jaarverslag 2014 instituut gak ª jaarverslag 2014 Stichting Jeugdwerk Zuidplas Sport4Work pagina 63

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "jaarverslag 2014 instituut gak ª jaarverslag 2014 Stichting Jeugdwerk Zuidplas Sport4Work pagina 63"

Transcriptie

1 jaarverslag instituut gak ª jaarverslag Stichting Jeugdwerk Zuidplas Sport4Work pagina 63

2 jaarverslag

3 2 Inhoud 3 Voorwoord van de voorzitter Voorwoord van de voorzitter 3 Kerncijfers 5 Robots en de ontwrichtende arbeidsmarkt 6 (Theo Huibers) Bestuursverslag 13 Het domein van de sociale zekerheid maakt ingrijpende veranderingen door. Op 1 januari 15 is de Participatiewet van kracht geworden. Deze wet vervangt de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening en een groot gedeelte van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. De uitvoering van de Participatiewet is bij de gemeenten gelegd. Datzelfde geldt voor de begeleiding, ondersteuning en verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, die naar de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn overgebracht. Hiermee wordt vorm gegeven aan de door de overheid ingezette decentralisatie. Vanuit de burger gezien komt hiermee de uitvoering van deze voorzieningen dichter bij huis, al is het de vraag in hoeverre de burger dit ook zo ervaart. I Algemeen 13 II Wetenschappelijk onderzoek III Leerstoelen 42 IV Praktische projecten 46 V Beleggingsbeleid 68 VI Organisatie 76 Jaarrekening 84 Overige gegevens 102 Controleverklaring van de onafhankelijke accountant 102 De genoemde decentralisatie is een grote stap die veel stof geeft tot discussie. Een stap die, ik citeer Van de Donk (), om veel meer gaat dan de overheveling van de (jeugd)zorg, de maatschappelijke ondersteuning en de participatie. Het gaat eigenlijk veel meer om de nieuwe vormgeving daarvan in een sterk veranderende samenleving. Instituut Gak maakt wetenschappelijk onderzoek naar verschillende aspecten van deze decentralisatie financieel mogelijk. Naar verwachting zal de decentralisatie ook gevolgen hebben voor de praktische projecten waarvoor bij het Instituut financiële ondersteuning wordt gevraagd. Ook het in april door de sociale partners en de regering overeengekomen Sociaal Akkoord heeft impact op de praktische projecten waarvoor financiële ondersteuning wordt aangevraagd. In dit akkoord is afgesproken dat het quotum met de verplichting voor werkgevers om vijf procent van het personeelsbestand uit arbeidsgehandicapten te laten bestaan vooralsnog niet wordt ingevoerd. Wel hebben werkgeversorganisaties het commitment uitgesproken om tot een inclusievere arbeidsmarkt te komen. Uitgangspunt blijft om in de periode tot 26 in totaal mensen met een arbeidshandicap een baan te bieden, in het bedrijfsleven en bij de overheid. Door de vele praktische projecten op het gebied van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt die het Instituut de laatste jaren mocht financieren, is er veel kennis en expertise opgebouwd. Het Instituut hoopt met de opgedane kennis aan de verwezenlijking van een inclusievere arbeidsmarkt bij te dragen. Een belangrijke constatering is dat veel praktische projecten waarvoor financiële ondersteuning wordt gevraagd uitgaan van de positie van de werkzoekende, die wordt bijgestaan om een traject te doorlopen en aansluitend passend werk te vinden. Doordat de aansluiting met de vraag van werkgevers in veel gevallen ontbreekt, is zeker met de huidige krappe arbeidsmarkt de kans op succes van veel van deze projecten beperkt. De betrokkenheid van werkgevers bij dergelijke praktische projecten blijkt van groot belang. Om die reden wordt bij de selectie van de door het Instituut financieel te steunen initiatieven veel belang gehecht aan de betrokkenheid van werkgevers bij die initiatieven. Daarom ziet het Instituut het als een positieve ontwikkeling dat de werkgeversorganisaties met het Sociaal Akkoord het commitment hebben afgegeven banen voor arbeidsgehandicapten te zoeken en te creëren. Aan de groep mensen die het vanwege een psychische aandoening moeilijk heeft om een plek op de arbeidsmarkt te vinden, heeft het Instituut in veel aandacht besteed. Zo is onder de naam Collega s met karakter een campagne op televisie, radio en internet gestart met het oogmerk de beeldvorming bij werkgevers ten aanzien van werknemers met een psychische aandoening positief te beïnvloeden. Een bijzondere ontwikkeling, met mogelijke gevolgen voor de arbeidsmarkt, is wat wel wordt aangeduid als robotisering van de samenleving, een onderwerp waarvoor minister Asscher op 29 september aandacht heeft gevraagd tijdens het SZW congres. Het leek het bestuur van het Instituut interessant een wetenschapper te vragen hierover zijn licht te laten schijnen. Een boeiende bijdrage van prof. dr. Th. Huibers over de verschillende aspecten van robotisering treft u op de pagina's 6 t/m 12 van dit jaarverslag aan.

4 4 Voorwoord van de voorzitter 5 Kerncijfers Bij de vaststelling van onderwerpen waaraan het Instituut door middel van wetenschappelijk onderzoek aandacht wil besteden laat het bestuur zich adviseren door zijn breed samengestelde raad van advies. In heeft deze raad afscheid genomen van de heren mr. B.E.M. Wientjes en drs. J. Smit. Het bestuur is hen zeer erkentelijk voor hun inzet voor het Instituut. In mocht het bestuur tot zijn genoegen als nieuwe leden van deze raad mevrouw drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten, de heer mr. M.J.H. Limmen, de heer drs. J. de Boer, almede mevrouw mr. G.H. Faber verwelkomen. In is de heer prof. mr. dr. C.J.M. Schuyt teruggetreden als voorzitter van de wetenschappelijke raad. Het bestuur is hem zeer erkentelijk voor de voortreffelijke wijze waarop hij zich heeft ingezet voor het Instituut. In de loop van heeft prof. dr. E.M.H. Hirsch Ballin het voorzitterschap van hem overgenomen. In het kader van de instandhouding van het vermogen laat het bestuur zich adviseren door de beleggingscommissie. Eind is prof. dr. Th. E. Nijman teruggetreden als lid van deze commissie. Het bestuur is hem zeer erkentelijk voor zijn zichtbare, voortdurende en betrokken inzet voor het Instituut. Begin 15 is hij opgevolgd door prof. dr. R.A.H. van der Meer. Het bestuur zal ook in de toekomst dankbaar gebruik maken van de weloverwogen adviezen van deze deskundige en ervaren commissie. In is het aantal aan het Instituut verbonden leerstoelen verder uitgebreid tot veertien en hebben vier nieuwe hoogleraren zich aan het Instituut verbonden, te weten prof. dr. L. Heerma van Voss, prof. dr. W.L. Roozendaal, prof. dr. S. Brouwer en prof. dr. H. van Meerten. In is prof. dr. Ph. R. de Jong met emeritaat gegaan. Per 1 maart 15 is de heer prof. dr. P. Schoukens benoemd op de (vacante) leerstoel Internationaal en Europees sociaal zekerheidsrecht (Universiteit van Tilburg). Het bestuur is de raad van advies, de wetenschappelijke raad, de beleggingscommissie en de aan het Instituut verbonden hoogleraren erkentelijk voor de gegeven adviezen en de inzet. Ook is het bestuur het bureau erkentelijk voor de voortdurende inzet voor alle werkzaamheden. Missie Onderstaand overzicht geeft een beeld waartoe de missie van Instituut Gak, het leveren van een bijdrage aan de kwaliteit van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt dankzij aanwending van het rendement op het vermogen, heeft geleid. Het gaat hierbij om ondersteuning van: Wetenschappelijk onderzoek Leerstoelen Praktische projecten Aantallen Projecten Wetenschappelijk onderzoek Publiek debat Ontwikkeling en evaluatie instrumenten en methoden Voorlichting Preventie Activering Lopende onderzoeksprojecten Betrokken onderzoekers Deelnemers nieuwe activeringsprojecten Leerstoelen Aangevraagde subsidies (in duizenden euro's) Instituut Gak, Mr. F.K. Buijn, voorzitter Financiële gegevens (in duizenden euro's) Eigen vermogen per 31 december Resultaat beleggingen ,2% 3,4% 10,2% -0,7% 11,3% Bestedingen Wetenschappelijk onderzoek Publiek debat Ontwikkeling en evaluatie instrumenten en methoden Voorlichting Preventie Activering Garanties / reserveringen Honoraria hoogleraren Vrijval besteding oude jaren Kosten organisatie

5 6 Robots en ontwrichting van de arbeidsmarkt Theo Huibers 7 Let the robots do the work. Dat is de marketingslogan van mijn robotstofzuiger. Een heerlijke gedachte, maar waar eindigt het werk dat robots van ons zullen overnemen? Is het werk dat resteert materieel en duurzaam mensenwerk? En wat wordt de impact op onze samenleving waarin arbeid één van de belangrijkste pijlers is? Vragen die in Nederland door minister Asscher in zijn speech over de robotisering van arbeid tijdens het SZW-congres op 29 september op de agenda zijn gezet. Feitelijk debat over robotisering blijft uit In Nederland werden met deze speech van minister Asscher de nationale schijnwerpers op de mogelijk ontwrichtende impact van technologie op de werkgelegenheid en de sociale zekerheid gericht. In plaats van een feitelijke verkenning en maatschappelijk richtinggevend debat over de impact van een verregaande robotisering op de werkgelegenheid en bijvoorbeeld de toenemende inkomensongelijkheid en de houdbaarheid van onze overheidsfinanciën, leidde deze speech slechts tot een wellesnietesspelletje over de te verwachten groei van technologie en robots en het al dan niet meestijgen van de werkgelegenheid. De strijd werd gevoerd vanuit twee kampen. Het eerste ga-maar-rustigslapen -kamp voerde een aantal deskundigen op, waaronder ING-hoofdeconoom Marieke Blom en minister Asscher, die verkondigden dat nieuwe technologie altijd al leidde tot discussies over het verdwijnen van banen, dat dit laatste nog nimmer is voorgekomen en dat dit daarom ook nooit voor zal komen. Nieuwe technologie leidt volgens dit kamp altijd tot groei van de arbeidsmarkt. Dus ook deze keer. Kortom, er is vooralsnog helemaal niets (ergs) aan de hand 2. Het tweede het-wordt-nooit-meerzoals-het-was -kamp verkondigde daarentegen het doemscenario. Technologie wordt zó snel zó slim, dat robots met exponentiële kracht zelfbewustzijn ontwikkelen en de vervolmaking van kunstmatige intelligentie het einde van de menselijke soort kan inluiden. Zo vreesde de Britse natuurkundige, wiskundige en kosmoloog Stephen Hawking dat zelfdenkende robots zichzelf continu zullen herprogrammeren, hierdoor steeds intelligenter worden en zo uiteindelijk de regie op het dagelijks leven van de mens zullen overnemen 3. Ook de Amerikaanse ingenieur en ondernemer Elon Musk medeuitvinder van PayPal, SpaceX en Tesla verwoordde soortgelijke zorgen over de opkomst van robots 4. Tien mentale richtingwijzers om doemdenken tegen te gaan Ik ageer tegen het eerste kamp, maar ik bestrijd het doemdenken van het tweede kamp. Dit doemdenken staat een feitelijk debat namelijk in de weg. Uitgangspunt voor mij en velen met mij 5 is dat robotisering in tegenstelling tot de industrialisatie van de 18e en 19e eeuw, de mechanisatie van de eerste helft van de e eeuw en de automatisering van de tweede helft van de e eeuw een structureel lagere vraag naar arbeid creëert. Dit zal leiden tot een nieuw maatschappelijk paradigma op arbeid met structurele aanpassingen van overheidstaken en het maatschappelijke financieringssysteem. Robotisering creëert tegelijkertijd kansen voor een fundamenteel andere samenleving, economie en overheid. We zullen individueel en samen opnieuw vorm moeten gaan geven aan werken en leven. Dat zie ik als één van de grootste opgaven van onze tijd en ik vind het de morele plicht van de politieke en bestuurlijke leiders van Nederland om doemdenken tegen te gaan en realistisch optimisme te bevorderen. Echt leiderschap kun je tonen als er een beroep op je wordt gedaan in ontwrichtende tijden en dat is wat mij betreft nu het geval. Om doemdenken te voorkomen introduceer ik tien uitgangspunten voor het debat: 1. We kunnen robotisering niet tegengaan of stopzetten, maar we kunnen er wel richting aan geven 2. We hebben feiten nodig om de impact van robotisering te kunnen bepalen, maar erkennen dat feiten over de toekomst niet bestaan 3. We kunnen in Nederland kansen grijpen in de robotisering, maar kunnen dit niet zonder internationaal samen te werken 4. We verlangen van onze nationale overheid een visie op robotisering, maar erkennen dat een regierol voor onze overheid in een geglobaliseerde wereld een illusie is 5. We kunnen niet voorkomen dat robotisering de schaarste van grondstoffen vergroot, maar kunnen wel streven naar maximaal hergebruik bij de productie van robots 6. We kunnen niet voorkomen dat de inkomensongelijkheid door robotisering toeneemt, maar kunnen wel streven naar solidaire herverdeling van uit robots voortgekomen welvaart 7. We kunnen niet van iedereen verlangen door robotisering meer zelfredzaam te worden of te blijven, maar kunnen robotisering wel aangrijpen om zelfredzaamheid te vergroten 8. We kunnen de impact van robotisering op toekomstige generaties niet bepalen, maar kunnen wel solidair zijn met generaties die moeite hebben om zich aan te passen 9. We kunnen niet voorkomen dat robotisering zich ontwikkelt op basis van marktwerking, maar kunnen daar waar sprake is van marktfalen wel corrigeren 10. We kunnen de angst voor robotisering niet wegnemen, maar kunnen de negatieve effecten van robotisering voor individuen wel voorzien en tijdig adresseren. Exponentiële ontwikkeling van robots op weg naar schijnbaar menselijke intelligentie Robots ontwikkelen zich op vele vlakken met een exponentiële kracht tot real humans 6. Ze kunnen op dit moment al menselijke gevoelens herkennen 7, voetballen 8, lesgeven 9 10, museumrondleidingen geven 11, liftend door landen reizen 12, objecten beveiligen 13, mensenlevens redden, pianospelen 15, dammen en schaken, gedichten en verhalen schrijven, schilderen 16, muziek componeren 17, koken 18, hotelroomservice verzorgen 19, zieken behandelen en verzorgen, kameelrijden 21 en het journaal presenteren 22. Steeds meer van deze specifieke robots slagen voor de Turingtest. Een test, in 1936 beschreven door de Britse wiskundige Alan Turing, die bepaalt of een machine menselijke intelligentie kan tonen bij het uitvoeren van een specifieke taak. Een machine die zelfs zo intelligent is (en daarmee menselijk lijkt) dat het verschil tussen mens en machine niet meer waarneembaar is. Daarmee niet gezegd hebbende dat robots bewustzijn creëren. Ze hebben immers geen besef of beleving van hun eigen ik en de omgeving. Hooguit zullen ze in staat zijn om een bewustzijn te simuleren. Robots zijn in onze beleving machines die menselijke activiteiten overnemen of machines die samenwerken met mensen. Dat kan dus van alles zijn, van een ding dat iets in elkaar zet, tot een softwarebot die complexe beslissingen neemt. Ze kunnen vast in een productiehal aanwezig zijn, mobiel als intelligente auto rondrijden of razendsnel door een distributiecentrum bewegen. Robots vormen een aansprekend ankerpunt in de maatschappelijke discussie over technologie en arbeid, omdat technologie hiermee een gezicht heeft gekregen. Als mensen het hebben over big data of kunstmatige intelligentie blijft de discussie vaak hangen in algemeenheden omdat we er geen aansprekend beeld bij hebben. Maar vrijwel iedereen heeft een beeld van een intelligente robot. Filmbeelden inspireren ons werken en leven na de robotisering voor te stellen Dat beeld is mede ontstaan door (strip)verhalen en daarop gebaseerde science fiction films. Van de Maschinenmensch Maria uit Metropolis (1927), de boordcomputer HAL 9000 uit 01: A Space Odyssey (1968) tot de droids R2-D2 en C-3PO uit Star Wars (1977): robots als wezens met een onovertroffen intelligentie, een blikken stem, wat houterige bewegingen en goedaardige dan wel kwaadaardige intenties. Dit beeld van robots is in de filmgeschiedenis vrij constant, al is de intelligente machine TARS uit Interstellar () niet houterig maar flexibel en kunstmatig empatisch. Omdat science fiction steeds minder fictie aan het worden is, inspireren deze beelden ons om ons voor te stellen hoe we na de robotiseringsfase zullen leven en werken. We staan aan de vooravond van nog grotere arbeidsvraagstukken Sluipenderwijs heel subtiel en tegelijkertijd alomvattend is technologie een onderdeel geworden van ons dagelijks leven en werk. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben mainframes, pc s, mobieltjes, internet en vele andere technologische ontwikkelingen zich genesteld in onze samenleving. Zowel op persoonlijk als op zakelijk vlak interacteren we dagelijks met vele honderden computers en machines. De inzet van technologie heeft geleid tot vele optimalisaties en vervanging van arbeidskrachten. Productiemedewerkers zijn in het Westen al sinds de jaren tachtig door robotstraten

