercieel oogpunt streven deze bedrijven ernaar het web behapbaar te maken voor gebruikers. Ze slagen daar beter in naarmate ze meer persoonlijke informatie over de gebruiker verzamelen en die informatie gebruiken om structuur aan te brengen. Facebook heeft bijvoorbeeld de ambitie om een geïntegreerde toepassing te zijn op het hele internet, een layer underneath almost every electronic device (Vargas, 2010). Het doel van Mark Zuckerberg, zoals omschreven door Pariser (2011: 42), is [to] make the whole Web social and bring Facebookstyle personalization to millions of sites that currently lack it. Facebook wil dus een functie zijn die aan alle andere online ervaringen voorafgaat en die de gebruiker continu aan de hand neemt en hem de weg wijst. Eventually, the company hopes that users will read articles, visit restaurants, and watch movies based on what their Facebook friends have recommended (Vargas, 2010). Het bedrijf heeft er commercieel belang bij zoveel mogelijk informatie te verzamelen over gebruikers, want hoe meer Facebook van iedere gebruiker weet, hoe beter die bij de hand kan worden genomen, en hoe beter advertenties op maat kunnen worden verkocht. Google wil iedere gebruiker zo goed mogelijk bedienen met zoekresultaten. Het bedrijf slaat aan de hand van 200 signalen kleine beetjes data, bijvoorbeeld over iemands locatie het surfgedrag van specifieke gebruikers op. Deze informatie wordt vervolgens gebruikt om toekomstige zoekresultaten te personaliseren. Zo kunnen mensen op basis van hun klikgedrag en zoekgeschiedenis zeer uiteenlopende zoekresultaten voorgeschoteld krijgen (Pariser, 2011). Het commerciële belang is evident: hoe meer Google weet van de gebruiker, hoe beter het met advertentie gelardeerde zoekresultaten kan aanbieden. Google heeft zo invloed op wat haar gebruikers consumeren: het brengt mede op basis van commerciële belangen structuur aan op het web. Kortom: net als bij de oude media, consumeren we informatie online via tussenpersonen die structuur voor ons aanbrengen. The rise of networking did not eliminate intermediaries, but rather changed who they are (Wu, aan het woord in Pariser, 2011: 60). De gebruiker die zich via het web probeert te informeren is zich hiervan over het algemeen niet bewust, die heeft juist het gevoel zelf te controleren waar hij heen surft en welke inhoud hij tot zich neemt. Vaak nemen we impliciet aan dat online informatie er gewoon is. Jonge mensen doen dat zeker: uit onderzoek van Facer et al. bleek dat jongeren weinig kennis hadden over hoe informatie geproduceerd werd. Vaak zagen ze online informatie as originating not from people, organisations and businesses with particular cultural inclinations or objectives, but as a universal repository that simply existed out there (2003: 86; zie ook Seiter, 2005: 99). 20

28 Dat is een hopeloos naïef misverstand. Om te beginnen zijn er organisaties, zoals Demandmedia en Associated Content, die ad-hoc inhoud laten produceren door een leger aan freelance tekstschrijvers over onderwerpen die veel in Google worden opgezocht. Ze maken daar vervolgens zoekmachinevriendelijke pagina s van die hoog eindigen in de zoekresultaten van Google, daardoor veel gebruikers lokken, en meer advertentie-inkomsten opleveren. Bekend zijn ook de angsten van auteurs zoals Bagdikian (2004), McChesney (2004) en Schiller (1989), die in de voetsporen van Chomsky en Herman (1988) waarschuwen voor de corporate takeover of public expression (Schiller, 1989; Maloney, 2005). Het probleem dat deze auteurs terecht aan de kaak stellen is dat verreweg de meeste media-inhoud het privébezit is van een kleine groep multinationale ondernemingen, die door verticale integratie en crosspromotie van hun materiaal een onevenredig grote invloed hebben over de inhoud. Om te begrijpen hoe het komt dat mediagebruikers zich hiervan zo weinig bewust zijn, is het nuttig om Williams concept van flow ter hand te nemen. Hij introduceerde dat concept in zijn boek over televisie in de jaren zestig en zeventig. Williams zag dat het medium televisie verschillende ervaringen, die voorheen gescheiden waren, aan elkaar schakelde. Met een druk op de knop [kreeg] de kijker toegang tot de flow van beelden en geluiden (Van Dijck, 2002: 416). De televisiekijker heeft het gevoel zelf te bepalen wat hij kijkt, maar de flow was er volgens Williams op gericht hem de hele avond te binden aan één omroep of kanaal. Door te kijken naar de inhoud van de flow, kon je de commerciële belangen en eigendomsverhoudingen van de omroepen terugzien (ibidem, 417). Ook in het internettijdperk hebben we nog te maken met flow, schrijft Van Dijck. De ervaring lijkt op die in het verkeer: wie in een auto stapt voelt zich vrij om te gaan waar hij wil. Maar wie van buitenaf naar de flow van het verkeer kijkt, ziet in de regelmaat een vrijwel totaal gedetermineerde sociale orde (Williams, 1995: , geciteerd in McGuigan, 2007: 12). Op een vergelijkbare manier heeft iemand die op het web surft het gevoel te gaan waar hij wil. In feite bewandelt hij echter hoofdzakelijk paden die reeds voor hem zijn uitgestippeld, mede op basis van commerciële belangen (vgl. Van Dijck, 2002: 417). Het web wekt wel de indruk dat het de hiërarchie tussen producenten en consumenten uitveegt, maar in feite is de machtsrelatie alleen subtieler vormgegeven, en dus moeilijker te herkennen (ibidem, 421). Natuurlijk zijn er ook gebruikers die de gebaande paden verlaten. Het web biedt de vrijheid om off-track te gaan en het medium te gebruiken voor emancipatoire doeleinden, zoals de utopisten het graag zien. Corporate power heeft dus niet simpelweg de overhand, het publiek is geen homogene, weerloze groep (Hrynyshyn, 2005). We zijn hier dus opnieuw getuige van een krachtenspel, met multinationale content providers en intermediaries zoals Google en Facebook aan de ene kant, en een grotendeels onsamenhangend web van gebruikers aan de andere kant. De uitkomst van het krachtenspel is opnieuw niet principieel bepaald, maar als we kijken naar de machtsverhoudingen tussen gebruikers en de belangrijkste 21

29 internetbedrijven, moeten we weer concluderen dat de krachten die werken richting centrale controle de overhand lijken te hebben. Er zijn namelijk sterke economische prikkels om zoveel mogelijk informatie over gebruikers te verzamelen en op te slaan. Die informatie stroomt online wel richting de bedrijven, maar niet terug. Dat is de kern van de scheefheid in de online machtsverhouding, want informatie is macht. [Nowadays], an individual must increasingly give information about himself to large and relatively faceless institutions, for handling and use by strangers unknown, unseen, and all too frequently, unresponsive (Zittrain, 2008: 201). Vaak is die informatie de facto verhandelbaar eigendom van het bedrijf, zoals mijn foto s op Facebook. In deze verhouding hebben established interests [ ] a much more powerful position than the humble consumer or the marginal group (Nightingale, 2007:32) Invloed op de inhoud van de journalistiek Wat heeft dit alles te betekenen voor de journalistiek? Een van de functies van de journalistiek is die van poortwachter: een selectie maken tussen belangrijk en onbelangrijk nieuws. Als het goed is, laten journalistieke organisaties precies die informatie door die in het belang is van het publiek. De praktijk is weerbarstiger, maar in principe is de journalist een poortwachter in naam van zijn lezers. Hierboven is duidelijk geworden dat bedrijven als Google en Facebook een deel van die functie hebben overgenomen. Ze zijn voor een deel tussen de journalist en de lezer in komen te staan, omdat de journalistiek steeds vaker geconsumeerd wordt via deze sites. Daarbij wordt de journalistiek onderworpen aan de structuur die Google en Facebook op het web aanbrengen. De keuzes die deze bedrijven maken of de nieuwe knop Leuk of Boeiend moet heten, welk soort inhoud hoog eindigt in zoekresultaten worden dan uiterst belangrijk voor de consumptie van journalistiek (Pariser, 2011: 60). De vraag die zich dan opdringt, is voor wie deze nieuwe tussenpersonen precies werken. Jaron Lanier voorspelde in 1995 dat zij niet louter zouden komen te werken voor het publiek, maar ook voor commerciële belangen. Het was volgens hem waarschijnlijk that these agents would have double loyalties [that they would be] bribable agents (aldus geparafraseerd door Pariser, 2011: 27). Hun filterfunctie is vergelijkbaar met de journalistiek, maar hun loyaliteit ligt elders. De onzichtbare, embedded editors bieden ons uiterst nuttige (journalistieke) diensten, maar werken tegelijkertijd voor de gunst van adverteerders. Het feit dat online gemakkelijk veel persoonlijke informatie over gebruikers verzameld kan worden, heeft ingrijpende gevolgen gehad voor de journalistiek. Het web bood adverteerders een oplossing voor het probleem waar ze altijd mee worstelden: dat ze hun boodschappen moesten richten op een grote, tamelijk onbestemde massa. Ook vaders die nooit schoonmaken kregen de advertenties van Ajax te zien in de reclamebokken op tv. Online echter kunnen adverteerders hun doelgroep veel beter vinden en volgen via bedrijven die persoonlijke data verkopen, en via bedrijven als Google, Amazon en 22

30 Facebook. Adverteerders waren daardoor niet meer veroordeeld tot journalistieke media om hun publiek te bereiken: dat konden ze nu overal op het web doen (Pariser, 2011: 50 e.v.). De noodzaak om advertenties en journalistiek samen in een bundel te verkopen is daarmee weggevallen: adverteerders kregen minder reden om het publieke goed journalistiek te subsidiëren via de inkoop van advertenties in journalistieke media (Shirky, 2011; vgl. Kovach & Rosentiel, 2010: 23). Dat heeft een gat geslagen in het verdienmodel van veel journalistieke organisaties, die voor een belangrijk deel steunden op advertentie-inkomsten. De journalistiek werd daarmee afhankelijker van de grillen van een vraaggestuurde markt (vgl. WRR, 2005:13). Dat heeft gevolgen gehad voor het soort journalistiek dat wordt geproduceerd. In een sterk vraaggestuurde online markt worden bepaalde dure vormen van journalistiek, waar geen of minder advertenties bij verkocht kunnen worden, ondergeproduceerd, terwijl juist zij een groot publiek goed vertegenwoordigen (Shirky, 2011). Op internet is er van alles veel, misschien te veel, maar relatief neemt kwaliteitsjournalistiek online een marginale positie in. Much like what happened with television in the 1990s, entertainment and personal interests seem to be making news a smaller and smaller part of the Internet s universe (Mindich, 2005: 71). We zien het vraag-aanbod principe hierachter in zuivere vorm bij de ad-hoc content providers zoals Demand Media. Terwijl dure journalistieke genres worden ondergeproduceerd, zal een ander soort journalistiek in een sterk vraaggestuurde markt worden overgeproduceerd: leuk nieuws, opmerkelijke verhalen, human interest. Deze verhalen zijn goedkoop te produceren en leveren relatief veel advertentie-inkomsten op, omdat ze beter scoren in de nieuwe online omgeving waar Facebook en Google de regels van het spel bepalen. Dat Mark Zuckerberg van mening is dat a squirrel dying in front of your house may be more relevant to your interests right now than people dying in Africa (Kirkpatrick, 2010: 296), voorspelt niet veel goeds voor de serieuze journalistiek. In The Filter Bubble schetst Eli Pariser (2011) het probleem dat hieruit volgt, namelijk dat het nieuwsaanbod in de toekomst verder zal fragmenteren omdat mensen oninteressant nieuws zullen vermijden. v Facebook wordt bijvoorbeeld een soort krant, maar wel een die je vrienden samenstellen. Hoe beter Facebook en Google ons het nieuws kunnen bieden wat precies aansluit op onze voorkeuren, hoe waarschijnlijker we zijn hun diensten te gebruiken, en hoe meer advertenties zij kunnen verkopen zo luidt het ietwat simplistische argument van Pariser. Het schrikbeeld dat hiermee samenhangt, is een filter bubble waarin het nieuwsaanbod steeds wordt aangepast op ons persoonlijke profiel, zodat we gedoemd zijn ons eerdere internetgedrag te herhalen, a kind of informational determinism in which what you ve clicked on in the past determines what you see next [ ] You can get stuck in a static, ever narrowing version of yourself an endless you-loop (Pariser, 2011: 22). v Pariser is zeker niet de eerste die dit probleem aankaart, eerder wezen andere auteurs al op het gevaar van cyberbalkanization en bijhorende kenniskloven in de samenleving als iedereen alleen nog de Daily Me tot zich neemt. Zie Putnam (1995, 2000), Tewksbury & Althaus (2000), Sunstein (2001), Tewksbury (2003), Schoenbach et.al. (2005), Mindich (2005), Keen (2006). 23

31 Omdat we niet uit deze bubbel kunnen stappen en omdat we van binnenuit niet kunnen bepalen hoe onze persoonlijke filters zijn ingesteld, ontglipt ons dan de controle over ons nieuwsaanbod, stelt Pariser (2011: 17). Deze vrees lijkt deels overtrokken, omdat er online altijd alternatieven zijn en omdat ook binnen de structurering die de nieuwe poortwachters aanbrengen, rekening kan worden gehouden met de nadelen van de filter bubble. In het algoritme achter de nieuwsdienst van Google, bijvoorbeeld, kunnen journalistieke waarden worden ingebed. Aan de andere kant zegt de CEO van Google, Eric Schmidt, dat de nieuwsconsumptie van de toekomst very personal, very targeted zal zijn (Pariser, 2011: 61). Sterker nog, volgens Schmidt zal de technologie zo goed zijn, dat het erg moeilijk wordt iets te kijken of consumeren dat niet op de een of andere manier op maat gemaakt is (Pariser, 2011: 49). Pariser vreest dat dit zal leiden tot het verlies van gemeenschappelijke grond in de samenleving (2011: 13, zie ook Tewksbury, 2005). Ik denk dat fragmentatie van het journalistieke aanbod een reëel gevaar is, maar we moeten deze online ontwikkeling niet te snel veralgemeniseren. Publieke omroepen en journalistieke bedrijven die hun inkomsten halen uit abonnementen of fondsen, hebben veel minder last van logica van de zuiver vraaggestuurde markt, dan journalistieke bedrijven die alleen online opereren. Aan de andere kant worden alle journalistieke organisaties online beïnvloed door de effecten die het internet heeft op een heel ander niveau, te weten: dat van de vorm Het probleem van journalistiek, vorm en grensvervaging Nu de economische structuur van het web toegelicht is, en de effecten die dit heeft op de inhoud die wordt geproduceerd, kunnen we kijken naar de invloed die het web heeft op de vorm van de journalistiek. Het zijn de veranderende vorm van journalistieke inhoud en de bijhorende grensvervagingen die de grootste uitdagingen voor de nieuwsconsumenten van morgen vormen Grensvervaging en vorm Online gaat de journalistiek deel uitmaken van een mediaomgeving die wordt gedomineerd door sites als Google, Facebook en Twitter. Een van de belangrijkste eigenschappen van dit soort sites is een radicale gelijkschakeling van verschillende activiteiten, functies en discoursen. Het onderscheid tussen commercie, nieuws en entertainment wordt in toenemende mate uitgevlakt, omdat verschillende soorten inhoud aaneen worden geregen in één en dezelfde flow. In de online flow vallen de temporale en spatiale verankering van oude media weg, waardoor ook de discursieve onderscheiden tussen nieuws, reclame en entertainment minder gemarkeerd worden. Tot slot lopen de activiteiten informeren, spelen en kopen naadloos [ ] in elkaar over (Van Dijck, 2002: 417, 420). Het zou te simplistisch zijn te doen alsof deze aaneenschakeling door het internet is veroorzaakt. Technologie is oorzaak noch gevolg, maar een symptoom van grensvervagingen die ook op cultureel en economisch gebied spelen (Van Dijck, 2002: 417). We kunnen de grensvervaging op cultureel 24

32 niveau bijvoorbeeld waarnemen in het vervagende onderscheid tussen privé en publiek, of tussen hoge en lage cultuur. We kunnen de vervaging ook duidelijk zien op het niveau van mediabedrijven. Van Dijck wees er al op dat content providers de nieuwe verzamelnaam is voor mediabedrijven die nieuws, entertainment, data en advertenties bij de mensen thuis brengen (2002:414). Vooral binnen multinationale mediaconglomeraten vindt een gelijkschakeling plaats van inhoud (Van Dijck, 2002:415) en de gelijkschakeling van alle inhoud als content versterkt de versmelting van alle publieke discoursen in een homogeen commercieel informatie-universum. Natuurlijk gebeurt dit niet bij ieder journalistiek bedrijf, en wordt het journalistieke discours op sommige plekken nog streng afgebakend (met name in kwaliteitskranten en -bladen). De dominante trend, zeker bij grote mediabedrijven, is echter richting gelijkschakeling van inhoud en grensvervaging. Online vervagen grenzen tussen verschillende discoursen, tussen private en publieke ruimtes (Twitter is daar een goed voorbeeld van), tussen werk en thuis, arbeid en vrije tijd (Schnabel, 2000), maar ook tussen nabije en afgelegen ruimtes (Burke, 2008) en tot slot tussen echt en virtueel (vgl. Auty en Lewis, 2004). [We re] moving towards digital technology becoming a very pervasive part of everyday life, so that we don t really think about the distinction between the real and virtual as something radically different (Ito, 2011). Facebook is bij uitstek een omgeving die vragen oproept over de grenzen van de realiteit. Vermoedelijk zou Baudrillard in Facebook het summum zien van wat hij hyperrealiteit noemt, een ideale wereld waarin de geteisterde postmoderne mens vlucht. Ook de branded communities waar kinderen mee opgroeien zijn een uiting van deze hyperrealiteit en van een vergaande gelijkschakeling. Zijn grenzen dan nog wel mogelijk? Baudrillard omschreef gelijkschakeling als het gevolg van een technologische revolutie die zowel het modernisme doet sneuvelen als het postmodernisme sticht. Volgens de Franse denker implodeert op dat moment alle betekenis, en daarmee vervallen ook alle onderscheiden (Kellner, 2009). Baudrillard toont zich More McLuhan than McLuhan (Genosko, 1999) hij radicaliseert McLuhans credo The medium is the message (1967) tot het betekent dat alle inhoud is geneutraliseerd en zelfs het medium er niet meer toe doet: There are no longer media in the literal sense of the term (I am talking above all about the electronic mass media) -- that is to say, a power mediating between one reality and another, between one state of the real and another -- neither in content nor in form. Strictly speaking this is what implosion signifies: the absorption of one pole into another. [ ] [The] medium and the real are now in a single nebulous state whose truth is undecipherable (Baudrillard, 1983: , aldus geciteerd in Kellner, 1988). Het idee van implosie is innemend, maar het doet weinig recht aan de praktijk. Er is absoluut vervaging tussen de gemedieerde en de echte werkelijkheid. Maar wie het reductionistische technodeterminisme van McLuhan en Baudrillard voor waar aanneemt, verliest het zicht op graduele verschillen tussen meer en minder gemedieerde contexten van menselijk handelen. In het essentialistische denken van 25

