Jong kent oud op het platteland

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Jong kent oud op het platteland"

Transcriptie

1 P. 92 Lotte Vermeij Jong kent oud op het platteland Foto : Anna Hult

2 P. 93 Jonge en oude mensen komen elkaar in het dagelijks leven maar weinig tegen. De negatieve gevolgen zoals onbegrip tussen de generaties en isolatie van ouderen kunnen aanzienlijk zijn. Veel plattelandsbewoners gaan er prat op dat jong en oud elkaar in de dorpen nog wel ontmoeten. Zij hebben gelijk, zo blijkt uit vergelijkend onderzoek. Dat gegeven is opmerkelijk en doet de vraag rijzen waarom de verschillen tussen stad en platteland, ondanks bijvoorbeeld de toegenomen mobiliteit, blijven bestaan. Wie na gaat met wie hij zijn tijd doorbrengt zal constateren dat dit buiten de familie om vooral met mensen is uit een vergelijkbare levensfase. Vanaf het moment dat een kind voor het eerst naar de crèche of school gaat, komt hij of zij in aanraking met leeftijdgenoten en dat zal zo blijven tot het einde van de schoolcarrière. Een jongvolwassene die gaat werken, komt in een meer gemêleerd gezelschap, maar kinderen en ouderen zullen ontbreken en directe collega s zijn waarschijnlijk ongeveer even oud. Een dertiger die op vakantie gaat met haar gezin, verkiest een familiecamping boven een rumoerige jongerencamping of de serene rust van een chique resort. Een sportende gepensioneerde komt relatief veel andere ouderen tegen, omdat ouderen de voorkeur geven aan andere sporten dan jongere leeftijdsgroepen en omdat ze sporten op momenten dat andere leeftijdsgroepen werken (Vermeij, 2010). De kloof tussen jong en oud wordt nog eens versterkt door de media die hun aanbod organiseren rond doelgroepen. Een voorbeeld hiervan is de manier waarop de publieke omroep opeenvolgende generaties radioluisteraars zo soepel mogelijk begeleiden van jeugdzender Radio 3, via familiezender Radio 2, naar de nostalgische klanken van Radio 5. Het gevolg is dat iedere generatie continu gevoed wordt met de eigen vertrouwde beelden, klanken en meningen. Er zou zelfs sprake zijn van een nieuwe verzuiling en een sociaal-culturele tweedeling waarbij het jonge deel der natie de toon zet en ouderen zich genoodzaakt voelen zich terug te trekken in een eigen subcultuur (Westendorp, 2006). Dat leeftijdsgroepen leven in min of meer gescheiden werelden heeft praktische redenen. Echter, omdat iedereen, zowel binnen de eigen familie als levensloop, onlosmakelijk met andere leeftijdsgroepen verbonden is, vormt de scheidslijn tussen jong en oud geen onoverbrugbare kloof in de maatschappij. Toch zijn negatieve consequenties te ontwaren, waarvan ageism het hebben van negatieve vooroordelen over een bepaalde leeftijdsgroep het duidelijkste voorbeeld is. Als jong en oud letterlijk langs elkaar heen leven krijgen stereotypen weinig kans gecorrigeerd te worden (Hagestad & Uhlenberg, 2005). Een schrijnend gevolg is het sociale isolement waar ouderen in kunnen belanden. Buiten familie en hulpverleners komen veel bejaarden nauwelijks in contact met mensen die nog midden in het leven staan (Uhlenberg & De Jong Gierveld, 2004). Dit artikel gaat in op het verschil in intergenerationele contacten in de woonomgeving tussen stad en platteland. Daarbij wordt allereerst ingegaan op de vraag óf jong en oud elkaar op het platteland vaker ontmoeten, zoals vaak gedacht wordt. Vervolgens wordt nagegaan hoe mogelijke verschillen verklaard kunnen worden.

