F I A T C R O M A I N S T R U C T I E B O E K J E

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "F I A T C R O M A I N S T R U C T I E B O E K J E"

Transcriptie

1 F I A T C R O M A I N S T R U C T I E B O E K J E

2 Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Croma. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten benutten. Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden. Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw Fiat Croma volledig te benutten. Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de onderstaande symbolen aandachtig te lezen: veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. In de de Service- en garantiehandleiding vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud: het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten. Veel leesplezier en goede reis! Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de Fiat Croma beschreven worden, dient u zich aan de informatie te houden met betrekking tot de uitrusting, de motoruitvoering en het model van de auto die u gekocht hebt.

3 ABSOLUUT LEZEN! BRANDSTOF TANKEN K Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON. Dieselmotoren: tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie EN590. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. MOTOR Benzinemotoren: controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij (of bij een automatische versnellingsbak in stand P of N); trap het koppelingspedaal volledig in (of het rempedaal bij een automatische versnellingsbak), maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de contactsleutel op START en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. Dieselmotoren: controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij (met automatische versnellingsbak in stand P of N); trap het koppelingspedaal volledig in (of het rempedaal met automatische versnellingsbak), maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de contactsleutel op ON en wacht tot de waarschuwingslampjes Y en m gedoofd zijn; draai de contactsleutel op START en laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen. PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven gras, droge bladeren, dennennaalden of ander brandbaar materiaal: brandgevaar. BESCHERMING VAN HET MILIEU De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen.

4 ELEKTRISCHE APPARATUUR Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ontladen), wendt u dan tot de Fiat-dealer. Deze kan controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik. CODE-card Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. GEPROGRAMMEERD Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag. IN HET INSTRUCTIEBOEKJE... vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoud van uw auto. Let vooral op de symbolen " (veiligheid van de inzittenden) # (bescherming van het milieu)! (conditie van de auto).

5 EN RIJDEN CRUISE-CONTROL INSTRUMENTENPANEEL... 6 PLAFONDVERLICHTING SYMBOLEN... 8 BEDIENINGSORGANEN FIAT CODE... 9 INTERIEURUITRUSTING DE SLEUTELS OPENDAK DIEFSTALALARM PORTIEREN DEAD LOCK-SYSTEEM ELEKTRISCHE RUITBEDIENING START-/CONTACTSLOT BAGAGERUIMTE INSTRUMENTEN MOTORKAP MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY IMPERIAAL/SKIDRAGER INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY KOPLAMPEN FUNCTIES DISPLAY ABS TRIP COMPUTER ESP-SYSTEEM ZITPLAATSEN ASR-SYSTEEM HOOFDSTEUNEN EOBD-SYSTEEM STUURWIEL TPMS-SYSTEEM SPIEGELS AUTORADIO KLIMAATREGELING EXTRA ACCESSOIRES HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING PARKEERSENSOREN AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING TANKEN BUITENVERLICHTING BESCHERMING VAN HET MILIEU RUITEN REINIGEN... 65

6 De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsknoppen, de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen. EN RIJDEN fig. 1 F0L0516m 1. Uitstroomopening aan zijkant - 2. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 3. Instrumentenpaneel en controle-/waarschuwingslampjes - 4. Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer - 5. Uitstroomopeningen in het midden - 6. Autoradio - 7. Frontairbag passagierszijde - 8. Dashboardkastje - 9. Bedieningsknoppen verwarming/ventilatie/airconditioning Versnellingspook Knie-airbag bestuurderszijde Frontairbag bestuurder Bedieningshendel cruise-control Toegangsklepje zekeringenkast Schakelaarpaneel. 5

7 EN RIJDEN 6 INSTRUMENTENPANEEL Bij 1.8-uitvoeringen heeft de toerenteller een schaal tot 8000 toeren/min. Bij 1.8-uitvoeringen heeft de toerenteller een schaal tot 8000 toeren/min. fig. 2 F0L0504m F0L0505m Uitvoeringen Multijet 8V met multifunctioneel display A Snelheidsmeter B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur D Toerenteller E Multifunctioneel display m c Lampjes aanwezig op Multijetuitvoeringen t Lampje aanwezig op uitvoeringen met automatische versnellingsbak Uitvoeringen Multijet 8V met instelbaar multifunctioneel display A Snelheidsmeter B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur D Toerenteller E Instelbaar multifunctioneel display m c Lampjes aanwezig op Multijetuitvoeringen

8 Bij Multijet-uitvoeringen heeft de toerenteller een schaal tot 6000 toeren/min. F0L0506m Uitvoeringen Multijet 16V Multijet 20V met multifunctioneel display A Snelheidsmeter B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur D Toerenteller E Multifunctioneel display m c Lampjes aanwezig op Multijetuitvoeringen t Lampje aanwezig op uitvoeringen met automatische versnellingsbak EN RIJDEN Bij Multijet-uitvoeringen heeft de toerenteller een schaal tot 6000 toeren/min. fig. 3 F0L0507m Uitvoeringen Multijet 16V Multijet 20V met instelbaar multifunctioneel display A Snelheidsmeter B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur D Toerenteller E Instelbaar multifunctioneel display m c Lampjes aanwezig op Multijetuitvoeringen t Lampje aanwezig op uitvoeringen met automatische versnellingsbak 7

9 EN RIJDEN SYMBOLEN Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw auto zijn plaatjes met een bepaalde kleur aangebracht, met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt. Onder de motorkap is een plaatje aangebracht, waarop de betekenis van de symbolen wordt verklaard fig. 4. fig. 4 F0L0099m 8

10 FIAT CODE Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering. Het systeem schakelt automatisch in als de start-/contactsleutel wordt uitgenomen. In iedere sleutel zit een elektronische component gemonteerd die bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Het signaal wordt bij het starten omgezet in een gecodeerd signaal en vervolgens aan de regeleenheid van de Fiat CODE gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt. WERKING Iedere keer als de sleutel in het start-/contactslot wordt gestoken, stuurt het Fiat CODE-systeem een code naar de regeleenheid van de motor om de blokkering van de functies op te heffen. De code wordt alleen verzonden als de regeleenheid van het Fiat CODE-systeem de door de sleutel verzonden code heeft herkend. Als de sleutel wordt uitgenomen, schakelt het Fiat CODE-systeem de functies van de regeleenheid van de motor uit. Als de sleutel in het start-/contactslot wordt gestoken en de code wordt niet herkend, dan gaat op het instrumentenpaneel het lampje Y (indien aanwezig) branden en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). Neem in dat geval de sleutel uit en steek hem opnieuw in het start-/contactslot; als de motor geblokkeerd blijft, kunt u het opnieuw proberen met de andere geleverde sleutel. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Voor het opslaan van nieuwe sleutels (maximaal acht) moet u zich tot de Fiat-dealer wenden. Als het lampje Y tijdens het rijden gaat branden Als het lampje Y gaat branden, betekent dit dat het systeem zichzelf controleert (bijv. bij een vermindering van de spanning). Als u het systeem wilt controleren, moet u de auto stilzetten en de contactsleutel in stand OFF en vervolgens opnieuw in stand ON draaien: als er geen enkele storing wordt gevonden, gaat het waarschuwingslampje Y niet branden. Als het waarschuwingslampje Y blijft branden, moet de hiervoor beschreven procedure herhaald worden en de contactsleutel langer dan 30 seconden in stand OFF worden gezet. Als de storing blijft bestaan, wendt u dan tot de Fiat-dealer. Bij krachtige stoten kunnen de elektronische componenten in de sleutel beschadigd worden. EN RIJDEN 9

11 EN RIJDEN DE SLEUTELS CODE-CARD fig. 5 Bij de auto worden twee sleutels geleverd en de CODE-card waarop staan aangegeven: de elektronische code A de mechanische code van de sleutels B, die bij aanvraag van duplicaatsleutels aan de Fiat-dealer moet worden medegedeeld. fig. 5 F0L0002m Als de auto wordt verkocht, moeten alle sleutels en de CODE-card overhandigd worden aan de nieuwe eigenaar. BELANGRIJK Om schade aan de elektronische schakelingen in de sleutels te voorkomen, mogen de sleutels niet aan directe zonnestraling worden blootgesteld. 10

12 fig. 6 F0L0100m SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING fig. 6 Met de sleutel bedient u het start-contactslot van de auto. Knop Ë dient voor het op afstand ontgrendelen van de portieren en de achterklep en het uitschakelen van het alarm (indien aanwezig). Knop Á dient voor het op afstand vergrendelen van de portieren en de achterklep en het inschakelen van het alarm (indien aanwezig). Knop R dient voor het op afstand ontgrendelen van de achterklep. Als de portieren worden ontgrendeld, wordt de interieurverlichting een bepaalde tijd ingeschakeld. Portieren en achterklep ontgrendelen Druk kort op de knop Ë voor het op afstand ontgrendelen van de portieren, de achterklep en het tankklepje. Gelijktijdig wordt het diefstalalarm (indien aanwezig) uitgeschakeld, de plafondverlichting tijdelijk ingeschakeld en knipperen de richtingaanwijzers twee keer. Druk langer dan 2 seconden op de knop Ë voor het openen van de ruiten. Als de brandstofnoodschakelaar in werking treedt, worden de portieren automatisch ontgrendeld. In het Setup-menu op het display (zie de paragraaf Multifunctioneel display ) kunt u het systeem zo instellen dat na het indrukken van de knop Ë, alleen het bestuurdersportier wordt ontgrendeld. Om in dat geval alle portieren te ontgrendelen, moet u de knop Ë twee keer kort indrukken. BELANGRIJK Als de afstandsbediening niet werkt, kunnen de portieren in geval van nood worden geopend met de metalen noodsleutel in de afstandsbediening (zie Openen in noodgevallen met de metalen noodsleutel ). Portieren en achterklep vergrendelen Druk kort op de knop Á voor het op afstand vergrendelen van de portieren, de achterklep en het tankklepje. Gelijktijdig wordt het diefstalalarm (indien aanwezig) ingeschakeld, de plafondverlichting uitgeschakeld en knipperen de richtingaanwijzers één keer. Druk langer dan 2 seconden op de knop Á voor het sluiten van de ruiten. Als u de knop twee keer kort indrukt, schakelt het dead lock-systeem in (zie de paragraaf Dead lock-systeem ). BELANGRIJK Als de afstandsbediening niet werkt, kunt u de auto toch afsluiten op de manier die beschreven staat in de paragraaf Sluiten in noodgevallen. EN RIJDEN 11

13 EN RIJDEN 12 Achterklep op afstand ontgrendelen/openen Druk de knop R in om op afstand de achterklep te ontgrendelen (openen); dit kan ook bij ingeschakeld diefstalalarm (indien aanwezig). Als de achterklep wordt geopend, knipperen de richtingaanwijzers twee keer; bij het sluiten knipperen de richtingaanwijzers één keer (alleen bij ingeschakeld diefstalalarm). Als bij auto s met diefstalalarm de achterklep wordt geopend, dan worden de volumetrische beveiliging en de achterklepsensor uitgeschakeld. Als de achterklep weer wordt vergrendeld, dan wordt de beveiliging hersteld. BELANGRIJK Als de afstandsbediening niet werkt, kunt u de achterklep toch openen met het mechanisme op het slot, bereikbaar in de bagageruimte (zie de paragraaf Bagageruimte in dit hoofdstuk). fig. 7 F0L00382m fig. 8 F0L0101m Signaleringen lampje op vergrendelknop fig. 7 Als de portieren worden vergrendeld, gaat het bewakingslampje A ongeveer 3 seconden branden en daarna knipperen (bewakingsfunctie). Als u de portieren vergrendelt en een of meer portieren of de achterklep zijn niet goed gesloten, dan gaan het lampje en de richtingaanwijzers snel knipperen. Batterij van de sleutel met afstandsbediening vervangen fig. 8 Ga voor het vervangen van de batterij als volgt te werk: plaats de borging A opzij en verwijder de metalen noodsleutel B; verwijder de batterijhouder C m.b.v. de metalen noodsleutel en vervang de batterij D door deze opzij te duwen; houd rekening met de polariteit; plaats de batterijhouder C en de metalen noodsleutel B terug in de sleutel. Extra afstandsbedieningen bestellen Het systeem kan maximaal 8 afstandsbedieningen herkennen. Als u in de loop der tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, kunt u zich tot een Fiat-dealer wenden. Neem dan alle in uw bezit zijnde sleutels, de CODE-card, een identiteitsbewijs en de autopapieren mee. Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten in daarvoor bestemde containers worden gedeponeerd of kunnen ingeleverd worden bij de Fiatdealer, die voor de verwerking zorgt.

14 fig. 9 F0L0103m fig. 10 F0L0102m fig. 11 F0L0205m OPENEN IN NOOD MET DE METALEN NOODSLEUTEL Als de afstandsbediening niet werkt (bijvoorbeeld bij een lege batterij), kan de metalen noodsleutel in de afstandsbediening gebruikt worden. Met de metalen noodsleutel bedient u het slot in het bestuurdersportier (het slot bevindt zich onder de handgreep aan de buitenzijde fig. 9). Ga voor het gebruik van de metalen noodsleutel in de afstandsbediening als volgt te werk fig. 10: plaats de borging A opzij en verwijder de metalen noodsleutel B; SLUITEN IN NOOD fig. 11 Ga voor het vergrendelen van de portieren, als de afstandsbediening niet werkt, als volgt te werk: steek de metalen noodsleutel in de daarvoor bestemde opening C op de portieren en draai de sleutel in de richting van de pijl (zoals afgebeeld in de figuur). BELANGRIJK Voordat u de portieren op deze manier vergrendelt, moet u ervoor zorgen dat in het setup-menu op het multifunctionele display de functie portierontgrendeling (zie de paragraaf Multifunctioneel display ) is ingeschakeld. EN RIJDEN Met de metalen noodsleutel bedient u de afzonderlijke portieren. Ga voor het openen in noodgevallen als volgt te werk: trek de handgreep omhoog, steek de metalen noodsleutel in het slot en draai de sleutel linksom; neem de sleutel uit het slot en laat de handgreep zakken; trek de handgreep omhoog en open het portier. 13

15 EN RIJDEN 14 DIEFSTALALARM (indien aanwezig) WANNEER GAAT HET ALARM AF Het diefstalalarm wordt in de volgende gevallen geactiveerd: als een van de portieren, de motorkap of de achterklep ongeoorloofd wordt geopend (omtrekbeveiliging); als het start-/contactslot wordt bediend met een niet geautoriseerde sleutel; als de kabels van de accu worden onderbroken; als er bewegende voorwerpen in het interieur aanwezig zijn (volumetrische beveiliging); bij het optillen/kantelen van de auto. Als het alarm in werking treedt, wordt, afhankelijk van het land, de sirene geactiveerd en gaan de richtingaanwijzers knipperen (ongeveer 26 seconden). De wijze waarop het systeem werkt en het aantal cycli kunnen per land verschillen. Toch is een maximum aantal cycli voorzien voor de akoestische en zichtbare signalen. Na een alarmsignalering schakelt het systeem over naar de normale bewakingsfunctie. De volumetrische beveiliging en de kantelsensor kunnen met de betreffende bedieningsknoppen op de plafondverlichting voor worden uitgeschakeld (zie de paragrafen Volumetrische beveiliging en Kantelsensor op de volgende pagina s). BELANGRIJK De startblokkering wordt uitgevoerd door de Fiat CODE en wordt automatisch ingeschakeld als de contactsleutel uit het start-/contactslot wordt genomen. ALARM INSCHAKELEN fig. 12 Richt bij gesloten portieren, achterklep en motorkap, en met de contactsleutel in stand OFF of uitgenomen, de sleutel met afstandsbediening in de richting van de auto. Druk op de knop Á en laat de knop weer los. U hoort een akoestisch signaal ( BIEP ) (behalve bij uitvoeringen voor bepaalde markten) en de portieren worden vergrendeld. Het inschakelen van het alarm wordt voorafgegaan door een zelfdiagnose: als het systeem een storing vindt, dan klinkt nogmaals een akoestisch signaal en verschijnt op het display een bericht (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). Schakel in dit geval het diefstalalarm uit door de knop Ë in te drukken, controleer of de portieren, de motorkap en de achterklep goed gesloten zijn en schakel het alarm opnieuw in met de knop Á. fig. 12 F0L0100m Als bij goed gesloten portieren, motorkap en achterklep het akoestisch signaal wordt herhaald, dan is er een storing gesignaleerd in de werking van het systeem. Wendt u in dat geval tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Als een afzonderlijk portier met de metalen noodsleutel wordt vergrendeld, schakelt het alarm niet in. BELANGRIJK De werking van het diefstalalarm verschilt per land.

16 ALARM UITSCHAKELEN fig. 12 Druk op de knop Ë van de sleutel met afstandsbediening. Het volgende gebeurt (met uitzondering van bepaalde markten): de richtingaanwijzers knipperen twee keer kort; u hoort twee korte akoestische signalen ( BIEP s ); de portieren worden ontgrendeld. BELANGRIJK Als een afzonderlijk portier met de metalen noodsleutel wordt vergrendeld, schakelt het alarm niet in. U kunt het alarm uitschakelen door de start-/contactsleutel in stand ON te draaien. fig. 13 F0L0171m VOLUMETRISCHE BEVEILIGING In de plafondverlichting voor bevinden zich de volumetrische sensoren. Voor de juiste werking van de volumetrische sensoren moeten de portieren, de zijruiten en het opendak (indien aanwezig) gesloten zijn. Beveiliging uitschakelen Indien nodig moet, als het alarm moet worden ingeschakeld als er personen of dieren aan boord van de auto zijn, de volumetrische beveiliging worden uitgeschakeld door de knop A-fig. 13 op de plafondverlichting voor in te drukken. De uitschakeling is ook nodig wanneer met de afstandsbediening de hulpverwarming wordt ingeschakeld. fig. 14 F0L0172m KANTELSENSOR De kantelsensor meet iedere verandering in de hellingshoek van de auto en signaleert daardoor het geheel of gedeeltelijk optillen van de auto (bijv. bij het verwijderen van een wiel). De kantelsensor signaleert een minimale verandering in de hellingshoek van de auto, zowel langs de lengte- als de dwarsas. Veranderingen in de hellingshoek worden niet gesignaleerd als de snelheid lager is dan 0,5 /min. (bijvoorbeeld: als een band langzaam leegloopt). Beveiliging uitschakelen Voor het uitschakelen van de kantelsensor (bijvoorbeeld bij het slepen van de auto met ingeschakeld diefstalalarm) moet u de knop B-fig. 14 op de plafondverlichting voor indrukken. De beveiliging blijft uitgeschakeld totdat de portieren centraal worden ontgrendeld. EN RIJDEN 15

17 EN RIJDEN MELDINGEN VAN INBRAAKPOGINGEN Iedere inbraakpoging wordt aangegeven door het branden van het controlelampje Y (indien aanwezig) op het instrumentenpaneel en het tegelijk verschijnen van een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). ALARM BUITEN GEBRUIK STELLEN Om het diefstalalarm buiten werking te stellen (bijvoorbeeld als de auto lange tijd wordt gestald), sluit dan de auto af met de metalen noodsleutel. BELANGRIJK Als de batterijen van de sleutel met afstandsbediening leeg zijn, of als er een storing is in het diefstalalarm, dan kunt u het alarm buiten werking stellen door de contactsleutel in het contactslot te steken en deze in stand ON te draaien. DEAD LOCK-SYSTEEM (indien aanwezig) Dit veiligheidssysteem verhindert de werking van: de binnenhandgrepen; ver-/ontgrendelknop A en B fig. 15; hierdoor kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend bij een inbraakpoging (bijvoorbeeld bij het inslaan van een ruit). Het dead lock-systeem biedt dus de beste bescherming tegen inbraakpogingen. Daarom raden wij u aan om iedere keer als u de auto verlaat, het systeem in te schakelen. Als het dead lock-systeem is ingeschakeld, kunnen de portieren op geen enkele wijze van binnenuit worden geopend. Controleer daarom, voordat u de auto verlaat, of er geen personen meer aan boord zijn. fig. 15 F0L0003m Als de batterij van de sleutel met afstandsbediening leeg is, kan het systeem alleen worden uitgeschakeld door de metalen noodsleutel in het slot van het bestuurdersportier te steken en de sleutel te draaien, zoals hiervoor is beschreven: in dat geval blijft het systeem alleen op de achterportieren ingeschakeld. 16

18 fig. 16 F0L0100m Systeem inschakelen fig. 16 Het systeem schakelt in de volgende gevallen op alle portieren automatisch in: als u twee keer op de knop Á op de sleutel met de afstandsbediening drukt. Als het systeem is ingeschakeld, knipperen de richtingaanwijzers 3 keer en knippert het lampje op het portierpaneel aan bestuurderszijde (zie de tabel op de volgende pagina). Het systeem schakelt niet in als een of meerdere portieren niet goed gesloten zijn: zo wordt voorkomen dat een persoon via het geopende portier het interieur van de auto kan betreden en, als het portier vervolgens wordt gesloten, de auto niet meer kan verlaten. Systeem uitschakelen Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch op alle portieren uit: als de portieren op afstand worden ontgrendeld; als alleen het bestuurdersportier op afstand wordt ontgrendeld; als de start-/contactsleutel in stand ON wordt gedraaid. EN RIJDEN 17

19 EN RIJDEN Hieronder worden alle met de sleutels of met de metalen noodsleutel in te schakelen functies samengevat: Sleutel met afstandsbediening Metalen noodsleutel Knipperen richtingaanwijzers (alleen met sleutel met afstandsbediening) Lampje op vergrendelknop Openen portieren en ontgrendelen tankklepje Knop Ë kort indrukken Sleutel linksom draaien (bestuurderszijde) 2 x knipperen Doven bewakingslampje Sluiten portieren en vergrendelen tankklepje Knop Á kort indrukken Sleutel rechtsom draaien (bestuurderszijde) 1 x knipperen 3 seconden continu branden en vervolgens knipperen bewakingslampje Openen ruiten Knop Ë langer dan 2 seconden indrukken 2 x knipperen Doven bewakingslampje Sluiten ruiten Knop Á langer dan 2 seconden indrukken BELANGRIJK Als u de metalen noodsleutel in het slot draait, wordt uitsluitend het betreffende portier ontgrendeld. BELANGRIJK Het openen van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor ontgrendeling van de portieren; het sluiten van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor vergrendeling van de portieren. 1 x knipperen Knipperen bewakingslampje Dead lock (indien aanwezig) Knop Á twee keer indrukken 3 x knipperen 2 x knipperen en vervolgens knipperen van bewakingslampje Openen achterklep Knop R indrukken 2 x knipperen 18

20 START-/CONTACTSLOT De sleutel kan in 3 standen worden gedraaid fig. 17: OFF: motor uit, sleutel uitneembaar, stuurslot ingeschakeld. Enkele elektrische installaties werken (bijv. autoradio, elektrische ruitbediening enz.). ON: contact aan. Alle elektrische installaties werken. START: motor starten. Het contactslot is voorzien van een herstartbeveiliging. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand OFF en nogmaals starten. fig. 17 F0L0004m Als het start-/contactslot is geforceerd (bijv. bij een poging tot diefstal) moet u, voordat u weer met de auto gaat rijden, de werking van het slot laten controleren bij een Fiat-dealer. Neem altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt verlaten, om onvoorzichtig gebruik van de bedieningsknoppen te voorkomen. Vergeet niet de handrem aan te trekken. Schakel de eerste versnelling in als de auto op een helling omhoog staat en de achteruit bij een helling omlaag (gezien vanuit de rijrichting) (stand P met automatische versnellingsbak). Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. STUURSLOT Inschakelen Het stuurslot schakelt na 5 seconden in, nadat de sleutel uit het contactslot is genomen na het uitzetten van de motor. Uitschakelen Het stuurslot schakelt uit als de contactsleutel in het contactslot wordt gestoken. BELANGRIJK Als u de motor uitzet als de auto nog rijdt, wordt het stuurslot niet ingeschakeld en verschijnt op het multifunctionele display het betreffende bericht (zie het hoofdstuk Lampjes en Berichten ). BELANGRIJK Als na een poging het instrumentenpaneel in te schakelen en/of de motor te starten, op het display het bericht Laat beveiliging auto controleren verschijnt, moet de handeling herhaald worden en het stuur heen en weer worden bewogen, zodat het stuurslot makkelijker ontgrendelt. De weergave van het bericht op het display heeft geen invloed op de werking van het stuurslot. BELANGRIJK Als de auto in beweging is mag de elektronische sleutel niet uit het contactslot worden genomen; hierdoor bent u er verzekerd van dat het stuurslot is uitgeschakeld als de auto in beweging is (bijvoorbeeld bij het slepen van de auto). EN RIJDEN 19

21 EN RIJDEN Het is streng verboden om demontage-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring. INSTRUMENTEN TOERENTELLER fig. 18 De toerenteller geeft het toerental per minuut van de motor aan. Het bereik van de schaal van de toerenteller is afhankelijk van de uitvoering. BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk de toevoer van brandstof als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorvermogen zal afnemen. fig. 18 F0L0512m Bij stationair draaiende motor kan de toerenteller onder bepaalde omstandigheden een geleidelijke of herhaalde toerentalstijging aangeven. Dit is een normaal verschijnsel en kan optreden als bijvoorbeeld de airconditioning of de elektroventilateur wordt ingeschakeld. In deze gevallen dient een geringe toerentalstijging voor het behoud van de lading van de accu. 20

22 km/h fig. 19 F0L0513m BRANDSTOFMETER fig. 19 De brandstofmeter geeft het aantal liters brandstof aan dat in de tank aanwezig is. Het waarschuwingslampje A geeft aan dat er nog ongeveer 7 tot 9 liter brandstof aanwezig is. E - brandstoftank leeg. F - brandstoftank vol (zie de paragraaf Tanken in dit hoofdstuk). Rijd niet met een bijna lege brandstoftank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen. fig. 20 F0L0514m fig. 21 KOELVLOEISTOF- TEMPERATUURMETER fig. 20 Als het waarschuwingslampje B gaat branden, dan is de koelvloeistoftemperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uit en wendt u tot de Fiat-dealer. De wijzer geeft de temperatuur aan van de motorkoelvloeistof, zodra de koelvloeistoftemperatuur hoger wordt dan ongeveer 50 C. Onder normale omstandigheden kan de wijzernaald op verschillende posities in het bereik staan, afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de auto en de zelfregulerende werking van het motorkoelsysteem. F0L0515m BELANGRIJK Als de wijzernaald aan het begin van de schaal staat (lage temperatuur) en het waarschuwingslampje B brandt, dan is er een storing in het systeem. Wendt u in dit geval tot de Fiat-dealer om het systeem te laten controleren. Als de wijzernaald in het rode gebied komt, zet dan onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Fiat-dealer. SNELHEIDSMETER fig. 21 Geeft de snelheid van de auto aan. Het bereik van de schaal van de snelheidsmeter is afhankelijk van de uitvoering. EN RIJDEN 21

23 MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY (indien aanwezig) EN RIJDEN De auto kan zijn uitgerust met een multifunctioneel display dat tijdens de rit nuttige informatie levert aan de bestuurder op basis van de instelling voor de gewenste gegevens. BEGINSCHERM fig. 22 Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven: A Datum B Kilometerteller (weergave kilometer/ mijltotaalteller) C Tijd D Buitentemperatuur E Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld). Opmerking Bij het openen van een voorportier wordt het display verlicht en wordt enkele seconden de tijd en de kilometer-/mijltotaalteller weergegeven. fig. 22 F0L0071m BEDIENINGSKNOPPEN fig Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar boven te doorlopen of de weergegeven waarde te verhogen. MODE Kort indrukken voor toegang tot het menu en/of naar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevestigen. Even ingedrukt houden om terug te keren naar het beginscherm. Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar beneden te doorlopen of de weergegeven waarde te verlagen. fig. 23 F0L0029m Opmerking Bij de knoppen + en hangt de werking van het volgende af: Lichtsterkte interieur auto regelen als het beginscherm wordt weergegeven, dan kunt u hiermee de lichtsterkte van het instrumentenpaneel, van de autoradio en van de automatische klimaatregeling regelen. Setup-menu binnen het menu kunt u het menu naar boven of beneden doorlopen; tijdens het instellen kunt u de waarde verhogen of verlagen. 22

24 SETUP-MENU fig. 24 Het menu bestaat uit een aantal functies dat cyclisch wordt weergegeven. De functies kunnen met de knoppen + en worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren. Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop MODE kort in te drukken, uitsluitend bij een stilstaande auto (bij een rijdende auto is alleen een beperkt menu beschikbaar). Door de knop + of telkens in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen. De werking is afhankelijk van het geselecteerde menupunt. OPMERKING Als de auto is uitgerust met het Connect Nav+, kunt u op het display van het instrumentenpaneel uitsluitend de volgende functies regelen/instellen: Snelheidslimiet, Gevoeligheid schemersensor instellen (indien aanwezig) en Herinschakeling buzzer voor melding SBR-systeem (indien aanwezig). De andere functies worden weergegeven op het display van het Connect Nav+, waarmee deze functies ook kunnen worden geregeld/ingesteld. Een menupunt selecteren als u de knop MODE kort indrukt, kunt u in het menu de instelling selecteren die u wilt wijzigen; met de knop + of (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd; als u de knop MODE kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar het eerder geselecteerde menupunt. Datum en Klokje instellen selecteren: als u de knop MODE kort indrukt, kunt u de instelling selecteren die u wilt wijzigen (bijv. uren /minuten of jaar /maand / dag); met de knop + of (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd; als u de knop MODE kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd doorgaan naar het volgende menupunt. Als dit menupunt het laatste is, dan wordt teruggekeerd naar het daarvoor geselecteerde menupunt. Als u de knop MODE even ingedrukt houdt: u verlaat het setup-menu en alleen de al opgeslagen wijzigingen (bevestigd door het kort indrukken van de knop MODE) worden bewaard. Het setup-menu heeft een tijdregeling; als het menu na een bepaalde tijd wordt afgesloten, dan worden alleen de reeds opgeslagen instellingen bewaard (reeds bevestigd door het kort indrukken van de knop MODE). EN RIJDEN 23

25 EN RIJDEN Bijvoorbeeld: Brasilian Turkçe Nederland MODE kort indrukken van de knop Italiano Polski Deutsch English Français Português Español BEEP SNELHEID Druk kort op de knop MODE om vanuit het beginscherm te navigeren. Druk op de knop + of om in het menu te navigeren. Opmerking Als de auto rijdt is om veiligheidsredenen alleen een beperkt menu (instellen van de snelheidslimiet) toegankelijk. Als de auto stilstaat is het uitgebreide menu toegankelijk. Op auto s die uitgerust zijn met het Connect Nav+, worden veel functies op het display van het navigatiesysteem weergegeven. SCHEMERSENSOR INFORMATIE TRIP B TIJD INSTELLEN DATUM INSTELLEN Bijvoorbeeld: ZIE RADIO Jaar SLEUTEL Dag Maand MODE kort indrukken van de knop MENU AUTOCLOSE MENU VERLATEN MEETEENHEID SIDEBAGS ACHTER. AIRBAG PASSAGIER VOL. WAARSCHUWINGEN TAAL SERVICE BUZZ. GORDELS VOL. TOETSEN F0L1195i 24 fig. 24

26 INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY (indien aanwezig) De auto kan zijn uitgerust met een instelbaar multifunctioneel display dat tijdens de rit nuttige informatie levert aan de bestuurder op basis van de instelling voor de gewenste gegevens. BEGINSCHERM fig. 25 Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven: A Tijd B Datum C Kilometerteller (weergave kilometer-/ mijltotaalteller) D Informatie over de status van de auto (geopende portieren, kans op gladheid enz.) E Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld) F Buitentemperatuur. Opmerking Bij het openen van een voorportier wordt het display verlicht en wordt enkele seconden de tijd en de kilometer-/mijltotaalteller weergegeven. fig. 25 F E A D BEDIENINGSKNOPPEN fig Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar boven te doorlopen of de weergegeven waarde te verhogen. MODE Kort indrukken voor toegang tot het menu en/of naar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevestigen. Even ingedrukt houden om terug te keren naar het beginscherm. Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar beneden te doorlopen of de weergegeven waarde te verlagen. C B F0L0518m fig. 26 F0L0029m Opmerking Bij de knoppen + en hangt de werking van het volgende af: als het beginscherm wordt weergegeven, dan kunt u hiermee de lichtsterkte van het instrumentenpaneel, van de autoradio en van de automatische klimaatregeling regelen; binnen het menu kunt u het menu naar boven of beneden doorlopen; tijdens het instellen kunt u de waarde verhogen of verlagen. EN RIJDEN 25

27 EN RIJDEN SETUP-MENU fig. 27 Het menu bestaat uit een aantal functies dat cyclisch wordt weergegeven. De functies kunnen met de knoppen + en worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren. Bij enkele onderdelen (Tijd en Meeteenheid instellen) is er een submenu. Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop MODE kort in te drukken. Door de knop + of steeds in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen. De werking is afhankelijk van het geselecteerde menupunt. Als de auto is uitgerust met het Connect Nav+, kunt u op het display van het instrumentenpaneel uitsluitend de volgende functies regelen/instellen: Verlichting, Beep Snelheid, Schemersensor (indien aanwezig), Buzz. gordels en Bag passagier. De andere functies worden weergegeven op het display van het Connect Nav+, waarmee deze functies ook kunnen worden geregeld/ingesteld. Een menupunt selecteren in het hoofdmenu zonder submenu: als u de knop MODE kort indrukt, kunt u in het hoofdmenu de instelling selecteren die u wilt wijzigen; met de knop + of (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd; als u de knop MODE kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar het eerder geselecteerde menupunt in het hoofdmenu. Een menupunt selecteren in het hoofdmenu met submenu: als u de knop MODE kort indrukt, wordt het eerste menupunt van het submenu weergegeven; met de knop + of (door de knop telkens in te drukken) kunt u alle menupunten van het submenu doorlopen; als u de knop MODE kort indrukt, kunt u het weergegeven menupunt van het submenu selecteren en verschijnt het betreffende setup-menu; met de knop + of (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling van dit menupunt in het submenu worden geselecteerd; als u de knop MODE kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar het eerder geselecteerde menupunt in het submenu. 26

28 Voorbeeld: Italiano Brasilian Turkçe MODE kort indrukken van de knop Deutsch Nederlands English Portugês Español Français Om vanuit het beginscherm te kunnen navigeren, moet u kort op de knop MODE drukken. Druk op de knop + of om het menu te doorlopen. Opmerking Als de auto rijdt is om veiligheidsredenen alleen een beperkt menu toegankelijk: instellingen Verl. en Beep snelheid. Als de auto stilstaat is het uitgebreide menu toegankelijk. Bij uitvoeringen die zijn uitgerust met het Connect Nav+ worden veel functies op het display van het navigatiesysteem weergegeven. AIRBAG PASSAGIER SIDEBAGS ACHTER MENU VERLATEN MENU SNELHEIDSZOEMER Jaar SCHEMERSENSOR Dag Maand MODE kort indrukken van de knop EN RIJDEN SERVICE BEEP GORDELS VOLUME TOETSEN VOLUME WAARSCHUWINGEN ACTIVEREN TRIP B KLOKJE INSTELLEN DATUM INSTELLEN ZIE RADIO TAAL MEETEENHEID AUTOCLOSE SLEUTEL F0L4023i fig

29 EN RIJDEN FUNCTIES DISPLAY (zie Multifunctioneel display of Instelbaar multifunctioneel display) Beep Snelheid (Snelheidslimiet) Met deze functie kan de snelheidslimiet van de auto (km/h of mph) worden ingesteld. Als deze limiet wordt overschreden, wordt de bestuurder gewaarschuwd (zie hoofdstuk Lampjes en berichten ). Ga voor het instellen van de snelheidslimiet als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display verschijnt het opschrift (Beep Snelh.); druk op de knop + of om de snelheidslimiet in te schakelen (On) of uit te schakelen (Off); als de functie al was ingeschakeld (On), kan met de knop + of de gewenste snelheidslimiet worden ingesteld en worden bevestigd door het indrukken van de knop MODE; Opmerking De waarde kan worden ingesteld tussen 30 en 250 km/h of tussen 20 en 155 mph, afhankelijk van de ingestelde meeteenheid (zie de paragraaf Meeteenheid instellen (Meeteenheid) hierna). Elke keer als u de knop + of indrukt, wordt de waarde 5 eenheden verhoogd of verlaagd. Als u de knop + of ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dichtbij de gewenste waarde bent, kan de instelling worden voltooid door de knop telkens in te drukken. druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Ga als volgt te werk als u de instelling wilt annuleren: druk kort op de knop MODE; op het display knippert (On); druk kort op de knop ; op het display knippert (Off); druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. 28

30 Schemersensor (Gevoeligheid schemersensor instellen) (indien aanwezig) Met deze functie kan de gevoeligheid van de schemersensor worden ingesteld op 3 niveaus (niveau 1 = minimum niveau, niveau 2 = gemiddeld niveau, niveau 3 = maximum niveau); hoe hoger de gevoeligheid, hoe minder buitenlicht er nodig is om de verlichting in te schakelen. Ga voor de gewenste instelling als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het eerder ingestelde niveau; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Trip B inschakelen (Trip B) Met deze functie kan de weergave van Trip B (dagteller) worden ingeschakeld (On) of uitgeschakeld (Off). Zie voor meer informatie de paragraaf Trip computer. Ga voor het in- of uitschakelen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Tijd instellen (Klokje instellen) Met deze functie kan het klokje worden ingesteld in twee submenu s: Tijd en Formaat. Ga voor het instellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display verschijnen de twee submenu s Tijd en Formaat ; druk op de knop + of om tussen de submenu s te navigeren; druk na het selecteren van het submenu dat u wilt wijzigen, kort op de knop MODE; als u in het submenu Tijd zit: druk kort op de knop MODE; op het display knipperen de uren ; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE; op het display knipperen de minuten ; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren. EN RIJDEN 29

31 EN RIJDEN Opmerking Elke keer als u de knop + of indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten. als u in het submenu Formaat zit: druk kort op de knop MODE; op het display knippert de tijdsaanduiding; druk op de knop + of voor weergave van de tijd in 24h of 12h. Druk na het uitvoeren van de instelling kort op de knop MODE om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan. druk nogmaals lang op de knop MODE om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt. Datum instellen (Datum instellen) Met deze functie kan de datum worden ingesteld (dag - maand - jaar). Ga voor het instellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het jaar ; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE; op het display knippert de maand ; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE; op het display knippert de dag ; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren. Opmerking Elke keer als u de knop + of indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten. druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Zie radio (Herhaling informatie audiosysteem) Met deze functie kan op het display de informatie over de autoradio worden weergegeven. Radio: frequentie of RDS-bericht van het geselecteerde radiostation, automatisch zoeken of AutoSTore inschakelen; audio-cd, MP3-CD: nummer van het muziekstuk; CD-wisselaar: CD-nummer en nummer muziekstuk. Cassettespeler: werking. Ga voor het inschakelen (On) of uitschakelen (Off) van de informatie van het audiosysteem op het display als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. 30

32 Sleutel Met deze functie kunt u kiezen welke portieren geopend worden. Er zijn drie mogelijkheden: portieren openen: alle portieren worden ontgrendeld, behalve de achterklep bestuurdersportier openen: uitsluitend het bestuurdersportier wordt ontgrendeld (indien aanwezig) alles openen: alle portieren inclusief de achterklep worden ontgrendeld Deze functie is standaard ingesteld op Alles openen. Ga voor het instellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Autoclose (Centrale portiervergrendeling bij rijdende auto) Als deze functie is ingeschakeld (On), worden de portieren automatisch vergrendeld als de auto sneller rijdt dan 20 km/h. Ga voor het in- of uitschakelen van deze functie als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display verschijnt een submenu; druk kort op de knop MODE; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan; druk nogmaals lang op de knop MODE om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt. Meeteenheid (Meeteenheid instellen) Met deze functie kunnen de meeteenheden worden ingesteld in de submenu s: Afstand, Verbruik en Temperatuur (indien aanwezig). Ga voor het instellen van de gewenste meeteenheid als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display verschijnen de submenu s; druk op de knop + of om tussen de submenu s te navigeren; druk na het selecteren van het submenu dat u wilt wijzigen, kort op de knop MODE; als u in het submenu Afstand zit: druk kort op de knop MODE; op het display wordt km of mijl weergegeven, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; als u in het submenu Verbruik zit: druk kort op de knop MODE; op het display wordt km/l, l/100km of mpg weergegeven, afhankelijk van de instelling; EN RIJDEN 31

33 EN RIJDEN Als de meeteenheid afstand is ingesteld op km, kan de meeteenheid verbruik worden ingesteld op km/l of l/100 km. Als de meeteenheid afstand is ingesteld op mijl, geeft het display de hoeveelheid verbruikte brandstof aan in mpg. druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; als u in het submenu Temperatuur zit: druk kort op de knop MODE; op het display wordt C of F weergegeven, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren. Druk na het uitvoeren van de instelling kort op de knop MODE om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan. druk nogmaals lang op de knop MODE om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt. Taal (Taal instellen) U kunt de taal van het display instellen: Italiaans, Duits, Engels, Spaans, Frans, Portugees, Pools (indien aanwezig), Nederlands, Turks en Braziliaans. Ga om de gewenste taal in te stellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert de ingestelde taal ; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Volume waarschuwingen (Volumeregeling waarschuwingszoemer) Het volume van het akoestische signaal (buzzer) dat klinkt voor het melden van een storing of waarschuwing, kan ingesteld worden op 8 niveaus. Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het niveau van het ingestelde volume; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. 32

34 Volume toetsen (Volumeregeling toetsen) Het akoestische signaal dat klinkt bij het indrukken van de knoppen MODE, + en, kan worden ingesteld op 8 niveaus. Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het niveau van het ingestelde volume; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Beep gordels (Herinschakeling buzzer voor melding SBRsysteem) De functie wordt alleen weergegeven als het SBR-systeem door de Fiat-dealer is uitgeschakeld (zie de paragraaf SBRsysteem in het hoofdstuk Veiligheid ). Service (Geprogrammeerd onderhoud) Met deze functie kan worden weergegeven hoeveel kilometers of dagen nog resteren voordat een servicebeurt moet worden uitgevoerd. Ga voor het raadplegen van deze aanwijzingen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert de afstand in km of mijl, afhankelijk van de instelling (zie de paragraaf Meeteenheid afstand ); druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm. Opmerking Het Geprogrammeerd onderhoudsschema voorziet elke km (of iedere mijl) in een servicebeurt; deze weergave verschijnt automatisch als de sleutel in stand ON staat, vanaf km (of gelijke waarde in mijl). De weergave wordt elke 200 km (of gelijke waarde in mijl) opnieuw weergegeven. Onder de 200 km wordt de weergave met kleinere intervallen weergegeven. De weergave is afhankelijk van de ingestelde meeteenheid in km of mijl. Als u dicht bij de volgende servicebeurt bent en u de contactsleutel in stand ON draait, verschijnt op het display het opschrift Service gevolgd door het aantal kilometers/mijlen dat resteert tot de volgende servicebeurt. Wendt u tot de Fiat-dealer voor het uitvoeren van de werkzaamheden van het Onderhoudsschema en voor het op nul zetten van deze weergave (reset). EN RIJDEN 33

35 EN RIJDEN Bag passagier Inschakeling/Uitschakeling van de frontairbag en zij-airbag voor bescherming van de borstkas (sidebag - indien aanwezig) aan passagierszijde fig. 28 Met deze functie kunt u de frontairbag en de zij-airbag voor bescherming van de borstkas (sidebag) aan passagierszijde inof uitschakelen. Ga als volgt te werk: druk op de knop MODE en druk, na het verschijnen op het display van het bericht (Bag pass: Off) (voor uitschakelen) of het bericht (Bag pass: On) (voor inschakelen) door op de knop + of te drukken, nogmaals op de knop MODE; op het display verschijnt het bericht om de instelling te bevestigen; selecteer door het indrukken van de knop + of (Ja) (voor bevestiging van de inschakeling/uitschakeling) of (Nee) (om te annuleren); druk kort op de knop MODE; er verschijnt een bevestiging van de gekozen instelling en er wordt teruggekeerd naar het menuscherm of, wanneer de knop even ingedrukt wordt gehouden, naar het beginscherm zonder op te slaan. + + MODE MODE F0L4011i F0L4012i F0L4013i + + MODE MODE F0L4016i F0L4014i F0L4015i 34

36 Sidebags achter Inschakeling/Uitschakeling van de zij-airbags achter voor bescherming van de borstkas (sidebags achter) (indien aanwezig) fig. 29 Met deze functie kunt u de zij-airbags achter voor bescherming van de borstkas (sidebags achter) in- of uitschakelen. Ga als volgt te werk: druk op de knop MODE en druk, na het verschijnen op het display van het bericht (Sidebag acht.: Off) (voor uitschakelen) of het bericht (Sidebag acht.: On) (voor inschakelen) door op de knop + of te drukken, nogmaals op de knop MODE; op het display verschijnt het bericht om de instelling te bevestigen; selecteer door het indrukken van de knop + of (Ja) (voor bevestiging van de inschakeling/uitschakeling) of (Nee) (om te annuleren); druk kort op de knop MODE; er verschijnt een bevestiging van de gekozen instelling en er wordt teruggekeerd naar het menuscherm of, wanneer de knop even ingedrukt wordt gehouden, naar het beginscherm zonder op te slaan. + + MODE MODE F0L4017i F0L4018i F0L4019i + MODE MODE EN RIJDEN + F0L4022i F0L4020i F0L4021i 35