33 Baudrillard imploderen alle onderscheiden, maar wie voet zet in de echte wereld, zal merken dat het goed mogelijk is om pragmatisch, met vallen en opstaan, onderscheid te maken tussen medium en werkelijkheid, tussen virtueel en echt, tussen hyperreëel en reëel. De werkelijkheid is niet zwart of wit, modern of postmodern, vol betekenis of zonder betekenis. De werkelijkheid is rommelig en vol grijstinten. Of mensen nu geloven in de waarheid of niet, ze zullen altijd blijven oordelen over het waarheidsgehalte van een ervaring, tekst of theorie. Al het reductionisme van de wereld kan die praktijk niet wegnemen. Zoals landsgrenzen wel bestaan op een kaart maar niet in de echte wereld, zo bestaan ook grenzen tussen media en realiteit alleen in ons hoofd. Ook voor de zogenaamde implosie van Baudrillard bestonden de grenzen tussen verschillende discoursen louter bij de gratie van ons onderscheidingsvermogen en onze bereidheid ze als zodanig te herkennen. We kunnen onze energie in deze context beter richten op de vraag hoe we pragmatische onderscheiden beter kunnen maken in het hedendaagse medialandschap, dan op filosofisch niveau te betwisten of het onderscheid tussen medium en werkelijkheid, of het idee van werkelijkheid zelf in absolute zin stand houdt. Zonder te hoeven stellen dat alle onderscheiden zijn vervallen, kunnen we constateren er sprake is van vergaande grensvervaging, en dat de journalistiek daar terdege door wordt beïnvloed. De opkomst van gemengde genres laat dat goed zien. Programma s behoren zelden meer tot een zuivere categorie, maar nemen een positie in op het glijdende continuüm tussen informatie en entertainment, tussen educatie en commercie (Van Dijck, 2002:419). Zo kennen we vandaag onder meer infotainment, polimercials, edudrama, docutainment, infomercials en edutainment. Programma s zijn tegenwoordig vaak én informatief én amusant, denk De Wereld Draait Door, Pauw en Witteman. Ook in de vorm waarin deze genres tot ons komen kunnen we de grensvervaging waarnemen. In The politics of the narrative form (1995) beschrijft Schudson hoe de veranderende rol van journalisten in de Amerikaanse samenleving zijn weerslag had in de vormen waarin ze het nieuws brachten. Terwijl hun taakopvatting opschoof van stenograaf naar duider, werd de lead de eerste alinea van een nieuwsverhaal, waarin de belangrijkste aspecten en de richting van het stuk duidelijk worden een conventie. Het journalistieke product veranderde in vorm terwijl en doordat de functie van de journalisten veranderde. Schudson concludeert: It is a very different matter to say that the news reflects the social world by describing it, and to say that it reflects the social world by incorporating it into unquestioned and unnoticed conventions of narration. When a changed political reality becomes part of the very structure of news writing, then the story does not reflect the new politics but becomes part of the new politics itself. There is not only a narration of politics in the news; the news is part of the politics of narrative form (1995: 66). Schudson laat dus zien dat niet alleen de journalistieke inhoud wordt beïnvloed door de veranderingen die op de journalistiek inwerken, maar dat ook de vorm van het nieuws en andere journalistieke producten zelf uiting geeft aan die veranderingen. Alle invloeden culturele, technologische, 26

34 economische laten sporen na in de vorm (vgl. Van Dijck, 2002: 422). De kern is te zien how media forms constitute content and how content is always formed or structured, while forms themselves can be ideological (Kellner, 1988, vgl. Allan, 1999: 83). Wie recht wil doen aan deze ingewikkelde praktijk moet niet vervallen in technodeterminisme, maar oog houden voor de dialectic of form and content in media communication (Kellner, 1988) Vorm en betrouwbaarheid op het wereldwijde web Ik geloof dat veranderingen op het niveau van de vorm de grootste uitdaging vormen voor nieuwsconsumenten van morgen. Om te begrijpen waarom, moeten we kijken naar het verband tussen betrouwbaarheid en vorm. Voor Schudson produceren nieuwsmedia niet louter nieuws, maar ook de vormen waarin echte uitspraken over de werkelijkheid verschijnen (Schudson, 1995:54). De journalistieke vorm geeft kortom betrouwbaarheid aan de inhoud die erin verschijnt. Broersma (2010a, 2010b) heeft dit idee uitgebreid tot de notie van performatief vermogen van journalistieke vormen. Net als specifieke talige handelingen hierbij verklaar ik jullie man en vrouw, uitgesproken door een ambtenaar van de burgerlijke stand ontlenen tekstuele proposities over de (actuele) werkelijkheid hun betrouwbaarheid aan de vorm waarin ze verschijnen. Hoe bekender de vorm waarin de uiting verschijnt, hoe groter het vertrouwen en de geloofwaardigheid (Broersma, 2010b: 6, met verwijzing naar Broersma, 2007a: ix-xi). Een succesvol journalistiek discours heeft dus het vermogen om tegelijkertijd iets in de werkelijkheid te beschrijven en datzelfde te produceren (Broersma, 2010b: 3). Journalistiek maakt zo de werkelijkheid (Broersma, 2010b: 1), het is geen beschrijvend maar een performatief discours, designed to persuade readers that what it describes is real, which, by successfully doing so, transforms an interpretation into truth into a reality the public can act upon (Broersma, 2010a: 26; zie ook Allan, 1999: 81). Belangrijk is op te merken dat een journalistieke vorm alleen performatief en betrouwbaar is als de gebruiker of lezer er (impliciete) kennis over heeft. Zonder herkenbare vorm heeft de journalistiek geen performatief vermogen en kan ze geen betrouwbaarheid uitstralen. De noodzakelijke voorwaarde voor performativiteit van de journalistieke vorm is het bewaken van formele grenzen. Als formele grenzen worden verwaarloosd, wordt het moeilijker en uiteindelijk zelfs praktisch onmogelijk om journalistiek te onderscheiden van andersoortige informatie. Dat komt neer op een regelrechte beperking van de autonomie van de journalistiek, want als die er minder goed in slaagt een eigen vorm te claimen, kan ze minder betrouwbaarheid uistralen, neemt het performatieve vermogen af, en zal ze er minder goed in slagen haar functie uit te oefenen, i.e. de werkelijkheid te produceren en houvast te bieden in een snel veranderende wereld. Journalistiek zonder performatief vermogen is als iemand die een huwelijk voltrekt, terwijl hij geen priester of ambtenaar van de burgerlijke stand is. Een journalistieke vorm met weinig performatief vermogen is als iemand die bekend staat als leugenaar: wanneer die een belofte doet, neemt niemand hem serieus. 27

35 Online hebben journalistieke organisaties nieuwe vormen ontwikkeld, die net als hun offline vormen performatief vermogen moeten hebben om effectief te zijn. De website van de belangrijkste krant ter wereld, de New York Times, oogt binnen de online context niet minder gezaghebbend dan de papieren krant in een kiosk. Binnen deze journalistieke site is de kwaliteitszekerheid hoog, omdat de vorm waarin de informatie verschijnt voorspelbaar en goed te onderscheiden is. Ook andere dan journalistieke teksten ontlenen hun betrouwbaarheid aan de vorm waarin ze verschijnen. Wanneer mensen de betrouwbaarheid van een site inschatten, baseren ze zich over het algemeen op superficial aspects of a site, such as visual cues, niet primair op inhoud. For example, nearly half of all consumers (or 46.1%) in [our] study assessed the credibility of sites based in part on the appeal of the overall visual design of a site, including layout, typography, font size and color schemes (Fogg et al., 2003: 6). In onderzoek van Duckfoot Research kwam herkenning als belangrijkste factor naar voren bij het inschatten van betrouwbaarheid, gevolgd door een swift, intuitive judgement (2009: 3-4). Strikte criteria worden niet of nauwelijks gebruikt: het was de design look van de site die het vaakst wordt genoemd als factor bij de evaluatie van geloofwaardigheid (Fogg et al., 2003: 4). Ook jongeren baseren zich in oordelen over betrouwbaarheid hoofdzakelijk op issues of format and design (Jenkins 2009:22-3). Als kinderen de kans krijgen om zelf media-inhoud te produceren, zullen ze als vanzelf de vormen imiteren waarin zoveel invloeden verankerd liggen. When engaging with mainstream media, even as producers, kids tend to represent the dominant formats, styles, and even stereotypes of media, thus perpetuating, albeit unwittingly, the constraining values of corporate capitalist culture (Fisherkeller, 2007: 233, met verwijzing naar Goodman, 2003). Betrouwbaarheid wordt moeilijker in te schatten als bekende vormen afwezig zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand bekende websites verlaat, en daadwerkelijk gaat surfen. De onvoorspelbaarheid van het web en de afwezigheid van bekende vormen vraagt dan om nieuwe vaardigheden. Gebruikers moeten ineens zelf het objectiviteitsgehalte van informatie gaan wegen, maar omdat bekende vormen afwezig zijn, wordt dit stukken moeilijker dan binnen een voorspelbare site. Gevoel voor context, meestal ingegeven door bekendheid met de materiële vorm, wordt [dan] nog essentiëler, stelt Van Dijck (2002: 420). De ongekende hoeveelheid informatie en de grenzeloosheid van het web dringen zich hier dan op als serieus probleem, omdat informatie in onmetelijke hoeveelheden even goed kan verbazen en verwarren als ze kan verhelderen en versterken. [ Een] een enorme stroom van gegevens waarvan je niet weet hoe je die in de context moet interpreteren is ofwel nutteloos of erger dan nutteloos, als je er te veel van onder de indruk raakt (Lanier, 2011). De toename van het aanbod en de vele (commerciële) belangen maken het vertrouwen in het aanbod (en de betekenis daarvan) minder vanzelfsprekend schrijft de WRR (2005:70) in deze context. Wat is de waarde van feitelijke toegang tot informatie als het in toenemende mate moeilijk wordt die op waarde te schatten en te beoordelen? 28

36 1.4.3 Verhuur van journalistieke vormen: enkele voorbeelden In tegenstelling tot de meer voorspelbare, bekende journalistieke websites, is het op het web bij afwezigheid van bekende vormen buitengewoon moeilijk om informatie op waarde te schatten. Maar ook binnen de sites van journalistieke organisaties kunnen we de grensvervagingen, met name die tussen reclame en journalistiek, waarnemen. Nu.nl is met een bereik van bijna 40% onder de bevolking van 13 jaar en ouder de grootste exclusief online nieuwssite van Nederland (Stir, 2011; Sanoma media, 2012), en de populairste nieuwssite onder jongeren (Sikkema, 2009, aldus geciteerd in Bink, 2010: 5). Door enkele advertorials op Nu.nl onder de loep te nemen, wil ik tonen hoe de grensvervaging precies in zijn werk gaat. Figuur 1.2 toont een advertorial op de voorpagina van Nu.nl ( ). Dit type advertorial heeft precies dezelfde opmaak als de rest van het nieuws. De lay-out, het lettertype en de kleurzetting zijn geleend van de nieuwssite. De advertorial is als zodanig gemarkeerd, ook het logo van de aanbieder wijst er op dat het niet gaat om normaal nieuws. Wie op de advertorial klikt komt terecht op Nubijlage (zie voorbeeld 5 tot en met 9 in bijlage 2), een benaming die suggereert dat het gaat om een redactionele ruimte. Het blijkt echter te gaan om een ruimte die, op uitzondering Figuur 1.2: De voorpagina van Nu.nl ( ) 29

37 van de redactionele bijlage Nudata wordt verhuurd aan adverteerders. Hier kunnen zij zich van hun beste kant laten zien, gebruikmakend van de rugdekking van de vorm van de grootste nieuwswebsite van Nederland. Net als de advertorials nemen de artikelen die in de bijlagen verschijnen (zie bijvoorbeeld het artikel van Vakantie.nl in voorbeeld 7) de opmaak van Nu.nl volledig over. Ook worden nieuwsberichten op Nu.nl soms gelardeerd met verwijzingen naar een gesponsorde bijlage, zoals in voorbeeld 10 te zien is. vi Tot slot zijn er campagnes waarbij de aanbieder wekelijks de ruimte krijgt om een column te publiceren (voorbeeld 11 en 12). Aan deze en de andere voorbeelden in bijlage 2 kunnen we zien hoe eenvoudig en hoe gretig nietjournalistieke informatie online de vorm aanneemt van journalistiek. De nieuwssite huurt in feite haar performatieve vermogen uit, de adverteerder betaalt voor het tijdelijke gebruik van de journalistieke vorm van de voorpagina, column of bijlage. De advertorials in de nieuwsstroom zijn duidelijk als reclameuiting gemarkeerd, maar dat betekent niet dat het performatieve vermogen van de vorm vervalt. Een gebruiker kan zich er wel van bewust zijn dat hij een reclame-uiting in een journalistiek jasje bekijkt, maar wordt als de advertorial zijn werk doet alsnog beïnvloed door de vorm die hij gewend is betrouwbaar te vinden. Marketeers weten namelijk dat people pay more attention to and internalize claims that have a good fit with the context they are placed in (Aksoy, Bhatnagar & Malkoc, 2004:112). De advertentie lijkt op een nieuwsbericht en leent de bijhorende schijn van objectiviteit en autoriteit (Van Dijck, 2002: 419) in een poging de lezer met andere dan sceptische ogen naar de persuasieve uiting te laten kijken. Maar dit proces werkt net zo goed de andere kant op. Voor wie vertrouwd raakt met commerciële uitingen in journalistieke vorm, zal het nieuws ook meer gaan lijken op een reclame. Op die manier wordt de performativiteit van de journalistieke vorm, die nou juist berust op de suggestie dat ze de waarheid onpartijdig optekent, van binnenuit uitgehold. Omdat ze bijna dezelfde vorm aannemen, zijn reclame en journalistiek dan op den duur niet meer goed te onderscheiden (vgl. Van Dijck, 2002: 421). Overigens speelt dit soort grensvervaging niet alleen in de vorm. Geen serieuze krant ontbeert nog een webshop waar boeken, films en wijn staan uitgestald. Zo positioneert de krant zich tevens als winkel, wat vragen oproept over haar functie. En natuurlijk speelt dit verschijnsel niet alleen online. Ook (gratis) kranten voegen zo nu een dan een bijlage in die volledig wordt gevuld door een adverteerder, reisbijlagen worden gesponsord, de meeste serieuze kranten plaatsen advertorials en in sommige televisieprogramma s [zijn] reclame en drama nauwelijks meer te onderscheiden (Van Dijck, 2002: 419). De vervaging van vorm en genre hoort ook bij de historische ontwikkeling van andere media. Toch maakt Van Dijck zich zorgen. Ondanks al deze historische relativering denk ik dat we toch meer aandacht moeten schenken aan de vervagende grenzen van het nieuws, vooral omdat het een vi Dat roept vragen op over de redactionele onafhankelijkheid: is dit nieuws toevallig zo mooi gekoppeld aan de advertorial? 30

38 ontwikkeling is die geleidelijk en subtiel is en daardoor wellicht onzichtbaar (2002: 421). Zoals bovenstaande voorbeelden laten zien is het probleem van grensvervaging urgenter dan ooit Implicaties voor de online consumptie van journalistiek Mijns inziens gaat de vergaande grensvervaging binnen het journalistieke domein ten koste van het performatieve vermogen van de journalistieke vorm. Online is het effect van grensvervaging groter dan offline, omdat ondertussen nog een ander verlies optreedt: dat van de materiële vorm. Een krant kun je vasthouden, een website niet. Om het gevolg van dit materiële verlies te conceptualiseren is Walter Benjamins bekende essay The Work of Art in the Age of Mechanical Reprodcution (1939) nuttig. Benjamin schrijft dat de onherhaalbaarheid en de authenticiteit, ofwel het aura van een kunstwerk worden vernietigd wanneer nieuwe technologie het makkelijker maakt kunst te reproduceren. Daarvoor komt een nieuwe perceptie van kunst als massakunst Benjamin schrijft met name over fotografie en film in de plaats. Die kunst is vluchtiger en van fundamenteel andere aard: het kunstwerk heeft niet langer autoriteit als object met een geschiedenis, omdat de mogelijkheid van een unieke geschiedenis vervalt wanneer er een veelheid aan kopieën is. De aard van de ervaring van de kunst verandert kwalitatief: Benjamin beschrijft hoe kunst dichterbij komt als massakunst. Deze gedachtegang is instructief als we proberen te bevatten wat er gebeurt wanneer de materiële vorm van de journalistiek komt te vervallen. Kranten waren (of zijn) een belangrijk symbool. Als materieel object hebben ze een iconische rol en in gebruik zijn ze omgeven met rituelen (Barnhurst & Wartella, 1991: 206). Wanneer de materiële vorm vervalt voor jongeren die zich in de toekomst hoofdzakelijk zullen informeren via online media is dat het geval dan vervalt ook die status. Het web is een veel vlakkere omgeving. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de letter die kranten online gebruiken. Op papier hebben dagbladen hun eigen letter, die deel uitmaakt van hun betrouwbare vorm. Op het web gebruiken ze veelal een van de bekende en goed leesbare schermletters die zo ongeveer iedereen gebruikt. Het lijkt in zijn algemeenheid moeilijker om online een exclusieve vorm te claimen. Door de fundamenteel andere context de grenzeloosheid van de online omgeving is ook de kwalitatieve ervaring van journalistiek online fundamenteel anders. Dat is goed te zien aan het gemak waarmee de journalistiek wijkt voor reclame. In voorbeelden 13 tot en met 18 in bijlage 2 zien we advertenties die de nieuwssite Nu.nl volledig inpakken. Met een klik op de knop verdwijnt de nieuwssite volledig uit beeld, en blijft alleen de reclame nog over. Eén klik is dus genoeg om de activiteit journalistiek consumeren te parkeren, en de wereld van de adverteerder te betreden. Een krantenlezer of televisiekijker heeft deze mogelijkheid niet: hij kan de wereld van de adverteerder niet binnenstappen, hij kan er alleen van een afstandje naar kijken. Zo zien we de aard van flow in het internettijdperk. Nieuws, reclame en entertainment worden nog steeds aan elkaar geregen (vgl. Van Dijck, 2002: 417), maar omdat alle verankering in materiële of temporale vorm verdwijnt, 31

39 verliest de journalistiek een deel van haar status. Online heeft de journalistieke vorm louter een conditionele verankering, het is een site te midden van vele sites. Haar autoriteit is daardoor ook louter conditioneel; krijgt geen vaste grond onder de voeten. Online journalistiek biedt daarom letterlijk minder houvast dan journalistiek die is verankerd in materie of tijd. vii In principe kan er voor het verlies van materiële en temporele verankering iets anders in de plaats komen. Het achtuurjournaal op televisie is niet materieel verankerd, maar wel een instituut. Voorwaarde voor het behouden van performatief vermogen, bij de afwezigheid van temporale en materiële verankering, is dat de formele grenzen die er wel zijn, streng worden bewaakt. Als de online journalistiek daarin niet slaagt, sneuvelt haar autonomie, omdat ze meer gaat lijken op alle andere informatie in het homogene commerciële informatie-universum. Wanneer de journalistiek in vorm noch functie te onderscheiden is, vervalt ook de journalistieke status en de mogelijkheid effectief te functioneren. Wanneer we de journalistiek met Broersma s notie van performativiteit zien als producent van de werkelijkheid, moeten we constateren dat de journalistiek minder werkelijkheid kan produceren, als ze haar eigen vorm verliest. De journalistiek zal er dan minder goed in slagen haar voornaamste functie uit te oefenen: enige houvast bieden in een complexe en verwarrende wereld. Natuurlijk is het verlangen naar een pure vorm van nieuws net zo nostalgisch als het verlangen naar zuivere lucht op een eilandje in de Noordzee en zijn we getuige van een grensconflict tussen het nieuws, de rechterbuur entertainment en de linkerbuur commercie dat bij de introductie van ieder nieuw medium opnieuw oplaait (Van Dijck, 2002: 413). Het lijkt er echter op dat, nu het internet volwassen en meer gecontroleerd wordt, de grenzen die worden getrokken weer in het nadeel van de zuivere journalistiek zijn. De journalistiek moet nu te allen tijde functioneren binnen de commerciële omgeving ( corporate sphere ) waar reclame en entertainment dominant zijn. De laatste twee worden dan overgeproduceerd, terwijl journalistiek wordt ondergeproduceerd (Shirky, 2011). Journalistiek die is gericht op het publieke belang, moet gaan concurreren met allerhande vormen van self-interested information (Kovach & Rosentiel, 2010: 196). Journalistieke organisaties werken de verzwakking van hun positie zelf in de hand door hun online vormen op zo n manier uit te lenen dat ze van binnenuit uitgehold worden. Dit alles heeft uiteraard ingrijpende gevolgen voor de consumptie van online journalistiek door de jeugd van nu. Kinderen groeien op in een online mediaomgeving die het buitengewoon moeilijk maakt om reclame van andere inhoud te onderscheiden, omdat in branded communities alle zinvolle grenzen tussen reclame en inhoud worden uitgevlakt. Voor de kinderen van nu is deze grenzeloosheid de natuurlijke mediaomgeving, ze zijn ermee opgegroeid en ervaren haar niet als grenzeloos maar als vii Dit is de reden dat we wel degelijk oog moeten hebben voor het medium waarmiddels mensen hun journalistiek consumeren. Ik ben het volstrekt eens met Drok & Schwarz (2009: 104) dat het goed zou zijn in de discussie over het mediamenu van jongeren meer aandacht te geven aan de maaltijd en wat minder aan het bestek en dat de professionele journalistiek in dienst van de publieke zaak in de discussies centraal [dient] te staan (Van Vree, 2011). Maar deze analyse van flow en de bijhorende grensvervaging toont dat praten over de inhoud noodzakelijkerwijs impliceert dat we oog hebben voor de vorm, het medium en de context van consumptie. 32