6 8 Robots en ontwrichting van de arbeidsmarkt 9 vervangen, of het werk is uitbesteed naar lagelonenlanden. De middenlaag, het management, de dienstverlenende beroepen, de informatie-intensieve en intellectuele beroepen waren veilig. De verdere exponentiële groei van intelligente technologie leidt inmiddels ook tot het gestaag vervangen van deze middenlaag van de arbeidsmarkt in eerste instantie door computers en in tweede instantie door robots, met het meest in het oog springend de administratieve arbeidskrachten. De ontslaggolven in de financiële sector van de afgelopen jaren zijn tekenend voor dit proces. Is dit slechts een vooraankondiging van een nog grotere impact van nieuwe technologie op het arbeidsproces? Staan we aan de vooravond van nog grotere arbeidsvraagstukken als de technologie verder op stoom komt? Het antwoord hierop is volmondig ja. En dat heeft alles te maken met de exponentiële groei van disruptieve technologie 23, een term die ik zal toelichten. Robotisering is een disruptieve (ontwrichtende) technologische ontwikkeling De term disruptieve technologie werd in 1997 bekend door Clayton Christensen van de Harvard Business School. Met zijn boek The Innovators Dilemma: When New Technologies Cause Great Firms to Fail, liet hij leiders van organisaties inzien wat de effecten van disruptieve technologieën zijn en startte hij het debat 24 over welke reacties daarop mogelijk zijn. Christensen richt zich tot leiders van toonaangevende organisaties maar sluit politici niet uit. Ook gaat hij in op de impact op allerlei aspecten van onze samenleving, bijvoorbeeld in de zorgsector 25 en de educatieve sector 26. Disruptieve technologieën worden niet door bestaande, maar door nieuwe technologische mediabedrijven zoals Facebook, Google, Instagram, LinkedIn en Netflix in de markt gezet. Deze bedrijven hebben een destructieve impact op het bestaansrecht van gevestigde organisaties en drukken daarmee, maar niet alleen daarmee, een stempel op het werkgelegenheidsvraagstuk. Disruptieve technologie creëert nieuwe bedrijvigheid met een fractie van de werkgelegenheid Disruptieve technologieën kunnen tot disruptieve innovaties leiden. Disruptieve innovaties steken bestaande diensten de loef af omdat zij over andere eigenschappen beschikken en een andere kijk hebben op de dienstverlening, maar vooral omdat zij een ander kostenmodel hanteren. Het kostenmodel van organisaties die gebruikmaken van ontwrichtende technologieën en met ontwrichtende innovaties op de markt komen is vele malen lager dan de traditionele spelers met hun diensten met een hoge personeelskostenfactor. Diensten worden niet alleen één-op-één vertaald naar een automatiseringsproces, maar worden ook innovatiever. Deze organisaties hebben veel minder personeel nodig en bieden dan ook veel minder werkgelegenheid. Zo had telecomontwrichter Skype in haar laatste jaar voor de overname door Microsoft een omzet per medewerker van bijna één miljoen euro, terwijl telecombedrijf KPN datzelfde jaar per medewerker nog niet de helft daarvan wist te realiseren. De omzet per medewerker bij ABN AMRO verdubbelde in tien jaar tijd, maar zelfs na alle reorganisaties realiseert de bank nog niet een derde van wat Facebook per medewerker omzet. Het blijkt zelfs dat nieuwkomers gemiddeld drie keer zoveel omzet per medewerker realiseren in vergelijking met gevestigde bedrijven. Grote en invloedrijke bedrijven als Apple, Amazon, Facebook en Google worden gewaardeerd op miljarden maar hebben in totaal minder dan mensen in dienst. Dat is ongeveer de helft van het aantal mensen dat werkt bij General Electric. Disruptieve technologie leidt dus zeker tot nieuwe bedrijvigheid en stimuleert de economie, maar houdt geen gelijke tred in termen van banengroei. De versnelde opkomst van deze disruptieve technologieën met mogelijkheden om taken zonder of in ieder geval met veel minder mensen uit te voeren zorgt voor een toenemende werkeloosheid. Dit fenomeen kent een eigen term: technologische werkeloosheid 27. Met inachtneming van de exponentiële groei van technologie zal ook technologische werkeloosheid zich exponentieel ontwikkelen. Herstel van de economie maar geen herstel van de werkgelegenheid Deze gedachtenlijn wordt in The Second Machine Age van Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee, twee economen van het Massachusetts Institute of Technology (MIT), verder uitgewerkt. Zij stellen dat een revolutie uitbreekt en de robots er aankomen. De robots brengen utopisch geachte welvaart voor de mensheid als geheel, maar zouden je tegelijkertijd ook zomaar je baan kunnen kosten. Zelfs als je hoogopgeleid bent. En het effect is volgens hen waarneembaar: het is voor het eerst dat de economie in de Verenigde Staten zich na een recessie heeft hersteld zonder dat de werkgelegenheid met dezelfde tred is teruggekeerd. Hetzelfde geldt voor de laatste ramingen over de Nederlandse economie 28. Dit is de eerste voelbare impact veroorzaakt door disruptieve technologieën. 2 tot 3 miljoen arbeidsplaatsen kwetsbaar voor robotisering Er zijn veel voorbeelden van banen waarbij routine het belangrijkste kenmerk is. Deze banen staan vooraan in de kans tot robotisering, denk voor de komende twee decennia bijvoorbeeld aan telemarketeers, accountants en auditors, winkelpersoneel, makelaars, communicatiemedewerkers, vertalers, machinisten en piloten. Robots met kunstmatige intelligentie kunnen hun taken op termijn gemakkelijk overnemen. En dat geldt niet alleen voor fysieke robots maar ook voor software robots. De banen die de minste kans hebben om volledig geautomatiseerd te worden zijn volgens een recent Oxford University-onderzoek 29 : ICT-specialisten, managers van processen en productie, bestuurders en beleidsvoerende functies, docenten en specialisten in de gezondheidszorg. Uit een projectie van bovengenoemde inschattingen van Oxford University op de Nederlandse arbeidsmarkt door adviesbureau Deloitte, blijkt dat de kwetsbaarheid het grootst is in beroepsgroepen in techniek (circa 1 mln. arbeidsplaatsen waarvan 50% kwetsbaar is voor robotisering), economie, recht en management (circa 2,5 mln. arbeidsplaatsen waarvan 30% kwetsbaar is), en landbouw (circa arbeidsplaatsen waarvan 25% kwetsbaar is). De meest kwetsbare groepen van de beroepsbevolking zijn tussen de 35 en 55 jaar, vooral onder de middelbaar opgeleide beroepsbevolking en jongeren met bijbanen. In totaal gaat het om 2 tot 3 miljoen arbeidsplaatsen die kwetsbaar zijn voor robotisering en daarmee op termijn zullen verdwijnen of vele malen productiever zullen worden, waardoor minder werknemers nodig zijn voor een gelijkblijvende of hogere productiviteit 30. Desondanks schrijven ministers Asscher, Kamp en Bussemaker op 19 december in een brief aan de Tweede Kamer: Deze spanning die technologische vooruitgang veroorzaakt, tussen de voordelen voor velen en de moeizame transitieproblemen van sommigen, zijn reeds sinds jaar en dag onderwerp van debat. 31 Op de stelling dat door technologische ontwikkelingen mbo niveau 2 en 3 banen zullen verdwijnen, reageert minister Bussemaker vervolgens als volgt: Hoewel technologische ontwikkelingen zullen leiden tot verschuivingen op de arbeidsmarkt, heb ik geen goede onderbouwing aangetroffen voor de betrokken stelling ( ) ook de afgelopen vijftien jaar heeft een dergelijke ontwikkeling zich niet voorgedaan, terwijl die periode grote veranderingen als de verbreding van ICT-toepassingen heeft gekend. 32 De zienswijze van ministers Asscher, Kamp en Bussemaker is een voorbeeld van een klassieke reactie op disruptieve ontwikkelingen: de kwaliteit en andere eigenschappen van disruptieve innovaties worden inferieur geacht, de impact van het andere inkomsten- en kostenmodel wordt onderschat en het doorbreekpotentieel wordt gebagatelliseerd. De noodzaak van verder debat over de impact op overheidstaken en financiering Hoewel het de maatschappij afgelopen decennia steeds is gelukt om succesvol aan te sluiten bij technologische veranderingen, met het ontstaan van meer banen in een veranderend proces, zal dat dit keer anders zijn. De banen die in de periode werden gecreëerd kwamen voor het overgrote deel voor rekening van de commerciële dienstensector en voor het overige deel voor de zorg 33. De beroepsgroepen in deze sectoren zijn inmiddels zelf in verregaande mate kandidaat geworden om overgenomen te worden door robotisering. Op dit moment is het tempo ook nog eens veel hoger dan ooit tevoren in de geschiedenis. De consequentie is dat het tempo van nieuwe banen niet gelijk zal zijn aan de vernietigde banen. Waarom zou de samenleving dan niet massaal tegen de disruptieve

7 10 Robots en ontwrichting van de arbeidsmarkt 11 innovaties en robots moeten ageren? Omdat de impact hiervan de maatschappij tegelijkertijd vele kansen biedt. Bijvoorbeeld om daadwerkelijk tot een participatiemaatschappij 34 te komen, waarin zingeving en sociale verbanden centraal staan. Met minder te werken uren ontstaat ruimte voor andere activiteiten. Routinematige zorg-, welzijns-, onderwijs- en overheidstaken die nu door de overheid worden geregisseerd en gefinancierd, kunnen met behulp van robots in goede harmonie worden uitgevoerd. Maar minder gewerkte uren heeft direct impact op de inkomens van mensen en op de overheidsfinanciering. Dat vraagt van de overheid radicale hervorming van ons sociale en fiscale stelsel. En biedt kansen voor meer burgerparticipatie in cultuur, onderwijs, welzijn en zorg. Het vraagstuk is te belangrijk om alleen aan de markt over te laten; het maatschappelijk middenveld zal hierin zijn posities moeten gaan bepalen: dit is het feitelijke debat dat we met elkaar zullen moeten gaan voeren. Gerelateerde ontwikkelingen met impact op ons welvaartsniveau Werken voor een inkomen vanuit het argument dat je alleen op die manier een zinvol, veilig en welvarend leven leidt zal een achterhaald concept worden. De grote uitdaging van deze tijd is hoe we een groeiende wereldbevolking met groeiende welvaartseisen gaan onderhouden op een planeet waar kritieke grondstoffen schaars worden en waar de bewoners van de planeet het ecosysteem steeds verder onder druk zetten, met alle gevolgen van dien. Het concept van arbeid als zingever en sleutel tot welvaart staat onder druk van ontwrichtende exponentiële technologische ontwikkelingen. Maar als robots welvaart kunnen realiseren, zouden mensen zich dan niet meer moeten richten op zingeving, het nastreven van sociale cohesie en het realiseren van een duurzame leefbare wereld, thema s die nooit door een robot kunnen worden overgenomen. Tenminste, zolang het robots aan een moreel kompas ontbreekt. De rol van de overheid in het debat over de impact van robotisering Des te relevanter wordt de vraag wat de rol van de overheid is in dit debat. Een overheid die overigens niet bepaald capabel blijkt te zijn in de omgang met ICT. Zo is er in een onderzoek door een commissie van de Tweede Kamer uitgevoerd waarin na een serie van ontstellende openbare verhoren en intern en extern onderzoek na ruim zeven maanden werd vastgesteld dat de rijksoverheid haar ICT-projecten niet onder controle had en vooral dat de politiek niet beseft dat ICT overal is. Als daarbij wordt geconstateerd dat het bij de rijksoverheid ontbreekt aan lerend vermogen op ICT-gebied 35 rijst de vraag of de overheid in staat is om een voortrekkersrol of regisseursrol te vervullen. Ik verwacht van de overheid in ieder geval een visie op robotisering en het entameren van een feitelijk debat over de impact van robotisering op de arbeidsmarkt. Op zoek naar een op rationaliteit gebaseerd perspectief op robotisering Zoals de discussies over klimaatverandering en schaarste aan grondstoffen leidden tot het nieuwe paradigma van de circulaire economie, zo schreeuwt het debat over robotisering en onze arbeidsmarkt ook om een nieuw op rationaliteit gebaseerd perspectief. Een globale welvarende economie zonder afval en een internationale blended arbeidsmarkt met robots als integraal onderdeel: systeem ontwrichtend en gedreven door disruptieve innovaties. Deze uitdagingen vragen om nieuwe paradigma s en groot denken. Opgegroeid in de wereld van informatica herken en onderken ik de explosieve groei en het disruptieve potentieel. Zoals gesteld vind ik het mijn morele plicht om doemscenario s zoals verwoord door Stephen Hawking, Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee tegen te gaan. Robots met bewustzijn lijken mij vooralsnog een brug te ver. Maar welk standpunt ik zelf ook inneem, het debat over de impact van robotisering op de arbeidsmarkt moet worden gevoerd op basis van beargumenteerde en onderbouwde posities, gedreven door de idealen van politici en bestuurders en gebaseerd op de inzichten van wetenschappers en onderzoekers. Voorkomen moet worden dat het debat enkel en alleen wordt gevoerd op basis van extrapolaties met data van onvergelijkbare eerdere ontwikkelingen. Uit de wereld van disruptieve technologie is gebleken dat het argument dat is eerder ook niet gebeurd en onze huidige positie is te sterk, we zullen ook deze ontwikkelingen absorberen het slechtste argument is dat kan worden aangevoerd. We hebben nog veel werk te doen en nieuwe paradigma s te ontdekken. Laten we daarom nu beginnen met het maatschappelijke debat. Tenzij we ook hier het werk aan de robots uit handen geven en straks uit onmacht ook hier moeten stellen: let the robots do the work. Prof. dr. Theo Huibers MMC is managing partner van het strategisch adviesbureau Thaesis en is als hoogleraar verbonden aan de Human Media Interaction groep van de Universiteit Twente. Toespraak van minister Asscher (SZW) over de robotisering van arbeid tijdens het SZW-congres op 29 september in Den Haag. 2 ING Economisch Bureau. Robotisering biedt kansen voor Nederland. 5 mei ; NRC Q. Asscher is niet bang voor robots, als iedereen er maar van profiteert. Petra de Koning, 29 september ; Het Financieele Dagblad. Twentse technologen geloven niet in verlies arbeidsplaatsen. Frank Gersdof, 6 mei ; De Telegraaf. Metaalunie hekelt bangmakerij: Robotisering levert juist banen op. Ertan Basekin, 18 november ; Het Financieele Dagblad. Angst banenverlies door robots overtrokken. Eva Rooijers, 5 mei ; 3 De Telegraaf. Stephen Hawking: mens, vlucht voor robots. 3 december. 4 Daily Mail. AI is potentially more dangerous than nukes: Elon Musk claims a robot uprising could be a serious threat to humanity. Ellie Zolfagharifard, 4 augustus. 5 Zie onder andere Frey, C.F. and Osborne, M. A.: Future of Employment, 13, Oxford University en de conclusie van Hans Wansink in de Volkskrant van 7 februari 15 luidt, na gesprekken met zes economen, onder andere De nieuwe bovenlaag bestaat uit 15 procent van de bevolking die goed met de slimme machines en netwerken van de nieuwe economie kan omgaan. Een solide positie en een onbezorgde oude dag is voor 85 procent van de bevolking niet meer vanzelfsprekend. 6 Verwijzend naar de Zweedse televisieserie Real Humans waar menselijke robots vechten voor hun autonome bestaansrecht. 7 Reuters. Softbank s humanoid robot lands job as Nescafe salesman. Chang-Ran Kim, 29 oktober. De oratie van prof. dr. Vanessa Evers gaat in op sociale robots: 8 Blik op Nieuws. Voetbalrobots TU Eindhoven weer wereldkampioen. 24 april. 9 Daily Mail. The robot that makes eye contact: Charlie could help bridge the gap between man and machine by copying our behavior. Ellie Zolfagharifard, 23 april. 10 Boccanfuso & O'Kane. (11). Charlie: An Adaptive Robot Design with Hand and Face Tracking for Use in Autism Therapy. International Journal of Social Robotics (3), p Universiteit Twente. Twentse gidsrobot leidt toeristen rond in koninklijk paleis Spanje. 23 september. 12 Daily Mail. Hitchbot has made it! Welly-wearing robot completes his journey across Canada and no one tried to steal him. Ellie Zolfagharifard, 22 augustus. 13 The Telegraph. Meet your new colleague Bob - the robot. Harry Wallop, 19 juni. NOS. Vast onder de sneeuw? Drones to the rescue! 28 oktober. 15 Digital Trends. Robotic pianist Teotronica plays faster than a human. Trevor Mogg, 17 oktober De Correspondent. De Mozarts en Picasso s van 15 zijn geen homo sapiens meer. Thalia Verkade, 27 december. 17 The Telegraph. Emily Howell: the computer program that composes classical music. Ben Leach, 22 oktober Verwijzend naar de Zweedse televisieserie Real Humans waar menselijke robots vechten voor hun autonome bestaansrecht. 7 Reuters. Softbank s humanoid robot lands job as Nescafe salesman. Chang-Ran Kim, 29 oktober. De oratie van prof. dr. Vanessa Evers gaat in op sociale robots: 8 Blik op Nieuws. Voetbalrobots TU Eindhoven weer wereldkampioen. 24 april. 9 Daily Mail. The robot that makes eye contact: Charlie could help bridge the gap between man and machine by copying our behavior. Ellie Zolfagharifard, 23 april. 10 Boccanfuso & O'Kane. (11). Charlie: An Adaptive Robot Design with Hand and Face Tracking for Use in Autism Therapy. International Journal of Social Robotics (3), p Universiteit Twente. Twentse gidsrobot leidt toeristen rond in koninklijk paleis Spanje. 23 september. 12 Daily Mail. Hitchbot has made it! Welly-wearing robot completes his journey across Canada and no one tried to steal him. Ellie Zolfagharifard, 22 augustus. 13 The Telegraph. Meet your new colleague Bob - the robot. Harry Wallop, 19 juni. NOS. Vast onder de sneeuw? Drones to the rescue! 28 oktober.

8 12 13 Bestuursverslag 15 Digital Trends. Robotic pianist Teotronica plays faster than a human. Trevor Mogg, 17 oktober De Correspondent. De Mozarts en Picasso s van 15 zijn geen homo sapiens meer. Thalia Verkade, 27 december. 17 The Telegraph. Emily Howell: the computer program that composes classical music. Ben Leach, 22 oktober De Volkskrant. Kookrobot Watson doet zelfs sterrenkoks versteld staan. Mac van Dinther 11 november. 19 New York Times. Beep Says the Bellhop: Aloft Hotel to Begin Testing Botlr, a Robotic Bellhop. John Markoff, 11 augustus. Economisch Huis Oostende. Wereldprimeur: zorgrobot ZORA voor het eerst in gebruik. 24 april. 21 New York Times. Sprinting Over the Dirt, With a Robot on the Hump: Camel Racing Blends Centuries-Old Traditions and Modern Technology. Sam Borden, 26 december. 22 HP De Tijd. Welkom in Japan, waar robots het nieuws kunnen lezen. 26 juni. 23 Harvard Business Review. (). What Happens to Society When Robots Replace Workers? Michael, S. Malone & William, H. Davidow, 10 december. 24 In dit geval de Verenigde Staten. 25 Clayton M. Christensen, Jerome H. Grossman en Jason Hwang. The Innovator's Prescription: A Disruptive Solution for Health Care, Clayton M. Christensen, Michael B. Hom en Curtis W. Johnson. Disrupting Class: How Disruptive Innovation Will Change the Way the World Learns, In 1930 voor het eerst breed geïntroduceerd door John Maynard Keynes in zijn boek Economic Possibilities for our Grandchildren. 28 De Volkskrant, Trendbreuk: Werkloosheid neemt weer toe. Joost van der Meer, 22 januari Frey, C.F. and Osborne, M. A.: Future of Employment, 13, Oxford University 30 Deloitte: Impact van automatisering op de Nederlandse Arbeidsmarkt,. 31 Kamerbrief effect technologische ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, 19 december. 32 Aanhangsel van de Handelingen Tweede Kamer der Staten-Generaal -15, deel 39, p Huizinga, F. en Smid, B., (09), Vier vergezichten op Nederland 34 Het Financieele Dagblad. Opkomst automatisering dwingt ons te kiezen voor luilekkerland of participatiemaatschappij. Hans Stegeman, 26 augustus. 35 Parlementair onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid, december. Tweede kamer, vergaderjaar -15, , nr.5. I. Algemeen 1. Missie De missie van Instituut Gak is het leveren van een bijdrage aan de kwaliteit van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt in Nederland. Dit doet het Instituut door het rendement op het vermogen aan te wenden voor het financieel ondersteunen van: Wetenschappelijk onderzoek Leerstoelen Praktische projecten Ondanks alle wettelijke maatregelen zijn er nog altijd mensen voor wie de sociale wetgeving onvoldoende waarborg biedt op werk of uitkering. Instituut Gak beoogt mede in deze klaarblijkelijke lacunes te voorzien door het ondersteunen van praktische projecten. Daarnaast ondersteunt het Instituut wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt alsmede een aantal leerstoelen aan Nederlandse universiteiten. Hoewel Instituut Gak de ambitie heeft om een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt, maakt het daarin wat betreft de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zelf geen beleidsinhoudelijke keuzes. Om zijn missie duurzaam te kunnen uitvoeren, draagt het Instituut voorts zorg voor een adequaat beheer van het vermogen. 2. Wetenschappelijk onderzoek Instituut Gak wil gerenommeerde onderzoekers in staat stellen gedegen en innovatief onderzoek te verrichten op het terrein van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt in Nederland. Om met het onderzoek aan te sluiten bij kernvragen uit de sociale zekerheidspraktijk, laat het bestuur zich jaarlijks adviseren door de raad van advies over belangrijke thema s waarop nieuw onderzoek wenselijk wordt geacht. Vervolgens stelt het bestuur de onderzoeksthema s vast. In overleg met de wetenschappelijke raad vraagt het Instituut per vastgesteld thema aan geselecteerde onderzoekers een voorstel in te dienen voor een onderzoeksproject. De wetenschappelijke raad beoordeelt de kwaliteit, de haalbaarheid en de verhouding tussen prijs en kwaliteit van de ingediende voorstellen, waarna het bestuur besluit over de toekenning ervan. De projectleiders van de gesubsidieerde studies leggen jaarlijks verantwoording af over de voortgang van hun onderzoek. Dit gebeurt enerzijds schriftelijk aan het eind van elk kalenderjaar en anderzijds door het jaarlijks terugkerend contact tussen de onderzoeksgroep en het aan het betreffende programma toegewezen lid van de wetenschappelijke raad, de zogenoemde primus, en het bureau. Deze procedure houdt in dat spontane aanvragen voor financiering van onderzoek niet in behandeling worden genomen. In 11 heeft het bestuur het beleidskader voor wetenschappelijk onderzoek geactualiseerd. Kern van het beleid is dat het aantal langlopende, grootschalige onderzoeksprogramma s beperkt wordt om de mogelijkheid te hebben meer kortlopende onderzoeksvragen met een praktisch karakter uit te zetten. Ook wil het bestuur met enige regelmaat onderzoeksthema s met een open inschrijving uitzetten om zodoende de toegankelijkheid van het Instituut te vergroten en onbekend onderzoekpotentieel op het spoor te komen. Tot slot wil het bestuur een brug aanbrengen tussen de praktische (zogenaamde spontane ) projecten en wetenschappelijk onderzoek. Als voorbeeld van dit laatste