37 EN RIJDEN Menu verlaten Laatste functie waarmee de instellingen uit het menuscherm worden afgesloten. Druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Als u de knop indrukt, wordt teruggekeerd naar het eerste menupunt (Snelh. Lim.). TRIP COMPUTER (indien aanwezig) Algemene informatie De Trip computer is beschikbaar op uitvoeringen met multifunctioneel display of met instelbaar multifunctioneel display. Met de Trip computer kan, als de contactsleutel in stand ON staat, op het display informatie worden weergegeven over de werking van de auto. Deze functie bestaat uit General trip, dat betrekking heeft op de hele rit van de auto, en Trip B, alleen aanwezig op het instelbare multifunctionele display, dat betrekking heeft op een deeltraject. Deze laatste functie vormt een onderdeel (zoals is afgebeeld in fig. 31) van het totale traject van de auto. Beide functies kunnen op nul worden gezet (reset - begin van een nieuwe rit). General Trip geeft informatie over: Autonomie (actieradius) Afgelegde afstand Gemiddeld verbruik Huidig verbruik Gemiddelde snelheid Reistijd. Trip B, alleen aanwezig op het instelbare multifunctionele display, geeft informatie over: Afgelegde afstand B Gemiddeld verbruik B Gemiddelde snelheid B Reistijd B. Opmerking De functie Trip B kan worden uitgeschakeld (zie de paragraaf Trip B ). Het onderdeel Autonomie kan niet op nul gezet worden. 36

38 Weergegeven gegevens Autonomie (actieradius) Geeft globaal het aantal kilometers aan dat nog gereden kan worden met de brandstof in de brandstoftank, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de rijstijl niet verandert. Op het display verschijnt de indicatie als: de actieradius kleiner is dan 50 km (of 30 mijl) de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat. BELANGRIJK De waarde van de actieradius kan door verschillende factoren worden beïnvloed: rijstijl (zie de paragraaf Rijstijl in het hoofdstuk Starten en rijden ), type traject (snelwegen, stad, bergen enz.), gebruiksomstandigheden van de auto (vervoerde lading, bandenspanning enz.). Houd hier bij het plannen van een reis rekening mee. Afgelegde afstand Geeft de afstand aan die de auto heeft afgelegd vanaf het begin van een nieuwe rit. Gemiddeld verbruik Geeft globaal het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het begin van een nieuwe rit. Huidig verbruik Geeft doorlopend de wijziging in het brandstofverbruik aan. Als de auto stilstaat met draaiende motor wordt op het display weergegeven. Gemiddelde snelheid Geeft de gemiddelde snelheid van de auto aan op basis van de tijd die verstreken is vanaf het begin van een nieuwe rit. Reistijd Geeft de verstreken tijd aan vanaf het begin van een nieuwe rit. BELANGRIJK Als er geen informatie is, verschijnt bij alle functies op de Trip computer de aanduiding in plaats van de waarde. Wanneer de normale werking weer hersteld is, worden de waarden van de functies weer op normale wijze weergegeven. De waarden die voor de storing werden weergegeven, worden niet op nul gezet en er wordt geen nieuwe rit begonnen. Bedieningsknop TRIP fig. 30 Met de knop TRIP, aan het uiteinde van de rechter hendel, krijgt u, als de contactsleutel in stand ON staat, toegang tot de hiervoor beschreven gegevens en kunnen de gegevens op nul worden gezet om een nieuwe rit te beginnen: kort indrukken voor weergave van de verschillende gegevens; even ingedrukt houden voor het op nul zetten (reset) en het beginnen van een nieuwe rit. Nieuwe rit Begint als een reset is uitgevoerd: handmatig door de gebruiker d.m.v. het indrukken van de betreffende knop; automatisch wanneer de afgelegde afstand de waarde 9.999,9 km bereikt of wanneer de reistijd de waarde (99 uur en 59 minuten) bereikt; iedere keer als de accu losgekoppeld is geweest. EN RIJDEN 37

39 BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet terwijl het scherm van General trip wordt weergegeven, dan worden ook de gegevens van Trip B op nul gezet, terwijl bij het op nul zetten van Trip B alleen de gegevens van Trip B op nul worden gezet. Procedure voor het begin van een rit Voor het op nul zetten (reset) moet u met de sleutel in stand ON langer dan 2 seconden op de knop TRIP drukken. EN RIJDEN fig. 30 F0L0070m Reset GENERAL TRIP Einde rit Begin nieuwe rit GENERAL TRIP Reset GENERAL TRIP Einde rit Begin nieuwe rit TRIP B Reset TRIP B TRIP B Reset TRIP B fig. 31 Reset TRIP B Einde deeltraject Begin nieuw deeltraject Einde deeltraject Begin nieuw deeltraject Einde deeltraject Begin nieuw deeltraject TRIP B Reset TRIP B Einde deeltraject Begin nieuw deeltraject 38

40 ZITPLAATSEN VOORSTOELEN MET HANDBEDIENDE VERSTELLING fig. 32 Verstellen in lengterichting Trek de hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren: als u rijdt, moeten de armen licht gebogen zijn en de handen op de stuurwielrand steunen. Hoogteverstelling Beweeg de hendel B herhaaldelijk omhoog of omlaag totdat de gewenste zithoogte is bereikt. BELANGRIJK De verstelling is alleen mogelijk als u op de bestuurdersstoel zit. Verstellen van de rugleuning Draai de knop C. fig. 32 F0L0376m Alle afstellingen mogen uitsluitend bij een stilstaande auto worden uitgevoerd. Als u de hendel loslaat, moet altijd gecontroleerd worden of de stoel goed geblokkeerd is door te proberen de stoel naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen. Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand tegen slijtage die ontstaat bij een normaal gebruik van de auto. Hevig en/of langdurig wrijven met kledingaccessoires zoals metalen gespen, sierknopen en klittenbandsluitingen, moet echter absoluut worden vermeden omdat hierdoor grote druk ontstaat op een bepaalde plek op de bekleding, waardoor deze plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt. Lendensteun verstellen (indien aanwezig) Draai de knop D om het steunvlak van de rugleuning aan te passen. EN RIJDEN 39

41 EN RIJDEN Stoelverwarming fig. 34 Druk met de sleutel in stand ON op de knop F om de functie in of uit te schakelen. Bij inschakeling gaat het lampje op de knop branden. fig. 33 F0L0377m fig. 34 F0L0378m fig. 35 F0L0379m Zithoekverstelling (indien aanwezig) fig. 33 Beweeg de hendel E herhaaldelijk omhoog of omlaag voor de gewenste stand. BELANGRIJK De verstelling is alleen mogelijk als u op de bestuurdersstoel zit. Passagiersstoel voor neerklappen tafelopstelling (indien aanwezig) fig. 35 Trek hiervoor de hendel A omhoog en klap gelijktijdig de rugleuning neer. Om de stoel weer in de normale stand te zetten, moet u de hendel A bedienen en gelijktijdig de rugleuning omhoog zetten totdat deze vergrendelt. 40

42 fig. 36 VOORSTOELEN MET ELEKTRISCHE VERSTELLING (indien aanwezig) fig. 36 De stoelen kunnen versteld worden als de contactsleutel in stand ON staat of gedurende 1 minuut nadat de contactsleutel in stand OFF is gezet of is uitgenomen, of gedurende 3 minuten na opening van de portieren. Verstellen in lengterichting/hoogteverstelling Bedien de knop A. Verstellen van de rugleuning Bedien de knop B. F0L0173m Hoogteverstelling Bedien de knop A voor de hoogteverstelling van het voorste of achterste deel van de stoel. Instellingen van de bestuurdersstoel opslaan Met deze voorziening kunnen drie verschillende instellingen van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels in het geheugen worden opgeslagen en opgeroepen (alleen met de contactsleutel in stand ON). Ga voor het opslaan als volgt te werk: stel de stand van de bestuurdersstoel en van de buitenspiegels in; druk ongeveer 3 seconden op een van de knoppen D ( 1, 2 of 3 ), waaronder een instelling kan worden opgeslagen, totdat u ter bevestiging een geluidssignaal hoort. Als u een nieuwe stand van de stoel of de spiegels opslaat, wordt automatisch de vorige met dezelfde knop opgeslagen stand verwijderd. BELANGRIJK De instelling van de lendensteun en de inschakeling van de stoelverwarming kunnen niet in het geheugen worden opgeslagen. Opgeslagen instellingen oproepen Ga als volgt te werk: draai de contactsleutel in stand ON; druk (kort) op de knop D ( 1, 2 of 3 ). De stoel beweegt uitsluitend automatisch als de opgeroepen stand verschillend is van de stand waarin de stoel staat, en de snelheid van de auto lager is dan 10 km/h. De stoel kan ook worden ingesteld gedurende 1 minuut na het verwijderen van de sleutel uit het contactslot of gedurende drie minuten na het openen van de portieren. Als de motor wordt gestart tijdens het oproepen van de opgeslagen instelling, wordt de beweging van de stoel tijdelijk geblokkeerd. BELANGRIJK Als tijdens het oproepen van de opgeslagen instelling een van de knoppen D wordt ingedrukt, wordt de in werking zijnde functie onmiddellijk onderbroken ( anti-paniek - functie). Stoelverwarming (indien aanwezig) Bedien de knop C voor het in-/uitschakelen van de stoelverwarming. Er zijn 4 standen: 0 (uitgeschakeld), 1 (minimale verwarming), 2 (gemiddelde verwarming), 3 (maximale verwarming). EN RIJDEN 41

43 EN RIJDEN fig. 37 ZITPLAATSEN ACHTER F0L0009m HOOFDSTEUNEN VOOR fig. 38 Deze zijn in hoogte verstelbaar en vergrendelen automatisch in de gewenste stand. omhoog verplaatsen: trek de hoofdsteun omhoog totdat hij hoorbaar vergrendelt. omlaag verplaatsen: druk op de knop A en duw de hoofdsteun omlaag. fig. 38 F0L0010m Ontgrendeling rugleuning fig. 37 trek de hendel A of B omhoog om respectievelijk het linker of het rechter deel van de rugleuning te ontgrendelen en plaats de rugleuning op de zitting. Alle afstellingen mogen uitsluitend bij een stilstaande auto worden uitgevoerd. ACHTER fig. 39 Voor de zitplaatsen achter zijn drie hoofdsteunen voorzien. Om de hoofdsteunen achter te verwijderen, moet u gelijktijdig de knoppen B aan de kant van de twee steunen indrukken en de hoofdsteunen uittrekken. BELANGRIJK Als de zitplaatsen achter gebruikt worden, moeten de hoofdsteunen altijd volledig zijn uitgetrokken. fig. 39 F0L0011m De hoofdsteunen moeten zo worden ingesteld dat ze het hoofd ondersteunen en niet de nek. Alleen in deze positie bieden de steunen bescherming. 42

44 Voor een optimale bescherming moet de rugleuning zo zijn ingesteld dat u rechtop zit en dat uw hoofd zich zo dicht mogelijk bij de hoofdsteun bevindt. STUURWIEL Het stuurwiel kan zowel in lengterichting als in hoogte worden versteld. Ga voor het instellen als volgt te werk fig. 40: ontgrendel de hendel door deze naar voren te drukken (stand 1); plaats het stuur in de gewenste stand; vergrendel de hendel door hem naar het stuur te trekken (stand 2). fig. 40 F0L0391m Het stuur mag alleen worden versteld als de auto stilstaat. EN RIJDEN Het is streng verboden om demontage-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring. 43

45 EN RIJDEN SPIEGELS BINNENSPIEGEL fig. 41 De binnenspiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor de spiegel bij een krachtig contact met een inzittende losschiet. Met het hendeltje A kan de spiegel in twee standen worden gezet: normale of antiverblindingsstand. ELEKTRONISCH DIMBARE BINNENSPIEGEL fig. 42 Enkele uitvoeringen zijn voorzien van een elektronisch dimbare binnenspiegel met automatische anti-verblindingsfunctie. Aan de onderzijde van de spiegel is een ON/OFF-knop aanwezig voor het in-/uitschakelen van de anti-verblindingsfunctie. Bij inschakeling gaat het lampje op de spiegel branden. Als u de achteruit inschakelt, wordt de spiegel altijd ingesteld op de heldere dagstand. fig. 41 fig. 42 F0L0012m F0L0310m BUITENSPIEGELS fig. 43 Elektrische verstelling De elektrische verstelling is alleen mogelijk als de contactsleutel in stand ON staat. Ga voor het verstellen als volgt te werk: met de schakelaar B kiest u welke spiegel u wilt verstellen (links of rechts); fig. 43 F0L0386m met de schakelaar C kunt u de spiegel in 4 richtingen verstellen. Stel de spiegels af als de auto stilstaat en de handrem is aangetrokken. De verwarming van de spiegels schakelt automatisch in als u de achterruitverwarming aanzet. Parkeer -stand van de buitenspiegel aan passagierszijde opslaan Voor een optimaal zicht tijdens het inparkeren kan de bestuurder, tijdens het inschakelen van de achteruit, de buitenspiegel aan passagierszijde in een stand zetten (en opslaan) die verschillend is van de stand die normaal tijdens het rijden gebruikt wordt. 44

46 Ga voor het opslaan als volgt te werk: schakel bij stilstaande auto en met de contactsleutel in stand ON de achteruit in; plaats de schakelaar B in de stand voor de spiegel aan passagierszijde; stel de buitenspiegel aan passagierszijde zodanig af met de schakelaar C dat een optimaal zicht wordt verkregen voor het inparkeren; houd een van de knoppen voor het opslaan/oproepen van een stand van de stoel ten minste 3 seconden ingedrukt. Gelijktijdig met de parkeer -stand van de buitenspiegel aan passagierszijde worden ook de stand van de buitenspiegel en de positie van de stoel aan bestuurderszijde in het geheugen opgeslagen. Als de stand van de spiegel is opgeslagen, klinkt een akoestisch signaal. Parkeer -stand van de buitenspiegel aan passagierszijde oproepen Om automatisch de parkeer -stand van de buitenspiegel aan passagierszijde op te roepen, moet als volgt te werk worden gegaan: schakel bij stilstaande auto en met de contactsleutel in stand ON de achteruit in; plaats de schakelaar B in de stand voor de spiegel aan passagierszijde; de spiegel wordt automatisch in de hiervoor opgeslagen stand gezet. Als er geen enkele stand is opgeslagen zal, als de achteruit wordt ingeschakeld, de buitenspiegel aan passagierszijde automatisch iets omlaag kantelen om het inparkeren te vergemakkelijken. De buitenspiegel aan passagierszijde keert automatisch terug in de beginstand in de volgende gevallen: na ongeveer 10 seconden na het uitschakelen van de achteruit; direct als de snelheid van de auto bij vooruit rijden hoger is dan 10 km/h; door de schakelaar B in de neutrale stand te zetten of in de stand voor de spiegel aan bestuurderszijde. BELANGRIJK De parkeer -stand kan alleen worden opgeslagen en opgeroepen als de contactsleutel in stand ON staat. Automatische synchronisatie van de buitenspiegels Iedere keer als u de contactsleutel in stand ON draait, worden de buitenspiegels automatisch in de laatst ingestelde en/of opgeroepen stand gezet voordat de elektronische contactsleutel werd uitgenomen. Hierdoor worden de spiegels gesynchroniseerd wanneer tijdens het parkeren met de hand of per ongeluk een van de buitenspiegels is versteld. EN RIJDEN 45

47 EN RIJDEN Tijdens het rijden moeten de spiegels altijd in stand A staan. fig. 44 F0L0015m fig. 45 F0L0387m Handmatig inklappen fig. 44 De spiegel kan (bijv. bij nauwe doorgangen) van stand A in stand B worden geklapt. Elektrisch inklappen (indien aanwezig) fig. 45 De spiegel kan (bijv. bij nauwe doorgangen) worden ingeklapt door op de knop C te drukken. Om de spiegels weer in de rijstand te zetten, moet u opnieuw op de knop C drukken. De spiegel aan bestuurderszijde is bol, waardoor de afstandswaarneming iets wordt beïnvloed. 46

48 KLIMAATREGELING EN RIJDEN fig Vaste luchtroosters aan de zijkant - 2 Verstelbare uitstroomopeningen aan de zijkant - 3 Vast luchtrooster boven - 4 Vast luchtrooster in het midden - 5 Kantelbare luchtroosters in het midden - 6 Luchtroosters onder - 7 Luchtroosters onder voor de zitplaatsen achter - 8 Verstelbare luchtroosters voor de zitplaatsen achter. F0L0359m 47

49 EN RIJDEN fig. 47 F0L0015m fig. 48 F0L0311m fig. 49 F0L0311m LUCHTROOSTERS IN HET MIDDEN fig. 47 A = Regelknop voor de luchtopbrengst = geheel dicht O = geheel open B = Regelschuif voor het richten van de luchtstroom. LUCHTROOSTERS AAN DE ZIJKANT fig. 48 C = Regelknop voor de luchtopbrengst = geheel dicht O = geheel open D = Regelschuif voor het richten van de luchtstroom. LUCHTROOSTERS ACHTER fig. 49 E = Regelknop voor de luchtopbrengst = geheel dicht O = geheel open F = Regelschuif voor het richten van de luchtstroom. 48

50 HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING BEDIENINGSKNOPPEN fig. 50 A: draaiknop voor de luchtverdeling; B: drukknop voor in-/uitschakelen aircocompressor; C: draaiknop voor regelen van de luchttemperatuur (menging van warme/ koude lucht); EN RIJDEN D: drukknop voor inschakelen functie MAX-DEF (snelle ontdooiing/ontwaseming voorruit en zijruiten voor); E: draaiknop voor regelen van de luchtopbrengst; F: drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming; G: drukknop voor in-/uitschakelen luchtrecirculatie. fig. 50 KLIMAATREGELING Met de draaiknop A kan de lucht op 5 manieren over het hele interieur worden verdeeld: M voor verwarming van de beenruimten, waarbij de luchtstroom op het gelaat koel blijft ( bilevel - stand); F0L0153m y voor ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor; voor verwarming van het interieur en ontwaseming van de voorruit; N voor een snellere verwarming van het interieur. O luchtstroom uit de luchtroosters in het midden en de uitstroomopeningen aan de zijkant; 49

51 EN RIJDEN VERWARMING VAN HET INTERIEUR Ga als volgt te werk: draai de knop C geheel naar rechts (in het rode vlak); draai de knop E op de gewenste snelheid; draai de knop A in stand: voor verwarming van de beenruimten en ontwaseming van de voorruit; M voor lucht naar de beenruimten en koelere lucht uit de luchtroosters in het midden en de uitstroomopeningen op het dashboard; N voor een snelle verwarming. SNELLE VERWARMING Ga als volgt te werk: sluit alle luchtroosters op het dashboard; draai de knop C in het rode vlak; druk op de knop G; draai de knop E op de gewenste snelheid; draai de knop A in stand N. SNELLE ONTWASEMING/ ONTDOOIING VAN DE VOORRUIT EN DE ZIJRUITEN VOOR (functie MAX-DEF) Ga als volgt te werk: draai de knop C geheel naar rechts (in het rode vlak); schakel de functie MAX-DEF in door op de knop D te drukken (lampje op de knop brandt). Als u de knop indrukt, worden automatisch de volgende functies ingeschakeld: luchtverdeling naar de voorruit en zijruiten voor; inschakeling van de aanjager op de hoogste snelheid; inschakeling van de aircocompressor (lampje op de knop brandt); automatische inschakeling van de recirculatiefunctie (lampje op de knop gedoofd als de functie daarvoor was ingeschakeld). Nadat de ruiten ontwasemd/ontdooid zijn, moet u op de knop D drukken om de functie MAX-DEF uit te schakelen. Hierna kan een stand gekozen worden om het gewenste comfort te bereiken. 50

52 Beslaan van de ruiten voorkomen Als het buiten extreem vochtig is en/of bij regen en/of bij grote verschillen in interieur- en buitentemperatuur, raden wij u de volgende procedure aan om het beslaan van de ruiten te voorkomen: schakel de recirculatiefunctie uit door op de knop G te drukken (lampje op de knop gedoofd); draai de knop C in het rode vlak; draai de knop E in stand 2; draai de knop A in stand y of als de ruiten niet beslagen zijn. BELANGRIJK De airconditioning is zeer bruikbaar om het beslaan van de ruiten te voorkomen: het is daarom voldoende om de bedieningsknoppen op ontwasemen te zetten zoals hiervoor beschreven is en de airconditioning in te schakelen door de knop B in te drukken. ONTWASEMING/ ONTDOOIING ACHTERRUIT EN BUITENSPIEGELS Druk op de knop F om deze functie in te schakelen. De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na 30 minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de functie eerder uitschakelen door nogmaals de knop F in te drukken. BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen. REGELING AANJAGERSNELHEID Ga voor een goede ventilatie van het interieur als volgt te werk: open de luchtroosters in het midden en de uitstroomopeningen aan de zijkant geheel; draai de knop C in het blauwe vlak; draai de knop E op de gewenste snelheid; schakel de recirculatiefunctie uit door op de knop G te drukken (lampje op de knop gedoofd); draai de knop A in stand O. RECIRCULATIE INSCHAKELEN Schakel de recirculatiefunctie in door op de knop G te drukken (lampje op de knop brandt). Het verdient aanbeveling om de recirculatiefunctie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan. BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kunnen, afhankelijk van de werking van het systeem ( verwarming of koeling ), de gewenste omstandigheden sneller bereikt worden. Het is echter niet raadzaam deze functie in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan. EN RIJDEN 51

53 EN RIJDEN AIRCONDITIONING (koeling) Ga als volgt te werk: draai de knop C in het blauwe vlak; draai de knop E op de gewenste snelheid; draai de knop A in stand O; schakel de recirculatiefunctie in door op de knop G te drukken (lampje op de knop brandt); druk op de knop B om de aircocompressor in te schakelen. Regeling van de koeling Ga als volgt te werk: schakel de recirculatiefunctie uit door op de knop G te drukken (lampje op de knop gedoofd); draai de knop C naar rechts voor verhoging van de temperatuur; draai de knop E naar links voor verlaging van de aanjagersnelheid. VAN HET SYSTEEM Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in. Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door de Fiat-dealer controleren. AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING (indien aanwezig) ALGEMEEN De automatische klimaatregeling met gescheiden regeling regelt de temperatuur en de luchtverdeling in het interieur in twee zones: bestuurders- en passagierszijde. De temperatuurregeling is gebaseerd op gevoelstemperatuur : d.w.z. dat het systeem continu werkt om het comfort in het interieur constant te houden en eventuele verschillen in de weersomstandigheden buiten te compenseren, ook zonnestraling (gesignaleerd door een zonnestralingssensor). Het systeem is uitgerust met een luchtkwaliteitsensor (Air Quality System) die automatisch de luchtrecirculatie kan inschakelen om de onaangename effecten van vervuilde lucht, tijdens het rijden in de stad, in de file en in tunnels, te verminderen. 52

54 De automatisch gecontroleerde parameters en functies zijn: luchttemperatuur uit de uitstroomopeningen aan bestuurderszijde/passagierszijde voor/achter; luchtverdeling naar de uitstroomopeningen aan bestuurderszijde/passagierszijde voor; aanjagersnelheid (traploze regeling van de luchtstroom); inschakeling van de compressor (voor koelen en drogen van de lucht); luchtrecirculatie. Deze functies kunnen handmatig worden gewijzigd, d.w.z. dat u het systeem kunt regelen door naar wens een of meer functies te selecteren en te wijzigen. Op deze manier worden de functies die handmatig zijn gewijzigd niet langer automatisch door het systeem geregeld. Het systeem grijpt alleen in om veiligheidsredenen (bijv. kans op beslaan). De handmatige instellingen hebben voorrang boven de automatische instellingen en blijven in het geheugen opgeslagen totdat de gebruiker de regeling weer overlaat aan de automatische werking door de betreffende knop in te drukken, behalve in de gevallen dat het systeem om veiligheidsredenen ingrijpt. Als handmatig een functie wordt ingesteld, blijven de andere functies echter automatisch geregeld. De luchtopbrengst in het interieur is onafhankelijk van de snelheid van de auto, omdat de luchtopbrengst elektronisch geregeld wordt door de aanjager. De luchttemperatuur in het interieur wordt altijd automatisch geregeld op basis van de ingestelde temperaturen op de displays van de bestuurder en de passagier voor (behalve als het systeem is uitgeschakeld of in enkele omstandigheden als de compressor is uitgeschakeld). De volgende parameters en functies kunnen handmatig worden ingesteld en gewijzigd: temperatuur bestuurderszijde/passagierszijde voor; aanjagersnelheid (traploze regeling); luchtverdeling in zeven standen (bestuurder/passagier voor); inschakelen van de compressor; niet gescheiden/gescheiden regeling; snelle ontwaseming/ontdooiing; luchtrecirculatie; achterruitverwarming. EN RIJDEN 53

55 BEDIENINGSKNOPPEN A: drukknop voor in-/uitschakelen luchtrecirculatie en AQS-functie B: drukknop voor instellen luchtverdeling aan bestuurderszijde C: drukknop voor inschakelen functie AUTO (automatische werking) bestuurderszijde EN RIJDEN D: display met informatie over klimaatregeling E: drukknop voor inschakelen functie AUTO (automatische werking) passagierszijde F: drukknop voor instellen luchtverdeling aan passagierszijde G: draaiknop voor regelen temperatuur passagierszijde H: drukknop voor in- en uitschakelen achterruitverwarming I: drukknop voor inschakelen functie MONO (gelijkstellen ingestelde temperaturen) L: drukknop voor in- en uitschakelen aircocompressor M/N: drukknoppen voor verhogen/verlagen aanjagersnelheid O: drukknop voor inschakelen functie MAX-DEF (snelle ontdooiing/ontwaseming voorruit en zijruiten voor) P: draaiknop voor regelen temperatuur bestuurderszijde fig. 51 GEBRUIK VAN DE KLIMAATREGELING Het systeem kan op verschillende manieren worden ingeschakeld, maar wij raden u aan te beginnen met het indrukken van een van de knoppen AUTO en vervolgens de draaiknoppen te draaien om op het display de gewenste temperaturen in te stellen. Omdat het systeem het klimaat in twee zones in het interieur regelt, kunnen de bestuurder en de passagier voor verschillende temperatuurwaarden instellen. F0L0380m Op deze wijze werkt het systeem geheel automatisch, zodat zo snel mogelijk de ingestelde temperaturen worden bereikt. Het systeem regelt de temperatuur, de luchthoeveelheid, de luchtverdeling in het interieur, de recirculatiefunctie en het inschakelen van de aircocompressor. 54

56 Tijdens de volledig automatische werking van het systeem, moeten alleen de volgende functies eventueel handmatig worden ingeschakeld: MONO, om de ingestelde temperatuur en de luchtverdeling aan bestuurders- en passagierszijde voor/ achter gelijk te stellen; ïluchtrecirculatie, om de recirculatie altijd in- of uitgeschakeld te houden; -, voor een snelle ontwaseming/ontdooiing van de ruiten voor, de achterruit en de buitenspiegels; (, voor het ontwasemen/ontdooien van de achterruit en de buitenspiegels. Tijdens de volledig automatische werking van het systeem kunt u op ieder moment de ingestelde temperaturen, de luchtverdeling en de aanjagersnelheid wijzigen m.b.v. de desbetreffende knoppen: het systeem zal automatisch de eigen instellingen wijzigen en aanpassen aan de nieuwe instellingen. Als tijdens de volledige automatische werking FULL AUTO de luchtverdeling en/of de luchtopbrengst gewijzigd worden en/of de inschakeling van de compressor en/of de recirculatie, dan verdwijnt het opschrift FULL. Op deze manier worden de met de hand gekozen functies niet langer automatisch geregeld maar moeten met de hand worden bediend, totdat u opnieuw de knop AUTO indrukt. De aanjagersnelheid is voor alle zones in het interieur gelijk. Als een of meer functies handmatig zijn ingeschakeld, dan blijft de regeling van de luchttemperatuur automatisch plaatsvinden, behalve als de compressor is uitgeschakeld: als de compressor is uitgeschakeld, dan kan er geen lucht in het interieur worden gevoerd waarvan de temperatuur lager is dan de buitentemperatuur. BEDIENINGSKNOPPEN Draaiknoppen voor regeling luchttemperatuur P-G Als u de knoppen naar rechts of naar links draait, verhoogt of verlaagt u de luchttemperatuur respectievelijk in het gedeelte linksvoor (draaiknop P) en rechtsvoor (draaiknop G) van het interieur. Omdat het systeem het klimaat in twee zones in het interieur regelt, kunnen de bestuurder en de passagier voor verschillende temperatuurwaarden instellen. De ingestelde temperaturen worden op het display weergegeven dicht bij de knoppen. Als u knop I (MONO) indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurders- en passagierszijde voor automatisch gelijkgesteld, waarna u de temperatuur in de twee zones met de draaiknop P aan bestuurderszijde kunt regelen. De gescheiden regeling van de temperatuur en de luchtverdeling wordt automatisch weer hervat, als u de draaiknoppen draait of nogmaals op de knop (MONO) drukt als het lampje op de knop brandt. EN RIJDEN 55

57 EN RIJDEN 56 Als u de knoppen helemaal naar rechts of helemaal naar links draait, tot aan de uiterste waarden HI of LO, wordt respectievelijk de functie van de maximale verwarming of de maximale koeling ingeschakeld: Functie HI (maximale verwarming): wordt ingeschakeld als de draaiknop van de temperatuur naar rechts wordt gedraaid, voorbij de maximale waarde (32 C). Deze functie kan worden geactiveerd voor alleen de bestuurderszijde of de passagierszijde voor of voor beide zijden (ook door de functie MONO te selecteren). Als de functie wordt ingeschakeld, verschijnt het opschrift HI op het display. Deze functie kan worden ingeschakeld als u het interieur zo snel mogelijk wilt verwarmen, waarbij maximaal van het vermogen van het systeem gebruik wordt gemaakt. Deze functie maakt gebruik van de maximale temperatuur van de motorkoelvloeistof, terwijl de luchtverdeling en de snelheid van de aanjager door het systeem worden ingesteld. Als de motorkoelvloeistof niet warm genoeg is, schakelt het systeem niet onmiddellijk de maximale aanjagersnelheid in, om de toevoer van te koude lucht in het interieur te beperken. Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle handmatige instellingen toegestaan. Voor het uitschakelen van de functie is het voldoende om de temperatuurknop naar links te draaien en de gewenste temperatuur in te stellen. Functie LO (maximale koeling): wordt ingeschakeld als de draaiknop van de temperatuur naar links wordt gedraaid, voorbij de maximale waarde (16 C). Deze functie kan worden geactiveerd voor alleen de bestuurderszijde of de passagierszijde voor of voor beide zijden (ook door de functie MONO te selecteren). Als de functie wordt ingeschakeld, verschijnt het opschrift LO op het display. Deze functie kan worden ingeschakeld als u het interieur zo snel mogelijk wilt koelen, waarbij maximaal van het vermogen van het systeem gebruik wordt gemaakt. De functie schakelt automatisch de volgende functies in: de stand MONO; de luchtverdeling naar de uitstroomopeningen in het midden/aan de zijkant (weergegeven door het betreffende symbool op het display); de aanjager op de hoogste snelheid; de aircocompressor. Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle handmatige instellingen toegestaan. Voor het uitschakelen van de functie is het voldoende om de temperatuurknop naar rechts te draaien en de gewenste temperatuur in te stellen. Drukknoppen voor de luchtverdeling B-F Als u op een van deze knoppen drukt, kunt u handmatig voor de linker- en de rechterzijde in het interieur een van de zeven instellingen voor de luchtverdeling kiezen: Luchtstroom naar de luchtroosters van de voorruit en de zijruiten voor voor ontdooiing/ontwaseming van de ruiten. Luchtstroom naar de uitstroomopeningen in het midden en aan de zijkant van het dashboard voor een koele luchtstroom op het lichaam en het gezicht bij warm weer. Luchtstroom naar de luchtroosters van de beenruimten voor en achter. Met deze luchtverdeling kan in een zo kort mogelijke tijd de lucht in het interieur worden verwarmd, omdat warme lucht opstijgt. Dit geeft snel een behaaglijk gevoel. Luchtstroom verdeeld over de luchtroosters in de beenruimten (warmere lucht) en de uitstroomopeningen in het midden en aan de zijkant van het dashboard (koelere lucht). Deze luchtverdeling is bijzonder nuttig in de gematigde seizoenen (voor- en najaar) als de zon schijnt.

58 Luchtstroom verdeeld over de luchtroosters in de beenruimten en de luchtroosters voor ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en zijruiten voor. Deze luchtverdeling zorgt voor een goede verwarming van het interieur en voorkomt het eventuele beslaan van de ruiten. Luchtstroom verdeeld over de luchtroosters van de voorruit, de uitstroomopeningen in het midden/aan de zijkant en de luchtroosters in de beenruimten. Deze luchtverdeling zorgt voor een goede klimaatbeheersing in de zomer. Luchtstroom verdeeld over de luchtroosters van de voorruit en de uitstroomopeningen in het midden/aan de zijkant van het dashboard. Deze luchtverdeling zorgt voor een goede koeling van het interieur in de zomer. EN RIJDEN fig. 52 De luchtverdeling wordt gekozen met de knoppen B en F volgens de rolling -methode, overeenkomstig de volgorde die in het volgende schema vermeld staat fig. 52. De ingestelde luchtverdeling wordt weergegeven door het gaan branden van de betreffende symbolen op het display. Voor het hervatten van de automatische werking van de luchtverdeling na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt. F0L0234m Als u bij FULL AUTO voor de eerste keer de luchtverdelingsknop B of F indrukt, wordt op het display de huidige, automatisch gekozen status weergegeven. Hierna kan u via de rolling -methode de gewenste luchtverdeling kiezen door opnieuw op de knop B of F te drukken. Als de bestuurder kiest voor luchtverdeling naar de voorruit, wordt ook de luchtstroom aan passagierszijde automatisch naar de voorruit geleid. De passagier kan vervolgens een andere luchtverdeling kiezen door de betreffende knoppen in te drukken. 57

59 EN RIJDEN Drukknoppen voor regelen aanjagersnelheid M/N Als u op de knop p+ of p drukt, wordt de aanjagersnelheid respectievelijk verhoogd of verlaagd en daarmee de hoeveelheid lucht die in het interieur wordt gevoerd om de gewenste temperatuur te handhaven. De aanjagersnelheid wordt weergegeven door verlichte staafjes op het display Maximum aanjagersnelheid = alle staafjes verlicht Minimum aanjagersnelheid = één staafje verlicht. De aanjager kan worden uitgeschakeld, maar alleen als u de aircocompressor hebt uitgeschakeld met de knop B. BELANGRIJK Voor het hervatten van de automatische werking van de aanjager na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt. Als u nogmaals op de knop p drukt nadat de minimum snelheid van de aanjager is ingesteld, schakelt het systeem uit. Op het display verschijnt het opschrift OFF en de status van de recirculatiefunctie fig. 53. fig. 53 F0L0235m Drukknoppen AUTO (automatische werking) C-E Als u de knop AUTO aan bestuurderszijde en/of passagierszijde voor indrukt, regelt het systeem automatisch, in de betreffende zones, de hoeveelheid en de verdeling van de naar het interieur toegevoerde lucht en worden alle voorafgaande handmatige instellingen opgeheven. Dit wordt aangegeven door het verschijnen van het opschrift FULL AUTO op het display voor. Als er een of meerdere handmatige instellingen zijn uitgevoerd (luchtrecirculatie, luchtverdeling, aanjagersnelheid of uitschakeling aircocompressor), dooft het opschrift FULL op het display om aan te geven dat het systeem niet langer alle functies automatisch regelt (behalve de temperatuur die altijd automatisch wordt geregeld). BELANGRIJK Als het systeem vanwege handmatige instellingen de gewenste temperatuur in de verschillende zones niet meer kan garanderen en handhaven, knippert de ingestelde temperatuur om aan te geven dat het systeem een probleem heeft gesignaleerd; na een minuut dooft het opschrift AUTO. Voor het hervatten van de automatische werking van het systeem na een handmatige instelling (een of meerdere), moet de knop AUTO worden ingedrukt. Drukknop MONO (gelijkstellen ingestelde temperaturen en luchtverdeling) I Als u de knop MONO indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurderszijde en aan passagierszijde voor automatisch gelijkgesteld, waardoor u in de twee zones dezelfde temperatuur en de luchtverdeling kunt instellen met de draaiknop aan bestuurderszijde. Met deze functie kan de temperatuur in het interieur makkelijk geregeld worden als alleen de bestuurder in de auto zit. De gescheiden regeling van de temperatuur en de luchtverdeling wordt automatisch weer hervat als u de draaiknop P of G draait voor de instelling van de temperatuur aan passagierszijde voor of nogmaals op de knop MONO drukt, als het opschrift op het display wordt weergegeven. 58

60 Drukknop A voor in-/uitschakelen recirculatie en AQS-functie Als de AQS-sensor niet aanwezig is, werkt de luchtrecirculatie als volgt: handmatig ingeschakeld (recirculatie altijd ingeschakeld), aangegeven door het symbool í op het display; handmatig uitgeschakeld (recirculatie altijd uitgeschakeld met luchttoevoer van buiten), aangegeven door het symbool êop het display. Deze mogelijkheden kunnen worden ingeschakeld door meerdere keren op de recirculatieknop A te drukken. Als de recirculatie een lange tijd (meer dan 25 minuten aaneengesloten) ingeschakeld is geweest, wordt de recirculatie om veiligheidsredenen automatisch gedurende 1 minuut uitgeschakeld om de lucht in het interieur te verversen. BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kunnen (verwarming of koeling van het interieur) de gewenste omstandigheden sneller bereikt worden. Het verdient daarom aanbeveling om de recirculatiefunctie bij lage buitentemperaturen niet te gebruiken, omdat de ruiten anders snel kunnen beslaan. Het is echter niet raadzaam deze functie handmatig in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan, vooral als de airconditioning niet is ingeschakeld. Bij buitentemperaturen onder 3 C wordt de recirculatie uitgeschakeld (met luchttoevoer van buiten) om het beslaan van de ruiten te voorkomen. De recirculatie wordt automatisch weer ingeschakeld bij een buitentemperatuur boven 5 C. De AQS-sensor (Air Quality System) kan, naast de bovengenoemde werking, de recirculatie automatisch regelen op basis van de kwaliteit van de buitenlucht: automatisch geregeld, aangegeven door het symbool ñop het display. In dat geval verschijnt het symbool ï of ñop het display, afhankelijk van de huidige status van de recirculatie (ingeschakeld of uitgeschakeld). Bij de automatische werking met AQS, wordt de recirculatie ingeschakeld als de luchtkwaliteitsensor de aanwezigheid van vervuilde lucht signaleert, bijvoorbeeld tijdens het rijden in de stad, in een file en in tunnels. Bovendien zal bij ingeschakelde compressor, om te voorkomen dat de verontreinigde lucht van de uitlaatgassen bij een stilstaande auto het interieur binnendringt, het systeem de recirculatie uitschakelen als de snelheid van de auto lager is dan 6 km/h. De automatische werking wordt weer hervat als de snelheid van de auto hoger is dan 25 km//h. De automatische werking van het AQS schakelt uit bij buitentemperaturen onder 3 C, de recirculatieklep wordt geopend en op het display verschijnt het symbool ï maar de gebruiker kan handmatig m.b.v. de rolling-recirculatieknop de werking weer inschakelen: als u voor de eerste keer de knop indrukt, wordt de huidige status van de recirculatie aangegeven door het symbool êop het display. De functie wordt automatisch weer ingeschakeld bij een buitentemperatuur boven 5 C. Als u opnieuw de knop indrukt, kunt u de gewenste recirculatiestatus kiezen, aangegeven door het betreffende symbool op het display. Als u in deze omstandigheden handmatig het AQS inschakelt, kunnen de ruiten beslaan. Als de handmatige werking van de recirculatie is ingesteld, dooft het opschrift FULL en verdwijnt A van het recirculatiesymbool op het display. EN RIJDEN 59

61 EN RIJDEN Knop voor uitschakeling van de aircocompressor L Als u de knop indrukt als het symbool op het display wordt weergegeven, schakelt de aircocompressor uit. Als u de knop indrukt als het symbool niet op het display is weergegeven, wordt de inschakeling van de compressor weer automatisch door het systeem geregeld; dit wordt aangegeven door het gaan branden van het symbool op het display. Als u de aircocompressor uitschakelt, wordt de recirculatie uitgeschakeld om het eventuele beslaan van de ruiten te voorkomen. Ook als het systeem de ingestelde temperatuur kan handhaven, verdwijnt het opschrift FULL van het display. Als het systeem de ingestelde temperatuur echter niet meer kan handhaven, gaat de temperatuur knipperen en dooft ook het opschrift AUTO. BELANGRIJK Met uitgeschakelde aircocompressor is het niet mogelijk lucht in het interieur te voeren met een temperatuur die lager is dan de buitentemperatuur; bovendien kunnen (in bijzondere weersomstandigheden) de ruiten zeer snel beslaan omdat de lucht niet gedroogd kan worden. De uitschakeling van de aircocompressor blijft in het geheugen opgeslagen, ook na het afzetten van de motor. U kunt de automatische regeling van de aircocompressor weer inschakelen door nogmaals de knop in te drukken of de knop AUTO. Als bij uitgeschakelde compressor de buitentemperatuur hoger is dan de ingestelde temperatuur, kan het systeem niet aan de wens voldoen. Dit wordt als volgt aangegeven: de ingestelde temperatuur knippert enkele seconden op het display en vervolgens dooft het opschrift AUTO. Als de compressor is uitgeschakeld, kan de aanjagersnelheid handmatig op nul worden gezet. Als de compressor is ingeschakeld bij draaiende motor, kan de aanjagersnelheid niet lager zijn dan een minimale waarde (één staafje verlicht). De compressor wordt automatisch uitgeschakeld bij buitentemperaturen onder 1 C. In dat geval knippert het symbool op het display 10 seconden en dooft daarna. De compressor wordt automatisch weer ingeschakeld als de buitentemperatuur hoger is dan + 1 C. Drukknop voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor O Als u deze knop indrukt, schakelt de klimaatregeling automatisch alle functies in die noodzakelijk zijn voor het snel ontdooien/ontwasemen van de voorruit en de zijruiten voor. D.w.z. dat het systeem: de aircocompressor inschakelt wanneer de klimatologische omstandigheden dit toestaan; de luchtrecirculatie uitschakelt; de maximale luchttemperatuur (HI) op beide displays instelt; een aanjagersnelheid inschakelt op basis van de koelvloeistoftemperatuur, om toevoer van nog te koude lucht voor de ontwaseming van de ruiten, te beperken; de luchtstroom naar de luchtroosters voor de voorruit en de zijruiten voor leidt; de achterruitverwarming inschakelt. BELANGRIJK De functie voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de ruiten blijft ongeveer 3 minuten ingeschakeld nadat de koelvloeistoftemperatuur boven 50 C is gekomen. 60

62 Als de functie voor snel ontdooien/ontwasemen is ingeschakeld, gaan het lampje op de betreffende knop en het lampje op de knop van de achterruitverwarming branden. Bovendien dooft het opschrift FULL AUTO op het display. Als de functie voor maximaal ontwasemen/ontdooien is ingeschakeld, kunnen alleen de aanjagersnelheid en de uitschakeling van de achterruitverwarming handmatig worden geregeld. Als de functie voor maximaal ontwasemen/ontdooien is ingeschakeld, werkt de aanjager met verschillende snelheden, overeenkomstig de ingestelde luchtverdeling voordat de functie werd ingeschakeld, om onder alle omstandigheden een maximaal comfort te garanderen. Als u de knop voor maximale ontdooiing/ontwaseming indrukt, of de knoppen voor de luchtverdeling of de draaiknop bedient voor de temperatuurregeling, schakelt het systeem de functie maximaal ontdooien/ontwasemen uit en worden alle bedrijfsomstandigheden van voor het inschakelen van de functie hersteld. Drukknop voor ontwaseming/ontdooiing van de achterruit en de buitenspiegels H Als u deze knop indrukt, dan wordt de achterruitverwarming ingeschakeld. Het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld. De functie schakelt na 20 minuten automatisch uit, of als opnieuw de knop wordt ingedrukt. De functie wordt ook uitgeschakeld als u de motor uitzet en blijft uitgeschakeld als u de motor opnieuw start. BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen. HULPVERWARMING (Multijet-uitvoeringen) Dit systeem zorgt voor een snellere verwarming van het interieur bij koud weer. De hulpverwarming schakelt automatisch in nadat u de contactsleutel in stand ON hebt gezet. BELANGRIJK De hulpverwarming werkt alleen bij een buitentemperatuur die lager is dan 12 C, een koelvloeistoftemperatuur onder de 50 C en een accuspanning hoger dan 10,25 V. BELANGRIJK Parkeer niet boven brandbaar materiaal zoals papier, gras of droge bladeren: brandgevaar. EN RIJDEN 61