40 normaal. Maar als ze ouder worden en op het web gebruik gaan maken van journalistieke informatie, moeten ze wel relatieve onderscheidingen kunnen maken tussen de ene en de andere vorm. Wie op het wereldwijde web inhoud consumeert maar niet kan bepalen of het gaat om journalistiek of om iets anders, kan zich namelijk niet adequaat informeren. De vraag is hoe je de jeugd van nu leert om online relatieve onderscheidingen aan te brengen, terwijl de verschillende soorten inhoud minder gemarkeerd worden en terwijl journalistieke organisaties toestaan dat hun vormen worden gebruikt voor nietjournalistieke functies. De vraag is ook hoe je toekomstige generaties uitlegt dat het belangrijk is dit soort onderscheiden te maken (vgl. Van Dijck, 2002: 422). Niets in de mediaomgeving waar ze van kinds af aan in opgroeien, zou zoiets ooit suggereren. 1.5 Andermaal een grond voor mediaonderwijs Kinderen moeten bepaalde middelen aangereikt krijgen die ze niet met de media-ervaring gegeven zijn, maar die wel nodig zijn om haar actief en kritisch te bevragen. Hier wordt betoogd dat formeel mediaonderwijs daarbij noodzakelijk is. Natuurlijk weten kinderen heel veel van nieuwe media, zoveel zelfs dat ze in hun omgang met technologie de normale hiërarchie tussen ouder en kind soms omdraaien (Livingstone, 2002: 124, aldus aangehaald in Seiter, 2005: 8). Kinderen doen hun vaardigheden voor een deel spontaan op, hoofdzakelijk thuis, door trial & error (Van Dijk, 2005: 55, 91) en als functie van drie factoren: their overall level of cognitive, emotional and social development; their experience of the world in general; and their specific experience of the media (Buckingham, 2005b: 6). Volwassenen raken soms zo onder de indruk van deze vaardigheden, dat ze komen te geloven dat de huidige generatie welhaast van een andere soort is (Palfrey & Gasser, 2008), een generatie Einstein die interactiever en socialer is dan voorgaande generaties, en veel sneller en associatiever kan denken (Boschma & Groen, 2010; Tapscott, 1998; 2008; vgl. Martijen & Pijpers, 2010; Duimel & De Haan, 2007: 13). viii Maar zoals Buckingham (Buckingham, 2005b: 6) terecht schrijft, wordt dit soort opvattingen vaak getekend door een zweem van sentimentaliteit. Vaak zijn de vaardigheden van de generatie Einstein vooral van instrumentele waarde: hedendaagse jongeren kunnen heel veel met de media en doen dat ook nog heel erg snel (Duimel & De Haan, 2007: 14). Maar de vraag of ze die ervaring ook op een dieper niveau kunnen bevatten is echt van een andere orde. We hebben gezien dat de online ervaring zelf niet de mentaliteit bemoedigt die nodig is om op een hoger abstractieniveau te reflecteren over die ervaring. Het internet legt zichzelf niet uit. Het idee van mediaonderwijs is het intuïtieve begrip dat kinderen al wel van het internet hebben, te activeren, zodat ze zich niet alleen bewust worden van de mediaviii Dit idee van een breuk is niet erg plausibel. De veranderingen die we waarnemen zijn technologiegedreven (Costera Meijer, 2006: 136) en nieuwe technologie heeft wel een relatief grote, maar geen exclusieve invloed op de jeugd. Een kind is meer een onbeschreven blad dan een volwassene, zeker, maar de (hersenen van) hedendaagse volwassenen worden net zo goed door internetgebruik beinvloed (Carr, 2010). Ook doen de volwassenen mee met de jeugd: ouders gaan bijvoorbeeld dezelfde media als hun kinderen gebruiken (Duimel & De Haan, 2007). Beter is het dus de generationele veranderingen te zien als omwentelingen, die altijd door en in de tijd van de vorige generatie in gang zijn gezet. 33

41 ervaring zelf, maar ook de structuur ervan leren te onderzoeken, door de core-assumptions er achter te bevragen. Daarvoor moeten kinderen een vocabulaire en een manier van denken aanleren die ze niet is gegeven met de media zelf (vgl. Jenkins, 2009:15, 20, 22) Een digitale kloof In de praktijk zal een klein groepje kinderen die kritische manier van denken evenwel ontwikkelen. Wie intelligent genoeg is, goed leert lezen en opgroeit in een gezin met toegang tot nieuwe en oude journalistieke media, met ouders die kritische vragen stellen en de mediakeuzes van hun kinderen begeleiden, en het liefst met handige broertjes, zusjes, vriendjes en vriendinnetjes in de buurt, die zal hele behoorlijke informatievaardigheden opdoen (vgl. Buckingham, 2005b: 38; Wartella & Jennings, 2001; Buijzen, 2010). ix Het punt is natuurlijk dat niet iedereen in zo n gezin opgroeit en niet iedereen dezelfde toegang tot de nieuwste technologie heeft. Er wordt daarom wel gesproken van een digitale kloof die van generatie op generatie wordt overgeërfd, omdat ouders die zelf niet beschikken over hogere informatievaardigheden, deze niet zullen overdragen op hun kinderen (Facer et al., 2003). Buckingham constateert terecht dat [at] present, the creative, educational and communicative benefits of [internet] technologies are only realized by a small elite and that elite, like other elites, is predominantly white, male and middle class (Buckingham, 2000: 55). Sterker nog, nieuwe media kunnen de bestaande kloof tussen geprivilegieerden en minder geprivilegieerden vergroten, of zelfs leiden tot nieuwe ongelijkheden. Hoe het zover zou kunnen komen wordt door Van Dijk beschreven in The Deepening Divide (2005). x Van Dijk stelt de samenleving steeds meer een netwerksamenleving is, waarin informatie een primair goed is (vgl. Castells 2009), xi en waar participatie steeds meer afhankelijk is van de toegang die iemand heeft tot informatie- en communicatietechnologie. Toegang is hier verbonden met persoonlijke eigenschappen (leeftijd, geslacht), maar ook met de positionele eigenschappen van groepen (e.g. sociaal-economische positie, opleidingsniveau), het is kortom een function of the competencies of individual (non)users, and the cultural and social capital that determines their development (Sourbati, 2009: 250, met verwijzing naar Livingstone, 2003; Mansell, 2004; vgl. Steyaert, 2000). Van Dijk operationaliseert toegang in vier stappen. Gebruikers moeten niet alleen over de (1) motivatie beschikken om online mee te doen en zichzelf wegwijs te maken op het web, ze moeten ook (2) materiële toegang hebben tot de nieuwste technologie, over de (3) noodzakelijke vaardigheden beschikken, én de nieuwe media daadwerkelijk (4) gebruiken. Geen van deze stappen is vanzelfsprekend en toegang behelst hier nadrukkelijk niet enkel de mogelijkheid om een technologie zo nu en dan te gebruiken. Om het ontstaan en de bestendiging van de digitale kloof te verklaren, introduceert Van Dijk een getrapt model met vier treden: ix Wat informatievaardigheden precies zijn, wordt later behandeld. x Het begrip kloof is hier ietwat misleidend: het gaat in feite om relatieve verschillen tussen groepen die zich ergens tussen de twee verre uiteindes van een continuüm bevinden. xi Anderen noemen de huidige maatschappij een informatiesamenleving, waar access to and manipulation of information becomes the key determinant of one s place in society (Lax, 2007: 204), nog weer anderen gebruiken de term kennissamenleving, waar kennis een productiefactor is geworden (Raad voor Cultuur, 2005: 6). 34

42 Figuur 1.3: Een cumulatief en recursief model van de digitale kloof. (Overgenomen uit figuur 1.1 in Van Dijk, 2003: 13) In dit model is de mate waarin iemand toegang heeft relatief verdeeld: sommige mensen hebben erg veel ( toegang tot ) motivatie, sommige weinig, bijvoorbeeld omdat ze het belang van nieuwe media niet zien. Dit bepaalt voor een deel hoeveel materiële toegang ze hebben, bijvoorbeeld hoeveel geld ze willen uitgeven aan nieuwe technologie. Dit bepaalt weer welke vaardigheden ze zullen opdoen en tot op welk niveau. Tot slot bepaalt dit weer mede hoeveel en met welk doel ze de nieuwe media daadwerkelijk gebruiken. Het model is dus cumulatief en recursief: voor- en achterstanden tellen zich bij elkaar op en versterken elkaar (Van Dijk, 2005: 22). Dit versterkende effect is goed zichtbaar in het feit dat de voorlopers telkens als eerste weer (willen) beschikken over de nieuwste innovatie. Daarmee kunnen zij hun vaardigheden verder ontwikkelen, meer gebruiksuren maken, waarmee ze hun positie en mogelijkheden om te participeren, verder versterken. Tegen de tijd dat achterlopers de nieuwe techniek beginnen te adopteren, zijn de voorlopers alweer verder uitgelopen (Van Dijk, 2005: 26). Those who already have a head start in possessing particular resources benefit more from a new resource than those who are behind and already have some disadvantage (Van Dijk, 2005: 125). Dit uit zich met name in de manier waarop de media worden ingezet. Zo schrijft de Raad voor Cultuur (2005: 17, op basis van een SCP-rapport uit 2004), dat kansarme burgers op een beperkte manier gebruik maken van (digitale) media, terwijl de kansrijken ook de media kansrijk benutten. Waar de eerste groep media vooral inzet om zich te vermaken, gebruikt de tweede groep diezelfde media om kennis op te doen. De kwaliteit en kwantiteit van gebruik vallen dus niet samen: families uit hogere sociale klassen blijken beter in staat hun voordeel te doen met de computer dan families uit lagere sociale klassen (Facer et al., 2003; Buckingham, 2005b: 35). Het gevaar is dat hierdoor een informatie-elite ontstaat die zijn positie in de netwerksamenleving bestendigt door op alle gebieden van het leven systematisch en strategisch zijn voordeel te doen met de beschikbare ict. Daarnaast is er een grote groep mensen die in meer of mindere mate participeert en de techniek vooral gebruikt voor strategisch onbelangrijke doelen zoals recreatie, entertainment, winkelen en communicatie. Tot slot is er een deel dat totaal is uitgesloten. The result 35

43 will be first-, second-, and third-class citizens, consumers, workers, students, and community members (Van Dijk, 2005: 177, 179, 215). Participatie moet hier dus nadrukkelijk niet worden opgevat in de enge zin wie niet meedoet met Facebook of Twitter hoort er niet meer bij maar in brede zin: wie in een samenleving waarin media alomtegenwoordig zijn en steeds meer de omgeving zelf zijn geworden (Raad voor Cultuur, 2005:2), niet weet te navigeren, kan geen volwaardig lid van de samenleving meer zijn (Van Dijk, 2005: 167). Onderzoek bevestigt dat met name de hogere informatievaardigheden die nodig zijn voor goed internetgebruik ongelijk verdeeld zijn over de Nederlandse bevolking (Haan & Huysmans, 2006; Van Deursen & Van Dijk, 2011). Precies deze vaardigheden hebben direct betrekking op goed gebruik van journalistiek. Mensen met veel vaardigheden weten hoe hun consumptie van journalistiek strategisch in te richten, ze weten zonder veel moeite het kaf van het koren te scheiden, omdat ze de betrouwbaarheid van informatie goed kunnen inschatten. De onderlaag die veel minder over deze vaardigheden beschikt, kan het onderscheid tussen bijvoorbeeld reclame en journalistiek minder goed maken en heeft meer moeite de betrouwbaarheid van informatie in te schatten (Duckfoot Research, 2009: 3). Natuurlijk heeft ook de economische factor hier directe invloed: de geprivilegieerden kunnen betalen voor kwaliteitsjournalistiek, de minder geprivilegieerden willen of doen dat niet, en zijn daarom sterker overgeleverd aan de goedkopere of gratis vormen van informatie, die sterker getekend zijn door de grillen van een vraaggestuurde markt, en waarin formele grenzen minder streng worden bewaakt. Ook zonder de digitale kloof is er grote ongelijkheid in het gebruik van nieuwsmedia. Over het algemeen gebruiken mensen uit hogere sociale klassen, met (ouders met) een hoog opleidingsniveau, en met hoge maatschappelijke betrokkenheid de journalistiek relatief frequent en intensief (Drok & Schwarz, 2009, Elvestad & Blekesaune, 2008). Het punt is te zien dat al deze vormen van ongelijkheid samenhangen en elkaar in het internettijdperk versterken volgens het cumulatieve model van Van Dijk. Is een van de voornaamste kenmerken van het internet zijn grenzeloosheid, dan worden hier dus wel degelijk nieuwe grenzen opgeworpen (Buckingham, 2000: 98). Omdat de digitale kloof samenhangt met wider distributions of economic, cultural, and social capital (Sourbati, 2009: 250) is digitale ongelijkheid aan de ene kant een projectie van eerdere ongelijkheden op de digitale omgeving. Deze ongelijkheid is historisch gezien eerder regel dan uitzondering (Van Dijk, 2005:182). Aan de andere kant bestendigt en versterkt de digitale kloof bestaande ongelijkheden (Van Dijk, 2005; Jenkins, 2008:31; Ito, 2011; Brown et al., 2011). Deze kloof is al op jonge leeftijd waar te nemen en uit zich in de kwaliteit van het internetgebruik: A new divide is opening up between those for whom the internet is an increasingly rich, diverse, engaging and stimulating resource and those for whom it remains a narrow, unengaging, if occasionally useful, resource of rather less significance (Livingstone & Bober, 2005: 2). 36

44 De ervaring die jongeren dan opdoen op het internet en met de nieuwe technologieën, lopen sterk uiteen. Dit resulteert volgens Ivey & Tepper (aldus geciteerd in Jenkins, 2009: 116) tot slot ook in een cultural divide: technology and economic change are conspiring to create a new cultural elite and a new cultural underclass Gebrekkige vaardigheden Onderzoek suggereert dat kinderen niet genoeg hebben aan trial & error om zich te ontwikkelen tot kritische mediaconsumenten. Operationele vaardigheden, die ze over het algemeen intuïtief opdoen, blijken op basis van trial & error niet volledig te worden ontwikkeld, want wat niet op het eerste gezicht belangrijk lijkt, wordt niet geprobeerd (Van Dijk, 2005:92, Duimel & De Haan, 2007). Buckingham trekt de aanname dat kinderen online alles wel weten in twijfel: [Research] suggests that the majority of young people are far from being autonomous cyberkids : they are uncertain, they lack information and they are often frustrated by the failure of the technology to achieve what it promises (Buckingham 2007a: 113, met verwijzing naar Facer et al., 2003; Livingstone & Bober, 2004). De Raad voor Cultuur schrijft dat jongeren zich bij het verzamelen en selecteren van data vooral laten leiden door wat op hun weg komt. Er is nauwelijks context of analyse, laat staan een verhaal (2008: 8). Jongeren worden geregeld omschreven als naïef : omdat ze zich nauwelijks bewust zijn van de motieven achter verschillende soorten informatie, nemen ze informatie die ze tegenkomen gewoonlijk in goed vertrouwen voor waar aan (Duimel & De Haan, 2007: 37; Livingstone & Bober, 2003; 2004). In een onderzoek van Livingstone & Bober (2003) gaf 87% van de kinderen aan vertrouwen te hebben in het eigen vermogen informatie te vinden. Toen ze echter in focus groups werden geobserveerd terwijl ze informatie zochten, gaven de kinderen toe het zoeken moeilijk te vinden en last te hebben van information overload. De onderzoekers observeerden bovendien dat kinderen frequent de vaardigheden missen om effectief met zoekmachines, browsers en URLs om te gaan. Facer et al. (2003) stelden vast dat kinderen over het algemeen de kritische vaardigheden missen om informatie die ze tegenkomen te interpreteren, evalueren en verwerken. Ook hebben ze moeite om informatie om te zetten in begrip en kennis. Volgens de auteurs zijn kinderen over het algemeen dan ook ill equipped voor de online mediaomgeving. Uit onderzoek van stichting Mijn Kind Online (Pijpers, 2008) blijkt onder meer dat kinderen moeite hebben met het doorgronden van de structuur van websites, dat ze het verschil tussen reclame en feitelijke informatie niet zien, dat ze niet goed zijn in het geven van opdrachten aan zoekmachines en in het interpreteren van de resultaten van zoekmachines. Slechts 45% van de jongeren controleert de betrouwbaarheid van op internet gevonden informatie (Duimel & De Haan, 2007: 14). Uit een ander rapport over het surfgedrag van jongeren (Martijen & Pijpers, 2010) blijkt onder meer dat jongeren veel haast hebben, dat ze niet zo best zijn in zoeken, dat ze lang niet alles van internet begrijpen en dat ze het web vaak in het extreme gebruiken voor slechts enkele toepassingen, zoals chatten via MSN, Hyven, 37

45 muziek luisteren of filmpjes bekijken via YouTube en gamen. De ervaring van scholen is dat voor leerlingen op lagere niveaus is het internet veel te ingewikkeld is, die willen dingen juist zo simpel mogelijk houden (Raad voor Cultuur, 2008: 21). Scholieren beschikken evenmin vanzelfsprekend over hogere informatievaardigheden (Van Dijk, 2005: 73). Zo blijkt uit tests van de Britse Educational Testing Service (aangehaald in Hobbs, 2008: 431) bijvoorbeeld dat sommige studenten wel weten hoe ze video s moeten uploaden en websites moeten bouwen, maar dat ze moeite hebben betrouwbare, gezaghebbende bronnen van het web te identificeren. Volgens sommige waarnemers is het ook een kwestie van houding: Today s undergraduates are generally far less prepared to do research than were students of earlier generations, despite their familiarity with powerful new information-gathering tools (Breivik, 2005: 22, aldus geciteerd in Hobbs, 2008: 431). Seiter (2005: 28) observeerde in de krantenklas die ze op twee Amerikaanse scholen gaf dat jongeren die iets moesten uitzoeken snel tevreden waren met het officiële verhaal, ook als dat kwam van een gesponsorde site of de website van het bedrijf waar ze iets over uit moesten zoeken. To their minds, their work was done. [ ] [In] this, they are not so different from many adult Internet users (and certainly many university students), who are often unaware of the distinction between sponsored content and news content on commercial websites. Een nuancering is hier op zijn plaats, want andere onderzoeken suggereren dat kinderen in hun omgang met de media wel degelijk hogere informatievaardigheden en kennis opdoen. Uit televisieonderzoek dat Buckingham bespreekt blijkt bijvoorbeeld dat kinderen programma-inhoud kunnen categoriseren op basis van oordelen over vorm, inhoud en intentie, dat ze uit zichzelf leren over het verschil tussen representatie en realiteit, en dat ze op eigen benen een begrip over de taal van media bijvoorbeeld vertelconventies en cameratechnieken ontwikkelen (Buckingham, 2005b: 3, 14-15). Onderzoek van Costera Meijer suggereert dat jongeren het onderscheid tussen verschillende soorten journalistiek intuïtief kunnen maken: ze tonen gevoel voor kwaliteit en voor betrouwbaarheid en ze gebruiken bijvoorbeeld de termen echt nieuws en nepnieuws om het onderscheid tussen zinvol en niet zinvol, waar en niet waar, te maken (2006: 64-65, 70-71). Maar we mogen niet te snel tevreden zijn. Leerlingen geven zelf toe dat ze de beoordelingscriteria die ze kennen en kunnen noemen in een onderzoekssetting, niet altijd gebruiken als ze op het web surfen (Walraven et al., 2008: 244). Uit het onderzoek van Costera Meijer blijkt bovendien dat jongeren die onderscheid tussen goed nieuws en light nieuws maken, zich hierdoor niet laten leiden in hun nieuwsconsumptie, sterker: juist als ze degelijk nieuws tegenkomen, zullen ze wegzappen, omdat ze het associëren met saai en grijs, oude mannen en serieuze gebeurtenissen (2006: 67). Dit is wat Costera Meijer de dubbele kijkparadox noemt: het nieuws dat jongeren in de context van een wetenschappelijk onderzoek zeggen te minachten, kijken ze het liefste, lekker verstand op nul (2006: 69; 2007). Ook als 38

