HET MOTIEF ALS MOTIVERING?

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "HET MOTIEF ALS MOTIVERING?"

Transcriptie

1 HET MOTIEF ALS MOTIVERING? Een onderzoek naar de rol van de motieftheorie in de jurisprudentie van de Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij de beoordeling van de bovengrens van de regelgevende bevoegdheid van de gemeenteraad MASTERSCRIPTIE VRIJE UNIVERSITEIT 16 AUGUSTUS 2013 Frank van Putten (student nr ) Masterstudent Rechtsgeleerdheid Afstudeerrichting Staats- en bestuursrecht Begeleider: mr. dr. S.A.J. Munneke Tweede lezer: prof. mr. A.E. Schilder

2 INHOUDSOPGAVE INLEIDING DE MOTIEFTHEORIE IN THEORIE Parlementaire geschiedenis Trekhondenwet Herziening Gemeentewet Invoering Gemeentewet Literatuur Posterieure verordening Anterieure verordening Reflectie en deelconclusie I DE HOGE RAAD EN DE MOTIEFTHEORIE Twee klassiekers? Emmense baliekluivers APV Schiermonnikoog Van Emmen tot Amsterdam Winkelsluitingstijden Verkeer- en parkeergeschillen Provinciale verordeningen Scheepvaart Openbare orde Reflectie en deelconclusie II DE AFDELING EN DE MOTIEFTHEORIE Aanleiding scriptie: Blowverbod Amsterdam Andere jurisprudentie van de Afdeling Openbare orde Recreatiewoningen Binnenvaart Natuur en monumenten Verkeer- en parkeergeschillen Reflectie en deelconclusie III BEANTWOORDING ONDERZOEKSVRAAG Formele aspecten Materiële aspecten Slotopmerkingen BRONNEN BIJLAGE: WETTEKST

3 INLEIDING De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. Zo luidt artikel (hierna: art.) 149 Gemeentewet. Deze autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad kent grenzen. Eén daarvan is de zogenaamde bovengrens: hogere regelingen als grens voor de regelgevende bevoegdheid van de gemeente. Die grens staat in deze scriptie centraal. Dat hogere regelingen een begrenzing zijn van de bevoegdheid zoals die in art. 149 Gemeentewet is geformuleerd, blijkt uit art. 122 Gemeentewet dat bepaalt dat wanneer een hogere regeling hetzelfde onderwerp is gaan regelen, de gemeentelijke verordening ophoudt te gelden. De cruciale vraag daarbij is wanneer er sprake is van hetzelfde onderwerp. Diezelfde vraag doet zich voor bij art. 121 Gemeentewet dat bepaalt dat wanneer een hogere regeling reeds in het onderwerp heeft voorzien, de gemeentelijke wetgever bevoegd blijft ten aanzien van datzelfde onderwerp regels te treffen, tenzij dat leidt tot strijd met de hogere regeling. In de literatuur lijkt een criterium te zijn ontwikkeld om tot een beoordeling van de vraag naar het begrip onderwerp te komen: alleen indien zowel het object en het motief van de lagere regeling hetzelfde is, kan gesproken worden over hetzelfde onderwerp. Deze leer wordt de motieftheorie genoemd. Het is echter de vraag of de Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State rechtsvragen die op deze materie betrekking hebben, langs deze lijn beoordelen. Recent volstond de Afdeling met de overweging dat de APV van Amsterdam de Opiumwet dupliceerde en daarom, ongeacht het motief, onverbindend was. 1 Maar dat is niet het enige voorbeeld bij de vraag of deze rechtscolleges de motieftheorie hanteren zoals die in de literatuur wordt voorgesteld, zo zal blijken. Daarmee is de vraag geboren of ter motivering van een beoordeling van een beroep op art. 121 of 122 Gemeentewet, naar het motief van de regelingen wordt verwezen. Dit onderzoek ziet om die reden op de vraag op welke wijze de reikwijdte van de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente, in het kader van de bovengrens, door de Hoge Raad en de Afdeling beoordeeld wordt. Onderzoeksvraag In het kader van de hierboven beschreven aanleiding heb ik de volgende onderzoeksvraag geformuleerd: In hoeverre komt de motieftheorie zoals deze in de literatuur wordt beschreven, overeen met de wijze waarop de Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de reikwijdte van de regelgevende bevoegdheid van de gemeenteraad, in het licht van hogere regelingen, beoordelen? Om tot een antwoord op de hoofdvraag te komen gebruik ik enkele deelvragen. In hoofdstuk 1 zal het theoretisch kader centraal staan. De deelvraag daarin aan de orde komt is: Wat wordt in de literatuur onder de motieftheorie verstaan? Diverse auteurs zullen de revue passeren, evenals delen uit de parlementaire geschiedenis. Na het theoretisch kader zal de jurisprudentie worden onderzocht: hoe beoordelen de Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geschillen rond de bovengrens van de regelgevende bevoegdheid van gemeenten, in het licht van hogere regelingen? In hoofdstuk 2 zal ik dat doen met betrekking tot de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarmee wordt een antwoord gegeven op de tweede deelvraag: Op welke wijze beoordeelt de Hoge Raad de bovengrens van de regelgevende bevoegdheid van de gemeenteraad? In het derde hoofdstuk zal ik dat doen met betrekking tot de jurisprudentie van de Afdeling, om een antwoord te kunnen geven op de derde deelvraag: Op welke wijze beoordeelt de Afdeling de bovengrens van de regelgevende bevoegdheid van de gemeenteraad? Na het beschrijven van de theorie en jurisprudentie zal ik in hoofdstuk 4 een antwoord formuleren op de hoofdvraag. Daarna volgt een overzicht van de gebruikte literatuur, Kamerstukken en jurisprudentie. Tenslotte vindt u in de bijlage de wettekst van de onderhavige bepalingen van de Gemeentewet. 1 ABRvS 13 juli 2011, AB 2011/250 (m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder). 3

4 Afbakening Bij de bespreking van de jurisprudentie zal ik de arresten die betrekking hebben op verordeningen in relatie tot grondrechten of de Gemeentewet buiten beschouwing laten. Bij een beroep op een grondrecht is de vraag immers of de beperkingen gerechtvaardigd zijn gezien de in de Grondwet dan wel bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden gestelde vereisten, waaronder die van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor de Gemeentewet geldt dat deze organieke wet niet zozeer materiële belangen behartigt maar ziet op de organisatiestructuur van gemeenten; en dat kwesties daaromtrent betrekking hebben op bevoegdheidsverdeling binnen de gemeentelijke organisatie, en om die reden voortvloeien uit art. 149 Gemeentewet zonder zich op het terrein van de art. 121 en 122 Gemeentewet te begeven. Om die redenen vallen deze geschillen buiten het bestek van dit onderzoek. Methodologische verantwoording Uit het bovenstaande volgt dat dit onderzoek praktijkgericht is en de onderzoeksvraag in twee delen uiteenvalt: een beschrijvend deel en een evaluerend deel. Omdat het onderzoek inzicht biedt in de wijze waarop de Hoge Raad en de Afdeling onderhavige problemen beslechten, is het onderzoek als praktijkgericht te kwalificeren. Er is enerzijds sprake van een beschrijvend deel omdat gezocht wordt naar de visie op de onderhavige vraagstukken in de literatuur, en anderzijds een evaluerend deel omdat onderzocht is of die visie die in de literatuur naar voren komt, overeenkomt met de wijze waarop de genoemde rechtscolleges zoeken naar een antwoord op de vragen van de onderhavige problematiek. De relevantie van dit onderzoek is gelegen in het bieden van inzicht in de wijze waarop de genoemde hoogste rechtscolleges de onderhavige problematiek beslechten: wordt dit gedaan met behulp van de motieftheorie zoals die in de literatuur wordt beschreven, of langs een andere weg? Wanneer daarover inzicht geboden kan worden, zijn gemeentelijke overheden beter in staat de juridische houdbaarheid van hun regelingen te beoordelen en zo nodig zelf actie te ondernemen, bijvoorbeeld door verordeningen zodanig in te richten dat deze de toets van Gemeentewet kunnen doorstaan. Óf dat gewenste inzicht geboden kan worden zal op de laatste pagina s blijken. Leeswijzer Wanneer in deze scriptie verwezen wordt naar wetsartikelen dan wordt daarmee verwezen naar de Gemeentewet. Alleen indien het onderdeel is van het citaat, of indien het de leesbaarheid ten goede komt, zal Gemeentewet bijgevoegd worden. Ten behoeve van de leesbaarheid zijn er tussenkopjes aanbracht, naast een indeling in paragrafen. 4

5 1 DE MOTIEFTHEORIE IN THEORIE In dit eerste hoofdstuk staan de vragen centraal wat in de literatuur onder de motieftheorie verstaan wordt, welke rol deze theorie speelt bij zowel de posterieure verordening als de anterieure verordening en wat daarover in de parlementaire geschiedenis is gezegd. De parlementaire geschiedenis komt niet uitvoerig aan bod. Het is de literatuur die centraal staat in dit hoofdstuk, maar enig inzicht in de parlementaire geschiedenis op dit punt is onontbeerlijk. Omdat de behandeling van de Trekhondenwet reeds bij de oude meesters wordt aangehaald, en deze casus de onderhavige problematiek goed schetst, heb ik gekozen de behandeling van dat wetsvoorstel als vertrekpunt te hanteren. Daarna zal ik ingaan op de wijzigingen van de Gemeentewet in 1931 en de invoering van de Gemeentewet Daarna zal de literatuur aan bod komen. Daarbij begin ik met rechtsgeleerden als Van Loenen en Oppenheim, en zal ik, met sprongen in de tijd, uiteindelijk de opvattingen zoals die heden ten dage in de literatuur voorkomen, aan bod laten komen. Daarbij zal een onderverdeling gevormd worden door de bespreking van de posterieure verordening enerzijds, en de bespreking van de anterieure verordening anderzijds. 1.1 Parlementaire geschiedenis Trekhondenwet Zij die enigszins zijn ingewijd in het vraagstuk van de motieftheorie zullen erkennen dat de regeling rond trekhonden een geschikt voorbeeld is ter inleiding op de bespreking van de onderhavige materie. Aan het begin van de 20 e eeuw deden in ons land ongeveer tachtigduizend trekhonden dienst. 2 In gemeentelijke en provinciale verordeningen waren hierover bepalingen opgenomen, ter bescherming van die trekhonden. Trekhonden werden gezien als bruikbare en goedkope krachten. Om die reden achtte de regering een algeheel verbod niet raadzaam. Wel achtte de regering het nuttig een uniforme regeling te maken met het oog op hen die van trekhonden gebruik maakten. Ook vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid achtte de regering dit nuttig, en -niet in de laatste plaats- vanwege voorkomende slechte behandeling van deze honden. 3 Een gemeentelijke regeling die het gebruik van trekhonden verbood (zoals in Haarlem van kracht was voor de invoering van de Trekhondenwet) werd met de invoering van de Trekhondenwet afgesneden. 4 Een dergelijk verbod (en dus de verschillende regelgeving van gemeenten en provincies) maakt het de gebruikers van trekhonden lastig nu het vervoer vaak over de gemeente- en provinciegrenzen gaat. Ook de trekhonden zelf zijn niet gediend bij een dergelijke regeling: als zij in een bepaalde gemeente niet mogen worden ingezet, worden ze zodra ze buiten de betreffende gemeentegrens komen extra gemaand hard door te lopen, zo voerde de regering aan. 5 De vraag die zich vervolgens voordeed was of gemeenten deze wet mochten aanvullen. De wet zelf zou geen algeheel verbod bevatten. Zou een plaatselijke verordening dit alsnog wél mogen? Dat leek de minister niet wenselijk gezien het vervoer tussen steden, maar het leek hem ook niet rationeel dat een plaatselijke verordening iets zou verbieden wat de wetgever binnen zekere perken als geoorloofd gebruik aanmerkt. 6 Echter, direct daarop liet de minister volgen dat in het kader van art. 135 het gemeenten vrij staat op bepaalde wegen en uren van de dag het gebruik van trekhonden te verbieden met het oog op het belang van verkeersveiligheid. Die vrijheid van gemeenten wordt door deze wet niet aangetast, aldus de minister, nu de 2 Kamerstukken II 1909/10, 145, nr Kamerstukken II 1909/10, 145, nr Kamerstukken II 1909/10, 145, nr Kamerstukken II 1909/10, 145, nr Kamerstukken II 1909/10, 145, nr. 5. 5

