Verschillen in voedingsgewoonten van leerlingen van de derde kleuterklas en het eerste leerjaar

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Verschillen in voedingsgewoonten van leerlingen van de derde kleuterklas en het eerste leerjaar"

Transcriptie

1

2 UNIVERSITEIT GENT Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen Academiejaar Verschillen in voedingsgewoonten van leerlingen van de derde kleuterklas en het eerste leerjaar Masterproef voorgelegd tot het behalen van de graad van Master in de Gezondheidsvoorlichting en Bevordering Door Charlotte Pascal Prof. Dr. L. Maes Prof. Dr. I. De Bourdeaudhuij

3 Abstract Wereldwijd lijden meer en meer kinderen aan overgewicht of obesitas. Voedingsgewoonten spelen hierbij een belangrijke rol. In België ontbreekt onderzoek naar de eventuele verschillen in voedingsgewoonten bij de transitie van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar. Deze cross-sectionele studie onderzoekt met een vragenlijst eventuele verschillen in voedingsgewoonten, het samen eten en opvoedingsstijlen van kinderen in de derde kleuterklas en het eerste leerjaar. In het onderzoek worden 294 ingevulde FFQ s verwerkt en de data van 311 proefpersonen zijn beschikbaar voor de analyses omtrent opvoedingsstijlen en het samen eten. Via two way anova s blijkt dat de portiegrootte van melkproducten en zoet beleg hoger ligt bij leerlingen van de derde kleuterklas dan bij leerlingen van het eerste leerjaar. Leerlingen uit het eerste leerjaar consumeren meer frisdrank, hartige snacks en ontbijtgranen dan leerlingen van de derde kleuterklas. Uit kruistabellen blijkt dat meer leerlingen van de derde kleuterklas voldoen aan de norm van vocht, groenten en fruit tegenover leerlingen van het eerste leerjaar. De leerlingen van de derde kleuterklas hebben meer kans om de norm voor de vochtinname, de groente-inname en de fruitinname te behalen dan het eerste leerjaar (logistische regressie). Er kan geen verband (kruistabellen) aangetoond worden tussen de derde kleuterklas/eerste leerjaar en het samen eten met de ouder(s). Bij het analyseren van de opvoedingsstijlen (met kruistabellen) zijn 3 vragen ( een beloning krijgen als het bord leeg, iets ongezonds eten in aanwezigheid van het kind en frisdrank mogen drinken wanneer het kind zin heeft significant. I

4 INHOUD Abstract... I Inhoud... I Lijst van figuren... IV Lijst van tabellen... V Woord vooraf... VI INLEIDING... 1 DEEL I: LITERATUURSTUDIE 1 DOELSTELLING VRAAGSTELLING OVERGEWICHT EN OBESITAS BIJ KINDEREN PREVALENTIE DEFINITIE EN DIAGNOSE OORZAKEN GEVOLGEN HET BELANG VAN PREVENTIE OP JONGE LEEFTIJD VOEDINGSAANBEVELINGEN BIJ KLEUTERS EN LAGERE SCHOOLKINDEREN VOEDINGSAANBEVELINGEN BIJ KLEUTERS VOEDINGSAANBEVELINGEN BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN VOEDINGSGEWOONTEN BIJ KLEUTERS EN LAGERE SCHOOLKINDEREN MAALTIJDFREQUENTIE PORTIEGROOTTE VOCHTINNAME AARDAPPELEN EN GRAANPRODUCTEN GROENTEN II

5 5.6 FRUIT VLEES, VIS, EIEREN EN VERVANGPRODUCTEN MELKPRODUCTEN EN CALCIUMVERRIJKTE SOJAPRODUCTEN SMEER- EN BEREIDINGSVET RESTGROEP DE OVERGANG VAN DE DERDE KLEUTERKLAS NAAR HET EERSTE LEERJAAR PREVENTIEVE ACTIES TER BESTRIJDING VAN OVERGEWICHT EN OBESITAS BIJ KINDEREN EUROPEES NIVEAU NATIONAAL EN REGIONAAL NIVEAU METHODOLOGIE VAN DE LITERATUURSTUDIE DEEL II: PRAKTIJKONDERZOEK 1 INLEIDING BESCHRIJVING VAN HET POP-PROJECT DOELSTELLING VAN HET POP-PROJECT METHODOLOGIE DESIGN EN DATASELECTIE DATAVERZAMELING STATISTISCHE VERWERKING BESCHRIJVENDE STATISTIEK STATISTISCHE ANALYSES ONDERZOEKSRESULTATEN PORTIEGROOTTE TOTALE VOCHTINNAME INNAME VAN MELKPRODUCTEN EN CALCIUMVERRIJKTE SOJAPRODUCTEN TOTALE GROENTE-INNAME TOTALE FRUITINNAME III

6 6.6 TUSSENDOORTJES SAMEN ETEN MET OUDERS OPVOEDINGSSTIJLEN DISCUSSIE HOOFDRESULTATEN EN VERSCHILLEN/GELIJKENISSEN MET ANDERE STUDIES BEPERKINGEN EN STERKTES VAN HET ONDERZOEK CONCLUSIES LITERATUURLIJST BIJLAGEN Lijst van figuren Figuur 1: Percentage van obesitas en overgewicht bij kinderen (7 tot 11 jaar) Figuur 2: Stijgende prevalentie van overgewicht bij kinderen (5 tot 11 jaar) Figuur 3: De bijdrage van dranken tot de totale vochtinname bij Vlaamse kleuters Figuur 4: De bijdrage van verschillende groentesoorten tot de totale inname van de groep groenten bij Vlaamse kleuters (2,5 tot 6,5 jaar) Figuur 5: De algemene fruitconsumptie en de inname van onevenwichtige tussendoortjes bij leerlingen van de lagere school in Vlaanderen Figuur 6: De bijdrage van verschillende fruitsoorten tot de totale inname van fruit bij Vlaamse kleuters (2,5 tot 6,5 jaar) Figuur 7: De bijdrage van verschillende vleessoorten tot de totale inname van de groep vlees, vis en vervangproducten bij Vlaamse kleuters (2,5 tot 6,5 jaar) Figuur 8: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de groep snacks en desserts bij Vlaamse kinderen (2,5 tot 6,5 jaar) Figuur 9: Grafische weergave van de gemiddelden van melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten volgens klas en geslacht Figuur 10: Grafische weergave van de gemiddelden van de tussendoortjes volgens klas en geslacht IV

7 Figuur 11: Grafische weergave van de gemiddelden van de frisdrankinname volgens klas en geslacht Figuur 12: Grafische weergave van de gemiddelden van de inname van hartige snacks volgens klas en geslacht Figuur 13: Grafische weergave van de gemiddelden van de inname van ontbijtgranen volgens klas en geslacht Figuur 14: Grafische weergave van de gemiddelden van de inname van zoet beleg volgens klas en geslacht Figuur 15: De bijdrage van verschillende dranken tot de totale inname van de groep vocht bij de 3 de kleuterklas en het 1 ste leerjaar Figuur 16: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de totale inname van de groep melk en calciumverrijkte sojaproducten bij de 3 de kleuterklas en het 1 ste leerjaar Figuur 17: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de totale inname van de groep groenten bij de 3 de kleuterklas en het 1 ste leerjaar Figuur 18: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de totale inname van de groep fruit bij de 3 de kleuterklas en het 1 ste leerjaar Figuur 19: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de totale inname van de tussendoortjes bij de 3 de kleuterklas en 1 ste eerste leerjaar Lijst van tabellen Tabel 1: Interpretatie van BMI bij kinderen (2-18 jaar) Tabel 2: Gemiddelde dagelijkse aanbevelingen voor kinderen van 3 tot 6 jaar Tabel 3: Gemiddelde dagelijkse aanbevelingen voor kinderen van 6 tot 12 jaar Tabel 4: Ontbijtfrequentie bij Belgische kinderen Tabel 5: Het gebruik van zoete snacks en gezoete dranken door Belgische kinderen Tabel 6: Verdeling van de voedingsmiddelgroep Tabel 7 : Indeling producten restgroep volgens het VIG Tabel 8: F-waarde en p-waarde van de voedingsmiddelengroepen Tabel 9: F-waarde en p-waarde van de tussendoortjes Tabel 10: chi-kwadraat en bijhorende p-waarde na eerste en tweede analyse Tabel 11: Chi-kwadraat en bijhorende p-waarde van de verschillende opvoedingsstijlen na een eerste en eventuele tweede analyse en de interpretatie Tabel 12: Uitleg bij de significante opvoedingsstijlen V

8 Woord vooraf Vanuit mijn vooropleiding, bachelor in de voedings- en dieetkunde, wou ik mijn masterproef graag wijden aan voeding. Aangezien ik graag werk met kinderen, was de keuze voor dit onderwerp vlug gemaakt. Het veldwerk voor deze masterproef deed ik dan ook met plezier. Deze masterproef had echter nooit tot stand kunnen komen wanneer ik niet had kunnen rekenen op de hulp van een aantal mensen. Via deze weg wens ik hen dan ook oprecht te bedanken voor de steun en de medewerking. Eerst en vooral gaat mijn dank uit naar mijn promotor, Prof. Dr. Maes voor het zorgvuldig nalezen en de begeleiding. Prof. Dr. De Bourdeaudhuij, mijn copromotor, was altijd bereikbaar voor uitleg over SPSS, waarvoor ik haar ook wil bedanken. Evenveel dank verdient mijn begeleidster, Valerie De Coen voor de fijne samenwerking tijdens het veldwerk en voor de praktische kant aan deze masterproef. Inge Huybrechts, de auteur van Dietary habits in preschool children, verdient ook een dankwoordje. Zij was altijd bereid om meer uitleg te verschaffen over haar studie. Tenslotte wil ik mijn ouders bedanken voor de jarenlange morele en financiële steun. VI

9 INLEIDING Kinderen vormen in het algemeen een kwetsbare groep om overgewicht en obesitas te ontwikkelen. De prevalentie van overgewicht bij kinderen is de laatste twintig jaar verdubbeld (Brown et al., 2007). Volgens data van het International Obesity Task Force lijden op wereldniveau 155 miljoen kinderen (één op de tien) aan obesitas of overgewicht (http://www.iotf.org/childhoodobesity.asp). In Europa lijdt één op de vijf kinderen aan overgewicht. Jaarlijks komen er kinderen met overgewicht bij, toegevoegd aan de 14 miljoen kinderen die reeds overgewicht hebben, waarvan 3 miljoen obees (Lobstein, Rigby & Leach, 2005). In Scandinavische landen is de prevalentie van obesitas bij kinderen lager in vergelijking met Mediterrane landen. Dit neemt niet weg dat in beide gevallen het aantal obese kinderen toeneemt. Volgens Dehghan, Akhtar-Danesh & Merchant (2005) zijn er meer meisjes die aan overgewicht lijden dan jongens, vooral bij adolescenten. Uit de resultaten van de gezondheidsenquête van 2004 blijkt dat globaal genomen 10,9 % van de Vlaamse jongeren tussen 2 en 18 jaar te dik is. De prevalentie van overgewicht is het hoogst (13,8 %) bij de leeftijdsgroep van 5 tot 10 jaar. Tussen 2 en 5 jaar lijdt 7,2 % aan overgewicht (http://www.iph.fgov.be/epidemio/epinl/crospnl/hisnl/his04nl/his32nl.pdf). In Vlaanderen zijn er weinig studies over de voedingsgewoonten van kleuters en lagere schoolkinderen. De hoofddoelstelling van deze scriptie is nagaan of er significante verschillen bestaan tussen het voedingspatroon van de derde kleuterklas en het eerste leerjaar. Deze masterproef is opgesplitst in 2 grote delen, namelijk een literatuurstudie en een praktijkonderzoek. Zowel de literatuurstudie als het praktijkonderzoek bestaan uit 8 hoofdstukken. De eerste 2 hoofdstukken van de literatuurstudie gaan over de doelstelling en de vraagstelling. 1

10 Het derde hoofdstuk handelt over overgewicht en obesitas bij kinderen. Hierin worden de prevalentie, de definitie, de diagnose, de oorzaken, de gevolgen van obesitas bij kinderen en het belang van preventie op jonge leeftijd besproken. Verschillende studies (Livingstone, 2001; Fussenegger, Pietrobelli & Widhalm, 2008; Summerbell et al., 2005) hebben namelijk aangetoond dat obesitas gepaard gaat met een drastische stijging van zowel morbiditeit als mortaliteit. Overgewicht en obesitas bij kinderen kan gezondheids-, psychische en sociale problemen veroorzaken. Wereldwijd baart men zich zorgen over het feit dat obese kinderen tegenwoordig ouderdomsziekten ontwikkelen zoals type 2 diabetes (Lobstein et al., 2005). Obese kinderen hebben ook meer kans op gewichts- en gezondheidsproblemen op volwassen leeftijd (Summerbell et al., 2005). Uit een studie van Guo, Wu, Chumlea & Roche (2002) blijkt dat als % van drie- tot zevenjarige kinderen overgewicht heeft, 95 % op zeventienjarige leeftijd nog steeds overgewicht zal hebben. Een effectieve aanpak van deze problematiek op jonge leeftijd is dus noodzakelijk (Summerbell et al., 2005). In het vierde hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de praktische voedingsaanbevelingen van het VIG (Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie) voor kleuters en lagere schoolkinderen aan de hand van de actieve voedingsdriehoek. Alhoewel fysieke activiteit de basislaag van de actieve voedingsdriehoek vormt, komt het in deze masterproef niet aan bod, wegens afbakening van het onderwerp. In het vijfde hoofdstuk komen de voedingsgewoonten van kleuters en lagere schoolkinderen aan bod. Dit is hoofdzakelijk gebaseerd op een Gentse studie van Huybrechts (2008a, 2008b, 2008c, 2008 et al.). Het zesde hoofdstuk geeft aan waarom er wordt gekozen voor het nagaan van voedingsgewoonten tussen de derde kleuterklas en het eerste leerjaar. Deze transitie is voor de kleuters een grote stap. Er wordt dus nagegaan of deze overgang verschillen in het voedingspatroon kan veroorzaken. 2