3 P. 94 Woonomgeving en omgangsvormen Dat woonlocatie effect heeft op de manier waarop generaties met elkaar samenleven blijkt uit de vergelijkende antropologische studie van Keith e.a. (1994). Bij de!kung in Botswana leven jong en oud dwars door elkaar. Het leven speelt zich grotendeels buiten af, waar iedereen elkaar ontmoet. Oudere stamleden doen minder zwaar werk dan jongere, maar draaien volop mee in de kleinschalige gemeenschap. In moderne, complexe samenlevingen liggen de verhoudingen anders. Wie vroeg in de ochtend door de parken van Hong Kong loopt, ziet vele ouderen samen hun oefeningen doen. Later op de dag komen oudere mannen samen in het theehuis, terwijl vrouwen zich lijven aan huishoudelijke taken. Als s avonds de kinderen thuiskomen, kijkt men televisie. In een stadje in Illinois zijn ouderen erg actief als vrijwilliger voor de kerk en verenigingen. Zij spelen een gewaardeerde rol in de lokale gemeenschap, maar brengen hun tijd vooral door met leeftijdgenoten. Voor ouderen wiens gezondheid verslechtert, blijft de gemeenschap belangstelling tonen, maar dit neemt niet weg dat het verzorgingstehuis volgt. In moderne, georganiseerde samenlevingen genieten ouderen een meer verzorgde en zekerdere oude dag dan in primitieve samenlevingen. Maar dit beperkt ook hun mogelijkheden. De aparte plek die zij innemen in de maatschappij, bemoeilijkt hen deel te nemen aan het reguliere sociale leven. Nederland is een moderne, georganiseerde samenleving. Binnen ons land zijn verscheidene woonmilieus waar contacten tussen leeftijdsgroepen verschillend zouden kunnen verlopen. Plattelandsbewoners beweren trots dat zij in tegenstelling tot stedelingen, hun dorpsgenoten en buren kennen. Dit blijkt onder meer uit groepsgesprekken met 139 plattelandsbewoners op zes plekken in Nederland (Simon e.a., 2007). Volgens gespreksdeelnemers heeft dit te maken met het hebben van aandacht voor elkaar en de bereidheid iets voor elkaar over te hebben. Dit zou ook doorwerken in de verhouding tussen leeftijdsgroepen. Als de gordijnen een paar dagen dicht blijven bij een alleenwonende oudere buurtbewoner, gaan plattelandsbewoners poolshoogte nemen. Een bewoonster van het Twentse platteland gaf een voorbeeld van hoe jong en oud samenkwamen bij een buurtfeest en van het belang dat zij zelf hier aan hecht: Wij hebben het afgelopen weekend buurtfeest gehad. De buurvrouw en ik hebben een playbackshow georganiseerd voor jong en oud. De kleinste die mee deed was drie en de oudste die mee deed was zestig jaar Zo n succes, dat was heel bijzonder. (Simon e.a., 2007, p. 98). Toch is het idyllische beeld van de saamhorige plattelandsgemeenschap niet zonder meer van toepassing. Evenals stedelingen krijgen plattelandsbewoners het drukker en brengen zij meer tijd door buiten het dorp. Door de komst van nieuwe bewoners veranderen de omgangsvormen, waardoor sommige ouderen zich minder thuis voelen in hun dorp (Lammerts e.a., 2006). De realiteit Of jong en oud daadwerkelijk dichter bij elkaar staan kan alleen achterhaald worden met vergelijkend onderzoek. We gebruiken hier gegevens die in de zomer van 2010 werden verzameld middels een telefonische enquête onder een representatieve groep Nederlanders (Vermeij, 2010). Aan het onderzoek deden 945 jongvolwassenen en 1028 ouderen mee. We gebruiken hier de antwoorden van jongvolwassenen (15-35 jaar) op de vraag of zij ouderen (55-70 jaar) nooit, zelden, af en toe of vaak ontmoeten in het verenigingsleven respectievelijk de buurt. Het ging hier expliciet niet om de eigen ouders. Verder gebruiken we de antwoorden van ouderen (55 jaar of ouder) op de vraag hoe vaak zij jongeren (15-25 jaar) ontmoeten in het verenigingsleven dan wel de buurt, eigen kinderen buiten beschouwing gelaten. We onderscheiden twee gradaties van platteland. Onder