6 wet ziet op het tegengaan van misbruik van trekhonden. 7 Later bevestigde de minister nogmaals dat gemeenten regelingen over trekhonden mogen treffen, maar uitsluitend uit oogpunt van verkeersveiligheid; deze mogen niet vanuit het oogpunt dierenwelzijn worden gemaakt omdat dat oogpunt de wetgever nu juist, met het oog op pluriformiteit, heeft willen regelen. 8 Kamerlid Rink verdedigde bij dit wetsvoorstel volmondig dat een plaatselijke verordening een algeheel verbod kon inhouden. Gekeken moest worden naar het onderwerp, het belang dat de regeling beoogt te beschermen. Naar zijn mening kunnen verordeningen (blijven) bestaan die het gebruik van trekhonden geheel verbieden wanneer deze verkeersveiligheid als doelstelling hebben. Het is dus een geheel ander beginsel, een geheel ander uitgangspunt, een geheel ander belang, dat door de gemeentebesturen geregeld wordt. Daarom is het onderwerp, dat deze wet regelt, verschillend van dat, hetwelk door de lagere besturen reeds geregeld is of misschien geregeld zal worden. 9 Oppenheim zegt hierover dat het richtsnoer niet scherper en helderder kan worden gegeven dan Rink gedaan heeft. 10 Naar de mening van de minister ging de heer Rink echter te ver. Maar de minister was tweeslachtig: er kunnen misschien gevallen zijn dat dit zo is, zei de minister, maar men moest toch wel in het oog houden wat art. 151 bepaalde. 11 Gemeentebesturen die een algeheel verbod uitvaardigen komen volgens de minister op het terrein van het wetsvoorstel van de regering. 12 Vanuit verkeersveiligheid een algeheel verbod uit te vaardigen zou volgens de minister in strijd komen met het beginsel van de Trekhondenwet dat gebruik van trekhonden juist toestaat. Om vervolgens de chaos compleet te maken: Het algemeen verbod van het gebruik van trekhonden zal niet anders dan groote uitzondering kunnen zijn. 13 Dus wel mogelijk. Met Oppenheim ben ik dan ook van mening dat het niet goed te begrijpen is dat de minister enerzijds aangeeft dat gemeenten op bepaalde wegen en uren het gebruik van trekhonden mag verbieden, maar dat het gemeenten niet vrij staat een algeheel verbod uit te vaardigen. 14 De Hoge Raad volgde in zijn arrest, daterend van 1 april 1912, een andere lijn dan de minister en oordeelde dat de Trekhondenwet 1910 niet voorziet in hetzelfde onderwerp als een bepaling van een plaatselijke verordening die aan geleiders van trekhonden verbood om op bepaalde gedeelten van de openbare weg op hun hondenkarren te blijven zitten, aangezien dit verbod was gegeven in het belang van de veiligheid van het verkeer. 15 Het verschil in doelstelling was in casu bepalend voor het al dan niet verbindend zijn van de gemeentelijke verordening. Het belang dat de hogere regeling beoogt te regelen bepaalt de ruimte voor aanvullende regelgeving Herziening Gemeentewet 1931 Tussen 1920 en 1931 is een aantal voorstellen gedaan tot herziening van de Gemeentewet. Op 17 juli 1923 het eerste. 16 Dat wetsvoorstel werd door de regering ingetrokken onder gelijktijdige indiening, op 21 november 1928, van een nieuw ontwerp tot wijziging en aanvulling van de Gemeentewet. 17 In zowel het voorstel van 1923 als dat van 1928 is in de memorie van toelichting uitgebreid ingegaan op de verordenende bevoegdheid van de Raad. 18 In 1923 schreef minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw Ruys de Beerenbrouck over art. 150 en 151: Hopeloze verdeeldheid en eindeloos verschil van gevoelen zijn bij de toepassing van artikel 150 der Gemeentewet voor den dag gekomen. En bij die van artikel 151 in vooral niet 7 Zie bijv. ook Kamerstukken II 1909/10, 145, nr. 145, p Idem, p Handelingen II 1909/1910, nr. 145 p Oppenheim, Eerste deel, p Handelingen II 1909/1910, nr. 145 p Handelingen II 1909/1910, nr. 145 p Handelingen II 1909/1910, nr. 145 p Oppenheim, Eerste deel, p Van der Burg Kamerstukken II 1922/23, 515, nr Kamerstukken II 1928/29, 235, nr Kamerstukken II 1922/23, 515, nr. 3, Algemene beschouwingen, par. 9. Kamerstukken II 1928/29, 235, nr. 3, Artikel LVIII. 6

7 mindere mate. 19 Het is verleidelijk om veel meer uit de memorie van toelichting te citeren, maar veel vragen die de minister voorlegt ter onderbouwing van zijn uitspraak zullen in soortgelijke bewoordingen te vinden zijn bij de bespreking van de literatuur. Belangrijker is te vermelden op welke wijze de regering dit probleem wenst op te lossen. Nadrukkelijk stelt de regering dat de raad de verordeningen moet kunnen maken die hij nodig oordeelt, zonder te moeten puzzelen of hij zich niet op een verboden terrein begeeft. 20 Er geldt slechts één beperking zegt de minister, te weten dat zijne regeling niet tot onderwerp mag hebben hetzelfde belang waarin de hoogere regeling voorziet. Belang, niet onderwerp, de uitdrukking die artikel 151 der gemeentewet bezigt. De stof, die de hoogere macht heeft geregeld, welke ook, moet de raad evenzeer tot het onderwerp van regeling kunnen maken. Hij mag veilig eene, met de wetgevende bevoegdheid der hoogere regelaars concurrerende, regelingsbevoegdheid hebben. Mits maar het belang, het oogmerk, dat hem tot de regeling doet overgaan, een ander is dan dat hetwelk den hoogeren regelaar voortbewoog. De Trekhondenwet geeft hiervan een sprekend voorbeeld. 21 Om iets verderop nog met nadruk te stellen dat hij het oogmerk, het motief als bepalend wenst te stellen voor de bepaling van de wetgevende bevoegdheid; de verordeningen mogen alleen niet voorzien in hetzelfde belang dat de hogere regeling zich aantrekt, tenzij deze laatste daartoe vrijheid geeft ( ). 22 Veel duidelijker kan het mijns inziens niet. De tekst in de memorie van toelichting bij het voorstel uit 1928 is haast identiek, zij het wat minder uitvoerig. Dit alles had ten doel de onzekerheid over de verordeningen van de raad te doen ophouden. Het verkrijgen van zekerheid en vastheid op dit punt vindt de minister van ingrijpend belang. 23 Wat dit deel van de parlementaire geschiedenis duidelijk maakt is dat al in 1931 door de regering is gekozen het motief (het belang dat de wetgever deed overgaan een hogere regeling te treffen) leidend te laten zijn bij de bepaling van de aanvullingsbevoegdheid; zonder dat dit overigens expliciet in een wet is vastgelegd Invoering Gemeentewet 1992 Vijfenvijftig jaar na de inwerkingtreding van de Wet tot herziening van de Gemeentewet, werd op 12 februari 1986 door de regering het wetsvoorstel Nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenten aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 24 De wettekst met betrekking tot de posterieure verordening en de anterieure verordeningen was in dat wetsvoorstel identiek aan de huidige tekst in de Gemeentewet, alleen de nummering verschilde. Met betrekking tot de posterieure verordening werd tijdens de parlementaire behandeling door de regering in de memorie van antwoord allereerst opgemerkt dat met deze bepaling ongeschreven recht wordt gecodificeerd. De bepaling is gebaseerd op jurisprudentie van de Kroon en van de rechter. 25 Over de bovengrens merkt de regering op dat de motieftheorie daarbij een belangrijke rol speelt, waarna zij de theorie als volgt beschrijft: Beoordeeld wordt in hoeverre een hogere regeling uitputtend moet worden geacht en mitsdien tot schorsing of vernietiging of tot onverbindend-verklaring van een raadsverordening moet worden overgegaan. Betreft een gemeentelijke verordening eenzelfde materie als een hogere regeling, maar is het doel verschillend, dan speelt artikel 123 niet, tenzij er sprake is van strijd met een grondrecht. ( ) De rechter hanteert thans bij de toetsing het uitgangspunt dat het gemeentebestuur aanvullende verordenende bevoegdheid heeft. Dit beginsel lijdt in twee gevallen uitzondering. Ten eerste moet de hogere regeling niet uitputtend zijn en ten tweede mag de aanvullende regeling niet bestaan uit bepalingen die in strijd zijn met de hogere regeling. Dit ongeschreven recht wordt nu in artikel 123 vastgelegd ( ). 26 En in de memorie van 19 Kamerstukken II 1922/23, 515, nr. 3, Algemene beschouwingen, p Kamerstukken II 1922/23, 515, nr. 3, Algemene beschouwingen, p Kamerstukken II 1922/23, 515, nr. 3, Algemene beschouwingen, p Kamerstukken II 1922/23, 515, nr. 3, Algemene beschouwingen, p Kamerstukken II 1922/23, 515, nr. 3, Algemene beschouwingen, p. 22. Zie ook Kamerstukken II 1928/29, 235, nr. 3, Algemene beschouwingen, p Kamerstukken II 1985/86, , nr Kamerstukken II 1985/86, , nr. 10, p Kamerstukken II 1988/89, , nr. 10, p

8 toelichting stond al: De thans voorgestelde tekst brengt mee, dat gemeenten hogere regelingen mogen aanvullen, doch daarmee niet in strijd mogen handelen. 27 Dus: wanneer is vastgesteld dat zowel materie als doel van de regelingen hetzelfde zijn, is inperking van de aanvullende bevoegdheid in twee gevallen mogelijk. In de eerste plaats als de hogere regeling uitputtend is. Ten tweede geldt dat in het geval er géén sprake is van uitputtendheid in de hogere regeling, de aanvullende regeling de hogere regeling niet mag frustreren. Met betrekking tot de anterieure verordening zegt de regering dat wanneer de nieuwe hogere regeling het onderwerp gaat regelen, de lagere regeling van rechtswege in het geheel ophoudt te gelden, ook wanneer zij zich slechts ten dele inlaat met het door een nieuwe hogere regeling geregeld onderwerp. De gemeenteraad zal, na het van rechtswege vervallen van die bepalingen, deze desgewenst opnieuw kunnen vaststellen voor zover zij betrekking hebben op een niet door de nieuwe hogere regeling geregeld onderwerp. 28 Kortom: de regeling omtrent de anterieure verordening bleef met de Gemeentewet 1992 zoals die was. Met betrekking tot de posterieure werd een wijziging geformuleerd. De aanvullingsbevoegdheid van gemeenten veranderende van nee, tenzij naar ja, mits. 1.2 Literatuur Posterieure verordening Bij de bespreking van de posterieure verordening is van belang op te merken dat de wettekst in 1992 gewijzigd is. Waar voordien bepaald was dat de plaatselijke verordeningen niet mogen treden in hetgeen van rijks- of provinciaal belang is, is de huidige tekst dat de raad bevoegd blijft regels te stellen ten aanzien van onderwerpen waarin door het Rijk of de provincie is voorzien, met als begrenzing dat die verordening niet met een hogere regeling in strijd mag komen. De vrije regelingsbevoegdheid van gemeenteraden is daarmee als uitgangspunt genomen, en de herinnering aan de driekringenleer uitgewist. 29 In de literatuur wordt vooral aandacht besteed aan de volgende vragen: Volgt uit het feit dat een hogere regeling een bepaalde materie regelt, dat er voor de gemeenteraad geen ruimte is ten aanzien van die materie nog regels te stellen? Zo nee, op welke wijze moet dan bepaald worden of er ruimte is voor aanvulling? Op welke wijze is een en ander kenbaar voor de gemeentelijke regelgever? Deze vragen zullen dan ook leidend zijn voor de verdere bespreking in deze paragraaf. Uitputtendheid hogere regeling In hoeverre is de gemeentelijke wetgever bevoegd regels stellen ten aanzien van een belang dat reeds in een hogere regeling is geregeld? Of om met Van Loenen te spreken: Moet, wanneer de rijks- of provinciale wetgever of de kroon de regeling van eenig belang aan zich getrokken heeft, dat onderwerp daardoor als van zelf in zijn vollen omvang beschouwd worden als van rijks- of provinciaal belang te zijn geworden, zoodat de raad zich van iedere nadere of aanvullende regeling heeft te onthouden? 30 Zelf geeft hij geen antwoord op die vraag. Oppenheim doet dat in zijn werk Het Nederlandsch Gemeenterecht wel: Ik zou zelf van meening zijn ( ) dat alles daarbij aankomt op het motief dat ten grondslag heeft gelegen aan de hogere regeling. Heeft de rijks-, heeft de provinciale wetgever de stof aangemerkt als in haar ganschen omvangt tot zijn gebied te behoren? Of heeft hij haar uit één oogpunt, met het oog op één belang, geregeld en zich voorgesteld, dat zij ook kanten heeft, die voor gemeentelijke regeling in aanmerking komen? 31 Als de bijzondere wet de aanvullingsbevoegdheid niet expliciet toekent, zal het van de beantwoording van die vragen afhangen, aldus 27 Kamerstukken II 1985/86, , nr. 3, p Kamerstukken II 1985/86, , nr. 3, p Dölle en Elzinga 2004, p Van Loenen, p Oppenheim, p