9 Bestuursverslag 15 kan gelden het wetenschappelijk begeleiden van concrete re-integratietrajecten om de werkzame elementen van dit soort trajecten te achterhalen. Instituut Gak heeft in een bedrag van aan elf nieuwe onderzoeksvoorstellen en aan lopende onderzoeksvoorstellen toegekend. In 13 werd aan dertien nieuwe onderzoeksvoorstellen en aan lopende onderzoeksvoorstellen toegekend. Voor een overzicht van de lopende studies en de onderzoeksthema s waaraan in het jaar subsidies zijn toegekend, wordt verwezen naar de bladzijden tot en met Leerstoelen Instituut Gak wil via het instellen, in stand houden en financieel ondersteunen van leerstoelen aan Nederlandse universiteiten het wetenschappelijk onderwijs op het terrein van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt bevorderen. Een overzicht van de door het Instituut ondersteunde leerstoelen is opgenomen op bladzijde Praktische projecten Het bestuur van Instituut Gak beslist elke twee maanden over ondersteuning van praktische projecten. In zijn enkele projecten door het Instituut zelf geïnitieerd, in een aantal gevallen op door de raad van advies geselecteerde thema s. Het grootste deel van de ondersteunde praktische projecten betreft projecten, waarvoor subsidie is aangevraagd. Deze aanvragen worden vooraf door de organisatie getoetst aan de randvoorwaarden en voor zover daarmee niet strijdig ter besluitvorming voorgelegd aan het bestuur. Aanvragen worden kritisch beoordeeld op vijf hoofdpunten: Toegevoegde waarde voor de sociale zekerheid en/of arbeidsparticipatie in Nederland; Aantoonbare behoefte; Prijs/kwaliteit verhouding; Haalbaarheid van het project; Kwaliteit van de uitvoerder. Het bestuur heeft in een bedrag van aan 55 projecten toegekend. In 13 is aan 59 projecten toegekend. De garanties en reserveringen zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. De projecten zijn ingedeeld in de volgende categorieën: Bijdragen aan het publieke debat; Ontwikkeling en evaluatie van instrumenten en methodieken; Voorlichting; Preventie; Activering. Voor een overzicht van de projecten waaraan in het jaar subsidies zijn toegekend, wordt verwezen naar pagina 46 tot en met Vermogensbeheer Instituut Gak streeft enerzijds naar voldoende inkomsten voor de financiering van een structureel subsidiebudget en anderzijds naar het in stand houden van de koopkracht van het vermogen. Dit is een ambitieuze doelstelling, vooral in de context van de huidige financiële markten. Het bestuur laat zich op het terrein van het vermogensbeheer adviseren door een beleggingscommissie. Op basis van het advies van deze commissie stelt het bestuur het te voeren beleggingsbeleid vast. Voor de beschrijving van dit beleggingsbeleid wordt verwezen naar pagina 68 tot en met Maatschappelijke betrokkenheid De maatschappelijke betrokkenheid van Instituut Gak blijkt uit de missie. Als een Algemeen Nut Beogende Instelling richt het Instituut zich op ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek, praktische projecten en academische leerstoelen op het terrein van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt met als doel een positieve bijdrage te leveren aan de kwaliteit van beide terreinen in Nederland. Wat betreft het beheer van het vermogen van het Instituut is het streven gericht op een praktisch uitvoerbaar duurzaamheidsbeleid, passend bij de aard en omvang van het Instituut. Dit beleid houdt in dat in de ontwikkelde landen niet wordt belegd in effecten van ondernemingen, waarvan een onafhankelijke partij heeft vastgesteld dat deze zich niet houden aan de Global Compact Principles (Mensenrechten, Arbeidsomstandigheden, Milieu en Anti Corruptie) van de Verenigde Naties. Evenmin wordt belegd in effecten van ondernemingen die zich bezig houden met de ontwikkeling, productie of onderhoud van controversiële wapens. Bij opkomende landen wordt gestreefd naar het voorkomen van beleggingen in ondernemingen, waarvan een onafhankelijke partij heeft vastgesteld dat deze zich niet houden aan vernoemde Global Compact Principles en in ondernemingen die zich bezig houden met de ontwikkeling, productie of onderhoud van controversiële wapens. Momenteel is de helft van de aandelenportefeuille opkomende landen belegd in een fonds dat een op basis van voornoemde uitgangspunten opgestelde uitsluitingslijst hanteert. De andere helft is belegd in een fonds dat deze uitsluitingslijst niet hanteert. Om die reden wordt regelmatig gecontroleerd of dit fonds belegt in ondernemingen die op de uitsluitingslijst voorkomen. Blijkt dit het geval te zijn dan treedt het Instituut in gesprek met de beheerder van het fonds. Begin 15 heeft het Instituut Syntrus Achmea aangesteld als proxy voting agent. Dit houdt in dat Syntrus Achmea namens het Instituut het stemrecht uitoefent wat betreft de aandelen die zich bevinden in de aan verschillende vermogensbeheerders toevertrouwde mandaten. Syntrus Achmea baseert de steminstructie hoofdzakelijk op ISS onderzoek, ISS Governance Exchange, MSCI ESG onderzoek, van de ondernemingen ontvangen vergaderstukken, informatie op de website van de ondernemingen, informatie van de portefeuillemanagers, relevante factoren op het gebied van milieu, sociale onderwerpen en goed ondernemingsbestuur, alsmede Corporate Governance engagements en alerts van Eumedion (een organisatie die de belangen van Nederlandse institutionele beleggers behartigt op het gebied van Corporate Governance en duurzaamheid). Voor Nederlandse aandelen geldt dat Syntrus Achmea, indien nodig, door Eumedion op de hoogte wordt gesteld van mogelijk controversiële zaken bij Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen. Daarnaast maakt Syntrus Achmea met bij Eumedion aangesloten institutionele beleggers afspraken wie er namens deze beleggers aanwezig is bij (en eventueel het woord voert tijdens) de aandeelhoudersvergaderingen van Nederlandse ondernemingen. In zeer specifieke gevallen kan Instituut Gak, als dit wenselijk wordt geacht, zelf het stemrecht uitoefenen. Eveneens mogen aandelen die in het kader van het effecten-uitleenprogramma van het bewaarbedrijf worden uitgeleend, niet gebruikt worden voor het lenen van het stemrecht. Tevens is besloten aandelen in Nederlandse ondernemingen niet uit te lenen ten tijde van aandeelhoudersvergaderingen.

10 16 Bestuursverslag 17 Instituut Gak vindt het belangrijk dat de bij de beleggingen betrokken vermogensbeheerders de Principles for Responsible Investing van de Verenigde Naties (UNPRI) ondertekenen en daarmee aangeven bij de uitvoering van hun werkzaamheden rekening te houden met duurzaamheid op het gebied van milieu, bepaalde sociale kwesties en goed ondernemingsbestuur. Bij beheerders die nog niet tot ondertekening van de UNPRI zijn overgegaan, wordt er op aangedrongen alsnog tot ondertekening over te gaan. 7. Risicomanagement en risicobeheersing Voor de risico s waaraan Instituut Gak blootstaat en de beheersing van die risico s wordt verwezen naar de tabel op pagina 90 en 91.

11 18 Instituut Gak Campagne Collega s met karakter pagina 53

12 II. Wetenschappelijk onderzoek 21 In is het onderzoeksprogramma uitgebreid met elf nieuwe onderzoeksprojecten. Een daarvan is het resultaat van de zogenaamde open inschrijving met als thema Internationalisering van de arbeidsmarkt. In totaal financiert Instituut Gak op dit moment 28 lopende onderzoeksprojecten. Hiermee is een bedrag van nagenoeg 10,7 miljoen gemoeid. Bij de uitvoering van het huidige onderzoeksprogramma zijn achttien assistenten in opleiding (aio s of promovendi), negen junior onderzoekers, 21 postdoc onderzoekers, 34 senior onderzoekers (universitair (hoofd) docenten) en 41 hoogleraren en/of projectleiders betrokken. Hieronder worden de onderzoeksprojecten beknopt weergegeven, inclusief het aantal betrokken onderzoekers. Bij het aantal per project genoemde hoogleraren is/zijn tevens de bij elk projectgenoemde projectleider(s) inbegrepen. 1. Onderzoek in uitvoering, gestart vóór Arbeid en gezondheidszorg o.l.v. dr. D. Ikkersheim, KPMG Plexus Recente veranderingen in de wet- en regelgeving met betrekking tot arbozorg, sociale zekerheid en curatieve zorg hebben, ondanks vele experimenten, onderzoeksprojecten en convenanten niet geleid tot een meer optimale relatie tussen arbeidsorganisaties en de gezondheidszorg. Er bestaat een hardnekkig gebrek aan afstemming tussen de curatieve gezondheidszorg en de verzekeraars op dit punt. Daarnaast lijkt er sprake te zijn van een zeker onvermogen van werkgevers en werknemers om de noodzakelijke regie op zich te nemen. Dit vormde aanleiding tot het onderhavige onderzoek, dat zich richt op het systeemfalen, dat wil zeggen het onvermogen van verschillende institutionele actoren (bedrijven, overheden, verzekeraars, koepel- en zorgorganisaties) om deze problematiek structureel aan te pakken. Gezocht wordt naar mogelijke oplossingen in het traject tussen preventie en WIA. Dit is het traject vanaf het ontstaan van klachten, het ziekmelden, het werken aan medisch/functioneel herstel tot en met werkhervatting of, als dat niet lukt, tot en met succesvolle re-integratie binnen de WIA-wachttijdperiode van twee jaar. Het gaat dan vooral over de wijze waarop werkgever en werknemer de regie voeren en mogelijkheden om die regie te optimaliseren. De doorlooptijd van het onderzoeksprogramma bedraagt zes jaar. De studie zal begin 15 worden afgesloten. Bij de uitvoering van het onderzoeksprogramma zijn fulltime of parttime betrokken: zeven aio s c.q. promovendi; vier postdoc onderzoekers; drie senior onderzoekers; een hoogleraar. Om de balans in de nieuwe welvaartstaat: een dynamische stelselvergelijking in vijf landen uit de kopgroep in Europa en hun prestaties op het vlak van oude en nieuwe sociale risico s o.l.v. prof. dr. B. Cantillon, Universiteit van Antwerpen/Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck De afgelopen decennia heeft zich in grote delen van Europa een zekere verdieping van het sociaal beleid voorgedaan: van passieve inkomensbescherming naar een actieve, op participatie gerichte houding. Door de focus op werk, kostenbesparingen, het faciliteren van arbeid en zorg en het investeren in talenten probeert de verzorgingsstaat tegemoet te komen aan de toenemende (financiële) verplichtingen die mede een gevolg zijn van een ontgroenende c.q. vergrijzende populatie. Ondanks de genoemde beleidsingrepen is volgens de beschikbare indicatoren van de OECD en EU het niveau van de financiële armoede en inkomensongelijkheid echter nergens significant afgenomen. Door middel van dit onderzoeksprogramma zal enerzijds worden nagegaan in hoeverre het gevoerde beleid inzake nieuwe sociale risico s (laaggeschooldheid, eenoudergezin, zorgtaken, kinderopvang) en oude sociale risico s (werkloosheid, ziekte, ouderdom) wel of niet heeft bijgedragen aan vooruitgang op de terreinen van armoedebestrijding en ongelijkheid en anderzijds waarom het ene land hier mogelijk succesvoller in was dan het andere. Hiertoe worden recente beleidsontwikkelingen inzake beide risico s in een vijftal landen in kaart gebracht en met elkaar vergeleken (beleidsanalyse) en in diezelfde landen op resultaat beoordeeld (empirische analyse). Het onderzoeksprogramma zal begin 15 worden afgerond. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: twee aio s c.q. promovendi; twee postdoc onderzoekers; een senior onderzoeker; drie hoogleraren. Keuzevrijheid in pensioenen: mogelijk, wenselijk, haalbaar? o.l.v. dr. K. Anderson, Radboud Universiteit Nijmegen In deze studie wordt nagegaan onder welke voorwaarden meer keuzevrijheid geïntroduceerd zou kunnen worden in het Nederlandse pensioenstelsel. De kernvraag van deze studie luidt op welke wijze keuzevrijheid en collectief georganiseerde solidariteit kunnen worden gecombineerd. Het is de bedoeling een vergelijking te maken tussen Nederland en een aantal andere Europese landen met soortgelijke collectieve aanvullende pensioenstelsels met het oogmerk om de volgende drie onderzoeksvragen te beantwoorden: Hoe hebben landen als Zweden, Denemarken en Zwitserland keuzevrijheid en collectieve solidariteit in hun pensioenstelsels georganiseerd? Hoe denken Nederlandse werknemers en werkgevers over keuzevrijheid met betrekking tot aanvullende pensioenen? Welke lessen kunnen worden getrokken uit ervaringen tot nu toe binnen de reeds bestaande keuzemogelijkheden in het Nederlandse pensioenstelsel? Naar verwachting zal deze studie in de loop van 15 worden afgerond. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: twee postdoc onderzoekers; een senior onderzoeker; een projectleider. Bevordering arbeidsparticipatie oudere werknemers: een cohortstudie o.l.v. prof. dr. IJ. Kant, Universiteit Maastricht De Nederlandse arbeidsmarkt staat voor grote uitdagingen. Vergrijzing en ontgroening van de bevolking resulteren in een daling van de potentiële beroepsbevolking, maar ook globalisering en technologische ontwikkelingen hebben belangrijke gevolgen voor de arbeidsmarkt. Het doel van dit onderzoeksprogramma is de arbeidsparticipatie van oudere werknemers te bevorderen, door na te gaan aan welke eisen moet worden voldaan om deze werknemers in staat te stellen langer door te werken. In deze studie worden bij oudere werknemers (45-60 jaar) elementen die van invloed zijn op doorwerken uit de domeinen arbeid, gezondheid, privésituatie/individuele kenmerken en competenties, in hun onderlinge samenhang in de tijd onderzocht. Vervolgens worden voor werknemers ouder dan 60 jaar de oorzaken van langer doorwerken bestudeerd. De studie maakt gebruik van bestaande data van de Maastrichtse Cohort Studie (MCS), alsmede van nieuw te verzamelen data specifiek voor deze studie. De gevonden oorzaken van (langer) doorwerken op oudere leeftijd vormen de basis voor het formuleren van interventiemogelijkheden en preventieve maatregelen om oudere werknemers gemotiveerd, gezond en langer op de werkvloer te houden. Potentieel veelbelovende maatregelen worden onderverdeeld in maatregelen op individueel, bedrijfsen nationaal niveau. Nagegaan wordt in hoeverre deze maatregelen maatschappelijk geaccepteerd en gedragen worden. Ook zal de technische, organisatorische en juridische haalbaarheid worden getoetst. Het onderzoeksprogramma zal medio 16 worden afgerond.