46 kinderen een artikel kunnen onderscheiden van een advertorial, wil dat nog niet zegen dat ze zich bewust zijn van de implicaties van dat onderscheid. Want wat betekent het om een verfijnd begrip te hebben van een advertentie? Dat is een complex vraagstuk, en het kan op verschillende niveaus worden ingevuld (Lawlor & Prothero, 2007). Ik kan shetlander pony s onderscheiden van wilde paarden, maar dat wil niet zeggen dat ik enige kennis heb over de verschillende aard van deze dieren, of dat ik daarin geïnteresseerd ben De noodzaak van formeel mediaonderwijs Seiter heeft dus gelijk wanneer ze stelt dat leerlingen expliciete instructie nodig hebben over de disctinctive nature and purposes of public relations material en over the difference between publicity and purer forms of information (Seiter, 2005: 105). Formeel mediaonderwijs is daarvoor noodzakelijk, zeker in het licht van de digitale kloof. School kan de verschillen tussen kinderen die thuis alle media tot hun beschikking hebben en kinderen die dat niet hebben, niet wegnemen (Ito, aan het woord in Van der Haak, 2010). Aangezien kinderen vooral leren door trial & error en van andere mediagebruikers in huis, zijn de mogelijkheden om de digitale kloof op school aan te pakken, zeer beperkt (Van Dijk, 2005: 74, 26). Omdat de digitale kloof niet bestaat in een vacuüm, kan die sowieso niet worden opgeheven, hoogstens beperkt. We weten in ieder geval zeker dat de kloof steeds groter zal worden als die niet op de een of andere manier wordt aangepakt (Van Dijk, 2005:185). De noodzaak om iets aan de digital divide te doen kan dan offensief of defensief worden ingevuld. Een offensieve invulling stelt dat de volle emancipatoire potentie van digitale technologie niet zal worden gerealiseerd zolang de digital divide blijft groeien. Een meer defensieve invulling stelt dat we structurele ongelijkheid en uitsluiting van groepen in de samenleving accepteren als we de digital divide ongeroerd laten (Van Dijk, 2005: 186). Vaak heeft dit soort argument overheden ertoe gebracht nieuwe media zo snel mogelijk beschikbaar te stellen voor zoveel mogelijk mensen, bijvoorbeeld in openbare bibliotheken. Als het nieuwe apparaat maar beschikbaar is, en mensen het kunnen bedienen, dan heeft de overheid haar werk gedaan, lijkt de gedachtegang (Van Dijk, 2005: 182). Mensen beginnen de hogere vaardigheden die nodig zijn voor de kritische consumptie van journalistiek echter pas te ontwikkelen wanneer zij het apparaat kunnen bedienen. Het beschikbaar stellen van ict is dus bij lange na niet genoeg als men de digitale kloof en de uitdagingen van de nieuwe media serieus neemt (Sourbati, 2009). Juist omdat de digitale kloof samenhangt met andere sociaal-economische ongelijkheden, is het algemene onderwijs de aangewezen plek om er iets aan te doen. Zulk onderwijs moet niet gebaseerd zijn op een streven naar radicale gelijkheid, dat zou dwaas en onverstandig zijn. De ambitie moet zijn om nieuwe ongelijkheid die leidt tot uitsluiting tegen te gaan. Natuurlijk moet het belangrijkste deel uit de mensen zelf komen: we kunnen niet van het onderwijs verwachten dat ze jongeren een verlangen oplegt om een autonoom burger te worden die zichzelf op 39

47 kritische wijze informeert. De meeste mensen bekommeren zich niet of nauwelijks om het nieuws, althans niet genoeg om ervoor te betalen (Shirky, 2011). Dat is jammer, maar niet primair een zaak voor op school. Het onderwijs moet doen wat het wel kan doen: de vaardigheden die mensen nodig hebben om zich kritisch te informeren, beter verdelen dan nu het geval is. Of jongeren er in hun latere leven gebruik van maken, kunnen ze dan zelf beslissen. 1.6 De invulling van mediaonderwijs Hoe zou mediaonderwijs in het licht van het voorgaande moeten worden ingevuld? Ik schets hieronder de contouren van goed mediaonderwijs, als opmaat voor mijn eigen onderzoek. Mediaonderwijs is erop gericht om mensen mediageletterd of mediawijs te maken. Dat streven staat nooit op zich, maar is een middel om iets anders te bereiken. Het wordt vaak verbonden met democratisch burgerschap, participatie, emancipatie, autonomie of empowerment. Het doel en de noodzaak van mediawijsheid ligt niet in de omgang met de media zelf, maar in het kunnen participeren in het maatschappelijk proces, schrijft bijvoorbeeld de Raad voor Cultuur (2005: 3). Binnen dit kader worden verschillende accenten gelegd. Voor sommigen gaat mediaonderwijs om een transformatie van de samenleving, voor anderen om het behoud van bestaande waarden (Hobbs, 2008: 432). Sommigen willen via mediaonderwijs bereiken dat mensen burgers worden in plaats van consumenten (Lewis & Jhally, 1998, aangehaald in Potter, 2004: 262). Anderen willen mediagebruikers beschermen tegen vermeende kwalijke invloeden van de media. Er is ook een meer activistische invulling, waarbij mediaonderwijs expliciet wordt verbonden met sociale problematiek waarop de media invloed heeft, zoals geweld, materialisme, voeding, lichaamsbeeld, en stereotypering (eventueel in het nieuws) (Potter, 2004:264). Ik zal hieronder vooral accenten leggen die samenhangen met de typisch hedendaagse problemen rond de kritische consumptie van journalistiek. Met de introductie van iedere nieuwe technologie verschuift de inhoud van het begrip mediageletterdheid, en soms wordt die term in het proces vervangen voor een ander. Potter noteert dat geen enkele definitie er ooit in zal slagen om het hele probleem voor eens en altijd af te bakenen; het verandert namelijk steeds en blijft zo eeuwig onderbepaald. Omdat de veranderende mediaomgeving altijd nieuwe vaardigheden zal vragen (Potter, 2004: 124, vgl. Kovach & Rosentiel, 2010: 31), is het futiel om bijvoorbeeld een complete lijst met vaardigheden op te stellen die mediagebruikers nodig hebben. Voordat de drukpers werd uitgevonden was iemand geletterd als hij teksten kon reciteren (Pinkard, aan het woord in Brown et al., 2011). Nu het gebruiken van sociale media en zoekmachines mogelijk is geworden door technologie, gaat het gebruik van die toepassingen deel uitmaken van mediageletterdheid. Bij het begrip mediaonderwijs wordt altijd de nadruk gelegd op de laatste technologie, maar welbeschouwd is leren hoe je boeken leest net zo goed mediaonderwijs als leren hoe je op internet zoekt. 40

48 Mediaonderwijs richt zich nadrukkelijk niet alleen op kinderen, maar moet proberen iedereen die aan de verkeerde kant van de digitale kloof terecht komt, de nodige middelen aan te reiken. In deze scriptie echter staat de consumptie van journalistiek door jongeren centraal. Ik richt me in de uiteenzetting hieronder en in mijn onderzoek op het voortgezet onderwijs. Dat is de plek waar hogere informatievaardigheden voor het eerst aan bod kunnen komen, en het is rond de middelbare schoolleeftijd dat kinderen meer interesse beginnen te ontwikkelen voor het nieuws (Valkenburg, 2008: 166) Mediawijsheid Het concept van mediageletterdheid is veelvuldig gedefinieerd. xii In het vervolg gebruik ik de operationalisering die de Raad voor Cultuur heeft gegeven in het rapport Mediawijsheid, de ontwikkeling van nieuw burgerschap (2005). In dat rapport wordt gekozen voor de term mediawijsheid, die duidt op het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld (Raad voor Cultuur, 2005:18). Ik kies voor deze operationalisatie omdat het mij net als de Raad gaat om de handvaten die mediagebruikers nodig hebben om hun weg te vinden in een veranderende, dynamische mediaomgeving waarin vormen fluïde zijn. Een paar opmerkingen over de invulling van het begrip mediawijsheid. Om te beginnen is het een zeer algemeen begrip. Onder de paraplu van mediawijsheid vallen informatievaardigheden die direct betrekking hebben op de kritische consumptie van journalistiek, maar ook onderwerpen die in deze scriptie minder van belang zijn, zoals digitaal pesten en online privacy. In de verkenning hieronder en in het empirische onderzoek is het steeds de kunst om het brede concept van mediawijsheid te verbinden met de kritische consumptie van journalistiek. Hierbij kan het concept van news literacy nuttig zijn. News literacy is: the ability to critically evaluate, interpret and process as well as participate in news media and journalistic content in order to participate as active citizens in democratic society (Schwarz, 2010). Het minimale effect van mediaonderwijs zou in relatie tot de consumptie van journalistiek moeten zijn dat leerlingen leren journalistieke informatie te onderscheiden van andere informatie, hoe vaag dat onderscheid in de praktijk ook is. Om binnen de flow van de online media-ervaring zelf onderscheid te maken tussen verschillende activiteiten, ervaringen en soorten inhoud moeten leerlingen worden gewapend met cultuurhistorische, analytische, kritische vaardigheden (Van Dijck, 2003: 423, vgl. Seiter, 2005: 106, 36). Ze moeten hun verstand gebruiken om te reflecteren over de media, over betrouwbaarheid, over de manier waarop ze informatie consumeren, en over de vorm waarin die tot ze komt. Jongeren tonen zich vaak cynisch over de media. De uitdaging is ze te leren geïnformeerd sceptisch te zijn (Mihailidis, 2008). Het moge duidelijk zijn dat de nieuwsgierige vonk mocht die zich xii Zie voor een overzicht van definities en conceptualiseringen Potter (2004) en Hobbs (2008) 41

49 voordoen uit de leerlingen zelf moet komen. Mediaonderwijs heeft op dit punt dan de bescheiden taak te zorgen dat scholieren over de intellectuele middelen beschikken om die vonk zelf om te zetten in een vlam: een vurige nieuwsgierigheid en actieve instelling die ze de rest van hun burgerbestaan bij zich kunnen dragen. Ik benadruk telkens dat het mij gaat om de consumptie van journalistiek, in plaats van participatie en productie. Ondanks optimistische ideeën over interactiviteit en produsage is internetgebruik voor het overgrote deel van de gebruikers namelijk een kwestie van consumptie. Vaak wordt dit beschreven met de regel die stelt dat 90% van alle online gebruikers louter consumeert, dat 9% af en toe iets bijdraagt, en dat 1% buitengewoon veel participeert en verantwoordelijk is voor verreweg de meeste inhoud die online wordt geproduceerd. In werkelijkheid liggen de verhoudingen iets gecompliceerder dan deze duimregel suggereert, maar grofweg bevestigt empirische data het beeld en lijkt het van toepassing op zeer diverse online gemeenschappen (Whittaker et al., 1998; Wilkinson, 2008; M. Wu, 2010; Arthur, 2006). xiii Zo bezien lijkt online inmenging en participatie geen algemeen verschijnsel, maar iets voor een kleine groep. Het is dan ook niet meer dan logisch om het mediaonderwijs aan te laten sluiten op de dominante online gebruiksvorm: consumptie. Dit is ook een kwestie van prioriteiten: het heeft weinig zin om kinderen weblogs te leren schrijven, als ze niet weten hoe ze een artikel moeten onderscheiden, bekritiseren en analyseren (of als ze niet kunnen spellen). Ook denk ik dat veel van de progressieve invullingen van mediaonderwijs (e.g. Jenkins, 2008, 2009) te sterk zijn gebaseerd op utopische ideeën over het web, die hun geloofwaardigheid steeds sneller verliezen nu de beweging van chaos naar controle zich online lijkt te bestendigen. Het zelf produceren van media kan een middel zijn om mediawijsheid te bereiken het geeft buitengewoon veel inzicht in de werking van de journalistiek maar is geen doel op zich. Iets specifieker gesteld gaat het in deze scriptie vaak over kritische consumptie. Kritisch zijn betekent volgens het Van Dale Etymologisch woordenboek geneigd tot beoordelen. Het hoort bij de praktijk van beoordelen dat we onderscheid maken, iemand die kritische gebruik maakt van journalistiek maakt dus (doel)bewust onderscheid tussen hoofd- en bijzaken, tussen betrouwbaar en onbetrouwbaar, tussen goedbedoeld en self-interested. Algemeen onderwijs is er mede op gericht dit kritische vermogen van mensen te vergroten. Mediaonderwijs zou ervoor moeten zorgen dat mensen hun kritische vermogens ook op de media gaan richten en op de informatie die via de media tot ze komt. Dat is wat het betekent om kritisch gebruik te maken van de media. Een laatste kanttekening is deze: mediawijsheid is een holistisch concept. Het is net als kennis (vgl. De Corte, 2000: 254; Bimmel, 2008: 137) niet als zodanig over te dragen van de ene op de andere mens. Ieder moet het voor zich ontwikkelen en aanwenden wanneer nodig. Kennis, vaardigheden en mentaliteit ontstaan niet in isolement en kunnen niet apart toegepast worden. De drie aspecten zijn xiii Ter illustratie: van alle gebruikers op Wikipedia heeft slechts 6% ooit een artikel bewerkt (Pande & Khanna, 2011). Op Youtube is de dominante gebruiksvorm pure consumption of videos (Kim, 2010: 157). 42

50 complementair. Zonder vaardigheden blijft kennis abstract, zonder mentaliteit kunnen kennis en vaardigheden in maatschappelijke opzicht ongewenste effecten sorteren (Raad voor Cultuur, 2005:20). Dit genoteerd hebbende, bespreek ik de drie ingrediënten hieronder toch los van elkaar een andere manier om het holistische concept mediawijsheid te concretiseren is er niet Vaardigheden In Blur: How to Know What's True in the Age of Information Overload (2010) komen Bill Kovach & Tom Rosentiel tot de conclusie dat alle mediagebruikers zouden moeten beschikken over de kritische vaardigheden van professionele journalisten. Om een paar belangrijke te noemen: een journalist moet continu informatie selecteren op relevantie. Hij moet continu attent zijn op de betrouwbaarheid en de motieven van de bronnen die hij gebruikt. Als hij informatie zoekt, moet hij strategisch te werk gaan en steeds inschatten wat er niet wordt vermeld, en waar hij die informatie wel kan vinden (vgl. Potter, 2004: 247). Het belangrijkste is misschien wel dat hij steeds ontvankelijk moet blijven voor de andere kant van het verhaal, dat hij vragen blijft stellen, dat hij niets zomaar aanneemt. Volgens Kovach & Rosentiel zouden alle burgers zich het scepticisme van de ideaaltypische journalist eigen moeten maken om in een onstuimig en onvoorspelbaar medialandschap wegwijs te blijven (Kovach & Rosentiel, 2010, zie ook Van Dijk, 2005: 86). xiv Dat is veel gevraagd, maar het lijkt me een juiste analyse. Laten we die nu iets concretiseren. Van Dijk onderscheidt in zijn publicaties (e.g. 2003, 2005) operationele vaardigheden, informatievaardigheden en strategische vaardigheden. xv Operationele vaardigheden ook wel knoppenkunde domineren het maatschappelijk beeld (Van Dijk, 2003: 26), maar zijn niet meer dan een noodzakelijke voorwaarde voor het gebruik van deze media en het aanleren van meer inhoudelijke vaardigheden (Van Dijk, 2003: 27). Informatievaardigheden zijn belangrijker dan ooit in het internettijdperk, omdat de kwaliteitsonzekerheid en het aanbod online groeien, moet de gebruiker zelf arbiter worden (vgl. Kovach & Rosentiel, 2010: 7). Ze behelzen onder meer (Van Dijk, 2003: 45): het vermogen om verbanden te leggen en om informatie in kennis om te zetten kunnen generaliseren en abstraheren (het stadium van feitenkennis voorbij) het vermogen om selecties aan te brengen en discipline te betrachten bij toenemend informatieaanbod het vermogen om informatie op kwaliteit te schatten het vermogen om verschillende informatiekanalen te gebruiken en hieruit te kiezen Strategische vaardigheden hangen sterk samen met ideeën over emancipatie, het versterken van de eigen positie en het opkomen voor eigen belangen. Hierbij horen bijvoorbeeld inzicht in de xiv Dit betekent niet dat iedereen direct journalist is. Een professioneel journalist moet bovengemiddeld beschikken over de genoemde kritische vaardigheden, maar heeft bovendien extra kwaliteiten nodig, zoals het vermogen recht te doen aan de complexe en veelzijdige werkelijkheid in een toegankelijk nieuwsbericht. Meestal lukt dit overigens niet. xv Deze opsplitsing is terug te zien in de doorlopende leerlijn mediawijsheid, die op basis van het rapport van de Raad voor Cultuur is ontwikkeld door het NIF (nu bekend als het EYE Film Instituut Nederland), in samenwerking met Digital Playground, Kunstgebouw (Mediafabriek) en Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO). Zie mediawijsheid.nl. 43

51 mogelijkheden die het nieuwe medialandschap biedt en het aanleggen van een online netwerk waarmee men kan samenwerken. De belangrijkste strategische vaardigheid in mijn kader is: het ontwikkelen van informatiehonger en een actieve zoekhouding (Van Dijk, 2003: 46, vgl. WRR, 2005: 97). Dit hangt nauw samen met vermogen goed te navigeren (Kovach & Rosentiel, 2010: 149). xvi Met deze operationalisatie kunnen we meer licht werpen op de digitale kloof. De operationele vaardigheden zijn daar over het algemeen het probleem niet: veel mensen kunnen bijvoorbeeld een zoekmachine gebruiken. Maar de informatievaardigheden om vervolgens een goede selectie te maken en de beste informatie te selecteren zijn extremely unequally divided between people with high and low education, intellectual and manual jobs, and long and short media experience (Van Dijk, 2005:88). De strategische vaardigheden die nodig zijn om de zoekmachine doelbewust te gebruiken, zijn nog weer schever verdeeld over de bevolking. De zichzelf verdiepende digitale kloof speelt met name in het kader van deze vaardigheden. Increasingly, the inequality is in intellectual skills. Those having a high level of traditional literacy also possess a high level of informacy, or digital skills. (2005: 92). De ongelijkheid heeft veelzeggende gevolgen voor de manier waarop mensen met informatie omgaan: People who operate at higher levels of media literacy will often be more carefull, reasonable, diligent, and logical when making evaluative judgments. People at lower levels of media literacy will most often feel the effort is not worth it and quickly make a judgment based only on superficial intuition (Potter, 2004:127) Kennis Kritische consumptie van journalistiek is onmogelijk zonder kennis op vijf gebieden (vgl. Potter, 2004: 94, Raad voor Cultuur, 2005: 19). In de eerste plaats hebben leerlingen kennis over de echte wereld nodig om informatie op waarde te kunnen schatten. Zonder die kennis mist een referentiekader een eigen kennisstructuur waardoor nieuwe informatie zal blijven zweven en niet goed kan worden geëvalueerd. As any statistician will tell you, you can t tell how biased [a] sample is from looking at the sample alone: You need something to compare it to (Pariser, 2011: 99, vgl. Potter, 2004: 96). In de tweede plaats is kennis over de inhoud die via de media wordt verspreid nodig. Immers: Critical evaluation rests on a substantial body of knowledge regarding the broader social, cultural, economic, political and historical contexts in which media content is produced (Livingstone, 2004: 6, aldus geciteerd in Vraga et al., 2009: 71). Kennis over de invloed van vorm en stijl is hiermee onlosmakelijk verbonden, want [if] information is presented as factual and disinterested, you will have one set of expectations. If it is presented as an analysis or argument, you will have another (Kovach & Rosentiel, 2010: 36, vgl. Van Dijk, 2005: 423, Potter 2004: 95). Ten derde is kennis over de media zelf nodig, een onontbeerlijke vereiste voor onderwijs met of middels de media (Buckingham, 2007a: 112). [People] need to understand the media industries, how they xvi Voor een meer gedetailleerde uitwerking van deze vaardigheden verwijs ik naar Van Dijk (2003, 2005) en Potter (2004). 44