11 In het zevende hoofdstuk wordt er dieper ingegaan op preventieve acties ter bestrijding van overgewicht en obesitas bij kinderen, zowel op Europees niveau als nationaal en regionaal niveau. Het achtste hoofdstuk beschrijft de afgrenzing en selectie van de literatuur. Het eerste hoofdstuk van het praktijkonderzoek is een korte inleiding. In het tweede en derde hoofdstuk volgen de beschrijving en de doelstelling van het POP-project. Het POP-project is een onderzoek naar de Preventie van Overgewicht bij Peuters en jonge kinderen, waarvan deze masterproef een onderdeel is. De interventie gebeurt op school omdat geen enkele institutie zo nauw en frequent in contact staat met kinderen. Op school bereik je ook alle sociaal economische niveaus (Brown et al., 2007). Hoofdstuk 4 beschrijft de methodologie van het POP-project, namelijk het design, de dataselectie en de dataverzameling. Het vijfde hoofdstuk gaat dieper in op de statistische verwerking van mijn onderzoek. Onder het onderdeel beschrijvende statistiek worden alle variabelen besproken. In statistische analyses worden alle gebruikte technieken opgesomd. In de onderzoeksresultaten (hoofdstuk 6) worden de resultaten van de analyses van de portiegrootte, de verschillende voedingsmiddelgroepen, het samen eten en de opvoedingsstijlen weergegeven. De gevonden resultaten worden in hoofdstuk 7 (discussie) besproken en er wordt nagegaan wat de gelijkenissen en verschillen zijn met de studie van Huybrechts (2008). Tenslotte worden in hoofdstuk 8 de eindconclusies gegeven. 3

12 DEEL I: LITERATUURSTUDIE 1 DOELSTELLING Zoals aangegeven in de inleiding vormen overgewicht en obesitas wereldwijd een gezondheidsprobleem met ernstige gevolgen. Naast fysieke inactiviteit en omgevingsfactoren spelen voedingsgewoonten een belangrijke rol in de ontwikkeling van deze problematiek. In België is er al onderzoek gedaan naar de voedingsgewoonten van kleuters en via de gezondheidsenquête bij vijftienplussers, maar er ontbreekt onderzoek naar de verschillen in voedingsgewoonten tussen leeftijdsgroepen. Meer specifiek is er onvoldoende kennis over de eventuele verschillen in voedingsgewoonten bij de transitie van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar. 2 VRAAGSTELLING Aan de hand van een literatuurstudie wordt er een overzicht geboden van wat er al geweten is over de voedingsgewoonten van kleuters en lagere schoolkinderen. In het praktijkonderdeel worden de verschillen in voedingsgewoonten en opvoedingsstijlen tussen Vlaamse kleuters en lagere schoolkinderen onder de loep genomen. De onderzoeksvraag luidt als volgt: Is er een verschil in voedingsgewoonten tussen de derde kleuterklas en het eerste leerjaar?. Eerst worden de portiegroottes van de derde kleuterklas en het eerste leerjaar bekeken. Daarna worden de voedingsgewoonten van kleuters en lagere schoolkinderen afzonderlijk met de voedingsaanbevelingen van het VIG vergeleken. Tenslotte wordt er dieper ingegaan op eventuele verschillen in het voedingspatroon, de opvoedingsstijlen en het samen eten van kleuters en lagere schoolkinderen. Causaliteit kan nog niet worden nagegaan omdat het POP-project een cross-sectionele studie is die loopt tot

13 3 OVERGEWICHT EN OBESITAS BIJ KINDEREN 3.1 PREVALENTIE Zoals aangegeven in de inleiding is de prevalentie van overgewicht en obesitas wereldwijd sterk toegenomen. Dit wordt hier geïllustreerd aan de hand van twee figuren. Figuur 1 geeft de prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen van 7 tot 11 jaar in 21 Europese landen weer (Lobstein et al., 2005). Figuur 1: Percentage van obesitas en overgewicht bij kinderen (7 tot 11 jaar) (Lobstein et al., 2005) Figuur 2 van Lobstein et al. (2005) geeft de stijgende prevalentie van obesitas bij kinderen (5 tot 11 jaar) in sommige Europese landen weer. Engeland en Polen nemen hierin het voortouw. De Verenigde Staten van Amerika is op figuur 2 als referentie weergegeven om aan te tonen dat het obesitasprobleem in Amerika zich al 10 à 15 jaar eerder voordeed in vergelijking met veel Europese landen. Maar Europa is zijn achterstand aan het inhalen. 5

14 Figuur 2: Stijgende prevalentie van overgewicht bij kinderen (5 tot 11 jaar) (Lobstein et al., 2005) Uit het rapport van het International Obesity Task Force (2005) blijkt dat in de jaren 70 de prevalentie van obesitas met 0,2 % steeg, in de jaren 80 met 0,6 % en in het begin van de jaren 90 met 0,8 %. In sommige gevallen is de prevalentie in 2000 met 2 % gestegen. 6

15 3.2 DEFINITIE EN DIAGNOSE Bij obesitas is er sprake van overgewicht dat te wijten is aan de toename van de vetmassa van het lichaam (Dehghan et al., 2005). Het bepalen van de graad van overgewicht en obesitas bij kinderen kan op verschillende manieren gebeuren. De Body Mass Index (BMI), ook wel de Quetelet Index (QI) genoemd, is een parameter die de graad van obesitas berekent bij volwassenen en wereldwijd wordt toegepast. Deze maat is de verhouding van het lichaamsgewicht in kilogram tot de lengte in meter in het kwadraat (BMI = gewicht/lengte²). Een BMI tussen de 25 en 29,9 kg/m² wijst bij volwassenen op overgewicht met een licht verhoogd gezondheidsrisico. Bij een cut off point van 30 kg/m² of meer komt dit bij volwassenen overeen met obesitas met een verhoogd gezondheidsrisico. Een cut off point geeft dus de grens aan tussen normaal gewicht/overgewicht en overgewicht/obesitas (Braet et al., 2002; Cole, Bellizzi, Flegal & Dietz, 2000). Uit een internationaal cross-sectioneel onderzoek van Cole et al. (2000) bij jongens en meisjes met een leeftijdsrange van 0 tot 25 jaar blijkt dat de BMI ook een nuttig meetinstrument bij kinderen kan zijn om overgewicht en obesitas op te sporen, mits aanpassing van de cut off points. Om de BMI bij kinderen te interpreteren dient de uitkomst van de formule vergeleken te worden met de leeftijd en het geslacht van het kind. Dit wordt weergegeven in tabel 1. Het kind heeft een normaal gewicht als de BMI berekend volgens de formule lager is dan de BMI vermeld bij overgewicht uit tabel 1. Als de BMI volgens de formule gelijk of hoger is dan de waarde bij overgewicht (zie tabel 1) wijst dit op overgewicht of obesitas (Cole et al., 2000). Een nadeel van de BMI methode is dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de vet- en de vetvrije massa (spieren en beenderen). De BMI kan dus overschat worden bij gespierde kinderen (Lazarus, Baur, Webb & Blyth in, Dehghan et al., 2005). Uit de validatie van de BMI naast andere lichaamsmetingen van vet blijkt dat de BMI een goed meetinstrument is om overgewicht en obesitas bij kinderen en adolescenten op te sporen (Lioret, Maire, Volatier & Charles, 2007). 7

16 8 Tabel 1: Interpretatie van BMI bij kinderen (2-18 jaar) (Cole et al., 2000) Overgewicht Obesitas Leeftijd BMI jongens BMI meisjes BMI jongens BMI meisjes 2 2,5 3 3,5 4 4,5 5 5,5 6 6,5 7 7,5 8 8,5 9 9, , , , , , , , , ,41 18,13 17,89 17,69 17,55 17,47 17,42 17,45 17,55 17,71 17,92 18,16 18,44 18,76 19,10 19,46 19,84 20,20 20,55 20,89 21,22 21,56 21,91 22,27 22,62 22,96 23,29 23,60 23,90 24,19 24,46 24, ,02 17,76 17,56 17,40 17,28 17,19 17,15 17,20 17,34 17,53 17,75 18,03 18,35 18,69 19,07 19,45 19,86 20,29 20,74 21,20 21,68 22,14 22,58 22,98 23,34 23,66 23,94 24,17 24,37 24,54 24,70 24, ,09 19,80 19,57 19,39 19,29 19,26 19,30 19,47 19,78 20,23 20,63 21,09 21,60 22,17 22,77 23,39 24,00 24,57 25,10 25,58 26,02 26,43 26,84 27,25 27,63 27,98 28,30 28,60 28,88 29,14 29,41 29, ,81 19,55 19,36 19,23 19,15 19,12 19,17 19,34 19,65 20,08 20,51 21,01 21,57 22,18 22,81 23,46 24,11 24,77 25,42 26,05 26,67 27,24 27,76 28,20 28,57 28,87 29,11 29,29 29,43 29,56 29,69 29,84 30

17 Een tweede methode om de diagnose van overgewicht en obesitas bij kinderen te stellen zijn de groeicurven. Er bestaan tal van curven en tabellen om de groei van kinderen te beoordelen. De curven zijn verschillend voor jongens en voor meisjes en zijn rasafhankelijk. Zelfs Nederlandse curven verschillen van de Belgische, want Nederlanders worden gemiddeld wat groter (Van Landeghem, 2006). Sinds 2004 zijn er Vlaamse groeicurven die van toepassing zijn op kinderen van 2 tot 20 jaar. De groeicurven zijn geschikt voor de evaluatie van de normaliteit van de groei van kinderen met minstens één ouder van Vlaamse herkomst. Een voorbeeld van de Vlaamse groeicurve is beschikbaar in bijlage 1 (http://www.vub.ac.be/groeicurven/gebruiksaanwijzing.html). Er is geen consensus voor het bepalen van een cut off point voor overgewicht en obesitas bij kinderen en er bestaan dus verschillende mogelijkheden (Apfelbacher et al., 2008; Livingstone, 2001). Volgens het Center for Disease Control and Prevention wordt overgewicht gedefinieerd als men gelijk aan of boven het 95 ste percentiel zit van de BMI voor leeftijd curve. Een risico op overgewicht is gelegen tussen het 85 ste en 95 ste percentiel van de BMI voor leeftijd curve (Flegel, Wei & Ogden; Himes & Dietz, in Dehghan et al., 2005). Europese onderzoekers spreken van overgewicht als een BMI tussen percentiel 85 en 95 ligt. Als de BMI boven percentiel 95 ligt is er sprake van obesitas (Flodmark, Lissau, Moreno, Pietrobelli & Widhalm, in Dehghan et al., 2005). Andere methoden om overgewicht te meten zijn: densitometrie (onderwaterweegmethode), de BIA-methode (Bioelectrical Impedance Analysis), MRI - methode (Magnetic Resonance Imaging). Deze methodes worden voornamelijk in wetenschappelijke onderzoeken gebruikt. In klinische settings worden de BMI, het meten van de middelomtrek en huidplooimetingen vaak gehandhaafd. Alhoewel deze laatst genoemde methodes minder nauwkeurig zijn dan de researchmethoden, zijn ze toch voldoende om risicogroepen te identificeren (Lazarus, Baur, Webb & Blyth in, Dehghan et al., 2005). 9

18 3.3 OORZAKEN Verhoogde energie-inname Het lichaamsgewicht wordt constant gehouden via een goede balans tussen de energieinname en het energieverbruik van het lichaam. Hoeveel energie iemand nodig heeft, is afhankelijk van de leeftijd, het geslacht en de hoeveelheid fysieke activiteit. Als de energiebalans uit evenwicht is door een hogere energie-inname ten opzichte van het energieverbruik leidt dit tot gewichtstoename. Een verstoorde energiebalans is vaak het gevolg van het veelvuldig innemen van energierijke (zoete, vettige) voedingsmiddelen die de energie-inname doen toenemen gecombineerd met een vermindering van fysieke activiteit waardoor het energieverbruik daalt. De consumptie van energiedense voedingsmiddelen draagt bij tot de stijgende prevalentie van obesitas en overgewicht bij kinderen (Apfelbacher et al., 2008; Rolls in Maziak et al., 2008; Summerbell et al., 2005; Van Den Broecke, 2006; Ward & Stockton, 2008) Verminderde fysieke activiteit De mate van fysieke activiteit bij kinderen (en volwassenen) is wereldwijd dramatisch veranderd. Verschillende omgevingsfactoren (TV-kijken, een druk lessenrooster, onveilige fiets- en wandelpaden ) dragen bij tot een sedentaire levensstijl. Omgevingsfactoren worden verder besproken onder (Reilly, 2006) Omgevingsfactoren Omgevingsfactoren zoals de voedingsindustrie en -prijzen, stedelijke en socioeconomische ontwikkelingen kunnen bijdragen tot een obesinogeen milieu (Maziak et al., 2008). De omgeving kan opgesplitst worden in de socio-culturele omgeving (familie, vrienden), fysieke omgeving (opbouw van de wijk, beschikbaarheid van speelpleintjes) en economische omgeving (kosten, inkomen ouders) (Brug, Van Assema & Lechner, 2008). 10

19 Uit de studie van Wang, Monteiro & Popkin (2002) blijkt dat in geïndustrialiseerde landen overgewicht en obesitas meer zouden voorkomen bij kinderen van families met een lager inkomen. Uit een Duitse studie van Apfelbacher et al. (2008) bij 5- tot 7- jarigen kinderen blijkt dat een hoge opleiding van de ouders, een leefruimte van > 75 m² en het aantal leden in het gezin omgekeerd geassocieerd zijn met overgewicht. De toegenomen beschikbaarheid van voedingsmiddelen speelt ook een belangrijke rol. Kunkel (in Maziak et al., 2008) stelde dat de Amerikaanse kinderen jaarlijks worden blootgesteld aan nieuwe voedingsmiddelen, waarvan 72 % bestaat uit snoep, fastfood en gesuikerde ontbijtgranen. Fastfood en frisdrank zijn energiedens, goedkoop en hebben een aantrekkelijke verpakking en smaak voor kinderen. De portiegrootte neemt ook alsmaar toe (Fried & Nestle, in Maziak et al., 2008). Uit verschillende studies (Swinburen & Egger, Tremblay & Willms, in Dehghan et al., 2005) blijkt dat sedentaire activiteiten zoals TV-kijken en computerspelletjes geassocieerd zijn met de toegenomen prevalentie van obesitas. Uit een Griekse studie van Manios et al. (2008) bij 2374 één- tot vijfjarige kinderen blijkt dat de consumptie van brood, vlees, en het totaal vet- en koolhydraatgehalte (aangebracht door chocolade, zoetigheden, frisdrank ) hoger was bij kinderen die dagelijks meer dan 2 uur TV-kijken tegenover kinderen die minder dan 2 uur per dag voor de TV spenderen. Ouders geven aan dat ze liever hun kinderen thuis TV laten kijken in plaats van zonder toezicht buiten te laten spelen (Gordon-Larsen et al., in Dehghan et al., 2005) Genetische en medische oorzaken Sommige genetische oorzaken leiden tot het ontwikkelen van overgewicht. In zeldzame gevallen zijn gendeffecten, zoals bij het Prader Willy Syndroom (onbedwingbare eetlust) en leptinedeficiëntie hiervan de oorzaak (Dehghan et al., 2005; Maziak et al., 2008, Van Den Broecke, 2006). 11