13 22 Wetenschappelijk onderzoek 23 Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; een postdoc onderzoeker; een senior onderzoeker; twee hoogleraren. Opleiding als sociale scheidslijn o.l.v. prof. dr. M.H.J. Wolbers, Radboud Universiteit Nijmegen De klassensamenleving op basis van sociale herkomst is succesvol bestreden in Nederland, maar nieuwe tegenstellingen komen daarvoor terug. Tussen mensen met een hoge en lage opleiding lijken zich hardnekkige scheidslijnen af te tekenen. Er wordt ook wel van een credential society gesproken, waarin toegang tot een baan vooral gebaseerd is op diploma s en titels ook al zijn die niet relevant voor het betreffende werk. Tegelijkertijd is sociale stijging geen vanzelfsprekendheid meer in de Nederlandse samenleving. Hoewel het opleidingspeil van de (beroeps-)bevolking nog steeds stijgt, neemt het percentage kinderen dat met een lager opleidingsniveau dan hun ouders het onderwijs verlaat, sterk toe. Het naoorlogse denkkader over sociale mobiliteit, geënt op het verheffen van lagere sociale klassen door het blootleggen van verborgen talent, lijkt tegenwoordig niet meer passend. Dit onderzoeksproject heeft als doel gedetailleerd inzicht te verschaffen in de aard, omvang en problematiek van deze recente ontwikkelingen op het terrein van sociale stratificatie en mobiliteit in Nederland. Daarnaast wordt uitgebreid ingegaan op de oorzaken en gevolgen ervan. Welke maatschappelijke ontwikkelingen en mechanismen liggen ten grondslag aan sociale daling en opleiding als sociale scheidslijn en wat zijn de gevolgen voor de maatschappelijke verhoudingen in het algemeen en voor de arbeidsmarkt en het sociale zekerheidsstelsel in het bijzonder, nu en in de toekomst? Aan de hand van een literatuurstudie, een empirische analyse op een gezaghebbende persoonsenquête en een expertmeeting zal uitgebreid gereflecteerd worden op deze onderzoeksvragen. Het onderzoek is in oktober 12 gestart, de eindrapportage is begin 15 voorzien. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een postdoc onderzoeker; een senior onderzoeker; een hoogleraar. Leren re-integreren: beleidsanalyse van re-integratie o.l.v. prof. dr. P.W.C. Koning, Vrije Universiteit Amsterdam Het afgelopen decennium is het nodige empirisch onderzoek verricht naar de effectiviteit van reintegratie. Met steeds uitgebreidere datasets en betere onderzoekdesigns is het mogelijk de toegevoegde waarde van re-integratie, zoals scholing, bemiddeling of therapieën, te schatten. Met het beantwoorden van de effectiviteitsvraag komt vervolgens een andere vraag in zicht: wat drijft effectiviteit, in hoeverre is dit verklaarbaar uit beslissingen van klantmanagers? Wanneer is een non-conformistisch instrument, zoals schuldhulpverlening, een goed alternatief? Kiezen Klantmanagers wel voor de juiste re-integratiebedrijven? Evenzo is het de vraag of werkgevers wel de juiste beslissingen nemen bij re-integratie. Deze vragen zijn tot dusver nog grotendeels onontgonnen in de literatuur en tegelijkertijd van eminent belang bij de uitvoering van re-integratie. De onderhavige, empirisch gerichte studie zal zich daarom primair op deze uitvoeringsvragen richten, met als perspectief de (beslissingen van) klantmanagers en werkgevers bij re-integratie. Daarnaast speelt ook de overkoepelende vraag, namelijk hoe beleidsmakers de uitvoering van reintegratie kunnen sturen: hoe zorg je ervoor dat klantmanagers en werkgevers over de juiste prikkels beschikken om tot optimale re-integratie te komen? Bij werkgevers valt daarbij te denken aan de loondoorbetalingsverplichting en systemen van premiedifferentiatie. Meer concreet zal dit project uit de volgende vier deelprojecten bestaan: 1. effectiviteit van schuldhulpverlening als non-conformistische re-integratieaanpak: met gegevens van onder andere de gemeente Amsterdam zullen de bedoelde en onbedoelde effecten van schuldhulpverleningstrajecten op de kans van bijstandscliënten om een baan te vinden onderzocht worden. 2. aansturing van werkgevers tot re-integratie door financiële prikkels bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Grootschalige administratieve bestanden van de verzekerden-, uitkerings- en premieregistratie (van UWV) zullen benut worden om vast te stellen in hoeverre de prikkels die uitgaan van loondoorbetaling en premiedifferentiatie effect sorteren. Interessant in dit verband is de vraag hoe zwaar, wanneer en op welk type werkgevers gericht dient te worden. 3. organisatie van de aanbesteding van re-integratie: op basis van welke informatie zijn geschikte re-integratiebedrijven te kiezen? Welke combinatie van informatie is daarvoor nodig? Het hier beschreven onderzoek maakt gebruik van UWV- gegevens over de aanbesteding van re-integratie. 4. contracteren van re-integratiebedrijven: wat zijn de effecten van prestatieprikkels voor re-integratiebedrijven? Wederom met UWV- gegevens wordt in dit onderzoek nader onderzocht of prikkels leiden tot selectie door re-integratiebedrijven en of het aanzet tot betere plaatsingsprestaties. Het onderzoek is in april 13 gestart en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; een postdoc onderzoeker; een hoogleraar. Intergenerationele solidariteit of generatieconflict o.l.v. prof. dr. M. Heemskerk, Radboud Universiteit Nijmegen Profiteert de ene generatie meer dan de andere van pensioenregelingen? Door de dubbele vergrijzing steeds meer ouderen leven steeds langer staat de houdbaarheid van het huidige pensioenstelsel onder druk. Pensioenregelingen worden versoberd en risico s herverdeeld. De pensioenleeftijd wordt voor komende generaties aanzienlijk hoger en de opbouw van pensioen lager. De verdeling van de lusten en lasten van pensioen trekt een zware wissel op de solidariteit tussen generaties. Jong en oud vrezen de dupe te worden van pensioenwijzigingen en de pensioenrekening te moeten betalen. Ouderen en gepensioneerden maken zich zorgen dat hun pensioen niet welvaartsvast zal blijven of gekort zal worden. Jongeren menen dat de pensioenrekening naar de volgende generaties wordt doorgeschoven. Een juridisch pensioengevecht onder de generaties dreigt en zowel ouderen als jongeren zoeken naar instrumenten om pensioenwijzigingen tegen te houden. Dit onderzoek gaat in op de juridische betekenis en grondslagen van intergenerationele solidariteit in pensioenregelingen. Onderdeel van het onderzoek vormt de vraag met welke juridische maatregelen de solidariteit tussen generaties in pensioenregelingen kan worden geborgd. Op deze wijze draagt het onderzoek bij aan de (oordeelsvorming over) solidariteit tussen generaties in huidige en toekomstige pensioenregelingen. De studie is gestart medio 13 en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; een postdoc onderzoeker; een hoogleraar. Richtlijnontwikkeling chronisch zieken ten behoeve van bedrijfs- en verzekeringsartsen o.l.v. prof. dr. H. Wind, AMC, Universiteit van Amsterdam Verzekeringsartsen en bedrijfsartsen hebben een belangrijke taak bij het bevorderen en in stand houden van de arbeidsdeelname van chronisch zieken. De overlap in het werkveld van deze professionals en de gemeenschappelijke taak in de zorgketen ten aanzien van behoud van werk of terugkeer

14 24 Wetenschappelijk onderzoek 25 naar werk vormt de basis voor een gezamenlijke, overkoepelende richtlijn voor arbeidsparticipatie van chronisch zieken. Daarnaast spelen behandelend artsen een rol bij het aan het werk komen en blijven van werkenden met gezondheidsproblemen. Ook dit komt aan de orde in de te ontwikkelen richtlijn. Door de onderzoeksgroep wordt aan de hand van de literatuur een notitie opgesteld die in grote lijnen duidelijk maakt waar de knelpunten liggen ten aanzien van arbeidsparticipatie van chronisch zieken. De notitie wordt in een werkgroep besproken waarbij de vragen worden vastgesteld waarop de richtlijn een antwoord moet geven. In deze werkgroep hebben de belangrijkste betrokkenen bij de ontwikkeling van de richtlijn zitting: bedrijfs- en verzekeringsartsen, huisarts, specialist en arbeidsdeskundige die in hun dagelijks werk te maken hebben met de problematiek en patiënten. Vanzelfsprekend maken verschillende patiëntenverenigingen deel uit van de werkgroep. Systematisch literatuuronderzoek, aangevuld met kennis van verschillende deskundigen - waaronder die van patiënten - geven antwoord op de vragen en dit leidt tot het formuleren van aanbevelingen die worden opgenomen in de richtlijn. Het resultaat van het onderzoeksproject is een richtlijn die in de praktijk van verzekeringsartsen en bedrijfsartsen wordt toegepast. Doel hiervan is dat chronisch zieken die vanwege hun gezondheid worden belemmerd in arbeidsdeelname: 1. hun werk behouden, al dan niet met aanpassingen; 2. terug kunnen keren naar passend werk; 3. een start kunnen maken met werk dat past bij hun fysieke en mentale mogelijkheden. De studie is gestart in de loop van 13 en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; een postdoc onderzoeker; een hoogleraar. Oudere werknemers vanuit werkgeversperspectief o.l.v. dr. A. Heyma, SEO economisch onderzoek/universiteit van Amsterdam Oudere werknemers hebben een relatief moeilijke positie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Hoewel er steeds meer ouderen werkzaam blijven, komen oudere werklozen veel moeilijker aan een baan dan jongere werklozen. Uit een recente studie van SEO Economisch Onderzoek blijkt dat werkgevers veel minder geneigd zijn om oudere werkzoekenden aan te nemen dan vergelijkbare jongere werknemers. Dat ligt vooral aan onzekerheid bij werkgevers over de productiviteit van oudere werknemers in verhouding tot de looneisen die worden gesteld. Die onzekerheid geeft voeding aan percepties bij werkgevers waarin ouderen relatief slecht scoren ten opzichte van jongeren. In het onderhavige onderzoek wordt gezocht naar factoren die de aannamekans van werknemers beïnvloeden en die samenhangen met leeftijd, niet alleen vanuit arbeids-economisch perspectief, maar ook vanuit het perspectief van de arbeids- en organisatiepsychologie. Vervolgens wordt het werkelijke belang van elk van deze factoren voor de aannamekans van oudere werknemers vastgesteld via een vignettenanalyse. Daarin wordt aan leidinggevenden gevraagd om herhaaldelijk te kiezen tussen kandidaten van verschillende leeftijd, die tevens verschillen op persoonlijke en psychologische kenmerken. Daarbij worden ook de bedrijfscontext (sector, bedrijfsgrootte, arbeidsomstandigheden) en de persoonlijke en psychologische kenmerken van de leidinggevende betrokken. Met de resultaten van de vignettenanalyse wordt inzicht verkregen in de werkelijke overwegingen van werkgevers om oudere werknemers in dienst te houden of wel/niet aan te nemen. De studie is eind 13 gestart en heeft een doorlooptijd van twee jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: drie senior onderzoekers; een hoogleraar; een projectleider. Loondispensatie als instrument voor arbeidsparticipatie: naar een verbeterde werkzaamheid o.l.v. prof. dr. T. Wilthagen, ReflecT, Universiteit van Tilburg Loondispensatie is een instrument dat de werkgever toestaat minder dan het wettelijk geldende minimumloon te betalen, indien de werknemer vanwege een arbeidsbeperking verminderd productief is. Dit gebeurt op basis van de vast te stellen loonwaarde van de werknemer. De werkgever wordt vrijgesteld voor het deel dat de werknemer verminderd productief is, derhalve het verschil tussen het minimumloon en de feitelijke loonwaarde. Voortbouwend op eerder verricht onderzoek wordt in deze studie nagegaan hoe de vormgeving, toepassing en effectiviteit van loondispensatie kan worden verbeterd. Loondispensatie is immers een van de belangrijkste elementen waarop de in 15 in te voeren Participatiewet is gebaseerd. Met dit multidisciplinair onderzoek wordt inzicht verkregen in de vraag of het instrument loondispensatie werkt om mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt in te laten stromen naar betaald werk. Nagegaan zal worden wat de effecten zijn van de inzet van loondispensatie en onder welke condities het instrument een bijdrage levert aan de duurzame arbeidsparticipatie van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Specifieke aandachtspunten van het onderzoek zijn: 1. Wat zijn de effecten van het instrument loondispensatie in vergelijking met andere instrumenten die kunnen worden ingezet voor arbeidsparticipatie en re-integratie van arbeidsgehandicapten? 2. Wat zijn de effecten van de inzet van loondispensatie op het loongebouw/ functiewaarderingssystemen? 3. Hoe kan in samenspraak met werkgevers een meer bruikbaar/geaccepteerd model van loondispensatie geconstrueerd worden? En in samenhang daarmee: 4. Hoe kan het instrument loondispensatie dusdanig operationeel worden gemaakt dat ook ondernemers uit het MKB er gebruik van kunnen maken, zonder al te veel administratieve rompslomp? 5. Hoe is het instrument wanneer het eenmaal functioneert beheersbaar te houden? Naast wetenschappelijke publicaties zullen diverse informatieproducten voor de praktijk worden vervaardigd en zullen voorafgaand aan de invoering van de nieuwe wetgeving een webseminar en slotconferentie worden georganiseerd. De studie is eind 13 gestart en heeft een doorlooptijd van achttien maanden. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: drie senior onderzoekers; een hoogleraar. CAO en schadecompensatie bij beroepsrisico s o.l.v. prof. dr. S. Klosse, Universiteit Maastricht Als lid van een internationale gemeenschap is Nederland gehouden zijn internationale verplichtingen na te komen. Dit geldt ook voor de verplichtingen die zijn opgenomen in Verdrag 121 van de ILO. Dit verdrag vereist (onder andere) een hoge inkomensdekking in de sociale zekerheid voor schade die is veroorzaakt door een beroepsrisico. In het Nederlandse sociale zekerheidssysteem wordt, sinds de invoering van de WAO, geen onderscheid meer gemaakt in dekking tussen sociale- en beroepsrisico s (risque professionnel en risque social). Lange tijd was dit geen probleem omdat de uitkeringen bij ons relatief hoog waren. Met de komst van de Wet WIA is dit veranderd. Door de inrichting van die wet is het bijvoorbeeld bepaald niet uitgesloten dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten die geen werk kunnen vinden, moeten leven van een uitkering die onder het bestaansminimum ligt, ook als de arbeidsongeschiktheid is ontstaan door een beroepsrisico. De Wet WIA strookt op dit punt niet met de ILO-normen. Bij de invoering van de Wet WIA is overwogen om dit probleem te ondervangen door invoering van een Extra Garantieregeling voor Beroepsrisico s (EGB); een verplichte beroepsrisicoverzekering naar Belgisch voorbeeld. Op advies van de SER heeft de regering hier echter van afgezien. Sociale partners hebben toen de handschoen opgepakt. Als gevolg hiervan kennen verschillende cao s inmiddels reparatiebepalingen die de WIA-uitkeringen aanvullen. De vraag is echter

15 26 Wetenschappelijk onderzoek 27 of dit voldoende is om problemen van ondercompensatie op te vangen. In dit onderzoek worden bestaande cao-afspraken nader bestudeerd om zicht te krijgen op aard en omvang van het probleem van ondercompensatie en op de vraag in hoeverre cao s dat probleem kunnen opvangen. Ook alternatieve oplossingsrichtingen worden bestudeerd om de eventuele meerwaarde daarvan ten opzichte van de cao-oplossing te kunnen vaststellen. De aandacht richt zich daarbij niet alleen op invoering van een verplichte beroepsrisicoverzekering (EGB). Ook andere oplossingsrichtingen zullen worden onderzocht, zoals a) de introductie van een verplichte verzekering voor schade die niet door sociale zekerheidsregelingen wordt gedekt en b) verdere aanscherping van de re-integratieverplichtingen van de werkgever ten opzichte van werknemers die arbeidsongeschikt raken ten gevolge van beroepsrisico s. De verschillende oplossingsrichtingen worden verder aan een rechtseconomische verkenning onderworpen, zodat niet alleen juridische, maar ook economische aspecten in de analyse worden meegenomen. De studie is eind 13 gestart en heeft een doorlooptijd van achttien maanden. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een postdoc onderzoeker; twee senior onderzoekers; drie hoogleraren. Arbeidsparticipatie en ernstige psychische aandoeningen o.l.v. prof. dr. J. Anema, EMGO Instituut, Vrije Universiteit Amsterdam Werk is voor iedereen belangrijk, ook voor mensen met een arbeidsbeperking. De afstand tussen arbeidsdeelname en mensen met ernstige psychische aandoeningen (EPA) is groot. Tegelijkertijd vindt de overheid dat meer mensen met EPA in staat zouden moeten worden gesteld om deel te nemen aan het arbeidsproces. In het verlengde daarvan hebben UWV en GGZ Nederland in 13 een convenant getekend om de onderlinge samenwerking te verbeteren. De laatste jaren worden op verschillende locaties in Nederland initiatieven genomen door de GGZ, de gemeenten en uitvoeringsorganisaties op het terrein van participatie en re-integratie om mensen met EPA aan het werk te helpen. Een veelbelovende aanpak is de Individual Placement en Support (IPS) waarvan in verschillende landen, waaronder de Verenigde Staten, de effectiviteit bij de onderhavige doelgroep is aangetoond. In Nederland wordt deze vorm van bevordering van arbeidsparticipatie beperkt toegepast en deze aanpak is recentelijk voor het eerst wetenschappelijk geëvalueerd (Michon, 06). De onderhavige studie beoogt bestaande wetenschappelijke kennis te verzamelen en te verspreiden naar zorgverleners en beleidsmakers met als doel de arbeidsparticipatie van mensen met EPA te verbeteren. Tijdens het onderzoek zal de mate van arbeidsparticipatie van mensen met EPA, van daarop gerichte interventies en van daarop gericht beleid in Nederland in kaart worden gebracht. Vervolgens worden de resultaten hiervan vergeleken met andere landen op basis van de OECD database, op geleide hiervan kan de relatieve positie van Nederland vastgesteld worden (benchmark). Ten tweede zal op een systematische en inzichtelijke wijze de huidige stand van evidence based onderzoek ten aanzien van effectieve interventies ter bevordering van arbeidsparticipatie bij mensen met EPA in kaart worden gebracht. Er zal daarbij een overzicht worden gepresenteerd van factoren die bevorderend of belemmerend zijn voor duurzame arbeidsparticipatie. De opgedane kennis kan worden gebruikt door zorgverleners voor het gericht inzetten of indiceren van effectieve interventies bij mensen met EPA in Nederland. De studie is eind 13 gestart en heeft een doorlooptijd van achttien maanden. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: twee senior onderzoekers; een hoogleraar. Decentralisatie: inzicht in factoren voor succesvolle decentralisatie in het sociale domein o.l.v. drs. M. Molenkamp, Radar Advies BV De komende jaren krijgen gemeenten de verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van burgers bij opvoedingsvragen, het vinden van werk, het verstrekken van een uitkering en/of toeslagen en het bieden van zorg aan mensen thuis. Die nieuwe taken gaan gepaard met omvangrijke bezuinigingen. Gemeenten kunnen deze taken alleen uitvoeren als ze een geheel nieuwe werkwijze introduceren, een werkwijze waarin burgers meer worden aangesproken op wat zelf en met elkaar kunnen doen. Een werkwijze ook waarin wordt voorkomen dat meer hulpverleners tegelijk met een gezin aan de slag gaan en waarin optimaal gebruik wordt gemaakt van alle voorzieningen in wijk en buurt. In de toekomst zal bijvoorbeeld iemand met een verstandelijke beperking samen met een dementerende oudere op een dagopvang in de wijk kunnen zitten. Het toezicht zal door een familielid of vrijwilliger worden gedaan, met indien nodig een professional die er snel bij geroepen kan worden. In de toekomst zal de sociaal werker als een soort sociale huisarts preventief bij lichte problemen reeds ondersteuning bieden. Dit alles moet leiden tot minder inschakeling van specialisten. Het huidige onderzoek vindt plaats bij gemeenten die in een gevorderd stadium zijn in het toewerken naar deze situatie én gemeenten die daar minder ver in zijn. De centrale onderzoeksvraag is of achterhaald kan worden welke factoren binnen de gemeenten bijdragen aan het (succesvol) realiseren van deze nieuwe situatie. Die factoren zijn benoemd in de literatuur over transitiemanagement en veranderingen bij de overheid, bijvoorbeeld de zichtbare aanwezigheid van leiderschap in bestuur en directie, het loslaten van administratieve werkprocessen en het experimenteren zonder duidelijke afspraken vooraf. De verwachting is dat het onderzoek verbanden aantoont tussen de onderscheiden factoren en de mate waarin gemeenten succesvol zijn in de invoering van de decentralisaties. De studie is eind 13 gestart en heeft een doorlooptijd van achttien maanden. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een onderzoeker; een senior onderzoeker; een projectleider. De beloften van nabijheid: een kwalitatief onderzoek naar de decentralisatie van arbeidsre-integratie, jeugdzorg en langdurige zorg o.l.v. prof. dr. J.W. Duyvendak, Amsterdam Institute of Social Science Research/Universiteit van Amsterdam Met ingang van 15 krijgt een grote decentralisatieoperatie haar beslag, waarbij gemeenten eerstverantwoordelijke bestuurslaag worden op het terrein van (arbeids)participatie, langdurige zorg en jeugdzorg. Deze decentralisatie hangt samen met de herziening van de verzorgingsstaat die door de economische en financiële crises in een stroomversnelling is geraakt. Bezuinigingen zijn de aanjager van de ombouw van de verzorgingsstaat, maar de argumentatie is ook inhoudelijk. Ten eerste zou de oude verzorgingsstaat mensen passief en claimend maken, in plaats van actief en verantwoordelijk. Ten tweede zou de kwaliteit van de dienstverlening gebrekkig zijn doordat teveel tijd opgaat aan registratie-eisen ten koste van daadwerkelijke hulp. Ook zou de dienstverlening te gespecialiseerd en versnipperd zijn, waardoor veel cliënten in een veelheid van los van elkaar opererende hulpverleners en instanties verloren raken. De herziening van de verzorgingsstaat is gebaseerd op vier principes, waarbij het eerste principe maatgevend is voor de andere drie: 1. nabijheid: hulp moet dicht bij de burger komen, aangestuurd door de lokale overheid die dichterbij zou staan en met een grotere rol voor het eigen (meer nabije) sociale netwerk. 2. zelfredzaamheid: burgers worden gestimuleerd om hun eigen problemen op te lossen, zo nodig met een beroep op hun sociale netwerk. 3. wederkerigheid: wie hulp ontvangt, moet ook iets terugdoen. Zo wordt van bijstandsgerechtigden verwacht dat zij als tegenprestatie (vrijwilligers)werk verrichten.