52 developed, their economic nature, patterns of ownership and control, and how they market their messages (Potter, 2004:95). Volgens Jhally & Lewis (1998) moeten we niet alleen weten waarom en door wie berichten zijn geconstrueerd, maar ook onder welke omstandigheden en met welke beperkingen (aangehaald in Duran et al., 2008: 50). Het vierde aspect is kennis over de effecten van media. Dat is volgens Potter noodzakelijk omdat ze ons continu vormen: they shape our knowledge patterns, attitudes, emotions, and behaviors (Potter, 2004:95). Als we ons daar niet bewust van zijn, kunnen we ons er niet tegen verweren indien nodig. Zonder kennis over ons zelf tot slot kunnen we niet inschatten waar onze sterktes en zwaktes liggen, en of en wanneer we onszelf moeten beschermen tegen negatieve effecten van de media (Potter, 2004: 93, 95) Mentaliteit Zoals de bespreking van gebrekkige vaardigheden suggereert, is het cruciale punt voor mediaonderwijs niet alleen om de oppervlakkige vaardigheden die nieuwsgebruikers al hebben, uit te diepen, maar ook om duidelijk te maken dat het belangrijk is om deze vaardigheden in de praktijk toe te passen. De uiteindelijke aanwending van kennis en vaardigheden is altijd optioneel, en kan in meer of mindere mate slagen, afhankelijk van hoe hard iemand zijn best doet (Potter, 2004: 227). Het is dus een kwestie van mentaliteit: mensen moeten het belang ervan zien en er moeite voor willen doen. Ook aan het opdoen van de vaardigheden gaat motivatie vooraf (Van Dijk, 2005: 27, 28, 43). Het onderwijs begint op dit punt met een achterstand, omdat de impliciete les van de commerciële kindercultuur is: je hoeft niet na te denken (over de media zelf). Toch moeten leerlingen leren zich zoveel mogelijk bewust en onderzoekend opstellen wanneer ze online media gebruiken. Rather than seeing the Web as a neutral source of information, students need to be asking questions about the sources of that information, the interests of its producers and how it represents the world (Buckingham, 2007a: 113). De mentaliteit die Kovach & Rosentiel van gevorderde mediagebruikers verlangen is zowaar nog ambitieuzer: bescheidenheid over de eigen kennis, geduld om niet overhaast tot conclusies te komen, het niet erg vinden als aannames worden uitgedaagd (2010: 115). Mentaliteit is ook belangrijk omdat online mediagebruikers dagelijks een lawine aan soft news over zich uitgestort krijgen: licht verteerbare verhalen over onderwerpen die er niet echt toe doen. Toch lezen we die verhalen het liefste, schrijft Pariser. We are predisposed to respond to a pretty narrow set of stimuli if a piece of news is about sex, power, gossip, violence, celebrity, or humor, we are likely to read it first (Pariser, 2011: 23). Jongeren vinden het heerlijk om van dit soort nieuws te snacken (Costera Meijer, 2006). Daar weerstand aan bieden is niet anders dan op dieet gaan, schrijft sociologe Danah Boyd (2009): 45

53 Our bodies are programmed to consume fat and sugars because they re rare in nature. [ ] In the same way, we re biologically programmed to be attentive to things that stimulate: content that is gross, violent, or sexual and that gossip which is humiliating, embarrassing, or offensive. If we re not careful, we re going to develop the psychological equivalent of obesity. We ll find ourselves consuming content that is least beneficial for ourselves or society as a whole. De dieet-metafoor laat mooi uitkomen hoe vaardigheden, kennis en mentaliteit samenhangen. Iemand die goed wil eten heeft kennis nodig over wat gezond is en waar je dat koopt, maar ook vaardigheden in de keuken, en de discipline om telkens opnieuw de juiste keuze te maken. Dat is moeilijk, het is hard werken. [The internet] requires you to be constantly on your feet, curating your own media experience (Pariser, 2011: 65). Wie zich niet uitgedaagd voelt door de inhoud die hij tegenkomt, moet op zoek naar iets nieuws om uit de bubbel te komen. En dat terwijl we iedere keer dat de filter goed werkt, worden verleid om achterover te leunen (Pariser, 2011: 96) Effectief mediaonderwijs Tot zover de inhoud van mediaonderwijs. De volgende vraag is: hoe breng je het in de praktijk? Mediaonderwijs kan alleen effectief zijn als ze zorgt dat de actieve cognitie zich gaat richten op de media zelf. Dat is vooral bekend uit onderzoek naar de effectiviteit van mediaonderwijs gericht op visuele geletterdheid. [Psychologists] recognise that children s comprehension and processing of television content depends very much on their motivation, and on the amount of mental effort they invest (Salomon, 1983) (Buckingham, 2005b: 14). Potter (2004: 250-1) schrijft dat the key seems to be to keep children active by asking questions and challenging what is happening (Reiser et al., 1984). In fact, it appears that the questioning alone is more important than getting answers to those questions from an outside person (Reiser, Williamson, & Suzuki, 1988). Door keer op keer vragen te stellen bij ervaringen in de media, kan mediaonderwijs leiden tot heightening perception in information processing overall, leading individuals to develop more complex and differentiated individual criteria of criticism and interpretation rather than absorbing messages at face value with little conscious awareness (Babad et al., 2009: 17-18, met verwijzing naar Kubey & Czikszentmihalyi, 1990). De sleutel van effectief mediaonderwijs is dus het herhaaldelijk bemoedigen van het actieve denken, zodat mensen leren informatie uit de media niet te verwerken via hun primitieve cognitie (primary process thinking) maar via hun geavanceerde cognitie (secondary process thinking). xvii Onderzoek van Byrne (2009) liet dit goed zien: het was de toevoeging van een cognitieve activiteit die maakte dat de media literacy intervention in zijn onderzoek het gewenste effect had. Louter iets uitleggen over de media heeft veel minder effect. Byrne stelt dat telkens gebleken is dat het meer nut heeft kinderen een media-uiting te laten evalueren, dan ze louter feiten te vertellen over (de producten van) de media (2009: 2, 3; met verwijzing naar Huesmann et al., 1983; Nathanson, 2004; vgl. Eagle, 2007:103). Wie xvii In de termen van mindfulness theory (Langer, 1990) en het elaboration-likelihood model of persuasion (Petty & Cacioppo, 1986) gaat het respectievelijk om more mindful en more elaborated information processing (Babad, Peer & Hobbs, 2009: 17-8, cursivering JM, vgl. Potter, 2004: 63, 73). 46

54 kinderen vraagt lesstof te verbinden met hun eigen kennis en die te bespreken, zorgt ervoor dat ze cognitief actiever zijn, dat ze meer leren (Byrne, 2009:5), en dat ze geleerde lessen beter onthouden, immers: aandacht is de sleutel voor een goede werking van het geheugen (Carr, 2010). Mediaonderwijs begint hier met een achterstand: uit onderzoek van Costera Meijer blijkt dat jongeren het nieuws bijna nooit bewust en met aandacht kijken (2006: 59). Hoe kan worden bereikt dat kinderen wel actief, kritisch en bewust gaan nadenken over de media? Hieronder bespreek ik verschillende randvoorwaarden voor effectiviteit, die later als beoordelingscriteria zullen dienen in het empirische onderzoek. In de eerste plaats moeten we inzien dat de effectiviteit van het onderwijs snel achteruit gaat als het wordt gegeven vanuit (1) de verkeerde visie (vgl. Raad voor Cultuur, 2005:16). Mediaonderwijs dat te defensief als immunisering tegen de vermeende pathologische invloed van de media wordt ingevuld, is bijvoorbeeld niet effectief. Een docent die stelling neemt tegen de natuurlijke mediaomgeving van zijn leerlingen maakt het zichzelf onnodig moeilijk, zeker in een cultuur waar kind-zijn is gedefinieerd als tegengesteld aan volwassen zijn. In de ideale werelden die kinderen via commerciële media leren kennen wordt keer op keer een us versus them -dichotomie gepropageerd, met saaie volwassenen aan ene kant en vrolijke kinderen aan de andere (vgl. Sigismondi, 2009: 155, Seiter, 1993). Een docent mediawijsheid kan binnen deze dichotomie alleen al uit strategische overwegingen het beste aan de kant van de jeugd blijven (vgl. Schwarz, 2010). Ook een te instrumentele visie op mediaonderwijs ondermijnt de effectiviteit, zo schrijft Buckingham. Attempts to bridge this divide through the use of digital edutainment materials, or through the incorporation of the latest technological gadgets, have often proven superficial or self-defeating. It is hardly surprising that so many young people find the classroom use of technology boring, frustrating and irrelevant to their lives (see Levin & Arafeh, 2002; Selwyn, 2006) (2007a:112). Na visie is een belangrijke randvoorwaarde voor effectiviteit (2) de juiste didactische aanpak. Verschillende auteurs wijzen erop dat voor effectief mediaonderwijs een speciale onderwijsmethode nodig is (e.g. Jenkins, 2008: 33; 2010; Willett, 2007). Zo stelt Buckingham (2007a:116) over onderwijs over het web dat [traditional] forms of teaching, which involve the transmission of a fixed body of information, are largely irrelevant here. Het probleem is dat [children] are now immersed in a consumer culture that positions them as active and autonomous; yet in school, a great deal of their learning is passive and teacher-directed (idem). Dit brengt verschillende theoretici van mediaonderwijs tot de stelling dat het moet worden onderwezen op democratische en non-hiërarchische manier. Beter dan de leraar als expert ( apprenticeship approach ) werkt coöperatief leren, waar leerlingen zelf de voortgang tot stand brengen, en er gezamenlijk in delen. Clearly, cooperative learning has more advantages [than the apprenticeship approach], schrijft Potter (2004: 250, 252). Coöperatief leren betekent veel samenwerken, elkaar uitleggen wat de ander nog niet begrijpt, en zo met zijn allen verder 47

55 komen. De docent is niet meer de overdrager van kennis, maar wordt een geprivilegieerd lid van de leergemeenschap en degene die een intellectueel stimulerende omgeving schept, die leer- en probleemoplossingensactiviteiten vormgeeft, die provocatieve vragen stelt, die leerlingen helpt door te coachen en te begeleiden, en die de verantwoordelijkheid van leerlingen voor hun eigen leerproces onderstreept (De Corte, 2000: 264). Deze benaderingswijze sluit aan op ontwikkelingen in het Nederlands onderwijs, waar de laatste decennia een duidelijke verschuiving waar te nemen is van kennis naar vaardigheden en, meer recentelijk, ook naar houdingen (Bronneman-Helmers, 1999: 86). Overheid en bedrijfsleven willen dat het onderwijs lifelong learners aflevert, mensen die beschikken over sociale competenties en vaardigheden waarmee zij zich snel aan nieuwe eisen en omstandigheden [op de werkvloer] kunnen aanpassen (Bronneman-Helmers, 2004: 386). De nadruk ligt tegenwoordig op doen in plaats van denken, op het toepassen van leerstof in verschillende gebruikssituaties (Geerlings & Van der Veen, 2001: 9) en het aanleren van de vaardigheden die nodig zijn voor self-directed learning (Hmelo-Silver, 2004: 240). Bij dit nieuwe leren gaat men uit van de belangstelling en behoefte van leerlingen (Bronneman-Helmers, 2004: 384). Wat betekent zo n nadruk op vaardigheden binnen het kader van samenwerkend leren concreet voor mediaonderwijs? Ten eerste impliceert het dat leerlingen effectiever zullen leren wanneer ze zelf praktijkervaring kunnen opdoen met journalistieke media, wanneer ze dus de kans krijgen zelf mediainhouden te produceren. It is widely accepted by media educators that the experience of media production is valuable both in its own right, as a means of promoting self-expression and communication skills, and also as a way of developing a more in-depth critical understanding. [Production] is seen to provide a more participatory, hands-on approach to pedagogy, which students generally find more motivating than approaches based solely on discussion and writing (Buckingham, 2005a: 43-44; vgl. Jenkins, 2009:42; Brown et al., 2011). xviii Ten tweede ligt het voor de hand dat het onderwijs aansluiting probeert te zoeken bij het dagelijkse mediagebruik van leerlingen (Buckingham, 2007a: 112). Buckingham (2005a: 44) schrijft dat research clearly shows that it is most productive to relate critical analysis to students own concerns, tastes, and identities rather than engaging in the more abstract analyses of ideology that have traditionally been prevalent in media teaching (Bragg, 2002). Over het algemeen, schrijft Hobbs (2008:432), is er een substantiële kloof tussen het soort theoretische inzichten hierboven, en de daadwerkelijke onderwijspraktijk (vgl. Poyntz & Hoechsmann, 2009, De Corte, 2000). Een volgende randvoorwaarde (3) voor effectief mediaonderwijs is dus ook dat men erin slaagt de ideale uitgangspunten te vertalen naar het niveau van de schoolklas. Hoe kleiner de kloof tussen theorie en praktijk, hoe effectiever het onderwijs. xviii Een verklaring voor het succes van deze strategie is dat die goed aansluit bij de postmoderne verhouding tot informatie die Costera Meijer (2006: 140 e.v.) beschrijft: kinderen van het postmodernisme willen volgens haar leren door iets te ervaren en te voelen, in plaats van passief te luisteren naar de autocue. 48

56 Een laatste kwestie die we in het kader van effectiviteit moeten beschouwen is de manier waarop het mediaonderwijs wordt ingepast in de dagelijkse schoolpraktijk. Duidelijk is dat mediawijsheid alleen bereikt kan worden als het onderwijs zich richt op het ontwikkelen van vaardigheden, en dat is een kwestie van integrated, interactive, and repeated practice, zo benadrukt de National Association for Media Literacy Education in de Core Principles for Media Literacy Education in the United States (2007: 5). Mediaonderwijs dat niet op de een of andere manier deel wordt van het normale onderwijs, is gedoemd tot geringe continuïteit en een laag bereik (vgl. Raad voor Cultuur, 2005:16). Volgens de Raad voor Cultuur moeten scholen de ruimte krijgen om hun eigen invulling te geven aan het mediaonderwijs, maar tegelijkertijd pleit de Raad ervoor om mediawijsheid expliciet op te nemen in de doelen van het zogenaamde burgerschapsonderwijs (2005: 26). Over de ideale manier van inpassing is veel discussie (Masterman, 1997). Aan de ene kant zijn er theoretici die menen dat mediaonderwijs een apart vak moet zijn, als toevoeging aan of als vervanging van bestaande vakken in het curriculum (zie e.g. Jenkins, 2009: 107-9). Aan de andere kant zijn er auteurs die menen dat mediaonderwijs moet worden geïncorporeerd in het bestaande curriculum. Iedere aanpak komt met zijn eigen beperkingen. Wanneer mediaonderwijs als apart vak wordt gegeven, zoals bijvoorbeeld Buckingham bepleit (2007a:116), wordt het dikwijls ondergewaardeerd binnen de school (Potter, 2004: 247). Mediaonderwijs valt vaak onder burgerschapsonderwijs, maar dat staat dikwijls op gespannen voet met meer praktische vakken die leerlingen klaarstomen voor de arbeidsmarkt (vgl. Potter, 2004: 247). Wanneer mediaonderwijs wordt geïncorporeerd in het bestaande curriculum, zoals bijvoorbeeld Van Dijk bepleit (2005: 212, 2004: 246), is de training van docenten problematisch (Potter, 2004:249; Jenkins, 2008: 16; Van Dijk, 2005: 26). Uit onderzoek van Hobbs blijkt dat de meest succesvolle integratie van mediaonderwijs ten minste twee jaar aan staff development vraagt, waarbij de schoolleiding continu een ondersteunende rol moet spelen (1998: 23-24, aldus aangehaald in Potter, 2004: 246). Ook is mediaonderwijs dat werkelijk in alle vakken is geïntegreerd uiteindelijk onzichtbaar (Potter, 2004: 253), wat in principe niets afdoet aan de effectiviteit, maar het wel erg moeilijk maakt om vast te stellen of kinderen mediawijs worden (vgl. Potter, 2004:247). De effectiviteit van het onderwijs hangt duidelijk af van de gekozen aanpak en het vermogen om met deze typische problemen te kampen. Lukt dat niet, dan kan niet worden voldaan aan de randvoorwaarden van continuïteit en bereik (4 & 5) Mediaonderwijs in Nederland Mediaonderwijs staat in Nederland al decennia op de agenda. Er is overheidsbeleid op gemaakt, er wordt driftig onderzoek naar gedaan, en er worden vele honderden initiatieven georganiseerd waarbij kinderen op de een of andere manier worden begeleid in hun omgang met de media (vgl. Schwarz, 2010). Een landelijk initiatief dat direct betrekking heeft op journalistiek is Nieuws in de Klas, een 49

57 initiatief van NDP nieuwsmedia, de brancheorganisatie voor nieuwsbedrijven. Omdat mediaonderwijs al geruime tijd op de agenda staat, is er al behoorlijk wat bekend over hoe het mediaonderwijs nu is ingericht en wat er beter kan. In 2005 was het beste mediaonderwijs in Nederland nog het resultaat van jarenlange inzet en passie van individuele docenten en van een bredere blik van individuele schooldirecties. Deze actieve spelers vonden het wiel telkens opnieuw uit (Raad voor Cultuur, 2005: 14, 16). De Raad voor Cultuur pleit in dit kader voor de aanstelling van zogenaamde mediacoaches : Deze bieden begeleiding en inspiratie bij mediaonderwijs op de eigen school, dragen zorg voor continuïteit en ontwikkelen projecten met buitenschoolse partners (2005: 3). Mediacoaches zouden tevens een oplossing bieden voor de gebrekkige onderlinge kennisoverdracht die de Raad in 2005 waarnam. In opdracht van de overheid is men na het invloedrijke rapport van de Raad voor Cultuur in 2005 begonnen de talrijke initiatieven op het gebied van mediawijsheid in kaart te brengen. Tussen november 2007 en januari 2008 is door Keller et al. van stichting Kennisland een inventarisatie gemaakt van de initiatieven op dat moment. Dit is geresulteerd in de Mediawijsheid Kaart (te zien op mediawijsheidkaart.nl). Hoewel de samenstelling vandaag ongetwijfeld is veranderd sinds de inventarisatie, loont het om te kijken waar het mediaonderwijs in Nederland vandaan komt. De meeste initiatieven waren ten tijde van de inventarisatie gericht op verantwoorde consumptie. Zo bleek dat het grootste deel van alle (142) geïnventariseerde initiatieven betrekking heeft op voorlichting over de rol van media en omgang (als consumenten) met media. Van de initiatieven die gericht zijn op de onderwijssector, viel 85% onder de noemer Mediavaardigheden- en bewustzijn (zie figuur 1.4). Ook bleek dat de vele activiteiten rond mediawijsheid nog niet altijd op elkaar afgestemd worden. De synergie die kan worden verkregen uit het coördineren van de talrijke campagnes en activiteiten, werd dus nog niet ten volle benut. Figuur 1.4: Overzicht van initiatieven in het mediaonderwijs. (Overgenomen uit Keller et.al., 2008: 8) Smeets & Wester van onderzoeksinstituut ITS deden in 2009 in opdracht van het Mediawijsheid Expertisecentrum onderzoek naar de aandacht die in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs wordt besteed aan mediawijsheid en naar de opvattingen van leraren over mediawijsheid bij leerlingen 50

58 Figuur 1.5: Hoe vaak wordt er aandacht besteed aan informatie zoeken en beoordelen? (Overgenomen en aangepast van Smeets & Wester, 2009: 22) (iii). De onderzoekers concluderen op basis van hun enquête (onder 362 leraren uit het basisonderwijs en 845 leraren uit het voortgezet onderwijs) dat er regelmatig aandacht wordt besteed aan mediawijsheid en dat, volgens de leraren, alle aspecten van mediawijsheid daarbij aan bod komen. De meeste aandacht gaat uit naar het zoeken en beoordelen van informatie: op vier van de tien scholen gebeurt dit regelmatig (29). Toch antwoordt een groot aantal leraren in het voortgezet onderwijs met af en toe op de vraag naar de mate van aandacht op school of in de les voor informatie zoeken en beoordelen (30) (zie figuur 1.5). De leraren vinden wel dat veel aandacht nodig is, want ze schatten de meeste leerlingen in als niet erg mediawijs (ibidem, iii). Vooral hun vermogen om informatie te zoeken en te beoordelen schiet tekort (ibidem, 30). Slechts een kwart van de leraren vindt dat de meeste leerlingen deze vaardigheden die ze op school kunnen gebruiken thuis hebben geleerd, 44% zegt dat sommige leerlingen die vaardigheden thuis hebben geleerd (ibidem, 15). Ook is in kaart gebracht op welke wijze mediawijsheid volgens de leraren aan bod komt op school. In het onderzoek van Smeets & Wester zei 77% van de leraren in het voortgezet onderwijs er aandacht aan te besteden via opdrachten en werkstukken. Verder wordt er volgens de auteurs aandacht aan besteed in reguliere lessen (57%), in vakoverschrijdende lessen (41%), door middel van themaweken (24%), in een bepaald vak (24%) en op andere manieren (11%). Als het mediaonderwijs is opgenomen in een bepaald vak, dan is dat volgens de leraren bij informatica en informatiekunde, ict-lessen, maatschappijleer, ckv en talen (23). Figuur 1.6 toont hoe aandacht voor informatie zoeken en beoordelen volgens leraren in het voortgezet onderwijs verdeeld is over de vakkenclusters. Uit de besproken onderzoeken stijgt een beeld op van mediaonderwijs dat overal en nergens is. Krijgen leerlingen wel het onderwijs aangeboden dat zo hard nodig is? Dat is de vraag die in het tweede deel van deze scriptie centraal staat. Figuur 1.6: Aandacht voor informatie zoeken en beoordelen in het voortgezet onderwijs, verdeeld naar vakkencluster. (Overgenomen van Smeets & Wester, 2009: 22) 51

