- De site voor samenvattingen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "http://www.schoolsamenvatting.nl/ - De site voor samenvattingen"

Transcriptie

1 M&O voor examen: Boek 1A: hoofdstuk 9 t/m 15 Blz Boek 1B: hoofdstuk 20 t/m 24 Blz Boek 2A: hoofdstuk 25 t/m 27 Blz Boek 2B: hoofdstuk 31 t/m 36 Blz Hoofdstuk 9, rechtsvormen De keuze van een rechtsvorm heeft gevolgen voor: 1. De aansprakelijkheid 2. Het zeggenschap 3. De financiering 4. De leiding/besluitvorming 5. Het ondernemingsrisico, de continuïteit 6. De relatie met de overheid (publicatieplicht en belastingen worden bekeken) 9.1 organisaties Wat verstaan we onder de rechtsvorm van een organisatie? - Dat is de juridische vorm van een organisatie, je kunt het vinden in de wet. Wat verstaan we onder de rechtspersoonlijkheid van een organisatie? - De organisatie heeft dan zelfstandige rechten en plichten. Dus het ondernemingsvermogen staat los van het privévermogen van de eigenaren. Welke vier rechtsvormen zijn er in Nederland? 1) De Besloten Vennootschap; BV 2) De Naamloze Vennootschap; NV 3) De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid 4) De stichting Noem twee organisaties zonder rechtspersoonlijkheid 1) De eenmanszaak 2) De firma, V.O.F. 9.2 de eenmanszaak De aansprakelijkheid Er is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid. Je bent dus ook aansprakelijk met je privévermogen. Het zeggenschap Er is maar één eigenaar. De financiering Er word voornamelijk gebruik gemaakt van eigen vermogen, de eenmanszaak komt moeilijk aan vreemd vermogen. De leiding/besluitvorming De leiding is vaak in handen van de eigenaar. Voordeel: beslissingen zijn snel te nemen Nadeel: de eigenaar heeft niet overal verstand van 1

2 Het ondernemingsrisico, de continuïteit Het voortbestaan is erg onzeker: eigenaar ziek, zaak dicht; eigenaar dood, zaak gesloten (dood). De relatie met de overheid (publicatieplicht en belastingen worden bekeken) De eenmanszaak heeft geen publicatieplicht, er moet wel een boekhouding worden gevoerd. De eigenaar van een eenmanszaak betaald over de winst inkomsten belasting. 9.3 Vennootschap onder firma; V.O.F. De aansprakelijkheid Iedere firmant is hoofdelijk aansprakelijk. Om te voorkomen dat één firmant uiteindelijk all schulden moet betalen is het belangrijk afspraken te maken over de bevoegdheden, VB: voor uitgaven boven een bepaald bedrag moeten alle firmanten tekenen. Deze afspraken kan je het beste opnemen in een notariële akte. Het zeggenschap Besluiten worden in overleg tussen de firmanten genomen. Voordeel: twee weten meer dan een Nadeel: het overleg kost veel tijd De financiering Alle firmanten brengen eigen vermogen in. De firma kan beter aan vreemd vermogen komen dan de eenmanszaak kan, want banken lopen minder risico; er zijn meer eigenaren die eventueel terug kunnen betalen. De leiding/besluitvorming De leiding is in handen van de eigenaren en dus van de firmanten. Gevolg: er is taakverdeling mogelijk, dus specialisatie Nadeel als het niet jou specialisme is, geloof je de andere persoon snel Het ondernemingsrisico, de continuïteit Dit is een kleiner risico dan de eenmanszaak heeft, omdat je met twee of meer bent. Is er een ziek, kan de andere persoon doorgaan, als er een dood gaat kan de ander wel in problemen komen. De relatie met de overheid (publicatieplicht en belastingen worden bekeken) De firma heeft geen publicatieplicht, iedere firmant betaald over zijn/haar aandeel in de winst inkomstenbelasting. Meestal wordt de winst verdeeld door te kijken naar de verhouding bij het ingebrachte eigen vermogen. VB: firmant 1 brengt in en firmant 2 brengt in. Firmant 1 heeft dus 40% van de winst en firmant 2 60% van de winst. Als je wil afwijken van de winstverdeling moeten daar afspraken over worden gemaakt.» in de toekomst verdwijnt de naam firma en komt daarvoor in de plaats het woord: openbare vennootschap. Deze heeft twee varianten: 1) Zonder rechtspersoonlijkheid; OV 2) Met rechtspersoonlijkheid; OVR 9.4 de BV & de NV Besloten vennootschap De aansprakelijkheid De BV is een rechtspersoon (dus in principe geen hoofdelijke aansprakelijkheid). Bij een BV is het ondernemingsvermogen verdeelt in aandelen. De aansprakelijkheid van een aandeelhouder gaat niet verder dan het bedrag dat ervoor betaald is. 2

3 Het zeggenschap De aandeelhouders huren de directeuren in, de directeur is hier dus werknemer, Voordeel: er kan een expert/manager ingehuurd worden die ontslaat als de persoon niet goed genoeg is. In de praktijk: de directeur is zelf vaak groot aandeelhouder De financiering De BV komt aan eigen vermogen door de verkoop van aandelen op naam. Doordat de BV een rechtspersoon is met een goede continuïteit is het goed mogelijk om vreemd vermogen aan te trekken. De leiding/besluitvorming Deze is in handen van de directeur, die niet persé aandeelhouder hoeft te zijn. De BV kan dus professionele managers inhuren.» de directeur is dus werknemer van de BV, als hij/zij niet goed functioneert kunnen de aandeelhouders hem/haar ontslaan. Voordeel: veel kennis en kwaliteit in te huren Nadeel: je moet controleren of het directe beleid in het voordeel is van de aandeelhouders Het ondernemingsrisico, de continuïteit De continuïteit van een BV is goed; directeur dood, een nieuwe directeur; directeur ziek, hij wordt gewoon vervangen. De relatie met de overheid (publicatieplicht en belastingen worden bekeken) De BV kent een beperkte publicatie plicht, en betaal over de winst vennootschapsbelasting (VPB) Publiceren = het deponeren van de jaarrekening in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Een jaarrekening bestaat uit de balans en een winst & verlies rekening én een toelichting op beide. Naamloze vennootschap De aansprakelijkheid (zelfde als BV:) De NV is een rechtspersoon (dus in principe geen hoofdelijke aansprakelijkheid). Bij een NV is het ondernemingsvermogen verdeelt in aandelen. De aansprakelijkheid van een aandeelhouder gaat niet verder dan het bedrag dat ervoor betaald is. Het zeggenschap (zelfde als BV:) De aandeelhouders huren de directeuren in, de directeur is hier dus werknemer, Voordeel: er kan een expert/manager ingehuurd worden die ontslaat als de persoon niet goed genoeg is. In de praktijk: de directeur is zelf vaak groot aandeelhouder De financiering Het eigen vermogen komt voornamelijk uit aandelen, dit zijn aandelen aan toonder. Doordat de NV een rechtspersoon is met een goede continuïteit is het goed mogelijk om vreemd vermogen aan te trekken. 3

4 De leiding/besluitvorming (zelfde als BV:) Deze is in handen van de directeur, die niet persé aandeelhouder hoeft te zijn. De BV kan dus professionele managers inhuren.» de directeur is dus werknemer van de BV, als hij/zij niet goed functioneert kunnen de aandeelhouders hem/haar ontslaan. Voordeel: veel kennis en kwaliteit in te huren Nadeel: je moet controleren of het directe beleid in het voordeel is van de aandeelhouders * Vaak een ingehuurde manager. Het ondernemingsrisico, de continuïteit Erg klein. De relatie met de overheid (publicatieplicht en belastingen worden bekeken) De NV kent een uitgebreide publicatieplicht, omdat er aandelen aan toonder zijn. Ook de NV betaald vennootschapsbelasting over de winst. Wat zijn de verschillen tussen een BV en NV? 1- Aandelen Een BV heeft aandelen op naam, een NV heeft aandelen aan toonder. Doordat de aandeelhouders van een NV onbekend zijn, heeft de wetgever een uitbreide publicatieplicht voorgeschreven. 2- Overdracht van aandelen.» bij een bv zijn aandelen niet vrij verhandelbaar, vaak is er sprake van een blokkeringregeling. Deze is gericht op het besloten houden van een BV. Als je aandelen van een BV wilt verkopen, moet je eerst toestemming vragen aan de bestaande aandeelhouders of zij de nieuwe eigenaar acceptabel vinden.» de aandelen van een NV zijn wel vrij verhandelbaar» normaal geeft één aandeel één stem bij een vergadering van de aandeelhouders» om te voorkomen dat je bedrijf ongemerkt word overgenomen zijn er ook aandelen zonder stemrecht in omloop (certificaten voor aandelen) 3- Publicatieplicht Bij een BV is deze beperkt en bij een NV is deze uitgebreid. Een NV/BV kent drie bestuursorganen 1) De algemene vergadering; AVA Deze komt minimaal één keer per jaar bij elkaar. Één aandeel is één stemrecht. De AVA neemt de volgende besluiten: - Directie benoemen - De statuten bepalen - Besluiten nemen over nieuw te plaatsen aandelen - De winstverdeling en de jaarrekening vast stellen 2) De directe raad van bestuur - Hebben de dagelijkse leiding - Ze stellen het beleid op De directie is in loondienst bij een BV/NV, ze zijn werknemer 3) Raad Van Commissarissen; RVC Deze kom je soms tegen bij een NV/BV. De RVC heeft twee taken: - Toezicht houden op de directie - Advies geven aan de directie 4

5 9.5 een vereniging Wat is een vereniging? - Een samenwerkingsverband tussen twee of meerdere personen die en bepaald doel willen bereiken. Kenmerken van een vereniging Ze mogen niet naar winst streven Ze hebben leden Soms wordt een vereniging bij een notaris opgericht. Dan is het een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, dus een rechtspersoon. Soms word een verenging niet bij een notaris opgericht, dan is het een vereniging met een beperkte rechtsbevoegdheid, nu is het dus geen rechtspersoon. De bestuursleden zijn hoofdelijk aansprakelijk Elke verenging heeft statuten met daarin vermeld de naam en het doel van de verenigin Op een vergadering heeft elk lid één stem Elk lid betaalt contributie Hoe komt een vereniging aan geld? Hier zijn vier manieren voor: 1) contributie van de leden 2) Subsidie 3) Sponsoring 4) Giften 9.6 een stichting Wat is een stichting? Een stichting is een rechtspersoon zonder leden, die met behulp van een vermogen een bepaald doel wil bereiken Kenmerken van een stichting Een stichting mag niet naar winst streven of uitkeringen doen aan oprichters/bestuurders De stichting heeft geen leden, wel een bestuur Het is een rechtspersoon Een stichting streeft naar bepaalde idealen Hoe komt een vereniging aan geld? Hier zijn drie manieren voor: 1) Subsidies 2) Giften, donaties 3) Leningen 9.7 financiering niet-commerciële organisaties Hoe financieren niet-commerciële organisaties hun activiteiten? 1) Budget financiering Beschikbaar gesteld op basis van geplande activiteiten, over de besteding van het geld moet achteraf verantwoording worden afgelegd. 2) Lumpsum financiering In het onderwijs krijgen scholen geld op basis van het aantal leerlingen. 3) Subsidies 4) Sponsoring 5

6 5) Contributies 6) Boetes VB: bibliotheek 7) Giften 8) Leningen Hoofdstuk 10, vermogensmarkt Wat verstaan we onder de vermogensmarkt? - Het geheel van vraag en aanbod van vermogen; of te wel geld 10.1 vragers van vermogen Wie zijn de vragers va vermogen? - Consumenten - De overheid - Ondernemingen Consumenten Consumenten financieren vaak hun aankopen door geld te lenen. Aan het lenen van geld zijn kosten verbonden: financieringskosten. VB: rentekosten/interestkosten, afsluitprovisie (is een vergoeding voor de kosten van het aangaan van een lening) De overheid Als de overheid meer geld uitgeeft dan ontvangt, dan zullen zei het tekort aan geld moeten financieren. Dat doen ze door staatsobligaties te verkopen. Een obligatie is een schuldbekentenis aan toonder. Als iets aantrekkelijk is heb je er meer voor over. 4.5% van de overheid, 2% van de bank. Zo leen je de overheid dus geld. Er is een verband tussen marktrente en de beloofde rente op een obligatie. Ondernemingen Een onderneming komt voornamelijk aan eigen vermogen door aandelen te verkopen (BV&NV). Het verkopen van aandelen voor de eerste keer kent een aantal synoniemen: aandelen in omloop brengen, aandelen uitgeven, aandelen emitteren (een aandelen emissie). Ondernemingen komen aan vreemd vermogen door geld te lenen. Bijvoorbeeld door obligaties te verkopen. Eigen vermogen hoeft niet te worden terugbetaald. Dit noem je permanent vermogen. Vreemd vermogen moet je wel terugbetalen, dit heet tijdelijk vermogen aanbieders van vermogen Wie zijn de aanbieders van vermogen? - Institutionele beleggers - Spaarders - Beleggingsfondsen - Ondernemingen - De overheid Institutionele beleggers Dat zijn organisaties die al gevolg van hun hoofdtaak over veel geld beschikken. Bijvoorbeeld, pensioenfondsen, levensverzekeringsmaatschappijen. Hun taak is om premies te innen die ze vervolgens beleggen zodat ze in de toekomst uitkeringen kunnen geven. 6

7 Spaarders Over gespaard geld ontvang je interest/rente Beleggingsfondsen Beleggingsexperts die veel verstand hebben van aandelen en obligaties zullen veel geld aanbieden om waardepapieren/effecten te kopen. Aandeelhouder krijgen op aandelen een beloning: dividend, dit word betaald uit de winst van een NV/BV. Op obligaties wordt interest uitgekeerd. Als je deel neemt in een beleggingsfonds dan krijg je daarvoor in de ruil een deel van het fonds/participatie. Ondernemingen Als ondernemingen tijdelijk geld over hebben, dan kunnen ze dat beleggen en er winst op maken. De overheid Als de overheid geld over zou hebben, dan kunnen ze dat tijdelijk beleggen geldmarkt en kapitaalmarkt De vermogensmarkt bestaat uit twee deelmarkten: - De geldmarkt Dit is de markt van korte termijnkredieten, dat zijn leningen die binnen één jaar moeten worden terug betaald. - De kapitaalmarkt Dit is de markt voor lange termijnkredieten en het eigen vermogen. Bij lange termijnkredieten mag je er langer dan één jaar over doen om terug te betalen. Welke kredieten kom je tegen op de geldmarkt? - Rekening-courantkrediet Je spreekt dan met de bank af tot welk maximumbedrag (kredietplafond) je rood mag staan op je bankrekening. - Leverancierskrediet Eerst goederen, dan pas geld. - Afnemerskrediet Eerst geld, dan pas goederen. Er zijn twee soorten leverancierskrediet: - Een verstrekt leverancierskrediet Jij levert de klant goederen en de klant betaald later VB: debiteuren - Een genoten leverancierskrediet Iemand levert jou eerst goederen en jij betaald later VB: crediteuren Er zijn ook twee soorten afnemerskrediet: - Een verstrekt afnemerskrediet Je betaald vooruit en gaat wachten op een tegenprestatie VB: een abonnement - Een genoten afnemerskrediet Je ontvangt geld vooruit en levert zelf pas later een tegenprestatie VB: akkerbouw Verstrekte kredieten staan links (debet) op de balans en genoten kredieten staan rechts (credit) op de balans. 7