16 28 Wetenschappelijk onderzoek generalistisch integraal werken: hét alternatief voor versnippering en schotten. Breed opgeleide en inzetbare professionals in sociale wijkteams moeten door hun integrale aanpak dwarsverbanden leggen tussen diverse beleidsterreinen. Aan de hand van onderzoek in drie (kleine, middelgrote en grote) gemeenten worden twee nieuwe benaderingen bestudeerd waarin bovenstaande vier principes duidelijk terug zijn te zien: sociale wijkteams en sociale netwerken. Sociale wijkteams geven vorm aan nabijheid van professionals, terwijl sociale netwerken vormgeven aan nabijheid van burgers onderling. Het onderzoek moet antwoord geven op de volgende vragen: 1. Op welke manieren wordt het sociale netwerk rond kwetsbare burgers aangeboord (bijvoorbeeld via eigen kracht -conferenties of netwerkbijeenkomsten)? 2. In hoeverre en onder welke voorwaarden kunnen deze netwerken voor kwetsbare burgers van duurzame betekenis zijn voor de kwaliteit van hun dagelijks leven? 3. Welke rol spelen sociale wijkteams en andere professionals daarbij? 4. In hoeverre zijn opleidingsniveau, sekse, etniciteit en buurtkenmerken van invloed op de duurzaamheid van sociale netwerken? De studie is in januari gestart en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: twee postdoc onderzoekers; twee hoogleraren. Handhaving van onderop: handhavingsinstrumenten in de sociale zekerheid vanuit het perspectief van de burger o.l.v. prof. dr. M. Hertogh, Rijksuniversiteit Groningen Naleving van de regels op het gebied van sociale zekerheid en werk is belangrijk voor een economisch krachtig en sociaal Nederland met werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Maar hoe zorg je ervoor dat iedereen zich aan de regels houdt? In dit onderzoek worden verschillende handhavingsinstrumenten bestudeerd en de effecten ervan geanalyseerd. Op basis hiervan wordt niet meer van bovenaf, maar 'van onderop' een model ontwikkeld voor 'effectief handhaven. Overheidsorganisaties zoals UWV, SVB en Belastingdienst kunnen gebruik maken van verschillende handhavingsinstrumenten. Dit kan bijvoorbeeld door middel van voorlichting en advisering (preventie). Maar de laatste tijd gaan er ook steeds meer stemmen op om meer gebruik te maken van boetes en sancties (repressie) om zo misbruik en fraude tegen te gaan. Maar welke van deze twee instrumenten is nu het meest effectief, of is het juist verstandig om beide instrumenten te combineren? Deze vraag is tot nu toe nagenoeg uitsluitend beantwoord door te kijken naar het werk van de handhavers, maar in dit onderzoek staan de betrokken burgers centraal. Hierbij vormen twee invloedrijke wetenschappelijke benaderingen de inspiratiebron: de theorie van 'motivational postures' (Braithwaite, 03) en de 'procedural justice'-theorie (Tyler,1990). Hoe reageren burgers op een overheid die hen enerzijds verantwoordelijkheden en vertrouwen zegt te willen geven, maar die anderzijds steeds vaker kiest voor strenger straffen? Hoe ervaren de betrokken burgers de verschillende handhavingsinstrumenten? Zijn zij voldoende op de hoogte van de nieuwste wettelijke regelingen en kunnen zij hiermee uit de voeten? Leidt meer repressie ook tot een hoger nalevingsniveau? Of leidt een verschuiving van preventie naar repressie op termijn juist tot negatieve effecten en minder naleving? Verondersteld wordt dat de regels in de sociale zekerheid beter nageleefd zullen worden, naarmate verwachtingen en opvattingen van handhavers en burgers beter op elkaar zijn afgestemd. Het onderzoek draait om de volgende centrale vragen: 1. Hoe beïnvloeden verwachtingen en opvattingen van burgers over de uitvoeringsinstanties binnen de sociale zekerheid de instrumenten die handhavers kiezen? 2. Wat betekent dit voor het nalevingsniveau? 3. Hoe zou in dit licht - een model voor 'effectief handhaven' eruit kunnen zien? Om dit te onderzoeken vinden gesprekken plaats met handhavers en burgers in focusgroepen, wordt een landelijk representatieve enquête uitgezet onder burgers en worden vijf uitgebreide casestudies uitgevoerd bij alle betrokken uitvoeringsinstanties. Dit betekent dat de onderzoekers belangrijke dossiers bekijken, 'meelopen' met een aantal handhavers en gesprekken voeren met zowel handhavers als burgers. Ten slotte worden de bevindingen voorgelegd aan mensen uit de praktijk en andere deskundigen. De studie is in januari gestart en heeft een doorlooptijd van 5 jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een junior onderzoeker; een senior onderzoeker; twee hoogleraren. Toekomstige arbeidsmarkt (1) Het Middensegment op de Arbeidsmarkt en Aanpassing aan de Kenniseconomie in o.l.v. prof. dr. R. van der Veen, Erasmus Universiteit Rotterdam Technologische ontwikkelingen zijn van invloed op de arbeidsmarkt. Enerzijds komt dat omdat kennis een belangrijkere rol is gaan spelen, daarnaast heeft de ontwikkeling van die kennis bijgedragen aan de overgang van een economie gebaseerd op het maken van producten naar een economie waar het leveren van diensten de basis vormt. De vraag is echter welke gevolgen voor de arbeidsmarkt deze veranderingen met zich meebrengen, welke rol werkgevers en het onderwijssysteem spelen en welke maatregelen de overheid kan treffen. Tijdens de studie zal het antwoord op deze vraag via de volgenden, meer specifieke vragen beantwoord worden: 1. Leidt de overgang naar een kenniseconomie tot ongelijkheid op de arbeidsmarkt? Zo ja, is dat een algemene ontwikkeling of concentreert deze ongelijkheid zich in specifieke sectoren? 2. In welke sectoren is er sprake van een kloof tussen arbeidsvraag en -aanbod en hoe gaan werkgevers en onderwijsinstellingen hiermee om? 3. Welke beleidsmaatregelen kunnen genomen worden voor het tegengaan van ongelijkheid en het verbeteren van de aansluiting van arbeidsvraag en -aanbod? Naast een algemene indruk van de arbeidsmarkt, zullen er twee kennisintensieve sectoren, te weten de ICT- en de gezondheidszorgsector uitgelicht worden. Zo wordt duidelijk of de overgang naar een kenniseconomie gevolgen heeft voor alle sectoren of juist anders uitpakt, afhankelijk van specifieke kenmerken van die sectoren. Verschillende onderzoeksmethoden zijn hiervoor beschikbaar. Aan de hand van kwantitatieve analyses wordt een beeld geschetst van ongelijkheden op de arbeidsmarkt en is het mogelijk aan te geven in welke sectoren dit vooral het geval is. Vervolgens wordt met experts (vertegenwoordigers van werkgevers, onderwijsinstellingen en de overheid) gesproken over de verwachtingen die zij hebben over de arbeidsmarkt. Door het voorleggen van verschillende scenario s wordt onderzocht wat de meest waarschijnlijke ontwikkelingen zijn. In aansluiting hierop zullen gebaseerd op een analyse van de effecten van beleidsmaatregelen de mogelijke beleidsopties van de overheid in kaart worden gebracht, rekening houdend met te verwachten knelpunten en ontwikkelingen. De studie is in november 13 van start gegaan en loopt tot november 16. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; drie senior onderzoekers; een hoogleraar. Toekomstige arbeidsmarkt (2) Bescherming van arbeidsmigranten in Nederland: toen, nu en in de toekomst o.l.v. dr. C. Rijken, Universiteit van Tilburg Arbeidsmigratie naar Nederland, zowel vanuit andere EU landen als vanuit landen daarbuiten, is niet meer weg te denken van de huidige arbeidsmarkt. Sommige arbeidsmigranten maken gebruik van

17 30 Wetenschappelijk onderzoek 31 het vrij verkeer van werknemers of diensten binnen de EU, anderen verrichten arbeid als kennismigrant en weer anderen werken in Nederland zonder daarvoor een werkvergunning te hebben of zelfs zonder een legale verblijfsstatus in Nederland. Terwijl zij een belangrijke bijdrage leveren aan onze arbeidsmarkt en aan onze economie, vormt misbruik en uitbuiting een serieuze bedreiging voor deze groepen arbeidsmigranten. Deze disbalans tussen de behandeling van arbeidsmigranten en hun waarde voor de Nederlandse arbeidsmarkt en economie vormt de aanleiding voor dit onderzoek. In het bijzonder richt het onderzoek naar de schaduwzijde van de Nederlandse arbeidsmarkt zich op de positie van de arbeidsmigrant aan de onderkant van die arbeidsmarkt. Het heeft als doel een bijdrage te leveren aan de verbetering van de positie van arbeidsmigranten door de arbeids- en mensenrechtelijke problemen inzichtelijk te maken. De centrale onderzoeksvraag luidt: Op welke wijze kan een juiste balans worden gevonden tussen de arbeidsrechtelijke mogelijkheden van een vrije markteconomie binnen de EU en de bescherming van de (ongedocumenteerde) arbeidsmigrant? Het onderzoek zal zich richten op vier terreinen: 1. Nieuwe arbeidsconstructies tussen arbeidsmigranten uit vooral andere EU landen. Werkgevers lijken erop gericht Nederlandse arbeidswetgeving te omzeilen ten koste van de arbeidsmigrant. Onderzocht zal worden in hoeverre constructies als payrolling, contracting en draaideurflex zijn toegestaan met inachtneming van de Europese context. 2. Het negeren van de rechten van de arbeidsmigrant kan leiden tot misbruik en uitbuiting. Binnen het spanningsveld van uitbuiting, arbeidsmarktbehoeften en het tegengaan van illegaal verblijf lijkt het laatste te prevaleren. Het onderzoek is erop gericht het spanningsveld binnen de genoemde driehoeksverhouding in kaart te brengen en te doorbreken door het verkrijgen van meer inzicht in de rol die de arbeidsmigrant vervult en het creëren van een mogelijkheid voor een menswaardig bestaan. 3. De omvang van de huidige groep ongedocumenteerden in Nederland is onbekend, evenals de mate waarin hun rechten als werknemers worden nageleefd. Repressieve maatregelen tegen ongedocumenteerden of hun werkgevers zijn maar ten dele succesvol en miskennen de noodzakelijkheid van arbeidsmigratie voor dit soort werk. Het onderzoek wil deze kwetsbare groep in beeld brengen en op basis daarvan aanbevelingen doen voor het verbeteren van hun positie. 4. Als laatste wordt de vraag gesteld of verplaatsbare arbeid waarin veel arbeidsmigranten werken op de lange termijn een plaats heeft binnen de Nederlandse economie. Bij ontkennende beantwoording is de vervolgvraag hoe de Nederlandse regering verplaatsing kan stimuleren en tegelijkertijd kan bijdragen aan de Nederlandse kenniseconomie. De studie ging in januari van start, de studieduur bedraagt vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een postdoc onderzoeker; twee senior onderzoekers; een projectleider. Effecten van de MPG-interventie voor multiprobleemgezinnen o.l.v. dr. D.E.M.C. Jansen, Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen Het hier beschreven onderzoek sluit aan op de resultaten van de Programmeringsstudie Multiproblematiek in gezinnen ; een literatuurstudie die in 13 is afgerond. Multiprobleemgezinnen ervaren problemen op verschillende leefgebieden, van sociaaleconomische achterstanden en psychosociale problemen tot huiselijk geweld en criminaliteit. Daarnaast veroorzaken multiprobleemgezinnen regelmatig overlast in hun omgeving, met een veelal negatief effect op de buurt. De problemen van multiprobleemgezinnen hebben aanzienlijke consequenties voor de volksgezondheid, de leefbaarheid en de participatie van deze gezinnen. Desondanks is er in Nederland nog geen evidence-based hulpverlening of interventie om deze gezinnen te helpen zodanig met hun problemen om te gaan dat het functioneren van het gezin op de verschillende leefgebieden verbetert. In dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: 1. Wat is de beste manier om de problematiek en het functioneren van multiprobleemgezinnen op gestandaardiseerde wijze in kaart te brengen? 2. Wat zijn de effecten van de MPG-interventie op de opvoedcompetenties van (de) ouder(s) en het psychosociaal en sociaaleconomisch functioneren van multiprobleemgezinnen ten opzichte van reguliere hulpverlening? 3. Wat zijn de randvoorwaarden en knelpunten bij de implementatie van deze interventie? Bij het beantwoorden van deze vraagstellingen wordt uitgegaan van de volgende definitie van een multiprobleemgezin: een gezin met minstens één volwassene en minstens één kind van 4-18 jaar, die samenleven in een gezamenlijk huishouden en naast opvoedingsproblematiek ook problemen ervaren op sociaaleconomisch en/of psychosociaal gebied. Tijdens de studie zal een MPG-interventie voor multiprobleemgezinnen worden opgezet, gebaseerd op (evidence based) veelbelovende elementen uit de literatuur en voortbouwend op bestaande interventies. In deze interventie wordt gebruik gemaakt van een gestandaardiseerde beoordeling van de stand van zaken op verschillende leefgebieden, voorafgaand aan de start van de hulpverlening. Vervolgens ontvangt het gezin langdurige ondersteuning met wisselende intensiteit, waarbij in het eerste halfjaar sprake is van meer contactmomenten per week. Als de problemen onder controle zijn en geen intensieve begeleiding meer nodig is worden meestal na een halfjaar tot een jaar de contactmomenten langzaam afgebouwd tot bijvoorbeeld één contact per maand. De hulpverlening is gericht op het gehele gezin/alle gezinsleden en biedt hulp op alle relevante leefgebieden. De hulpverlening haakt in op en versterkt de eigen kracht en zelfredzaamheid van het gezin en sluit aan bij de belevingswereld en behoeften/vragen van het gezin. De hulpverlening vindt plaats in de thuissituatie of leefomgeving van het gezin en is met name gericht op gedragsbeïnvloeding en het aanleren van vaardigheden. Daarnaast wordt zo nodig praktische, materiële hulp geboden. De hulpverlening is niet vrijblijvend en betrekt het gezin bij het opstellen van concrete haalbare doelen, waarbij ook het sociale netwerk wordt betrokken. Om te voorkomen dat teveel hulpverleners bij het gezin over de vloer komen, wordt uitgegaan van één gezin, één plan, één key professional, waarbij deze laatste als constante factor voor het gezin de regie heeft. Zo nodig wordt specialistische hulp ingeschakeld voor deelproblemen via de gezinscoach. De studie is in maart van start gegaan en heeft een doorlooptijd van vijf jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een postdoc onderzoeker; een senior onderzoeker/projectleider; een hoogleraar. 2. Nieuwe onderzoeksprojecten, toegekend in Beleggingsresultaten van niet-liquide activa op lange termijn o.l.v. prof. dr. T.E. Nijman, Netspar, Universiteit van Tilburg ( 9.600) Pensioen staat de laatste jaren sterk in de belangstelling. Dat is begrijpelijk: een goede oudedag is wat iedereen wenst en waar we graag voor sparen. Maar, aan dat sparen blijken risico s verbonden: soms gaat het goed, soms levert sparen minder op dan verwacht. Sparen voor pensioen heeft echter ook een voordeel: er is een lange tijd dat het geld kan renderen. In dit onderzoek wordt nagegaan of deze lange horizon gebruikt kan worden om de pensioenbetalingen minder gevoelig te maken voor de grilligheid van financiële markten. In het bijzonder wordt gekeken naar beleggingen in zogenaamde illiquide activa. Dit zijn bijvoorbeeld illiquide aandelen of obligaties, vastgoed, infrastructurele projecten of lange termijn investeringen in kleinere bedrijven. Deze investeringen zijn vaak minder goed verhandelbaar en daardoor minder aantrekkelijk voor op de kortere termijn gerichte beleggers; dat maakt deze beleggingen ook goed-

