Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse Natuurreservaten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse Natuurreservaten"

Transcriptie

1 inbo Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Kliniekstraat Brussel - T.: +32 (0) F.: +32 (0) Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse Natuurreservaten Vademecum deel I&II: Concept beheermonitoring & Methodiek met technische bijlagen en multisoortenlijsten Raphaël De Cock, Maurice Hoffmann, Dirk Maes, Geert De Blust INBO.R

2 Auteurs: Raphaël De Cock, Maurice Hoffmann, Dirk Maes, Geert De Blust Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaams onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Het INBO verricht onderzoek en levert kennis aan al wie het beleid voorbereidt, uitvoert of erin geïnteresseerd is. Vestiging: INBO Brussel Kliniekstraat 25, 1070 Brussel Wijze van citeren: De Cock R., Hoffmann M., Maes D., De Blust G. (2008). Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse Natuurreservaten. Vademecum deel I&II: Concept beheermonitoring & Methodiek met technische bijlagen en multisoortenlijsten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2008 (INBO.R ). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. D/2008/3241/036 INBO.R ISSN: Verantwoordelijke uitgever: Jurgen Tack Druk: Managementondersteunende Diensten van de Vlaamse overheid. Foto cover: Yves Adams / Vilda 2008, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

3 Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse Natuurreservaten Vademecum deel I&II: Concept beheermonitoring & Methodiek met technische bijlagen en multisoortenlijsten De Cock, R., Hoffmann, M., Maes, D. & De Blust, G. Opdrachtgever: Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) - AMINAL, Afdeling Natuur Uitvoerder: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) Rapportnummer INBO.R Opdrachtnummer 2004/NVP/01

4 Project: Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse Natuurreservaten Projectleiding: Geert De Blust, algemeen projectleider Dirk Maes, co-projectleider partim multi-soorten Maurice Hoffmann, co-projectleider partim monitoring Projectuitvoering: Raphaël De Cock, coördinator beheerminitoring Stuurgroep: Inge Brichau, AMINAL afd. natuur - ANB Vlaams-Brabant Xavier Coppens, AMINAL afd. natuur - ANB Brussel (tot begin 2007) Geert De Blust, IN - INBO Raphaël De Cock, IN - INBO Thomas Defoort, AMINAL afd. natuur - ANB Oost-Vlaanderen Koen Deheegher, AMINAL afd. natuur - ANB Antwerpen Lutgart Demarest, AMINAL afd. natuur - ANB West-Vlaanderen Else Demeulenaere, Natuurpunt Maurice Hoffmann, INBO Marc Leten, AMINAL afd. natuur - ANB West-Vlaanderen, Kust (2005) Dirk Maes, IN - INBO Wim Slabbaert, AMINAL afd. natuur - ANB West-Vlaanderen Elke Vandenbroeke, AMINAL afd. natuur - ANB Brussel ( ) Bert Vanholen, AMINAL afd. natuur - ANB Limburg Glenn Vermeersch, IN - INBO (2005) Nico Verwimp, AMINAL afd. natuur - ANB Brussel (2005) Els Vints, AMINAL afd. natuur - ANB Vlaams-Brabant An Wouters, AMINAL afd. natuur - ANB Brussel (tot begin 2007) Opdrachtgever: Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) - AMINAL, Afdeling Natuur Opdrachthouder: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) Opdrachtnummer: 2004/NVP/01 Dankwoord: Graag danken wij de leden van de stuurgroep voor alle opmerkingen en suggesties tijdens, voor en na de vergaderingen. Daarnaast gaat onze dank uit naar Gert Van Spaendonck Stijn Vanacker en Wouter Vanschandevijl voor de ondersteuning bij het uitwerken van de databanken; naar de soortenexperten Tim Adriaensen, Anny Anselin, Dirk Bauwens, Johan Coeck, Geert De Blust, Geert De Knijf, Luc De Bruyn, Kris Decleer, Konjev Desender, Koen Devos, Maurice Hoffmann, Jean-Pierre Maelfait, Dirk Maes, Jo Packet, Jan Schoors, Roosmarijn Steeman, Jan Van Uytvanck, Wouter Van Landuyt, Goedele Verbeylen, Edward Vercruysse, Glenn Vermeersch, Ruben Walleyn en Wouter Vanreusel, voor hun bijdrage en raad bij het samenstellen van de multisoortenlijsten; naar Geert De Blust, Piet De Becker, Maurice Hoffmann, Desiré Paelinckx en Jan Wouters bij het uitwerken van de nieuwe hiërarchische indeling van natuurtypen; naar Dirk Bauwens, Thierry Onkelinx en Paul Quataert voor de statistische onderbouwing bij het uitwerken van de principes voor meetnetmonitoring. Tot slot bedanken we nog de uitvoerders van de veldprotocols, studiebureaus Aeolus en Econnection, alsook de natuurwachters van de onderzochte natuurreservaten, voor de vlotte samenwerking, opbouwende opmerkingen en suggesties. 2 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

5 Samenvatting Ter evaluatie van de effectiviteit en efficiëntie van het natuurbeheer is zowel op beleidsniveau als op projectniveau, monitoring nodig. Dit vademecum met het concept en een praktische handleiding voor de beheermonitoring van de Vlaamse natuurreservaten, vormt een leidraad voor het opstellen en uitvoeren van toekomstige monitoringsplannen. Het uiteindelijke doel is te komen tot een systeem van kwaliteitsbewaking ter ondersteuning en aansturing van het natuurbeleid- en beheer. Dit omvat het omschrijven van een gestandaardiseerde, efficiënte en haalbare methode voor het verzamelen van beleidsrelevante ecologische gegevens. Direct daaraan gekoppeld wordt een vertaling van deze ecologische gegevens voorgeschreven die het effectief gebruik ervan waarborgt. Dit gebeurt onder de vorm van een distance-to-target of afstandsmaat tot doelbereiking. Hiermee wordt het mogelijk te controleren of de door het beleid gestelde (natuur)doelen worden gehaald onder het gevoerde beheer en te signaleren of ontwikkelingen plaatsvinden die een herziening van het beleid noodzakelijk maken. Niet alleen evaluatie van het gevoerde beleid is in dit kader van belang, maar ook de evaluatie van de uitgevoerde maatregelen op meer lokaal niveau en eventuele bijsturing dient met de uit de monitoring voortkomende gegevens mogelijk te zijn. Naast het uitwerken van een concept en methode omvatte dit project ook een pilootstudie. Deze pilootstudie droeg bij om de volgens het monitoringsconcept uitgewerkte protocols te evalueren en bij te sturen op basis van de ervaringen op het terrein en van de initiële gegevensverwerking. Een deel van de taak bestond uit het uitwerken van een monitoringschema, het coördineren en begeleiden van studiebureaus bij de uitvoering van de protocols, de gegevensverzameling en -opslag. Een initiële gegevensverwerking en bespreking is terug te vinden in een ander deelrapport binnen deze reeks (De Cock et al. 2008a). De set van reservaten en meetlocaties die werden voorgesteld voor deze pilootstudie, vormen de eerste aanzet voor de uitbouw van een meetnet. Het eerste deel van dit rapport behandelt de monitoringsaanpak waarbij extra aandacht gaat naar de randvoorwaarden, suggesties en knelpunten voor het opstellen van een meetnet voor beheermonitoring. Daarnaast wordt ook aandacht geschonken hoe de standaardmethode voor meetnetmonitoring toegepast kan worden binnen de context van een gebiedsgerichte monitoring van het beheer waarbij extra modules worden voorzien voor opvolging van de gebiedseigen beheerdoelstellingen (lokale aandachtsoorten, streefdoelsoorten, natuurinrichtings- en omvormingsbeheer, lokale ecologische functies, enz.). Voor de standaardaanpak gebeurde de omzetting van beheerdoelen naar sets van meetbare eenheden in drie stappen. Eerst gebeurde een vertaling van de natuurstreefbeelden naar natuurdoeltypen. Vervolgens werden per natuurdoeltype de beheermaatregelen bepaald en tenslotte werden de natuurdoeltypen en beheereffecten naar sets van praktisch meetbare grootheden omgezet, bestaande uit een combinatie van biotische en abiotische kenmerken. Het al of niet bereiken van een natuurdoeltype bestaat uit twee deelaspecten: kwantiteit en kwaliteit. Gebied- en structuurkarteringen vormen de meest geschikte aanpak om de kwantiteit en om veranderingen in oppervlakten van natuurdoeltypen op te volgen. De afstand tot doelbereiking van de kwaliteit wordt best bepaald door de volledigheid van de kenmerkende levensgemeenschappen en abiotische aspecten na te gaan en te vergelijken met de referentiesituatie. Instrumenten om de biotische kenmerken op te meten zijn structuur- en vegetatieopnames en het inventariseren van typische en indicerende soorten - vooral fauna - aan de hand van de zogenaamde multisoortenaanpak. De tactiek van de multisoortenselectie wordt uitvoerig toegelicht. Belangrijke aspecten hierbij zijn de relevantie en praktische haalbaarheid van de gekozen soorten. De methode moet immers niet alleen tijd- en kostbesparend zijn, maar mits enige begeleiding ook toepasbaar zijn voor een zo breed mogelijk gamma van waarnemers, gaande van experts tot aanvankelijk niet-gespecialiseerde veldwerkers zoals vrijwilligers of de beheerders zelf. De methode werd uitgewerkt voor 13 natuurdoeltypen, zijnde; circumneutraal stilstaand water, rietmoeras, moerasspiraearuigte, dotterbloemgrasland, kamgrasland, zilverschoongrasland, struisgrasgrasland, droog en vochtig heischraal grasland, binnenlands stuifduingrasland, natte heide, droge heide en zomereiken-berkenbos. De keuze van deze natuurdoeltypen is gebaseerd op hun relevantie voor beheermonitoring (uit- Beheermonitoring: Concept & Methodiek 3

6 voerig toegelicht) en op voorkomen binnen de voorgestelde natuurreservaten van de pilootstudie. Buiten enkele abiotische aspecten die gemakkelijk tijdens de structuuropname kunnen worden geregistreerd, is, zeker voor (grond)waterafhankelijke natuurdoeltypen, een extra opvolging van de waterkwaliteit en grondwaterstanden onmisbaar. De planning, coördinatie en gegevensopslag en verwerking is echter een aangelegenheid van de coördinatoren van het WATINA-grondwatermeetnet. Voor de volledigheid wordt in dit rapport wel aangehaald op welke manier de gegevens kunnen bijdragen voor een distance-to-target beoordeling en wordt een handleiding voor het plaatsen van peilbuizen en het nemen van waterstalen mee opgenomen. Het tweede deel van dit rapport bevat de praktische gedetailleerde uitwerking en handleiding met technische bijlagen voor het plannen en uitvoeren van de verschillende monitoringsmodules aangehaald in het eerste deel. Een verkorte versie die concept en veldmethode met elkaar verenigt, is raadpleegbaar in De Cock et al. (2008b). 4 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

7 Engelse abstract Monitoring is an essential tool to evaluate the effectiveness and efficiency of nature management for both policy makers and local managers. This manual contains the concept and guidelines for the monitoring of the nature management in the Flanders nature reserves with practical instructions for the planning and execution of future monitoring projects. The final goal is to come to a control system for the support and steering of the policy making and management of nature reserves. This consists of the set-up of a standardised efficient and achievable methodology for the gathering of relevant ecological data. Immediately linked herewith we prescribe a translation of these ecological data that guarantee an effective interpretation in the form of a distance-to-target measure. This will allow to verify if the assigned targeted nature types are indeed obtained with the currently applied management techniques and to signal if there are developments that demand for a reconsideration of policy making. The data coming forth from this monitoring are not only valuable to sustain policy making, but should also offer possibilities to evaluate the management practices on a more local level and allow for steering. Next to the preparation of a concept and methodology, this project also included a pilot study. The pilot study not only produced first data for an initial analysis, but also contributed to the evaluation and adaptation of the field protocols which were designed according to the monitoring concept. This task partly consisted of elaborating the monitoring schemes, the coordination and guidance of research agencies during fieldwork, data gathering and storage. An initial analysis and interpretation of the data can be found in another report within this series (De Cock et al. 2008a). The set of nature reserves and measuring plots used for this pilot study form the start for the elaboration of a true monitoring network. The first part of this report deals with the monitoring approach in which extra attention goes to the limiting conditions, current bottlenecks and suggestions for the elaboration of a monitoring network for nature management. In addition, also attention is paid how the standard methodology for network monitoring is applicable for or to be integrated within the monitoring and evaluation of single reserves for which extra modules are provided to follow up mere local management goals (local target and aimed species, nature development or conversion projects, etc.). The standard approach in which the nature management goals are transformed into measurable units, consists of three steps. First, we defined the target nature types from the management plans and maps. Then, we determined the applied management approaches per target nature type. Finally, target nature types and management effects were translated into measurable units consisting of a combination of biotic and abiotic characteristics. The evaluation of a distance-to-target to a target nature type can be split into two main aspects: quantity and quality. Landscape and structure mapping are specially designed methods to monitor the quantity and changes in surface of target nature types. Measuring the distance-to-target in terms of quality is achievable by checking for the completeness of the characteristic communities and abiotic conditions and by comparing these with a reference situation. A survey of structure and vegetation and an inventory of typical and indicating species (especially fauna) using a multispecies approach are the necessary tools to fulfil this aim. The strategy of species selection to come to nature type specific multispecies lists is discussed in detail. Most important aspects are the relevance and feasibility of the selected species. After all, the field protocols should not only be time and budget saving, but they should also allow a broad variety of potential observers, ranging from experts to initially less experienced observers, to participate in the monitoring, in the condition that some extra support is delivered. The protocols are elaborated for 13 target nature types; ponds and lakes with neutral water, reed-lands, tall herb Filipendulion communities, wet meadows (Calthion), Cynosurion grasslands, Lolio-Potentillion grasslands, dry Agrostis grasslands, inland dune grasslands, dry and wet heathlands, oak and beech woods. The choice of the target nature types was based on their relevance to nature management and on their presence within the selected nature reserves of the pilot study. Except of some abiotic aspects which are incorporated in the structure survey, extra moni- Beheermonitoring: Concept & Methodiek 5

8 toring for water quality and groundwater levels is necessary, especially in wet and moist nature types which are dependent on (ground)water. The planning, coordination, data storage and analysis is rather a matter of the coordinators of the WATINA groundwater network. For the completeness we mention in which way the data are relevant for the distance-totarget evaluation. Accordingly, a manual for the installation of piezometres and taking water samples has been included. The second part of this report relates to the practical manual with details of the field protocols and technical appendices for the planning and execution of the different monitoring modules. A summarised version integrating concept with field protocols can be consulted in De Cock et al. (2008b). 6 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

9 Inhoud SAMENVATTING... 3 ENGELSE ABSTRACT... 5 DEEL 1: CONCEPT BEHEERMONITORING INLEIDING: WAAROM BEHEERMONITORING? KADERING PROJECT KORTE BESCHRIJVING OPDRACHT Looptijd deelprojecten Plan van aanpak Producten Vergaderingen en infomomenten MEETLOCATIES EN NATUURDOELTYPEN VAN HET PILOOTPROJECT AANZET TOT EEN MEETNET VOOR BEHEERMONITORING KADERING Wat is monitoring? Bestaande monitoringsconcepten Doelstellingen programma beheermonitoring Waar een meetnet voor beheermonitoring niet toe dient Bijkomende doelstellingen Doelstellingen pilootproject CONCRETISERING EN RANDVOORWAARDEN Wat is een strategisch en beleidsgericht meetnet? Het ontwerpen van een meetnet: vijf fasen Vereiste steekproefgrootte Bijkomende adviezen Formulering beheerdoelstellingen STAP 1. Bepalen van natuurstreefbeelden en omzetting naar natuurdoeltypen Eenheid van doelbereiking: Vlaamse natuurtypen Nieuwe hiërarchische indeling van Natuurtypen naar formaties Selectie natuurdoeltypen relevant voor beheermonitoring STAP 2. Nagaan van beheermaatregelen per natuurdoeltype STAP 3. Omzetting natuurdoeltypen en beheereffecten naar sets van praktisch meetbare grootheden Nood aan een duidelijke uitgangsituatie indeelbaar in discrete natuur(doel)typen onder uniform beheer Randvoorwaarden voor de veldprotocols KNELPUNTEN I.V.M. DE IMPLEMENTATIE EN UITVOERING VAN BEHEERMONITORING IN DE VLAAMSE NATUURRESERVATEN Onduidelijkheden bij de formulering van beheerdoelstellingen Vermenging van centrale en lokale verwachtingen Knelpunten met het uitgangsmateriaal: geen duidelijk overzicht van uniforme beheereenheden met discrete natuurdoeltypen Knelpunten bij de bepaling van beheertypen Moeilijkheid om uniforme beheereenheden te definiëren Knelpunten met de steekproefgrootte Discontinuïteit in opvolging Beperkingen van gebruikte methode en data Haalbaarheid Monitoringcyclus Ruwe kostenraming...47 Beheermonitoring: Concept & Methodiek 7

10 4 DISTANCE-TO-TARGET AANPAK: HOE EN WAAROM SCHEMATISCH OVERZICHT Waarom geen doelsoorten gebruiken als maat voor doelbereiking? Distance-to-target STRUCTUURVARIATIE en VEGETATIESTRUCTUUR Distance-to-target FLORA Distance-to-target FAUNA: Multisoortenbenadering Waarom Multisoorten? Waarom opsplitsen per ecoregio? Selectiecriteria voor multisoortenlijsten Hoe verliep de selectieprocedure van multisoorten in de praktijk? Multisoortendatabank Interpretatieniveau multisoorten: Distance-to-target ABIOTIEK Toepassing voor gebiedsgerichte monitoring: basis- en gebiedseigen monitoring Hoe rekening houden met gebiedspecifieke doelsoorten? Gebiedspecifieke flora Gebiedspecifieke fauna Lokale abiotiek overzicht distance-to-target metingen BEHEERMONITORING EN INTEGRATIE MET ANDERE MONITORINGSPROGRAMMA S.69 5 UITVOERING VAN DE VELDPROTOCOLS IN VOORUITZICHTEN ALGEMENE CONCLUSIE CONCEPT...74 DEEL 2: TECHNISCHE HANDLEIDING PROTOCOLS BEHEERMONITORING ALGEMENE AANPAK VOOR GEPERCELEERDE GEBIEDEN STRUCTUURKARTERING Doel Karteringscriteria structuur Structuurkenmerken voor specifieke natuurdoeltypen Heide Stuifduinen (land- en kustduinen, droge dwergstruwelen, buntgras- en dwerghaververbond) Veen (Nat dwergstruweel, Zure (oligotrofe) waters) Graslanden Methodiek structuur waters Profiel waterloop Stroming Oevervegetatie Open water Extra variabelen voor bosstructuur Structuurindex Houtige vegetatie-index Kruidenvegetatie-index Dood hout-index Structuurfoto s Methodiek INVENTARISATIE VAN FLORA EN FAUNA Doel en inleiding FLORA Vlakdekkende vegetatieopnames Vegetatieopnames in permanente kwadraten (PQ s) Doelstelling PQ s Het plaatsen van PQ s Beheermonitoring: Concept & Methodiek