9 Oppenheim. 32 Oppenheim stelt dus de vraag of de bijzondere wet zich over de bevoegdheid uitlaat, voorop; als die wet geen uitsluitsel geeft is het de vraag of de hogere regelgever de materie uitputtendheid heeft willen regelen of dat deze ruimte laat voor regelgeving, vanuit andere belangen, door gemeenten. Naar de mening van Oppenheim gaat het bij aanvulling om het regelen van een materie 33 die de hogere regelgever slechts voor een deel als zijn belang heeft aangemerkt zodat daarnaast nog ruimte bestaat voor de gemeentelijke regelgever dezelfde materie te regelen maar dan vanuit het belang van de gemeentelijke huishouding. Hij neemt daarmee stelling tegen Levy die hij citeert, die stelde dat als de staat eenig belang slechts ten deele heeft geregeld, de gemeente niet kan komen aansnellen om die open ruimte te bezetten. 34 Oppenheim voert daartegen het volgende verweer: In het rijks- of provinciaal belang heeft de raad niet te treden. Maar het gemeentebelang is zijne, uitsluitend zijne zaak. Maakt dit belang een nadere regeling noodig van dezelfde stof, die de hoogere wetgever zich heeft aangetrokken, maar die hij slechts ten deele als van zijn competentie heeft aangemerkt, de raad kan haar in het aanzijn roepen, mits niet zondigende tegen het hooger statuut. 35 In dit dispuut met Levy was de vraag dus of er nadere regels mogen worden gesteld door de gemeenteraad met betrekking tot een materie die de hogere regelgever deels voor zijn rekening heeft genomen, vanuit het belang van de gemeentelijke huishouding. Het ziet daarmee op de vraag of vanuit andere belangen dezelfde materie mag worden geregeld. Die vraag beantwoordt Oppenheim bevestigend. Oppenheim geeft aan niet te kunnen begrijpen dat de minister bij de behandeling van de Trekhondenwet niet expliciet wilde erkennen dat vanuit het oogpunt verkeersveiligheid alsnog een algeheel verbod in een plaatselijke verordening kon worden opgenomen. 36 Zij [de behandeling van de Trekhondenwet, FvP] heeft scherp de bedoeling, de motief-theorie, als, naar geldend recht, beslissend voor het bestaan van deze bevoegdheid onderstreept, en, als de juiste, naar voren gebracht. 37 Oud gaat ook op dit vraagstuk in. Oud refereert aan het begrip open ruimte dat Oppenheim gebruikte. Die open ruimte heeft de wetgever óf voor zichzelf willen reserveren óf de wetgever ziet dit als niemandsland wat anderen kunnen bezetten. In het eerste geval is er geen aanvullingsbevoegdheid, in het tweede geval wel. 38 Een belangrijk aandachtspunt van Oud vind ik dat hij aandacht vraagt voor het feit dat situatie zich voor kan doen dat de hogere regelgever een terrein in zijn volle omvang heeft willen regelen, maar daarbij voor bepaalde gedragingen bewust ruimte heeft gelaten. In dat geval is er geen ruimte voor lagere regelgevers die gedragingen alsnog te verbieden. 39 Deze notie ben ik bij Van Loenen en Oppenheim niet tegengekomen (waarmee ik overigens niet zeg dat zij dit zouden ontkennen. Iemand als Van der Burg doet dit wel, maar dat zal verderop nog blijken). Bepalend is volgens Oud in hoeverre de rijkswetgever het onderwerp wenst te regelen, waarbij het aan de Kroon is om vast te stellen wat de wil van de wetgever is geweest. 40 Vanzelfsprekend zal, in geval van twijfel omtrent de betekenis van zijn voorschriften, het motief, dat de wetgever tot het treffen van een regeling heeft bewogen, van grote invloed kunnen zijn. ( ) Het komt er steeds weer op aan, hoever de wetgever zijn bemoeiing heeft willen uitstrekken. 41 Ter motivering verwijst hij naar geschillen in het kader van de Trekhondenwet, waarmee hij te kennen geeft de lijn van Oppenheim en de Hoge Raad op dit punt te volgen. Oud lijkt zijn stellingen te willen verduidelijken aan de hand van een regeling in Wageningen. Hij beschrijft de situatie als volgt: In het Wetboek van Strafrecht is een bepaling opgenomen over de verkoop van sterke drank. De gemeenteraad van Wageningen had, in haar visie, over dit onderwerp nadere regels gesteld als aanvullende regeling; waarbij herbergiers verboden werd sterke drank te verkopen aan hen 32 Oppenheim, p Oppenheim, p Letterlijk: stof. 34 Oppenheim, p Oppenheim, p Oppenheim, p Oppenheim, p Oud, p Oud, p Oud, p Oud, p. 177,

10 die van de gemeente bedeeld werden. Gedeputeerde Staten meenden dat de Raad hiermee was getreden in iets wat van Rijksbelang was. De minister betoogde echter dat de met de bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht niet gezegd kon worden dat het Rijk een onderwerp geheel aan regeling door lagere overheden had onttrokken. Wageningen was volgens de minister helemaal niet bezig met het regelen van hetzelfde onderwerp omdat de bepalingen uit het strafrecht op heel andere personen zagen. Naar de mening van Oud had de gemeenteraad ten onrechte gesproken over nadere regels, omdat er geen sprake was van uitwerking van Rijksregels, waar het woord nadere aan doet denken. De gemeentelijke wetgever had op hetzelfde terrein, naast het door de Rijkswetgever opgetrokken gebouw een gemeentelijke gebouw geplaatst en hij had dit mogen doen, omdat de Rijkswetgever op het open gebleven terrein geen bouwverbod had gelegd. 42 Oud is verder van mening dat de begrippen belang en onderwerp ten onrechte vermengd worden: Het belang, dat de wetgever wil dienen, doet hem zich met het onderwerp bemoeien, doch het is het onderwerp zelf niet. Het belang bepaalt in hoever hij zich met het onderwerp wil inlaten. Vordert het belang naar zijn mening niet dat hij het gehele onderwerp regelt, dan maakt hij het slechts ten dele tot Rijksbelang. Het is dus niet voldoende te constateren, dat de Rijkswetgever een onderwerp in zijn regeling heeft betrokken, men heeft zich ook af te vragen of hij bedoeld heeft het al dan niet in zijn geheel te regelen. 43 Laat ik deze stelling van Oud verduidelijken: het Wetboek van Strafrecht kan regelen dat het verboden is alcoholische dranken te serveren aan jongeren en aan hen die dronken zijn. Dat belang 44 is dan geregeld. Naar de mening van Oud hoeft daarmee het onderwerp tapvrijheid niet geheel geregeld te zijn. Het onderwerp tapvrijheid kan door de lagere regelgever worden aangevuld bijvoorbeeld met een bepaling dat het verboden is alcohol te schenken aan bedelaars. Ook dat valt onder het onderwerp tapvrijheid, maar nu het belang anders is, mag de gemeentelijke regelgever deze aanvullende regels stellen. Wat is de rol van het motief in dezen? Hierboven is aan de orde gekomen dat het motief naar de mening van Oud betrokken kan worden bij de bedoeling van de wetgever. Over de rol van het motief lijkt Oud echter een dubbele stelling in te nemen: het motief is volgens Oud van uitnemend belang om vast te stellen of hij al dan niet het gehele onderwerp heeft willen regelen, maar dit betekent niet, dat het motief het onderwerp bepaalt. 45 Het bepalende criterium is volgens Oud of de hogere regeling het onderwerp uitputtend heeft willen regelen; het doel van de regelingen is niet relevant. Kranenburg stelt, dat de Rijkswetgever de vrijheid van tappen had beperkt in het belang van de openbare zedelijkheid en gezondheid, terwijl de Raad een ander belang, in het bijzonder het tegengaan van het gebruik van sterke drank voor zijn rekening van de gemeentekas, had willen dienen. Voor mij is dat laatste punt ( ) irrelevant. Ik meen, dat het er alleen om gaat, wat de bedoeling van de Rijkswetgever is geweest. Heeft hij het gehele onderwerp der tapvrijheid willen regelen of slechts een deel daarvan? 46 Naar mijn mening bedoelt Oud met betrekking tot het motief, samengevat, het volgende te zeggen: dat het motief van de lagere regeling verschilt van de hogere, is niet relevant; relevant is de vraag of er voor regelingen vanuit andere motieven überhaupt ruimte is gelaten door de rijkswetgever. Daarmee lijkt de cirkel weer rond: stelde Oppenheim immers niet de vraag of de rijkswetgever ruimte had gelaten vanuit andere belangen aanvullende regels te stellen? Het verwarrende is dat Oud aan het begrip belang twee interpretaties lijkt te geven: enerzijds in de zin van de drie kringen-leer, anderzijds als doelstelling of motief van de regeling. In het laatste citaat betreft het de doelstelling of het motief van de regeling. Waar hij sprak over het belang als deel van het onderwerp, gaf hij aan dat begrip de eerstgenoemde interpretatie. Samengevat: in de vroege literatuur staat de vraag centraal of de hogere regelgever ruimte heeft gelaten aan gemeenten om vanuit het gemeentelijke belang aanvullende regels te stellen. 42 Oud, p Oud, p Oud stelt op p. 179: Daarmee is dit onderwerp, dit belang, geregeld ( ). Het begrip belang, en zeker deze zinsnede, kan verwarring oproepen. Dat is dan ook de reden dat dit onderdeel uitvoerige bespreking noodzakelijk maakt om Oud goed te kunnen begrijpen. 45 Zie citaat bij voetnoot 43 en de toelichting van Oud in een voetnoot in Oud, p Oud, p

11 Aanvulling en oneigenlijke aanvulling Oud en Brederveld gaan in op de verschillende varianten waarop de ruimte van de aanvullingsbevoegdheid bepaald kan worden. Dat levert het volgende beeld op: 1. De aanvullingsbevoegdheid wordt door de hogere regeling met zoveel woorden in algemene zin gehandhaafd 47, of juist niet De aanvullingsbevoegdheid wordt door de hogere regeling met zoveel woorden beperkt De hogere regeling zwijgt op dit punt. 50 Oud merkt bij de laatstgenoemde variant op dat de bedoeling van de wetgever centraal staat: wilde deze het onderwerp geheel of gedeeltelijk regelen? In dat laatste geval is er voor het deel dat niet is geregeld, aanvulling mogelijk. De structuur van de wet zal bij de bepaling ervan een rol spelen. Bij twijfel over de bedoeling van de wet is de aanvullingsbevoegdheid te aanvaarden, stelt Oud. Brederveld stelt dat deze kwestie wordt beheerst door de vraag of de aanvulling eigenlijk is of oneigenlijk. 51 Aanvulling is oneigenlijk wanneer de gemeentelijke wetgever een ander motief of belang tot uitgangspunt neemt dan de bestaande hogere regeling beoogt. 52 In wezen is er dan, zo stelt Brederveld, geen sprake van aanvulling van de hogere regeling. Elders zegt hij dat het geen aanvulling is omdat de gemeente een als het ware nog braakliggend gedeelte van hetzelfde terrein dat de hogere regelgever heeft betreden, tot het hare gaat rekenen. 53 Brederveld stelt daarna, in eigen woorden, het volgende: Als de lagere regeling hetzelfde onderwerp vanuit hetzelfde motief regelt maar de hogere regeling geen antwoord op de vraag van de aanvullingsbevoegdheid geeft, dan zal vernietiging van die regeling volgen als de wetsgeschiedenis uitwijst dat de wetgever aanvulling niet wenste. 54 Naast de letter en structuur van de regeling is dus ook de wetsgeschiedenis relevant bij de beantwoording van de vraag naar de aanvullingsbevoegdheid. 55 In hun Handboek van het Nederlandse gemeenterecht leiden Dölle en Elzinga de vraag naar de aanvullingsbevoegdheid van de gemeenteraad als volgt in: In de eerste plaats kan de specifieke regelgever [lees: de hogere regeling, FvP] zelf beslissen over de vraag of er aanvullingsmogelijkheid is. In die gevallen ( ) is duidelijk dat de hogere regeling niet uitputtend is bedoeld. Wel kan uiteraard ook in dat geval de gemeentelijke verordening te vergaand eenzelfde materie regelen waardoor strijd met de hogere regeling ontstaat; over de vraag of er een vorm van aanvulling mogelijk is, bestaat dan echter geen twijfel. In een enkel geval sluit de hogere regeling aanvulling nadrukkelijk uit. 56 Ook zij stellen dus voorop dat de specifieke, hogere regelgever kan bepalen dát er aanvullingsmogelijkheid is; deze kan ook bepalen dat die mogelijkheid er juist niet is. Het is echter meestal het geval dat de wetgever zich niet over de aanvullingsbevoegdheid heeft uitgelaten. Dan ligt de zaak gecompliceerder en is de wetsgeschiedenis en de structuur van de regelgeving wezenlijk, zo stellen zij. 57 Een en ander geldt in het geval dat het onderwerp van beide regelingen hetzelfde is. Is dat niet het geval, dan komt het leerstuk van de oneigenlijke aanvulling in beeld. Het vraagstuk van de zogeheten oneigenlijke aanvulling betreft de vraag in hoeverre er voor eigen gemeentelijke regelgeving naast hogere regelgeving plaats is wanneer materie en motief van beide soorten regelgeving niet identiek zijn. 58 Als de materie van de 47 Oud, p. 185 en Brederveld 1990, p. 198, 202 en 203. Met betrekking tot de formulering gehandhaafd : er wordt in de bijzondere wet immers geen bevoegdheid toegekend; de bevoegdheid berust op de Gemeentewet. 48 Brederveld 1990, p Zie als voorbeeld het al eerder genoemde art. 15 Boswet. 50 Oud, p. 184 (Brederveld 1990, p. 203). 51 Brederveld 1990, p Brederveld 1990, p Brederveld 2005, p Brederveld 1990, p Zie voor een recente beschrijving van ditzelfde uitgangspunt Gst. 2013/43 (annotatie Munneke bij ABRvS 9 januari 2013 (De Biltse Duinen)). 56 Dölle en Elzinga 2004, p De conclusie die in de tweede zin geformuleerd wordt kan natuurlijk alleen waar zijn indien in de eerste zin had gestaan dat de specifieke regelgever bepaald heeft dát die mogelijkheid er is. Zoals het nu geformuleerd is volgt een en ander niet logisch uit elkaar. 57 Dölle en Elzinga 2004, p Dölle en Elzinga 2004, p