63 EN RIJDEN BUITENVERLICHTING Met de linker hendel bedient u de buitenverlichting. De buitenverlichting werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand ON staat. VERLICHTING UIT fig. 54 Draaiknop in stand å. BUITENVERLICHTING fig. 55 Draai de draaiknop in stand 6. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3 branden. DIMLICHTEN fig. 56 Draai de draaiknop in stand 2. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3 branden. fig. 54 fig. 55 F0L0021m F0L0022m fig. 57 F0L0024m GROOTLICHT fig. 57 Trek de hendel naar het stuurwiel, als de draaiknop reeds in stand 2 staat (2e onvergrendelde stand). Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 1 branden. Als de hendel opnieuw naar het stuurwiel wordt getrokken, dooft het grootlicht en wordt het dimlicht weer ingeschakeld. fig. 56 F0L0023m 62

64 fig. 58 F0L0025m fig. 59 F0L0026m GROOTLICHTSIGNAAL fig. 58 Trek de hendel naar het stuurwiel (1e onvergrendelde stand), ongeacht de stand van de draaiknop. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 1 branden. RICHTINGAANWIJZERS fig. 59 Zet de hendel in de vergrendelde stand: omhoog (stand 1): inschakeling rechter richtingaanwijzer; omlaag (stand 2): inschakeling linker richtingaanwijzer. Op het instrumentenpaneel knippert het controlelampje F of D. De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als de auto weer rechtuit rijdt. Functie lane change (wisselen van rijbaan) Als u bij wisseling van rijbaan kort richting aan wilt geven, moet u de linker hendel korter dan een halve seconde in de onvergrendelde stand zetten. De richtingaanwijzer aan de betreffende zijde knippert 3 keer en dooft daarna automatisch. Cornering lights (indien aanwezig) Bij ingeschakeld dimlicht en bij een snelheid lager dan 40 km/h, wordt bij een grote stuuruitslag of bij inschakeling van de richtingaanwijzers, een lamp (ingebouwd in de mistlamp) aan de binnenzijde van de bocht ingeschakeld om het zichtveld s nachts te vergroten. EN RIJDEN 63

65 F0L1150g EN RIJDEN fig. 60 F0L0027m FOLLOW ME HOME SYSTEEM Met dit systeem kan de ruimte voor de auto een bepaalde tijd worden verlicht. Inschakelen fig. 60 U schakelt deze functie in door de contactsleutel in stand OFF te draaien of uit te nemen, en de linker hendel binnen 2 minuten na het uitzetten van de motor naar het stuur te trekken. Telkens als u de hendel bedient, blijft de verlichting 30 seconden langer branden, tot een maximum van 210 seconden; hierna schakelt de verlichting automatisch uit. Als de hendel wordt bediend, gaat het controlelampje 3 op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ) gedurende de tijd dat de functie actief blijft. Het lampje gaat branden als de hendel voor het eerst bediend wordt en blijft branden totdat de functie automatisch uitschakelt. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt alleen de inschakeltijd van de verlichting verlengd. Uitschakelen Houd de hendel langer dan 2 seconden naar het stuur getrokken. SCHEMERSENSOR (automatische koplampen) (indien aanwezig) Deze sensor is in staat om de verschillen in sterkte van het omgevingslicht waar te nemen op basis van de ingestelde gevoeligheid: hoe hoger de gevoeligheid, hoe minder buitenlicht er nodig is om de verlichting in te schakelen. De gevoeligheid van de sensor kan worden ingesteld via het Setup-menu van het display. fig. 61 F0L0028m Inschakelen fig. 61 Draai de draaiknop in stand 2 A : op deze manier gaan, afhankelijk van de sterkte van het buitenlicht, de buitenverlichting en de dimlichten automatisch branden. Uitschakelen Als via de sensor het commando voor uitschakeling wordt gegeven, wordt het dimlicht uitgeschakeld en vervolgens, na ongeveer 10 seconden, de buitenverlichting. De schemersensor is niet in staat om mist te signaleren. Daarom moet bij mist de verlichting handmatig worden ingeschakeld. 64

66 RUITEN REINIGEN RUITENWISSERS/ -SPROEIERS Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand ON staat. De rechter hendel kan in vijf verschillende standen worden gezet fig. 62: A: ruitenwissers uitgeschakeld B: wissen met interval. Draai als de hendel in stand B staat, de draaiknop F in een van de vier intervalstanden:, = zeer lang interval -- = lang interval --- = gemiddeld interval ---- = kort interval fig. 62 F0L0030m fig. 63 F0L0031m Gebruik de ruitenwissers niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de ruitenwissers te zwaar worden belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de ruitenwissers enkele seconden worden uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat, wendt u dan tot de Fiat-dealer. EN RIJDEN C: langzaam continu wissen; D: snel continu wissen; E: tijdelijk snel wissen (onvergrendelde stand). In stand E werken de ruitenwissers, zolang u de hendel met de hand in deze stand houdt. Als u de hendel loslaat, springt deze direct weer in stand A en schakelen de ruitenwissers automatisch uit. BELANGRIJK Vervang de wisserbladen volgens de aanwijzingen in het hoofdstuk Onderhoud en zorg. Intelligente wis-/wasregeling Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in fig. 63. Als u de hendel langer dan een halve seconde aangetrokken houdt, dan worden in een beweging de ruitenwissers/-sproeiers ingeschakeld. Als u de hendel loslaat, maken de ruitenwissers nog 4 slagen. Na 5 seconden volgt nog een extra reinigingsslag. 65

67 EN RIJDEN REGENSENSOR (indien aanwezig) De regensensor bevindt zich achter de binnenspiegel en staat in contact met de voorruit. De sensor zorgt ervoor dat de frequentie van de slagen van de ruitenwissers, tijdens het wissen met interval, automatisch wordt aangepast aan de hoeveelheid regen op de ruit. BELANGRIJK Houd de ruit in de omgeving van de sensor schoon. Inschakelen fig. 64 Plaats de rechter hendel een stand naar beneden (stand B). Als de regensensor wordt ingeschakeld, maken de ruitenwissers 1 slag. Als u de draaiknop F draait, kunt u de gevoeligheid van de regensensor verhogen. fig. 64 F0L0030m Als de gevoeligheid van de regensensor verhoogd wordt, maken de ruitenwissers 1 slag. Als de ruitensproeiers worden bediend bij ingeschakelde regensensor, werkt het normale reinigingsprogramma. Daarna hervat de regensensor zijn normale automatische werking. Uitschakelen fig. 64 Zet de hendel in stand B of draai de start-/ contactsleutel in stand OFF. Als de motor daarna wordt gestart (sleutel in stand MAR), schakelt de regensensor niet weer in, ook niet als de hendel in stand B is blijven staan. Voor het inschakelen van de regensensor moet de hendel in stand A of C worden gezet en daarna in stand B of de knop voor het instellen van de gevoeligheid worden gedraaid. Als de regensensor op deze wijze opnieuw wordt ingeschakeld, maken de ruitenwissers ten minste 1 slag, ook bij een droge ruit. De regensensor is in staat om de volgende omstandigheden te herkennen en zijn gevoeligheid hieraan aan te passen: vuil op het controle-oppervlak (zoutaanslag, vuil enz.); verschil tussen dag en nacht. Door waterstrepen kunnen de ruitenwissers ongewenst inschakelen. 66

68 ACHTERRUITWISSER/ -SPROEIER Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand ON staat. Als u de draaiknop A van stand å in stand ' zet, dan werkt de achterruitwisser als volgt: in intervalstand als de ruitenwissers voor niet zijn ingeschakeld; synchroon (met de helft van de frequentie van de ruitenwissers voor) als de ruitenwissers voor zijn ingeschakeld. Als u bij ingeschakelde ruitenwissers voor de achteruit inschakelt, gaat automatisch ook de achterruitwisser continu wissen. Als u de hendel naar het dashboard duwt (onvergrendelde stand), schakelt de achterruitsproeier in. Als u de hendel langer dan een halve seconde naar het dashboard geduwd houdt, schakelt ook de achterruitwisser in. Als u de hendel loslaat, wordt het intelligente wis-/wasprogramma ingeschakeld, zoals bij de ruitenwissers voor. KOPLAMPSPROEIERS (indien aanwezig) De verzonken koplampsproeiers zijn in de voorbumper van de auto gemonteerd en treden in werking als u, bij ingeschakeld dimlicht, de ruitensproeiers inschakelt. BELANGRIJK Controleer regelmatig of de koplampsproeiers schoon en in goede staat zijn. Gebruik de achterruitwisser niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de achterruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de ruitenwissers te zwaar worden belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de ruitenwisser enkele seconden worden uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat, wendt u dan tot de Fiat-dealer. EN RIJDEN 67

69 EN RIJDEN CRUISE-CONTROL (snelheidsregelaar indien aanwezig) Dit is een elektronisch hulpmiddel, waardoor de auto (bij een snelheid boven 30 km/h) op lange, rechte en droge trajecten en bij weinig verandering in de rij-omstandigheden (bijv. snelwegen), met een constante en vooraf ingestelde snelheid blijft rijden zonder het gaspedaal te hoeven bedienen. Het gebruik van dit systeem biedt geen voordelen in druk verkeer. Gebruik dit systeem niet in de stad. fig. 65 F0L0033m SYSTEEM INSCHAKELEN fig. 65 Draai de draaiknop A in stand ON. Het systeem kan niet worden ingeschakeld in de 1e versnelling of de achteruit. Het is raadzaam het systeem alleen te gebruiken in de 4 e of hogere versnelling. Op afdalingen kan bij ingeschakelde cruise-control de snelheid iets oplopen ten opzichte van de opgeslagen snelheid. Het systeem is ingeschakeld als het lampje Ü op het instrumentenpaneel brandt en het betreffende bericht verschijnt. SNELHEID OPSLAAN Ga als volgt te werk: zet de draaiknop A in stand ON en trap het gaspedaal in tot de auto met de gewenste snelheid rijdt; plaats de hendel ten minste 1 seconde omhoog (+) en laat vervolgens de hendel los: de snelheid van de auto is opgeslagen en het gaspedaal kan worden losgelaten. Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen) kan de snelheid simpel verhoogd worden door het intrappen van het gaspedaal: als u daarna het gaspedaal loslaat, wordt teruggekeerd naar de opgeslagen snelheid. OPGESLAGEN SNELHEID OPROEPEN Als het systeem is uitgeschakeld door bijvoorbeeld het intrappen van het rem- of koppelingspedaal, kan de opgeslagen snelheid op de volgende manier worden opgeroepen: geef geleidelijk gas, totdat de snelheid ongeveer gelijk is aan de opgeslagen snelheid; schakel de versnelling in die ingeschakeld was op het moment van het opslaan van de snelheid; druk op de knop RES B. 68

70 OPGESLAGEN SNELHEID VERHOGEN Dit kan op twee manieren: trap het gaspedaal in en sla vervolgens de nieuwe snelheid op; of plaats de hendel omhoog (+). Telkens als de hendel wordt bediend, wordt de snelheid iets verhoogd (ongeveer 1 km/h). Als de hendel omhoog wordt gehouden, verandert de snelheid traploos. OPGESLAGEN SNELHEID VERLAGEN Dit kan op twee manieren: schakel het systeem uit en sla vervolgens de nieuwe snelheid op; of plaats de hendel omlaag ( ) totdat de nieuwe snelheid is bereikt die automatisch wordt opgeslagen. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt de snelheid iets verlaagd (ongeveer 1 km/h). Als de hendel omlaag wordt gehouden, verandert de snelheid traploos. SYSTEEM UITSCHAKELEN Het systeem kan als volgt door de bestuurder worden uitgeschakeld: door de draaiknop A in stand OFF te draaien; door de motor uit te zetten; door het rempedaal in te trappen of de handrem aan te trekken; door het koppelingspedaal in te trappen; door een verzoek tot sequentieel schakelen bij automatische versnellingsbak; als de snelheid van de auto onder de vastgestelde limiet komt; door het gaspedaal in te trappen; in dit geval wordt het systeem niet werkelijk uitgeschakeld, maar heeft het acceleratie-verzoek voorrang op het systeem; de cruise-control blijft ingeschakeld en het systeem stelt, na de acceleratie, de hiervoor opgeslagen snelheid weer in, zonder dat de knop RES hoeft te worden ingedrukt. Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch uit: als het ABS of ESP in werking treedt; als er een storing in het systeem is. Als de cruise-control tijdens het rijden is ingeschakeld, zet dan nooit de versnellingspook in de vrijstand. Bij een storing of een afwijkende werking van de cruisecontrol, moet de draaiknop A in stand OFF worden gezet. Laat het systeem, na controle van de zekering, door de Fiat-dealer controleren. EN RIJDEN 69

71 EN RIJDEN PLAFONDVERLICHTING VOOR fig. 66 ZONNEKLEPVERLICHTING Druk op het lampenglas bij punt A voor het in-/uitschakelen van de zonneklepverlichting aan bestuurderszijde of druk op het lampenglas bij punt C voor het in-/uitschakelen van de zonneklepverlichting aan passagierszijde. Als de contactsleutel in stand OFF staat of is uitgenomen, blijft de verlichting nog ongeveer 15 minuten ingeschakeld. fig. 66 F0L0105m fig. 67 F0L0106m Plafondlampje in het midden Het lampje gaat automatisch branden als u een portier opent en dooft als het betreffende portier wordt gesloten, na ongeveer 10 seconden. Als het portier geopend blijft, schakelt het plafondlampje na ongeveer 3 minuten uit. U kunt het plafondlampje in het midden ook in-/uitschakelen door het lampenglas bij punt B in te drukken; gelijktijdig gaat de verlichting aan de zijkanten achter branden. Het inschakelen/doven van de verlichting gaat geleidelijk. Na het inschakelen door het indrukken van de knop B, blijft de verlichting, als de contactsleutel in stand OFF staat of uit het contactslot is genomen, nog 15 minuten ingeschakeld. ACHTER fig. 67 Deze kan worden in-/uitgeschakeld door op het lampenglas bij punt D te drukken. 70

72 BEDIENINGSORGANEN WAARSCHUWINGS- KNIPPERLICHTEN fig. 68 Druk op de schakelaar A, ongeacht de stand van de contactsleutel. Als het systeem is ingeschakeld, branden de lampjes Î en op het instrumentenpaneel. Druk voor uitschakeling de schakelaar A nogmaals in. Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften. fig. 68 F0L0034m fig. 69 F0L0035m Noodstop Bij een noodstop schakelen automatisch de waarschuwingsknipperlichten in en gaan gelijktijdig de lampjes Î en op het instrumentenpaneel branden. De functie schakelt automatisch uit als de remvertraging niet meer het karakter van een noodstop heeft. Deze functie voldoet aan de huidige wettelijke voorschriften. MISTLAMPEN VOOR (indien aanwezig) fig. 69 Druk bij ingeschakelde buitenverlichting op knop 5. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 5 branden. Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop. Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften. EN RIJDEN 71

73 EN RIJDEN fig. 70 F0L0230m fig. 71 F0L0036m MISTACHTERLICHT fig. 70 Druk op knop 4 voor inschakeling van het mistachterlicht. Het mistachterlicht werkt alleen als het dimlicht is ingeschakeld. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 4 branden. Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop. PARKEERVERLICHTING fig. 71 De verlichting schakelt in, als u met de contactsleutel in stand OFF of uitgenomen contactsleutel, de knop A op het schakelaarpaneel ongeveer 1 seconde indrukt. Op het instrumentenpaneel brandt het controlelampje 3. Als u bij ingeschakelde parkeerverlichting de linker hendel omhoog (stand 1) of omlaag (stand 2) plaatst, gaat respectievelijk alleen de parkeerverlichting aan de rechterzijde of linkerzijde branden en dooft het lampje op het instrumentenpaneel. Als u de linker hendel weer in de middelste stand zet, dan brandt de parkeerverlichting aan beide zijden van de auto en brandt opnieuw het controlelampje 3. Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop. NOODSCHAKELAAR VOOR ONDERBREKING BRANDSTOFTOEVOER EN ELEKTRISCHE VOEDING De auto is uitgerust met een brandstofnoodschakelaar. De schakelaar springt omhoog bij een ongeval, waardoor de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat. Op enkele uitvoeringen is bovendien een extra veiligheidsschakelaar aanwezig die inschakelt bij een ongeval, waardoor de elektrische voeding wordt onderbroken. Hierdoor wordt brandstoflekkage bij leidingbreuken en vonkvorming bij beschadiging van de elektrische componenten van de auto voorkomen. BELANGRIJK Vergeet niet na een botsing de sleutel uit het contactslot te nemen om te voorkomen dat de accu ontlaadt. Als u na het ongeval geen brandstoflekkage waarneemt en geen beschadiging van de elektrische componenten van de auto (bijv. de koplampen) en de auto kan nog verder rijden, schakel dan de brandstofnoodschakelaar en de veiligheidsschakelaar voor de elektrische voeding (indien aanwezig) weer in, volgens de hierna beschreven procedure. Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, schakel dan de schakelaars niet weer in, zodat brand wordt voorkomen. 72

74 fig. 72 F0L0107m fig. 73 F0L0308m fig. 74 F0L0307m Brandstofnoodschakelaar weer inschakelen fig. 72 Druk om de brandstofnoodschakelaar weer in te schakelen op knop A. Veiligheidsschakelaar voor elektrische voeding (indien aanwezig) weer inschakelen fig De schakelaar bevindt zich in de verdeelkast op de pluspool van de accu. Ga voor het inschakelen van de schakelaar voor de elektrische voeding als volgt te werk: druk om de brandstofnoodschakelaar weer in te schakelen op knop A; open de motorkap; druk op de borgingen B en verwijder het beschermdeksel C; druk om de noodschakelaar voor de elektrische voeding weer in te schakelen op knop D. Voordat u de schakelaar voor het onderbreken van de elektrische voeding weer inschakelt, moet zorgvuldig worden gecontroleerd of er geen brandstoflekkage is en of de elektrische componenten (bijv. de koplampen) niet zijn beschadigd. Voordat u de brandstofnoodschakelaar weer inschakelt, moet zorgvuldig worden gecontroleerd of er geen brandstoflekkage is en of de elektrische componenten (bijv. de koplampen) niet zijn beschadigd. EN RIJDEN Initialisatie van het opendak, het zonnescherm (indien aanwezig) en de elektrische ruitbediening Na het weer inschakelen van de schakelaars, moet het opendak, het zonnescherm en de elektrische ruitbediening opnieuw ingesteld worden. Zie voor de betreffende procedure, de beschrijvingen in de paragraaf Opendak en Elektrische ruitbediening in dit hoofdstuk. 73

75 EN RIJDEN INTERIEURUITRUSTING ARMSTEUN VOOR MET OPBERGVAK EN KOELVAK Als u het hendeltje A-fig. 75 indrukt, kunt u de armsteun voor omhoogklappen, waarna een opbergvak/gsm-houder bereikbaar is. Als u daarna het deksel B-fig. 75 omhoogplaatst, krijgt u toegang tot het koel/warmhoudvak dat in verbinding staat met uitstroomopening D-fig. 77 van de klimaatregeling. Opmerking Om direct toegang te krijgen tot het koel/warmhoudvak, moet u de armsteun omhoogzetten zonder het hendeltje A - fig. 75 in te drukken maar door op de zijkant te drukken op de plaatsen die zijn aangegeven met punt C, zoals aangegeven in fig. 75. fig. 75 F0L0527m fig. 76 F0L0375m Om de uitstroomopening te openen voor toevoer van koele of warme lucht in het vak, moet u het hendeltje E- fig. 77 in de richting van de pijl plaatsen. Als de auto is uitgerust met klimaatregeling met gescheiden regeling, dan geldt voor het opbergvak de temperatuurinstelling aan de passagierszijde. fig. 77 F0L0528m Als de armsteun geheel omhoog is geklapt, moet u erop letten dat niet per ongeluk knop A-fig. 75 wordt ingedrukt, om te voorkomen dat het deksel van het opbergvak wordt geopend en de inhoud naar buiten valt. 74

76 EN RIJDEN fig. 78 F0L0037m fig. 79 F0L0108m ARMSTEUN ACHTER (indien aanwezig) Klap de armsteun A-fig. 78 voor gebruik omlaag, zoals aangegeven in de figuur. In de armsteun achter zijn twee beker/blikjeshouders (indien aanwezig) geplaatst. Om de houders te gebruiken, moet de lip B-fig. 79 in de richting van de pijl worden getrokken. fig. 80 F0L0109m In de armsteun bevindt zich een opbergvak fig. 80, dat bereikbaar is na het openen van de klep. fig. 81 F0L0038m KASTJE fig. 81 Trek de handgreep in de richting van de pijl om het dashboardkastje te openen. Bij het openen van het kastje gaat aan de binnenkant een lampje branden 75

77 EN RIJDEN fig. 82 F0L0039m fig. 83 F0L0053m fig. 84 F0L0040m OPBERGVAKJE fig. 82 Het opbergvakje bevindt zich op de tunnelconsole onder de voorste armsteun. BEKER-/BLIKJESHOUDER Deze zijn in de console voor geplaatst. MUNTENBAKJE fig. 82 Dit is in de tunnelconsole geplaatst naast de handrem. BRILLENHOUDER (indien aanwezig) fig. 83 Deze bevindt zich in de hemelbekleding, bij de handgreep aan bestuurderszijde. Gebruik de houder zoals afgebeeld in de figuur. ROKERSKIT De auto wordt geleverd met een stekkerdoos in de tunnelconsole. Als de klant de Rokerskit bestelt, wordt de stekkerdoos vervangen door een aansteker en de auto uitgerust met asbakken. De stekkerdoos wordt gevoed met de contactsleutel in stand ON. Open voor gebruik het beschermdeksel. AANSTEKER (indien aanwezig) fig. 84 Deze is in de tunnelconsole geplaatst naast de handrem. Druk voor het inschakelen van de aansteker de knop A in, als de contactsleutel in stand ON staat. Na ongeveer 15 seconden springt de knop in de beginstand en is de aansteker klaar voor gebruik. BELANGRIJK Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt. De aansteker wordt erg heet. Gebruik de aansteker voorzichtig en voorkom dat hij gebruikt wordt door kinderen: risico op brand en/of brandwonden. 76

78 fig. 85 fig. 86 F0L0110m F0L0111m ASBAK (indien aanwezig) De asbak is in de tunnelconsole geplaatst; plaats voor gebruik het klepje A-fig. 85 omhoog. De asbak kan uit de houder worden getrokken om te worden geleegd. In de armsteunen van de passagiersportieren is een asbak geplaatst; plaats voor gebruik het klepje omhoog. De asbak B- fig. 86 kan uit de houder worden getrokken om te worden geleegd. fig. 87 F0L0041m fig. 88 F0L0042m ZONNEKLEPPEN fig. 87 De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de binnenspiegel. Ze kunnen voor de voorruit of voor de zijruit worden gedraaid. De zonneklep aan de bestuurders- en de passagierszijde hebben een spiegeltje op de achterzijde. Het spiegeltje aan passagierszijde en op enkele uitvoeringen ook aan bestuurderszijde wordt verlicht door een plafondlampje, waardoor het ook bij weinig licht gebruikt kan worden. Open het klepje A om het spiegeltje te gebruiken. Op de zonneklep aan passagierszijde bevinden zich ook de symbolen en informatie over het juiste gebruik van kinderzitjes als de passagiersstoel is uitgerust met een airbag (zie voor meer informatie de paragraaf Frontairbag aan passagierszijde in het hoofdstuk Veiligheid ). EN RIJDEN STEKKERDOOS fig. 88 Deze werkt alleen als de contactsleutel in stand ON staat en bevindt zich onder de uitstroomopeningen in het midden voor de zitplaatsen achter. Open voor gebruik het beschermdeksel A. 77

79 EN RIJDEN ZONNESCHERMEN ACHTER (indien aanwezig) fig. 89 Enkele uitvoeringen hebben op de achterportieren verschuifbare zonneschermen, die voorzien zijn van oprolautomaten en bijbehorende drukveren. Voor het gebruik moet het zonnescherm worden uitgerold m.b.v. lip A en worden vastgehaakt aan de bovenste borgingen B. OPENDAK (indien aanwezig) Het grote opendak bestaat uit twee ruitpanelen - een vast paneel en een beweegbaar paneel - met een elektrisch bedienbaar zonnescherm voor en een handbediend zonnescherm achter. Het opendak kan uitsluitend bediend worden als de F0L0312m contactsleutel in stand ON staat. Met de F0L0174m fig. 89 fig. 90 knoppen A, B en C bij het plafondlampje in het midden, kunt u het dak en het zonnescherm Sluiten openen/sluiten. Openen Draai als het opendak geheel gesloten is (draaischakelaar in stand 0), de draaiknop A-fig. 90 rechtsom en kies een van de 5 beschikbare openingsstanden. Elk van de 5 standen komt overeen met een steeds grotere opening van het opendak; stand 1 komt overeen met de kleinste opening en stand 5 met een geheel geopend dak. Daarom is het voor het geheel openen van het dak voldoende om de schakelaar in één beweging direct in de laatste (vijfde) stand te zetten. Draai de draaiknop A-fig. 90 linksom en kies een van de 5 beschikbare sluitingsstanden. Elk van de 5 standen komt overeen met een steeds grotere sluiting van het opendak. Om het opendak in één beweging geheel te sluiten, kan de draaiknop A-fig. 90 direct in stand 0 worden gezet. Open het dak niet bij sneeuw of ijs: het kan dan beschadigd worden. 78

80 Openen/sluiten voorste zonnescherm Druk op de knop B-fig. 90 om het zonnescherm geheel te openen. Het openen wordt onderbroken als u nogmaals de knop indrukt. Druk op de knop C-fig. 90 om het zonnescherm geheel te sluiten. Het sluiten wordt onderbroken als u nogmaals de knop indrukt. Let op: als u het opendak opent met gesloten zonnescherm, wordt deze laatste automatisch geopend. Openen/sluiten achterste zonnescherm Het achterste zonnescherm moet met de hand worden geopend/gesloten. ANTI-LETSELFUNCTIE Het opendak is voorzien van een anti-letselfunctie. Sensoren in de ruitrubbers kunnen een eventueel obstakel waarnemen als de ruit sluit. In dat geval onderbreekt het systeem de ruitbeweging en wordt de ruit onmiddellijk geopend. Dit beveiligingssysteem is aanwezig op het voorste profiel van het zonnescherm en is actief tijdens de hele sluitprocedure van het zonnescherm. Als een obstakel wordt gesignaleerd, dan wordt de ruitbeweging over een korte afstand in tegengestelde richting uitgevoerd. INITIALISATIEPROCEDURE Als de accu losgekoppeld is geweest of als een zekering is doorgebrand, moet de werking van het opendak en het zonnescherm opnieuw ingesteld worden. Initialisatie van het opendak Ga als volgt te werk: draai de contactsleutel in stand ON; draai de draaiknop A-fig. 90 geheel naar links; druk op de draaiknop A-fig. 90 en houd deze ingedrukt totdat het dak mechanisch vergrendelt; laat daarna de knop los; druk binnen 5 seconden opnieuw op de draaiknop en houd deze ingedrukt; het dak komt automatisch in beweging; houd in deze fase de draaiknop ingedrukt; als het dak stopt, is de initialisatie beëindigd. Verwijder altijd de contactsleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voorkomen dat het opendak per ongeluk in beweging wordt gebracht en zo gevaar kan opleveren voor de achtergebleven passagiers: onzorgvuldig gebruik van het opendak kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens de bediening van het opendak altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van het opendak zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen. EN RIJDEN 79

81 EN RIJDEN Initialisatie van het zonnescherm Ga als volgt te werk: Sluit het opendak volledig; draai de contactsleutel 10 seconden in stand OFF; draai de contactsleutel in stand ON; draai de draaiknop in de sluitstand in en houd deze ingedrukt, totdat wordt waargenomen dat de mechanische aanslag is bereikt; de initialisatie is beëindigd. fig. 91 F0L0215m fig. 92 F0L0216m ANTI-LETSELFUNCTIE UITSCHAKELEN Door ijs of vuil in de geleiders van het opendak kan de anti-letselfunctie herhaaldelijk inschakelen. Daarom moet gecontroleerd worden of er geen obstakels aanwezig zijn. In dit geval kan de functie worden uitgeschakeld door het opendak op de volgende manier te sluiten: draai binnen 5 seconden na het in werking treden van de functie, de draaiknop A-fig. 90 in stand 0 en houd de knop ingedrukt, totdat het dak gesloten is. BEDIENING IN NOOD fig Als de elektrische bediening van het opendak niet werkt, dan kan het handmatig worden bediend; ga hiervoor als volgt te werk: verwijder het plafondlampje achter en neem de dan bereikbare bedieningssleutel uit de zitting; plaats de sleutel in de zitting A-fig. 92 en draai deze rechtsom om het dak te openen of linksom om het dak te sluiten. 80

82 PORTIEREN CENTRALE PORTIERVERGRENDELING Van buitenaf fig. 93 Druk bij gesloten portieren op de knop Á van de afstandsbediening of, als de afstandsbediening niet werkt, steek en draai de metalen noodsleutel in het slot van een van de voorportieren. Van binnenuit fig. 94 Druk bij gesloten portieren op de knop A of de knop B, in het midden op het dashboard, om de portieren respectievelijk te vergrendelen of te ontgrendelen. fig. 93 F0L0100m fig. 95 F0L0112m KINDERSSLOT fig. 95 Hierdoor kunnen de achterportieren niet van binnenuit geopend worden. Het systeem kan alleen bij een geopend portier worden ingeschakeld: EN RIJDEN BELANGRIJK De centrale portiervergrendeling werkt niet als een portier niet goed gesloten is of als er een storing in het systeem is. Na enkele seconden schakelt het systeem ongeveer 2 minuten uit. In deze 2 minuten kunt u de portieren met de hand ver- en ontgrendelen. Als deze 2 minuten zijn verstreken, schakelt het systeem opnieuw in. Als de oorzaak van de storing is opgelost, werkt het systeem weer normaal. fig. 94 F0L0529m Als de portieren zijn vergrendeld, brandt het lampje C op de knop. stand 1 - systeem ingeschakeld (portier vergrendeld); stand 2 - systeem uitgeschakeld (portier kan van binnenuit worden geopend). Het systeem blijft ook ingeschakeld na het elektrisch ontgrendelen van de portieren. BELANGRIJK Schakel dit systeem altijd in als u kinderen vervoert. BELANGRIJK Controleer nadat u het veiligheidsslot op beide achterportieren hebt ingeschakeld, of het slot daadwerkelijk is ingeschakeld door aan de handgreep aan de binnenzijde van de portieren te trekken. 81

83 EN RIJDEN ELEKTRISCHE RUITBEDIENING Alle uitvoeringen zijn uitgerust met een veiligheidssysteem dat een eventueel obstakel kan waarnemen als de ruit sluit; in dat geval onderbreekt het systeem de ruitbeweging en wordt, afhankelijk van de stand van de ruit, de ruit onmiddellijk geopend. BELANGRIJK Als de anti-letselfunctie binnen 1 minuut 5 keer inschakelt, dan voert het systeem automatisch de recovery uit (zelfbescherming). Hierbij gaat de ruit telkens een klein stukje omhoog totdat de ruit geheel gesloten is. Ga voor het herstellen van de juiste werking van het systeem als volgt te werk: open de ruiten; of draai de contactsleutel in stand OFF en vervolgens in ON. Als er geen storingen zijn, dan werkt de ruit weer normaal. Als er een storing wordt gevonden, zie dan het hoofdstuk Lampjes en berichten. fig. 96 F0L0043m BELANGRIJK Als de contactsleutel in stand OFF staat of is uitgenomen, dan kunnen de ruiten nog ongeveer 2 minuten worden bediend. Het systeem wordt echter onmiddellijk uitgeschakeld als een van de portieren wordt geopend. Het systeem voldoet aan de 2000/4/EU-normen en is gericht op de bescherming van de inzittenden wanneer deze ledematen door de geopende ruit steken. INITIALISATIE VAN DE RUITBEDIENING Als de accu losgekoppeld is geweest of als een zekering is doorgebrand, moet de werking van het systeem opnieuw ingesteld worden. Initialisatieprocedure: open de ruit die geïnitialiseerd moet worden geheel (handmatig of automatisch); sluit de ruit door de schakelaar (zonder onderbrekingen) in te drukken totdat deze geheel gesloten is; houd na het bereiken van de geheel gesloten stand de schakelaar nog ten minste 1 seconde ingedrukt. 82

84 D openen/sluiten zijruit rechtsachter; automatisch continue werking alleen tijdens het openen van de ruit; E in-/uitschakeling bedieningsschakelaars voor de ruiten achter. fig. 97 BEDIENINGSKNOPPEN F0L0388m Bestuurderszijde fig. 97 Op het portierpaneel aan bestuurderszijde zijn de bedieningsschakelaars gemonteerd waarmee u, als de contactsleutel in stand ON staat, de zijruiten bedient: A openen/sluiten zijruit linksvoor; automatisch continue werking tijdens het openen/sluiten van de ruit; B openen/sluiten zijruit rechtsvoor; automatisch continue werking tijdens het openen/sluiten van de ruit; C openen/sluiten zijruit linksachter; automatisch continue werking alleen tijdens het openen van de ruit; fig. 98 F0L0045m Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet kunnen worden verwond door de bewegende ruiten, hetzij direct door contact met de ruit, hetzij door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt. Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat om te voorkomen dat een onverwachtse inschakeling van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers. Druk kort op een van de twee knoppen voor het stapsgewijs openen/sluiten van de ruit; als de knop langer wordt ingedrukt, wordt de automatisch continue werking ingeschakeld zowel tijdens het openen als het sluiten. De ruit stopt in de gewenste stand als u nogmaals op de knop drukt. Portier aan passagierszijde voor en achter fig. 98 In de armsteun van het voorportier aan passagierszijde en van de achterportieren bevinden zich drukschakelaars voor de bediening van de bijbehorende ruit. EN RIJDEN 83

85 EN RIJDEN BAGAGERUIMTE De achterklep (indien ontgrendeld) kan alleen van buitenaf geopend worden met behulp van de elektrische ontgrendelhendel boven de kentekenplaathouder fig. 99. De achterklep kan bovendien altijd worden geopend als de portieren van de auto ontgrendeld zijn. Op het display van het instrumentenpaneel (zie de paragraaf Multifunctioneel display in dit hoofdstuk) kunt u de keuzemogelijkheid Achterklep onafhankelijk ontgrendelen inschakelen: op deze manier wordt de achterklep niet gelijktijdig met de portieren vergrendeld. BELANGRIJK Bedien de ontgrendelhendel van de achterklep niet als de auto rijdt. fig. 99 F0L0046m fig. 100 F0L0100m Als u bij een lege accu de metalen noodsleutel heeft gebruikt om toegang tot de auto te krijgen, dan kan de achterklep van binnenuit met de hand geopend worden door het hendeltje te bedienen. Dit hendeltje bevindt zich rechtsonder het slot dat in het midden aan de onderzijde van de achterklep is geplaatst. ACHTERKLEP OPENEN MET DE AFSTANDSBEDIENING fig. 100 Druk op de knop R, ook als het diefstalalarm (indien aanwezig) is ingeschakeld. Als de achterklep wordt geopend, knipperen de richtingaanwijzers twee keer; bij het sluiten knipperen de richtingaanwijzers één keer (alleen bij ingeschakeld diefstalalarm). ACHTERKLEP SLUITEN Laat de achterklep zakken en druk op de achterklep totdat hij vergrendelt. BELANGRIJK Als de keuzemogelijkheid achterklep onafhankelijk ontgrendelen is ingeschakeld, moet, voordat de achterklep wordt gesloten, gecontroleerd worden of u in het bezit bent van de contactsleutel, omdat de achterklep automatisch vergrendeld wordt. 84

86 Naderhand aangebrachte voorwerpen op de hoedenplank of het kofferdeksel (luidsprekers, spoiler enz.) kunnen, behalve wanneer de auto hierop is voorbereid, de juiste werking van de gasveren verhinderen. Bij het gebruik van de bagageruimte mag het maximum laadvermogen van de auto nooit overschreden worden (zie het hoofdstuk Technische gegevens ). Controleer bovendien of de bagageruimte goed geladen is, om te voorkomen dat een voorwerp bij bruusk remmen naar voren schiet en letsel veroorzaakt. Rijd niet met voorwerpen op de hoedenplank: bij een ongeval of bruusk remmen kunnen ze de passagiers verwonden. fig. 101 F0L0047m ACHTERKLEP IN GEVAL VAN NOOD OPENEN fig. 101 Om de achterklep vanuit het interieur te openen (bij een lege accu of bij een storing in het elektrische systeem van de achterklep zelf), moet als volgt te werk worden gegaan (zie Bagageruimte vergroten in dit hoofdstuk): laat de hoofdsteunen achter geheel zakken; klap de zittingen van de achterzitplaatsen om: klap de rugleuningen naar voren; voor het mechanisch ontgrendelen van de achterklep, moet u vanuit de bagageruimte het hendeltje A bedienen. BAGAGERUIMTE VERGROTEN Gedeeltelijk vergroten (1/3 of 2/3) Het is mogelijk de bagageruimte te vergroten door de deelbare achterbank gedeeltelijk (1/3 of 2/3) of geheel neer te klappen. Verwijder voor een maximale laadruimte de rolhoes volgens de instructies die vermeld staan in de paragraaf Rolhoes voor afdekken bagageruimte en laat de laadvloer zakken zoals hiervoor is beschreven. Ga als volgt te werk: laat de hoofdsteunen van de achterbank geheel zakken; controleer of de gordels niet gespannen zijn of gedraaid zitten; trek de hendel A of B-fig. 102 omhoog om respectievelijk het linker of het rechter deel van de rugleuning te ontgrendelen en plaats de rugleuning op de zitting. EN RIJDEN 85

87 EN RIJDEN fig. 102 F0L0009m fig. 103 F0L0113m Als u de rechterzijde van de bagageruimte fig. 103 vergroot, kunt u twee passagiers op het linker gedeelte van de achterbank vervoeren. fig. 104 F0L0114m Als u de linkerzijde van de bagageruimte fig. 104 vergroot, kunt u een passagier op het rechter gedeelte van de achterbank vervoeren. fig. 105 F0L0115m Maximale vergroting fig. 105 Als de achterbank wordt neergeklapt, is de bagageruimte maximaal vergroot. Verwijder voor een maximale laadruimte de rolhoes volgens de instructies die vermeld staan in de paragraaf Rolhoes voor afdekken bagageruimte en laat de laadvloer zakken zoals hiervoor is beschreven. Ga als volgt te werk: laat de hoofdsteunen van de achterbank geheel zakken; controleer of de gordels niet gespannen zijn of gedraaid zitten; trek de handgrepen A en B-fig. 102 omhoog om de rugleuningen te ontgrendelen en klap ze op de zitting neer. 86

88 fig. 106 F0L0117m fig. 107 F0L0118m ROLHOES VOOR AFDEKKEN BAGAGERUIMTE fig. 106 De rolhoes A kan worden opgerold en verwijderd. Om de rolhoes op te rollen, moet u de twee achterste pennen B verwijderen uit de zittingen en de hoes begeleiden bij het oprollen. Rolhoes verwijderen fig. 107 Ga voor het verwijderen van de rolhoes als volgt te werk: rol de hoes op zoals hiervoor beschreven; verwijder het rolmechanisme C door het opzij te duwen (richting 1) en vervolgens op te tillen (richting 2). Voor het terugplaatsen van de hoes, moeten de uiteinden van het rolmechanisme in de respectievelijke zittingen worden geplaatst. Zorg dat de bevestigingshaken goed vergrendeld zijn. Rol vervolgens de hoes uit door aan de handgreep te trekken, zoals hiervoor beschreven, en haak de twee achterste pennen vast. BELANGRIJK Plaats geen zware voorwerpen op de rolhoes om beschadiging te voorkomen. Bij een ongeval of bij plotseling remmen kunnen de voorwerpen op de rolhoes naar voren worden geslingerd en de inzittenden verwonden. EN RIJDEN 87

89 BELANGRIJK Plaats de veiligheidsgordels op de juiste wijze terug als de achterbank weer in de normale gebruiksstand wordt gezet, zodat ze altijd direct klaar voor gebruik zijn. EN RIJDEN fig. 108 F0L0233m ACHTERBANK TERUGPLAATSEN fig. 108 Plaats de rugleuningen omhoog en druk de leuningen naar achteren, totdat beide borgmechanismen hoorbaar inklikken. BELANGRIJK Als de rugleuning goed is vergrendeld, dan is de rode band B naast de hendels A niet meer zichtbaar. Als de rode band zichtbaar is, is de rugleuning niet goed vergrendeld. Als de rugleuning in de normale gebruiksstand wordt gezet, controleer dan of de rugleuning hoorbaar vergrendelt. Controleer of de rugleuning aan beide zijden goed vergrendeld is (rode band B niet zichtbaar) om te voorkomen dat in geval van bruusk remmen, de rugleuning naar voren kan klappen en de passagiers kan verwonden. DUBBELE LAADRUIMTE (indien aanwezig) Naast geheel of gedeeltelijk neerklapbare zitplaatsen, kan de auto ook zijn uitgerust met een laadvloer die ingesteld kan worden op twee verschillende hoogtes, waardoor een vlakke vloer wordt verkregen en het volume van de bagageruimte modulair kan worden aangepast. Als u de laadvloer in de hoogste stand houdt, kunt u de ruimte onder de laadvloer gebruiken als extra opbergplaats voor breekbare of kleine voorwerpen. fig. 109 fig. 110 F0L0142m F0L0241m Ga voor het bereiken van de ruimte onder de laadvloer als volgt te werk: trek de handgreep A-fig. 109 omhoog door op het door de pijl aangegeven punt bij het opschrift PUSH te drukken, plaats de laadvloer omhoog en maak hem m.b.v. het daarvoor bestemde koordje vast aan het bovenste bevestigingspunt op de hemelbekleding, zoals afgebeeld in fig

90 EN RIJDEN fig. 111 F0L0177m fig. 112 F0L0141m fig. 113 F0L0138m Laadvloer op het laagste niveau plaatsen (indien van toepassing) Om de capaciteit van de bagageruimte verder te vergroten, kan de laadvloer als volgt worden verlaagd fig. 111: trek de handgreep A-fig. 109 omhoog door op het door de pijl aangegeven punt bij het opschrift PUSH te drukken; verwijder vervolgens m.b.v. de handgreep de laadvloer uit de zitting op de stootlijst door de laadvloer iets op te tillen en naar buiten te trekken; het scharniermechanisme aan de kant van de achterbank vergemakkelijkt de handeling. Ga als volgt te werk om de laadvloer weer in de hoogste stand te zetten: trek de handgreep A-fig. 109 omhoog door op het door de pijl aangegeven punt bij het opschrift PUSH te drukken; til vervolgens m.b.v. de handgreep de laadvloer omhoog van de vloerbedekking in de bagageruimte en trek de vloer naar buiten; het scharniermechanisme aan de kant van de achterbank vergemakkelijkt de handeling. Het maximale gewicht op de laadvloer van de bagageruimte, als deze in de hoogste stand staat, bedraagt 70 kg, en in de laagste stand 200 kg, zoals aangegeven op het betreffende plaatje dat onder de laadvloer is aangebracht (zie fig. 112). BAGAGE VASTZETTEN In de bagageruimte zijn bevestigingsringen aangebracht voor het vastzetten van de lading fig

91 EN RIJDEN fig. 114 F0L0237m fig. 115 F0L0238m Op enkele uitvoeringen is een bagagenet beschikbaar dat kan worden vastgemaakt aan de bevestigingsringen fig BELANGRIJK Bevestig geen lading met een gewicht boven 100 kg aan een enkel bevestigingspunt. Op enkele uitvoeringen is een ladingvangnet beschikbaar, dat op twee plaatsen aan de zijkanten van het dak is bevestigd fig. 115 en aan de onderzijde is bevestigd aan de bevestigingsringen voor de lading op de wielkuipen. Als u in een gebied rijdt waar brandstof moeilijk verkrijgbaar is en u daarom reservebrandstof in een jerrycan wilt vervoeren, dan dient u zich aan de geldende wetgeving te houden. Gebruik alleen een goedgekeurde jerrycan en bevestig deze op de juiste wijze aan de bevestigingsringen voor de lading. Toch zal bij een ongeval de kans op brand groter zijn. MOTORKAP OPENEN Ga als volgt te werk: trek de hendel A-fig. 116 in de richting van de pijl zodat het slot van de motorkap ontgrendelt; steek de hand tussen de motorkap en de bumper en duw het hendeltje B- fig. 117 naar links zoals aangegeven; til de motorkap op en trek gelijktijdig de steunstang C-fig. 118 uit de klem D; steek vervolgens het uiteinde van de stang in de zitting E op de motorkap. BELANGRIJK Controleer of de armen van de ruitenwissers tegen de ruit aanstaan voordat u de motorkap optilt. Niet goed vastgezette bagage kan bij een ongeluk de passagiers ernstig verwonden. 90

