A4. Ha, geboren in 1997 in Duitsland, sinds 1999 wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als Ha ;

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "A4. Ha, geboren in 1997 in Duitsland, sinds 1999 wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als Ha ;"

Transcriptie

1 1/57 Toevoegingen aangevraagd dd. 10 juli 2006 bij de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam, Heden, de..e juli tweeduizend zes, ten verzoeke van : (deze versie van de dagvaarding is geanonimiseerd) A 1. M, geboren in 1986, van Servische nationaliteit (Sandjak moslim), sinds 1999 wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als M ; A2. E, geboren in 1990, van Servische nationaliteit (Sandjak molsim), sinds 1999 wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als E ; A3. D, geboren in 1989, van Turks-Koerdische nationaliteit, sinds 1999 wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als D ; A4. Ha, geboren in 1997 in Duitsland, sinds 1999 wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als Ha ; A5. He, geboren in 2000 in Hoorn, sinds die datum wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als He ; A6. A, geboren in 1994 in Alkmaar, sinds die datum wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als A ; A7 N, geboren in 1989 in Angola, sinds 2000 wonend in Nederland, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als N ; A8 de exact 2093 overige individuele eisers, genoemd in de als bijlage bij deze dagvaarding aan de gedaagde separaat te betekenen ledenlijst van eiseres sub B. genoemd (stand per 10 juli 2006) B. De Vereniging WIJ WILLEN BLIJVEN, gevestigd te Amsterdam, aan de Cruquiusweg 68-70, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als WWB ; C. De Vereniging DEFENCE FOR CHILDREN INTERNATIONAL NEDERLAND, daarbij ondersteund door de Stichting Defence for Children International Nederland conform artikel 2 van haar statuten, gevestigd te Amsterdam, aan de Cruquiusweg 68 70, in het vervolg van deze dagvaarding en van dit proces aan te duiden als DCI-NL ;

2 2/57 3. allen te dezer zake vertegenwoordigd door hun advocaten Mr. M. A. Collet, advocaat te Rotterdam en Mr. Arie van Driel, advocaat te Alkmaar, die door eisers tot advocaten worden gesteld en als zodanig namens eisers zullen optreden alsmede door hun procureur Mr. P.J. Ph. Dietz de Loos, advocaat en procureur te s- Gravenhage, die door eisers tot procureur worden gesteld en als zodanig (met het recht van substitutie) namens eisers in deze procedure zullen optreden, allen te dezer zake domicilie kiezend te (3014 HB) Rotterdam, ten kantore van hun zojuist genoemde advocaten op het adres van aan de Mathenesserlaan 195, alsmede te Wassenaar ten kantore van hun zojuist genoemde procureur Mr. P.J. Dietz de Loos, aan het adres De Langestraat 58-B (postadres: postbus 453, 2240 AL te Wassenaar) Heb ik, krachtens mij door de President van de Arrondissementsrechtbank te s-gravenhage verstrekte last en het daartoe van hem verkregen verlof OP VERKORTE TERMIJN GEDAGVAARD: 4. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) zetelend te s-gravenhage, aldaar ten parkette van de Procureur Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mijn exploot doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan: OM: op dag de juli 2006, vertegenwoordigd door een procureur te verschijnen ter openbare terechtzitting van de op grond van het bepaalde in art. 6, aanhef en sub d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht bezittende - Arrondissementsrechtbank te s-gravenhage, recht doende op verkorte termijn, welke zitting dan zal worden gehouden in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 aldaar

3 3/57 5. TENEINDE: dan namens mijn rekwiranten als eisers te horen eisen en concluderen: De eisers sub A1 t/m A 8 genoemd zijn allen vreemdeling in de zin van art. 1 aanhef en onder m van de Vreemdelingenwet 2000, nu zij geen van allen de Nederlandse nationaliteit bezitten en geen van allen op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moeten worden behandeld. Geen van hen is gemeenschapsonderdaan in de zin van art. 1 aanhef en sub 2 van de Vreemdelingenwet Allen verblijven zij meer dan vijf jaren in Nederland (M en E ruim 7 jaar, D ruim 6 ½ jaar, He ruim 6 jaar, A bijna 12 jaar en N 6 jaar) en allen hebben zij gedurende die periode moeten leven in onzekerheid over de uiteindelijke uitkomst van de door hun ouders en in het geval van N door diens voogd - gevoerde procedure en hebben zij in Nederland rechtmatig verblijf in de zin van art. 8 aanhef en sub f, g of h Vreemdelingenwet Allen hebben zij de Minister voor Vreemdelingenzaken verzocht het voor hen mogelijk te maken om zelf een verblijfsvergunning aan te vragen, zonder daarbij geheel afhankelijk te zijn van hun ouders-wettelijk vertegenwoordigers. Redengevend daarvoor noemen zij, dat zij hun aanspraken op een verblijfstitel, zoals die hen in hun visie toekomen op grond van na te noemen hier in Nederland rechtstreeks werkende Verdragsregels - zo nodig via de rechter - gehonoreerd wensen te zien in een daar op toegesneden procedure en daarbij niet afhankelijk wensen te zijn van hun ouders, die immers gedurende de genoemde periode van hun verblijf in Nederland niet hebben kunnen zorgen voor die door hun kinderen zo essentiële bestaansveiligheid en zekerheid. In dit verband wordt hier verwezen naar de hiernavolgende beschouwingen over de voor hen negatieve en mogelijk zelfs al fatale gevolgen van het zo lang uitblijven van zekerheid over hun recht op een verblijfstitel in Nederland, die immers op grond van de bepalingen van de Koppelingenwet 1998 een vereiste is voor realisering van hun aanspraken op ondermeer volledige toegang tot de gezondheidszorg, zorgverzekering, onderwijsvoorzieningen, jeugdzorg en welzijninstanties. M en E hebben reeds in het land van herkomst ernstige discriminatie moeten meemaken, als zijnde moslims afkomstig uit de Sandzjak regio. Weliswaar is er geen sprake meer van een oorlogssituatie, maar spanning is er zeker nog wel. De te verwachten problemen worden echter als onvoldoende beschouwd om tot verblijfsaanvaarding over te gaan. De veiligheid en bestaanszekerheid waar naar gezocht werd, is ook niet in Nederland gevonden. In juni 2002 worden ze op straat gezet, althans worden ze uit de opvangvoorzieningen voor asielzoekers verwijderd, samen met het hele gezin. Als gevolg hiervan dienen zij onderdak te zoeken bij de Nederlandse medemens en verblijven zij uiteindelijk op diverse adressen. Als kinderen hebben zij de Nederlandse taal snel geleerd en dienden zij ook als intermediair op te treden voor hun ouders, hetgeen maakte dat ze doordrenkt raakten van de problematiek van de volwassenen. Inmiddels zijn beide in hun puberteit en hebben zij in Nederland een hecht vriendennetwerk opgebouwd.

4 4/57 Daarenboven hebben zij zich de Nederlandse cultuur eigen gemaakt en heeft dit ook geleid tot spanningen binnen het gezin, nu hun ouders hun oudste dochter M niet meer begrijpen. De toenemende repressie jegens vreemdelingen maakt dat de laatste tijd de zorgen en spanningen alleen maar zijn toegenomen. Dit leidt tot onmacht en onzekerheid die de ontwikkeling van alle kinderen in dit gezin ernstig bedreigt. M heeft recentelijk de ouderlijke woning moeten verlaten om te proberen zich los van dat gezin een bestaan op te bouwen, in welke pogingen zij tot dusver niet slaagt vanwege de emotionele en ernstige psychische problemen waar mee zij kampt. Zij heeft zich via haar huisarts tot een therapeut moeten wenden en heeft haar ouders en zuster verzocht zich ook tot die therapeut of collegae daar van te wenden om de waarschijnlijk noodzakelijke gezinstherapeutische benadering op zo kort mogelijke termijn mogelijk te maken en daar mee de thans levensbedreigende relatieproblematiek op te lossen. 10. D is geboren in Turkije, als een Koerd en heeft reeds veel discriminatie en achterstelling in Turkije meegemaakt. Sinds 1995 is zijn familie op de vlucht nadat hij heeft moeten meemaken hoe naaste familieleden van zijn ouders werden omgebracht. Het gezin is getraumatiseerd, maar volgens gedaagde onvoldoende om te leiden tot verblijfsaanvaarding. In 2000 is He in Nederland geboren. Ha is in 1997 in Duitsland geboren waar het gezin heeft verbleven tot In 2002 is het gezin in de vroege ochtend door gewapende agenten opgepakt in het Opvangcentrum te Leiden en zijn ze uitgezet naar Duitsland. De vader wist echter te ontsnappen en middels de advocaat is de gang naar de rechter gemaakt. In 2002 bepaalt de voorzieningenrechter dat de uitzetting onrechtmatig was en beveelt de teruggeleiding naar Nederland. Sindsdien leven de kinderen in constante angst en onzekerheid. Deze onzekerheid uit zich mede in de briefjes die zijn aan hun advocaat sturen. De angst wordt verder gevoed door hetgeen zij horen en zien over de situatie van Koerden in Turkije en van vreemdelingen in Nederland. Deze angst leidt thans tot groei- en ontwikkelingsachterstand. De behandelend psychologen vrezen thans onaanvaardbare schade voor de negen kinderen in dit gezin, de ouders hebben geen veerkracht meer om de extra zware zorg van hun kinderen adequaat op zich te nemen, integendeel het zijn de kinderen die thans vaak zelfs hun ouders moeten opvangen en verzorgen. Bij D leidt het inmiddels tot incidenteel bedplassen, bij Ha is er daarenboven sprake van nachtmerries en gedragsstoornissen die volgens de medici direct verband houden met de aanhoudende onzekerheid in Nederland. Na de zomer wordt het AZC Medemblik gesloten en het is onbekend waar het gezin nu weer terecht zal komen. De andere kinderen in dit gezin betreffen G, 1990, S, 1993, M, 1995, C, 1998 (D), D, 2002 (NL), B, 2005 (NL). 11. A is in 1994 in Alkmaar geboren. Hij heeft Chinese ouders en een jonger zusje. In 1993 vroegen de ouders asiel aan in verband met het rigoureuze geboortebeperkingsbeleid in China. In 1996 raakten zij uitgeprocedeerd. Tot heden bleek het gezin niet uitzetbaar. Zij wonen nog wel in een zogenaamd ROA-huis, maar zijn in afwachting van het te doorlopen stappenplan die tot beëindiging van de voorzieningen dient te leiden. Gedaagde heeft aangekondigd dit jaar de laatste die nog in de opvang zitten daaruit te verwijderen. Inmiddels in A geheel in de Nederlandse maatschappij geworteld. Hij gaat naar school, is lid van verenigingen, heeft zijn vrienden- en kennissenkring alhier. Daarnaast gaat hij hier regelmatig naar de Kerk. De schoolresultaten zijn naar omstandigheden goed te noemen. Hij heeft de Chinese taal niet leren schrijven, en hij spreekt deze taal onvoldoende om in China naar school te kunnen. Als hij uit Nederland wordt verwijderd zal dit onherstelbare schade, in ieder geval ernstige

