s reken gezag MET Een bijbels-ethische bezinning op gezag en medezeggenschap

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "s reken gezag MET Een bijbels-ethische bezinning op gezag en medezeggenschap"

Transcriptie

1 s reken gezag MET Een bijbels-ethische bezinning op gezag en medezeggenschap

2

3 Spreken r gezag MET Een bijbels-ethische bezinning op gezag en medezeggenschap

4 ISBN Reformatorisch Maatschappelijke Unie - Veenendaal Onder redactie van: dr. M.C. Blok, P. Schalk, dr. W.H. Velema Vormgeving en druk: Drukkerij Gebrs. Verloop, Alblasserdam Overname uit deze uitgave toegestaan met bronvermelding

5 Inhoud Voorwoord 5 Overwegingen in verband met gezag 7 Inleiding 7 Bijbelse herkomst en actuele duiding 9 Bijbelse woorden 9 Wat wordt onder gezag verstaan? 10 God heeft absoluut gezag 10 Mensen worden met gezag bekleed 11 Hedendaagse theorieën 12 Vormen van gezag 12 Samenhang of rivaliteit 12 Moderne gezagsverhoudingen 13 Beeld Gods 14 Geschapen als het beeld van God 14 Beeld van God in een negatieve modus 14 Beeld van God en roeping 16 Gezag van Godswege 17 Historisch spanningsveld 17 Met gezag bekleed 18 Enkele gezagskringen 18 De gezagskring binnen de arbeid 19 Onderlinge verhoudingen gezagskringen 19 Verhouding tussen werkgever en werknemer 21 Levenskringen 22 Doel van gezag 24 Hoogste doel 24 Middeldoelen 24 Gezag beoogt harmonie en vrede 24 JJ

6 Gezag en overleg 26 Dienstbaar gezag 26 Gezag als middel 26 Overleg 28 Gezag en medezeggenschap 29 Omgang met overleg 29 Vermenging gezagskringen 30 Medezeggenschap 30 Adviesrecht 31 Instemmingsrecht 32 Grenzen bepalen 32 Schijnbare botsing van plichten 33 Samenvatting en conclusie 35 Verantwoording tegenover God 35 Verantwoording tegenover elkaar 35 Controle 36 Gezagskringen onderling 36 Adviesrecht en instemmingsrecht 36 Gezagsverhoudingen 37 LL

7 Voorwoord Werkgevers en werknemers horen bij elkaar. Sterker nog, ze kunnen niet zonder elkaar. Wie zou immers werkgever kunnen zijn, zonder dat iemand het werk op zich wilde nemen? En welke persoon zou werknemer zijn als er geen werk aangeboden werd? Die samenhang tussen werkgevers en werknemers wordt zichtbaar binnen de Reformatorisch Maatschappelijke Unie (RMU). Deze belangenorganisatie heeft op bijbelse gronden gekozen voor het samengaan van werkgevers en werknemers in één organisatie, de RMU. Dat is uniek. Het is ook moeilijk. Het vraagt een zorgvuldige afweging van belangen. Het verplicht ook tot een zorgvuldige benadering van de onderlinge verhoudingen. Tussen een werkgever en een werknemer is immers een gezagsrelatie, die bekrachtigd wordt door een contract, een arbeidsovereenkomst. De gezagsverhoudingen, met de wederzijdse rechten en plichten, worden beïnvloed door de overheid, door sociale partners en door maatschappelijke ontwikkelingen. Dat vraagt om voortgaande bezinning op gezag en gezagsverhoudingen. Dat is geen gemakkelijke taak. Het hoofdbestuur van de RMU heeft een werkgroep ingesteld om zich vanuit het Woord van God te bezinnen op gezag en medezeggenschap. Vanuit de RMU werkten hieraan mee: Dr. M.C. Blok, lid hoofdbestuur RMU en voorzitter werkgroep; Mr. J.W. Oolbekkink, stafmedewerker RMU; R Schalk, directeur RMU. Daarnaast was een aantal theologen bereid om mee te lezen en zich over het thema te buigen, te weten: Ds. RD.J. Buijs, predikant Christelijke Gereformeerde kerk te Veenendaal; Dr. J. Hoek, opleidingsmanager Godsdienst, Pastoraal Werk van de Christelijke Hogeschool Ede;

8 Ds. J. Koppelaar, predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Abbenbroek; Ds. C.J. Meeuse, predikant Gereformeerde Gemeente te Nunspeet; Ds. L.W. van der Meij, predikant Christelijke Gereformeerde kerk te Driebergen; Ds. W. Silfhout, predikant Gereformeerde Gemeente te Hendrik- Ido-Ambacht; Ds. W. van Vlastuin, predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Katwijk; Dr. W.H. Velema, emeritus hoogleraar te Apeldoorn. Het hoofdbestuur van de RMU is hen allen veel dank verschuldigd voor de betrokken wijze waarop zij hebben meegewerkt. Deze brochure is onder verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur van de RMU tot stand gekomen. Het is de wens dat deze thematiek door velen zal worden overdacht en dat deze brochure zal helpen, om te komen tot een bijbels verantwoorde visie. J.W. Overeem Voorzitter RMU

9 Overwegingen in verband met gezag Inleiding God heeft alle gezag. Dat betekent dat Hij het voor het zeggen heeft over het geheel van Zijn schepping. Dat doet Hij door Zijn Woord, de Bijbel. Voor ons mensen betekent dit dat we dienen te luisteren en te gehoorzamen. Als dat onvoorwaardelijk gebeurt, dan erkennen we dat God het voor het zeggen heeft. De samenvatting van wat God tegen ons zegt is dat we God moeten liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf. Door die opdracht wordt tevens het wezen van het gezag getekend. God boven alles en allen. De mens in afhankelijkheid en verbondenheid. En de mens in een juiste verhouding tot de medemens. Maar reeds in het paradijs bleek dat de mens zichzelf boven God wilde stellen. De zondeval na de schepping was opstand tegen het Goddelijke gezag. En doordat de unieke verhouding tussen God en mens moedwillig door de mens werd geschonden, bleef er in de werkelijkheid ook niets heel van de onderlinge verbondenheid. Dat is te merken in alle menselijke verhoudingen. Zo zijn zowel de verticale als de horizontale gezagsstructuren aangetast en wordt het zelfs moeilijk ze op de juiste wijze te interpreteren. De bedoeling van deze brochure is lijnen te trekken, die de herkomst van het gezag traceren. Vervolgens wordt de positie van gezagsdragers en van hen die aan gezag onderworpen zijn, nader bepaald. Vanuit de veelheid van beschouwingen wordt getracht een visie op gezag te formuleren, waarin ook het delegeren van gezag en het al dan niet uitoefenen van medezeggenschap worden bezien. Het gaat hierbij niet om een totaalbehandeling van de ethiek van het gezag. Ethisch, noch juridisch, noch sociaal is het mogelijk het onderwerp 'gezag' in enkele bladzijden te behandelen. Het uitgangspunt voor deze notitie van de RMU vormt de Bijbel en de daarop gegronde Drie Formulieren van Enigheid. Vanuit deze grondslag worden ook hedendaagse overwegingen over gezag tegen het licht gehouden. Allereerst wordt nu de

10 term gezag nader gespecificeerd, eerst vanuit de Bijbel, daarna vanuit de maatschappelijke context. Vervolgens zal de bespreking van het thema 'gezag' vooral toegespitst worden op gezag in de arbeidsverhoudingen.