11 Werkwijze vegetatieopname in PQ s Bijzondere aanpak voor vegetatieopnames in waters Monitoring flora voor de stilstaande waters Monitoring flora voor de waterlopen Meetperiode voor vegetaties Multisoorten-aanpak Fungi en (korst)mossen Inventarisatie Fauna Invertebraten en kleine vertebraten (reptielen & terrestrische amfibieën) Algemene methodiek Reptielen & terrestrische amfibieën Dagvlinders & (dagactieve) nachtvlinders Libellen Sprinkhanen en krekels Kevers - Lieveheersbeestjes Mieren Broedvogels Fuikvangsten Amfibieën BIJZONDERE AANPAK VOOR WASTINES OF DYNAMISCHE MOZAÏEK- LANDSCHAPPEN GEBIEDSDEKKENDE OPNAMEN Gebiedskartering Doel Karteringscriteria gebiedkartering BEMONSTERING IN PROEFVLAKCIRKELS Proefvlakraster Opname structuur, flora en fauna in Proefvlakcirkels Structuur in PVCs Flora in PVCs Multisoorten in PVCs ABIOTISCH LUIK ECO-HYDROLOGIE: PLAATSING PEILBUIZEN EN OPMAAK BODEMPROFIEL Benodigdheden Piëzometer klaarmaken Het plaatsen CHEMISCHE SAMENSTELLING VAN GROND- EN OPPERVLAKTEWATER Meetdoelstelling Meetmethode en periode Methode grondwater: meting in piëzometers Methode oppervlaktewater AANVULLINGEN VOOR GEBIEDSEIGEN MONITORING GEBIEDSPECIFIEKE PLANTEN: FLORAKARTERING EN PQ S Extra PQ s voor gebiedspecifieke vegetaties Florakarteringen GEBIEDSPECIFIEKE FAUNA Gebiedspecifieke vogels: territoriumkarteringen Beheermonitoring: Concept & Methodiek 9

12 12 ALGEMEEN OVERZICHT VAN OP TE NEMEN THEMA S MATERIAAL EN DIENSTEN SUGGESTIES BIJ UITVOERING & COÖRDINATIE INVOER EN DOORSTROMING GEGEVENS REFERENTIES LIJST FIGUREN LIJST TABELLEN BIJLAGEN BIJLAGE 1. OVERZICHT EN INDELING VAN NATUURTYPEN IN NATUURTYPEGROEPEN VOLGENS FORMATIE BIJLAGE 2: SOORTENLIJST VAN DE INHEEMSE BOMEN EN STRUIKEN IN VLAANDEREN BIJLAGE 3: MONITORINGSTIPS VELDKAARTEN BIJLAGE 4: TIPS BIJ DE CODERING VAN MEETLOCATIES EN GEGEVENS BIJLAGE 5: VELDFORMULIER STRUCTUUR ALGEMEEN BIJLAGE 6: VELDFORMULIER STRUCTUUR EXTRA VARIABELEN STILSTAANDE WATERS EN WATERLOPEN BIJLAGE 7: VELDFORMULIER STRUCTUUR EXTRA VARIABELEN STILSTAANDE BOSSEN EN STRUWELEN BIJLAGE 8: VELDFORMULIER FLORA: PROEFVLAKDEKKENDE INVENTARISATIE BIJLAGE 9: VELDFORMULIER PQ VEGETATIE-OPNAME BIJLAGE 10: CODETABELLEN EN BEDEKKINGSSCHALEN BIJ FLORA BIJLAGE 11: VELDFORMULIER MULTISOORTENMONITORING PROEFVLAKDEKKEND BIJLAGE 12: VELDFORMULIER MULTISOORTENMONITORING TRAJECTEN BIJLAGE 13: VELDFORMULIER MULTISOORTENMONITORING BROEDVOGELTELLINGEN BIJLAGE 14: VELDFORMULIER MULTISOORTENMONITORING FUIKEN BIJLAGE 15: VELDFORMULIEREN VOOR DE MOZAÏEKAANPAK BIJLAGE 16: MULTISOORTENLIJSTEN CIRCUMNEUTRALE WATERS (WSC) RIETMOERAS (MErm) DOTTERBLOEMGRASLAND (GNdb) ZILVERSCHOONGRASLAND (GSzs) KAMGRASGRASLAND (GVkgg) VOCHTIG HEISCHRAAL GRASLAND (GHv) DROOG HEISCHRAAL GRASLAND (GHdg) STUIFDUINGRASLAND: Stuifduinen + (binnenlandse) duingraslanden (PMI6 + PPE8 + GDsz + GDdh) STRUISGRASLAND (GDgk) MOERASSPIRAEARUIGTE (RNms) NATTE HEIDE DROGE HEIDE (DDsh) ZOMEREIKEN-BERKENBOS (GDgk) Beheermonitoring: Concept & Methodiek

13 Deel 1: CONCEPT BEHEERMONITORING 1 INLEIDING: WAAROM BEHEERMONITORING? Om de biodiversiteit en de natuurwaarden in de reservaten te behouden en te doen toenemen, is een juist beheer noodzakelijk. Monitoring vormt hierbij een instrument dat onlosmakelijk verbonden is aan natuurbeheer (Hurford 2006). Door de resultaten van concrete beheermaatregelen in een reservaat regelmatig te beoordelen, kan men zich een beeld vormen van de gepastheid van de gebruikte technieken. Vergelijking met de resultaten die in andere natuurterreinen met gelijkaardige maatregelen verkregen werden levert een systematische kennis op over de uiteindelijke effecten van beheertechnieken. Die kennis kan dan aangewend worden om meer algemene besluiten te trekken over de effectiviteit en efficiëntie van beheermaatregelen en uiteindelijk van het gevoerde natuurbeheer. De beoordeling van beheerresultaten gebeurt door die resultaten te vergelijken met vooropgestelde doelen die bereikt moeten worden. Die doelen worden meestal beschreven aan de hand van kenmerken van het ecosysteem of de levensgemeenschap: een specifieke soortensamenstelling, een structuur, een kwaliteit van milieuvariabelen, e.d. De afstand die men vindt tussen het concrete resultaat op het terrein en het uiteindelijke doel, geeft aan in hoeverre de beheerinspanning al geleid heeft tot het bereiken van dat doel ( Distance-to-target ). Uit een eenmalige vergelijking tussen beheerresultaat en doel kan meestal nog niet afgeleid worden of een maatregel het gewenste effect zal opleveren. Daarvoor is een tijdsreeks aan waarnemingen vereist, tenminste wanneer het doel in termen van een eindtoestand beschreven is; bijvoorbeeld een bepaalde soortensamenstelling van een levensgemeenschap of natuurstreefbeeld. beheer best niet enkel gebeurt aan de hand van de doelkenmerken alleen, tenzij die kenmerken zeer omvattend zijn en naast de positief te bereiken elementen ook aangeven wat er juist niet mag optreden. Naast de streefwaarden die aan het einddoel gekoppeld zijn, worden dus ook variabelen bepaald die direct verband houden met de beheeringreep en die op zich noodzakelijke voorwaarden vormen opdat het streefdoel zich zou kunnen ontwikkelen. Deze kenmerken gaan dus in op de potenties die ontstaan na het uitvoeren van het beheer. Om de effectiviteit van beheermaatregelen te beoordelen, moet er ook nagegaan worden of de waargenomen toestand na beheer, zowel in termen van aan- als van afwezigheid van soorten bijvoorbeeld, daadwerkelijk het gevolg is van dat beheer. Met andere woorden, bestaat er een éénduidig verband tussen maatregel en effect. Heel wat factoren die men met het beheer niet onder controle heeft, kunnen immers van invloed zijn op de resultaten ervan. Daarom zal steeds een algemene ecologische analyse van de waargenomen toestand moeten gebeuren. Konden soorten er geraken, is een zaadbank aanwezig waaruit verwacht wordt dat de soorten kiemden, lieten klimaatsomstandigheden en omgevingskenmerken de vestiging of uitbreiding toe, waren omstandigheden in brongebieden gunstig? Om op dit soort vragen te antwoorden moet men beschikken over een ruime achtergrondkennis. Vergelijking met de toestand in andere gebieden waar de beoogde natuurkenmerken aanwezig zijn of waar een gelijkaardig beheer gevoerd wordt, kan hiervoor de nodige inzichten leveren. De waargenomen toestand bevat echter meer informatie dan enkel die afstand tot het doel. De aanwezigheid van bepaalde soorten of structuren bijvoorbeeld, kan juist het bereiken van dat doel bemoeilijken of zelfs verhinderen. Vandaar dat de beoordeling van een terreintoestand na Beheermonitoring: Concept & Methodiek 11

14 2 KADERING PROJECT 2.1 KORTE BESCHRIJVING OPDRACHT Uit overleg tussen het IN (nu INBO) en AMINAL Afd. Natuur (nu ANB) bleek de zeer dringende nood aan een duidelijk overzicht van en planningsdocument over noodzakelijk op te starten monitoringsprojecten, zodoende dat in de toekomst efficient over de resultaten van het gevoerde natuurbeheer gerapporteerd kan worden. Hiervoor moet een werkbare structuur uitgebouwd worden om op wetenschappelijk verantwoorde wijze de effectiviteit van het gevoerde natuurbeheer te kunnen beoordelen. Eind 2002 is het project ontwikkeling van een hiërarchisch monitoringssysteem voor beheerevaluatie van natuurreservaten in Vlaanderen afgelopen (zie Demeulenaere et al. 2002). Dit project heeft een concept uitgewerkt voor het monitoren van zowel Vlaamse als erkende natuurreservaten. De studie resulteerde in een wetenschappelijk rapport waarin concrete voorstellen en adviezen worden gegeven voor het opzetten van een Vlaams programma voor beheermonitoring. Het Vlaams programma voor beheermonitoring op basis van hoger vermelde studie is opgesplitst in een aantal deelprojecten: Deelproject 1 opmaak dossier per natuurreservaat met de nodige beheerkaarten, kaarten met de huidige en de nagestreefde natuurtypes, etc. Deelproject 2 begeleiding monitoringsprogramma met het opstellen van de nodige protocols en multisoortenlijsten. Bij de aanvang van het project was het oorspronkelijk de bedoeling een methodiek en multisoortenlijsten op te stellen en uit te testen voor een beperkt aantal natuurdoeltypen verspreid over een beperkt aantal reservaten. In de loop van 2005 werd de opdracht enigszins veranderd, meer bepaald; het uitwerken van een methode en multisoortenlijsten voor zoveel mogelijk natuurtdoeltypen zonder testfase. Deelproject 3 de dataverzameling, m.a.w. de uitvoering van de protocols. Deelproject 4 de opvolging van de dataverzameling, de dataverwerking en de rapportage. Deelproject 5 uitvoering kwaliteitsparameters met de staalname van grondwater, oppervlaktewater en bodem en de analyse van stalen. Deelproject 6 opmeten van peilbuizen. Dit project behelst deelprojecten 2, 3 en 4 en beoogt de start van een uitgebreider en continu monitoringsprogramma. De principiële doelstelling van het hier aangehaalde monitoringsprogramma is op een objectieve manier een globale evaluatie maken van de evolutie van de Vlaamse natuurreservaten onder het gevoerde beheer. De evaluatie van het beheer wordt gevoerd in functie van het in het beheerplan van elk individueel natuurreservaat gestipuleerd natuurstreefbeeld. Aan de hand van objectieve criteria moet men het beheer kunnen beoordelen en indien nodig de beheerplanning bijsturen Looptijd deelprojecten 2005: Wegens een zeer laattijdig starten van het project (wegens administratieve vertragingen) is er in 2004 weinig uitgevoerd en werd de planning doorgeschoven naar In 2005 is het project effectief van start gegaan met deelproject 2: het opstellen van een gestandaardiseerde monitoringmethode om op wetenschappelijke wijze correcte uitspraken en beoordelingen te kunnen uitvoeren en te vergelijken met een streefdoel. Voor 9 natuurdoeltypen werden veldprotocols en multisoortenlijsten opgesteld. Het toetsen van de methode a.h.v. gedetailleerde veldwaarnemingen vraagt echter zoveel tijd (zie Van Dyck et al. 2001) dat dit onmogelijk volledig binnen het tijdsbe- 12 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

15 stek van deze opdracht kon gebeuren. 2006: Voor deelproject 3 werden de protocols opgesteld in deelproject 2 uitgevoerd per provincie. Dit gebeurde onder de vorm van een pilootstudie op een eerste set van 12 natuurreservaten die door afd. Natuur, Brussel werden voorgesteld om zodoende het monitoringsprogramma te starten. De dataverzameling gebeurde door studiebureaus onder de begeleiding van een coördinator op het INBO, Raphaël De Cock. Voor de gegevensinvoer en -opslag werd een databank ontwikkeld. Daarnaast werd ook een multisoortendatabank ontworpen waarmee zowel ecoregio- of gebiedspecifieke multisoortenlijsten als soortenfiches met monitoringstips opgevraagd kunnen worden. Deze databanken werden continu bijgewerkt. 2007: De methode (deelproject 2) werd uitgebreid voor 4 bijkomende natuurdoeltypen en er werd ook een bijzondere aanpak voorzien om ook procesgeoriënteerd beheer te kunnen monitoren. De protocols (deelproject 3) zou in een bijkomende set van 17 natuurreservaten uitgevoerd worden om de steekproef per natuurdoeltype te vergroten en de monitoringsmethode voor procesgeoriënteerd beheer uit te testen. Wegens een tekort aan budget en een vertraagde gunningsprocedure is dit niet kunnen gebeuren. De methode, planning en initiële verwerking van de resultaten worden gerapporteerd in verschillende deelrapporten (zie verder). Een effectieve tijdreeksanalyse en rapportering van iedere monitoringsronde kunnen niet binnen deze opdracht gebeuren omdat hiervoor opeenvolgende datasets nodig zijn. Wel zullen er suggesties gegeven worden van de manier waarop dit in de toekomst kan gebeuren. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 13

16 Tabel 1. Schematisch overzicht met de planning en uitvoer van de verschillende deelprojecten en deeltaken over de duur van het project. Jaar: 2005,2006,2007 jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec deeltaak Info. reservaten natuurtypen beheer deelproject 2 Multi-soortenlijsten en systeemkenmerken 2 Meetvariabelen per natuurtypengroep 2 Opstellen protocols 2 Monitoringsplan incl. veldwerk 3 begeleiding uitvoerders 3 Organisatie dataverzameling 3 Bouw databank plus archivering 3 Selectie secundaire info. bronnen 4 Initiële verwerking 4 rapportering monitoringsplan 4 eindrapportage 4 Interne communicatie 2, 3, 4 24 jan 17 mrt 22 sep 21 okt 20 mrt 14 jul 30 nov 14 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

17 2.1.2 Plan van aanpak Het plan van aanpak bestaat uit volgende deeltaken: 1. Opvragen informatie reservaten 2. Vertaling van streefbeelden naar natuurtypen en beheertypen 3. Per natuurtype het opstellen van multisoortenlijsten, systeemkenmerken, beheereffecten 4. Meetvariabelen per natuurtype 5. Opstellen veldprotocols 6. Monitoringsplan incl. veldwerk 7. Training en begeleiding uitvoerders veldprotocols 8. Organisatie dataverzameling 9. Bouw databank plus archivering 10. Selectie secundaire informatiebronnen 11. Initiële verwerking 12. Rapportering monitoringsplan 13. Verwerking en eindrapporten 1 ste ronde 14. Interne communicatie Tabel 1 geeft schematisch weer hoe de uitvoering van de verschillende deeltaken verliep over de duur van het project Producten De verschillende uit dit project te verwachten eindproducten zijn een reeks deelrapporten en bestanden met volgende inhoud: 1. Concept beheermonitoring & methodiek met technische bijlagen (dit rapport): - kaderbeschrijving - argumentatie voor de methode - aanbevelingen voor het opstellen van een meetnet - gedetailleerde veldprotocols 2. Rapportenreeks per natuurdoeltype: Bij de initiële verwerking van de monitoringsgegevens werd gekozen voor een uitwerking van het natuurdoeltype dotterbloemgrasland (De Cock et al. 2008a). Dit rapport bevat: - een beschrijving van de referentiesituatie: een diagnose en conditionerende systeemkenmerken van het natuurdoeltype en huidige voorkomen binnen Vlaanderen en de Vlaamse natuurreservaten. - de op te nemen multisoortenlijst met uitgebreide toelichting bij de soortselectie. - Voorstellen voor verwerkings- en interpretatiemogelijkheden. - Een initiële verwerking met vooruitzicht op de mogelijkheden voor evaluatie zowel op de individuele meetlocaties als op meer algemeen niveau. 3. Databank voor opslag van de monitoringsgegevens: Op CD-rom met metadata (geleverd aan de opdrachtgever): - de eerste monitoringsgegevens uit 2006 en de structuur voor de opslag van data voor toekomstige monitoringsronden. 4. Digitale bestanden: Op CD-rom met metadata (geleverd aan de opdrachtgever): - GIS-lagen met de ligging van de meetlocaties - gedigitaliseerde resultaten (karteringen en fotobestanden) - overzichten met resultaten van initiële verwerking. De initiële verwerking bestond uit: een analyse van de vegetaties per meetlocatie een analyse van de multisoortengroepen naar de aan- /afwezigheid van soorten Vergaderingen en infomomenten Stuurgroepvergaderingen: 1 ste stuurgroepsvergadering, 17 maart e stuurgroepsvergadering, 22 september e stuurgroepsvergadering, 21 oktober e stuurgroepsvergadering, 14 juli e stuurgroepsvergadering, 30 november 2006 Beheermonitoring: Concept & Methodiek 15

18 6 e stuurgroepsvergadering, 24 januari 2007 Voorstelling totaalprogramma beheermonitoring aan de ANB-leiding, 20 maart 2007 INFO-momenten en voordrachten: Natuurtypen: toepassing in Beheermonitoring (Studiedag Natuurtypen, IN- VERDE), 23 november 2005 INFO-moment INBO, Brussel, 15 mei 2007 INFO-moment INBO, Geraardsbergen, 1 juni 2007 Voorstelling methode op het internationaal congres Monitoring the Effectiveness of Nature Conservation, 3-6 september 2007, voordracht: Combining distance-to-target criteria for vegetation composition and characteristic multispecies lists to monitor nature management: a case study from Flanders (WSL Birmensdorf), zie zendingsverslag EVINBO.ZV Vergaderingen met uitvoerders van de veldprotocols, studiebureaus (AEOLUS en ECONNECTION): 1 ste kennismaking en overleg 27 april 2006 Veldtraining AEOLUS 4 mei 2006 Veldtraining ECONNECTION 8 mei 2006 Evaluatie monitoringronde 2006, 30 november MEETLOCATIES EN NA- TUURDOELTYPEN VAN HET PILOOTPROJECT Om de methodeontwikkeling voor de beheermonitoring zo concreet mogelijk te maken, werd aangegeven dat uitgegaan moest worden van reële natuurreservaten, met hun doelen en beheermaatregelen. Daarom werd bij de aanvang van het project eerst een selectie gemaakt van meetlocaties (natuurreservaten) en natuurdoeltypen. Op de door Afd. Natuur/ANB voorgestelde gebieden voerden we analysen uit om zo te komen tot de meest bruikbare selectie. starten. Op deze selectie werden de in deelproject 2 opgestelde veldprotocols toegepast (Tabel 2, Figuur 1). Tabel 2. Selectie en de oppervlakte in beheer van 12 Vlaamse Natuurreservaten (VNR) verspreid over Vlaanderen voorgesteld door afd. Natuur / ANB om beheermonitoring aan te vatten. RESERVAAT (Code) Antwerpen Goorken - Rode Del (GK) Olens Broek (OB) Duivelskuil (DK) Robbroek (RB) Limburg Mangelbeekvallei (MB) Oudsberg (OU) Vlaams Brabant Rodebos en Laanvallei (RL) Walenbos (WB) (sectie Sengensbeemd) West Vlaanderen Assebroekse Meersen (AM) IJzerbroeken (YB) Oost Vlaanderen Kraenepoel (KP) Drongengoed Ursel (DG) Opp 61 ha 40 ha 16 ha 42 ha 56ha 158 ha 93 ha 34 ha 7 ha 124 ha 25 ha 141 ha Tabel 3 toont een overzicht van qua oppervlakte meest voorkomende natuurdoeltypen met een voldoende spreiding over de 12 reservaten. Verder geeft de tabel aan voor welke natuurdoeltypen een monitoringsmethode met multisoortenlijsten werd uitgevoerd in De keuze voor deze natuurdoeltypen werd overeengekomen op de 3 e stuurgroepvergadering en werd voornamelijk afgewogen op basis van de relevantie voor natuurbehoud, het beheer en de spreiding en oppervlakte beschikbaar voor monitoring (details zie ). Uiteindelijk werd er in 2006 bemonsterd voor: 9 Natuurdoeltypen verspreid over de 12 reservaten binnen 76 proefvlakken met uniform beheer (perceelsmatige aanpak) Twaalf Vlaamse natuurreservaten (VNR) werden aangereikt door afd. natuur / ANB om het programma beheermonitoring op te 16 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