8 Op de kapitaalmarkt kom je verschillende vormen van lang vreemd vermogen tegen, daarom word de kapitaalmarkt ook wel in twee delen opgesplitst. Dit zijn: 1) Onderhandse kapitaalmarkt 2) Openbare kapitaalmarkt De onderhandse kapitaalmarkt Op deze markt kom je vooral onderhandse leningen tegen. Kenmerken zijn: - Er zijn slechts twee partijen bij betrokken, de geldnemer en gever - Alleen de twee betrokken partijen zijn op de hoogte van de lening. De lening is dus niet openbaar - Over de leningsvoorwaarden kan worden onderhandeld - Het rentepercentage ligt vaak lager dan op de openbare kapitaalmarkt De openbare kapitaalmarkt Op deze markt worden vooral effecten verhandeld, zoals aandelen en obligaties. Kenmerken zijn: - Er zijn veel geldgevers bij betrokken - De leningenvoorwaarden zijn openbaar en niet onderhandelbaar - Het rentepercentage ligt iets hoger dan op de onderhandse kapitaalmarkt Zie ook het schema op blz. 175 boek 1A 10.4 de Amsterdamse effectenbeurs Wat is het verschil tussen een abstracte markt en een concrete markt? Concrete markt: Deze is aanwijsbaar, kan je aanraken en bevindt zich op een plek. VB: de weekmarkt, veiling, zwarte markt Abstracte markt: Deze is niet aanwijsbaar, kan je niet aanraken en bevindt zich niet op een plek, maar over de hele wereld. VB: we wereldmarkt sinasappels De Amsterdamseneffectenbeurs kan je zien als een concrete markt, hij bevindt zich op beursplein 1 in Amsterdam. Daar vind handel plaats in effecten/waardepapieren. Aandelen obligaties en aandelen participaties in beleggingsfondsen worden er verhandeld. Besef echter wel dat er op meerdere plaatsen in de wereld effectenbeurzen zijn, eigenlijk een abstracte markt. Wie mogen er op de beursvloer in Amsterdam komen? Commissionairs, dat zijn handelaren in effecten die op eigen naam handelen voor eigen rekening en voor rekening van anderen. Zei zijn de enigen die op de beursvloer mogen handelen in effecten. Als ze namens iemand anders effecten kopen of verkopen dan vragen ze daartegen provisie (een geldbedrag). Een belegger kan twee soorten orders geven: - Limiet orders De belegger geeft aan de bank of commissionairs een maximale koopprijs of de minimale verkoopprijs op. Dit betekend dat de opdracht soms niet doorgaat. - Market orders De belegger geeft de opdracht om effecten te kopen en te verkopen zonder limiet, de opdracht gaat dan altijd door. 8

9 Wanneer gaat een bedrijf naar de beurs? Het is een manier om een groter publiek te bereiken. Het bedrijf krijg een grotere naamsbekendheid. De aandelen van de NV worden zo gemakkelijker verhandelbaar. Als eigenaren voor het eerst naar de beurs gaan, kunnen ze hun aandelen met flinke winst verkopen cashen. Als een bedrijf besluit aandelen in omloop te brengen, stellen ze prospectus op. Dat is een boekje met gegevens over de onderneming en over de aanstaande introductie met aandelen. Hoofdstuk 11, eigen vermogen 11.1 aandelenvermogen Het eigen vermogen van een NV/BV bestaat uit drie onderdelen: 1. Het geplaatste aandelenvermogen 2. Reserves 3. De onverdeelde winst Het aandelen vermogen is permanent vermogen, dat wil zeggen dat het nooit wordt terug betaald en staat dus blijven ter beschikking van de onderneming. Het eigen vermogen heeft binnen een onderneming verschillende functies: - De garantiefunctie Het garandeert dat een onderneming bij verliezen niet direct failliet gaat, want het eigen vermogen vangt die verliezen op (het is een buffer voor slechte tijden) - Het eigen vermogen heeft invloed op de solvabiliteit Als er niet genoeg eigen vermogen is, wordt het gemakkelijker om vreemd vermogen aan te trekken. Het geplaatste aandelen vermogen komt tot stand door te verkopen. Er zijn drie soorten: - Het maatschappelijk aandelen vermogen Dit is het bedrag dat je kan terugvinden in de statuten. Hoe wordt dit vermogen bepaald? je vermenigvuldigt het aantal gecreëerde aandelen met de nominale waarde per aandeel (nominale waarde = de waarde die op het aandeel staat). - Het geplaatste aandelen vermogen Dit bedrag staat altijd rechts op de balans bij het eigen vermogen. Hoe wordt dit vermogen bepaald? Je vermenigvuldigt het aantal geplaatste/verkochte aandelen met de nominale waarde per aandeel. - Het ongeplaatste aandelenvermogen/aandelen in portefeuille Bij een BV: ongeplaatst aandelenvermogen Bij een NV: aandelen in portefeuille Dit zijn bij beide de aandelen die nog niet verkocht zijn. Hoe wordt dit vermogen bepaald? Je vermenigvuldigt het aantal ongeplaatste aandelen met de nominale waarde per aandeel. 9

10 Voorbeeldsom: Stel, het maatschappelijk aandelen vermogen bedraagt: , het geplaatst aandelen vermogen bedraagt , de nominale waarde per aandeel is 50,- A) bepaal het aantal gecreëerde aandelen = aandelen gecreëerd. 50 B) bepaal het aantal geplaatste aandelen = aandelen geplaatst 50 C) bepaal het aantal aandelen in portefeuille Manier 1: = aandelen in portefeuille Manier 2: = = aandelen in portefeuille 50 Welke waarde kan een aandeel hebben? - Nominale waarde De waarde die op het aandeel staat - Koerswaarde De waarde van het aandeel op de effectenbeurs - Emissie waarde De prijs die gevraagd word als de aandelen voor het eerst door de onderneming worden verkocht. Deze emissie waarde ligt nooit boven de beurswaarde. - Intrinsieke waarde zie paragraaf 11.4 Als je een aandeel bezit kan je daar dividend op ontvangen, dit is een uitkering uit de winst die word gegeven aan de aandeelhouders. Om dividend te krijgen moet er een dividendbewijs worden ingeleverd. Dividend word of gegeven als bedrag aandeel of als percentage van de nominale waarde emissie van aandelen Welke kosten behoren tot de emissiekosten van nieuw te plaatsen aandelen? - De administratiekosten van het centrum voor fondsenadministratie - De provisie die de bank berekend voor haar bemiddeling - De kosten voor het drukken van de aandelen en van de prospecties - Advertentiekosten Tegen welke emissiekoers kunnen aandelen geplaatst worden? 1) tegen nominale waarden/tegen 100%/a pari 2) voor een bedrag groter dan de nominale waarde/voor meer dan 100%/boven pari 10

11 Voorbeeld: Stel de nominale waarde van een aandeel is 100 de beurskoers is 140 en de emissiekoers is 130. A) Tegen welke emissiekoers in procenten worden de aandelen geplaatst? x 100% = 130% 100 B) Hoe groot is het verschil tussen de emissiekoers en de nominale waarde en hoe noem je dit verschil? = 100, dit verschil heet agio of boven pari gedeelte C) Hoeveel bedraagt het agio in procenten? x 100% = 30% 100 Wanneer plaatsten bedrijven aandelen boven pari? - Als de toekomstverwachtingen goed zijn - Als het bedrijf in het verleden veel winst heeft gemaakt en daardoor een groot eigen vermogen heeft, nieuwe aandeelhouders gaan daar gelijk van profiteren Als een derde emissiekoers kunnen aandelen beneden pari worden geplaatst: Dit is beneden de nominale waarde en is wettelijk verboden tenzij het bedrijf de aandelen niet kan verkopen en ze daarom maar aan een bank verkoopt. Er moet minimaal 94% gevraagd worden reserves In paragraaf 1 is uitgelegd dat het eigen vermogen bestaat uit: 1. Het geplaatste aandelenvermogen 2. Reserves 3. De onverdeelde winst Reserves staan rechts op de balans, onder het geplaatste aandelen vermogen. Dat betekend dat je met deze reserves niets kan betalen, want betalen kan je alleen met liquide middelen en die staan links op de balans. De reserves laten alleen maar zien dat een deel van de bezittingen is gefinancierd met reserves van eigen vermogen. Er zijn drie soorten reserves: 1. Winstreserve 2. Agioreserve 3. Herwaarderingsreserve Winstreserve deze ontstaat door een deel van de winst niet uit te keren (interne financiering). Waarom gaan aandeelhouders, die de winstverdeling bepalen, akkoord met het gedeeltelijk niet uit te keren van de winst? Ze denken en hopen dat het bedrijf dankzij dit geld in de toekomst nog meer winst zal gaan maken. Boendoen tegen minder kosten geld kunnen gebruiken voor investeringen. De winstverdeling word dus door de aandeelhouders vastgesteld op de AVA. 11

12 Hoe kan zo n winstverdeling eruit zien? Van de winst wordt eerst vennootschapsbelasting betaald ongeveer 25%, daarna word er van de winst dividend en dividendbelasting betaald. Ook kan van de winst een gedeelte worden uitgekeerd aan personeelsleden/directieleden/commissarissen. Dit heet tantièmes. Wat er daarna overblijft kan worden toegevoegd aan de winstreserves. Agioreserve deze ontstaat door aandelen boven pari te plaatsen. Herwaarderingsreserve deze ontstaat doordat een bezitting links op de balans meer waard wordt. Als een bezitting meer waard word dan komt er links op de balans een bedrag bij. Om de balans in evenwicht te houden zal er dus ook rechts wat moeten worden toegevoegd, dit doe je door middel van een herwaarderingsreserve. Een vierde reserve: dividendreserve. Deze ontstaat doordat een bedrijf ervoor kiest om ieder jaar hetzelfde bedrag aan dividend per aandeel beschikbaar te stellen (dividendstabilisatie) Waarom doet een bedrijf dit? Dan krijgen beleggers vertrouwen in het bedrijf. Een vijfde reserve: Statutaire reserve. Deze ontstaat door afspraken die in de statuten staan. Heel vaak word deze reserve gevormd met een bepaald doel voor ogen, dan noem je het een bestemmingsreserve. Noem vier redenen waarom bedrijven reserves vormen? 1. Vergroting van het weerstandsvermogen: reserves horen bij het eigen vermogen, dus hoe meer reserves je hebt hoe groter het eigen vermogen is. Dit zorgt ervoor dat er makkelijk vreemd vermogen kan worden aangetrokken want er is zo een minde groot risico voor banken. 2. Om vreemd vermogen te kunnen vervangen door eigen vermogen: je kan het eigen vermogen gebruiken om vreemd vermogen daarmee af te lossen, zo bespaar je in de toekomst interestkosten. 3. Om dividendstabilisatie mogelijk te maken: zie de vierde reserve; dividendreserve 4. Om interne financiering mogelijk te maken: door winst niet geheel uit te keren maar te reserveren kan je in de toekomst dat geld gebruiken om p een goedkope manier investeringen te financieren. Hoe kan het dat reserves minder worden en zelf van de balans verdwijnen? - Verliezen worden afgeboekt op de winstreserve - Een waardedaling van de bezittingen word afgeboekt op de herwaarderingsreserve - De reserve wordt ingezet voor het doel waarvoor je hem had gecreëerd - Dankzij reserves kan het bedrijf gratis aandelen weggeven aan aandeelhouders bonusaandelen (meestal gaat dit ten laste van de agioreserve; agiobonus, omdat dit fiscaal aantrekkelijk is) Intrinsieke waarde Hoe bepaal je de intrinsieke waarde van een aandeel? Stap 1 bepaal de totale intrinsieke waarde (dit is het eigen vermogen) en dus tel je dan het geplaatste aandelen vermogen + reserves + onverdeelde winst op. Stap 2 bepaal het aantal geplaatste aandelen. Dan deel je het geplaatste aandelenvermogen door de nominale waarde per aandeel. Stap 3 hoe bepaal je de intrinsieke waarde per aandeel? Stap één delen door stap twee. 12

13 De intrinsieke waarde per aandeel vormt de basis van de koerswaarde van een aandeel, maar de koerswaarde wordt ook nog door andere factoren beïnvloedt, zoals: toekomstverwachtingen, speculanten en geruchten. Speculanten zijn mensen die proberen te profiteren van koerswisselingen. Als een onderneming winst maakt, zal door de aandeelhouders een besluit worden genomen over hoe de winst verdeeld moet worden. Hoe gaat dat? Eerst gaat ongeveer 25% van de winst naar de belastingdienst/fiscus in de vorm van vennootschapsbelasting. Van het geld wat dan nog over is kan dividend worden uitgekeerd (dividend is altijd een percentage van het geplaatste aandelenvermogen en niet van de winst!). Bovendien moet over de dividend dividendbelasting worden betaald van 15%. Van het geld wat dan nog over is kan een beloning worden betaald voor het personeel: tantièmes. Mocht er dan nog geld over zijn dan word dat toegevoegd aan de winstreserve/algemene reserve. Dit laatste noem je interne financieringen. Hoofdstuk 12, vreemd vermogen op lange termijn Lang vreemd vermogen heeft als kenmerk dat je mag er langer dan een jaar over mag doen om het vermogen af te lossen/schulden te betalen. In hoofdstuk 12 worden drie vormen van lang vreemd vermogen besproken: - de onderhandse lening - de obligatie lening - de hypothecaire lening 12.1 onderhandse lening Kenmerken van een onderhandse lening zijn: - Er zijn slechts twee partijen bij betrokken: de geldgever en de geldnemer - Alleen deze partijen zijn op de hoogte van de lening, het is dus niet openbaar - De leningsvoorwaarden zijn onderwerp van gesprek en zijn onderhandelbaar - Het rentepercentage ligt vaak lager dan op de openbare kapitaalmarkt 12.2 obligatielening Een obligatie is een schuldbekentenis aan toonder, een schuldbekentenis van de onderneming aan de koper van obligatie. Er wordt interest uitgekeerd op een obligatie tegen inlevering van een coupon (dit was vroeger). De Broer-Regels van gezond financieren: 1. Bezittingen die permanent aanwezig zijn moet je financieren met permanent/eigen vermogen 2. Bezittingen die langdurig tijdelijk aanwezig zijn, moet je financieren met lang vreemd vermogen 3. Bezittingen die kortstondig tijdelijk aanwezig zijn, moet je financieren met kort vreemd vermogen. 13

14 Het aflossen van een obligatielening kan op meerdere manieren plaatsvinden: - In een keer aan het einde van de looptijd van de lening - In gedeelten door middel van uitloting - Het bedrijf kan zijn eigen obligaties terug kopen op de beurs Het tendersysteem wordt gehanteerd bij staatsobligaties. Hoe werkt het? - De staat kondigt aan geld te willen lenen door middel van staatsobligaties. De kopers kunnen bij hun bank een bod uitbrengen. Stel dat de nominale waarde van een obligatie is en dat de rente op deze obligatie boven de marktrente ligt. De obligaties zijn dan populair (iedereen wil ze hebben) een bod zal dan boven de liggen. Na sluiting van de inschrijftermijn kijken ze naar de biedingen en krijgen eerst de mensen die het hoogste bod hebben uitgebracht obligaties. Voordeel van dit systeem: als iemand de obligatie koop voor hoeft de staat toch maar 1000 terug te betalen en ook de rente wordt berekend over Kortom extra geld ( 50) dus de hoogste bieder krijgt het hoogst. Tendersysteem = de hoogste bieder krijgt het eerst Overeenkomsten tussen aandelen en obligaties - Het zijn allebei waardepapieren - Bij verkoop leveren ze vermogen voor de onderneming op - Ze worden allebei verhandeld op de beurs Een aantal verschillen tussen aandelen en obligaties Aandelen Is het bewijs mede-eigendom in bv/nv Deel van het eigen vermogen Permanent vermogen, kun je niet aflossen Medezeggenschap in AVA Groot risico bij slechte resultaten Koers is onstabiel, afhankelijk van de winstverwachting Dividend als beloning, afhankelijk van de winst Obligaties Is een schuldbewijs van een bv/nv Deel van vreemd vermogen Tijdelijk vermogen, kun je aflossen Geen zeggenschap Minder risico bij slechte resultaten Koers stabieler, afhankelijk van de rentestand Vast interest percentage 12.3 hypothecaire lening Wat is een hypothecaire lening? Een hypothecaire lening is een lange termijn geldlening met als onderpand: onroerend goed (niet bewegend, alles wat met aard en nagel vast zit aan de grond, vb. gebouwen). Om een hypothecaire lening te kunnen krijgen moet je over voldoende regelmatige inkomsten beschikken. Daarnaast zal de bank alleen maar het geld geven als ze daarvoor in ruil het recht van hypotheek krijgen. 14