5 5/57 achterstand in zijn verdere opleiding en opvoeding betekenen. Nog los van alle problematiek in China, waardoor het maar de vraag is of hij in China nog wel enige opleiding zal kunnen genieten, wordt hij hier weggehaald uit een situatie die als redelijk stabiel gekenmerkt kan worden. Mede om die redenen was in 2003 een verblijfsvergunning op grond van schrijnend geval aangevraagd, welke op 7 oktober 2005 is afgewezen. Sindsdien gaat het minder goed met A. Hij heeft ernstige spanningsklachten, in- en doorslaapproblemen en staat als gevolg daarvan nu onder behandeling van de GGZ. De sfeer thuis is te omschrijven als gespannen. Op het inmiddels ingediende bezwaar is te kennen gegeven dat het wegens capaciteitsproblemen nog wel maanden gaat duren voor er een volgende beslissing zal komen. 12. N is in 2000 naar NL gekomen met zijn moeder. Zijn moeder is met onbekende stemming vertrokken sinds Sindsdien verblijft N in een pleeggezin. Zijn advocaat bepleit dat er een ambtshalve toetsing AMV ( Alleenstaande Minderjarige Vreemdeling ) moet komen. Daarbij wordt thans echter het nieuwe AMV-beleid uit 2001 tegengeworpen. In dat beleid wordt de bewijslast omgedraaid, in die zin dat een kind nu moet bewijzen dat bij terugkeer er geen adequate opvang beschikbaar zal zijn, tenzij uit de algemene ambtsberichten over het land van herkomst niet blijkt dat er sprake is van in het algemeen adequate opvang. Hierbij wordt adequate opvang gemeten aan de locale maatstaven, what ever that may be, en is er nagenoeg geen enkele mogelijkheid de gehanteerde informatie te controleren. Buitenlandse Zaken geeft (nagenoeg) geen inzage in de onderliggende stukken en wel gebleken onvolkomenheden worden telkenmale met de mantel der liefde bedekt, met als resultaat dat alleenstaande kinderen geen verblijfsvergunning krijgen. Tot aan hun 18 e mogen ze dan alhier verblijven, tenzij uitzetting toch mogelijk blijkt. In casu is dat niet het geval: N is geboren op 29 juli 1989 en weet nu reeds dat hij in 2007 op straat zal worden gezet. N kan zo geen zekerheid opbouwen, laat staan dat hij een normale ontwikkeling krijgt terwijl hij enige vastheid en zekerheid juist in zijn puberteit zo hard nodig heeft. 13. De voorgaande schetsen van de geschiedenis en positie van enkele van de eisers dient als illustratief te worden aangemerkt voor de problemen waarmee alle individuele eisers zich geconfronteerd zien in de Nederlandse verblijfsrechtelijke procedure, waarbij met name de lange duur zijn tol eist. Doordat het leven in die tussentijd niet stil staat, ontstaat er tevens een situatie waarin in het Nederlandse vreemdelingenrecht niet is voorzien. De hechting van kinderen aan de Nederlandse maatschappij wordt niet anders dan die van de ouders en los daarvan behandeld, terwijl die kinderen, in tegenstelling tot de meeste van hun ouders, een zeer cruciale fase van hun leven en ontwikkeling in Nederland doormaken. 14. De Vereniging Wij Willen Blijven stelt zich ten doel het behartigen van de belangen van haar leden (allen kinderen en jongeren, die lang in Nederland zijn en problemen ondervinden bij de realisering van hun verblijfsrechten), en het bewerkstelligen van de verblijfsrechten van die jeugdige leden en alles wat daarmee samenhangt. Daarbij dient de hierboven geschetste problematiek in ogenschouw te worden genomen, want het is juist de doelstelling van de Vereniging WWB die onrechtvaardige en jegens haar leden onrechtmatige situatie te doen opheffen.

6 6/ Op 10 juli 2006 telt de vereniging Wij willen blijven exact 2100 leden, allen kinderen zonder verblijfsvergunning die meer dan vijf jaar in Nederland zijn. Van alle leden zijn er slechts 23 als alleenstaande asielzoeker gekomen, de rest is hier met één ouder of beide ouders. De ouders van bijna alle leden hebben asiel aangevraagd in Nederland, een enkeling heeft een verblijfsvergunning op reguliere gronden aangevraagd. Uit een analyse van het ledenbestand per 13 juni 2006 blijkt, dat ruim 17% (362) van de aangemelde kinderen in Nederland is geboren. De kinderen komen uit 62 verschillende landen, 68% (1419) komt uit (voormalig) Joegoslavië, Afghanistan, Azerbeidzjan, Syrië, Irak, Iran en Armenië. De meeste leden, bijna eenderde (664), zijn in 2000 naar Nederland gekomen; 90% is vijf tot negen jaar in Nederland, de rest is er langer. 16. De leden van WWB hebben bij hun aanmelding een formulier ingevuld waarop ze naast hun feitelijke gegevens ook hebben beschreven welke problemen zij ervaren in hun huidige bestaan. Veel kinderen klagen over concentratieproblemen op school die ze wijten aan de angst opgepakt te worden voor de terugkeer naar het land waar hun ouders vandaan komen of meer in het algemeen aan de levensomstandigheden: Ik kan me niet zo goed concentreren omdat ik toe moet kijken hoe mijn klasgenoten leven. Ze hebben een huis en ze zijn meestal gelukkig, ik niet zo. Sommige kinderen zetten alles op alles om nog zoveel mogelijk kennis op te doen op de Nederlandse school, anderen hebben de neiging op te geven omdat het waarschijnlijk toch allemaal voor niks is of omdat de spanning hen te veel is geworden. Een enkeling is vastberaden om in Nederland carrière te maken als arts of als advocaat. Opvallend veel kinderen melden dat ze hinder ondervinden van de vele verhuizingen in Nederland: Ik ben gestopt met vrienden maken want het doet zo n pijn om steeds afscheid te moeten nemen. Er zijn kinderen die gemiddeld meer dan één keer per jaar hebben moeten verhuizen in Nederland. Aan de andere kant weten de meeste leden van Wij Willen Blijven wel iets te zeggen over hun vriendjes: Ik heb een vriend die heel veel lacht, schrijft er een. De hele klas is eigenlijk mijn vriend, we voetballen samen. 17. De vereniging Defence for Children International- Nederland stelt zich ten doel: - A) te fungeren als middelpunt voor het signaleren en stimuleren van huidige en toekomstige pogingen op locaal, nationaal en internationaal niveau, gericht op het propageren en beschermen van de rechten van het kind, in het bijzonder die van in Nederland verblijvende kinderen, zoals omschreven in internationale verklaringen en verdragen of op andere wijze internationaal erkend; - B) het verzekeren dat in specifieke situaties waarin de rechten van het kind worden bedreigd of geschonden, het betrokken kind profiteert van het best beschikbare niveau van bescherming en verdediging van zijn rechten; - C) bekendheid te geven aan deze materie bij alle personen en instanties, die hierbij direct of indirect zijn betrokken, door passende preventieve en afdoende maatregelen voor te stellen en op de toepassing ervan toe te zien; - D) de verdediging op zich te nemen van de belangen van kinderen die het slachtoffer zijn of dreigen te worden van schendingen van bovenbedoelde rechten, echter dit slechts indien een dergelijke verdediging om welke reden dan ook niet op een andere wijze doeltreffend gevoerd kan worden.

7 7/ Defence for Children International (K. Braat, Ik ben er wel, maar ze zien me niet, 2004) heeft onderzoek gedaan naar de ervaring van kinderen zonder verblijfstitel. De kinderen kampen allemaal met een gebrek aan toekomstperspectief. En ze maken melding van een veelheid aan problemen die rechtstreeks hun kinderrechten raken: geen toereikende levenstandaard door de schrijnende armoede veel medische klachten en psychische problemen (eenderde van de kinderen), onder meer door de aanhoudende onzekerheid en angst maar ook door het leven in de marge van de samenleving, de zeer beperkte toegang tot gezondheidszorg en de beperkte studiemogelijkheden. Veel kinderen gaan ook gebukt onder de psychische problemen van hun ouders. De kinderen getuigden verder over de vaak zeer krappe huisvesting en vele verhuizingen. Ook het volgen van onderwijs wordt extra bemoeilijk door de vele verhuizingen, de financiële problemen en de hoge psychische druk waar deze kinderen onder gebukt gaan, zo concludeerde Defence for Childeren Internationaal (S. Bommeljé & K. Braat, Tussen recht en realiteit 2002) na een studie naar de positie van kinderen zonder verblijfstitel in het onderwijs. 19. Dr Kalverboer stelt in verschillende onderzoeken in 2005 en 2006 een breed scala aan problemen vast bij kinderen zonder verblijfstitel. Ze rapporteert over hechtingsstoornissen, ontwikkelingsproblemen, een problematisch verlopende identiteitsontwikkeling, gevoelens van afwijzing en schaamte en parentificatie; de omkering van ouder- en kindrollen. Kalverboer concludeert ook dat er aan al deze problemen weinig te niks gedaan kan worden, zolang de kinderen geen verblijfstitel hebben. 20. De aanmelddossiers van de leden van Wij Willen Blijven, het eigen onderzoek van DCI en de onderzoeken van Dr Kalverboer maken duidelijk dat het gaat om een bijzonder kwetsbare groep kinderen. Zij zullen veel aandacht en zorg nodig hebben om de schade die zij hebben opgelopen voorafgaand aan de vlucht, tijdens de asielprocedure en gedurende het verblijf in de illegaliteit te boven te komen. Hoe langer deze kinderen nog zonder verblijfstitel moeten leven, hoe groter de schade die de kinderen oplopen in hun ontwikkeling. II) Ontvankelijkheid 21. Eisers sub A1 t/m A 8 zijn ontvankelijk in die vorderingen als dragers van in het internationale recht verankerde en in art. 13 aanhef en sub a van de Nederlandse Vreemdelingenwet 2000 aan hen als vreemdelingen in de zin van die wet in het vooruitzicht gestelde rechten. 22. Nu die in art. 13, aanhef en sub a Vw2000 aan de vreemdeling in het algemeen toegezegde mogelijkheid tot verlening van een verblijfsvergunning voor een doel (onder een beperking) als door het internationale recht aan kinderen as such (anders dan aan hun ouders of wettelijke vertegenwoordigers) nog niet in een op hun speciale situatie toegesneden beperking in art. 3.4, eerste lid Vreemdelingenbesluit 2000 werd geconcretiseerd en de hoogste nationale Bestuursrechter, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 19 november 2004 (gepubliceerd in Jurisprudentie Vreemdelingenrecht jaargang 2005 onder nr. 45 met noot B.KJ. Olivier) heeft beslist, dat de in dit art. 13 Vw2000 vermelde algemene grondslagen geen verblijfsdoelen zijn, maar de gronden, tot één waarvan de ingevolge art. 14, tweede lid Vw2000 voor verblijfsvergunningen regulier voor