19 Overzicht van geselecteerde natuurdoeltypen voor beheermonitoring 2006: 1. Circumneutrale matig tot sterk gebufferde wateren (WSC) 2. Rietmoerassen (MErm) 3. Dotterbloemgrasland (GNdb) 4. Gewoon kamgrasgraslanden (GVkgg) 5. Droge heischrale graslanden (GHdg) 6. Vochtige heischrale graslanden (GHv) 7. Halfnatuurlijke droge heiden (DDsh) 8. Natte heide met Gewone dopheide (DNdh) 9. Zomereiken-berkenbos (BDebz) Tabel 4 illustreert voor de geselecteerde natuurdoeltypen het aanbod aan beheereenheden, de oppervlakte en de spreiding beschikbaar voor de selectie van proefvlakken voor de uitvoering van beheermonitoring in Tabel 5 verduidelijkt de spreiding van de proefvlakken over natuurdoeltypen en VNR. Details van de afbakening van proefvlakken, meetlocaties en te bemonitoren oppervlakten zijn terug te vinden op CD-rom bijgeleverde aan de opdrachtgever (zie Shapefiles). Op de CD-rom is ook in meer detail terug te vinden waar en wat er voor de monitoringsrondes van 2006 en 2007 exact diende te gebeuren per proefvlak (zie toelichting monitoringslocaties en veldprotocols). Figuur 1. Ligging en afbakening van de 12 reservaten aangereikt door afd. Natuur / ANB om beheermonitoring op te starten in 2006 Beheermonitoring: Concept & Methodiek 17

20 Tabel 3. Overzicht van de meest voorkomende natuurdoeltypen over de geselecteerde Natuurreservaten en de natuur(doel)typen waarvoor multisoortenlijsten worden opgesteld. RESERVATEN Assebroekse meersen Yzerbroeken Mangelbeekvallei FORMATIE Natuurdoeltype AM YB MB OU RL WB KP DG OB GK DK RB Gemeenschappen van niethoutige grasachtige moerasplanten Graslanden Ruigten Gewoon X X O X X X + kamgrasgraslanden Droge heischrale graslanden X X X X X X O + Vochtige heischrale X O X X X X + graslanden Periodiek onder water X X O staande graslanden Nitrofiele ruigten van X O X X S X het verbond van Lookzonder-look Natte ruigten van het X S X S S X Moerasspirea verbond Halfnatuurlijke droge O X X O X X X X + heiden Natte heide met O O O X X X X + Gewone dopheide Gagelstruweel X X X Dwergstruwelen Struwelen Bossen Kleine landschapselementen Stilstaande waters Oudsberg Rodebos-laanvallei Grote X O O X X X zeggengemeenschapp en Rietmoerassen S X O X S S X X X + Zure laagvenen met X O X X X Wateraardbei en Zwarte zegge Vochtige venige X O X X X X X graslanden met Biezenknoppen en Pijpenstrootje Dotterbloemgrasland X X X O X X X X X + Braamstruweel S S S S S S S X X X Inlandse S S X X X X wilgenstruwelen met breedbladige wilgen Zomereiken-berkenbos X X X X X O X X X + Elzenbroekbos (Carici X O O X X X X X elongatae-alnetum) Hagen S O S S S S S S Bomenrijen S O S S S S S Solitaire boom S O S S S S S S S S Matig tot sterk zure wateren Circumneutrale, matig tot sterk gebufferde wateren Walenbos Kraenepoel Ursel-drongengoed Olens broek het Goorken Duivelskuil O X X X X Robbroek O O X X X X + X = aanwezig in beheerde oppervlakte en bemonitorbaar natuurdoeltype; S = aanwezig als structureel natuurtype binnen beheereenheden met een ander natuurdoeltype; O = aanwezig binnen visiegebied maar nog niet aangekocht, omgevormd of nog niet in beheer; + = natuurtypen waarvoor multisoortenlijsten worden opgesteld en die in aanmerking komen voor de (multisoorten)monitoring in MULTISOORTENLIJST 18 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

21 Tabel 4. Geselecteerde natuurdoeltypen voor de uitvoering van beheermonitoring in 2006 met per natuurdoeltype de totaal beschouwde oppervlakte in eigendom en beheer (opp), het aantal afgebakende beheereenheden (#BE), het aantal geselecteerde proefvlakken (#PV), de gemonitorde oppervlakte (opp MO), het percentage beschikbaar natuurdoeltype in monitoring (%M) en de spreiding over de 12 VNR. Natuurdoeltypen opp #BE #PV opp MO %M N BDebz Zomereiken-berkenbos 194, % 8 DDsh Halfnatuurlijke droge heiden op voedselarme zandgronden 73, % 5 DNdh Natte heide met Gewone dopheide 14, % 3 GHdg Droge heischrale graslanden 21, % 6 GHv Vochtige heischrale graslanden 32, % 3 GNdb Dotterbloemgraslanden 34, % 7 GVkgg Gewoon kamgrasgraslanden 45, % 4 MErm Rietmoerassen 27, % 5 WSC Circumneutrale, matig tot sterk gebufferde wateren (meso-oligotroof) 20, % 10 Eindtotaal 466, % 61 Tabel 5. Verdeling van proefvlakken per natuurdoeltype (NDT) over de gemonitorde reservaten beheermonitoring VNR. Gebied Zomereikberkenbos Droge heide Natte heide Droog heischr. grasl. Vochtig heischr. grasl. Dotterbloemgrasl. Kamgrasl. Rietmoeras Circumneutraal Stilst. TOTAAL Assebroekse Meersen Ursel Milit. Vliegveld Duivelskuil Het Goorken Kraenepoel 1 1 Mangelbeekvallei Olens Broek Oudsberg Robbroek Rode Bos Laanvallei Walenbos Yzerbroeken Totaal per NDT Voor de monitoringplanning in 2007 werden bijkomende proefvlakken geselecteerd om: de steekproef voor de natuurdoeltypen reeds bemonsterd in 2006 uit te breiden 4 extra natuurdoeltypen in beheermonitoring op te nemen een methode voor mozaïeksituaties uit te testen Tabel 6 toont het aanbod van 17 VNR verspreid over Vlaanderen die voorgesteld werden om beheermonitoring aan te vatten in Figuur 2 illustreert de ligging van deze gebieden. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 19

22 Tabel 6. Selectie van Vlaamse Natuurreservaten gepland voor beheermonitoring in 2007 PROVINCIE Antwerpen Oost-vlaanderen Vlaams-brabant West-vlaanderen Limburg RESERVAAT (Code) Tielenheide (TH) Kijkverdriet (KV) Pomp-Poelberg (PP) Bovenloop Mark (BM) Bunders (BU) Vallei van de Gr. Nete (VGN) Vallei van de Mark (VM) Serskampse beek (VSB) Warande duinen (WD) Bovenschelde (BSV) Militair Vliegveld Ursel (URSELmoz) Wolfsputten (WP) Driebeken (DB) Paddegat-Klemskerke (PK) Heuvelland (HL) Teut (TE) Oudsberg (OUmoz) VM HL PK Ursel-moz BSV WD VSB WP BM PP TH VGN BU KV DB TE OU-moz Figuur 2. Ligging en afbakening van de reservaten in beheer van ANB gepland voor beheermonitoring in Codes reservaten zie Tabel 6. Voor een aantal van de meest verspreid over het totaalaanbod van Vlaamse Natuurreservaten ( ) voorkomende prioritaire natuurdoeltypen werd een monitoringschema uitgewerkt. Voor 4 nieuw bijkomende natuurdoeltypen werden extra multisoortenlijsten opgesteld. Voor de volgende reeks van natuurdoeltypen werd een eerste ronde beheermonitoring gepland voor 2007 de 4 nieuw bijgekomen natuurdoeltypen staan in vet aangeduid: 1. Circumneutrale matig tot sterk gebufferde wateren (WSC: WSC(z)b(Fe)) 2. Zilverschoongraslanden (GSzs)* 3. (Stuif)duingraslandencomplex (PMI8+GDsz+GDdh)* 4. Struisgraslanden (GDgk)* 5. Dotterbloemgrasland (GNdb) 6. Gewoon kamgrasgraslanden (GVkgg) 7. Droge heischrale graslanden (GHdg) 8. Vochtige heischrale graslanden (GHv) 9. Moerasspiraearuigten (RNms)* 10. Halfnatuurlijke droge heiden (DDsh) 11. Natte heide met Gewone dopheide (DNdh) Zoals eerder aangehaald kon deze monitoringsronde niet doorgaan wegens een te klein budget en een te langdurig aanslepende gunningsprocedure. 20 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

23 3 AANZET TOT EEN MEETNET VOOR BEHEERMONI- TORING Dit pilootproject vormt de basis voor een langdurig en grootschaliger opgevat monitoringsprogramma. Om dit project te kaderen binnen de totaalcontext worden in de hoofdstukken onder 3.1 volgende aspecten behandeld: 1. het begrip monitoring 2. doelstellingen: - meetnet beheermonitoring - pilootstudie Vervolgens wordt in deel 3.2 dieper ingegaan op vereisten en randvoorwaarden om een dergelijk meetnet te concretiseren. Het laatste deel 3.3 gaat dieper in op de aanpak om beheerdoelen te vertalen naar meetbare eenheden die gebruikt kunnen worden voor een distance-to-target beoordeling. 3.1 KADERING Wat is monitoring? Om de noodzakelijke vergelijkingen en beoordelingen wetenschappelijk correct te kunnen uitvoeren, moet een gestandaardiseerd monitoringsysteem opgezet worden. Dat moet garanderen dat de verzamelde gegevens vergelijkbaar zijn en dat ze zo verzameld worden dat wetenschappelijk zinvolle uitspraken over beheereffecten gedaan kunnen worden. Het eerste heeft ermee te maken dat met geaggregeerde datasets gewerkt moet kunnen worden; de waarnemingen van verschillende plaatsen of jaren zullen immers dikwijls tezamen verwerkt worden. Het tweede stelt eisen aan het aantal en de representativiteit van de waarnemingen binnen een ruimte met een bepaald beheer. Natuurbeheer beoogt het behouden van een status quo, of het systeem zo te manipuleren dat een vooraf gedefinieerd doel wordt bereikt door de processen die fundamenteel zijn voor de structuur of het functioneren van een ecosysteem bij te stellen (Legg & Nagy 2006). Het begrip Monitoring Monitoring is het op regelmatige tijdstippen gestandaardiseerd beschrijven van variabelen om met die verzamelde gegevens na te gaan in hoeverre er vooruitgang of een status quo werd geboekt bij het realiseren van de doelen of de normen* (Kuijken et al. 2001). * Biodiversiteitsdoelen en natuurgerichte normen kunnen in natuurstreefbeelden worden vastgelegd en in het gebiedsgerichte beleid ingezet. Alleen wanneer doelen en normen duidelijk (vooraf) gekwantificeerd zijn, kan ook een degelijke en gerichte monitoring plaatsvinden. Trendopvolging ( surveillance ) is de periodieke herhaling van een gestandaardiseerde bemonstering van variabelen die toelaat de toestand en evolutie van een doelpopulatie te beschrijven. Monitoring is te definiëren als een trendopvolging waarbij in het bijzonder de evolutie van een doelpopulatie vergeleken wordt met a priori vastgestelde normen, referentiewaarden of doelstellingen. Een erg strikte benadering van monitoring vereist een precieze, kwantitatieve formulering van de streefwaarden. Een minder beperkende benadering hanteert de uitgangsituatie (i.e., de toestandsbeschrijving tijdens de eerste meetperiode) als referentiebeeld waarmee de latere metingen kunnen vergeleken worden. De verzamelde gegevens moeten daarom rechtstreeks verband houden met die doelen en de daarin vermelde streefwaarden moeten in meetbare eenheden omgezet kunnen worden. Daarenboven speelt monitoring een specifieke rol in het beleidbeslissingsproces. Meer bepaald geven de resultaten uit monitoringmeetnetten signalen naar beleidsmakers zodat zij kunnen fungeren als een soort thermostaat: de beleidsmakers staan, door het nemen van gepaste beleidsmaatregelen, in voor het behoud van een minimum kwaliteit van de ons omringende natuur en het leefmilieu. Het schema in Figuur 3 toont een terugkopplings- Beheermonitoring: Concept & Methodiek 21

24 schema dat aangeeft waar de essenties van het uitvoeren van monitoring liggen. Monitoring is een essentiëel instrument met drie hoofddoelen (Legg & Nagy 2006): Het informeren van de beheerder wanneer het systeem afwijkt van een gewenste staat Het succes opmeten van beheerpraktijken Het effect van verstoring detecteren natuurtypen, vegetatiesamenstelling, vegetatiestructuur, flora en fauna, etc.) variabelen zijn potentiëel op te volgen. Daar de monitoringsresultaten moeten dienen voor wetenschappelijk onderbouwde evaluatie van de efficiëntie en effectiviteit van het natuurbeheer en toekomstige aanpassingen aan beheer een gevolg zouden kunnen zijn van deze evaluatie, is het essentieel dat de gegevens op een gestandaardiseerde manier verzameld worden. Zowel abiotische (grondwaterkwaliteit, - kwantiteit, oppervlaktewaterkwaliteit, etc.) als biotische (oppervlakte en ligging van Natuurbeleid Beleidsniveau Bijstelling beleid Beleidsdoelen Gebiedskeuze Analyse Projectniveau Bijstelling beheer Natuurdoelen (visie) Toetsing beleidsdoelen Toetsingssleutels beleidsdoelen Toetsing beheerdoelen Beheer Toetsingssleutels beheerdoelen Aggregatie meetgegevens + beoordeling stratificatie Monitoring Parameterkeuze monitoring Planning + kostenanalyse Opslag meetgegevens (tijdreeksen) metingen meetnetontwerp Figuur 3. Monitoring vormt binnen het natuurbeleid en in de hiervan afgeleide beheerdoelen een terugkoppelingsmechanisme, waarmee gestelde doelen kunnen worden getoetst en zonodig bijgesteld. Terugkoppeling heeft in eerste instantie betrekking op het projectniveau, maar kan ook van invloed zijn op het beleidsniveau. Beleidsniveau: Binnen het beleid bestaan doelen met betrekking tot natuurbeheer. Deze zijn er veelal op gericht de verspreiding van zeldzame typen ecosystemen (met bijbehorende soorten) regionaal of landelijk te stimuleren. Uitgaande van deze beleidsdoelstellingen kunnen op basis van de specifieke kenmerken en eisen van gewenste ecosystemen, levensgemeenschappen en soorten, doelen worden gesteld ten aanzien van het beheer van zowel reeds bestaande natuurgebieden, als de inrichting en het beheer van nog te ontwikkelen nieuwe natuur (natuurinrichting). Projectniveau: alvorens in een gekozen gebied natuur kan worden ontwikkeld is het nodig een analyse te maken van de kenmerken van zo n gebied (b.v. eco-hydrologische systeemanalyse). De kenmerken van een gebied geven de randvoorwaarden aan waarbinnen nieuwe natuur gerealiseerd kan worden. Hieruit moet worden afgeleid welke typen natuur realiseerbaar zijn en met welke inrichtings- en/of beheersmaatregelen een ontwikkeling in die richting in gang kan worden gebracht. (naar Albers et al. 2001). 22 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

25 3.1.2 Bestaande monitoringsconcepten Het rapport Demeulenaere et al. (2002) leverde een eerste poging voor de uitbouw van een geïntegreerd monitoringsconcept met een coherentere visie op de mogelijke rol van monitoring voor het beleid en de daarop afgestemde instrumenten die de doorstroming van informatie en het gebruik ervan moesten verbeteren. Het rapport zou een eerste aanzet geven om in de toekomst de toestand van de natuur op een meer uniforme en continue manier op te volgen en ongewenste ontwikkelingen tijdig te signaleren. Daarnaast zou de uitbouw van het voorgestelde monitoringconcept inspelen op de vraagstelling en verwachtingen van het natuurbeleid. De voornaamste bedoeling van Demeulenaere et al. (2002) was een raamwerk of concept voor te stellen als aanzet tot een meer hiërarchische monitoring waarbij uitspraken gedaan zouden kunnen worden van perceels- of gebiedsniveau tot op het niveau van Vlaanderen. Daarenboven was het meer toegespitst op monitoring van erkende reservaten en bleef de uitwerking van een methodologie voor veldprotocols eerder beperkt tot praktische aspecten voor vegetatie-opnamen en een eerste poging tot het inschakelen van het multisoortenconcept sensu Van Dyck et al. (2001). De hier uitgewerkte methoden voor beheermonitoring kan gezien worden als een opvolging van het rapport Demeulenaere et al (2002) waarin vooral het concept van een meetnet voor beheermonitoring meer in detail wordt uitgewerkt. Nog nieuw in de hier voorgestelde aanpak zijn de sterkere nadruk op de praktische aspecten en uitvoerbaarheid van het meten, met een meer concrete uitwerking naar de verwerkings- en interpretatiemogelijkheden toe voor het evalueren van de effecten van beheermaatregelen. In de hier voorgestelde aanpak ligt de nadruk ook meer op het belang van integratie van de floristische, multisoorten-, structuur- en abiotische gegevens bij de evaluatie van de toestand van de natuurstreefbeelden en van de effectivitdeit van het beheer. Verder wordt getracht bij de uitwerking van de veldprotocols zoveel mogelijk een integratie te voorzien van bestaande monitoringmethoden waarbij soms gekozen wordt voor een specifieke aanpak per biotooptype. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van de basisindex voor bosstructuur (Govaere & Vandekerkhove 2005), de aanpak volgens de Kaderrichtlijn Water voor vegetatieopnames in aquatische milieus (Schneiders et al. 2004; Leyssen et al. 2005), BioHab voor structuurkartering (Bunce et al. 2005), inschatting van de botanische kwaliteit van graslanden (Zwaenepoel 2000) en uit de aanpak voor instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000 habitats (Heutz & Paelinckx 2005). De invulling van dit monitoringprogramma is sensu Demeulenaere et al. (2002) nog het best te omschrijven als meetnetmonitoring (Figuur 4). Meetnetmonitoring dient om een globaal beeld van de ontwikkeling van de natuur in de reservaten van Vlaanderen en tegelijk een zeer gedetailleerd beeld van de betrokken reservaten te schetsen. Hiervoor wordt een meetnet van een beperkter aantal, maar voor de globale Vlaamse ecologische diversiteit zo representatief mogelijk staal van natuurreservaten opgericht, waarin een intensere monitoring wordt uitgevoerd. Dit zal een evaluatie moeten toelaten van de mate van realisatie van globale beleidsdoelstellingen in verband met natuurbeheer, uiteraard verder onderbouwd met de resultaten uit lagere-ordemonitoring. Daarnaast moet die monitoring een evaluatie van het beheer toelaten van het reservaat waarop ze betrekking heeft. (Demeulenaere et al. 2002). In het kader van het sterk gelijkaardige project Monitoring Natuurinrichting werd eveneens een kwalitatief hoogwaardige, systematische en efficiënte methode voor het verzamelen van beleidsrelevante ecologische gegevens uitgewerkt. Ook hier, was het de bedoeling om te komen tot een systeem van kwaliteitsbewaking ter onderbouwing en aansturing van het natuurbeleid. Niet alleen evaluatie van het gevoerde beleid, maar ook de evaluatie van de uitgevoerde maatregelen op projectniveau en eventuele bijsturing diende met de uit monitoring voortkomende gegevens te worden uitgevoerd. Als leidraad stelden Albers et al. (2001) het Vademecum voor monitoring van natuurinrichtings-projecten in Vlaanderen samen dat kaderde binnen het opstellen van mo- Beheermonitoring: Concept & Methodiek 23

