Onderzoeksresultaten gevolgen van invoering nieuw FTK en gewijzigde UFR. Samenvatting

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Onderzoeksresultaten gevolgen van invoering nieuw FTK en gewijzigde UFR. Samenvatting"

Transcriptie

1 Onderzoeksresultaten gevolgen van invoering nieuw FTK en gewijzigde UFR Samenvatting Pensioenfondsen zijn de afgelopen tijd geconfronteerd met diverse wijzigingen in de wet- en regelgeving. Sinds 1 januari 2015 geldt het nieuw Financieel Toetsingskader. Verder heeft De Nederlandsche Bank besloten om de methodiek ter vaststelling van de rentetermijnstructuur voor de waardering door pensioenfondsen van hun pensioenverplichtingen aan te passen. Anderzijds ondervinden pensioenfondsen hinder van de lage rentestand. Dat heeft geleid tot een forse daling van de dekkingsgraad van pensioenfondsen. Hierdoor zullen de pensioenpremies in beginsel gaan stijgen en moeten de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden rekening houden met een lagere indexatie in de komende jaren. Wij hebben becijferingen uitgevoerd naar deze effecten. In het onderhavige memo geven wij inzicht in de gevolgen van de gewijzigde wet- en regelgeving voor de pensioenfondsen zelf maar ook voor hun belanghebbenden. Allereerst hebben wij gekeken naar de invloed op de voorziening pensioenverplichtingen. Dit is het benodigde vermogen om naar verwachting in de toekomst de nominale opgebouwde pensioenen te kunnen uitkeren. Door de wijziging van de UFR-methodiek (UFR: Ultimate Forward Rate) welke per 15 juli jl. van toepassing is geworden op pensioenfondsen, is de voorziening toegenomen met 1 tot 5% waarbij de pensioenfondsen met een jong deelnemersbestand het grootste effect ondervinden. In totaal schatten wij dat de pensioenverplichtingen van pensioenfondsen door deze ingreep met ten minste EUR 20 miljard zijn toegenomen. Maar daar blijft het niet bij. In de nieuwe UFRmethodiek is de lange rente afhankelijk van het gemiddelde van de 20-jaarsrente bezien over de achterliggende 10 jaar. Bij een ongewijzigde rente 1 zal die gemiddelde 20-jaarsrente de komende jaren gaan dalen. Voor jonge pensioenfondsen kan dat additionele effect oplopen tot 9%. Voor alle pensioenfondsen gezamenlijk schatten wij de toekomstige impact op minimaal EUR 30 miljard. Daardoor zal het vrije vermogen van pensioenfondsen de komende jaren in totaal ten minste EUR 50 miljard lager uitkomen dan onder het oude FTK. Verder hebben wij onderzoek gedaan naar de premieconsequenties van de gewijzigde wet- en regelgeving. Pensioenfondsen kunnen hun premie op drie manieren vaststellen. Fondsen die de kostendekkende premie in rekening brengen bij hun aangesloten onderneming(en) en deelnemers zullen met de grootste premiestijging te maken krijgen. Zij worden geconfronteerd met de nieuwe UFR-methodiek maar ook met een hogere solvabiliteitsopslag uit hoofde van het nieuwe Financieel Toetsingskader. Op korte termijn resulteert dat in een premieverhoging met 10 tot 12%, op de wat langere termijn kan de premie zelfs tot ruim 20% hoger komen te liggen dan de huidige premie. Onder het oude Financieel Toetsingskader zou de kostendekkende premie op termijn juist tot 6% hebben kunnen dalen omdat volgens de zogenoemde forwardtheorie een rentestijging verwacht mag worden. 1 Uitgangspunt is dat de forwardtheorie geldt. Aangenomen is dat de rentevisie ongewijzigd blijft en de rente zich volgens de zogenoemde forwardtheorie ontwikkelt. In werkelijkheid zal dan de rente de komende jaren iets oplopen. Indien wij (hierna) spreken over ongewijzigde rente, bedoelen wij dat de forwardtheorie van toepassing is. Aon Hewitt September

2 Pensioenfondsen die hun premie dempen op basis van de gemiddelde rente zouden ook onder het oude Financieel Toetsingskader de komende jaren tot een premieverhoging moeten overgaan, oplopend tot ongeveer 30%. Dat is een gevolg van het feit dat de achterliggende jaren met hoge rentes de komende jaren buiten de middeling gaan vallen. Maar door het nieuwe Financieel Toetsingskader en de nieuwe UFR-methodiek moeten zij rekening houden met een extra verhoging in 10 jaar van een kleine 20%%. Voor fondsen met jonge deelnemers kan het zelfs tot 25% oplopen. De meeste pensioenfondsen passen momenteel premiedemping toe op basis van verwacht fondsrendement. Onder het nieuwe Financieel Toetsingskader moet daarbij met een aanzienlijk lager rendement op vastrentende waarden dan voorheen rekening gehouden worden. De daaruit voorvloeiende premieverhoging wordt echter fors getemperd doordat de solvabiliteitsopslag geen onderdeel meer uitmaakt van deze gedempte premie. Desondanks stijgt deze gedempte premie afhankelijk van het beleggingsbeleid met 10 tot 35%. Vooral defensief beleggende pensioenfondsen zullen een hoge premiestijging zien. De rekenrente wordt eens in de 5 jaar vastgesteld. Bij een ongewijzigde rente zal het effect over 5 jaar nog enkele procentpunten hoger komen te liggen door de verdere daling van het UFR-niveau. Bij deze cijfers dient echter aangetekend te worden dat zowel onder het oude FTK als onder het nftk is verondersteld dat pensioenfondsen het maximaal mogelijke rendement in aanmerking hanteren. In de praktijk constateren wij dat de feitelijke premie in het algemeen wat conservatiever is vastgesteld. Genoemde premiestijgingen zullen dan ook in veel gevallen lager uitvallen. Er is weinig informatie openbaar waaruit de premiesystematiek van individuele pensioenfondsen is gebundeld. Onze ervaring is dat thans premiedemping op basis van verwacht fondsrendement het meest is gekozen door pensioenfondsen, met name door de grote. Wij sluiten niet uit dat andere fondsen de overstap naar die methodiek zullen maken. De twee andere opties komen naar schatting in vergelijkbare mate voor. Daarom is het moeilijk om een inschatting te maken van de premiestijging als gevolg van de gewijzigde wet- en regelgeving. Zonder aanpassing van de pensioenregelingen, bijvoorbeeld een versobering van het indexatiebeleid, schatten wij het totale premie-effect op minimaal EUR 1 miljard op jaarbasis. In het nieuwe Financieel Toetsingskader worden zwaardere eisen gesteld aan het eigen vermogen dat pensioenfondsen moeten aanhouden voor het opvangen van waardedalingen van de beleggingen. Voor het gemiddelde pensioenfonds gaat het om een kleine 4% van de voorziening pensioenverplichtingen oftewel ruim EUR 40 miljard. De daadwerkelijke gevolgen hiervan voor de pensioenfondsen en hun belanghebbenden zijn echter beperkt. Eigenlijk zijn ze alleen relevant voor de pensioenfondsen die de kostendekkende premie of de gedempte premie op basis van gemiddeld rendement in rekening brengen. Dat is echter een forse minderheid. De impact is verwerkt in onze inschatting van het premie-effect ad EUR 1 miljard. Enkele fondsen zullen wel geconfronteerd worden met een korting van de opgebouwde pensioenen. Hun dekkingsgraad is inmiddels dermate gedaald dat zij niet tijdig uit reservetekort zullen zijn vanwege de zwaardere solvabiliteitseisen en de verdere daling van het UFR-niveau. De totale financiële impact is echter gering. Desondanks zullen de betreffende (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden wel geconfronteerd worden met een korting van hun opgebouwde pensioenen oplopend tot enkele procenten. Voor de toeslagverlening is het vereist eigen vermogen niet langer relevant. Pensioenfondsen moeten namelijk voldoen aan de eisen van toekomstbestendig indexeren. Het vereist eigen vermogen maakt daarvan geen onderdeel uit. Ten slotte hebben wij onderzocht wat de gevolgen van het nieuwe Financieel Toetsingskader en de nieuwe UFR-methodiek zijn voor de indexatieverlening. De nieuwe UFR-methodiek heeft de dekkingsgraden doen dalen en dat effect wordt de komende jaren naar verwachting nog wat groter. Bovendien mogen pensioenfondsen onder het nieuwe Financieel Toetsingskader pas bij hogere dekkingsgraden (volledig) indexeren dan in het verleden. Aon Hewitt September

3 De consequenties hiervan zijn het grootst voor pensioenfondsen die in het verleden volledig indexeerden indien ze geen reservetekort hadden. Maar er zijn ook (grote) fondsen die pas bij hogere dekkingsgraden volledig indexeerden. Bij die fondsen is de introductie van toekomstbestendig indexeren zodoende aanzienlijk minder impactvol op de indexatieverlening. Op basis van onze berekeningen verwachten wij dat de gemiddelde jaarlijkse indexatie de komende 10 jaar grofweg 0,5%-punt lager zal uitvallen door de introductie van het nieuwe Financieel Toetsingskader en de aangepaste UFR-methodiek. Dat komt na 10 jaar neer op een koopkrachtverlies van 5%. Er zullen fondsen zijn waarbij de consequenties geringer zijn, maar wij sluiten niet uit dat er pensioenfondsen zijn die de opgebouwde pensioenen onder de nieuwe weten regelgeving de komende jaren 1% per jaar minder kunnen verhogen. Slotconclusie is dat pensioenfondsen en hun aangesloten onderneming(en) en (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden de komende jaren forse hinder ondervinden van de gewijzigde wet- en regelgeving. Alleen een rentestijging kan de pijn enigszins verzachten. Maar ook bij een hogere rente zal er op korte termijn geen sprake zijn van een hosannastemming. Inleiding De afgelopen tijd hebben er in pensioenland diverse wijzigingen plaatsgevonden. Ten eerste is er sprake van aanpassingen in de wet- en regelgeving. Per 1 januari 2015 is het nieuw Financieel Toetsingskader (nftk) van kracht geworden. Daarnaast heeft De Nederlandsche Bank besloten om de methodiek ter vaststelling van de rentetermijnstructuur voor de waardering door pensioenfondsen van hun pensioenverplichtingen aan te passen. Per 1 januari 2015 is de middeling van de rente over de achterliggende 3 maanden komen te vervallen, per 15 juli jl. is de wijze van vaststelling van de Ultimate Forward Rate (UFR) gewijzigd. In de tweede plaats zijn pensioenfondsen geconfronteerd met een aanslag op hun financiële positie vanwege de lage rentestand. Dat heeft geleid tot een forse daling van de dekkingsgraad van pensioenfondsen. De impact van genoemde wijzigingen verschilt van fonds tot fonds. In de eerste plaats is de bestandsopbouw daarbij relevant. Met name pensioenfondsen met een jong deelnemersbestand zijn geconfronteerd met dalende dekkingsgraden vanwege de gedaalde rente en gewijzigde UFR-methodiek. En de gevolgen kunnen in de toekomst alleen maar groter worden. Ten tweede is van belang op welke wijze een pensioenfonds de premie vaststelt. Pensioenfondsen die een zuivere kostendekkende premie gebaseerd op de marktrente bij de aangesloten onderneming(en) en deelnemers in rekening brengen, hebben hun premie fors zien stijgen. Fondsen die voor een gemiddelde rente hebben gekozen, zullen in de toekomst last krijgen van de lage rente die de achterliggende jaren aan de orde was. En pensioenfondsen die hun premie baseren op het verwachte fondsrendement, krijgen ook te maken met de gevolgen van een aanpassing van de methodiek ter vaststelling van de zogenoemde gedempte disconteringsvoet (rekenrente) onder het nftk. In deze rapportage geven wij geven wij inzicht in de gevolgen van de nieuwe wet- en regelgeving voor pensioenfondsen op verschillende aspecten. Daarbij maken wij onderscheid qua bestandsopbouw. Ook komt de impact van het beleggingsbeleid aan de orde. Aon Hewitt September