20 Medische oorzaken zoals hypothyroïdie, deficiëntie van het groeihormoon en nevenwerkingen van geneesmiddelen (onder andere stereoïden) kunnen bij een kleine groep ook aan de basis liggen van overgewicht en obesitas (Link et al. in, Dehghan et al., 2005). 3.4 GEVOLGEN Dehghan et al. (2005) beschrijven dat overgewicht en obesitas tijdens de kindertijd een impact heeft op de fysische en de psychologische gezondheid. Vele cardiovasculaire aandoeningen die het gevolg zijn van obesitas op volwassen leeftijd vinden hun oorsprong bij abnormaliteiten in de kindertijd. Hyperlipidemie, hypertensie en abnormale glucosetolerantie komen frequent voor bij obese kinderen en adolescenten (Freedman, in Summerbell et al., 2005). Er bestaat namelijk een relatie tussen overgewicht en obesitas met hyperlipidemie, hypertensie, abnormale glucosetolerantie en onvruchtbaarheid (Dehghan et al., 2005). Obesitas kan leiden tot psychosociale problemen. Obese kinderen krijgen vaker te maken met discriminatie en vooroordelen. Ze hebben vaak weinig zelfvertrouwen en een negatief zelfbeeld. Overgewicht en obesitas hebben een grote impact op de quality of life van kinderen (Williams et al., in Maziak et al., 2008). Psychologische stoornissen zoals depressie komen meer en meer voor bij obese kinderen (Dehghan et al., 2005). 12

21 3.5 HET BELANG VAN PREVENTIE OP JONGE LEEFTIJD In Europa sterven er jaarlijks één miljoen mensen aan obesitas. Deze alarmerende cijfers tonen het belang van een preventieve aanpak (Fussenegger et al., 2008). Een goede voedingstoestand op jonge leeftijd is cruciaal voor de fysieke en mentale ontwikkeling van het kind en ter preventie van risicofactoren zoals obesitas, hypercholesterolemie, hypertensie, metabool syndroom en dyslipidemie. Aangeleerde ongezonde voedingspatronen kunnen zich dus voortzetten op volwassen leeftijd (Huybrechts et al., 2008). Op volwassen leeftijd is het bovendien moeilijker om gewicht te verliezen (Dehghan et al., 2005). Daarom is het belangrijk om op zeer jonge leeftijd een kwaliteitsvolle en gezonde voeding aan te leren (Huybrechts et al., 2008). Interventies op kinderleeftijd leveren bovendien betere resultaten op lange termijn, dan interventies op volwassen leeftijd (Braet et al., 2002). Maziak et al. (2008) geven aan dat de omgeving aanpassen ertoe kan bijdragen dat de prevalentie van overgewicht en obesitas gereduceerd wordt. Wandel- en fietsvriendelijke paden, minder luchtvervuiling, groenten en fruit goedkoper maken dan vetrijke voedingsmiddelen zijn voorbeelden van het aanpassen van de omgeving. Heaney, Davies & Barger-Lux (in Dehghan et al., 2005) geven aan dat twee porties zuivelproducten per dag het risico op overgewicht kan verminderen met 70 %. Uit een studie blijkt namelijk dat een hoge calciuminname en voldoende zuivel per dag geassocieerd wordt met een reductie van een te hoog vetpercentage bij kinderen (Skinner, in Dehghan et al., 2005). Volgens Ludwig, Peterson & Gortmaker (in Dehghan et al., 2005) blijkt dat frisdranken kunnen geassocieerd worden met obesitas bij kinderen. Het is mogelijk dat het drinken van frisdranken in plaats van melk kan resulteren in een hogere totale energie-inname. Maar hieruit kan niet als definitief besluit getrokken worden dat de suiker uit frisdranken een gewichtstoename veroorzaakt omdat ze zuivelproducten vervangen. 13

22 4 VOEDINGSAANBEVELINGEN BIJ KLEUTERS EN LAGERE SCHOOL- KINDEREN 4.1 VOEDINGSAANBEVELINGEN BIJ KLEUTERS Tabel 2 geeft de details van de dagelijkse aanbevelingen ( = norm) van kinderen van 3 tot 6 jaar weer. Dagelijks variëren binnen elke groep is de boodschap (http://www.vig.be/content/pdf/vd_praktischegids.pdf). Tabel 2: Gemiddelde dagelijkse aanbevelingen voor kinderen van 3 tot 6 jaar (http://www.vig.be/content/pdf/vd_praktischegids.pdf). Voedingsmiddel Aanbeveling Water Vocht Graanproducten en aardappelen Brood (bruin) Aardappelen (gekookt) Groenten (vervang gekookte groenten af en toe door rauwe groenten) 1 tot 1,5 liter 3 tot 5 sneden 1 tot 4 stuks (50 tot 200 g) 2 tot 3 groentelepels (100 tot 150 g) Fruit (vers) 1 tot 2 stuks (100 tot 200 g) Melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten Melk (volle melk tot 4 jaar) Kaas Vlees, vis, eieren en vervangproducten Vleeswaren Vlees, gevogelte, vis (rauw gewogen) Vlees, gevogelte, vis (gaar gewogen) OF Vleesvervanger (tofu, tempé, mycoproteïne) OF Ei OF Peulvruchten (droog gewogen) Peulvruchten (gaar gewogen) Smeer- en bereidingsvet Zachte margarine op brood Zachte margarine of olie voor de bereiding Restgroep 4 bekertjes (500 ml) 1/2 tot 1 sneetje (10 tot 20 g) ½ tot 1 sneetje (10 tot 15 g) 65 tot 100g 50 tot 75 g OF 50 tot 75 g OF 1 ei per week OF 3 eetlepels 3 tot 5 eetlepels 5 g per sneetje max. 15 g Niet noodzakelijk 14

23 De actieve voedingsdriehoek (zie bijlage 2) voor kleuters geeft aan wat en hoeveel een kind tussen 3 en 6 jaar gemiddeld per dag nodig heeft om gezond op te groeien (http://www.123aantafel.be/03/voedingsdriehoek_kleuters.pdf). 4.2 VOEDINGSAANBEVELINGEN BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN In 2004 werd de Vlaamse voedingsdriehoek ontwikkeld voor kinderen vanaf 6 jaar (zie bijlage 3). Details van de dagelijkse gemiddelde aanbevelingen voor kinderen vanaf 6 jaar worden in tabel 3 weergegeven (http://www.vig.be/content/pdf/vd_praktischegids.pdf). Tabel 3: Gemiddelde dagelijkse aanbevelingen voor kinderen van 6 tot 12 jaar (http://www.vig.be/content/pdf/vd_praktischegids.pdf) Voedingsmiddel Water Vocht Graanproducten en aardappelen Brood (bruin) Aardappelen (gekookt) Groenten (vervang gekookte groenten af en toe door rauwe groenten) Fruit (vers) Melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten Melk en melkproducten (halfvol) Kaas Vlees, vis, ei en vervangproducten (onbereid) Smeer- en bereidingsvet Smeervet Bereidingsvet Restgroep 1,5 l 5 tot 9 sneden 3 tot 4 stuks (150 tot 200 g) Aanbeveling 5 tot 6 groentelepels (250 tot 300 g) 2 tot 3 stuks (200 tot 300 g) 3 glazen (450 ml) 1 tot 2 sneden (20 tot 40 g) 75 tot 100 g 5 g per sneetje max. 15 g Niet noodzakelijk 15

24 5 VOEDINGSGEWOONTEN BIJ KLEUTERS EN LAGERE SCHOOL- KINDEREN Huybrechts (2008a) nam tussen oktober 2002 en februari 2003 de voedingsgewoonten van Vlaamse kleuters (2,5-6,5 jaar) onder de loep. Het doel van deze studie was om onder andere de voedingsgewoonten van kleuters te vergelijken met de voedingsaanbevelingen (zie onder punt 4.1). Tweeduizend vijfennegentig kleuters uit 43 scholen vulden een driedaags eetdagboekje in, waarvan er 1052 werden verzameld op het einde van het veldwerk. Uiteindelijk waren er 696 eetdagboekjes (evenveel jongens als meisjes) bruikbaar voor de analyse. Tijdens de analyse werden de kleuters opgedeeld in twee leeftijdsgroepen (de jongste groep van 2,5 tot 4 jaar en de oudste groep van 4 tot 6,5 jaar) en volgens geslacht. De gegevens voor voedingsgewoonten bij kleuters zijn grotendeels gebaseerd op deze studie, omdat dit de eerste representatieve studie is over het voedingspatroon van de Vlaamse kleuter (Huybrechts et al., 2008). De geraadpleegde bronnen over de studie van Huybrechts bestaan uit de doctoraatstudie (Huybrechts, 2008a, 2008b, 2008c) en een artikel die hierover gepubliceerd is (Huybrechts et al., 2008). Verder komen de resultaten uit de Belgische gezondheidsenquête, een effectevaluatie van het Tutti Frutti project, een studie van De Ronne (2008) en een Duitse studie van Toschke et al. (2008). 5.1 MAALTIJDFREQUENTIE Uit de Belgische gezondheidsenquête van 1997 (tabel 4) blijkt dat 89,7 % van de kinderen tussen 3 en 6 jaar en 86,7 % van de 6- tot 12-jarigen bijna dagelijks ontbijten. Tabel 4: Ontbijtfrequentie bij Belgische kinderen (De Ronne, 2002) Ontbijt 1-3 jaar 3-6 jaar 6-12 jaar < 1-2 x per week 1,5 % 0,0 % 5,6 % 1-2 x per week 0,5 % 1,8 % 5,0 % 3-5 x per week 0,5 % 8,5 % 3,3 % 6-7 x per week 97,5 % 89,7 % 86,7 % 16

25 Uit de gezondheidsenquête van 2004 blijkt dat 11,8 % van de Belgische bevolking tussen 0 en 14 jaar er een onregelmatig eetpatroon op nalaat (http://www.iph.fgov.be/epidemio/epinl/crospnl/hisnl/his04nl/his33nl.pdf). Uit een Duitse studie (Toschke et al., 2008) bij 4370 vijf- en zesjarige kinderen (2070 meisjes en 2300 jongens) blijkt dat 14,7 % van de kinderen maximum 3 maaltijden per dag consumeert, 43,4 % eet dagelijks vier maaltijden, 39,0 % vijf maaltijden en 2,9 % van de kinderen nuttigen meer dan 5 maaltijden per dag. Toschke et al. (2008) beschrijven dat de prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen afneemt, naarmate de maaltijdfrequentie toeneemt. Verder onderzoek hierover is noodzakelijk. 5.2 PORTIEGROOTTE Uit de studie van Huybrechts et al. (2008) blijkt dat de gemiddelde dagelijkse portiegrootte bij de Vlaamse kleuter van vocht, groenten, fruit, melkproducten en smeervet niet voldoen aan de aanbevelingen. Enkel aardappelen en graanproducten en vleesproducten voldoen aan de norm. Jongens halen net de ondergrens voor graanproducten en ontbijtgranen, terwijl dit voor de meisjes een randgeval is. Uit de studie blijkt dat jongens in het algemeen een hogere consumptie van voedingsmiddelen hebben dan meisjes en dat de oudste leeftijdsgroep een hogere gemiddelde inname had dan de jongste groep, met uitzondering van melkproducten. De hogere inname van voedingsmiddelen door de oudere leeftijdsgroep kan gerechtvaardigd worden door het feit dat jongere kinderen een lagere energiebehoefte hebben dan oudere kinderen (Huybrechts, 2008a; https://portal.health.fgov.be). 17

26 5.3 VOCHTINNAME Volgens Huybrechts et al. (2008) haalt slechts 1 tot 5 % van de Vlaamse kleuters de norm (1 liter per dag) voor de vochtinname (met uitzondering van melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten en dranken uit de restgroep ). Een derde van de kinderen drinkt zelfs minder dan een halve liter (Huybrechts et al., 2008). Negenennegentig procent van de Vlaamse kleuters onder de 4 jaar haalt de norm van 1000 ml vocht ( melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten en dranken uit de restgroep niet inbegrepen) niet. Gemiddeld wordt er dagelijks 504,8 ml vocht gedronken door de kleuters onder de 4 jaar. Van de Vlaamse kleuters ouder dan 4 jaar haalt 96 % de norm van 1000 ml niet. De kleuters ouder dan 4 jaar hebben gemiddeld een vochtinname van 540,7 ml/dag (Huybrechts, 2008b). Uit figuur 3 blijkt dat melk en gesuikerde melkdranken de grootste bijdrage (37 %) voor de vochtinname leveren, gevolgd door water (24 %), fruitsap (18 %), frisdranken (11 %) en soep (6 %). Gemiddeld genomen is 48 % van de totale vochtinname afkomstig van gesuikerde dranken (toegevoegd/natuurlijk), zoals gesuikerde melkdranken, fruitsap en frisdranken (Huybrechts, 2008a). Figuur 3: De bijdrage van dranken tot de totale vochtinname bij Vlaamse kleuters (2,5 tot 6,5 jaar) (Huybrechts, 2008a). 18

27 5.4 AARDAPPELEN EN GRAANPRODUCTEN In de Gentse studie wordt de groep aardappelen en graanproducten opgesplitst in brood en andere broodproducten (zoals ontbijtgranen) en aardappelen en granen (rijst, pasta ) (Huybrechts et al., 2008). Slechts % van de kleuters halen de dagelijkse minimumnorm (90 g) van brood en andere broodproducten (zoals ontbijtgranen). Drie tot 14 procent van de kleuters consumeren teveel brood en ontbijtgranen (> 150 g). Vlaamse kleuters (44 %) consumeren hoofdzakelijk wit brood in plaats van het aanbevolen bruin of volkoren brood (Huybrechts et al., 2008). De gemiddelde inname voor brood en andere broodproducten bedraagt 97,1 g voor de kleuters jonger dan 4 jaar en 94,7 g voor de kleuters ouder dan 4 jaar (Huybrechts, 2008c). Volgens Huybrechts et al. (2008) behaalt 91 tot 99 % van de Vlaamse kleuters de minimumgrens (50 g) van de norm voor aardappelen en granen. Minder dan 3 % van de kleuters overschrijdt de maximale grens (200 g) van de aanbeveling voor aardappelen en granen. 5.5 GROENTEN Minder dan 5 % van de jongste kinderen en minder dan 20 % van de oudste groep halen de minimumnorm (100 g) voor groenten (Huybrechts et al., 2008). Huybrechts (2008c) beschrijft dat de gemiddelde inname voor kleuters jonger dan 4 jaar 65,8 g bedraagt en 75,1 g voor de kleuters boven de 4 jaar. 19