59 2. Onderzoeksmethode We hebben nu duidelijk in beeld waarom mediaonderwijs noodzakelijk is, wat het moet bereiken, en hoe het effectief kan worden gegeven. Nu is het tijd om naar de aanbodkant te kijken: hoe ziet het onderwijs er daadwerkelijk uit? Om te beginnen beschrijf ik in dit hoofdstuk de onderzoeksmethode. Het doel van dit onderzoek is om na te gaan of het mediaonderwijs zo is ingericht dat leerlingen de vaardigheden, kennis en mentaliteit bijgebracht krijgen die ze nodig hebben om kritische gebruikers van journalistiek te worden. Komt het mediaonderwijs tegemoet aan de uitdagingen die de online omgeving stelt aan de consumptie van journalistiek? 2.1 Onderzoeksobject: mediacoaches Om een beeld te krijgen van de onderwijspraktijk, heb ik gesprekken gevoerd met mediacoaches in het voortgezet onderwijs. De Raad voor Cultuur pleitte er in 2005 voor op elke school een mediacoach aan te stellen, als manier om tegemoet te komen aan de vaak vastgestelde problemen met mediaonderwijs. De mediacoaches zouden moeten fungeren als spreekwoordelijke spin in het web (2005: 32). In het Handboek Mediawijsheid wordt een mediacoach omschreven als iemand die het mediabeleid van een school op zich neemt, en daarbij vakdocenten faciliteert en begeleidt, mediaprojecten en ouderavonden organiseert, en contact houdt met buitenschoolse partijen (Pardoen & Zwanenberg, 2010: 11). Het aanstellen van een mediacoach is door de Europese Commissie uitgeroepen tot best practice om mediaonderwijs op de rails te zetten (NOMC, 2012a). In principe mag iedereen zich mediacoach noemen, maar in de praktijk doen vooral mensen dat die zijn opgeleid bij de Nationale Opleiding MediaCoach (NOMC). Deze opleiding op post-hbo-niveau is na het rapport van de Raad voor Cultuur (2005) geïnitieerd door De Nationale Academie voor Media en Maatschappij, een initiatief van de stichtingen Reclame Rakkers en de Kinderconsument, in samenwerking met andere organisaties, waaronder de Waag Society en stichting Kennisnet. De opleiding is bedoeld voor leerkrachten in het primair en voortgezet onderwijs en voor medewerkers van bibliotheken, mediatheken, en uit de jeugdhulpverlening. Volgens de brochure van de NOMC (2012a) is een mediacoach onder meer verantwoordelijk voor het coachen van leerlingen bij het ontwikkelen van mediavaardigheden, het coördineren van binnenkomend lesmateriaal en het continue informeren van collega s over mediaontwikkelingen. De opleiding vindt gretig aftrek. Begin 2012 zijn er volgens de website van de NOMC al 675 mediacoaches opgeleid (2012b). Een kwart van de geënquêteerde leraren in het onderzoek van Smeets & Wester uit 2009 zei dat er op hun school een mediacoach of vergelijkbare functionaris is die ondersteuning biedt. Mediacoaches zijn een goed onderzoeksobject omdat ze de taak hebben het 52

60 mediaonderwijs op een school te coördineren. Ze staan middenin de praktijk en kunnen dus een goede indruk geven van de inrichting en inbedding van mediawijsheid in het dagelijkse onderwijs. 2.2 Onderzoeksvragen Het onderzoek is erop gericht na te gaan of aan alle randvoorwaarden voor effectief mediaonderwijs wordt voldaan en zo niet, waarom niet. Op basis van het literatuurhoofdstuk zijn zeven deelvragen geformuleerd: Deelvraag Hoe beoordelen mediacoaches de capaciteiten van scholieren? Welke visie is leidend in het werk van de mediacoaches? In hoeverre is het onderwijs geïmplementeerd? a b Hoe ziet de onderwijspraktijk er uit? Wat zijn de obstakels waar mediacoaches tegenaan lopen? Lukt het om de theorie te vertalen naar de praktijk? Welke vaardigheden achten de mediacoaches relevant? In hoeverre denken de mediacoaches dat deze vaardigheden daadwerkelijk worden onderwezen? Welke plaats heeft kennis in het programma dat mediacoaches coördineren? Relevantie Toont of het onderwijs door de mediacoaches als noodzakelijk wordt gezien. Randvoorwaarde 1: niet een te defensieve of instrumentele visie op mediaonderwijs Randvoorwaarden 4 en 5: implementatie garandeert continuïteit en bereik Randvoorwaarde 2: is de didactische praktijk optimaal? Wat gaat er mis, als er iets mis gaat? Randvoorwaarde 3: een zo klein mogelijke kloof tussen theorie en praktijk. Besteden mediacoaches aandacht aan de vaardigheden die nodig zijn voor de kritische consumptie van journalistiek? Slaagt het onderwijs er volgens de mediacoaches in de noodzakelijke vaardigheden over te brengen? Hier wordt tevens onderzocht in hoeverre leerlingen de vaardigheden toepassen, i.e. of ze zich de juiste mentaliteit aanmeten Naast vaardigheden en mentaliteit is kennis over de media van groot belang voor de kritische consumptie van journalistiek. 2.3 Diepte-interviews Het diepte-interview is een onderzoeksmethode die goed past bij de vragen die hierboven zijn geformuleerd, omdat het een rijk en gedetailleerd inzicht oplevert in het fenomeen dat onderzocht wordt (Babbie & Baxter, 2004: 326). Ik vat het diepte-interview hier op zoals Babbie & Baxter (2004: 325) dat doen, in algemene bewoordingen gaat het om een gesprek met een doel. De bedoeling is dat de geïnterviewde het meeste praat en dat de interviewer met hem of haar meereist om een antwoord te vinden op zijn vragen. Het diepte-interview is geen gemakkelijke onderzoeksmethode, omdat de interviewer erg veel tegelijk moet doen (ibidem, 326). Op voorhand is daarom een gedetailleerde handleiding geschreven, die de onderzoeker heeft geleid tijdens de gesprekken (zie 3.2 in bijlage 3: 53

61 het onderzoeksverslag). Hierin zijn de maatregelen vastgelegd die zijn genomen om tot zo zuiver mogelijke waarnemingen te komen. De gesprekken vonden plaats aan de hand van een semi-gestructureerde opzet. Daarin liggen de gespreksonderwerpen vast, evenals de volgorde waarin de interviewer ze wil behandelen. De volgorde en de onderwerpen komen overeen met de zeven (open) deelvragen die hierboven zijn geformuleerd. Bij het opstellen van het interviewprotocol is rekening gehouden met het framing effect dat uitgaat van het feit dat sommige vragen eerst worden gesteld, en andere pas later. De eerste vraag zet de toon voor de rest voor het gesprek (Babbie & Baxter, 2004: 168), zoals de lead de toon zet voor de rest van een artikel. Er is bewust gekozen eerst aansluiting te zoeken bij de leefwereld van de mediacoach, door te vragen: waarom bent u mediacoach geworden? Met deze laagdrempelige vraag wordt direct toegewerkt naar de visie (deelvraag 2) die de mediacoach leidt in zijn werk. Na de eerste vraag kan wel van de volgorde worden afgeweken, evenals van de ideale formulering van de vragen. The formulation of the research question(s) should not be so specific that alternative avenues of enquiry that might arise during the collection of fieldwork data are closed off (Bryman, 2008: 442). De interviewer moet ervoor zorgen dat aan het einde van het gesprek alle kwesties die hij wil bespreken, aan bod zijn gekomen. In het gesprek wordt gebruik gemaakt van indexkaarten met daarop een selectie aan doelen en een selectie aan vaardigheden die in het literatuuronderzoek benoemd zijn en die kritische consumenten van journalistiek op het internet nodig hebben. De mediacoaches is gevraagd deze kaarten op volgorden van belangrijkheid te leggen. De kaarten vervullen een dubbele functie: ze werken om het gesprek te structureren en om vergelijkingen mogelijk te maken in de visies en prioriteiten van de mediacoaches (Zie 3.7 in het onderzoeksverslag). De tussenstap die is genomen om van deelvragen naar interviewprotocol te komen, is om inzicht te geven in de operationalisatie vastgelegd (zie 3.3 in onderzoeksverslag). De onderzoeker heeft het interviewprotocol getest en op enkele punten aangepast alvorens de eerste mediacoach te ontmoeten. Ook tijdens het onderzoek is het protocol nog enkele malen herzien, maar nooit ingrijpend (zie 3.4 in het onderzoeksverslag). Het interviewprotocol is opgenomen in het onderzoeksverslag (zie 3.5). 2.4 Aantal gesprekken en selectie mediacoaches In veel kwalitatief onderzoek is theoretische saturatie het criterium om het aantal te voeren gesprekken vast te stellen. Als theoretische saturatie is bereikt, is op alle criteria voldoende data verzameld om een antwoord op de onderzoeksvragen te formuleren, en zijn dus voldoende gesprekken gevoerd (Bryman, 2008: 416). In sommige studies waren 12 gesprekken genoeg om theoretische saturatie te verkrijgen, in andere studies kon pas na 10 tot 12 gesprekken een werkbaar coderingssysteem worden vastgesteld, wat vervolgens met nog evenveel gesprekken moest worden 54

62 verfijnd en gevuld tot saturatie was bereikt. Wanneer de opzet van een studie erg breed is of wanneer verschillende groepen met elkaar vergeleken moeten worden, zijn over het algemeen meer gesprekken nodig (vgl. Bryman, 2008: 462; Baarda et al., 1998: 178). In het kader van dit onderzoek zijn 12 gesprekken gevoerd, wat in dit geval voldoende bleek om te komen tot een werkbaar coderingssysteem en theoretische saturatie, d.w.z. dat op alle vragen een gefundeerd antwoord kon worden gegeven. Middels een gedeeltelijk gerichte, gedeeltelijk semi-willekeurige steekproef zijn mediacoaches geselecteerd. Er was een lijst voorhanden op basis waarvan de steekproef kon plaatsvinden: het openbare register van afgestudeerde mediacoaches, zoals dat op de site van de NOMC te vinden is. De steekproef was gedeeltelijk doelgericht: er werden alleen mediacoaches met een opleiding van de NOMC, die werken op een middelbare school, geselecteerd. De steekproef was gedeeltelijk semiwillekeurig: binnen de beschikbare groep mediacoaches (NOMC afgestudeerd, werkend op een middelbare school) werd willekeurig gekozen, maar pas nadat de coaches waren onderverdeeld in regio s, zodat niet alle geïnterviewden uit één regio zouden komen. Binnen de grenzen van de haalbaarheid is hiermee gestreefd naar een zo gevarieerd mogelijke steekproef (vgl. Babbie & Baxter, 2004: 312, Bryman, 2008: 415). Er zijn in eerste instantie meer mediacoaches benaderd dan geïnterviewd konden worden, omdat rekening werd gehouden met een respons rate van minder dan 100%. Inderdaad reageerden maar weinig mediacoaches op de verstuurde (zie 3.1 in het onderzoeksverslag), na een belronde toonden meer mediacoaches zich bereid mee te werken. Om zeker te stellen dat binnen de gestelde tijd voldoende gesprekken gevoerd konden worden, heeft de onderzoeker de steekproef uitgebreid door direct naar willekeurige middelbare scholen in Nederland te bellen (hiervoor is een lijst op internet gebruikt). De uiteindelijke groep respondenten bevatte twee mediacoaches die direct telefonisch benaderd zijn, en 10 mediacoaches die middels de oorspronkelijke steekproef waren geselecteerd. Alle gesprekken zijn gevoerd op de school van de mediacoach. 2.5 Analyse van de gesprekken Alle gesprekken zijn opgenomen en getranscribeerd. Ieder gesprek is geanonimiseerd en iedere coach heeft een willekeurige letter toegewezen gekregen. Om de inhoud van de gesprekken te compileren, organiseren en vergelijkbaar te maken, zijn alle transcripten vervolgens gecodeerd. Hierbij is gebruik gemaakt van het analyseprogramma MaxQDA. Het coderingssysteem is deels vooraf ontworpen op basis van concepten en categorieën die voortkwamen uit de deelvragen en de probleemstelling in het literatuurhoofdstuk. Het is verfijnd en aangevuld in interactie met de data, net zolang tot alle relevante inhoud een code toegewezen had gekregen. In het onderzoeksverslag is in detail uiteengezet hoe het analyseproces is verlopen (zie 3.10). 55

63 De verzameling en de verwerking van data zijn hand in hand gegaan. Na ieder gesprek zijn aantekeningen gemaakt, zo nu en dan is een hypothese geformuleerd, die in de vervolggesprekken telkens werd getest en herzien. Door dit proces vast te leggen en inzichtelijk te maken in de bijlagen, is gepoogd het hele onderzoeksproces zo transparant mogelijk te maken. Om te komen tot concrete resultaten, is een systematische inhoudsanalyse van de data uitgevoerd. Het doel van deze analyse was te komen tot een zo adequaat mogelijke beschrijving van de data, die een zo getrouw mogelijke indruk geeft van de onderzochte onderwijspraktijk. Het analyseprogramma bood de mogelijkheid identiek gecodeerde fragmenten uit verschillende gesprekken in één keer terug te roepen. Met deze fragmenten, de aantekeningen en de hypotheses in de hand, is vervolgens gezocht naar terugkerende thema s en duiding. Dit was een proces van lezen en herlezen, formuleren en herzien, net zo lang tot de gestructureerde weergave van de data in het resultatenhoofdstuk recht deed aan de gevarieerde data die was verzameld. Hierbij zijn de kenmerken van de mediacoaches en de mate waarin het onderwijs op hun school is geïmplementeerd, zo nu en dan opgevoerd om de duiding te verrijken. Om dicht bij de data te blijven, wordt in het resultatenhoofdstuk uitgebreid gebruik gemaakt van (soms lange) citaten. Uitingen van de onderzoeker zijn in bijna alle gevallen verwijderd in de gebruikte citaten. Tijdens de analyse zijn sturende vragen gemarkeerd. Opmerkingen van mediacoaches die volgen op zo n vraag worden in het resultatenhoofdstuk bij voorkeur niet gebruikt. 2.6 Betrouwbaarheid van het onderzoek De betrouwbaarheid van dit onderzoek hangt af van vier criteria (vgl. Bryman, 2008: ). Het eerste criterium van betrouwbaarheid is geloofwaardigheid (credibility), een kwalitatieve invulling van het criterium van interne validiteit zoals dat in kwantitatief onderzoek gebruikt wordt. Hier gaat het erom dat het onderzoek volgens de juiste standaarden is uitgevoerd. De interne verbinding tussen onderzoeksvragen en de daadwerkelijk gestelde vragen in het interview correct en navolgbaar zijn, zodat de onderzoeker meet wat hij zegt dat hij meet (Bryman, 2008: 376). Verder moet worden vermeden dat de diepte-interviews inhoudelijk gestuurd worden door de onderzoeker. De resultaten zouden dan reflecteren wat de onderzoeker suggereert, niet hoe de praktijk er daadwerkelijk is. De geloofwaardigheid van dit onderzoek hangt sterk samen met het vermijden van het social desirability effect. Als de mediacoaches het gevoel zouden hebben dat ze het goede antwoord moeten geven, levert het onderzoek geen getrouwe schets van de werkelijkheid op. Dit is buitengewoon problematisch omdat in feite wordt onderzocht hoe goed de mediacoaches erin slagen hun werk te doen. Wie die vraag aan een mediacoach zou voorleggen, krijgt vermoedelijk een positief antwoord. Daarom heb ik ervoor gekozen de effectiviteit van het onderwijs indirect te onderzoeken. Door te analyseren in hoeverre de mediacoaches werken vanuit een visie, bijvoorbeeld, wordt de effectiviteit van het onderwijs geëvalueerd (randvoorwaarde 1). Het onderzoek is dus wel degelijk evaluerend opgesteld, in de zin dat wordt getracht een indruk te krijgen van de effectiviteit van het onderwijs. Daar 56

64 gaat het per slot van rekening om: ik probeer antwoord te geven op de vraag hoe goed het onderwijs tegemoet komt aan de uitdagingen die het internet stelt aan de consumptie van journalistiek. Deze evaluatie mag niet worden verhuld, maar werd in gesprek met de mediacoaches ook niet benadrukt. De geïnterviewde zou dan het idee krijgen dat hij wordt getest. Maar wat wordt getest is het onderwijs, niet de inspanningen van één mediacoach. Daarom is bij ieder gesprek gezegd: Ik ben hier niet om het onderwijs op uw school te beoordelen, maar om een beeld te krijgen van de praktijk. Slechts enkele malen is gevraagd hoe goed iets lukt (e.g. de vertaling van theorie naar praktijk). De rest van de tijd wordt de effectiviteit indirect onderzocht, door open vragen te stellen die een breed beeld geven van de praktijk. Zo heb ik geprobeerd de mediacoaches niet in een defensieve hoek te drukken, maar toch voldoende te weten te komen om een inschatting te maken van de effectiviteit. Natuurlijk heb ik ook alle gebruikelijke interviewtechnieken gebruikt om sociaal wenselijke antwoorden te vermijden (zie 3.2 in het onderzoeksverslag.). Het tweede criterium van betrouwbaarheid is overdraagbaarheid, een kwalitatieve invulling van het criterium van externe validiteit dat in kwantitatief onderzoek gebruikt wordt. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen niet zondermeer gegeneraliseerd worden over een grotere populatie. Door echter gedetailleerde beschrijvingen te geven van de uitkomsten, kunnen lezers zelf bepalen of de vondsten betrekking hebben op een bredere praktijk, of louter op zichzelf. Een derde criterium is dependability. Hierbij gaat het om het beschikbaar stellen van complete records of all phases of the process problem formulation, selection of research participants, fieldwork notes, interview transcripts, data analysis decisions, and so on in an accessible manner (Bryman, 2008: 378). Om te voldoen aan dit criterium is het onderzoeks- en analyseproces vastgelegd in een uitgebreid onderzoeksverslag (bijlage 3). Bovendien zijn digitale bijlagen beschikbaar met volledige transcripten, aantekeningen bij alle gesprekken, een samenvatting van allerhande informatie per coach en school in tabelvorm, het MaxQDA analysedocument, een export van het coderingssysteem met toelichting bij alle coderingen, en een excelbestand waarmee patronen in de volgordes van indexkaarten zijn onderzocht. Het laatste criterium van betrouwbaarheid is confirmability, wat voor Bryman betekent dat [the] researcher has acted in good faith; in other words, it should be apparent that he or she has not overtly allowed personal values or theoretical inclinations manifestly to sway the conduct of the research and findings deriving from it (2008: 379). Het is aan de lezer om uit te maken of ik hierin geslaagd ben, for the record kan ik in ieder geval stellen dat ik hiernaar gestreefd heb door me onderzoekend op te stellen en mijn eigen denkbeelden en indrukken ofwel zichtbaar en dus controleerbaar te maken, ofwel geen rol te laten spelen. 57

65 3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek besproken. Bij de bespreking van resultaten wordt met een eindnoot verwezen naar de gesprekken. De eindnoten zijn opgenomen in bijlage 1. De volledige transcripten zijn te vinden in digitale bijlage 1. In tabel 2.1 worden de belangrijkste kenmerken van de coaches kort weergegeven. Zie voor meer informatie per coach de overzichtstabel in digitale bijlage 3. Figuur 2.1 toont het relatieve aandeel van iedere mediacoach in het resultatenen in het conclusiehoofdstuk, gemeten aan de hand van het aantal verwijzingen naar de transcripten. Dit toont dat niet alle mediacoaches even veel aan het woord komen, maar dat de spreiding behoorlijk is. Figuur 2.1: Het relatieve aandeel van iedere mediacoach in de resultaten en conclusies Tabel 2.1: Belangrijkste kenmerken geïnterviewde mediacoaches Mediacoach Aantal jaar Aantal jaar Aantal Soort Functie naast op school mediacoach leerlingen onderwijs mediacoach Geslacht Leeftijd A Brede school Mediathecaris M 42 B 3 ½ Brede school Docent M 32 C Breed VMBO Mediathecaris V 45 D Brede school Mediathecaris V 42 E Brede school Mediathecaris M 51 F Brede school Mediathecaris V 47 G Breed VMBO Mediathecaris V 49 H Brede school Mediathecaris V 39 I HAVO/VWO Docent & M 48 coordinator mediatheek J Gymnasium Mediathecaris M 62 K Brede school Mediathecaris V 42 L Brede school Mediathecaris V Hoe beoordelen mediacoaches de capaciteiten van scholieren? De mediacoaches waren eensgezind negatief over de informatievaardigheden, houding en kennis van leerlingen. Voorbeelden waren er legio. Leerlingen die denken dat tweets op Twitter niet openbaar zijn. 1 Leerlingen die informatie moesten zoeken over rietsuiker, maar terugkwamen met een geknipte/geplakte tekst over ene mevrouw Riet Suyker. 2 Een leerling die informatie zocht over het huren van een studio om muziek te produceren, en een werkstuk inleverde met een tabel die 58

Revision Questions (Dutch)

Revision Questions (Dutch) Revision Questions (Dutch) Lees pagina s 1-44 van New Media: A Critical Introduction (2008). Maak bij het lezen de onderstaande vragen. Print je antwoorden uit en lever deze in bij de Vergeet niet je naam

Nadere informatie

To read or not to read

To read or not to read To read or not to read Een onderzoek naar nieuwsconsumptie in Nederland Mijke Slot (TNO) Fleur Munniks de Jongh Luchsinger (EUR) 3D Academy bijeenkomst 18 maart 2011 Inhoud Inleiding Theorieën over nieuwsconsumptie:

Nadere informatie

HOOFDSTUK 6 Samenvattende conclusies

HOOFDSTUK 6 Samenvattende conclusies 6 pagina 97 HOOFDSTUK 6 Samenvattende conclusies 6.1 Nieuws 6.1.1 Content: Zijn jongeren in nieuws geïnteresseerd? 6.1.2 Waarde: Is nieuws volgen belangrijk? 6.1.3 Oordeel: Hoe beoordelen jongeren nieuws?