12 lagere regeling hetzelfde is als van de hogere regeling, maar het motief verschillend, dan is verdere regelgeving mogelijk. Samenval van onderwerp of punten kan derhalve aanvulling niet tegenhouden indien er verschil in motief is. 59 Schilder en Brouwer maken bij de bespreking van de posterieure verordening een onderverdeling in aanvulling niet-uitputtende wet 60 en oneigenlijke aanvulling uitputtende wet 61. De bevoegdheid tot aanvulling bestaat slechts indien de hogere regeling niet uitputtend is bedoeld. Dat is niet altijd eenvoudig vast te stellen uit de woorden van de tekst of uit de parlementaire geschiedenis. 62 Uit het feit dat een hogere regelgever iets ongeregeld heeft gelaten mag nog niet de conclusie getrokken worden dat aanvulling is toegestaan. De wetgever kan juist een zekere vrijheid voor burgers hebben willen laten bestaan. 63 Het kan ook zijn dat expliciet bepaald is dat aanvullende regelingen niet zijn toegestaan. En in een enkel geval wordt de bevoegdheid tot aanvulling uit de structuur van de tekst afgeleid. 64 Als is vastgesteld dat de gemeenteraad de bevoegdheid heeft over een bepaald onderwerp aanvullende regels te stellen dan betekent dit niet dat die bevoegdheid onbegrensd is. Het doel van de hogere regeling mag niet door de lagere regeling gefrustreerd worden; dan is er sprake van doorkruising. 65 De bevoegdheid tot aanvulling bestaat dus alleen indien de hogere regeling geen uitputtend karakter heeft. Hiermee zijn Schilder en Brouwer aangekomen bij de paragraaf over oneigenlijke aanvulling uitputtende wet. Het sleutelwoord is het begrip onderwerp. Daarna worden de theorieën beschreven hoe dit begrip ingevuld kan worden. Ook al regelen de gemeentelijke verordening en de hogere regeling hetzelfde onderwerp, een conflict doet zich niet voor, als het motief waarmee (of het belang van waaruit) de beide regelgevers dat doen van elkaar verschilt. Het gemeentebestuur had een ander doel voor ogen bij de vaststelling van de regeling dan de hogere regelgever. Anders gezegd: het motief, de te behartigen belangen of de te regelen punten verschillen zodanig dat de desbetreffende voorschriften elkaar niet bijten. Men spreekt in dit geval van oneigenlijke aanvulling. 66 Hiermee wordt voorkomen dat verordeningen te snel geen rechtskracht meer hebben. 67 Schilder en Brouwer merken nog op, onder verwijzing naar het arrest APV Schiermonnikoog, dat de situatie zich kan voordoen dat de motieven van de regelingen verschillen maar de oneigenlijke aanvulling ongeoorloofd is. 68 Over dit arrest kom ik later nog te spreken. Een andere mogelijkheid is nog dat er meerdere motieven spelen bij de lagere regelingen en één daarvan verwantschap heeft met het motief van de hogere regeling. Het is dan aan de rechter welke conclusies hij daar aan verbindt. 69 Hier kom in paragraaf 4.2 nog op terug. Merkwaardig vind ik dat Schilder en Brouwer spreken over oneigenlijke aanvulling van de uitputtende wet. Zij zeggen immers zelf dat het gaat om de situatie dat weliswaar dezelfde materie is geregeld, maar het motief anders is. Moet dan niet geconstateerd worden, met Brederveld, dat dan in feite geen sprake is van aanvulling? Is het niet beter te spreken van oneigenlijke aanvulling, maar dan de woorden van de uitputtende wet daarbij achterwege laten? Samenvattend: in de latere literatuur staat niet de vraag naar de mogelijkheid van aanvullende regelingen vanuit het belang van de gemeentelijke huishouding centraal, maar de vraag of het motief van beide regelingen hetzelfde is. Is dat niet het geval, dan is aanvulling mogelijk, tenzij dit de hogere regeling frustreert. 59 Dölle en Elzinga 2004, p Schilder en Brouwer 2004, p Schilder en Brouwer 2004, p Schilder en Brouwer 2004, p. 34, Schilder en Brouwer 2004, p Schilder en Brouwer 2004, p. 35, Schilder en Brouwer 2004, p Schilder en Brouwer 2004, p Schilder en Brouwer 2004, p Schilder en Brouwer 2004, p Schilder en Brouwer 2004, p

13 Gedragingen toegestaan in hogere regeling Als laatste wil ik de visie van Van den Burg bespreken. Naar zijn mening is de stelling in de literatuur dat er geen ruimte is voor aanvulling wanneer de motieven van beide regelingen hetzelfde zijn en de hogere regeling uitputtend beoogd te zijn. Zelf vindt hij een dergelijke redenering niet juist. Het kan immers zijn, zo stelt hij, dat de hogere regelaar juist bepaalde gedragingen vrij wilde laten. Wanneer de hogere regeling werkelijk het onderwerp uitputtend geregeld zou hebben, dan zou er voor de gemeentelijke regelgever niets meer te bepalen overblijven, maar zo is het juist niet. De wetgever of een andere hogere regelaar heeft juist bepaalde gedragingen vrij willen laten (bioscoopbezoek door minderjarigen; koop na winkelsluitingstijd). De wetgever beoogt juist niet uitputtend te zijn en de gemeentelijke regelgever mag de bedoeling van de wetgever om niet uitputtend te zijn niet frustreren. 70 Van der Burg werp de vraag op of bovenstaande alleen geldt indien de motieven van de regelingen hetzelfde zijn. Dat is de stelling in de literatuur zegt hij. Laat de gemeentelijke regelgever zich leiden door een ander motief, dan is er sprake van oneigenlijke aanvulling en dan zou de intentie van de wetgever om uitputtend (of juist niet uitputtend) te zijn, geen rol spelen. 71 Hij is het ook daar niet mee eens. Wanneer de motieven verschillen leidt dat niet automatisch tot het oordeel dat de lagere regeling is toegestaan, stelt hij onder verwijzing naar onder andere het arrest APV Schiermonnikoog 72. Een gemeentelijke bepaling doorkruist een hogere regeling wanneer de gemeentelijke bepaling een recht of vrijheid aantast dat in die hogere regeling stilzwijgend of uitdrukkelijk erkenning heeft gevonden. Een gemeentelijke bepaling mag ook niet in de weg staan aan de goede uitvoering van een wet door organen van het Rijk of de provinciën. 73 Van der Burg stelt dat de hogere regeling juist bewust bepaalde gedragingen heeft kunnen willen toestaan. Zou de lagere regelgever deze vrijheden vervolgens inperken, dan zou dat de doelstelling van de hogere regeling kunnen frustreren. Aanvulling is dan niet toegestaan. Die conclusie is terecht. Het niet-verbieden van bepaalde gedragingen kan immers onderdeel zijn van de uitputtende regeling? Vreemd genoeg erkent Van den Burg dat zelf echter niet, zo bleek. 74 Toch meen ik dat die erkenning noodzakelijk is om de redenering te kunnen doen slagen. Waarom zou het bij lagere regeling verbieden van gedragingen die door een hogere regeling niet is verboden, de hogere regeling frustreren als de hogere regeling dit vrij heeft willen laten voor eventuele regeling door gemeenten? De gemeentelijke regelgever kan pas dan de hogere regeling frustreren wanneer zij gedragingen verbiedt die de hogere regeling wilde toestaan en met het toestaan van die gedragingen het onderwerp uitputtend wilde regelen. Zagen we in de voorgaande paragraaf reeds dat de lagere regeling, ook wanneer het motief verschilt, de hogere regeling niet mag frustreren, nu is ook duidelijk, wat ook Oud reeds opmerkte, dat daarvan sprake kan zijn als de hogere regeling voor bepaalde gedragingen bewust ruimte heeft willen laten en de lagere regelingen deze gedragingen verbiedt Anterieure verordening De literatuur is over de anterieure verordening minder uitgebreid dan over de posterieure verordening. De materie is echter niet minder complex. De vragen concentreren zich rond het begrip onderwerp. Daarnaast deed zich in het verre verleden de vraag voor in hoeverre de plaatselijke verordening zou ophouden te gelden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad en de Afdeling blijkt dat niet de hele verordening ophoudt te gelden, maar die bepalingen waarin door een hogere regeling is voorzien. Het overige van de verordening wordt intact 70 Van der Burg Van der Burg HR 23 december 1980, NJ 1981, 171 (m.nt. Th. W. van Veen). Komt in hoofdstuk 2 aan de orde. Ook de, in par nog te bespreken zaak Doetinchem is hier een voorbeeld van. 73 Van der Burg Zie de laatste twee zinnen van het citaat bij voetnoot 74: als de hogere regelgever gedragingen juist wilde toestaan, stelt Van den Burg dat de wetgever beoogde niet uitputtend te zijn. 13

14 gelaten. 75 Een en ander zal ik verder buiten beschouwing laten en ik zal mij richten op het vraagstuk van het begrip onderwerp. Als laatste merk ik op dat, anders dan ten aanzien van de posterieure verordening, de wettekst op dit punt in de loop der jaren niet ingrijpend is veranderd. Identiteit van onderwerp Van Loenen noemt art. 151 een bron van moeilijkheden. 76 De reden daarvan is dat niet steeds met juistheid is aan te geven, in welke gevallen de hoogere wetgever voorziet in hetzelfde onderwerp als de bepalingen eener plaastelijke verordening. 77 Het gaat daarbij niet om de vraag of de regelingen een verschillend doel hebben, of een ander motief of strekking, of dat zij verschillende belangen dienen of dat de een meer gedetailleerd is. 78 Het gaat om het onderwerp. Uit de wet volgt volgens Van Loenen dat het slechts gaat om de identiteit van onderwerp. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad stelt Van Loenen dat dit niet uit de titel van de regelingen maar uitsluitend uit de aard van het onderwerp kan blijken, door vergelijking van de inhoud van de regelingen. 79 Deze identiteit van onderwerp kan ook aanwezig zijn als de lagere regeling verder gaat en gedetailleerder is dan de hogere regeling. 80 Een en ander is echter niet zo streng te onderscheiden stelt van Loenen. Hij haalt een voorbeeld aan waarin de Hoge Raad de beschermde belangen overwoog en een voorbeeld waarbij de omvang en de strekking van de regeling werd overwogen. 81 Van Loenen stelt zich nog de vraag of het onderwerp uit de considerans kan blijken. Voor de beantwoording van die vraag verwijst hij naar de Trekhondenwet. Gemeenten mochten ingevolge deze wet wel bepalingen met het oog op trekhonden maken maar die mochten alleen het verkeersbelang dienen. Dit volgde uit de considerans en uit de parlementaire behandeling. Desondanks bleken de problemen niet opgelost. 82 In het belang van de rechtszekerheid moet twijfel over de verbindende kracht van verordeningen worden weggenomen, aldus Van Loenen, waarop hij als oplossing aandraagt twijfelachtige bepalingen uit de verordening in te trekken om ze vervolgens ex art. 150 weer vast te stellen. Dan blijven de bepalingen gelden totdat art. 153 toepassing heeft gevonden. Als een verordening is vervallen door een latere wet, dan bestaat (immers) de bevoegdheid die wet aan te vullen. Die aanvulling kan dan alleen worden vernietigd in strijd met de wet of het algemeen belang. 83 Oppenheim stelt dat de Hoge Raad het begrip onderwerp heel ruim interpreteert. 84 Zodra het feit behoort tot het soort feiten dat de hogere regeling is gaan regelen, vervalt de latere regeling. 85 Het laatste uur van de lagere regeling is geslagen, stelt Oppenheim op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad, zodra over het onderwerp als geheel, gelijkluidend of met afwijkingen, even volledig of minder volledig, eene wettelijke regeling is getroffen. Daarnaast speelt de motieftheorie een rol, en dat is terecht vindt Oppenheim. Het motief, het doel van de hogere regeling van belang is voor de beantwoording van de vraag of identiteit tusschen haar en de lagere regeling voorhanden is 86. Voor de verdediging van die stelling verwijst hij vervolgens naar jurisprudentie, waaronder die van de Trekhondenwet. De motieftheorie wil hij dan ook een groote stem in het kapittel 87 toekennen. 75 Brederveld 1990, p Van Loenen, p Van Loenen, p Van Loenen, p Van Loenen, p Van Loenen, p Van Loenen, p Van Loenen, p. 272, Van Loenen, p Oppenheim, p Oppenheim, p Oppenheim, p Oppenheim, p