26 nitoringplannen voor toekomstige natuurinrichtingsprojecten. Dit werk vormde eveneens een belangrijke basis bij de totstandkoming van de concepten en methoden uitgewerkt binnen dit rapport Doelstellingen programma beheermonitoring Totnogtoe blijft een éénduidige monitoring op Vlaamse schaal ontbreken. De hoofddoelstelling is te komen tot een meetsysteem dat de effectiviteit van natuurbeheer in de natuurreservaten in functie van de beheerdoelstellingen nauwkeurig en zo gestandaardiseerd mogelijk opmeet en evalueert, zodanig dat de monitoringsgegevens onderling vergelijkbaar en integreerbaar zijn. De doelstelling kan in het kort omschreven worden als: Draagt het gevoerde beheer in de Vlaamse Natuurreservaten bij tot het behoud of herstel van biodiversiteit? Is het in de Vlaamse Natuurreservaten toegepaste beheer in globo efficiënt in functie van de gestelde natuurstreefbeelden? Waar een meetnet voor beheermonitoring niet toe dient Beheermonitoring levert geen directe bijdrage tot kosteneffectiviteits- en efficiencyonderzoek. Hiervoor dienen eventueel in een later stadium gegevens verzameld te worden over geldstromen en tariefstellingen. Verder leveren de gegevens uit de monitoring niet direct een idee over de effecten van het openstellen van natuur voor recreatie. Hoewel de hier uitgewerkte veldmethodes weliswaar geschikte gegevens opleveren om het beheer binnen één welbepaald reservaat op te volgen en te evalueren, kan een monitoringsschema voor een meetnetmonitoring niet dienen voor een systeem van 1:1 gerichte monitoring. Een dergelijke gebiedspecifieke beheermonitoring vergt immers een totaal andere aanpak wat betreft de keuze van meetlocaties (4.1.6). Dit wordt verderop uitvoeriger beargumenteerd (zie en 3.2.1). Voor een meetnetmonitoring wordt er immers per doelhabitat onder een welbepaald uniform beheertype een random steekproef getrokken uit de hele set van Vlaamse natuurreservaten. Hierdoor zullen binnen individuele gebieden tekens maar enkele meetlocaties gekozen worden. Om alle biotoop- en beheertypes binnen een natuurreservaat te bestrijken zullen extra meetlocaties en dus bijkomend waarnemingswerk uitgevoerd moeten worden. Het monitoren van soortgerichte beheerdoelstellingen wat zich gewoonlijk ook meer op het gebiedsniveau afspeelt, vergt meestal een geheel eigen aangepaste monitoringsaanpak met soms de toepassing van bijzondere technieken. Het INBO kan desgewenst bijstaan om zulke waarneminsgmethoden aan te leveren of mee helpen een soortmonitoring op punt te stellen. Strikt genomen behoort een gebiedseigen of soortmonitoring niet tot het algemeen programma voor beheermonitoring Beheermonitoring is niet hetzelfde als monitoring voor Natura2000 habitats. De monitoring van de Staat van Instandhouding van Natura2000 habitats (SvIH) is een ander op stapel zijnde grootschalig meetnet-monitoringinitiatief. Grote verschillen met beheermonitoring zijn: 1. alleen habitats van internationaal belang: de nadruk ligt voornamelijk op habitats waarvoor verplichte rapportage geldt naar Europa, terwijl in veel gevallen de beheerinspanningen gericht zijn op lokaal belangrijke natuurdoeltypen die niet steeds zijn opgenomen in de habitatrichtlijn (vb. Regionaal Belangrijke Biotopen) 2. alleen actuele habitatvlekken, geen streefbeelden: er wordt niet specifiek gemonitord op natuurstreefbeelden of natuurdoeltypen, maar op reeds gerealiseerde (eventueel gedegradeerde) vlekken habitat 3. geen koppeling aan beheer: er zullen geen éénduidige uitspraken mogelijk zijn over de effectiviteit van beheer afhankelijk van de aanpak. Daar de keuze van sites en proefvlakken voor de monitoring van SvIH onafhankelijk van het uitgevoerde beheer zal zijn en de evaluatie van instandhouding niet gebeurt in relatie tot bepaalde beheermaatregelen zoals bij beheermonitoring, is er geen kop- 24 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

27 koppeling tussen huidige toestand, beheeraanpak en evolutie tot het natuurstreefbeeld. 4. geen opvolging van evoluties ten opzichte van een streefdoel: er wordt een signaal gegeven of de actuele toestand voor een bepaald habitat over geheel Vlaanderen al dan niet gunstige staat is zondermeer. Met deze criteria zal het niet mogelijk zijn om evoluties en trends vast te stellen, zeker in suboptimale gebieden of daar waar men via omvormingsbeheer nog ver van de doelstellingen af staat. Bij beheermonitoring is het juist de bedoeling om te werken via distance-totarget criteria zodat de detectie van al dan niet positieve evoluties in de richting van de natuurdoelen alsnog gedetecteerd kunnen worden en dit onafhankelijk van de uitgang- of huidige status van de individuele gebieden of proefvlakken Bijkomende doelstellingen Hoewel meetnetmonitoring oorspronkelijk niet de doelstelling heeft om te komen tot een systeem van 1:1 gerichte monitoring waarbij het beheer binnen één welbepaald reservaat wordt opgevolgd en geëvalueerd, bleek uit stuurgroepvergaderingen met de buitendiensten van ANB de extra vraag voor maximalisatie van de output binnen deze context. Op die manier zouden ook lokale beheerders mogelijkheden krijgen tot evaluatie van de kwaliteit en de soortensamenstelling van biotopen i.f.v beheerstrategieën. Dit leidde tot de spin-off doelstelling om na te gaan in welke mate het natuurstreefbeeld op een welbepaalde locatie in de tijd benaderd wordt (distanceto-target), ondanks alle argumenten dat een volledige integratie van het gebiedspecifieke niveau niet compatibel is met het meetnetniveau (zie uitwerking over meetnetontwerpen 3.2.1). Zoals eerder aangehaald is het wel mogelijk om op gebiedsniveau uitspraken te doen over de algemene kwaliteit van de natuur en de doelbereiking van de natuurstreefbeelden, mits een uitbreiding van het monitoringsschema en aantal meetlocaties op basis van het aantal op te volgen (doel)biotopen en beheertypen binnen een individueel gebied (4.1.6). Demeulenaere et al. (2002) geven aan dat er extra financiële ruimte voorzien zou moeten worden om toe te komen aan de extra monitoring in functie van dergelijke lokale beheerdoelstellingen. De exacte uitwerking van een schema voor gebiedsgerichte monitoring wordt van reservaat tot reservaat ontworpen. De lokale, meer specifieke beheerdoelstellingen zijn immers moeilijk te standaardiseren. Voorbeelden: - wanneer specifieke soorten worden benadrukt in beheerplan (aandachtsoorten en streefdoelsoorten) - wanneer voor specifieke soorten een apart soortbeschermingsplan wordt uitgewerkt (IHD-soorten): hiervoor dient een extra monitoring uitgewerkt die zo gestandardiseerd mogelijk gebeurt om de beheerdoelstellingen te kunnen testen - beheerdoelstellingen kunnen nagestreefde functies zijn, zoals pleisterplaasten of paaiplaatsen. - etc Doelstellingen pilootproject Het doel van dit pilootproject is een aanzet te geven tot de uitbouw van een meetnet voor beheermonitoring. De voornaamste doelstellingen van dit pilootproject zijn: 1. aanleveren van een veldmethodiek bruikbaar voor zowel meetnet- als gebiedsgerichte beheermonitoring 2. opstellen van multisoortenlijsten voor een reeks van natuurdoeltypen 3. eerste aanzet geven voor meetnetmonitoring op het terrein Het is in de eerste plaats de bedoeling om, eenduidige gestandaardiseerde, consistente en praktisch werkbare veldprotocols op te stellen waarmee gegevens kunnen verzameld worden om de realisatie van beleidsdoelen te toetsen op biodiversiteitscriteria die de realisatie van natuurdoeltypen indiceren (Wiertz et al 2007). Hierbij denken we aan biodiversiteitscriteria zoals de vegetatiekwaliteit en aantal of trend van doelsoorten, kensoorten, multisoorten, instandhoudingscriteria, etc. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 25

28 De effectiviteit van de veldprotocols komt neer op een oefening tussen de beste methode en frequentie tegenover de praktische haalbaarheid en het beschikbare budget. Belangrijk is dat de toegepaste monitoringsmethoden gestandaardiseerd zijn zodat de gegevens verzameld door een breed spectrum aan waarnemers, algemeen bruikbaar blijven voor de wetenschappelijk onderbouwde evaluatie (cfr. Demeulenare et al. 2002). Figuur 4. Niveau s binnen het hiërarchische monitoringsconcept van Demeulenaere et al Beheermonitoring: Concept & Methodiek

29 3.2 CONCRETISERING EN RANDVOORWAARDEN Uit overleg met de INBO-cel Biometrie, Methodiek en Kwaliteitszorg (BMK) werd duidelijk dat er rekening gehouden dient te worden met een aantal randvoorwaarden om tot een goed programma beheermonitoring te komen. Vereist zijn: het ontwerpen van een strategisch meetnet het formuleren van doelstellingen: STAP 1: definitie eenheid van doelbereiking: natuurdoeltypen STAP 2: uniforme beheertypen: nood aan duidelijk omschreven en consequent toegepaste beheermaatregelen per natuurdoeltype STAP 3: kwantificeren en distance-to-target : omzetten van beheereffecten en doeltypen naar sets van meetbare grootheden Nood aan duidelijk omschreven uitgangsituatie, indeelbaar in discrete natuurtypen en doeltypen met uniform beheer Nood aan tijd en kostefficiënte veldprotocols In de volgende hoofdstukken volgt een uitwerking van de hierboven aangehaalde punten. Dit kan enerzijds dienen als een uitgangsbasis voor de verdere uitbouw van het programma beheermonitoring en anderzijds dient het als basis om aan te geven waar de huidige knelpunten liggen om tot een dergelijk meetsysteem te komen. De hieronder volgende paragrafen over meetnetontwerp zijn gebaseerd op overleg met Dirk Bauwens (BMK-cel, INBO) Wat is een strategisch en beleidsgericht meetnet? De vragen en verwachtingen t.a.v. het milieu- en natuurbeleid worden steeds veelzijdiger en complexer. Gedetailleerde gegevens over de tijdsgebonden veranderingen van relevante variabelen moeten toelaten het effect van de genomen beleiden beheermaatregelen te evalueren. Dat vereist de uitbouw van meetnetten die zorgen voor een breder, dieper en beter toegankelijk gegevensaanbod. In de eerste plaats moet goed nagedacht worden over de omvang en de aard van de gegevens die nodig zijn om de informatiebehoefte in te vullen en bij te dragen aan de beleidswerking. Een beleidsgericht meetnet is een meetnet dat in opdracht van beleidskringen de toestand van een bepaalde doelpopulatie beschrijft. Het adequaat functioneren van een beleidsgericht meetnet vereist een afstemming van de meetnetdoelstellingen, de gegevensinzameling, de data-analyse en de rapportage op de informatiebehoefte van het beleid. Kortom, de meetnetgegevens moeten voldoende beleidsrelevant zijn en gebruikt worden met een duidelijk omschreven doel. In de praktijk totnogtoe missen veel ecologische monitoringprogramma s dikwijls duidelijke omschreven doelstellingen (Vos et. al 2000). Vaak is weten-wat-ergebeurt het enige argument dat de inspanningen rechtvaardigt, maar dit leidt niet tot een duidelijke invulling van de doelstelling en leidt vaak tot een ongecontroleerde datavergaring. Het afstemmen van het informatieaanbod op de vragen vanuit het beleid vereist een nauwe en herhaalde samenwerking tussen enerzijds de opdrachtgever en anderzijds de meetnetontwerper, bijgestaan door methodologen, statistici en domeinexperten. Het ontwerpen van een kwaliteitsvol meetnet is dus een interactief en multidisciplinair proces. Een meetnet is een instrument waarmee we met een bepaalde methode een aantal kenmerken opmeten die de toestand van een doelpopulatie beschrijven. Een doelpopulatie is een verzameling van elementen Beheermonitoring: Concept & Methodiek 27

30 waarover we met het meetnet een uitspraak willen doen. Wanneer de metingen op een consistente manier en over een voldoende lange tijdsperiode herhaald worden, is het mogelijk evoluties in de toestand van de doelpopulatie waar te nemen. Meetnetten (voor milieu en natuur) worden quasi altijd uitgetekend als een steekproef. Het is immers financieel en praktisch niet haalbaar om op alle plaatsen in een bepaald gebied of regio metingen uit te voeren. Bovendien is dat ook niet nodig: een doelgerichte selectie van meetpunten in functie van de vraag naar gegevens volstaat om voldoende betrouwbare informatie aan te leveren. Beleid- en beheerinstanties hebben diverse informatiebehoeften. Ook vragen over eenzelfde thema (bv. biotoopkwaliteit) kunnen sterk uiteenlopen en vereisen vaak een andere aanpak en een verschillend meetnetontwerp. Het is een diepgewortelde, maar ook grote misvatting dat één meetnet de informatie kan verschaffen die nodig is om de diverse vragen t.a.v. een bepaald thema (bv. doelbereiking van beheer) te beantwoorden Het ontwerpen van een meetnet: vijf fasen Hieronder volgen enkele stappen waarmee rekening gehouden moet worden bij het opzetten van een meetnet. Een conceptueel model voor het ontwerpen van een doordacht en doelgericht meetnetontwerp op een wetenschappelijk geijkte manier omvat vijf fasen (zie schema): I. Prioriteren van de informatiebehoeften II. Uitwerken van het steekproefontwerp en de gegevensinzameling III. Plannen van de gegevensverwerking IV. Plannen van de rapportering en communicatie V. Laatste voorbereidingen, implementatie en kwaliteitszorg Een meetnet in een strategische context baseert zich op de informatie geleverd door de totaliteit van de steekproefpunten. De steekproefpunten zijn zo gekozen dat ze samen een representatief beeld geven van de doelpopulatie in de betrokken regio of gebied. Een individueel steekproefpunt hoeft daarom niet representatief te zijn voor zijn directe omgeving. De doelgroep van dergelijk meetnetten zijn (beleids)instanties die informatie willen over de globale toestand en evolutie van een bepaalde doelpopulatie. Binnen de context beheermonitoring gaat het om een evaluatie van doelbereiking. Een meetnet dat de toestand van de doelpopulatie opvolgt (signalerende functie) en de waargenomen evoluties vergelijkt met a priori geformuleerde doelen of normen (monitoring). Het expliciet formuleren van de context, doelstelling en functie van een meetnet is een essentiële stap in het meetnetontwerp. Fase I: Prioriteren van de informatiebehoeften In veel gevallen is de initiële informatiebehoefte vrij vaag omschreven. Daarom moet de opdrachtgever samen met de meetnetontwerper voldoende aandacht besteden 28 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

31 aan een grondige analyse van welk type informatie nodig is. De opdrachtgever moet zo goed mogelijk de behoefte aan bepaalde informatie expliciteren. De meetnetontwerper moet helpen bij het prioriteren en een inzicht krijgen in de context, doelstelling en functie van het te ontwerpen meetnet. Deze bepalen immers heel sterk het type en de dimensies van het meetnet (Fase II). Ook de randvoorwaarden (budgettair, tijdsgebonden, e.a.) moeten duidelijk in kaart gebracht worden. Voor elk van de prioritaire vragen zal de ontwerper de belangrijkste functies, doelstellingen en kenmerken van het te ontwerpen meetnet specificeren. Mogelijk kunnen niet alle prioritaire vragen met eenzelfde meetnetontwerp worden beantwoord. Dat betekent dat een verdere bijstelling of afzwakking van de prioritaire vragen nodig is. Hierbij moeten vermoedelijk enkele fundamentele keuzes gemaakt worden over de inhoudelijke prioriteiten van het meetnet. Het eindresultaat is een meetnetontwerp met duidelijk omschreven hoofd- en nevenvragen. Deze zullen het verdere meetnetontwerp sturen. We benadrukken dat het selecteren en omschrijven van de hoofd- en nevenvragen een gedeelde verantwoordelijkheid is van de opdrachtgever en de meetnetontwerper. Indien aan deze interactie te weinig aandacht besteed wordt, is de kans groot dat een meetnet ontworpen wordt zonder een feitelijke doelomschrijving of op basis van valse verwachtingen. Het is evident dat een meetnet zonder een duidelijke doelomschrijving niet adequaat kan functioneren en leidt tot een inefficiënte inzet van tijd en middelen. Fase II: Uitwerken van de gegevensinzameling Om op basis van steekproefgegevens conclusies te formuleren over de doelpopulatie is het noodzakelijk gebruik te maken van statistiek. Statistiek moet opgevat én gebruikt worden als een coherent geheel van concepten en inzichten die leiden tot een wetenschappelijke aanpak van (beleids)gerichte vragen. Op basis van de prioritaire beleidsvragen zoekt de meetnetontwerper - in samenwerking met domeinexperten en statistici en voor bepaalde aspecten op basis van uw input - uit welke gegevens op welke manier ingezameld moeten worden en welke steekproefgrootte hierbij aangewezen is: 1. Welke gegevens inzamelen: nauwkeurige omschrijving van de doelpopulatie en vertalen van de beleidsvragen naar meetvragen leidt tot de selectie van relevante eindvariabelen. 2. Hoeveel gegevens inzamelen: voor elk van de meetvragen formuleert de meetnetontwerper hypothesen waarbij de opdrachtgever dient aan te geven wat de gewenste precisie is van de gegevens en de minimale grootte van het effect dat u wil detecteren. Op basis hiervan berekent de meetnetontwerper in samenwerking met een statisticus - de vereiste minimale steekproefgrootte. Ook tekent hij enkele mogelijke steekproefdesigns uit. 3. Hoe gegevens inzamelen: voor elk van de meetvragen bepaalt de meetnetontwerper waar en hoe de steekproefpunten geselecteerd moeten worden. Daar worden dan volgens een gestandaardiseerde bemonsteringsmethode de waarnemingen verricht. Fase III: Plannen van de gegevensverwerking Het doel van Fase III is het uittekenen van een strategie om de gegevensstroom te beheersen en de meetgegevens optimaal te verwerken. Dit komt neer op een exante evaluatie, de meetnetontwerper maakt immers een voorafspiegeling van hoe de toekomstige meetnetbeheerder met de data zal omgaan. Deze voorafspiegeling omhelst volgende aspecten: 1. Ontwerp databank: eenmaal de meetcampagne van start is gegaan, moet een veelheid aan data in een vooraf goed opgebouwde databank terecht kunnen. Deze blauwdruk zal ook helpen eventuele tekortkomingen in de voorgestelde gegevensinzameling op te sporen. 2. Kwaliteitsvolle dataverwerking: enkel door een doordachte en correcte toepassing van statistische analysetechnieken kunnen weten- Beheermonitoring: Concept & Methodiek 29