8 8/57 bepaalde tijd te verbinden beperkingen /verblijfsdoelen voor de door de vreemdeling gevraagde toelating tot Nederland te herleiden zijn, hebben zij hebben rechtstreeks belang bij een toewijzing van (een of meer van die) vorderingen. 23. De daartoe zowel in relatieve als absolute zin bevoegd te achten nationale rechter in Nederland, heeft op grond van art. 3, eerste lid van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (V.N.-Verdrag van 20 november 1989, in werking getreden op 2 september 1990, Trb. 1995,92, hierna te noemen IVRK) met evenzoveel woorden de taak opgedragen gekregen er op toe te zien dat: - de bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen van lidstaten hun uit dat verdrag voortspruitende rechten honoreren en de belangen van het kind steeds de eerste overweging laten zijn en - hun in het tweede lid van dat artikel 3 IVRK vastgelegde verplichting nakomen het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn ( ) en hiertoe alle passende wettelijke bestuurlijke maatregelen nemen en - de lidstaten ter uitvoering van de op hen rustende verplichting, omschreven in het tweede lid van art. 6 IVRK, in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind waarborgen. 24. De alhier genoemde verplichtingen van de Lidstaten op grond van het IVRK zijn uitwerkingen van de al sinds 23 maart 1976 op die Staten rustende verplichtingen, vastgelegd in art. 24 van het International Covenant on Civil and Political Rights (hierna ook te noemen het IVBPR ). 25. Ingevolge het eerste lid van art. 24 IVBPR heeft immers elk kind, zonder onderscheid naar de in dat artikel genoemde factoren recht op die beschermingsmaatregelen die vereist zijn door zijn status van minderjarige van de kant van zijn familie, de maatschappij waarvan hij deel uitmaakt en de Staat waar hij verblijft. Ondermeer dit art. 24 IVBPR is rechtstreeks in elke lidstaat - dus ook in Nederland - werkend, aldus blijkt uit uitspraken van het Human Rights Comittee V.N. dd. 16 augustus 2001 (Winata-So Sab Li vs. Australië, No. 930/2000- CCPR/C/72/D/930/2000 en 6 november 2003 (Bakhtiyari-Bakhtiyari vs. Australië), No. 1069/2002 CCPR/C/79/D/1069/2002). 26. De wetgever in formele zin heeft in art. 13 a en 13 c Vw 2000 niet alleen de faciliteit geschapen voor het realiseren van de hier bedoelde aanspraken op toelating tot Nederland van minderjarige vreemdelingen maar heeft ook in die artikel-onderdelen van de Vreemdelingenwet 2000 de administratie (lees: de Regering en in het bijzonder de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie) opdracht gegeven daar waar internationale rechtsregels daartoe gebieden een rechtsingang en -resultaat te creëren, toegesneden op het specifieke geval van kinderen. 27. Tot nu toe heeft de uitvoerende macht in Nederland met het daartoe aangewezen instrument, te weten de AMvB - het Vreemdelingenbesluit 2000 met gebruikmaking van de daartoe aan de Minister door de wetgever in art. 14, tweede lid van de Vreemdelingenwet aangewezen plek - te weten art. 3.4, eerste lid Vreemdelingenbesluit geen mogelijkheid tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de hier geboden beperking geïmplementeerd.

9 9/ Deze individuele eisers hebben geen mogelijkheid de gedaagde via de bestuursrechter te laten dwingen tot het in de Vreemdelingenwet en daar op berustende uitvoeringsregelgeving opnemen van een faciliteit tot het vastleggen van een hun rechten op een verblijfsvergunning voor het specifiek op hun situatie toegesneden verblijfsdoel als bedoeld in art. 14, tweede lid Vreemdelingenwet juncto art. 3.4, eerste lid Vreemdelingenbesluit De bestuursrechter kan immers onder de vigeur van de huidige Algemene Wet Bestuursrecht (nog) niet oordelen over (in dit het geval het ontbreken van) algemeen verbindende voorschriften. 29. Door die leemte in de voor vreemdelingen in Nederland geldende nationale regelgeving, zoals geïnterpreteerd door de daartoe specifiek bevoegde bestuursrechtspraak worden zij gedwongen en hebben zij recht en belang hiertoe de tussenkomst van de burgerlijke rechter in te roepen en zijn zij in hun vorderingen ontvankelijk. (Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 3 september 2004 in de procedure tussen de Vereniging Asieljuristen Nederland e.a. versus de Staat over de A.C.-procedure, LJN: A07808, C03/018HR) 30. Eisers sub A2 t/m A8 genoemd hebben bovendien anders dan in de daartoe voor honorering van hun zojuist genoemde aanspraken niet bestemde en ook niet geschikte asielprocedure - geen toegang tot de bestuursrechter, nu de Vreemdelingenwet 2000 geen mogelijkheid tot het aanvragen van een verblijfsvergunning door de minderjarige vreemdeling zelf kent en deze eisers verplicht tot het zich laten vertegenwoordigen door hun ouder(s) of andere wettelijke vertegenwoordiger, zoals de artt. 23 en 24 Vreemdelingenwet 2000 juncto de artt t/m 3.33 Vreemdelingenvoorschrift bepalen. 31. De voor deze civiele bodemprocedure relevante stukken uit de dossiers van de eisers A1 t/m A8 worden in het geding gebracht op de door art. 84, vierde lid juncto art. 85 lid 2 RV. aangegeven wijze. 32. WWB Eiseres sub B genoemd, WWB, behartigt via het voeren van dit proces de (niet identieke, maar wel gelijksoortige!) belangen van haar leden, die zij op grond van haar statuten heeft te behartigen. Gebleken is, dat de weg van overleg met de gedaagde geen resultaat opleverde: steeds en consequent weigerde de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de aanvragen van de leden van eiseres als eigen aanvragen te behandelen en beoordelen en systematisch bleef de Minister de door de vereniging en haar advocaat opgeworpen vragen voor zover er al een reactie kwam - beoordelen vanuit het perspectief van de door de ouders van eiseres leden gepretendeerde aanspraken, die niet gebaseerd waren/zijn op rechten voortvloeiend uit het IVRK en IVBPR in vorenbedoelde zin. 33. Op 18 april 2005 startte WWB haar concrete activiteiten ter uitvoering van haar doelstelling via een schriftelijk en ondermeer met een beroep op art. 12 IVRK gemotiveerd verzoek aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie haar toen nog 21 leden met haar advocaat op het departement in Den Haag te ontvangen om hun belangen en aanspraken op verblijfsvergunningen toe te lichten

10 10/57 en daar over in geval van een afwijzend standpunt te discussiëren in aanwezigheid van de Nederlandse pers. Op 12 mei 2005 hebben 20 van de 21 leden van WWB met hun advocaat een tevoren aangekondigde en vanwege het Departement geaccordeerd bezoek aan het Departement in den Haag gebracht, alwaar de Minister wél aanwezig bleek, doch niet bereid bleek te zijn de kinderen persoonlijk aan te horen. Na een toelichting door de leden en hun advocaat ten overstaan van een daartoe verschenen woordvoerder van het Kabinet van de Minister werd WWB een ambtenaar of beslismedewerker van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst aangewezen, die met WWB en haar advocaat de aanspraken van de 21 leden van WWB zou afhandelen. 34. In daaropvolgende telefonische en schriftelijke contacten bleek de Minister slechts bereid de aanspraken van de leden van WWB te bezien vanuit het perspectief van de ouders. Op de voorliggende aanvragen van die ouders zou worden beslist en daarbij zou dan het belang van de kinderen worden meegenomen. Van de 21 leden, die WWB in de startfase van haar bestaan telde, verkregen tot nu 3 leden verblijfsvergunningen met als verblijfsdoel: verblijf bij hun ouders. De ouders van die drie kinderen hadden in een reeks van jaren resp. beroepsprocedures t.o.v. de Vreemdelingenkamer van de Rechtbank te Den Haag met positief resultaat resp. bezwaarprocedures bij de IND in Hoofddorp kanshebbend zien verlopen. Redengevend voor de beslissing tot afgifte van verblijfsvergunningen aan de kinderen was dan ook alleen de omstandigheid dat de Minister in het verblijf van hun ouders had besloten (lees: had moeten beslissen!) te berusten. 35. Voor de overige 18 leden van WWB werd telefonisch en schriftelijk met de uiteindelijk (na twee eerdere niet adequaat reagerende ambtenaren) aangewezen IND-beslismedewerker in Zwolle geprobeerd over de aanspraken van die kinderen te communiceren. Op de aanspraken van de kinderen werd niet adequaat gereageerd en in de enige brief die tot voor kort door de advocaat van WWB werd ontvangen, - gedateerd 12 juli 2005!- werd alleen op de aanspraken van de ouders ingegaan. 36. In het geval van twee van de zes gezinnen werd een hoorzitting in Zwolle uitgeschreven, waar de door de ouders voor zich en hun kinderen ingediende aanvragen zouden worden herbeoordeeld. Bij gelegenheid van die inmiddels (t.a.v. de ouders van vier kinderen) gehouden twee hoorzittingen bleek andermaal, dat op de door de kinderen as such gepretendeerde rechten niet werd ingegaan, ook niet toen die kinderen daar zelf een toelichting op probeerden te geven. In de in die gevallen volgende beschikkingen werd negatief op de aanvragen van de ouders beslist en werd op de aanspraken van de kinderen niet concreet ingegaan. 37. In het geval van de ouders in een derde gezin, waarvan negen Turks-Koerdische leden van WWB - waaronder eisers A3. D, A4. Ha en A5. He - deel uit maken, werd geen hoorzitting gehouden en werd een beschikking geslagen n.a.v. een brief met argumentatie van de advocaat van dat gezin.