4 P. 95 Figuur 1 Percentage van ontmoetingen tussen jongvolwassenen en ouderen (bron: NiG, 2010) bij een vereniging in de buurt bij een vereniging in de buurt Jongvolwassenen (15-35) die ontmoetingen Ouderen (55 plus) die ontmoetingen hebben met ouderen (55 plus) hebben met jongvolwassenen (15-25) Stedelijk Landelijk erg landelijk Figuur 2 Percentage eens met stelling: Jongeren (respectievelijk ouderen) van vandaag staan ver van me af (bron: NiG, 2010) bij een vereniging in de buurt bij een vereniging in de buurt Jongvolwassenen (15-35) over Ouderen (55 plus) over ouderen (55 plus) jongvolwassenen (15-25) Stedelijk Landelijk erg landelijk gewone landelijke gebieden verstaan we de postcodegebieden met een omgevingsadressendichtheid van vijfhonderd tot duizend. Dit zijn over het algemeen grotere dorpen met meerdere scholen en winkels. De erg landelijke gebieden hebben een omgevingsadressendichtheid lager dan vijfhonderd. Dit zijn buitengebieden en kleinere dorpen met weinig voorzieningen. De overige gebieden zijn gerekend tot stedelijk gebied. Uit de gegevens blijkt dat jong en oud op het platteland inderdaad minder langs elkaar heen leven dan in de stad. Figuur 1 toont het percentage dat aangeeft af en toe of vaak een oudere (55-70 jaar) respectievelijk jongere (15-25 jaar) te ontmoeten in de genoemde context. Van de stedelijke ouderen heeft 39 procent contact met jongeren via een vereniging; in de erg landelijke gebieden is dit 49 procent. Omgekeerd is het verschil nog iets scherper. Van de stedelijke jongvolwassenen heeft maar 29 procent contact met ouderen via een vereniging; van de jongvolwassenen op het platteland is dit 43 procent. Een belangrijke verklaring voor dit verschil tussen stad en platteland is simpel: op het platteland zijn meer mensen lid van een vereniging (Steenbekkers e.a., 2006). Het bloeiende verenigingsleven op het platteland brengt leeftijdsgroepen bij elkaar. Het verschil tussen woonmilieus is nog duidelijker als we kijken naar de intergenerationele ontmoetingen in de buurt, althans onder de jongvolwassenen. Van de stedelijke jongvolwassenen zegt 54 procent wel eens of vaak een oudere in de buurt te ontmoeten; in de meest landelijke gebieden is dit maar liefst 76 procent. Bij ouderen lijkt de rol van het woonmilieu minder belangrijk. Alleen in de meest landelijke gebieden hebben iets meer ouderen contact met jongeren in de buurt. Dat het verschil tussen woonmilieus in ontmoetingen niet op zichzelf staat, blijkt uit figuur 2. Deze geeft het percentage weer van de jongvolwassenen (respectievelijk ouderen) dat aangeeft het eens te zijn met de stelling: De jongeren (respectievelijk ouderen) van vandaag staan ver van me af. Allereerst valt te zien dat weinig mensen een grote afstand ervaren tot andere generaties. Verder blijkt dat het aandeel jongeren dat een grote afstand ervaart ten opzichte van ouderen, in de erg landelijke gebieden lager ligt dan in de grote dorpen en stedelijke gebieden. Bij ouderen is het verschil kleiner, maar ook aanwezig. Een kwestie van traditie? Het gebleken verschil tussen stad en land doet denken aan het verschil tussen de