32 schappelijk gefundeerde conclusies geformuleerd worden. Om een statistische analyse geldig te laten verlopen, moet aan een aantal randvoorwaarden voldaan zijn. 3. Uitbouw interpretatiekader: meestal volstaan de gegevens uit het meetnet niet om de meetnetresultaten volledig en correct te kunnen interpreteren. Dat impliceert een behoefte aan gegevens uit andere informatiebronnen. We benadrukken dat deze aspecten reeds aandacht moeten krijgen vóór de start van het meetnet. Op deze manier kan uitgezocht worden of er nog tekortkomingen schuilen in de data. Deze kunnen vereisen dat bepaalde facetten van de gegevensinzameling bijgesteld worden (terugkoppeling naar Fase II). Hierbij is het belangrijk dat de opdrachtgever een zo concreet mogelijk beeld krijgt van de mogelijke resultaten van het meetnet, zodat hij kan aangeven dat aanpassingen aan het meetnetontwerp nog nodig zijn. Hierbij kunnen de resultaten van de pilootmonitoring 2006 en voorstellen van analysemethoden in De Cock et al. (2008a) van dienst zijn. Dit is essentieel omdat keuzes m.b.t. de gegevensinzameling heel sterk de mogelijkheden tot dataverwerking en dus de output van het meetnet determineren. Fase IV: Plannen van de rapportering en communicatie Om een effectief en optimaal gebruik van de meetnetresultaten te garanderen, is op voorhand een reflectie nodig over hoe we de gegevens kunnen aanwenden en hoe we op de beste manier de resultaten kunnen ontsluiten en communiceren. Dit alles wordt concreet gemaakt door het uitwerken van een communicatiestrategie en het opstellen van een kostenraming. Daarnaast moet een langetermijnplanning aangeven welke instantie zal instaan voor welk eindproduct en met welke cyclus het product uitgebracht of geactualiseerd zal worden. Op basis van deze informatie moet de opdrachtgever beslissen welke eindproducten het meetnet zal genereren. Fase V. Implementatie en kwaliteitszorg meetnet Na het beëindigen van de eerste vier fasen, moet de opdrachtgever beslissen over het al dan niet effectief opstarten van het meetnet. Indien beslist wordt om het meetnet op te starten, dan moeten de meetnetontwerper en/of de toekomstige meetnetbeheerder nadenken over de implementatie en verdere kwaliteitszorg van het meetnet. Zelfs nog voor de start van het huidige pilootproject hadden best een aantal praktische en operationele aspecten uitgeklaard geweest, waaronder de begroting, personeelsplanning en werkplanning. Tot slot moet begroot worden op welke momenten een kritische evaluatie of audit van het meetnet doorgevoerd zal worden Vereiste steekproefgrootte Het voorgaande en verder overleg met de BMK-cel leverde volgende bemerkingen en randwoorwaarden op in verband met steekproefgroottes en hun afhankelijkheid van bepaalde keuzes. De vereiste steekproefgrootte kan berekend worden en is volledig afhankelijk van de power of detectiegraad voor veranderingen die men wil toepassen (Legg & Nagy 2006). Een power analyse is fundamenteel bij de planning van langetermijn monitoringsprogramma s. Op basis van de resultaten voor de berekening van de steekproefgrootte voor de uitwerking van een gelijkaardig meetnet, meer bepaald voor de monitoring van de Stand van instandhouding van Natura2000 habitats (Thierry Onkelinx, BMK-cel, INBO), zijn de volgende conclusies nuttig. Eerst moeten duidelijke hypothesen en detectieniveaus worden afgesproken. Stel dat we willen nagaan of de proportie beheereenheden met een al dan niet gunstige ontwikkeling, wijzigt in de tijd. De vraag is nu welke statistische test van toepassing is en hoeveel locaties we moeten bemonsteren. Stel dat een ongunstige verandering in 25% van de meetlocaties als voldoende relevant criterium wordt beschouwd. Mogelijke hypothesen zijn dan: Nulhypothese: het natuurdoeltype kent een ongunstige evolu- 30 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

33 evolutie in 25% van de beheereenheden Alternatieve hypothese: het natuurdoeltype kent een ongunstige evolutie in meer, of in minder dan 25% van de beheereenheden Mogelijke uitspraken per criterium zijn dan: 1. gunstige evolutie: de nulhypothese kan worden verworpen en < 25% van de beheereenheden kent een negatieve ontwikkeling 2. ongunstige evolutie: de nulhypothese kan worden verworpen en > 25% van de beheereenheden kent een negatieve ontwikkeling 3. geen duidelijke indicatie: de nulhypothese kan niet worden verworpen. Ofwel bevindt ca. 25% zich in een ongunstige staat, maar er is geen indicatie of dit nu > of < dan 25% is, ofwel is het meetnet te klein. Het onderscheidingsvermogen levert een objectieve maat om verschillende proefopzetten met elkaar te vergelijking. Het onderscheidingsvermogen of de power van een statistische test is immers de kans dat indien een bepaald effect (hier een bepaald verschil tussen de twee proporties) aanwezig is, we een significant effect kunnen aantonen. Het onderscheidingsvermogen hangt af van vier verschillende parameters: 1) de totale steekproefgrootte (N), 2) de proportie op het eerste tijdstip (startproportie), 3) de proportie op het tweede tijdstip (eindproportie) en 4) de gewenste Type I-fout (α = 0.05). Een onderscheidingsvermogen van 80% wordt standaard als aanvaardbaar beschouwd. Tabel 7 toont de nauwkeurigheid in relatie tot de steekproefgrootte waarmee veranderingen rond een proportie van 25% gedetecteerd kunnen worden bij een onderscheidingsvermogen van 80%. Hoe groter de steekproef hoe nauwkeuriger verschillen ten opzichte van de 25% proportie kunnen worden aangetoond. Voor een aanvaardbare nauwkeurigheid van 5% (α = 0.05) ligt de steekproefgrootte dus al gauw rond de 600 meetlocaties. om een verschil van 25% te detecteren bij een onderscheidingsvermogen van 80% (naar Thierry Onkelinx, BMK-cel, INBO) Ondergrens Bovengrens N <25% >25% Alles <22.6% >27.5% 2444 <20% >30% 617 <16% >35% 153 <12% >40% 78 <7% >50% 32 Uit het voorgaande kan besloten worden dat een aanvaardbare steekproefgrootte voor de evaluatie van de algemene toestand van de natuur en/of het halen van algemene beheerdoelstellingen voor (slechts) één enkel doeltype haalbaar zijn bij een steekproef met grootteorde van De berekening in Tabel 7 is uitgevoerd voor dichotome criteria (vb. ongunstige versus gunstige staat). Als gewerkt wordt met continue variabelen (bv. distance-totarget criteria met proportionele waarden tussen 0 en 1) dan neemt de power over het algemeen toe (Bhandari et al. 2004) en kan met een kleinere steekproef eenzelfde power en nauwkeurigheid worden bekomen. Het onderscheidend vermogen neemt eveneens toe met het in rekening brengen van meerdere criteria (bv. multiple testing gebaseerd op scores of indices voor flora, fauna, abiotiek, etc..) Bijkomende adviezen Uit de bespreking van de vijf fasen van meetnetontwerp blijkt duidelijk dat een intensieve interactie tussen opdrachtgever en de meetnetontwerper cruciaal is voor een doelgericht meetnetontwerp. Nogmaals dient benadrukt te worden dat het ontwerpen van een meetnet een multidisciplinaire aanpak vereist. Immers, zowel beleidsmakers, methodologen, statistici als domeinexperten moeten in een of meerdere fasen een cruciale input leveren. Het is de taak van de opdrachtgever om het ontwerpproces voldoende te begroten zodat de ontwerper een beroep kan doen op een multidisciplinair team en voldoende ruimte krijgt voor interactie en overleg. Tabel 7. Nauwkeurigheid met onder- en bovengrens in functie van de steekproefgrootte N Beheermonitoring: Concept & Methodiek 31

34 Het is belangrijk dat de opdrachtgever een actieve rol speelt bij het maken van keuzes en beslissingen durft nemen. Het uitbouwen van een overlegstructuur (stuurgroep) kan hierbij een inhoudelijke ondersteuning en meerwaarde betekenen. Over de samenstelling en functie van de stuurgroep geven we volgende adviezen mee: 1. Zowel de potentiële meetnetgebruikers (de belangrijkste doelgroepen) als domeinexperten (wetenschappers uit de onderzoekswereld, meetnetbeheerders en -ontwerpers) moeten in de stuurgroep vertegenwoordigd zijn. 2. Organiseer, in overleg met de meetnetontwerper, op geregelde tijdstippen stuurgroepvergaderingen. Het is logisch om dit te doen bij de aanvang van het meetnetontwerp en vanaf dan na het beëindigen van iedere fase. A.d.h.v. een tussentijds verslag stelt de meetnetontwerper de stuurgroepleden op de hoogte van de vorderingen en knelpunten. 3. Koppel de inhoud van de stuurgroepvergaderingen zo goed mogelijk aan het 5-fasen ontwerpplan zodat de gesprekspartners weten welke aspecten van het meetnetontwerp besproken worden. Zo worden discussies vermeden die op dat moment niet relevant zijn in het proces van het meetnetontwerp. Stuur daarom ook vooraf een agenda door zodat iedereen zich kan voorbereiden en het overleg vlot kan verlopen. 4. na iedere stuurgroepvergadering maakt de opdrachtgever of de meetnetontwerper een verslag en stuurt dit ter goedkeuring door naar alle betrokkenen. Geef hierbij een overzicht van de genomen beslissingen en knelpunten die verder uitgeklaard moeten worden. Indien nodig, stel een taakverdeling op met vermelding van de termijn en de verantwoordelijken. We benadrukken nogmaals dat het meetnetontwerp voldoende ernstig moet genomen worden. De kwaliteit van de vijf fasen bepaalt immers de kwaliteit van het meetnet gedurende de volgende jaren / decennia. Een relatief kleine meerinvestering kan voorkomen dat het meetnet informatie inzamelt die niet voldoet aan de verwachtingen Formulering beheerdoelstellingen De uiteindelijke beheerdoelen die bij de monitoring van de Vlaamse natuurreservaten geformuleerd worden, kunnen in twee deelaspecten worden opgedeeld. De doelbereiking oppervlakte is haalbaar via een standaardmonitoring sensu Demeulenaere et al. (2002) waarbij via regelmatige veldkarteringen van de natuurtypen in reservaten areaalveranderingen en ruimtelijke spreiding van (beoogde) plantengemeenschappen of natuurdoeltypen opgevolgd kunnen worden. De doelbereiking kwaliteit is te bepalen via gegevens uit gestandaardiseerde monitoring op het terrein. 32 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

35 Doelbereiking natuurbeheer Kwantitatief: oppervlakte Natuurstreefbeelden Kwalitatief: functioneren ecosysteem Opvolgbaar via gebiedkarteringen volgens gestandaardiseerd protocol Opvolgbaar via uitvoeren van veldprotocols voor beheermonitoring De doelbereiking oppervlakte behoort in strikte zin niet tot de methodiek beheermonitoring s.s. maar vormt wel een niet te missen onderdeel bij beheerevaluatie. De uitvoering van dergelijke kartering kan bijvoorbeeld uitgevoerd worden door (de buitendiensten van) ANB, net zoals nu binnen de erkende reservaten gebeurt. Hierbij kan het binnen dit pilootproject ontwikkelde protocol voor de gebiedkartering (kartering van mozaïeken van natuur(doel)typen) als leidraad dienen (zie 9.1.1). Een eerste analyse en evaluatie van de doelbereiking oppervlakte werd bijvoorbeeld toegepast op de erkende reservaten door het NARA-team voor het Natuurrapport 2007 (Dumortier et al. 2007). Voor de doelbereiking van kwaliteit leveren gegevens uit een inventarisatie bestaande uit habitatkarteringen, vegetatieopnames, soortenlijsten en verspreidingskaarten van soorten een belangrijke bijdrage om tot goed onderbouwde beslissingen te komen voor natuurbehoud (Hurford 2006b). Hieronder volgt het stappenplan dat we volgden om via veschillende criteria tot een onderbouwd protocol te komen om dit deelaspect kwaliteit te ondersteunen. Voor de uitwerking van een methode voor de kwantificeren en omzetting van beheerdoelen naar een distance-to-target beoordeling werd in 3 stappen gewerkt: STAP 1. Bepalen van natuurstreefbeelden (= doelen) per reservaat + omzetting ervan in natuurdoeltypen STAP 2. Nagaan van beheermaatregelen per natuurdoeltype STAP 3. Omzetting natuurdoeltypen en beheereffecten naar sets van praktisch meetbare grootheden STAP 1. Bepalen van natuurstreefbeelden en omzetting naar natuurdoeltypen Normaliter wordt er per reservaat een beheerplan of beheervisie opgesteld. Hierin worden de beheerdoelen onder de vorm van een natuurstreefbeeld opgenomen Beheermonitoring: Concept & Methodiek 33

36 dat op zich bestaat uit of op zijn beurt vertaalbaar is in natuurdoeltypen die onder een welbepaalde beheeraanpak staan (maaien, begrazen, kappen, plaggen, uitbaggeren,, eventueel combinaties) Eenheid van doelbereiking: Vlaamse natuurtypen De natuurtypen zijn de eenheid van doelbereiking. Op dit moment zijn de meeste Vlaamse natuurtypen al wel beschreven en is een syntheserapport in opmaak, maar gedetailleerde synoptische tabellen van kensoorten met trouw- en presentiegraden of gestandaardiseerde technieken om de actuele distance-to-target status van gebieden, proefvlakken of PQ s te bepalen, zijn totnogtoe niet ontwikkeld. Demeulenaere et al. (2002) beargumenteren uitvoerig waarom het natuurtypenysteem geprefereerd wordt in natuurbeheermonitoring, boven BWK en het ecotopensysteem. De habitats van Natura2000 hadden een ander alternatief kunnen zijn, maar worden niet besproken door Demeulenare et al. (2002). Uit intern overleg op INBO blijkt overigens dat de Natura2000 habitats in vele gevallen gemakkelijk vertaalbaar zijn naar natuurtypen of bestaan uit een combinatie van natuurtypen. Hierdoor zal in de praktijk het bereiken van een Natura2000 habitat bestaan uit een combinatie van beheeringrepen, al dan niet uitgevoerd in aparte eenheden, omdat die habitats dikwijls op een hoger landschappelijk niveau zijn gedefinieerd. Dit laatste levert mogelijk problemen bij het definiëren van uniforme beheereenheden waardoor de voorkeur automatisch teruggaat op het natuurtypensysteem dat iets gedetailleerder is uitgebouwd. De belangrijkste argumenten vóór natuurtypen zijn: Biotisch gedefinieerd en leunen daardoor dichter aan bij de formulering van beheerdoelstellingen Natuurtypensysteem laat een éénduidige bepaling toe van natuurtypen op het terrein (een synthese van de verschillende natuurtyperapporten is in opmaak) Bij een verdere uitwerking van het systeem zouden natuurtypen volledig kwantificeerbaar worden op vlak van flora, fauna (zie verder bij multisoortenaanpak) en eventueel specifieke structuurkenmerken streefbeelden in beheervisies zijn in veel gevallen vertaald als natuurdoeltypen Nieuwe hiërarchische indeling van Natuurtypen naar formaties Bij de aanvang van dit project werd een aangepaste hiërarchische indeling van de natuurtypen opgesteld (zie Bijlage 1). Er was immers geen bruikbare hiërarchische indeling en codering van natuurtypen voorhanden. Om een relevant overzicht van natuurtypegroepen, natuurtypen en subtypen te verkrijgen, was het nodig de indeling te herzien. Een eerste onderverdeling in formaties is grotendeels gebaseerd op groeivormen (watervegetaties, pioniersmilieus, moerassen, graslanden, ruigten en zomen, dwergstruwelen, struwelen en mantels, bossen). De indeling naar natuurtypegroepen is eerder gebaseerd op abiotische kenmerken (waterhuishouding, zuurtegraad) terwijl de detailindeling naar natuurtypen en natuursubtypen samenhangt met de plantengemeenschappen. Op die manier is het (ook op het terrein bvb. bij structuurkarteringen) in de praktijk eenvoudiger om éénduidig natuurtypen te definiëren dan wanneer men zich baseert op de indeling op habitatniveau (cfr. Demeulenaere et al. 2002). Let wel dat in werkelijkheid in veel gevallen een natuurdoeltype bestaat uit een natuurhoofdtype waarbinnen nog structurele typen kunnen voorkomen. Hieronder zijn bijvoorbeeld te verstaan plekken met pioniersituaties of natuurtypen behorende tot de successiereeks van het hoofdtype die normaliter nooit als een natuurdoeltype op zich worden aangeduid in beheerdoelstellingen. Ter illustratie; voor een natuurdoeltype van droge heide (zie code DDsh in de hiërarchische indeling natuurtypen Bijlage 1), verwachten we bij een goed ontwikkelde en gevarieerde plek ook volgende elementen: open zand (PMI6), stuifzand (PMI10) met lokale cryptogame stuifduinvegetaties (PPE8), buntgras- (GDsz) en dwerghaververbond (GDdh), verspreide alleenstaande bomen (KHw; zomereik of berk) en struweelbosjes met brem (SDb), en misschien lokaal zelfs wat vochtigere heide (DNdh) 34 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