11 11/ Volstaan werd met de overwegingen: 1) Gemachtigde heeft aangevoerd dat de afweging van de belangen in het kader van artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van het Kind (IVRK) met zich brengt dat aan betrokkenen een verblijfsvergunning moet worden verleend. Overwogen wordt dat een beoordeling in het kader van het IVRK van toepassing is op aanvragen die betrekking hebben op het beleid ten aanzien van gezinshereniging en gezinsvorming, zoals uiteengezet in hoofdstuk B2 van de Vreemdelingencirculaire. Aangezien de onderhavige aanvraag niet ziet op een beperking als genoemd in hoofdstuk B2 van de Vreemdelingencirculaire, wordt een nadere beoordeling van het IVRK hier buiten beschouwing gelaten en: 2) Uit de tekst, noch uit de wordingsgeschiedenis van het IVRK is af te leiden dat aan het Verdrag een verdergaande strekking moet worden toegekend dan aan de Nederlandse regelgeving omtrent gezinshereniging, zoals deze thans is neergelegd in hoofdstuk B2 van de vreemdelingencirculaire. Ook reiken de grenzen van dit artikel niet verder dan die welke gelden voor de werking van artikel 8 EVRM., waarna afgesloten werd met de tegenwerping, dat de door de kinderen aangevoerde ernstige verwaarlozing van hun belangen via herhaalde overplaatsingen, een onrechtmatige door de Voorzieningenrechter naderhand gecorrigeerde - uitzetting naar Duitsland, angsten en onzekerheden door het lange wachten : het direct gevolg zijn van het onophoudelijk indienen van aanvragen om een verblijfsvergunning en het aanwenden van rechtsmiddelen. 39. Zeer onlangs nl. op 2 juni 2006, nadat de eisers in dit geding de gedaagde over het onderwerp van de met deze dagvaarding aan te vangen civiele procedure hadden aangeschreven en later in gebreke hadden gesteld besloot de gedaagde tot intrekking van eerdere beschikkingen op aanvragen van door de ouders ingediende aanvragen en het uitschrijven van een hoorzitting, die op 21 juli 2006 in Zevenaar gehouden zullen gaan worden. Uit de brief van 2 juni 2006 van de IND (Unit Asiel Zevenaar) blijkt andermaal, dat slechts op de aanvragen van de ouders zal worden ingegaan en de belangen van de kinderen niet n.a.v. eigen aanvragen zullen worden behandeld. Dat het risico op zelfdoding van een of meer leden van dit gezin met alle gevolgen voor de fysieke en psychische gezondheidstoestand van alle kinderen in dit gezin! welk risico de gedaagde op basis van het terzake aan haar uitgebrachte advies van het Bureau Medische Advisering met even zoveel woorden erkend in haar brief van 9 november 2005! in dit geval aanwezig is, heeft de gedaagde niet tot een ander inzicht kunnen brengen. 40. Alweer werd dus zoals in gevallen als deze steeds het geval bleek te zijn en blijven! als oorzaak van de lange onzekerheidsperiode het procesgedrag van de ouders aangewezen, werd over het veel te trage afhandelingtempo van die procedures van de kant van het bestuursorgaan gezwegen en weigerde de Minister in te laten gaan op de concrete situatie van elk kind afzonderlijk en diens beroep op de te lange tijdsduur van de hem/haar tegen zijn/haar wil overkomen wachtperiode, gelijk aan de (te) lange duur van de door zijn/haar ouders gevoerde procedures, waarin de Minister de besluitvormingsprocessen steeds weer veel te lang en met voor de kinderen nadelig en mogelijk fataal gevolg liet duren.

12 12/ Ten onrechte houdt de Minister er geen althans onvoldoende - rekening mee, dat de kinderen gelet op hun leeftijd hun verblijfplaats niet zelf kunnen bepalen of in relevante mate kunnen beïnvloeden (zoals de Centrale Raad van Beroep in zijn arrest van 24 januari 2006, LJN: AV0197) het formuleerde. 42. In het geval van het laatste gezin (waarvan vier leden van WWB deel uitmaken) werd al in de brief van 12 juli 2005 een hoorzitting beloofd, werd vervolgens na herhaald rappél van de kant van de advocaat van WWB n.a.v. het uitblijven van verdere berichten over zo n zitting gedurende een tijdvak van ruim negen maanden (ondanks herhaald telefonisch en schriftelijk aandringen van de kant van WWB en haar advocaat ) niets meer vernomen. 43. Pas nadat de advocaat had in een verontwaardigde brief had gedreigd met een klacht tegen de meerbedoelde met de genoemde speciale afhandelingopdracht voor deze dossiers door haar belaste contact-beslismedewerker en de Minister de hier na te noemen brief dd. 25 april 2006 van eisers met aankondiging van de onderhavige procedure had ontvangen, heeft de Minister de beloofde hoorzitting alsnog op de locatie Zevenaar laten uitschrijven. Uit de brief van 26 april 2006 van de IND (Unit Asiel Zevenaar) blijkt andermaal, dat slechts op de aanvragen van de ouders zal worden ingegaan en de belangen van de kinderen niet n.a.v. eigen aanvragen zullen worden behandeld. 44. Ook in dit dossier werden de kinderen niet als aanvragers bestempeld en werd eenzijdig besloten de ( z.g ) aanvragen te bestempelen als asielaanvragen van de ouders, die mede t.b.v. hun vier kinderen zouden zijn ingediend, zulks uitdrukkelijk tegen de duidelijke bewoordingen in (de toelichtingen op) die pro se - aanvragen van de vier kinderen in! 45. WWB heeft eigen activiteiten ontplooid om te proberen de door haar nagestreefde doel te realiseren en heeft die activiteiten niet met (een kans op) succes bekroond zien worden. Alle pogingen van deze vereniging, haar leden en haar advocaat op een adequate be- en afhandeling van de aanspraken van de leden hebben dus niet mogen baten. 46. WWB is inmiddels uitgegroeid van een bij de aanvang 21-tal leden tellende naar een (stand per 10 juli 2006) door exact 2100 leden gedragen vereniging/belangenorganisatie. 47. Voor een zo goed mogelijke belangenbehartiging heeft de vereniging zich gewend tot DCI-NL) en Defence for Children International - Nederland verzocht ten dienste van de onderhavige pogingen tot realisering van haar doelstelling mede namens haar met de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te corresponderen en spreken. Gelet op de hierboven onder 3 geciteerde doelstellingen van DCI-NL en de door die vereniging in de achterliggende jaren ontplooide activiteiten bestond daar ook alle aanleiding toe.

13 13/ DCI-NL Eiseres sub C, genoemd DCI-NL, behartigt eveneens via het voeren van deze procedure de gelijksoortige belangen van haar leden en de veel ruimer te nemen dat ledenbestand ver overschrijdende - doelgroep, waartoe zij op grond van de hierboven onder 3 op dit onderdeel geciteerde statuten gehouden is. 49. Algemeen bekend mag worden verondersteld (in de zin van art. 149, tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), dat deze eiseres in een reeks van jaren sinds haar oprichting in 1983 actief is geweest met concrete activiteiten, zowel in als buiten rechte, alle gericht op realisering van haar doelstelling. 50. DCI-NL verwijst in dit verband voor wat haar buiten rechte verrichte activiteiten naar de haar website en de daar gepubliceerde opsomming van en toelichting op die activiteiten. 51. Ook het door DCI-NL uitgegeven Tijdschrift voor de rechten van het kind geeft een beeld van over haar feitelijke activiteiten. 52. Voor wat haar verrichtingen binnen rechte betreft wordt verwezen naar (ondermeer) de kort geding procedure, die zij samen met de Stichtingen voor Rechtsbijstand Asiel te s-hertogenbosch, Amsterdam en Arnhem en de Vereniging van Asieladvocaten en juristen te Amsterdam/Alkmaar en het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten te Leiden voerde tegen de Staat der Nederlanden, gericht op het beëindigen, althans in positieve zin beïnvloeden van het systeem van bejegening van minderjarige asielzoekenden in de toen nog zogenoemde AMA-campus. 53. DCI-NL heeft al op 7 juli 1999 een rapport over de positie van kinderen zonder status aangeboden aan de toenmalige Staatssecretaris van Justitie, die daar op reageerde bij brief van 20 januari 2000, waarbij hij de door DCI-NL geconstateerde en toegelichte strijd van de Nederlandse wet- en regelgeving met het IVRK bestreed en beweerde, dat de zowel de invoering van de Koppelingswet als de invoering van het wettelijk MVV-vereiste niet de door DCI-NL verwachte en gesignaleerde negatieve gevolgen voor kinderen zonder status had teweeggebracht. 54. DCI-NL heeft daarna op 26 april 2004 een brief geschreven aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, waarbij zij aan die Minister een pleitnota gezinnen met kinderen in het vreemdelingenbeleid toezond, waar in een groot aantal argumenten werd opgesomd, die haars inziens behoorden te leiden tot een besluit verblijfsvergunningen te verlenen aan kinderen, die langer dan vijf jaar in Nederland zijn en hier zijn ingeburgerd. 55. De Minister heeft in een brief in reactie op die petitie bij brief van 15 juni 2004 aangegeven dit standpunt van DCI-NL niet te delen omdat naar haar mening de ouders van die kinderen verantwoordelijk zijn voor het onrechtmatig verblijf en de individuele belangen van kinderen voldoende zouden worden meegewogen in de verblijfsprocedure van hun ouders.

14 14/ Kortom: eiseres DCI-NL heeft voldoende feitelijke activiteiten verricht om haar statutaire doelstelling in de praktijk te proberen te behartigen, om in haar vorderingen in deze procedure te worden ontvangen. 57. Op 25 april 2006 heeft DCI-NL een brief aan de genoemde Minister gezonden, waar in zij de tot dusver gehandhaafde weigering van de Minister om een verblijfsvergunning te verlenen aan kinderen, die langer dan vijf jaar in Nederland verbleven en hier in onzekerheid over hun basisveiligheid tijdens de procedures van hun ouders werden gelaten, althans een passende voorziening te treffen, die het voor deze groep kinderen zeker zou stellen, dat zij gebruik kunnen maken van de hen op grond van de genoemde internationale rechtsregels toekomende rechten, onrechtmatig noemde en haar verzocht om binnen veertien dagen te reageren en aan te geven of zij bereid is een oplossing voor deze kinderen tot stand te brengen. 58. DCI-NL gaf daar bij aan uiteraard bereid te zijn over deze kwestie met de Minister in overleg te treden. 59. Toen de Minister niet binnen die termijn bleek te hebben gereageerd of anderszins afdoende maatregelen in de door DCI-NL bepleite zin te nemen, hebben eisers op 22 mei 2006 de Minister in gebreke gesteld en gesommeerd dergelijke voorzieningen alsnog binnen vijf werkdagen te treffen, althans binnen die termijn aan te kondigen, dat zij bereid is passende maatregelen ter verzekering van de rechtspositie van de bedoelde groep van kinderen te nemen. 60. Op 12 juni 2006 reageerde de Minister met een brief, waar in zij excuses voor de ondervonden vertraging aanbood en eisers liet weten, dat zij: het opstellen van beleidsregels ten behoeve van toestaan van verblijf aan langdurig in Nederland verblijvende kinderen niet aangewezen acht De bijzonder omstandigheden waarin kinderen kunnen verkeren, ook die van langdurig in Nederland verblijvende kinderen, kunnen worden meegewogen in een procedure waartoe het kind zelf een aanvraag kan indienen, waarna een verblijfsvergunning kan worden verleend op grond van art. 3.4, derde lid Vreemdelingenwet 2000 (de Minister bedoelde hier waarschijnlijk te schrijven Vreemdelingenbesluit 2000, AvD). Als een kind nog niet zelfstandige tot het indienen van een aanvraag in staat is, kan een wettelijke vertegenwoordiger dit voor hem doen, zo schreef de Minister eisers in diezelfde brief. Zij erkende vervolgens, dat: het aan de staat kan zijn de eerste verantwoordelijkheid voor de (verblijfplaats van) hun kind over te nemen, echter alleen in die gevallen waar in de ouders niet langer in staat zijn hun verantwoordelijkheid ten opzichte van het kind te nemen. De Minister schreef vervolgens dat zij: het enkele feit van het langdurig verblijf en daarmee gepaard gaan mate van mate van inburgering niet zonder meer van doorslaggevend belang achtte en het niet juist vond indien alleen op deze grond verblijf zou moeten worden toegestaan.