92 fig. 116 F0L0048m fig. 118 SLUITEN fig. 118 F0L0116m Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens het rijden altijd goed gesloten zijn. Controleer daarom altijd of de motorkap goed vergrendeld is. Als u tijdens het rijden merkt dat de motorkap niet goed is vergrendeld, stop dan onmiddellijk en sluit de motorkap op de juiste wijze. EN RIJDEN fig. 117 F0L0524m Ga als volgt te werk: houd de motorkap met een hand omhoog, trek met de andere hand de stang C uit de zitting E en plaats de steunstang terug in de klem D; laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken, laat de motorkap vallen en controleer of de motorkap goed is gesloten door hem op te tillen. De motorkap mag niet alleen door de beveiliging vergrendeld zijn. Druk in dit laatste geval de motorkap niet dicht, maar til hem opnieuw op en herhaal de handeling. BELANGRIJK Controleer altijd of de motorkap vergrendeld is, om te voorkomen dat deze tijdens het rijden open gaat. Als de steunstang verkeerd geplaatst wordt, kan de motorkap onverwacht dichtvallen. Voer deze handeling alleen uit als de auto stilstaat. 91

93 EN RIJDEN IMPERIAAL/ SKIDRAGER De imperiaal/skidrager moet op het dak bevestigd worden bij de punten A- fig Om de punten te bereiken, moet u de betreffende klepjes als volgt optillen: bij uitvoeringen met opendak: verwijder de klepjes m.b.v. de bijgeleverde schroevendraaier zodat de bevestigingspunten fig. 120 bereikbaar worden; bij uitvoeringen zonder opendak: til de klepjes m.b.v. de bijgeleverde schroevendraaier omhoog zodat de bevestigingspunten fig. 121 bereikbaar worden. In het Fiat Lineaccessori-programma is een imperiaal/skidrager opgenomen die speciaal voor de Fiat Croma is ontwikkeld. fig. 119 F0L0222m fig. 120 F0L0231m Controleer na enkele kilometers opnieuw of de bevestigingsbouten nog goed vastzitten. BELANGRIJK Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie het hoofdstuk Technische gegevens ). De auto kan zijn uitgerust met twee dakrails waarop verschillende accessoires gemonteerd kunnen worden voor het vervoer van diverse voorwerpen (ski s, surfplanken enz.). fig. 121 F0L0232m Bij het openen van de achterklep dient u er op te letten dat voorwerpen op de imperiaal niet beschadigd kunnen worden. 92

94 KOPLAMPEN KOPLAMPEN AFSTELLEN Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld. Wendt u voor controle of afstelling tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Bij het inschakelen van de gasontladingslampen (Xenon) (indien aanwezig) is het normaal dat de koplampbundel ongeveer 2 seconden een verticale beweging maakt. Deze tijd is nodig voor het stabiliseren van de correcte koplampafstelling. KOPLAMPVERSTELLING De stand kan worden geregeld als de contactsleutel in stand ON staat en de dimlichten zijn ingeschakeld. Als de auto beladen is, helt hij achterover. Het gevolg is dat de lichtbundel meer naar boven schijnt. De stand van de koplampen moet nu worden gecorrigeerd. fig. 122 F0L0050m fig. 123 F0L0051m Koplampen afstellen fig. 122 Druk op de schakelaar A op het schakelaarpaneel; als de auto is uitgerust met gasontladingslampen (Xenon), dan wordt de koplampafstelling elektronisch geregeld en ontbreekt schakelaar A. Op het display van het instrumentenpaneel wordt de stand aangegeven (fig. 123: multifunctioneel display - fig. 124: instelbaar multifunctioneel display). Stand 0 - een of twee personen op de voorstoelen. Stand 1 - vijf personen. Stand 2 - vijf personen + bagage. Stand 3 - bestuurder + maximale lading in de bagageruimte. fig. 124 F0L0519m BELANGRIJK Controleer de afstelling van de koplampen telkens als het gewicht van de lading wijzigt. EN RIJDEN 93

95 EN RIJDEN MISTLAMPEN VOOR AFSTELLEN Wendt u voor controle of afstelling tot de Fiat-dealer. KOPLAMPAFSTELLING IN HET BUITENLAND De dimlichten zijn afgesteld voor gebruik in het land waarin de auto is verkocht. In die landen waarin aan de andere zijde van de weg wordt gereden, moet om het tegemoetkomende verkeer niet te verblinden, de vorm van de lichtbundel worden gewijzigd door het aanbrengen van een speciaal daarvoor ontwikkelde sticker. Deze sticker is opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma en verkrijgbaar bij de Fiat-dealer. ABS Het ABS dat geïntegreerd is in het remsysteem, voorkomt dat tijdens het remmen de wielen blokkeren, ongeacht de conditie van het wegdek en de pedaaldruk, en verhindert daarmee het doorslippen van een of meerdere wielen. Hierdoor blijft de auto bestuurbaar, zelfs bij noodstops. Het systeem wordt gecompleteerd met een elektronische remdrukverdeling EBD (Electronic Braking force Distribution), die de remdruk verdeelt tussen de voor- en achterwielen. BELANGRIJK Voor een maximale werking van het remsysteem is een inrijperiode nodig van ongeveer 500 km (bij een nieuwe auto of nadat de remblokken/-schijven zijn vervangen): in deze periode moet bruusk, herhaaldelijk en langdurig remmen worden vermeden. ACTIVERING VAN HET SYSTEEM Als het ABS in werking is getreden, merkt de bestuurder dit aan een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid: dit geeft aan dat het noodzakelijk is uw snelheid aan te passen aan de beschikbare grip op het wegdek. Als het ABS in werking treedt, dan is de grip van de banden op het wegdek beperkt: u dient uw snelheid te verlagen en aan te passen aan de beschikbare grip. 94

96 STORINGSMELDINGEN Storing in ABS Bij een storing brandt het waarschuwingslampje > op het instrumentenpaneel en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer om het systeem te laten controleren. Als het ABS in werking treedt, dan is de grip van de banden op het wegdek beperkt: u dient uw snelheid te verlagen en aan te passen aan de beschikbare grip. Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare grip maar kan deze niet verhogen. Daarom moet op gladde weggedeelten altijd voorzichtig worden gereden en mogen er geen onnodige risico s worden genomen. Storing in EBD Bij een storing branden de waarschuwingslampjes > en x op het instrumentenpaneel en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). In dit geval kunnen bij krachtig remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer om het systeem te laten controleren. BRAKE ASSIST (remregeling bij noodstops) (indien aanwezig) Dit systeem, dat niet kan worden uitgeschakeld, herkent noodstops (op basis van de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt) en verhoogt de druk in het remcircuit aanzienlijk. Tijdens een noodstop gaan automatisch de waarschuwingsknipperlichten branden; als u weer gas geeft, doven de waarschuwingsknipperlichten automatisch. De Brake Assist wordt, bij uitvoeringen die zijn uitgerust met ESP, uitgeschakeld bij een storing in het ESP (het lampje á brandt en er verschijnt een bericht op het display). Als het ABS in werking treedt, merkt u dat aan een trilling in het rempedaal. Verlaag de remdruk niet maar houd het rempedaal juist goed ingetrapt; op deze manier hebt u de kortste remweg in relatie tot de conditie van het wegdek. Als het waarschuwingslampje x op het instrumentenpaneel gaat branden en op het display verschijnt ook een bericht, stop dan onmiddellijk en wendt u tot de Fiat-dealer. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele remsysteem als het ABS in gevaar gebracht. EN RIJDEN 95

97 EN RIJDEN ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) (indien aanwezig) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking van het ESP is uitermate nuttig als de grip op het wegdek wisselt. ACTIVERING VAN HET SYSTEEM Bij activering gaat het lampje á op het instrumentenpaneel knipperen, om de bestuurder er op te wijzen dat de auto de stabiliteit en de grip dreigt te verliezen. INSCHAKELING VAN HET SYSTEEM Het ESP wordt automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart en kan niet worden uitgeschakeld. STORINGSMELDINGEN Bij een storing in het ESP wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat het lampje á op het instrumentenpaneel continu branden. Bovendien verschijnt er een bericht op het display (zie hoofdstuk Lampjes en berichten ). Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. De prestaties van het ESPsysteem mogen de bestuurder er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico s te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder van de auto. HILL HOLDER SYSTEEM (indien aanwezig) Dit in het ESP geïntegreerde systeem helpt bij het wegrijden op een helling. Het systeem schakelt automatisch in als: Omhoog: de auto stilstaat op een helling van meer dan 5% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en versnellingsbak in vrij of als een andere versnelling dan de achteruit is ingeschakeld. Omlaag: de auto stilstaat op een helling van meer dan 5% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en als de achteruit is ingeschakeld. Tijdens het wegrijden zorgt de regeleenheid van het ESP ervoor dat de wielen geremd blijven, totdat het noodzakelijke motorkoppel is bereikt om weg te rijden (of maximaal 1,5 seconde), zodat u meer tijd heeft om uw rechter voet van het rempedaal naar het gaspedaal te verplaatsen. Als u na 1,5 seconden niet bent weggereden, schakelt het systeem automatisch uit en wordt de remdruk geleidelijk verlaagd. Tijdens deze fase kunt u een typisch geluid horen. Dit geluid betekent dat de auto ieder moment in beweging kan komen. Storingsmeldingen Bij een eventuele storing gaat het lampje á op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een bericht op het multifunctionele display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). BELANGRIJK Het Hill Holder-systeem is geen handrem; verlaat dus nooit de auto zonder de handrem aan te trekken, de motor uit te zetten en de eerste versnelling in te schakelen (stand P met automatische versnellingsbak). 96

98 Als eventueel met het noodreservewiel wordt gereden, dan blijft het ESP ingeschakeld. Blijf er echter rekening mee houden dat het noodreservewiel kleiner is dan de normale band en dat daarom de grip lager is dan bij de andere banden van de auto. Voor de juiste werking van het ESP is het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie zijn en de voorgeschreven afmetingen hebben. ASR-SYSTEEM (Antislip Regulator) (indien aanwezig) Het ASR-systeem controleert de trekkracht van de auto en grijpt automatisch in als een of beide aangedreven wielen dreigen door te slippen. Afhankelijk van de oorzaak van het doorslippen, worden er twee verschillende regelsystemen geactiveerd: als beide aangedreven wielen doorslippen, vermindert de ASR het motorvermogen; als slechts één aangedreven wiel doorslipt, zorgt de TC-functie (Traction Control) ervoor dat het wiel automatisch wordt afgeremd. Het ASR-systeem is vooral nuttig onder de volgende omstandigheden: doorslippen van het binnenste wiel in bochten, door verandering van de wielbelasting of door te felle acceleratie; te hoog vermogen naar de wielen, ook in samenhang met de condities van het wegdek; acceleratie op gladde wegen en bij sneeuw en ijzel; verlies van grip op natte weggedeelten (aquaplaning). fig. 125 F0L0052m IN-/UITSCHAKELING VAN HET SYSTEEM fig. 125 Het ASR-systeem schakelt automatisch in als de motor wordt gestart. Tijdens het rijden kan het ASR-systeem worden uitgeschakeld en vervolgens weer ingeschakeld door de schakelaar A naast de versnellingspook in te drukken. Als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat het lampje op de schakelaar branden en verschijnt er op het display een bericht (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). Als het ASR-systeem tijdens het rijden wordt uitgeschakeld, schakelt het automatisch weer in als de auto opnieuw wordt gestart. EN RIJDEN 97

99 EN RIJDEN Schakel het ASR-systeem uit als u met sneeuwkettingen rijdt: onder deze omstandigheden levert het doorslaan van de aangedreven wielen juist meer trekkracht op. De prestaties van het systeem mogen de bestuurder er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico s te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder van de auto. Voor de juiste werking van het ASR-systeem is het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie zijn en de voorgeschreven afmetingen hebben. STORINGSMELDINGEN Bij een storing in het ASR-systeem wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat het lampje á op het instrumentenpaneel continu branden. Bovendien verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Voor de juiste werking van de ASR is het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie en altijd van het voorgeschreven type, merk en afmetingen zijn. EOBD-SYSTEEM Het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) is een diagnosesysteem in de regeleenheid van het motormanagementsysteem, dat storingen in de elektronische systemen kan signaleren die de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen kunnen vergroten. Het doel is: de werking van het systeem controleren; signaleren wanneer door een storing de emissies boven de wettelijk vastgestelde drempelwaarde uitkomen; signaleren wanneer het noodzakelijk is defecte componenten te vervangen. Dit diagnosesysteem geeft door middel van het brandende lampje U op het instrumentenpaneel (op het display verschijnt ook een bericht) de beschadiging van de betreffende componenten aan of eventuele storingen in het systeem (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). 98

100 OPMERKING De auto beschikt over een diagnosestekker die, als deze verbonden is met speciale apparatuur, het mogelijk maakt, de door de regeleenheid opgeslagen storingscodes en de specifieke parameters voor de diagnose en werking van de motor, te lezen. Deze controle kan ook worden uitgevoerd door de verkeerspolitie. BELANGRIJK Na het verhelpen van de storing moet de Fiat-dealer voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren op een testbank en, zo nodig, een proefrit maken. Deze proefrit kan eventueel een langere afstand omvatten. BANDENSPANNING- CONTROLESYSTEEM TPMS (indien aanwezig) De auto kan zijn uitgerust met een controlesysteem voor de bandenspanning TPMS (Tyre Pressure Monitoring System). Dit systeem bestaat uit een sensor die op radiogolven werkt, op de velg van elk wiel. Deze sensor stuurt informatie over de spanning van iedere band naar de regeleenheid. LET OP De regeleenheid controleert de spanning van de vier gemonteerde banden en niet die van het noodreservewiel. Wij raden u daarom aan bij het controleren van de bandenspanning ook altijd die van het noodreservewiel te controleren. LET OP Wees zeer zorgvuldig bij het controleren of herstellen van de bandenspanning. Een te hoge spanning vermindert de grip op het wegdek, verhoogt de belasting op de wielophanging en de wielen en veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden. LET OP De spanning van de banden moet bij stilstaande auto en koude banden gecontroleerd worden; als om wat voor reden dan ook de spanning bij warme banden gecontroleerd wordt, verminder dan de spanning niet, ook als deze boven de voorgeschreven waarde ligt, maar controleer de spanning opnieuw bij koude banden. Ook als de auto is uitgerust met het TPMS-systeem moet de bestuurder regelmatig de spanning van de banden en die van het reservewiel controleren. EN RIJDEN 99

101 EN RIJDEN AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN HET TPMS Storingsmeldingen worden niet opgeslagen en worden dus niet aangegeven als de motor wordt uitgezet en vervolgens weer wordt gestart. Als de storingen blijven bestaan, stuurt de regeleenheid de betreffende meldingen pas naar het instrumentenpaneel als de auto een korte tijd rijdt. LET OP Het TPMS is niet in staat om te waarschuwen voor een plotselinge vermindering van de bandenspanning (bijvoorbeeld bij een klapband). Zet in dat geval de auto stil door voorzichtig te remmen en maak daarbij geen plotselinge stuurbewegingen. LET OP Het vervangen van de normale banden door winterbanden en omgekeerd, vereist ook een aanpassing van het TPMS, die uitsluitend door de Fiat-dealer mag worden uitgevoerd. LET OP Het TPMS vereist het gebruik van speciale apparatuur. Raadpleeg de Fiatdealer over de accessoires die geschikt zijn voor het systeem (wielen, wieldeksels enz.) Het gebruik van andere accessoires kan de normale werking van het systeem verhinderen. bandenspanning signaleren. Controleer in dat geval de bandenspanning bij koude banden en herstel, indien nodig, de juiste spanning. LET OP Als de auto is uitgerust met het TPMS moeten bij het monteren/demonteren van de banden en/of velgen speciale voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen. Om te voorkomen dat de sensoren beschadigen of verkeerd gemonteerd worden, mogen de banden en/of de velgen uitsluitend door gespecialiseerd personeel vervangen worden. Wendt u tot de Fiat-dealer. LET OP Als de auto is uitgerust met het TPMS moet bij het demonteren van een band, ook het rubber van het ventiel vervangen worden. Wendt u tot de Fiatdealer. LET OP Zeer hevige storingen door radiofrequentie kunnen het systeem ontregelen. Dit wordt aan de bestuurder aangegeven door het verschijnen van een bericht op het display. Deze melding verdwijnt automatisch zodra de storing het systeem niet meer ontregelt. AUTORADIO (indien aanwezig) Raadpleeg voor de werking van de autoradio met CD- of MP3 CD-speler (indien aanwezig) het supplement dat bij dit instructieboekje is geleverd. AUDIOSYSTEEM (indien aanwezig) Het systeem bestaat uit: 2 tweeter luidsprekers in de voorportieren met elk een piekvermogen van 40W; 2 mid-woofer luidsprekers in de voorportieren met een diameter van 165 mm en met elk een piekvermogen van 40W; 2 full-range luidsprekers in de achterportieren met een diameter van 165 mm en met elk een piekvermogen van 40W. BELANGRIJK De bandenspanning kan variëren afhankelijk van de buitentemperatuur. Het TPMS kan tijdelijk een te lage 100

102 HIFI-AUDIOSYSTEEM (indien aanwezig) Het systeem bestaat uit: 2 tweeter luidsprekers in de voorportieren met elk een piekvermogen van 40W; 2 mid-woofer luidsprekers in de voorportieren met een diameter van 165 mm en met elk een piekvermogen van 40W; 2 tweeter luidsprekers in de achterportieren met elk een piekvermogen van 40W; 2 mid-woofer luidsprekers in de achterportieren met een diameter van 165 mm en met elk een piekvermogen van 40W; 1 subwoofer-box bass reflex met geïntegreerde meerkanaalsversterker (4 kanalen van 25W RMS + 2 kanalen van 40W RMS voor het aansturen van de woofer 165 mm) met ASP en SRS WOW effect. fig. 126 F0L0535m ANTENNE fig.126 Draai voor het verwijderen de steel A linksom 1 totdat de antenne geheel uit de houder is verwijderd. Draai voor het monteren de steel A rechtsom 2 totdat de antenne geheel recht in de houder is gesloten. EXTRA ACCESSOIRES Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (autoradio, anti-diefstalsatellietbewaking enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, wendt u dan tot de Fiat-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden uit het Fiat Lineaccessori-programma en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. ELEKTRISCHE/ELEKTRONISCHE SYSTEMEN MONTEREN De elektrische/elektronische systemen die na aankoop van de auto en binnen de aftersales-service worden gemonteerd, moeten voorzien zijn van het merkteken: Fiat Auto S.p.A. autoriseert de montage van zend-/ontvangstapparatuur op voorwaarde dat de montagewerkzaamheden op de juiste wijze bij een gespecialiseerd bedrijf worden uitgevoerd, waarbij de aanwijzingen van de fabrikant in acht moeten worden genomen. BELANGRIJK Als door de montage van systemen de kenmerken van de auto worden EN RIJDEN 101

103 EN RIJDEN 102 gewijzigd, kan het kentekenbewijs worden ingenomen door de bevoegde instanties en eventueel de garantie komen te vervallen bij defecten die veroorzaakt zijn door de bovengenoemde modificatie of op defecten die direct of indirect daarvan het gevolg zijn. Fiat Auto S.p.A. is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor schade die het gevolg is van de installatie van accessoires die niet door Fiat Auto S.p.A. zijn geleverd of aanbevolen en/of die niet conform de geleverde instructies zijn geïnstalleerd. RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBIELE TELEFOONS Radiozendapparaten (mobiele telefoons, 27 mc en dergelijke) mogen alleen in de auto worden gebruikt met een aparte antenne aan de buitenkant van de auto. BELANGRIJK Het gebruik van dergelijke apparaten in de auto (zonder buitenantenne) kan niet alleen schadelijk zijn voor de gezondheid van de inzittenden, maar kan ook storingen in de elektrische systemen van de auto veroorzaken. Hierdoor wordt de veiligheid in gevaar gebracht. Bovendien wordt de zend- en ontvangstkwaliteit aanzienlijk beperkt door de isolerende eigenschappen van de carrosserie. Houdt u bij het gebruik van mobiele telefoons (GSM, GPRS, UMTS) met het officiële >>>>>>>>PLAATJE<<<<<<< - keurmerk, strikt aan de instructies die door de fabrikant van de mobiele telefoon zijn bijgeleverd. PARKEERSENSOREN (indien aanwezig) Deze bevinden zich in de achterbumper van de auto fig. 127 en attenderen de bestuurder via een repeterend geluidssignaal op de aanwezigheid van obstakels achter de auto. ACTIVERING De sensoren worden automatisch geactiveerd als de achteruit wordt ingeschakeld. Als de afstand tot het obstakel achter de auto kleiner wordt, neemt de frequentie van het geluidssignaal toe. AKOESTISCH WAARSCHUWINGSSYSTEEM Als de achteruit wordt ingeschakeld, klinkt er automatisch een onderbroken geluidssignaal. De frequentie van het geluidssignaal: neemt toe als de afstand tot het obstakel kleiner wordt; klinkt ononderbroken als de afstand tot het obstakel minder is dan ongeveer 30 cm en stopt onmiddellijk als de afstand tot het obstakel groter wordt; fig. 127 F0L0391m blijft constant als de gemeten afstand onveranderd blijft, terwijl, als deze situatie zich voordoet bij de sensoren aan de zijkant, het signaal na 3 seconden onderbroken wordt, om bijvoorbeeld signalen te voorkomen als u langs een muur rijdt. Meetbereik Meetbereik in het midden 150 cm Meetbereik aan de zijkant 60 cm Als de sensoren meerdere obstakels signaleren, dan reageren zij alleen op die obstakels die zich het dichtst bij de auto bevinden.

104 STORINGSMELDINGEN Eventuele storingen in de parkeersensoren worden bij het inschakelen van de achteruit aangegeven door het branden van het lampje è op het instrumentenpaneel (op het display verschijnt ook een bericht) (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). WERKING MET AANHANGER De werking van de sensoren wordt automatisch uitgeschakeld als de stekker van de elektrische kabel van de aanhanger wordt aangesloten op de stekkerdoos van de trekhaak. De sensoren worden automatisch weer ingeschakeld als u de aanhangerstekker loskoppelt. In wastunnels waar gebruik wordt gemaakt van stoom of hogedrukreiniging, moeten de sensoren kort worden gereinigd. Houd hierbij de straalpijp op meer dan 10 cm afstand. Voor een juiste werking van het systeem mag er geen modder, vuil, sneeuw of ijs op de sensoren zitten. Wees voorzichtig bij het reinigen van de sensoren om krassen of beschadigingen te voorkomen; gebruik geen droge, grove of harde doek. De sensoren moeten worden gereinigd met schoon water, waaraan eventueel autoshampoo is toegevoegd. De verantwoordelijkheid tijdens het parkeren en andere gevaarlijke handelingen ligt altijd en overal bij de bestuurder. Controleer als u de auto parkeert of zich geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt van de auto bevinden. De parkeersensoren moeten als een hulpmiddel voor de bestuurder beschouwd worden. De bestuurder moet tijdens eventueel gevaarlijke parkeermanoeuvres altijd volledig zijn aandacht behouden, ook als de manoeuvres met lage snelheid worden uitgevoerd. ALGEMENE OPMERKINGEN Controleer tijdens parkeermanoeuvres of zich geen obstakels op of onder het sensorsysteem bevinden. Obstakels die zich dicht bij de auto bevinden, worden onder bepaalde omstandigheden niet door het systeem gesignaleerd en kunnen dus de auto beschadigen of zelf beschadigd worden. De metingen van het sensorsysteem kunnen beïnvloed worden/zijn door beschadiging van de sensoren zelf, door vuil, sneeuw of ijs op de sensoren of door ultrasone systemen (bijv. luchtdrukremmen van vrachtwagens of pneumatische hamers) die zich in de nabijheid bevinden. EN RIJDEN 103

105 EN RIJDEN TANKEN BENZINEMOTOREN Tank uitsluitend loodvrije benzine. Om vergissingen te voorkomen is de diameter van de vulpijp van de tank kleiner, zodat het vulpistool voor loodhoudende benzine er niet in past. Het octaangetal van de benzine moet ten minste 95 RON zijn. BELANGRIJK Een beschadigde katalysator laat schadelijke stoffen in het uitlaatgas achter, waardoor het milieu wordt vervuild. BELANGRIJK Tank met de auto nooit, niet in noodgevallen en ook niet een klein beetje, loodhoudende benzine. U zou de katalysator onherstelbaar beschadigen. DIESELMOTOREN Bij lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselbrandstof verminderen door de vorming van paraffine, waardoor het brandstofsysteem niet meer goed werkt. Om dit probleem te voorkomen wordt er, afhankelijk van het seizoen, dieselbrandstof geleverd die speciaal voor de zomer, voor de winter en voor zeer lage temperaturen (bergachtige/koude gebieden) is ontwikkeld. Als dieselbrandstof wordt getankt die niet toereikend is voor de gebruikstemperatuur, raden wij aan de dieselbrandstof te mengen met het vorstbeveiligingsmiddel TUTELA DIESEL ART in de verhouding die in de gebruiksaanwijzing van het middel is aangegeven. Doe eerst het middel in de tank en voeg daarna de dieselbrandstof toe. Als de auto lange tijd wordt gebruikt/stilstaat in bergachtige/koude gebieden, is het raadzaam dieselbrandstof te tanken die ter plaatse beschikbaar is. In dat geval is het bovendien raadzaam een hoeveelheid brandstof in de tank te houden die groter is dan 50% van de nuttige inhoud. Tank bij auto s met dieselmotor uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan de Europese specificatie EN590. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. Mocht u onverhoopt een ander type brandstof tanken, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt. TANKINHOUD Om te zorgen dat de tank volledig gevuld wordt, moet u twee keer bijvullen nadat het vulpistool voor de eerste keer afslaat. Vul niet nog een keer bij om storingen in het brandstofsysteem te voorkomen. 104

106 fig. 128 F0L0137m fig. 129 F0L0526m TANKDOP fig. 128 Het slot van het tankklepje wordt automatisch bediend door de centrale portiervergrendeling. In geval van nood (bijv. bij een storing in de elektrische installatie) kunt u het tankklepje ontgrendelen door aan het koordje B te trekken. Het koordje is bereikbaar na het verwijderen van het zijpaneel rechts A. Om te tanken moet u het klepje C-fig. 129 openen en vervolgens de dop D losdraaien. De tankdop is voorzien van een koord E dat aan het klepje vastzit, om verlies van de dop te voorkomen. Door de hermetische afsluiting van de tank kan de druk in de tank iets verhoogd zijn. Het is daarom normaal als u bij het losdraaien van de tankdop een sissend geluid hoort. Plaats tijdens het tanken de dop in de uitsparing op het tankklepje, zoals afgebeeld in de figuur. Als de portieren vergrendeld zijn, moet om te kunnen tanken de knop voor het ontgrendelen van de portieren, in het midden op het dashboard, worden ingedrukt. Het tankklepje vergrendelt als de portieren worden vergrendeld. Kom niet dicht bij de vulopening met open vuur of een brandende sigaret: brandgevaar. Houd uw hoofd ook niet dicht bij de vulopening om te voorkomen dat u schadelijke dampen inademt. BESCHERMING VAN HET MILIEU De emissiereductiesystemen voor benzinemotoren zijn: driewegkatalysator (katalysator); Lambdasondes; benzinedamp-opvangsysteem. Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden, met een of meer losgekoppelde bougies draaien. De emissiereductiesystemen voor dieselmotoren zijn: oxidatiekatalysator; uitlaatgasrecirculatie-systeem (EGR); roetfilter (DPF). EN RIJDEN 105

107 EN RIJDEN Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt het roetfilter (DPF) hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden enz.): brandgevaar. Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden enz.): brandgevaar. DPF-ROETFILTER (DIESEL PARTICULATE FILTER) Het DPF-roetfilter (Diesel Particulate Filter) is een mechanisch filter in het uitlaatsysteem dat de partikels in het uitlaatgas van dieselmotoren opvangt. Het filter vangt bijna de totale hoeveelheid roetdeeltjes op, waardoor voldaan wordt aan de huidige/toekomstige wettelijke normen. Tijdens het normale gebruik van de auto registreert de inspuitregeleenheid een aantal gegevens met betrekking tot het gebruik (gebruiksduur, type traject, bereikte temperatuur enz.) en berekent de hoeveelheid verzameld roet in het filter. Het filter verzamelt de roetdeeltjes en moet periodiek worden geregenereerd (schoongemaakt) door de roetdeeltjes te verbranden. De regeneratieprocedure wordt geregeld door de regeleenheid van de motor op basis van de hoeveelheid opgevangen roetdeeltjes en de bedrijfsomstandigheden van de auto. Tijdens de regeneratie kan het volgende worden waargenomen: een beperkte toerentalverhoging, inschakeling van de elektroventilateur, een beperkte toename van de rook uit de uitlaat en een hogere temperatuur bij de uitlaat. Dit zijn geen storingen en deze situatie heeft geen invloed op het milieu of het gedrag van de auto. Als de bijbehorende melding op het display verschijnt, zie dan het hoofdstuk Lampjes en berichten. 106

108 SGORDELS SBR-SYSTEEM GORDELSPANNERS KINDEREN VEILIG VERVOEREN MONTAGEVOORBEREIDING VOOR ISOFIX UNIVERSEEL -KINDERZITJE FRONTAIRBAGS ZIJ-AIRBAGS

109 SGORDELS GEBRUIK VAN DE SGORDELS Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en leg dan de gordel om. Trek de gordel uit en maak de gordel vast door de gesp A-fig. 1 in de sluiting B-fig. 1 te drukken, totdat hij hoorbaar blokkeert. Als tijdens het uittrekken van de gordel de rolautomaat blokkeert, laat dan de gordel een stukje teruglopen en trek de gordel vervolgens weer geleidelijk uit. Druk, om de gordel los te maken, op de knop C-fig. 1. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen dat de gordelband draait. Via de rolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager, waarbij voldoende bewegingsruimte overblijft. fig. 1 F0L0119m fig. 2 F0L0120m Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. Bovendien blokkeert de rolautomaat als u de gordel snel uittrekt. Hij blokkeert ook bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten. De achterbank is voorzien van driepuntsveiligheidsgordels met rolautomaat fig. 2. De veiligheidsgordels achter moeten worden omgelegd zoals is aangegeven in het afgebeelde schema. BELANGRIJK Als gelijktijdig gebruik wordt gemaakt van de zitplaatsen aan de zijkant en in het midden, is het raadzaam eerst de veiligheidsgordel aan de zijkant om te leggen en vervolgens de gordel in het midden. Druk tijdens het rijden niet op de knop C. 108

110 fig. 3 F0L0233m BELANGRIJK Als de rugleuning goed is vergrendeld, dan is de rode band B-fig. 3 naast de hendels A-fig. 3 niet meer zichtbaar. Als de rode band zichtbaar is, is de rugleuning niet goed vergrendeld. Als de rugleuning in de normale gebruiksstand wordt gezet, controleer dan of de rugleuning hoorbaar vergrendelt. BELANGRIJK Plaats de veiligheidsgordels op de juiste wijze terug als de achterbank weer in de normale gebruiksstand wordt gezet, zodat ze altijd direct klaar voor gebruik zijn. Druk tijdens het rijden niet op de knop C-fig. 1. Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen, tijdens een ernstig ongeval niet alleen zelf aan gevaar worden blootgesteld maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor. Controleer of de rugleuning aan beide zijden goed vergrendeld is (rode band B niet zichtbaar) om te voorkomen dat in geval van bruusk remmen, de rugleuning naar voren kan klappen en de passagiers kan verwonden. SBR-SYSTEEM De auto is uitgerust met het SBR-systeem (Seat Belt Reminder), dat bestaat uit een akoestisch waarschuwingssysteem dat, samen met het knipperende lampje < op het instrumentenpaneel, de bestuurder en de passagier voor waarschuwt als de veiligheidsgordel niet is omgelegd. Het akoestische signaal kan permanent door de Fiat-dealer worden uitgeschakeld. Op uitvoeringen met een multifunctioneel display kan het SBR-systeem uitsluitend weer worden geactiveerd door de Fiatdealer. Op uitvoeringen met instelbaar multifunctioneel display kan het SBR-systeem ook weer worden geactiveerd via het setup-menu. 109

111 GORDELSPANNERS Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels van de auto voorzien van gordelspanners (achter als optie). Dit systeem trekt bij een heftige botsing de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt. Als de gordelspanners voor hebben gewerkt, dan is dit herkenbaar aan een gordelsluiting die naar beneden is teruggetrokken. Het blokkeren van de rolautomaat geeft aan dat de gordelspanners achter (indien aanwezig) in werking zijn geweest; de gordel wordt niet meer opgerold, ook niet als hij wordt begeleid. BELANGRIJK Voor een maximale bescherming door de gordelspanner moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken. Tijdens de werking van de gordelspanner kan er een beetje rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand. De gordelspanner behoeft geen enkel onderhoud of smering. Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid verminderen. Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden (overstromingen, vloedgolven) met water en modder in contact is geweest, dan moet de spanner worden vervangen. TREKKRACHTBEGRENZERS Om de bescherming van de inzittenden bij een ongeval te vergroten, zijn de oprolautomaten van de gordels voor en achter (indien van toepassing) voorzien van trekkrachtbegrenzers die tijdens een frontale aanrijding de piekbelasting op de borst en schouders beperken. De gordelspanner werkt slechts eenmaal. Als de gordelspanners hebben gewerkt, moet u zich tot de Fiat-dealer wenden om ze te laten vervangen. De geldigheid van het systeem staat vermeld op een plaatje dat zich op de portierstijl bevindt: laat voor het verstrijken van deze termijn het systeem door de Fiatdealer vervangen. Werkzaamheden in de buurt van de gordelspanners, waarbij stoten, sterke trillingen of verhitting optreden (maximaal 100 C gedurende ten hoogste 6 uur), kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: bij die omstandigheden horen niet trillingen die voortgebracht worden door een slecht wegdek of door contacten met kleine obstakels zoals trottoirs. Als er iets aan de gordelspanners moet gebeuren, dient u zich tot een Fiat-dealer te wenden. 110

112 fig. 4 F0L0060m fig. 5 F0L0061m fig. 6 F0L0062m ALGEMENE OPMERKINGEN OVER HET GEBRUIK VAN SGORDELS De bestuurder is verplicht zich te houden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verplichte gebruik van de veiligheidsgordels (en de inzittenden erop attent te maken). Leg de veiligheidsgordel altijd om voordat u vertrekt. Ook vrouwen die in verwachting zijn moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval kleiner als ze een gordel dragen. Uiteraard moeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel meer naar beneden omleggen, zodat de gordel over het bekken en onder de buik langs loopt (zoals in fig. 4 is aangegeven). De gordelband mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik liggen. Gebruik geen voorwerpen (wasknijpers, klemmen enz.) die een goed aansluiten van de gordel op het lichaam verhinderen. Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. Draag altijd veiligheidsgordels zowel voor als achter in de auto! Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval. Het is streng verboden onderdelen van de veiligheidsgordels of gordelspanners te demonteren of open te maken. Werkzaamheden aan de veiligheidsgordels en gordelspanners moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wendt u altijd tot de Fiat-dealer. 111

113 Als de gordel aan een zware belasting wordt blootgesteld (bijvoorbeeld tijdens een ongeval), dan moet de gordel samen met de verankeringen, bevestigingspunten en de gordelspanners worden vervangen. Ook als de schade niet zichtbaar is, dan kan de gordel toch verzwakt zijn. Iedere gordel dient slechts ter bescherming van een enkel persoon: gebruik de gordel niet voor een kind dat bij een volwassene op schoot zit, waarbij de gordel beiden zou moeten beschermen. Plaats bovendien geen enkel voorwerp tussen de gordel en het lichaam van een inzittende. HOE U DE SGORDELS IN OPTIMALE STAAT HOUDT r Zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat zonder haperingen werkt. r Vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet beschadigd. Vervang de gordels ook als de gordelspanners in werking zijn geweest. r U kunt de gordels met de hand wassen met water en een neutrale zeep. Spoel ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen. Vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel van de gordel kunnen aantasten. r Voorkom dat vocht in de oprolautomaat komt: de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd, als ze niet nat zijn geweest. r Vervang de gordels bij tekenen van slijtage of beschadigingen. KINDEREN VEILIG VERVOEREN Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zittend reizen en beschermd worden door goedgekeurde veiligheidssystemen. Dit geldt met name voor kinderen. Dit is een wettelijk voorschrift volgens richtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten van de Europese Unie. Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ontwikkeld. Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veiligheidsgordels. De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen: Groep 0 gewicht tot aan 10 kg Groep 0+ gewicht tot aan 13 kg Groep 1 gewicht: 9-18 kg Groep 2 gewicht: kg Groep 3 gewicht: kg 112

114 Zoals u ziet is er een gedeeltelijke overlapping tussen de groepen; daarom zijn in de handel systemen verkrijgbaar die geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen. Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd. Kinderen met een lengte van meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheidssystemen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook normaal de veiligheidsgordels omleggen. In het Fiat Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep. Deze zijn speciaal ontworpen en ontwikkeld voor de Fiat-modellen. Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeluk. Wij raden u aan kinderen altijd in een geschikt kinderzitje op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. ZEER GEVAARLIJK Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, in een kinderzitje dat achterstevoren is geplaatst, moeten de airbags aan passagierszijde worden uitgeschakeld (frontairbag en zij-airbag voor de bescherming van borstkas/bekken (sidebag), indien aanwezig) in het setupmenu. Controleer direct of de airbags daadwerkelijk zijn uitgeschakeld: het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel moet continu branden. Bovendien moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard. 113

115 114 fig. 7 F0L0063m GROEP 0 en 0+ fig. 7 Baby s tot 13 kg moeten in wiegjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, waardoor het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast. Het wiegje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheidsgordel en het kind moet op zijn beurt worden beschermd door de gordel van het wiegje zelf. fig. 8 F0L0064m GROEP 1 Kinderen met een gewicht tussen 9 en 18 kg moeten worden vervoerd in kinderzitjes met een kussen die naar voren zijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van de auto zowel het kinderzitje als het kind op zijn plaats moet houden fig. 8. De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1. Deze kinderzitjes hebben aan de achterzijde een aansluiting voor bevestiging aan de veiligheidsgordels van de auto en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst). Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies. fig. 9 F0L0065m GROEP 2 Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg kunnen direct door de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd. Kinderen moeten zo in de kinderzitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek ligt. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik van het kind liggen fig. 9. De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

116 fig. 10 F0L0066m GROEP 3 Bij kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg is de borstomvang van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinderzitje hoeven te worden vervoerd. In fig. 10 wordt een voorbeeld gegeven van de juiste positie van het kind op de achterbank. Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen net zoals volwassenen de veiligheidsgordels omleggen. De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE KINDERZITJES De auto voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in de auto. Zie de volgende tabel: ZITPLAATS Passagier Passagier Passagier Groep Gewicht voor achter in het midden aan de zijkant Groep 0, 0+ tot 13 kg U (t) U * Groep kg U (t) U * Groep kg U (t) U * Groep kg U (t) U * Legenda: U = geschikt voor Universele kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44- voorschriften voor de aangegeven groepen. (t) bij auto s met een passagiersstoel zonder hoogteverstelling, moet de rugleuning volledig rechtop staan. (*) Op de middelste zitplaats achter kan geen enkel type kinderzitje worden gemonteerd. 115

117 Hieronder zijn de richtlijnen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven, waaraan u zich dient te houden: 1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur op een van de zitplaatsen achter omdat deze plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. 2) Als de airbag aan passagierszijde buiten werking wordt gesteld, moet altijd gecontroleerd worden of het lampje op het instrumentenpaneel continu brandt. 3) Houdt u bij de montage van het kinderzitje strikt aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Bewaar de instructies samen met het instructieboekje in de auto. Monteer geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken. 4) Controleer of de gordels goed zijn vastgemaakt door aan de gordelband te trekken. 5) Ieder veiligheidssysteem is bedoeld voor slechts één kind: vervoer nooit twee kinderen in een systeem. 6) Controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt. 7) Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordels losmaakt. 8) Vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te houden. 9) Na een ongeval moet het zitje door een nieuw exemplaar worden vervangen. Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeluk. Wij raden u aan kinderen altijd in een geschikt kinderzitje op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. 116

118 MONTAGEVOOR- BEREIDING VOOR ISOFIX UNIVERSEEL - KINDERZITJE De auto is voorbereid op de montage van Isofix Universeel -kinderzitjes; een nieuw gestandaardiseerd Europees systeem voor het vervoeren van kinderen. In fig. 11 is een voorbeeld gegeven van het kinderzitje. Het Isofix Universeel-kinderzitje is er voor drie gewichtsgroepen: 1. Vanwege het verschillende bevestigingssysteem, moet het kinderzitje aan de daarvoor bestemde onderste metalen beugels A-fig. 12 worden bevestigd. Deze bevinden zich tussen de rugleuning en zitting van de achterbank. Bevestig daarna de bovenste riem (bij het kinderzitje geleverd) aan de beugel B-fig. 13 aan de achterkant van de rugleuning ter hoogte van het zitje. Er kan ook een mengvorm worden gekozen, een traditioneel kinderzitje en een Isofix Universeel -kinderzitje. Bedenk dat bij Isofix Universeel-kinderzitjes, alle zitjes gebruikt kunnen worden die goedgekeurd zijn volgens de ECE R44/03-richtlijn Isofix Universeel. fig. 11 F0L0318m In het Fiat Lineaccessori-programma is een Isofix Universeel Duo Plus -kinderzitje beschikbaar. Zie voor meer informatie over de montage en/of het gebruik van het kinderzitje, het Instructieboekje dat bij het kinderzitje wordt geleverd. fig. 12 fig. 13 F0L0121m F0L0122m Monteer het kinderzitje alleen als de auto stilstaat. Het kinderzitje is op de juiste wijze aan de beugels bevestigd als u het hoort vergrendelen. Houdt u in ieder geval aan de instructies voor de montage, de demontage en de plaatsing. De fabrikant van het kinderzitje is verplicht deze instructies bij te leveren. 117

119 118 GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE ISOFIX UNIVERSEEL KINDERZITJES In de volgende tabel worden, conform de Europese wetgeving ECE 16, de mogelijkheden weergegeven van de montage van de Isofix Universeel-kinderzitjes op de stoelen die zijn uitgerust met Isofix-beugels. Gewichtsgroep Richting Maat- Plaats Isofix kinderzitje klasse Isofix achter aan de zijkant Groep 0 tot 10 kg Groep 0+ tot 13 kg Groep I van 9 tot 18 kg Tegen de rijrichting in Tegen de rijrichting in Tegen de rijrichting in Tegen de rijrichting in Tegen de rijrichting in Tegen de rijrichting in In de rijrichting In de rijrichting In de rijrichting IUF: geschikt voor Isofix-kinderzitjes uit de universele klasse (met een derde bevestigingspunt boven) die in de rijrichting bevestigd moeten worden en goedgekeurd zijn voor het gebruik door die gewichtsgroep. IL: geschikt voor Isofix-kinderzitjes, die speciaal ontworpen en goedgekeurd zijn voor dit type auto. Het kinderzitje kan gemonteerd worden door de voorstoel naar voren te schuiven. E E D C D C B B1 A IL IL IL IL IL IL IUF IUF IUF FRONTAIRBAGS De auto is uitgerust met frontairbags, aan bestuurderszijde en passagierszijde, en een knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig). De frontairbags (bestuurder en passagier) en de knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig) beschermen de inzittenden voor bij middelzware en zware frontale botsingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en het stuurwiel of het dashboard. Als de airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (zijdelings, van achter, over de kop slaan enz), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert. Bij een frontale botsing zorgt een regeleenheid ervoor, indien nodig, dat het kussen wordt opgeblazen. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden voor wordt opgevangen en de kans op letsel beperkt wordt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg. De frontairbags (bestuurder en passagier) en de knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig) zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten).