37 Selectie natuurdoeltypen relevant voor beheermonitoring Wat betreft de keuze van natuurdoeltypen kan de voorkeur uitgaan naar biodiversiteitbelangen, zowel in internationale (Habitatrichtlijn en Instandhoudingdoelstellingen, RAMSAR-gebieden, Vogelrichtlijngebied), regionale (Regionaal belangrijke biotopen) of lokale context (lokale waarde, mate van beheerinspanning). Hier volgt een overzicht van mogelijk prioritaire natuurdoeltypen uit de totaallijst van natuurtypen (overzicht en gebruikte codes zie Bijlage 1) die relevant kunnen zijn voor beheermonitoring (vetgedrukte voorbeelden werden behandeld in het pilootproject): A. Prioritair voor Europa: Habitatrichtlijnhabitats: Bij de codes wordt voor de gemakkelijkheid een verkorte naamgeving gebruikt. Voor de volledige namen zie Decleer et al Codes van overeenkomende natuurtypen staan tussen haakjes (zie Bijlage 1) galigaanmoeras (niet gedefinieerd als natuurtype) kalktufbronnen met tufsteenformatie (niet gedefinieerd als natuurtype) soortenrijkere en goed ontwikkelde struisgrasgraslanden (= GDgk) Nardus graslanden (Heischrale graslanden = GHdg + GHv) landduingraslanden (= GDsz, GDdh) Vlaams kalkgrasland (indien orchideëenrijk) (= GDkalk, zeer zeldzaam) grazige kustduinheide met struikhei (= DDkust, zeer zeldzaam; 2 locaties) actief hoogveen (= DNhv) - 91E0 alluviale bossen(= BNa), elzenbroekbossen (= BMeb), wilgenvloedbossen/struwelen (= BNwv, SNsw) B. Lokaal prioritair: Regionaal Belangrijke Biotopen (RBB) vb. historische permanente graslanden Het gaat hier om zeldzame natuurtypen - met hoge natuurwaarde die niet vervat zijn in een habitattype, maar wel opgenomen in de Natuurtypen van Vlaanderen en/of in de BWK-legende (dit criterium is gehanteerd in Heutz & Paelinckx 2005) én daarenboven vegetaties die via het BVR in uitvoeren van het Natuurdecreet (verbod of vergunning op vegetatiewijziging) een wettelijke bescherming genieten maar niet tot een habitattype gerekend kunnen worden. In de praktijk voldoen alle in Heutz & Paelinckx (2005) en Paelinckx et al. (2006) geselecteerde rbb. De bescherming ervan is echter onafhankelijk van monitoring. - rbbah zilte plassen (= WSBzl) - rbbhc dotterbloemgrasland (= GNdb) - rbbzil zilverschoongrasland (= GSzs) - rbbkam kamgrasgrasland (= GVkg) - rbbhf moerasspirearuigten (= RNms) - rbbmr rietland en Phragmitionvegetaties (MEr, ~ MErm) - rbbmc grote zeggenvegetaties (= MEgz) - rbbms kleine zeggenvegetaties (= MM) - rbbsm gagelstruweel (= DNg) - rbbso vochtig wilgenstruweel op venige en zure grond (= SN) - rbbsp doornstruwelen van leemhoudende gronden (= SDmd) - rbbsf moerasbos van breedbladige wilgen (= SNbw) Natuurtypen van duinen en kust: Bij aanvang van het project werd ons duidelijk gemaakt dat de kust en duinen buiten het programma beheermonitoring zouden vallen omdat hier reeds andere monitoringsinitiatieven werden opgestart. Momenteel loopt hier het monitoringsprogramma Permanente inventarisatie van de Natuurreservaten aan de kust (PINK) uitgevoerd door het INBO, o.l.v. Sam Provoost. Indien er een voldoende afstemming van beide monitoringsprogramma s bestaat of gebeurt zodat de methodologie en gegevens vergelijkbaar zijn, dan kan eventueel wel een gegevensverwerking en evaluatie binnen het kader van beheermonitoring gebeuren. Bij de selectie van reservaten en bijkomende natuurdoeltypen in het kader van de uitbouw van een meetnet, zouden vol- Beheermonitoring: Concept & Methodiek 35

38 gende aspecten een belangrijke rol kunnen spelen: ligging in Habitatrichtlijn- en/of RBB-gebied areaal en spreiding Habitat of RBB gecombineerd voorkomen Habitat of RBB Vanuit de visie voor een geïntegreerd meetnet voor Vlaanderen lijkt het minder prioritair om nog meer stilstaande (WS) en stromende waters (WL) toe te voegen indien er voldoende gemonitord wordt binnen de Kaderrichtlijn Water. Indien hier enkel grote oppervlaktes worden gemonitord vervalt dergelijk argument en kan bijvoorbeeld wel gekozen worden voor de opname van poelen, vennetjes, kleine beken en bronbeken. Meer specifiek, verdienen goed ontwikkelde zure stilstaande waters (WSZ) dan weer de nodige aandacht in functie van de habitatrichtlijn. Veel pionierstypen (P) zijn erg lokaal (nooit perceelsdekkend) en tijdelijk en worden alsdusdanig niet als doeltype binnen een beheerplan verwacht en zitten meestal vervat binnen andere typen (vb. pioniersvegetaties van oevers, open zandplekken in heide,..). Ze worden alsdusdanig behandeld. Meer continue in tijd, maar lokale of lineair voorkomende pionierstypen of vegetaties (vb in slikken en schorrenmozaïek) worden best via een andere dan de hier voorgestelde methode bemonsterd (vb. uitgebreid PQ-steekproef). Voorbeelden van dergelijke natuurtypen zijn pioniersgemeenschappen met zeekraal of met Engels slijkgras. Het is maar de vraag of dergelijke types in voldoende mate voorkomen binnen de VNR. Bij een verdere selectie voor relevante natuurdoeltypen voor beheermonitoring kan het voorkomen in vlakken of betekenisvolle (perceelsdekkende) oppervlakten een rol spelen (pers. comm. M. Hoffmann): Haagbeuken-eikenbossen: voldoende opgenomen in bosinventaris? Indien data betekenisvol zijn voor beheermonitoring dan minder prioritair om toe te voegen Natuurtypen binnen (kust)duinlandschappen: oa Vochtig dwergstruweel, grazige kustduinheide, duinroosdwergstruweel, duingraslanden, enz. Zilte graslanden Stuifduingraslanden (stuifzand, buntgrasgrasland, dwerghavergrasland) Verdere voorwaarden voor de selectie van monitorbare natuurtypen betreft de beschikbaarheid van basisgegevens. Zo zijn bijvoorbeeld, een op Vlaamse schaal voldoende grote (doel)oppervlakte met een gunstige spreiding van het natuurdoeltype binnen het areaal en een statistisch voldoende spreiding over het totaalaanbod aan uniforme beheervormen, essentiële criteria. Hurford (2006c) biedt een uitgewerkt overzicht voor mogelijke verschillende nationale en internationale criteria en de uitwerking van een gewogen scoresysteem die een rol kunnen spelen bij de keuze van natuur(doel)typen relevant voor beheermonitoring. Ook de opdeling over proces- of patroongeoriënteerde beheerdoelstellingen kan een rol spelen voor de keuze. Het kan dus dat bepaalde natuurtypen minder in aanmerking komen als doeltype voor beheermonitoring doordat ze te zeldzaam zijn in Vlaamse context, minder interessant qua beheerinspanning, budgettaire redenen, etc. Op dit moment is het moeilijk te zeggen wat de totale oppervlakte per natuurdoeltype is op Vlaams niveau omdat er geen centraal overzicht bestaat. Via de BWK kan wel een idee bekomen worden over de spreiding en oppervlakte aan huidige natuurtypen, maar dat geeft alleen een idee over de uitgangsituatie. Wilgenvloedbossen (is ook HRLhabitat) Wilgenstruwelen (is deels ook HRLhabitat) Alluviale bossen (is ook HRL-habitat) Hellingbossen 36 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

39 Op basis van voorgaande criteria en het aanbod aan reservaten en natuurdoeltypen in het kader van het pilootproject werden volgende natuurdoeltypen reeds opgenomen voor beheermonitoring: 1. Circumneutraal stilstaand water WSC 2. Rietmoeras MErm 3. Kamgrasgrasland GVkgg 4. Dotterbloemgrasland GNdb 5. Vochtig heischraal grasland 6. Droog heischraal grasland GHdg 7. Natte heide DNdh 8. Droge heide DDsh 9. Zomereiken-berkenbos BDebz 10. Struisgrasgrasland 11. Moerasspirearuigte 12. Zilverschoongrasland 13. Stuifduingrasland bestaande uit een mozaïek van: 1. stuifduin 2. buntgrasgrasland 3. dwerghavergrasland De binnen het pilootproject behandelde natuurdoeltypen sluiten goed aan bij de reeks prioritaire natuurtypen STAP 2. Nagaan van beheermaatregelen per natuurdoeltype Hoe beheermaatregelen definiëren? Om het effect van beheermaatregelen te kunnen monitoren is het essentiëel dat vooreerst duidelijk is wat hiermee juist wordt bedoeld en vooral op welk niveau beheer geëvalueerd kan worden voor beheermonitoring. In sommige gevallen zijn de opgegeven beheertypen, weergegeven in beheerplannen, zeer algemeen, gedateerd of ondertussen aangepast aan de ervaringen of nieuwe inzichten. Om een exact en up-todate beeld te verkrijgen van de toegepaste beheermaatregelen moet per natuurdoeltype een extra navraag bij de beheerders gebeuren. Hierbij is het uitermate belangrijk de beheermaatregelen juist te definiëren om tot een goed overzicht te kunnen komen van uniform beheerde eenheden waaruit een steekproef kan getrokken worden. Uitgaande van de aangeleverde informatie van de buitendiensten ANB kunnen we beheer naar de ontwikkeling van bepaalde streefbeelden opdelen in verschillende niveaus: Omvormingsbeheer: een eerste niveau van beheer betreft de meestal grootschaligere en éénmalige omvormingen (voorbeelden zie Tabel 8) Langetermijnbeheer Het tweede niveau omvat het langetermijnbeheer dat gewoonlijk al dan niet na een omvorming zijn ingang vindt. Dit niveau kan naargelang de lokaliteit van de ingreep uniform (vlakdekkend), lokaal of gefaseerd worden uitgevoerd. Bij een gefaseerde aanpak wordt een bepaalde maatregel volgens een bepaalde periodiciteit plaatselijk en telkens op een ander stuk van de beheereenheid uitgevoerd, op dusdanige wijze dat na een bepaalde cyclus de gehele eenheid behandeld is, waarna de behandeling al dan niet opnieuw wordt herhaald. Een dergelijke aanpak zorgt gewoonlijk voor een heel structuurrijk systeem. Beheervormen die onder dit langetermijn regime kunnen vallen zijn opgesomd in Tabel 8. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 37

40 Tabel 8. beheermaatregel en beheertype (OB: omvormingsbeheer; LTB: langetermijnbeheer) Beheermaatregel Beheertype Aanplanting OB Afrasteren tegen begrazing/betreding OB Dunningen OB + LTB Exoten verwijderen OB + LTB Uitfrezen boomwortels OB Begrazen LTB Inzaaiing OB Kapping OB + LTB Uittrekken bomen met lier en tractor OB Maaien (+ afvoeren maaisel) LTB Oever(her)profilering OB Opslag verwijderen LTB Plaggen OB + LTB Profilering (uitgraven, grootschalige herprofileringswerken) OB Aanleg recreatie voorzieningen (knuppelpaden, uitkijkhutten, etc.) OB Rietmaaien (+ afvoeren maaisel) LTB Slibruiming/baggeren OB + LTB Spontane ontwikkeling LTB Stronken verwijderen OB + LTB Strooisel verwijderen OB + LTB Beheer van waterhuishouding (watertoevoer, greppels, laantjes,...) OB + LTB De frequentie van een (langetermijn) beheermaatregel kan jaarlijks, 2-jaarlijks, 3- jaarlijks, enz.-jaarlijks of zelfs meerdere keren per jaar (2 maal, 3 maal, etc. maal per jaar) of minder duidelijk omschreven (occasioneel, periodiek) zijn. Verder van belang zijn de intensiteit (aantal GVE per ha) en de periode van begrazen of het tijdstip van maaibeurten. Op een bepaalde beheereenheid kan dus een combinatie van verschillende beheeringrepen uitgevoerd of gepland zijn voor zowel omvormingsbeheer als langetermijnbeheer, met per maatregel een al dan niet verschillende lokaliteit en of frequentie. Tabel 9 geeft aan welke informatie best geverifieerd wordt bij een bevraging naar in het verleden en actueel toegepaste beheersmaatregelen. 38 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

41 Tabel 9. Elementen die een rol spelen bij het opvragen naar aspecten van beheer om tot en goed inzicht en overzicht te komen van de variatie in beheer per natuurdoeltype en de steekproefmogelijkheden. ID perceel / eenheid Duidelijke code van de eenheid waarbinnen een ingreep plaatsvindt liefst gekoppeld aan een GIS-bestand Beheertype Beheermaatregel Begrazer Lokaliteit Intensiteit Startjaar Frequentie Periode Tijdstip Omvormingsbeheer (OB) Langetermijnbeheer (LTB) Aanplanting afrasteren tegen begrazing/betreding Dunningen exoten verwijderen uitfrezen boomwortels Begrazen Inzaaien Kappen uittrekken bomen met lier en tractor Maaien (+ afvoeren maaisel) Oever(her)profilering opslag verwijderen Plaggen profilering (uitgraven, grootschalige herprofileringwerken) aanleg recreatie (knuppelpaden, uitkijkhutten, etc.) Rietmaaien (+ afvoeren maaisel) slibruiming/baggeren spontane ontwikkeling Stronken verwijderen strooisel verwijderen beheer van waterhuishouding (watertoevoer, greppels, laantjes,...) Indien begraasd: Runderen Galloway Geiten Schapen Ezels Paarden Pony s Natuurlijk (vb. konijnen, reeen) Uniform Gefaseerd Lokaal vnl belangrijk bij grazen: aantal dieren per ha Jaar waarin de ingreep het eerst werd/wordt uitgevoerd jaarlijks maal /jr maal /jr 2-jaarlijks 3-jaarlijks x-jaarlijks occasioneel periodiek vnl belangrijk bij grazen: Seizoen of aantal dagen dat de ingreep plaatsvindt Datum of maand wanneer de ingreep plaatsvond Beheermonitoring: Concept & Methodiek 39

42 STAP 3. Omzetting natuurdoeltypen en beheereffecten naar sets van praktisch meetbare grootheden Een volgende stap bestaat erin de natuurdoeltypen en beheereffecten te vertalen naar praktisch meetbare eenheden of streefwaarden zoals soortenlijsten en andere systeemkenmerken (abiotiek, structuur). Een eerste aanzet voor de ontwikkeling van scores voor een distance-totarget beoordeling wordt meer in detail uitgewerkt in hoofdstukl Nood aan een duidelijke uitgangsituatie indeelbaar in discrete natuur(doel)typen onder uniform beheer Voor de uitbouw van een monitoringmeetnet is een goed overzicht nodig van de spreiding van het aantal uniforme beheereenheden en de oppervlakte van de natuurdoeltypen over de verschillende beheervormen binnen het geheel van reservaten. Hieruit kan dan per natuurdoeltype een statistisch verantwoorde steekproef getrokken worden verdeeld over de toegepaste te monitoren beheervormen Randvoorwaarden voor de veldprotocols Om tijd- en budgetkosten zoveel mogelijk te drukken en te komen tot een haalbare en meer geïntegreerde monitoring, moeten de veldprotocols eenvoudig en uitvoerbaar zijn voor (aanvankelijk) nietgespecialiseerde waarnemers (vrijwilligers, lokale beheerders of natuurwachters), mits beperkte opleiding via workshops en oefensessies op het terrein. Op die manier wordt tevens de herhaalbaarheid van de metingen verzekerd (Legg & Nagy 2006) Daarom werd gekozen voor gemakkelijk determineerbare soortgroepen (cfr multisoortenbenadering) die waarneembaar zijn aan de hand van simpele en snelle veldtechnieken. Op die manier is er geen nood aan het inschakelen van dure experts of labo-analyses, noch arbeidsintensieve inventarisatietechnieken (bv. bodem- of vliegvallen). In dit opzicht werd de methode ontwikkeld in nauw overleg met ANB en Natuurpunt. Natuurpunt is immers eveneens van plan beheermonitoring op basis van de multisoortenbenadering toe te passen (zie 4.1.4). Daarbij is het van belang te komen tot vergelijkbare en integreerbare monitoringgegevens. 3.3 KNELPUNTEN I.V.M. DE IMPLEMENTATIE EN UITVOERING VAN BE- HEERMONITORING IN DE VLAAMSE NATUUR- RESERVATEN Het vorige beschrijft onder welke omstandigheden de opzet van een meetnet voor beheermonitoring in ideale omstandigheden zou aangevat worden. Tijdens dit pilootproject kwamen echter verschillende aspecten aan het licht waarmee best rekening wordt gehouden als men tot meetnetmonitoring wil komen: 1. Onduidelijkheid bij de formulering van doelstellingen 2. Onduidelijkheid van het uitgangsmateriaal 3. Knelpunten bij de definitie van uniforme beheertypen 4. Knelpunten bij het afbakenen van uniforme beheereenheden 5. Knelpunten bij de steekproefgrootte 6. Discontinuïteit in de opvolging 7. Beperkingen van gebruikte methode en data Onduidelijkheden bij de formulering van beheerdoelstellingen Zoals reeds aangehaald in Demeulenaere et al. (2002) blijft de regelgeving omtrent de formulering van algemene beheerdoelstellingen vaak te vaag. Voor de uitbouw van een monitoringsysteem is er noodzaak aan een gestandaardiseerde, vanuit de Centrale diensten van het ANB aangestuurde regelgeving wat betreft formuleren van beheerdoelstellingen. 40 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

43 In de loop van het huidige pilootproject werden vaak gebieden of zelfs losstaande percelen aangeboden om de methodiek op uit testen waarvoor nog geen beheerplannen voorhanden waren. Dikwijls ontstond dan de indruk dat de monitoring werd gezien als alternatief van een inventarisatie waarvan de gegevens zouden bijdragen tot beheervisies voor de aangereikte gebieden. Onder impuls van Demeulenaere et al werd, voor de voorgestelde gebieden waarvoor al wel beheerplannen beschikbaar waren, de structuur gestandaardiseerd door de doelstellingen van het beheerplan zoveel mogelijk in termen van natuurstreefbeelden te formuleren en dit op 3 niveaus (landschapniveau, natuurtypeniveau (natuurdoeltypen) en soortniveau). Een verdere uitbouw van deze informatie in GIS-lagen is evenwel onontbeerlijk, niet alleen voor een goede uitbouw van beheermonitoring, maar voor het algemeen overzicht over de reservaten en om een idee over de doelbereiking van gerealiseerde oppervlakten te verkrijgen. Om de veelvoorkomende fout van andere monitoringsprogramma s te vermijden zou zoveel mogelijk aandacht besteed moeten worden aan de noodzaak tot het formuleren van hypothesen, survey design, gegevenskwaliteit en statistische power vanaf het begin. Zoals eerder werd aangehaald, zijn het design en de steekproefgrootte belangrijke factoren om de detectiegraad van een meetnet te bepalen. Daarom moeten de grenzen van aanvaardbare verandering tijdens de planningsfase vastgelegd worden vooraleer overgegaan wordt tot monitoring (Legg & Nagy 2006). Tot hiertoe is er echter nog maar weinig nagedacht over de grootte van verandering die men wil detecteren Vermenging van centrale en lokale verwachtingen De oorspronkelijke doelstelling van beheermonitoring is niet het inventariseren of monitoren van: 1. gebiedseigen doelstellingen 2. lokale doelsoorten (Rode-Lijstsoorten, Habitat2000- richtlijnsoorten, lokale aandachtsoorten) Lokale terreinbeheerders zien de monitoringseisen die zijn verbonden aan de pluspakketten als een extra last, omdat ze menen dat de gegevens niet bijdragen aan hun eigen beheerevaluatie. Monitoring vereist bovendien kennis van de natuur, waarover een deel van de beheerders minder beschikt. Het best is de uitvoering te laten verrichten door een vast, hierop toegespitst team. Op tussentijdse stuurgroepvergaderingen werd aangestuurd op het inventariseren van lokale doelstellingen en dat zo goed mogelijk geïntergreerd in de methode. Om hieraan te voldoen, werd voorgesteld om vegetatieopnames in PQ s (met Londo bedekkingschaal), het extra bijplaatsen van piëzometers, het opnemen van lokale doelsoorten en doelstellingen in het algemene protocol op te nemen (zie 4.1.6). In het kader van meetnetmonitoring lijkt het wel mogelijk en zinnig om beide monitoringniveau s, globaal versus lokaal, in grote mate op elkaar af te stemmen op plaatsen waar overlap mogelijk is voor steekproefname en uitvoering van veldwerk Knelpunten met het uitgangsmateriaal: geen duidelijk overzicht van uniforme beheereenheden met discrete natuurdoeltypen Om een duidelijk overzicht te bekomen van het aantal eenheden en de oppervlaktes van het huidige natuurtype, uitgangstype, natuurdoeltype en van uniforme beheereenheden, is het van belang dat er gestandaardiseerde GIS-lagen beschikbaar zijn voor alle Vlaamse Natuurreservaten. Op dit moment is deze informatie er blijkbaar alleen voor een paar reservaten en bestaat er geen uniforme manier van karteren van biotopen, streefbeelden en beheerpraktijken. Iedere provincie volgt hiervoor een eigen aanpak en codering van doeltypen (BWK, natuurtypologie, eigen coderingen). Dit resulteert in een erg heterogene en als dusdanig moeilijk te hanteren set van gegevens die moet dienen als uitgangsmateriaal om te komen tot een duidelijk overzicht van monitorbare natuurdoeltypen en Beheermonitoring: Concept & Methodiek 41