28 Figuur 4: De bijdrage van verschillende groentesoorten tot de totale inname van de groep groenten bij Vlaamse kleuters (2,5 tot 6,5 jaar) (Huybrechts, 2008a) De groenten die het meest geconsumeerd worden bij Vlaamse kleuters van 2,5 tot 6,5 jaar zijn vruchtdragende groenten (23 %), rode groenten (19 %), koolsoorten (15 %) en bladgroenten (15 %) (zie figuur 4). Zesenzeventig procent van de vruchtdragende groenten die geconsumeerd worden waren tomaten, wortels vormden 96 % van de rode groenten, 58 % van de bladgroenten was spinazie en 69 % van de stengelvormige groenten was prei (Huybrechts, 2008a). 5.6 FRUIT Uit de effectevaluatie van Tutti Frutti (schoolproject om de fruitconsumptie te verhogen) van het VIG (Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie) en de Logo s (Lokaal Gezondheidsoverleg) blijkt dat na 1 jaar Tutti Frutti (TF) de leerlingen minder fruit en meer onevenwichtige tussendoortjes consumeren. Na minstens 2 jaar TF herstelt dit gedrag zich. In figuur 5 wordt deze evolutie weergegeven. Er wordt hier geen onderscheid gemaakt tussen kleuters en lagere schoolkinderen (Van Hoecke et al., 2007). 20

29 Figuur 5: De algemene fruitconsumptie en de inname van onevenwichtige tussendoortjes bij leerlingen van de lagere school in Vlaanderen (Van Hoecke et al., 2007) Uit de studie van Huybrechts et al. (2008) blijkt dat 34 % tot 45 % van de kleuters de minimumaanbeveling (125 g) voor de fruitinname niet halen. De Vlaamse kleuter jonger dan 4 jaar consumeert dagelijks gemiddeld 118,2 g fruit en de oudste groep heeft een gemiddelde inname van 112,1 g fruit per dag (Huybrechts, 2008c). 21

30 Uit figuur 6 kunnen we afleiden dat appels (40 %), bananen (21 %) en mandarijnen (14 %) de fruitsoorten zijn die het meest geconsumeerd worden bij Vlaamse kleuters van 2,5 tot 6,5 jaar (Huybrechts, 2008a). Figuur 6: De bijdrage van verschillende fruitsoorten tot de totale inname van fruit bij Vlaamse kleuters (2,5 tot 6,5 jaar) (Huybrechts, 2008a) 5.7 VLEES, VIS, EIEREN EN VERVANGPRODUCTEN De minimumnorm (75 g) van ei, vlees, vis en vervangproducten wordt door 56 tot 83 % van de kleuters behaald. Negentien tot 46 % overschrijdt de dagelijkse maximumgrens (100 g). Minder dan 30 % van de kleuters halen de wekelijkse norm voor vis (1 à 2 keer per week, 75 tot 100 g per dag) (Huybrechts et al., 2008). Negenentwintig procent van de inname van de groep vlees, vis en vervangproducten bij Vlaamse kleuters (2,5 tot 6,5 jaar) wordt geleverd door halfvette tot vette vleesproducten, gevolgd door koude vleesschotels (23 %) en kip (18 %) (figuur 7) (Huybrechts, 2008a). 22

31 Figuur 7: De bijdrage van verschillende vleessoorten tot de totale inname van de groep vlees, vis en vervangproducten bij Vlaamse kleuters (2,5 tot 6,5 jaar) (Huybrechts, 2008a) 5.8 MELKPRODUCTEN EN CALCIUMVERRIJKTE SOJAPRODUCTEN Vierendertig tot 45 % van de kleuters voldoet aan de dagelijkse aanbeveling (500 ml) van melk, melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten. Tweeënzeventig procent van de kleuters drinken halfvolle koemelk. Twee procent drinkt magere koemelk. Meer dan 20 % van de kleuters die ouder zijn dan 4 jaar drinken volle melk (alhoewel de aanbeveling halfvolle melk is). Onder het voorgaande puntje 5.3 Vochtinname werd de melkinname bij kleuters reeds besproken aan de hand van figuur 3. De minimumnorm (10 g) voor kaas wordt door % behaald. Achttien tot 42 % van de kleuters eet te veel kaas ( 20 g) (Huybrechts et al., 2008). 23

32 5.9 SMEER- EN BEREIDINGSVET Uit de Gentse studie van Huybrechts et al. (2008) blijkt dat de gebruikte hoeveelheid van smeer- en bereidingsvetten niet voldoet aan de norm. Eén tot 9 % van de kleuters halen de minimumnorm van 15 g smeervet. Twee derde van de kleuters gebruiken smeervet voor de boterham, waarvan 11 % verzadigde vetten gebruikt RESTGROEP Uit tabel 5 van De Ronne (2002) blijkt dat 90,7 % van de 3- tot 6-jarigen en 88,5 % van de 6- tot 12-jarigen in België bijna dagelijks zoete snacks en gezoete dranken consumeren. Tabel 5: Het gebruik van zoete snacks en gezoete dranken door Belgische kinderen (De Ronne, 2002) 1-3 jaar 3-6 jaar 6-12 jaar < 1 x per week 22,6 % 2,8 % 1,5 % Meer dan 1 x per week 17,8 % 6,6 % 10,0 % Bijna dagelijks 59,6 % 90,7 % 88,5 % Volgens Huybrechts et al. (2008) was de gemiddelde dagelijkse inname van de restgroep bij kleuters 200 g per dag. Deze inname was hoger voor jongens en voor de oudste leeftijdsgroep vergeleken met respectievelijk meisjes en de jongste groep. De gemiddelde dagelijkse inname van snacks/desserts (zoete desserts, zoete snacks, zoutige snacks, chocolade, brioche) bedraagt 46,8 g voor kleuters onder de 4 jaar en 53,7 g voor kleuters boven de 4 jaar. De jongste groep drinkt dagelijks 89,9 ml gesuikerde dranken (frisdrank, thee met toegevoegde suiker, maar geen fruitsap) tegenover 123,7 ml in de oudste groep. Kleuters jonger dan 4 jaar consumeren dagelijks gemiddeld 12,6 g gefrituurde aardappelgerechten en 12,5 ml saus. De kleuters ouder dan 4 jaar consumeren dagelijks gemiddeld 14,2 g gefrituurde aardappelgerechten en 12,9 ml saus. Beide leeftijdsgroepen nuttigen dagelijks 14,4 g zoet beleg. Uit deze studie kan geconcludeerd worden dat de Vlaamse kleuter teveel van de restgroep consumeert (Huybrechts, 2008c). 24

33 Uit figuur 8 kan er worden afgeleid dat de inname van zoete snacks zoals biscuit, candybars en dergelijke bij beide leeftijdsgroepen en zowel bij jongens als meisjes de grootste bijdrage leveren (gemiddeld 74 %) tot de groep van snacks en desserts. Zoete nagerechten zoals ijscrème, chocolademousse vormen de tweede grootste groep (11 %) (Huybrechts, 2008a). Figuur 8: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de groep snacks en desserts bij Vlaamse kinderen (2,5 tot 6,5 jaar) (Huybrechts, 2008a) 6 DE OVERGANG VAN DE DERDE KLEUTERKLAS NAAR HET EERSTE LEERJAAR Uit het boek Integratie derde kleuterklas eerste leerjaar van Castermans (1995) blijkt dat veel kinderen de overstap van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar als moeilijk ervaren. Hierbij kunnen verschillende factoren aan de basis liggen. Als kleuter kunnen de kinderen veel vrij spelen, terwijl het er in het eerste leerjaar vaak minder speels aan toe gaat. De strakke schooldagindeling, het gebrek aan vrije tijd, de kindonvriendelijke inrichting van de klas en het onvoldoende rekening houden met de verschillen van de kinderen onderling zijn enkele factoren waarmee de kleuter het moeilijk kan hebben. 25

34 Voor de kinderen zelf voelt het aan alsof ze op de `grote school` terecht komen waar het gedaan is met spelen en moeten leren lezen en schrijven. De ouders vinden meestal de kleuterschool niet zo belangrijk en beschouwen het eerste leerjaar wel als belangrijk. Dit kan het zelfvertrouwen bij het kind ondermijnen en de drempelvrees verhogen (Castermans, 1995; De Lathouwer, 1994). De overgang tussen de derde kleuterklas en het eerste leerjaar als een invloed op de voedingsgewoonten van de kinderen werd niet teruggevonden in de literatuur, maar wordt in deze masterproef onderzocht. 7 PREVENTIEVE ACTIES TER BESTRIJDING VAN OVERGEWICHT EN OBESITAS BIJ KINDEREN De stijgende prevalentie van obesitas bij kinderen vraagt om een holistische, preventieve aanpak. Uit de economische analyses van de kosten op lange termijn van overgewicht en obesitas blijkt dat het investeren in preventie belangrijker is dan niets doen voor de gezondheidswinst (Summerbell et al., 2005). Obesitas staat wereldwijd hoog op de agenda van de ministers van Gezondheid (James, 2006). De voorbije jaren werden in Europa en op nationaal en regionaal niveau al verscheidene preventieve acties ter bestrijding van obesitas georganiseerd (Fussenegger et al., 2008). 7.1 EUROPEES NIVEAU In maart 2005 lanceerde de Europese Commissie een Europees Platform voor voeding, fysieke activiteit en gezondheid om het gezondheidsprobleem aan te pakken. Dit platform bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese voedingsindustrie, reclameindustrie, kleinhandels, fastfoodrestaurants, consumentengroep en NGO s. Dit leidde in onder andere België tot initiatieven van bepaalde multinationals om restricties op te leggen voor kinderreclame. In december 2005 ontwikkelde de Europese Commissie een Groene Paper: Promoting Healthy Diets and Physical Activity. 26

35 Deze paper bevat concrete en evidence-based voorstellen over hoe het beleid op Europees niveau de nationale en lokale maatregelen kan aanvullen en ondersteunen. Kinderen en adolescenten krijgen in deze paper extra aandacht (Commission of the European Communities, 2005; Fussenegger et al., 2008; National Institute for Public Health and the Environment, 2007). In november 2006 organiseerde de WHO een Europese Conferentie ter bestrijding van obesitas. Dit resulteerde in de ontwikkeling van the European Charter on Counteracting Obesity, die maatregelen bevat om tot actie over te gaan. Het uitgangspunt van deze paper is dat beslissingsnemers op alle politieke niveaus, de media en privésector hun verantwoordelijkheid zouden moeten opnemen (Fussenegger et al., 2008). 7.2 NATIONAAL EN REGIONAAL NIVEAU In sommige landen financiert de overheid preventieve acties zoals het verwijderen van verkoopautomaten in scholen, waterautomaten in plaats van frisdrankautomaten, nutritionele informatie op de voeding, wandelende schoolbussysteem (Summerbell et al., 2005). Op de 2nd Annual Obesity Europe Conference in Brussel in 2006 bleek het Franse EPODE project (Ensemble, Prévenons L Obesité des Enfants) een veelbelovend voorbeeld voor een effectief preventieprogramma op regionaal niveau. Er is gepland om in de nabije toekomst het programma uit te breiden naar Spanje en België (Borys, in Fussenegger et al., 2008). In België is het Tutti Frutti project een succesverhaal. Uit dit project blijkt dat een fruitdag op school resulteert in een hogere fruitconsumptie op school (Van Hoecke et al., 2007). Televisiereclame over fastfood is één van de meest voorkomende reclames, waarbij kinderen vaak het doelpubliek zijn. Om dit tegen te gaan, heeft Zweden een verbod gelegd op tv-reclame gericht op kinderen jonger dan 12 jaar. Maar tv-programma s van andere landen en satelliettelevisie omzeilden dit verbod. Noorwegen, Denemarken, Ierland, Oostenrijk, Griekenland en Australië hebben ook beperkende maatregels omtrent televisiereclame voor kinderen (Dehghan et al., 2005). 27

36 De voedingsprijzen bepalen in grote mate het aankoopgedrag en dus ook de voedingsstofinname van mensen. De aankoop van energiedense en voedingsmiddelen met een lage voedingswaarde, zoals frisdranken, snacks en snoep kan ontmoedigd worden door ze duurder te maken. Voldoende etikettering kan de consumenten ook helpen bij het maken van gezonde keuzes (Dehghan et al., 2005). Uit een studie van Vereecken et al. (2008) gebaseerd op de voedingsinname van 1678 kinderen van 2,5 tot 6,5 jaar uit 50 Vlaamse scholen blijkt dat tijdens het middagmaal 86 % van de scholen water voorziet en 68 % voorziet zuivelproducten. Tijdens de pauzes (voor- en namiddag) kon men in 82 % van de gevallen melk verkrijgen en bij 72 % gesuikerde melkdranken. In 88 % van de gevallen waren er tijdens de pauzes restricties op de consumptie van snacks. 28

37 8 METHODOLOGIE VAN DE LITERATUURSTUDIE Deze literatuurstudie wou ik zoveel mogelijk baseren op Belgische/Vlaamse literatuur (waarvan het aantal bronnen beperkt is). Daarom onderzocht ik eerst de tijdschriften van Nutrinews. Daar stootte ik op een interessant artikel, namelijk: Voedingsprofiel van de Vlaamse kleuter (Matthys, Huybrechts, Bellemans, De Maeyer, De Henauw, 2003). Daarna gebeurden er opzoekingen in Pubmed, Google Scholar, Web of Science, Cochrane Library en Aleph catalogus met volgende zoekterm(en of een combinatie ervan): food, consumption, Flanders, preschool child, childhood obesity, dietary, nutritional habits. Er werd gelimiteerd op Preschool Child (2-5 years) and Child (6-12 years) en artikels niet ouder dan Via deze databanken kwam ik terecht op het artikel Food intakes by preschool Children in Flanders Compared with Dietary Guidelines. Ik zag dat dit dezelfde auteur had als het artikel van Nutrinews. Het ging zogezegd over dezelfde studie maar toch zaten er enkele verschillen in. Daarom mailde ik voor meer duidelijkheid naar Inge Huybrechts. Het bleek inderdaad om dezelfde studie te gaan, maar het artikel in Nutrinews waren slechts voorlopige resultaten. Huybrechts stuurde me per mail de volledige versie van haar doctoraatthesis, waar er resultaten in stonden die niet in het artikel terug te vinden waren. Met deze doctoraatstudie had ik heel veel bruikbare informatie over de voedingsgewoonten bij kleuters. Er werd ook opgezocht met behulp van het sneeuwbaleffect: interessante artikels uit de referentielijst van reeds vroeger opgezochte artikels werden ook bekeken. In samenspraak met mijn promotor is er geen literatuur opgezocht over de opvoedingsstijlen. Er werd pas op het einde beslist om dit mee te nemen in de analyses. 29