120 Als de airbags volledig opgeblazen zijn, vullen zij het grootste deel van de ruimte tussen het stuurwiel en de bestuurder en het dashboard en de voorpassagier. Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel heeft omgelegd, in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is. Hierdoor wordt de inzittende minder door de airbag beschermd. De frontairbags kunnen in de volgende gevallen niet worden geactiveerd: r bij frontale botsingen, met een ander deel van de auto dan het front, tegen makkelijk vervormbare objecten (bijv. als het voorspatbord tegen de vangrail komt of tegen grindhopen); r als de auto onder andere auto s of veiligheidsvoorzieningen schuift (bijvoorbeeld onder vrachtwagens of de vangrail); omdat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden op de veiligheidsgordels. Als de airbags in deze gevallen niet geactiveerd worden, betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert. Bij lichte frontale aanrijdingen (waarbij de werking van de veiligheidsgordel voldoende is) worden de airbags niet geactiveerd. Daarom is het gebruik van de veiligheidsgordels absoluut noodzakelijk, want de gordel houdt de inzittende bij een zijdelingse botsing in de juiste positie en voorkomt dat de inzittende uit de auto wordt geslingerd bij zware botsingen. fig FRONTAIRBAG AAN BESTUURDERSZIJDE fig. 14 Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen dat in een daarvoor bestemde ruimte in het midden van het stuurwiel is geplaatst F0L0360m Plaats geen stickers of andere objecten op het stuurwiel, op het deksel van de airbagmodule aan de passagierszijde of op de zijranden van de hemelbekleding. Plaats geen voorwerpen op het dashboard aan passagierszijde omdat deze het correct opblazen van de airbag aan passagierszijde kunnen verhinderen. 119

121 ZEER GEVAARLIJK: Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Als F0L0068m er geen andere mogelijkheid is, moet F0L0383m fig. 15 fig. 16 in ieder geval de airbag aan passagierszijde uitgeschakeld worden als FRONTAIRBAG AAN het kinderzitje op de passagiersstoel KNIE-AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE fig. 15 voor wordt geplaatst. BESTUURDERSZIJDE Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen Bovendien moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven (indien aanwezig) fig. 16 met een groter volume dan dat aan bestuurderszijde. Het kussen is in een daar- om te voorkomen dat het kinderzitje Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen dat in een daarvoor bestemde ruimte onder het stuurwiel is geplaatst, ter hoogte voor bestemde ruimte in het dashboard eventueel in aanraking komt met het geplaatst. dashboard. Ook als het niet wettelijk verplicht is, raden wij u aan, voor van de knieën van de bestuurder, voor extra beveiliging van de bestuurder bij een een optimale bescherming van de volwassenen, de airbag onmiddellijk frontale aanrijding. weer in te schakelen zodra er geen kinderen meer vervoerd worden. 120

122 FRONTAIRBAG EN SIDEBAG (indien aanwezig) AAN PASSAGIERSZIJDE UITSCHAKELEN Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, moeten de frontairbag en de sidebag aan passagierszijde worden uitgeschakeld. Raadpleeg voor het handmatig uitschakelen van de frontairbag en de sidebag (indien aanwezig) aan passagierszijde, de paragrafen Multifunctioneel display en Instelbaar multifunctioneel display in het hoofdstuk Dashboard en bediening. Er zijn twee mogelijkheden: r frontairbag en zij-airbag (sidebag) aan passagierszijde ingeschakeld: lampje F op het instrumentenpaneel is gedoofd; het is absoluut verboden kinderen op de passagiersstoel voor te vervoeren. r frontairbag en zij-airbag (sidebag) aan passagierszijde uitgeschakeld: lampje F op het instrumentenpaneel brandt; het is mogelijk kinderen op de passagiersstoel voor te vervoeren, waarbij ze beschermd moeten worden door passende universele systemen. Het waarschuwingslampje F op het dashboard blijft continu branden totdat de frontairbag en de zij-airbag (sidebag) aan passagierszijde opnieuw worden ingeschakeld. 121

123 ZIJ-AIRBAGS De auto is uitgerust met zij-airbags voor (sidebags voor) (indien aanwezig), headbags voor de inzittenden voor en achter (windowbags) (indien aanwezig) en zij-airbags achter (sidebags achter) (indien aanwezig). De zij-airbags (indien aanwezig) beschermen de inzittenden bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en de interieurdelen aan de zijkant van de auto. Als de zij-airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (frontaal, van achter, over de kop slaan enz.), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert. Bij een zijdelingse aanrijding zorgt de centrale regeleenheid ervoor, indien nodig, dat het kussen opblaast. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden wordt opgevangen en de kans op letsel wordt beperkt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg. De zij-airbags (indien aanwezig) zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten). fig. 17 F0L0125m ZIJ-AIRBAGS VOOR EN ACHTER (sidebags) (indien aanwezig) fig. 17 Deze sidebags zijn kussens die snel opgeblazen worden en die zich bevinden in de rugleuning van de stoelen. Ze hebben tot doel de borstkast van de inzittenden te beschermen bij een middelzware en zware zijdelingse aanrijding. fig. 18 F0L0069m HEADBAGS (windowbags) (indien aanwezig) fig. 18 De headbag is een gordijn -systeem, dat zich aan de zijkant in de hemelbekleding bevindt en dat is afgedekt met een afwerklijst. De headbags bieden bescherming aan het hoofd van de inzittenden voor en achter tijdens een zijdelingse botsing, dankzij het grote effectieve oppervlak van de kussens. BELANGRIJK De inzittende wordt bij een zijdelingse botsing optimaal door het systeem beschermd als hij/zij in de juiste positie in de stoel zit. Hierdoor kunnen de zijairbags op de juiste wijze worden opgeblazen. 122

124 Haak geen harde voorwerpen aan de kledinghaakjes en aan de steunhandgrepen. Bedek de rugleuning van de voorstoelen niet met hoezen of kleden die niet zijn voorbereid op het gebruik met sidebags. Steun niet met het hoofd, de armen of de ellebogen tegen het portier, de ruiten of in het gebied van de headbag om verwondingen tijdens het opblazen te voorkomen. raam. Steek nooit het hoofd, de armen of ellebogen uit het ZIJ-AIRBAGS ACHTER UITSCHAKELEN (sidebags achter) (indien aanwezig) Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de achterbank te vervoeren, moeten de zij-airbags achter (sidebags achter) (indien aanwezig) worden uitgeschakeld. Er zijn twee mogelijkheden: r zij-airbags achter ingeschakeld: lampje À op het instrumentenpaneel is gedoofd; het is absoluut verboden kinderen op de zitplaatsen achter te vervoeren; r zij-airbags achter uitgeschakeld: lampje À op het instrumentenpaneel brandt; het is mogelijk kinderen op de zitplaatsen achter te vervoeren, waarbij ze beschermd moeten worden door passende universele systemen. Het lampje À op het instrumentenpaneel blijft continu branden, totdat de zij-airbags achter (sidebags achter) weer worden ingeschakeld. Raadpleeg voor het uitschakelen van de zij-airbags achter (sidebags achter) (indien aanwezig), de paragrafen Multifunctioneel display en Instelbaar multifunctioneel display in het hoofdstuk Dashboard en bediening. 123

125 ALGEMENE OPMERKINGEN 1) De frontairbags en/of zij-airbags voor (indien aanwezig) kunnen ook worden geactiveerd bij krachtige stoten aan de onderzijde van de carrosserie, bijvoorbeeld bij zware botsingen tegen drempels of stoepranden of obstakels op het wegdek of als de auto terecht komt in grote gaten of verzakkingen in het wegdek. 2) Als de airbag in werking treedt, ontsnapt een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand; bovendien kan het oppervlak van het opgeblazen kussen en het interieur van de auto bedekt zijn met een laagje poeder: dit poeder kan de huid en de ogen irriteren. Als u hiermee in aanraking bent gekomen, moet u zich met neutrale zeep en water wassen. 3) Na een ongeval waarbij een of meerdere veiligheidssystemen zijn geactiveerd, dient u contact op te nemen met de Fiatdealer om de geactiveerde systemen te laten vervangen en de werking van het systeem te laten controleren. Alle controlewerkzaamheden, reparaties en de vervanging van de airbag moeten door de Fiat-dealer worden uitgevoerd. Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met de Fiat-dealer om het systeem buiten werking te laten stellen, bovendien moet bij verkoop van de auto de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen. 4) Het in werking treden van de gordelspanners, de frontairbags en de zij-airbags voor wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als een van deze onderdelen niet in werking treedt, dan duidt dat niet op een storing in het systeem. 124

126 Als het lampje niet gaat branden als u de contactsleutel in stand ON draait of blijft branden tijdens het rijden (op enkele uitvoeringen verschijnt ook een bericht op het display), dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer om het systeem direct te laten controleren. De geldigheidsduur van de pyrotechnische lading en die van het spiraalmechanisme zijn vermeld op het betreffende plaatje in het onderste dashboardkastje. Laat ze voor het verstrijken van deze termijn door de Fiat-dealer vervangen. Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en houd vooral geen pijp, potlood enz in de mond. Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, het airbagsysteem door een Fiat-dealer controleren. 125

127 Als de contactsleutel in stand ON staat, kunnen, ook bij uitgezette motor, de airbags inschakelen als de auto stilstaat en de auto frontaal wordt aangereden door een andere auto. Daarom mogen, ook als de auto stilstaat, absoluut geen kinderen op de passagiersstoel voor worden geplaatst. Als de contactsleutel echter is uitgenomen of in stand OFF staat, wordt bij een ongeval geen enkel beveiligingssysteem (airbag of gordelspanners) geactiveerd; als een systeem niet in werking treedt, betekent dit niet dat het systeem niet goed werkt. Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje F (met ingeschakelde frontairbag en zij-airbag aan passagierszijde) branden en vervolgens enige seconden knipperen, om aan te geven dat de airbags aan passagierszijde bij een ongeval worden geactiveerd. Daarna moet het lampje doven. Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje À (met ingeschakelde zij-airbags achter (sidebags achter) branden en vervolgens enige seconden knipperen, om aan te geven dat de zij-airbags achter bij een ongeval worden geactiveerd. Daarna moet het lampje doven. De airbag treedt in werking als de botsing zwaarder is dan een botsing waarbij alleen de gordelspanners worden geactiveerd. Bij aanrijdingen die tussen die twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking. De airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Omdat de frontairbags niet worden geactiveerd bij frontale botsingen bij lage snelheid, bij zijdelingse aanrijdingen en als de auto van achter wordt aangereden of over de kop slaat, worden in deze gevallen de inzittenden uitsluitend door de veiligheidsgordels beschermd. De gordels moeten dus altijd gedragen worden. 126

128 MOTOR PARKEREN HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK ELEKTRONISCH GEREGELDE AUTOMAAT BRANDSTOFBESPARING TREKKEN VAN AANHANGERS WINTERBANDEN SNEEUWKETTINGEN AUTO LANGERE TIJD STALLEN

129 De auto is uitgerust met een elektronische startblokkering: zie bij startproblemen de paragraaf Fiat CODE in het hoofdstuk Dashboard en bediening. Direct na het starten van de motor, vooral als de auto langere tijd niet is gebruikt, kan de motor iets meer geluid produceren. Dit geluid, dat niet schadelijk is voor de werking van de motor, wordt veroorzaakt door de hydraulische klepstoters: het distributiesysteem op de benzinemotor van de auto, dat bijdraagt aan een vermindering van de onderhoudswerkzaamheden. MOTOR BENZINEMOTOR Ga als volgt te werk: trek de handrem aan; zet de versnellingspook in de vrijstand (bij automatische versnellingsbak in stand P of N); trap het koppelingspedaal geheel in (of het rempedaal met automatische versnellingsbak), zonder het gaspedaal in te trappen; draai de contactsleutel in stand START en laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand OFF voordat u opnieuw start. BELANGRIJK Bij een snelle starthandeling (sleutel in het slot steken en in stand ON draaien), kan eventueel een lichte weerstand worden gevoeld die veroorzaakt wordt door de herkenningsprocedure van de elektronische sleutel door het startmechanisme. Het verdient aanbeveling om gedurende de eerste kilometers niet de maximale prestaties van uw auto te eisen (bijv. snel accelereren, langdurig rijden met hoge toerentallen, krachtig remmen enz.). Laat de contactsleutel niet in het contactslot zitten als de motor stilstaat, zodat de accu niet onnodig wordt ontladen. Het is zeer gevaarlijk om de motor in afgesloten ruimten te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige gassen. 128

130 fig. 1 F0L0206m BELANGRIJK Als u de sleutel in het contactslot steekt en op het multifunctionele display verschijnt de melding dat de sleutel niet is herkend, neem dan de sleutel uit het slot en steek hem vervolgens weer in het slot; als het probleem blijft bestaan, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutel. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Als u de sleutel in het contactslot steekt en u deze niet in stand ON kan draaien, steek dan de noodsleutel in de daarvoor bestemde opening A-fig. 1 om het start-/contactslot te ontgrendelen; draai vervolgens de sleutel in stand ON en vervolg de startprocedure. Wendt u tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Laat de contactsleutel niet in het contactslot zitten als de motor is uitgezet. In dat geval klinkt er bij het openen van het bestuurdersportier ongeveer 1 seconde een akoestisch signaal. MULTIJET-MOTOR Ga als volgt te werk: trek de handrem aan; zet de versnellingspook in de vrijstand (bij automatische versnellingsbak in stand P of N); draai de contactsleutel in stand ON: op het instrumentenpaneel gaan de controlelampjes m en Y branden; wacht tot de lampjes m en Y gedoofd zijn. Hoe warmer de motor, hoe sneller het lampje dooft; trap het koppelingspedaal geheel in (of het rempedaal met automatische versnellingsbak), zonder het gaspedaal in te trappen; draai de contactsleutel in stand START direct nadat het lampje m gedoofd is. Als u te lang wacht, zijn de voorgloeibougies weer afgekoeld. Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen. BELANGRIJK Bij een koude motor mag het gaspedaal niet worden ingetrapt als u de contactsleutel in stand START draait. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand OFF voordat u opnieuw start. BELANGRIJK Bij een snelle starthandeling (sleutel in het slot steken en in stand ON draaien), kan eventueel een lichte weerstand worden gevoeld die veroorzaakt wordt door de herkenningsprocedure van de elektronische sleutel door het startmechanisme. BELANGRIJK Als u de sleutel in het contactslot steekt en op het multifunctionele display verschijnt de melding dat de sleutel niet is herkend, neem dan de sleutel uit het slot en steek hem vervolgens weer in het slot; als het probleem blijft bestaan, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutel. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot de Fiat-dealer. 129

131 BELANGRIJK Als u de sleutel in het contactslot steekt en u deze niet in stand ON kan draaien, steek dan de noodsleutel in de daarvoor bestemde opening A-fig. 1 om het start-/contactslot te ontgrendelen; draai vervolgens de sleutel in stand ON en vervolg de startprocedure. Wendt u tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Laat de contactsleutel niet in het contactslot zitten als de motor is uitgezet. In dat geval klinkt er bij het openen van het bestuurdersportier ongeveer 1 seconde een akoestisch signaal. MOTOR OPWARMEN NA HET (benzine en diesel) Ga als volgt te werk: rijd rustig weg, laat de motor niet met hoge toerentallen draaien en trap het gaspedaal niet bruusk in; verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties. Wij raden u aan te wachten tot de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter begint te bewegen. Probeer auto s nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen. Gasgeven voordat u de motor uitzet heeft geen enkel nut, verspilt brandstof en is, vooral voor motoren met turbocompressor, schadelijk. Houd er rekening mee dat de rem- en de stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. MOTOR UITZETTEN Draai de contactsleutel in stand OFF terwijl de motor stationair draait. BELANGRIJK Het is beter om de motor na een zware rit even op adem te laten komen. Zet de motor niet onmiddellijk uit, maar laat hem even stationair draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motorruimte dalen. BELANGRIJK Als de motor wordt afgezet als de auto nog in beweging is, kan om veiligheidsredenen de sleutel niet uit het contactslot worden genomen. Om de sleutel uit het slot te nemen, moet u de sleutel bij stilstaande auto in stand ON draaien en vervolgens in stand OFF zonder bij het uitnemen het slot te forceren. 130

132 BELANGRIJK Als u na het uitzetten van de motor bij stilstaande auto er niet in slaagt de sleutel uit het slot te trekken, probeer de sleutel dan in ON en vervolgens in OFF te draaien. Als het probleem blijft bestaan, moet u het slot niet forceren. Steek de noodsleutel in de daarvoor bestemde opening A-fig. 2 op het startcontactslot; nu kunt u de sleutel in stand OFF draaien en uitnemen. Wendt u tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Als de contactsleutel in stand OFF wordt gezet, worden de elektronische veiligheidssystemen en de buitenverlichting uitgeschakeld. PARKEREN Ga als volgt te werk: zet de motor uit en trek de handrem aan; schakel een versnelling in (de 1 e als de weg omhoog loopt of de achteruit als de weg omlaag loopt; stand P met automatische versnellingsbak) en zet de voorwielen iets uitgestuurd. Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met stenen of wiggen. Laat de contactsleutel nooit in het contactslot zitten omdat hierdoor de accu ontlaadt. Neem bovendien de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat. Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. Neem de sleutels altijd uit het contactslot als u de auto verlaat en neem de sleutels mee. fig. 2 F0L0207m fig. 3 F0L0373m HANDREM fig. 3 De handrem bevindt zich tussen de voorstoelen. Om de handrem in te schakelen, moet u de hendel omhoog trekken zodat de auto blokkeert. Op een vlakke ondergrond hoort de auto geblokkeerd te zijn als de handrem vier of vijf tanden is aangetrokken. Op sterke hellingen en bij een beladen auto moet de handrem negen of tien tanden worden aangetrokken. BELANGRIJK Als dit niet het geval is, laat dan de Fiat-dealer de handrem afstellen. Als de handrem is aangetrokken en de contactsleutel in stand ON staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje x branden. 131

133 Handrem uitschakelen: trek de hendel iets omhoog en druk op de ontgrendelknop A; houd de knop A ingedrukt en laat de hendel zakken. Het lampje x op het instrumentenpaneel dooft. Om onverwachte bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden ingetrapt. HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Om de versnellingen in te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen en vervolgens de versnellingspook in de gewenste stand plaatsen (het schakelschema staat op de knop van de pook). BELANGRIJK De achteruit kan alleen bij een stilstaande auto worden ingeschakeld. Wacht bij een draaiende motor en een geheel ingetrapt koppelingspedaal minstens 2 seconden, voordat u de achteruit inschakelt. Hiermee wordt voorkomen dat de tandwielen beschadigen. Ga als volgt te werk om de achteruit (R) vanuit de vrijstand in te schakelen: fig. 4 F0L0146m fig. 5 F0L0200m Benzine-uitvoeringen fig. 4 plaats de pook naar rechts en vervolgens naar achteren; Multijet-uitvoeringen fig. 5 trek de schuifring A onder de knop omhoog en verplaats de pook helemaal naar links en vervolgens naar voren. 132

134 Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen: let erop dat de vloermatten niet zijn dubbelgevouwen, waardoor de slag van de pedalen kan worden beperkt. Laat uw hand tijdens het rijden niet op de pookknop rusten omdat door de uitgeoefende druk, ook als deze licht is, de interne onderdelen van de versnellingsbak na verloop van tijd kunnen slijten. ELEKTRONISCH GEREGELDE AUTOMAAT De auto kan zijn uitgerust met een elektronisch geregelde automaat met 5 versnellingen (benzine-uitvoeringen) of 6 versnellingen (Multijet-uitvoeringen), waarbij automatisch geschakeld wordt op basis van de gebruiksparameters van de auto (snelheid van de auto en gaspedaalstand). U kunt altijd handmatig schakelen, als u de selectorhendel op sequentieel schakelen zet. BELANGRIJK Lees alle informatie op deze en de volgende pagina s zorgvuldig door zodat u de elektronisch geregelde automaat op de juiste wijze gebruikt. Hierdoor bent u vanaf het begin op de hoogte van de juiste handelingen en in staat om deze uit te voeren. fig. 6 F0L0315m SELECTORHENDEL fig. 6 P Parkeren R Achteruit N Vrijstand D Drive (vooruit rijden met automatisch overschakelen) + Sequentieel opschakelen Sequentieel terugschakelen 133

135 DISPLAY Op het display kan het volgende worden weergegeven: bij automatische werking, de ingeschakelde versnelling (P, R, N, D) en het opschrift AUTO; bij sequentieel op- of terugschakelen, het nummer van de handmatig ingeschakelde versnelling. STANDEN VAN DE HENDEL Achteruit (R) Met de hendel in stand R kan de motor niet worden gestart. Vrijstand (N) Komt overeen met de vrijstand van een normale handgeschakelde versnellingsbak. Met de hendel in N kan de motor worden gestart. Schakel de vrijstand N in als u langdurig stilstaat. Om de hendel vanuit N te verplaatsen, moet u de voet van het gaspedaal halen en de motor met stationair toerental draaien. De verplaatsing N D is vrij terwijl voor de verplaatsing N R of P de knop op de selectorhendel moet worden ingedrukt. Parkeren (P) In stand P worden de aangedreven wielen mechanisch geblokkeerd. Schakel deze stand alleen in als de auto stilstaat en trek eventueel ook de handrem aan. Drive, vooruit rijden met automatisch overschakelen (D) Stand D kan worden gebruikt in de stad en op buitenwegen/snelwegen. De verplaatsingen vanuit P naar D (P D), vanuit N naar D (N D) en vanuit R naar D (R D) mogen uitsluitend bij een stilstaande auto en stationair toerental worden uitgevoerd. Als u vanuit stand P een andere stand van de selectorhendel wilt inschakelen, met de contactsleutel in stand ON, moet u het rempedaal intrappen en de knop van de selectorhendel bedienen. Schakel de achteruit alleen in als de auto stilstaat, de motor stationair draait en het gaspedaal volledig is losgelaten. De verplaatsing R N of D is vrij terwijl voor de verplaatsing R P de knop op de selectorhendel moet worden ingedrukt. 134

136 Ga als volgt te werk: Zet de selectorhendel in stand N en trap het rempedaal in. Start de motor opnieuw door de sleutel in START te draaien en zet de selectorhendel in stand D. Het is zeer gevaarlijk om de motor in afgesloten ruimten te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert koolmonoxide, een zeer giftig en dodelijk gas. WEGRIJDEN MET DE AUTO Ga voor het wegrijden als volgt te werk: trap vanuit stand P het rempedaal in; druk de knop van de hendel in en verplaats de selectorhendel in de gewenste stand (D of R); geef geleidelijk gas; de auto gaat nu rijden en de versnellingsbak schakelt automatisch de juiste versnelling in. BELANGRIJK: Let goed op als de handrem en het rempedaal zijn losgelaten, de motor stationair draait en de selectorhendel in stand D of R of op sequentieel schakelen staat, omdat de auto in beweging kan komen zonder dat het gaspedaal wordt ingetrapt. Deze stand kan worden gebruikt als de auto op een vlakke ondergrond staat met weinig ruimte om te parkeren. Maak hierbij alleen gebruik van het rempedaal. Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. De verplaatsing van de hendel vanuit stand P, met de contactsleutel in stand ON, is alleen mogelijk bij ingetrapt rempedaal. MOTOR Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken en de selectorhendel in P of N staat: het starten is alleen mogelijk als de hendel in een van deze standen staat. Trap in stand P het rempedaal in en draai de contactsleutel in START zonder het gaspedaal in te trappen. Trap in stand N het rempedaal in en draai de contactsleutel in START zonder het gaspedaal in te trappen. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand OFF voordat u opnieuw start. BELANGRIJK Laat de contactsleutel niet in stand ON staan als de motor is uitgezet, om te voorkomen dat de accu ontlaadt. LET OP: als de auto rijdt met de hendel in stand D of sequentieel wordt geschakeld en u de sleutel per ongeluk in stand OFF draait, slaat de motor af en is er geen aandrijving meer. 135

137 SEQUENTIEEL SCHAKELEN Bij sequentieel schakelen werkt de versnellingsbak als een versnellingsbak met vaste overbrengingsverhoudingen die sequentieel bediend wordt. Plaats de hendel vanuit stand D opzij (naar links): plaats de hendel in stand +: opschakelen; plaats de hendel in stand : terugschakelen. Het nummer van iedere versnelling wordt op het display van het instrumentenpaneel weergegeven en iedere mogelijke fout wordt uitgesloten door de voortdurende controle door de regeleenheid van de versnellingsbak. Het inschakelen van een lagere of hogere versnelling is alleen mogelijk als het motortoerental dit toestaat. Ook bij sequentiële bediening wordt automatisch op- of teruggeschakeld door de elektronische regeleenheid als het motortoerental hoger of lager is dan de toegestane limiet. Als de auto wordt stilgezet met de versnellingsbak in een hogere versnelling dan de 1e, dan wordt automatisch de 1e versnelling ingeschakeld. Als gestopt wordt in omstandigheden waarbij de grip op het wegdek beperkt is (sneeuw, ijs), kan door de elektronische regeling van de automaat de auto weer wegrijden in een versnelling die hoger is dan de 1e om het doorslippen van de wielen te voorkomen. Dit is geen storing. LET OP: om de levensduur van de versnellingsbak te behouden, wordt bij een zeer hoge olietemperatuur (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ), het sequentieel schakelen geblokkeerd en de automatische werking ingeschakeld. Sequentieel schakelen is weer mogelijk als de normale bedrijfstemperaturen zijn bereikt. AUTOMATISCHE WERKING Bij sequentiële bediening kan stand D onder alle rijomstandigheden worden gekozen. Bij het sequentieel schakelen naar D, kiest de regeleenheid van de versnellingsbak de optimale overbrengingsverhouding op basis van de snelheid en de motorbelasting (gaspedaalstand). Als er weinig vermogen van de motor wordt verlangd, kiest het systeem lange overbrengingsverhoudingen, waardoor het brandstofverbruik beperkt blijft. Als er meer motorvermogen wordt gevraagd, dan worden automatisch kortere overbrengingsverhoudingen gekozen, waardoor de prestaties optimaal zullen zijn (souplesse en acceleratie): in dit geval is het verbruik hoger. Als u snel wilt optrekken: trap het gaspedaal in tot voorbij het zware punt in de slag (kick-down), waardoor de prestaties optimaal zullen zijn (souplesse en acceleratie). Het verbruik neemt echter toe. BELANGRIJK Voorkom bij het rijden op wegen met weinig grip (sneeuw, ijs enz.) het inschakelen van de kick-down. 136

138 STORINGSMELDINGEN Bij een storing in de elektronisch geregelde automaat gaat het lampje t op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een bericht op het multifunctionele display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiatdealer om de storing te laten verhelpen. AUTO STILZETTEN Auto stilzetten: laat het gaspedaal los; trap het rempedaal in. BELANGRIJK Houd op een hellend wegdek met stationair draaiende motor, de auto op zijn plaats door uitsluitend het rempedaal ingetrapt te houden; trap het gaspedaal niet in. Als de auto stilstaat met draaiende motor en de selectorhendel in stand D of R staat of op sequentieel schakelen, dan moet het rempedaal ingetrapt worden gehouden om te voorkomen dat de auto in beweging komt. Als u langere tijd stilstaat, zet dan de selectorhendel in stand P. PARKEREN Trek de handrem aan, zet de selectorhendel in stand P en zet de wielen iets uitgestuurd. Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met stenen of wiggen. Laat de contactsleutel niet in stand ON staan als de motor is uitgezet, om te voorkomen dat de accu ontlaadt. Neem de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat. Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. AKOESTISCHE WAARSCHUWINGSSIGNALEN Als de contactsleutel in stand OFF staat en de selectorhendel niet in P, dan klinkt er ter waarschuwing een geluidssignaal en knippert stand P enige seconden. De contactsleutel kan alleen in stand P worden uitgenomen. SLEPEN VAN DE AUTO BELANGRIJK Houdt u bij het slepen van de auto aan de wettelijke voorschriften. Bij het slepen moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen: vervoer de auto, indien mogelijk, op de laadvloer van een bergingsauto; als er geen bergingsauto beschikbaar is, moet de auto met de aangedreven wielen (voorwielen) los van de grond gesleept worden. De auto mag uitsluitend worden gesleept als de selectorhendel in stand N staat. Start de motor niet tijdens het slepen van de auto. Als de bovenstaande voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, kan ernstige schade aan de automatische versnellingsbak worden toegebracht. Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. 137

139 BRANDSTOFBESPARING Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor het brandstofverbruik zo laag mogelijk blijft en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt wordt. ALGEMENE OPMERKINGEN Onderhoud van de auto Zorg voor een goed onderhoud van de auto door de controles en registraties die in het Onderhoudsschema staan vermeld, te laten uitvoeren. Banden Controleer regelmatig, ten minste een keer per maand, de spanning van de banden: als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe. Overbodige bagage Rijd niet met een overbeladen bagageruimte. Het gewicht van de auto (vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning hebben grote invloed op het brandstofverbruik en de stabiliteit. Imperiaal/skidrager Verwijder de imperiaal of skidrager als u deze niet meer gebruikt. Ze verminderen de aerodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger. Stroomverbruikers Gebruik de elektrische installaties alleen als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, extra koplampen, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer). Airconditioning De airconditioning gebruikt zeer veel energie, waardoor het brandstofverbruik sterk toeneemt (tot gemiddeld 20%): gebruik wanneer de buitentemperatuur het toelaat, bij voorkeur de functies van het ventilatiesysteem. Aerodynamische accessoires Het gebruik van niet goedgekeurde aerodynamische accessoires kan de aerodynamica negatief beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen. RIJSTIJL Starten Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een hoog toerental: onder deze omstandigheden warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken: op deze manier warmt de motor sneller op. Overbodige handelingen Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas, geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Keuze van de versnellingen Gebruik als het verkeer en de weg het toelaten de hoogste versnelling. Het inschakelen van een lage versnelling voor een snelle acceleratie verhoogt het brandstofverbruik. Bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling neemt het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toe. Bovendien slijt de motor hierdoor sneller. 138

140 Maximum snelheid Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Acceleratie Met vol gas optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen: het is beter geleidelijk op te trekken en het toerental waarbij het maximum koppel wordt geleverd, niet te overschrijden. GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN Koude start Bij korte ritten en regelmatig koud starten bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% in stadsverkeer), maar ook de uitstoot van uitlaatgassen. Verkeerssituatie en conditie van het wegdek Op een drukke weg bijvoorbeeld bij filerijden, waarbij overwegend lage versnellingen worden gebruikt, of in de stad waar zich veel verkeerslichten bevinden, zal het brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn. Bochtige trajecten, bergwegen en een slecht wegdek verhogen eveneens het brandstofverbruik. Stilstaan in het verkeer Als u langere tijd stilstaat (bijv. spoorwegovergangen), is het raadzaam de motor uit te zetten. TREKKEN VAN AANHANGERS BELANGRIJKE AANWIJZINGEN Voor het trekken van aanhangwagens of caravans moet de auto uitgerust zijn met een trekhaak van een goedgekeurd type en een adequate elektrische installatie. De montage van de trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Ook moet documentatie worden overhandigd m.b.t. het rijden met een aanhanger. Monteer zo nodig speciale en/of extra achteruitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geldende verkeerswetgeving. Let er op dat het maximum klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger of caravan wordt beperkt. Ook de remweg wordt langer en u hebt langer de tijd nodig om in te halen. Schakel een lage versnelling in tijdens het afdalen om te voorkomen dat u constant moet remmen. Het gewicht van de aanhanger dat op de trekhaak rust, moet worden afgetrokken van het laadvermogen van de auto. Om er zeker van te zijn dat u het maximum toelaatbaar aanhangergewicht niet overschrijdt, moet u er rekening mee houden dat het maximum betrekking heeft op het totale gewicht van de aanhangwagen of caravan, inclusief accessoires en bagage. 139

141 Houdt u aan de snelheidsbeperkingen die voor auto s met aanhanger gelden. U mag in geen geval harder rijden dan 100 km/h. Wij raden het gebruik aan van een geschikte stabilisator op de trekhaak van de aanhanger. TREKHAAK MONTEREN De trekhaak moet door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie worden bevestigd waarbij de richtlijnen die hierna zijn opgenomen, moeten worden aangehouden. Deze richtlijnen worden eventueel aangevuld door extra informatie van de fabrikant van de trekhaak. De te installeren trekhaak moet voldoen aan de huidige ECE-normen 94/20 en daarop volgende wijzigingen. Voor iedere uitvoering moet een trekhaak worden gebruikt die geschikt is voor het maximale aanhangergewicht van de auto waarop de trekhaak wordt bevestigd. Voor de elektrische aansluiting moet een gestandaardiseerde stekkerverbinding worden gebruikt die kan worden bevestigd op de daarvoor bestemde steun op de trekhaak. Bovendien moet op de auto een regeleenheid voor de buitenverlichting van de aanhanger worden geïnstalleerd. Voor de elektrische aansluiting moet een 7- of 13-polige 12VDC stekkerverbinding (CUNA/UNI- en ISO/DIN-normen) worden gebruikt, waarbij eventuele aanwijzingen van de fabrikant van de auto en/of van fabrikant van de trekhaak moeten worden opgevolgd. Een eventueel elektrisch geregelde rem of een ander systeem (lier enz.) moet rechtstreeks op de accu worden aangesloten met een kabel met een diameter van minimaal 2,5 mm 2. BELANGRIJK De elektrisch geregelde rem of lier kan alleen gebruikt worden als de motor is ingeschakeld. Naast de op het schema aangegeven aansluitingen, is slechts een aansluiting voor een eventuele elektrisch geregelde rem toegestaan en een voor een 15W-gloeilamp voor de binnenverlichting van de caravan. Gebruik voor de aansluitingen de aparte module met een kabel vanaf de accu met een diameter van ten minste 2,5 mm 2. Het ABS waarmee de auto kan zijn uitgerust, werkt niet op het remsysteem van de aanhanger. Wees daarom extra voorzichtig op gladde wegen. Voer in geen geval modificaties aan het remsysteem van de auto uit. Het remsysteem van de aanhanger moet geheel onafhankelijk van het hydraulisch remsysteem van de auto worden bediend. 140

142 MONTAGESCHEMA fig. 7 De trekhaak moet bevestigd worden met in totaal 4 M10-bouten (A). De bovenste verstevigingsplaten links B en rechts C moeten een minimale dikte hebben van 6 mm. De onderste verstevigingsplaten links E en rechts F moeten een minimale dikte hebben van 8 mm. De trekhaak moet op de carrosserie gemonteerd worden zonder gaten in of vervormingen van de achterbumper die zichtbaar zijn bij gedemonteerde trekhaak. BELANGRIJK Het is verplicht om op dezelfde hoogte als de trekkogel een (goed zichtbaar) plaatje van voldoende afmetingen en kwaliteit aan te brengen met de volgende tekst: MAX. GEWICHT OP KOPPELING 70 kg Na de montage van de trekhaak moeten de boutgaten worden afgedicht om te voorkomen dat uitlaatgassen in het interieur kunnen dringen. fig. 7 F0L0236m 141

143 WINTERBANDEN Gebruik winterbanden die dezelfde maat hebben als de standaard geleverde banden. De Fiat-dealer kan u adviseren welke band het meest geschikt is voor het doel waarvoor u hem wilt gebruiken. Houdt u voor de bandenmaat, de bandenspanning en de winterbanden exact aan de aanwijzingen die staan aangegeven in de paragraaf Wielen in het hoofdstuk Technische gegevens. De specifieke eigenschappen van winterbanden verminderen aanzienlijk als de profieldiepte minder is dan 4 mm. In dat geval is het veiliger ze te vervangen. Door de specifieke eigenschappen van winterbanden zijn de prestaties onder niet-winterse omstandigheden of wanneer er lange afstanden op de snelweg worden gereden, minder dan die van de standaard gemonteerde banden. Beperk het gebruik van winterbanden tot die omstandigheden waarvoor ze zijn goedgekeurd. BELANGRIJK Als u winterbanden gebruikt waarvan de maximum toegestane snelheid lager is dan de topsnelheid van de auto (met een marge van 5%), dan dient u in het interieur van de auto een voor de bestuurder duidelijk zichtbaar waarschuwingsplaatje te plaatsen met de maximum toegestane snelheid wanneer met die winterbanden wordt gereden (overeenkomstig de EU-normen). Monteer op alle vier de wielen dezelfde banden (zelfde merk en profieldiepte) voor meer veiligheid tijdens het rijden en remmen en voor een betere bestuurbaarheid. Keer de draairichting van de banden niet om. Bij winterbanden met de indicatie Q geldt een maximum snelheid van 160 km/h; bij winterbanden met de indicatie T geldt een maximum snelheid van 190 km/h; bij winterbanden met de indicatie H geldt een maximum snelheid van 210 km/h. Deze maximum snelheden zijn in overeenstemming met de huidige wetgeving. 142

144 SNEEUWKETTINGEN Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden. De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen). Wij raden u het gebruik aan van sneeuwkettingen uit het Fiat Lineaccessori-programma. Controleer na enkele tientallen meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn. BELANGRIJK Op het noodreservewiel kan geen sneeuwketting worden gemonteerd. Als u een lekke voorband hebt, kunt u het noodreservewiel op de achteras plaatsen en het achterwiel op de vooras. Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop u sneeuwkettingen kunt monteren. BELANGRIJK Het gebruik van sneeuwkettingen is bedoeld als tijdelijke oplossing. Als u voortdurend op besneeuwde of met ijzel bedekte wegen rijdt, moet u winterbanden gebruiken. BELANGRIJK Geef bij gemonteerde sneeuwkettingen voorzichtig gas om het doorslippen van de aangedreven wielen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierdoor wordt het breken van de kettingen voorkomen en daarmee beschadiging van de carrosserie en de mechanische onderdelen. Uitvoeringen Banden Type sneeuwketting voor kettingen dat gebruikt moet worden /55 R16 91V 1.9 Multijet 215/55 R16 93W 2.4 Multijet 215/50 R17 91W Sneeuwkettingen waarvan de dikte boven het profiel maximaal 9 mm is. De banden waarop sneeuwkettingen gemonteerd kunnen worden en het type sneeuwketting staan aangegeven in de bovenstaande tabel; houdt u strikt aan deze tabel. Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt; rijd niet harder dan 40 km/h. Vermijd kuilen, stoepranden en andere obstakels en rijd, om de auto en het wegdek niet te beschadigen, geen lange stukken op sneeuwvrije wegen. 143

145 AUTO LANGERE TIJD STALLEN Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt: zet de auto in een overdekte, droge en goed geventileerde ruimte; schakel een versnelling in (stand P met automatische versnellingsbak); zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken; maak de klem van de minpool van de accu los; als de auto is uitgerust met een optische meter, controleer dan de acculading. Gedurende het stallen moet deze controle iedere drie maanden worden herhaald. Laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder een groen middenstuk; maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was; reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen; smeer de wisserrubbers van de ruitenwissers en achterruitwisser in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan; zet de ruiten een klein stukje open; dek de auto af met een stoffen of een ademende kunststof hoes. Gebruik geen dichte plastic hoes, omdat het in en op de auto aanwezige vocht dan niet kan verdampen; breng de bandenspanning 0,5 bar boven de normaal voorgeschreven spanning en controleer deze regelmatig; als u de accukabels niet loskoppelt en de auto is uitgerust met een optische meter, controleer de acculading dan iedere maand; laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder groen middenstuk; tap het koelsysteem van de motor niet af. BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met een diefstalalarm, schakel dan het alarm uit met de afstandsbediening. 144

146 ALGEMENE OPMERKINGEN TE LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU AANGETROKKEN HANDREM STORING AIRBAGSYSTEEM FRONTAIRBAG EN ZIJ-AIRBAG (SIDEBAG) AAN PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD NIET OMGELEGDE SGORDELS TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN 148 STORING ABS STORING EBD TE LAGE MOTOROLIEDRUK OLIEKWALITEIT ONVOLDOENDE STORING STUURBEKRACHTIGING NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN STORING IN INSPUITSYSTEEM STORING MOTORMANAGEMENTSYSTEEM (EOBD) BRANDSTOFRESERVE VOORGLOEI-INSTALLATIE STORING VOORGLOEI-INSTALLATIE WATER IN BRANDSTOFFILTER STORING ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING FIAT CODE STORING DIEFSTALALARM INBRAAKPOGING ELEKTRONISCHE SLEUTEL NIET HERKEND DEFECTE BUITENVERLICHTING MISTACHTERLICHTEN ALGEMENE STORINGSMELDING STORING ESP STORING HILL HOLDER BUITENVERLICHTING EN DIMLICHTEN FOLLOW ME HOME MISTLAMPEN VOOR RICHTINGAANWIJZER LINKS RICHTINGAANWIJZER RECHTS GROOTLICHT KANS OP GLADHEID BEPERKTE ACTIERADIUS ASR-SYSTEEM STORING AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK MAXIMUM OLIETEMPERATUUR IN AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK OVERSCHRIJDING INGESTELDE SNELHEIDSLIMIET CRUISE-CONTROL (SNELHEIDSREGELAAR) VERSLETEN REMBLOKKEN MINIMUM MOTOROLIEPEIL ZIJ-AIRBAGS ACHTER (SIDEBAGS ACHTER) UITGESCHAKELD MOTOR AFGESLAGEN TIJDENS HET RIJDEN AANWIJZINGEN STARTPROCEDURE (AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK) AANWIJZINGEN STARTPROCEDURE (HANGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK)

147 ALGEMENE OPMERKINGEN Naast het branden van het lampje, verschijnt er bij bepaalde uitvoeringen ook een specifiek bericht en/of klinkt er een akoestisch signaal. Deze meldingen zijn kort en uit voorzorg en moeten als een aanvulling worden gezien en niet als alternatief voor de informatie in dit instructieboekje. Wij raden u daarom aan dit instructieboekje goed door te lezen. Houdt u bij een storing altijd aan de aanwijzingen die in dit hoofdstuk beschreven worden. BELANGRIJK De storingsmeldingen die op het display verschijnen, zijn onderverdeeld in twee categorieën: ernstige storingen en minder ernstige storingen. De ernstige storingen worden cyclisch weergegeven en herhaald totdat de oorzaak van de storing is verholpen. De minder ernstige storingen worden gedurende een kortere tijd cyclisch herhaald. U kunt de weergavecyclus van beide categorieën onderbreken door op de knop MODE te drukken. Het lampje op het instrumentenpaneel blijft branden totdat de storing is verholpen. Zie voor de berichten bij uitvoeringen met Dualogic-versnellingsbak, de informatie in het bijgevoegde supplement. x TE LAAG REMVLOEISTOF- NIVEAU (rood) AANGETROKKEN HANDREM (rood) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Te laag remvloeistofniveau Het lampje gaat branden als het remvloeistofniveau in het reservoir onder het minimum niveau is gedaald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. Als het lampje x tijdens het rijden gaat branden (op enkele uitvoeringen verschijnt ook een melding op het display), stop dan onmiddellijk en wendt u tot de Fiatdealer. Aangetrokken handrem Het lampje gaat branden als de handrem wordt aangetrokken. Als de auto in beweging is, hoort u bij enkele uitvoeringen ook een akoestisch signaal. BELANGRIJK Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de handrem niet is aangetrokken. STORING AIRBAGSYSTEEM (rood) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat constant branden bij een storing in het airbagsysteem. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. 146

148 Als u de contactsleutel in stand ON draait en het lampje gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden (er verschijnt ook een melding op het display), dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer om het systeem direct te laten controleren. Een defect lampje wordt weergegeven doordat het lampje voor de uitgeschakelde frontairbag aan passagierszijde F langer dan de normale 4 seconden knippert. Daarnaast kunnen de airbags aan passagierszijde (frontairbag en zijairbag) automatisch worden uitgeschakeld. In dit geval kan het lampje geen storingen in de airbag-/gordelspannersystemen aangeven. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer om het systeem direct te laten controleren. FRONTAIRBAG EN ZIJ- AIRBAG F (SIDEBAG) AAN PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD (geel) Het lampje F brandt als de frontairbag en zij-airbag (sidebag) (indien aanwezig) aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. Als u bij ingeschakelde airbags de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje F ongeveer 4 seconden branden en vervolgens 4 seconden knipperen. Hierna moet het lampje doven. Een defect lampje F wordt aangegeven door het branden van het lampje. Bovendien kunnen de airbags aan passagierszijde (frontairbag en zij-airbag) automatisch worden uitgeschakeld. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer om het systeem direct te laten controleren. < NIET OMGELEGDE SGORDELS Het lampje op het instrumentenpaneel gaat continu branden als bij stilstaande auto de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde niet goed is omgelegd. Als de auto rijdt en de veiligheidsgordels voor zijn niet goed omgelegd, dan gaat het lampje knipperen en klinkt tegelijkertijd een akoestisch signaal (zoemer). Het akoestische signaal (zoemer) van het SBR-systeem (Seat Belt Reminder) kan permanent worden uitgeschakeld door de Fiat-dealer. Het systeem kan weer worden ingeschakeld via het setup-menu (zie het schema hiernaast). Op het display verschijnt de bijbehorende melding. 147

149 ç TE HOGE KOELVLOEISTOF- TEMPERATUUR (rood) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als de motor te warm is. Als het lampje gaat branden, moeten de volgende maatregelen worden genomen: bij normale rij-omstandigheden: stop de auto, zet de motor uit en controleer of het niveau van de koelvloeistof in het reservoir niet onder het MIN-merkteken staat. Als dit wel het geval is, wacht dan enkele minuten zodat de motor kan afkoelen, open vervolgens langzaam en voorzichtig de dop, vul koelvloeistof bij en controleer of de koelvloeistof tussen het MINen MAX-merkteken op het reservoir staat. Controleer ook of er geen vloeistof weglekt. Als bij het starten van de motor het lampje opnieuw gaat branden, wendt u dan tot de Fiat-dealer; als de auto onder zware bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt (bijvoorbeeld het bergopwaarts trekken van een aanhanger of met volbeladen auto): verlaag de snelheid en breng, als het lampje blijft branden, de auto tot stilstand. Wacht 2 tot 3 minuten met draaiende motor en geef iets gas voor een snellere circulatie van de koelvloeistof. Zet vervolgens de motor uit. Controleer het vloeistofniveau zoals hiervoor beschreven. BELANGRIJK Bij zware bedrijfsomstandigheden is het raadzaam de motor enkele minuten te laten draaien met iets ingetrapt gaspedaal voordat u de motor uitzet. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. w ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN (rood) (indien aanwezig) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart (als de motor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje iets later dooft). Als het lampje blijft branden, wendt u dan onmiddellijk tot de Fiat-dealer. > STORING ABS (geel) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als het systeem defect of niet beschikbaar is. In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig verder en wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. x > STORING EBD (rood) (geel) Als bij een draaiende motor tegelijkertijd de waarschuwingslampjes x en > gaan branden, dan is er een storing in het EBDsysteem of is het systeem niet beschikbaar; in dat geval kunnen bij hard remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd direct zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Fiatdealer om het systeem te laten controleren. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. 148