18 32 Wetenschappelijk onderzoek 33 koper. Voor een langetermijnbelegger is de slechte verhandelbaarheid echter geen probleem, omdat die de tijd heeft om te wachten. Dergelijke beleggingen zijn voor pensioenbeleggers potentieel juist aantrekkelijk. Dit voordeel moet wel worden afgewogen tegen mogelijke nadelen, zoals het minder gemakkelijk kunnen aanpassen van de beleggingsportefeuille en het tegen hogere kosten moeten verkopen van beleggingen als waarde wordt overgedragen of pensioeninkomen wordt uitgekeerd. De studie is eind van start gegaan en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; twee hoogleraren. De afweging tussen kosten, ambitie en risico in pensioencontracten o.l.v. prof. dr. A.L. Bovenberg, Netspar, Universiteit van Tilburg ( ) Elke Nederlander wil graag een hoge en gegarandeerde pensioenuitkering en wil daar slechts een beperkte pensioenpremie voor (laten) betalen. Niet elke Nederlander is zich er evenwel van bewust dat een afruil tussen deze drie componenten (te weten ambitie, zekerheid en kosten) onvermijdelijk is. Een volledig gegarandeerd pensioen, waarin pensioenfondsen dus geen beleggingsrisico kunnen nemen, leidt óf tot lage uitkeringen óf tot heel hoge pensioenpremies. De afruil tussen kosten, ambitie en risico in pensioenregelingen staat centraal in dit onderzoeksproject. In het pensioenakkoord van 10 en 11 hebben werkgevers en werknemers ervoor gekozen explicieter en transparanter beleggingsrisico te nemen ten behoeve van de gewenste afruil tussen kosten, ambitie en risico van pensioenregelingen. Sindsdien wordt nagedacht over een nieuwe inrichting van het pensioenstelsel. Het uitsmeren van schokken in de waarde van de beleggingen en in de ontwikkeling van de levensverwachting is een van pijlers van de hervorming van het pensioenstelsel. Door schokken uit te smeren kunnen de risico s voor ouderen worden beperkt, terwijl jongeren wel adequate beleggingsrisico s kunnen nemen waardoor de pensioenopbouw voor hen betaalbaar blijft. In deze studie wordt onder andere uitgewerkt hoe een pensioenstelsel dat op dit principe van uitsmeren van schokken is gebaseerd er uit zou kunnen zien. Ook de welvaartswinst die behaald kan worden door risico s binnen pensioenfondsen te verhandelen zal in kaart worden gebracht. Inmiddels is duidelijk dat het in 15 te introduceren nieuwe Financieel Toetsings Kader slechts een tussenstap markeert en is door de staatssecretaris al een vervolgdiscussie aangekondigd. Onder andere de vraag in hoeverre gegarandeerde pensioenuitkeringen en het uitsmeren van schokken op een goede manier gecombineerd kunnen worden is daarbij aan de orde. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een systeem waarbij jongeren weinig garanties opbouwen, maar de pensioentoezegging steeds meer het karakter van een garantie krijgt naarmate de deelnemer ouder wordt. Een dergelijk pensioenstelsel kan de sterke punten van de Nederlandse pensioentradities (levenslange uitkering, deels op basis van garanties, verplichte deelname, lage kosten, alleen behapbare keuzemogelijkheden) optimaal combineren met de sterke punten van premieregelingen zoals recent bepleit is door een aantal grote ondernemingspensioenfondsen. De studie is eind van start gegaan en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een postdoc onderzoeker; twee hoogleraren. De toereikendheid van pensioenen o.l.v. prof. dr. Th.E. Nijman, Netspar, Universiteit van Tilburg ( 9.600) De financiële positie van ouderen staat de laatste tijd flink in de belangstelling. De vergrijzing van de bevolking heeft geleid tot maatregelen die pensioenen en AOW-uitkeringen betaalbaar moeten houden. De AOW het basispensioen voor iedereen die altijd in Nederland heeft gewoond is onlangs hervormd, waarbij de AOW-leeftijd langzaam omhoog gaat. VUT-regelingen die uittreding ver voor de AOW-leeftijd aantrekkelijk maakten zijn grotendeels afgeschaft. De leeftijd waarop mensen met pensioen gaan is daardoor de laatste jaren flink gestegen. Recent onderzoek laat zien dat de ouderen van nu en van de nabije toekomst er gemiddeld financieel veel beter voorstaan en zullen staan dan de ouderen van 25 jaar geleden. Dit is een gevolg van verhoging van de koopkracht van de AOW en aanvullende regelingen voor ouderen, maar vooral ook van meer aanvullende pensioenopbouw en groter vermogen, bijvoorbeeld in de vorm van een eigen huis. Dit rechtvaardigt volgens velen versobering van belastingvoordelen voor pensioenopbouw in de tweede en derde pijler en andere regelingen bedoeld om de inkomenspositie van ouderen te ondersteunen. Toch blijven er zorgen, enerzijds wegens macro-economische risico s en anderzijds omdat niet alle groepen evenveel profiteren. Dit laatste is waarop dit project aangrijpt: de grote verschillen in het te verwachten inkomen na pensionering en de daarmee gepaard gaande onzekerheid tussen en binnen sociaaleconomische groepen. Sommige groepen zijn extra kwetsbaar, zoals zelfstandigen zonder aanvullend pensioen of immigranten met onvolledige AOW. Het is van belang deze heterogeniteit in kaart te brengen en te onderzoeken hoe pensioenbeleid ervoor kan zorgen dat ook de kwetsbare groepen een financieel gezonde oudedag tegemoet gaan. Daarbij gaat het niet alleen om pensioeninkomen maar ook om de toereikendheid ervan, dus ook over bestedingspatronen en vermogensbronnen die het pensioeninkomen kunnen aanvullen. Hoe de heterogeniteit in financiële zekerheid en welvaart van ouderen eruit ziet, hoe stabiel het is in de loop van de tijd, hoe dit samenhangt met arbeidsmarkttransities in het verleden en andere factoren zoals gezondheid of gezinssituatie, staat centraal in deze studie. Enerzijds wordt nagegaan hoe de dynamiek in iemands arbeidsmarktpositie (werknemer, zelfstandig, niet-werkend) van invloed is op de pensioenopbouw. Anderzijds wordt bestudeerd in hoeverre pensioeninkomen samen met andere factoren bepalend is voor de toereikendheid van het pensioen. Ook wordt bestudeerd hoe Nederland zich wat dit betreft verhoudt tot andere landen met andere pensioenstelsels. De resultaten zullen meer inzicht geven in de relatie tussen de inkomenspositie van ouderen en hun arbeidsmarktverleden, financiële beslissingen, gezondheid en andere factoren. Dit zal laten zien hoe kwetsbaar bepaalde groepen zijn zoals zelfstandigen, werklozen en arbeidsongeschikten. Het onderzoek kijkt naar de mogelijke gevolgen van potentiële hervormingen in het pensioenstelsel. Hierbij ligt de nadruk op Nederland, maar wordt Nederland ook vergeleken met andere Europese landen waar financiële zekerheid van ouderen wordt nagestreefd met een heel ander pensioenstelsel. De studie is eind van start gegaan en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; twee hoogleraren. Juridische en economische aspecten en gevolgen van wijzigingen in werkloosheidsregelingen sinds 1986 o.l.v. prof. dr. F.J.L. Pennings, Universiteit Utrecht ( ) De Werkloosheidswet (WW) en daarop gebaseerde regelingen zijn sinds sinds 1986 veelvuldig veranderd. Daarmee werd beoogd om, afhankelijk van de situatie, onder andere de instroom van het aantal uitkeringsgerechtigden te beperken, de uitstroom te bevorderen, het aannemen van werk te stimuleren of de werking van de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. Voor deze wijzigingen kunnen verschillende instrumenten ingezet worden, waaronder wijziging van de duur en hoogte van de uitkeringen, verhoging van de toegangsdrempels of uitkeringsvoorwaarden en verscherping van de straffen. Voorbeelden zijn de verscherping van het aantal weken dat gewerkt moet worden, de Wet Boeten die de sancties aanscherpte, de invoering van de vervolguitkering, de afschaffing ervan en de verkorting van de uitkeringsduur. In de onderhavige studie wordt onderzocht welke instrumenten precies voor welk doel zijn gekozen en welke effecten die instrumenten hebben gehad. Zijn de doelstellingen bereikt? Zijn er wellicht neveneffecten, bijvoorbeeld die de doelstellingen tegengewerkt hebben? Het onderzoek gaat van start door allereerst literatuuronderzoek te verrichten naar veranderingen in werkloosheidsregelingen, zoals wijzigingen in de duur ervan en met betrekking tot opgelegde

19 34 Wetenschappelijk onderzoek 35 sancties. Daarnaast wordt bij een aantal hoofdwijzigingen empirisch onderzoek uitgevoerd, waardoor inzicht ontstaat in de werking van verschillende sturingsinstrumenten. Voor dit doel worden het juridisch en economisch deel van het onderzoek op elkaar afgestemd en in relatie gebracht met het tijdsperspectief, zodat informatie vanuit het juridisch perspectief goed aansluit bij het economisch perspectief. De hoofdonderdelen van de studie bestaan uit: 1. instrumenten bedoeld voor wijziging in de in- en uitstroom van de WW (waaronder wijziging van hoogte van de uitkering en duur, referte-eisen, financieringsregelingen) 2. instrumenten bedoeld ter beïnvloeding van het arbeidsmarktgedrag (waaronder bepalingen betreffende verwijtbare werkloosheid, sancties en boeten) 3. neveneffecten (waaronder instroom in Wet Werk en Bijstand (WWB) en Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers (IOAW) door mensen die geen recht (meer) hebben op een WW-uitkering). De jurist zal nagaan welke doelstellingen de onderscheiden wijzigingen hadden, onder andere in parlementaire stukken, Raad van State-adviezen, SER-rapporten en wetenschappelijke literatuur. De reactie van de rechter op de wijzigingen zal daarbij worden meegenomen, waarna de bevindingen in een analytisch kader geplaatst worden met daarin de gevolgen voor de verschillende stakeholders (werknemer, werkgever, UWV, etc.). De econoom zal kwantitatieve econometrische analyses uitvoeren en focusgroep-gesprekken houden om door middel van een kwalitatieve benadering de reacties van werkgevers te peilen, waaronder de ervaren problemen, welke alternatieven er zijn en de perceptie van de WW. De studie is eind van start gegaan en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; een postdoc onderzoeker; twee hoogleraren. Op zoek naar nieuw evenwicht. Een parlementaire geschiedenis van het sociale zekerheidsstelsel o.l.v. prof. dr. C.C. van Baalen, Centrum voor Parlementaire Geschiedenis, Radboud Universiteit Nijmegen ( ) Politici wordt regelmatig verweten geen oog te hebben voor de kosten van het sociale zekerheidsstelsel en het misbruik dat er soms van gemaakt wordt. Karikaturen worden daarbij niet geschuwd. Zo schreef Pim Fortuyn in zijn boek De puinhopen van acht jaar Paars: De verzorgingsstaat heeft tegen alle goede bedoelingen in een waar monster gebaard. Ze heeft mensen het recht gegeven zich te onttrekken aan het arbeidsproces door hen te voorzien van een inkomen, huisvesting, gezondheidszorg, tal van subsidies, zonder daar ook maar enige tegenprestatie voor te verlangen. Het is scheppen geworden, van de grote hoop, die in de beleving van de mensen van niemand is, dus van ons allemaal. In werkelijkheid werden al tijdens het kabinet-den Uyl ( ) de eerste voorstellen gedaan om de explosieve kosten en het misbruik van sociale voorzieningen tegen te gaan. Fundamentele hervormingen van sociale wet- en regelgeving bleven niettemin lange tijd uit. Pas in de jaren tachtig vonden de eerste belangrijke aanpassingen plaats en na het rapport van de parlementaire enquêtecommissie-buurmeijer, dat eind 1993 verscheen, veranderde geleidelijk aan de organisatie en uitvoeringspraktijk van de sociale zekerheid. Steevast liep de politieke spanning in Den Haag hoog op als geprobeerd werd (onderdelen van) het sociale zekerheidsstelsel te hervormen of aan te passen. Wetsvoorstellen moesten soms schielijk worden ingetrokken als bleek dat er bij voorbaat geen steun was in het parlement. Vakbonden wisten herhaaldelijk tienduizenden mensen op de been te brengen om te protesteren tegen kabinetsvoornemens; verschillende politici en bewindslieden verslikten zich in hun ambitie de sociale zekerheid te hervormen en sommigen van hen werden zelfs gedwongen de politieke arena te verlaten. Dit project richt zich op de parlementaire geschiedenis van de sociale zekerheid vanaf de jaren tachtig. Er zal aan de hand van drie soorten sociale wetten een analyse gegeven worden van de ontwikkeling van sociale wet- en regelgeving, te weten: de Werkloosheidswet en haar opvolgers (werknemersverzekering), de Algemene Bijstandswet en haar opvolgers (sociale voorziening), de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet (beide volksverzekeringen). Ook zal er aandacht zijn voor de uitvoeringspraktijk voor zover deze aanleiding gaf tot veranderingen en aanpassingen. De aldus verkregen inzichten zullen bijdragen aan de discussie over de toekomst van de sociale zekerheid, aangezien de resultaten van dit project niet alleen hun weerslag zullen vinden in een proefschrift, artikelen en een online applicatie, maar ook in een policy paper met daarin concrete aanbevelingen voor politici en beleidsmakers. De studie is eind van start gegaan en heeft een doorlooptijd van vier jaar. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: een aio c.q. promovendus; twee senior onderzoekers; een hoogleraar. Grenzeloze Arbeidsmarkt (GRENZAM) o.l.v. prof. dr. J. van Dijk, Rijksuniversiteit Groningen ( 7.394) Grensregio s zijn economisch kwetsbaar onder meer vanwege bevolkingskrimp en relatief hoge werkloosheid. Samenwerking met regio s aan de andere zijde van de grens biedt mogelijkheden om hier wat aan te doen. Grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit kan bijdragen aan het oplossen van arbeidsmarktknelpunten, zeker als aan de ene kant van de grens veel onvervulde vacatures zijn en aan de andere kant veel werklozen. Landsgrenzen blijken echter een belangrijk obstakel te zijn voor grensoverschrijdende arbeidspendel. Daardoor blijven kansen voor regio s aan de Nederlandse grens met België en Duitsland onbenut om te profiteren van het aanbod van vacatures en werkzoekenden. Hierdoor functioneert de arbeidsmarkt niet optimaal en worden ook de kansen op het realiseren van economische groei onderbenut. Landen, regio s en gemeenten nemen maatregelen om grensarbeid te stimuleren, door de informatievoorziening voor burgers beter te regelen en door obstakels in weten regelgeving weg te nemen. Daarnaast bestaan er tal van samenwerkingsverbanden in Europese grensregio s om grensarbeid te stimuleren, te faciliteren, de samenwerking in economisch opzicht te intensiveren en het aanbod van publieke en culturele voorzieningen optimaal te benutten. Ook de Benelux-landen hebben het bevorderen van grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit aangemerkt als een belangrijk aandachtspunt. Zo hebben zij zich ten doel gesteld om een strategische visie te ontwikkelen om vraag en aanbod van de grensoverschrijdende arbeidsmarkt beter op elkaar te laten aansluiten. Om deze functionele grensregio s beter te kunnen laten functioneren wordt in dit onderzoek een antwoord gegeven op de volgende vragen: 1. welke soorten grensoverschrijdende arbeidsmarktbewegingen kunnen we onderscheiden en wat is de omvang en samenstelling van deze stromen naar richting van de stroom, opleiding en beroep? 2. wat zijn de (potentiële) voordelen voor individuele werknemers, voor de regionale economie en voor de arbeidsmarkt als geheel van grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit? 3. wat zijn de belemmeringen voor grensarbeid en welke aanpassingen in de belasting-, sociale zekerheids- en pensioenwetgeving (institutionele vormgeving), en (taal)onderwijs kan grensarbeid soepeler laten verlopen? 4. welke aanpassingen in coördinatie en regie zijn nodig voor effectieve samenwerking (governance)? 5. welke informatie is nodig om de grensoverschrijdende arbeidsmarkt goed in beeld te brengen, knelpunten te identificeren, potenties voor meer economische groei te realiseren en beleidsinterventies te onderbouwen en te evalueren? Het onderzoek bestaat uit een cijfermatige analyse van statistische informatie uit meerdere landen. Dit wordt aangevuld met kwalitatief onderzoek via casestudies en workshops in de belangrijkste samenwerkingsverbanden van de Nederlandse grensregio s. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een onderzoeksgroep die bestaat uit onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, Centraal

20 36 Wetenschappelijk onderzoek 37 Bureau voor de Statistiek en UWV. Op deze manier kunnen de opgedane kennis en ervaring met grensoverschrijdende statistiek direct worden toegepast in bestaande organisaties en wordt er gewerkt aan structurele oplossingen. De studie is eind van start gegaan en heeft een doorlooptijd van 18 maanden. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: twee junior onderzoekers; een postdoc onderzoeker; een senior onderzoeker; een hoogleraar. Mismatch tussen onderwijs en arbeidsmarkt Een studie naar de aard en omvang van mismatch in Nederland en een evaluatie van interventies ter verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt o.l.v. prof. dr. W.N.J. Groot, TIER, Universiteit Maastricht ( ) Een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is van essentieel belang voor schoolverlaters en bedrijven en daarmee voor een goed functionerende economie. Momenteel bestaat het beeld dat er problemen zijn met deze aansluiting. Zo bestaat de indruk dat het onderwijs te vaak schoolverlaters aflevert waar het bedrijfsleven niets mee kan en sluiten studievaardigheden soms niet goed genoeg aan bij de wensen van de werkgevers. Bovendien zouden studenten te vaak geen werk vinden dat past bij hun vooropleiding. Vastgesteld kan worden dat jongeren vaak een opleiding kiezen op basis van hun talenten, voorkeuren en hun perceptie over de arbeidsmarktkansen. Daar tegenover staat dat werkgevers jonge, nieuwe werknemers zoeken met bepaalde (voor)kennis en vaardigheden op basis van de ondernemerskansen die zij zien. Deze twee van elkaar te onderscheiden processen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt kunnen leiden tot drie soorten van mismatch op de arbeidsmarkt: (1) verticale mismatch; (2) horizontale mismatch en (3) intra-curriculaire mismatch. Het onderzoek is georganiseerd in drie thema s waarbij rekening gehouden wordt met het onderscheid tussen deze drie vormen van mismatch. Het eerste thema bestaat uit een verkenning en karakterisering van mismatch waarin wordt nagegaan of en in hoeverre mismatch zich voordoet en, zo ja, in welke opleidingsniveaus en opleidingsrichtingen. Als referentiepunt gelden de ontwikkelingen in de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt van de afgelopen 25 jaar. Het tweede thema gaat in op de effectiviteit van interventies om de mismatch tegen te gaan of de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren. De onderzoeksresultaten van deze tweede fase spelen ook een rol binnen het derde thema, waarin de vraag centraal staat hoe de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verder te verbeteren. In het bijzonder zal de rol van marktmechanismen ( incentives ), beroepskeuzetesten en stages meegenomen worden. Het voorgestelde onderzoek bouwt in elk van de drie thema s innovatief voort op eerder uitgevoerd onderzoek en maakt gebruik van onderzoeksmethoden en technieken met een evidence based karakter, namelijk: systematische literatuurstudies, metaanalyses op bestaande studies en empirisch onderzoek dat gebruikmaakt van econometrische technieken zodat effecten op een zuivere manier bepaald kunnen worden. De studie is eind van start gegaan en heeft een doorlooptijd van 24 maanden. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: drie senior onderzoekers; een hoogleraar. Vast of flex? Generaties en hun wensen ten aanzien van werk o.l.v. dr. M. van der Klein, Verwey-Jonker Instituut Utrecht ( 9.3) Dit onderzoek is gericht op het vergroten van kennis over en inzicht in de wensen en verwachtingen van verschillende generaties werkenden (in spe) ten aanzien van vast en flexibel werk. In de afgelopen periode is het aantal mensen met een flexibel arbeidscontract sterk toegenomen, de verwachting is dat deze ontwikkeling zal doorzetten. Inmiddels verricht 30% van de Nederlandse beroepsbevolking een vorm van flexibele arbeid. Aan de gedachtevorming over flexibilisering van de huidige arbeidsmarkt bijvoorbeeld in het Sociaal Akkoord liggen vooronderstellingen ten grondslag omtrent generatieverschillen, zonder dat deze aannames zijn getoetst. Zo zouden jongeren minder behoefte hebben aan vastigheid dan ouderen. Representatief onderzoek naar de hedendaagse houding ten aanzien van vast en flexibel werk, waarin het generatiebegrip een centrale plaats krijgt is van maatschappelijk en wetenschappelijk belang. Door middel van literatuuronderzoek, de analyse van een representatieve steekproef en verdiepende interviews worden drie generaties uit verschillende sociaaleconomische perioden centraal gesteld: het betreft de leeftijdscategorieën jaar, jaar en jaar. Omdat deze generaties opgroeiden in verschillende maatschappelijke contexten en te maken kregen met verschillende condities op de arbeidsmarkt, ontstaat inzicht in hun preferenties en motivaties omtrent vaste en flexibele arbeid. In het verlengde hiervan worden ook hun ervaringen en behoeften gepeild. Daarmee krijgt de flexibilisering van de arbeidsmarkt reliëf vanuit werknemersperspectief. Op basis van de resultaten van het onderzoek worden samen met het veld aanbevelingen voor ondersteunend, toekomstbestendig sociaal beleid geformuleerd. Het onderzoek bestaat uit vier delen. Deel 1 richt zich op de analyse van bestaande literatuur en data vanuit het generatieperspectief. Er ontstaat zo een overzicht van gesignaleerde preferenties van generaties en kennis(lacunes) rondom de verwachtingen over vaste of flexibele arbeid in Nederland. In deel 2 van de studie wordt een vragenlijst over wensen en verwachtingen omtrent vast en flexibel werk ontwikkeld en voorgelegd aan een representatieve steekproef van de Nederlandse beroepsbevolking (in spe). Ook jongeren in opleiding worden bevraagd. Naast de factor generatie zullen ook andere factoren, motieven en ervaringen in kaart gebracht worden die de wensen van generaties ten aanzien van vast of flexibel werk beïnvloeden (geslacht, sector, hypotheek, kinderen, opleidingsniveau, aantal verdieners in huishouden, etc.). In deel 3 van het onderzoek vinden verdiepende interviews plaats, gebaseerd op de uitkomsten van het vragenlijstonderzoek en inzichten uit de literatuur. Samen met relevante partners zullen in deel 4 van de studie oplossingsrichtingen gezocht worden die bijdragen aan een betere match tussen de eisen van de arbeidsmarkt en de wensen van de beroepsbevolking (in spe). Focusgroepen met daarin vertegenwoordigers van sociale partners, beleidsmakers en wetenschappers spelen hierbij een belangrijke rol. De resultaten van het onderzoek evenals de beleidsaanbevelingen voor de ontwikkeling van ondersteunend beleid staan centraal tijdens een afsluitende conferentie. De studie is eind van start gegaan en heeft een doorlooptijd van achttien maanden. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn fulltime of parttime betrokken: twee junior onderzoekers; een project assistent; een senior onderzoeker; een projectleider. Doorwerken na de AOW-/pensioengerechtigde leeftijd: van impact en drijfveren naar implicaties voor beleid o.l.v. prof. dr. ir. P.M. Bongers, TNO ( ) Gezien de sterke toename van de levensverwachting en vergrijzing van de beroepsbevolking stimuleert de overheid met verschillende pensioenhervormingen dat mensen langer participeren in betaald werk. De gemiddelde pensioenleeftijd van werknemers steeg van 61.0 jaar in 03 tot 63.9 jaar in 13. Een verdere stijging is te verwachten als gevolg van verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Ook na de AOW-/pensioengerechtigde leeftijd werken steeds meer mensen door als werknemer of zelfstandige. In 13 hadden plussers betaald werk, terwijl er in totaal werkzoekenden waren. Dit roept de vraag op of er sprake is van verdringing van jongere werkenden door AOW-/pensioengerechtigden, gescheiden arbeidsmarkten, of juist complementariteit tussen jongeren en ouderen op de arbeidsmarkt.