11 Bijbelse herkomst en actuele duiding Bijbelse woorden In de Bijbel worden twee woorden door elkaar gebruikt, die beide op het gezag duiden: 'exousia' of 'dynamis'. Bij het woord dynamis moet vooral gedacht worden aan kracht. Kracht is in de Bijbel iets wat God boven alles in Zichzelf heeft en dat Hij in genade aan Zijn schepselen geeft. Zijn wondere sterkte wordt geprezen in het licht van de machtige daden van schepping en verlossing. Hij is het 'Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht' (Psalm 65:7). Zijn kracht blijkt zowel in het oordeel als in de verlossing (Jesaja 63 en Maleachi 4). Het volk van God heeft zijn bestaan te danken aan Zijn verlossende kracht: 'Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat Gij door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekte arm hebt uitgevoerd' (Deuteronomium 9:29). Alles wat in het Oude Testament van Gods kracht wordt gezegd, komt samen in de openbaring van de Heere Jezus Christus. Het centrum van Zijn verlossende kracht is te vinden in kruis en opstanding. Het woord exousia heeft verscheidene betekenissen. Zo heeft het soms de wel zeer specifieke betekenis van door God verleende volmacht. Dan staat het gelijk met het recht tot handelen, zoals dat door de staat, de overheid of de wet verleend wordt. Het woord betekent echter ook gewoon macht om iets te doen, dus de uitwendige macht. Daarmee wordt bedoeld dat iemand het vermogen heeft om handelend op te treden. God heeft Goddelijke exousia. Dat houdt in dat Hij Beschikker is over alle machtsmiddelen en over het recht tot doorzetting van Zijn wil. God is dan ook aan niemand verantwoording verschuldigd. In Romeinen 9:21 vergelijkt Paulus dit met de macht die de pottenbakker heeft over het leem, om uit dezelfde klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere. God is in Zijn Goddelijke exousia aan niemand iets verplicht. Daarvan zegt de Heere Jezus: 'Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft' (Handelingen 1:7). De Heere Jezus heeft exousia. Dat is de Hem door God verleende volmacht en macht om Gods heilsplan tot voleinding te brengen. De Heere Jezus zegt het Zelf tegen Zijn elf discipelen, vlak voordat Hij ten hemel vaart: 'Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde' (Matthéüs 28:18). En door Zijn

12 S P R E K E N M E T G E Z A G plaatsbekledend werk heeft Christus ook het door de zonde geschonden gezag hersteld, doende de wil Desgenen Die Hem gezonden heeft. Wat wordt onder gezag verstaan? Het is inmiddels duidelijk dat de woorden gezag en macht door elkaar gebruikt worden. Voor de duidelijkheid is het goed om eerst goed te definiëren wat vandaag de dag onder gezag en macht wordt verstaan. Eerst een korte verkenning. Van Dale (Het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal) definieert gezag als a. machtsbevoegdheid; b. macht bestaande in geestelijk overwicht, autoriteit. Macht wordt in dat woordenboek o.a. gedefinieerd als: a. het vermogen om iets te doen; b. heerschappij over personen of zaken; c. wettelijk gezag; d. wettelijke bevoegdheid waarmee iemand door een ander is bekleed; e. invloed, betekenis, belang. Gezag is derhalve macht op grond van een bevoegdheid. Macht staat in deze omschrijving soms voor wettelijk gezag of wettelijke bevoegdheid. Dan is macht gelijk aan gezag. God heeft absoluut gezag Het opperste gezag en de absolute macht zijn voorbehouden aan God. Hij is 'de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde', zo spreekt de geloofsbelijdenis van de kerk. God is de oorsprong van alles wat geschapen is en van allen die geschapen zijn. Als Schepper heeft Hij zeggenschap. Ons bestaan, zoals dat van al het geschapene, gaat terug op Zijn wil, en daarin op Zijn welbehagen. God heeft het over Zijn schepping te zeggen. Daarmee is Zijn gezag gegeven. Gezag komt immers van zeggen: het te zeggen hebben, en dan tegelijk ook iets te zeggen hebben. In de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Velema en Van Genderen), staat het als volgt omschreven: 'Gods macht is een soevereine macht. Zijn almacht en Zijn vrijmacht - wat Hij kan en wat Hij wil - zijn niet van elkaar te scheiden. Het scheppen van de wereld getuigt zowel van Zijn almacht als van Zijn vrijmacht.' In een lofprijzing in Openbaringen 4:11 wordt gezegd:

13 '...; want Gij hebt alle dingen geschapen en om Uw wil zijn zij en zijn zij geschapen.' Gods gezag is per definitie een rechtvaardig, billijk, goed en liefdevol gezag. Zijn gezag is één met Zijn deugden (volkomenheden). Daarom zijn alle deugden van God kenmerkend voor Zijn gezag. Mensen worden met gezag bekleed Alle gezag op aarde komt van God en iedere gezagsdrager is dan ook aan God verantwoording schuldig. God bekleedt mensen met gezag. Dat kan Hij doen, omdat Hij zelf de Hoogste gezagsdrager is en blijft. Dit blijkt heel duidelijk uit de woorden van Paulus als hij in Romeinen 13 : 1 schrijft: 'Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht, dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd.' Dat betekent niet dat Hij Zijn eigen gezag opgeeft door mensen te bekleden met gezag. Het gezag van anderen gaat dan ook niet ten koste van Zijn eigen gezag. Het is geen weggeven van gezag, maar toedelen, dus met behoud van het eigene van de soevereine Gezagsdrager. Door mensen te bekleden met gezag geeft God deze mensen opdrachten ter uitvoering. Zij kunnen dat niet doen als zij daartoe niet met gezag worden bekleed. In wezen komen deze met gezag beklede mensen in Zijn dienst te staan. Dat geeft een ontzaglijke verantwoordelijkheid, want ze zijn aan Hem dan ook verantwoording schuldig. Hiermee is een belangrijk verschil met menselijke gezagsverhoudingen gegeven. De verhouding God - mens is dusdanig uniek, dat er geen parallel getrokken kan worden met menselijke gezagsverhoudingen. Immers, als God mensen gezag toevertrouwt, hen met gezag bekleedt, staat Hij Zijn gezag niet af. Hij blijft Zijn gezag houden. Bij mensen, die gezag delegeren of delen, ligt dit anders. Zij hebben geen absoluut gezag.

14 S P R E K E N M E T G E Z A G Hedendaagse theorieën Vormen van gezag Er zijn nogal wat theorieën over de menselijke gezagsverhoudingen. Enkele van deze theorieën worden kort beschreven, om te ontdekken op welke wijze er tegen gezag wordt aangekeken. De filosoof Max Weber onderscheidt drie soorten van gezag: charismatisch, traditioneel en legaal gezag. De eerste vorm, het charismatisch gezag, is gezag dat iemand heeft krachtens zijn capaciteiten, zijn gaven, zijn vermogen om leiding te geven, zijn manier van optreden of zijn uitstraling. Deze persoon hoeft niet om gezag te vragen, want hij ontvangt het omdat hij indruk maakt. De omgeving herkent en erkent het charismatische gezag. Deze vorm van gezag zou ook het natuurlijk gezag genoemd kunnen worden. De tweede vorm, het traditionele gezag, berust op (heilige) tradities. Het bestaat dan ook bij de gratie van het bestaan, het erkennen en het onderhouden van tradities. Zodra de traditie vervalt, vervalt ook het gezag. Legaal gezag, de derde vorm die Max Weber benoemt, wordt gekenmerkt door wetten en bureaucratische instellingen. Het wordt wel eens gezag zonder gezicht genoemd. Samenhang of rivaliteit Het zal duidelijk zijn dat deze drie verschillende vormen van gezag met elkaar in botsing kunnen komen. Daarom is het goed om de samenhang van de drie genoemde gezagsvormen te onderkennen. Zo is het denkbaar dat er binnen een legale gezagskring activiteiten worden ontwikkeld, waarbij zich charismatisch ofwel natuurlijk gezag aandient. Het is goed als dat -mits mogelijk- ook wordt gehonoreerd, gerespecteerd en dienstbaar gemaakt. Maar het moet wel in harmonie met het legale gezag worden uitgeoefend. Van het legale gezag mag worden verondersteld dat dit het natuurlijk gezag respecteert. Anderzijds moet het natuurlijk gezag zich van de betrekkelijkheid van zijn gezag binnen het geheel bewust zijn, zodat het legale gezag niet ondergeschikt gemaakt wordt. Sterker nog, het legale gezag zal op bepaalde momenten het natuurlijk gezag dienen te negeren, zeker als het natuurlijke gezag een negatieve invloed heeft op de normale gang van zaken bin-

15 nen de gezagskring. Bij rivaliteit tussen natuurlijke gezagsdragers en legale gezagsdragers moet in de levenskring, respectievelijk de onderneming een gezag zijn dat beslissend ingrijpt. Daarbij geldt dat de vrijheid om natuurlijk gezag uit te oefenen haar grenzen dient te kennen. Bij die grenzen staat de 'wacht' van het legale gezag. Moderne gezagsverhoudingen Naast deze opvatting over gezag en gezagsvormen is er nog een moderne opvatting, die pas dan van gezag wil spreken als de macht door anderen wordt erkend. Zolang de omgeving of de betrokkenen in een bepaalde kring die macht niet aan de ander toekennen, kan er niet van gezag worden gesproken. Gezag is dan dus de macht die door mensen aan een medemens of een groep van mensen wordt toegekend. Deze opvatting van H.J. van Zuthem is een volstrekt horizontale aangelegenheid, waarbij het gezag verworden is tot een product dat afhankelijk is van menselijke overwegingen. Zodra, om welke reden ook, de toekenning van de macht ophoudt, vervalt het gezag. Concluderend kan worden gesteld dat, in het horizontale denken over gezag en gezagsstructuren, alleen redelijkheid, zakelijkheid en discipline de mensen brengen tot erkenning van (de moderne vormen van) het gezag.