150 v TE LAGE MOTOROLIEDRUK (rood) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. Als het lampje v tijdens het rijden gaat branden (en op het display verschijnt ook een melding), zet dan onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Fiat-dealer. v OLIEKWALITEIT ONVOLDOENDE (Multijet-uitvoeringen) Het lampje gaat knipperen en er verschijnt een melding op het display als het systeem motorolie van onvoldoende kwaliteit constateert. Na de eerste constatering zal iedere keer bij het starten van de motor het lampje v 60 seconden knipperen en daarna iedere 2 uur totdat de olie wordt ververst. Als het lampje v knippert, wendt u dan onmiddellijk tot de Fiat-dealer voor de verversing van de motorolie en het uitschakelen van het betreffende lampje op het instrumentenpaneel. g STORING STUURBEKRACH- TIGING (indien aanwezig) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het lampje blijft branden, werkt de elektrische stuurbekrachtiging niet meer en is meer kracht nodig voor het draaien van het stuur: wendt u tot de Fiat-dealer. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN (rood) (indien aanwezig) Als een of meerdere portieren, de achterklep of de motorkap niet goed gesloten zijn, gaat het lampje branden (bepaalde uitvoeringen). Op het display verschijnt de bijbehorende melding. Als de auto in beweging is met geopende portieren of achterklep, dan klinkt er een akoestisch signaal. U STORING IN INSPUITSYSTEEM (Multijet-uitvoeringen - rood) STORING MOTORMANAGEMENT- SYSTEEM EOBD (benzine-uitvoeringen - geel) Storing in inspuitsysteem Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, dan duidt dit op een storing in het inspuitsysteem. Dit kan tot gevolg hebben dat de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt. Op enkele uitvoeringen verschijnt de bijbehorende melding op het display. U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Wendt u in dit geval zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Storing motormanagementsysteem EOBD Als u onder normale omstandigheden de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Het lampje moet uitgaan als de motor is gestart. Het lampje gaat eerst branden om de juiste werking ervan 149

151 aan te geven. Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden: continu branden: duidt op een defect in het inspuit-/ontstekingssysteem. Dit kan tot gevolg hebben dat schadelijke uitlaatgasemissie toeneemt, de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt. Op enkele uitvoeringen verschijnt de bijbehorende melding op het display. U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Als lang met een brandend waarschuwingslampje wordt doorgereden, kunnen beschadigingen ontstaan. Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Het lampje dooft als de storing verdwijnt. De storing wordt door het systeem in het geheugen opgeslagen. knipperend: duidt op een mogelijke beschadiging van de katalysator (zie EOBD-systeem in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). Als het lampje knippert, moet het gaspedaal worden losgelaten zodat de motor met lage toerentallen draait en het lampje niet meer knippert; u kunt met matige snelheid doorrijden waarbij rij-omstandigheden moeten worden vermeden die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen van het lampje. Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Als u de contactsleutel in stand ON draait en het lampje U gaat niet branden of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden (bij enkele uitvoeringen verschijnt ook een melding op het display), wendt u dan zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. De werking van het lampje U kan worden gecontroleerd met behulp van speciale apparatuur van de verkeerspolitie. Houdt u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt. ç RESERVEBRANDSTOF (geel) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als er nog ongeveer 5 liter brandstof aanwezig is. BELANGRIJK Als het waarschuwingslampje knippert, dan is er een storing in het systeem. Wendt u in dit geval tot de Fiat-dealer om het systeem te laten controleren. VOORGLOEI -INSTALLATIE m (Multijet-uitvoeringen - geel) STORING VOORGLOEI- INSTALLATIE (Multijet-uitvoeringen - geel) Voorgloeibougies Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Het lampje dooft als de voorgloeibougies de vooraf ingestelde temperatuur hebben bereikt. Start de motor zodra het lampje gedoofd is. BELANGRIJK Bij een hoge buitentemperatuur kan het lampje zeer kort branden. Storing in voorgloei-installatie Het lampje gaat knipperen als er een storing is in de voorgloei-installatie. Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. 150

152 c WATER IN BRANDSTOFFILTER AANWEZIG (Multijetuitvoeringen - geel) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje c gaat branden als er water in het dieselfilter zit. Op enkele uitvoeringen gaat het lampje è branden. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. Water in het brandstofsysteem kan het inspuitsysteem ernstig beschadigen en de motor kan onregelmatig gaan draaien. Als het lampje c gaat branden (bij bepaalde uitvoeringen verschijnt ook een melding op het display), wendt u dan zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer om de condens te laten aftappen. Als het lampje direct na het tanken gaat branden, bestaat de mogelijkheid dat er tijdens het tanken water in de brandstoftank is gekomen: zet in dat geval onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Fiat-dealer. Y STORING ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING - FIAT CODE (geel) (indien aanwezig) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje één keer knipperen en dooft vervolgens. Als het lampje, met de contactsleutel in stand ON, constant gaat branden, dan duidt dit op een mogelijke storing (zie Fiat CODE in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). BELANGRIJK Als de lampjes U en Y tegelijk branden, dan is er een storing in de Fiat CODE. Als bij een draaiende motor het lampje Y knippert, dan wordt de auto niet beveiligd door het systeem (zie de paragraaf Fiat Code in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). Wendt u tot de Fiat-dealer om alle sleutels in het geheugen te laten opslaan. STORING DIEFSTALALARM Y (indien aanwezig) Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (op het display verschijnt ook een melding en er klinkt een akoestisch signaal) als er een storing in het diefstalalarm is. Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Y INBRAAKPOGING (indien aanwezig) Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (op het display verschijnt ook een melding) als er een inbraakpoging is gesignaleerd. ELEKTRONISCHE SLEUTEL NIET Y HERKEND (indien aanwezig) Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (op het display verschijnt ook een melding en er klinkt een akoestisch signaal) als er een verkeerde elektronische sleutel in het start-/contactslot wordt gestoken. 151

153 Als het lampje v gaat branden en er verschijnt een melding op het display, dan kan de regeneratieprocedure niet worden uitgevoerd. Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. W DEFECTE BUITENVERLICHTING (geel) Het lampje gaat branden (bepaalde uitvoeringen) als er een storing is in een van de volgende systemen: buitenverlichting remlichten (behalve derde remlicht) mistachterlichten richtingaanwijzers kentekenplaatverlichting. De storing kan betreffen: doorbranden van een of meer lampen, doorbranden van de bijbehorende zekering of een onderbreking in de elektrische verbinding. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. 4 MISTACHTERLICHTEN (geel) Het lampje gaat branden als de mistachterlichten worden ingeschakeld. è ALGEMENE STORINGSMELDING (geel) Het lampje gaat bij de volgende omstandigheden branden. Storing motoroliedruksensor Het lampje gaat branden bij een storing in de motoroliedruksensor. Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer om de storing te laten verhelpen. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. Verstopt roetfilter (Multijet-uitvoeringen) Het lampje gaat branden, op het display verschijnt een melding en er klinkt een akoestisch signaal (zoemer), als het roetfilter is verstopt en de rijomstandigheden verhinderen dat de regeneratieprocedure automatisch wordt uitgevoerd. Voor de regeneratieprocedure en vervolgens het reinigen van het filter raden wij u aan te blijven rijden, totdat het lampje dooft. Inschakeling brandstofnoodschakelaar Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden en er verschijnt een melding op het display als de brandstofnoodschakelaar inschakelt. Raadpleeg voor het weer inschakelen van de brandstofnoodschakelaar de paragraaf Noodschakelaar voor onderbreking brandstoftoevoer en elektrische voeding in het hoofdstuk Dashboard en bediening. Storing regensensor Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (op enkele uitvoeringen verschijnt ook een bericht op het display) als er een melding is in de regensensor. Wendt u tot de Fiat-dealer. 152

154 Storing parkeersensoren (indien aanwezig) Het lampje gaat branden en er verschijnt een melding op het display als er een storing is in de parkeersensoren. Wendt u in dit geval tot de Fiat-dealer. Storing anti-letselfunctie ruiten (indien aanwezig) Het lampje gaat branden en er verschijnt een melding op het display als er een storing is in de anti-letselfunctie van de ruiten. Wendt u in dit geval tot de Fiat-dealer. Storing schemersensor (indien aanwezig) Het lampje gaat branden (er verschijnt ook een melding op het display) als er een storing is in de sensor die de gevoeligheid regelt van de koplampinschakeling (schemersensor). Controle bandenspanning (indien aanwezig) Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (op het display verschijnt ook een melding) als de spanning van de banden te laag of veel te hoog is. Breng in dit geval de bandenspanning op de voorgeschreven waarden (zie de paragraaf Bandenspanning in het hoofdstuk Technische gegevens ). Lekke band (indien aanwezig) Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (op het display verschijnt ook een melding en er klinkt een akoestisch signaal) als de spanning van een of meer banden onder een bepaalde drempelwaarde komt. In dat geval waarschuwt het TPMS-systeem de bestuurder op het mogelijk leeglopen van de band(en) en dus op een mogelijke lekke band. BELANGRIJK Rijd niet verder met een of meerdere zachte banden omdat de rijveiligheid van de auto in gevaar kan worden gebracht. Stop de auto zonder bruusk te remmen en vermijd heftige stuurbewegingen. Vervang het wiel onmiddellijk door het noodreservewiel (indien aanwezig - zie het hoofdstuk Noodgevallen ) en wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Storing bandenspanningcontrolesysteem (indien aanwezig) Het lampje gaat branden (op het display verschijnt ook een melding) als er een storing is in het controlesysteem voor de bandenspanning TPMS (indien aanwezig). Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. Als er een of meer wielen zonder sensor gemonteerd zijn, gaat na verloop van enige tijd het lampje op het instrumentenpaneel branden (op het display verschijnt ook een melding) totdat opnieuw de vier wielen met sensoren zijn gemonteerd. 153

155 á STORING ESP (geel) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het lampje niet dooft of tijdens het rijden blijft branden en het lampje op de knop ASR OFF gaat branden, wendt u dan tot de Fiat-dealer. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. Opmerking Als het lampje knippert tijdens het rijden, dan geeft dit aan dat het ESP in werking is getreden. á STORING HILL HOLDER (geel) Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het lampje gaat branden, is er een storing in het Hill Holder-systeem. Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Fiatdealer. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. 3 BUITENVERLICHTING EN DIMLICHTEN (groen) FOLLOW ME HOME (groen) Buitenverlichting en dimlichten Het lampje gaat branden als de buitenverlichting of het dimlicht wordt ingeschakeld. Follow me home Het lampje gaat branden als dit systeem wordt gebruikt (zie Follow me home in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). Op het display verschijnt de bijbehorende melding. 5 MISTLAMPEN VOOR (groen) Het lampje gaat branden als de mistlampen voor worden ingeschakeld. F RICHTINGAANWIJZER LINKS (groen - knipperend) Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de rechter richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt. D RICHTINGAANWIJZER RECHTS (groen - knipperend) Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de linker richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt. 154

156 1 GROOTLICHT (blauw) Het lampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld. KANS OP GLADHEID (uitvoeringen met instelbaar multifunctioneel display) Als de buitentemperatuur gelijk is aan of lager wordt dan 3 C, dan knippert de temperatuuraanduiding om aan te geven dat er kans op gladheid bestaat. Op het display verschijnt de bijbehorende melding. BEPERKTE ACTIERADIUS (uitvoeringen met instelbaar multifunctioneel display) Op het display verschijnt een melding om de gebruiker te waarschuwen als de actieradius van de auto kleiner wordt dan 50 km. ASR-SYSTEEM (uitvoeringen met instelbaar multifunctioneel display) Het ASR-systeem kan worden uitgeschakeld door het indrukken van de knop ASR OFF. Op het display verschijnt een melding die aangeeft dat het systeem is uitgeschakeld; gelijktijdig gaat het lampje op de knop branden. Als opnieuw op de knop ASR OFF wordt gedrukt, dooft het lampje op de knop en verschijnt op het display een melding die aangeeft dat het systeem weer is ingeschakeld. t Wendt u bij een storing in de versnellingsbak zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer om het systeem te laten controleren. MAXIMUM OLIETEMPERATUUR IN AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK STORING t AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje op het instrumentenpaneel gaat knipperen (op het display verschijnt ook een melding en er klinkt een akoestisch signaal) als er storing is in de versnellingsbak. Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (op het display verschijnt ook een melding en er klinkt een akoestisch signaal) bij een te hoge temperatuur van de transmissie-olie. 155

157 Als het lampje constant gaat branden, verlaag dan de van de motor verlangde prestaties en wendt u onmiddellijk tot de Fiat-dealer. OVERSCHRIJDING INGESTELDE SNELHEIDSLIMIET Op het display verschijnt een melding en er klinkt een akoestisch signaal als de ingestelde snelheidslimiet wordt overschreden (zie de paragraaf Instelbaar multifunctioneel display in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). SNELHEIDSREGELAAR (CRUISE-CONTROL) Ü (indien aanwezig) Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden en op het display verschijnt een melding als de draaiknop van de cruise-control in stand ON wordt gezet. d VERSLETEN REMBLOKKEN (indien aanwezig) Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (op het display verschijnt ook een melding) als de remblokken voor versleten zijn; laat deze zo snel mogelijk vervangen. MINIMUM MOTOROLIEPEIL k Het lampje (indien aanwezig) op het instrumentenpaneel gaat branden, op het display verschijnt ook een melding en er klinkt een akoestisch signaal (zoemer), als het motoroliepeil onder de minimum vastgestelde waarde is gedaald. Herstel in dit geval het juiste motoroliepeil (zie Niveaus controleren in het hoofdstuk Onderhoud en zorg ). Als u de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. À ZIJ-AIRBAGS ACHTER (SIDEBAGS ACHTER UITGESCHAKELD (indien aanwezig) Het lampje À brandt als de zij-airbags achter (sidebags achter) zijn uitgeschakeld. Als u bij ingeschakelde airbags de contactsleutel in stand ON draait, gaat het lampje À ongeveer 4 seconden branden en vervolgens 4 seconden knipperen. Hierna moet het lampje doven. MOTOR AFGESLAGEN TIJDENS HET RIJDEN Deze melding verschijnt op het display als de motor wordt uitgezet bij een snelheid boven de 10 km/h; de inschakeling van het stuurslot is niet mogelijk. Om de werking te herstellen, moet u bij stilstaande auto de contactsleutel in stand ON draaien en vervolgens in OFF. AANWIJZINGEN STARTPROCEDURE (automatische versnellingsbak) Informatie op het display voor de startprocedure als een herkende sleutel in stand ON staat. AANWIJZINGEN STARTPROCEDURE (handgeschakelde versnellingsbak) Informatie op het display voor de startprocedure als een herkende sleutel in stand ON staat. 156

158 NOOD MET EEN HULPACCU ROLLEND WIEL VERWISSELEN SNELLE BANDENREPARATIESET FIX & GO AUTOMATIC GLOEILAMP VERVANGEN GLOEILAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN GLOEILAMP INTERIEURVERLICHTING VERVANGEN ZEKERINGEN VERVANGEN ACCU OPLADEN OPKRIKKEN VAN DE AUTO SLEPEN VAN DE AUTO

159 MET EEN HULPACCU Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu. Ga voor het starten als volgt te werk fig. 1: verbind de pluspolen (+ teken nabij de pool) van de beide accu s met een startkabel; sluit een tweede startkabel aan op de minpool ( ) van de hulpaccu en op de massa-aansluiting E op de motor of de versnellingsbak van de auto die gestart moet worden; start de motor; neem als de motor draait, de kabels in de omgekeerde volgorde los. fig. 1 F0L0127m Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf dan niet proberen maar wendt u tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Verbind de minklemmen van de twee accu s niet direct met elkaar: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als de hulpaccu is geïnstalleerd aan boord van een andere auto, mogen tussen deze auto en de auto met de lege accu niet per ongeluk metalen delen met elkaar in verbinding staan. Gebruik voor een noodstart beslist nooit een accusnellader: de elektronische systemen kunnen beschadigen; in het bijzonder de regeleenheden van de ontsteking en de inspuiting. Laat deze procedure door gespecialiseerd personeel uitvoeren. Onjuiste handelingen kunnen leiden tot vonken. De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Kom ook niet dicht bij een accu met open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak geen vonken. 158

160 ROLLEND Probeer auto s nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen. BELANGRIJK Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. WIEL VERWISSELEN ALGEMENE AANWIJZINGEN Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik van de krik en het noodreservewiel moeten de onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen. Attendeer het overige wegverkeer op de stilstaande auto m.b.v: de waarschuwingsknipperlichten, de gevarendriehoek enz. Tijdens het verwisselen van een wiel moeten alle inzittenden de auto hebben verlaten, vooral als de auto zwaar beladen is, en op een veilige afstand van het verkeer wachten, totdat het wiel verwisseld is. Blokkeer de wielen met stenen of andere voorwerpen als de auto schuin op een helling of op een slecht wegdek staat. Het noodreservewiel is specifiek voor de auto; monteer het niet op andere auto s en monteer geen reservewielen van andere auto s. Het noodreservewiel mag alleen in noodgevallen worden gebruikt. Het noodreservewiel moet zo kort mogelijk gebruikt worden en er mag niet sneller dan 80 km/h mee worden gereden. Op het noodreservewiel is een oranje sticker aangebracht waarop de belangrijkste aanwijzingen en de beperkingen staan vermeld met betrekking tot het gebruik van het noodreservewiel. Deze sticker mag absoluut niet worden verwijderd of afgedekt. Op het noodreservewiel mag nooit een wieldeksel worden gemonteerd. Op de sticker staan de volgende aanwijzingen in vier talen vermeld: attentie! alleen voor tijdelijk gebruik! max. 80 km/h! vervang zo snel mogelijk door een normaal wiel. Bedek deze aanwijzingen niet. 159

161 Bij een gemonteerd reservewiel veranderen de rij-eigenschappen van de auto. Vermijd met vol gas optrekken, bruusk remmen en hoge snelheden in de bochten. Het noodreservewiel heeft een levensduur van ongeveer 3000 km. Na deze afstand moet de band van het noodreservewiel vervangen worden door een nieuwe band van hetzelfde type. Monteer nooit een normale band op de velg van het noodreservewiel. Laat het verwisselde wiel zo snel mogelijk repareren en monteren. Gebruik nooit twee of meer noodreservewielen. Smeer de schroefdraad van de wielbouten niet met vet in, voordat u ze monteert: de bouten kunnen loslopen. De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij de krik geleverd is of voor auto s van hetzelfde model. Gebruik de krik niet voor het opkrikken van andere auto s. En beslist nooit voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt. Het noodreservewiel is niet geschikt voor de montage van sneeuwkettingen. Als u een lekke voorband (aangedreven wiel) hebt en er moet met sneeuwkettingen worden gereden, dan moet u een wiel van de achteras afhalen en daarvoor in de plaats het noodreservewiel monteren. Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop uw sneeuwkettingen kunt monteren. Door een verkeerde montage kan het wieldeksel tijdens het rijden loslaten. Maak het ventiel absoluut niet open. Plaats geen enkel stuk gereedschap tussen velg en band. Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het noodreservewiel en houdt u daarbij aan de waarden die beschreven staan in het hoofdstuk Technische gegevens. 160

162 fig. 2 F0L0239m fig. 3 F0L0240m fig. 4 F0L0218m Het is nodig te weten dat: de krik 1,76 kg weegt; de krik geen afstelwerkzaamheden vereist; de krik niet kan worden gerepareerd: bij een defect moet de krik door een krik van hetzelfde type worden vervangen; buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden. Ga voor het verwisselen van een wiel als volgt te werk: zet de auto stil op een plaats waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en in alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld. Zet de auto zo mogelijk op een vlakke en stevige ondergrond; zet de motor uit en trek de handrem aan; schakel de eerste versnelling of de achteruit in (stand P met automatische versnellingsbak); til de laadvloer (indien aanwezig) aan het handvat op, zoals afgebeeld in fig. 2; til de vloerbedekking in de bagageruimte op; laat het koordje aan de onderzijde van de laadvloer (indien aanwezig) door de daarvoor bestemde opening in de bekleding van de bagageruimte lopen en bevestig beiden aan het bevestigingspunt op de hemelbekleding, zoals afgebeeld in fig. 3; draai de blokkeerschroef A-fig. 4 los; 161

163 D fig. 5 F0L0219m fig. 6 neem het noodreservewiel B-fig. 4 uit om de gereedschaphouder C-fig. 5 te bereiken; neem de gereedschaphouder C-fig. 5 uit en zet de houder dicht bij het te verwisselen wiel; verwijder het vulstuk dat onder het noodreservewiel is geplaatst om het normale wiel te kunnen opbergen; LET OP: Als deze instructie niet wordt opgevolgd, kan de laadvloer breken. Opmerking Voordat u het verwisselde wiel (indien lichtmetaal) in de daarvoor bestemde ruimte opbergt, moet u het geklemd gemonteerde embleem verwijderen door er aan de binnenzijde op de te drukken. verwijder bij auto s met stalen velgen het geklemd gemonteerde wieldeksel D-fig. 6; F0L0370m fig. 7 F0L0366m draai met de bijgeleverde sleutel E-fig. 7 de wielbouten ongeveer een slag los; schud bij uitvoeringen met lichtmetalen velgen enige malen aan de bovenkant van de carrosserie, waardoor de velg los van de wielnaaf kan komen; 162

164 fig. 8 draai het mechanisme F-fig. 8 zodat de krik omhoogkomt, totdat het bovenste deel van de krik G-fig. 8 goed in de borging H-fig. 8 valt; waarschuw eventuele omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg ervoor dat ze zich niet in de nabijheid van de auto bevinden en de auto vooral niet aanraken totdat deze weer geheel op de grond staat; plaats de slinger L-fig. 8 in de krik en krik de auto omhoog, totdat het wiel enige centimeters los van de grond is; F0L0367m zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen; plaats het noodreservewiel en draai met de bijgeleverde sleutel de vijf wielbouten vast; draai de slinger L-fig. 8 van de krik zodat de auto zakt, en verwijder de krik; fig. 9 F0L0188m draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die is aangegeven in fig

165 NORMALE WIEL MONTEREN Volg de hiervoor beschreven procedure, krik de auto op en demonteer het noodreservewiel. Uitvoeringen met stalen velgen Ga als volgt te werk: zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het normale wiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen; monteer het normale wiel en draai de eerste wielbout twee slagen in het gat dat zich het dichtst bij het ventiel bevindt; draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten handvast aan; laat de auto zakken en verwijder de krik; draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die eerder is afgebeeld; monteer het geklemde wieldeksel, waarbij de inkeping (op het wieldeksel) moet samenvallen met het ventiel. fig Uitvoeringen met lichtmetalen velgen plaats het wiel op de naaf en draai met de bijgeleverde sleutel de bouten vast; laat de auto zakken en verwijder de krik; draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten vast in de volgorde die is aangegeven in fig. 10; monteer het embleem door het vanaf de buitenzijde vast te drukken. 1 3 F0L0368m fig. 11 F0L0219m Ter afsluiting plaats het vulstuk terug; druk de half geopende krik stevig in de houder C-fig. 11 om rammelen tijdens het rijden te voorkomen; berg het gebruikte gereedschap op in de gereedschaphouder; 164

166 SNELLE BANDENREPARATIESET FIX & GO automatic De snelle reparatieset Fix & Go automatic is in een daarvoor bestemde houder in de bagageruimte geplaatst. fig. 12 F0L0218m plaats de gereedschaphouder C-fig. 11, met het gereedschap, in de bagageruimte; plaats het noodreservewiel B-fig. 12 op de daarvoor bestemde plek in de bagageruimte en draai de blokkeerschroef vast A-fig. 12. De reparatieset bevat fig. 13: een spuitbus A met afdichtvloeistof, die voorzien is van: een vulbuis B een sticker C met het opschrift max. 80 km/h. Na het repareren van het wiel moet deze sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats worden aangebracht (op het dashboard) een informatiefolder (zie fig. 14), voor een correct gebruik van de snelle reparatieset. Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de band repareert die behandeld is met de bandenreparatieset. een compressor D met manometer en verbindingsstukken, die in het vak zijn te vinden een paar werkhandschoenen die in het zijvak van de compressor zijn te vinden adapters voor het oppompen van diverse voorwerpen. fig. 13 F0L0393m Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de band repareert die behandeld is met de bandenreparatieset. Als u een lekke band krijgt, kan de band gerepareerd worden als de diameter van het lek niet groter is dan 4 mm. 165

167 fig. 14 F0L0394m Het is niet mogelijk lekken aan de zijkanten van de band te repareren. Gebruik de reparatieset niet als de band beschadigd is geraakt door het rijden met een lege band. Bij schade aan de velg (zodanige vervorming van het kanaal dat er lucht wegloopt) kan de band niet gerepareerd worden. Verwijder de eventueel in de band binnengedrongen voorwerpen (schroeven of spijkers) niet. HET IS NOODZAKELIJK TE WETEN DAT: De afdichtvloeistof bij buitentemperaturen tussen -20 C en +50 C werkt. De compressor mag niet langer dan 20 minuten achter elkaar worden ingeschakeld. Gevaar voor oververhitting. De snelle reparatieset is niet geschikt voor permanente reparatie; de gerepareerde banden mogen daarom slechts tijdelijk worden gebruikt. Spuitbussen en afdichtvloeistof zijn schadelijk voor het milieu. Houdt u voor het afvoeren van deze producten aan de wettelijke normen. De spuitbus bevat ethyleenglycol. Bevat latex: kan een allergische reactie veroorzaken. Schadelijk bij inslikken. Irriterend voor de ogen. Kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing en contact. Vermijd contact met ogen, huid en kleding. Spoel bij contact onmiddellijk overvloedig met water. Vermijd braken bij inslikken, spoel de mond uit, drink veel water en raadpleeg onmiddellijk een arts. Houd buiten het bereik van kinderen. Het product mag niet gebruikt worden door astmatische patiënten. Adem de dampen niet in tijdens het vullen en oppompen. Raadpleeg onmiddellijk een arts bij allergische reacties. Bewaar de spuitbus in de daarvoor bestemde ruimte, ver verwijderd van warmtebronnen. De afdichtvloeistof heeft een houdbaarheidsdatum. Vervang de spuitbus voordat de houdbaarheidsdatum van de afdichtvloeistof is verstreken. 166

168 D fig. 15 OPPOMPEN VAN DE BAND F0L0530m Doe de handschoenen aan die bij de snelle bandenreparatieset zijn geleverd. Trek de handrem aan. Draai de ventieldop van de band los, neem de vulbuis A-fig. 15 uit en draai de ring B op het ventiel van de band; fig. 16 controleer of de schakelaar E-fig. 17 van de compressor in stand 0 (uitgeschakeld) staat, start de motor, steek de stekker D-fig. 16 in de contactdoos voor de aansteker en schakel de compressor in door schakelaar E-fig. 17 in stand I (ingeschakeld) te zetten. Pomp de band op tot de juiste bandenspanning is bereikt (zie de paragraaf Bandenspanning in het hoofdstuk Technische gegevens ). Controleer de bandenspanning op de manometer F- fig. 17. Voor een nauwkeurige aflezing moet de compressor worden uitgeschakeld; F0L0533m fig. 17 F0L0396m als u er niet in slaagt binnen 5 minuten de bandenspanning op ten minste 1,5 bar te krijgen, koppel dan de compressor los van het ventiel en de contactdoos en verplaats vervolgens de auto ongeveer 10 meter naar voren of naar achteren, zodat de afdichtvloeistof in de band verdeeld wordt; pomp de band vervolgens weer op; als u er ook dan niet in slaagt om, binnen 5 minuten na inschakeling van de compressor, de spanning op ten minste 1,8 bar te brengen, mag niet verder worden gereden, omdat de band te erg beschadigd is en de reparatieset de vereiste wegligging niet kan garanderen; wendt u tot de Fiat-dealer; als de band op de juiste spanning is gebracht (zie de paragraaf Bandenspanning in het hoofdstuk Technische gegevens ), vertrek dan onmiddellijk; 167

169 fig. 18 F0L0531m Plaats de sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats om aan te geven dat de band behandeld is met de snelle bandenreparatieset. Rijd voorzichtig vooral in bochten. Rijd niet harder dan 80 km/h. Vermijd bruusk accelereren en remmen. stop na ongeveer 10 minuten en controleer opnieuw de bandenspanning; vergeet niet de handrem aan te trekken Als de bandenspanning onder 1,8 bar is gedaald, mag niet verder worden gereden: de snelle reparatieset Fix & Go automatic kan de vereiste wegligging niet garanderen omdat de band te erg beschadigd is. Wendt u tot de Fiatdealer. als een spanning van ten minste 1,8 bar wordt gemeten, herstel dan de correcte bandenspanning (met draaiende motor en aangetrokken handrem) en rijdt verder; rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer. U moet absoluut aangeven dat de band is gerepareerd met de snelle bandenreparatieset. Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de band repareert die behandeld is met de bandenreparatieset. fig. 19 F0L0532m ALLEEN VOOR HET CONTROLEREN EN HERSTELLEN VAN DE SPANNING De compressor kan ook worden gebruikt voor het herstellen van de bandenspanning. Maak de snelkoppeling los en verbind de koppeling direct met het ventiel van de band fig. 19; op deze manier wordt de spuitbus niet met de compressor verbonden en wordt de afdichtvloeistof niet in de band gespoten. 168

170 fig. 20 F0L0398m PROCEDURE VOOR HET VERVANGEN VAN DE SPUITBUS Ga als volgt te werk voor het vervangen van de spuitbus: maak de koppeling B-fig. 20 los; draai de te vervangen spuitbus linksom en trek de spuitbus omhoog; plaats de nieuwe spuitbus en draai de spuitbus rechtsom; sluit de koppeling B aan op de spuitbus en plaats de doorzichtige vulbuis A in het daarvoor bestemde vak. GLOEILAMP VERVANGEN ALGEMENE AANWIJZINGEN Als een lamp niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is, voordat u de lamp vervangt: zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf Zekeringen vervangen in dit hoofdstuk; controleer voordat u een lamp vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd; vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen; als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is. Halogeenlampen mag u uitsluitend aanraken op het metalen gedeelte. Als u de bol met uw vingers aanraakt, zal de lichtopbrengst van de lamp teruglopen en kan ook de levensduur beperkt worden. Als u de bol per ongeluk toch hebt aangeraakt, moet u de bol schoonwrijven met een doekje met alcohol en daarna laten drogen. Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken. Halogeenlampen bevatten gas onder druk. Bij breuk kunnen er glassplinters wegschieten. 169

171 Door de hoge voedingsspanning mogen defecte gasontladingslampen (Xenon) uitsluitend vervangen worden door gespecialiseerd personeel: levensgevaar! Wendt u tot de Fiat-dealer. BELANGRIJK Aan de binnenzijde kan de koplamp een beetje beslagen zijn: dit duidt niet op een defect, maar is een natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt wordt door een lage temperatuur en de luchtvochtigheidsgraad, en verdwijnt snel als de koplampen worden ingeschakeld. De aanwezigheid van druppels aan de binnenzijde van de koplamp duidt daarentegen op het binnendringen van water: wendt u tot de Fiat-dealer. TYPEN GLOEILAMPEN fig. 21 Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd: A Glasfittinglampen: deze zijn voorzien van een klemfitting. Verwijder de lamp door de lamp uit de houder te trekken. B Gloeilampen met bajonetfitting: verwijder de lamp uit de houder door hem iets in te drukken en linksom te draaien. C Buislampen: verwijder de lamp door hem uit de veercontacten los te maken. D-E Halogeenlampen: verwijder de lamp door de borgveer los te haken uit de zitting. F Gasontladingslampen (Xenon). fig. 21 F0L0072m 170

172 Lampen Zie Figuur Type Vermogen Grootlicht E H1 55W Dimlicht D H7 55W Dimlichten met gasontladingslampen (indien aanwezig) F D2R 35W Longlife buitenverlichting voor (2 per koplamp) A W5W 5W Mistlampen voor (indien aanwezig) E H1 55W Richtingaanwijzers voor B PY24W 24W Richtingaanwijzers op flanken A WY5W 5W Richtingaanwijzers achter B R10W 10W Achterlichten/remlichten B P21/5W 21W/5W Derde remlicht A W2,3W 2,3W 171

173 Lampen Zie Figuur Type Vermogen Achteruitrijlichten B P21W 21W Mistachterlichten B P21W 21W Kentekenplaatverlichting C C5W 5W Dorpelverlichting A W5W 5W Plafondverlichting voor C C5W 5W Plafondverlichting achter C C10W 10W Verlichting dashboardkastje C C5W 5W Bagageruimteverlichting A W5W 5W Zonneklepverlichting C C5W 5W 172

174 GLOEILAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de paragraaf Gloeilamp vervangen. KOPLAMPUNITS fig. 22 In de koplampunits zijn de gloeilampen voor de buitenverlichting, het dimlicht, het grootlicht en de richtingaanwijzer opgenomen. De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit geplaatst: A Buitenverlichting en grootlicht; B Dimlicht; C Richtingaanwijzers. fig. 22 F0L0399m fig. 23 F0L0402m DIMLICHT Met gloeilampen Gloeilamp vervangen: verwijder het beschermdeksel B-fig. 22; haak de borgveer van de lamp A-fig. 23 los; maak de stekker B los; verwijder en vervang de lamp C; monteer de nieuwe lamp; hierbij moet de nok van het metalen deel vallen in de uitsparing in de reflector; sluit de stekker B weer aan en haak vervolgens de borgveer A vast; monteer het beschermdeksel B-fig. 22 op de juiste wijze. Met gasontladingslampen (Bi-Xenon) (indien aanwezig) Door de hoge voedingsspanning mogen defecte gasontladingslampen (Bi-Xenon) uitsluitend vervangen worden door gespecialiseerd personeel: levensgevaar! Wendt u tot de Fiat-dealer. 173

175 F0L0403m F0L0404m F0L0405m fig. 24 fig. 25 fig. 26 BUITENVERLICHTING Gloeilamp vervangen: verwijder het beschermdeksel A-fig. 22; draai de lamphouder A-fig. 24 linksom en verwijder hem; verwijder en vervang de lamp B; monteer de nieuwe lamp, plaats de lamphouder A-fig. 24 en monteer het beschermdeksel A-fig. 22 op de juiste wijze. GROOTLICHT Gloeilamp vervangen: verwijder het beschermdeksel A-fig. 22; haak de borgveer van de lamp A-fig. 25 los; verwijder en vervang de lamp C; monteer de nieuwe lamp; hierbij moet de nok van het metalen deel vallen in de uitsparing in de reflector; sluit de stekker B weer aan en haak vervolgens de borgveer A vast; monteer het beschermdeksel A-fig. 22 op de juiste wijze. RICHTINGAANWIJZERS Voor Gloeilamp vervangen: draai het beschermdeksel C-fig. 22 linksom; verwijder en vervang de lamp B-fig. 26; monteer het beschermdeksel A op de juiste wijze. 174

176 fig. 27 F0L0520m Op de flanken fig. 27 Gloeilamp vervangen: druk op het door de pijl aangegeven punt, zodat de borgveer wordt ingedrukt, en verwijder de lichtunit A; draai de lamphouder B linksom, verwijder de geklemde lamp en vervang hem; plaats de lamphouder B in de lichtunit, monteer de lichtunit en controleer of de bevestigingsveer goed geborgd is. fig. 28 F0L0534m MISTLAMPEN VOOR fig. 28 (indien aanwezig) Wendt u voor het vervangen van een defecte mistlamp tot de Fiat-dealer fig. 29 ACHTERLICHTUNITS F0L0083m Achterlichtunit op achterklep Gloeilamp vervangen: open de achterklep; duw het deksel A-fig. 29 omlaag en maak de stekker B-fig. 30 los; 175

177 fig. 30 F0L0084m fig. 31 F0L0080m fig. 32 F0L0085m druk de bevestigingslippen C-fig. 31 van de lamphouder naar binnen en trek de lamphouder uit de zitting; verwijder de lampen door ze iets in te drukken en linksom te draaien. De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit geplaatst (fig. 31): D achteruitrijlicht; E mistachterlicht. Buitenste achterlichtunit Gloeilamp vervangen: open de achterklep; draai de twee schroeven F-fig. 32 los en verwijder de unit; maak de stekker los; 176

178 verwijder de geklemde lampen en vervang ze; monteer de lamphouder in de unit en controleer of de borglippen B-fig. 34 vastklikken. fig. 33 F0L0081m druk op de bevestigingslip G-fig. 33 van de lamphouder en verwijder de houder uit de zitting; verwijder de lampen door ze iets in te drukken en linksom te draaien. De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit geplaatst (fig. 33): H achterlicht/remlicht; I richtingaanwijzers. fig. 34 F0L0190m DERDE REMLICHT Gloeilamp vervangen: open de achterklep; verwijder het geklemde deksel; druk op de borglippen B-fig. 34 en neem de lamphouder uit; 177

179 KENTEKENPLAATVERLICHTING fig. 36 Gloeilampen vervangen: verwijder het lampenglas A op het door de pijl aangegeven punt; maak de lamp B los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten; monteer het lampenglas. GLOEILAMP INTERIEUR- VERLICHTING VERVANGEN Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de paragraaf Gloeilamp vervangen. fig. 36 F0L0079m fig. 37 F0L0086m PLAFONDVERLICHTING VOOR fig Gloeilampen vervangen: verwijder het afdekplaatje A op de door de pijlen aangegeven punten; draai de 2 lamphouders B linksom, verwijder de lampen en vervang ze; 178

180 fig. 38 F0L0087m fig. 39 F0L0088m fig. 40 F0L0202m maak de lamp C los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten. VERLICHTING ZONNEKLEPSPIEGEL fig. 39 Gloeilamp vervangen: open het dekseltje A van het spiegeltje; maak het plafondlampje B op de door de pijlen aangegeven punten los; maak de lamp los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten. VERLICHTING KASTJE fig. 40 Gloeilamp vervangen: open het dashboardkastje en maak de lichtunit A op het door de pijl aangegeven punt los; maak de lamp los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten. 179

181 fig. 41 F0L0089m fig. 42 F0L0090m fig. 43 F0L0180m BAGAGERUIMTEVERLICHTING Gloeilamp vervangen: open de achterklep; maak de lichtunit A-fig. 41 op het door de pijl aangegeven punt los; open het beschermkapje B-fig. 42 en vervang de geklemde lamp; sluit het beschermkapje B-fig. 42 op het lampenglas; monteer de lichtunit A-fig. 41 door deze eerst aan een zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt. DORPELVERLICHTING fig. 43 Gloeilamp vervangen: open het portier en maak het lampenglas A op het door de pijl aangegeven punt los; open het beschermkapje B en vervang de geklemde lamp; sluit het beschermkapje B op het lampenglas A. 180

182 PLAFONDVERLICHTING ACHTER fig. 44 Gloeilamp vervangen: maak het plafondlampje A op het door de pijl aangegeven punt los; maak de lamp B los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten. ZEKERINGEN VERVANGEN ALGEMENE AANWIJZINGEN fig. 45 Het elektrische systeem wordt door zekeringen beveiligd: de zekering brandt door bij een storing of bij oneigenlijk gebruik fig. 44 F0L0091m van het systeem. fig. 45 F0L0092m Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst of de zekering niet is doorgebrand: de verbindingsstrip A mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het geval, Als de zekering opnieuw dan moet u de zekering vervangen door doorbrandt, wendt u dan tot een exemplaar met dezelfde stroomsterkte de Fiat-dealer. (zelfde kleur). B zekering in goede staat C zekering met doorgebrande strip. Gebruik het tangetje D voor het vervangen van de zekeringen. Dit tangetje is vastgehaakt in de zekeringenkast op het dashboard. 181

183 Vervang een defecte zekering nooit door ander materiaal. Vervang een zekering nooit door een zekering met een hogere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR. Als een hoofdzekering (ME- GA-FUSE, MIDI-FUSE, MAXI-FUSE) doorbrandt, wendt u dan tot de Fiat-dealer. Controleer, voordat u een zekering vervangt, of de contactsleutel uit het contactslot is genomen en alle stroomgebruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld. TOEGANG TOT DE ZEKERINGEN De zekeringen van de auto bevinden zich in drie zekeringenkasten; op het dashboard, in de motorruimte en in de bagageruimte (linkerzijde). Op de pluspool van de accu bevindt zich een vierde zekeringenkast met de hoofdzekeringen (MEGA-FUSE, MIDI-FUSE, MAXI-FUSE). Wendt u voor het vervangen van deze zekeringen tot de Fiat-dealer. 182

184 Zekeringenkast op dashboard fig De zekeringen in de zekeringenkast op het dashboard zijn bereikbaar nadat de bevestigingsschroef A is losgedraaid en het deksel is verwijderd. fig. 46 F0L0145m fig. 47 F0L0093m 183

185 Zekeringenkast in motorruimte fig De zekeringen in de zekeringenkast naast de accu zijn bereikbaar nadat het betreffende beschermdeksel is verwijderd. fig. 48 F0L0094m 184 fig. 49 F0L0095m

186 Zekeringenkast in bagageruimte fig De zekeringen in de zekeringenkast links in de bagageruimte zijn bereikbaar nadat het inspectieklepje is geopend (zoals afgebeeld in de figuur). fig. 50 F0L0217m fig. 51 F0L0213m 185

187 ZEKERINGENTABEL Zekeringenkast op dashboard VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE Dimlicht rechts Dimlicht links Hoogteverstelling koplampen F 12 F behalve tijdens het starten voor relaisspoelen in zekeringkasten dashboard / motorruimte en Body computer +30 knooppunten voorportieren links en rechts (portiervergrendeling), TEG-reader Voeding knooppunt bagageruimte (ruitbediening linksachter) Voeding knooppunt bagageruimte (ruitbediening rechtsachter) +15 achteruitrijlichten, regeleenheid hulpverwarming, luchtkwantummeter, waterdetectiesensor in brandstoffilter, rempedaalschakelaar +30 knooppunt bagageruimte (portiervergrendeling achter) +15 instrumentenpaneel, regeleenheden op gasontladingslampen, rempedaalschakelaar, derde remlicht Actuator achterklepontgrendeling +30 EOBD-diagnosestekker, plafondlampje middenvoor, plafondlampjes achter aan zijkant, regeleenheden sirene en bewegingssensor diefstalalarm, regeleenheid bandenspanning, regeleenheid airconditioning, regeleenheid Bluetooth Achterruitverwarming Verwarming ruitensproeiermonden voor/achter +15 regeleenheid ABS / ESP, knooppunt elektrohydraulische stuurbekrachtiging, gierhoeksensor, stuurhoeksensor +15 behalve tijdens starten voor stuurkolomschakelaarmodule (ruitensproeiers, ruitensproeier-/achterruitsproeierpomp) +15 behalve tijdens starten voor aansteker, stekkerdoos op tunnelconsole F 31 F 32 F 33 F 34 F 35 F 36 F 37 F 38 F 39 F 40 F 41 F 42 F 43 F 44 7, , ,5 7,

188 VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE Voeding regeleenheid motor opendak Voeding regeleenheid motor zonnescherm opendak Voeding knooppunt bestuurdersportier (ruitbediening linksvoor) Voeding knooppunt passagierssportier (ruitbediening rechtsvoor) F 45 F 46 F 47 F regeleenheid bewegingssensor diefstalalarm, verlichting bedieningspaneel voor waarschuwingsknipperlichten / Bluetooth en zonnescherm op hemelbekleding / console bestuurdersstoel en passagiersstoel voor, verlichting schakelaarpaneel bestuurderszijde / tunnelconsole, voorbereiding DVD-speler, elektronisch dimbare F 49 binnenspiegel, airconditioning 7,5 +15 regeleenheid airbag +15 Connect, regeleenheid Bluetooth, voorbereiding after-market radio, F 50 7,5 regeleenheid bandenspanning, bediening cruise-control, regeleenheid regensensor / schemersensor, regeleenheid parkeersensor, AQS-sensor F 51 7,5 +15 behalve tijdens starten voor stuurkolomschakelaarmodule (achterruitwisser), relaisspoelen zekeringenkast bagageruimte +30 instrumentenpaneel F 52 F

189 Zekeringenkast in motorruimte VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE Mistlamp voor / Cornering light links Claxons Voeding motormanagementsysteem Grootlicht rechts Grootlicht links +15 regeleenheid motor Voeding motormanagementsysteem +30 regeleenheid motor Aircocompressor Koplampsproeierpomp Brandstofpomp Voeding motormanagementsysteem +30 radio / Connect, regeleenheid hulpverwarming +15 regeleenheid automaat, selectorhendel Mistlamp voor / Cornering light rechts F 9 F 10 F 11 F 14 F 15 F 16 F 17 F 18 F 19 F 20 F 21 F 22 F 23 F 24 F 30 7, ,5 7,5 7,5 10 7,5 7, ,5 188