5 P. 96!Kung-stam in Botswana en de moderne samenlevingsvormen in Hong Kong en Illinois (Keith e.a., 1994). Binnen de Nederlandse maatschappij zien we dat de scheidslijnen tussen jong en oud minder scherp zijn in de kleinschaligere woonomgeving van het platteland. De vraag is nu, komt het verschil voort uit de traditie of is de kleinschaligheid zelf de bron van de contacten tussen jong en oud. Zoals gezegd, plattelandsbewoners verwijzen zelf regelmatig naar een lokale cultuur, die anders zou zijn dan die in de stad. Een voorbeeld is het Twentse noaberschap, waarvan de herkomst teruggaat tot de tijd dat de leefomstandigheden van de agrarische bevolking onzeker waren. Vaker gaat het in algemenere zin om een plattelandsmentaliteit die gemoedelijker, traditioneler en medemenselijker zou zijn (Simon e.a., 2006). Maar een traditionele mentaliteit hoeft niet de (enige) oorzaak te zijn. Voordat de rol van traditie aan bod komt, gaan we eerst in op een voor de hand liggende andere verklaring, namelijk de geografische spreiding van leeftijdsgroepen. Het volgen van een opleiding is voor veel jongeren een reden om te verhuizen naar een grote stad. Het gevolg hiervan is dat op het platteland relatief weinig jongeren en jongvolwassenen wonen, terwijl ouderen juist sterk vertegenwoordigd zijn. Uit de analyse blijkt dat meer jongvolwassenen contact hebben met ouderen in de buurt naarmate zij te midden van meer ouderen wonen. Wanneer rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van ouderen in de buurt, wijken de gewone landelijke gebieden niet significant af van stedelijke gebieden. De erg landelijke gebieden doen dat nog wel. Voor het relatief hoge aandeel ontmoetingen dat ouderen in de erg landelijke gebieden rapporteren met jongeren, kan leeftijdssamenstelling geen verklaring zijn. Niet alleen zijn op het platteland juist minder jongeren dan in stedelijk gebied, het aandeel jongeren in de buurt draagt ook niet bij aan ontmoetingen met jongeren. Speelt een traditionele levenshouding een rol bij de verklaring van het resterende verschil tussen de erg landelijke gebieden en de stad? Als eerste indicator van traditie hanteren we religie. Een relatief groot aandeel plattelandsbewoners is gelovig (Steenbekkers e.a., 2006) en dit gegeven zou van invloed kunnen zijn op de mate van contact tussen leeftijdsgroepen. Compassie en medemenselijkheid zijn centrale waarden in de meeste religies. Zowel deze waarden als de kerkelijke sociale infrastructuur dragen ertoe bij dat gelovigen meer vrijwilligerswerk doen (Bekkers, 2003). In de denkwijze van veel gelovigen past ook het respect en de zorg voor ouderen, niet in de laatste plaats wegens het vijfde gebod, dat oproept de eigen ouders te eren. Inderdaad blijken gelovige jongeren meer contact te hebben met oudere buurtgenoten dan niet-gelovige jongeren. Dit verklaart een deel van het verschil tussen stedelijke en erg landelijke gebieden. Gelovige ouderen hebben echter niet meer contact met jongere buurtgenoten dan niet-gelovige ouderen. Als tweede indicator van een traditionele levenshouding kijken we naar het opleidingsniveau. Gemiddeld zijn plattelandsbewoners iets lager opgeleid dan stedelingen (Steenbekkers e.a., 2006). Dit kan wijzen op een leefstijl waarbinnen intergenerationele buurtcontacten meer kans krijgen. Van oudsher wordt onderwijs gezien als middel om het individu te bevrijden van dwingende verwachtingen uit hechte sociale verbanden in de familie en de lokale gemeenschap. Hoewel deze verbanden in veel gevallen zo dwingend niet zijn, zullen contacten in de buurt voor hoger opgeleiden nog altijd een relatief kleine rol spelen. Zij verdelen hun tijd over relatief veel bezigheden. Jongeren met een hogere opleiding hebben minder contact met ouderen in de buurt dan jongeren met een lagere opleiding. Dit verklaart een klein deel van het resterende verschil tussen jongeren in stedelijke en erg landelijke gebieden. Het