38 DEEL II: PRAKTIJKONDERZOEK 1 INLEIDING Deze masterproef vormt een onderdeel van het POP-project en handelt over de volgende onderzoeksvraag: Zijn er verschillen in voedingsgewoonten van leerlingen van de derde kleuterklas en het eerste leerjaar? Volgens de praktische voedingsgids van het VIG (2006) is een kleuter 3 tot 6 jaar oud, maar hier wordt enkel de derde kleuterklas genomen. Uit de literatuur blijkt dat de overgang van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar een grote aanpassing teweeg brengt. In deze masterproef wordt dus nagegaan of dit zich ook op voedingsvlak uit. Naast eventuele verschillen in voedingsgewoonten tussen de klassen wordt er ook nagegaan of er een verschil is in de manier van opvoeden (opvoedingsstijlen). 2 BESCHRIJVING VAN HET POP-PROJECT Het POP-project is een onderzoek van het Steunpunt voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (SWVG) in opdracht van Vlaams Minister voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Veerle Heerlen. Het is een programma rond de ontwikkeling en de evaluatie van een gemeenschapsinterventie ter bevordering van gezonde voeding en beweging in jonge gezinnen. Zoals reeds aangegeven is een onevenwichtige voeding samen met een sedentaire levensstijl verantwoordelijk voor een belangrijk deel van morbiditeit en mortaliteit. Uit de voorafgaande literatuurstudie blijkt dat een effectieve aanpak van dit probleem zich moet focussen op jonge leeftijd (Commission of the European Communities, 2005; SWVG, 2008). De ouders oefenen een grote invloed uit op de voedingsgewoonten van het kind. Eenmaal het kind naar school gaat worden de leerkrachten, de peers en andere mensen op school belangrijker. Veel kinderen nuttigen dagelijks het middagmaal op school en/of consumeren snacks (Vereecken et al., 2008). De ontwikkeling, implementatie en evaluatie van het project valt bijgevolg dus binnen een bepaalde gemeenschap en is gericht op jonge kinderen en hun gezinnen (SWVG, 2008). 30

39 3 DOELSTELLING VAN HET POP-PROJECT Het POP-project heeft als doel het promoten van gezonde voeding en fysieke activiteit bij peuters (1 tot 2,5 jaar) kleuters (3 tot 5 jaar) en jonge kinderen (6 tot 9 jaar) en hun gezinnen door middel van het ontwikkelen van een multicomponent interventieprogramma dat zich richt op de gedragsdeterminanten binnen de gemeenschap, de school, het gezin en het individu (SWVG, 2008). Op kleuterleeftijd zijn het hoofdzakelijk de ouders, de school en de peers die verantwoordelijk zijn voor de voedingskeuze (Huybrechts et al., 2008). 4 METHODOLOGIE 4.1 DESIGN EN DATASELECTIE Het uitgangspunt is een community trial design, waarbij zes gemeenschappen worden geselecteerd (Oudenaarde, Oostende, Gent, Ieper, Diest, Aarschot-Holsbeek-Lubbeek). De rekrutering van de scholen gebeurde op basis van de regioselectie die vastgelegd werd door het SWVG. Hiervan werden er drie at random toegewezen aan de interventieconditie (Gent, Oudenaarde, Oostende) en drie aan de controleconditie (Ieper, Diest, Aarschot-Holsbeek-Lubbeek). De interventiescholen konden na één of meerdere informatievergaderingen en overlegmomenten (i.s.m. de Logo's) intekenen voor het POP-project. De Logo s hebben alle scholen gecontacteerd die in de interventieregio lagen. De controlescholen werden daarentegen door medewerkers van het SWVG gecontacteerd. Van zodra voldoende controlescholen bereid waren om mee te werken, werd het contacteren stopgezet (SWVG, 2008). Het POP-project ging van start in 2008 en eindigt in september Binnen het kader van deze masterproef worden de beschikbare baselinegegevens van het derde kleuter en het eerste leerjaar gebruikt. De onderstaande methodologie beperkt zich tot de onderzoeksvraag. 31

40 4.2 DATAVERZAMELING Voor de effecten op voeding en beweging zal in het POP-project onder andere gebruik gemaakt worden van een vragenlijst die ingevuld wordt door de ouders (zie bijlage 4). Voor deze masterproef wordt deze vragenlijst ook gehandhaafd. De vragenlijst bestaat onder andere uit een FFQ (food frequency questionnaire) en vragen omtrent beweging en opvoedingsstijlen rond voeding en beweging. De ouders dienden de vragenlijst in te vullen, omdat kinderen op deze leeftijd niet capabel genoeg zijn om de portiegrootte en de kwaliteit van ingenomen voedingsmiddelen te vermelden en in te schatten. De vragenlijst is gebaseerd op de Vlaamse gezondheidsdoelstelling Voeding en Beweging ( ). De vragenlijst bevraagt dus niet het volledig voedingspatroon van het kind (http://www.gezondheidsconferentie.be/doelstelling.aspx). De kinderen werden bij de baseline dataverzameling in het najaar 2008 ook gemeten en gewogen op een gestandaardiseerde wijze. Hierbij werden zware kledingstukken zoals jeansbroek, trui en schoenen uitgedaan. Deze gegevens zullen in de toekomst voor het POP-project gebruikt worden om de z-scores van de BMI te berekenen. De BMI valt niet onder het bestek van deze masterproef. Het is belangrijk om te vermelden dat het databestand van het POP-project niet representatief is voor Vlaanderen en de controle- en interventieregio s. Het doel van de dataverzameling is om de interventie te evalueren. Hier is dus geen sprake van een representatieve prevalentiestudie, in tegenstelling tot de resultaten van de studie van Huybrechts (2008) besproken in hoofdstuk 5 van de literatuurstudie. 32

41 5 STATISTISCHE VERWERKING 5.1 BESCHRIJVENDE STATISTIEK Geslacht en klas Uit het databestand van 658 ingescande enquêtes van de baselinemeting baseren we ons enkel op het derde kleuter en het eerste leerjaar om na te gaan of er voedingsverschillen zijn als ze overstappen van klas. Dan blijven er nog 311 proefpersonen over, waarvan er 17 worden verworpen omdat de FFQ niet was ingevuld. Na de datacleaning zijn er dus 294 proefpersonen om de analyses omtrent de voedingsmiddelen te berekenen. Daarvan zit 46,6 % in de derde kleuterklas en 53,4 % in het eerste leerjaar. In beide groepen is de verdeling van geslacht voor jongens en meisjes ongeveer gelijk, respectievelijk 53,3 % en 46,7 % in de derde kleuterklas en 47,1 % en 52,9 % in het eerste leerjaar. In de derde kleuterklas zijn er 6 zesjarigen en in het eerste leerjaar zijn er 2 vierenhalfjarigen en 2 vijfjarigen. Voor deze kinderen wordt bij het berekenen van de gemiddelde dag rekening gehouden met hun leeftijd en niet met de klas. Voor het berekenen van de opvoedingsstijlen en het samen eten wordt het oorspronkelijk databestand van 311 behouden, omdat deze vragen voldoende zijn ingevuld. Ook in dit databestand is de verdeling van geslacht ongeveer gelijk, namelijk 52,7 % jongens en 47,3 % meisjes in de derde kleuterklas en 49,7 % jongens en 50,3 % meisjes in het eerste leerjaar Voedingsmiddel Voor elke nieuwe aangemaakte variabele worden de frequenties opgevraagd om eventuele intikfouten op te sporen. Bij de gemiddelde dag en de `totale voedingsmiddelgroep` worden het gemiddelde, de standaarddeviatie en het minimum en het maximum opgevraagd. Bij de totale voedingsmiddelgroep worden enkele beschrijvende grafieken opgevraagd die besproken worden onder onderzoeksresultaten. 33

42 5.1.3 Samen eten met ouder(s) Nemen u of uw partner (of samen) volgende maaltijden samen met uw kind? (bijna) < ½ van de helft van > ½ van de (bijna) nooit week de week week altijd Ontbijt O O O O O Middagmaal O O O O O Avondmaal O O O O O Opvoedingsstijlen De volgende vragen worden onder opvoedingsstijlen geplaatst: Vraag 1: `Ik let erop dat mijn kind niet teveel zoet eet (of drinkt). Vraag 2: `Mijn kind moet zijn/haar bord leeg eten.` Vraag 3: Mijn kind krijgt een beloning als hij/zij zijn/haar bord leeg eet (vb. snoep of TV-kijken). Vraag 4: Ik geef mijn kind complimentjes voor het eten van fruit/groenten. Vraag 5: `Indien mijn kind iets niet lust, moet het minstens een klein beetje opeten.` Vraag 6: `Hoe vaak zegt u iets positiefs over de voeding die uw kind eet om hem/haar aan te moedigen (vb. fruit is gezond, lekker..)?` Vraag 7: `Hoe vaak zegt u iets negatiefs over de voeding die uw kind eet om te verhinderen dat hij/zij het zou opeten? (vb. chips is ongezond )?` Vraag 8: `Indien mijn kind iets niet lust, maak ik speciaal voor hem/haar iets anders.` Vraag 9: `Wanneer ik zelf zin heb in snoep of frisdrank, eet of drink ik het niet in het bijzijn van mijn kind.` Vraag 10: Mijn kind mag snacks eten wanneer hij/zij wil. Vraag 11: Mijn kind mag fruit eten wanneer hij/zij wil. 34

43 Vraag 12: Mijn kind mag frisdrank drinken wanneer hij/zij wil. De mogelijke antwoorden zijn: nooit, meestal niet, soms wel/soms niet, meestal wel, altijd. 5.2 STATISTISCHE ANALYSES De enquêtes worden ingescand en zo naar een SPSS (Statistical Packages for Social Sciences, versie 16.0) databestand geïmporteerd. Per leerling wordt voor alle voedingsmiddelen een gemiddelde dag berekend door rekening te houden met de ingevulde portiegrootte en frequentie. Vanwege de vele variabelen en om het geheel overzichtelijk te houden worden inhoudelijk passende variabelen onder eenzelfde voedingsmiddelengroep geplaatst. Dit is weergegeven in tabel 6. Voedingsmiddelgroep Vochtinname Waterinname Melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten Tabel 6: Verdeling van de voedingsmiddelgroep (http://www.vig.be/content/pdf/vd_praktischegids.pdf) Variabelen Water Fruitsap / groentesap Frisdrank (cola, limonade, ice tea ) Soep Sojadranken Gesuikerde melkproducten Melk, karnemelk Water Sojadranken Gesuikerde melkproducten Melk, karnemelk Platte kaas en yoghurt natuur Platte kaas en yoghurt met fruit, aroma, suiker, siroop toegevoegd Desserts op basis van melk en/of soja Fruit Gedroogd fruit (rozijnen, pruimen, vijgen...) Fruit uit blik of moes Vers fruit of fruitpap Groenten Rauwe groenten Bereide groenten/groentepap 35

44 Tussendoortjes Chocolademousse, ijs, bavarois, tiramisu Chocolade en candybars (Balisto, Mars ) Snoep (M&M`s, chocotoff), geen candybars Gebak (taarten, cake, pannenkoeken, wafels ) Droge kinderkoeken (Bambix, Vitabis ) Andere koeken (Prince, speculaas, sprits ) Hartige snacks (chips, gezouten koekjes ) Ontbijtgranen (type cornflakes, Chocapic ) Zoet beleg (chocoladepasta, hagelslag, jam, honing, siroop, suiker ) Onder de totale vochtinname wordt hier ook (karne)melk, gesuikerde melkproducten, frisdrank, sojadranken, fruitsap/groentesap en soep gerekend, omdat dan alle dranken die vocht leveren in rekening zijn gebracht. Maar volgens de indeling van de voedingsdriehoek worden ze niet onder de vochtinname gerekend omdat ze specifieke voedingsstoffen aanbrengen, zoals melk die onder andere calcium levert. Frisdrank daarentegen hoort thuis in de restgroep omdat dit veel energie aanbrengt en geen vitamines, mineralen en voedingsvezels. Een indeling van de restgroep volgens de studie van Huybrechts (2008) is niet mogelijk omdat de vragenlijst van het POP-project (zie bijlage 4) beperkt is tot tussendoortjes. Het VIG deelt de restgroep op volgens suikerrijke, vetrijke, suiker- en vetrijke producten (zie tabel 7). De indeling volgens het VIG wordt niet gevolgd omdat in de vragenlijst zoet beleg gespecificeerd wordt als chocoladepasta, hagelslag Dit kan niet onder producten rijk aan suiker geplaatst worden omdat chocoladepasta en hagelslag ook vet bevatten. Tabel 7: Indeling producten restgroep volgens het VIG (http://www.vig.be/content/pdf/vd_praktischegids.pdf) Producten rijk aan suiker Sauzen en producten rijk aan vet Suiker zoet broodbeleg: stroop, honing, confituur, confituur met verlaagd suikergehalte Sorbet Frisdranken Energiedranken Snoep Alcoholvrij bier Chips Mayonnaise en andere sauzen 36

45 Producten rijk aan vet en suiker Andere Vinaigrettes, dressings Room, slagroom Aperitiefkoekjes Choco, chocolade Koek en gebak Croissants, koffiekoeken Roomijs Sojadranken en sojadesserts zonder calciumtoevoeging Om het verschil in portiegrootte van elke voedingsmiddelengroep afhankelijk van de klas en het geslacht na te gaan, wordt een two-way anova uitgevoerd. Water en alle voedingsmiddelen die in de restgroep zitten worden afzonderlijk geanalyseerd omdat water een belangrijke vochtaanbrenger is en uit de literatuur blijkt dat energiedense voedingsmiddelen één van de boosdoeners van overgewicht en obesitas kan zijn. (Rolls, in Maziak et al., 2008). Alle voedingsmiddelengroepen worden vergeleken met de door het VIG opgestelde leeftijdsafhankelijke aanbevelingen (zie onder punt 4.1 en 4.2 van de literatuurstudie). Om beide leeftijdsgroepen te kunnen vergelijken is het cruciaal om ze op eenzelfde eenheid te plaatsen. Om de voedingsmiddelengroepen te exploreren worden er eerst kruistabellen met de daaraan gekoppelde chi-kwadraten opgevraagd. Dat is een techniek om te onderzoeken of tussen twee variabelen al dan niet een statistisch verband bestaat. Er kan dus geen uitspraak over de richting en de sterkte van het verband gebeuren. Vervolgens wordt er op elke voedingsmiddelengroep een logistische regressie uitgevoerd om op basis van de klas (de derde kleuterklas of het eerste leerjaar) en het geslacht te voorspellen of iemand al dan niet aan de norm voldoet. Dit gebeurt op basis van kansverhoudingen (Odds). Om na te gaan of er een verband bestaat tussen het aantal keer samen eten met (de) ouder(s) en de klas wordt er een kruistabel met de bijhorende chi-kwadraat opgevraagd. 37