De leden van de beleggingscommissie. 10 januari 2011 Beleid Maatschappelijk Verantwoord Beleggen

De leden van de beleggingscommissie. 10 januari 2011 Beleid Maatschappelijk Verantwoord Beleggen NOTITIE Van Aan CC Datum Betreft Sjoerd Hoogterp De leden van de beleggingscommissie 10 januari 2011 Beleid Maatschappelijk Verantwoord Beleggen Inleiding Het pensioenfonds Werk en (re)integratie (PWRI)

Nadere informatie

Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de Houthandelindustrie september 2015

Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de Houthandelindustrie september 2015 Maatschappelijk verantwoord beleggen Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de Houthandelindustrie september 2015 Beleid ten aanzien van Maatschappelijk verantwoord beleggen Inleiding BPF Houthandel draagt

Nadere informatie

Maatschappelijk Verantwoord Beleggingsbeleid

Maatschappelijk Verantwoord Beleggingsbeleid Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Houthandel en Maatschappelijk Verantwoord Beleggen In dit document wordt het Maatschappelijk Verantwoord Beleggingsbeleid (MVB-beleid) van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds

Nadere informatie

Instituut Gak wil een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de sociale zekerheid in Nederland. COC Nederland 2010. Stichting Werkartaal 2009

Instituut Gak wil een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de sociale zekerheid in Nederland. COC Nederland 2010. Stichting Werkartaal 2009 COC Nederland 2010 Stichting The Colour Kitchen 2011 Stichting Werkartaal 2009 Instituut Gak wil een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de sociale zekerheid in Nederland Instituut Gak wil een bijdrage

Nadere informatie

Nationale DenkTank 2014 Big Data Academy

Nationale DenkTank 2014 Big Data Academy Big Data Academy Achtergrond en uitwerking Big Data Academy (BDA) Management Summary Oplossing [Twintig] deelnemers waarvan [80%] masterstudenten en PhD s en[20%] werknemers die voldoen aan de voorkenniseisen

Nadere informatie

Eindexamen maatschappijleer vwo 2003-II

Eindexamen maatschappijleer vwo 2003-II Opgave 1 Armoede en werk 1 Het proefschrift bespreekt de effecten van het door twee achtereenvolgende kabinetten-kok gevoerde werkgelegenheidsbeleid. / De titel van het proefschrift heeft betrekking op

Nadere informatie

De ICT-Academy: Van werkzoekende tot ICT-specialist

De ICT-Academy: Van werkzoekende tot ICT-specialist De ICT-Academy: Van werkzoekende tot ICT-specialist Adresgegevens: Meent 93a 3011 JG Rotterdam 010 41 40 282 Voor algemene informatie over Carrièrewinkel Projecten: www.carrierewinkel.nl E-mail: info@carrierewinkel.nl

Nadere informatie

solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd?

solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd? Bijdrage prof. dr. Kees Goudswaard / 49 Financiering van de AOW: solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd? Deze vraag staat centraal in de bij drage van bijzonder hoogleraar Sociale zekerheid prof.

Nadere informatie

RESPONSIVE TO A CHANGING WORLD. Yolk Henny van Egmond Congres over het nieuwe werken 2014

RESPONSIVE TO A CHANGING WORLD. Yolk Henny van Egmond Congres over het nieuwe werken 2014 RESPONSIVE TO A CHANGING WORLD Yolk Henny van Egmond Congres over het nieuwe werken 2014 Ontwikkeling en groei van binnenuit We leven niet in een tijdperk van veranderingen, maar in een verandering van

Nadere informatie

Aan de raad AGENDAPUNT 3. Doetinchem, 10 december 2008. Beleidsplan Re-integratiebeleid 2009-2011

Aan de raad AGENDAPUNT 3. Doetinchem, 10 december 2008. Beleidsplan Re-integratiebeleid 2009-2011 Aan de raad AGENDAPUNT 3 Beleidsplan Re-integratiebeleid 2009-2011 Voorstel: 1. De kaders uit het beleidsplan 'Werken werkt!' vaststellen, zijnde: a. als doelstellingen: - het bevorderen van de mogelijkheden

Nadere informatie

Toekomst voor verzekeraars

Toekomst voor verzekeraars Position paper Toekomst voor verzekeraars Position paper ten behoeve van het rondetafelgesprek op 11 juni 2015 van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer naar aanleiding van het rapport

Nadere informatie

Nieuwe kans op extra instroom

Nieuwe kans op extra instroom Nieuwe kans op extra instroom Focus op de arbeidsmarkt Naast het erkennen van leerbedrijven is Calibris verantwoordelijk voor ontwikkeling en onderhoud van kwalificaties in de sectoren zorg, welzijn en

Nadere informatie

DE PARTICIPATIEWET VOOR U ALS WERKGEVER

DE PARTICIPATIEWET VOOR U ALS WERKGEVER UTRECHT MIDDEN DE PARTICIPATIEWET VOOR U ALS WERKGEVER Doel van de Participatiewet De Participatiewet vervangt de bijstandswet, de Wet sociale werkvoorziening en een deel van de Wajong. Het doel van de

Nadere informatie

Actieplan 1 Informatie- en preventiebeleid naar de Zeelse bevolking toe op het vlak van o.m. (kinder)armoede, gezondheid, participatie

Actieplan 1 Informatie- en preventiebeleid naar de Zeelse bevolking toe op het vlak van o.m. (kinder)armoede, gezondheid, participatie DEEL ARMOEDEBESTRIJDING Actieplan 1 Informatie- en preventiebeleid naar de Zeelse bevolking toe op het vlak van o.m. (kinder)armoede, gezondheid, participatie Actie 1 : Het OCMW zorgt er, zelfstandig of

Nadere informatie

Visie 2020 Onze belofte aan de deelnemers. Samen bouwen aan goed pensioen

Visie 2020 Onze belofte aan de deelnemers. Samen bouwen aan goed pensioen Visie 2020 Onze belofte aan de deelnemers Samen bouwen aan goed pensioen Inleiding ABP heeft een visie ontwikkeld voor de middellange termijn, de ABP-visie op 2020. Met deze visie willen wij richting geven

Nadere informatie

Ontwikkelingen. in zorg en welzijn. Wij houden daarbij onverkort vast aan de Koers 2010-2013,

Ontwikkelingen. in zorg en welzijn. Wij houden daarbij onverkort vast aan de Koers 2010-2013, KOERS 2014-2015 3 Het (zorg)landschap waarin wij opereren verandert ingrijpend. De kern hiervan is de Kanteling, wat inhoudt dat de eigen kracht van burgers over de hele breedte van de samenleving uitgangspunt

Nadere informatie

Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2014

Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2014 Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2014 In dit verslag: 1. Stemresultaten over 2014 2. Implementatie Nederlandse Corporate Governance Code Verantwoordelijkheid van institutionele beleggers

Nadere informatie

Investeren in vertrouwen. Samenvatting Meerjarenbeleidsplan 2011-2015

Investeren in vertrouwen. Samenvatting Meerjarenbeleidsplan 2011-2015 Investeren in vertrouwen Samenvatting Meerjarenbeleidsplan 2011-2015 1 Pensioenfonds Zorg en Welzijn: het pensioenfonds voor de sector zorg en welzijn Het meerjarenbeleidsplan 2011-2015 beschrijft welke

Nadere informatie

Seminar 'Aandeelhouderschap op de schop'

Seminar 'Aandeelhouderschap op de schop' Seminar 'Aandeelhouderschap op de schop' Case study collectief engagement 11 februari 2013 Ger Fehrenbach Senior Advisor Responsible Investment Stelling Institutionele beleggers dragen een grotere verantwoordelijkheid

Nadere informatie

Stichting tot Verbetering van het Lot de Blinden. Beleidsplan 2016-2020

Stichting tot Verbetering van het Lot de Blinden. Beleidsplan 2016-2020 Stichting tot Verbetering van het Lot de Blinden Beleidsplan 2016-2020 1 Voorwoord Voor u ligt het beleidsplan van de Stichting tot Verbetering van het Lot der Blinden, ook wel t Lot genaamd. Dit plan

Nadere informatie

Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2014

Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2014 Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2014 In dit verslag: 1. Stemresultaten over 2014 2. Implementatie Nederlandse Corporate Governance Code Verantwoordelijkheid van institutionele beleggers

Nadere informatie

VISIE WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2012-2015 BOEKEL, LANDERD, SINT-OEDENRODE UDEN EN VEGHEL

VISIE WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2012-2015 BOEKEL, LANDERD, SINT-OEDENRODE UDEN EN VEGHEL VISIE WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2012-2015 BOEKEL, LANDERD, SINT-OEDENRODE UDEN EN VEGHEL Inhoudsopgave: Voorwoord... 1 1. Visie: door KANTELING in BALANS...2 1.1 De kern: Eigen kracht en medeverantwoordelijkheid

Nadere informatie

Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2012

Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2012 Achmea Pensioen- en Levensverzekering inzake gesepareerd beleggingsdepot Stichting Pensioenfonds Achmea Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2012 In dit verslag: 1. Stemresultaten over 2012

Nadere informatie

Beleid voor Maatschappelijk Verantwoord Beleggen. Stichting Pensioenfonds voor de Architectenbureaus

Beleid voor Maatschappelijk Verantwoord Beleggen. Stichting Pensioenfonds voor de Architectenbureaus Beleid voor Maatschappelijk Verantwoord Beleggen Stichting Pensioenfonds voor de Architectenbureaus Juni 2014 1. Inleiding Dit Beleid voor Maatschappelijk Verantwoord Beleggen dient als leidraad en toetssteen

Nadere informatie

De motor van de lerende organisatie

De motor van de lerende organisatie De motor van de lerende organisatie Focus op de arbeidsmarkt Naast het erkennen van leerbedrijven is Calibris verantwoordelijk voor ontwikkeling en onderhoud van kwalificaties in de sectoren zorg, welzijn

Nadere informatie

Opening Majesteit, dames en heren, ook ik heet u vandaag van harte welkom op het jaarlijkse pensioenseminar van DNB.

Opening Majesteit, dames en heren, ook ik heet u vandaag van harte welkom op het jaarlijkse pensioenseminar van DNB. Speech Joanne Kellermann Pensioenseminar 2014 Opening Majesteit, dames en heren, ook ik heet u vandaag van harte welkom op het jaarlijkse pensioenseminar van DNB. Voor mij is dit een bijzonder moment:

Nadere informatie

Het Croqqer Cookbook: krijg samen meer voor elkaar

Het Croqqer Cookbook: krijg samen meer voor elkaar Het Croqqer Cookbook: krijg samen meer voor elkaar door Rob van de Star Inhoudsopgave Voorwoord...3 Hoe willen we werken?...4 De stem van onze "klant"...5 De buurt als ons anker...6 Copyright 2014, Croqqer

Nadere informatie

Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2013

Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2013 Verslag verantwoording betrokken aandeelhouderschap 2013 In dit verslag: 1. Stemresultaten over 2013 2. Implementatie Nederlandse Corporate Governance Code Verantwoordelijkheid van institutionele beleggers

Nadere informatie

Verkiezingsprogramma D66 Maastricht 2014-2018. Samen Sterker

Verkiezingsprogramma D66 Maastricht 2014-2018. Samen Sterker Samen Sterker Samenleven > niet gelijk, maar gelijkwaardig > aantrekkelijke, ecologische woonstad > iedereen een eerlijke kans op de arbeidsmarkt Samenleven Mensen zijn niet allemaal gelijk, maar wel gelijkwaardig.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 29 544 Arbeidsmarktbeleid Nr. 433 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Maatschappelijk Verantwoord Beleggingsbeleid

Maatschappelijk Verantwoord Beleggingsbeleid SPMS en Maatschappelijk Verantwoord Beleggen In dit document wordt het Maatschappelijk Verantwoord Beleggingsbeleid (MVB-beleid) van Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten (SPMS) uiteengezet. Dit

Nadere informatie

De toekomst van arbeid? LIVING TECHNOLOGY. Maarten van Riemsdijk. The way we are living is changed fundamentally

De toekomst van arbeid? LIVING TECHNOLOGY. Maarten van Riemsdijk. The way we are living is changed fundamentally De toekomst van arbeid? Maarten van Riemsdijk The way we are living is changed fundamentally By how we use and implement technical knowledge LIVING TECHNOLOGY Overzicht voor vandaag Snelle voorspelbare

Nadere informatie

Strategisch Pensioenmanagement

Strategisch Pensioenmanagement Strategisch Pensioenmanagement Strategisch Pensioenmanagement is samenbrengen. Strategisch Pensioenmanagement De belangrijkste taak van Strategisch Pensioenmanagement is ervoor te zorgen dat u in control

Nadere informatie

Populair beleggingsplan

Populair beleggingsplan Populair beleggingsplan versie oktober 2015 1 Inhoudsopgave Waarom belegt het pensioenfonds? 4 Wat is het doel van beleggen? 4 Wat levert beleggen op? 4 Er gaan toch ook risico s gepaard met beleggen?

Nadere informatie

Discussienota Naar een socialere bijstand GroenLinks Den Haag November 2015

Discussienota Naar een socialere bijstand GroenLinks Den Haag November 2015 Discussienota Naar een socialere bijstand GroenLinks Den Haag November 2015 Inleiding Er is veel in beweging rond de bijstand. Sommige gemeenten experimenteren met een andere uitvoeringspraktijk, met minder

Nadere informatie

Managementvoorkeuren

Managementvoorkeuren Toelichting bij de test Business Fit-ality Lange Dreef 11G 4131 NJ Vianen Tel: +31 (0)347 355 718 E-mail: info@businessfitality.nl www.businessfitality.nl Business Fit-ality Met welk type vraagstuk bent

Nadere informatie

Een andere kijk op werken kanker en re-integratie

Een andere kijk op werken kanker en re-integratie Een andere kijk op werken kanker en re-integratie human support grensverleggend mensenwerk Kanker wordt steeds meer een chronische ziekte, dus krijgen organisaties en werkgevers in toenemende mate te maken

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4

Nadere informatie

De Toekomst van het Nederlands Verdienmodel

De Toekomst van het Nederlands Verdienmodel De Toekomst van het Nederlands Verdienmodel prof.dr. Hans Strikwerda Met reviews door: prof. dr. Arnoud Boot mr. drs. Atzo Nicolaï drs. Michiel Muller prof. dr. Eric Claassen dr. René Kuijten prof. dr.

Nadere informatie

Samen voor een sociale stad

Samen voor een sociale stad Samen voor een sociale stad 2015-2018 Samen werken we aan een sociaal en leefbaar Almere waar iedereen naar vermogen meedoet 2015 Visie VMCA 2015 1 Almere in beweging We staan in Almere voor de uitdaging

Nadere informatie

Leeftijdbewust personeelsbeleid De business case

Leeftijdbewust personeelsbeleid De business case Leeftijdbewust personeelsbeleid De business case Inleiding Binnen de sector ziekenhuizen is leeftijdsbewust personeelsbeleid een relevant thema. De studie RegioMarge 2006, De arbeidsmarkt van verpleegkundigen,

Nadere informatie

Veranderen is een noodzaak, verbeteren is een keuze (1)

Veranderen is een noodzaak, verbeteren is een keuze (1) (1) Inspirerend leiderschap van bestuurders en directeuren vraagt om meer aandacht voor hun verander- en verbetercapaciteit. In dit eerste deel (van twee) staat een belangrijke component hiervan centraal:

Nadere informatie

Code maatschappelijk verantwoord beleggen 1 januari 2010 PF-B-2009 / 324

Code maatschappelijk verantwoord beleggen 1 januari 2010 PF-B-2009 / 324 Code maatschappelijk verantwoord beleggen 1 januari 2010 PF-B-2009 / 324 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Beleid maatschappelijk verantwoord beleggen... 3 2.1. Maatschappelijke verantwoordelijkheid...

Nadere informatie

Habilis Executive Search. Banking & Finance

Habilis Executive Search. Banking & Finance Habilis Executive Search Banking & Finance Oog voor mens en organisatie Habilis mens en organisatie BV is een brede dienstverlener op het gebied van HRM en arbeidsmarktvraagstukken. De activiteiten die

Nadere informatie

Zorgtaken voor de gemeente

Zorgtaken voor de gemeente De Sociale Databank Nederland presenteert in samenwerking met de gemeente een verbreding van inzicht en kennis over structurele oorzaken van de crisis met het terugeisen van 50,9 miljard aan verdwenen

Nadere informatie

Overzicht Beleid & Wet- en regelgeving pensioenen

Overzicht Beleid & Wet- en regelgeving pensioenen Overzicht Beleid & Wet- en regelgeving pensioenen 14 september 2015 VERD VERD VERD VERD GEWIJZI Vooraf VERD VERD 08 VERD Herziening IORP-richtlijn VERD G 01 02 03 04 05 VERD Toekomst pensioenstelsel Algemeen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid Nr. 523 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van

Nadere informatie

Topsectoren. Hoe & Waarom

Topsectoren. Hoe & Waarom Topsectoren Hoe & Waarom 1 Index Waarom de topsectorenaanpak? 3 Wat is het internationale belang? 4 Hoe werken de topsectoren samen? 5 Wat is de rol voor het MKB in de topsectoren? 6 Wat is de rol van

Nadere informatie

FUND GOVERNANCE CODE VAN DELTA LLOYD ASSET MANAGEMENT N.V.