4 Uitgangspunten Allereerst beschrijven wij kort de veronderstellingen die wij bij onze berekeningen hebben gehanteerd. Bestandsopbouw Wij hebben de verschillende effecten berekend voor drie fictieve pensioenfondsen met een verschillende bestandsopbouw. Het gaat om een jong, gemiddeld en oud fonds. Wij benadrukken dat deze termen worden gebruikt voor het betreffende aspect. Anders gezegd, qua opgebouwde pensioenen kan een pensioenfonds oud zijn (dat wil zeggen, relatief veel gepensioneerden), maar voor de pensioenopbouw kan het een jong fonds zijn (de deelnemers (actieven) hebben een relatief lage gemiddelde leeftijd). De kenmerken van het gemiddelde fonds sluiten aan bij de uitgangspunten die wij gebruiken bij de dagelijkse inschatting van de dekkingsgraad van het gemiddelde fonds in Nederland op De meest relevante kenmerken van deze drie voorbeeldfondsen hebben betrekking op de duratie (de gemiddelde looptijd van de pensioenverplichtingen) en zijn als volgt. Veronderstelde duraties opgebouwde pensioenen (per 1 januari 2015) Voorbeeldfonds Opgebouwde pensioenen Jong 24,6 Gemiddeld 19,2 Oud 11,2 Veronderstelde duraties pensioenopbouw (per 1 januari 2015) Voorbeeldfonds Pensioenopbouw Jong 30,8 Gemiddeld 29,2 Oud 28,3 Beleggingsbeleid Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen kan zeer sterk verschillen. Denk bijvoorbeeld aan de verdeling tussen vastrentende waarden (obligaties) en zakelijke waarden, de onderverdeling binnen de zakelijke waarden (aandelen ontwikkelde markten, aandelen opkomende markten, vastgoed, grondstoffen, hedgefunds, infrastructuur), de regiospreiding, de kredietwaardigheid van de obligaties en de afdekking van het rente- en valutarisico. Het gaat te ver om met al deze aspecten rekening te houden. Wij hebben ons daarom beperkt tot de naar onze mening drie meest relevante aspecten van het beleggingsbeleid. In onderstaande overzichten zijn de gehanteerde uitgangspunten vermeld. Daarbij merken wij op dat een pensioenfonds met bijvoorbeeld een als neutraal gedefinieerde beleggingsmix geen neutrale afdekking van het renterisico hoeft te hebben. In dit memo worden dan ook combinaties van de verschillende aspecten doorgerekend. Aon Hewitt September

5 Beleggingsmixen Mix Vastrentende waarden Aandelen ontwikkelde markten Aandelen opkomende markten Defensief 75% 20% 5% Neutraal 60% 32% 8% Offensief 45% 44% 11% Afdekking renterisico (op marktwaarde) Renterisico Afdekking Defensief 70% Neutraal 50% Offensief 30% Kredietwaardigheid vastrentende waarden Kredietrisico AAA 2 AA A BBB BB en lager Defensief 50% 40% 10% 0% 0% Neutraal 30% 30% 20% 10% 10% Offensief 10% 20% 30% 20% 20% Indexatiebeleid Aangenomen is dat de voorbeeldfondsen onder het oude FTK volledig indexeerden indien er geen sprake was van reservetekort. Verder is er van uitgegaan dat de opgebouwde pensioenen in dekkingstekort (dekkingsgraad beneden circa 105%) niet verhoogd werden. Bij tussenliggende dekkingsgraden werd een gedeeltelijke (lineaire) indexatie verondersteld. Onder het nftk is het uitgangspunt dat er toekomstbestendig geïndexeerd wordt. Zodoende wordt bij een beleidsdekkingsgraad van 110% of lager niet geïndexeerd. Daarboven worden de opgebouwde pensioenen verhoogd tot maximaal de prijsinflatie voor zover dat structureel mogelijk is volgens de regels van toekomstbestendig indexeren. Rentetermijnstructuren Als basis hebben wij de zogenoemde swaprente gebruikt per 31 december 2014 en 31 augustus 2015 die ten grondslag ligt aan de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuren per die data. Daarin is derhalve nog geen rekening gehouden met de UFR-methodiek. De UFR-rente betreft de rentevoet op basis waarvan de rentetermijnstructuur voor looptijden groter dan 20 jaar wordt gemodelleerd. Er wordt namelijk aangenomen dat er momenteel voor de lange looptijden sprake is van marktverstoring. Daarom wordt bij die looptijden niet alleen van marktinformatie gebruik gemaakt. 2 Europese staatsobligaties. Aon Hewitt September

6 Vervolgens hebben wij op de swaprentes verschillende renteontwikkelingen toegepast naar de toekomst toe: Neutraal: de swaprente ontwikkelt zich volgens de door DNB voorgeschreven forwardtechniek. Dat betekent dat het rendementstechnisch niet uitmaakt of belegd wordt in een langlopende obligatie of opeenvolgend in twee kortlopende obligaties met dezelfde looptijd; Forwardstijgend: conform Neutraal doch voor elke looptijd verhoogd met 0,25%-punt per jaar; Forward: de door DNB gepubliceerde rente (na toepassing van de UFR-methodiek) wordt jaarlijks ontwikkeld volgens de forwardtheorie; Swaprente: de daadwerkelijke marktrente ontwikkeld volgens de forwardtechniek. In de eerste twee varianten is eerst de swaprente ontwikkeld zoals hiervóór beschreven en vervolgens de UFR-methodiek toegepast. Beleggingsrendementen Ten aanzien van de beleggingsrendementen zijn wij uitgegaan van de maxima die zijn toegestaan op grond van het op 27 februari 2014 door de Commissie Parameters Pensioenfondsen uitgebrachte advies. Dat betekent een rendement op AAA-staatsobligaties dat wordt afgeleid van de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door de toezichthouder en een netto rendement op aandelen van 6,75% per jaar. Voor de overige obligaties wordt uitgegaan van de voorgeschreven mappingmethode. Dat betekent dat het rendement gelijk is aan een gewogen gemiddelde van het rendement op AAA-staatsobligaties en op aandelen. Wij hebben (uiteraard) geen onderscheid gemaakt in beleggingsrendement onder het oude FTK en het nftk. Sterftekansen In de berekeningen is ten aanzien van de pensioenpremie voorbij gegaan aan een verdere verbetering van de levensverwachting. Dat is namelijk niet relevant voor de beoordeling van het effect van de introductie van het nftk en de wijziging van de UFR-methodiek. Effecten Wij hebben de effecten van de invoering van het nftk, de lage rente en de nieuwe UFRmethodiek voor de verschillende voor pensioenfondsen relevante aspecten berekend. In het vervolg van dit rapport presenteren wij de resultaten van onze becijferingen per aspect. Voorziening pensioenverplichtingen/dekkingsgraad Allereerst hebben wij de impact op de voorziening pensioenverplichtingen van het vervallen van de 3-maandsmiddeling van de rente onder het nftk per 1 januari 2015 bepaald. Het vervallen van deze middeling heeft tot een daling van de rente geleid. Dat heeft een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen tot gevolg, met een navenante daling van de dekkingsgraad. In onderstaand overzicht zijn de berekeningsresultaten met betrekking tot de drie voorbeeldfondsen opgenomen. Daaruit volgt dat de voorziening relatief het meest is gestegen voor het jonge fonds. Aon Hewitt September

7 Effect vervallen 3-maandsmiddeling rente op voorziening pensioenverplichtingen ultimo 2014 Fonds Voorziening met 3-maandsmiddeling Voorziening zonder 3-maandsmiddeling Jong 100,0 105,9 Gemiddeld 100,0 104,7 Oud 100,0 102,6 Vervolgens hebben wij de gevolgen van de rentebeweging in de eerste 8 maanden van 2015 bekeken. Daarbij zijn wij in eerste instantie voorbij gegaan aan de wijziging van de methodiek ter vaststelling van de UFR waartoe DNB medio juli 2015 heeft besloten. Uit het navolgende overzicht volgt dat de mutatie van de voorziening in genoemde periode vrij beperkt is geweest. Hoewel tussendoor een forse rentedaling heeft plaatsgevonden, is de rente eind augustus 2015 iets hoger dan die eind Met name aan voor de wat kortere looptijden is de rente gestegen. Door de UFR-methodiek wordt een rentebeweging voor de langere looptijden gemitigeerd. Daardoor is de impact beperkt geweest. In dat kader merken wij overigens nog op dat tegelijkertijd de waarde van de obligaties is gedaald. Effect rentebeweging tussen 1 januari en 31 augustus 2015 op voorziening pensioenverplichtingen Fonds 1 januari augustus 2015 Jong 100,0 95,8 Gemiddeld 100,0 96,2 Oud 100,0 97,4 Vanaf 15 juli 2015 moeten pensioenfondsen hun pensioenverplichtingen waarderen op basis van de rentetermijnstructuur waarbij de UFR anders wordt vastgesteld. Dat heeft geresulteerd in een daling van de rente voor looptijden boven 20 jaar. Hoe later in de tijd een pensioenuitkering plaatsvindt, des te groter het rente-effect. Zodoende is het effect van de wijziging van de methodiek ter vaststelling van de UFR het grootst bij jonge pensioenfondsen. Dat volgt ook uit het volgende overzicht, waarbij de rente eind augustus 2015 als uitgangspunt heeft gediend. De impact kan oplopen tot een procent of 5. Effect nieuwe UFR-methodiek per 31 augustus 2015 op voorziening pensioenverplichtingen Fonds Voorziening oude UFR-methodiek Voorziening nieuwe UFR-methodiek Jong 100,0 104,7 Gemiddeld 100,0 102,5 Oud 100,0 100,6 Onder de oude UFR-methodiek was de UFR-rente vast. Bij de nieuwe methodiek is dat niet het geval. De gemiddelde 20-jaarsrente over de achterliggende 10 jaar is het uitgangspunt. Thans is die UFR-rente nog relatief aan de hoge kant. De verhoudingsgewijs hoge rentes vóór 2011 worden immers nog in aanmerking genomen. Die lopen er de komende jaren geleidelijk aan uit. Aon Hewitt September

8 Indien de marktrente de komende jaren ongewijzigd blijft, leidt dat tot een daling van de toekomstige UFR-rente. Het volgende overzicht laat dit effect zien over 5 en over 10 jaar. Ook in dit geval is de impact het grootst voor het jonge fonds. Alleen op de waardering van de pensioenverplichtingen die over meer dan 20 jaar tot uitkering komen, heeft dit immers effect. Voor de vergelijkbaarheid laat het eerste overzicht de situatie zien indien de UFR-methodiek ongewijzigd was gebleven. Geconcludeerd kan worden dat de voorziening onder de nieuwe UFRmethodiek een stuk hoger wordt, met name voor de jonge fondsen waarop de nieuwe systematiek de grootste impact heeft. Het totale nadeel, inclusief dat uit hoofde van de overgang, voor de fondsen ligt tussen 2 en 9%. De impact op de toekomstige ontwikkeling van de dekkingsgraad is navenant. Toekomstig effect oude UFR-methodiek op voorziening pensioenverplichtingen Fonds 31 augustus augustus augustus 2025 Jong 100,0 100,2 98,5 Gemiddeld 100,0 100,5 99,0 Oud 100,0 100,8 99,5 Toekomstig effect nieuwe UFR-methodiek op voorziening pensioenverplichtingen Fonds 31 augustus augustus augustus 2025 Jong 100,0 106,8 107,5 Gemiddeld 100,0 103,6 104,1 Oud 100,0 100,8 100,9 Ten slotte hebben wij nog onderzocht wat de gevolgen zijn van een stijging van de rente in de komende jaren. Uitgangspunt is daarbij een stijging van de marktrente met 0,25%-punt per jaar. De gevolgen daarvan zijn tweeledig. In de eerste 20 jaar is de marktrente bepalend voor de waardering van de pensioenverplichtingen. Een hogere rente leidt tot een verlaging van de voorziening. Dat geldt zowel onder het oude FTK als onder het nftk. De impact van een rentestijging op de voorziening pensioenverplichtingen is in onderstaand overzicht vermeld. Daarnaast laten wij het effect zien indien de swaprente gehanteerd zou moeten worden bij de waardering van de pensioenverplichtingen. De vermelde cijfers betreffen de verhouding tussen de voorziening met rentestijging en de voorziening zonder rentestijging. Toekomstig effect oude UFR-methodiek op voorziening pensioenverplichtingen bij 0,25%-punt jaarlijkse rentestijging Fonds 31 augustus augustus augustus 2025 Jong 100,0 83,2 65,3 Gemiddeld 100,0 87,2 71,9 Oud 100,0 94,1 84,2 Aon Hewitt September