46 De 12 vragen omtrent opvoedingsstijlen worden geanalyseerd met een kruistabel en de bijhorende chi-kwadraat. Hercoderingen gebeuren omdat sommige cellen minder dan 5 cases bevatten of omdat het verschil van het aantal binnen de cellen te groot is. In alle kruistabellen staat de variabele klas in de kolommen, dus namelijk de groep die we willen vergelijken. Enkel de kolompercentages worden weergegeven omdat we een vergelijking willen maken tussen de inname van een voedingsmiddel van de derde kleuterklas en het eerste leerjaar. Voor alle analyses wordt een p-waarde van 0,05 als significantieniveau gehanteerd. Een trend tot significantie komt overeen met een p-waarde van 0,1. Als er in de onderzoeksresultaten het woord `kleuters` aan bod komt, slaat dit op de derde kleuterklas. 6 ONDERZOEKSRESULTATEN 6.1 PORTIEGROOTTE Onderstaande tabel 8 geeft alle F- en p-waarden van de two-way anova s weer. Tabel 8: F- waarde en p-waarde van de voedingsmiddelengroepen Variabele F-waarde p-waarde Vochtinname: Klas Geslacht Klas*geslacht Waterinname: Klas Geslacht Klas*geslacht Melk en calciumverrijkte sojaproducten: Klas Geslacht Klas*geslacht Fruit: Klas geslacht Klas*geslacht Groenten: Klas geslacht Klas*geslacht 0,735 2,169 0,076 1,834 1,348 0,367 4,515 5,869 0,060 0,148 0,625 1,957 0,024 0,111 0,067 0,392 (NS) 0,142 (NS) 0,783 (NS) 0,177 (NS) 0,247 (NS) 0,545 (NS) 0,035 (*) 0,016 (*) 0,806 (NS) 0,701 (NS) 0,430 (NS) 0,163 (NS) 0,877 (NS) 0,739 (NS) 0,796 (NS) 38

47 Tussendoortjes: Klas geslacht Klas*geslacht (NS) = niet significant (*) 0,05 1,137 5,047 0,021 0,287 (NS) 0,026 (*) 0,884 (NS) Voor de inname van vocht, water, fruit en groenten werden er geen significante interactie- en hoofdeffecten gevonden (zie tabel 8). De inname van deze voedingsmiddelgroepen is dus niet afhankelijk van de klas waarin de kinderen zitten en het geslacht. Uit tabel 8 blijkt dat het interactie-effect (klas*geslacht) voor melk en calciumverrijkte sojaproducten niet significant (p = 0,806) is. Dit betekent dat de inname van melk en calciumverrijkte sojaproducten niet afhankelijk is van een combinatie van het geslacht en de klas waarin de kinderen zitten. De hoofdeffecten klas (F = 4,515 en p 0,05) en geslacht (F = 5,869 en p 0,05) zijn wel significant. Uit de gemiddelden blijkt dat de kinderen uit de derde kleuterklas ( = 343,89) gemiddeld een hogere inname voor melk en calciumverrijkte sojaproducten hebben dan de leerlingen uit het eerste leerjaar ( = 294,12). Jongens ( = 344,75) hebben gemiddeld een hogere inname van melk en calciumverrijkte sojaproducten dan meisjes ( = 288,39). In figuur 9 wordt dit grafisch weergegeven. 39

48 Figuur 9: Grafische weergave van de gemiddelden van melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten volgens klas en geslacht Bij de output van tussendoortjes blijkt dat de inname van tussendoortjes enkel afhankelijk is van het geslacht (zie tabel 8: F = 5,047 en p 0,05). Uit figuur 10 blijkt dat jongens ( = 86,85) gemiddeld meer tussendoortjes consumeren dan meisjes ( = 71,56). Figuur 10: Grafische weergave van de gemiddelde inname van de tussendoortjes volgens klas en geslacht 40

49 Voor de inname van chocolademousse, ijs, bavarois, tiramisu, chocolade en candybars, snoep, geen candybars, gebak, droge kinderkoeken en andere koeken werd er voor zowel het hoofd- als het interactie-effect geen significante p-waarde gevonden (zie tabel 9). Uit tabel 9 blijkt dat er een trend tot significantie is bij het interactie-effect (F = 3,001 en p = 0,084) van de frisdrankinname. Hieruit blijkt dat in het eerste leerjaar de meisjes ( = 91, 68 ml) het meeste frisdrank drinken, terwijl in de derde kleuterklas de jongens ( 55,67 ml) meer frisdranken drinken (zie figuur 11). Enkel het hoofdeffect klas (F = 8,294 en p = 0,004) is significant De leerlingen in het eerste leerjaar ( = 78,27) drinken gemiddeld meer frisdrank dan leerlingen van de derde kleuterklas ( = 46,27), dit wordt weergegeven in figuur 11. Tabel 9: F-waarde en p-waarde van de tussendoortjes Variabele F-waarde p-waarde Frisdrank: Klas geslacht Klas*geslacht Chocolademousse, ijs, bavarois, tiramisu: Klas geslacht Klas*geslacht Chocolade en candybars Klas geslacht Klas*geslacht Snoep, geen candybars: Klas geslacht Klas*geslacht Gebak: Klas geslacht Klas*geslacht Droge kinderkoeken: Klas geslacht Klas*geslacht Andere koeken: Klas geslacht 8,294 0,804 3,001 0,419 0,326 0,801 0,869 0,015 1,333 2,808 0,312 0,228 0,105 2,639 0,005 0,396 0,701 0,000 0,475 2,528 0,004 (*) 0,371 (NS) 0,084 (**) 0,518 (NS) 0,569 (NS) 0,371 (NS) 0,352 (NS) 0,902 (NS) 0,249 (NS) 0,095 (NS) 0,577 (NS) 0,633 (NS) 0,747 (NS) 0,105 (NS) 0,941 (NS) 0,530 (NS) 0,403 (NS) 0,995 (NS) 0,491 (NS) 0,113 (NS) 41

50 Klas*geslacht 2,724 0,100 (NS) Hartige snacks: Klas geslacht Klas*geslacht Ontbijtgranen: Klas geslacht Klas*geslacht Zoet beleg: Klas geslacht Klas*geslacht (NS) = niet significant (*) p 0,05 (**) p 0,1 11,360 0,248 0,066 4,465 4,893 0,214 3,758 3,552 1,240 0,001 (*) 0,619 (NS) 0,797 (NS) 0,035 (*) 0,028 (*) 0,644 (NS) 0,054 (**) 0,061 (**) 0,266 (NS) Figuur 11: Grafische weergave van de gemiddelden van de frisdrankinname volgens klas en geslacht De inname van hartige snacks (chips, gezouten koekjes ) is afhankelijk van de klas (F = 11,360 en p 0,05) en onafhankelijk van het geslacht. Er is hier sprake van een sterke significantie waarbij de leerlingen van het eerste leerjaar ( = 5,02) gemiddeld meer hartige snacks consumeren dan de kleuters ( = 2,97). Dit wordt grafisch voorgesteld in figuur

51 Figuur 12: Grafische weergave van de gemiddelden van de inname van hartige snacks volgens klas en geslacht De inname van ontbijtgranen (type cornflakes, Chocapic, Honey Pops ) is afhankelijk van de klas waarin het kind zit en het geslacht. Leerlingen uit het eerste leerjaar ( = 15,47) eten meer ontbijtgranen dan leerlingen uit de derde kleuterklas ( = 11,74). Jongens ( = 15,67) hebben, ongeacht de klas waarin ze zitten, een hogere consumptie van ontbijtgranen dan meisjes ( = 11,76). Dit wordt weergegeven in figuur 13. Figuur 13: Grafische weergave van de gemiddelden van de inname van ontbijtgranen volgens klas en geslacht 43

52 De inname van zoet beleg (chocoladepasta, jam, honing, jam, siroop, suiker ) is afhankelijk van de klas waarin het kind zit en het geslacht. Bij beide variabelen is er een trend tot significantie (zie tabel 9). Uit de grafiek (zie figuur 14) en de gemiddelden kunnen we afleiden dat de kleuters ( = 12,83) een hogere inname hebben van zoet beleg dan leerlingen van het eerste leerjaar ( = 10,27). Jongens ( = 12,71) consumeren meer zoet beleg dan meisjes ( = 10,28). Figuur 14: Grafische weergave van de gemiddelden van de inname van zoet beleg volgens klas en geslacht 6.2 TOTALE VOCHTINNAME De chi-kwadraat van de totale vochtinname bedraagt 21,104 en is significant (p 0,05). Uit de resultaten blijkt dat meer leerlingen van de derde kleuterklas (18,3 %) voldoen aan de norm van 1000 ml tegenover leerlingen van het eerste leerjaar (1,5 %) met een norm van 1500 ml. Eénentachtig komma zeven procent van de leerlingen van de derde kleuterklas en 98,5 % van de leerlingen van het eerste leerjaar voldoen dus niet aan de norm van respectievelijk 1000 ml en 1500 ml. Uit de logistische regressie blijkt dat enkel de klas significant is (p < 0,05 met OR = 0,068 en CI = 0,015 tot 0,295). De leerlingen van de derde kleuterklas hebben 14,7 keer meer kans om de norm voor de totale vochtinname te behalen dan het eerste leerjaar. 44

53 Uit figuur 15 blijkt dat water zowel bij de derde kleuterklas (35,5 %) als bij het eerste leerjaar (38 %) de grootste bijdrage voor de vochtinname levert, gevolgd door (karne)melk (respectievelijk 20 % en 16,5 %) en soep (respectievelijk 12 % en 12,5 %). Bij de kleuters is 31,5 % van de totale vochtinname afkomstig van gesuikerde dranken (toegevoegd/natuurlijk), zoals gesuikerde melkdranken, fruitsap/groentesap en frisdranken. Bij het eerste leerjaar is dit 31,0 %. 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% derde kleuter jongens derde kleuter meisjes eerste leerjaar jongens eerste leerjaar meisjes totaal derde kleuter totaal eerste leerjaar sojadranken frisdrank fruitsap / groentesap gesuikerde melkproducten soep (karne)melk water Figuur 15: De bijdrage van verschillende dranken tot de totale inname van de Groep vocht bij de 3 de kleuterklas en het 1 ste leerjaar De gemiddelde inname van water bedraagt voor de derde kleuterklas 262,55 ml en voor het eerste leerjaar 282,18 ml. 6.3 INNAME VAN MELKPRODUCTEN EN CALCIUMVERRIJKTE SOJAPRODUCTEN De chi-kwadraat van de totale melkinname bedraagt 0,331 en is niet significant (p = 0,565). Er kunnen dus geen uitspraken gedaan worden over het verband tussen de gemiddelde totale melkinname en de klas. 45

54 Uit de logistische regressie blijkt dat enkel het geslacht een trend tot significantie heeft (p = 0,057 met OR = 0,546 en CI = 0,293 tot 1,019). Jongens hebben 1,8 keer meer kans om de norm van melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten te halen dan meisjes. 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% derde derde eerste eerste totaal totaal kleuter kleuter leerjaar leerjaar derde eerste jongensmeisjesjongensmeisjes kleuterleerjaar sojadrank melkdesserts platte kaas, yoghurt met toevoeging platte kaas, yoghurt natuur gesuikerde melkproducten (karne)melk Figuur 16: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de totale inname van de groep melk en calciumverrijkte sojaproducten bij de 3 de kleuterklas en het 1 ste leerjaar Uit figuur 16 lijkt dat zowel bij het eerste leerjaar als bij de derde kleuterklas (karne)melk de grootste aanbreng levert, gevolgd door gesuikerde melkproducten en platte kaas, yoghurt natuur. De gemiddelde inname van (karne)melk bedraagt 156,5 ml voor de kleuters en 143,82 ml voor het eerste leerjaar. 6.4 TOTALE GROENTE-INNAME De chi-kwadraat voor de totale groente-inname bedraagt 2,762 met een p-waarde van 0,097. Er is dus geen verband tussen het halen van de totale groentenorm (derde kleuterklas: 150 g, eerste leerjaar: 250 g) en de klas waarin de leerling zit. Als voor de derde kleuterklas de gemiddelde norm (125 g) wordt genomen en voor het eerste leerjaar terug de minimumnorm (250 g), dan wordt en een chi-kwadraat bekomen van 11,748 en een p-waarde gelijk aan 0,

55 Zesentachtig komma twee procent van de kleuters voldoet niet aan de gemiddelde norm (125 g) van groenten tegenover 97,7 % van het eerste leerjaar dat niet voldoet aan de minimumnorm (250 g). Uit de logistische regressie met de gemiddelde norm van de derde kleuterklas en de minimumnorm bij het eerste leerjaar blijkt dat enkel de klas significant is (p = 0,003 met OR = 0,153 en CI = 0,043 tot 0,538). De leerlingen van de derde kleuterklas hebben 6,5 keer meer kans om de norm voor de totale groente-inname te halen dan de leerlingen van het eerste leerjaar. 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% derde kleuter jongens derde kleuter meisjes eerste leerjaar jongens eerste leerjaar meisjes totaal derde kleuter totaal eerste leerjaar rauwe groenten bereide groenten Figuur 17: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de totale inname van de groep groenten bij de derde kleuterklas en het eerste leerjaar Uit figuur 17 kan er worden afgeleid dat er geen verschil is tussen de derde kleuterklas en het eerste leerjaar in de aanbreng van groenten, net zoals we zagen onder punt portiegrootte. Bereide groenten vormen de grootste aanbreng tot de groep groenten. De gemiddelde totale inname van groenten bij kleuters bedraagt 72 g en 68,25 g bij het eerste leerjaar. 47

56 6.5 TOTALE FRUITINNAME De chi-kwadraat voor de totale fruitinname, waarbij de norm voor zowel de derde kleuterklas (maximumnorm) als het eerste leerjaar (minimumnorm) 200 g is, bedraagt 0,003 en is niet significant (p = 0,957). Als voor de derde kleuterklas de gemiddelde norm (150 g) wordt genomen en voor het eerste leerjaar nog altijd 200 g, dan is de chikwadraat gelijk aan 37,360 met een p-waarde van 0,001. Uit de percentages blijkt dat 53,5 % van de derde kleuterklas voldoet aan de gemiddelde norm (150 g) van fruit tegenover 17,9 % van het eerste leerjaar die voldoet aan de minimumnorm (200 g). Tweeëntachtig komma een procent van de leerlingen van het eerste leerjaar voldoen dus niet aan de minimumnorm van fruit tegenover 46,5 % van de derde kleuterklas die niet voldoet aan de gemiddelde norm van fruit. Uit de logistische regressie met de gemiddelde norm van de derde kleuterklas en de minimumnorm bij het eerste leerjaar blijkt dat de klas waarin het kind zit sterk significant is ( p 0,001 met OR = 0,188 en CI = 0,108 tot 0,329). De leerlingen van de derde kleuterklas hebben 5,3 keer meer kans om de gemiddelde norm voor de totale fruitinname te halen dan de leerlingen van het eerste leerjaar (om de minimumnorm te halen). De grootste aanbreng van fruit bestaat in beide klassen uit vers fruit, gevolgd door fruit uit blik of moes (zie figuur 18). 100% % 90% % 80% gedroogd fruit fruit uit blik of moes vers fruit 75% derde derde eerste eerste kleuter kleuter leerjaar leerjaar jongensmeisjes jongensmeisjes totaal derde kleuter totaal eerste leerjaar Figuur 18: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de totale inname van de groep fruit bij de derde kleuterklas en het eerste leerjaar 48