190 Zekeringenkast in bagageruimte VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE +30 hifi-audioversterker Vrij +30 regeleenheid verstelling bestuurdersstoel +15 behalve tijdens het starten voor verwarming bestuurdersstoel Vrij Vrij +30 regeleenheid verstelling voorstoel passagierszijde Vrij Vrij Vrij Vrij Vrij Vrij +15 behalve tijdens het starten voor verwarming bestuurdersstoel Vrij Vrij Vrij Vrij Vrij Vrij F 54 F 55 F 56 F 57 F 58 F 59 F 60 F 61 F 62 F 63 F 64 F 65 F 66 F 67 F 68 F 69 F 77 F 78 F 79 F ,5 25 7,5 189

191 ACCU OPLADEN BELANGRIJK De beschrijving voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Wendt u bij voorkeur tot een Fiat-dealer om deze werkzaamheden uit te laten voeren. We raden u aan de accu langzaam en met een lage stroomsterkte (ampère) gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu snel oplaadt met een hoge stroomsterkte, kan de accu worden beschadigd. Ga voor het opladen als volgt te werk: maak de klem los van de minpool op de accu; sluit de kabels van het laadapparaat aan op de accupolen; let hierbij op de polariteit; schakel de acculader in; aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader uit en koppel dan de accu los; sluit de klem weer aan op de minpool van de accu. BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met het diefstalalarm, schakel het alarm dan uit met de afstandsbediening (zie de paragraaf Diefstalalarm in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: brand- en ontploffingsgevaar. Probeer een bevroren accu niet op te laden: eerst moet de accu ontdooid worden, anders loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu bevroren is geweest, moet door deskundig personeel worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken. OPKRIKKEN VAN DE AUTO Als de auto opgekrikt moet worden, moet u zich tot de Fiat-dealer wenden. Deze beschikt over een garagekrik of hefbrug. De auto mag uitsluitend aan de zijkant worden opgekrikt door de hefarm van de garagekrik of de hefbrug te plaatsen, zoals in fig. 52 is afgebeeld. 190

192 SLEPEN VAN DE AUTO Bij de auto is een sleepoog geleverd. Het sleepoog bevindt zich in de gereedschaphouder onder de bekleding in de bagageruimte. fig. 52 F0L0525m SLEEPOOG BEVESTIGEN fig Ga als volgt te werk: verwijder de dop A; pak het sleepoog B uit de houder; draai het sleepoog geheel op de schroefdraadpen voor of achter. Zie voor het slepen van auto s met elektronisch geregelde automatische versnellingsbak, het betreffende hoofdstuk. fig. 53 A A fig. 54 F0L0362m F0L0363m 191

193 Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosseriedelen kan beschadigen. Houdt u bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers. Start de motor niet als de auto wordt gesleept. Maak de schroefdraad zorgvuldig schoon, voordat u het sleepoog op de schroefdraadpen draait. Controleer, voordat de auto wordt gesleept, of het sleepoog geheel in de schroefdraadboring is gedraaid. Schakel voordat de auto gesleept wordt, het stuurslot uit (zie de paragraaf Start-/contactslot in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). Houd er tijdens het slepen rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken als de motor niet draait, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. 192

194 GEPROGRAMMEERD GEPROGRAMMEERD SSCHEMA PERIODIEKE CONTROLES ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO NIVEAUS CONTROLEREN LUCHTFILTER/POLLENFILTER DIESELFILTER ACCU WIELEN EN BANDEN RUBBER SLANGEN RUITENWISSERS/ACHTERRUITWISSER CARROSSERIE INTERIEUR

195 GEPROGRAMMEERD Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto. Om dit te realiseren heeft Fiat een reeks controle- en onderhoudsbeurten samengesteld die iedere km moeten worden uitgevoerd. Onthoud echter dat het geprogrammeerd onderhoud niet volledig toereikend is om de auto in optimale staat te houden: zowel in de beginperiode voor de servicebeurt bij kilometer als daarna, tussen twee servicebeurten in, moet regelmatig wat aandacht aan de auto worden geschonken. Controleer bijvoorbeeld regelmatig de bandenspanning en de vloeistofniveaus en vul deze laatste zo nodig bij. BELANGRIJK De servicebeurten van het Geprogrammeerd Onderhoud zijn door de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren van deze servicebeurten kan het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. De werkzaamheden van het Geprogrammeerd Onderhoud kunnen door alle Fiatdealers tegen vaste tarieftijden worden uitgevoerd. Eventuele reparaties die nodig blijken tijdens het uitvoeren van de diverse inspecties en controles van het geprogrammeerd onderhoud, worden uitsluitend na toestemming van de klant uitgevoerd. BELANGRIJK Het is raadzaam eventuele kleine defecten onmiddellijk door de Fiatdealer te laten verhelpen en daarmee niet te wachten tot de volgende servicebeurt. Als de auto vaak wordt gebruikt voor het trekken van aanhangers, moeten er kortere intervallen worden aangehouden voor de werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud. 194

196 GEPROGRAMMEERD SSCHEMA x 1000 km Banden conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel herstellen Werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes enz.) controleren Werking ruitenwissers/-sproeiers voor/achter controleren en eventueel sproeiermonden afstellen Stand wisserbladen voor/achter controleren en wisserbladen op slijtage controleren Remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren en werking waarschuwingslampje voor versleten remblokken controleren Remblokken achter (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren Visueel de conditie controleren van: buitenzijde carrosserie, bodemplaatbescherming, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.), en rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem Vergrendelmechanismen van de motorkap en achterklep op vervuiling controleren en mechanismen smeren Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (remsysteem, hydraulische koppeling, stuurbekrachtiging, ruitenwissers, accu, motorkoelsysteem enz.) Hydraulisch systeem van stuurbekrachtiging controleren (uitv. 2.2 benzine) Handrem controleren en eventueel afstellen Conditie aandrijfriem(en) voor hulporganen visueel controleren (Multijet) Conditie aandrijfriem(en) voor hulporganen visueel controleren (1.8 benzine) Conditie van getande distributieriem visueel controleren (uitv. 1.8 benzine) Klepspeling controleren en eventueel afstellen (uitv. 1.9 Multijet 8V) Klepspeling controleren en eventueel afstellen (uitv. 1.8 benzine)

197 196 x 1000 km Uitlaatgasemissie controleren (benzine-uitvoeringen) Roetuitstoot/emissie controleren (Multijet-uitvoeringen) Benzinedamp-opvangsysteem controleren (benzine-uitvoeringen) Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) Olieniveau van automatische versnellingsbak controleren en eventueel bijvullen Aandrijfriem(en) voor hulporganen vervangen (uitv. Multijet / benzine behalve 1.8) Aandrijfriem(en) voor hulporganen vervangen (uitvoeringen 1.8 benzine) Getande distributieriem vervangen (Multijet-uitvoeringen) O Getande distributieriem vervangen (uitvoeringen 1.8 benzine) O Bougies vervangen (benzine-uitvoeringen behalve 1.8) Bougies vervangen (uitvoeringen 1.8 benzine) Brandstoffilter vervangen (Multijet-uitvoeringen) Luchtfilterelement vervangen (benzine-uitvoeringen) Luchtfilter vervangen (Multijet-uitvoeringen) Motorolie en oliefilter vervangen (benzine-uitvoeringen) Motorolie en oliefilter vervangen (Multijet-uitvoeringen - DPF) * ( ) ( ) ( ) ( ) ( ) ( ) Motorolie en oliefilter vervangen (Multijet-uitvoeringen zonder DPF) Remvloeistof vervangen (of om de 24 maanden) Pollenfilter vervangen (of om de 12 maanden) O Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koude klimaten, gebruik in stadsverkeer, langdurig stationair draaien) om de 4 jaar worden vervangen of in ieder geval om de 5 jaar. * De motorolie en het oliefilter moeten worden vervangen bij kwaliteitsverlies, dat wordt aangegeven door middel van een bericht of een brandend waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel; ververs de motorolie en het oliefilter in ieder geval om de 24 maanden. Als de auto overwegend in de stad wordt gebruikt en daardoor jaarlijks minder dan km wordt gereden, moet de motorolie en het oliefilter iedere 12 maanden vervangen worden.

198 PERIODIEKE CONTROLES Iedere km of voor een lange reis controleren en eventueel bijvullen: niveau van de motorkoelvloeistof; niveau van de remvloeistof; niveau van de ruitensproeiervloeistof; conditie en spanning van de banden; werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten enz.); werking ruitenwissers/-sproeiers voor/achter en stand/slijtage wisserbladen voor/achter. Iedere km controleren en eventueel bijvullen: motoroliepeil. Gebruik bij voorkeur producten van FL Selenia omdat die speciaal zijn afgestemd op de Fiat-modellen (zie de Vullingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens ). ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO Als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden rijdt, zoals: trekken van aanhangers of caravans; rijden op stoffige wegen; veel korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentemperaturen onder nul; veel langdurig stationair draaiende motor of lange ritten bij lage snelheden (bijv. bij huis-aan-huis bezorging) of als de auto lang stilstaat; in de stad; is het noodzakelijk de volgende controles vaker uit te voeren, dan in het Onderhoudsschema staat aangegeven: remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren; vergrendelmechanismen van de motorkap en achterklep op vervuiling controleren en mechanismen smeren; visueel de conditie controleren van: motor, versnellingsbak, aandrijfassen, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.) en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem; lading en vloeistofniveau (elektrolyt) accu controleren (uitsluitend door deskundig personeel of de Fiat-dealer laten uitvoeren zie ook de paragraaf Accu in dit hoofdstuk); conditie van diverse aandrijfriemen voor hulporganen visueel controleren; pollenfilter controleren en eventueel vervangen; luchtfilter controleren en eventueel vervangen. 197

199 NIVEAUS CONTROLEREN 1. Motorolie 2. Accu 3. Remvloeistof 4. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier 5. Motorkoelvloeistof 6. Olie van stuurbekrachtiging Let op. Tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden. Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen of dampen aanwezig zijn; brandgevaar. fig. 1 - uitvoeringen 1.8 F0L0522m 198

200 1. Motorolie 2. Accu 3. Remvloeistof 4. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier 5. Motorkoelvloeistof BELANGRIJK Wendt u voor het bijvullen en het eventueel vervangen van de olie van de stuurbekrachtiging bij de uitvoeringen 2.2 benzine, tot de Fiat-dealer. fig. 2 - uitvoeringen 2.2 F0L0158m Let op. Tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden. Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen aanwezig zijn; brandgevaar. 199

201 1. Motorolie 2. Accu 3. Remvloeistof 4. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier 5. Motorkoelvloeistof 6. Olie van stuurbekrachtiging fig. 3 - uitvoeringen 1.9 Multijet 8V Let op. Tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden. F0L0208m Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen aanwezig zijn; brandgevaar. 200

202 1. Motorolie 2. Accu 3. Remvloeistof 4. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier 5. Motorkoelvloeistof 6. Olie van stuurbekrachtiging fig. 4 - uitvoeringen 1.9 Multijet 16V F0L0521m Let op. Tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden. Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen of dampen aanwezig zijn; brandgevaar. 201

203 1. Motorolie 2. Accu 3. Remvloeistof 4. Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier 5. Motorkoelvloeistof 6. Olie van stuurbekrachtiging fig. 5 - uitvoeringen 2.4 Multijet 20V F0L0317m Let op. Tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden. Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen of dampen aanwezig zijn; brandgevaar. 202

204 fig. 6 - uitvoeringen 1.8 F0L0523m fig. 7 - uitvoeringen 2.2 F0L0198m fig. 9 - uitvoeringen 1.9 Multijet 16V MOTOROLIE F0L0210m Motoroliepeil controleren Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor. Verwijder de oliepeilstok A en maak de peilstok schoon. Plaats de peilstok geheel terug, verwijder de peilstok en controleer of het niveau tussen het MIN- en MAXmerkteken op de peilstok staat. Het verschil tussen het MIN- en MAX-merkteken komt overeen met ongeveer 1 liter olie. Motorolie bijvullen Als het olieniveau dicht bij of onder het MIN-merkteken staat, moet via de olievulopening B motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld. Het olieniveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden. fig. 8 - uitvoeringen 1.9 Multijet 8V F0L0211m BELANGRIJK Als het motoroliepeil, bij de periodieke controle, boven het MAX-niveau blijkt te staan, laat dan door de Fiatdealer het juiste niveau herstellen. BELANGRIJK Na het bijvullen of het verversen van de olie, moet u de motor enige seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enige minuten het olieniveau controleren. fig uitvoeringen 2.4 Multijet 20V F0L0316m Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding. Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilateur onverwacht kan inschakelen: kans op verwonding. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen. 203

205 Afgetapte motorolie en gebruikte oliefilters bevatten stoffen die schadelijk zijn voor het milieu. Het is raadzaam om het verversen van de olie en het vervangen van het oliefilter door de Fiatdealer te laten uitvoeren. Motorolieverbruik Als richtlijn geldt een maximaal motorolieverbruik van ongeveer 400 gram per 1000 km. De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste km stabiliseert. BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto. BELANGRIJK Vul nooit motorolie bij met andere specificaties dan de olie waarmee de motor is gevuld. fig. 11 F0L0194m KOELVLOEISTOF fig. 11 Het niveau van de koelvloeistof moet gecontroleerd worden bij een koude motor en mag niet onder het MIN-merkteken staan dat wordt aangegeven door de twee pijlen op het reservoir. Als het niveau onder het door de pijlen aangegeven punt staat, moet u langzaam, via de vuldop A van het reservoir, een mengsel van 50 % gedestilleerd water en PARAFLU UP van FL Selenia gieten. Een mengsel van PARAFLU UP en gedemineraliseerd water in een mengverhouding van 50% beveiligt tot een temperatuur van -35 C. Onder extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gedemineraliseerd water. Het motorkoelsysteem gebruikt PARAFLU UP-koelvloeistof. Als eventueel moet worden bijgevuld, gebruik dan vloeistof met dezelfde specificaties. PARAFLU UP kan niet worden gemengd met welke andere koelvloeistof dan ook. Als dit toch gebeurt, mag de motor absoluut niet worden gestart en moet u zich tot de Fiat-dealer wenden. Draai bij een zeer warme motor de dop van het expansiereservoir nooit los: gevaar voor verbranding. Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de dop indien nodig alleen door een exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het systeem in gevaar worden gebracht. 204

206 fig. 12 F0L0192m fig. 13 F0L0193m VLOEISTOF VOOR RUITENSPROEIERS VOOR/ACHTER EN KOPLAMPSPROEIERS Verwijder de dop A-fig. 12 en vul het reservoir met een mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 in de volgende mengverhouding: 30% TUTELA PROFESSIONAL SC 35 en 70% water in de zomer; 50% TUTELA PROFESSIONAL SC 35 en 50% water in de winter. Bij temperaturen onder 20 C TUTELA PROFESSIONAL SC 35 onverdund gebruiken. Controleer visueel het niveau van de vloeistof in het reservoir. Op de peilstok fig. 13 kan afgelezen worden hoeveel vloeistof er nog in het ruitensproeierreservoir zit. Rijd niet met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht. Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeiervloeistoffen zijn licht ontvlambaar. In de motorruimte bevinden zich warme onderdelen die bij contact de vloeistof kunnen doen ontbranden. fig uitvoeringen Multijet benzine F0L0212m OLIE VAN DE STUURBEKRACHTIGING fig. 14 Uitvoeringen 1.8 benzine en Multijet Controleer of de olie van de stuurbekrachtiging nog op het maximale niveau staat. De controle moet worden uitgevoerd als de auto op een vlakke ondergrond staat en bij een stilstaande koude motor. Controleer of het niveau bij het MAXmerkteken op de peilstok staat. De peilstok is vast met de dop A-fig. 14 van het reservoir verbonden. Als het niveau in het reservoir lager is dan het voorgeschreven niveau, wendt u dan tot de Fiat-dealer. 205

207 Uitvoeringen 2.2 Wendt u voor het bijvullen en het eventueel vervangen van de olie van de stuurbekrachtiging, tot de Fiat-dealer. Voorkom dat de olie van de stuurbekrachtiging in contact komt met warme delen van de motor: de olie is licht ontvlambaar. fig. 15 F0L0196m REMVLOEISTOF fig. 15 Draai de dop A los: controleer of het remvloeistofniveau nog op het maximum niveau staat. Het niveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden. Als vloeistof moet worden bijgevuld, dan raden wij u aan de remvloeistof te gebruiken die staat vermeld in de tabel Vloeistoffen en smeermiddelen (zie het hoofdstuk Technische gegevens ). OPMERKING Maak de dop van het reservoir A en het omringende oppervlak zorgvuldig schoon. Wees bij het openen van de dop bijzonder voorzichtig zodat er geen vuil in het reservoir kan komen. Gebruik voor het bijvullen altijd een trechter met een ingebouwde filterzeef van maximaal 0,12 mm. BELANGRIJK De remvloeistof is hygroscopisch (trekt water aan). Als de auto overwegend wordt gebruikt in gebieden met een hoge luchtvochtigheid, dan moet de vloeistof vaker worden vervangen dan in het Onderhoudsschema staat aangegeven. Voorkom contact tussen de zeer corrosieve vloeistof en de lak. Als remvloeistof wordt gemorst, moet de lak onmiddellijk met water worden afgespoeld. 206

208 De remvloeistof is giftig en zeer corrosief. Als per ongeluk remvloeistof wordt gemorst, moeten de betreffende delen onmiddellijk worden gewassen met water en neutrale zeep en daarna met veel water worden afgespoeld. Bij inslikken dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd. Het symbool π op het reservoir geeft aan dat synthetische remvloeistof en geen minerale vloeistof moet worden gebruikt. Het gebruik van minerale vloeistoffen moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vloeistoffen worden beschadigd. LUCHTFILTER/ POLLENFILTER Laat het luchtfilter of het pollenfilter vervangen door de Fiat-dealer. DIESELFILTER CONDENS AFTAPPEN (Multijet-uitvoeringen) Water in het brandstofsysteem kan het inspuitsysteem ernstig beschadigen en de motor kan onregelmatig gaan draaien. Als het lampje c gaat branden, wendt u dan zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer om het systeem te laten aftappen. Als het lampje direct na het tanken gaat branden, bestaat de mogelijkheid dat er tijdens het tanken water in de brandstoftank is gekomen: zet in dat geval onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Fiat-dealer. 207

209 208 ACCU De accu van de auto is onderhoudsarm : onder normale omstandigheden hoeft het elektrolyt niet bijgevuld te worden met gedestilleerd water. ACCULADING CONTROLEREN fig. 16 De acculading kan gecontroleerd worden door de kleur van de optische meter A (indien aanwezig), die zichtbaar is via de inspectieopening, te controleren. Als de accu niet voorzien is van een controle-instrument voor de acculading en het elektrolytniveau (optische hydrometer), mogen de controlewerkzaamheden uitsluitend door deskundig personeel worden uitgevoerd. Zie de volgende tabel of de sticker B op de accu. De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Voorkom contact met de huid en de ogen. Houd open vuur en vonkvormende apparaten verwijderd van de accu: brand- en ontploffingsgevaar. Als de accu werkt met een zeer laag vloeistofniveau, ontstaat onherstelbare schade aan de accu en kan de accu openbarsten. fig. 16 Heldere witte Elektrolyt bijvullen Wendt u tot de kleur Fiat-dealer Donkere kleur zonder Accu niet voldoende Accu opladen(het is raadgroen middenstuk opgeladen zaam dit door de Fiatdealer te laten uitvoeren) Donkere kleur met Niveau elektrolyt en Geen enkele handeling groen middenstuk acculading voldoende BELANGRIJK Wij raden u aan de acculading ieder jaar, bij voorkeur voor het begin van de winter, te controleren om de mogelijkheid van bevriezing van het elektrolyt te voorkomen. Voer deze controle vaker uit als de auto overwegend voor korte trajecten wordt gebruikt, of als accessoires zijn gemonteerd die permanent, ook bij uitgeschakeld contact, stroom verbruiken. Dit geldt in het bijzonder voor achteraf aangebrachte accessoires. F0L0191m ACCU VERVANGEN Als de accu vervangen wordt, moet een originele accu met dezelfde specificaties worden geïnstalleerd. Als de accu vervangen wordt door een accu met andere specificaties, vervallen de onderhoudsintervallen die in het Onderhoudsschema staan aangegeven. Voor het onderhoud van de nieuwe accu dient u zich strikt te houden aan de aanwijzingen van de fabrikant van de accu.

210 Onoordeelkundige montage van elektrische en elektronische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de auto. Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren (diefstalalarm, mobiele telefoon enz.), wendt u dan tot de Fiat-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden en controleren of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. Accu s bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het is raadzaam om de accu door de Fiat-dealer te laten vervangen. De dealer beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen afvoeren van de accu. Als u de auto langere tijd stalt in extreem koude omstandigheden moet, om bevriezing te voorkomen, de accu worden verwijderd en op een verwarmde plaats worden bewaard. Bij werkzaamheden aan de accu of in de buurt van de accu, moet u uw ogen altijd beschermen met een speciale bril. PRAKTISCHE TIPS OM DE LEVENSDUUR VAN DE ACCU TE VERLENGEN Om het snel ontladen van de accu te voorkomen en de levensduur te verlengen, dient u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen: wanneer u de auto parkeert, controleer dan of de portieren, de motorkap en de achterklep goed gesloten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat de interieurverlichting blijft branden; schakel de interieurverlichting uit: de auto is in ieder geval uitgerust met een systeem voor automatische uitschakeling van de interieurverlichting; voorkom zoveel mogelijk het gebruik van stroomverbruikers als de motor uitstaat (autoradio, waarschuwingsknipperlichten enz.); maak voordat werkzaamheden aan de elektrische installatie van de auto worden uitgevoerd, eerst de klem van de minpool van de accu los; de klemmen moeten altijd goed zijn bevestigd. BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is, raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug. Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (reeds bij temperaturen van 10 C). Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie dan Auto langere tijd stallen in het hoofdstuk Starten en rijden. Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, raden wij u aan contact op te nemen met de Fiat-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties uit het Fiat Lineacccessori-programma aanraden en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. Enkele van deze stroomverbruikers blijven continu stroom verbruiken ook bij een uitgezette motor, waardoor de accu geleidelijk kan ontladen. 209

211 Het totale energieverbruik van deze accessoires (standaard en achteraf gemonteerde accessoires) moet, bij uitgenomen contactsleutel, minder zijn dan 0,6 ma x Ah (van de accu), zoals in de volgende tabel staat vermeld: Accu van Maximum stroomverbruik bij stilstaande motor 70 Ah 42 ma 90 Ah (*) 54 ma (*) Uitvoeringen met diefstalalarm. WIELEN EN BANDEN De spanning van de banden, inclusief het noodreservewiel, moet regelmatig, om de twee weken en voor een lange rit, worden gecontroleerd: de bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd. Tijdens het rijden neemt de bandenspanning toe; zie voor de juiste waarde van de bandenspanning de paragraaf Wielen in het hoofdstuk Technische gegevens. Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden: A juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak. B te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak. C te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak. Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de bepalingen van het land waarin u rijdt. fig. 17 F0L0159m BELANGRIJKE AANWIJZINGEN Voorkom bruusk remmen, met spinnende wielen optrekken, harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen en andere obstakels. Het langdurig rijden op een slecht wegdek kan de banden beschadigen; controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Als u deze gebreken constateert, wendt u dan tot de Fiat-dealer; rijd nooit met een te zwaar beladen auto: hierdoor kunnen de banden en de velgen ernstig beschadigd worden; 210

212 stop zo snel mogelijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen; banden verouderen, ook als zij weinig of nooit gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen geven aan dat de band verouderd is. Banden die langer dan zes jaar onder een auto gemonteerd zijn, moeten dan ook door een specialist worden gecontroleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het noodreservewiel; monteer nooit gebruikte banden of banden, waarvan de herkomst onbekend is; bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden; om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de / km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een omkering van de draairichting wordt voorkomen. Bedenk dat ook de wegligging afhankelijk is van een juiste bandenspanning. Door een te lage bandenspanning wordt de band te heet, waardoor onherstelbare inwendige schade aan de band kan ontstaan. Verwissel de banden niet kruiselings, waarbij de banden van de rechterzijde aan de linkerzijde en omgekeerd worden gemonteerd. RUBBER SLANGEN Houd voor de rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het Onderhoudsschema in dit hoofdstuk aan. Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem kan gaan lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk. Voer bij lichtmetalen velgen geen spuitwerkzaamheden uit die een temperatuur vereisen boven 150 C. De mechanische eigenschappen van de wielen kunnen hierdoor in gevaar worden gebracht. 211

213 RUITENWISSERS/ ACHTERRUITWISSER WISSERBLADEN Maak de wisserbladen regelmatig schoon met een schoonmaakmiddel; wij raden TU- TELA PROFESSIONAL SC 35 aan. Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is. Het verdient aanbeveling ten minste één maal per jaar de wisserbladen te vervangen. Met enkele simpele voorzorgsmaatregelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen: wanneer de temperatuur onder 0 C is gedaald, moet gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit. Maak de wissers zo nodig vrij met een anti-vriesmiddel; verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de ruit: om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen; schakel de ruitenwissers/achterruitwisser niet op een droge ruit in. Rijden met versleten ruitenwisserbladen is gevaarlijk, omdat hierdoor het zicht onder slechte atmosferische omstandigheden aanzienlijk wordt beperkt. fig. 18 F0L0203m Wisserbladen voor vervangen fig. 18 Ga als volgt te werk: til de wisserarm A van de voorruit en plaats het wisserblad onder een hoek van 90 ten opzichte van de arm; verwijder het geklemde wisserblad B van de arm A; monteer het nieuwe wisserblad en controleer of het geborgd is. fig. 19 F0L0150m Wisserblad achter vervangen fig. 19 Ga als volgt te werk: kantel het dopje A omhoog, draai de moer B los, waarmee de wisserarm aan de as is bevestigd, en neem de arm van de as; plaats de nieuwe wisserarm in de juiste stand en draai de moer zorgvuldig vast; kantel het dopje naar beneden. 212

214 fig. 20 F0L0152m fig. 21 F0L0151m RUITENSPROEIERS Voorruit (ruitensproeiers) fig. 20 Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje (zie de paragraaf Niveaus controleren in dit hoofdstuk). Controleer vervolgens of de ruitensproeiermonden niet verstopt zijn. Deze kunnen zo nodig met een speld worden doorgeprikt. De stralen moeten op ongeveer 1/3 van de bovenkant van de ruit worden gericht. Achterruit (achterruitsproeier) fig. 21 De stralen van de achterruitsproeier kunnen op dezelfde manier worden afgesteld als die van de ruitensproeiers voor. De sproeier is ingebouwd boven de achterruit. KOPLAMPSPROEIERS Controleer regelmatig of de koplampsproeiers schoon en in goede staat zijn. De koplampsproeiers werken automatisch als het dimlicht brandt en de ruitensproeiers worden ingeschakeld. CARROSSERIE BESCHERMING TEGEN ATMOSFERISCHE INVLOEDEN De belangrijkste oorzaken van roest zijn: luchtverontreiniging; zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat); omgevings-/seizoensinvloeden. Ook de invloed van schurende elementen, zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, modder en steenslag op de lak en de onderzijde moet niet worden onderschat. Fiat heeft voor uw auto de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie efficiënt tegen roest te beschermen. De belangrijkste zijn: de toepassing van aangepaste spuittechnieken en lakproducten die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen verlenen; het gebruik van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid; 213

215 214 het aanbrengen van een gespoten beschermende waslaag op de onderzijde, in de wielkuipen, in de motorruimte en verschillende holle ruimtes, met een hoog beschermend vermogen; het aanbrengen van een beschermende kunststof laag op kwetsbare delen: onderzijde van de portieren, binnenzijde van de spatborden, naden, randen enz.; toepassing van open holle ruimtes om condensvorming te voorkomen en binnendringend water af te voeren, waardoor roest van binnenuit wordt voorkomen. CARROSSERIEGARANTIE Bij de auto is de carrosserie tegen doorroesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd. Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar de Service- en garantiehandleiding. TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE Lak De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie. Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen. Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie Plaatje met informatie over de carrosserielak in het hoofdstuk Technische gegevens ). Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving. Het is raadzaam de auto vaker te wassen bij sterke luchtverontreiniging of bij het rijden over wegen met strooizout. De juiste wasmethode: spoel de auto eerst met een waterstraal onder lage druk af; was de auto met een zachte spons met een oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij de spons regelmatig uit; spoel de auto af met schoon water en droog de auto met warme lucht of een schone, zachte zeem. Als u de auto in een wasstraat wast, houdt u dan aan de volgende aanbevelingen: verwijder de antenne van het dak om beschadiging te voorkomen; de auto moet worden gewassen met water waaraan een zeepoplossing is toegevoegd; overvloedig met water naspoelen om te voorkomen dat zeepresten op de carrosserie of op de minder zichtbare delen achterblijven. Enkele wasstraten zijn voorzien van oude en/of slecht onderhouden borstels die schade aan de laklaag kunnen veroorzaken, waardoor microkrasjes sneller kunnen ontstaan en de lak dof wordt vooral bij donkere kleuren. Als dit zich voordoet, kunt u de lak licht polijsten met specifieke producten. De minder zichtbare delen zoals de randen van de portieren, achterklep, motorkap en de koplampranden moeten tijdens het drogen niet vergeten worden, omdat daar water kan blijven staan. Het verdient aanbeveling de auto na het wassen niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de auto nog even buiten te laten staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen.

216 Was de auto nooit in de zon of als de motorkap nog warm is: omdat dan de glans van de lak kan afnemen: de glans van de lak kan afnemen. De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen. Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot. BELANGRIJK Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen. Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd. Ruiten Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen. BELANGRIJK Let er bij het schoonmaken van de binnenzijde van de achterruit op dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden. Motorruimte Het verdient aanbeveling de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig te laten uitspuiten. Hierbij mag de waterstraal niet direct op de elektronische regeleenheden worden gericht. Laat deze werkzaamheden verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf. BELANGRIJK Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de contactsleutel in stand OFF staan en de motor koud zijn. Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (rubber kappen, deksels enz.) nog op hun plaats zitten en niet beschadigd zijn. INTERIEUR Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu s enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden. STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. Voor een nog betere reiniging van de stoffen bekleding raden wij u aan de borstel vochtig te maken. Reinig de zittingen met een vochtige spons en een oplossing van water en neutrale zeep. MET LEER BEKLEDE STOELEN Verwijder droog vuil met een zeemleer of een iets vochtige doek, zonder hard te drukken. Dep een vochtige vlek of vet met een droge en absorberende doek en wrijf daarbij niet. Behandel de plek vervolgens met een doek of zeem bevochtigd met water en een neutrale zeep. 215

217 Als de vlek nog niet verwijderd is, behandel de vlek dan met een speciaal schoonmaakmiddel, waarbij de instructies op de verpakking strikt moeten worden opgevolgd. BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol. Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van de interieurdelen van de auto. De elektrostatische lading die tijdens het reinigen door het wrijven ontstaat, kan brand veroorzaken. LEREN STUURWIEL/POOKKNOP Reinig deze componenten uitsluitend met water en neutrale zeep. Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol. Voordat u speciale producten gebruikt voor het reinigen van de interieurdelen, moet u eerst de aanwijzingen op het etiket van het product lezen en controleren of het geen alcohol en/of substanties op basis van alcohol bevat. Als tijdens het reinigen van de voorruit met speciaal daarvoor bestemde producten, druppels op het leer van het stuurwiel of de pookknop terechtkomen, moeten deze onmiddellijk worden verwijderd en het betreffende gebied met water en neutrale zeep worden afgenomen. BELANGRIJK Wees zeer voorzichtig bij het gebruik van mechanische diefstalbeveiligingen op het stuurwiel om beschadiging van de leren bekleding te voorkomen. KUNSTSTOF INTERIEURDELEN Gebruik speciale reinigingsmiddelen om het visuele effect van de componenten niet te wijzigen. BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol of benzine om het glas van het instrumentenpaneel schoon te maken. Bewaar nooit spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet worden blootgesteld aan temperaturen boven 50 C. In de zomer kan de temperatuur in het interieur ver boven deze waarde oplopen. 216

218 IDENTIFICATIE MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN. 220 MOTOR BRANDSTOFSYSTEEM TRANSMISSIE REMMEN WIELOPHANGING STUURINRICHTING WIELEN AFMETINGEN PRESTATIES GEWICHTEN VULLINGSTABEL VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN BRANDSTOFVERBRUIK CO 2 -EMISSIE RADIOGOLF-AFSTANDSBEDIENING: MINISTERIËLE GOEDKEURING

219 IDENTIFICATIE Wij raden u aan om nota te nemen van de identificatiegegevens. De identificatiegegevens zijn op de volgende typeplaatjes ingeslagen: Typeplaatje met identificatiegegevens Chassisnummer Plaatje met informatie over de carrosserielak Motorcode. I L Motortype. Code van de carrosserie-uitvoering. M Nummer voor de onderdelen. N Correctiewaarde voor de uitlaatrookgasmeting (alleen bij dieselmotoren). TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIE fig. 1 Het typeplaatje is aangebracht op de fronttraverse in de motorruimte en bevat de volgende informatie: B Nummer typegoedkeuring. C Identificatiecode van het autotype. D Chassisnummer. E Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto. F Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto met aanhanger. G Max. toelaatbare voorasbelasting. H Max. toelaatbare achterasbelasting. fig. 1 F0L0415m 218

220 MOTORCODE De motorcode is in het cilinderblok ingeslagen en bestaat uit het motortype en een oplopend productienummer. CHASSISNUMMER fig. 2 Het chassisnummer is ingeslagen in de bodemplaat naast de rechter voorstoel. Het is bereikbaar nadat het klepje in de vloerbedekking is opgetild en bevat de volgende gegevens: type van de auto; oplopend productienummer. PLAATJE MET INFORMATIE OVER DE CARROSSERIELAK fig. 3 Het plaatje is op de binnenzijde van de motorkap aangebracht en bevat de volgende informatie: A Fabrikant van de lak. B Kleurbenaming. C Kleurcode. D Kleurcode voor bijwerken en overspuiten. fig. 2 F0L0204m fig. 3 F0L0161m 219

221 220 MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN Typecode motor Code van de carrosserie-uitvoering A AXG1A08C A AXA1A00C 2.2 aut. 194A AXA1201C 1.9 Multijet 8V (met DPF) 939A AXB1B02C 1.9 Multijet 8V (zonder DPF) 939A AXB1B02D 1.9 Multijet 8V (met DPF) (*) 939A BXB1BCX 1.9 Multijet 8V (zonder DPF) (*) 939A BXB1BDX 1.9 Multijet 8V 115 pk (*) 939A AXE1B06B 1.9 Multijet 16V (met DPF) 939A AXC1B03E 1.9 Multijet 16V (zonder DPF) 939A AXC1B03F 1.9 Multijet 16V aut. (met DPF) 939A AXC1204B 1.9 Multijet 16V (met DPF) (*) 939A BXC1BCX 939A BXC12BX 1.9 Multijet 16V (zonder DPF) (*) 939A BXC1BDX 1.9 Multijet 16V 135 pk (*) 939A AXF1B07C 1.9 Multijet 16V aut. 135 pk (*) 939A AXF1209B 2.4 Multijet 20V aut. (met DPF) 939A AXD1205B (*) Uitvoering voor bepaalde markten.

222 MOTOR ALGEMENE INFORMATIE Typecode Cyclus Aantal en opstelling cilinders Boring en slag mm Cilinderinhoud cm 3 Compressieverhouding Max. vermogen (EU) kw pk bijbehorend toerental min -1 Max. koppel (EU) Nm kgm bijbehorend toerental min -1 Bougies aut. 939A4000 Otto 4 in lijn 80,5 x 88, ,5 : , BOSCH FQR 8 LEU2 194A1000 Otto 4 in lijn 86 x 94, ,0 : , AC DELCO HLR8STEX 194A1000 Otto 4 in lijn 86 x 94, ,0 : , AC DELCO HLR8STEX Brandstof Loodvrije benzine 95 RON (specificatie EN228) Loodvrije benzine 95 RON (specificatie EN228) Loodvrije benzine 95 RON (specificatie EN228) 221

223 ALGEMENE INFORMATIE Typecode 1.9 Multijet 8V 939A Multijet 16V 939A Multijet 16V aut. 939A Multijet 20V aut. 939A3000 Cyclus Aantal en opstelling cilinders Diesel 4 in lijn Diesel 4 in lijn Diesel 4 in lijn Diesel 5 in lijn Boring en slag mm Cilinderinhoud cm 3 82 x 90, x 90, x 90, x 90, Compressieverhouding Max. vermogen (EU) kw pk bijbehorend toerental min -1 18,0 : 1 88 (85*) 120 (115*) ,5 : (100*) 150 (135*) ,5 : (100*) 150 (135*) ,0 : Max. koppel (EU) Nm kgm bijbehorend toerental min , , , , Brandstof Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) (*) Uitvoering voor bepaalde markten 222

224 BRANDSTOFSYSTEEM Multijet Brandstofsysteem Elektronisch geregelde directe inspuiting Multijet Common Rail met turbocompressor en intercooler Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken. TRANSMISSIE Versnellingsbak Aandrijving aut. 1.9 Multijet 1.9 Multijet 16V aut. 2.4 Multijet 20V aut. 5 + Achteruit voor automatisch 5 + Achteruit met tipbediening voor 6 + Achteruit voor automatisch 6 + Achteruit met tipbediening voor 223

225 REMMEN Multijet 8V 2.4 Multijet 20V aut. 1.9 Multijet 16V Voetrem: voor achter Handrem Geventileerde schijfremmen Schijfremmen Bediend met handremhefboom, werkend op de achterwielen Geventileerde schijfremmen Geventileerde schijfremmen Bediend met handremhefboom, werkend op de achterwielen BELANGRIJK Water, ijs en strooizout op de wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remvertraging iets later wordt bereikt. WIELOPHANGING Voor Achter Multijet Onafhankelijke wielophanging, type McPherson Onafhankelijke multilink-ophanging STUURINRICHTING Type Draaicirkel (tussen stoepranden) m Multijet 2.4 Multijet 20V aut. Elektrohydraulische stuurbekrachtiging Elektrohydraulische stuurbekrachtiging 11,45 11,80 224

226 WIELEN NOODRESERVEWIEL Geperst stalen velg. Tubeless band. WIELUITLIJNING Wendt u voor een correcte wieluitlijning tot de Fiat-dealer. fig. 4 VERKLARING VAN DE CODERING OP DE BANDEN fig. 4 F0L0162m Voorbeeld: 205/55 R V 205 = Nominale breedte (S, afstand in mm tussen de flanken). 55 = Hoogte/breedte-verhouding (H/S) (percentage). R = Radiaalband. 16 = Diameter van de velg (in inch) (Ø). 91 = Beladingsindex (draagvermogen). V = Snelheidsindex. VELGEN EN BANDEN Geperst stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven. BELANGRIJK Als de gegevens in het instructieboekje afwijken van die van de typegoedkeuring, dient u zich altijd aan de gegevens van de typegoedkeuring te houden. Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en hetzelfde type. BELANGRIJK In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden. 225

227 Beladingsindex (draagvermogen) 60 = 250 kg 84 = 500 kg 61 = 257 kg 85 = 515 kg 62 = 265 kg 86 = 530 kg 63 = 272 kg 87 = 545 kg 64 = 280 kg 88 = 560 kg 65 = 290 kg 89 = 580 kg 66 = 300 kg 90 = 600 kg 67 = 307 kg 91 = 615 kg 68 = 315 kg 92 = 630 kg 69 = 325 kg 93 = 650 kg 70 = 335 kg 94 = 670 kg 71 = 345 kg 95 = 690 kg 72 = 355 kg 96 = 710 kg 73 = 365 kg 97 = 730 kg 74 = 375 kg 98 = 750 kg 75 = 387 kg 99 = 775 kg 76 = 400 kg 100 = 800 kg 77 = 412 kg 101 = 825 kg 78 = 425 kg 102 = 850 kg 79 = 437 kg 103 = 875 kg 80 = 450 kg 104 = 900 kg 81 = 462 kg 105 = 925 kg 82 = 475 kg 106 = 950 kg 83 = 487 kg Snelheidsindex Q = tot 160 km/h. R = tot 170 km/h. S = tot 180 km/h. T = tot 190 km/h. U = tot 200 km/h. H = tot 210 km/h. V = tot 240 km/h. W = tot 270 km/h. Y = tot 300 km/h. Maximum snelheid bij winterbanden QM + S = tot 160 km/h. TM + S = tot 190 km/h. HM + S = tot 210 km/h. VERKLARING VAN DE CODERING OP DE VELGEN VOORBEELD: 6 1/2 J X 16 H2 ET41 6 1/2 = breedte van de velg in inch (1). J = velgbedprofiel (deel aan de zijkanten waarop de band steunt) (2). 16 = montagediameter in inch (komt overeen met die van de band die gemonteerd moet worden) (3 = Ø). H2 = vorm en aantal humps (vorm van de velgrand die de wang van de tubeless band op zijn plaats houdt). ET 41 = diepte van de velgbolling (afstand tussen het montagevlak van de velg op de naaf en het velghart). 226

228 UITVOERINGEN VELGEN (*) BANDEN NOODRESERVEWIEL Standaard Winterbanden Velgmaat Bandenmaat 1.8 6,5J x 16 - ET 36/41 205/55 R16 91V 205/55 R16 91 H (M+S) 6,5J x 16 - ET 36/41 215/55 R16 93W 215/55 R16 93 H (M+S) 4J /70 R16 92M 7J x 17 - ET 36/41 215/50 R17 91W 215/50 R17 91 H (M+S) aut. 6,5J x 16 - ET 36/41 205/55 R16 91V 205/55 R16 91 H (M+S) 6,5J x 16 - ET 36/41 215/55 R16 93W 215/55 R16 93 H (M+S) 7J x 17 - ET 36/41 215/50 R17 91W 215/50 R17 91 H (M+S) 4J /70 R16 92M 7.5J x 18 - ET 36/41 225/45 R18 95W (Ô) 225/45 R18 95 H (M+S) 1.9 Multijet 8V 6,5J x 16 - ET 36/41 205/55 R16 91V 205/55 R16 91 H (M+S) 1.9 Multijet 16V 6,5J x 16 - ET 36/41 215/55 R16 93W 215/55 R16 93 H (M+S) 1.9 Multijet 16V aut. 7J x 17 - ET 36/41 215/50 R17 91W 215/50 R17 91 H (M+S) 4J /70 R16 92M 7.5J x 18 - ET 36/41 225/45 R18 95W (Ô) 225/45 R18 95 H (M+S) 2.4 Multijet 20V aut. 7J x 17 - ET 36/41 215/50 R17 95W 215/50 R17 91 H (M+S) 7.5J x 18 - ET 36/41 225/45 R18 95W (Ô) 225/45 R18 95 H (M+S) (Ô) Ongeschikt voor sneeuwkettingen. (*) De ET-waarde 41 heeft betrekking op velgen die zijn opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma. Opmerking: Alle velgen op de auto moeten dezelfde ET-waarde hebben. 4J /70 R16 92M 227

229 BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Benzine-uitvoeringen STANDAARD BANDEN RESERVE- Bandenmaat Bij gemiddelde belading Volbeladen WIEL Voor Achter Voor Achter 205/55 R16 91V 2,4 2,4 2,7 2, /55 R16 93W 2,4 2,4 2,5 2,5 215/50 R17 91W 2,4 2,4 2,6 2,6 4,2 205/55 R16 91V 2,4 2,4 2,8 2,7 215/55 R16 93W 2,4 2,4 2,5 2, /50 R17 91W 2,4 2,4 2,7 2,6 4,2 225/45 R18 95W 2,4 2,4 2,7 2,6 205/55 R16 91V 2,4 2,4 2,7 2,6 215/55 R16 93W 2,4 2,4 2,5 2,5 2.2 aut. 215/50 R17 91W 2,4 2,4 2,6 2,5 4,2 225/45 R18 95W 2,4 2,4 2,6 2,5 Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de spanning opnieuw bij koude banden. Bij winterbanden moet de in de tabel aangegeven waarde van de standaard gemonteerde banden met 0,2 bar verhoogd worden. Bij rijden met snelheden boven 160 km/h moet de bandenspanning worden verhoogd tot de waarden voor volle belading. 228

230 Multijet-uitvoeringen 1.9 Multijet 8V 1.9 Multijet 16V STANDAARD BANDEN RESERVE- Bandenmaat Bij gemiddelde belading Volbeladen WIEL Voor Achter Voor Achter 205/55 R16 91V 2,4 2,4 2,7 2,6 215/55 R16 93W 2,4 2,4 2,5 2,5 215/50 R17 91W 2,4 2,4 2,6 2,5 225/45 R18 95W 2,4 2,4 2,6 2,5 205/55 R16 91V 2,4 2,4 2,8 2,7 215/55 R16 93W 2,4 2,4 2,5 2,5 215/50 R17 91W 2,4 2,4 2,7 2,6 225/45 R18 95W 2,4 2,4 2,6 2,5 205/55 R16 91V 2,4 2,4 2,7 2,6 1.9 Multijet 16V 215/55 R16 93W 2,4 2,4 2,5 2,5 aut. 215/50 R17 91W 2,4 2,4 2,7 2,6 225/45 R18 95W 2,4 2,4 2,6 2,5 2.4 Multijet 20V 215/50 R17 95W 2,6 2,5 2,9 2,7 aut. 225/45 R18 95W 2,6 2,5 2,8 2,6 Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de spanning opnieuw bij koude banden. Bij winterbanden moet de in de tabel aangegeven waarde van de standaard gemonteerde banden met 0,2 bar verhoogd worden. Bij rijden met snelheden boven 160 km/h moet de bandenspanning worden verhoogd tot de waarden voor volle belading. 4,2 4,2 4,2 4,2 229