15 Dit houdt in: als de lener nalatig is met het betalen van aflossingen en interest dan mag de bank het onderpand, zonder dat ze eerst naar de rechter moeten in het openbaar verkopen om uit de verkoop opbrengsten alsnog het geld te krijgen waar ze recht op hebben. Waarom eist een bank dit recht van hypotheek op? Om zekerheid te krijgen over het terug krijgen van het uitgeleende geld. Als een bank geld uitleent proberen ze het risico te verkleinen door zekerheden te vragen. Er zijn twee soorten. 1. Een onderpand, een zakelijk zekerheidsrecht 2. Een ander persoon gaat borg staan, een persoonlijk zekerheidsrecht Hoe meer zekerheid, hoe kleiner het risico. Hoe kleiner het risico des te lager de rente. Synoniemen Geldgever = de hypotheek nemer = de schuldeiser Geldnemer = de hypotheek gever = de schuldenaar In het vervolg van het hoofdstuk bespreken we de drie belangrijkste vormen van een hypothecaire lening: 1. de lineaire hypotheek, de spaar hypotheek, de annuïteiten hypotheek, lineaire hypotheek Kenmerken van een lineaire hypotheek - De aflossing is iedere periode gelijk - Doordat je aflost wordt de schuld iedere periode kleiner en dus betaal je iedere periode minder aan interest. Interest betaal je over een schuld die op dat moment hebt. Een schuld neemt alleen maar af door aflossingen en NIET door interest betalingen. Voordelen van een lineaire hypotheek: - De schuld neemt ieder jaar af (met hetzelfde bedrag) - De interestkosten nemen ieder jaar af (betaal je over de schuld, die elk jaar afneemt) De interest die je over een hypothecaire lening betaald mag je bij de Nederlandse Inkomsten Belasting aftrekken van het inkomen waar je belasting over moet betalen en dus betaal je over een lager inkomen belasting, dit noem je het belastingvoordeel. Nadelen van een lineaire hypotheek: - De interest kosten nemen ieder jaar af dus ook het belastingvoordeel - Je betaald de eerste jaren het meest en vaak is je carrière dan nog maar net begonnen en verdien je nog niet zoveel. 15

16 Verloop schuldrest: Verloop jaarlijkse uitgaven Interest Schuld Aflossing Jaren 10 Jaren spaarhypotheek Kenmerken van een spaarhypotheek - De aflossing vind plaats aan het einde van de looptijd van de lening - Gedurende de looptijd van de lening betaal je dus interest over de hele schuld, hierdoor heb je elk jaar het maximale belastingvoordeel - De aftelossen schuld wordt gespaard door elke maand een spaarpremie te betalen aan de bank, dit sparen is belastingvrij - De bank wil zeker weten dat de schuld wordt afgelost en daarom ben je verplicht een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. De premie van deze verzekering hangt af van je leeftijd (hoe jonger hoe lager de premie). Voordelen van een spaarhypotheek - Ieder jaar het maximale belastingvoordeel - Sparen gebeurd belastingvrij - De maandlasten zijn ieder jaar even hoog (geeft zekerheid) Nadeel van een spaarhypotheek - Je betaald ieder jaar interest over de hele schuld Verloop schuldrest: Verloop jaarlijkse uitgaven: ,65 Premie Schuld Interest Jaren 10 Jaren 10 16

17 12.6 annuïteitenhypotheek Kenmerken van een annuïteitenhypotheek - De som van aflossen en interest is iedere periode een gelijk bedrag. Binnen de annuïteit veranderen de bedragen van aflossing en interest echter wel ieder jaar. (zie blz. 208) - Het interestbestanddeel neemt iedere periode af en het aflossingsbestanddeel neemt dus iedere periode toe Waarom neem het interestbestanddeel iedere periode af? Omdat je door aflossingen een kleinere schuld krijgen (ben je minder interest kwijt) Waarom neem het aflossingsbestanddeel dan dus iedere periode toe? Omdat de som van interest en aflossing gelijk moet blijven Voorbeeld Stel de annuïteiten lening is , de annuïteit is , het interestpercentage is 6% Bereken het interestbestanddeel van het vierde jaar Jaar a Beginschuld b Annuïteit c Interest 6% d Aflossing e Eindschuld f , , , , , , ,45 B= Eindschuld vorige periode D = 6% van B E = C- D F =B -E Voordelen van een annuïteitenhypotheek - De lener van het geld betaald iedere periode hetzelfde bedrag namelijk de annuïteit, je weet dus als lener waar je aan toe bent - Aan het begin van de looptijd van de lening betaal je vooral interest dus dan is je belastingvoordeel groot Nadelen van een annuïteitenhypotheek - Het belastingvoordeel wordt iedere periode kleiner - Aan het einde van de looptijd van de lening moet er elk jaar veel afgelost worden - Deze hypotheekvorm is bij een lange looptijd relatief duur Verloop schuldrest: Verloop jaarlijkse uitgaven: ,80 Schuld Aflossing Interest Jaren 10 Jaren 10 17

18 Hoofdstuk 13, vreemd vermogen op korte termijn In hoofdstuk 13 bespreken we vijf vormen van kort vreemd vermogen (KVV) 13.1 Leverancierskrediet 13.2 Afnemerskrediet 13.3 Rekening-courantkrediet 13.4 Leasing 13.5 Consumptief krediet 13.1 leverancierskrediet Kenmerk van een leverancierskrediet - Eerst goederen en dan pas geld. Er zijn twee vormen leverancierskrediet 1. Genoten leverancierskrediet, jij ontvangt eerst goederen en betaalt pas later: crediteuren 2. Verstrekt leverancierskrediet, jij levert goederen en wacht op ontvangst van het geld: debiteuren genoten kredieten staan rechts en verstrekte kredieten staan links op de balans Waarom verstrekken bedrijven leveranciers kredieten? - Een consumptief leverancierskrediet zorgt voor klantenbinding, - Productief leveranciers krediet zorgt voor klantenbinding en is een concurrentiewapen. Aan het genieten van leverancierskrediet zijn kosten verbonden. Deze kosten noem je interestkosten. Je berekend deze kosten door te kijken naar de korting die je had gekregen als je wel snel had betaald en die je door de betaling uit te stellen misloopt. Hoe bereken je de interestkosten/kredietpercentage 1jaar/52weken/12maanden/365dagen x kortingspercentage Krediet termijn - kortings termijn Voorbeeld: 52 weken x 1% = x 1% = 17,33% Conclusie, korte termijnkredieten zijn dure kredieten. Krediettermijn, de maximale tijd die je hebt om te betalen. Kortingstermijn, de maximale tijd waarvoor de korting geldt. 18

19 13.2 afnemerskrediet Kenmerk van afnemerskrediet - Eerst geld en dan pas goederen. Er zijn twee vormen afnemerskrediet 1. Genoten afnemerskrediet, het bedrijft ontvangt eerst geld en levert pas later een tegenprestatie: vooruit ontvangen bedragen 2. Verstekt afnemerskrediet, er wordt eerst vooruit betaald en erna wacht je op een tegenprestatie: vooruit betaalde bedragen Wie maken er gebruik van afnemerskredieten? - Dienstverlenende bedrijven (abonnementen, verzekeringen, transport) - Uitvoering van speciale orders (huizenbouw) - Opkopende handel (graangewassen) verzekerd van grondstoffen voor je producten 13.3 rekening-courantkrediet Kenmerken van rekening-courantkrediet - Het is een dure kredietvorm - Er wordt een afspraak gemaakt met de bank tot welk maximum bedrag je rood mag staan (kredietplafond). Wat verstaan we onder de dispositie ruimte? - Het bedrag dat je nog kunt opnemen voordat je het kredietplafond bereikt. Voorbeeldopgave Stel, het kredietplafond is 3000 en je staat 800 rood dan is de dispositieruimte Waarom wordt er gebruik gemaakt van rekening-courantkredieten? - Kleine bedrijven kunnen vaak moeilijk aan geld komen - Er zijn bedrijven met seizoenpieken (schaatsenfabrikanten) - Veel bedrijven gebruiken het als anticipatiekrediet; men heeft tijdelijk geld nodig maar weet dat er snel geld binnen zal komen dus ze anticiperen (lopen vooruit) op een vracht geld leasing Kenmerken van leasing - Er wordt een duurzaam productiemiddel gehuurd. Er zijn twee hoofdvormen van leasing 1. Operational leasing, kort vreemd vermogen 2. Financial leasing, lang vreemd vermogen Een aantal verschillen tussen operational leasing en financial leasing? Operational leasing - Stemt overeen met huren - Contractduur is gekoppeld aan de werkelijke economische levensduur, het contract is makkelijk op te zeggen - Het economische risico ligt bij de verhuurder, alle kosten (onderhoud, verzekering) zijn voor de verhuurder - De huurder heeft recht op een bepaald type productiemiddel maar niet op een bepaalde uitvoering (automerk maar misschien knalroze of met/zonder airco) - De lease kosten komen net als huurkosten op de winst en verliesrekening 19

20 Financial leasing - Stemt overeen met huurkoop, na huren wordt je eigenaar - Contractduur is gekoppeld aan de geschatte economische levensduur, van te voren spreken huurder en verhuurder de levensduur af en het contract is niet opzegbaar. - Het economisch risico ligt bij de huurder, alle kosten zijn voor de huurder - Je hebt als huurder recht op een bepaald type productiemiddel en op een bepaalde uitvoering - De lease kosten komen links op de balans, bij de vaste activa (lease kosten worden geactiveerd) het zelfde bedrag komt ook rechts op de balans bij het lang vreemd vermogen als, lease verplichting Wat is sale and lease back? Bij Sale and lease back verkoopt een organisatie een duurzaam productiemiddel zodat ze daardoor de beschikking krijgen over liquide middelen. Dit voorkomt liquiditeitsproblemen. Tegelijkertijd leaset de organisatie het verkochte productiemiddel gelijk weer terug. Operational leasing leidt tot korte termijn verplichtingen, kort vreemd vermogen. Financial leasing leidt tot lange termijn verplichtingen, lang vreemd vermogen. Nadeel van sale and lease back - Je bent géén eigenaar meer van je duurzame productiemiddel, de organisatie leaset het verkochte productiemiddel gelijk weer terug, zo beschikken ze er nog wel over maar zijn geen eigenaar meer consumptief krediet Wat is het verschil tussen een doorlopend krediet en een persoonlijke lening? Doorlopend krediet - Het is een dure kredietvorm doordat je provisie moet betalen (eenmalig) en een hoge rente over het geleende geld - Er wordt met de geldgever afgesproken tot welk maximum bedrag/kredietplafond je rood mag staan - Afgeloste bedragen mogen opnieuw worden geleend Persoonlijke lening - Het is een dure kredietvorm maar goedkoper dan een doorlopend krediet, omdat het geleende bedrag gekoppeld wordt aan een bepaald doel en aan een persoon - Er wordt met de geldgever afgesproken een bepaald bedrag te lenen voor een vaststaande uitgave. Terugbetaling vind plaats in gelijke termijnen die bestaan uit: aflossing, interest en afsluitprovisie. De laatste twee (interest en afsluitprovisie) noem je de financieringskosten - Afgeloste bedragen mogen niet opnieuw worden geleend. Van deze twee kredietvormen kan een bedrijf géén gebruik maken Noem een aantal verschillen tussen koop op afbetaling en huurkoop?; Koop op afbetaling - Je koopt iets en het aankoopbedrag betaal je in termijnen - Je moet een aanbetaling doen - Je wordt eigenaar zodra de koop gesloten is - Een mondelinge overeenkomst is toegestaan maar meestal wordt er een schriftelijke overeenkomst opgesteld 20

21 Huurkoop - Je koopt iets en het aankoopbedrag betaal je in termijnen - Je hoeft géén aanbetaling te doen - Je wordt pas eigenaar nadat je de laatste termijn betaald hebt. Bij huurkoop is het voordeel is voor de verkoper, hij kan bij wanbetaling (niet betalen) zijn spullen terughalen. Bij huurkoop is het voordeel voor de koper, dat zolang hij nog géén eigenaar is alle risico s voor de verkoper zijn. Een schriftelijke overeenkomst is verplicht Hoofdstuk 14, enkelvoudige interest 14.1 berekeningen met enkelvoudige interest & 14.2 terugrekenvraagstukken Kenmerkend voor enkelvoudige interest is dat er alleen interest mag worden berekend over het oorspronkelijk geleende bedrag. Dit bedrag word in het boek kapitaal genoemd. Varianten van de KPT-Formule K x P x T In jaren: I = K x P x T In maanden:i = x 12 K x P x T In halve maanden: I = x 24 K x P x T In dagen: I = x 365 K x P x T In weken: I = x 52 K = Kapitaal P = Percentage T = looptijd in jaren I = interestbedrag Alleen bij enkelvoudige interest geldt dat 5% per halfjaar gelijk is aan 10% per jaar. enz. enz. Voorbeeld terugrekenen: x 5 x T = Dit word kruislings gedaan: x 100 = 1 x (1.000 x 5 x T) = x 5 x T = x T T = : = 8 T=8 21

22 14.3 aflossen op leningen Als je aflost op een lening wordt de schuld kleiner en dus ga je dan over een lager bedrag interest betalen. Hoofdstuk 15, samengestelde interest 15.1 enkelvoudige en samengestelde interest Kenmerkend voor samengestelde interest is dat er interest wordt vergoed over het oorspronkelijke bedrag en over de eerder bijgeschreven rente (gekweekte rente). Bij samengestelde interest krijg je dus rente over rente berekening van de eindwaarde van één bedrag Formule voor het eindwaarde bedrag van de samengestelde rente E n = K x (1 + i) n E = Eindwaarde N = Aantal perioden K = Kapitaal (startbedrag) I = Interest Stel, je hebt 100 interest. Je interest percentage is 6% en de eindwaarde na 7 jaar is? 100 x De datumtruc: 1 januari 2007 tot 31 december 2015, is hetzelfde als 1 januari 2007 tot 1 januari 2016, of 31 december 2006 tot 31 december Bij beide gaat het op 9 periodes 15.3 berekening van de contante waarde van één bedrag Wat bedoelen we met de term contante waarde? - Dat toekomstige bedragen worden teruggerekend naar hun huidige waarde. De formule voor contante waarde E n C = ( 1 + i) n C = contante waarde 15.4 gelijkwaardige interestpercentages 1% op kwartaalbasis is bij: Enkelvoudige interest gelijk aan 4% p/j Samengestelde interest gelijk aan = 1,0406 oftewel 4,06% p/j 4,8% interest per jaar is bij: 4,8 Enkelvoudige interest gelijk aan = 0,4% p/m 12 Samengestelde interest gelijk aan 1,048 1:12 = 1,0039 = 0,39% p/m 22