57 De gemiddelde totale inname van fruit in de derde kleuterklas bedraagt 143,44 g en 138,32 g in het eerste leerjaar. 6.6 TUSSENDOORTJES De aanbeveling voor de inname van tussendoortjes is volgens het VIG: `niet noodzakelijk`. Een tip van het VIG is om dagelijks maximum 150 kcal te consumeren uit de restgroep, maar dit kan niet berekend worden aan de hand van de vragenlijst. (http://www.vig.be/content.asp?nav=themas_voeding&selnav=205,324) Er kan dus geen kruistabel en logistische regressie worden uitgevoerd. Uit figuur 19 blijkt dat bij de derde kleuterklas en het eerste leerjaar de grootste aanbreng wordt geleverd door `zoet beleg`, gevolgd door gebak en droge kinderkoeken. De kleuters in deze studie consumeren gemiddeld 12,5 g zoet beleg, terwijl de kinderen in het eerste leerjaar gemiddelde 10,5 g zoet beleg consumeren. 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% derde kleuter jongens derde kleuter meisjes eerste leerjaar jongens eerste leerjaar meisjes totaal derde kleuter totaal eerste leerjaar snoep chocolade, candybars hartige snacks chocomousse, ijs, tiramisu andere koeken ontbijtgranen droge kinderkoeken gebak zoet beleg Figuur 19: De bijdrage van verschillende voedingsmiddelen tot de totale inname van de tussendoortjes bij de derde kleuterklas en het eerste leerjaar 49

58 6.7 SAMEN ETEN MET OUDERS Er kan geen verband aangetoond worden tussen de derde kleuterklas/eerste leerjaar en het samen eten met de ouder(s), zowel bij het ontbijt, als bij het middagmaal en het avondmaal. Na hercoderingen worden ook geen significantieniveaus gevonden. Tabel 10 geeft de chi-kwadraat met bijhorende p-waarde voor elk maaltijdmoment weer. De laatste kolom geeft de chi-kwadraat en p-waarde na de hercoderingen weer. Het samennemen van items gebeurt omdat sommige cellen minder dan 5 cases bevatten of omdat het verschil van het aantal binnen de cellen te groot is. Tabel 10: chi-kwadraat en bijhorende p-waarde na eerste en tweede analyse maaltijdmoment Chi-kwadraat en p-waarde Ontbijt Middagmaal Avondmaal (NS) = niet significant 7,806 0,099 (NS) 5,246 0,263 (NS) 4,328 0,363 (NS) Chi-kwadraat en p-waarde Samennemen is niet nodig Na het samennemen van (bijna) nooit en < ½ van de week (item 1) en helft van de week, > ½ van de week en (bijna) altijd (item 2) 1,217 0,270 Na het samennemen van (bijna) nooit, < ½ van de week, helft van de week en > ½ van de week 1,659 0, OPVOEDINGSSTIJLEN Tabel 11 geeft de chi-kwadraat en p-waarde van de verschillende opvoedingsstijlen weer. De eerste chi-kwadraat en p-waarde zijn berekend op de oorspronkelijke vijfpunten schaal (0 = niet, 1 = meestal niet, 2 = soms wel/soms niet, 3 = meestal wel, 4 = altijd), terwijl de tweede chi-kwadraat en p-waarde berekend zijn door het samennemen van items. Het samennemen van items gebeurt omdat sommige cellen minder dan 5 cases bevatten of omdat het verschil van het aantal binnen de cellen te groot is. In de laatste kolom wordt het besluit weergegeven. Als de chi-kwadraat met bijhorende p-waarde significant is, wordt de interpretatie onder de tabel weergegeven. 50

59 Tabel 11: Chi-kwadraat en bijhorende p-waarde van de verschillende opvoedingsstijlen na een eerste en eventuele tweede analyse en de interpretatie vraag Chi-kwadraat en p-waarde 1 1,413 0,842 (NS) 2 2,299 0,681 (NS) Chi-kwadraat en p-waarde Na het samennemen van`nooit`, `meestal niet`, `soms wel/soms niet 0,964 0,618 (NS) Na het samennemen van`nooit` en `meestal niet` 1,899 0,594 (NS) 3 12,702 0,013(*) Zie tabel 12 Besluit Er is geen verband tussen het er al dan niet op letten of het kind teveel zoet eet/drinkt en de klas waarin het kind zit. Er is geen verband tussen de verplichting om het bord leeg te eten en de klas waarin het kind zit. 4 0,674 0,955 (NS) 5 1,575 0,813 (NS) 6 1,328 0,857 (NS) 7 3,267 0,514 (NS) 8 1,026 0,906 (NS) Na het samennemen van`nooit`, `meestal niet`, `soms wel/soms niet 0,289 0,866 (NS) Na het samennemen van`nooit`, `meestal niet`, `soms wel/soms niet 1,279 0,527 (NS) Na het samennemen van`nooit`, `meestal niet`, `soms wel/soms niet 0,769 0,681 (NS) Na het samennemen van`nooit` en `meestal niet`(item 1) en meestal wel en altijd (item 2) 2,360 0,307 (NS) Na het samennemen van meestal wel en altijd 0,341 0,952 (NS) Er is geen verband tussen het geven van complimentjes voor het eten van fruit/groenten en de klas waarin het kind zit. Er is geen verband tussen de verplichting om een klein beetje te proeven als het kind het niet lust en de klas waarin het kind zit. Er is geen verband tussen het aantal keren de ouder iets positiefs zegt over gezonde voeding om het kind aan te moedigen en de klas waarin het kind zit. Er is geen verband tussen het aantal keren de ouder iets negatiefs zegt over ongezonde voeding om het kind te ontmoedigen en de klas waarin het kind zit. Er is geen verband tussen een alternatief bereiden voor het kind als het iets niet lust en de klas waarin het kind zit. 9 9,797 0,044 (*) Zie tabel ,125 0,190(NS) Na het samennemen van soms wel/soms niet, Er is geen verband tussen het kind die snacks mag 51

60 meestal wel en altijd 3,430 0,180 (NS) eten wanneer het wilt en de klas waarin het kind zit. 11 2,610 0,625 (NS) Samennemen niet nodig 12 20,966 0,001 Zie tabel 12 (NS) = niet significant (*) 0,05 Er is geen verband tussen het kind die fruit mag eten wanneer het wilt en de klas waarin het kind zit. Tabel 12: Uitleg bij de significante opvoedingsstijlen Soms Meestal Meestal Vraag Klas Nooit wel/soms Altijd niet wel niet 3 3 de 31,2 % 27,0 % 24,1 % 14,2 % 3,5 % 1 ste 41,6 % 33,5 % 11,8 % 8,1 % 5 % 9 3 de 14,4 % 19,4 % 28,8 % 22,3 % 15,1 % 1 ste 17,8 % 9,2 % 35,6 % 27,6 % 9,8 % 12 3 de 48,1 % 29,8 % 12,1 % 5,7 % 4,3 % 1 ste 39,3 % 15,0 % 24,4 % 11,9 % 9,4 % Uit tabel 12 blijkt dat er meer zijn leerlingen van het eerste leerjaar die nooit (41,6 %) of meestal niet (33,5 %) of altijd (5 %) een beloning krijgen voor het leeg eten van het bord dan kleuters (respectievelijk 31,2 %, 27,0 % en 3,5 %). Er zijn meer leerlingen van de derde kleuterklas die soms wel/soms niet (24,1 %) of meestal wel (14,2 %) een beloning krijgen voor het leeg eten van het bord dan de leerlingen van het eerste leerjaar (respectievelijk 11,8 % en 8,1 %). 52

61 Uit de percentages van tabel 12 kan worden afgeleid dat er meer ouders van leerlingen van het eerste leerjaar zijn die nooit (17,8 %), soms wel/soms niet (35,6 %) of meestal wel (27,6 %) iets ongezonds eten in het bijzijn van het kind (als ze zin hebben) dan bij ouders van de kleuters (respectievelijk 14,4 %, 28,8 % en 22,3 %). Er zijn meer ouders van kleuters meestal niet (19,4 %) of altijd (15,1 %) iets ongezonds eten in het bijzijn van het kind (als ze zin hebben) dan bij ouders van kinderen uit het eerste leerjaar (respectievelijk 9,2 % en 9,8 %). Uit tabel 12 blijkt dat er meer kinderen van het eerste leerjaar altijd (9,4 %), meestal wel (11,9 %) of soms wel/soms niet (24,4 %) frisdrank mogen drinken als ze dit willen dan kleuters (respectievelijk 4,3 %, 5,7 % en 12,1 %) Er zijn meer kleuters die nooit (48,1 %) of meestal niet (29,8 %) frisdrank mogen drinken als ze dit willen dat leerlingen uit het eerste leerjaar (respectievelijk 39,3 % en 15 %). 53

62 7 DISCUSSIE 7.1 HOOFDRESULTATEN EN VERSCHILLEN/GELIJKENISSEN MET ANDERE STUDIES In deze masterproef worden de voedingsgewoonten tussen het derde kleuter en het eerste leerjaar in de controle- en interventieregio s nagegaan. Volgens de literatuur is dit het eerste project in België die de voedingsverschillen tussen de derde kleuterklas en het eerste leerjaar nagaat. Het opmerkelijkste uit deze studie is dat de kinderen uit de derde kleuterklas een grotere consumptie hebben van zoet beleg en melk- en calciumverrijkte sojaproducten dan leerlingen uit het eerste leerjaar. De hogere consumptie van zoet beleg bij de derde kleuterklas zou kunnen te verklaren zijn door een eventuele clustering per school. Deze veronderstelling kon niet onderzocht worden, omdat bij het nakijken van het databestand het aantal leerlingen te klein is en deze verspreid zijn over te veel scholen. Een eerste mogelijke verklaring voor de hogere consumptie van melkproducten is dat ouders van kleuters misschien meer bewust zijn van het belang van voldoende melkproducten op jonge leeftijd. In de literatuur wordt daar niets over teruggevonden. Hypothetisch gezien zou de lagere consumptie van melkproducten bij het eerste leerjaar te wijten kunnen zijn aan de hoge frisdrankinname, die dus ten koste van de inname van melkproducten gaat. Hierbij is verder onderzoek nodig. De leerlingen van het eerste leerjaar consumeren meer tussendoortjes (hartige snacks, ontbijtgranen, frisdrank) dan de kleuters. Jongere kinderen hebben een lagere energiebehoefte dan oudere kinderen (https://portal.health.fgov.be). Hierdoor kan men stellen dat oudere kinderen in het algemeen meer consumeren dan jongere kinderen. 54

63 In deze studie voldoen kleuters meer aan de norm van vocht, groenten en fruit dan de leerlingen van het eerste leerjaar. Men dient hier wel in gedachte te houden dat de kleuters voldoen aan de gemiddelde norm van deze voedingsmiddelgroepen, in plaats van de maximumnorm. Hypothetisch gezien kan men stellen dat de aanzet om ongezonde voedingsgewoonten (grotere portiegrootte van frisdrank, hartige snacks, ontbijtgranen en minder voldoen aan de norm voor de vochtinname, groenten en fruit) aan te nemen begint in het eerste leerjaar. Dit toont nogmaals het belang aan om op jonge leeftijd gezonde voedingsgewoonten aan te leren, zoals het Tutti Frutti project. Als de resultaten van deze studie naast de resultaten van de studie van Huybrechts (enkel kleuters ouder dan vier) worden gelegd, stellen we enkele verschillen en gelijkenissen vast. Net zoals in de studie van Huybrechts zien we dat de gemiddelde dagelijkse portiegrootte van vocht, groenten, fruit en melkproducten bij de leerlingen van de derde kleuterklas niet voldoen aan de norm. De totale gemiddelde groente-inname bij de studie van Huybrechts bedraagt 75,1 g en bij deze studie 72 g. De inname van zoet beleg voor kleuters is in de studie van Huybrechts 14,4 g en in deze studie 12,5 g voor de kinderen uit de derde kleuterklas. De jongens hebben gemiddeld genomen een hogere inname van voedingsmiddelen dan meisjes. In de studie van Huybrechts voldoet minder dan 20 % van de kleuters boven de 4 jaar aan de minimumnorm (100 g) van groenten. In deze studie voldoet 13,8 % van de kleuters aan de gemiddelde norm (125 g) van groenten. De gemiddelde totale vochtinname bij de derde kleuterklas verschilt met die van de studie van Huybrechts (2008). Uit de studie van Huybrechts (2008) blijkt dat de kleuters ouder dan vier jaar een gemiddelde vochtinname van 540,7 ml hebben en slechts 4 % haalt de norm van 1000 ml. In dit onderzoek haalt 18,3 % van de kleuters de norm voor de totale vochtinname en hebben ze een gemiddelde inname van 767,9 ml. We zien ook dat de aanbreng van water tot de totale vochtinname (33,5 %) in deze studie bij jongens van de derde kleuterklas verschillend is met de resultaten van Huybrechts (21 %). Bij meisjes zien we hetzelfde: water brengt in deze studie namelijk 37 % aan tegenover 26 % in de studie van Huybrechts. 55

64 In de studie van Huybrechts wordt 48 % (jongens) en 49 % (meisjes) van de totale vochtinname voor kleuters (ouder dan 4 jaar) geleverd door gesuikerde melkdranken, fruitsap en frisdranken. In dit onderzoek bedraagt dit voor jongens van de derde kleuterklas slechts 32 % en voor meisjes 30,5 %. Soep is in deze studie de derde grootste aanbrenger voor vocht, terwijl soep in de studie van Huybrechts op plaats 6 komt. In de studie van Huybrechts hebben de kleuters een gemiddelde inname van 112,1 g fruit per dag, terwijl de gemiddelde inname van fruit in deze studie 143,4 g bedraagt. De verschillen tussen de studies kunnen mogelijk te wijten zijn aan bias in de data. Onder punt 7.2 worden de beperkingen van de studie besproken waardoor er eventueel bias kan optreden. Bij het analyseren van de opvoedingsstijlen worden maar 3 vragen als significant beoordeeld: een beloning krijgen voor het leeg eten van het bord, iets ongezonds eten in het bijzijn van het kind en frisdrank mogen drinken wanneer je zin hebt. Een mogelijke verklaring voor de weinige significanties van de opvoedingsstijlen kan zijn omdat de ouders niet mee veranderen bij de transitie van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar. De literatuurstudie beperkte zich tot de voedingsgewoonten. Verschillen of gelijkenissen nagaan is dus niet mogelijk. Er zijn meer leerlingen van het eerste leerjaar die altijd of meestal wel frisdrank mogen drinken als ze willen. Deze opvoedingsstijl kan een mogelijke verklaring vormen voor de grotere inname van frisdrank bij het eerste leerjaar, maar uitgebreider onderzoek is hier voor nodig. 56