44 een verdeling over uniforme beheerpraktijken, op basis waarvan een statistisch verantwoord meetnet opgesteld kan worden (zie 3.2.1). Mogelijk kan het ontwerpen en aanreiken van een standaardprocedure voor het digitaliseren en coderen van GIS-lagen, alsook voor het aanleveren en up-to-date houden en centraliseren van gegevens over het uitgevoerde beheer, gecoördineerd door de centrale afdeling, een oplossing bieden. Hierbij kan INBO een insteek leveren op basis van de ervaringen opgedaan bij het uniformiseren van GIS-lagen binnen dit pilootproject Knelpunten bij de bepaling van beheertypen Er is een probleem bij de definitie van uniforme beheertoepassingen in ruimte én tijd. Koppeling met beheerinspanning wordt voorlopig nog bemoeilijkt doordat centraal geen (digitale) gegevens beschikbaar zijn van alle reservaten welke maatregelen er zijn gepland, uitgevoerd, en hoe intensief het beheer is. Daarnaast is ook geen informatie beschikbaar of en in welke mate, andere aanvullende maatregelen zijn uitgevoerd. Dikwijls blijkt er er een sterke discrepantie te zijn wat betreft de feitelijk uitgevoerde beheerpraktijken in vergelijking met wat in (verouderde?) beheerplannen wordt voorgesteld of is er een verschil in de graad van detail over de beheeraanpak tussen reservaten. Verder werden aanpassingen ten opzichte van oorspronkelijke beheerplannen niet steeds doorgecommuniceerd met alle gevolgen van dien voor de interpretatie en de steekproefselectie. Uit vergelijking van de informatie uit beheerplannen, bevraging bij de lokale beheerders en het concreet uitgevoerde beheer, blijkt dat er heel wat inconsistenties bestaan. Zo blijkt bijvoorbeeld dat: - maaibeurten soms worden overgeslagen of vervangen door graasbeheer, - begrazingsintensiteiten of het type begrazers niet constant zijn tussen jaren - soms ingrepen gebeuren volgens lokale inzichten of erg plaatselijk binnen de beheereenheid, bij wijze van experiment Meestal is hierover geen gedetailleerde informatie gekend of worden dergelijke variaties of aanpassingen op het beheer niet doorgespeeld. Hieruit blijkt dat veel beheereenheden in feite nooit echt een uniform beheer hebben (gekend). De aangeleverde informatie of kennis kan nochtans het tegenovergestelde beweren. Op deze manier wordt het erg moeilijk om bepaalde evoluties toe te schrijven aan een welbepaald beheertype. Verder dient nog gewezen te worden op de mogelijke foutieve interpretatiemogelijkheden. Stel dat uit de monitoring blijkt dat een bepaald beheertype in 60% van de gevallen een gunstige ontwikkeling vertoont. Zou dit beheertype toegepast worden op een nieuwe locatie dan blijft toch 40 % kans op een ongunstige(re) ontwikkeling. Dikwijls is er geen idee over het landgebruik of beheer voor de aankoop: dit bepaalt de uitgangsituatie. Dus de uitgangsituatie en potenties kunnen sterk verschillen tussen beheereenheden; hiermee zal rekening moet gehouden worden bij interpretatie van resultaten en verschillen in evoluties. Zo is niet uit te sluiten dat bepaalde beheereenheden gunstige evoluties vertonen wat betreft de vegetatieontwikkeling (geschiedenis en zaadbank) maar een negatieve voor fauna, of omgekeerd. Dit verklaart meteen waarom beheerders in de praktijk - soms naar eigen aanvoelen - beslissen om bepaalde beheermaatregelen te gaan variëren of combineren. Maar zelfs als dit op lokale schaal gebeurt binnen een meer uniform beheer, kan dit leiden tot (te) grote ruis in de gegevens waardoor de vergelijking van de effectbereiking tussen beheertypen moeilijk wordt. Verder mag niet uit het oog worden verloren dat de ecologische situatie op het veld niet alleen wordt beïnvloed door beheer, maar ook door externe invloeden zoals milieucondities (verzuring, vermesting, verdroging), ruimtelijke condities (versnippering) en klimaat (Wiertz et al 2007). 42 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

45 Gezien het grote aantal toegepaste beheermaatregelen en alle mogelijke combinaties (zie en Tabel 9), is het zo goed als onmogelijk om een praktisch haalbaar monitoringprogramma op te zetten dat elke mogelijke combinatie van beheeringrepen kan evalueren. Een eerste probleem is de enorme heterogeniteit aan combinaties die op het terrein wordt toegepast. Daarnaast zou dit een onhandelbaar grote steekproef opleveren die vereist zou zijn om tot statistisch, wetenschappelijk verantwoorde uitspraken te komen (zie knelpunten met de steekproefgrootte 3.3.5). Tenslotte zijn er op het terrein waarschijnlijk niet genoeg replica s om voor alle combinaties van natuurdoeltype-beheervorm een degelijke steekproef te realiseren. In Nederland beperkt de Ecologische evaluatie regelingen voor natuurbeheer voor het Programma Beheer en Staasbosbeheer (Wiertz et al 2007) zich tot de evaluatie van het beheer in een meer algemene en strikte zin, meer bepaald kappen, maaien, begrazen, branden, plaggen, andere langetermijn ingrepen. In brede zin zijn echter ook omvormingbeheer of natuurontwikkeling als te evalueren beheer te beschouwen, of beheer van water, milieu en ruimtelijke condities. In de meeste gevallen zijn dit gebiedspecifieke ingrepen waarvoor het onmogelijk is om een steekproef te verkrijgen op het niveau Vlaanderen. Evaluatie van het succes van dergelijke ingrepen kan alleen gebeuren via extra gebiedspecifieke of ingreepgerichte monitoring. De beheereenheden waaruit geselecteerd kan worden voor het opstellen van een meetnet kunnen sterk verschillen in: Moeilijkheid om uniforme beheereenheden te definiëren Beheeraanpak (omvormingsbeheer, langetermijnbeheer, procesgeoriënteerd versus patroongeoriënteerd beheer,..) Oppervlakte Spreiding binnen het areaal of op niveau Vlaanderen Abiotische condities (bodemgesteldheid, grondwater, biogeografische ligging,..) Ontwikkelingsgraad en duur van inbeheername Geschiedenis (natuurontwikkeling versus instandhoudingbeheer) Deze reeks van variabelen geeft de mate van variatie weer waarmee rekening gehouden moet worden bij de selectie voor uniforme proefvlakken. Afhankelijk van de beheerdoelstellingen wordt dikwijls een totaal verschillende beheeraanpak toegepast. Dit vergt op zijn beurt een totaal verschillende manier van afbakening en keuze van proefvlakken en monitoringstrategie waarbij de gegevens die voortkomen uit de verschillende monitoringstrategieën wel onderling vergelijkbaar zouden moeten zijn. We onderscheiden twee beheerstrategieën: Patroongeoriënteerd beheer: leidt tot geperceleerde reservaatstructuur waar in iedere beheereenheid gewoonlijk één bepaald natuurdoeltype nagestreefd wordt (Vb. weilanden en hooilanden) Op basis van de beheereenhedenkaart kunnen proefvlakken worden afgebakend en geselecteerd. De proefvlakken worden in dit geval beperkt tot een maximum van 2ha. Op die manier wordt de veldwerkinspanning ingeperkt. Beheereenheden kleiner dan 2ha worden dus in hun geheel als proefvlak beschouwd. Voor beheereenheden groter dan 2ha wordt een representatief deel geselecteerd dat maximaal 2ha beslaat. Procesgeoriënteerd beheer: gebiedsdekkende natuurlijke processen of extensief graasbeheer in grotere gebiedsdelen leiden tot een dynamisch verweven patroon van natuurdoeltypen (en neventypen) die niet gefixeerd zijn in plaats en tijd. Dikwijls is op voorhand niet geweten welke natuurtypen juist zullen verschijnen (cfr. wastine) en is het vooral een vooraf vastgestelde verhouding, de afwisseling tussen open en gesloten vegetatie, die wordt nagestreefd (Vb. wastines, stuifduinheidelandschappen, slikken en schorren, etc.). In principe is het hele gebied te beschouwen als proefvlak. Hierbinnen worden Beheermonitoring: Concept & Methodiek 43

46 proefvlakcirkels uitgezet op vastliggende rasterpunten van een UTM-hok gebaseerd raster. Dit levert een objectieve ligging en spreiding van steekproeven. De rastergrootte is afhankelijk van de gebiedsgrootte, dit om (1) de monitoringinspanning praktisch haalbaar te houden bij grotere gebieden, en (2) een relevante steekproef te bekomen in kleinere gebieden. Als regel wordt een 100m raster genomen voor gebieden onder 20ha en een 200m raster voor gebieden groter dan 20ha. De proefvlakcirkels (afgekort PVCs) hebben een straal van 18m, dit naar analogie met de bosinventaris (ref bosinventaris PVC's). De PVC oppervlakte bedraagt m² of ha. Het aantal PVCs dat binnen het gebied liggen is dus afhankelijk van de vorm en ligging van het gebied t.o.v. het raster. Voorbeelden: m raster voor gebieden < 20ha 8 ha = 3 tot 8 PVC 18 ha = 8 tot 18 PVC m raster voor gebieden > 20ha 20 ha = 4 tot 6 PVC 100 ha = 16 tot 25 PVC Knelpunten met de steekproefgrootte Afgaande op wat een haalbare steekproef is voor één enkel natuurdoeltype en de beschikbare middelen, zou beslist kunnen worden hoeveel natuurdoeltypen (+beheertypen per doeltype) uiteindelijk praktisch monitorbaar zijn. Bij deze selectie kunnen een aantal criteria een leidraad geven: 1. spreiding: aanbod oppervlakte en aantal plaatsen 2. relevantie voor natuurbehoud en beheer Hoe groot een minimale steekproef per natuurtype-beheertype combinatie dan juist moet zijn, hangt in sterke mate af van de variatie of ruis in de gegevens. Weinig of zeer lokaal voorkomende natuurdoeltypen worden best niet via een meetnet geëvalueerd. Het aanbod aan steekproefmogelijkheden is hiervoor immers te klein. Een meer gebiedsgerichte opvolging en evaluatie van de eenheden met dergelijke natuurdoeltypen lijkt dan een betere optie. Zoals besproken in deel komen slechts een 20-tal natuurdoeltypen in aanmerking voor meetnetmonitoring, maar allicht is een verdere selectie en afweging noodzakelijk. Bij een verdere opsplitsing naar natuurdoeltypen is het nodig om per bijkomend natuurdoeltype de steekproef te verdubbelen. Om ook statistisch relevante uitspraken te kunnen doen over het effect van beheertypen per natuurdoeltype, zal een nog verdere uitbreiding van de steekproef nodig zijn. Het is maar de vraag of dit haalbaar zal zijn om de volgende redenen: 1. de steekproef zal bij iedere bijkomende te evalueren beheermaatregel moeten verdubbelen, waardoor het aantal meetlocaties en vervolgens de kost van veldwerk enorm zal toenemen 2. daarnaast is er nog het probleem bij de definitie van uniforme beheertoepassingen in ruimte én tijd (zie verder) Discontinuïteit in opvolging Tussen kende dit project verschillende opvolgers bij de centrale afdeling van ANB wat soms de vlotheid in communicatie en de opvolging (zie samenstelling stuurgroep) bemoeilijkte. De oorspronkelijke vraagstelling (2005) was het opstellen van een methodologie en multisoortenlijsten voor een 3 à 4-tal natuurdoeltypen en deze uit te testen in een beperkt aantal reservaten. In juli 2005 werd de vraag geherformuleerd tot het opstellen van een methodiek voor zoveel mogelijk natuurdoeltypen en het plannen en uitvoeren van een eerste monitoringsronde voor beheermonitoring. In de loop van vond bij de omvorming van AMINAL afdeling Natuur naar ANB een reorganisatie plaats waardoor in 3 van de 5 buitendiensten opvolgers van functie veranderden met gevolgen voor de communicatie en continuïteit tijdens het project. 44 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

47 Het uitbesteden van de uitvoering van veldprotocols gaf problemen door een te beperkt budget en te lang aanslepende gunningprocedures waardoor de monitoringsronde van 2007 zelfs werd afgelast Beperkingen van gebruikte methode en data Steeds wordt gekeken naar relatieve verschillen in natuurkwaliteit en de trend daarin, eventueel tussen beheercategorieen. Met dergelijk correlatief onderzoek is het moeilijk om oorzaken te bewijzen (Wiertz et al. 2007). Met experimenteel onderzoek kan veel eenduidiger bewezen worden waarom trends in het veld veranderen. Aan de hand van een meetnet zal niet met zekerheid aangetoond kunnen worden in welke mate geconstateerde verschillen veroorzaakt worden door verschillen in beheerinspanning en/of door verschillen in uitgangsituaties of door andere factoren (Wiertz et al. 2007). Binnen het kader van dit pilootproject kon de methode niet worden getest op de gevoeligheid voor waarnemereffecten. Aangezien de veldprotocols aan de hand van oefensessies op voorhand werden toegelicht en de veldwaarnemers in hoge mate gespecialiseerd waren in de waar te nemen soortgroepen, zouden waarnemereffecten minimaal moeten zijn. Indien in volgende monitoringronden gewerkt wordt met aanvankelijk nietgespecialiseerde onderzoekers kan alleen continue ondersteuning en training, eventueel aangevuld met een steekproef van controlerondes door specialisten, voldoende standaardisatie garanderen. Verder zijn er een aantal randbemerkingen bij de wetenschappelijke onderbouwing van de evaluatiemethode. De ontwikkeling van distance-to-target indices is voorlopig gebaseerd op best expert judgement en informatie uit de literatuur en zal in de komende jaren getoetst en verder verfijnd moeten worden (cfr. wetenschappelijke ondersteuning voor multisoortenlijsten, toetsen van indices voor flora-kensoorten). Beheermonitoring: Concept & Methodiek 45

48 Hoe gegevens interpreteren uit herhaalde metingen? Trends zijn moeilijk interpreteerbaar naar beheeraanpak (Rowell 2006). Via monitoring komen we tot een dataset van herhaalde metingen met de bedoeling hierin een zekere trend te onderscheiden. Meestal worden dergelijke trends omschreven in categorieën zoals toenemend (of verbeterend ), stabiel, achteruitgaand. Het is echter niet gemakkelijk dergelijke trends te interpreteren als geaccumuleerd wordt over een groot aantal proefvlakken. Is stabiel op een laag niveau hetzelfde als stabiel op hoog niveau? Betekent achteruitgang in een aanvankelijk goed ontwikkeld biotoop hetzelfde als in een aanvankelijk gedegradeerde variant? Volgens Rowell (2006) kan een habitat of populatie zich in de volgende toestanden bevinden: - optimaal, en in vergelijking met vorige observatie stabiel - hersteld vanuit eerder suboptimale conditie en nu in optimale conditie - suboptimaal en in vergelijking met vorige observatie achteruitgaand - suboptimaal en herstellend - suboptimaal en onveranderd - gedeeltelijk vernietigd - totaal vernietigd Deze 7 toestanden kunnen gebruikt worden om beheerders te informeren over de status van hun eenheden, gebieden of populaties. Verder bieden ze beslissingregels die direct uit de monitoringresultaten afleidbaar zijn: Optimaal-behoud indiceert succesvol beheer voor natuurbehoud dat voortgezet moet worden Optimaal-hersteld indiceert de noodzaak om om te schakelen van herstelbeheer naar beheer voor natuurbehoud Suboptimaal-achteruitgaand indiceert de noodzaak voor een herstelbeheer of dat de huidige aanpak niet succesvol is Haalbaarheid Deze paragraaf behandelt hoe een statistisch verantwoord meetnet best wordt opgesteld indien alle knelpunten opgelost geraken. Erg belangrijk hierbij is de steekproefgrootte om te komen tot een statistisch voldoende power, hoe de selectie van natuurdoeltypen, meetlocaties met uniform beheer idealiter gebeurt om te komen tot een relevant meetnet. Suggesties uitbouw meetnet De hoofddoelstelling van meetnet voor beheermonitoring is de evolutie naar natuurdoeltypen op te volgen op Vlaams niveau. Dat betekent dat een voldoende aantal proefvlakken per natuurtype dient geselecteerd te worden en dit voldoende gespreid over Vlaanderen om zinnige, statistisch correcte uitspraken te kunnen doen. In de tweede plaats zou men willen vergelijken tussen de effecten van verschillende beheermaatregelen voor éénzelfde natuurdoeltype. Hiervoor dienen steekproeven per beheertype genest te worden binnen de natuurdoeltypen. De beste aanpak hiervoor is een gestratifiëerde random sampling door middel van een random steekproef over alle reservaten, natuurdoeltypen en beheervormen die in aanmerking komen. Voor de uiteindelijke praktische uitvoering dient de uiteindelijke keuze van de ligging en het aantal proefvlakken zodoende grondig gecheckt te worden, best via overleg tussen coördinatoren van de monitoring, ANB en de lokale beheerders. 46 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

49 Mogelijkheden voor de uitbouw van een meetnet in de nabije toekomst 1. een eerste, ideale mogelijkheid is dat ANB geuniformiseerd GIS-lagen met initiële, (actuele) natuurtypen, natuurdoeltypen en toegepaste beheervormen kan aanleveren van alle beheerde terreinen. Dit levert dan een overzicht van alle mogelijkheden voor een steekproefname. Deze aanpak lijkt op korte termijn moeilijk haalbaar omdat er tot op heden een serieuze achterstand is qua gegevensbeschikbaarheid. Het nodige GIS-materiaal dat als uitgangsbasis kan dienen voor proefvlakselectie hangt meestal samen met het bestaan van een goedgekeurd beheerplan. Van de Vlaamse natuurreservaten beschikte eind % over een goedgekeurd beheerplan, waarvan op zijn beurt slechts voor een deelselectie digitale bestanden beschikbaar zijn (NARA 2007). Ter vergelijking; voor ongeveer 70% van de erkende reservaatoppervlakte blijken bruikbare GIS-data over natuurdoelen en initiële natuurtypen beschikbaar (NARA 2007). 2. Een alternatief en op korte tijd mogelijk meer haalbare aanpak is te werken via een directe opvraging van de nodige informatie bij de buitendiensten ANB/lokale beheerders. Meer bepaald: 1. in hoeveel reservaten de voor beheermonitoring relevante natuurdoeltypen ( ) tot het streefbeeld horen 2. per relevant natuurdoeltype bepaling of desnoods inschatting van de beheerde oppervlakte 3. per relevant natuurdoeltype bepaling of desnoods inschatting van aantal beheereenheden 4. per gebied of beheereenheid een opgave van de toegepaste beheervormen op het relevante natuurdoeltype De resultaten van dergelijke enquête leveren misschien een minder exact beeld op in vergelijking met de methode a.h.v. GIS-lagen, maar kan toch relatief snel een objectief beeld opleveren van de spreiding en oppervlakte van de natuurdoeltypen over Vlaanderen én over de verschillende beheervormen. Het vormt dus een voldoende geschikte uitgangsbasis voor de verdere uitbouw van een meetnet want op basis van deze informatie kan perfect bepaald worden voor welke natuurdoeltypen en beheervormen een statistisch relevante steekproef haalbaar is in het kader van beheermonitoring. Een dergelijke oefening zou idealiter gecoördineerd worden door bv. een (logistiek) coördinator bij ANB. Om aansluiting en continuïteit van beheermonitoring te verzekeren, zou dergelijke procedure best zo snel mogelijk opgestart worden. Wat betreft het opvragen van beheervormen kan INBO een format aanleveren die ontwikkeld en gebruikt werd binnen dit proefproject Monitoringcyclus Het voorstel is om een monitoringcyclus van 5 jaar te voorzien. Hierbij worden de veldprotocols eens om de vijf jaar in hetzelfde proefvlak uitgevoerd. Dit betekent dat een: evaluatie in de tijd om de vijf jaar zal gebeuren (cfr rapportage over de globale toestand van natuurdoeltypen) evaluatie in de ruimte kan na elke jaarlijkse monitoringronde gebeuren (cfr. gedetailleerde rapportage met de monitoringresultaten en doelbereiking binnen individuele proefvlakken per onderzocht natuurreservaat) In het kader van een meer geïntegreerde monitoring, kan er ook gepleit worden om te kiezen voor een 6-jarige monitoringscyclus zoals gepland voor de monitoring en rapportage voor SvIH Natura2000 habitats en soorten (suggestie Désiré Paelinckx). Een dergelijke integratie heeft uiteraard enkel zin als de veldmethode en selectie van meetlocaties voor deze monitoringprogramma s voldoende overlap vertonen en op elkaar afgestemd geraken Ruwe kostenraming Op basis van het voorbeeld voor de berekening van de vereiste steekproefgrootte (zie 3.3.5) en de geschatte kostprijs voor Beheermonitoring: Concept & Methodiek 47