23 In voorbeeld één noem je 4% het nominale jaar percentage en 4,06% het effectieve percentage In voorbeeld twee noem je 0,4% het nominaal interestpercentage p/m en 0,39% het effectieve percentage p/m Hoofdstuk 20 voorraadwaardering 20.1 economische en technische voorraad Technische voorraad: de werkelijke in het bedrijf aanwezige voorraad, fysiek aanwezige voorraad. Economische voorraad: de voorraad waarover de onderneming prijsrisico loopt doordat men de juridische eigenaar is van de voorraad. Dit kan bijvoorbeeld een product zijn onderweg naar de klant. Prijsrisico: dat het product terwijl het in het magazijn ligt ook goedkoper ingekocht had kunnen worden. De inkoopprijzen kunnen stijgen en dalen. Aan het houden van een voorraad zijn risico s verbonden: - Brand en diefstal - Bederf - Prijsdaling/prijsrisico het nadelig risico dat de eigenaar loopt - Het incourant (uit de mode) raken van een artikel Hoe bepaal je de economische voorraad? Economische voorraad = technische voorraad + voorinkopen voorverkopen Voorinkopen, je hebt de spullen al gekocht en bent dus juridisch eigenaar maar je hebt ze nog niet in het magazijn ontvangen. Voorverkopen, je hebt de spullen al verkocht en je bent dus niet langer juridisch eigenaar. Máár de producten zijn nog niet afgeleverd aan de klant fifo-systeem Bij het fifo-systeem zal bij elke verkoop eerst de oudste partij goederen op papier worden verkocht dus zal je aan het einde van een periode in het magazijn alleen de jongste partijen hebben liggen. Fifo = First In First Out TIPS bij het uitrekenen van FIFO: 1. Geef elke partij een nummer 2. Kijk na elke verkoop naar wat je nog in het magazijn hebt liggen. De winst bij een verkoop gaan we in paragraaf 2 en 3 als volgt vaststellen: Omzet Inkoopwaarde Brutowinst 23

24 20.3 lifo-systeem Als er sprake is van stijgende inkoopprijzen, dan zal de brutowinst bij FIFO hoger liggen dan bij LIFO. Ook de waarde van de eindvoorraad zal dan bij FIFO hoger liggen dan bij LIFO. Het verschil in brutowinst tussen beide systemen zal bovendien gelijk zijn aan het vershil in voorraadwaarden tussen beide systemen. Bij dalende inkoopprijzen, is dit hele verhaal juist andersom. Lifo = Last In First Out 20.4 vaste verrekenprijs Vaste verrekenprijs = VVP. De VVP word gebruikt om de voorraad te waarderen, net zoals bij LIFO en FIFO. Formule voor de VVP Geschatte gemiddelde inkoopprijs Geschatte inkoopkosten VVP Bij inkoopkosten moet je denken aan: transportkosten, salaris van de inkoper, invoerrechten. Voordeel van de VVP De voorraad is erg eenvoudig bij te werken, want als er spullen bij komen doe je: VVP x aantal spullen. Gaan er spullen weg, dan doe je: VVP : aantal spullen Bij FIFO en LIFO berekenen we de brutowinst altijd achteraf door te kijken naar de werkelijk betaalde prijzen van de goederen. Achteraf de brutowinst berekenen noem je ook wel de werkelijke brutowinst/nacalculatorische brutowinst/gerealiseerde brutowinst berekenen. Bij de VVP kan je de brutowinst vooraf en achteraf berekenen. Als je de brutowinst vooraf berekend, dan bereken je de verwachte brutowinst/voorcalculatorische brutowinst/begrote brutowinst. De verwachte brutowinst is dan gelijk aan het verkoopresultaat. Het verkoopresultaat = verwachte afzet x (verkoopprijs VVP) Van te voren houd je geen rekening met verschillen tussen de VVP en de inkoopprijzen. Achteraf moet je wel rekening houden met de verschillen tussen de VVP en de inkoopprijzen en met verschillen russen verwachte inkoopkosten en werkelijke inkoopkosten. Daarom is er dan een ander definitie van de brutowinst. verkoopresultaat Resultaat op inkopen +/ Brutowinst 24

25 Het resultaat op inkopen bestaat uit twee resultaten: 1) Het resultaat op de inkoopprijs 2) Het resultaat op de inkoopkosten Voor het resultaat op de inkoopprijs kijk je naar de ingekochte hoeveelheid en naar het verschil tussen de VVP en de werkelijke inkoopprijs. Voor het resultaat op de inkoopkosten kijk je naar het verschil tussen de verwachte inkoopkosten en de werkelijke inkoopkosten. Het resultaat op inkopen kan je ook op een andere manier berekenen: Werkelijke inkoop x de VVP De uitkomst hiervan wordt hierna vergeleken met wat er werkelijk is betaald voor alle ingekochte stuks en de werkelijke inkoopkosten. Hoofdstuk 21 kosten van duurzame productiemiddelen DPM duurzame productie middelen: Dit zijn productiemiddelen die langer dan 1 jaar/productieproces meegaan. Vb. gebouwen, machines, auto s en inventaris. Deze DPM s hebben een drietal kosten: 1. Afschrijving 2. Interest/rente 3. Overige kosten 1 Afschrijving Dit is het minder waard worden van DPM s door gebruik en/of ouderdom. De afschrijving word op de resultatenrekening (RR) als kosten geboekt en de afschrijvingskosten zitten daar al in de verkoopprijs en verdien je met het verkopen van producten weer terug. Hoe bereken je de afschrijving per jaar? (of per periode) A R n A = Aanschafwaarde (aankoopprijs excl. btw* + evt. bijkomende kosten: overdrachtskosten, makelaarskosten, installatiekosten, afleveringskosten) R = Netto restwaarde (dit is de waarde aan het einde van de levensduur evt. bijkomende kosten) n = Economische levensduur (de tijd dat het rendabel is om met dit DPM te werken) *btw krijg je terug van de overheid Technische levensduur is de tijd totdat het DPM niet meer te gebruiken is. Dit is dus anders dan de economische levensduur. Boekwaarde #manier 1 De boekwaarde van een DPM bereken je door de A te verminderen met de tot dan toe geboekte afschrijving. 25

26 Voorbeeldopgave Een bedrijf koopt op 2 januari 2009 een machine voor ,- excl. btw. De installatiekosten bedragen 3.000,- & de economische levensduur is naar verwachting 5 jaar. Na 5 jaar is de netto restwaarde 8.000,- Bereken de jaarlijkse afschrijving A = = R = = p/j n = 5 5 Bereken de boekwaarde op 31 december = = BOEKWAARDE 31 DEC Bereken de boekwaarde op 30 september : 12 = = X = Deze manier van afschrijven (A-R:n) noem je afschrijven met gelijke bedragen per periode of afschrijven met een vast percentage van de aanschafprijs. Dit vaste afschrijven moet je kunnen berekenen. Hiervoor heb je de volgende formule: Afschrijving p/j (of maand) Afschrijvingspercentage = X 100% p/j (of per maand) A Vervolg voorbeeldopgave Hoeveel bedraagt het afschrijvingspercentage p/j op de machine? X 100% = 18, De boekwaarde is de waarde waarvoor een DPM op dat moment op de balans staat. Je kunt dit op 2 manieren doen: (zie voorbeeld) Balans Balans Machines: Machines: Afschrijving: Er is nog een 2 e manier om de boekwaarde van een DPM te berekenen: R + de nog te boeken afschrijvingen Vb X15 =

27 2 Interest/rente De interestkosten worden berekend over het gemiddelde gedurende de gehele levensduur geïnvesteerd vermogen. A + R Voorbeeldopgave Een gebouw word gekocht voor 1 miljoen. De n = 40 jaar, de restwaarde na 40 jaar is ,- de jaarlijkse interest bedraagt 6% van het gemiddeld gedurende de gehele levensduur geïnvesteerd vermogen. Bereken de jaarlijkse kosten 1 miljoen = ? X 6 : 100 = Overige kosten (complementaire kosten) Dit zijn alle andere kosten die je bij een DPM nog kunt hebben, behalve afschrijving & interest. Tot deze kosten behoren o.a.: onderhoudskosten, reparatiekosten, verzekerings- en energie kosten. De afschrijvingskosten + de interest kosten + de overige kosten = Totale Kosten van het DPM. De bedragen die je gebruikt bij A & R zijn altijd exclusief btw, want de btw kan je verrekenen met de belastingdienst en daarop mag je dus niet afschrijven. Hoofdstuk 22 brutowinstopslagmethode 22.1 omzetbelasting Btw = Belasting toegevoegde waarde Dit kan bestaan uit 2 verschillende percentages: 19% voor normale/luxe goederen En 6% voor primaire levensbehoeften De btw die je betaald op ingekochte goederen kun je als bedrijf zijnde terug vorderen van de belastingdienst, als je als bedrijf zijnde producten verkoopt moet je hierover weer btw afdragen aan de belastingdienst. Voorbeeldopgave Een bedrijf koop een product in voor 600 excl. 19% btw en verkoopt dit product weer voor 900 excl. 19% btw. Hoeveel moet dit bedrijf per saldo aan btw aan de belastingdienst afdragen? 600 X 0,19 = 114 krijgen ze terug 900 X 0.19 = 171 betalen aan de belasting 171 = 114 = 57,- afdragen. 27

28 Voorbeeldopgave Een bedrijf heeft een product ingekocht voor 127,20 incl. 6% btw, dit product is verkocht voor 164,30 incl. 6% btw. Hoeveel moet dit bedrijf per saldo afdragen aan de belastingdienst? 127,20 X 100 : 106 = 120 (kruistabel) 164,30 X 100 : 106 = 155 (kruistabel) 164, = 9,30 127, = 7,20 9,30 7,20 = 2,10 per saldo aan de belastingdienst betalen 22.2 berekening van de verkoopprijs bij de brutowinstopslagmethode Berekening verkoopprijs incl. btw (geschatte) inkoopprijs excl. btw Brutowinstopslag (in procenten Verkoopprijs excl. btw 19 of 6 % btw Verkoopprijs incl. btw De brutowinst kan op 2 manieren worden berekend: 1. Als een percentage van de inkoopprijs excl. btw 2. Als een percentage van de verkoopprijs excl. btw De opgave moet hier duidelijkheid over geven. - Het brutowinstpercentage kan boven de 100% liggen. Omzet (verkoopprijs excl. btw X verkochte hoeveelheid) Inkoopwaarde vd omzet - (inkoopprijs X verkochte hoeveelheid) Brutowinst Overige bedrijfskosten Nettowinst Als er niks in de opgave vermeldt staat, is de brutowinst altijd een percentage van de inkoopprijs excl. btw. 28

29 Voorbeeldopgave Bij een leverancier is een tafel gekocht voor incl. 19% btw, de brutowinst bedraagt 50% van de verkoopprijs excl. Btw. Bereken de verkoopprijs incl. 19% btw % = (50% van de verkoopprijs excl. btw) Voorbeeldopgave De verkoopprijs van een stoel bedraagt 232,05 incl. 19% btw. De brutowinst bedraagt 30% van de inkoopprijs excl. btw. Bereken hoeveel er voor deze stoel bij de leverancier is betaald % % % 37, ,05 (van onder naar boven gewerkt) antw: 150 X 1.19 = 178,50 Voorbeeldopgave De inkoopprijs van een product incl. 6% btw is 116,60. De brutowinst is 75% van de verkoopprijs excl. btw. Bereken de verkoopprijs inclusief btw % % % 26, , voorcalculatorische nettowinst bij de brutowinstopslagmethode & 22.4 nacalculatorische nettowinst bij de brutowinstopslagmethode In 3 word de voorcalculatorische nettowinst uitgerekend bij de brutowinst opslagmethode en in 4 gebeurt het zelfde, maar dan de nacalculatorische nettowinst. De formule voor het berekenen van de nettowinst is bij beide precies het zelfde, alleen de voorcalculatorische nettowinst word aan het begin van de periode op basis van verwachte gegevens opgesteld en de nacalculatorische nettowinst aan het einde op basis van werkelijke/gerealiseerde gegevens. 29

30 De formule: Omzet (afzet X verkoopprijs) Inkoopwaarde van de omzet - (afzet X inkoopprijs) Brutowinst Inkoopkosten Overheadkosten Nettowinst excl. interest opb. Interest opbrengsten Nettowinst Overheadkosten bestaan uit: Algemene kosten Afschrijvingskosten Interestkosten Loonkosten Verkoopkosten De inkoopkosten + overheadkosten zijn de bedrijfskosten. Hoofdstuk 23 nettowinstopslagmethode 23.1 berekening van de verkoopprijs bij de nettowinstopslagmethode Brutowinstopslagmethode (zie H22, inkoopprijs + brutowinst = verkoopprijs) is de eenvoudigste manier om de verkoopprijs te berekenen. Deze methode werkt niet voor een groot aantal bedrijven, daarom is er nog een methode in gebruik die we de nettowinstopslagmethode noemen Hierbij word de prijs als volgt berekend: Geschatte inkoopprijs Opslag voor de inkoopkosten + (is procent van de geschatte inkoopprijs) Vaste Verreken Prijs (VVP) Opslag Overheadkosten + (is procent van de VVP) (alle toegestane kosten p/p) Kostprijs Nettowinst Verkoopprijs excl. BTW BTW (19% of 6%) (van de verkoopprijs ecxl. BTW) Verkoopprijs incl. BTW 30

31 23.2 opslagpercentages 1) Toegestane inkoopkosten Opslag % inkoopkosten = x 100% Waarde vd ingekochte hoeveelheid 2) Toegestane overheadkosten Opslag % overheadkosten= x 100% Waarde vd afzet tegen VVP 3) Gewenste nettowinst Opslag % nettowinst = x 100% Waarde vd afzet tegen kostprijs 23.3 voorcalculatorische nettowinst bij de nettowinstopslagmethode Verwachte omzet (verwachte afzet x verkoopprijs excl. BTW) Verwachte kostprijs vd omzet + (verwachte afzet x verwachte kostprijs p/p) Verwacht verkoopresultaat Begrotingsafwijkingen Nettowinst 23.4 nacalculatorische nettowinst bij de nettowinstopslagmethode Als je aan het eind van een periode de gerealiseerde nettowinst gaat berekenen, dan kunnen er dus afwijkingen zijn t.o.v. de geschatte gegevens. Deze afwijkingen kunnen zitten bij de geschatte inkoopprijs, opslag inkoopkosten & de opslag overheadkosten. De nettowinst aan het eind van de periode kunnen we op 2 manieren berekenen: 1) TO TK TO = werkelijke afzet x verkoopprijs excl. BTW TK = totale werkelijke kosten 2) Gerealiseerde omzet (zie TO) gerealiseerde kostprijs vd omzet - (werkelijke afzet x geschatte kostprijs) Gerealiseerd verkoopresultaat Resultaat op de Inkoopprijs Resultaat op de Inkoopkosten Resultaat op de Overhead + / Nettowinst Het resultaat op de inkoopprijs en de inkoopkosten samen noemen we het resultaat op de inkopen. Deze 3 resultaten samen noemen we het budget resultaat. 31

32 Het resultaat is altijd het verschil tussen de toegestane en de werkelijke kosten. Als de werkelijke kosten groter zijn dan de toegestane kosten heb je een nadelig resultaat, omgekeerd heb je een voordelig resultaat. Bij een resultaat MOET je altijd neerzetten of het voor of nadelig is. Hoofdstuk 24 break-even analyse 24.1 variabele en constante kosten & 24.2 break-evenanalyse Binnen een bedrijf kunnen we onderscheid maken tussen constante en variabele kosten. - Variabele kosten zijn afhankelijk van de productie en of de afzet VB/ de inkoopprijs, grondstoffen, energiekosten, verpakkingskosten Wij werken alleen met proportioneel variabele kosten, d.w.z. kosten die rechtevenredig varieren met de productie en of de afzet. Oftewel: kosten die per eenheid altijd het zelfde zijn. Variabele kosten kunnen op 2 manieren veranderen: 1) Wanneer de prijzen veranderen 2) Wanneer de productie verandert - Constante kosten/vaste/capaciteitskosten, kosten die niet afhankelijk zijn van de productie en of de afzet (binnen zekere grenzen) VB/ afschrijvingskosten, interestkosten, verzekeringskosten en huur Constante kosten kunnen veranderen als: 1) De prijzen veranderen 2) Als de productiecapaciteit veranderd (inkrimping/uitbreiding) Berekenen Nettowinst Omzet (zie TO) Inkoopwaarde vd omzet - (werkelijke afzet x geschatte kostprijs) Brutowinst Overige Variabele Kosten Totale dekkingbijdrage/contributiemarge Constante Kosten Nettowinst Want we kunnen ook de dekkingsbijdrage P/P uitrekenen (ook wel: contributiemarge). Deze berekenen we als volgt: P V P = verkoopprijs V = alle variabele kosten p/p Met deze dekkingsbijdrage moeten we de constante kosten dekken. 32