9 Toekomstig effect nieuwe UFR-methodiek op voorziening pensioenverplichtingen bij 0,25%-punt jaarlijkse rentestijging Fonds 31 augustus augustus augustus 2025 Jong 100,0 80,1 59,7 Gemiddeld 100,0 85,3 68,3 Oud 100,0 93,5 83,2 Toekomstig effect bij toepassing swaprente (zonder UFR-methodiek) op voorziening pensioenverplichtingen bij 0,25%-punt jaarlijkse rentestijging Fonds 31 augustus augustus augustus 2025 Jong 100,0 73,0 54,7 Gemiddeld 100,0 78,7 63,2 Oud 100,0 87,5 77,2 Geconcludeerd kan worden dat de nieuwe UFR-methodiek in geval van een rentestijging goed uitpakt voor de pensioenfondsen, zelfs beter dan onder het oude kader. De verklaring hiervoor is dat de UFR volgens de oude systematiek vast was (4,2% per jaar) en in de nieuwe methodiek het gemiddelde van de 20-jaarsrente in de achterliggende 10 jaar betreft. Die gaat stijgen. Daarvan profiteren logischerwijze de jongere fondsen het meest. Daarbij dient aangetekend te worden dat bij een rentestijging niet automatisch sprake is van een verbetering van de dekkingsgraad. De obligaties waarin een pensioenfonds belegt, zullen immers in waarde dalen. Uit het laatste overzicht blijkt dat die daling forser is dan van de voorziening pensioenverplichtingen. Fondsen die het renterisico in forse mate afdekken zullen zodoende niet of slechts in beperkte mate profiteren van een rentestijging. Aon Hewitt September

10 Premie Het nftk, de nieuwe UFR en de lage rente hebben ook invloed op de hoogte van de premie die de aangesloten onderneming(en) en de deelnemers verschuldigd zijn. Nog steeds moet een fonds in beginsel de kostendekkende premie in rekening brengen. Deze kostendekkende premie bestaat uit de actuarieel benodigde premie voor een jaar pensioenopbouw, een opslag voor uitvoeringskosten en een opslag voor de vorming van eigen vermogen ten aanzien van de nieuwe pensioenopbouw. De hoogte van de actuarieel benodigde premie is afhankelijk van de rentetermijnstructuur die door DNB wordt gepubliceerd. Deze rente ligt fors lager door het vervallen van de 3-maandsmiddeling en als gevolg van de wijziging van de UFR-methodiek. Die laatste aanpassing heeft geleid tot een fors lagere lange rente. En dat is nou juist de rente die van belang is voor de hoogte van de actuariële premie aangezien de looptijd van de verplichtingen voortvloeiend uit een jaar pensioenopbouw relatief lang is. En we hebben eerder gezien dat de UFR-rente naar verwachting de komende jaren verder zal dalen. Ook de zwaardere eisen ten aanzien van het vereist eigen vermogen hebben hun weerslag op de kostendekkende premie. Onder het nftk is het nog steeds mogelijk om de premie te dempen. Demping op basis van de gemiddelde rente over (maximaal) de achterliggende 10 jaar is gehandhaafd. De impact van het nftk en de nieuwe UFR-methodiek is bij deze dempingsmethodiek op korte termijn nog beperkt. De rentes in de achterliggende jaren worden namelijk niet herrekend op basis van de nieuwe UFR-methodiek. Voorlopig is het effect van het verhoogde vereist eigen vermogen het grootst. Maar op termijn zal een pensioenfonds dat deze dempingsmethodiek hanteert, geconfronteerd worden met de lage rentestand en de nieuwe UFR-methodiek die in een lagere rente voor de langere looptijden resulteert. Uiteindelijk is ook de methode van premiedemping op basis van verwacht fondsrendement gehandhaafd onder het nftk. De eisen die daaraan gesteld worden, zijn wel gewijzigd. In beginsel hoeft geen solvabiliteitsopslag voor de vorming van eigen vermogen meer toegepast te worden. Daar staat tegenover dat er een opslag voor toeslagverlening onderdeel van de gedempte premie moet zijn waarbij met een jaarlijkse stijging van minimaal 2% per jaar (de eerste 5 jaar iets beperkter in verband met huidige lage prijsinflatie) rekening gehouden moet worden. En het verwachte nominale fondsrendement moet gebaseerd zijn op de nieuwe maxima opgesteld door de Commissie Parameters Pensioenfondsen. Belangrijkste verschil met het verleden is dat het rendement op obligaties gebaseerd moet zijn op de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur. Tot dusverre mocht uitgegaan worden van een vast rendement op obligaties van 4,5% per jaar. Dat heeft een behoorlijke impact op de zogenoemde gedempte disconteringsvoet. Deze rente moet voor 5 jaar worden vastgezet. Daarna moet worden uitgegaan van de dan geldende rentetermijnstructuur zoals die door DNB gepubliceerd wordt. Door de nieuwe UFR-methodiek zal die rente lager liggen dan thans het geval is als de marktrente ongewijzigd blijft. Bovendien is van belang wat de Commissie Parameters Pensioenfondsen gaat besluiten omtrent het toekomstige maximum rendement op aandelen. In 2014 heeft de Commissie zich gebaseerd op het reële rendement over de jaren 1900 tot en met De toevoeging van gegevens over de jaren daarna zal hier weinig impact op hebben. De Commissie lijkt echter ook rekening gehouden te hebben met de economische situatie. Die is er sindsdien niet beter op geworden. Zeker bij de huidige lage rentestand valt niet uit te sluiten dat de Commissie tot een lager rendement op aandelen komt in haar volgende rapportage. Wij verwachten in ieder geval geen verhoging. Het moge duidelijk zijn dat de gewijzigde wet- en regelgeving een behoorlijke impact zal hebben op de toekomstige premiestelling. Hierna geven wij hier inzicht in de gevolgen voor de drie premiemethodieken. Daarbij gaan wij voorbij aan de opslag voor uitvoeringskosten aangezien die niet afhankelijk is van de premiemethodiek en de rentestand. Aon Hewitt September

11 Kostendekkende premie Zoals wij hiervóór reeds aangaven, bestaat de kostendekkende premie uit de actuarieel benodigde premie (op basis van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur) en de solvabiliteitsopslag (aan de opslag voor uitvoeringskosten gaan wij immers voorbij). De nieuwe UFR-methodiek heeft met name gevolgen voor de pensioenfondsen met een jong deelnemersbestand (actieven). Dat geldt ook voor de daling van de rente. De gevolgen van de gewijzigde methodiek ter vaststelling van het vereist eigen vermogen (en derhalve de solvabiliteitsopslag) hangen af van het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Zoals wij hiervóór reeds hebben aangegeven, heeft de nieuwe UFR-methodiek tot gevolg dat bij ongewijzigde rentestand de UFR-rente de komende jaren zal dalen. Daarom laten wij in onderstaand overzicht ook de gevolgen voor de kostendekkende premie over 5 en 10 jaar zien. Ten behoeve van de solvabiliteitsopslag is ons uitgangspunt het neutrale beleggingsbeleid (60% vastrentende waarden, 40% aandelen, 50% afdekking van het renterisico op marktwaarde en gemiddelde kredietwaardigheid (30% AAA, 30% AA, 20% A, 10% BBB en 10% BB of lager)). Dat komt neer op een opslag van 14,7% onder het oude FTK en 17,4% onder het nftk. Bij een defensiever beleggingsbeleid zijn de verschillen in solvabiliteitsopslag iets kleiner, bij een offensiever beleid iets groter. Toekomstig effect kostendekkende premie per 31 augustus Leeftijdsopbouw deelnemers Oude UFR-methodiek Nieuwe UFR-methodiek Jong ,0 94,8 111,9 119,0 122,6 Gemiddeld ,0 94,8 110,3 114,2 117,2 Oud ,9 94,7 110,0 113,6 116,4 Wij concluderen dat de kostendekkende premie onder het nftk bij de huidige marktrente 10 à 12% hoger ligt dan onder het oude FTK. In 2020 en 2025 loopt die stijging zelfs op tot 21 à 27% respectievelijk 23 à 29%. Als de rente de komende jaren gaat oplopen, dan heeft dat uiteraard een dalend effect op de kostendekkende premie. De daling is (op termijn) aanzienlijk hoger dan onder het oude FTK. De verklaring hiervoor is dat de UFR-rente onder de oude UFR-methodiek vast was en nu niet meer. Maar per saldo gaat ook bij een rentestijging de kostendekkende premie (voorlopig) hoger uitvallen dan onder het oude FTK zou het geval zijn geweest. Het verschil in kostendekkende premie tussen het oude FTK en het nftk in 2020 en 2025 bedraagt dan 15 à 19% respectievelijk 9 à 11%. Dat valt af te leiden uit het volgende overzicht. Toekomstig effect kostendekkende premie per 31 augustus bij jaarlijks 0,25%-punt stijgende rente Leeftijdsopbouw deelnemers Oude UFR-methodiek Nieuwe UFR-methodiek Jong ,9 54,4 111,9 84,6 60,4 Gemiddeld ,2 54,9 110,3 82,6 60,1 Oud ,3 55,0 110,0 82,3 60,1 Aon Hewitt September

12 Gedempte premie o.b.v. gemiddelde rente Ook de gedempte premie op basis van de gemiddelde rente bestaat uit de actuarieel benodigde premie en de solvabiliteitsopslag. Het verschil met de kostendekkende premie is dat niet de actuele door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur in aanmerking genomen moet worden maar de gemiddelde rente over de achterliggende (maximaal) 10 jaar. De nieuwe UFR-methodiek en de gedaalde rente hebben zodoende pas op de wat langere termijn effect op de gedempte premie. De gevolgen van de gewijzigde methodiek ter vaststelling van het vereist eigen vermogen (en derhalve de solvabiliteitsopslag) zijn wel meteen aan de orde. In onderstaand overzicht is de gedempte premie op basis van de gemiddelde rente over de achterliggende 10 jaar alsmede in 2020 en 2025 vermeld. Volledigheidshalve merken wij op dat de nieuwe UFR-methodiek en de gedaalde rente sneller premieverhogend werken indien gekozen wordt voor een kortere middelingsperiode dan 10 jaar. Toekomstig effect gedempte premie o.b.v. gemiddelde rente per 31 augustus Leeftijdsopbouw deelnemers Oude UFR-methodiek Nieuwe UFR-methodiek Jong ,9 128,6 103,8 144,4 160,2 Gemiddeld ,9 130,1 103,8 142,1 156,1 Oud ,7 130,0 103,8 141,6 155,3 Wij concluderen dat de gedempte premie op basis van gemiddelde rente onder het nftk in eerste instantie minder hard stijgt dan de kostendekkende, namelijk met een kleine 4%. De reden hiervoor is dat de rentetermijnstructuren over de achterliggende 10 jaar niet worden herrekend op basis van de nieuwe UFR-methodiek. Het verschil in premie in 2015 ontstaat zodoende vrijwel volledig door de hogere solvabiliteitsopslag onder het nftk. In 2020 en 2025 is de gedempte premie op basis van gemiddelde rente fors hoger dan nu. Dat wordt verklaard door het wegvallen van de relatief hoge rentes vóór De gemiddelde rente daalt zodoende de komende jaren. Onder de nieuwe UFR-methodiek is dat nog forser. De impact is het grootst voor een jong fonds. Onder de nieuwe UFR ligt de gedempte premie in 2020 tussen 10 en 12% hoger dan onder de oude UFR-methodiek, in 2025 is het verschil zelfs opgelopen tot 19 à 25%. Mocht de rente de komende jaren gaan oplopen, dan zal dat in 2025 nog steeds een 12 à 13% hogere premie dan thans betekenen, zie onderstaand overzicht. Onder het oude FTK zou de premie dan op termijn wel iets lager uitvallen. Aon Hewitt September