15 15/57 Zij sloot die brief af met de mededeling, dat het volgens haar: zeer wel mogelijk is aan deze kinderen verblijf toe te staan, zoals zij daarvoor had overwogen en dat hierbij de diverse bijzondere omstandigheden kunnen worden meegewogen. Bij deze weging, zo vervolgde zij: wordt ook steeds bezien of ingevolge internationale verdragen verblijf aan het kind moet worden toegestaan. Deze mogelijkheden om een aanvraag van een kind te toetsen bestaan reeds ingevolge het huidige beleid en gelet hierop is er geen sprake van het schenden van internationale verdragen, zo besloot de Minister haar hier bedoelde gedeeltelijk geciteerde reactie van 12 juni Eisers hebben in die reactie openingen gelezen, die zouden kunnen leiden tot een mogelijk constructief overleg met de Minister en een realisering de aanspraken van de 2100 individueel eisers en de overige leden van de doelgroep van de andere eisers en verwerkelijking van hun doelstellingen. Zij hebben daar op bij brief dd. 19 juni 2006 van hun advocaten aan de Minister laten weten, dat zij graag bereid zouden zijn over die mogelijkheden overleg te voeren, mist aan een aantal in die brief expliciet opgesomde voorwaarden zou zijn voldaan. Op die brief werd ondanks telefonische toezeggingen van medewerkers van de minister in die richting tot op heden niet gereageerd, zulks terwijl die medewerkers wisten, dat de in die brief genoemde uiterste termijn voor een inhoudelijke reactie afliepen op 30 juni 2006, telefonisch met één dag door de advocaten verlengd tot 1 juli Nu de Minister op de eerder genoemde sommatie en in gebreke stelling en sommatie niet overeenkomstig de wensen van eisers heeft gereageerd of anderszins heeft laten blijken tot het treffen van de gevraagde voorzieningen geneigd te zijn, heeft zij eisers geen keus gelaten en zien die zich genoodzaakt ter veiligstelling van hun rechten c.q. die van de leden van hun doelgroep de tussenkomst van de burgerlijke rechter in te roepen. 63. Bevel tot persoonlijke verschijning op schikkingscomparitie Eisers stellen het in het belang van een zo spoedig mogelijke realisering van de door hen voor zich en/of hun doelgroep bepleite rechten op prijs wanneer de Rechtbank met toepassing van art. 87, eerste lid Rv. er toe besluit een verschijning van partijen te gelasten voor het verstrekken van inlichtingen en/of beproeven van een schikking, liefst mét een bevel als mogelijk gemaakt in het tweede lid van dit art. 87 Rv. aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie om als partij in persoon ter comparitie op een daartoe door Uw rechtbank te bepalen datum en tijd in het Paleis van Justitie te s-gravenhage te verschijnen. Zij vragen de rechtbank uitdrukkelijk dat bevel te geven direct na de eerste indiende dag, dus voorafgaand aan een eventuele conclusie van antwoord van de zijde van de gedaagde. 64. Het recht van de onder A opgesomde eisers om persoonlijk door de beslissende instantie (en dat is de Minister in dit geval, nu het alleen in haar macht ligt gebruik te maken van de haar in de Vreemdelingenwet gegeven bevoegdheden tot het treffen van (een of meer van) de hier gevraagde voorzieningen) te worden gehoord, zoals verankerd in art. 12 IVRK, speelt hierbij een belangrijke rol.

16 16/ Bevel tot persoonlijke verschijning ter comparitie of bij pleidooi? Mocht de rechtbank dat pas opportuun oordelen, nadat de gedaagde van antwoord zal hebben gediend, dan verzoeken eisers de rechtbank reeds nu voor alsdan te bepalen, dat de thans weer missionaire genoemde Minister c.q. haar ambtsopvolger in geval zij eerder zal hebben te defungeren uit dat ambt op een comparitie van partijen als hierboven gevraagd, althans met toepassing van het voor dat geval geschreven art. 1345, vierde lid Rv. - bij de door eisers dan te vragen pleidooien in persoon aanwezig zal moeten zijn. 66. Mediation Liever nog zouden eisers overigens zien, dat de rechtbank partijen uitnodigt zich beschikbaar te stellen voor een poging tot mediation tijdens aanhangig geding ter voorkoming van een contradictoire regeling van hun in deze dagvaarding omschreven geschil, dat zich naar het inzicht van eisers bij uitstek leent voor een regeling langs de weg van bemiddeling door een daartoe bekwaam te achten door de rechtbank aan te wijzen mediator. 67. Biedt de discretionaire bevoegdheidvan de Minister ex art. 3.4 derde lid Vb dan misschien een oplossing? Het in art. 13 aanhef en sub a Vreemdelingenwet neergelegde beginsel, dat een verblijfsvergunning wordt gegeven aan elke vreemdeling, die daar op grond van het daartoe nopende internationale recht aanspraak op kan doen gelden, is niet in een wettelijke regeling, uitvoeringsvoorschrift - of beleidsregel uitgewerkt, als gevolg waarvan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie alleen wanneer het haar goeddunkt met gebruikmaking van de haar daartoe in art. 3.4 lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000 gegeven discretionaire bevoegdheid kan besluiten tot verlening van een verblijfsvergunning conform beschikking van de Minister aan ouders én hun minderjarige kinderen. In het beleidsonderdeel neergelegd in Hoofdstuk B2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, waar naar de Minister steeds verwijst, is geen regeling voor de behandeling en afhandeling van eigen aanvragen van kinderen als die van de leden van eiseres B terug te vinden. Steeds worden hun belangen geacht te zijn meegewogen in de beslissingen op de aanvragen van de ouders. 68. Ook de in art. 13, aanhef en onder c Vreemdelingenwet 2000 gegeven aanspraken op een verblijfsvergunning in die gevallen, waarin klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen is niet in een wettelijke regeling, uitvoorschrift of beleidsregel uitgewerkt op een dusdanige wijze, dat een minderjarige daar t.o.v. de bestuursrechter daar een beroep op kan doen. De Minister verwijst immers steeds zoals hiervoor geadstrueerd naar de regeling in Hoofdstuk B2 van de Vreemdelingencirculaire waar in de mogelijkheden tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning in het geval van gezinshereniging en gezinsvorming zijn neergelegd, maar geen voorziening voor aanspraken van minderjarige kinderen pro se zijn terug te vinden. Ook hier heeft de Minister alleen de discretionaire bevoegdheid, haar gegeven in art. 3.4, 3 e lid Vreemdelingenbesluit 2000 te harer beschikking, waarmee zij zoals gezegd - naar eigen goeddunken en zonder voor de aanvrager kenbare criteria zo af en toe een verblijfsvergunning uitdeelt.

17 17/ Duidelijk is inmiddels geworden, dat de gedaagde onvoldoende maatregelen heeft genomen en niet bereid is die alsnog te treffen om er in te voorzien, dat de aanvragen pro se met een beroep op de genoemde (en andere!) hen waarborgen biedende internationale regels van de minderjarige leden van WWB en andere minderjarige vreemdelingen in soortgelijke positie, behorend tot de doelgroep van WWB en DCI-NL als eigen van de procedures van hun ouders/wettelijk vertegenwoordigers onafhankelijke -aanvragen in behandeling zullen/kunnen worden genomen. 70. WWB en DCI-NL staat geen eigen rechtsgang t.o.v. de bestuursrechter ter beschikking waarin zij kan bepleiten dat deze de gedaagde gebiedt zo n algemeen verbindende regeling tot stand te brengen mét de daarbij behorende criteria, die de door de hier boven geciteerde verdragsartikelen gegeven waarborgen voor de bescherming van hun belangen bieden. 71. De door WWB en DCI-NL bij deze ingestelde vorderingen richten zich op een de het individu overstijgende regeling/gedraging en/of nalatigheid van de Staat der Nederlanden en tegen die onrechtmatige overheidsdaad (-nalatigheid) staat geen andere adequate op het individu gerichte rechtsgang open. Deze actie waartoe deze eisers bevoegd zijn op grond van het bepaalde in art. 6:162 juncto art. 3:303 BW - is immers gericht op het opvullen/helen van een lacune in de rechtsbescherming van de bedoelde kinderen via een op last van de daartoe competente burgerlijke rechter tot stand te brengen nieuw c.q. te repareren ondeugdelijk - want onvoldoende bescherming biedend algemeen verbindend voorschrift. 72. Aan de bestuursrechter is de beslechting van een geschil als het onderhavige - gelet op art. 8:2 Awb - (nog) niet opgedragen en WWB en DCI-NL zullen gelet op de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de reikwijdte van het begrip rechtstreeks belanghebbende in art. 1:2 lid 3 Awb - niet ontvankelijk worden verklaard wanneer zij in beroep komen tegen een ten aanzien van (de ouders van) een individuele minderjarige vreemdeling op basis van de Vreemdelingenwet genomen beslissing. 73. Eisers zijn dan ook op grond van het bepaalde in art. 3:305a BW ontvankelijk in hun vorderingen. III) Feiten en rechtsgronden A) Partijen en hun verhouding 74. Reeds hiervoor zijn partijen omschreven en is voldoende duidelijk geworden welke gevolgen het feitelijk handelen en nalaten (tijdig) te handelen van de Minister heeft. In de brief van 25 april 2006 is enerzijds verwezen naar de veel uitgebreidere rapportage van 2004, waarin de schrijnende situatie werd aangekaart. Bij brief d.d. 15 juni 2005 werd door gedaagde geantwoord dat de ouders hiervoor verantwoordelijk zijn en dat de belangen van de kinderen al in voldoende mate zouden zijn meegewogen in de verblijfsprocedure van die ouders, quod non. In de brief van 25 april 2006 is aangegeven dat gebleken is dat de individuele belangen