33 Breakevenafzet BEA Breakevenomzet BEO BEA = de afzet waarbij het bedrijf geen winst en geen verlies behaalt. TO & TK zijn hier gelijk. Er zijn 2 manieren om BEA te berekenen: 1) TO = TK (een vergelijking) C 2) BEA = P V C = Constante kosten BEO = BEA x P Voorbeeldopgave Van een bedrijf is het volgende bekend: C = 1,5 miljoen Inkoopprijs = 7,5 P/P Overige V = 12,5 P/P P = 50 P/P Bereken op 2 manieren BEA Manier 1 TO = TK 50q = ,5q + 12,5q 30q = q = Manier 2 C BEA = = = P V Bereken BEO BEA x P = x 50 = Stel dat dit bedrijg producten verkoopt Bereken de nettowinst van dit bedrijf Omzet 50 x = Inkoopwaarde vd omzet 7,5 x = Brutowinst Overige Variabele Kosten 12,5 x = Totale dekkingbijdrage/contributiemarge Constante Kosten Nettowinst

34 Bij een handels onderneming word meestal niet gewerkt met een dekkingsbijdrage in euro s maar een dekkingsbijdrage in procenten Voorbeeldopgave Een bedrijf heeft de volgende gegevens: De inkoopwaarde van de omzet is 78% van de omzet De overige TVK zijn 7% van de omzet De verwachte TCK is Bereken de BEO (2 manieren) = ,15 (100% - 78% - 7% = 15% totale dekkingsbijdrage = 0,15) TO = TK 100% x O = 78% x O + 7% x O % x O = O = = ,15 O = Omzet Totale dekkingsbrijdrage = omzet inkoopwaarde van de omzet overige VK ~Stel dat een onderneming winst wil behalen dan kun je breakevenformule zodanig aanpassen dat je de gewenste nettowinst in de teller bij de C optelt. VB/ bereken de afzet waarbij het bedrijf winst behaald. TCK Afzet = P - V Hoofdstuk 25 interne verslaggeving 25.1 kosten en uitgaven Een organisatie maakt regelmatig overzichten, zoals een balans en een verlies & winsten rekening. Door dit regelmatig te doen is men permanent op de hoogte van belangrijke informatie. Permanentie houdt in dat kosten en opbrengsten gelijkmatig verdeeld moeten worden over de periode waarop ze betrekking hebben. Dit noemen we ook wel het matching-beginsel. In dit kader worden er in deze paragraaf twee nieuwe balansposten besproken: 1- Vooruitbetaalde bedragen (staan links, is debet) 2- Nog te betalen bedragen Dit zijn transitorische posten omdat ze kunnen overlopen naar een volgende periode. 34

35 Voorbeeld: Stel dat op 1 november verzekeringspremie wordt vooruit betaald voor 1 jaar Wat komt er op 31 december 2009 op de balans te staan? En wat op de V&W rekening? 1/11 balans Vooruitbetaalde bedragen kas /11 balans Vooruitbetaalde -100 Eigen Vermogen bedragen (1.100) 30/11 Verlies & Winst Verzekeringskosten /12 balans Vooruitbetaalde -100 Eigen Vermogen bedragen (1.000) 30/11 Verlies & Winst Verzekeringskosten 200 ( ) Vooruitbetaalde bedragen (D) nemen dus toe op de balans En de verzekeringskosten (D) zijn 200 op de verlies en winst rekening 35

36 Vooruitbetaalde bedragen Dit is een uitstelpost. Je betaalt eerst en stelt het boeken van de kosten uit. Deze post staat links op de balans bij de vlottende activa Nog te betalen bedragen Dit is een anticipatiepost. Je boekt eerst de kosten en pas aan het einde betaal je. Deze post staat rechts bij het kort vreemd vermogen. 25.2opbrengsten en ontvangsten In deze paragraaf gaan we het bekijken vanuit de ontvanger. Er zijn twee balansposten die hierbij een rol spelen: 1- Vooruit ontvangen bedragen 2- Nog te ontvangen bedragen Vooruit ontvangen bedragen Je ontvangt eerst het geld en boekt daarna iedere periode een dienst dit staat rechts, dus credit bij het kort vreemd vermogen. Nog te ontvangen bedragen Elke periode boek je alvast de opbrengst pas achteraf of ontvang je daadwerkelijk het geld. Dit staat links, bij debet, bij de vlottende activa. Overzicht van alle besproken begrippen: Debet Balans Credit Vooruitbetaalde bedragen Nog te ontvangen bedragen Nog te betalen bedragen Vooruit ontvangen bedragen 25.3balans & winst en verliesrekening In hoofdstuk 3 van deze methode hebben we al geleerd dat kosten zorgen voor een afname van het eigen vermogen en opbrengsten zorgen voor een toename. We hadden het toen over de eenmanszaak nu gaat het over een NV/BV. Dan bestaat het eigen vermogen uit: 1. Het geplaatste aandelen vermogen 2. De reserves 3. De onverdeelde winst/winst saldo lopend boekjaar In dit hoofdstuk leiden de kosten tot een afname van het winstsaldo. Opbrengsten leiden tot een toename. In hoofdstuk 11 hebben we gezien dat winst na afloop van een jaar word verdeeld, hoe gaat dat? Een deel gaat naar de belastingdienst, in de vorm van vennootschapsbelasting en dividend belasting. Daarnaast word er van de winst dividend betaald. 36

37 Een deel van de winst kan ook gebruikt worden om het personeel extra te belonen (tantièmes) Mocht er dan nog wat over zijn, word het toegevoegd aan de algemene reserve of de winst reserve. Dividend: een winstuitkering voor aandeelhouders Het financieringsresultaat is het verschil tussen de interest- kosten en opbrengsten. De balans Een overzicht van de bezittingen van een bedrijf en hoe deze zijn gefinancierd. Vaste activa = iets wat meerdere productieprocessen meegaat. Vlottende activa = gaat een productieproces mee. Liquide middelen = kas en bank. Eigen vermogen = schuld aan de aandeelhouders. Vreemd lang vermogen = leningen, hypothecaire lening. Vreemd kort vermogen = crediteuren, nog te ontvangen bedragen, vooruit ontvangen bedragen. De winst&verlies rekening Dit is een overzicht van de opbrengsten en kosten en het resultaat van een bedrijf over een hele periode. 25.4liquiditeitsbegroting Een liquiditeitsbegroting is een overzicht van de ontvangsten en uitgaven voor een komende periode. Een liquiditeitsbegroting ziet er als volgt uit: Verwachte ontvangsten 3 miljoen Verwachte uitgaven 2,8 miljoen Saldo ontv. & uitg. + 0,2 miljoen Beginstand liquide middelen 0,3 miljoen Verwachte eindstand liquide middelen 0,5 miljoen Er zijn opbrengsten die geen ontvangsten zijn, althans niet meteen. Bijvoorbeeld bij een verkoop op rekening in januari boek je de opbrengst op de winst & verlies rekening, maar omdat een debiteur bijv. 2 maanden mag wachten met betalen boek je de ontvangst in de liquiditeitsbegroting pas in maart (2 maanden later): dit heet krediettermijn debiteuren. Omgekeerd zijn er ook ontvangsten die geen opbrengsten zijn. Bijvoorbeeld het geld dat je ontvangt als je een lening afsluit, of het geld dat je ontvangt als je aandelen/obligaties verkoopt. Daarnaast zijn er kosten die geen uitgaven zijn, bijvoorbeeld afschrijvingskosten. Tenslotte zijn er ook uitgaven die kosten zijn: Aflossen op geleend geld Betalen van een crediteur Een investering Een winstuitkering 37

38 Op de liquiditeitsbegroting vind je de toename en afname van kas en bank. Voorbeelden van ontvangsten zijn: Contante verkopen (meteen betaald) Ontvangst van een debiteur Ontvangst van geleend geld Ontvangst van aflossing op geleend geld Ontvangst van BTW Ontvangst bij verkoop van aandelen en obligaties Voorbeelden van uitgaven op de liquiditeitsbegroting zijn: Contante inkopen (meteen betaald) Betaling aan crediteuren Aflossen op geleend geld Btw uitgaven Investeringen Winstuitkeringen Alle kosten die ook tot uitgave leiden Wat kan je doen als je merkt dat je in de toekomst een tekort aan liquide middelen zal hebben? 1) Bij je bank een krediet regelen 2) Investeringen uitstellen 3) Winst niet uitkeren 4) Langere krediettermijn bij crediteuren 5) Leasen i.p.v. kopen Het verschil tussen een voorraadgrootheid en een stroomgrootheid: - Een voorraadgrootheid geeft de wituatie op een bepaald moment weer (balans) - Een stroomgrootheid heeft betrekking op een bepaalde periode ( W&V rekening, liquiditeitsbegroting) Een voorziening is een boekhoudkundige spaarpot voor toekomstige uitgaven, waarvan de omvang en het tijdstip van betaling onbekend is. Wat is het verschil tussen voorzieningen en schulden? Bij schulden staat de omvang en het tijdstip van betaling wel vast, bij een voorziening niet. Wat is het verschil tussen voorzieningen en reserves? - Voorzieningen zorgen ervoor dat je winst kleiner word (Lang Vreemd Vermogen) - Reserves vorm je pas, als de winst al weet (Eigen Vermogen) 38

39 Hoofdstuk 26 ondernemingsplan 26.1onderdelen van het ondernemingsplan & 26.3financieel plan Een ondernemingsplan bestaat uit 4 onderdelen: 1) Een persoonlijk plan Een beschrijving van diegene die ondernemer wil worden 2) Een marketingplan Dit bestaat uit de 5p s (Plaat, Promotie, Personeel, Prijs, Product) 3) Het financieel plan Dit plan laat zien hoe je aan je geld komt. Dit bestaat uit 5 onderdelen: Investeringsbegroting De linkerkant van de beginbalans samenstellen (debetzijde). Financieringsplan De rechterkant van de balans samenstellen (creditzijde). Winst en Verlies rekening Liquiditeitsbegroting Privébegroting Hoeveel geld is er nodig voor privé doeleinden. Met de eerste twee plannen kan je de totale vermogensbehoefte bepalen. 4) Organisatieplan Wat te doen voordat er begonnen kan worden? 26.2franschising Dit is een vergaande samenwerkingsvorm tussen franchisegever en nemer. Kenmerken zijn - De franchisenemer treedt met zijn zaak onder dezelfde bedrijfsnaam naar buiten en bied producten op de zelfde wijze aan als de andere vestigingen Voordelen franchissnemer - Profiteert van de naamsbekendheid - Profiteert van de aanwezige kennis en ervaring - Je kunt veel zaken uitbesteden aan de franschisegever, zoals: promotie, inkoop en marktonderzoek. Nadelen franchising - Je levert een deel van je zelfstandigheid in - Je draagt een flink deel van je omzet af - Er is weinig ruimte voor eigen initiatieven. Hoofdstuk 27 niet-commerciële organisaties In dit hoofdstuk (27) komen een aantal overzichten aan de orde die specifiek zijn voor nietcommerciële organisaties: 1. Exploitatiebegroting Dit is een overzicht van de verwachte ontvangsten en uitgaven. 2. Ontvangstenstaat Dit is een overzicht van alleen de ontvangsten. 3. Uitgavenstaat Dit is een overzicht van alleen de uitgaven. 39

40 Nummer 2 en 3 zijn samen één. Deze drie overzichten zijn allen gericht op het bepalen van het kassaldo. 4. Jaarrekening Dit is een overzicht van de ontvangsten en uitgaven in de vorm van een grote T (net als de balans). Hier staan links de ontvangsten en rechts de uitgaven. Doordat je het saldo er altijd opzet s de jaarrekening altijd in evenwicht. 5. De staat van baten en lasten Dit is een overzicht waar je de opbrengsten en kosten tegenkomst die uisluitend aan een bepaalde periode kunnen worden toegerekend (lijkt op de W&V rekening). Uit dit overzicht blijkt de verandering in het eigen vermogen. De baten zet je links en de lasten zet je rechts. Door het positieve of negatieve saldo erbij te zetten is dat staat van baten en lasten altijd in evenwicht. 6. De staat van meer en minder In dit overzicht worden de exploitatiebegroting en de staat van baten en lasten met elkaar vergeleken. Op de jaarrekening en de staat van baten en lasten staan in principe dezelfde posten, alleen niet met dezelfde bedragen. De jaarrekening is een soort liquiditeitsbegroting en de staat van baten een lasten een soort winst en verlies rekening. Als de jaarrekening gegeven is en je moet de staat van baten en lasten opstellen, dan zorgen de vier transitorische posten voor de grootse problemen. Met behulp van onderstaand schema is dit eenvoudig op te lossen: Schema Baten en Laste - teken = voor het niet meenemen als opbrengsten of kosten bij de periode + teken = het wel meenemen als opbrengsten of last bij de periode Nog te ontvangen bedragen (opbrengst/bate) Vooruitbetaalde bedragen (kosten/last) Nog te betalen bedragen (kosten/bate) Vooruitontvangenbedragen (opbrengst/last) Begin van de periode Eind van de periode Het vermogen van een niet commerciële organisatie verandert met het saldo van de staat van baten en lasten. Is het voordeligs saldo neemt het eigen vermogen toe en als het nadelig saldo is neemt het eigen vermogen af. Begin balans: Eigen vermogen: Eind balans: Eigen vermogen: Staat van baten en lasten: Positief saldo:

41 Het saldo van de jaarrekening geeft aan hoeveel de liquide middelen in de periode veranderd zijn. Een positief saldo/overschot betekend dat de liquide middelen zijn toegenomen en omgekeerd betekend het dat het bij een negatief saldo/tekort is afgenomen. Begin balans: Liquide middelen: Eind balans: Liquide middelen: Jaarrekening: Overschot: Hoofdstuk 31 inleiding externe verslaggeving Er zij drie vormen verslaggeving: 1) Interne verslaggeving 2) Externe verslaggeving 3) Fiscale verslaggeving Wat is het verschil tussen interne en externe verslaggeving? Interne verslaggeving: - Alleen bestemd voor intern gebruik - Bevat vooral sturingsinformatie, dat wil zeggen dat het gericht is op toekomstig beleid - De vorm van verslaggeving is vrij Externe verslaggeving: - De informatie is openbaar en bestemd voor instanties en personen buiten het bedrijf - Het bevat vooral verantwoordingsinformatie, dat wil zeggen het is vooral gericht op het verleden - De wet stelt eisen aan de vorm waarop de informatie moet worden gepubliceerd De wet stelt eisen aan externe verslaggeving om de aandeelhouders te beschermen. Want bij een NV/BV is er scheiding tussen leiding en eigendom. Drie soorten wettelijke regels voor externe verslaggeving: 1- Inrichtingseisen Bij een jaarrekening moet er een balans, winst en verlies rekening en toelichting op beide worden gepubliceerd. In de toelichtingen moet bijvoorbeeld aangegeven worden tegen welke waarde de voorraad wordt gewaardeerd (lifo, fifo, vvp en actuele waarde). Verder moet er aangegeven worden welke afschrijvingsmethode er word gebruikt voor de vaste activa. Tenslotte moet er aangegeven worden wat voor verwachting de directie heeft ten aanzien van het komende jaar. 2- Publicatie-eisen Er bestaan regels over hoe je moet publiceren. 3- Controle-eisen Een accountant controleert de jaarstukken en zal alleen een goedkeurende verklaring afgeven als hij/zij van mening is dat aan de wettelijke voorschriften is voldaan. 41