65 7.2 BEPERKINGEN EN STERKTES VAN HET ONDERZOEK Een eerste grote beperking van het onderzoek is dat het momenteel nog een crosssectioneel onderzoek is. Causaliteit kan nu nog niet worden aangetoond omdat het project nog lopende is. Idealiter zouden de leerlingen die momenteel in de derde kleuterklas zitten na een jaar nogmaals onderzocht moeten worden. Aangezien het om dezelfde leerlingen zou gaan, zou dit een correcter beeld van de verschillen in voedingsgewoonten kunnen geven. Het selecteren van de controlescholen vormt een tweede beperking. Aangezien dit niet ad random gebeurde, zijn de beschikbare data dus geen representatief staal van de regio s. De FFQ bevraagt enkel de voedingsmiddelen die voorkomen in de subdoelstelling van de gezondheidsdoelstelling Voeding en Beweging. Het feit dat niet het volledige voedingspatroon van de kinderen in kaart wordt gebracht kan een derde beperking vormen. Een vierde beperking is de onderrapportering. De kinderen zijn nog te jong om zelf de FFQ in te vullen, dus gebeurt dit door de ouders. De ouders kunnen de portiegrootte en de frequentie verkeerd inschatten. Het is ook moeilijk om na te gaan of de kinderen op school alles opeten. Een mogelijke oplossing is om de leerkrachten (net zoals in de studie van Huybrechts, 2008) te laten noteren wat het kind tijdens de lunch en als tussendoortje consumeert. De ouders beslisten zelf of ze de vragenlijst invulden en gaven hun toestemming om deel te nemen aan het project, met als gevolg dat enkel de gemotiveerde ouders de vragenlijst invulden. En zesde beperking die hierbij aansluit is de taalbarrière. Allochtone (kansarme) ouders die geen Nederlands begrijpen zullen de vragenlijst niet invullen. Bovendien sluit de vragenlijst niet aan bij de voedingsgewoonten van mensen met een andere culturele achtergrond. Deze laatste groep is vaak het moeilijkst te bereiken. 57

66 Het geeft dus een vertekend beeld als deze mensen het niet invullen. Een mogelijke oplossing voor de deze beperking is om deze ouders thuis te interviewen met een tolk. Tenslotte kan het kleine aantal proefpersonen een vertekend beeld geven. De gelijke verdeling van het geslacht en de klas waarin de leerlingen zaten kan als een sterk punt opgegeven worden. 58

67 8 CONCLUSIES Hier wordt er een overzicht gegeven van de waargenomen verschillen en gelijkenissen tussen de derde kleuterklas en het eerste leerjaar. Een eerste vaststelling is dat er enkele verschillen worden waargenomen tussen de derde kleuterklas en het eerste leerjaar qua portiegrootte. Uit de analyses blijkt enerzijds dat de totale gemiddelde inname van melkproducten en calciumverrijkte sojaproducten lager ligt bij leerlingen van het eerste leerjaar dan bij leerlingen van de derde kleuterklas. De leerlingen van het eerste leerjaar consumeren meer tussendoortjes (hartige snacks, ontbijtgranen, frisdrank) dan de kleuters. Anderzijds blijkt dat de kleuters meer zoet beleg eten. Ten tweede zien we dat er bij het interpreteren van de resultaten van het al dan of niet voldoen aan de norm verschillen worden waargenomen in het voordeel van de derde kleuterklas. Het blijkt namelijk dat meer leerlingen van de derde kleuterklas voldoen aan de norm van vocht, groenten en fruit tegenover leerlingen van het eerste leerjaar. De leerlingen van de derde kleuterklas hebben meer kans om de norm voor de totale vochtinname (14,7 keer meer), de totale groente-inname (6,5 keer meer) en de totale fruitinname (5,3 keer meer) te behalen dan het eerste leerjaar. Een derde verschil is dat jongens, ongeacht de klas waarin ze zitten, gemiddeld genomen een hogere consumptie van tussendoortjes (ontbijtgranen, hartige snacks en zoet beleg) hebben dan meisjes. Een gelijkenis uit het onderzoek is dat de gemiddelde portiegrootte van vocht, groenten, fruit en melkproducten bij zowel leerlingen van de derde kleuterklas als het eerste leerjaar niet voldoet aan de norm. Tussen de derde kleuterklas en het eerste leerjaar wordt er ook geen verschil in portiegrootte van de vochtinname, water, fruit en groenten vastgesteld. 59

68 Er kan geen verband aangetoond worden tussen de derde kleuterklas/eerste leerjaar en het samen eten met de ouder(s), zowel bij het ontbijt, als bij het middagmaal en het avondmaal. Bij het analyseren van de opvoedingsstijlen waren enkel de vragen omtrent het al dan niet een beloning krijgen voor het leeg eten van het bord, ongezond eten in het bijzijn van het kind, als je zin hebt en het drinken van frisdrank wanneer je zin hebt significant. Het voedingspatroon van leerlingen van de derde kleuterklas en het eerste leerjaar zijn nog veranderbaar. Effectieve preventieve strategieën om de juiste voedingsgewoonten op jonge leeftijd aan te leren zijn dus noodzakelijk. Dit is de beste manier om voedingsgewoonten op latere leeftijd vol te houden (Lobstein et al., 2005; Toschke et al., 2005). Er kan geconcludeerd worden dat er enkele verschillen zijn in voedingsgewoonten bij de overgang van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar. Het zijn slechts verschillen en geen causale verbanden. Dit is pas mogelijk in 2011, als het POP-project is afgelopen. Verder onderzoek bij een representatieve steekproef is noodzakelijk om prevalentiecijfers weer te geven. 60

69 LITERATUURLIJST Apfelbacher, C. J., Loerbroks, A., Cairns, J., Behrendt, H., Ring, J., Krämer U. (2008). Predictors of overweight and obesity in five to seven-year-old children in Germany: Results from cross-sectional studies. [Electronic version]. Biomed Central Public Health 8(171). Braet, C., De Backer, G., Hulens, M., Kolanowski, J., Kutnowski, M., Muls, E., Scheen, A., Van der Borght, W., Van Gaal, L., Vansant, G., Van Winckel, M. (2002) De consensus van de BASO: een praktische gids voor de evaluatie en behandeling van overgewicht en obesitas. [Electronic version]. Belgian Association for the Study of Obesity, Brown, H. S., Pérez, A., Li, Y., Hoelscher, D. M., Kelder, S. H., Rivera, R. (2007). The cost-effectiveness of a school-based overweight program. [Electronic version]. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 4(47). Brug, J., Van Assema, P., Lechner, L. (2008). Gezondheidsvoorlichting en gedragsverandering: Een planmatige aanpak. Assen: Van Gorcum & Comp. Castermans, J. (1995). Integratie derde kleuterklas eerste leerjaar. [Electronic version]. De Boeck. Cole, T. J., Bellizzi, M. C., Flegal, K. M., Dietz, W. H. (2000). Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey. [Electronic version]. British Medical Journey, 320, 1-6. Commission of the European Communities. Green Paper. Promoting Healthy Diets and Physical Activity: a European dimension for the prevention of overweight, obesity and chronic diseases (2005). Opgehaald 5 mei, 2009 van _en.pdfs

70 Dehghan, M., Akhtar-Danesh, N., Merchant, A. T. (2005) Childhood obesity, prevalence and prevention. [Electronic version]. Nutrition Journal, 4, 24. De Lathouwer, B. (1994). Problemen bij de overgang van de kleuterschool naar de lagere school: een exploratief onderzoek naar differentiatie in de tweede en derde kleuterklas en in het eerste en het tweede leerjaar van de lagere school. Universiteit Gent, De Ronne, N. (2002). Betere schoolprestaties dankzij een goed ontbijt? Nutrinews, 1-6. Fussenegger, D., Pietrobelli, A., Widhalm, K. (2008). Childhood obesity: political developments in Europe and related perspectives for future action on prevention. [Electronic version]. The International Association for the Study of Obesity, obesity reviews, 9, Gezondheidsconferentie (2008). Gezondheidsdoelstelling voeding en beweging Opgehaald maart 17, 2009, van (http://www.gezondheidsconferentie.be/doelstelling.aspx Guo, S., Wu, W., Chumlea, W. C., Roche, A. F. (2002). Predicting overweight and obesity in adulthood from body mass index values in childhood and adolescence. [Electronic version]. The American Journal of Clinical Nutrition, 76, Hoge gezondheidsraad (2006). Voedingsaanbevelingen voor België. Herziening november Opgehaald april 5, 2009, van https://portal.health.fgov.be Huybrechts, I. (2008a). Dietary habits in preschool children. Food intake among Flemish preschoolers compared with food-based dietary guidelines. [Electronic version]. Universiteit Gent, Huybrechts, I. (2008b). Dietary habits in preschool children. Dietary sources of nutrients among Flemish preschoolers: a basic for dietary recommendations. [Electronic version]. Universiteit Gent,

71 Huybrechts, I. (2008c). Dietary habits in preschool children. Samenvatting. [Electronic version]. Universiteit Gent, Huybrechts, I., Matthys, C., Vereecken, C., Maes, L., Temme, E. H. M., Van Oyen, H., De Backer, G., De Henauw, S. (2008). Food intakes by preschool Children in Flanders Compared with Dietary Guidelines. [Electronic version]. International Journal of Environmental Research and Public Health, 5, International Association for the study of Obesity. (n.d.). Opgehaald maart 3, 2009, van James, W.P.T. (2006). The challenge of childhood obesity. [Electronic version]. International Journal of Pediatric Obesity, 1, Lioret, S., Maire, B., Volatier, J., Charles, M. (2007). Child overweight in France and its relationship with physical activity, sedentary behaviour and socioeconomic status. [Electronic version]. European Journal of Clinical Nutrition, 61, Lobstein, T., Rigby, N., Leach, R. (2005). International Obesity Task Force. Obesity in Europe. [Electronic version]. European Association for the Study of Obesity Livingstone (2001). Childhood obesity in Europe: a growing concern. [Electronic version]. Public Health Nutrition, 4 (1A), Manios, Y., Kondaki, K., Kourlaba, G., Grammatikaki, E., Birbilis, M., Ioannou, E. (2008). Television viewing and food habits in toddlers and preschoolers in Greece: the GENESIS study. [Electronic version]. European Journal of Pediatrics. Matthys, C., Huybrechts, I., Bellemans, M., De Maeyer, M., De Henauw, S. (2003). Voedingsprofiel van de Vlaamse kleuter. [Electronic version]. Nutrinews, 1-8.

72 Maziak, W., Ward, K. D., Stockton, M. B. (2008). Childhood obesity: are we missing the big picture? [Electronic version]. International Association for the Study of Obesity. Obesity Review, 9, National Institute for Public Health and the Environment. (2007). EU Platform on Diet, Physical Activity and Health. Synopsis Commitments. Annual Report Op gehaald 5 mei, 2009, van _commitments2007_en.pdf Nutrition Information Center De actieve voedingsdriehoek voor kleuters. Opgehaald 23 februari, 2009, van Reilly, J. (2006). Obesity in childhood and adolescence. Evidence based clinical and public health perspectives. [Electronic version]. Post Graduate Medical Journal, 82, Roelants, M. & Hauspie, R. (2004). Groeicurven Vlaanderen Handleiding voor gebruik en interpretatie. Opgehaald 12 februari, 2009, van Roelants, M. & Hauspie, R. (2004). Groeicurven Vlaanderen Opgehaald 12 februari, 2009, van Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. (2008). Intern document Summerbell, C. D., Waters, E., Edmunds, L. D., Kelly, S., Brown, T., Campbell, K. J. (2005). Interventions for preventing obesity in children (Review). [Electronic version]. Cochrane database of Systematic Reviews, 3, 1-4. Toschke, A. M., Küchenhoff, H., Koletzko, B., von Kries, R. (2005). Meal frequency and Childhood Obesity. [Electronic version]. Obesity Research, 13, Van Den Broecke, N. (2006). Toegepaste dieetleer 2. KaHo St.-Lieven, 7-13.

73 Van Hoecke, L., Moens, O., Vanhauwaert, E., Tambuyzer, J. (2007). Tutti Frutti. Fruit op school werkt! Nutrinews, 3, Van Landeghem, K. (2006). Nutritionele antropometrie. KaHo St.-Lieven, Vereecken, C., Huybrechts, I., Maes, L., De Henauw, S. (2008). Food consumption among preschoolers. Does the school make a difference? [Electronic version]. Appetite, 51, Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie (2008). De actieve voedingsdriehoek: een praktische voedings- en beweeggids. Opgehaald 23 februari, 2009, van Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie (n.d.). De restgroep. Opgehaald 2 mei, 2009, van Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie. De actieve voedingsdriehoek. Opgehaald 23 februari, 2009, van Wang, Y., Monteiro, C., Popkin, B. M. (2002) Trends of obesity and underweight in older children and adolescents in the United States, Brazil, China and Russia. [Electronic version]. American Society for Clinical Nutrition, 75, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (n.d.). Gezondheidsenquête door middel van interview 2004 België, Boek III Leefstijl, voedingsgewoontes Opgehaald 23 februari, 2009, van Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (n.d.). Gezondheidsenquête door middel van interview 2004 België, Boek III Leefstijl, voedingsstatus. Opgehaald 24 februari, 2009, van

74 Bijlage 1: Voorbeeld van een Vlaamse groeicurve (http://www.vub.ac.be/groeicurven/groeicurven.html) 1

75 Bijlage 2: Vlaamse voedingsdriehoek voor kinderen van 3 tot 6 jaar (http://www.123aantafel.be/03/voedingsdriehoek_kleuters.pdf) 1

76 Bijlage 3: Vlaamse voedingsdriehoek voor kinderen vanaf 6 jaar (http://www.vig.be/content/images/vd_driehoek_2004.jpg) 1

77 Bijlage 4: Vragenlijst POP-project Vul slechts 1 hoofdletter of 1 cijfer in per vakje. Datum van vandaag: - - Naam van uw kind (naam-voornaam): Geslacht van uw kind: O Mannelijk O Vrouwelijk Geboortedatum van uw kind: - - Wat is de postcode van de gemeente waar u woont? 1