13 Toekomstig effect gedempte premie o.b.v. gemiddelde rente per 31 augustus bij jaarlijks 0,25%-punt stijgende rente Leeftijdsopbouw deelnemers Oude UFR-methodiek Nieuwe UFR-methodiek Jong ,8 96,8 103,8 132,8 113,1 Gemiddeld ,0 98,4 103,8 131,2 112,2 Oud ,9 98,5 103,8 130,8 112,0 Gedempte premie o.b.v. verwacht fondsrendement Zoals wij hiervóór reeds hebben aangegeven, is de solvabiliteitsopslag onder het nftk komen te vervallen (althans, die maakt onderdeel uit van de verplichte opslag voor toeslagverlening). De bepalende factor is het verwacht nominaal fondsrendement. Dat hangt af van het beleggingsbeleid alsmede de leeftijdsopbouw van de deelnemers van het pensioenfonds. Naarmate een deelnemersbestand (actieven) jonger is, des te hoger is het voor obligaties in aanmerking te nemen rendement. In onze becijferingen zijn wij er vanuit gegaan dat gekozen wordt voor het maximaal toegestane rendement. Onder het oude FTK was er geen formele verplichting om bij de vaststelling van de gedempte disconteringsvoet rekening te houden met de toeslagverlening. Daarom zijn er pensioenfondsen die hun gedempte premie baseerden op louter het verwachte nominale fondsrendement. De gedempte premie lag dan aanzienlijk lager dan de kostendekkende premie. De feitelijke premie werd dan ook hoger vastgesteld dan de gedempte premie. Anders zou het fonds namelijk niet voldoen aan de zogenoemde consistentietoets. Daarmee moest een pensioenfonds aantonen dat de toeslagverlening qua financiering realistisch was. Indien de gedempte premie in rekening zou worden gebracht bij de aangesloten onderneming(en) en de deelnemers, zou daar geen sprake van zijn. In dat kader gaan wij er hierna vanuit dat onder het oude FTK de gedempte premie werd vastgesteld op het nominale verwachte fondsrendement, op basis van de maximaal in te rekenen rendementen op de verschillende beleggingscategorieën, verminderd met de verwachtingswaarde ten aanzien van de maatstaf voor de toeslagverlening. Daarbij gaan wij er vanuit dat daarmee geen additionele solvabiliteitsopslag nodig is, net zoals het geval is onder het nftk. Een aantal pensioenfondsen paste deze methodiek al toe onder het oude FTK ter vaststelling van de gedempte premie. De premie over 2015 mocht nog vastgesteld worden onder het oude FTK. Er zijn echter ook pensioenfondsen die reeds per 1 januari 2015 qua premiestelling op het nftk zijn overgestapt. Op dat moment was de nieuwe UFR-methodiek nog niet bekend. Zij hebben het verwachte fondsrendement derhalve nog op de oude UFR-rente kunnen vaststellen. Omdat de rekenrente voor 5 jaar moet worden vastgesteld, zullen zij bij een volgende premievaststelling met dit effect geconfronteerd worden. Daarom hebben wij niet alleen naar de situatie in 2020 en 2025 gekeken, maar ook in 2019 en Verder valt niet uit te sluiten dat het in aanmerking te nemen rendement op aandelen in de toekomst lager is. Daarom geven wij ook inzicht in de gevolgen voor de gedempte premie op basis van verwacht fondsrendement over 5 en 10 jaar indien het in te rekenen rendement op aandelen 1%-punt lager gaat uitvallen. Aon Hewitt September

14 Allereerst geven wij hierna een overzicht waarbij voor verschillende vormen van het beleggingsbeleid de gedempte disconteringsvoet voor de vaststelling van de gedempte premie wordt getoond. Daarbij merken wij op dat de mate van afdekking van het renterisico niet relevant is voor de hoogte van de gedempte disconteringsvoet. Er wordt namelijk vanuit gegaan dat er geen rendement wordt behaald op deze risico-afdekking. Daarnaast is de gedempte disconteringsvoet slechts in beperkte mate afhankelijk van de gemiddelde leeftijd van de deelnemers. Die bepaalt namelijk de hoogte van het rendement op obligaties dat gehanteerd mag worden. Daarom zijn wij in onderstaand overzicht uitgegaan van een gemiddelde leeftijdsopbouw van de deelnemers (actieven). Logischerwijze is de maximaal toegestane rekenrente hoger naarmate er meer in aandelen wordt belegd. Het in aanmerking te nemen rendement op aandelen is immers hoger dan dat op vastrentende waarden. Uiteraard heeft ook de overgang op de nieuwe UFR-methodiek impact aangezien daardoor de relevante rente voor lange looptijden fors lager is komen te liggen. Het effect is groter naarmate er meer in vastrentende waarden wordt belegd (dus defensief). Het varieert tussen 2 en 4 basispunten. De premie-impact ligt dan tussen 0,5 en 1,5%. Gedempte disconteringsvoet per 31 augustus 2015 voor bestandsopbouw deelnemers gemiddeld Beleggingsbeleid 3 Oud FTK nftk oude UFR nftk nieuwe UFR Defensief/defensief 2,92% 1,77% 1,73% Defensief/neutraal 2,92% 2,09% 2,05% Defensief/offensief 2,92% 2,40% 2,37% Neutraal/defensief 3,25% 2,59% 2,56% Neutraal/neutraal 3,25% 2,85% 2,82% Neutraal/offensief 3,25% 3,11% 3,08% Offensief/defensief 3,59% 3,32% 3,29% Offensief/neutraal 3,59% 3,51% 3,49% Offensief/offensief 3,59% 3,71% 3,69% Er is een directe verhouding tussen de gedempte disconteringsvoet en de hoogte van de gedempte premie. Hoe lager de rekenrente, des te hoger de gedempte premie. Om voldoende pensioenkapitaal op te bouwen voor de toekomstige uitkering van de pensioenopbouw in enig jaar moet er bij een lage rente meer premie betaald worden ter compensatie van het lagere rendement dat hierover gerealiseerd wordt. De daadwerkelijke effecten hangen af van de leeftijdsopbouw van de deelnemers van een pensioenfonds. Die bepaalt namelijk de gemiddelde uitkeringsduur van de toekomstige pensioenuitkeringen uit hoofde van een jaar pensioenopbouw. Hoe lager de gemiddelde leeftijd van de deelnemers, des te groter het effect van een renteverschil op de gedempte premie. Hoewel de impact van de gemiddelde leeftijd van de deelnemers van grote invloed is op de absolute hoogte van de gedempte premie op basis van verwacht fondsrendement, zijn de relatieve verschillen tussen het oude FTK en het nftk relatief gering. Daarom beperken wij ons in onderstaand overzicht tot de gedempte kostendekkende premie voor de verschillende vormen van het beleggingsbeleid. 3 Beleggingsmix/kredietwaardigheid obligaties. Aon Hewitt September

15 Hieruit volgt dat onder het nftk sprake is van een forse stijging van de gedempte premie, behalve in geval van een offensief beleggingsbeleid. Dat wordt grotendeels verklaard door het lagere rendement dat in aanmerking genomen mag worden op vastrentende waarden (maximaal 4,5% per jaar onder het oude FTK, de rentetermijnstructuur onder het nftk). Daarnaast is van belang dat de rente de afgelopen jaren is gedaald en de overgang op het nftk een verdere daling betekent. Door de nieuwe UFR-methodiek wordt het effect alleen maar groter indien de rente de komende jaren op het huidige niveau blijft. Ook die conclusie kan uit het volgende overzicht getrokken worden. Gedempte premie o.b.v. verwacht fondsrendement voor bestandsopbouw deelnemers gemiddeld Beleggingsbeleid 4 Oud FTK Defensief/defensief ,9 142,7 145,7 146,9 149,6 150,5 Defensief/neutraal ,7 129,2 131,6 132,5 134,6 135,4 Defensief/offensief ,1 117,3 119,2 120,0 121,7 122,3 Neutraal/defensief ,0 122,2 124,1 124,9 126,6 127,2 Neutraal/neutraal ,1 113,1 114,7 115,3 116,7 117,2 Neutraal/offensief ,1 104,9 106,2 106,8 107,9 108,3 Offensief/defensief ,8 108,6 109,8 110,3 111,3 111,7 Offensief/neutraal ,0 102,7 103,7 104,1 105,0 105,3 Offensief/offensief ,7 97,3 98,2 98,5 99,3 99,6 Vervolgens hebben wij in het volgende overzicht dezelfde cijfers opgenomen maar dan uitgaande van een rentestijging met 0,25%-punt op jaarbasis. Daaruit kan geconcludeerd worden dat pas over een jaar of 10 sprake zal zijn van een lager premieniveau dan onder het oude FTK. Dan is in het doorgerekende scenario wel sprake geweest van een renteverhoging van 2,5%-punt (10 jaar lang 0,25%-punt per jaar). Gedempte premie o.b.v. verwacht fondsrendement voor bestandsopbouw deelnemers gemiddeld bij jaarlijks 0,25%-punt stijging rente Beleggingsbeleid 5 Oud FTK Defensief/defensief ,9 142,7 120,6 115,1 94,7 90,8 Defensief/neutraal ,7 129,2 111,3 106,8 89,8 86,5 Defensief/offensief ,1 117,3 102,7 99,0 84,8 82,1 Neutraal/defensief ,0 122,2 107,4 103,6 89,2 86,3 Neutraal/neutraal ,1 113,1 100,7 97,5 85,2 82,7 Neutraal/offensief ,1 104,9 94,9 92,3 81,9 79,9 Offensief/defensief ,8 108,6 99,1 96,7 86,8 84,8 Offensief/neutraal ,0 102,7 94,7 92,5 84,0 82,3 Offensief/offensief ,7 97,3 90,4 88,5 81,1 79,5 4 Beleggingsmix/kredietwaardigheid obligaties. 5 Beleggingsmix/kredietwaardigheid obligaties. Aon Hewitt September

16 Ten slotte laten wij hierna nog de impact zien van de situatie waarbij in de toekomst op grond van een advies van de Commissie Parameters Pensioenfondsen ten aanzien van de aandelen met een 1%-punt lager rendement op aandelen gerekend moet worden. In dat geval zullen de fondsen bij de volgende vaststelling van de gedempte disconteringsvoet geconfronteerd worden met een verdere stijging van de gedempte premie met, afhankelijk van het beleggingsbeleid, 10 tot 20%. Gedempte premie o.b.v. verwacht fondsrendement voor bestandsopbouw deelnemers gemiddeld bij 1% lager rendement op aandelen Beleggingsbeleid 6 Oud FTK Defensief/defensief ,2 156,3 159,7 161,0 163,9 165,0 Defensief/neutraal ,3 144,1 146,9 147,9 150,4 151,2 Defensief/offensief ,8 133,2 135,4 136,3 138,3 139,0 Neutraal/defensief ,7 139,1 141,4 142,2 144,2 144,9 Neutraal/neutraal ,2 130,4 132,3 133,0 134,7 135,3 Neutraal/offensief ,5 122,5 124,1 124,8 126,2 126,7 Offensief/defensief ,0 128,0 129,5 130,1 131,4 131,9 Offensief/neutraal ,4 122,2 123,5 124,0 125,1 125,5 Offensief/offensief ,0 116,7 117,8 118,2 119,2 119,5 Zoals wij in het voorgaande reeds aangaven, zijn pensioenfondsen er vrij in welke premie zij daadwerkelijk bij de aangesloten onderneming(en) en deelnemers in rekening brengen als die maar hoger is dan de gedempte premie. Wij verwachten dat fondsen onder het nftk hun feitelijke premie niet (veel) hoger zullen vaststellen dan de gedempte premie. Bij het voorgaande plaatsen wij nog de volgende kanttekening. Verwacht mag worden dat de pensioenrichtleeftijd bij een volgende vaststelling van de gedempte disconteringsvoet op 68 jaar ligt. Omdat de pensioenuitkeringen een jaar later ingaan, neemt de contante waarde ervan af en zal de gedempte premie dalen (dat geldt uiteraard ook voor de andere twee vormen van premievaststelling). Omdat al rekening is gehouden met een verwachte verbetering van de toekomstige levensverwachting, zal die van beperkte invloed zijn op de hoogte van de gedempte premie. Wel zullen deelnemers later met pensioen gaan waardoor op termijn de gemiddelde leeftijd zal toenemen hetgeen opwaartse druk op de premie oplevert. Na verhoging van de pensioenleeftijd zal de gedempte premie zodoende in eerste instantie met ruim 5% dalen maar op termijn zal daarvan ongeveer de helft over blijven. Vereist eigen vermogen Een pensioenfonds dient minimaal over een eigen vermogen te beschikken dat voldoende is om de kans dat het eigen vermogen een jaar later negatief is, 2,5% te laten zijn. De wetgever heeft voorschreven hoe dit vereist eigen vermogen vastgesteld moet worden. Onder het oude FTK waren er 6 risicofactoren die in aanmerking genomen moesten worden, onder het nftk 7. Voortaan moet er ook rekening mee gehouden worden dat actief beheer van de aandelenportefeuille een extra beleggingsrisico oplevert. De bestandsopbouw van een pensioenfonds is beperkt relevant voor het percentage eigen vermogen dat een pensioenfonds moet aanhouden. De looptijd van de opgebouwde pensioenen 6 Beleggingsmix/kredietwaardigheid obligaties. Aon Hewitt September