16 S P R E K E N M E T G E Z A G Beeld Gods Geschapen als het beeld van God Bij het creëren van allerlei verenigingen, instellingen en instituten ter uitvoering van de taak op aarde moet de bijbelse notie dat de mens oorspronkelijk door God geschapen is naar Zijn beeld en gelijkenis, bepalend zijn. We spreken van de roeping, waarmee God tot de mens komt. Die roeping ligt opgesloten in het beeld Gods zijn. Tot het gehoor geven aan die roeping is de mens niet meer in staat; in elk geval niet voor het aangezicht van God. Voor het aangezicht van de mensen zijn er vonken overgebleven met het oog op het uitvoeren van die roeping. Dit onderscheid is ontleend aan Calvijn die de termen gebruikte: coram Deo en coram hominibus. Tot het beeld van God behoort in de eerste plaats de relatie met God de Schepper. Vervolgens behoren daartoe, naar nieuwere opvattingen zoals die gefundeerd besproken worden in de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, ook de relatie tot de medemens en de relatie tot de schepping. Tot de opdracht die de mens als beelddrager van God heeft gekregen behoort ook zijn rentmeesterschap over de schepping. De mens moet de schepping exploreren, ontwikkelen en binnen bepaalde grenzen exploiteren. Voor de uitvoering van die taak heeft hij allerlei instituten nodig. Men kan spreken van instellingen of andere organisatievormen die nodig zijn om als beeld van God op deze wereld te leven. Met de opdracht die in het beeld van God ligt opgesloten, is onvermijdelijk ook het gezag gegeven dat de mens nodig heeft om die taak uit te voeren. De parallel kan hier getrokken worden met het gezag dat de mens van God heeft ontvangen op terreinen als huwelijk, gezin, staat en kerk. In deze laatst genoemde levenskringen is het heel duidelijk dat God de mens met gezag bekleed heeft. In de door de mens zelf gecreëerde levenskringen of levensverbanden is dat niet direct duidelijk, maar wel indirect. Immers, omdat hij al deze instellingen nodig heeft ter uitvoering van zijn taak is de mens ook gezag toevertrouwd. Beeld van God in een negatieve modus Door de zondeval heeft de mens het beeld van God verloren. Althans, in engere zin, maar niet in ruimere zin. De oude gereformeerde theologen maakten dit onderscheid en bedoelden daarmee dat weliswaar de rechte

17 relatie met God door de zonde totaal bedorven is geworden. De mens is geen kind meer van God, maar knecht en slaaf van de zonde. Aan de andere kant zijn er elementen van het beeld van God door de sparende goedheid (ook wel algemene genade genoemd) bewaard gebleven. Dat betekent niet dat de mens zijn taak nog in volledigheid kan vervullen, zoals God dat heeft bedoeld. Dat betekent wel dat de mens, mens gebleven is en niet een ander schepsel is geworden. In de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek is dat wat er overgebleven is van het beeld van God genoemd 'het beeld van God in een negatieve modus'. Zoals een kind dat van huis wegloopt en zijn ouders de rug toekeert en de relatie radicaal doorbreekt toch op een negatieve manier, dus niet meer met liefde van binnenuit, aan zijn ouders gebonden blijft, zo is het ook met de mens. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis, één van de Drie Formulieren van Enigheid, wordt het in artikel XIV als volgt gesteld: '... En in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen;...' Hieruit blijkt dat de mens schuldig is om te voldoen aan de eis van God, en dat God rechtvaardig handelt

18 als hij de mens blijft aanspreken op zijn oorspronkelijke relatie en roeping. Door de innerlijke verdorvenheid als gevolg van de zondeval zal de mens er niet aan kunnen voldoen. Herstel van die verdorvenheid is slechts mogelijk door de genadige werking van Gods Woord en de Heilige Geest. Uit Gods Woord, en vervolgens ook uit de belijdenisgeschriften (bijvoorbeeld de Dordtse Leerregels, hoofdstuk 5, paragraaf I tot V), blijkt dat de mens ook na de ontvangen genade van de wedergeboorte en van de innerlijke vernieuwing, niet volkomen kan voldoen aan de eis van Gods wetten en inzettingen, terwijl er wel een begeerte gewekt is om naar Gods geboden te leven. Dit is helder weergegeven in de Heidelberger Catechismus. In vraag 114 wordt de vraag gesteld of degenen die tot God bekeerd zijn de geboden kunnen houden. Uit het antwoord blijkt dat zij dat niet kunnen. Zelfs de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid; doch alzo dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven. Evenals de wet haar kracht en haar claim behoudt, ook al is de mens daaraan ongehoorzaam, zo blijft ook de eis die opgesloten ligt in het naar het beeld en de gelijkenis van God zijn, van kracht en wordt de mens op die verplichting aangesproken. Dat is nodig om te bedenken als de notie van het beeld Gods in relatie met de roeping van de mens ter sprake gebracht wordt. Beeld van God en roeping In dit licht mag gezegd worden dat het de roeping van de mens is inventief, creatief en tegelijk selectief datgene tot stand te brengen wat voor de uitvoering van zijn roeping - mens zijn naar Gods beeld - nodig is. Voor de uitvoering daarvan zijn allerlei intermenselijke relaties door God gegeven en door mensen gecreëerd. In die relaties met de medemens die uit de roeping voortvloeien, heeft de mens het recht en de plicht gezag uit te oefenen en van ondergeschikten te vragen zich dienovereenkomstig te gedragen. Zowel het oefenen van gezag als het vragen van gehoorzaamheid staat onder het dubbel-gebod van de liefde, namelijk liefde tot God en liefde tot de medemens. Het oefenen van gezag en de onderwerping daaraan vraagt immers, bijbels gezien, om het dubbele betoon van liefde. Liefde bepaalt dan ook het volbrengen van de roeping, zowel door de werkgever als door de werknemer. Zo is de mens als beelddrager van God in het maatschappelijk leven ook op deze wijze beelddrager, dat hij de ene keer gezag uitoefent, terwijl hij de andere keer zelf zich naar het gezag moet voegen.

19 Gezag van Godswege Uitgangspunt is de Goddelijke oorsprong van menselijk gezag. Dat betekent dat er wel degelijk sprake is van gezag van Godswege. Daarbij moet bedacht worden dat de weg waarlangs we tot het vaststellen van dit gezag komen, soms alleen indirect vanuit de Bijbel is te traceren. Toch betekent dit indirecte karakter niet dat het gezag daarom minder recht van spreken heeft. Het betekent wel dat de manier waarop, en de kring waarbinnen het wordt uitgeoefend, mede door de historische situatie wordt bepaald. In het licht daarvan dient er oog te zijn voor de wijze waarop dit gezag zich manifesteert. De vaak gepropageerde democratisering van het gezag zoals die voortkomt uit filosofieën van de autonome mens wordt afgewezen. Daardoor wordt het gezag van zijn Goddelijke oorsprong ontdaan en lijkt het gezag eigenlijk alleen uit menselijke behoefte of menselijke inventiviteit op te komen. Wel is het noodzakelijk oog te hebben voor veranderingen die in de uitoefening van het gezag door de eeuwen heen noodzakelijk c.q. gewenst blijken. Dit geldt ook in de relatie van ouders en kinderen. Er is een behoorlijk verschil in de gezagsuitoefening in het gezin nü, vergeleken met de manier waarop dat twee eeuwen geleden gebeurde. Datzelfde geldt niet alleen van het ouderlijk gezag, maar ook van het gezag in de staat en ook van het gezag in de relatie werkgever - werknemer. Historisch spanningsveld Het is duidelijk dat hier de vraag naar voren komt, op welke manier enerzijds de cultuur- en tijdgebonden situatie bepaald kan worden, terwijl anderzijds de vaste waarde van de Schrift toch duidelijk vastgehouden wordt. Hier zijn allerlei mogelijkheden denkbaar. Men zou restauratief, conservatief, reactionair en progressief te werk kunnen gaan. Het is daarbij van belang om enerzijds te onderkennen wat de constante bijbelse waarde is, en anderzijds de historisch-variabele vormgeving of invulling daarvan te onderscheiden. Omdat ieder mens in meerdere of mindere mate 'kind van zijn tijd' is, is dat echter verre van gemakkelijk. Onmogelijk is het gelukkig ook niet. Dat blijkt uit de wijze waarop in verschillende tijden en omstandigheden