15 Belang en onderwerp Oud stelt de vraag of met art. 194 is bedoeld die bepalingen te doen ophouden te gelden die, wanneer zij onderdeel uitmaakten van een posterieure verordening, in strijd zouden komen met art Hij refereert aan de besproken zaak Wageningen. De gemeentelijke wetgever was bevoegd regels te stellen ten aanzien van delen van het onderwerp waarmee het Wetboek van Strafrecht zich niet had bemoeid: vanuit andere belangen mocht de gemeentelijke regelgever regels stellen met betrekking tot dezelfde materie (dus de hogere regeling aanvullen). Was de situatie omgekeerd, namelijk dat de verordening in werking is en het Wetboek van Strafrecht zich later met dat onderwerp gaat bemoeien, dan houden die bepalingen uit de verordening op te gelden. 89 Het begrip onderwerp uit art. 194 moet dan ook, in de visie van Oud, ruimer opgevat worden dan het begrip belang uit art Deze lopen niet parallel. 90 Dit sluit aan bij wat bij de bespreking van de posterieure verordening reeds van Oud is aangehaald: het belang doet zich met het onderwerp bemoeien, maar is niet het onderwerp zelf. Is dit niet hetzelfde als wat Oppenheim zegt met betrekking tot het soort feiten? Was in de zaak Wageningen de verordening anterieur geweest, zo zegt Oud, dan betekent dit dat de Wageningse wetgever zijn voorschrift, nadat het ten gevolge van de totstandkoming van de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht zijn geldigheid had verloren, onmiddellijk opnieuw in ongewijzigde redactie zou hebben kunnen vaststellen, zonder met art. 193 in strijd te komen. 91 Laat ik dit verduidelijken. Het Wetboek van Strafrecht kan regelen dat het verboden is alcoholische dranken te serveren aan jongeren en aan hen die dronken zijn. Dat belang 92 is dan geregeld. Naar de mening van Oud hoeft daarmee het onderwerp tapvrijheid niet geheel geregeld te zijn. Het onderwerp tapvrijheid kan door de lagere regelgever worden aangevuld bijvoorbeeld met een bepaling dat het verboden is alcohol te schenken aan bedelaars. Ook dat valt onder het onderwerp tapvrijheid, maar nu het belang anders is, mag de gemeentelijke regelgever deze aanvullende regels stellen. Was er sprake van een anterieure verordening met een bepaling dat het verboden is alcoholische dranken te schenken aan bedelaars dan zou deze bepaling ophouden te gelden indien de hogere regeling zich gaat inlaten met de tapvrijheid. Dat de hogere regeling bijvoorbeeld regelt dat het verboden is alcoholische dranken te schenken aan kinderen en aan hen die dronken zijn, doet er niet aan af dat de hogere regeling zich het onderwerp tapvrijheid aan heeft getrokken en om die reden dus sprake is van hetzelfde onderwerp. Wel kan de gemeentelijke regeling deze hogere regeling aanvullen, nu er sprake is van een ander belang: regels ten aanzien van tapvrijheid met betrekking tot bedelaars is niet tot Rijksbelang gaan behoren. Naar de mening van Oud moet het begrip onderwerp dus ruim opgevat worden (dat is: meeromvattend, namelijk tapvrijheid, en niet tapvrijheid in het belang van de volksgezondheid ) waardoor een gemeentelijke regeling sneller ophoudt te gelden. De Hoge Raad lijkt dit ook te doen maar er zijn ook voorbeelden waarbij dit begrip enger wordt opgevat, zo stelt Oud. 93 Onder verwijzing naar het arrest Emmense Baliekluivers stelt hij: Hier geeft de Hoge Raad aan het begrip onderwerp een zo enge interpretatie, dat men de vraag mag stellen of niet van kentering in de jurisprudentie moet worden gesproken. 94 Oud bedoelt te zeggen: door het motief bepalend te laten zijn bij de vraag of de regelingen hetzelfde onderwerp regelen (wat in dat arrest immers gebeurde), zal daarvan minder snel sprake zijn. Het begrip onderwerp (of zo u wilt hetzelfde onderwerp ) wordt daarmee enger : er is minder snel sprake van hetzelfde onderwerp, waarmee de ruimte voor de gemeentelijke regelgever ruimer wordt. 88 Oud, p Oud, p. 259, Oud, p Oud, p Oud stelt op p. 179: Daarmee is dit onderwerp, dit belang, geregeld ( ). Het begrip belang, en zeker deze zinsnede, kan verwarring oproepen. Dat is dan ook de reden dat dit onderdeel uitvoerige bespreking noodzakelijk maakt om Oud goed te kunnen begrijpen. 93 Oud, p. 262, Oud, p

16 Brederveld gaat bij de anterieure verordening niet uitvoerig in op het begrip onderwerp. Hij verwijst naar de onderwerpentheorie die hij bij de posterieure verordening heeft besproken. Daar besprak hij een zaak die voor de Groningse rechtbank diende, en later bij de Hoge Raad omdat de procureur-generaal cassatie in het belang der wet had ingesteld. De toen geldende IJkwet verbood bij het drijven van handel ongeijkte maten en gewichten te gebruiken. De gemeenteraad van Groningen had enkele jaren later in een algemene politieverordening geregeld dat bij het afwegen van gewichten een bepaald weeginstrument gebruikt moest worden. Het doel was de bescherming van kopers. 95 De rechtbank oordeelde dat de APV onverbindend was. De proceureur-generaal stelde dat er geen sprake was van hetzelfde onderwerp. De IJkwet regelde niet het gebruik van weegwerktuigen, in welk verband en van uit welk oogpunt dan ook, maar het gebruik van weegwerktuigen uit het oogpunt van derzelver deugdelijkheid als zodanig. 96 De gemeentelijke verordening regelde een ander onderwerp, namelijk het gebruik van weegwerktuigen in verband met omstandigheden ten gevolge waarvan het publiek, ook bij het gebruik van op zichzelf deugdelijke werktuigen, kan worden misleid. 97 De Hoge Raad volgde dit oordeel. Naast Oud wijst ook Brederveld op de ruimere interpretatie van het begrip onderwerp door de Hoge Raad, maar stelt dat de Hoge Raad in het arrest Emmense baliekluivers 98 het begrip onderwerp belangrijk soepeler 99 interpreteerde. Hij stelt dat motieven en al dan niet geregelde belangen 100 een grote rol lijken te spelen bij de invulling van dit begrip. Het beoordelen van de motieven noemt Van den Burg de meest gangbare theorie om het begrip onderwerp in te kleuren. Een anterieure gemeentelijke bepaling die uitging van hetzelfde motief als de latere hogere regeling houdt van rechtswege op te gelden; een bepaling die werd gemaakt met een ander motief blijft van kracht. 101 Het motief is daarmee bepalend. Dölle en Elzinga zitten ook op deze lijn. Met betrekking tot art. 122 merken zij op dat de term onderwerp in de jurisprudentie verschillend wordt ingevuld, maar dat de motieftheorie leidend lijkt. Als het motief van de lagere overheid anders is dan van de hogere regelgever, dan kan de regeling van de lagere overheid in stand blijven. 102 Daarbij verwijzen zij naar het reeds genoemde arrest Emmense baliekluivers. Over de anterieure verordening schrijft Schilder nog in Tekst en Commentaar dat de lagere regeling van rechtswege vervalt wanneer aan die regeling hetzelfde motief ten grondslag ligt als aan de hogere regeling. Wordt eenzelfde materie geregeld maar vanuit een verschillend doel, dan is art. 122 niet van toepassing. 103 Uit datgene wat hierboven is beschreven volgt dat het belang waaruit bepaalde regels gesteld zijn, bepalend is voor de vraag of gesproken kan worden van hetzelfde onderwerp. Daarbij moet opgemerkt worden dat dit zowel bij de huidige als bij de eerder tekst van de Gemeentewet door de meeste auteurs wordt geïnterpreteerd als motief. Een uitzondering is Oud, die zoekt naar een antwoord op de vraag of een onderwerp in zijn geheel tot Rijksbelang is gaan behoren. 1.3 Reflectie en deelconclusie I Wat houdt de motieftheorie in volgens de literatuur en welke rol speelt deze theorie bij de vraag naar de reikwijdte van de regelgevende bevoegdheid van gemeenten? Uit de huidige tekst van de Gemeentewet volgt dat het van cruciaal belang is of het onderwerp van de hogere en de lagere regeling hetzelfde is. Maar 95 Brederveld 1990, p Brederveld 1990, p Brederveld 1990, p HR 4 maart 1952, NJ 1952, 365 (m.nt. B.V.A. Rölling). 99 Oud, p Brederveld 2005, p Van der Burg Dölle en Elzinga 2004, p Cammelbeeck en Kummeling 2009, p

17 wanneer is daarvan sprake? De motieftheorie stelt dat bij het vinden van een antwoord op de vraag of er sprake is van hetzelfde onderwerp niet alleen naar de ge- of verboden gedragingen moet worden gekeken maar ook naar de belangen die de hogere regelgever beoogde te beschermen; het motief waarmee de regeling in het leven is geroepen. Voor de beide verordeningen volgen hieronder een aantal specifieke opmerkingen. Posterieure verordening Uit de bespreking van de literatuur is gebleken dat voor de invoering van de Gemeentewet 1992 het begrip belang een andere betekenis had dan na diens invoering, namelijk de gemeentelijke huishouding. In die literatuur is de vraag naar de uitputtendheid van de hogere regeling (en het motief van die wetgever daaromtrent) van doorslaggevend belang voor de vraag of vanuit andere belangen regels omtrent een bepaalde materie mogen worden gesteld. In latere literatuur is men op een andere wijze met dit vraagstuk omgegaan. Enerzijds wordt de vraag gesteld of de hogere regeling bedoelde de materie uitputtend te regelen, anderzijds is de vraag gesteld welke doelstelling (lees: welk motief) aan de hogere regeling ten grondslag ligt. Het is de vraag in welke volgorde deze vragen aan bod moeten komen. In de recente literatuur zijn twee varianten te onderscheiden. Een aantal opmerking vooraf. Bedacht moet worden dat uitputtendheid, zoals gezegd, in kan houden dat de hogere regelgever bewust bepaalde gedragingen heeft willen toestaan. Zoals is gebleken kan het ook zo zijn dat de bijzondere wet iets regelt over de mogelijkheid van aanvulling. Dat heeft alleen dán nut wanneer deze de bevoegdheid uit art. 121 nader invult. Een vraag die door de literatuur niet is opgeworpen, is in hoeverre de bij de bijzondere wet gestelde beperkingen ten aanzien van de aanvullingsbevoegdheid gelden, indien het onderwerp van de lagere regeling een andere is. In het tweede hoofdstuk zal blijken hoe de Hoge Raad deze vraag beantwoordt. Ten slotte: alle rechtsgeleerden merken op dat, wanneer de gemeentelijke regelgever aanvullingsbevoegdheid bezit, deze niet mag leiden tot strijd met hogere regelingen. Brederveld, Van den Burg en Dölle en Elzinga hanteren in feite het volgende stappenschema: Zijn object en motief hetzelfde? Ja: Bevat de specifieke wet een lex specialis van art. 121 Gemeentewet? Ja: variant 1: Ten aanzien van een deel van de objecten is aanvulling toegestaan. Aanvullingsbevoegdheid ten aanzien van dat deel ( nadere regelgeving ). variant 2: Aanvulling is uitgesloten. Geen aanvullingsbevoegdheid. Nee: Is uit de wetshistorie en de structuur van de regeling af te leiden of de hogere regeling uitputtend is bedoeld? Ja: Nee: Geen aanvullingsbevoegdheid. Aanvullingsbevoegdheid ( nadere regelgeving ). Nee: Aanvullingsbevoegdheid ( oneigenlijke aanvulling ). 17