18 18/57 van kinderen vrijwel nimmer worden meegewogen, hetgeen tevens blijkt uit het feit dat er geen enkele specifiek op de kinderen en hun lang verblijf alhier gericht argument wordt gehanteerd. In de brief van 25 april 2006 is aangegeven dat dit thans geleid heeft tot een vereniging waarin deze ruim 1700 kinderen (inmiddels 2100) voor hun belangen wensen op te komen waarbij specifieke aandacht voor hun positie wordt gevraagd. 75. Er is door DCI-NL gevraagd een einde te maken aan deze schrijnende situatie door een verblijfsvergunning af te geven en er is gewezen op artikel 8 EVRM en het recht op privacy, en de inbreuk op dat recht indien deze kinderen uit hun in Nederland opgebouwd sociaal netwerk worden gehaald. Er is gewezen op oproepen van diverse internationale organisaties om kinderen zonder papieren beter te beschermen. Er is gevraagd passende wetgeving te maken en in de tussentijd reeds voor de bestaande gevallen gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid. Gedaagde is gewezen op haar zorgplicht, die zij ingevolge het IVRK heeft. Gedaagde heeft die zorgplicht ook nimmer ontkend, integendeel, bij monde van de Minister, stond op 10 mei 2006 in de Volkskrant (voorpagina katern Voorkant) te lezen: We moeten ingrijpen helemaal vóór in de opvoeding en We weten dat kinderen met taalachterstand op school komen. Red het dan nog maar eens Uit deze uitlatingen valt af te leiden dat gedaagde zich er van bewust is dat het van wezenlijk belang is kinderen een goede opleiding en opvoeding te geven. Die opleiding en normale opvoeding worden voor eisers thans gefnuikt door allerlei formele regels, waarbij meer (of alleen maar) aandacht is voor het naleven van die regels dan voor de individuele belangen van de kinderen.. B) Het geschil 76. De Minister stelt een streng, doch rechtvaardig vreemdelingenbeleid te voeren, zoals ook in het vorige regeerakkoord afgesproken. Dat het intussen als streng kan worden gekenmerkt wordt verder niet bestreden. Of het ook als rechtvaardig dient te worden aangemerkt wordt betwist zoals in deze dagvaarding ook uiteen wordt gezet. Rechtvaardig houdt niet alleen in dat de eigen wetten en regels worden nageleefd, maar dat ook internationale bepalingen worden gerespecteerd. Met de huidige combinatie van wetten, regels en uitvoeringsbeleid worden naar mening van eisers diverse internationale bepalingen geschonden en wordt in strijd gehandeld met de letter en de geest van het internationaal recht. 77. Het huidige vreemdelingenbeleid is onder meer in strijd met de volgende internationale rechtsregels: - Het IVRK, de vier kernbepalingen: 2, 3, 6, en 12, en de artikelen: 4, 5, 8, 9, 16, 18, 20, 22, 23, 24, 27, 28, 31, 37 en 39 - Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR, artikel 24 kind heeft recht op bescherming) - Kinderbeschermingsverdrag EVRM (artikel 3, 8, 14 EVRM) en het Twaalfde Protocal bij het EVRM - UNHCR Handbook - Handvest van de grondrechten van Europese Unie (artikel 4 folterverbod, artikel 6 recht op veiligheid persoon, artikel 24 rechten van het kind lid 2: Bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.) ), jo artikel 6 EU-verdrag - artikel 5, lid 5 van de EG Richtlijn inzake gezinshereniging

19 19/57 B) a) Toerekenbaarheid. 78. In een rechtvaardig vreemdelingenbeleid dienen alle belangen te worden afgewogen. Voor eisers, althans de vreemdelingen die door eisers worden vertegenwoordigd, geldt dat dit nimmer volledig getoetst is geweest. Normaliter wordt de asielprocedure geheel gebaseerd op het asielrelaas van de ouders, zij worden gehoord en op basis van hun asielrelaas wordt een oordeel geveld. De ouders wordt gevraagd diverse elementen in te brengen en die elementen worden beoordeeld. Daarbij wordt door gedaagde over het hoofd gezien dat door de ouders van eisers wel aangegeven wordt dat er sprake is van kinderen. Zo ook worden kinderen die alhier in Nederland geboren zijn, ook gemeld en meestal automatisch, soms na een daartoe geldend formulier te hebben ingevuld, alsnog meegenomen in de procedure van hun ouders. 79. De kinderen krijgen meestal geen eigen beslissing, er wordt geen afzonderlijke beschikking geslagen. Hun belangen worden geacht te zijn afgewogen bij de beslissing van meestal de moeder, soms bij de vader. Dit terwijl er in de beschikking geen enkele, of nagenoeg geen, afzonderlijke overweging gewijd is aan de positie van de betrokken kinderen, terwijl die toch een duidelijk eigen belang hebben. 80. Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat het handelen, het weigeren van een verblijfsvergunning aan eisers, het niet serieus in behandeling willen nemen van een aanvraag, het weigeren de rechtsgevolgen buiten toepassing te laten volgens de wet of krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van gedaagde komt. Zelfs al is er sprake van een algemeen belang dat met dit handelen wordt gediend, het maakt zulks niet dat gedaagde dan rechtmatig handelt (zie ook HR 28 mei 2004, RvdW 2004/78), gedaagde heeft nog steeds een zorgplicht ten aanzien van deze kinderen. B) b) Inbreuk op het recht 81. B) b) a) Gedwongen terugkeer Op de eerste plaats kan terugkeer voor de kinderen zeer schadelijke gevolgen hebben indien dit naar een onveilige situatie is. Tijdens de toelatingsprocedure is de situatie of een land veilig is, getoetst. Zoals reeds bepleit in eerdere overwegingen worden kinderen in de vreemdelingenrechtelijke procedures echter veelal als "aanhangsels" van hun ouders gezien en zijn hun individuele belangen bij het nemen van een beslissing onvoldoende zorgvuldig afgewogen. Wat veilig is voor volwassenen kan anders zijn dan wat veilig is voor kinderen. Er kunnen voor kinderen andere vluchtredenen een rol spelen dan voor volwassenen. Voorbeelden kunnen zijn dat een kind een lichamelijke of geestelijke aandoening heeft waarvoor in het land van herkomst mogelijkheden ontbreken om adequate hulp te bieden. In een dergelijk geval kan verblijf in Nederland voor het hele gezin aangewezen zijn (Zie brief 20 januari 2000 van voormalig staatssecretaris Justitie Cohen, p. 6. Zie ook Rechtbank s-gravenhage zp s-hertogenbosch, 27 november 1998, JV 1999/63 (Ruitenberg, 2003)). 82. Voorts kunnen kinderen worden aangekeken op de politieke rol die hun ouders gespeeld hebben, of delen zij dezelfde etnische achtergrond, een roerige situatie in het land van herkomst. Voorts is het zo als voor ouders gevangenschap dreigt, dat

20 20/57 kinderen hun verzorging missen. Evenmin kan een kind (en zijn/haar moeder/vader/ouders: zie artikel 9 IVRK) worden uitgezet indien dat zou leiden tot subminimale persoonswording van het kind (dat wil zeggen blootstelling aan onmenselijke, inzonderheid, de veiligheid, de gezondheid en de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigende behandeling. Het is niets meer en niets minder dan het fundamentele recht van het kind op adequate zorg voor een optimale ontwikkeling van zijn of haar persoonlijkheid en uitgroei naar zelfstandig democratisch burgerschap. Kinderen in uitzonderlijk moeilijke omstandigheden, zoals kinderen, [ ] die gepest worden, kinderen van ouders die vervolging, armoede of andere chronisch traumatiserende ellende in het land van oorsprong zijn ontvlucht, hebben daarbij recht op extra bescherming, zorg en aandacht (elfde preambulaire overweging juncto artikelen 9, 20 en 24 IVRK.). Ook artikel 39 IVRK is van toepassing, aangezien Staten in dit artikel worden aangespoord tot het nemen van alle passende maatregelen ter bevordering van het lichamelijk en geestelijk herstel en de herintegratie in de maatschappij van een kind dat het slachtoffer is van welke vorm ook van verwaarlozing, exploitatie of misbruik; foltering of welke andere vorm ook van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing of gewapende conflicten. 83. Het is de vraag of een land van herkomst voor een kind veilig is, indien de volgende reisadviezen over betreffende landen worden gegeven door het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan Nederlanders (Hierbij kan aangetekend worden dat de situatie voor mensen, die de taal van het betreffende land niet beheersen en er geen connecties hebben, anders is dan voor personen die de nationaliteit van het land bezitten en die de taal beheersen. Het zegt echter wel iets over de instabiele situatie in de landen.): Landen waar kinderen naar zullen Reisadvies worden teruggestuurd* 84. Afghanistan 85. Het reizen naar en verblijf in Afghanistan voor niet-essentiële doeleinden wordt ten sterkste ontraden. Noodzakelijke (zaken)reizen naar grote steden in het noorden en westen van Afghanistan, alsook in Kaboel, kunnen met de nodige voorzorgsmaatregelen wel plaatsvinden (zie onder Actualiteiten ). De veiligheidsituatie is instabiel en verschilt per provincie. Door het gehele land blijft de dreiging bestaan van terroristische aanslagen gericht op westerlingen. Nederlanders in Afghanistan wordt dringend verzocht om de ambassade over hun aankomst en vertrek te informeren Angola 87. De Angolese burgeroorlog is in 2002 beëindigd. De onzekere sfeer heeft plaats gemaakt voor meer stabiliteit, hoewel interne spanningen in het land nog niet geheel zijn verdwenen. De huidige veiligheid en infrastructuur in Angola bieden echter nog niet voldoende zekerheden om toeristische bezoeken mogelijk te maken. Niet-essentiële reizen naar Angola worden dan ook ontraden. Essentiële reizen van zakelijke of familiaire aard dienen zorgvuldig te worden voorbereid en uitgevoerd, met inachtneming van het onderstaande advies.