231 AFMETINGEN De afmetingen zijn aangegeven in mm en hebben betrekking op een auto die is uitgerust met standaard banden. De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto. Inhoud bagageruimte Inhoud bij onbeladen auto (VDA-norm) dm 3 Inhoud bij neergeklapte rugleuning van achterbank dm 3 B C A D E F G H fig. 5 Uitvoeringen A B C D E F G H F0L0536m aut. 1.9 Multijet 8V 1.9 Multijet 16V 2.4 Multijet 20V aut (*) 1524 ( ) ( ) (*) 1623 met dakrails; afhankelijk van de velgmaat kunnen er kleine verschillen zijn in de maten. ( ) Vanaf de grond met 3 inzittenden

232 PRESTATIES Max. snelheid na de inrijperiode van de auto, in km/h. BENZINE-UITVOERINGEN aut MULTIJET-UITVOERINGEN 1.9 Multijet 8V 1.9 Multijet 16V 1.9 Multijet 16V aut. 2.4 Multijet 20V aut (200*) 216 (*) Uitvoering voor bepaalde markten 231

233 GEWICHTEN Gewichten (kg) Rijklaargewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank voor 90% gevuld en zonder optionals) Nuttig laadvermogen (*) inclusief de bestuurder: Max. toelaatbaar gewicht (**) vooras: achteras: totaal: Trekgewichten geremd: ongeremd: Max. dakbelasting (***): Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): aut. (*) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt. (**) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden. (***) Allesdrager opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma, max. draagvermogen: 50 kg

234 Gewichten (kg) Rijklaargewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank voor 90% gevuld en zonder optionals) Nuttig laadvermogen (*) inclusief de bestuurder: Max. toelaatbaar gewicht (**) vooras: achteras: totaal: Trekgewichten geremd: ongeremd: Max. dakbelasting (***): Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): 1.9 Multijet 8V Multijet 16V Multijet 16V aut. 2.4 Multijet 20V aut (*) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt. (**) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden. (***) Allesdrager opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma, max. draagvermogen: 50 kg

235 VULLINGSTABEL 1.8 liter kg 2.2 liter kg 2.2 aut. liter kg Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen Brandstoftank: inclusief een reserve van: Motorkoelsysteem met airconditioning: Carter en filter: Handgeschakelde versnellingsbak en differentieel: Hydraulisch remcircuit met ABS: Elektrohydr. stuurbekrachtiging: Vloeistofreservoir ruiten-/achterruitsproeier/koplampsproeiers: (*) ,4 4,5 1,6 1,3 0,750 0,7 0,59 3 (5) ,4 5 1,8 1,5 0,750 0,9 0,75 3 (5) ,4 5 0,750 0,9 0,75 3 (5) Loodvrije benzine met octaangetal van ten minste 95 RON (specificatie EN228) Mengsel van gedemineraliseerd water en 50% PARAFLU UP ( ) SELENIA K P.E. TUTELA CAR TECHNYX TUTELA CAR MATRIX TUTELA TOP 4 Wendt u tot de Fiat-dealer TUTELA PROFESSIONAL SC 35 (*) De waarden tussen haakjes hebben betrekking op de uitvoeringen met koplampsproeiers. ( ) Onder extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gedemineraliseerd water. 234

236 Brandstoftank: inclusief een reserve van: Motorkoelsysteem met airconditioning: Carter en filter: Handgeschakelde versnellingsbak/differentieel: Hydraulisch remcircuit met ABS: Elektrohydr. stuurbekrachtiging: Vloeistofreservoir ruitensproeiers/achterruitsproeier/ koplampsproeiers: (*) 1.9 Multijet 8V liter kg ,7 4,5 1,9 1,6 0,750 0,7 0,59 3 (5) 1.9 Multijet 16V liter kg ,7 4,5 1,9 1,6 0,750 0,7 0,59 3 (5) 1.9 Multijet 16V aut. liter kg ,7 4,5 0,750 0,7 0,59 3 (5) 2.4 Multijet 20V aut. liter kg ,4 5,4 0,750 0,7 0,59 3 (5) Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) Mengsel van gedemineraliseerd water en 50% PARAFLU UP ( ) SELENIA WR TUTELA CAR TECHNYX TUTELA CAR MATRIX TUTELA TOP 4 Wendt u tot de Fiat-dealer TUTELA PROFESSIONAL SC 35 (*) De waarden tussen haakjes hebben betrekking op de uitvoeringen met koplampsproeiers. ( ) Onder extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gedemineraliseerd water. 235

237 VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN SPECIFICATIES EN AANBEVOLEN PRODUCTEN Gebruik Specificaties v/d vloeistoffen en smeermiddelen Vloeistoffen + smeermiddelen Vervangingsvoor een correct functioneren van de auto (originele) interval Smering voor benzinemotoren Smering voor dieselmotoren Motorolie SAE 5W-40 ACEA C3 op synthetische basis met kwalificatie FIAT S2 Motorolie SAE 5W-40 op synthetische basis met kwalificatie FIAT N2 SELENIA K P.E. Contractual Technical Reference N F603.C07 SELENIA WR Contractual Technical Reference N F515.D06 Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema Als bij dieselmotoren in geval van nood geen originele producten beschikbaar zijn, moeten de smeermiddelen minimaal voldoen aan de specificaties ACEA B4; in dit geval zijn de optimale prestaties van de motor niet gegarandeerd en is het raadzaam de olie zo snel mogelijk bij de Fiat-dealer te laten vervangen door het voorgeschreven smeermiddel. Het gebruik van producten die niet voldoen aan de specificaties ACEA C3 en ACEA B4 kan beschadigingen aan de motor veroorzaken die niet door de garantie gedekt worden. Vraag bij gebruik onder extreem koude klimatologische omstandigheden de Fiat-dealer om het juiste product uit de Selenia-lijn. 236

238 Gebruik Specificaties van de vloeistoffen en smeermiddelen Vloeistoffen + smeer- Toepassing voor een correct functioneren van de auto middelen(originele) Olie en vetten voor krachtoverbrengingen Remvloeistof Antivries voor radiateur Toevoeging voor dieselbrandstof Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier/ koplampsproeiers Synthetische olie SAE 75W-85 Voldoet ruimschoots aan de specificaties API GL-4 PLUS, FIAT Synthetische olie SAE 75W-85. Voldoet ruimschoots aan de specificaties API GL-4 Specifiek vet met een lage wrijvingscoëfficiënt voor homokinetische koppelingen. Indringingsgetal N.L.G.I. 0-1 Vet met molybdeenbisulfide voor hoge bedrijfstemperaturen. Indringingsgetal N.L.G.I. 1-2 Synthetische remvloeistof FMVSS nr. 116 DOT 4, ISO 4925 SAE J1704, CUNA NC Roodgekleurd beschermingsmiddel met antivries op basis van glycol-monoethyleen met organische formule. Voldoet ruimschoots aan de specificaties CUNA NC , ASTM D Toevoeging voor dieselbrandstof met beschermende werking voor dieselmotoren Mengsel van alcoholen en oppervlakte-actieve stoffen CUNA NC TUTELA CAR TECHNYX TUTELA CAR MATRYX TUTELA STAR 700 TUTELA ALL STAR TUTELA TOP 4 PARAFLU UP ( ) TUTELA DIESEL ART TUTELA PROFESSIONAL SC 35 Mechanische versnellingsbak en differentieel Mechanische versnellingsbak en differentieel Homokinetische koppeling aan differentieelzijde Homokinetische koppelingen aan wielzijde Hydraulisch remsysteem en koppelingbediening Motorkoelsysteem. Mengverhouding: 50% water en 50% PARAFLU UP PARAFLU UP ( ) Vermengen met dieselolie (25 cc per 10 liter) Onverdund of met water gebruiken ( ) BELANGRIJK Nooit bijvullen of mengen met vloeistoffen waarvan de specificaties afwijken van hetgeen is voorgeschreven. ( ) Onder extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gedemineraliseerd water. 237

239 BRANDSTOFVERBRUIK Het brandstofverbruik dat in de tabellen op de volgende pagina is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd. Het brandstofverbruik is gemeten volgens onderstaande procedure: een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer; een testrit buiten de stad: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd. De snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h; gecombineerd verbruik: hierbij telt de waarde van de stadsrit mee voor 37% en de waarde van de testrit buiten de stad voor 63%. BELANGRIJK Het soort wegdek, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, rijstijl, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en andere situaties die de aerodynamica kunnen beïnvloeden, leveren een ander brandstofverbruik op dan hier vermeld. 238

240 Brandstofverbruik volgens EU-normen 1999/100 (liter x 100 km) Benzine-uitvoeringen aut. Stadsverkeer 9,8 11,4 12,5 Buitenweg 6,0 6,7 7,6 Gecombineerd traject 7,4 8,4 9,4 Multijet-uitvoeringen 1.9 Multijet 8V 1.9 Multijet 16V 1.9 Multijet 16V aut. 2.4 Multijet 20V aut. Stadsverkeer 7,9 8,1 9,3 10,3 Buitenweg 5,0 4,9 5,8 5,4 Gecombineerd traject 6,1 6,1 7,1 7,2 239

241 CO 2 -EMISSIE De CO 2 -emissie, vermeld in de volgende tabellen, is gemeten op een gecombineerd traject. CO 2 -emissie volgens EU-normen 1999/100 (g/km) Benzine-uitvoeringen aut Multijet-uitvoeringen 1.9 Multijet 8V 1.9 Multijet 16V 1.9 Multijet 16V aut. 2.4 Multijet 20V aut

242 RADIOGOLF-AFSTANDSBEDIENING: Ministeriële goedkeuring Toelatingscode Europese Unie en landen die de richtlijn toepassen Marokko Zuid-Afrika T194 AGREE PAR L ANRT MAROC MR 2061 ANRT 2005 le 03/06/2005 Désignation : Emetteur Marque / type : TRW / T194 Constructeur / Pays : TRW Automotive Italia SPA / Italy TA-2005/817 APPROVATED NTR194 AGREE PAR L ANRT MAROC MR 2061 ANRT 2005 le 03/06/2005 Désignation : Emetteur Marque / type : TRW / T194 Constructeur / Pays : TRW Automotive Italia SPA / Italy TA-2005/816 APPROVATED 241

243 242

244 Aansteker ABS storingslampje ABS Accu - accu opladen accu vervangen acculading controleren lampje te lage laadstroom voor accu praktische tips om de levensduur van de accu te verlengen starten met een hulpaccu Achterklep openen in noodgevallen Achterlichtunits - achterlichtunit op achterklep buitenste achterlichtunit gloeilampen vervangen Achterruitsproeier - bediening vloeistofniveau Achterruitwisser - bediening ruitensproeiers wisserblad Achteruitrijlicht Afmetingen Airbag - storingslampje airbag Algemeen storingslampje Antenne Armsteun achter Armsteun voor met opbergvak en koelvak Asbak (voor/achter) ASR-systeem Auto langere tijd stallen Autoradio antenne audiosysteem hifi-audiosysteem Bagageruimte achterbank terugplaatsen bagage vastzetten dubbele laadruimte openen en sluiten openen in noodgevallen rolhoes vergroten Bagageruimteverlichting Banden - standaard verklaring van bandencodering wiel verwisselen winterbanden Bandenspanning Beker/blikjeshouder Bepalingen voor het verwerken van de auto aan het einde van zijn levensduur Bescherming van het milieu Bougies (type) Brake Assist (remregeling bij noodstops) Brandstof - brandstofbesparing brandstofmeter brandstofnoodschakelaar lampje reservebrandstof tanken verbruik Brandstofbesparing Brandstofmeter Brandstofreserve - lampje reservebrandstof Brandstofsysteem - Technische gegevens Brillenhouder

245 244 Buitenverlichting - bediening gloeilamp achter vervangen gloeilamp voor vervangen lampje buitenverlichting storingslampje buitenverlichting Carrosserie - carrosseriecodes onderhoud Chassisnummer CO2-emissie Code Card Cruise-control (snelheidsregelaar) lampje cruise-control (snelheidsregelaar) Dashboard... 5 Dashboard en bediening... 4 Dashboardkastje gloeilamp plafondverlichting vervangen Dead-lock (systeem) Derde remlicht Diefstalalarm lampje inbraakpoging storingslampje diefstalalarm Dieselfilter - condens aftappen lampje water in dieselfilter Dimlicht - bediening Follow Me Home gloeilamp vervangen Display, instelbaar multifunctioneel bedieningsknoppen functies display setup-menu standaardscherm Display, multifunctioneel bedieningsknoppen functies display setup-menu standaardscherm Dop van brandstoftank Dorpelverlichting DPF-roetfilter (Diesel Particulate Filter) EBD (systeem) - storingslampje EBD EOBD-systeem ESP-systeem storingslampje ESP Extra accessoires Fiat CODE (startblokkering) lampje elektronische sleutel niet herkend storingslampje elektronische startblokkering Fix & Go automatic (snelle bandenreparatieset) Follow me home (systeem) Frontairbags algemene opmerkingen frontairbag bestuurderszijde frontairbag en zij-airbag (sidebag) aan passagierszijde uitschakelen frontairbag passagierszijde knie-airbag bestuurderszijde lampje voor uitgeschakelde frontairbag en zij-airbag (sidebag) aan passagierszijde Gereedschap Gewichten Gloeilamp buitenverlichting vervangen Gloeilampen (vervangen) - algemene aanwijzingen gloeilamp buitenverlichting vervangen gloeilamp interieurverlichting vervangen lamptypen Gordelspanners trekkrachtbegrenzers

246 - voorzorgsmaatregelen Grootlicht - bediening gloeilamp vervangen grootlichtsignaal lampje grootlicht Grootlichtsignaal Handrem lampje aangetrokken handrem Hoofdsteunen - achter voor Hulpverwarming Identificatiegegevens Imperiaal/skidrager Inspuitsysteem - storingslampje inspuitsysteem storingslampje motormanagementsysteem EOBD Instrumenten Instrumentenpaneel... 6 Interieur - onderhoud Interieurbeveiliging Interieuruitrusting Isofix (kinderzitje) Isofix Universeel"-kinderzitje geschiktheid voor gebruik montagevoorbereiding Kantelsensor (beveiliging) Kentekenplaatverlichting - gloeilampen vervangen Kinderen veilig vervoeren Kinderveiligheidsslot Kinderzitjes (geschiktheid voor gebruik) Klimaatregeling Klimaatregeling, automatisch Klimaatregeling, handbediend Koelvloeistof - lampje te hoge temperatuur niveau controleren Koelvloeistoftemperatuurmeter Koplampen aanpassen aan het buitenland koplampen afstellen koplampverstelling Koplampsproeiers - bediening vloeistofniveau Koplampunits - gloeilampen vervangen Lading (vastzetten) Lak (onderhoud) Lampjes en berichten algemene opmerkingen Luchtfilter (vervangen) Luchtroosters Mistachterlicht lampje mistachterlichten Mistlampen - bediening gloeilamp vervangen lampje mistlampen voor Mistlampen voor - afstellen Montagevoorbereiding voor "Isofix Universeel"-kinderzitje Motor - code identificatiecode specificaties Motor starten benzinemotor starten motor opwarmen na het starten motor uitzetten Multijet-motor starten rollend starten start-/contactslot starten met een hulpaccu Motorkap Motorolie 245

247 246 - lampje minimum motoroliepeil lampje oliekwaliteit onvoldoende lampje te lage motoroliedruk niveau controleren specificaties verbruik Motorruimte (reinigen) Muntenbakje Niveau motorkoelvloeistof Niveau motorolie Niveau olie stuurbekrachtiging Niveau ruiten/koplampsproeiervloeistof Niveaus controleren Noodgevallen Noodschakelaar voor onderbreking brandstoftoevoer en elektrische voeding Olie stuurbekrachtiging - niveau controleren Onderhoud en zorg - geprogrammeerd onderhoud onderhoudsschema periodieke controles zwaar gebruik van de auto Opbergvak Opendak Opkrikken van de auto Parkeerlichten Parkeersensoren Parkeren handrem Plafondverlichting - achter gloeilamp bagageruimteverlichting vervangen gloeilamp dashboardkastje vervangen gloeilamp dorpelverlichting vervangen gloeilamp plafondverlichting achter aan zijkant vervangen gloeilamp verlichting zonneklepspiegel vervangen gloeilampen voor vervangen in het midden voor zonneklepverlichting Plafondverlichting achter - bediening gloeilampen vervangen Plafondverlichting voor - bediening gloeilampen vervangen Pollenfilter (vervangen) Portieren centrale portiervergrendeling kinderveiligheidsslot lampje portieren niet goed gesloten149 - ontgrendelen in noodgevallen vergrendelen in noodgevallen Prestaties Radiogolf-afstandsbediening: Ministeriële goedkeuring Radiozendapparatuur en mobiele telefoons Regensensor Remmen - lampje versleten remblokken specificaties storingslampje Hill Holder vloeistofniveau Remvloeistof - lampje te laag remvloeistofniveau niveau controleren Richtingaanwijzers - bediening cornering lights functie lane change (wisselen van rijbaan) gloeilamp achter vervangen gloeilamp op flanken vervangen gloeilamp voor vervangen

248 - lampje inschakeling linker richtingaanwijzer lampje inschakeling rechter richtingaanwijzer Rokerskit Rubber slangen (belangrijke aanwijzingen) Ruitbediening, elektrisch - bedieningsknoppen Ruiten (reinigen) Ruitensproeiers - bediening vloeistofniveau Ruitenwissers - bediening regensensor ruitensproeiers wisserbladen SBR-systeem Sensor automatische koplampen (schemersensor) Slepen van de auto Sleutels noodsleutel sleutel met afstandsbediening Smeermiddelen Sneeuwkettingen Snelheid (maximum) Snelheidsmeter Spiegels - binnenspiegel buitenspiegels elektronisch dimbare binnenspiegel 44 Start-/contactslot Startblokkering Fiat CODE... 9 Starten en rijden Stekkerdoos Stuurbekrachtiging - olie storingslampje Stuurinrichting (specificaties) Stuurslot Stuurwiel (verstellen) Symbolen... 8 Tafeltje (stoel) Tanken Tankklepje Technische gegevens Toerenteller TPMS-systeem (bandenspanningcontrole) Transmissie - Technische gegevens Trekken van aanhangers montageschema trekhaak monteren voorzorgsmaatregelen Trip computer Typeplaatjes - carrosserielak identificatiegegevens Veiligheid Veiligheidsgordels - algemene opmerkingen gebruik lampje niet omgelegde veiligheidsgordel onderhoud trekkrachtbegrenzers Velgen - verklaring van velgencodering Verbruik - brandstof motorolie Verlichting dashboardkastje Verlichting zonneklepspiegel Versnellingsbak - gebruik van de elektronisch geregelde automaat gebruik van de handgeschakelde versnellingsbak lampje maximum olietemperatuur in automatische versnellingsbak storingslampje automatische versnellingsbak Verwarming en airconditioning

249 248 Vloeistof voor ruitensproeiers voor/ achter en koplampsproeiers - niveau controleren Vloeistoffen en smeermiddelen Voorgloeibougies - lampje voorgloei-installatie storingslampje voorgloei-installatie 150 Vullingstabel Waarschuwingsknipperlichten Wiel verwisselen Wielen - reservewiel (specificaties) snelle bandenreparatieset Fix & Go automatic verwisselen Wielen en banden bandenspanning in koude toestand reservewiel velgen en banden verklaring van bandencodering verklaring van velgencodering wieluitlijning Wielophanging (specificaties) Wieluitlijning Wisserbladen voor en achter Zekeringen - zekeringen vervangen zekeringentabel Zij-airbags algemene opmerkingen headbags (windowbags) lampje voor uitgeschakelde zij-airbags achter (sidebags) zij-airbags voor en achter (sidebags) uitschakelen zij-airbags voor en achter (sidebags) Zitplaatsen - "tafel"-stand achter reinigen voor met elektrische verstelling voor met handbediende verstelling 39 Zonnekleppen Zonneklepspiegel - gloeilamp plafondlampje vervangen 179 Zonneschermen achter... 78

250 BEPALINGEN VOOR HET VERWERKEN VAN DE AUTO AAN HET EINDE VAN ZIJN LEVENSDUUR Al jaren werkt Fiat hard aan de bescherming van het milieu door de doorlopende verbetering van de productieprocessen en de ontwikkeling van producten die steeds milieuvriendelijker zijn. Om de cliënten de best mogelijke service te garanderen in overeenstemming met de milieunormen en conform de verplichtingen die voortvloeien uit de 2000/53/EU-richtlijn voor auto s die aan het einde van hun levensduur zijn, biedt Fiat aan haar cliënten de mogelijkheid de eigen auto* aan het einde van zijn levensduur in te leveren zonder extra kosten. De Europese richtlijn voorziet er namelijk in dat de auto kan worden ingeleverd zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar als de auto geen of een negatieve marktwaarde heeft. In bijna alle EU-landen is tot 1 januari 2007 de inname alleen kosteloos voor auto s die vanaf 1 juli 2002 zijn geregistreerd, terwijl vanaf 2007 de inname kosteloos is onafhankelijk van het registratiejaar op voorwaarde dat de auto nog beschikt over de essentiële onderdelen (met name motor en carrosserie) en vrij is van bijkomende afvalstoffen. Voor de afgifte van uw auto aan het einde van zijn levensduur kunt u zich zonder aanvullende verplichtingen tot de Fiat-dealer wenden of tot een van de inzamelings- en verwerkingsbedrijven die door Fiat zijn goedgekeurd. Dergelijke bedrijven zijn zorgvuldig uitgekozen en bieden een kwaliteitservice voor de inzameling, de verwerking en het hergebruik van onderdelen van buiten gebruik gestelde auto s met respect voor het milieu. Voor informatie over de inzamelings- en verwerkingsbedrijven kunt u terecht bij de Fiat-dealer of bel het gratis nummer of raadpleeg de Fiat internetsite. * Auto voor personenvervoer met maximaal 9 zitplaatsen, voor een maximaal toelaatbaar totaalgewicht van 3,5 t

251 NOTITIES

252

253

254

255 De kracht achter uw motor. Vraag uw dealer naar

Wij raden u aan de waarschuwingen en tips aandachtig te lezen die worden voorafgegaan door de symbolen:

Wij raden u aan de waarschuwingen en tips aandachtig te lezen die worden voorafgegaan door de symbolen: F I A T B R A V O 603.81.708 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Bravo. Wij hebben dit boek samengesteld

Nadere informatie

FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. F I A T D U C A T O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boek samengesteld

Nadere informatie

FIAT CROMA 603.45.976 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT CROMA 603.45.976 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT CROMA 603.45.976 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Croma. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K

F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben

Nadere informatie

FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.81.207 NL i n s t r u c t i e b o e k j e

F I A T B R A V O 603.81.207 NL i n s t r u c t i e b o e k j e F I A T B R A V O 603.81.207 NL i n s t r u c t i e b o e k j e Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Bravo. Wij hebben dit boekje samengesteld

Nadere informatie

FIAT STILO 603.45.644 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT STILO 603.45.644 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT STILO 603.45.644 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Stilo. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Panda. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

F I A T D O B L Ó NL I N S T R U C T I E B O E K

F I A T D O B L Ó NL I N S T R U C T I E B O E K F I A T D O B L Ó 530.02.166 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Doblò. Wij hebben dit boek samengesteld

Nadere informatie

FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

INSTRUCTIEBOEK 530.05.014 NL ALFA

INSTRUCTIEBOEK 530.05.014 NL ALFA INSTRUCTIEBOEK 530.05.014 NL ALFA Geachte klant, Wij bedanken u dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa Spider is ontworpen voor een veilige, comfortabele en rustige rit, zoals u van Alfa Romeo

Nadere informatie

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. F I A T 5 0 0 603.81.189 I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk onderdeel

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 530.02.160

F I A T 5 0 0 530.02.160 F I A T 5 0 0 530.02.160 I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boek samengesteld zodat u elk onderdeel

Nadere informatie

603.81.234NL Instructieboekje

603.81.234NL Instructieboekje 603.81.234NL Instructieboekje Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig

Nadere informatie

INSTRUCTIEBOEK 530.05.000 NL ALFA

INSTRUCTIEBOEK 530.05.000 NL ALFA STRUCTIEBOEK 530.05.000 NL ALFA 159 Geachte klant, Wij bedanken u dat u voor een Alfa Romeo heeft gekozen. Uw Alfa 159 is ontworpen voor een veilige, comfortabele en rustige rit, zoals u van Alfa Romeo

Nadere informatie

F I A T Q U B O 530.02.004 NL I N S T R U C T I E B O E K

F I A T Q U B O 530.02.004 NL I N S T R U C T I E B O E K F I A T Q U B O 530.02.004 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat QUBO. Wij hebben dit boekje samengesteld

Nadere informatie

FIAT DOBLÒ 603.45.891 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT DOBLÒ 603.45.891 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT DOBLÒ 603.45.891 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Doblò. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

FIAT MULTIPLA 603.45.730 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT MULTIPLA 603.45.730 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT MULTIPLA 603.45.730 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, H artelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Multipla. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat

Nadere informatie

INSTRUCTIEBOEK 604.31.037 NL ALFA

INSTRUCTIEBOEK 604.31.037 NL ALFA INSTRUCTIEBOEK 604.31.037 NL ALFA 156 Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Zoals iedere Alfa Romeo is uw Alfa 156 ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier

Nadere informatie

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1 FordKa Instructieboekje Owner s handbook Feel the difference K10468_Service_Portfolio_090508.1 1 09.05.2008 15:52:47 Uhr 001-025 Ford KA NL 22-07-2008 9:45 Pagina

Nadere informatie

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies

Nadere informatie

ANCIA NL LANCIA YPSILON Instructie

ANCIA NL LANCIA YPSILON Instructie ANCIA 603.81.117 NL LANCIA YPSILON Instructie Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van

Nadere informatie

Instructieboek NL

Instructieboek NL Instructieboek 603.81.451 NL Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig

Nadere informatie

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe

Nadere informatie

Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948

Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948 Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948 Belangrijke informatie Gefeliciteerd met de aankoop van uw voertuig beveiligingsysteem. Het is ontworpen om jaren van probleemloze

Nadere informatie

FIAT SCUDO 603.81.143 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT SCUDO 603.81.143 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT SCUDO 603.81.143 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat SCUDO. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote

Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Alarmsysteem met afstandsbediening leidraad bij het instellen - Dutch Geachte klant, In deze handleiding vindt u de informatie en bedieningen die nodig

Nadere informatie

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33. Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht

Nadere informatie

WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN

WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN F I A T P A N D A G E B R U I K E N O N D E R H O U D WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Wij, die uw auto hebben bedacht, ontworpen en gebouwd, kennen daarvan werkelijk elk detail en onderdeel. In

Nadere informatie

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling

Nadere informatie

FIAT ULYSSE 603.45.458 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT ULYSSE 603.45.458 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT ULYSSE 603.45.458 NL INSTRUCTIEBOEK WEGWIJS IN UW AUTO Fiat-CODE... 7 Diefstalalarm... 12 Start-/contactslot... 14 Portieren... 14 Kinderveiligheidsslot... 19 Zitplaatsen voor... 20 Zitplaatsen achter...

Nadere informatie

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. F I A T 5 0 0 603.81.795 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boek samengesteld om ude kwaliteiten

Nadere informatie

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. F I A T 5 0 0 G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

ALARM. De werking van het systeem wordt door de body computer geregeld, die via de seriële verbinding commando''s verzendt/ontvangt.

ALARM. De werking van het systeem wordt door de body computer geregeld, die via de seriële verbinding commando''s verzendt/ontvangt. Elektrische functie printen ALARM DIEFSTALALARM BESCHRIJVING Het diefstalalarm beveiligt de auto tegen diefstal m.b.v.: interieur en omtrekbeveiliging, kanteldetectie en controle op doorsnijden van voedingskabels.

Nadere informatie

604.31.649 NL INSTRUCTIEBOEK ALFA

604.31.649 NL INSTRUCTIEBOEK ALFA 604.31.649 NL INSTRUCTIEBOEK ALFA 147 Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa 147 is ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te garanderen. Dit instructieboekje

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding

Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding Cobra Alarm 4627 Gebruikers Handleiding Clifford Electronics Benelux BV Tel.+31 20 40 40 919 info@clifford.nl ISO 9001:2008 Cobra Alarmsysteem: Diefstal is de laatste tijd explosief gestegen. CAN Bus manipulatie

Nadere informatie

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM H6716G Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motor-immobilisatiesysteem. Tevens beschikt het voertuig over een aantal extra veiligheidssystemen.

Nadere informatie

ANCIA 603.45.549 NL LANCIA PHEDRA INSTRUCTIEBOEK

ANCIA 603.45.549 NL LANCIA PHEDRA INSTRUCTIEBOEK ANCIA 603.45.549 NL LANCIA PHEDRA INSTRUCTIEBOEK Veilig en milieubewust rijden... 2 Signalen voor een correct gebruik van de auto... 6 Symbolen... 7 Inhoud... 11 WEGWIJS IN UW AUTO... 12 Lancia CODE...

Nadere informatie

RUITENWISSERS/-SPROEIERS

RUITENWISSERS/-SPROEIERS Elektrische functie printen RUITENWISSERS/-SPROEIERS RUITENWISSERS/-SPROEIERS - BESCHRIJVING De ruitenwissers/-sproeiers worden bediend via de hendel rechts naast het stuur: de hendel kan - door omhoog

Nadere informatie

INSTRUCTIEBOEK NL ALFA

INSTRUCTIEBOEK NL ALFA INSTRUCTIEBOEK 530.05.007 NL ALFA Geachte klant, Wij bedanken u dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa Brera is ontworpen voor een veilige, comfortabele en rustige rit, zoals u van Alfa Romeo

Nadere informatie

Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93

Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Inleiding Het Car Access System (CAS) regelt de toegangsmogelijkheden tot de auto.ne De CASregeleenheid

Nadere informatie

Ducato INSTRUCTIEBOEKJE

Ducato INSTRUCTIEBOEKJE Ducato INSTRUCTIEBOEKJE ABSOLUUT LEZEN! BRANDSTOF TANKEN Benzinemotoren: Tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal 95 RON. Dieselmotoren: Tank uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen

Nadere informatie

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net

Nadere informatie

In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dualogic bediening in de Fiat Punto.

In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dualogic bediening in de Fiat Punto. In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dualogic bediening in de Fiat Punto. Voor het juiste gebruik van de versnellingsbak is het

Nadere informatie

Elektrische functie printen DIMLICHT

Elektrische functie printen DIMLICHT Elektrische functie printen DIMLICHT DIMLICHT BESCHRIJVING De auto is uitgerust met twee dimlichten in de koplampunits. Het dimlicht wordt ingeschakeld als de stuurkolomschakelaar in de stand na de stand

Nadere informatie

Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards

Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleidingding Effectief en gebruiksvriendelijk Het in uw voertuig gemonteerde Cobra alarmsysteem biedt een simpele, maar uiterst effectieve en gebruiksvriendelijke

Nadere informatie

ANCIA. 603.45.899 NL LANCIA MUSA Instructie

ANCIA. 603.45.899 NL LANCIA MUSA Instructie ANCIA 603.45.899 NL LANCIA MUSA Instructie Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch

Nadere informatie

Auto Alarm FM5000 FM500 FM600 FM700 LCD MINI

Auto Alarm FM5000 FM500 FM600 FM700 LCD MINI Auto Alarm FM5000 FM500 FM600 FM700 LCD MINI I. Functies FM 2-weg autoalarm. 2. Alarm aan (stil) Druk nogmaals 1x op de knop van de afstandbediening om alarm in AUTO Localiseren status te activeren, indien

Nadere informatie

GEBRUIKSHANDLEIDING. Art. 866 DRIVERCARD 06DE1939A - 03/04. Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA

GEBRUIKSHANDLEIDING. Art. 866 DRIVERCARD 06DE1939A - 03/04. Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA GEBRUIKSHANDLEIDING Art. 866 DRIVERCARD 12 Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA 06DE1939A - 03/04 1 06DE1939A.pmd 1 GARANTIE Garantie bepaling INHOUD Introductie... pagina 2 1. DriverCard

Nadere informatie

Alfa 604.31.655 NL INSTRUCTIEBOEK

Alfa 604.31.655 NL INSTRUCTIEBOEK Alfa 604.31.655 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa GT is ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te garanderen. Dit instructieboekje

Nadere informatie

F I A T D U C A T O 603.83.787 NL C O M F O R T - M A T I C

F I A T D U C A T O 603.83.787 NL C O M F O R T - M A T I C F I A T D U C A T O 603.83.787 NL C O M F O R T - M A T I C In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde COMFORT-MATIC bediening van de

Nadere informatie

Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889.

Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889. COBRA 889 INLEIDING Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889. De belangrijkste vernieuwing in deze 889-serie bestaat uit het systeem, dat de herkenningscode van de afstandsbediening

Nadere informatie

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl info@rhodelta.nl - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914

Nadere informatie

FIAT SEICENTO 603.45.266 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT SEICENTO 603.45.266 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT SEICENTO 603.45.266 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Seicento. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleiding Vodafone Power to you Effectief en gebruiksvriendelijk 1. Alarmsysteem met aparte autorisatie Het in uw voertuig gemonteerde

Nadere informatie

Mitsubishi - Cobra Alarm CO4627. Gebruikers Handleiding

Mitsubishi - Cobra Alarm CO4627. Gebruikers Handleiding Mitsubishi - Cobra Alarm CO4627 Gebruikers Handleiding Clifford Electronics Benelux BV Tel.+31 20 40 40 919 info@clifford.nl ISO 9001:2008 Mitsubishi - Cobra Alarmsysteem: Om uw auto optimaal te beschermen

Nadere informatie

ANCIA. 603.45.408 NL LANCIA YPSILON Instructie

ANCIA. 603.45.408 NL LANCIA YPSILON Instructie ANCIA 603.45.408 NL LANCIA YPSILON Instructie Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van

Nadere informatie

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you

Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleiding Vodafone Power to you Effectief en gebruiksvriendelijk 1. Alarmsysteem met aparte autorisatie Het in uw voertuig gemonteerde

Nadere informatie

Starten en rijden STUURSLOT

Starten en rijden STUURSLOT Rijden en bedienen Starten en rijden STUURSLOT H3584 Stuurslot loszetten Steek de contactsleutel GEHEEL in het contactslot en draai die naar stand 'I'. Het is mogelijk dat het stuurwiel iets moet worden

Nadere informatie

Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS

Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS Gefeliciteerd! U heeft gekozen voor een fiets met elektrische ondersteuning, de E-bike. Uw E-bike zal u door zijn elektrische ondersteuning

Nadere informatie

Bedieningen Dutch - 1

Bedieningen Dutch - 1 Bedieningen 1. Functieschakelaar Cassette/ Radio/ CD 2. Golfband schakelaar 3. FM antenne 4. CD deur 5. Schakelaar om zender af te stemmen 6. Bass Boost toets 7. CD skip/ voorwaarts toets 8. CD skip/ achterwaarts

Nadere informatie

SELCA SPLIT GEBRUIKSAANWIJZING

SELCA SPLIT GEBRUIKSAANWIJZING SELCA SPLIT GEBRUIKSAANWIJZING (zie voor uitschakelen alarm zonder handzender hoofdstuk 6.1) Beste klant, Wij danken u voor de aanschaf van het high tech SELCA SPLIT modulair alarm systeem. Deze gebruiksaanwijzing

Nadere informatie

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard

Nadere informatie

Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5

Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Inhoud verpakking: Alarmunit Sirene Handzender ( 2 stuks) Kabels incl. zekeringen Zoekfunctie Stil alarm Startblokkering Paniek functie Anti carjacking Aansturing

Nadere informatie

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G05 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE CENTRALE VERGRENDELING Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076)

Nadere informatie

Handleiding. Trenergy E-relax fietscomputer. Pagina: 1

Handleiding. Trenergy E-relax fietscomputer.  Pagina: 1 Handleiding Trenergy E-relax fietscomputer www.trenergy.nl Pagina: 1 www.trenergy.nl Pagina: 2 Indeling handleiding Trenergy E-Relax 1. Inleiding P. 4 2. Functie-overzicht bedientoetsen P. 6 2.1 Korte

Nadere informatie

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles ! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch

Nadere informatie

Dit beveiligingssysteem voor uw auto is getest en goedgekeurd door

Dit beveiligingssysteem voor uw auto is getest en goedgekeurd door SYSTEEM 2980 COMPLEET ALARMSYSTEEM MET AFSTANDSBEDIENING GEBRUIKERSHANDLEIDING GOED BEWAREN VOOR TOEKOMSTIG GEBRUIK DIT SYSTEEM MAG UITSLUITEND DOOR EEN VAKKUNDIG INSTALLATEUR WORDEN INGEBOUWD BELANGRIJK

Nadere informatie

Afstelbare parameters - Alarm en centrale vergrendeling

Afstelbare parameters - Alarm en centrale vergrendeling Inleiding Inleiding De lijst van afstelbare parameters is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Bezoek voor meer informatie over de huidige parameters voor een

Nadere informatie

BEP 600-TLM2 CONTOUR MATRIX TANK MONITOR INSTALLATIE EN GEBRUIKS AANWIJZING

BEP 600-TLM2 CONTOUR MATRIX TANK MONITOR INSTALLATIE EN GEBRUIKS AANWIJZING BEP 600-TLM2 CONTOUR MATRIX TANK MONITOR INSTALLATIE EN GEBRUIKS AANWIJZING INDEX KENMERKEN 3 AFMETINGEN 3 AANSLUIT SCHEMA 4 GEBRUIK 5 NOTITIES 6 ALARMEN EN STILALARM 7 MENU OVERZICHT 7 SET-UP EN PROGRAMMERING

Nadere informatie

Mauer GmbH Technologie voor beveiliging. Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard

Mauer GmbH Technologie voor beveiliging. Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard Informatie over de bediening: Mauer GmbH Technologie voor beveiliging Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard Bedieningsinstructies Lees deze instructies aandachtig door voordat u het slot

Nadere informatie

Powerpack. gebruikshandleiding

Powerpack. gebruikshandleiding Powerpack gebruikshandleiding 1 INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding De RMA powerpack is een hulpmiddel voor de begeleiding. Het vergemakkelijkt het duwen van een rolstoel gebruiker. De hulpmotor is niet ontworpen

Nadere informatie

GT909NL. Gebruikershandleiding

GT909NL. Gebruikershandleiding GT909NL Gebruikershandleiding Rhodelta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +31 102927461 Fax + 31 104795755 www.rhodelta.nl info@rhodelta.nl 1.0 HANDZENDER OMSCHRIJVING GT889 GT969CH GT889: handzender

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.

Nadere informatie

Dualogic versnelllingsbak van de Fiat

Dualogic versnelllingsbak van de Fiat F I A T 5 0 0 603.95.085 NL D U A L O G I C In dit supplement worden de gebruiksmogelijkheden beschreven van de elektronisch geregelde mechanische. Voor het juiste gebruik van de versnellingsbak is het

Nadere informatie

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina".

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek Persoonlijke pagina. Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u de gebruiksaanwijzing

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de

Nadere informatie

L ANCIA L YBRA GEBRUIK EN ONDERHOUD 603.45.316 NL

L ANCIA L YBRA GEBRUIK EN ONDERHOUD 603.45.316 NL L ANCIA L YBRA 603.45.316 NL GEBRUIK EN ONDERHOUD Zeer geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

Handleiding: instellen en werking LCD display t.b.v. ombouwset 004 en prolithium Velvet. Gefeliciteerd met de aankoop van een R A T - Holland product!

Handleiding: instellen en werking LCD display t.b.v. ombouwset 004 en prolithium Velvet. Gefeliciteerd met de aankoop van een R A T - Holland product! Handleiding: instellen en werking LCD display t.b.v. ombouwset 004 en prolithium Velvet Beste Gebruiker, Gefeliciteerd met de aankoop van een R A T - Holland product! Neemt u a.u.b. deze handleiding zorgvuldig

Nadere informatie

Korte introductie van de Vogue E-bike. 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor. Aan/uit knop

Korte introductie van de Vogue E-bike. 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor. Aan/uit knop Korte introductie van de Vogue E-bike 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor Aan/uit knop Om het display aan of uit te schakelen houdt u de aan/uit knop voor 2 seconden lang ingehouden.

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De

Nadere informatie

HENKELMAN BV. Adres Veemarktkade 8 / D 9 5222 AE s-hertogenbosch Nederland. Postadres Postbus 2117 5202 AE s-hertogenbosch Nederland

HENKELMAN BV. Adres Veemarktkade 8 / D 9 5222 AE s-hertogenbosch Nederland. Postadres Postbus 2117 5202 AE s-hertogenbosch Nederland HANDLEIDING VOOR DE DEALER DIGITAAL BEDIENINGSPANEEL JUMBO-SERIE 0,6 0,4 VACUUM 0,8-1 0 0,2 SEAL HENKELMAN BV Adres Veemarktkade 8 / D 9 5222 AE s-hertogenbosch Nederland Postadres Postbus 2117 5202 AE

Nadere informatie

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Beknopte gebruiksaanwijzing Algemene versie 07-2014 Introductie Het duurzaam ondernemen wordt steeds belangrijker. Veel bedrijven zijn verplicht CO 2 -doelstellingen

Nadere informatie

MK99 NL AUTOMATISCH IN WERKING TREDENDE STARTONDERBREKER MET ELEKTRONISCHE SLEUTEL EN OVERRIDE NOODCODE

MK99 NL AUTOMATISCH IN WERKING TREDENDE STARTONDERBREKER MET ELEKTRONISCHE SLEUTEL EN OVERRIDE NOODCODE MK99 NL AUTOMATISCH IN WERKING TREDENDE STARTONDERBREKER MET ELEKTRONISCHE SLEUTEL EN OVERRIDE NOODCODE Met de startonderbreker MK99 kunnen twee automatisch in werking tredende startonderbrekingen plaatsvinden

Nadere informatie

Renault TRAFIC. Instructieboekje

Renault TRAFIC. Instructieboekje Renault TRAFIC Instructieboekje eenpassievoor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op

Nadere informatie

INBOUW HANDLEIDING GT806 (GT804+GT844)

INBOUW HANDLEIDING GT806 (GT804+GT844) 1 INBOUW HANDLEIDING GT806 (GT804+GT844) Hartelijk dank voor het kiezen van een GT produkt. Onze materialen zijn met uiterste zorg gefabriceerd en getest. Mocht U vragen over onze produkten hebben, dan

Nadere informatie

Starten, schakelen & wegrijden:

Starten, schakelen & wegrijden: Auteursrechtinformatie Dit document is bedoeld voor eigen gebruik. In het algemeen geldt dat enig ander gebruik, daaronder begrepen het verveelvoudigen, verspreiden, verzenden, herpubliceren, vertonen

Nadere informatie

Lampen en waarschuwingslampjes

Lampen en waarschuwingslampjes Lampen en waarschuwingslampjes VERLICHTING OP BUITENKANT VAN AUTO Hoofdverlichtingsschakelaar H5740 1 1. Uit. 2. Stadslichten. 3. Koplampen aan. 4. Automatische controlelampjes. Stadslichten De voorste

Nadere informatie

Montagevoorschriften

Montagevoorschriften Montagevoorschriften BCU Mont_BCU1_NL.Doc 1/9 Inhoudsopgave 1. Montage van de onderdelen... 3 2. Aansluitingen van de 8 polige stekker... 3 3. Aansluitingen van de 10 polige stekker... 4 4. Opstarten...

Nadere informatie

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. F I A T S C U D O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat SCUDO. Wij hebben dit boekje samengesteld

Nadere informatie

Uitschakelen in noodgevallen Doe de touch-key kort in de opening op het bedieningspaneel. Het alarm zal uitgaan.

Uitschakelen in noodgevallen Doe de touch-key kort in de opening op het bedieningspaneel. Het alarm zal uitgaan. Basis handeling Het systeem inschakelen Kort op de grote (in-/uitschakelen) knop drukken. Alarm klinkt eenmaal kort. Voortentlamp gaat 30 seconden aan. Het duurt 15 seconden voordat het alarm op beweging

Nadere informatie

Groep 10 IMD42 Niels Cremers Marc Hensen Sander Keurentjes Mathijs Mejan. De Handleiding

Groep 10 IMD42 Niels Cremers Marc Hensen Sander Keurentjes Mathijs Mejan. De Handleiding Groep 10 IMD42 Niels Cremers Marc Hensen Sander Keurentjes Mathijs Mejan De Handleiding Index Inleiding... 3 De meters... 4 Het stuur... 6 Het navigatie systeem... 9 De Console... 10 De radio... 11 2 Inleiding

Nadere informatie

BIZOBIKE Display handleiding E-Motion

BIZOBIKE Display handleiding E-Motion BIZOBIKE Display handleiding E-Motion Inhoudsopgave Materiaal & kleur 1 Functies 1 Interface 1 Installatie 1 Powerknop 1 Wandel assistent 2 Achtergrond verlichting 2 Batterij capaciteit 2 Afstand & trip

Nadere informatie