18 Schilder en Brouwer hanteren een ander stappenschema, en wel het volgende: Bevat de specifieke wet een lex specialis van art. 121 Gemeentewet? Ja: variant 1: Ten aanzien van een deel van de objecten is aanvulling toegestaan. Aanvullingsbevoegdheid ten aanzien van dat deel ( nadere regelgeving ). variant 2: Aanvulling is uitgesloten. Geen aanvullingsbevoegdheid. Nee: Wil de gemeentelijke regelgever dezelfde gedragingen vanuit hetzelfde motief regelen? Ja: Is uit de wetshistorie en de structuur van de regeling af te leiden of de hogere regeling uitputtend is bedoeld? Ja: Nee: Geen aanvullingsbevoegdheid. Aanvullingsbevoegdheid ( nadere regelgeving ). Nee: Aanvullingsbevoegdheid ( oneigenlijke aanvulling ). Uit beide schema s blijkt dat aanvulling toegestaan is met betrekking tot een materie die vanuit hetzelfde motief is geregeld, maar niet uitputtend is bedoeld ( nadere regelgeving ). Eveneens is aanvulling toegestaan wanneer dezelfde materie vanuit een ander motief wordt geregeld; daarbij spreekt men dan van oneigenlijke aanvulling. Indien de hogere regeling weliswaar een beperking van de aanvullingsbevoegdheid bevat, maar de gemeentelijke wetgever vanuit een andere motief regels omtrent dezelfde materie wil stellen; is dit toegestaan volgens beide schema s? Uit datgene wat ik onderzocht heb met betrekking tot de opvattingen van Schilder en Brouwer volgt dat deze vraag bij hen op deze plaats niet wordt beantwoord. De relevantie van het motief van de regelingen komt bij hen aan bod wanneer de vraag of de hogere regelingen een specifieke bepaling omtrent de aanvullingsbevoegdheid bevat, onbeantwoord is gebleven. In het schema van Brederveld e.a. moet die vraag bevestigend beantwoord worden. Er is dan geen sprake van het regelen van hetzelfde onderwerp. Naar mijn mening zullen overigens ook Schilder en Brouwer dit bevestigend beantwoorden. Zou de regering zich hier in kunnen vinden? Bij de invoering van de Gemeentewet 1992 heeft zij nadrukkelijk aangegeven dat wanneer de materie weliswaar hetzelfde is, maar het doel verschillend, art. 121 niet speelt, zo werd in par duidelijk. Of een eventuele lex specialis van art. 121 in een bijzondere wet dan wél speelt, is niet geheel duidelijk. Wel stelt de regering dat de beperkingen van art. 121 gelden indien het motief gelijk is. Uit de volgende hoofdstukken zal blijken welke redenering door de Hoge Raad en de Afdeling gevolgd wordt. Anterieure verordening Wanneer houdt de lagere regeling op te gelden? Van Loenen en Brederveld spreken bij de anterieure verordening over identiteit van onderwerp. Uit datgene wat zij daarover naar voren brengen volgt dat het daarbij, naast de regelde materie, ook om de bedoelingen van de regelgever gaat. Ook Van den Burg stelt dit onomwonden. Maar ook Schilder en Brouwer, en Dölle en Elzinga. Brederveld verwijst naar de bespreking van de posterieure verordening, ondanks dat daarin het begrip onderwerp niet met zoveel woorden genoemd wordt. Daarmee wordt bevestigd het doel waarmee de regelgever iets heeft willen regelen, bepalend is voor het antwoord op de vraag of van hetzelfde onderwerp sprake is. 18

19 Betekent het begrip onderwerp in de tekst van art. 121 nu hetzelfde als die in de tekst van art. 122? De kaarten liggen als volgt: wanneer dezelfde materie vanuit een ander motief wordt geregeld, is het onderwerp niet hetzelfde en houdt de lagere regeling niet op te gelden. Is het onderwerp wel hetzelfde bij de posterieure wet, dan vervalt de anterieure verordening; hoewel zij vervolgens via art. 121 weer tot leven kan komen, om met Oppenheim te spreken. Schilder en Brouwer stellen: Ook al kunnen beide regelingen elkaar goed aanvullen (in eigenlijke zin), dan toch moet de gemeenteraad de verordening eerst opnieuw vaststellen. Dat volgt immers uit het samenspel van regels in de art. 122 en 121: de bepalingen van een al bestaande verordening vervallen op het moment dat een hogere regeling in hetzelfde onderwerp treedt, maar door middel van een latere verordening mag de hogere regeling wel weer worden aangevuld. 104 Is dus het onderwerp van de anterieure hogere regeling hetzelfde, dan laat art. 121 onverlet dat daaromtrent aanvullende regels mogen worden gesteld. Is de materie geregeld vanuit een ander motief dan houdt de verordening niet op te gelden. Is er sprake van een posterieure verordening die dezelfde materie regelt vanuit een ander motief (wat de latere literatuur aanduidt met oneigenlijke aanvulling ) dan is er geen sprake van het regelen van hetzelfde onderwerp. Het begrip onderwerp betekent in de huidige tekst van de Gemeentewet in art. 121 dus hetzelfde als in art De vraag is nu welke implicaties dit heeft voor de toepassing van art Gezien datgene wat bij de posterieure verordening is besproken aangaande het begrip onderwerp, volgt daaruit dat wanneer de hogere regeling dezelfde materie vanuit hetzelfde motief regelt, de lagere regeling vervalt; en dat wanneer de hogere regeling dezelfde materie regelt maar dit doet vanuit een ander motief de lagere regeling van kracht blijft. Doet zich hier de vraag naar de open ruimte (Oppenheim) of het braakliggende terrein (Brederveld) niet voor? Nee. Die vraag behelst immers de aanvullingsbevoegdheid, en speelt dan ook pas een rol wanneer een anterieure verordening heeft opgehouden te gelden en via art. 121 als posterieure verordening wordt vastgesteld. De dood van de bepalingen treedt eerst in; wederopstanding is mogelijk Schilder en Brouwer 2004, p Zie Oppenheim, p

20 2 DE HOGE RAAD EN DE MOTIEFTHEORIE In dit tweede hoofdstuk staat de vraag centraal of en hoe de Hoge Raad de motieftheorie toepast bij de beoordeling van geschillen in het kader van art. 121 en 122. Uit het vorige hoofdstuk is gebleken dat de arresten Emmense baliekluivers en APV Schiermonnikoog door de literatuur als toonaangevend worden beschouwd. In dit hoofdstuk zal ik daarom deze arresten als vertrekpunt hanteren. Om enige structuur aan te brengen in dit hoofdstuk heb ik gekozen in par. 2.2 de arresten op een thema of wettelijke regelingen te rubriceren; louter ten dienste van de leesbaarheid. 2.1 Twee klassiekers? Emmense baliekluivers Het arrest Emmense baliekluivers 106 is bij de bespreking van de literatuur al herhaaldelijk aan bod gekomen. De rechtsvraag was of art. 40 Wegenverkeerswet dezelfde materie was gaan regelen als de betreffende bepaling in de APV. Bij de kantonrechter was verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging onder de motivering dat in het onderwerp waarin art. 14 APV voorzag, nadien door art. 40 WVW is voorzien en daarom op grond van art. 194 (Gemeentewet) art. 14 APV had opgehouden te gelden. 107 De Hoge Raad overweegt dat art. 14 APV kennelijk strekt ter voorkoming van het doelloos verblijven op bruggen en soortgelijke inrichtingen om gevaren die dit met zich mee kan brengen, te voorkomen. Bij de bepaling van het motief wordt het hoofdstuk van de APV waarin deze bepaling is opgenomen ( Openbare orde, veiligheid en zedelijkheid ), expliciet overwogen. De Wegenverkeerswet beoogt gedragingen van voetgangers die verkeersbelangen kunnen schaden, tegen te gaan. Om die reden kan volgens de Hoge Raad de stelling dat art. 14 APV is vervallen nu de WVW hetzelfde onderwerp is gaan regelen, geen stand houden. Is dit arrest een verwijzing naar de motieftheorie? De terminologie de Hoge Raad gebruikt is kennelijk strekt ter voorkoming van (APV) en beoogt (WVR). Daarmee kan denk ik terecht geconcludeerd worden dat het motief van de regelingen leidend is, hoewel dat woord zelf niet door Hoge Raad wordt gebezigd. Annotator Rölling doet dat wel in zijn noot: Nu het motief, de doelstelling, de strekking van het verbod verschilt, verschilt het onderwerp. ( ) Men zou kunnen stellen, dat het onderwerp van bepaalde regeling ziet op regeling van een bepaald belang met het oog op bepaalde omstandigheden, zodat regeling van datzelfde belang met het oog op bepaalde bijzondere (locale) omstandigheden als regeling van een ander onderwerp zou kunnen worden beschouwd. Dit zou aansluiten aan de praktijk van de Kroon, waar deze op grond van art. 193 Gem. Wet de neiging toont aanvullende regelingen toe te laten. Het doel, de strekking van de regeling is leidend bij de beoordeling door de Hoge Raad. Rölling heeft daar een duidelijke uitleg bij gegeven. Een belangrijke vraag is in hoeverre Emmense baliekluivers leidend is of kan zijn bij de beoordeling van de aanvullingsbevoegdheid, nu dit arrest zelf een geschil rond een anterieure verordening betrof. Bij de beantwoording van die vraag acht ik een opmerking van Rölling in zijn noot bij Emmense baliekluivers van belang: De Hoge Raad sluit met dit arrest aan bij de praktijk van de Kroon bij de beoordeling van geschillen in het kader van art De wijze waarop de Kroon de bovengrens van de regelgevende bevoegdheid van gemeenten beoordeelde, was een inspiratiebron voor de Hoge Raad voor de beoordeling van geschillen in het kader van art Ook uit het literatuuronderzoek bleek dat de motieftheorie bij zowel de posterieure als de anterieure verordeningen een rol speelde (zij het op een andere wijze en zij het dat de juridische consequentie een totaal andere is). Schilder en Brouwer verwijzen zelfs naar dit arrest bij de bespreking van de aanvullingsbevoegdheid, zo bleek. Of de Hoge Raad voor geschillen betreffende posterieure verordeningen put uit de wijze waarop zij de situatie in Emmen heeft beoordeeld blijkt in ieder geval niet door verwijzingen 106 HR 4 maart 1952, NJ 1952, 365 (m.nt. B.V.A. Rölling). 107 Zie bespreking cassatiemiddel. 20

No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012

No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 ... No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2012, no.12.001344, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering

Nadere informatie

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Minister van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 353 Wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het geregistreerd partnerschap, de geslachtsnaam

Nadere informatie

Edelachtbaar college,

Edelachtbaar college, Edelachtbaar college, X% Namens cliënten, a «a ^ ^ ^ ^ ^ M l e n tel^^^^ tekenen wij beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2011 op het beroepschrift van 10

Nadere informatie

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2011;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2011; De raad van de gemeente Schiermonnikoog; overwegende, dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar bij verordening

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

Gehoord de gerechten adviseert de Raad u als volgt. 1

Gehoord de gerechten adviseert de Raad u als volgt. 1 De Minister van Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Afdeling Ontwikkeling bezoekadres Kneuterdijk 1 2514 EM Den Haag Correspondentieadres Postbus 90613 2509 LP Den Haag datum 2 maart 2010 doorkiesnummer

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1993-1994 23816 Gemeentelijke indeling van het tot de provincie Flevoland behorende zuidelijke deel van het Usselmeer en opheffing van het openbaar lichaam

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen uit Utrecht. Datum: 22 november 2011. Rapportnummer: 2011/346

Rapport. Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen uit Utrecht. Datum: 22 november 2011. Rapportnummer: 2011/346 Rapport Rapport over een klacht over de Belastingdienst/Toeslagen uit Utrecht. Datum: 22 november 2011 Rapportnummer: 2011/346 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de Belastingdienst/Toeslagen volhardt

Nadere informatie

ons kenmerk ECGR/U201301490 Lbr. 13/100

ons kenmerk ECGR/U201301490 Lbr. 13/100 Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad informatiecentrum tel. (070) 373 8393 betreft Modelverordening elektronische kennisgeving uw kenmerk ons kenmerk ECGR/U201301490 Lbr. 13/100 bijlage(n)

Nadere informatie

Uniformiteit in termijnen? Sneller en beter?

Uniformiteit in termijnen? Sneller en beter? Uniformiteit in termijnen? Sneller en beter? Mr. C.G.J.M. Termaat* 1 Inleiding Het wetsvoorstel voor de nieuwe Omgevingswet (hierna: Omgevingswet) van 16 juni jl. heeft inmiddels alweer de nodige aandacht

Nadere informatie

Advies. Gemeenteraad. Westland. Prof. mr. D.J. Elzinga. Mr. dr. F. de Vries

Advies. Gemeenteraad. Westland. Prof. mr. D.J. Elzinga. Mr. dr. F. de Vries Advies Gemeenteraad Westland Prof. mr. D.J. Elzinga Mr. dr. F. de Vries Inhoud Casus... 2 Vragen... 2 Benoeming van publieke bestuurders... 3 Onduidelijkheid in wet- en regelgeving... 4 Dubbele geheimhouding?...