20 invulling wordt gegeven aan allerlei levensverbanden, zoals de huwelijksrelatie, de gezinssituatie en ook aan de politieke vormgeving. Met gezag bekleed In de moderne opvattingen over gezag is geen aandacht voor het feit dat God mensen bekleedt met gezag. Toch is juist die benadering van groot belang als het gaat om het gezag in de menselijke verhoudingen. Immers, alleen omdat God een mens bekleedt met gezag, krijgt die mens een bevoegdheid. Dat is een verleende bevoegdheid om te handelen ter bereiking van een bepaald doel, en/of ter vervulling van een bepaalde taak. Die bevoegdheid impliceert dan zeggenschap over anderen om hen te doen meewerken aan het bereiken van het gestelde doel, dan wel om die bepaalde taak te vervullen. Deze bevoegdheid kan op verschillende wijzen ingevuld worden. Zo kan een opdracht gegeven worden, waarbij iemand een bevel, taak of voorschrift moet uitvoeren. Er kan ook gezag worden overgedragen of gedelegeerd of gemandateerd. Bij delegatie wordt een bevoegdheid overgedragen en bij een mandatering worden handelingen uitgevoerd of beslissingen genomen door iemand in naam van een boven hem gestelde. Het is wel duidelijk dat dit overdragen van gezag niet hetzelfde is als wanneer God iemand met gezag bekleedt. Waar Gods gezag immers soeverein is en geen verantwoording behoeft, dient de met gezag beklede mens zich te verantwoorden over de uitoefening van zijn gezag, zowel ten opzichte van degenen die onder zijn gezag gesteld zijn als ten opzichte van God. Enkele gezagskringen Ook in de menselijke verhoudingen is het van belang om te bezien wat het betekent dat God de mensen bekleedt met gezag. In de Bijbel wordt niet in abstracte zin over gezag gesproken. Wel wordt het gezag benoemd in z'n feitelijk functioneren binnen bepaalde kringen of in de oproep om het te laten functioneren. God verleent gezag en vraagt ons rekenschap over hoe wij gezag uitoefenen. Denk als eerste aan het huwelijk. De man heeft gezag over zijn vrouw, Efeze 5:22-33; Kolossenzen 3:18; Titus 2:4 en 5; I Petrus 3:1-7 en I Korinthe 11:3. In het gezin hebben ouders gezag over hun kinderen, Genesis 18:19; Leviticus 19:3; Efeze 6:1-4; Kolossenzen 3:20 en uiteraard ook de bekende woorden uit de Decaloog Exodus 20:12. In de gemeente hebben ambtsdragers gezag over gemeenteleden,

21 I Thessalonicensen 5:12 en 13; Hebreeën 13:7; I Petrus 5:1-5. In de staat hebben regeerders gezag, Matthéüs 22:21; Rom. 13:1-7; Titus 3:1; I Petrus 2:13 en 14; Deuteronomium 17: In al deze gezagskringen zijn degenen die onder het gezag vallen tegelijkertijd degenen op wie zich het doel of de taak van de gezagsdrager richt. Dat geldt man - vrouw, ouders - kind, overheid - onderdaan, kerkelijke gezagsdrager - gemeentelid. De gezagskring binnen de arbeid Naast de reeds genoemde gezagskringen is er nog sprake van een andere, namelijk die van het gezag binnen de arbeid. Zoals onder andere blijkt uit Genesis 2:15-17 en uit II Thessalonicensen 3:10 is er de plicht om te arbeiden. Deze plicht tot arbeiden wordt binnen verschillende structuren uitgeoefend. Voor zover de arbeid wordt vervuld binnen een onderneming met een (al dan niet schriftelijk vastgelegd) arbeidscontract tussen werkgever en werknemer, is er sprake van een gezagsrelatie. Deze gezagsrelatie tussen werkgever en werknemer is van andere orde dan de eerder genoemde relaties. Bij de gezagsrelaties in arbeidsorganisaties vormen de werknemers niet degenen waarop het doel en de taak van de werkgever zich primair richten, maar zijn zij degenen die moeten meewerken aan de realisering van het doel, de taak. Daarin verschilt deze gezagskring van de eerder genoemde kringen man - vrouw, ouders - kind enz. Voor de manier waarop werknemers gehouden zijn hun taak uit te oefenen, maar ook hoe de werkgever zich heeft te houden ten opzichte van de werknemers, wordt een arbeidsovereenkomst afgesloten. Door het afsluiten van de arbeidsovereenkomst ontstaat tevens een bepaalde vorm van een gezagsrelatie. Het is echter een gezagsrelatie die verbroken kan worden. Dat is bijvoorbeeld in de gezagsrelatie tussen een vader en zijn zoon ten diepste onmogelijk, ook al zou de verhouding ernstig verstoord zijn. In een arbeidsrelatie zijn er dus twee grote verschillen met de andere gezagskringen. Het eerste is dat de werknemer niet het doel vormt van het gezag, maar een 'middel' is om het ondernemingsdoel te realiseren. Het tweede onderscheid is te vinden in de contractverhouding, die beëindigd kan worden. Onderlinge verhoudingen gezagskringen Binnen de vijf genoemde gezagskringen worden mensen met gezag bekleed door God, Die het absolute gezag heeft. Mensen staan in hun gezagsrelatie dan ook altijd in een verhouding tot God. Daarnaast zijn tussen de ver-

22 schillende gezagskringen relaties te onderkennen. Om hierop goed zicht te krijgen kunnen de gezagskringen ingedeeld worden in drie groepen, namelijk de relationele gezagsverhouding, de institutionele gezagsverhouding en de contractuele gezagsverhouding. Bij de gezagskringen man - vrouw, ouders - kinderen gaat het om relationele gezagsverhoudingen, die een duidelijke oorsprong vinden in de schepping en in de geboden die de Heere heeft gegeven. Onder de institutionele gezagsverhouding behoren de gezagskringen waarin overheid en onderdanen betrokken zijn. Naast het staatkundige is hierbij ook de kerkelijke gezagskring betrokken. De arbeidsverhoudingen tenslotte behoren onder de contractuele gezagsverhouding. Daarbij wordt een juridische relatie aangegaan door een arbeidsovereenkomst waar beide partijen mee instemmen. Door een schematische weergave blijkt dat het absolute gezag invloed heeft op de verschillende gezagsrelaties, en dat de verschillende gezagsverhoudingen in relatie met elkaar functioneren en invloed op elkaar hebben. God absoluut gezag Het zal duidelijk zijn dat bijvoorbeeld het institutioneel gezag invloed heeft op het contractueel gezag. Immers, door de overheid worden regels vastgesteld waaraan arbeidsrelaties dienen te voldoen. Ook is onderlinge verantwoording binnen de verschillende gezagsverhoudingen van belang. In het verdere zal eerst worden ingegaan op de verhoudingen binnen het contractuele gezag.