Nadere informatie

Wat is realiteit? (interactie: vraagstelling wie er niet gelooft en wie wel)

Wat is realiteit? (interactie: vraagstelling wie er niet gelooft en wie wel) Wat is realiteit? De realiteit is de wereld waarin we verblijven met alles wat er is. Deze realiteit is perfect. Iedere mogelijkheid die we als mens hebben wordt door de realiteit bepaald. Is het er, dan

Nadere informatie

B&O Info Tel.: 06-20657425 E-mail: info@bo-info.nl Internet: www.bo-info.nl Twitter: @bo_info Facebook: https://www.facebook.com/bo.

B&O Info Tel.: 06-20657425 E-mail: info@bo-info.nl Internet: www.bo-info.nl Twitter: @bo_info Facebook: https://www.facebook.com/bo. Er is niet één antwoord te geven op de vraag hoe vaak of hoe lang een kind op een tablet, smartphone of computer mag. Dat hangt sterk af van het kind en de situatie. Deskundigen zijn het er wel over eens

Nadere informatie

Onzichtbare voice-over in beeld

Onzichtbare voice-over in beeld Onzichtbare voice-over in beeld Een explorerend onderzoek naar de vormgeving van de documentaire in afstemming op het publiek met betrekking tot de onzichtbare voice-over in tekst en beeld Masterscriptie

Nadere informatie

01/05. Websites Nederland over. Mobile marketing. Whitepaper #03/2013. Mabelie Samuels internet marketeer

01/05. Websites Nederland over. Mobile marketing. Whitepaper #03/2013. Mabelie Samuels internet marketeer 01/05 Websites Nederland over Mobile marketing Mabelie Samuels internet marketeer 02/05 Mobile marketing Kunt u zich uw eerste mobiele telefoon nog herinneren? Die van mij was een Motorola, versie onbekend,

Nadere informatie

Omgaan met (sociale) media. Voor politici

Omgaan met (sociale) media. Voor politici Omgaan met (sociale) media Voor politici René Schoemaker Sinds 1986 journalist, onder meer NHD (AC, SC), kabelkranten, NOS, AD, TROS, managementbladen en ict-websites. Sinds 2008 raadslid in Heerhugowaard

Nadere informatie

Jongeren in 2008. Ecabo. Paul Sikkema - ComBat groep. 12 november 2008

Jongeren in 2008. Ecabo. Paul Sikkema - ComBat groep. 12 november 2008 Jongeren in 2008 Ecabo 12 november 2008 Paul Sikkema - ComBat groep 1 2 Lastige doelgroepen Kinderen en met name jongeren: lastige doelgroepen. Steeds in beweging: Van levensfase naar levensfase. Op zoek

Nadere informatie

Filosofie 3 Postmoderne mediaconsumptie. Kind of minivolwassene?

Filosofie 3 Postmoderne mediaconsumptie. Kind of minivolwassene? Filosofie 3 Postmoderne mediaconsumptie Kind of minivolwassene? Marlou Kemperman Klas Com3b S1007734 Juni 2009 Mark Eckhart Korte samenvatting Kinderen worden steeds meer blootgesteld aan reclame en marketing

Nadere informatie

First of second screen? EEN ONDERZOEK NAAR DE INVLOED VAN SECOND SCREEN OP TV KIJKGEDRAG. Stroom Mediacommunicatie B.V.

First of second screen? EEN ONDERZOEK NAAR DE INVLOED VAN SECOND SCREEN OP TV KIJKGEDRAG. Stroom Mediacommunicatie B.V. First of second screen? EEN ONDERZOEK NAAR DE INVLOED VAN SECOND SCREEN OP TV KIJKGEDRAG Stroom Mediacommunicatie B.V. 17 APRIL 2012 First of second screen? Digitale schermen zoals de laptop, tablet en

Nadere informatie

S e v e n P h o t o s f o r O A S E. K r i j n d e K o n i n g

S e v e n P h o t o s f o r O A S E. K r i j n d e K o n i n g S e v e n P h o t o s f o r O A S E K r i j n d e K o n i n g Even with the most fundamental of truths, we can have big questions. And especially truths that at first sight are concrete, tangible and proven

Nadere informatie

How to present online information to older cancer patients N. Bol

How to present online information to older cancer patients N. Bol How to present online information to older cancer patients N. Bol Dutch summary (Nederlandse samenvatting) Dutch summary (Nederlandse samenvatting) Goede informatievoorziening is essentieel voor effectieve

Nadere informatie

Mediawijsheid: digitaal aan de slag in het onderwijs!

Mediawijsheid: digitaal aan de slag in het onderwijs! Mediawijsheid: digitaal aan de slag in het onderwijs! Informatie avond over mediawijsheid/sociale media op school Media zijn voor kinderen en jongeren de gewoonste zaak van de wereld. Ze nemen informatie

Nadere informatie

Business. IT in charge. Met resultaten CIO Survey en 9 CIO s aan het woord. Analytics

Business. IT in charge. Met resultaten CIO Survey en 9 CIO s aan het woord. Analytics Business Analytics IT in charge Met resultaten CIO Survey en 9 CIO s aan het woord Informatie is van en voor mensen CIO speelt belangrijke rol in nieuw spanningsveld Door Guus Pijpers Een van de eerste

Nadere informatie

Mediawijsheid en de e-cultuursector Naar nieuwe vormen van expressieve en reflectieve mediawijsheid

Mediawijsheid en de e-cultuursector Naar nieuwe vormen van expressieve en reflectieve mediawijsheid Mediawijsheid en de e-cultuursector Naar nieuwe vormen van expressieve en reflectieve mediawijsheid door Levien Nordeman Wat betekent mediawijsheid voor de e-cultuursector? De afgelopen maanden heeft Virtueel

Nadere informatie

Youth Today: hoe communiceer je best naar jongeren toe?

Youth Today: hoe communiceer je best naar jongeren toe? Youth Today: hoe communiceer je best naar jongeren toe? Wat betekent het om jong te zijn in 2015? Waarin verschillen de jongeren van vandaag met die van het vorige decennium? Één constante: jongeren leven

Nadere informatie

DEFINITIEVE ANTWOORDEN

DEFINITIEVE ANTWOORDEN DEFINITIEVE 1 ONDERDEEL 2 VRAGEN BIJ CASE De nieuwe digitale strategie van NRC Onderbouw uw antwoord met theorie en modellen uit de bestudeerde literatuur. Vraag 1 (max. 8 punten) De commerciële mogelijkheden

Nadere informatie

Event menu Minigids event app

Event menu Minigids event app Event menu Minigids event app Hoe en waarom een mobiele evenementen app? Introductie De evenementenbranche verandert. Een evenement is niet langer een ad hoc activiteit. Het is een belangrijk onderdeel

Nadere informatie

Moving Pictures: second screen en schermvoorkeur

Moving Pictures: second screen en schermvoorkeur Moving Pictures: second screen en schermvoorkeur Televisiekijken is een sociale activiteit.. Uit het kijkonderzoek blijkt dat heel vaak samen met het eigen gezin en gasten naar de televisie wordt gekeken.

Nadere informatie

MEDIAWIJSHEID: digitaal aan de slag in het onderwijs!

MEDIAWIJSHEID: digitaal aan de slag in het onderwijs! MEDIAWIJSHEID: digitaal aan de slag in het onderwijs! Kennismaking: Mediawijsheid op school? Hoe te beginnen? Wilt u op school aan de slag met mediawijsheid en digitale media, maar heeft u geen idee waar

Nadere informatie

ESSAY. Hoe kan Oxford House efficiënter online communiceren naar zijn potentiele opdrachtgevers? Essay. Lexington Baly 1592180

ESSAY. Hoe kan Oxford House efficiënter online communiceren naar zijn potentiele opdrachtgevers? Essay. Lexington Baly 1592180 ESSAY Hoe kan Oxford House efficiënter online communiceren naar zijn potentiele opdrachtgevers? Essay Lexington Baly 1592180 Seminar: Dream Discover Do Essay Docent: Rob van den Idsert Effectief gebruik

Nadere informatie

!"#$%&'()*+,"#"-. 70-&6+*%"#"-!"#$%&'()*+)&#,#-.#/)01*1 +"7"#""- 9"#)&7(7:'3#)$#:;#/8#$)"$<#),"$:',:#$=) %'-#$;#/87$()#$)"/('$7%':7#%)>#/'$&#/#$?

!#$%&'()*+,#-. 70-&6+*%#-!#$%&'()*+)&#,#-.#/)01*1 +7#- 9#)&7(7:'3#)$#:;#/8#$)$<#),$:',:#$=) %'-#$;#/87$()#$)/('$7%':7#%)>#/'$&#/#$? 23'4)567/84 9"#)&7(7:'3#)$#:;#/8#$)"$#/'$&#/#$? /01"-20%%+-3&45567$%(8&9!"#$%&'()*+,"#"-. +"7"#""- 70-&6+*%"#"-!"#$%&'()*+)&#,#-.#/)01*1 D)E#'-)F!"#$$%&'($&!")*

Nadere informatie

First of second screen?

First of second screen? First of second screen? EEN ONDERZOEK NAAR DE INVLOED VAN SECOND SCREEN OP TV KIJKGEDRAG Stroom Mediacommunicatie B.V. Auteurs: Titus Eikelboom, Rutger Mackenbach, Remco de Stigter & Miranda Euser 17 APRIL

Nadere informatie

IMC / CROSSMEDIA PUBLIC RELATIONS MARKETINGCOMMUNICATIE HOORCOLLEGE 4 BLOK 3

IMC / CROSSMEDIA PUBLIC RELATIONS MARKETINGCOMMUNICATIE HOORCOLLEGE 4 BLOK 3 IMC / CROSSMEDIA PUBLIC RELATIONS MARKETINGCOMMUNICATIE HOORCOLLEGE 4 BLOK 3 AGENDA IMC, Crossmedia en Transmedia storytelling Wat is PR Wat zijn de zwakke en sterke punten van PR PR en IMC PR instrumenten

Nadere informatie

INHOUDSOPGAVE 5 DEEL I KENNIS... 6 DEEL II WETENSCHAP... 76

INHOUDSOPGAVE 5 DEEL I KENNIS... 6 DEEL II WETENSCHAP... 76 INHOUDSOPGAVE 5 DEEL I KENNIS... 6 DEEL II WETENSCHAP... 76 Vergeten... 7 Filosofie... 9 Een goed begin... 11 Hoofdbreker... 13 Zintuigen... 15 De hersenen... 17 Zien... 19 Geloof... 21 Empirie... 23 Ervaring...

Nadere informatie

IP72 Brabants Dagblad. Analyse

IP72 Brabants Dagblad. Analyse IP72 Brabants Dagblad Analyse 01 Organisatie Bij Brabants Dagblad BV werken ongeveer 400 personen, waarvan bijna de helft bij de redactie, 100 bij advertentie-exploitatie, 70 bij oplage en 30 bij overige

Nadere informatie

Eindexamen maatschappijwetenschappen havo 2010 - I

Eindexamen maatschappijwetenschappen havo 2010 - I Opgave 1 Massamedia: Hoe maken we jongeren meer mediawijs? Bij deze opgave horen de teksten 1 tot en met 3 uit het bronnenboekje. Inleiding Door de komst van nieuwe media zoals internet en mobiele telefonie

Nadere informatie

Informatie vaardigheden

Informatie vaardigheden 0 Boek 77992.indb 0 02-2-09 6:4 Noordhoff Uitgevers bv Informatie vaardigheden Je dient informatievaardig te zijn om snel en grondig digitale informatie te zoeken, te selecteren en te verwerken. In dit

Nadere informatie

Ideeën presenteren aan sceptische mensen. Inleiding. Enkele begrippen vooraf

Ideeën presenteren aan sceptische mensen. Inleiding. Enkele begrippen vooraf Ideeën presenteren aan sceptische mensen Inleiding Iedereen heeft wel eens meegemaakt dat het moeilijk kan zijn om gehoor te vinden voor informatie of een voorstel. Sommige mensen lijken er uisluitend

Nadere informatie

Van dezelfde auteur. Spreken is zilver. Overtuigen is goud. Waarschijnlijk de beste mediatraining die u zal krijgen. In minder dan 2 uur lezen.

Van dezelfde auteur. Spreken is zilver. Overtuigen is goud. Waarschijnlijk de beste mediatraining die u zal krijgen. In minder dan 2 uur lezen. Marketing Reset Van dezelfde auteur Spreken is zilver. Overtuigen is goud. Waarschijnlijk de beste mediatraining die u zal krijgen. In minder dan 2 uur lezen. 2 Marketing Reset Uw reclame gerichter en

Nadere informatie

Boekenbeesten en digikids

Boekenbeesten en digikids Boekenbeesten en digikids Een onderzoek naar de leesattitude, het (digitale) leesgedrag en de vrijetijdsbesteding van Vlaamse kinderen tussen 9 en 12. Jan Van Coillie & Mariet Raedts KU Leuven (campus

Nadere informatie

Hoe word je succesvol in sales

Hoe word je succesvol in sales Hoe word je succesvol in sales Verkopen gaat niet vanzelf. Zeker niet in deze tijd. Toch zijn nog steeds veel verkopers erg succesvol. Dat komt niet door het product of de dienst die ze aanbieden, maar

Nadere informatie

Mediawijsheid. Informatiekaart 08. leren vernieuwen

Mediawijsheid. Informatiekaart 08. leren vernieuwen Informatiekaart 08 leren vernieuwen Mediawijsheid Mediawijsheid is actueel in het onderwijs. Kinderen worden geconfronteerd met steeds meer verschillende media; naast de krant en de televisie worden kinderen

Nadere informatie

TV en video consumptie in het jaar 2020

TV en video consumptie in het jaar 2020 TV en video consumptie in het jaar 2020 Liesbeth Nekkers Hilversum, 27 november 2015 1 De toekomst voorspellen Onderzoek Tetlock (University of Pennsylvania) Super forecasters: Open-mindness: how well

Nadere informatie

Annette Koops: Een dialoog in de klas

Annette Koops: Een dialoog in de klas Annette Koops: Een dialoog in de klas Als ondersteuning bij het houden van een dialoog vindt u hier een compilatie aan van Spreken is zilver, luisteren is goud : een handleiding voor het houden van een

Nadere informatie

Social Media, de andere opvoeder

Social Media, de andere opvoeder Social Media, de andere opvoeder Even voorstellen Diana Langerak Echtgenote en mama van twee jongens Communicatiemedewerker De Hoop ggz Aantal jaren eindredactie verschillende bladen, waaronder: Chris

Nadere informatie

o Theo Glaudemans Business Refresher theo.glaudemans@limebizz.nl o Rens Eijgermans Business Refresher rens.eijgermans@limebizz.nl

o Theo Glaudemans Business Refresher theo.glaudemans@limebizz.nl o Rens Eijgermans Business Refresher rens.eijgermans@limebizz.nl o Theo Glaudemans Business Refresher theo.glaudemans@limebizz.nl o Rens Eijgermans Business Refresher rens.eijgermans@limebizz.nl o Heb je vragen of geef je mening en reactie op deze presentatie via

Nadere informatie

Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die

Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die worden uitgevoerd om uit het gevonden bronnenmateriaal

Nadere informatie

THE WEB 3.0 CLOTHING BUYING EXPERIENCE. Masterproef Propositie

THE WEB 3.0 CLOTHING BUYING EXPERIENCE. Masterproef Propositie THE WEB 3.0 CLOTHING BUYING EXPERIENCE Masterproef Propositie Tom Knevels Communicatie & MultimediaDesign 2011-2012 KERNWOORDEN Online in combinatie met offline kopen, beleving/ervaring, vertrouwen, kledij

Nadere informatie

Hoorcollege. Crossmedia. Week 1, 31 augustus 2011

Hoorcollege. Crossmedia. Week 1, 31 augustus 2011 Hoorcollege Crossmedia Week 1, 31 augustus 2011 Agenda - Wat is crossmedia? - Waarom is crossmedia zo belangrijk? - 2 onderdelen/docenten Crossmedia - Uitleg tentamen en opbouw cijfer - Opbouw en inhoud

Nadere informatie

Leiderschap in Turbulente Tijden

Leiderschap in Turbulente Tijden De Mindset van de Business Leader Leiderschap in Turbulente Tijden Onderzoek onder 175 strategische leiders Maart 2012 Inleiding.. 3 Respondenten 4 De toekomst 5 De managementagenda 7 Leiderschap en Ondernemerschap

Nadere informatie

Dia 1 Introductie max. 2 minuten!

Dia 1 Introductie max. 2 minuten! 1 Dia 1 Introductie max. 2 minuten! Vertel: Deze les gaat vooral over het gebruik van sociale media. Maar: wat weten jullie eigenlijk zelf al over sociale media? Laat de leerlingen in maximaal een minuut

Nadere informatie

Beinvloeding van glossylezers door middel van persuasive design.

Beinvloeding van glossylezers door middel van persuasive design. Beinvloeding van glossylezers door middel van persuasive design. Fleur Bukman User Experience Design - Seminar CMD - jaar 3 Studentnummer: 1618817 Docent: Hans Kemp Mei 2015 1 Inhoudsopgave Inleiding 3

Nadere informatie

Print & Tablets A healthy future together. Nancy Detrixhe, Research Manager

Print & Tablets A healthy future together. Nancy Detrixhe, Research Manager Print & Tablets A healthy future together. Nancy Detrixhe, Research Manager Tijdschriften lezen. Totale consumptie van magazine content stijgt. Since I began reading magazines in electronic form,

Nadere informatie

ONDERZOEKSRAPPORT CONTENT MARKETING EEN ONDERZOEK NAAR DE BEHOEFTE VAN HET MKB IN REGIO TWENTE AAN HET TOEPASSEN VAN CONTENT MARKETING

ONDERZOEKSRAPPORT CONTENT MARKETING EEN ONDERZOEK NAAR DE BEHOEFTE VAN HET MKB IN REGIO TWENTE AAN HET TOEPASSEN VAN CONTENT MARKETING ONDERZOEKSRAPPORT CONTENT MARKETING EEN ONDERZOEK NAAR DE BEHOEFTE VAN HET MKB IN REGIO TWENTE AAN HET TOEPASSEN VAN CONTENT MARKETING VOORWOORD Content marketing is uitgegroeid tot één van de meest populaire

Nadere informatie

Maagdenhuisbezetting 2015

Maagdenhuisbezetting 2015 Maagdenhuisbezetting 2015 Genoeg van de marktwerking en bureaucratisering in de publieke sector Tegen het universitaire rendementsdenken, dwz. eenzijdige focus op kwantiteit (veel publicaties, veel studenten,

Nadere informatie

Effectieve Communicatie

Effectieve Communicatie Effectieve Communicatie Coachen een veelzijdig vak Groningen, 30 september 2011 MARTIJN DOELEN Basiselementen communicatie en vaardigheden Communicatie filosofie Johan Cruyff Institute for Sport Studies

Nadere informatie

47% van de Nederlandse marketeers vindt zijn marketingkennis van online mogelijkheden te beperkt

47% van de Nederlandse marketeers vindt zijn marketingkennis van online mogelijkheden te beperkt 47% van de Nederlandse marketeers vindt zijn marketingkennis van online mogelijkheden te beperkt 49% vindt dat mediabureaus tekort schieten in hun advies over online marketing Wat is de werkelijkheid van

Nadere informatie

Waarom een samenvatting maken?