Nadere informatie

Uit: Jurisprudentie Gemeente, 14 mei 2014 (JG. 2014/40)

Uit: Jurisprudentie Gemeente, 14 mei 2014 (JG. 2014/40) Uit: Jurisprudentie Gemeente, 14 mei 2014 (JG. 2014/40) Noot bij: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 mei 2014, 201303996/1/A3 en ECLI:NL:RVS:2014:1708 door: I.M. van der Heijden en E.E.

Nadere informatie

1 Rechtbank Breda, 13 juli 2012

1 Rechtbank Breda, 13 juli 2012 BEDRIJFSOPVOLGINGSFACILITEIT SUCCESSIEWET OOK VOOR PRIVÉVERMOGEN? Op 13 juli 2012 heeft rechtbank Breda uitspraak gedaan in een zaak over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de Successiewet 1956 (LJN:

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057 Rapport Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge Datum: 24 mei 2013 Rapportnummer: 2013/057 2 Klacht Verzoeker, een advocaat, klaagt erover dat het

Nadere informatie

31 mei 2012 z2012-00245

31 mei 2012 z2012-00245 De Staatssecretaris van Financiën Postbus 20201 2500 EE DEN HAAG 31 mei 2012 26 maart 2012 Adviesaanvraag inzake openbaarheid WOZwaarde Geachte, Bij brief van 22 maart 2012 verzoekt u, mede namens de Minister

Nadere informatie

AAN DE KONINGIN. No.W12.06.0350/IV 's-gravenhage, 17 oktober 2006

AAN DE KONINGIN. No.W12.06.0350/IV 's-gravenhage, 17 oktober 2006 ................................................................................... No.W12.06.0350/IV 's-gravenhage, 17 oktober 2006 Bij Kabinetsmissive van 17 augustus 2006, no.06.002805, heeft Uwe Majesteit,

Nadere informatie

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe,

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, X Z (belanghebbende), \ beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013. Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de griffier mij

Nadere informatie

Partijen: De medezeggenschapsraad van de openbare basisschool "De Quint" te Alkmaar, nader aan te duiden als medezeggenschapsraad (MR)

Partijen: De medezeggenschapsraad van de openbare basisschool De Quint te Alkmaar, nader aan te duiden als medezeggenschapsraad (MR) Uitspraaknr. G416 Datum: 17 november 1993 Soort geschil: Interpretatiegeschil Partijen: De medezeggenschapsraad van de openbare basisschool "De Quint" te Alkmaar, nader aan te duiden als medezeggenschapsraad

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 0 0 33 050 Wijziging van de Wet op de medische keuringen in verband met het opnemen van de mogelijkheid tot onderbrenging van de klachtenbehandeling bij aanstellingskeuringen

Nadere informatie

Rapport. Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258

Rapport. Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258 Rapport Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258 2 Klacht Op 10 oktober 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. te Heemstede, met een klacht over een gedraging van de Huurcommissie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 059 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet, alsmede enige andere wetten in verband met de introductie van aanvullende

Nadere informatie

14-09. ABRvS 24 december 2013, nr. 201304161/1/A4 (Nijmegen) (ECLI:NL:RVS:2013:2610) Milieu/natuur/water

14-09. ABRvS 24 december 2013, nr. 201304161/1/A4 (Nijmegen) (ECLI:NL:RVS:2013:2610) Milieu/natuur/water 47 zitting betoogd dat deze stukken aldus mede namens haar dochtermaatschappijen, meer in het bijzonder namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cycleon Netherlands B.V. (hierna:

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

categorie/agendanr. stuknr. B. en W. 2004 RA04.0108 A 11 04/696 Onderwerp: Bezwaarschrift Sluyter Advocaten tegen besluit raad m.b.t.

categorie/agendanr. stuknr. B. en W. 2004 RA04.0108 A 11 04/696 Onderwerp: Bezwaarschrift Sluyter Advocaten tegen besluit raad m.b.t. Raadsvoorstel jaar stuknr. Raad categorie/agendanr. stuknr. B. en W. 2004 RA04.0108 A 11 04/696 Onderwerp: Bezwaarschrift Sluyter Advocaten tegen besluit raad m.b.t. gebied Zijtak Portefeuillehouder: J.

Nadere informatie

Verordening tijdelijke regels WIJ

Verordening tijdelijke regels WIJ Verordening tijdelijke regels WIJ De raad van de gemeente Winsum; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Winsum, d.d. 15 september 2009; gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet

Nadere informatie

Camera-toezicht op de werkplek

Camera-toezicht op de werkplek Camera-toezicht op de werkplek december 2006 mr De auteur heeft grote zorgvuldigheid betracht in het weergeven van delen uit het geldende recht. Evenwel noch de auteur noch kan aansprakelijk worden gesteld

Nadere informatie

Zijne Excellentie mr. G.A. van der Steur Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG

Zijne Excellentie mr. G.A. van der Steur Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG tot politieke keuze cassatierechter Den Haag, 4 april205 No. 25./4/ME/ds PRESIDENT VAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Zijne Excellentie mr. G.A. van der Steur Minister van Veiligheid en Justitie Postbus

Nadere informatie

No.W06.12.0456/III 's-gravenhage, 7 december 2012

No.W06.12.0456/III 's-gravenhage, 7 december 2012 ... No.W06.12.0456/III 's-gravenhage, 7 december 2012 Bij Kabinetsmissive van 8 november 2012, no.12.002573, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van

Nadere informatie

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 25 november 2011 HOOFDSTUK 8 BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE WIJZE VAN PROCEDEREN BIJ DE BESTUURSRECHTER

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 25 november 2011 HOOFDSTUK 8 BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE WIJZE VAN PROCEDEREN BIJ DE BESTUURSRECHTER 32 621 Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 00 0 3 555 Aanpassing van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van: Raad vanstate 201112733/1/V1. Datum uitspraak: 23 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2005.2662 (068.05) ingediend door: hierna te noemen 'klagers', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht

Nadere informatie

afspraken die in het Najaarsoverleg 2008 zijn gemaakt. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen.

afspraken die in het Najaarsoverleg 2008 zijn gemaakt. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen. Reactie op de brief van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) inzake het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek in verband met het limiteren van de hoogte van de

Nadere informatie

Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder

Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder De Hoge Raad schept duidelijkheid over verhaal van kosten voor opruimwerkzaamheden na een ongeval Hoge Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3594

Nadere informatie

Petra Vries Trainingen. Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. de wijzigingen in de Awb

Petra Vries Trainingen. Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. de wijzigingen in de Awb Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter & de wijzigingen in de Awb Introductie Dit document is een bijlage bij de presentatie over Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. Hierin bespreek ik

Nadere informatie

Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ~ 2500 GC Den Haag

Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ~ 2500 GC Den Haag Parkstraat 83 Den Haag Correspondentie: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ~ 2500 GC Den Haag ~ Telefoon Fax algemeen (070) (070) 361 93361 009310 Fax rechtspraak (070) 361 9315 Aan de

Nadere informatie

Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS) De opzetclausule in aansprakelijkheidsverzekeringen

Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS) De opzetclausule in aansprakelijkheidsverzekeringen Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS) De opzetclausule in aansprakelijkheidsverzekeringen Prof. dr. M.L. Hendrikse Inleiding: de aard van de aansprakelijkheidsverzekering (1) Art. 7:952 BW (eigen

Nadere informatie

No.W06.15.0073/III 's-gravenhage, 1 mei 2015

No.W06.15.0073/III 's-gravenhage, 1 mei 2015 ... No.W06.15.0073/III 's-gravenhage, 1 mei 2015 Bij Kabinetsmissive van 18 maart 2015, no.2015000453, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak 1 1 JUN 2015. Behandelend ambtenaar

Afdeling bestuursrechtspraak 1 1 JUN 2015. Behandelend ambtenaar Raad Afdeling bestuursrechtspraak Gemeente Waterland 1 1 JUN 2015 \m BIS Raad van de gemeente Waterland Postbus 1000 1140 BA MONNICKENDAM INGEKOMEN Datum Ons nummer Uw kenmerk 10 juni 2015 201409734/1/A1

Nadere informatie

Advies over juridische consequenties verlenging/overschrijding vastgelegde normtijden voor opkomst van de brandweer

Advies over juridische consequenties verlenging/overschrijding vastgelegde normtijden voor opkomst van de brandweer Advies over juridische consequenties verlenging/overschrijding vastgelegde normtijden voor opkomst van de brandweer 14 februari 2011 A.M. Hol, Universiteit Utrecht 1 Vraagstelling: Heeft overschrijding

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal.

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal. Uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/2308 WWB uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde mr. W.G. Fischer,

Nadere informatie

College van Gedeputeerde Staten statenvoorstel

College van Gedeputeerde Staten statenvoorstel PS2008BEM30-1 - College van Gedeputeerde Staten statenvoorstel Datum : 16 september 2008 Nummer PS : PS2008BEM30 Afdeling : BJZ Commissie : BEM Registratienummer : 2008INT229327 Portefeuillehouder : Dekker

Nadere informatie

WPNR 2015(7059) Reactie op Flexibele (winst)uitkeringen, het is van tweeën één! van mr. L.W. Kelterman in WPNR (2015) 7049

WPNR 2015(7059) Reactie op Flexibele (winst)uitkeringen, het is van tweeën één! van mr. L.W. Kelterman in WPNR (2015) 7049 WPNR 2015/7059 Reactie mr. J.D.M. Schoonbrood en mr. drs. T.J.C. Klein Bronsvoort op publicatie: Flexibele (winst)uitkeringen, het is van tweeën één! van mr. L.W. Kelterman in WPNR (2015) 7049 & WPNR 2015(7059)

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 562 Wijziging van de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de behandeling

Nadere informatie

Opmerkingen over Hoofdstuk 1. Wijziging van wetten Artikel 1.8, wijziging van het Bw

Opmerkingen over Hoofdstuk 1. Wijziging van wetten Artikel 1.8, wijziging van het Bw Parkstraat 83 Den Haag Correspondentie: Postbus 30137 2500 GC Den Haag Telefoon (070) 361 93 00 Fax algemeen (070) 361 93 10 Fax rechtspraak (070) 361 93 15 Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Nadere informatie

Bezwaar en beroep Jeugdwet Betekenis voor gemeenten

Bezwaar en beroep Jeugdwet Betekenis voor gemeenten Bezwaar en beroep Jeugdwet Betekenis voor gemeenten versie 1.0 K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd Jos Janssen, Mei 2014 1 Bezwaar en Beroep Jeugdwet Van recht op zorg naar jeugdhulpplicht In het wetsvoorstel

Nadere informatie

Rechtspraak.nl - Print uitspraak

Rechtspraak.nl - Print uitspraak ECLI:NL:HR:2014:1405 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 13-06-2014 Datum publicatie 13-06-2014 Zaaknummer 13/05858 Formele relaties Rechtsgebieden Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:289 Civiel recht Bijzondere

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel )

JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel ) JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel ) [De minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Frankrijk, wonende

Nadere informatie

Implementatie Nieuwe Drank- en Horecawet. Modelbeleid NHN Artikel 35 beleid + toelichting

Implementatie Nieuwe Drank- en Horecawet. Modelbeleid NHN Artikel 35 beleid + toelichting Implementatie Nieuwe Drank- en Horecawet Modelbeleid NHN Artikel 35 beleid + toelichting Versie 23 mei 2013 Beleidsregels ontheffing ex. artikel 35 Drank- en Horecawet De burgemeester van, Overwegende

Nadere informatie

Vastgoed-nieuws. 21 november 2013. Huur woonruimte naar zijn aard van korte duur

Vastgoed-nieuws. 21 november 2013. Huur woonruimte naar zijn aard van korte duur Vastgoed-nieuws 21 november 2013 Huur woonruimte naar zijn aard van korte duur Essentie Verhuurders proberen vaak op creatieve manier onder dwingendrechtelijke huur(prijs)beschermingsbepalingen uit te

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 29 980 Uitvoering van het op 19 oktober 1996 te s-gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning,

Nadere informatie

Casus 14 Argumenten op tafel!