42 Bij fiscale verslaggeving moet je voldoen aan de eisen van de belastingdienst. Niet commerciële organisaties kennen soms ook publicatieplicht. Zei kunnen er dan voor kiezen dezelfde overzichten te publiceren als commerciële organisaties of voor de specifieke overzichten die we in hoofdstuk 27 hebben besproken: - Exploitatiebegroting - Ontvangstenstaat - Uitgavenstaat - Staat van baten en lasten Hoofdstuk 32 regels voor activa 32.1waarderingsgrondslagen De activa moeten volgens de wetgeving op de balans worden opgenomen, waartegen ze gewaardeerd worden kan bij de interne en externe verslaggeving verschillen. Je hebt hierbij keuze uit twee waarderingsgrondslagen: 1- De verkrijgingprijs/historische aanschafprijs Bij de vaste activa is dat de inkoopprijs +bijkomende kosten. Bij de vlottende activa (zoals voorraden) is dat lifo, fifo, of vvp. 2- De actuele waarde Je waardeert alle activa tegen de prijzen van de balansdatum. Als je de vaste activa aanpast aan de actuele waarden, dan moet je altijd de herwaarderingsreserve gebruiken, rechts op de balans. FIFO = First In First Out = bij een verkoop bestaat de inkoopwaarde uit de prijzen van de oudste partijen. LIFO = Last In First Out = bij een verkoop bestaat de inkoopwaarde uit de prijzen van de laatst binnengekomen goederen. Kenmerkend verschil tussen lifo en fifo bij stijgende inkoopprijzen: 1) De brutowinst bij fifi is hoger dan bij lifo 2) De waarde van de eindvoorraad is bij fifo hoger dan bij lifo VVP = Vaste Verreken Prijs = bestaat uit de geschatte gemiddelde inkoopprijs voor producten voor de komende periode + eventuele inkoopkosten. 32.2vaste activa De vaste activa kunnen we in drie groepen verdelen: 1- De immateriële vaste activa Dit zijn de niet-tastbare vaste activa, zoals: Goodwill, vergunningen, octrooi, patent, licentie auteursrechten enz. 2- De materiële vaste activa Dit zijn de tastbare middelen zie langer dan één jaar meegaan, zoals: gebouwen, inventaris, machines, terreinen, auto s en de ijzeren voorraad. 3- De financiële vaste activa Dit zijn de financiele zaken die langer dan één jaar meegaan, zoals: de debiteurenkern, deelnemingen en leningen u/g. Goodwill, een extra bedrag dat bij een overname bovenop de waarde van een overgenomen bedrijf wordt betaald. Het is een vergoeding voor de reputatie en de vaste klantenkring van een overgenomen bedrijf. 42

43 Voorbeeld Stel bedrijf X heeft een intrinsieke waarde van 2 MLD, dit bedrijf wordt overgenomen door bedrijf Y voor 3 MLD. Dan komt er op de balans van bedrijf Y 4 MLD aan goodwill te staan. Vergunning Het recht om iets te mogen doen, afgegeven door de overheid. Octrooi/patent/licentie Het recht om als enige een bepaald product of producttechniek te mogen verkopen. 32.3vlottende activa en liquide middelen Deelneming Als een bedrijf 5% of meer van de aandelen van een ander bedrijf bezit. Het verschil tussen deelnemingen en effecten Deelnemingen - Gericht op lange termijn aandelenbezit - Het doel is het aangaan van een duurzame band - Staat bij de vaste activa Effecten - Gericht op de korte termijn aandelenbezit - Het doel is het behalen van koerswinst - Staat bij de vlottende activa Dochterondernemingen Als bedrijf A meer dan 50% van de aandelen/bestuurders/commissarissen van bedrijf B heeft, dan is bedrijf B een dochteronderneming van bedrijf A Groepsmaatschappij Bedrijven die samen een economische eenheid vormen en organisatorisch met elkaar verbonden zijn doordat ze bijvoorbeeld een gezamenlijke leiding hebben. Hoofdstuk 33 regels voor de passiva Er zijn verschillende soorten aandelenvermogen: 1- Maatschappelijk aandelenvermogen Dit is vast gelegd in de statuten en kun je als volgt berekenen: het aantal gecreëerde aandelen X de nominale waarde p/a 2- Het geplaatste aandelenvermogen Dit staat rechts op de balans en kun je als volgt berekenen: aantal geplaatste aandelen X de nominale waarde p/a 3- Het ongeplaatste aandelenvermogen/aandelen in portefeuille Aantal niet geplaatste aandelen X de nominale waarde p/a Het aantal geplaatste aandelen + het aantal niet geplaatste aandelen is het aantal gecreëerde aandelen. Het aantal gecreëerde aandelen = het aantal aandelen wat door een bedrijf maximaal 43

44 geplaatst kan worden. Wil een bedrijf meer aandelen gaan plaatsen, dan moeten de statuten veranderd worden en moet er toestemming zijn van de AVA (algemene raad van aandeelhouders) Als aandelen boven de nominale waarde worden verkocht dan noemen we het verschil tussen de emissiekoers en de nominale waarde de aggio. Het verschil tussen voorzieningen en reserves Verschil 1 - Voorzieningen worden gevormd ten laste van het resultaat (de winst wordt kleiner) - Reserves worden gevormd uit het resultaat Verschil 2 - Reserves zijn eigen vermogen - Voorzieningen zijn vreemd vermogen Verschil voorzieningen en schulden Bij schulden staat de omvang en het tijdstip van betaling vast, bij voorzieningen niet. Voorbeeld Een voorziening groot onderhoud, stel dat je verwacht over 5 jaar 5000 nodig te hebben om het bedrijfspand een onderhoudsbeurt te geven, dan mag je 5 jaar lang ieder jaar 1000 opzij zetten als onderhoudskosten op de winst en verlies rekening, je voorzieningen op de balans word dan elk jaar 1000 groter. De grens tussen langlopende en kortlopende schulden ligt bij 1 jaar. Kan een hypotheek ook bij de kortlopende schulden horen? - Ja, als de hypotheek in het laatste jaar van de looptijd zit, Voorziening groot onderhoud Als een onderneming een voorziening groot onderhoud heeft, dan zal het periodiek ten laste van de winst en verlies rekening geld toevoegen aan deze voorziening. Stel dat er periodiek aan de voorziening word toegevoegd, dan gebeurt het volgende op de balans en winst en verliesrekening: Balans Winst en verlies rek. Eigen vermogen onderhoud Voorz. G.O kosten Als het onderhoud gepleegt gaat worden, dan gebeurt er normaal gesproken niks op de winst en verlies rekening. Op de balans neemt de voorziening groot onderhoud af en zullen de liquide middelen afnemen. Stel op de voorziening groot onderhoud staat , bij een onderhoudsbeurt blijken er grote problemen waardoor het onderhouden kost. Wat gebeurt er op de balans en de winst en verlies rekening? Balans Winst en verlies rek. Eigen vermogen onderhoud Liq. M Voorz. G.O kosten 44

45 Hoofdstuk 34 regels voor de winst-en-verliesrekening Externe winst en verlies rekening Omzet excl. BTW/netto omzet Inkoopwaarde incl. inkoopkosten Bruto omzet resultaat Overheadkosten (alg kstn + verk kstn) Netto omzet resultaat Financieringsresultaat +/ RUGB VPB NUGB Financieringsresultaat Interestopbrengsten/rentebaten Interestkosten/rentelasten financieringsresultaat Hoofdstuk 35 Liquiditeitskengetallen en cashflow We gaan werken met kengetallen, of ook wel ratio s genoemd. Dit zijn verhoudingscijfers waarbij de verhouding tussen 2 grootheden wordt berekent. 3 bezwaren tegen het gebruik van ratio: 1. Er is sprake van een momentopname. 2. Het ontbreekt aan historisch perspectief, het is moeilijk te vergelijken met voorgaande jaren. 3. Het ontbreekt aan een soortgelijk bedrijfsvergelijking. Het is niet te vergelijken met soortgelijke bedrijven. De liquiditeit van een bedrijf Hiermee bedoelen we of een onderneming in staat is om op korte termijn aan haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. Om de liquiditeit te kunnen beoordelen zijn er 4 instrumenten: Liquiditeitsbegroting (deze is vooraf; je voorspelt je liquiditeitspositie) Current ratio ( 1) De Quick ratio ( 2) De cash-flow ( 3) Alle Ratio s zijn achteraf. Hoe bereken je deze? 35.1de current ratio Vlottende activa + liquide middelen Kort vreemd vermogen Bij een uitkomst van 2,0 of meer wordt de liquiditeit als voldoende beschouwd. De uitkomst staat voor hoeveel keer de korte termijn betalingsverplichtingen kunnen worden voldaan. 45

46 Hoe bereken je deze? 35.2de quick ratio Vlottende activa excl. voorraden + liquide middelen Kort vreemd vermogen Bij 1,0 of meer wordt de liquiditeit als voldoende beschouwd. De uitkomst staat voor hoeveel keer de korte termijn betalingsverplichting kunnen worden voldaan, zonder de waarde van de voorraad mee te nemen. Beginbalans bedrag vaste activa Aankoopprijs nieuwe vaste activa + Afschrijving oude en nieuwe activa Eindbalans bedrag vaste activa Berekening balans bedragen 35.3Cash flow Er is een verschil tussen de RUGB en de NUGB RUGB NUGB = RUGB VPB (meestal 25%) Resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening. Dit is de winst vóór vennootschapsbelasting. NUGB Nettowinst uit gewone bedrijfsuitoefening. Dit is de winst ná de vennootschapsbelasting. De derde manier om de liquiditeit van een bedrijf te beoordelen is via de cash flow. Deze berekenen we als volgt: De NUGB + de afschrijvingen Afhankelijk van de balans kun je de NUGB op twee manieren berekenen: RUGB - VPB NUGB = te betalen dividend + te betalen dividend belasting + toevoeging winst of algemene reserve + een evt. te betalen tantièmes 46

47 Als de winst al verdeeld is (dus als op de balans de winstverdeling al is opgenomen) is het de laatste manier. De dividend is altijd 15% van het bruto dividend bedrag. Hoofdstuk 36 overige kengetallen 36.1 solvabiliteitskengetallen De solvabiliteit van een onderneming 1) De mate waarin een onderneming in staat is op haar lange en korte termijn betalingsverplichtingen te kunnen doen (ook wel de financiële gezondheid van een onderneming genoemd). 2) Om een goede solvabiliteit te hebben, is het van belang over genoeg eigen vermogen te beschikken. Want eigen vermogen is weerstandsvermogen en hoe groter het eigen vermogen, des te kleiner het risico dat vreemd vermogen verschaffers lopen. Twee manieren om de solvabiliteit van een onderneming te berekenen: Eigen vermogen x 100% Vreemd vermogen Bij een uitkomst van 100% of meer is deze voldoende. Totale vermogen x 100% Vreemd vermogen Bij een uitkomst van 200% of meer is deze voldoende. De tweede formule levert altijd 100% meer op dan de eerste formule omdat nu al het vermogen word gebruikt. Solvabiliteitseis Een vreemd vermogen verschaffer kan voor de kredietuitlening grenzen stellen aan wat een bedrijf maximaal aan vreemd vermogen mag hebben. 47

Nadelen: Groot risico vanwege privéaansprakelijkheid. Lange werktijden. a Een vennootschap waarvan het eigen vermogen is verdeeld in aandelen.

Nadelen: Groot risico vanwege privéaansprakelijkheid. Lange werktijden. a Een vennootschap waarvan het eigen vermogen is verdeeld in aandelen. Hoofdstuk 9 a Een organisatie die naar winst streeft. b Eenmanszaak Vennootschap onder firma Naamloze vennootschap Besloten vennootschap Voordelen: Je bent eigen baas. De winst hoef je met niemand te delen.

Nadere informatie

Om je goed voor te bereiden ontvang je bijgaand op de volgende bladzijden:

Om je goed voor te bereiden ontvang je bijgaand op de volgende bladzijden: TOETSTIPS HAVO 4 vak M&O De vraagstelling in het schoolexamen is gerubriceerd naar: 1. Vermogensmarkt 2. Eigen vermogen 3. Vreemd vermogen lang 4. Vreemd vermogen kort Bij 1. Vermogensmarkt Zorg er voor

Nadere informatie

Hoofdstuk 12. Vreemd vermogen op lange termijn. Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen:

Hoofdstuk 12. Vreemd vermogen op lange termijn. Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen: www.jooplengkeek.nl Vreemd vermogen op lange termijn Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen: 1. Onderhandse lening. 2. Obligatie lening. 3.

Nadere informatie

M&O VWO 2011/2012. www.lyceo.nl

M&O VWO 2011/2012. www.lyceo.nl Hoofdstuk 4: Balans M&O VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Overzicht H4: Balans Management & Organisatie Centraal Examen (CE) 1. Rechtsvormen 2. Prijsberekening 3. Resultaten 4. Balans 5. Liquiditeitsbegroting

Nadere informatie

Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43

Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43 Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43 25 januari 2011 proeftoets 100 minuten Opgave 1 Handelsonderneming Astan bv heeft gegevens verzameld. Deze gegevens zijn nodig voor het opstellen van de

Nadere informatie

Management & Organisatie VWO 4 Hoofdstuk 3,9,12,14,16

Management & Organisatie VWO 4 Hoofdstuk 3,9,12,14,16 Management & Organisatie VWO 4 Hoofdstuk 3,9,12,14,16 16 juni 2009 proeftoets 100 minuten Opgave 1 Hartenstijn bv heeft op 1 januari de volgende balans opgesteld: Balans 1 januari 2009 --------------------------------------------------------------

Nadere informatie

Het eigen vermogen is permanent dat wil zeggen voor onbepaalde tijd (blijvend)aanwezig in de onderneming.

Het eigen vermogen is permanent dat wil zeggen voor onbepaalde tijd (blijvend)aanwezig in de onderneming. www.jooplengkeek.nl Eigen vermogen bij een bv en een nv Het eigen vermogen is permanent dat wil zeggen voor onbepaalde tijd (blijvend)aanwezig in de onderneming. Het bestaat uit aandelenkapitaal en opgebouwde

Nadere informatie

PTA M&O. Hoofdstuk 10.

PTA M&O. Hoofdstuk 10. PTA M&O Vragers van vermogen: Hoofdstuk 10. 1. Consumenten, mensen die niet genoeg geld hebben voor de uitgaven die ze willen doen kunnen dit geld lenen. De kosten voor een lening zijn : rente, en financieringskosten

Nadere informatie

Eigen vermogen Geplaats aandelenkapitaal Agioreserve Herwaarderingsreserve Wettelijke en statutaire reserves Ingehouden winst uit de voorgaande jaren

Eigen vermogen Geplaats aandelenkapitaal Agioreserve Herwaarderingsreserve Wettelijke en statutaire reserves Ingehouden winst uit de voorgaande jaren www.jooplengkeek.nl Regels voor Passiva Eigen vermogen Geplaats aandelenkapitaal Agioreserve Herwaarderingsreserve Wettelijke en statutaire reserves Ingehouden winst uit de voorgaande jaren www.jooplengkeek.nl

Nadere informatie

Vermogen: geld Kapitaal (aandelen, obligaties, leningen (lange termijn))

Vermogen: geld Kapitaal (aandelen, obligaties, leningen (lange termijn)) www.jooplengkeek.nl Vermogensmarkt De markt: vraag en aanbod Vermogen: geld Kapitaal (aandelen, obligaties, leningen (lange termijn)) Vermogen is een ruimer begrip dan geld. Een banksaldo is ook vermogen.