Waarom een samenvatting maken? Waarom een samenvatting maken? Er zijn verschillende manieren om actief bezig te zijn met de leerstof. Het maken van huiswerk is een begin. De leerstof is al eens doorgenomen; de stof is gelezen en opdrachten

Nadere informatie

TV reclame creëert sterke en blijvende emotionele banden met het merk

TV reclame creëert sterke en blijvende emotionele banden met het merk TV reclame creëert sterke en blijvende emotionele banden met het merk Leveraging Synergy and Emotion in a Multi-platform World A Neuroscience-Informed Model of Engagement, Journal of Advertising Research

Nadere informatie

Feedback. in hapklare brokken

Feedback. in hapklare brokken Feedback in hapklare brokken Jan van Baardewijk Zorgteamtrainer Op zorgteamtraining.nl is de meest recente versie van feedback gratis beschikbaar. Mocht je willen weten of je de meest recente versie hebt,

Nadere informatie

Hoe shopt en betaalt Generatie Z? CCV & Innopay! Onderzoek: januari 2015!

Hoe shopt en betaalt Generatie Z? CCV & Innopay! Onderzoek: januari 2015! Hoe shopt en betaalt Generatie Z? CCV & Innopay! Onderzoek: januari 2015! Na 2020 is Generatie Z aan zet Generatie Z Verdeling! Besteedbaar inkomen per maand! 12-15 jaar: 42% 16-19 jaar: 59% 62% 38% >

Nadere informatie

MARKETING ANNO NU: RELEVANT, OPRECHT EN KLANTGERICHT ZIJN

MARKETING ANNO NU: RELEVANT, OPRECHT EN KLANTGERICHT ZIJN Online marketing in de bouw HOOFDSTUK 1 MARKETING ANNO NU: RELEVANT, OPRECHT EN KLANTGERICHT ZIJN Lange tijd werd gedacht: Als ik maar vaak genoeg vertel hoe fantastisch mijn product is, dan overtuig ik

Nadere informatie

Microsoft Advertising Tariefkaart

Microsoft Advertising Tariefkaart Microsoft Advertising Tariefkaart Microsoft Advertising is al bijna 15 jaar actief over de volle breedte van het digitale medialandschap. Via onze krachtige reeks digitale mediamerken bereiken wij maandelijks

Nadere informatie

IPTV in Noordoost-Friesland

IPTV in Noordoost-Friesland IPTV in Noordoost-Friesland een onderzoek onder deelnemers aan een pilot met interactieve televisie Door Junior Consult Agenda Over Junior Consult Het onderzoek Conclusies Aanbevelingen Over Junior Consult

Nadere informatie

EU keurt nieuw Programma veiliger internet goed: 55 miljoen euro om het internet veiliger te maken voor kinderen

EU keurt nieuw Programma veiliger internet goed: 55 miljoen euro om het internet veiliger te maken voor kinderen IP/8/899 Brussel, 9 december 8 EU keurt nieuw Programma veiliger internet goed: miljoen euro om het internet veiliger te maken voor kinderen Vanaf januari 9 zal de EU een nieuw programma voor een veiliger

Nadere informatie

Examen HAVO. Nederlands

Examen HAVO. Nederlands Nederlands Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Dinsdag 20 juni 13.30 16.30 uur 20 06 Vragenboekje Voor dit examen zijn maximaal 47 punten te behalen; het examen bestaat uit 22 vragen

Nadere informatie

Wanneer moeten we dat nog doen? We hebben vandaag, tijdens een andere vergadering, ons de vraag gesteld : waar moeten we naar toe om te melden dat

Wanneer moeten we dat nog doen? We hebben vandaag, tijdens een andere vergadering, ons de vraag gesteld : waar moeten we naar toe om te melden dat Wanneer moeten we dat nog doen? We hebben vandaag, tijdens een andere vergadering, ons de vraag gesteld : waar moeten we naar toe om te melden dat het programma in het eerste leerjaar te zwaar is We raken

Nadere informatie

VMBO praktische leerweg VMBO theoretische leerweg HAVO VWO

VMBO praktische leerweg VMBO theoretische leerweg HAVO VWO Page of 7 Enquête voortgezet onderwijs Deze vragenlijst bestaat uit vijf delen, A t/m E. Er zijn in totaal 9 vragen. A. Over jezelf Dit onderdeel bestaat uit zeven vragen. Hoe oud ben je? In welke klas

Nadere informatie

Weconomics. Paul Bessems

Weconomics. Paul Bessems Van organisaties naar organiseren Weconomics een nieuwe kijk op samenwerken en delen Paul Bessems Vereniging SOD 12-12-2013 Paul Bessems Nieuwdenker www.paulbessems.com paul.bessems@gmail.com 06 20 30

Nadere informatie

Examen HAVO. Nederlands Nederlands. tijdvak 2 dinsdag 22 juni 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. Nederlands Nederlands. tijdvak 2 dinsdag 22 juni 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 dinsdag 22 juni 13.30-16.30 uur tevens oud programma Nederlands Nederlands Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 21 vragen en een samenvattingsopdracht. Voor

Nadere informatie

CONTACT! factsheet. Mijn digitale wereld

CONTACT! factsheet. Mijn digitale wereld Mijn digitale wereld CONTACT! ontwerp de ruimte ontwerpers.nl Onder redactie van Jos de Haan en Remco Pijpers. Aan het boek werkten o.a. mee: Prof. dr. Patti Valkenburg (UvA), Prof. dr. Jeroen Jansz (EUR),

Nadere informatie

Best Formats In Media Sponsoring. Marketing June 2015

Best Formats In Media Sponsoring. Marketing June 2015 Best Formats In Media Sponsoring Inleiding Advertising or sponsoring TV & Web formats The audience s point of view Key learnings Best Formats in Media Sponsoring is een studie over de waardering van sponsoring

Nadere informatie

Deze vragenlijst bestaat uit vijf delen, A t/m E.

Deze vragenlijst bestaat uit vijf delen, A t/m E. Page of 6 Enquête basisonderwijs Deze vragenlijst bestaat uit vijf delen, A t/m E. Er zijn in totaal 9 vragen. A. Over jezelf Dit onderdeel bestaat uit zeven vragen. Hoe oud ben je? In welke klas zit je?

Nadere informatie

Arjan Marsman 6 jaar Webplace4u. Voorstellen

Arjan Marsman 6 jaar Webplace4u. Voorstellen Welkom Arjan Marsman 6 jaar Webplace4u Voorstellen Social Media Feiten Facebook Waar gaan we het over hebben Social Media Feiten 10,7 uur per week kijkt een Nederlander TV (65+ uitgezonderd). 19,5

Nadere informatie

Jongeren & Social Media !"#$"#%$!"& Social Media stress JONGEREN & SOCIAL MEDIA KANSEN & RISICO S PROGRAMMA

Jongeren & Social Media !#$#%$!& Social Media stress JONGEREN & SOCIAL MEDIA KANSEN & RISICO S PROGRAMMA Social Media stress JONGEREN & SOCIAL MEDIA KANSEN & RISICO S MICHIEL STADHOUDERS 12 MAART 2013 Social Media stress Nieuwe rage? PROGRAMMA JONGEREN & SOCIAL MEDIA SOCIAL MEDIA: WAT & HOE? RISICO S & KANSEN

Nadere informatie

Waarom anderen Ik krijg altijd gelijk lezen

Waarom anderen Ik krijg altijd gelijk lezen Waarom anderen Ik krijg altijd gelijk lezen Nee heb je, gelijk kun je krijgen! Maarten Santman, advocaat Iets krijgen is altijd veel bevredigender dan iets al hebben. Ik krijg dus liever gelijk dan dat

Nadere informatie

Clearasil Social Media Case

Clearasil Social Media Case Clearasil Social Media Case Naam case: Clearasil / Reckitt Benckiser Land: Rusland Type Case: B2C Periode: 2009 / 2010 Kerngegevens Clearasil: Moederbedrijf: Reckitt Benckiser Hoofdkantoor: Slough, United

Nadere informatie

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving Onderzoeksopzet Marktonderzoek Klantbeleving Utrecht, september 2009 1. Inleiding De beleving van de klant ten opzichte van dienstverlening wordt een steeds belangrijker onderwerp in het ontwikkelen van

Nadere informatie

Gebruik van sociale media

Gebruik van sociale media Gebruik van sociale media Het klikt tussen jongeren en sociale media. Facebook, Facetime, Twitter, Instagram, Swarm, Snapchat en andere zijn een deel van het leven van de jongeren geworden. Voor heel wat

Nadere informatie

1 Keynote Guido van Nispen 29/01/2015 Partner in nieuws

1 Keynote Guido van Nispen 29/01/2015 Partner in nieuws 1 Keynote Guido van Nispen 29/01/2015 Partner in nieuws Beste relatie, Namens directie, Commissarissen en Aandeelhouder van het ANP willen wij u hierbij een digitale herinnering aanbieden van de lunch

Nadere informatie

Multi-Screen Consument

Multi-Screen Consument Multi-Screen Consument Multiscreen: wat weten we al? What s on their Screens, what s on their minds? Multiscreen consumer research Microsoft Advertising USA EIAA Multi-Screeners Report Pan europees onderzoek

Nadere informatie

Factsheet Mediagebruik. 17- tot en met 18-jarigen

Factsheet Mediagebruik. 17- tot en met 18-jarigen Factsheet Mediagebruik 17- tot en met 18-jarigen Mediagebruik kenmerkend voor jongvolwassenen van 17 en 18 jaar Gemiddeld besteden kinderen van 17 en 18 jaar zo n vijf tot zes uur per dag aan televisiekijken,

Nadere informatie

KUNST ONDERZOEK EDUCATIE VISIE VERNIEUWING OMGEVING PUBLIEK WERK BEELD TEKST FASCINATIE

KUNST ONDERZOEK EDUCATIE VISIE VERNIEUWING OMGEVING PUBLIEK WERK BEELD TEKST FASCINATIE ARTISTIEK ONDERZOEK MASTER KUNSTEDUCATIE Willem de Kooning Academie Piet Zwart Instituut te Rotterdam april 2012 Marieke van der Hoek-Vijfvinkel begeleiding: Annette Krauss - MaikoTanaka ? KUNST ONDERZOEK

Nadere informatie

1. Effectiviteittest lesmateriaal. Effectiviteittest lesmateriaal onder 84 kinderen

1. Effectiviteittest lesmateriaal. Effectiviteittest lesmateriaal onder 84 kinderen Effectiviteittest lesmateriaal onder 84 kinderen Kwalitatief onderzoek onder ouders en leerkrachten door IPM Kidwise Bronnenonderzoek Kinderen, media en commercie in Europa en USA 2005 Ontwikkeling Nationale

Nadere informatie

Beleidsplan Stichting Omroep Logos

Beleidsplan Stichting Omroep Logos Beleidsplan Stichting Omroep Logos Inleiding Voor u ligt het beleidsplan van Stichting Omroep Logos voor de komende drie jaar. Al geruime tijd wordt er binnen het bestuur van Omroep Logos nagedacht over

Nadere informatie

Online winkelen. & conversie. Affiliate marketing van de eerste impressie tot de laatste klik. tradedoubler.com

Online winkelen. & conversie. Affiliate marketing van de eerste impressie tot de laatste klik. tradedoubler.com Online winkelen & conversie Affiliate marketing van de eerste impressie tot de laatste klik Europese winkelaars richten zich eerst tot kanalen voor affiliate marketing wanneer zij inspiratie zoeken met

Nadere informatie

Aanvulllende info Workshop Social Media Humanitas district Noord

Aanvulllende info Workshop Social Media Humanitas district Noord Aanvulllende info Workshop Social Media Humanitas district Noord Defintie SocialMedia is een verzamelbegrip voor online platformen waar de gebruikers, zonder of met minimale tussenkomst van een professionele

Nadere informatie

Mediaprotocol: Internet Mobiele telefoon Overige mobiele gadgets Sociale media E-mail. Protocol mediagebruik Odaschool Weert november 2011 1

Mediaprotocol: Internet Mobiele telefoon Overige mobiele gadgets Sociale media E-mail. Protocol mediagebruik Odaschool Weert november 2011 1 Mediaprotocol: Internet Mobiele telefoon Overige mobiele gadgets Sociale media E-mail Protocol mediagebruik Odaschool Weert november 2011 1 Inhoud: 1. Dit protocol 2. Afspraken voor alle kinderen 3. Praktisch

Nadere informatie

WHITEPAPER HOME DECO VROUWEN TOT 35 ZIJN VOORLOPERS OP HET GEBIED 66% VAN NEDERLANDERS STAAT OPEN

WHITEPAPER HOME DECO VROUWEN TOT 35 ZIJN VOORLOPERS OP HET GEBIED 66% VAN NEDERLANDERS STAAT OPEN WHITEPAPER HOME DECO 66% VAN NEDERLANDERS STAAT OPEN VOOR VROUWEN TOT 35 ZIJN VOORLOPERS OP HET GEBIED VAN Nederlanders houden zich graag bezig met het inrichten van hun huis. Vrouwen hebben meer interesse

Nadere informatie

Het Beeld van Burgers Een Onderzoek naar het Media- aanbod in Apeldoorn

Het Beeld van Burgers Een Onderzoek naar het Media- aanbod in Apeldoorn Het Beeld van Burgers Een Onderzoek naar het Media- aanbod in Apeldoorn drs. M. van Manen mr. drs. N. Damstra 8 oktober 2012 Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 1 1. Inleiding... 2 1.1 Ontwikkelingen in de

Nadere informatie

Stageverslag Danique Beeks

Stageverslag Danique Beeks Stageverslag Danique Beeks Waarom deze stage en hoe zag de stage eruit? Ik heb via Mirthe informatie gekregen over deze stage. Haar achterneef is een van de eigenaren van dat bedrijf. Ze heeft mij deze

Nadere informatie

Mediagedrag van nu en de toekomst

Mediagedrag van nu en de toekomst Mediagedrag van nu en de toekomst Agenda Inleiding Gebeurtenissen & informatiebronnen Reden raadplegen informatiebronnen Perceptie informatiebronnen Samenvatting & aanbevelingen Waarom dit onderzoek? Verwachting

Nadere informatie

TV+: Impact van nieuwe technologie op TV gedrag

TV+: Impact van nieuwe technologie op TV gedrag TV+: Impact van nieuwe technologie op TV gedrag Op verzoek van SPOT heeft het Technology Media Telecoms team (TMT) van Deloitte in samenwerking met Intomart GfK een rapport geschreven over de Nederlandse

Nadere informatie

Case 2 start-ups. 21 maart 2015 Gemaakt door: - Bertje van Loo - Dennis Langeveld - Lorianne Hooijmans Groep 13. Case 2 Start-ups groep 13 1-8

Case 2 start-ups. 21 maart 2015 Gemaakt door: - Bertje van Loo - Dennis Langeveld - Lorianne Hooijmans Groep 13. Case 2 Start-ups groep 13 1-8 Case 2 start-ups 21 maart 2015 Gemaakt door: - Bertje van Loo - Dennis Langeveld - Lorianne Hooijmans Groep 13 Case 2 Start-ups groep 13 1-8 Inhoud Interne analyse... 3 Peerby... 3 Over Peerby... 3 Lean

Nadere informatie

ICT in het onderwijs

ICT in het onderwijs ICT in het onderwijs Wilfred Rubens DNA-middag, Interstudie NDO Foto: turtlemom_nancy Bron: Digital Birmingham Technologische ontwikkelingen (o.a. breedband) + inzichten in didactiek = potentie voor onderwijs

Nadere informatie

Onderzoek naar mediagebruik van kinderen

Onderzoek naar mediagebruik van kinderen Onderzoek naar mediagebruik van kinderen Experience sampling en dagboekstudies Sanne Opree NPSO-dag Surveys onder kinderen en jongeren Amsterdam 28 mei 2013 Persoonlijke achtergrond Promovenda op het NWO-project

Nadere informatie

Brainstorm Crossmediaal Concept Mr Finney. Missing Chapter Foundation IJsfontein Lectoraat Crossmedia FCJ 14 april 2010

Brainstorm Crossmediaal Concept Mr Finney. Missing Chapter Foundation IJsfontein Lectoraat Crossmedia FCJ 14 april 2010 Brainstorm Crossmediaal Concept Mr Finney Hogeschool Utrecht Faculteit Communicatie & Journalistiek Missing Chapter Foundation IJsfontein Lectoraat Crossmedia FCJ 14 april 2010 Programma 1. 10:00-10:10

Nadere informatie

School en computers. Paulusse BedrijfsOpleidingen

School en computers. Paulusse BedrijfsOpleidingen School en computers School en computers Computers zijn niet meer weg te denken uit ons leven. Kinderen van nu spelen vaak al computerspelletjes voor ze naar groep 1 gaan. Op school nemen computers een

Nadere informatie

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind.

Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Pesten onder Leerlingen met Autisme Spectrum Stoornissen op de Middelbare School: de Participantrollen en het Verband met de Theory of Mind. Bullying among Students with Autism Spectrum Disorders in Secondary

Nadere informatie

PEGI Zelfregulering in de Europese videogame-industrie

PEGI Zelfregulering in de Europese videogame-industrie PEGI Zelfregulering in de Europese videogame-industrie Dirk Bosmans PEGI N.V. dirk.bosmans@pegi.eu Zelfregulering: de perceptie De realiteit: onafhankelijk en objectief Verificatieproces Classificatiesysteem

Nadere informatie

een kopie van je paspoort, een kopie van je diploma voortgezet onderwijs (hoogst genoten opleiding), twee pasfoto s, naam op de achterkant

een kopie van je paspoort, een kopie van je diploma voortgezet onderwijs (hoogst genoten opleiding), twee pasfoto s, naam op de achterkant Vragenlijst in te vullen en op te sturen voor de meeloopochtend, KABK afdeling fotografie Questionnaire to be filled in and send in before the introduction morning, KABK department of Photography Stuur

Nadere informatie

Help Mij, Jezus R. Brinkman, Stg. BTO Yarah/EBG Noordhoorn 2015

Help Mij, Jezus R. Brinkman, Stg. BTO Yarah/EBG Noordhoorn 2015 Help Mij, Jezus R. Brinkman, Stg. BTO Yarah/EBG Noordhoorn 2015 Eén van de weinige liedjes met een prachtige, diepe, geestelijke betekenis die ooit in de Top40 heeft gestaan in Nederland is van de componist

Nadere informatie

O N L I N E D A T I N G

O N L I N E D A T I N G O N L I N E D A T I N G I N 2 0 2 5 5 0 7 0 5 7 A N N E D E J O N G D O C E N T : P I M K R A A I K A M P 49 miljoen Europeanen bezoeken maandelijks een datingsite. Terwijl in de VS al één op de drie huwelijken

Nadere informatie

Social Media Marketing strategie

Social Media Marketing strategie Social Media Marketing strategie --= werkboek =-- 1. Bepaal je doelstelling Vaak zal SMM een onderdeel zijn van bestaande marketingcommunicatieplannen. Een extra kanaal om je doelgroep te bereiken. Soms

Nadere informatie

Social Media Marketing

Social Media Marketing Social Media Marketing Get Social But, How? And Where? Tom Zoethout KvK Netwerkevent 23 nov 09 2 1 Moet je sociaal meedoen op het internet? 3 Social Media Marketing Quiz Wat weet ik eigenlijk al over Social

Nadere informatie

Verslag 10 december 2014

Verslag 10 december 2014 Verslag 10 december 2014 Op 10 december vond, in Het Communicatiehuis te Gent, de eerste vergadering van de gebruikersgroep plaats. Er waren 25 bedrijven aanwezig. Voorstelling IWT De heer Filip Van Isacker

Nadere informatie

IMPACT VAN SOCIAL MEDIA OP HET NIEUWS

IMPACT VAN SOCIAL MEDIA OP HET NIEUWS #SMING14 IMPACT VAN SOCIAL MEDIA OP HET NIEUWS EEN INTERNATIONAAL ONDERZOEK DOOR ING NAAR DE IMPACT VAN SOCIAL MEDIA OP DE WERKZAAMHEDEN VAN PR PROFESSIONALS & JOURNALISTEN, NIEUWS & NIEUWSVERSPREIDING

Nadere informatie

Evolutie in mediagebruik: Back to the future? Dimitri Schuurman Ike Picone IBBT - Digital Society

Evolutie in mediagebruik: Back to the future? Dimitri Schuurman Ike Picone IBBT - Digital Society Evolutie in mediagebruik: Back to the future? Dimitri Schuurman Ike Picone IBBT - Digital Society Outline 1. De Vlaamse mediamix in cijfers What s in a buzz? 2. Hoe de evoluties in de mediamix begrijpen

Nadere informatie