Casus 14 Argumenten op tafel! Casus 14 Argumenten op tafel! Ondernemers proberen lastige besluiten op een gemakkelijke manier door de ondernemingsraad aanvaard te krijgen. Formuleer in algemene bewoordingen en vooral niet al te precies,

Nadere informatie

JPF 2013/149 Rechtbank 's-gravenhage 23 oktober 2012, 422965/FA RK 12-5121; ECLI:NL:RBSGR:2012:BY2371. ( mr. Bellaart )

JPF 2013/149 Rechtbank 's-gravenhage 23 oktober 2012, 422965/FA RK 12-5121; ECLI:NL:RBSGR:2012:BY2371. ( mr. Bellaart ) JPF 2013/149 Rechtbank 's-gravenhage 23 oktober 2012, 422965/FA RK 12-5121; ECLI:NL:RBSGR:2012:BY2371. ( mr. Bellaart ) [De vrouw] te [woonplaats vrouw], hierna: de vrouw, advocaat: mr. L.J. Zietsman te

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie

De waarde van een overeenkomst over ruimtelijke ontwikkeling. prof. mr. Peter van Buuren

De waarde van een overeenkomst over ruimtelijke ontwikkeling. prof. mr. Peter van Buuren De waarde van een overeenkomst over ruimtelijke ontwikkeling prof. mr. Peter van Buuren Voorbeeld bevoegdhedenovereenkomst 1. De gemeente zal bestemmingsplan opstellen dat een planologische basis biedt

Nadere informatie

Uitspraak 201405096/1/A2

Uitspraak 201405096/1/A2 Uitspraak 201405096/1/A2 Datum van uitspraak: Tegen: Proceduresoort: Rechtsgebied: 201405096/1/A2. Datum uitspraak: 21 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK woensdag 21 januari 2015 Uitspraak op het

Nadere informatie

GEMEENTE ONDERBANKEN

GEMEENTE ONDERBANKEN Oplegnotitie GEMEENTE ONDERBANKEN Wijziging raadsvoorstel Onderwerp: APV Onderbanken 2013 Gemeentebladnummer :2013/26 Behandelend ambtenaar : KELTJENS MIEKE Registratienummer : 2352 Portefeuille : ALGEMENE

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 26 732 Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) Nr. 98 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE Aan de Voorzitter

Nadere informatie

VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG WWB 2013 GEMEENTE NOORD-BEVELAND

VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG WWB 2013 GEMEENTE NOORD-BEVELAND VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG WWB 2013 GEMEENTE NOORD-BEVELAND Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen. 1 Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden

Nadere informatie

De raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 15 december 2011,

De raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 15 december 2011, De raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 15 december 2011, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 november 2011, gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet

Nadere informatie

Wat is een constitutie?

Wat is een constitutie? Wat is een constitutie? Veel landen op de wereld worden op een democratische manier bestuurd. Een democratie staat echter niet op zichzelf. Bij een democratie hoort namelijk een rechtsstaat. Democratie

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Zitting 1982-1983 Nr. 51 16106 Wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de Wet universitaire bestuurshervorming 1970 en de Wet van 12 november 1975, Stb.

Nadere informatie

Datum 10 juni 2014 Betreft Behandeling WWZ, schriftelijke reactie op voorstel VAAN d.d. 2 juni 2014

Datum 10 juni 2014 Betreft Behandeling WWZ, schriftelijke reactie op voorstel VAAN d.d. 2 juni 2014 > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 22 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22 Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 T

Nadere informatie

NIEUWSBRIEF 21 juni 2011

NIEUWSBRIEF 21 juni 2011 MR. J.B.H. THIEL Ondernemingsrechtadviseur NIEUWSBRIEF 21 juni 2011 Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting Op 12 mei 2011 heeft de Koningin aan de Tweede Kamer aangeboden 'een voorstel

Nadere informatie

Rolnummer 4790. Arrest nr. 10/2010 van 4 februari 2010 A R R E S T

Rolnummer 4790. Arrest nr. 10/2010 van 4 februari 2010 A R R E S T Rolnummer 4790 Arrest nr. 10/2010 van 4 februari 2010 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 73 van de programmawet (I) van 27 december 2006, gesteld door de Vrederechter van het

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2013 2014 33 818 Wijziging van verschillende wetten in verband met de hervorming van het ontslagrecht, wijziging van de rechtspositie van flexwerkers en

Nadere informatie

Met het oog op uw vragen en kritiek zijn kort samengevat mijn conclusies de volgende:

Met het oog op uw vragen en kritiek zijn kort samengevat mijn conclusies de volgende: Geachte mevrouw Stembor, U heeft mij een aantal stellingen/vragen voorgelegd. Ik heb daaruit opgemaakt dat u kritiek heeft op de onduidelijkheid over de verhouding tussen de Wbtv en de wet van 8 mei 1878,

Nadere informatie

Prof. mr. drs. M.L. Hendrikse

Prof. mr. drs. M.L. Hendrikse Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS) De levensverzekeringsovereenkomst: een vreemde eend in de bijt van verzekeringsovereenkomsten Prof. mr. drs. M.L. Hendrikse Algemene opmerkingen (1) De wetgever

Nadere informatie

Rotterdam, 7 juli 2009.

Rotterdam, 7 juli 2009. Rotterdam, 7 juli 2009. Onderwerp: Vaststellen van de beleidsregel inzake het beperken van overlast door jongeren; Opnemen van artikel 2.4.4a Algemene Plaatselijke Verordening: Mosquito op openbare plaatsen.

Nadere informatie

Datum raadsvergadering donderdag 27 november 2014

Datum raadsvergadering donderdag 27 november 2014 Raadsvoorstel Datum vaststelling voorstel door het college 9 september 2014 Datum raadsvergadering donderdag 27 november 2014 Nummer raadsvoorstel 2014-073 Bijbehorend veld van de programmabegroting Bestuurlijke

Nadere informatie

» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr.

» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. Brandt ) [De man] te [woonplaats], hierna: de man, advocaat: mr. C.A. Lucardie te s-gravenhage.

Nadere informatie

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam T 020 535 2637 Advies Luchtaanvallen IS(IS) Datum 24 september 2014 Opgemaakt door Prof. dr. P.A. Nollkaemper

Nadere informatie

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Mevrouw dr. K. Arib Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Geachte voorzitter,

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Mevrouw dr. K. Arib Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Geachte voorzitter, Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Mevrouw dr. K. Arib Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Onderwerp Wetsvoorstel gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding Datum 31 maart 2016 Ons

Nadere informatie

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 Rapport Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 2 Klacht Het niet opnemen van een rechtsmiddelenclausule conform artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht in de beslissing van 17 december 2003

Nadere informatie

AKD Gemeentedag 2014 Prof. mr. G.A. van der Veen Rotterdam 20 maart 2014

AKD Gemeentedag 2014 Prof. mr. G.A. van der Veen Rotterdam 20 maart 2014 AKD Gemeentedag 2014 15 maanden Wet aanpassing bestuursprocesrecht Prof. mr. G.A. van der Veen Advocaat bestuursrecht/omgevingsrecht AKD Advocaten en notarissen Rotterdam Bijzonder hoogleraar milieurecht

Nadere informatie

Beleidsregels ontheffing artikel 35 Drank- en Horecawet Koggenland 2013

Beleidsregels ontheffing artikel 35 Drank- en Horecawet Koggenland 2013 Beleidsregels ontheffing artikel 35 Drank- en Horecawet Koggenland 2013 *D13.003656* D13.003656 De burgemeester van Koggenland, Overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen voor de

Nadere informatie

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen.

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen. Onderwerp Uitspraak RvS inzake wijzigingsbesluit Duinweg 56 Collegevoorstel Zaaknummer: OLOGMM27 Inleiding Op 30 november 2010 heeft uw college besloten het wijzigingsbesluit Duinweg 56, Drunen vast te

Nadere informatie

RAADSINFORMATIEBRIEF 2012-05

RAADSINFORMATIEBRIEF 2012-05 RAADSINFORMATIEBRIEF 2012-05 Van : Burgemeester en Wethouders Reg.nr. : 4008067 Aan : Gemeenteraad Datum : 24 januari 2012 Portefeuillehouder : Wethouder G. Boeve Programma : 4. Zorg, welzijn en wijkontwikkeling

Nadere informatie

Gemeente Achtkarspelen. Verordening Langdurigheidstoeslag WWB. Dienst Werk en Inkomen De Wâlden

Gemeente Achtkarspelen. Verordening Langdurigheidstoeslag WWB. Dienst Werk en Inkomen De Wâlden Gemeente Achtkarspelen Verordening Langdurigheidstoeslag WWB Dienst Werk en Inkomen De Wâlden November 2011 1 Gemeente Achtkarspelen de Raad van de gemeente Achtkarspelen; gelet op het bepaalde in artikel

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UITSPRAAK. A te B (Spanje), nader te noemen: betrokkene, en de Sociale Verzekeringsbank, nader te noemen: de SVB.

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UITSPRAAK. A te B (Spanje), nader te noemen: betrokkene, en de Sociale Verzekeringsbank, nader te noemen: de SVB. CENTRALE RAAD VAN BEROEP 97/3836 AOW + 97/4659 AOW in het geding tussen: UITSPRAAK A te B (Spanje), nader te noemen: betrokkene, en de Sociale Verzekeringsbank, nader te noemen: de SVB. I. ONTSTAAN EN

Nadere informatie

mr. P.C. Cup mr.ing. C.R. van den Berg Kamer D0353 Directoraat-Generaal Milieu Interne postcode 880 Directie Strategie en Bestuur

mr. P.C. Cup mr.ing. C.R. van den Berg Kamer D0353 Directoraat-Generaal Milieu Interne postcode 880 Directie Strategie en Bestuur Gemeenschappelijke Dienst Directie Juridische Zaken AJBZ mr. P.C. Cup mr.ing. C.R. van den Berg Kamer D0353 Directoraat-Generaal Milieu Interne postcode 880 Directie Strategie en Bestuur Telefoon 070 339

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 25/08/2014

Datum van inontvangstneming : 25/08/2014 Datum van inontvangstneming : 25/08/2014 Vertaling C-359/14 1 Datum van indiening: 23 juli 2014 Verwijzende rechter: Zaak C-359/14 Verzoek om een prejudiciële beslissing Vilniaus miesto apylinkės teismas

Nadere informatie

Samenvatting. Aanleiding voor het onderzoek

Samenvatting. Aanleiding voor het onderzoek Samenvatting Aanleiding voor het onderzoek Het nationale bestuursrecht is van oudsher verbonden met het territorialiteitsbeginsel. Volgens dat beginsel is een autoriteit alleen bevoegd op het grondgebied

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 257 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade

Nadere informatie

Rolnummer Arrest nr. 55/2015 van 7 mei 2015 A R R E S T

Rolnummer Arrest nr. 55/2015 van 7 mei 2015 A R R E S T Rolnummer 5847 Arrest nr. 55/2015 van 7 mei 2015 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 347-2 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het

Nadere informatie

18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007; nieuwe beslissing op bezwaar

18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007; nieuwe beslissing op bezwaar Stichting Algemene Programma Raad (APR) p/a Hellingman Bunders advocaten t.a.v. mr. M. Bunders Postbus 75401 1070 AK AMSTERDAM Datum Onderwerp 18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007;

Nadere informatie

De Raad van de gemeente Ede,

De Raad van de gemeente Ede, De Raad van de gemeente Ede, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Ede d.d. 11 november 2014; gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet; overwegende

Nadere informatie

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met aanpassing van de groep met recht op bijstand bij langer verblijf buiten Nederland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Nadere informatie

Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T

Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T Rolnummer 2485 Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door

Nadere informatie

U I T S P R A A K 1 1-0 6 9

U I T S P R A A K 1 1-0 6 9 U I T S P R A A K 1 1-0 6 9 van het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden inzake het beroep van XXX, appellante tegen de Masterexamencommissie Criminologie, verweerder en van de

Nadere informatie

IN NAAM DER KONINGIN

IN NAAM DER KONINGIN 2 januari 1987 Eerste Kamer Nr. 12.932 RF/AT IN NAAM DER KONINGIN Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: "VASTELOAVESVEREINIGING DE ZAWPENSE", gevestigd te Grevenbricht, gemeente Born EISERES

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 576 Wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking

Nadere informatie

Datum 5 november 2012 Onderwerp Antwoorden kamervragen over strafrechtelijke ontruiming van krakers

Datum 5 november 2012 Onderwerp Antwoorden kamervragen over strafrechtelijke ontruiming van krakers 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den

Nadere informatie

Rolnummer 4045. Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T

Rolnummer 4045. Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T Rolnummer 4045 Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 468, 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 21

Nadere informatie

De inkoop van Bijlage II B diensten onder de Aanbestedingswet 2012

De inkoop van Bijlage II B diensten onder de Aanbestedingswet 2012 De inkoop van Bijlage II B diensten onder de Aanbestedingswet 2012 mr. J.C. (Kees) van de Water, KW Legal, maart 2013 De praktijk van vóór 1 april 2013 laat zien, dat het in voorkomende gevallen voor een

Nadere informatie

Een pleidooi voor aanpassing van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 1

Een pleidooi voor aanpassing van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 1 Een pleidooi voor aanpassing van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 1 Prof. mr. A.J.M. Nuytinck, hoogleraar privaatrecht, in het bijzonder personen-, familie- en erfrecht, aan de Erasmus Universiteit

Nadere informatie

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van: 11 november 2014;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van: 11 november 2014; Verordening individuele inkomenstoeslag Westerveld 2015 De raad van de gemeente Westerveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van: 11 november 2014; gelet op artikel 147, eerste lid,

Nadere informatie