23 Verhouding tussen werkgever en werknemer Ook binnen het kader van de arbeidsrelatie is gezag nodig. Het gaat dan dus om het contractuele gezag, dat ontstaat tussen werkgever en werknemer op het moment dat zij een arbeidsovereenkomst met elkaar aangaan. In de Bijbel wordt de verhouding tussen werkgever en werknemer aangeduid als de heer - knecht verhouding. Er zijn heel wat plaatsen in de Bijbel waarin wij die verhouding tegenkomen. Denk aan Eliëzer die als de knecht van Abraham door deze de oudste in zijn huis wordt genoemd (Genesis 24:1-67). Jozef die in dienst komt van de Farao van Egypte (Genesis 41:33-57), waarbij Jozef als ondergeschikte van de Farao zelfs onderkoning van Egypte wordt. Zo zijn er tal van heer - knecht verhoudingen in de Bijbel, ook in het Nieuwe Testament: de Romeinse centurio (Matthéüs 8:9 en 10) en de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (hier wordt zelfs een arbeidsovereenkomst gesloten, Matthéüs 20:1-16). Ook de eschatologische gelijkenissen (Matthéüs 24:43-51) en die van de heer en de knecht (Lukas 17:7-10). Verder passages over de slaven, Efeze 6:5-7; Kolossenzen 3:22; I Timotheüs 6:1; Titus 2:9 en I Petrus 2:18. De genoemde Bijbelgedeelten zijn voor een deel beschrijvend van aard. Daaruit is veel te leren over de positie van gezagsdragers en ondergeschikten. Ook zijn deze Bijbelgedeelten ter navolging bedoeld. Als voorbeeld kan nog genoemd worden Boaz, die zijn werknemers tegemoet treedt met de woorden: 'De Heere zij met ulieden. En zij zeiden tot hem: De Heere zegene u!' Maar er zijn ook Bijbelgedeelten genoemd, vooral uit het Nieuwe Testament, die normatief zijn en die dan ook voorschriften bevatten voor de hedendaagse gezagsverhoudingen. Talma heeft, in 'De vrijheid van de arbeidenden stand' (1902), overigens niet als enige, gesteld dat nu de relatie heer - slaaf vervallen is, dat deze teksten geen normatieve betekenis meer hebben voor onze samenleving. Men zou zich voor gezag in arbeidsverhoudingen daarop dus niet meer kunnen beroepen. Talma heeft het begrip gezag niet in verband gebracht met de arbeidsverhoudingen, omdat hij dan spreekt over het geven van leiding. En dat zou volgens Talma berusten op een overeenkomst en heeft dus ook niets met het vijfde gebod te maken. Deze stelling kan niet onweersproken blijven. Immers de heer - slaaf relatie is een verbijzondering (door tijdsomstandigheden bepaald) van de door heel de Bijbel heen voorkomende heer - knecht verhouding. De verhouding heer - knecht heeft wél te maken met het vijfde gebod. We erkennen dat de arbeidsverhoudingen van deze eeuw geheel anders zijn dan die in de relatie

24 S P R E K E N M E T G E Z A G heer - slaaf. Er wordt een arbeidscontract afgesloten. Er is, hier en daar, sprake van inspraak. Toch kan deze gewijzigde arbeidsverhouding niet zonder het element van gezag. Alleen de manier waarop gezag in de hedendaagse gezagsrelatie functioneert verschilt van de relatie heer - slaaf. Werkgever en werknemer hebben wederzijdse rechten en plichten. Die zijn ze aangegaan doordat ze op basis van gelijkwaardigheid met elkaar een contract, een arbeidsovereenkomst, afsluiten. Op basis van dit contract verplicht de werknemer zich om zich naar het gezag en de hiërarchie binnen de onderneming te voegen. Het gaat dan ook om een contractuele gezagsverhouding. De consequentie van Talma's stelling moet zijn dat er in arbeidsverhoudingen dan eigenlijk geen enkele gezagsrelatie meer te bekennen is. Alleen wat men samen overeenkomt, heeft rechtsgeldigheid, dus zeggenschap en gezag. Dat kan ook heel gemakkelijk leiden tot een visie op gezag die slechts gevoed wordt vanuit de horizontale lijn. In zijn uiterste consequentie is dit gelijk aan Van Zuthem's visie op gezag. Talma's argument is pas in het begin van de twintigste eeuw onder woorden gebracht. Zou men bijbels gezien in de eeuwen daarvoor dan ten opzichte van het gezag in een vacuüm hebben verkeerd? Het ligt voor de hand een parallel te trekken met de andere gezagskringen die reeds zijn beschreven. Zoals daar gezag is verleend en wordt uitgeoefend, zo is het ook in arbeidsverhoudingen het geval. Levenskringen De verschillende gezagskringen huwelijk, gezin, gemeente, staat en arbeid, worden ook wel aangeduid als de levenskringen die God geschapen heeft en waarin Hij ons doet verkeren. Om deze levenskringen goed te laten functioneren als samenleving heeft God gezag gecreëerd. Gezag komt van God. In bovengenoemde gezagskringen is dat overduidelijk. In andere kringen is dat minder duidelijk. Er zijn kringen, verbanden, verenigingen of instituten door mensen gecreëerd om hun taak op aarde des te beter te kunnen vervullen. Als voorbeeld kunnen de scholen genoemd worden. Zij zijn geen vervanging van het gezin. Zij zijn hulpmiddelen om de kinderen te vormen en op te voeden. Op school moet er gezag zijn, net als thuis. Betekent dit dat de ouders hun ouderlijk gezag aan de school overdragen? Dat kan niet het geval zijn. Ook als de kinderen op school zijn, houden ouders hun ouderlijk gezag. Niettemin moet er ook op school gezag zijn dat functioneert naar analogie van het ouderlijk gezag in het gezin. Dat wordt nog extra duidelijk als in de derde vraag van het doopformulier de

25 EEN BIJBELS-ETHISCHE BEZINNING OP GEZAG EN MEDEZEGGENSCHAP opdracht om te onderwijzen en te doen of te helpen onderwijzen aan de orde komt. De school is echter een eigen levenskring waarin de onderwijskrachten ook eigen gezag hebben dat niet is afgeleid van dat van de ouders, noch daarmee samenvalt. Overigens levert dit nog al eens spanning op in het geval dat ouders leerkrachten afvallen als deze gezag uitoefenen. Tenslotte is er binnen de schoolgemeenschap nog sprake van andere gezagsstructuren. Zo is het bestuur het bevoegd gezag, dat namens de vereniging of stichting gezag uitoefent. Het gezag van de leerkrachten is indirect opgesloten in het vijfde gebod. Het hangt daarmee samen, maar het is niet hetzelfde. Het woord indirect wordt hier gebruikt omdat het gezin ofwel de ouders van de school gebruik maken. Dat kan alleen als de school ook gezag heeft. Zo zijn er meer instituten denkbaar. Te denken valt aan het feit dat de regering van het land haar taak niet kan uitvoeren als ze geen kantoren, bureaus en ministeries heeft. Het gezag bijvoorbeeld van de secretaris-generaal binnen een ministerie is niet hetzelfde als dat van de minister in de landspolitiek. Toch is er een analogie te maken. De minister kan niet zonder zijn ministerie. Hetzelfde geldt voor de inrichting van de arbeidsrelaties. Werkgevers creëren een organisatie, waardoor het mogelijk wordt de doelen van de onderneming te realiseren. Daarbinnen zijn gezagsstructuren denkbaar, die niet dezelfde status hebben als de gezagsrelatie die door de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen tussen de 'persoon' van de werkgever en de 'persoon' van de werknemer. Wel staan de interne gezagsstructuren in relatie tot de oorspronkelijke gezagsrelatie van werkgever en werknemer. Omdat deze oorspronkelijke gezagsrelatie ook behoort bij de bedoeling van het vijfde gebod (zie Heidelberger Catechismus Zondag 39), zijn de afgeleiden ook onder dezelfde toets begrepen. Binnen de levenskring van de arbeid geldt dit voor zolang de arbeidsovereenkomst in stand blijft.

26 S P R E K E N M E T G E Z A G Doel van gezag Hoogste doel Een niet geheel volledige definitie van gezag luidt als volgt: "Gezag is de bevoegdheid tot het (doelmatig) aanwenden van macht." Het is de vraag of hierin voldoende tot uitdrukking komt dat God Degene is Die het gezag verleent en dat gezag gebruikt moet worden tot eer van God en tot heil van de naaste. De volgende formulering heeft die elementen wel in zich: "Gezag is het door God gegeven recht om macht aan te wenden ter bereiking van het ons door Hem gestelde doel." Hierin ligt opgesloten dat gezag in zijn herkomst aan God wordt toegeschreven, dat God het recht verleent en tegelijk ook het doel bepaalt. Dat doel is niet willekeurig door ons te bepalen. Wij zijn onderworpen aan wat God met ons leven wil. Het einddoel is de eer van God. Tussendoelen of middeldoelen worden met het oog op het einddoel door ons ontworpen. Norm is daarbij dat ze zo dienstbaar mogelijk zijn aan het einddoel. Wij hebben alleen gezag met het oog op dat doel. Wie zijn gezag aanwendt breder dan en buiten dat doel, misbruikt zijn gezag. Aan dat misbruik moet een halt worden toegeroepen, door de overheid, door interne of externe (bevoegde) controle-instanties, door de rechter of de politiek. Middeldoelen Het doel is door God bepaald, soms rechtstreeks, soms indirect. Mensen moeten vervolgens invullen hoe ze om dat hoogste doel te bereiken middeldoelen creëren om bij het hoogste doel te komen. Deze middeldoelen zijn vaak vrucht van menselijke inventiviteit en creativiteit. De noodzaak, het nut en het goed recht van deze middeldoelen moet kunnen worden aangetoond. Ook bij de verwezenlijking van deze middeldoelen is gezag nodig. Gezag beoogt harmonie en vrede Gezag dat dienstbaar wil zijn, is uit op harmonie en vrede. Gezag is nooit een louter formele, uitwendige instantie. Gezag dient het goede functioneren van de samenleving en van de levenskringen. En daarmee het welzijn van mensen. Gezag en vrijheid zijn geen tegenstellingen, ze gaan samen. Ook gezag en respect behoren bij elkaar. Er is respect nodig voor de gezags-