17 is alleen van belang voor het renterisico en het verzekeringstechnisch risico. Maar het verschil tussen een jong en een oud fonds is vrij gering voor deze risico s. Daarom zijn wij bij de beoordeling van de gevolgen van de invoering van het nftk, de gedaalde rente en de introductie van de nieuwe UFR-methodiek voor de hoogte van het vereist eigen vermogen uitgegaan van het gemiddelde pensioenfonds. De risico s die de hoogte van het vereist eigen vermogen grotendeels bepalen, zijn het renterisico, het zakelijke waarden risico en het kredietrisico. Daarom hebben wij het vereist eigen vermogen voor de eerder beschreven vormen van beleggingsbeleid berekend onder het oude FTK en het nftk. Allereerst hebben wij het vereist eigen vermogen (uitgedrukt in de voorziening pensioenverplichtingen) voor een neutraal beleggingsbeleid onder het oude FTK en het nftk berekend op basis van de rentestand eind augustus Daarbij hebben wij ook rekening gehouden met de wijziging van de UFR-methodiek. Hoewel deze wijziging naar onze mening gezien kan worden als onderdeel van de aanpassing van het FTK, hebben wij de impact ook onder het oude FTK berekend. De berekeningsuitkomsten zijn als volgt. Het gemiddelde fonds wordt geconfronteerd met een verhoging van het percentage vereist eigen vermogen met grofweg 4%-punt. Het effect van de nieuwe UFR is te verwaarlozen. Vereist eigen vermogen (uitgedrukt in voorziening pensioenverplichtingen) per 31 augustus 2015 UFR-methodiek Oud FTK nftk Oud 14,5% 18,6% Nieuw 14,7% 18,7% Vervolgens zijn wij gaan variëren met de mate van afdekking van het renterisico, de verdeling tussen vastrentende waarden en zakelijke waarden (aandelen) en het kredietrisico. De berekeningsuitkomsten behandelen wij hierna. Renterisico Allereerst hebben wij het effect van de afdekking van het renterisico beoordeeld. Bij een daling van de rente neemt de voorziening pensioenverplichtingen toe. De toekomstige pensioenuitkeringen moeten immers met een lagere rentevoet contant gemaakt worden. Daar staat tegenover dat de vastrentende waarden in waarde toenemen. Het renterisico betreft het (positieve) verschil tussen de toename van de voorziening als gevolg van een rentedaling en de waardevermeerdering van de obligaties die daar een gevolg van is. Een positief renterisico betekent een verslechtering van de financiële positie van het pensioenfonds. Het renterisico kan beperkt worden door in langlopende obligaties te beleggen. De cijfers in het voorgaande betroffen een afdekking van het renterisico van 50% op marktwaarde. In onderstaand overzicht zijn de uitkomsten opgenomen voor een afdekking van 30% c.q. 70%. Uit berekeningen is gebleken dat het kredietrisico beperkt relevant is voor het renterisico. Daarom presenteren wij alleen de resultaten op basis van het neutrale kredietrisico (30% AAA, 30% AA, 20% A, 10% BBB en 10% BB of lager). Voor het oude FTK hebben wij gebruik gemaakt van de oude UFR-methodiek, onder het nftk van de nieuwe. Aon Hewitt September

18 Vereist eigen vermogen (uitgedrukt in voorziening pensioenverplichtingen) per 31 augustus 2015 Afdekking renterisico 7 Oud FTK nftk Verschil Defensief (70%) 13,4% 17,5% 4,1% Neutraal (50%) 14,5% 18,7% 4,2% Offensief (30%) 15,9% 20,2% 4,3% Geconcludeerd kan worden dat de afdekking van het renterisico vrijwel geen invloed heeft op het vereist eigen vermogen met de introductie van het nftk. Zakelijke waarden risico Sterk bepalend voor het beleggingsrisico en daarmee het aan te houden eigen vermogen is het belang in zakelijke waarden. De kans op waardedalingen van zakelijke waarden wordt hoger verondersteld dan van vastrentende waarden. In beginsel moet dus een hoger eigen vermogen aangehouden worden naarmate er meer in zakelijke waarden (ten koste van vastrentende waarden) wordt belegd. In het voorgaande betrof het de neutrale beleggingsmix. In het volgende overzicht zijn de percentages vereist eigen vermogen opgenomen bij een defensievere beleggingsmix (75% vastrentende waarden en 25% zakelijke waarden) c.q. een offensievere mix (45% vastrentende waarden en 55% zakelijke waarden). Wij hebben ervoor gekozen om ten aanzien van de afdekking van het renterisico uit te gaan van het neutrale scenario (50% afdekking op marktwaarde). Ook is het neutrale scenario ten aanzien van het kredietrisico (30% in AAA, 30% in AA, 20% in A, 10% in BBB en 10% in BB of lager) gehanteerd. Uit het overzicht valt af te leiden dat het effect van de gewijzigde berekeningsmethodiek ten aanzien van het vereist eigen vermogen voor zakelijke waarden logischerwijze groter is naarmate meer in die beleggingscategorie wordt belegd. De verklaring hiervoor is dat voortaan uitgegaan moet worden van een waardedaling van de aandelen in ontwikkelde markten van 30% ten opzichte van 25% in het oude FTK. Voor aandelen in opkomende markten is het verschil nog groter: 40% versus 30%. Vereist eigen vermogen (uitgedrukt in voorziening pensioenverplichtingen) per 31 augustus 2015 Beleggingsmix 8 Oud FTK nftk Verschil Defensief (75%) 10,4% 13,3% 2,9% Neutraal (60%) 14,5% 18,7% 4,2% Offensief (45%) 19,2% 25,0% 5,8% Kredietrisico De derde belangrijke risicocomponent betreft het kredietrisico. De vergoeding voor het kredietrisico van een obligatie is de vergoeding die wordt betaald bovenop de risicovrije rente op een AAA-staatsobligatie vanwege het feit dat een overheid of onderneming minder kredietwaardig is dan bijvoorbeeld de Duitse staat. Deze vergoeding is een compensatie voor de kans dat de uitgever van de obligatie niet aan zijn financiële verplichtingen (rentevergoeding en/of terugbetaling van de openstaande schuld) kan voldoen. 7 Percentage tussen haakjes betreft afdekkingspercentage renterisico. 8 Percentage tussen haakjes betreft percentage vastrentende waarden. Aon Hewitt September

19 In het voorgaande is steeds uitgegaan van het neutrale scenario ten aanzien van het kredietrisico. Dat betekent dat verondersteld is dat 30% van de vastrentende waarden uit obligaties met een kredietwaardigheid van AAA bestaat, 30% uit AA, 20% uit A, 10% uit BBB en 10% uit BB of lager. Wij hebben ook bekeken wat het effect is van belegging in kredietwaardigere obligaties en in minder kredietwaardige obligaties. De vastrentende waarden in de kredietrisicomijdende variant bestaan voor 50% uit AAA-obligaties, 40% AA-obligaties en 10% A- obligaties. De variant die qua kredietrisico het grootste risico kent, kent een vastrentende waarden portefeuille met 10% AAA-obligaties, 20% AA-obligaties, 30% A-obligaties, 20% BBBobligaties en 20% obligaties met een kredietwaardigheid van BB of lager. Het aan te houden eigen vermogen is in onderstaand overzicht weergegeven. Vereist eigen vermogen (uitgedrukt in voorziening pensioenverplichtingen) per 31 augustus 2015 Kredietrisico Oud FTK nftk Verschil Defensief 14,3% 18,5% 4,2% Neutraal 14,5% 18,7% 4,2% Offensief 14,8% 19,0% 4,2% Onder het oude FTK moest voor het kredietrisico uitgegaan worden van een stijging van de kredietopslag met 40%. Onder het nftk is de stijging van de kredietopslag ook afhankelijk van de kredietwaardigheid van de obligatie (onder het oude FTK uiteraard ook omdat de kredietopslag hoger is naarmate een uitgever van een obligatie minder kredietwaardig is). Maar de verschillen tussen de verschillende kredietwaardigheden is een stuk groter. Zo moet voortaan verondersteld worden dat de kredietopslag van een obligatie met een kredietwaardigheid van BB of lager met 530 basispunten (5,3%-punt) kan stijgen. Dat is aanzienlijk meer dan 40% van de bestaande kredietopslag. Met name pensioenfondsen die relatief veel in (minder kredietwaardige) vastrentende waarden beleggen, worden hierdoor getroffen. Voor fondsen die veel in zakelijke waarden beleggen is het kredietrisico dermate beperkt dat een verhoging ervan weinig impact heeft op het totale vereist eigen vermogen. Onze becijferingen laten echter zien dat het kredietrisico vrij beperkt is. En het verschil in vereist eigen vermogen voor kredietrisico tussen het oude FTK en nftk is te verwaarlozen. Herstelplan/toeslagverlening Het nftk heeft ook geleid tot een wijziging van de herstelplannen voor fondsen die in reservetekort geraken. Voortaan wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen een korte- en langetermijnherstelplan (voor dekkingstekort respectievelijk reservetekort). Er geldt onder het nftk één plan waarbij een dekkingstekort binnen 5 jaar na het ontstaan moet zijn weggewerkt. Het reservetekort kent een periode van wegwerken van 10 jaar (met een overgangsmaatregel voor 2015 en 2016). De methodiek van het wegwerken van het reservetekort is echter gewijzigd. In het verleden moest een reservetekort daadwerkelijk na 15 jaar zijn weggewerkt. Onder het nftk zijn alleen maatregelen nodig indien het tekort naar verwachting niet binnen 10 jaar is opgelost. Het betreft een voortschrijdende periode van 10 jaar: elk jaar mag weer van een nieuwe herstelperiode van 10 jaar worden uitgegaan, er is dus in feite geen einddatum ten aanzien van het herstelplan. Zodoende moeten onder het nftk kortingen worden toegepast op de opgebouwde pensioenen indien blijkt dat het reservetekort naar verwachting zonder aanvullende maatregelen niet binnen 10 jaar is weggewerkt. Een tiende van het resterende tekort moet telkenjare worden ingelopen. Aon Hewitt September

20 Daarnaast moeten de in te rekenen rendementen passen binnen het advies van de Commissie Parameters Pensioenfondsen. Belangrijkste daarbij is dat voortaan ten aanzien van de obligaties uitgegaan moet worden van de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB in plaats van 4,5% rendement per jaar (maximum). Dat betekent dat de herstelkracht onder het nftk wat betreft het fondsrendement beperkter is geworden. Tevens is nog relevant voor de herstelplannen dat aan het toekennen van indexatie strengere eisen dan in het verleden zijn verbonden. Onder het oude FTK indexeerden de meeste pensioenfondsen al vanaf een dekkingsgraad van 105%. Voortaan geldt als minimum een dekkingsgraad van 110%. Verder ligt de grens voor het volledig indexeren onder het nftk veel hoger dan hetgeen door veel pensioenfondsen werd toegepast (de vereiste dekkingsgraad). Er kan dus minder (snel) geïndexeerd worden hetgeen resulteert in een snellere verbetering van de dekkingsgraad (en dus eerder uit reservetekort). Voor het gemiddelde voorbeeldfonds hebben wij verschillende berekeningen gemaakt wat betreft de ontwikkeling van de financiële positie. In aansluiting op de duur van het herstelplan onder het nftk hebben wij een prognoseperiode van 10 jaar in aanmerking genomen. Ten eerste valt daaruit de herstelkracht van het fonds af te leiden. In de tweede plaats kan inzicht verkregen worden in de indexatiemogelijkheden. Daarbij benadrukken wij dat het om zogenoemde deterministische doorrekeningen gaat. Het gaat dus niet om het doorrekenen van een groot aantal economische scenario s zoals in een haalbaarheidstoets. Sterk bepalend voor de resultaten is de startdekkingsgraad. Wij hebben de berekeningen zodoende uitgevoerd voor de dekkingsgraad van het gemiddelde pensioenfonds alsmede bij een 10%-punt lagere en 10%-punt hogere startdekkingsgraad. Verder heeft het beleggingsbeleid een behoorlijke invloed op de uitkomsten. Daarom hebben wij de drie verschillende beleggingsmixen doorgerekend. Analoog aan de voor pensioenfondsen voorgeschreven methode bij indiening van een herstelplan hebben wij geen rekening gehouden met rentebewegingen. De varianten met een rentestijging zijn derhalve niet doorgerekend. Qua premie is gerekend met de gedempte premie tegen een rekenrente die passend is bij de betreffende beleggingsmix volgens het nftk. Onder het oude FTK is dezelfde premie gehanteerd als onder het nftk. In onderstaand overzicht zijn de berekeningsresultaten opgenomen. Wij concluderen het volgende: In vrijwel alle situaties startend vanuit een dekkingsgraad van 92% is er sprake van een korting van de opgebouwde pensioenen. De korting is het grootst onder het nftk. Vanwege de in de toekomst dalende UFR is de herstelkracht minder dan onder het oude FTK. De herstelkracht (de stijging van de dekkingsgraad gedurende de prognoseperiode) is binnen het oude FTK hoger dan onder het nieuwe. Er wordt jaarlijks een actuarieel verlies gemaakt doordat de UFR-rente de komende jaren daalt. De herstelkracht is groter naarmate de startdekkingsgraad lager is. Dat effect wordt verklaard doordat er bij lage dekkingsgraden minder geïndexeerd wordt. De gemiddelde jaarlijkse indexatie tijdens de prognoseperiode is onder het oude FTK aanzienlijk hoger dan onder het nftk. Het verschil kan oplopen tot meer dan 1% op jaarbasis. Reden hiervoor is dat (volledige) indexatie onder het nftk pas bij hogere dekkingsgraden toegestaan is dan onder het oude FTK. Aon Hewitt September