FUND GOVERNANCE CODE VAN DELTA LLOYD ASSET MANAGEMENT N.V. FUND GOVERNANCE CODE VAN DELTA LLOYD ASSET MANAGEMENT N.V. I. INLEIDING Doel Delta Lloyd Asset Management N.V. (DLAM) wenst de DUFAS Principles of Fund Governance na te leven. De onderhavige code heeft

Nadere informatie

Een brug naar de toekomst PCOB manifest heeft oog voor solidariteit tussen generaties

Een brug naar de toekomst PCOB manifest heeft oog voor solidariteit tussen generaties Een brug naar de toekomst PCOB manifest heeft oog voor solidariteit tussen generaties Inleiding De huidige financiële en economische crisis maakt pijnlijk duidelijk dat de houdbaarheid van de overheidsfinanciën

Nadere informatie

Indringers op de kwaliteitsmarkt

Indringers op de kwaliteitsmarkt Indringers op de kwaliteitsmarkt Een strategisch perspectief Prof. dr. Wim de Ridder, Futures Studies Welkom in de digitale tijd KWALITEIT METAMORFOSE IN DE MARKT Van aanbod naar vraag CASUS : ZORGSECTOR

Nadere informatie

Visie en uitgangspunten (1)

Visie en uitgangspunten (1) Visie en uitgangspunten (1) Iedereen moet kunnen meedoen als volwaardig burger en bijdragen aan de samenleving. Participatiewet streeft naar een inclusieve arbeidsmarkt, voor jong en oud, en voor mensen

Nadere informatie

Reactie Landelijke Cliëntenraad op wetsvoorstellen VN-verdrag rechten mensen met een beperking

Reactie Landelijke Cliëntenraad op wetsvoorstellen VN-verdrag rechten mensen met een beperking Reactie Landelijke Cliëntenraad op wetsvoorstellen VN-verdrag rechten mensen met een beperking De regering houdt op dit moment een internetconsultatie over de Goedkeuringsen Uitvoeringswet bij ratificatie

Nadere informatie

Van belang. Het verhaal van de Nederlandse Vereniging van Banken

Van belang. Het verhaal van de Nederlandse Vereniging van Banken Van belang Het verhaal van de Nederlandse Vereniging van Banken De som der delen De uitdagingen van de sector Door de NVB Van belang De nieuwe realiteit In Nederland zijn ruim tachtig Nederlandse en buitenlandse

Nadere informatie

Slide 1 WAAROM? WAT? Nyenrode Health Team September 2014

Slide 1 WAAROM? WAT? Nyenrode Health Team September 2014 Slide 1 WAAROM? WAT? HOE? Nyenrode Health Team September 2014 Slide 2 Ontwikkelingen in het Zorgsysteem 3 Ruimte voor ondernemerschap in de Zorg 4 Wicked problems in de Zorg 5 Conclusie en positionering

Nadere informatie

Jaarprogramma Duurzame Inzetbaarheid 2015

Jaarprogramma Duurzame Inzetbaarheid 2015 Jaarprogramma Duurzame Inzetbaarheid 2015 Transvorm Michiel van den Heuvel 1 1. Inleiding In 2014 hebben we weer diverse activiteiten uitgevoerd in kader van het programma Duurzame Inzetbaarheid. Niet

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.minocw.nl

Nadere informatie

Opzet Participatiepool

Opzet Participatiepool Opzet Participatiepool Aanleiding In het sociaal akkoord zijn overheid en sociale partners overeengekomen om de komende jaren 100.00 mensen met een beperking in bedrijven en 25.000 mensen met een beperking

Nadere informatie

Profielschets lid Raad van Toezicht SMO Traverse Tilburg

Profielschets lid Raad van Toezicht SMO Traverse Tilburg Profielschets lid Raad van Toezicht SMO Traverse Tilburg Oktober 2015 1 Traverse, thuis in opvang en begeleiding, missie Traverse is een Stichting voor maatschappelijke opvang in Midden-Brabant en organiseert

Nadere informatie

29544 Arbeidsmarktbeleid. Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

29544 Arbeidsmarktbeleid. Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 29544 Arbeidsmarktbeleid Nr. 433 Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 17 januari 2013 Het kabinet streeft ernaar

Nadere informatie

Drie raden balans tussen strategie en toezicht. WissemaGroup

Drie raden balans tussen strategie en toezicht. WissemaGroup Drie raden balans tussen strategie en toezicht 9 december 2015 Doelstellingen Achtergrond schetsen van de relaties in de gouden driehoek Ideeën presenteren voor de intensivering van de relaties in de gouden

Nadere informatie

Gedragscode. SCA Gedragscode

Gedragscode. SCA Gedragscode SCA Gedragscode 1 Gedragscode SCA Gedragscode SCA wil op sociaal- en milieutechnisch verantwoorde wijze omgaan met haar belanghebbenden en op basis van respect, verantwoordelijkheid en uitmuntendheid een

Nadere informatie

Secundaire arbeidsvoorwaarden van primair belang. Sandra Terwolbeck, Amstelveen 8 oktober 2008

Secundaire arbeidsvoorwaarden van primair belang. Sandra Terwolbeck, Amstelveen 8 oktober 2008 Secundaire arbeidsvoorwaarden van primair belang Sandra Terwolbeck, Amstelveen 8 oktober 2008 Secundaire arbeidsvoorwaarden van primair belang Huidige uitdagingen voor organisaties Veranderd werknemersperspectief

Nadere informatie

VGZ verantwoord beleggingsbeleid in vergelijking met Code Duurzaam Beleggen VVV. geen. geen

VGZ verantwoord beleggingsbeleid in vergelijking met Code Duurzaam Beleggen VVV. geen. geen VGZ verantwoord beleggingsbeleid in vergelijking met Code Duurzaam Beleggen VVV Code Duurzaam Beleggen VvV onderdeel inhoud verschil artikel 1 De Code Duurzaam Beleggen opgesteld door het Verbond van Verzekeraars

Nadere informatie

De ontwikkeling en toepassing van games voor gezondheid. Een verkenning van de Nederlandse situatie in internationaal perspectief

De ontwikkeling en toepassing van games voor gezondheid. Een verkenning van de Nederlandse situatie in internationaal perspectief De ontwikkeling en toepassing van games voor gezondheid Een verkenning van de Nederlandse situatie in internationaal perspectief HKU, Applied Games R&D programma Lector Jeroen van Mastrigt In opdracht

Nadere informatie

Stichting So Logical Foundation

Stichting So Logical Foundation Stichting So Logical Foundation BELEIDSPLAN 2015-2016 Stichting So Logical Foundation Postbus 5823 1410 GA Naarden Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Doelstelling 4 3. Werkwijze 6 4. Organisatie 7 5. Financiën

Nadere informatie

subsidy house Villapark 7/8 3051 BP Rotterdam +31-(0)10-2189743

subsidy house Villapark 7/8 3051 BP Rotterdam +31-(0)10-2189743 Om als bedrijf concurrerend te blijven is het van belang voortdurend te ontwikkelen. Hierbij is het betreden van nieuwe markten, samenwerken met andere bedrijven en investeren vaak noodzakelijk. Dergelijke

Nadere informatie

Leer ze omgaan met onzekerheid. Nils de Witte - StudentsInc

Leer ze omgaan met onzekerheid. Nils de Witte - StudentsInc Leer ze omgaan met onzekerheid Nils de Witte - StudentsInc Programma en introductie Leer ze omgaan met onzekerheid verkennende discussie en ideeën nils de witte wat bedoel ik met onzekerheid waarom is

Nadere informatie

We zijn op ontdekkingsreis, in een gebied waar de huidige systemen leidend zijn maar onvoldoende werken. Bij een ontdekkingsreis hoort ruimte.

We zijn op ontdekkingsreis, in een gebied waar de huidige systemen leidend zijn maar onvoldoende werken. Bij een ontdekkingsreis hoort ruimte. Het speelveld De wereld om ons heen verandert razend snel. De richting is duidelijk, de sociale zekerheid wordt geprivatiseerd. Samen bouwen we aan een vernieuwende structuur om de arbeidsmarkt essentieel

Nadere informatie

Regie 3.0. een stap verder... Een serie masterclasses om bibliotheken in transitie te ondersteunen met allianties, transitiemanagement en geldstromen.

Regie 3.0. een stap verder... Een serie masterclasses om bibliotheken in transitie te ondersteunen met allianties, transitiemanagement en geldstromen. Regie 3.0 een stap verder... Een serie masterclasses om bibliotheken in transitie te ondersteunen met allianties, transitiemanagement en geldstromen. Regie 3.0 een stap verder... Een serie masterclasses

Nadere informatie

Openhartig Managen volgens de. Montalto methode

Openhartig Managen volgens de. Montalto methode Openhartig Managen volgens de Montalto methode Managen van verbinding Leiders en managers kunnen veel meer bereiken dan ze voor mogelijk houden. Veel potentieel van medewerkers blijft onbenut, omdat hun

Nadere informatie

Aandeelhouder doorstaat toets Tabaksblat nog niet

Aandeelhouder doorstaat toets Tabaksblat nog niet Aandeelhouder doorstaat toets Tabaksblat nog niet 7 oktober 2005 - Goed bestuur zoals dat wordt beschreven in de code- Tabaksblat moet van twee kanten komen. De bedrijfsbestuurders moeten hun organisatie

Nadere informatie

project geïnitieerd door Arbeidsgehandicapten in de UMC s

project geïnitieerd door Arbeidsgehandicapten in de UMC s project geïnitieerd door Arbeidsgehandicapten in de UMC s LOOR UMC Vrijdag 7 maart 2014 Kim Verschueren Abvakabo FNV projectleider Vooraf Wat zijn jullie ervaringen tot nu toe? Doel project Uiteindelijke

Nadere informatie

Uitwerking klantenparticipatie P-wet 2015

Uitwerking klantenparticipatie P-wet 2015 Collegevoorstel Openbaar Onderwerp Uitwerking klantenparticipatie P-wet 2015 Programma Inkomen & armoedebestrijding BW-nummer Portefeuillehouder T. Tankir Samenvatting Op 23 september 2015 heeft de raad

Nadere informatie

HRM EN ARBEIDSVERHOUDINGEN in kritieke. transitie. lezing HR salon 14 maart 2013 PROF. DR. WILLEM DE NIJS HOOGLERAAR STRATEGISCH PERSONEELSMANAGEMENT

HRM EN ARBEIDSVERHOUDINGEN in kritieke. transitie. lezing HR salon 14 maart 2013 PROF. DR. WILLEM DE NIJS HOOGLERAAR STRATEGISCH PERSONEELSMANAGEMENT HRM EN ARBEIDSVERHOUDINGEN in kritieke transitie lezing HR salon 14 maart 2013 PROF. DR. WILLEM DE NIJS HOOGLERAAR STRATEGISCH PERSONEELSMANAGEMENT RADBOUD UNIVERSITEIT NIJMEGEN Ad Nagelkerke en Willem

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon

Nadere informatie

KANKER EN WERK. informatie voor werkgevers. jaarlijks circa 40.000 werknemers. kans op overleving steeds groter. steeds meer mensen met kanker werken

KANKER EN WERK. informatie voor werkgevers. jaarlijks circa 40.000 werknemers. kans op overleving steeds groter. steeds meer mensen met kanker werken KANKER EN WERK informatie voor werkgevers Deze brochure biedt u als werkgever een handreiking voor het begeleiden van medewerkers met kanker. Met als doel dat uw medewerker aan het werk kan blijven. De

Nadere informatie

De gemeenteraad aan zet Wat wilt u weten over de jongeren met een beperking in uw regio?

De gemeenteraad aan zet Wat wilt u weten over de jongeren met een beperking in uw regio? De gemeenteraad aan zet Wat wilt u weten over de jongeren met een beperking in uw regio? Transities sociale domein Gemeenten staan zoals bekend aan de vooravond van drie grote transities: de decentralisatie

Nadere informatie

Leiderschap in Turbulente Tijden

Leiderschap in Turbulente Tijden De Mindset van de Business Leader Leiderschap in Turbulente Tijden Onderzoek onder 175 strategische leiders Maart 2012 Inleiding.. 3 Respondenten 4 De toekomst 5 De managementagenda 7 Leiderschap en Ondernemerschap

Nadere informatie

Change. Making Change Happen!

Change. Making Change Happen! Change MANaGEMENT Making Change Happen! 2 Uw organisatie verandert. Vaak onder druk van de markt, aandeelhouders of belanghebbenden. Maar soms gewoon omdat u zelf gelooft dat het beter kan. Het merendeel

Nadere informatie

Green Deal Elektrisch vervoer

Green Deal Elektrisch vervoer Green Deal Elektrisch vervoer Ondergetekenden: 1. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, ieder handelende in haar of zijn hoedanigheid

Nadere informatie

?Hoe Zo! >> Werken bij de gemeente betekent je inzetten voor burgers en bedrijven. En daarbij geldt:

?Hoe Zo! >> Werken bij de gemeente betekent je inzetten voor burgers en bedrijven. En daarbij geldt: Wabo effectief ?Hoe Zo! >> Het toepassen van de Wabo is meer dan alleen de IT-structuur aanpassen, de procedures herzien en/of de processen opnieuw beschrijven en herinrichten. Het zijn de medewerkers

Nadere informatie

Persbericht Bewegende Beelden Over beelden en media bij betekenisgeving en zingeving in een veranderende overheid

Persbericht Bewegende Beelden Over beelden en media bij betekenisgeving en zingeving in een veranderende overheid Persbericht Bewegende Beelden Over beelden en media bij betekenisgeving en zingeving in een veranderende overheid Symposium 2013 Samenvatting: hoe enthousiasme in de overheid leidde tot co-creatie Op 31

Nadere informatie

Habilis Executive Search. Productie en Techniek

Habilis Executive Search. Productie en Techniek Habilis Executive Search Productie en Techniek Habilis mens en organisatie Mensen zijn voortdurend in beweging. Organisaties zijn continu in beweging. Met als hoogste doel het meest optimale resultaat

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Postbus 20018 2500EA Den Haag

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Postbus 20018 2500EA Den Haag > Retouradres Postbus 20011 2500 EA 's-gravenhage Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal Postbus 20018 2500EA Den Haag Directie Arbeidszaken Publieke Sector Arbeidsvoorwaarden en Overleg

Nadere informatie

GGZ-NHN. IPS Trajectbegeleiding/herstelgericht werken Oprichten coöperaties Afstemming P&O en IPS

GGZ-NHN. IPS Trajectbegeleiding/herstelgericht werken Oprichten coöperaties Afstemming P&O en IPS GGZ-NHN IPS Trajectbegeleiding/herstelgericht werken Oprichten coöperaties Afstemming P&O en IPS Even voorstellen Ingrid Vermeulen: Manager P&O Connie van Breugel: IPS Trajectbegeleider bij het Centrum

Nadere informatie

Beleid verantwoord beleggen Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Beleid verantwoord beleggen Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn Beleid verantwoord beleggen Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn Juni 2014 Inleiding In juni 2013 heeft het bestuur van Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn, hierna te noemen PFZW of het pensioenfonds,

Nadere informatie

PARTICIPATIE: ÓÓK IN OOST-GRONINGEN!

PARTICIPATIE: ÓÓK IN OOST-GRONINGEN! PARTICIPATIE: ÓÓK IN OOST-GRONINGEN! DOELEN VAN PARTICIPATIEWET ALLEEN TE HALEN ALS RIJK, PROVINCIE, GEMEENTEN, ONDERWIJS EN SOCIALE PARTNERS GEZAMENLIJK AAN DE SLAG GAAN! DE PARTICIPATIEWET IN OOST-GRONINGEN:

Nadere informatie

Whitepaper. Outsourcing. Uitbesteden ICT: Wat, waarom, aan wie en hoe? 1/6. www.nobeloutsourcing.nl

Whitepaper. Outsourcing. Uitbesteden ICT: Wat, waarom, aan wie en hoe? 1/6. www.nobeloutsourcing.nl Uitbesteden ICT: Wat, waarom, aan wie en hoe? 1/6 Inhoud Uitbesteden ICT: Wat, waarom, aan wie en hoe? 3 Relatie tussen ICT en 3 Outsourcen ICT: Wat? 3 Cloud Services 3 Service Level Agreement 3 Software

Nadere informatie

Roger Lemmens Directeur BVZD/ABDH, April 29 th 2014

Roger Lemmens Directeur BVZD/ABDH, April 29 th 2014 Roger Lemmens Directeur BVZD/ABDH, April 29 th 2014 Het knooppunt van digitaal onderzoek, innovatie en ondernemerschap in Vlaanderen De troeven van 5 universiteiten! 800+ onderzoekers 3 Een gebalanceerd

Nadere informatie

Via de wijk aan het werk

Via de wijk aan het werk Via de wijk aan het werk Focus op de arbeidsmarkt Naast het erkennen van leerbedrijven is Calibris verantwoordelijk voor ontwikkeling en onderhoud van kwalificaties in de sectoren zorg, welzijn en sport.

Nadere informatie

Datum 20 december 2013 Betreft Antwoorden op vragen van het lid Klaver over belangenverstrengeling hoogleraren financiële sector

Datum 20 december 2013 Betreft Antwoorden op vragen van het lid Klaver over belangenverstrengeling hoogleraren financiële sector >Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA..DEN HAAG Onderzoek en Wetenschapsbeleid IPC 4100 Rijnstraat 50 Den Haag Postbus

Nadere informatie

Jaarverslag Stichting St. Radboud van Utrecht.

Jaarverslag Stichting St. Radboud van Utrecht. Bestuur: F.J.E. Mollema, Voorzitter D.J. Dolmans, Secretaris S.M. van Ditmarsch, Penningmeester G.J. van Woerden, Vice-Voorzitter Juni 2014 Jaarverslag Stichting St. Radboud van Utrecht. Betreft periode:

Nadere informatie

DoubleDividend Management B.V.

DoubleDividend Management B.V. Management B.V. Best practices voor betrokken aandeelhouderschap Amsterdam, januari 2015 Management B.V. Herengracht 252 1016 BV Amsterdam Tel: +31 20 520 7660 contact@doubledividend.nl KVK nr. 30199843

Nadere informatie

De ESF-scan laat de mogelijkheden zien.

De ESF-scan laat de mogelijkheden zien. Benieuwd naar de ESF-mogelijkheden voor uw gemeente? De ESF-scan laat de mogelijkheden zien. Radar en Raadgevend Bureau Het Grote Oost hebben een ESF-scan ontwikkeld. Middels deze ESF-scan wordt bepaald

Nadere informatie

Beleggingsstatuut Longfonds (voorheen Astma Fonds)

Beleggingsstatuut Longfonds (voorheen Astma Fonds) Beleggingsstatuut Longfonds (voorheen Astma Fonds) April 2012 Inhoud 1. Algemeen...3 1.1 Inleiding...3 1.2 Wet- en regelgeving...3 2. Financiële middelen...3 2.1 Algemeen...3 2.2 Schulden en reserves...4

Nadere informatie

VORIGE PAGINA Sociale firma s: een oplossing voor verloren arbeidskracht ARTIKEL - 28 JANUARI 2015

VORIGE PAGINA Sociale firma s: een oplossing voor verloren arbeidskracht ARTIKEL - 28 JANUARI 2015 VORIGE PAGINA Sociale firma s: een oplossing voor verloren arbeidskracht ARTIKEL - 28 JANUARI 2015 Sociale firma s blijken van grote waarde te zijn voor mensen, die tot dan toe een grote afstand tot de

Nadere informatie