27 EEN BIJBELS-ETHISCHE BEZINNING OP GEZAG EN MEDEZEGGENSCHAP drager en anderzijds ook van de gezagsdrager voor degene die aan het gezag onderworpen is. Zoals reeds eerder is gezegd, de uitoefening van het gezag moet in liefde geschieden. Zo wordt de dienende functie van menselijk gezag benadrukt. Goed gezag is niet hard, of alleen maar verstandelijk, maar het goede zoekend en met een betrokken hart. Goed gezag is nuttig, mooi en dient het welzijn van de mens.,-fe, In or.odo hnndon Bouw on luoolle»««.ho! m.n.otllk'»«'» Jj S C T ^Tnk-CvilU' encomtwnlcaüe vcux«sa «wr 25j

28 Gezag en overleg Dienstbaar gezag Gezag behoort dus altijd dienstbaar gezag te zijn. Dienstbaar aan een bepaald doel en aan de daarbij betrokkenen. Er is geen sprake van absoluut gezag, anders dan het Goddelijk gezag. Het gezag in de menselijke verhoudingen kent zijn beperkingen en grenzen, en daarom moet het ook gecontroleerd worden. Immers, er is de verantwoordingsplicht van zowel de gezagsdrager als van de aan het gezag onderworpene. Zij beiden zijn verantwoording verschuldigd aan God, Die de één met gezag bekleedt en de ander aan gezag onderwerpt. Dat betekent dus dat zowel de aan het gezag onderworpene als de gezagsdrager zich dienen te stellen onder het opperste en absolute gezag van God. Dat opperste en absolute gezag behoeft niet gecontroleerd te worden, want het is soeverein. In de menselijke verhoudingen ligt dit anders. Naast de plicht tot verantwoording tegenover God is er de plicht tot verantwoording naar elkaar. In verband met dit laatste zullen er controle-instanties moeten worden ingesteld. Omdat niemand absoluut gezag heeft, is ieder die gezag draagt aan controle onderworpen. Hij moet verantwoording afleggen van de wijze waarop hij zijn gezag uitoefent. Dat geldt uiteraard naar God toe als Eerste, maar ook horizontaal in de samenleving van mensen. Van hieruit kunnen we ook iets zeggen over medezeggenschap en andere hedendaagse vragen in verband met het gezag. Gezag als middel Werknemers en werkgevers staan met elkaar in een gezagsrelatie, die dient bekrachtigd te zijn door een arbeidsovereenkomst. Dat is dus duidelijk anders dan bijvoorbeeld in het geval van een freelancer of van iemand die een opdracht accepteert, waarbij niet de wijze waarop het werk geregeld wordt door de opdrachtgever, maar alleen de opdracht op zich verstrekt wordt. De wijze van uitvoeren, het moment van uitvoeren, de middelen ter uitvoering zijn voorbehouden aan de freelancer zelf, behalve wanneer dit in het contract is vastgelegd. Er wordt slechts een dienst gevraagd die de contractant op eigen gezag uitvoert.

29 Door het aangaan van de arbeidsovereenkomst ontstaat een gezagsrelatie en neemt de werkgever bepaalde verantwoordelijkheden en verplichtingen op zich, die door de arbeidsovereenkomst worden bekrachtigd. Anderzijds draagt de werknemer door het aangaan van de arbeidsovereenkomst de verantwoordelijkheid voor zijn bijdrage aan het werk, hetgeen hij zal doen in opdracht van en volgens de aanwijzingen van de werkgever. De werknemer accepteert dan dat hij op het gezag van de werkgever het werk uitvoert. Het gaat hierbij dus om het contractuele gezag. Toch staat dit contractuele gezag niet op zich zelf, want de wederzijdse verplichtingen hebben ook een wettelijke basis. Het institutionele gezag beïnvloedt dus het contractuele gezag. Binnen de arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en werknemer worden de werkzaamheden op gezag van de werkgever uitgevoerd. In die gezagsrelatie moet de werknemer wel in staat gesteld worden om zijn taak uit te voeren. Daarvoor moeten de nodige middelen worden gegeven door de werkgever. De werknemer kan als hij gehinderd wordt in het uitvoeren van zijn overeengekomen (en dus van hem verlangde) taak, vragen stellen aan zijn werkgever. In bepaalde gevallen mag hij zijn werkgever er aan houden hem de middelen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de arbeid uit te voeren. Bij die middelen zijn naast materiële zaken ook immateriële zaken denkbaar. Zo kan de werknemer, zelf onder de chef of de leiding van de 27J

30 onderneming staande, soms op bepaalde beperkte gebieden gezag worden verleend, zodat hij zelf ook formeel gezag kan uitoefenen. Gezag wordt dan een middel dat in harmonie wordt overgedragen, of in overleg wordt uitgeoefend, zonder dat aan het wezen van dat gezag afbreuk wordt gedaan. Overleg De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van hun taak komt ook uit in het meedenken en meespreken. De mens is nu eenmaal geen robot, maar ook in de taak die hij uitvoert beeld van God. Het werk moet geschieden in een arbeidsgemeenschap, waarbinnen gezag innerlijk opbouwend en het doel dienend is, maar zó dat er voor persoonlijke verantwoordelijkheid en vrijheid van de werknemer ruimte over blijft. Er is een vorm van medewerking en inspraak die zich goed verdraagt met de hierboven bedoelde gezagsuitoefening. Als voorbeeld uit een heel andere gezagskring kan gesteld worden, dat kinderen van tien jaar op een andere manier tot gehoorzamen aan het gezag van de ouders worden geroepen, dan jongeren van zeventien jaar. Met kinderen van elke leeftijd wordt gesproken, maar de uitleg en argumentatie zal per leeftijdsgroep verschillen. Overleg met de kinderen en het toekennen van verantwoordelijkheid bij het ouder worden hoeft niet te gaan ten koste van de gezagsoefening van ouders. Er kan om opheldering, soms zelfs om motivering gevraagd worden. Die opheldering kan door kinderen van de ouders gevraagd worden, en ook omgekeerd door de ouders van de kinderen. Zo kan het ook gaan in de onderneming en op de werkvloer. In de normale arbeidsverhoudingen is ruimte voor overleg en kan er om toelichting gevraagd worden op bepaalde beslissingen. Door de werkgever kan hiermee op verschillende manieren worden omgegaan.

31 Gezag en medezeggenschap Omgang met overleg In veel kleinere ondernemingen en instellingen is er dagelijks overleg. Vaak is dit noodzakelijk in verband met inhoudelijke deskundigheid en professionaliteit, of door de persoonlijke verantwoordelijkheid die werknemers hebben. Veelal gaat dit overleg gewoon tussen de bedrijven door, op informele wijze. Hoe groter de onderneming, hoe moeilijker het wordt om met alle betrokkenen te overleggen op informele wijze. Meestal wordt overleg positief gewaardeerd, zeker in verband met de gunstige invloed ervan op de persoonlijke verhoudingen en op het gevoel van betrokkenheid bij de onderneming. Juist deze aspecten kwamen door de toenemende schaalvergroting en de automatisering steeds meer onder druk te staan. Daarnaast is het van belang om dieper door te stoten naar de oorsprong van de wens, of zelfs de dwang, tot overleg. De mens is na de zondeval van nature afkerig van gezag en onderwerping. Iedereen, zowel werkgever als werknemer, is daardoor gericht op zelfbeschikking en autonomie. Deze gerichtheid mondt uit in het zichzelf toekennen van gezag of ten minste medezeggenschap. Om aan de behoefte tot overleg te voldoen is er in grotere bedrijven een formele status en structuur aan het overleg gegeven. De overheid, een van de gezagsdragers waaraan de onderdanen onderworpen zijn, heeft daarin een rol gespeeld door te bepalen op welk moment er in een onderneming een ondernemingsraad (OR) dient te zijn. Ten diepste heeft de overheid als gezagskring zo dus invloed op het gezag zoals dat uitgeoefend wordt door de werkgever. In de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) heeft de overheid een groot aantal zaken geregeld, waarbij vastgesteld is op welke terreinen adviesrecht, instemmingsrecht en ook nog initiatiefrecht wordt verleend aan de OR. In feite is zo door de overheid geregeld op welke wijze er in een onderneming overleg dient te zijn. De inrichting van dit overleg geeft aan dat dit niet alleen informeren is, maar dat de OR mee gaat spreken. Het overleg is dan uitgemond in medezeggenschap.