Rapport. Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/192

Rapport. Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/192 Rapport Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/192 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie haar klacht van 16 april 2004 over de lange duur van de behandeling

Nadere informatie

Rapport. Datum: 26 september 2005 Rapportnummer: 2005/293

Rapport. Datum: 26 september 2005 Rapportnummer: 2005/293 Rapport Datum: 26 september 2005 Rapportnummer: 2005/293 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie hem in de beschikking van 25 februari 2004 op zijn bezwaarschrift

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal.

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal. Uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/2308 WWB uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde mr. W.G. Fischer,

Nadere informatie

Rapport. Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148

Rapport. Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148 Rapport Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148 2 Klacht Op 1 februari 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer Y. te Zwolle, ingediend door de Stichting Rechtsbijstand Asiel

Nadere informatie

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Uitspraak 201103208/1/V1. Datum uitspraak: 10 april 2012 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger

Nadere informatie

LJN: BL5725, Rechtbank Zutphen, 109691 / KG ZA 10-10 Print uitspraak

LJN: BL5725, Rechtbank Zutphen, 109691 / KG ZA 10-10 Print uitspraak LJN: BL5725, Rechtbank Zutphen, 109691 / KG ZA 10-10 Print uitspraak Datum uitspraak: 18-02-2010 Datum publicatie: 26-02-2010 Rechtsgebied: Handelszaak Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Onder

Nadere informatie

Rapport. Datum: 24 april 2001 Rapportnummer: 2001/110

Rapport. Datum: 24 april 2001 Rapportnummer: 2001/110 Rapport Datum: 24 april 2001 Rapportnummer: 2001/110 2 Klacht Verzoeker, een Afghaanse asielzoeker, klaagt over de lange duur van de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=bj4...

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=bj4... Page 1 of 5 LJN: BJ4216,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-gravenhage, zittingsplaats Haarlem, AWB 08 / 17794, 08 / 17795, 08 / 17800, 08 / 17805, 08 / 17796, 08 / 17797, 08 / 17798, 08 / 7803 Datum uitspraak:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van: Raad vanstate 201112733/1/V1. Datum uitspraak: 23 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201103602/1/V3. Datum uitspraak: 11 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den

Nadere informatie

Resultaten van het IND-dossieronderzoek

Resultaten van het IND-dossieronderzoek Bijlage 1. Resultaten van het IND-dossieronderzoek 1. Inleiding In de kabinetsnota Privé geweld-publieke zaak, die de Minister van Justitie op 12 april 2002 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, is aandacht

Nadere informatie

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Uitspraak Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-gravenhage sector bestuursrecht vreemdelingenkamer UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht Reg.nr : AWB 08/11247 BEPTDN Inzake : [verzoekster],

Nadere informatie

Rapport. Datum: 26 juni 2001 Rapportnummer: 2001/180

Rapport. Datum: 26 juni 2001 Rapportnummer: 2001/180 Rapport Datum: 26 juni 2001 Rapportnummer: 2001/180 2 Klacht Verzoeker klaagt over de lange duur van de behandeling van zijn aanvraag van 16 oktober 1997 om toelating als vluchteling door de Immigratie-

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201110274/1 NA. Datum uitspraak: 20 december 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Rapport naar aanleiding van een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek. Publicatiedatum 22 juli 2014 Rapportnummer 2014/077

Rapport naar aanleiding van een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek. Publicatiedatum 22 juli 2014 Rapportnummer 2014/077 Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek. Publicatiedatum 22 juli 2014 Rapportnummer 2014/077 2014/077 de Nationale ombudsman 1/7 Verzoekster klaagt erover dat

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek te Den Haag. Datum: 14 mei 2012. Rapportnummer: 2012/081

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek te Den Haag. Datum: 14 mei 2012. Rapportnummer: 2012/081 Rapport Rapport over een klacht over de Dienst Terugkeer en Vertrek te Den Haag. Datum: 14 mei 2012 Rapportnummer: 2012/081 2 Klacht Verzoekster, een advocaat, klaagt erover dat de Dienst Terugkeer en

Nadere informatie

B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf

B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf B16 / Deel B16 Voortgezet verblijf 7 Klemmende redenen van humanitaire aard Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.50

Nadere informatie

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten)

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten) LJN: BI3542, Centrale Raad van Beroep, 08/3709 WJZ + 08/3713 WJZ Datum uitspraak: 15-04-2009 Datum publicatie: 12-05-2009 Rechtsgebied: Sociale zekerheid Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 2O11O9095/1/V1. Datum uitspraak: 20 januari 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

Rapport. Datum: 3 februari 2004 Rapportnummer: 2004/033

Rapport. Datum: 3 februari 2004 Rapportnummer: 2004/033 Rapport Datum: 3 februari 2004 Rapportnummer: 2004/033 2 Klacht Verzoekers klagen over de lange duur van de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van hun aanvraag van 12 september

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 26 732 Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) Nr. 98 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE Aan de Voorzitter

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstatc 201112531/1/V1. Datum uitspraak: 11 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Datum Gemeentelijke opvang illegalen 1 juli 2014 Ons kenmerk 2014/0162/LK/LvdH/IS

Datum Gemeentelijke opvang illegalen 1 juli 2014 Ons kenmerk 2014/0162/LK/LvdH/IS Zijne Excellentie mr. F. Teeven Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EX DEN HAAG Onderwerp Datum Gemeentelijke opvang illegalen 1 juli 2014 Ons kenmerk 2014/0162/LK/LvdH/IS Zeer

Nadere informatie

Rapport. Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/053

Rapport. Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/053 Rapport Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/053 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Korps landelijke politiediensten onvoldoende voortvarend heeft gereageerd op het door hem bij brief van

Nadere informatie

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 december 2010

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 december 2010 Uitspraak RECHTBANK 's-gravenhage Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 10 / 31129 uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 december 2010 in de zaak

Nadere informatie

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: 200904515/1/V1. Datum uitspraak: 13 januari 2010 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

1. de heer K, wonende te X, aan het adres X, hierna te noemen K

1. de heer K, wonende te X, aan het adres X, hierna te noemen K Mr. R. Menschaert 1 08/1914.01/pva Heden de en acht tweeduizend ten verzoeke van 1. de heer K, wonende te X, aan het adres X, hierna te noemen K te dezer zake woonplaats kiezende te 's-gravenhage aan het

Nadere informatie

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder.

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder. HOF VAN DISCIPLINE No. 4516 ------------ HET HOF VAN DISCIPLINE heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder. Bij beslissing van 6 februari 2006 heeft de Raad

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbams:2013:bz6442&keyword=bz6442 1

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbams:2013:bz6442&keyword=bz6442 1 Modeldagvaarding: Bemiddelingsovereenkomst met makelaar/bemiddelaar voor een zelfstandige woning waarbij de makelaar/bemiddelaar zowel voor de particuliere huurder als de verhuurder heeft bemiddeld. Een

Nadere informatie

I Procesverloop 1 Eiser stelt te zijn geboren op [ ] en de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten.

I Procesverloop 1 Eiser stelt te zijn geboren op [ ] en de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten. Uitspraak RECHTBANK S-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer, enkelvoudig Nevenzittingsplaats Rotterdam Reg.nr : AWB 11/4568 V-nummer: [ ] Inzake: [ ], eiser, gemachtigde mr. K.J. Kerdel, advocaat

Nadere informatie

In bezwaar of beroep

In bezwaar of beroep In bezwaar of beroep Wanneer u het niet eens bent met een beslissing van de Nederlandse overheid op grond van de Vreemdelingenwet, dan kunt u hiertegen juridische stappen ondernemen. Dit informatieblad

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201 111 162/1/V3. Datum uitspraak: 28 oktober 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden Permanente commissie Secretariaat van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, telefoon 31 (30) 297 42 14/43 28 telefax 31 (30) 296 00 50 e-mail cie.meijers@forum.nl postbus 201, 3500 AE Utrecht/Nederland

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstatc 201012059/1/V1. Datum uitspraak: 25 januari 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 31 januari 2013 in de zaak tussen

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 31 januari 2013 in de zaak tussen Uitspraak RECHTBANK 's-gravenhage Nevenzittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 12 / 26425(beroep) AWB 12 / 26426 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

Nadere informatie

LJN: AZ2923, Rechtbank 's-gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, AWB 06/36572

LJN: AZ2923, Rechtbank 's-gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, AWB 06/36572 LJN: AZ2923, Rechtbank 's-gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, AWB 06/36572 Print uitspraak Datum uitspraak: 25-08-2006 Datum publicatie: 29-11-2006 Rechtsgebied: Soort procedure: Inhoudsindicatie: Vreemdelingen

Nadere informatie

Procedurenummers: AWB 06/157 WET VV + AWB 06/158 WET VV + AWB 06/159 WET VV

Procedurenummers: AWB 06/157 WET VV + AWB 06/158 WET VV + AWB 06/159 WET VV Uitspraak RECHTBANK MAASTRICHT Sector Bestuursrecht Procedurenummers: AWB 06/157 WET VV + AWB 06/158 WET VV + AWB 06/159 WET VV Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op de verzoeken

Nadere informatie

Rapport. Datum: 13 juli 2006 Rapportnummer: 2006/241

Rapport. Datum: 13 juli 2006 Rapportnummer: 2006/241 Rapport Datum: 13 juli 2006 Rapportnummer: 2006/241 2 Klacht Verzoeksters klagen erover dat zij geen contact konden krijgen met de Visadienst kort verblijf van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1998 309 Besluit van 14 mei 1998 tot wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 Wij Beatrix, bij

Nadere informatie

IND-werkinstructie nr. 2005/32 (AUB)

IND-werkinstructie nr. 2005/32 (AUB) IND-werkinstructie nr. 2005/32 (AUB) ^~å Procesdirecteuren c.c. HDVB s~å Hoofddirecteur IND a~íìã 24 oktober 2005 sáåçéä~~íë Quest raadplegen låçéêïéêé Werkwijze naar aanleiding van prejudiciële vragen

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201113051/1/V3. Datum uitspraak: 30 december 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstatc 201107210/1/V1. Datum uitspraak: 21 juni 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 200704372/1. Datum uitspraak: 28 november 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201 202934/1 /V3. Datum uitspraak: 25 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over IND uit Utrecht. Datum: 10 maart 2011. Rapportnummer: 2011/090

Rapport. Rapport over een klacht over IND uit Utrecht. Datum: 10 maart 2011. Rapportnummer: 2011/090 Rapport Rapport over een klacht over IND uit Utrecht. Datum: 10 maart 2011 Rapportnummer: 2011/090 2 Klacht Verzoeker, afkomstig uit Marokko, klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Nadere informatie

Rapport. Datum: 27 oktober 2005 Rapportnummer: 2005/329

Rapport. Datum: 27 oktober 2005 Rapportnummer: 2005/329 Rapport Datum: 27 oktober 2005 Rapportnummer: 2005/329 2 Klacht Verzoekers, partners, klagen erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), dan wel de vreemdelingendienst van het regionale politiekorps