Samenvatting. Analyses. Kostendekkende premie

Samenvatting. Analyses. Kostendekkende premie Samenvatting Op 14 juli 2015 heeft DNB aangekondigd dat zij de berekeningsmethodiek van de Ultimate Forward Rate (UFR), welke onderdeel vormt van de rekenrente waarmee pensioenfondsen hun verplichtingen

Nadere informatie

134 De Pensioenwereld in 2015

134 De Pensioenwereld in 2015 14 134 De Pensioenwereld in 2015 Ontwikkelingen in de pensioenmarkt 135 Het nieuwe FTK: oude wijn in nieuwe zakken? Auteurs: Gijs Hoedemaker, Machiel Koper en Alexander van Stee Na de crisis leek er een

Nadere informatie

Herstelplan PME 2015. Vastgesteld door het algemeen bestuur op 25 juni 2015

Herstelplan PME 2015. Vastgesteld door het algemeen bestuur op 25 juni 2015 Herstelplan PME 2015 Vastgesteld door het algemeen bestuur op 25 juni 2015 1 PME Herstelplan 2015 dekkingraadsjabloon inclusief onderbouwing Dit document bevat het dekkingsgraadsjabloon dat deel uitmaakt

Nadere informatie

Herstelplan 2016. Stichting Personeelspensioenfonds APG (PPF APG)

Herstelplan 2016. Stichting Personeelspensioenfonds APG (PPF APG) Herstelplan 2016 Stichting Personeelspensioenfonds APG (PPF APG) Onderwerp: Herstelplan PPF APG 2016 Datum: 10 maart 2016 1. Inleiding Deze notitie geeft een overzicht van de uitgangspunten die gehanteerd

Nadere informatie

Kwartaalbericht. 4e kwartaal 2014 Den Haag, 30 januari 2015. Samenvatting cijfers per 31 december 2014

Kwartaalbericht. 4e kwartaal 2014 Den Haag, 30 januari 2015. Samenvatting cijfers per 31 december 2014 Kwartaalbericht 4e kwartaal 2014 Den Haag, 30 januari 2015 Samenvatting cijfers per 31 december 2014 Dekkingsgraad: 111,5% Beleidsdekkingsgraad: 112,6% Belegd vermogen: 19,6 miljard Rendement 2014: 27,6%

Nadere informatie

Herstelplan. Stichting Personeelspensioenfonds APG

Herstelplan. Stichting Personeelspensioenfonds APG Herstelplan Stichting Personeelspensioenfonds APG PPF APG Herstelplan versie: juni 2015 Herstelplan PPF APG 2015 juni 2015 1. Inleiding In dit herstelplan 2015 voor PPF APG leest u eerst welke uitgangspunten

Nadere informatie

Dekkingsgraadsjabloon inclusief DC kapitaal Stichting Pensioenfonds TNO

Dekkingsgraadsjabloon inclusief DC kapitaal Stichting Pensioenfonds TNO Dekkingsgraadsjabloon inclusief DC kapitaal Stichting Pensioenfonds TNO Dit document bevat het dekkingsgraadsjabloon inclusief DC kapitaal voor Stichting Pensioenfonds TNO. De uitgangspunten die ten grondslag

Nadere informatie

P O S I T I O N P A P E R

P O S I T I O N P A P E R Pensioenfederatie Prinses Margrietplantsoen 90 2595 BR Den Haag Postbus 93158 2509 AD Den Haag T +31 (0)70 76 20 220 info@pensioenfederatie.nl www.pensioenfederatie.nl P O S I T I O N P A P E R KvK Haaglanden

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal januari 2017 t/m 31 maart Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal januari 2017 t/m 31 maart Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Eerste kwartaal 2017-1 januari 2017 t/m 31 maart 2017 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is gestegen van 105,7% naar 110,5%; De beleidsdekkingsgraad

Nadere informatie

30 september /LJ/AH. FNV-beleid bij vaststellen van de pensioenpremie. FNV-beleid bij vaststellen van de pensioenpremie

30 september /LJ/AH. FNV-beleid bij vaststellen van de pensioenpremie. FNV-beleid bij vaststellen van de pensioenpremie Postadres Postbus 9208, 3506 GE Utrecht Team Pensioenen T 0900 9690 (lokaal tarief) F 030 66 30 000 wwwfnvbondgenotennl Datum 30 september 2015 008/LJ/AH Onderwerp FNV-beleid bij vaststellen van de pensioenpremie

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal april 2012 t/m ultimo juni Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal april 2012 t/m ultimo juni Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Tweede kwartaal 2012-1 april 2012 t/m ultimo juni 2012 Samenvatting: Nominale dekkingsgraad gedaald van 107,6% naar 101,9% Beleggingsrendement is 1,6%

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal oktober 2015 t/m 31 december Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal oktober 2015 t/m 31 december Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Vierde kwartaal 2015-1 oktober 2015 t/m 31 december 2015 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is gestegen van 103,7% naar 106,3%; De beleidsdekkingsgraad

Nadere informatie

Verklaring beleggingsresultaten en verlaging pensioenen

Verklaring beleggingsresultaten en verlaging pensioenen Verklaring beleggingsresultaten en verlaging pensioenen Het bestuur van Stichting Pensioenfonds Randstad heeft medio februari 2014 moeten besluiten tot het doorvoeren van een pijnlijke maatregel. Om de

Nadere informatie

Kwartaalbericht. 2e kwartaal 2015 Den Haag, 14 juli 2015. Samenvatting cijfers per 30 juni 2015

Kwartaalbericht. 2e kwartaal 2015 Den Haag, 14 juli 2015. Samenvatting cijfers per 30 juni 2015 Kwartaalbericht 2e kwartaal 2015 Den Haag, 14 juli 2015 Samenvatting cijfers per 30 juni 2015 Dekkingsgraad (UFR): 108,3% Beleidsdekkingsgraad: 110,0% Belegd vermogen: 19,6 miljard Rendement 2015 1 e halfjaar:

Nadere informatie

Persbericht. Kwartaalbericht: vierde kwartaal 2011

Persbericht. Kwartaalbericht: vierde kwartaal 2011 Persbericht Kwartaalbericht: vierde kwartaal 2011 Hoofdpunten: Dekkingsgraad van 94% is te laag: aanvullende maatregelen nodig Beschikbaar vermogen stijgt met ruim 11 miljard Door gedaalde rente nemen

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal 2015-1 april 2015 t/m 30 juni 2015. Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal 2015-1 april 2015 t/m 30 juni 2015. Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Tweede kwartaal 2015-1 april 2015 t/m 30 juni 2015 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is fors gestegen van 105,7% naar 115,4%. Dit komt

Nadere informatie

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM. Tweede kwartaal april 2012 t/m 30 juni Samenvatting: Lage rente drukt dekkingsgraad

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM. Tweede kwartaal april 2012 t/m 30 juni Samenvatting: Lage rente drukt dekkingsgraad Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Tweede kwartaal 2012-1 april 2012 t/m 30 juni 2012 Samenvatting: Lage rente drukt dekkingsgraad Nominale dekkingsgraad is gedaald van 110,0% naar 105,1% Beleggingsrendement

Nadere informatie

jaarverslag 2014 Stichting Pensioenfonds Randstad

jaarverslag 2014 Stichting Pensioenfonds Randstad jaarverslag 2014 Stichting Pensioenfonds Randstad 11 - dekkingsgraad SPR gestegen van 102,9% (104,5%) naar 109,1%; - positief resultaat van 51,8 miljoen; - SPR kampt nog met dekkingstekort: geen winstbijschrijving

Nadere informatie

Pensioenen... Herstelplan 2016

Pensioenen... Herstelplan 2016 Pensioenen.............................................. Herstelplan 2016 23 maart 2016 HERSTELPLAN Stichting Pensioenfonds Vopak (hierna: het pensioenfonds) verkeert op 1 januari 2016 in een situatie

Nadere informatie

Stichting Pensioenfonds Deutsche Bank Nederland

Stichting Pensioenfonds Deutsche Bank Nederland Human Resources Stichting Pensioenfonds Nederland Toelichting Witteveenkader II en nieuw Financieel Toetsingskader 30 september 2014 kantoor Amsterdam Identifier Presentatie Seminar DNB 28 en 30 mei 2013

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal oktober 2016 t/m 31 december Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal oktober 2016 t/m 31 december Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Vierde kwartaal 2016-1 oktober 2016 t/m 31 december 2016 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is gestegen van 98,8% naar 105,7%; De beleidsdekkingsgraad

Nadere informatie

Datum 24 november 2015 Betreft Kamervragen van het lid Krol over het bericht 'In 2020 veel meer mensen gekort dan ufr-rapport veronderstelt'

Datum 24 november 2015 Betreft Kamervragen van het lid Krol over het bericht 'In 2020 veel meer mensen gekort dan ufr-rapport veronderstelt' > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Parnassusplein 5 T 070 333

Nadere informatie

Advies Commissie Parameters

Advies Commissie Parameters Advies Commissie Parameters Voorstel tot herziening van verwachte rendementen Sprenkels&Verschuren Maart 2014 Copyright 2014 Sprenkels & Verschuren. Geen enkele reproductie van het document of een deel

Nadere informatie

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen CPB Notitie Aan: Ministerie van SZW Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen Centraal Planbureau Bezuidenhoutseweg 30 2594 AV Den Haag Postbus 80510 2508 GM

Nadere informatie

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Aan: Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen

CPB Notitie. Samenvatting. Ministerie van SZW. Aan: Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen CPB Notitie Aan: Ministerie van SZW Datum: 30 januari 2017 Betreft: Effecten van bodem in rekenrente voor pensioenfondsen Centraal Planbureau Bezuidenhoutseweg 30 2594 AV Den Haag Postbus 80510 2508 GM

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal januari 2016 t/m 31 maart Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal januari 2016 t/m 31 maart Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Eerste kwartaal 2016-1 januari 2016 t/m 31 maart 2016 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is gedaald van 106,3% naar 98,1%; De beleidsdekkingsgraad

Nadere informatie

Herstelplan 2015 Compartiment SPDHV

Herstelplan 2015 Compartiment SPDHV Herstelplan 2015 Compartiment SPDHV Versie 1.0 17 juni 2015 Auteur: Corné van Bokhoven Status: vastgesteld door bestuur Inleiding Nadat Stichting Pensioenfonds DHV in 2008 in dekkingstekort kwam heeft

Nadere informatie

Persbericht. ABP verlaagt pensioen in 2013 met 0,5% Ondanks goed rendement stijgt dekkingsgraad in 2012 onvoldoende

Persbericht. ABP verlaagt pensioen in 2013 met 0,5% Ondanks goed rendement stijgt dekkingsgraad in 2012 onvoldoende Persbericht ABP verlaagt pensioen in 2013 met 0,5% Ondanks goed rendement stijgt dekkingsgraad in 2012 onvoldoende Hoofdpunten: Verlaging pensioen met 0,5% per 1 april 2013 definitief Mogelijk aanvullende

Nadere informatie

Belanghebbendenvergadering. 24 september 2015

Belanghebbendenvergadering. 24 september 2015 Belanghebbendenvergadering 24 september 2015 Agenda 1. Opening 2. Actuele ontwikkelingen Ballast Nedam N.V. 3. Jaarverslag 2014 4. Nieuwe pensioenregelgeving en herstelplan 5. Toekomst pensioenfonds 6.

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal april 2016 t/m 30 juni Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal april 2016 t/m 30 juni Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Tweede kwartaal 2016-1 april 2016 t/m 30 juni 2016 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is gedaald van 98,1% naar 97,9%; De beleidsdekkingsgraad

Nadere informatie

Reactie op het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader (FTK)

Reactie op het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader (FTK) Reactie op het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader (FTK) Utrecht, 2 september 2014 Koninklijk Actuarieel Genootschap Postbus 2433 3500 GK UTRECHT 1 In deze notitie treft u de reactie aan

Nadere informatie

Addendum. Ultimate Forward Rate

Addendum. Ultimate Forward Rate Addendum Ultimate Forward Rate Wilt u meer weten over renterisico s, swaps en swaptions? Neem dan contact op met uw Account-CIO of met onze balansmanagement adviseurs Bas Scholten via bas.schoiten@achmea.ni

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Derde kwartaal juli 2017 t/m 30 september Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Derde kwartaal juli 2017 t/m 30 september Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Derde kwartaal 2017-1 juli 2017 t/m 30 september 2017 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is gestegen van 113,6% naar 116,5%; De beleidsdekkingsgraad

Nadere informatie

Dekkingsgraad 121,8% per 30 september 2012, toename van 9,3%-punt ten opzichte van 30 juni 2012.