32 S P R E K E N M E T G E Z A G Vermenging gezagskringen Zowel werkgevers als werknemers zijn onderdaan van de overheid. De overheid oefent gezag uit bij de gratie Gods. De overheid gebruikt middelen, zoals wetgeving, om haar gezag gestalte te geven. Van de onderdanen mag verwacht worden dat zij dit gezag aanvaarden en de wetten gehoorzamen, tenzij dat door het overheidsbeleid de onderdanen verplicht worden te zondigen tegen Gods geboden. In de arbeidsverhoudingen betekent dit dat de overheid aanwijzingen geeft over de gezagsrelaties binnen ondernemingen en instellingen. Zodra een onderneming meer dan 50 werknemers heeft is de WOR van toepassing, in die zin dat er vanaf dat moment de verplichting is om een ondernemingsraad in te stellen. Daarmee zegt de overheid tegen de werkgever dat hij zijn gezag, zijn zeggenschap, moet gaan delen. Werknemers mogen meezeggen, er ontstaat medezeggenschap in de vorm van een Ondernemingsraad. Opnieuw is de conclusie dat de ene gezagskring, die van overheid en onderdanen, invloed heeft op de andere gezagskring, werkgever en werknemer. De invloed van het institutionele gezag op het contractuele gezag stijgt dus uit boven de individuele gezagsverhoudingen, en werkt door in de medezeggenschapsorganen. Medezeggenschap Als medezeggenschap in het teken staat van medewerking doet dit recht aan de gezagsrelatie, zoals die tussen werkgever en werknemer dienstig is. Deze medezeggenschap is dan niet bedoeld om het gezag te verdelen over de gezagsdragers en de medewerkers. Medezeggenschap die in het teken staat van medewerking komt de samenwerking binnen de werkgemeenschap ten goede en is dienstbaar aan het doel. En uiteraard heeft een deskundige wijze van inspraak ook een bepaald gezag. In dit verband zou men dan kunnen spreken van op deskundigheid gestoeld gezag aan de kant van de werknemer, tegenover of in samenwerking met het legale gezag van de werkgever. Van belang is dan ook dat medezeggenschap op de juiste wijze vorm en inhoud krijgt. Vooral in kleinere bedrijven kan dit als de verhoudingen goed zijn door de informele overlegstructuur soepel verlopen. In grotere ondernemingen stelt de overheid vast op welke wijze medezeggenschap vorm krijgt. De overheid heeft in de WOR bepaald dat er adviesrecht en instemmingsrecht bestaat binnen bedrijven. Het is van belang om deze begrippen te bezien, met name ook om de grenzen te duiden die er zijn aan deze door de overheid vastgestelde rechten.

33 Adviesrecht De OR heeft het recht advies uit te brengen over een aantal door de ondernemer voorgenomen besluiten van financieel-economische en organisatorische aard. In de wet is de procedure omschreven volgens welke de ondernemer en de OR dienen te handelen. Opnieuw een duidelijk beïnvloeding van de contractuele gezagsverhoudingen door de institutionele. In de praktijk wordt een voorgenomen besluit van de werkgever dat van belang is voor de organisatie voorgelegd aan de OR, die advies uitbrengt. Als de OR positief adviseert is er geen belemmering meer voor de werkgever om zijn besluit uit te voeren. Als de OR negatief adviseert of een alternatief adviseert is het aan de werkgever om een volgende stap te maken. Dat kan hij doen door zijn voorgenomen besluit in te trekken of aan te passen. Maar het is ook mogelijk dat de werkgever uiteindelijk een besluit neemt dat niet overeenstemt met het advies van de OR. Op dat moment is de ondernemer verplicht de uitvoering van zijn besluit op te schorten tot een maand na de dag waarop de OR van dat besluit in kennis is gesteld. In die maand kan de OR zich onder bepaalde voorwaarden wenden tot de Ondernemingskamer. Deze Ondernemingskamer dient te toetsen of de werkgever bij afweging van de betrokken belangen wel of niet in redelijkheid tot zijn besluit is gekomen. Zo ja, dan kan de ondernemer zijn besluit ten uitvoering brengen. Zo nee, dan kan de ondernemer verplicht worden zijn besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken, gevolgen ongedaan te maken of zelfs een verbod opgelegd krijgen om bepaalde handelingen te (doen) verrichten ter uitvoering van het besluit. In feite gaat dit heel ver. Toch heeft de OR niet anders gedaan dan zich houden aan het adviesrecht. Als het advies genegeerd wordt gaat de OR akkoord of geeft het uit handen aan de Ondernemingskamer, die vanuit het institutionele gezag de toetsing van het besluit ter hand neemt. Op deze wijze worden bij het adviesrecht de grenzen in de gezagsrelatie niet overschreden. Ten dienste van het doel of de taak van de onderneming is het vaak zeer gewenst advies te vragen en te geven vanuit de breedte van de organisatie, vanwege de daar aanwezige deskundigheid. Daarbij kan de OR een negatief advies geven. De werkgever zal dat normaal gesproken zeer zwaar laten wegen in de besluitvorming, maar het blijft zijn beslissing om zijn beleidsvoornemens wel of niet uit te voeren. De OR kan dit dan wel laten toetsen door het institutionele gezag.

34 Instemmingsrecht In de WOR is ook instemmingsrecht geregeld. De OR heeft instemmingsrecht over een aantal door de ondernemer voorgenomen besluiten met betrekking tot onderwerpen op het gebied van het sociaal beleid van de onderneming. Daarbij gaat het om het vaststellen, wijzigen of intrekken van een regeling, welke geldt voor alle werknemers of een groep werknemers en waarover geen overleg plaats vindt met de vakbonden. Er zijn twee mogelijkheden: instemmen, dan wel instemming onthouden. Als de OR instemt kan het besluit worden uitgevoerd. Als de OR zijn instemming onthoudt kan de ondernemer toch het besluit ten uitvoer brengen. De OR kan dan, na bemiddeling door de bedrijfscommissie, de nietigheid van het besluit inroepen bij de kantonrechter en ten slotte bij de Rechtbank. Ook de ondernemer kan deze route volgen om toestemming te verkrijgen om zijn besluit uit te voeren. In eerste instantie lijkt het instemmingsrecht een zeer zwaar middel, waarbij het gezag van de ondernemer schijnt te worden aangetast. De OR gaat dan verder dan bij advisering en de eventuele toetsing door de Ondernemingskamer. Hier roept de OR de nietigheid van het besluit in. Anderzijds gaat het hier om arbeidsvoorwaardelijke regelingen, die consequenties hebben voor de afspraken die tussen werkgever en werknemer gemaakt zijn bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst. In een kleine onderneming zonder OR zal de werkgever met iedere individuele werknemer moeten onderhandelen om de arbeidsovereenkomst te wijzigen. Als de werknemer zich dan mag beroepen op de reeds gemaakte afspraken, dan geldt dit ook voor de OR, die binnen de grote onderneming het orgaan is dat de arbeidsovereenkomsten bewaakt en erover onderhandelt. Grenzen bepalen Zowel ten aanzien van het adviesrecht als bij het instemmingsrecht is het niet eenvoudig te zeggen of en wanneer de grenzen van de gezagsverhouding worden overschreden. Steeds zal het van belang zijn om op een integere wijze om te gaan met de voorgenomen besluiten, en ook om de juiste toon te treffen bij eventuele negatieve adviezen of het onthouden van instemming. Vooral op die momenten is het van belang om de juiste verhoudingen tussen werkgever en werknemer in het oog te houden. Als deze verhoudingen door de wijze van opereren van de OR in het gedrang komen, kan het moment aanbreken waarop een OR-lid zich zal moeten distantiëren van een negatief advies, dan wel van een onthouden van instemming, bijvoorbeeld door een stemverklaring af te geven. In een dergelijke stemverklaring kan