6 P. 97 opleidingsniveau van ouderen vermindert het contact met jongeren in de buurt maar heel beperkt. Dit verklaart niet waarom ouderen in erg landelijke gebieden veel buurtcontacten met jongeren hebben. Kleinschaligheid Dat jongvolwassenen in de dorpen relatief veel contact hebben met oudere buurtgenoten wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren. Behalve dat er meer ouderen in de buurt wonen, zijn jongvolwassenen op het platteland vaker gelovig en minder hoogopgeleid. Al deze factoren dragen eraan bij dat jongeren in erg landelijke gebieden meer contact hebben met oudere buurtgenoten. Dit wijst erop dat een relatief traditionele levenshouding op het platteland bijdraagt aan het grote aantal ontmoetingen tussen jong en oud. Een deel van het verschil blijft echter onverklaard. Ook wanneer een stedeling en een bewoner van een erg landelijk gebied gelijk zijn op de genoemde factoren heeft de plattelandsbewoner meer kans op contact met oudere buurtbewoners. Voor de bevinding dat ouderen in de erg landelijke gebieden meer contacten hebben met jongeren in de buurt werd geen verklaring gevonden. Dit verschil blijft onverklaard. In beide gevallen lijken grote dorpen van het gewone platteland meer op stedelijke gebieden dan op kleine dorpen van erg landelijke gebieden. Hoewel het mogelijk is dat andere verschillen tussen stedelingen en plattelandsbewoners het resterende verschil kunnen verklaren, is het aannemelijk dat het de kleinschaligheid van de landelijke woonomgeving zelf is, die contacten tussen verschillende groepen mogelijk maakt en misschien zelfs wel afdwingt. Wanneer een paar honderd of tweeduizend mensen met elkaar samenwonen te midden van weilanden, kent iedereen elkaar van gezicht. En wie iedereen kent, selecteert niet en kent dus zowel de jongeren als de ouderen. De sociale infrastructuur binnen dorpen speelt hierbij een rol. Wanneer enkele voorzieningen in het dorp overblijven, komen verschillende groepen elkaar eerder tegen, dan bij meer mogelijkheden. Ook multifunctionele voorzieningen hebben deze werking. Zij worden in de dorpen vaak uit nood geboren. Kleine kernen bieden onvoldoende draagvlak voor afzonderlijke voorzieningen, maar wanneer tientallen kleine initiatieven worden gebundeld ontstaat genoeg draagvlak. Hiervoor is intensieve samenwerking nodig tussen dorpelingen, waarmee contacten tussen jong en oud gepaard gaan. Mogelijk kunnen ze stedelijke beleidsmakers inspireren om ook in de grootschalige woonmilieus kleinschalige plekken te creëren, waar jong en oud elkaar niet kunnen ontlopen. Lotte Vermeij is wetenschappelijk medewerker bij de afdeling Wonen, Leefbaarheid en Veiligheid van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Literatuur Bekkers, R. (2003) De bijdragen der kerckelijken, T. Schuyt (red.), Geven in Nederland 2003, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten Hagestad, G.O. & P. Uhlenberg (2005) Social separation of old and young: The root of ageism, Journal of Social Issues, jg. 61, nr. 2, p Keith, J., C.L. Fry, A.P Glascock, C. Ikels, J. Dickerson- Putnam, H.C. Harpending & P. Draper (1994) The aging experience: Diversity and commonality across cultures, Sage/Thousand Oaks, California Lammerts, R., S. Tan & R. Wonderen (2006) Ouderen onder dak, Verwey-Jonker Instituut, Utrecht Simon, C., L. Vermeij en A. Steenbekkers (2007) Het beste van twee werelden, SCP, Den Haag Steenbekkers, A., C. Simon en V. Veldheer (2006) Thuis op het platteland, SCP, Den Haag Uhlenberg, P. en J. de Jong Gierveld (2004) Age segregation in later life: An examination of personal networks, Ageing and Society, jg. 24, nr. 1, p Vermeij, L. (2010) Gescheiden werelden, A. van den Broek, R. Bronnemans en V. Veldheer (red.), Wisseling van de wacht: Generaties in Nederland, SCP, Den Haag Westendorp, R. (2006) Trek ten strijde tegen de nieuwe verzuiling NRC-Handelsblad, 1 juni 2006