Dekkingsgraad 121,8% per 30 september 2012, toename van 9,3%-punt ten opzichte van 30 juni 2012. Kwartaalbericht 2012 Samenvatting 121,8% per 30 september 2012, toename van 9,3%-punt ten opzichte van 30 juni 2012. Meer informatie over de dekkingsgraad vindt u op de website. Beleggingsrendement 4,2%

Nadere informatie

De Nederlandsche Bank NV T.a.v. de heer S. Keereweer AA Postbus 98 1000 AB AMSTERDAM

De Nederlandsche Bank NV T.a.v. de heer S. Keereweer AA Postbus 98 1000 AB AMSTERDAM De Nederlandsche Bank NV T.a.v. de heer S. Keereweer AA Postbus 98 1000 AB AMSTERDAM Wormerveer, 12 december 2011 Betreft: Herstelplan Stichting Pensioenfonds De Fracties Geachte heer Keereweer, De dekkingsgraad

Nadere informatie

2013 verkort in beeld. Ontwikkelingen. Pensioenen Beleggingen Organogram

2013 verkort in beeld. Ontwikkelingen. Pensioenen Beleggingen Organogram 02 verkort in beeld 03 Ontwikkelingen 05 08 10 Pensioenen Beleggingen Organogram Aantal deelnemers dat pensioen opbouwt Aantal personen dat een ouderdomspensioen ontvangt Aantal deelnemers met slapende

Nadere informatie

De financiële situatie van Pensioenfonds UWV vanaf 31 augustus 2014

De financiële situatie van Pensioenfonds UWV vanaf 31 augustus 2014 De financiële situatie van Pensioenfonds UWV vanaf 31 ustus 2014 Op 31 ustus 2014 liep het kortetermijnherstelplan van Pensioenfonds UWV af. Tegen de verwachting in heeft het pensioenfonds de pensioenen

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015. Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015. Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is fors gedaald van 115,4% naar 103,7%. Dit

Nadere informatie

Beleggingsaspecten voorontwerp van wet herziening ftk

Beleggingsaspecten voorontwerp van wet herziening ftk Beleggingsaspecten voorontwerp van wet herziening ftk De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid publiceerde op vrijdag 12 juli 2013 het lang verwachte consultatiedocument over de uitwerking

Nadere informatie

Nadere uitwerking van de nota met de Hoofdlijnen voor de regeling van het financiële toezicht op pensioenfondsen in de Pensioenwet

Nadere uitwerking van de nota met de Hoofdlijnen voor de regeling van het financiële toezicht op pensioenfondsen in de Pensioenwet Nadere uitwerking van de nota met de Hoofdlijnen voor de regeling van het financiële toezicht op pensioenfondsen in de Pensioenwet Aanleiding en vervolg 1) Het kabinet heeft begin 2004 met sociale partners

Nadere informatie

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015 Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015 De maandelijkse nominale dekkingsgraad ultimo september is gedaald ten opzichte van eind juni; De beleidsdekkingsgraad

Nadere informatie

Kort jaarverslag Stichting Pensioenfonds nv Linde Gas Benelux

Kort jaarverslag Stichting Pensioenfonds nv Linde Gas Benelux Kort jaarverslag Stichting Pensioenfonds nv Linde Gas Benelux Beleggingen Het totaal rendement over het afgelopen boekjaar 2010 is uitgekomen op 15,6%. Als we naar de onderverdeling kijken zien we het

Nadere informatie

Bijlage 3 Het Financieel Crisisplan

Bijlage 3 Het Financieel Crisisplan Bijlage 3 Het Financieel Crisisplan Dit financieel crisisplan is geschreven in het kader van artikel 145 van de Pensioenwet. Het crisisplan maakt deel uit van de beschrijving van de beheerste en integere

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal 2015-1 januari 2015 t/m 31 maart 2015

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal 2015-1 januari 2015 t/m 31 maart 2015 Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Eerste kwartaal 2015-1 januari 2015 t/m 31 maart 2015 Samenvatting: dalende euro en dalende rente door monetair beleid De beleidsdekkingsgraad is gedaald

Nadere informatie

De uitwerking hiervan is opgenomen in onze notitie van 30 april 2015 (Ref: HDr\654444\P150314).

De uitwerking hiervan is opgenomen in onze notitie van 30 april 2015 (Ref: HDr\654444\P150314). drs. E. Veerman AAG drs. P.J. Steur AAG T +31 88 543 3700 T +31 88 543 3700 Stationsweg 13-14 1441 EJ Purmerend Nederland erik.veerman@towerswatson.com peter.steur@towerswatson.com towerswatson.com Correspondentieadres:

Nadere informatie

reëel financieel toetsingskader (FTK2)

reëel financieel toetsingskader (FTK2) nominaal financieel toetsingskader (FTK1) - bestaande contract - nominale contract - uitkeringsovereenkomst - onderscheid tussen nominale opbouw en indexatie - 2,5% onderdekkingskans maatstaf voor nominale

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE. Datum Betreft Financiële positie pensioenfondsen

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE. Datum Betreft Financiële positie pensioenfondsen > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Parnassusplein 5 T 070 333

Nadere informatie

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 4 tot en met 6.

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 4 tot en met 6. Opgave 5 Bij deze opgave horen de informatiebronnen 4 tot en met 6. De Stichting Bedrijfspensioenfonds voor Medewerkers in het Notariaat (hierna te noemen Het Pensioenfonds) verzorgt de pensioenen van

Nadere informatie

Het Financieel Toetsingskader wijzigt

Het Financieel Toetsingskader wijzigt Het Financieel Toetsingskader wijzigt Wat zijn de consequenties en welke keuzes kunt u maken? Dit document is gebaseerd op het wetsvoorstel van 25 juni 2014 Copyright 2014 Sprenkels & Verschuren. Geen

Nadere informatie

1.1 Naam: Marco Starreveld 1.2 Telefoonnummer: adres:

1.1 Naam: Marco Starreveld 1.2 Telefoonnummer: adres: Staat/formulier Contact blad Contact Gegevens contactpersoon invulling rapportage Naam: Marco Starreveld 2 Telefoonnummer: 06 0 9 72 E-mailadres: marcostarreveld@achmeacom Gegevens bestuurslid verantwoordelijk

Nadere informatie

Huidige stand van zaken nftk. drs. Lonneke Thissen AAG

Huidige stand van zaken nftk. drs. Lonneke Thissen AAG Huidige stand van zaken nftk drs. Lonneke Thissen AAG juli 2014 1. Huidige stand van zaken nftk Wetsvoorstel naar de Raad van State op 4 april 2014 Gebaseerd op nominaal kader - De komende tijd wordt gekeken

Nadere informatie

Marktwaarde van de pensioenverplichtingen in het tweede kwartaal gestegen van 15.941 miljoen naar 16.893 miljoen ( 15.008 miljoen ultimo Q4 2013).

Marktwaarde van de pensioenverplichtingen in het tweede kwartaal gestegen van 15.941 miljoen naar 16.893 miljoen ( 15.008 miljoen ultimo Q4 2013). Kwartaalbericht 2014 Samenvatting Marktwaardedekkingsgraad per 30 juni 2014 129,5%, een toename van 0,9%-punt ten opzichte van 31 maart 2014. Over de eerste zes maanden steeg de marktwaardedekkingsgraad

Nadere informatie

Toelichting wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader. Juni 2014

Toelichting wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader. Juni 2014 Toelichting wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader Juni 2014 Inhoudsopgave Wetsvoorstel aanpassing FTK Beleidsdekkingsgraad Premievaststelling Toekomstbestendig indexeren Inhaalindexatie Hersteltermijn

Nadere informatie

Datum Briefnummer Behandeld door Doorkiesnummer 15-2-2012 20120215 N.W. Dijkhuizen 630

Datum Briefnummer Behandeld door Doorkiesnummer 15-2-2012 20120215 N.W. Dijkhuizen 630 Pensioenfonds Productschappen Bezoekadres Laan van Zuid Hoorn 165 2289 DD Rijswijk Postadres Postbus 3042 2280 GA Rijswijk Telefoon 070 4138630 Fax 070 4138650 E-mail info@pbodnl Website wwwpbodnl KvK

Nadere informatie

Premie-effecten herzien FTK en versobering Witteveenkader Uitgevoerd op verzoek van het Ministerie van Financiën

Premie-effecten herzien FTK en versobering Witteveenkader Uitgevoerd op verzoek van het Ministerie van Financiën CPB Notitie 11 september 2013 Premie-effecten herzien FTK en versobering Witteveenkader Uitgevoerd op verzoek van het Ministerie van Financiën. CPB Notitie Aan: Ministerie van Financiën Centraal Planbureau

Nadere informatie

Regeling parameters pensioenfondsen. Artikel 1. Artikel 2. Regeling parameters pensioenfondsen

Regeling parameters pensioenfondsen. Artikel 1. Artikel 2. Regeling parameters pensioenfondsen Regeling parameters pensioenfondsen Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/ PB/2006/102565b, tot vaststelling van de parameters voor pensioenfondsen

Nadere informatie

DEKKINGSGRAADSJABLOON PER 1 JANUARI 2009 & TOELICHTING HOREND BIJ HET HERSTELPLAN BPF BOUW

DEKKINGSGRAADSJABLOON PER 1 JANUARI 2009 & TOELICHTING HOREND BIJ HET HERSTELPLAN BPF BOUW BIJLAGE: DEKKINGSGRAADSJABLOON PER 1 JANUARI 2009 & TOELICHTING HOREND BIJ HET HERSTELPLAN BPF BOUW 25 JUNI 2009 Bijlage bij Herstelplan BPF Bouw 25 juni 2009: Dekkingsgraadsjabloon per 1 januari 2009

Nadere informatie

Extra informatie pensioenverlaging

Extra informatie pensioenverlaging Extra informatie pensioenverlaging Wat is de invloed van de verlaging op mijn netto pensioen? Als u nog niet met pensioen bent, kunnen we u nu niet zeggen hoe uw netto pensioen

Nadere informatie

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/6 EERSTE KWARTAAL 2017

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/6 EERSTE KWARTAAL 2017 KWARTAALVERSLAG EERSTE KWARTAAL 2017 1. In het kort De beleidsdekkingsgraad per 31 maart 2017 bedroeg 110,3% Het rendement van 1 januari tot en met 31 maart 2017 bedroeg 1,2% Het pensioenvermogen per 31

Nadere informatie

Generatie- en premie-effecten aanpassing FTK Uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Generatie- en premie-effecten aanpassing FTK Uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid CPB Notitie 20 juni 2014 Generatie- en premie-effecten aanpassing FTK Uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid CPB Notitie Aan: Minsterie van SZW Centraal Planbureau

Nadere informatie

DNBulletin: Pensioenfondsen gaan in herstelplannen uit van hoge rendementen

DNBulletin: Pensioenfondsen gaan in herstelplannen uit van hoge rendementen DNBulletin DNBulletin: Pensioenfondsen gaan in herstelplannen uit van hoge rendementen Datum 18 mei 2017 Thema Pensioenen Pensioenfondsen verwachten uit hun financiële tekorten te komen door hoge rendementen

Nadere informatie

Gelden de kortingen op het pensioen per en voor beide regelingen?