35 wel zijn advies doorklinken op een wijze die wel recht doet aan de onderlinge verhoudingen. Anderzijds is het ook van belang om dit alles te bezien vanuit het perspectief van de werkgever. Als deze de wettelijke bepalingen hanteert in het oprichten van een OR en de juiste procedures hanteert, geeft dat ook aan dat hij de uitvloeiselen van de wetgeving op dit punt accepteert. Het is dan niet reëel om te verwachten dat bijvoorbeeld een advies door de OR onvoldoende wordt voorbereid en uitgebracht. Normaal gesproken zal geen enkele ondernemer een OR willen hebben die alleen als ja-knikker mag of zelfs wil functioneren. Daarvoor is een gezonde onderneming te zeer gericht op efficiënte inzet van de energie, de tijd en het geld die in een OR gestoken worden. Een ondernemer die op deze wijze met zijn OR omgaat zal een negatief advies of een weigering van instemming dan ook niet onder de druk van verstoorde gezagsrelaties proberen om te buigen. Hij zal er veel meer op gericht zijn om samen met de OR draagvlak te creëren voor nieuw beleid. Schijnbare botsing van plichten Een OR-lid heeft als primaire taak om de belangen van het bedrijf en van werknemers binnen dat bedrijf zo goed mogelijk te behartigen. Het is denkbaar dat het OR-lid de belangen van bedrijf en werknemers op een geheel

36 S P R E K E N M E T G E Z A G eigen wijze zal moeten afwegen en daarvoor zelfs de uiterste mogelijkheden van advies- of instemmingsrecht moet hanteren. Als voorbeeld daarvan kan dienen het beleidsvoornemen van een werkgever die om bedrijfseconomische redenen op zondag wil gaan produceren. Dat is een besluit waarvan de overheid in de WOR heeft bepaald dat de OR haar instemming moet verlenen. Door niet in te stemmen kan de OR deze ontwikkeling tegengaan. Economisch gezien kan het bedrijfsbelang groot zijn, de belangen van de werknemers kunnen uit financieel oogpunt groot zijn. Het lijkt erop dat op dat hier sprake is van een botsing van plichten, omdat de primaire taak van het OR-lid uit bedrijfseconomisch oogpunt niet goed wordt uitgevoerd. Op dat moment is het echter van belang dat een OR-lid kijkt naar wat de Heere van ons vraagt. Hij vraagt van ons om Hem lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Zo worden de Tien Geboden samengevat. Die geboden dient de mens te onderhouden. Als door een werkgever dan ook besluiten worden voorgenomen, die strijdig zijn met Gods geboden, dan wordt het gezag waarmee de werkgever is bekleed niet goed gebruikt en zal het OR-lid zijn instemming onthouden. Vandaar dat gesteld kan worden dat er een schijnbare botsing van plichten is, want bij het beoordelen van alle uitgangsposities blijkt dat de voorvraag de eis van Gods wet dient te bevatten. Als niet aan die eis wordt voldaan, wordt het gezag door de werkgever niet op de juiste wijze gebruikt. De ondernemer die op zondag wil werken maakt in feite misbruik van zijn gezag. Op dat moment is de werknemer niet meer onderworpen aan het gezag. Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen. Zijn gezag is absoluut en staat boven alle menselijke vormen van gezag.

37 Samenvatting en conclusie God heeft alle gezag. Hij heeft het voor het zeggen. De mens heeft zich moedwillig tegen het Goddelijke gezag gekeerd door de zondeval. Zowel werkgevers als werknemers zijn zondige mensen, geneigd tot alle kwaad. Dat komt ook tot uiting in de gezagsrelaties binnen de arbeid. Binnen de arbeidsverhoudingen heeft het gezag een dienende functie, zowel voor de werkgever als gezagsdrager als voor de werknemer als de aan het gezag ondergeschikte. Verantwoording tegenover God Zoals in alle levensverbanden is ook binnen de arbeidsverhoudingen de eis van Gods heilige wet zeer duidelijk; God liefhebben boven alles, en de naaste als zichzelf. Dat heeft consequenties, ook voor het omgaan met gezag en gezagsverhoudingen in de arbeidsrelatie, zeker als we er van uitgaan dat het gezag is ingesteld door God, de soevereine Gezagsdrager. Dit betekent impliciet dat er verantwoording afgelegd zal moeten worden over het gezag. De gezagsdrager is immers in eerste instantie verantwoording schuldig aan God over de wijze waarop hij het gezag waarmee hij is bekleed uitoefent. Daarnaast zal de gezagsdrager ook verantwoording moeten kunnen afleggen aan zijn omgeving over de wijze waarop hij gezag uitoefent. Aan de ander kant zal de gezagsontvanger zich dienen te verantwoorden voor de wijze waarop hij zich onder het gezag heeft gesteld. Naar beide kanten geldt overigens de eis, om binnen de gezagsrelatie Gode meer gehoorzaam te zijn dan de mens. Verantwoording tegenover elkaar Uit de eis van de tweede tafel van de Wet der Tien Geboden, het liefhebben van de naaste, vloeit ook voort dat de werkgever en de werknemer wederzijds verantwoording schuldig zijn over de wijze waarop de gezagsverhoudingen vorm krijgen in de praktijk van alle dag. Daarbij hoort wederzijds respect, ook voor de gezagspositie. Als werkgevers en werknemers de bijbelse visie op gezag willen hanteren, stellen zij zich onder gezag. De Bijbel geeft duidelijke richtlijnen op welke wijze dit dient te gebeuren. Efeze 6 geeft de onderlinge verhoudingen prachtig weer door eerst de houding van de

38 werknemers te beschrijven, om onmiddellijk daarna de werkgevers op te roepen om hetzelfde te doen richting hun medewerkers. Controle Als werkgevers en werknemers in zo'n dienende verhouding tot elkaar staan, zal dat gevolgen hebben voor de wijze waarop ze gezag dragen dan wel zich daaraan onderwerpen. Op dat moment is het denkbaar dat controle op gezag niet alleen mogelijk gemaakt wordt, maar zelfs als wenselijk of noodzakelijk wordt beschouwd. Binnen de onderneming wordt daar op verschillende manieren vorm aan gegeven. In kleinere ondernemingen vaak informeel, in grote ondernemingen meestal geformaliseerd. Hoe dan ook, steeds geldt voor alle partijen dat de oorsprong en het karakter van gezag ten volle tot zijn recht dienen te komen binnen het dagelijks handelen. Gezagskringen onderling Door de gezagskring van de overheid wordt invloed uitgeoefend op het gezag binnen de arbeidsrelaties. De onderlinge verhoudingen worden wettelijk geregeld, een arbeidsovereenkomst heeft juridische rechtsgeldigheid, er wordt een collectieve arbeidsovereenkomst (Cao) vastgesteld en door de overheid algemeen verbindend verklaard. En de overheid regelt via de WOR ook op welke wijze medezeggenschap binnen een bedrijf dient te worden geregeld. Adviesrecht en instemmingsrecht Een ondernemer zal zich in zijn bedrijfsvoering aan de WOR moeten houden, omdat hij aan het gezag van de overheid is onderworpen. Dat betekent dat er adviesrecht en instemmingsrecht wordt gegeven aan de OR. Het adviesrecht gaat in feite heel ver, maar brengt de gezagsverhoudingen uiteindelijk niet in gevaar. De OR brengt namelijk alleen advies uit, en kan het uiteindelijke besluit van de ondernemer voorleggen aan een door de overheid ingestelde Ondernemingskamer. Voor het terrein van de arbeid waar zowel werkgever als werknemer belanghebbende zijn is het instemmingsrecht van kracht. Het instemmingsrecht heeft slechts betrekking op wijzigingen in arbeidsvoorwaardelijke regelingen, die in eerste instantie in individuele arbeidsovereenkomsten zijn vastgelegd. Deze overeenkomsten kunnen normaal gesproken niet eenzijdig voor een individuele werknemer worden veranderd, dus ook in de collectieve sfeer van de OR kan instemming geweigerd worden.

39 Gezagsverhoudingen Zowel bij het adviesrecht als bij het instemmingsrecht is het van belang om zorgvuldig om te gaan met de wederzijdse verhoudingen. Niet zozeer het instituut en de taken van de OR vormen een gevaar voor de gezagsverhoudingen, als wel de wijze van omgaan met elkaar. Gezag en medezeggenschap vragen om wederzijds respect, om een dienende instelling en om een afhankelijke levenshouding.