Nadere informatie

Hoofdstuk 9. Rechtsvormen. Voorbeelden: Eenmanszaak Vennootschap Onder Firma Besloten vennootschap Naamloze vennootschap Vereniging Stichting

Hoofdstuk 9. Rechtsvormen. Voorbeelden: Eenmanszaak Vennootschap Onder Firma Besloten vennootschap Naamloze vennootschap Vereniging Stichting www.jooplengkeek.nl Rechtsvormen Voorbeelden: Eenmanszaak Vennootschap Onder Firma Besloten vennootschap Naamloze vennootschap Vereniging Stichting 1 Rechtsvormen Natuurlijk persoon Een mens met rechten

Nadere informatie

Je koopt iets dat pas later hoeft te worden betaald. De afnemer ontvangt het leverancierskrediet

Je koopt iets dat pas later hoeft te worden betaald. De afnemer ontvangt het leverancierskrediet www.jooplengkeek.nl Vreemd vermogen op korte termijn Leverancierskrediet Je koopt iets dat pas later hoeft te worden betaald. Leverancierskrediet is dus krediet dat de leverancier verleent aan de afnemer

Nadere informatie

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Financiering niveau 4 Examenopgaven voorbeeldexamen Belangrijke informatie Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Dit voorbeeldexamen

Nadere informatie

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 16 EN 17 JUNI 2009

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 16 EN 17 JUNI 2009 PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 16 EN 17 JUNI 2009 FINANCIËLE ADMINISTRATIE COPERNICUS BV 1. 710 Inkopen 73.650,- 160 Te verrekenen omzetbelasting 13.993,50 Aan 130

Nadere informatie

Toets 3 HAVO 5 g Diagnostische toets 2012

Toets 3 HAVO 5 g  Diagnostische toets 2012 Uitwerkingen/waardering Toets 3 HAVO 5 20 12 MO Onderdeel 3.1 Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Diagnostische toets 2012 Uitwerkingen/waardering Voor deze toets zijn maximaal 35 punten te behalen; De

Nadere informatie

UNIFORM HEREXAMEN HAVO 2015

UNIFORM HEREXAMEN HAVO 2015 MINISTERIE VAN ONDERWIJS, WETENSCHAP EN CULTUUR UNIFORM HEREXAMEN HAVO 2015 VAK : ECONOMIE II (BA en BR) DATUM : 27 juli 2015 TIJD : 07.45u 10.45u Aantal opgaven bij dit vak : 6 Aantal pagina s : 5 Hulpmiddelen

Nadere informatie

Bedrijven zijn verplicht 1 maal per jaar een balans op te stellen en een winst & verliesrekening te maken. (voor de belastingdienst)

Bedrijven zijn verplicht 1 maal per jaar een balans op te stellen en een winst & verliesrekening te maken. (voor de belastingdienst) www.jooplengkeek.nl Interne verslaggeving Kosten en uitgaven Bedrijven zijn verplicht 1 maal per jaar een balans op te stellen en een winst & verliesrekening te maken. (voor de belastingdienst) Meestal

Nadere informatie

Crowdfunding: publiek laten betalen, d.m.v. vermogen aan te trekken.

Crowdfunding: publiek laten betalen, d.m.v. vermogen aan te trekken. Crowdfunding: publiek laten betalen, d.m.v. vermogen aan te trekken. Informal investors: informele investeerders, bv particulieren Gebruiken is vast. Verbruiken is vlot. Materieel: tastbaar Immaterieel:

Nadere informatie

management & organisatie management & organisatie

management & organisatie management & organisatie Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.30 uur tevens oud programma management & organisatie management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat

Nadere informatie

PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden

PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden Periodeafsluiting Beschikbare tijd 2 uur. Op de netheid van het werk zal worden gelet. Deze opgave is eigendom van de Examencommissie en dient, tezamen met de uitwerkingen

Nadere informatie

De resultatenrekening

De resultatenrekening De resultatenrekening format resultatenrekening kosten/uitgaven en opbrengsten/ontvangsten afschrijvingen rente eindbalans Joop Lengkeek Kamer H0.012 Email: Lengkeek.J@NHTV.nl www.jooplengkeek.nl 1 De

Nadere informatie

PROEFEXAMEN 2 Praktijkdiploma Boekhouden

PROEFEXAMEN 2 Praktijkdiploma Boekhouden PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden onderdeel Bedrijfseconomie Beschikbare tijd uur. Op de netheid van het werk zal worden gelet. Deze opgave is eigendom van de Examencommissie en dient, tezamen met

Nadere informatie

management & organisatie management & organisatie

management & organisatie management & organisatie Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.30 uur tevens oud programma management & organisatie management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat

Nadere informatie

Examen HAVO. management & organisatie. tijdvak 1 maandag 12 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.

Examen HAVO. management & organisatie. tijdvak 1 maandag 12 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Examen HAVO 2014 tijdvak 1 maandag 12 mei 13.30-16.30 uur management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting.

Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting. Hoofdstuk 4 Beoordeling van de liquiditeit Extra opgaven Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting. Opgave 4.4a De handelsonderneming Hartema vof heeft

Nadere informatie

1 Het kasstroomoverzicht

1 Het kasstroomoverzicht Oefeningen Kasstroomoverzicht 1 Het kasstroomoverzicht De gegevens van een bedrijf zijn: Balans per 31 december 2011 en 2012 dec-12 dec-11 dec-12 dec-11 Vaste Activa 1.000.000 1.200.000 Eigen Vermogen

Nadere informatie

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016 TOELATINGSTOETS M&O VUL IN: Datum 14-1-2016 Naam en voorletters. Adres. Postcode. Woonplaats. Geboortedatum / / Plaats Land. Telefoonnummer. E-mail. Gekozen opleiding. OPMERKINGEN: Tijdsduur: 90 minuten

Nadere informatie

Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting

Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting Voor kandidaten die in beide modules examen doen, geldt dit gehele document (zowel de termen van module A. Boekhouden als module B.

Nadere informatie

Examen VWO. Economische wetenschappen II en recht (oude stijl)

Examen VWO. Economische wetenschappen II en recht (oude stijl) Economische wetenschappen II en recht (oude stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Vrijdag 20 juni 10.00 13.00 20 03 Voor dit examen zijn maximaal 90 punten te behalen; het

Nadere informatie

Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting

Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting Voor kandidaten die in beide modules examen doen geldt dit gehele document (zowel de termen van module A. Periodeafsluiting als module

Nadere informatie

Financieel Management

Financieel Management Financieel Management Vreemd vermogen Leningen Verplichtingen Overige schulden Passiva = Creditzijde balans Vreemd vermogen = Passiva -/- EV 2 1 Vreemd vermogen Vreemd vermogen lang Na meer dan een jaar

Nadere informatie

Bij een keten van elektronicawinkels kunnen consumenten hun aankopen in termijnen betalen. enkelvoudige interest per jaar

Bij een keten van elektronicawinkels kunnen consumenten hun aankopen in termijnen betalen. enkelvoudige interest per jaar Opgave 1 Bij een keten van elektronicawinkels kunnen consumenten hun aankopen in termijnen betalen. 2p 1 Noem twee vormen van consumptief krediet waarbij consumenten hun aankopen in termijnen betalen.

Nadere informatie

2015 Nederlandse Associatie voor Examinering Financiering niveau 5 1 / 12

2015 Nederlandse Associatie voor Examinering Financiering niveau 5 1 / 12 Financiering niveau 5 Correctiemodel voorbeeldexamen 2015 Nederlandse Associatie voor Examinering Financiering niveau 5 1 / 12 Vraag 1 Toetsterm 6.4 - Beheersingsniveau: K - Aantal punten: 1 Voor welke

Nadere informatie

Kengetallen met betrekking tot de vermogensbehoefte. Opgave 3.6a hoort bij paragraaf 3.3, De gemiddelde opslagduur van de voorraad goederen.

Kengetallen met betrekking tot de vermogensbehoefte. Opgave 3.6a hoort bij paragraaf 3.3, De gemiddelde opslagduur van de voorraad goederen. Hoofdstuk 3 Kengetallen met betrekking tot de vermogensbehoefte Extra opgaven Opgave 3.6a hoort bij paragraaf 3.3, De gemiddelde opslagduur van de voorraad goederen. Opgave 3.6a Vazzo bv koopt en verkoopt

Nadere informatie

http://www.schoolsamenvatting.nl/ - De site voor samenvatting en meer!

http://www.schoolsamenvatting.nl/ - De site voor samenvatting en meer! M&O Deel 1a Hoofdstuk 9 Rechtsvorm: Is de juridische of wettelijke vorm van de organisatie. Voorbeelden: Eenmanszaak: een ondernemingsvorm die geen rechtspersoonlijkheid bezit. Er is een eigenaar, die

Nadere informatie

Hoofdstuk 8. Vreemd vermogen

Hoofdstuk 8. Vreemd vermogen Hoofdstuk 8 Vreemd vermogen Prijsvorming Vreemd vermogen Interest (rente) = vergoeding voor beschikbaar stellen geld. NB: rente is ook gelijkblijvend periodiek bedrag uit FRK 1. Tarief vraag en aanbod

Nadere informatie

Eigen vermogen ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid

Eigen vermogen ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid Eigen vermogen ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid Eenmanszaak: Persoonsvennootschap: Vennootschap Onder Firma: Commanditaire vennootschap (CV) Maatschap: Eigen vermogen: totaal eigen geld dat in

Nadere informatie

- Op gebouwen en machines die op 1 januari 2008 aanwezig zijn wordt in 2008 respectievelijk 30.000,- en 20.000,- afgeschreven.

- Op gebouwen en machines die op 1 januari 2008 aanwezig zijn wordt in 2008 respectievelijk 30.000,- en 20.000,- afgeschreven. Management en Organisatie VWO 6 Herhaling CE Begrotingen nummer 2 Opgave 1 Gegeven is de volgende balans van Fitna bv: Balans per 1/1 2008 --------------------------------------------------------------

Nadere informatie

Beginner. Beginner. Beginner

Beginner. Beginner. Beginner Beginner Nummer 1 Beginner Nummer 2 Beginner Antwoordmodel Antwoordmodel Antwoordmodel Nummer 3 2014: uitgave 0/kosten 30 Afschrijving De waardevermindering van de auto (een onderdeel van de vaste activa)

Nadere informatie

Financieel Management

Financieel Management Financieel Management Vorige week Introductie financieel management Investeringsplan, financieringsplan en exploitatiebegroting Balans Liquiditeitsbegroting (meer in week 6) Berekening inkomen en vermogen

Nadere informatie

Examen VWO. Economische wetenschappen II en recht (oude stijl)

Examen VWO. Economische wetenschappen II en recht (oude stijl) Economische wetenschappen II en recht (oude stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 30 mei 13.30 16.30 uur 20 02 Voor dit examen zijn maximaal 90 punten te behalen;

Nadere informatie

9 Uitwerkingen proefwerktrainingen deel 2

9 Uitwerkingen proefwerktrainingen deel 2 Docentenhandleiding Hoofdstuk 25 9 Uitwerkingen proefwerktrainingen deel 2 a Per november 2008 wordt aan huur vooruitontvangen: 400 3 650 = 780.. b Per december wordt achteraf ontvangen: 25 3 720 = 270..

Nadere informatie

a. Stel de beginbalans op 1 januari 2006 samen volgens het model van bijlage I.

a. Stel de beginbalans op 1 januari 2006 samen volgens het model van bijlage I. Opdracht 1 De Wilde en Timmer De dames De Wilde en Timmer gaan een autobedrijf beginnen: zij kopen auto s en accessoires in en verkopen die. Om het autobedrijf te kunnen openen op 1 januari 2006 zijn in

Nadere informatie

AANVULLING NAAMLOZE VENNOOTSCHAP HAVO

AANVULLING NAAMLOZE VENNOOTSCHAP HAVO AANVULLING NAAMLOZE VENNOOTSCHAP HAVO HOOFDSTUK 2 1. SOORTEN AANDELEN 1 Aandelen zijn eigendomsbewijzen van een nv of bv. Naast gewone aandelen zijn er preferente aandelen. De aandeelhouders die preferente

Nadere informatie

Appendix Bedrijfseconomie

Appendix Bedrijfseconomie Appendix Bedrijfseconomie De Nederlandse Associatie voor Praktijkexamens ( de Associatie ) organiseert twee keer per jaar examens voor het in ons land erkende Praktijkdiploma Boekhouden (PDB). Voor het

Nadere informatie

Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30. 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten. In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing.

Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30. 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten. In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten Opgave 1 In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Firma Balans produceert uitsluitend twee typen weegschalen,

Nadere informatie

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 10 EN 11 JANUARI 2012

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 10 EN 11 JANUARI 2012 FINANCIËLE ADMINISTRATIE GRIMBERG BV PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 10 EN 11 JANUARI 2012 1. (2 punten) 300 Voorraad materialen 4.200,- 180 Te verrekenen omzetbelasting

Nadere informatie

Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing

Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing Hoofdstuk 1 Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing 1.1 Inleiding In het boek Elementaire kennis Bedrijfsadministratie heb je geleerd om boekingen te

Nadere informatie

Hoofdstuk 5 Ondernemingsrecht

Hoofdstuk 5 Ondernemingsrecht Hoofdstuk 5 Ondernemingsrecht Paragraaf 5.1 1. Ondernemingsrecht a. Wat is economisch en juridisch gezien het verschil in benadering bij de diverse ondernemersvormen? b. Waartoe dient het ondernemingsrecht?

Nadere informatie

Examen HAVO. Management & Organisatie (nieuwe stijl) Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs. Tijdvak 1 Woensdag 30 mei 9.00 12.00 uur

Examen HAVO. Management & Organisatie (nieuwe stijl) Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs. Tijdvak 1 Woensdag 30 mei 9.00 12.00 uur Management & Organisatie (nieuwe stijl) Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Boekje met informatie Tijdvak 1 Woensdag 30 mei 9.00 12.00 uur 20 01 100016 28A Begin Formuleblad Te gebruiken formules

Nadere informatie

Afbetaling Aflossing Aflossingsvrije lening Beleggingskrediet BKR of Bureau Kredietregistratie Consumptief krediet Creditcard

Afbetaling Aflossing Aflossingsvrije lening Beleggingskrediet BKR of Bureau Kredietregistratie Consumptief krediet Creditcard Begrippenlijst A-Z Afbetaling Als u iets op afbetaling koopt, krijgt u uw aankoop direct mee. Vervolgens betaalt u het aankoopbedrag in termijnen terug. U wordt pas officieel eigenaar van uw aankoop zodra

Nadere informatie

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Financiering niveau 5 Examenopgaven voorbeeldexamen Belangrijke informatie Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Dit voorbeeldexamen

Nadere informatie

Boekingsboek. Overzicht van een aantal soorten boekingen.

Boekingsboek. Overzicht van een aantal soorten boekingen. Boekingsboek Overzicht van een aantal soorten boekingen. * contant * op rekening * met en zonder BTW * transitorische posten * hoe ga je om met de BTWboekingen * balans, V&Wrekening, liquiditeitsoverzicht

Nadere informatie

Financiële analyse. Les 2 Vermogensbehoefte en financiering. Auteur: Witek ten Hove, MBA

Financiële analyse. Les 2 Vermogensbehoefte en financiering. Auteur: Witek ten Hove, MBA Financiële analyse Les 2 Vermogensbehoefte en financiering Auteur: Witek ten Hove, MBA In deze les gaan we kijken naar onderdelen uit de balans. Er wordt aangenomen dat de student weet hoe een balans is

Nadere informatie

Examen HAVO. management & organisatie. tijdvak 1 woensdag 18 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. management & organisatie. tijdvak 1 woensdag 18 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2016 tijdvak 1 woensdag 18 mei 13.30-16.30 uur management & organisatie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen.