Gelden de kortingen op het pensioen per en voor beide regelingen? Veelgestelde vragen DE KORTINGEN Gelden de kortingen op het pensioen per 1-9-2016 en 1-3-2017 voor beide regelingen? Ja, de kortingen gelden zowel voor de middelloon als de CDC regeling, ongeacht het afgesproken

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog Publicatiedatum CBS-website Centraal Bureau voor de Statistiek 9 december 25 Beleggingen institutionele beleggers in 24 met 8,1 procent omhoog drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen,

Nadere informatie

Herstelplan ultimo 2016

Herstelplan ultimo 2016 Stichting Pensioenfonds NIBC Herstelplan ultimo 2016 16 juni 2017 - samenvatting (1) - Het Pensioenfonds NIBC (PF NIBC) verkeert sinds 30 juni 2015 in een tekort situatie en daarom dient jaarlijks het

Nadere informatie

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/6 TWEEDE KWARTAAL 2017

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/6 TWEEDE KWARTAAL 2017 KWARTAALVERSLAG TWEEDE KWARTAAL 2017 1. In het kort De beleidsdekkingsgraad per 30 juni 2017 bedroeg 112,5% Het rendement van 1 april tot en met 30 juni 2017 bedroeg 0,8% Het rendement van 1 januari tot

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal 2014-1 oktober 2014 t/m 31 december 2014

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal 2014-1 oktober 2014 t/m 31 december 2014 Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Vierde kwartaal 2014-1 oktober 2014 t/m 31 december 2014 Samenvatting: dalende euro en dalende rente Nominale dekkingsgraad gedaald van 117,4% naar 115,1%

Nadere informatie

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/5 DERDE KWARTAAL 2015

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/5 DERDE KWARTAAL 2015 KWARTAALVERSLAG DERDE KWARTAAL 2015 1. In het kort De beleidsdekkingsgraad per 30 september 2015 bedroeg 112,6% Het rendement van 1 juli tot en met 30 september 2015 bedroeg -1,6% Het pensioenvermogen

Nadere informatie

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/5 EERSTE KWARTAAL 2016

KWARTAALVERSLAG. Philips Pensioenfonds. 1. In het kort. 2. Financiële positie Philips Pensioenfonds 1/5 EERSTE KWARTAAL 2016 KWARTAALVERSLAG EERSTE KWARTAAL 2016 1. In het kort De beleidsdekkingsgraad per 31 maart 2016 bedroeg 109,6% Het rendement van 1 januari tot en met 31 maart 2016 bedroeg 5, Het pensioenvermogen per 31

Nadere informatie

RBS pensioen update. Van premie tot pensioen

RBS pensioen update. Van premie tot pensioen RBS pensioen update Van premie tot pensioen Hoe is uw pensioen opgebouwd? Waarom zitten veel pensioenfondsen nu in de problemen? Hoe ziet de toekomst van pensioen in Nederland eruit? In deze RBS Pensioen

Nadere informatie

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 1 Toelichting op het jaarverslag In het Jaarverslag 2013 legt het pensioenfonds uitgebreid verantwoording af over de ontwikkelingen, besluiten en gebeurtenissen

Nadere informatie

Het nieuwe FTK: plussen en minnen

Het nieuwe FTK: plussen en minnen Het nieuwe FTK: plussen en minnen Onno Steenbeek Johan de Wittlezing Utrecht, 5 juni 2015 HET NIEUWE FTK Waardering verplichtingen & dekkingsgraden Nieuwe parameters Herstelplannen, premie en indexatie

Nadere informatie

Haalbaarheidstoets Stichting Pensioenfonds ANWB. Monique van Run Sander Smeets 3 augustus 2016

Haalbaarheidstoets Stichting Pensioenfonds ANWB. Monique van Run Sander Smeets 3 augustus 2016 Haalbaarheidstoets Stichting Pensioenfonds ANWB Monique van Run Sander Smeets 3 augustus 2016 Agenda Haalbaarheidstoets Inleiding Uitgangspunten Resultaten Stochastische resultaten Pensioenresultaat Risicohouding

Nadere informatie

Datum: 5 december 2014 Betreft: Generatie- en premie-effecten aanpassing pensioenregels 2015

Datum: 5 december 2014 Betreft: Generatie- en premie-effecten aanpassing pensioenregels 2015 CPB Notitie Aan: Dhr. Omtzigt en dhr. Hoekstra, Kamerleden voor het CDA Centraal Planbureau Van Stolkweg 14 Postbus 80510 2508 GM Den Haag T (070)3383 380 I www.cpb.nl Contactpersoon M.H.C. Lever en Th.

Nadere informatie

1.1 Naam: T.W.F. Hillen 1.2 Telefoonnummer: 1.3 E-mailadres: F.C.L. Terpstra

1.1 Naam: T.W.F. Hillen 1.2 Telefoonnummer: 1.3 E-mailadres: F.C.L. Terpstra Staat/formulier Contact blad Contact Gegevens contactpersoon invulling rapportage Naam: TWF Hillen 2 Telefoonnummer: E-mailadres: Gegevens bestuurslid verantwoordelijk voor / betrokken bij invulling rapportage

Nadere informatie

2012 in het kort TOELICHTING OP HET JAARVERSLAG

2012 in het kort TOELICHTING OP HET JAARVERSLAG 2012 in het kort TOELICHTING OP HET JAARVERSLAG 1 Toelichting op het jaarverslag In het Jaarverslag 2012 legt het pensioenfonds uitgebreid verantwoording af over de ontwikkelingen, besluiten en gebeurtenissen

Nadere informatie

Nieuwe pensioenregeling vanaf 1 januari 2015. Jan Raaijmakers Aad van der Tak Michel Stok Voorzitter Manager Pensioenfonds Extern actuarieel adviseur

Nieuwe pensioenregeling vanaf 1 januari 2015. Jan Raaijmakers Aad van der Tak Michel Stok Voorzitter Manager Pensioenfonds Extern actuarieel adviseur Nieuwe pensioenregeling vanaf 1 januari 2015 Jan Raaijmakers Aad van der Tak Michel Stok Voorzitter Manager Pensioenfonds Extern actuarieel adviseur Agenda 1. Rol klankbordgroep 2. Waarom een nieuwe pensioenregeling?

Nadere informatie

Goed jaar Metro Pensioenfonds, toch geen verhoging pensioenen

Goed jaar Metro Pensioenfonds, toch geen verhoging pensioenen Verkort jaarverslag 2014 In dit verkorte jaarverslag 2014 zetten we de hoofdpunten uit het volledige jaarverslag van Metro Pensioenfonds voor u op een rij: we blikken terug op het pensioenjaar 2014 en

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal 2014-1 januari 2014 t/m 31 maart 2014. Samenvatting: stijgende aandelen

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal 2014-1 januari 2014 t/m 31 maart 2014. Samenvatting: stijgende aandelen Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Eerste kwartaal 2014-1 januari 2014 t/m 31 maart 2014 Samenvatting: stijgende aandelen Nominale dekkingsgraad gestegen van 123,0% naar 123,6% Reële dekkingsgraad

Nadere informatie

Datum: 12 december 2014 Betreft: Effecten aanpassing pensioenregels 2015: een toelichting

Datum: 12 december 2014 Betreft: Effecten aanpassing pensioenregels 2015: een toelichting CPB Notitie Aan: Eerste Kamer der Staten-Generaal Centraal Planbureau Van Stolkweg 14 Postbus 80510 2508 GM Den Haag T (070)3383 380 I www.cpb.nl Contactpersoon M.H.C. Lever en Th. Michielsen Datum: 12

Nadere informatie

Verslag bijeenkomst SVG 9 maart 2016

Verslag bijeenkomst SVG 9 maart 2016 Verslag bijeenkomst SVG 9 maart 2016 Op woensdagmiddag 9 maart, aansluitend aan de jaarbijeenkomst van de Vereniging Gepensioneerden Getronics (VGG), organiseerde Stichting Voorzieningsfonds Getronics

Nadere informatie

Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten. Vermogensbeheer SPMS. 17 november 2014

Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten. Vermogensbeheer SPMS. 17 november 2014 Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten Vermogensbeheer SPMS 17 november 2014 Structuur SPMS (vermogensbeheer) Bestuur SPMS F&C (verantwoord beleggen) Ortec (ALM studie) Bestuursbureau Investment

Nadere informatie

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van [[Datum openlaten]], nr. [[nr invullen]],;

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van [[Datum openlaten]], nr. [[nr invullen]],; Ontwerpbesluit van [[ ]] tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen in verband met vaststelling van de parameters vanaf 2015 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale

Nadere informatie

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 4 tot en met 6.

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 4 tot en met 6. Opgave 5 Bij deze opgave horen de informatiebronnen 4 tot en met 6. De Stichting Bedrijfspensioenfonds voor Medewerkers in het Notariaat (hierna te noemen Het Pensioenfonds) verzorgt de pensioenen van

Nadere informatie

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Derde kwartaal juli 2014 t/m 30 september 2014

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Derde kwartaal juli 2014 t/m 30 september 2014 Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Derde kwartaal 2014-1 juli 2014 t/m 30 september 2014 Nominale dekkingsgraad is gedaald van 123,1% naar 117,0% Beleggingsrendement is 1,8%, Obligaties stegen

Nadere informatie

2e kwartaal 2016 Den Haag, juli 2016

2e kwartaal 2016 Den Haag, juli 2016 Kwartaalbericht 2e kwartaal 2016 Den Haag, juli 2016 Samenvatting cijfers per 30 juni 2016 Dekkingsgraad (UFR): 99,0% Beleidsdekkingsgraad: 99,6% Belegd vermogen: 23,3 miljard Rendement 1 e halfjaar 2016:

Nadere informatie

2e kwartaal 2017 Den Haag, juli 2017

2e kwartaal 2017 Den Haag, juli 2017 Kwartaalbericht 2e kwartaal 2017 Den Haag, juli 2017 Samenvatting cijfers per 30 juni 2017 Dekkingsgraad (UFR): 104,9% Beleidsdekkingsgraad: 101,8% Belegd vermogen: 23,5 miljard Rendement 2017 t/m juni:

Nadere informatie

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Vierde kwartaal oktober 2016 t/m 31 december Samenvatting:

Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Vierde kwartaal oktober 2016 t/m 31 december Samenvatting: Kwartaalbericht Algemeen Pensioenfonds KLM Vierde kwartaal 2016-1 oktober 2016 t/m 31 december 2016 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad ultimo december is 108,4% en is gestegen ten opzichte

Nadere informatie

Onderzoek gevolgen lage rente en ufr voor de financiële positie van pensioenfondsen

Onderzoek gevolgen lage rente en ufr voor de financiële positie van pensioenfondsen Onderzoek gevolgen lage en ufr voor de financiële positie van pensioenfondsen 9 oktober 2015 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Samenvatting In de afgelopen jaren is wereldwijd de gedaald.

Nadere informatie

Veel veranderingen in druk pensioenjaar 2015

Veel veranderingen in druk pensioenjaar 2015 Verkort jaarverslag 2015 Elk jaar legt Metro Pensioenfonds in het jaarverslag verantwoording af over het gevoerde beleid van het afgelopen jaar. Voor degenen die liever een overzicht willen lezen van de

Nadere informatie

De Dynamische Strategie Portefeuille DSP

De Dynamische Strategie Portefeuille DSP De Dynamische Strategie Portefeuille DSP Onderdeel van het beleggingsbeleid van Pensioenfonds UWV 1 Inhoudsopgave Waarom beleggen? 4 Beleggen is niet zonder risico s 4 Strategische beleggingsportefeuille

Nadere informatie

Kwartaalbericht 3e kwartaal 2008

Kwartaalbericht 3e kwartaal 2008 Kwartaalbericht 3e kwartaal 2008 Kredietcrisis en afnemende economische groei leiden tot lagere dekkingsgraad van 126% Belegd vermogen daalt naar 81,9 miljard Besluit indexering en pensioenpremie in december

Nadere informatie

Te behalen uitkering varieert bij DC-pensioen sterker dan bij DB

Te behalen uitkering varieert bij DC-pensioen sterker dan bij DB date: 23.06.2014 place: Amsterdam Te behalen uitkering varieert bij DC-pensioen sterker dan bij DB Frank van Alphen, FD media Het verschil tussen de uitkering in een pessimistisch en een optimistisch scenario

Nadere informatie

Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013.

Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013. Kwartaalbericht 2014 Samenvatting Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013. Meer informatie vindt u op de website. Beleggingsrendement

Nadere informatie

1. Levensverwachting: realisatie ten opzichte van verwachting

1. Levensverwachting: realisatie ten opzichte van verwachting Datum: 14 september 2016 Publicatie AG2016 Gemiddelde stijging van de voorziening circa 0,5%, de zuivere kostendekkende premie neemt gemiddeld toe met circa 0,8%. Op dit moment is de de overlevingstafel

Nadere informatie

Jaarbericht Terugblikken en vooruitkijken. delta lloyd pensioenfonds

Jaarbericht Terugblikken en vooruitkijken. delta lloyd pensioenfonds delta lloyd pensioenfonds Jaarbericht 2010 Terugblikken en vooruitkijken In dit Jaarbericht leest u wat er in 2010 bij het pensioenfonds gebeurde. We gaan wat dieper in op onze beleggingen en andere financiële

Nadere informatie

3e kwartaal 2017 Den Haag, oktober 2017

3e kwartaal 2017 Den Haag, oktober 2017 Kwartaalbericht 3e kwartaal 2017 Den Haag, oktober 2017 Samenvatting cijfers per 30 september 2017 Dekkingsgraad (UFR): 106,4% Beleidsdekkingsgraad: 103,5% Belegd vermogen: 23,9 miljard Rendement 2017

Nadere informatie

H E T W E T S V O O R S T E L F T K T O E G E P A S T I N D E P R A K T I J K

H E T W E T S V O O R S T E L F T K T O E G E P A S T I N D E P R A K T I J K H E T W E T S V O O R S T E L F T K T O E G E P A S T I N D E P R A K T I J K Samenvatting In ons position paper van 22 augustus jl. heeft u de reactie van de Pensioenfederatie op het wetsvoorstel FTK

Nadere informatie

November Financiële positie Pensioenfondsen. Rapportage op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

November Financiële positie Pensioenfondsen. Rapportage op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid November 2016 Financiële positie Pensioenfondsen Rapportage op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1. Inleiding De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft

Nadere informatie