Nadere informatie

2.1 Voorschriften voor opneminq en toelatinq voor wat betreft verzoeken om opneming ingediend vanaf 15 juli 1989

2.1 Voorschriften voor opneminq en toelatinq voor wat betreft verzoeken om opneming ingediend vanaf 15 juli 1989 B 18 Buitenlandse pleeskinderen 4 Bij de beslissing tot toelating dient door de Minister van Justitie getoetst te worden aan het algemene "aanvaardbare toekomstcriterium". Dit criterium houdt in dat een

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201111247/1/V4. Datum uitspraak: 1 december 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 19 637 Vreemdelingenbeleid Nr. 2195 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), appellant,

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), appellant, Raad vanstate 200902318/1/V2. Datum uitspraak: 4 oktober 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van; de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), appellant,

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland te Leiden. Datum: Rapportnummer: 2014/025

Rapport. Rapport over een klacht over de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland te Leiden. Datum: Rapportnummer: 2014/025 Rapport Rapport over een klacht over de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland te Leiden. Datum: Rapportnummer: 2014/025 2 Klacht Verzoekster klaagt er over dat haar over het

Nadere informatie

Rapport. Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/091

Rapport. Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/091 Rapport Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/091 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Directeur van de Voedsel en Waren Autoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hem

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie

JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel )

JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel ) JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel ) [De minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Frankrijk, wonende

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201103712/1/V1. Datum uitspraak: 18 oktober 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 Rapport Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 2 Klacht Het niet opnemen van een rechtsmiddelenclausule conform artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht in de beslissing van 17 december 2003

Nadere informatie

De CIO van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG AANTEKENEN

De CIO van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG AANTEKENEN POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De CIO van de Immigratie- en Naturalisatiedienst

Nadere informatie

Rapport. Datum: 11 oktober 1999 Rapportnummer: 1999/438

Rapport. Datum: 11 oktober 1999 Rapportnummer: 1999/438 Rapport Datum: 11 oktober 1999 Rapportnummer: 1999/438 2 Klacht Op 24 december 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Hengelo, ingediend door Thuiszorg Centraal Twente

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Datum: Rapportnummer: 2013/058

Rapport. Rapport over een klacht over de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Datum: Rapportnummer: 2013/058 Rapport Rapport over een klacht over de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Datum: Rapportnummer: 2013/058 2 Klacht Verzoekers klaagden erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst tijdens het eerste

Nadere informatie

BESLUIT. Openbaar. Nederlandse Mededingingsautoriteit. Verloop procedure en feitelijke achtergrond

BESLUIT. Openbaar. Nederlandse Mededingingsautoriteit. Verloop procedure en feitelijke achtergrond Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer 4040-31 Betreft zaak: Klacht Van der Brugge tegen Raden voor Rechtsbijstand en NOvA Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2005.2662 (068.05) ingediend door: hierna te noemen 'klagers', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

Buitenlandse pleegkinderen

Buitenlandse pleegkinderen Buitenlandse pleegkinderen Buitenlandse pleegkinderen Algemeen Adoptief-pleegkinderen Voorschriften betreffende de behandeling van verzoeken om opneming Voorschriften voor opneming en toelating Voorschriften

Nadere informatie

Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000

Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 JU Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 5 oktober 2004, nummer 2004/59, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. De Minister

Nadere informatie

Rapport. Datum: 8 augustus 2001 Rapportnummer: 2001/237

Rapport. Datum: 8 augustus 2001 Rapportnummer: 2001/237 Rapport Datum: 8 augustus 2001 Rapportnummer: 2001/237 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat Cadans Uitvoeringsinstelling BV te Rijswijk op 22 december 2000 nog steeds niet had beslist op zijn aanvraag

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER 07/6943 WWB 07/6944 WWB U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank

Nadere informatie

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 27 mei 2015 in de zaak tussen

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 27 mei 2015 in de zaak tussen 15:37:31 28-05-2015 2/6 uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht V-nummer: uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 27 mei 2015 in de zaak tussen eiseres,

Nadere informatie

pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBDHA:2014:6145 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 20-05-2014 Datum publicatie 04-06-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden AWB-13_10151 Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

Uitspraak artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) j artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

Uitspraak artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) j artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) Arroridissementsrechtbank te s-gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer Uitspraak artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) j artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant,

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant, Raad vanstate 200700246/1. Datum uitspraak: 6 juni 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant, tegen de uitspraak in zaak

Nadere informatie

Rapport. Datum: 8 december 2000 Rapportnummer: 2000/370

Rapport. Datum: 8 december 2000 Rapportnummer: 2000/370 Rapport Datum: 8 december 2000 Rapportnummer: 2000/370 2 Klacht Op 12 augustus 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer R. te Eindhoven, met een klacht over een gedraging van

Nadere informatie

1. Procedure. 2. Feiten

1. Procedure. 2. Feiten Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 153 d.d. 23 augustus 2010 (mr. V. van den Brink, voorzitter, en de heren G.J.P. Okkema en prof. drs. A.D. Bac RA) 1. Procedure De Commissie

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201109329/1/V1. Datum uitspraak: 17 augustus 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht {hierna: de Awb) op

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden. LJN: AU3784, Raad van State, 200501342/1 Print uitspraak Datum uitspraak: 05-10-2005 Datum publicatie: 05-10-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

Rapport. Datum: 14 juli 1998 Rapportnummer: 1998/274

Rapport. Datum: 14 juli 1998 Rapportnummer: 1998/274 Rapport Datum: 14 juli 1998 Rapportnummer: 1998/274 2 KLACHT Op 18 juni 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer S. te Geertruidenberg, ingediend door de heer mr. C.J. Verpaalen,

Nadere informatie

Directoraat-Generaal voor Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken

Directoraat-Generaal voor Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Ministerie van Justitie Directoraat-Generaal voor Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland t.a.v. de algemeen

Nadere informatie

No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012

No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 ... No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2012, no.12.001344, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering

Nadere informatie

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 7 mei 2012.

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 7 mei 2012. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2012-204 d.d. 11 juli 2012 (mr. R.J. Verschoof, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en mr. M.L. Hendrikse, leden, en mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Nadere informatie

Rapport. Datum: 25 januari 2007 Rapportnummer: 2007/012

Rapport. Datum: 25 januari 2007 Rapportnummer: 2007/012 Rapport Datum: 25 januari 2007 Rapportnummer: 2007/012 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland (verder te noemen: IZA) hem voorafgaand aan de behandeling

Nadere informatie

Zaaknummer : 2013/129

Zaaknummer : 2013/129 Zaaknummer : 2013/129 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 13 november 2013 Partijen : Appellante tegen CBE Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : Bindend negatief studieadvies, finale geschillenbeslechting,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 621 Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet

Nadere informatie

LJN: BJ3621, Raad van State, 200805962/1. Datum uitspraak: 21-07-2009 Datum publicatie: 24-07-2009

LJN: BJ3621, Raad van State, 200805962/1. Datum uitspraak: 21-07-2009 Datum publicatie: 24-07-2009 LJN: BJ3621, Raad van State, 200805962/1 Datum uitspraak: 21-07-2009 Datum publicatie: Rechtsgebied: 24-07-2009 Vreemdelingen Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Toetsingskader / realiteitsgehalte

Nadere informatie

Reglement bezwaarprocedure SVWN

Reglement bezwaarprocedure SVWN Reglement bezwaarprocedure SVWN Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland Versie 1.0, vastgesteld 15 december 2015 1/10 Inhoud Begripsbepalingen... 3 De bezwaarcommissie... 3 Procedure... 4 Voorbereiden

Nadere informatie

Rapport. Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312

Rapport. Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312 Rapport Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) incorrecte informatie heeft verschaft in de brochure en op de

Nadere informatie

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beslissing als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 135.2003 van: [ ], wonende te [ klaagster, ], Duitsland, tegen: [

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER 08/5117 WWB 08/5118 WWB U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te Amsterdam,

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstatc 200704821/1. Datum uitspraak: 23 november 2007 RECTIFICATIE: blz. 2 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Uitvoering Onderwijs te Groningen. Publicatiedatum: 15 januari 2015. Rapportnummer: 2015/010

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Uitvoering Onderwijs te Groningen. Publicatiedatum: 15 januari 2015. Rapportnummer: 2015/010 Rapport Rapport over een klacht over de Dienst Uitvoering Onderwijs te Groningen. Publicatiedatum: 15 januari 2015 Rapportnummer: 2015/010 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Dienst Uitvoering Onderwijs

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP 02/2895 AOW en 05/6118 AOW in het geding tussen: [appellant], wonende te Spanje, appellant, en U I T S P R A A K de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

Nadere informatie

ANONIEM BINDEND ADVIES

ANONIEM BINDEND ADVIES ANONIEM BINDEND ADVIES Partijen : A te B, in deze vertegenwoordigd door C te D vs E te F Zaak : Geneeskundige zorg, medisch specialistische zorg, MoM heupprothese, buitenland Zaaknummer : ANO07.202 Zittingsdatum

Nadere informatie

Rapport. Datum: 23 maart 2000 Rapportnummer: 2000/116

Rapport. Datum: 23 maart 2000 Rapportnummer: 2000/116 Rapport Datum: 23 maart 2000 Rapportnummer: 2000/116 2 Klacht Op 1 juli 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer M. te Arnhem, ingediend door de heer mr. B.W.M. Toemen, advocaat

Nadere informatie

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-132 d.d. 6 mei 2013 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter en mr. S.N.W. Karreman, secretaris)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-132 d.d. 6 mei 2013 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter en mr. S.N.W. Karreman, secretaris) Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-132 d.d. 6 mei 2013 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter en mr. S.N.W. Karreman, secretaris) Samenvatting Rechtsbijstandverzekering. In een geval

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten

JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten Aflevering 1999 afl. 13 College Rechtbank Amsterdam Datum 9 augustus 1999 Rolnummer

Nadere informatie

3. Bij brief van 3 mei 2007 heeft het hoogheemraadschap naar aanleiding van een brief van verzoekster van 27 maart 2007 gesteld:

3. Bij brief van 3 mei 2007 heeft het hoogheemraadschap naar aanleiding van een brief van verzoekster van 27 maart 2007 gesteld: Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft geweigerd haar kwijtschelding te verlenen van de waterschapsbelasting 2007. Zij is het er niet mee

Nadere informatie

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 Print uitspraak Datum uitspraak: 22-10-2010 Datum publicatie: 29-10-2010 Rechtsgebied: Bouwen Soort procedure: Voorlopige

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 10 SEPTEMBER 2007 S.07.0003.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.07.0003.F A. T., Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LUIK.

Nadere informatie