Nadere informatie

PROEFEXAMEN Moderne Bedrijfsadministratie (MBA)

PROEFEXAMEN Moderne Bedrijfsadministratie (MBA) PROEFEXAMEN Moderne Bedrijfsadministratie (MBA) onderdeel Bedrijfseconomie Dit examen bestaat uit 4 opgaven. De beschikbare tijd is 3¾ uur. De antwoorden dienen uitsluitend op de uitwerkingenvellen te

Nadere informatie

Hoofdstuk 3: Resultaten

Hoofdstuk 3: Resultaten Hoofdstuk 3: Resultaten M&O HAVO 2011/2012 www.lyceo.nl Overzicht H3: Resultaten Management & Organisatie Centraal Examen (CE) 1. Rechtsvormen 2. Prijsberekening 3. Resultaten 4. Balans 5. Liquiditeitsbegroting

Nadere informatie

1. Een balans is een overzicht van activa (bezittingen) en passiva (schulden en eigen vermogen).

1. Een balans is een overzicht van activa (bezittingen) en passiva (schulden en eigen vermogen). Hoofdstuk 1 Opgave 1.1 1. Een balans is een overzicht van activa (bezittingen) en passiva (schulden en eigen vermogen). 2. Een subgrootboek is een specificatie in geld van een (collectieve) grootboekrekening.

Nadere informatie

Regels voor activa ; Waarderingsgrondslagen

Regels voor activa ; Waarderingsgrondslagen www.jooplengkeek.nl Regels voor activa ; Waarderingsgrondslagen De waarderingsgrondslag is de wijze waarop de activa (bezit) wordt gewaardeerd in de administratie (boekhouding, balans). Voor welke prijs?

Nadere informatie

Management & Organisatie

Management & Organisatie Management & Organisatie Hoofdstuk 1 Managen = iemand iets laten doen waarvan jij vindt dat het nodig is. Dit gaat d.m.v. communicatie. Een organisatie is een samenwerkingsverband van mensen die bepaalde

Nadere informatie

DE EENMANSZAAK DEEL 1 VWO SAMENVATTING. Jannes Timmers. De Eenmanszaak deel 1 VWO

DE EENMANSZAAK DEEL 1 VWO SAMENVATTING. Jannes Timmers. De Eenmanszaak deel 1 VWO De Eenmanszaak deel 1 VWO DE EENMANSZAAK DEEL 1 VWO SAMENVATTING Jannes Timmers Copyright Jannes Timmers 2015 Niets uit deze samenvatting mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt op een

Nadere informatie

www.jooplengkeek.nl Hoofdstuk 42 belangrijk

www.jooplengkeek.nl Hoofdstuk 42 belangrijk www.jooplengkeek.nl belangrijk 1 Liquiditeitskengetallen Current ratio Quick ratio Working capital (werkkapitaal) Cashflow Kengetallen Kengetallen zijn verhoudingsgetallen, ze geven de verhouding aan tussen

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2008-I

Eindexamen m&o vwo 2008-I Opgave 1 De productlevenscyclus geeft de ontwikkeling van de afzet van een product gedurende de tijd weer. De productlevenscyclus bestaat uit vijf fasen. 2p 1 Noem de vijf fasen van de productlevenscyclus

Nadere informatie

Examen VWO. management & organisatie. tijdvak 1 donderdag 22 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.

Examen VWO. management & organisatie. tijdvak 1 donderdag 22 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Examen VWO 2008 tijdvak 1 donderdag 22 mei 13.30-16.30 uur management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

DE EENMANSZAAK DEEL 2 VWO SAMENVATTING. Jannes Timmers. De Eenmanszaak deel 2 VWO

DE EENMANSZAAK DEEL 2 VWO SAMENVATTING. Jannes Timmers. De Eenmanszaak deel 2 VWO De Eenmanszaak deel 2 VWO DE EENMANSZAAK DEEL 2 VWO SAMENVATTING Jannes Timmers Copyright Jannes Timmers 2015 Niets uit deze samenvatting mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt op een

Nadere informatie

Internetopgaven hoofdstuk 7

Internetopgaven hoofdstuk 7 Internetopgaven hoofdstuk 7 IO.7.1 Zie onderstaande MVA-staat van Anders BV, producent van kunststof kozijnen. MVA staat Anders BV Omschrijving Aanschaf Aanschaf Afschrijvings- Boekwaarde Afschrijving

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2008-I

Eindexamen m&o vwo 2008-I Opgave 1 De productlevenscyclus geeft de ontwikkeling van de afzet van een product gedurende de tijd weer. De productlevenscyclus bestaat uit vijf fasen. 2p 1 Noem de vijf fasen van de productlevenscyclus

Nadere informatie

PDB PRAKTIJKEXAMEN BOEKHOUDEN JOURNAALPOSTEN MAANDAG 19 JUNI 2006

PDB PRAKTIJKEXAMEN BOEKHOUDEN JOURNAALPOSTEN MAANDAG 19 JUNI 2006 PDB DIT EXAMEN- ONDERDEEL BESTAAT UIT 5 PAGINA S PRAKTIJKEXAMEN BOEKHOUDEN JOURNAALPOSTEN MAANDAG 19 JUNI 2006 A1.2 OPGAVE I Beschikbare tijd 1 1 2 uur. Op de netheid van het werk zal worden gelet. Het

Nadere informatie

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 3.

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 3. Opgave 2 Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 3. In deze opgave is wel sprake van btw maar blijft de vennootschapsbelasting buiten beschouwing. Bewoners van het dorp Westmaas hebben

Nadere informatie

Eindexamen m&o havo 2009 - I

Eindexamen m&o havo 2009 - I Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 2 625 + 175 = 800 eenheden 2 maximumscore 3 Verkoopresultaat = 2000 800 = 2,50 per stuk 1 Kostprijs = 4 + 1 = 5 1 Verkoopprijs = 5 + 2,50 = 7,50 1 3 maximumscore

Nadere informatie

management & organisatie management & organisatie

management & organisatie management & organisatie Examen HAVO 2009 tijdvak 1 woensdag 27 mei 13.30-16.30 uur tevens oud programma management & organisatie management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat

Nadere informatie

Hoofdstuk 21. De voorraad. Wat is de voorraad waard? Dat is afhankelijk van het product en het moment waarop het gekocht is! www.jooplengkeek.

Hoofdstuk 21. De voorraad. Wat is de voorraad waard? Dat is afhankelijk van het product en het moment waarop het gekocht is! www.jooplengkeek. www.jooplengkeek.nl De voorraad Hoofdstuk 21 Wat is de voorraad waard? Dat is afhankelijk van het product en het moment waarop het gekocht is! 1 De voorraad Hoofdstuk 21 Waarom is het belangrijk wat de

Nadere informatie

Wetenschappelijk Onderwijs

Wetenschappelijk Onderwijs Uitwerkingen / waardering 1 Toets 3B1 VWO 6 MO onderdeel 631 Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Toets: M&O Afdeling: A6 PTA aanduiding: Toets 631 Tijdsduur: 80 minuten Weging SE: 15% Herkansbaar:

Nadere informatie

Aurington. Administratie en Advies

Aurington. Administratie en Advies Aurington Administratie en Advies Let op de houdbaarheidsdatum! Mei 5 Pincode 6 7 8 Boetes Dit jaar Deze maand De balans Tandorine B.V. Debet Activa Bezittingen Wat heb ik? Credit Passiva Vermogen Hoe

Nadere informatie

De diverse onderdelen van de fiscale jaarrekening

De diverse onderdelen van de fiscale jaarrekening 3 De diverse onderdelen van de fiscale jaarrekening 301 a Machines (vennootschappelijk) 1/1 Balans d 220.000 1/7 Verkoop machine PX17 d 80.000 1/7 Aankoop machine SF08-160.000 31/12 Balans - 300.000 d

Nadere informatie

Hypotheekrecht en - vormen

Hypotheekrecht en - vormen Hypotheekrecht en - vormen Wat is een hypotheek? Een hypotheek is in theorie een zekerheidsrecht. Wanneer u een hypotheek afsluit, geeft u het recht van hypotheek aan de geldverstrekker. Dit recht van

Nadere informatie

Bij een resultatenbegroting (ook wel exploitatiebegroting genoemd) wordt een overzicht gemaakt van de opbrengsten en van de kosten.

Bij een resultatenbegroting (ook wel exploitatiebegroting genoemd) wordt een overzicht gemaakt van de opbrengsten en van de kosten. De liquiditeits - en resultatenbegroting Een bedrijf wil graag weten of hij aan zijn betaalverplichtingen kan voldoen. Daarom wordt een planning gemaakt in de ontvangsten en de uitgaven (vaak binnen een

Nadere informatie

PROEFEXAMEN 3 Praktijkdiploma Boekhouden (PDB)

PROEFEXAMEN 3 Praktijkdiploma Boekhouden (PDB) PROEFEXAMEN 3 Praktijkdiploma Boekhouden (PDB) Periodeafsluiting Beschikbare tijd 2 uur. Op de netheid van het werk zal worden gelet. Deze opgave is eigendom van de Examencommissie en dient, tezamen met

Nadere informatie

Examen PC 2 vak Cash Management

Examen PC 2 vak Cash Management Examen PC 2 vak Cash Management Instructieblad Betreft: examen: PC 2 leergang 5 onderdeel: Cash Management datum: 28 juni 2013 tijd: 16.00 17.30 uur Deze aanwijzingen goed lezen voor u met uw examen start

Nadere informatie

Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo

Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo Sectie economie 2012-2013 1 Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo In de bovenbouw kunnen jullie in de vrije ruimte het vak M&O opnemen. Het is daarom handig om dit jaar al een aantal lessen

Nadere informatie

Management en Organisatie VWO 4 Hoofdstuk 11. Oefenopgaven: aandelen, intrinsieke waarde en dividend

Management en Organisatie VWO 4 Hoofdstuk 11. Oefenopgaven: aandelen, intrinsieke waarde en dividend Management en Organisatie VWO 4 Hoofdstuk 11 Oefenopgaven: aandelen, intrinsieke waarde en dividend Opgave 1 Een nv beschikt op 1 januari 2010 over de volgende gegevens: - geplaatst aandelenvermogen 40.000.000

Nadere informatie

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 16 JUNI 2010

PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 16 JUNI 2010 FINANCIËLE ADMINISTRATIE DE LEKKERE HAP PRAKTIJKDIPLOMA BOEKHOUDEN FINANCIAL & COST ACCOUNTING UITWERKINGEN 16 JUNI 2010 1. Met behulp van de volgende grootboekrekeningen kan het verkoopresultaat worden

Nadere informatie

Als we geld lenen noemen we dat vreemd vermogen.

Als we geld lenen noemen we dat vreemd vermogen. www.jooplengkeek.nl Enkelvoudige interest Als we geld lenen noemen we dat vreemd vermogen. Voor een lange periode (lang krediet) of een korte periode (kort krediet), maar het is altijd tijdelijk. We moeten

Nadere informatie

Bedrijfsadministratie Examennummer: 68492 Datum: 10 december 2011 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur

Bedrijfsadministratie Examennummer: 68492 Datum: 10 december 2011 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur Bedrijfsadministratie Examennummer: 68492 Datum: 10 december 2011 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur Dit examen bestaat uit 6 pagina s. De opbouw van het examen is als volgt: - 9 open vragen (maximaal 70 punten)

Nadere informatie

Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing

Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing Hoofdstuk 1 Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing Opgave 1.1 In een onderneming wordt voor het verpakken van producten Kappa gebruikgemaakt van de machine

Nadere informatie

EXAMENPROGRAMMA. Financieel-Administratief Diploma('s) Diplomalijn(en)

EXAMENPROGRAMMA. Financieel-Administratief Diploma('s) Diplomalijn(en) EXAMENPROGRAMMA Diplomalijn(en) Financieel-Administratief Diploma('s) Praktijkdiploma Boekhouden (PDB ) Eamen Financiering niveau 4 Niveau 4 (vergelijkbaar met mbo 4) Versie 2-0 Geldig vanaf 1-01-16 Vastgesteld

Nadere informatie

PDB. Antwoordenboek. berekeningen. Periodeafsluiting & Bedrijfseconomie

PDB. Antwoordenboek. berekeningen. Periodeafsluiting & Bedrijfseconomie PDB Periodeafsluiting & Bedrijfseconomie berekeningen Antwoordenboek PDB Praktijkdiploma boekhouden Periodeafsluiting & Bedrijfseconomie berekeningen Antwoordenboek drs. H.H. Hamers drs. W.J.M. de Reuver

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2010 - II

Eindexamen m&o vwo 2010 - II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 2 Aantal geplaatste aandelen bij oprichting 1.200.000 4 175.000 = 125.000 1 ( 1.200.000 + 908.000 ) 1.428.000 Emissiekoers bij oprichting = 5,44 125.000 1 2 maximumscore

Nadere informatie

Examen VWO. management & organisatie. tijdvak 1 dinsdag 12 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.

Examen VWO. management & organisatie. tijdvak 1 dinsdag 12 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Examen VWO 2015 tijdvak 1 dinsdag 12 mei 13.30-16.30 uur management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Welke soorten beleggingen zijn er?

Welke soorten beleggingen zijn er? Welke soorten beleggingen zijn er? Je kunt op verschillende manieren je geld beleggen. Hier lees je welke manieren consumenten het meest gebruiken. Ook vertellen we wat de belangrijkste eigenschappen van

Nadere informatie

management & organisatie

management & organisatie Examen HAVO 2011 tijdvak 1 maandag 16 mei 13.30-16.30 uur management & organisatie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 33 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen.

Nadere informatie

De opgaven 6.4a en 6.4b horen bij paragraaf 6.2, De rentabiliteit van het vermogen

De opgaven 6.4a en 6.4b horen bij paragraaf 6.2, De rentabiliteit van het vermogen Hoofdstuk 6 Beoordeling van de rentabiliteit Extra opgaven De opgaven 6.4a en 6.4b horen bij paragraaf 6.2, De rentabiliteit van het vermogen Opgave 6.4a Per 31 december 2013 en 2014 heeft Geurtsen de

Nadere informatie

Deze aanwijzingen goed lezen voor u met uw examen start

Deze aanwijzingen goed lezen voor u met uw examen start Examen : Professional Controller 2 Vak : Accounting 2 Datum : 22 juni 2015 Examen PC 2 Accounting 2 Instructieblad Tijd : 13.30-15.00 uur Deze aanwijzingen goed lezen voor u met uw examen start Aanwijzingen:

Nadere informatie

* goed lezen! * let op terugrekenen!

* goed lezen! * let op terugrekenen! SCHEMA OPLOSSING BRUTOWINSTOPSLAGMETHODE opbouw verkoopprijs inkoopprijs bij: brutowinstopslag (% van inkoop-* of verkoopprijs*) verkoopprijs exclusief bij: omzetbelasting (% van verkoopprijs exclusief)

Nadere informatie

Algemeen 1. Wat is de rechtsvorm van een onderneming? 2. Noem twee redenen waarom de keuze van de rechtsvorm belangrijk is voor een onderneming.

Algemeen 1. Wat is de rechtsvorm van een onderneming? 2. Noem twee redenen waarom de keuze van de rechtsvorm belangrijk is voor een onderneming. Theorievragen Examen* M&O VWO en HAVO * Het betreft de stof van het Centraal Examen vanaf 2010 Rechtsvormen Algemeen 1. Wat is de rechtsvorm van een onderneming? 2. Noem twee redenen waarom de keuze van

Nadere informatie

10. Break the Code. Registratieformulier Break the Code. Namen groepsleden. Code poging 1 Puzzel 1 Puzzel 2 Puzzel 3

10. Break the Code. Registratieformulier Break the Code. Namen groepsleden. Code poging 1 Puzzel 1 Puzzel 2 Puzzel 3 10. Break the Code Registratieformulier Break the Code Namen groepsleden Code poging 1 Puzzel 1 Puzzel 2 Puzzel 3 Code poging 2 (indien nodig) Puzzel 1 Puzzel 2 Puzzel 3 Puzzel 1: woordzoeker Instructies

Nadere informatie