50 de uitvoering van het veldwerk, kan een voorzichtige raming gedaan worden van de kostprijs. Tabel 10 en Tabel 11 leveren een idee hoe de nauwkeurigheid en kost gerelateerd zijn aan de steekproefgrootte. Tabel 10. Ruwe raming kostprijs voor terreinwerk per 5-jarige cyclus afhankelijk van het aantal te evalueren natuurdoeltypen. Voor de verschillende niveaus van nauwkeurigheid (zie Tabel 7) wordt een ruwe inschatting opgegeven. Een eerste prijs van 403 per proefvlak is gebaseerd op kostinschattingen bij eigen uitvoer, de tweede prijs op basis van de kost bij uitbesteding. (N = steekproefgrootte). Detecteerbaar effect 20 30% 16 35% 12-40% 7-50% 1 Natuurdoeltype N = 617 N = 153 N = 78 N = / proefvlak / proefvlak Natuurdoeltypen N = 617 x 20 N = 153 x 20 N = 78 x 20 N = 32 x / proefvlak / proefvlak Natuurdoeltypen N = 617 x 47 N = 153 x 47 N = 78 x 47 N = 32 x / proefvlak / proefvlak Tabel 11. Eerste ruwe raming van de jaarlijkse kostprijs voor terreinwerk (bij een 5-jarige cyclus) afhankelijk van het aantal te evalueren natuurdoeltypen. Voor de verschillende niveaus van nauwkeurigheid (zie Tabel 7) wordt een ruwe inschatting opgegeven. Een eerste prijs van 403 per proefvlak is gebaseerd op kostinschattingen bij eigen uitvoer, de tweede prijs op basis van de kost bij uitbesteding. (N = steekproefgrootte). Detecteerbaar effect 20-30% 16-35% 12-40% 7-50% 1 Natuurdoeltype N = 617 N = 153 N = 78 N = / proefvlak / proefvlak Natuurdoeltypen N = 617 x 20 N = 153 x 20 N = 78 x 20 N = 32 x / proefvlak / proefvlak Natuurdoeltypen N = 617 x 47 N = 153 x 47 N = 78 x 47 N = 32 x / proefvlak / proefvlak Naar de financiële haalbaarheid en wetenschappelijke relevantie 1. dient bij de concrete uitbouw naar een beheermonitoringmeetnet overlegd te worden over de keuze van een beperkt aantal op te volgen natuurdoeltypen in functie van de steekproefgrootte. 2. dienen hierbij duidelijke afspraken gemaakt te worden welke beheermaatregelen prioritair zijn per natuurdoeltype en over de afbakening tot op welke detailniveau men wil en kan vergelijken als het gaat om de effecten van verschillende beheermaatregelen (vb. maaien versus grazen, of binnen maaien ook onderscheid tussen frequentie, gefaseerd versus vlakdekkend maaien, etc.). 48 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

51 4 DISTANCE-TO-TARGET AANPAK: HOE EN WAAROM Onderstaande hoofdstukken zijn een uitvoerige bespreking van STAP 3: Omzetting natuurdoeltypen en beheereffecten naar sets van praktisch meetbare grootheden uit hoofdstuk Natuurdoeltypen en beheereffecten moeten vertaald worden naar praktisch meetbare eenheden of streefwaarden zoals soortenlijsten en andere systeemkenmerken (abiotiek, structuur). 4.1 SCHEMATISCH OVER- ZICHT Figuur 5 geeft schematisch weer hoe beheerdoelen omgezet kunnen worden naar meetbare eenheden die op hun beurt bruikbaar zijn bij een distance-to-target beoordeling van de kwaliteit van het natuurdoeltype. Onder kwaliteit verstaan we de de volledigheid van de kenmerkende levensgemeenschappen, structuurkenmerken en typische abiotiek. De volgende hoofdstukken werken dit in meer detail uit per meetmodule Waarom geen doelsoorten gebruiken als maat voor doelbereiking? Bij een evaluatie zou men verwachten dat de beheerder beoordeeld zou worden naar het resultaat dat hij boekt. Afrekenen of toetsen op resultaat veronderstelt echter dat er een duidelijk verband is tussen het beheer en het resultaat. Normalerwijs zouden hiervoor doelsoorten zoals Rode- Lijstsoorten of Habitatrichtlijnsoorten als maat gebruikt kunnen worden, maar dergelijke soorten zijn gewoonlijk zeldzaam, moeilijk meetbaar en vestigen zich meestal niey snel of gemakkelijk. Daarnaast weerspiegelen ze niet helemaal of een bepaald biotoop wel goed ontwikkeld is (Maes & Van Dyck 2005). Tenslotte kunnen andere (bijzondere) milieufactoren waarop de terreinbeheerder geen invloed heeft een bepalende rol spelen. Beheerders zouden dus, ondanks hun beheerinspanningen, niet juist beoordeeld kunnen worden wanneer enkel RodeLijst en/of Habitatrichtlijnsoorten opgevolgd zouden worden. Hoewel de definitie van de natuurtypen dikwijls gebaseerd is op de fytosociologische samenstelling, zou het vanuit het oogpunt van natuurbehoud en vanuit ecologisch standpunt onjuist zijn om de kwaliteit van een natuurtype alleen te evalueren op basis van de vegetatiesamenstelling. In de natuurtyperapporten worden pogingen gedaan om typische fauna-elementen te koppelen aan de natuurtypen, maar door een gebrek aan voldoende informatie, is dit onvolledig gebleven. Via het inbrengen van de multisoortenaanpak (Van Dyck et al. 2001) is het wel mogelijk om de natuurtype-typische fauna in de evaluatie te betrekken. Om de beoordeling van een beheereenheid te vervolledigen wordt ook een evaluatie voorzien van typisch te verwachten structuurkenmerken en wordt de abiotiek (grondwaterstanden en amplitude, kwaliteit oppervlakte- en grondwater) in beschouwing genomen. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 49

52 Natuurdoelen Natuurstreefbeelden Beheerdoelen / -visie Beheer Kwalitatieve doelbereiking: functioneren ecosysteem Opvolgbaar via uitvoeren van monitoringprotocols beheermonitoring Wat meten? STRUCTUUR FLORA FAUNA ABIOTIEK Hoe meten? Terreinkarteringen Vegetatieopnamen Multisoorteninventaris Peilbuismetingen (+ data uit WATINA-meetnet) + Vegetatieopnamen Beoordeling? Oppervlakte doeltype Structuurvariatie Specifieke beoordelingen: Natura2000 Basisindex bossen KRW graslandfase Volledigheid kensoortenlijst Volledigheid multisoortenlijst + Interpretatie ecologische indicaties ontbrekende soorten Hydrologische geschiktheid: Grondwaterdynamiek Grond/oppervlaktewater chemie + Abiotische standplaatskenmerken Ecologische amplitude planten Figuur 5. Schematisch overzicht stappenplan van beheerdoelen naar een distance-to-target beoordeling. 50 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

53 4.1.2 Distance-to-target STRUC- TUURVARIATIE en VEGETA- TIESTRUCTUUR Een habitatkartering (waar habitats worden gedefinieerd als natuurtypen) levert een belangrijke bijdrage voor natuurbeheerders om een idee te verkrijgen over de mate van oppervlaktedoelbereiking van de natuurdoeltypen binnen de beheereenheden of binnen het natuurgebied (verder gebiedkartering genoemd). Bij de interpretatie van karteringsgegevens dienen wel enkele bemerkingen gemaakt te worden (Hurford 2006b): Onnauwkeurige habitataflijning: nood aan nauwkeurige beslissingsregels classificatie systeem: beheerders zijn dikwijls niet bekend met gespecialiseerde indelingen zoals plantengemeenschappen en redeneren op een breder niveau (types van heide, weilanden, hooilanden, bossen, etc.). Daarom levert de hiërarchische indeling van de Vlaamse natuurtypen een geschikte instrument omdat hier ingedeeld kan worden al naargelang het niveau (formatie, natuurtypegroep, natuurtype of natuursubtype) en de herkenbaarheid tot op subniveau (~ plantengemeenschap). Via deze karteringen verkrijgen we echter geen gedetailleerd beeld over de ecologische waarde of kwaliteitsbereiking tenzij aanvullende specifieke inventarisatie wordt uitgevoerd (cfr. doelbereiking flora, fauna en abiotiek). De hoogte en uitbouw van de vegetatie zijn belangrijke variabelen om veel sleutelprocessen in de ecologie vast te stellen, bijvoorbeeld bodemtemperatuur en dus microhabitat (Stewart et al. 2001). Vegetatiehoogte is een goede maat om de impact van herbivoren in te schatten (Jutila 1999). De vegetatiestructuur is van groot belang voor veel fauna-elementen; ze vormt de ruimtelijke kenmerken van de vereiste leefruimte of leefcondities (microklimaat, microhabitats). Zoals hoger aangehaald, bestaat een goed ontwikkeld natuurtype dikwijls uit meer dan het doeltype alleen. We verwachten hier en daar plekken die een ander stadium van de natuurlijke successie weerspiegelen (pioniersituaties, overgangsgebieden zoals mantels en zomen) of een belangrijk structureel aspect uitmaken (oevervegetaties; vennetjes, bulten en slenken in natte heide). Dergelijke structurele natuurtypen worden dikwijls niet als doeltype nagestreefd, ofwel omdat ze te lokaal en te tijdelijk voorkomen ofwel omdat ze sowieso verweven zijn met het doeltype. Verder kan een idee van de structuurvariatie van de vegetatie en de aanwezigheid van andere structurele aspecten zoals de aanwezigheid van poeltjes, riet- of ruigtezomen, solitaire bomen, struweelbosjes of dood hout in bossen, een belangrijk aspect uitmaken in de beoordeling. De target-to-distance beoordeling van structuur en structuurvariatie hangt sterk af van het natuurdoeltype. Voor natuurdoeltypen waar al methodes en indices voor werden ontwikkeld om de structuur te evalueren, stellen we voor om deze op te nemen en daarnaast standaard een structuurkartering van de proefvlakken te laten uitvoeren volgens gestandaardiseerde beslissingsregels. Hiervoor werden twee karteringsmethoden ontwikkeld die gebaseerd zijn op de aanpak van BioHab (Bunce et al. 2005) : De gebiedskartering dient om reservaten te karteringen op landschappelijke schaal en is vooral van toepassing op gebieden of grote percelen waar een meer procesgeorienteerd beheer plaatsvindt om te komen tot een dynamisch mozaïek van natuurdoeltypen (bvb extensief grazen voor een wastine, beheer van een stuifduinheidelandschap. Op basis van de gedigitaliseerde karteringen kan de ontwikkeling en de verhoudingen van natuurtypen in ruimte en tijd opgevolgd worden en kan geëvalueerd worden of alle gewenste doelsysteemtypen duurzaam aanwezig blijven. Een gebiedkartering lijkt enkel nuttig voor gebieden of grotere proefvlakken (bv. vanaf 5 ha) met een beheervorm naar dynamische veranderlijke mozaïeklandschappen, vb. wastines, stuifduingraslanden, slikken en schorren, etc. In principe is er voor de reservaten met een zg. geperceleerde aanpak dus geen extra gebiedskartering nodig. De ligging en oppervlakte van de doelsystemen is op voorhand gekend uit de GIS-bestanden, opgesteld op basis van de doelstellingen in beheerplannen. De Beheermonitoring: Concept & Methodiek 51

54 selectie en afbakening van proefvlakken in een gebied zijn in principe op dergelijke kaarten van beheereenheden gebaseerd. Als binnen deze context proefvlakken met een mozaïekstructuur voorkomen, bijvoorbeeld een complex van natte hooilandtypen, dan wordt die situatie via structuurkartering behandeld. De uitvoerders worden op de hoogte gesteld in welke gebieden of proefvlakken de geperceleerde dan wel de mozaïek -aanpak van kracht is. De structuurkartering dient om een meer gedetailleerd beeld te verkrijgen over de variatie aan structuurelementen binnen de proefvlakken. Daarnaast wordt specifieke informatie bekomen over de aan- of afwezigheid van typische te verwachten structuurkenmerken van het natuurdoeltype. Bij de structuurkartering worden fijnere karteringscriteria gehanteerd dan voor de gebiedskartering. De bedoeling is immers om informatie te bekomen op schaal van een microlandschap. Bij het afbakenen van een structureel streefbeeld is het belangrijk bepaalde keuzes te maken die realistisch zijn zowel vanuit het standpunt van beheer als voor natuurbehoud: Zo lijkt het aannemelijk dat er eerder gestreefd wordt naar een structuurrijk microlandschap bestaande uit het natuurdoeltype, maar ook uit een gevarieerd aanbod aan nauw aansluitende gemeenschappen en structurele natuurtypeelementen. Binnen deze context poogt men via het beheer de oppervlakte aan doeltype te maximaliseren, maar met behoud van zoveel mogelijk variatie aan vegetatiestructuur en structuurelementen. Argumenten waarom het niet altijd haalbaar en realistisch lijkt om te streven naar een eenvormige (steriele) vlek van de gewenste doelvegetatie zijn: 1. de lokale variatie in abiotische omstandigheden (vochtigheid, zuurtegraad, bodemsamenstelling, kwel, reliëf en microreliëf ) of biotische invloeden (variatie in begrazingsdruk, successie, natuurlijke verstoring,..) zorgt immers dat er plaatselijk een veel gevarieerdere en andere vegetatie verschijnt dan het beoogde doeltype. 2. Bovendien lijkt het vanuit het oogpunt voor natuurbehoud juist wenselijk om zoveel mogelijk te streven naar structuurvariatie. Het verhoogde aanbod aan habitatniches dat zo gecreëerd wordt zal immers de potentie voor biodiversiteit doen toenemen, zeker voor de fauna-elementen. 3. Een groot aantal natuurtypen komt nooit aan bod als beheerdoel omdat het gaat over overgangstypes, pioniersvegetaties of gemeenschappen die door hun abiotische standplaatsvereisten een zeer lokaal of tijdelijk voorkomen kennen. Desondanks zijn ze belangrijk voor de compleetheid en het ecologisch functioneren van het natuurdoeltype. Door dergelijke elementen te beschouwen als structurele natuurtypen of neventypen die samen met het hoofddoeltype deel uitmaken van het streefbeeld kunnen ze toch opgevangen worden via de monitoring. Natura2000 beoordeling Voor natuurdoeltypen die vertaald kunnen worden naar Natura2000 habitats kan een distance-to-target beoordeling voor o.a. structuurkenmerken geveld worden door na te gaan of de criteria aangehaald in de Instandhoudingsdoelstellingstabellen gehaald worden (Heutz & Paelinckx 2005). Basisindex Bossen Voor bossen is er de erg bruikbare basisindex voor structurele variatie en potentiële biodiversiteit van bossen die kroonsluiting, leeftijdstructuur, etageopbouw, menging soorten, aanwezigheid van staand en liggend dood hout combineert (Vandenmeerscchaut et al. 2001; Govaere & Vandekerkhove 2005a, b, c). Graslandfase botanisch beheer Voor graslanden die nog maar pas in beheer zijn en als doel één of ander natuurdoeltype hebben behorend tot natte hooilanden van (matig) voedselarme gronden (GN), graslanden van (matig) voedselrijke gronden (GV) en heischrale graslanden (GH) (cfr. hiërarchische indeling natuurtypen Bijlage 1), kan een inschatting van de fase waarin het grasland zich bevindt in termen van botanisch beheer (cfr. Cursus botanisch beheer Inverde; Zwaenepoel 2000) interessant zijn om vroege evoluties vast te stellen, zeker in ontwikkelingsfasen waar nog onduidelijk is naar welk grasland- 52 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

55 type ze juist gaan evolueren (tussenstadia, voorloperstadia) Distance-to-target FLORA Bij het plannen van monitoringlocaties en - frequenties of evalueren van gegevens dient er rekening mee gehouden te worden dat naar verwachting pas na een periode van ca. 10 jaar na het uitvoeren van een maatregel de vegetatie enigszins uitgekristalliseerd is. In een periode van 1-3 jaar na uitvoering van een maatregel overheersen ecologische plantengroepen van pioniermilieus en in de 4 tot 5 jaar daarna bevindt de vegetatie zich in een soort overgangssituatie (deels pionier- en deels meer permanente vegetatietypen). Voor het vaststellen van het uiteindelijke vegetatietype is dan het beste om na circa 10 jaar een vegetatieonderzoek uit te voeren. Wil men echter inzicht verkrijgen in de ontwikkelingen van de vegetatie, mede om in die ontwikkelingen te kunnen bijsturen, dan is het aan te bevelen om op een aantal momenten vegetatieonderzoek te verrichten. Zo kan bijvoorbeeld ongewenste verruiging worden gesignaleerd en door middel van een aangepast maai- of begrazingsbeheer worden bestreden. Daarom stellen we voor om toch minstens iedere vijf jaar een vegetatie-onderzoek uit te voeren. Bij de vegetatiekundige beoordeling van de ontwikkeling van een natuurdoeltype kunnen we vertrekken van een zogenaamd optimaal ontwikkelde situatie (Demeulenaere et al. 2002). Het optimum wordt bepaald op basis van de soortensamenstelling en de bedekking van individuele plantensoorten. Aan de hand van vegetatie-opnames kan men bepalen hoeveel % een bepaalde eenheid of een steekproef van eenheden voor een bepaald doeltype van het optimum verwijderd is. Voor natuurtypen kan men analoog aan het ecotopensysteem (Runhaar et al. 1985, 2004; Van Landuyt et al. 2000) meer of minder specifieke indicatorsoorten bepalen en een index uitwerken. Een vegetatietype bestaat immers uit een combinatie van dergelijke typische soorten. Hoe meer en hoe talrijker deze soorten aanwezig zijn in een concrete beheereenheid, hoe dichter de score opschuift naar het optimum van het natuurdoeltype. Op die manier kunnen tussen opeenvolgende monitoringrondes scores berekend worden voor een bepaalde beheereenheid en zo de evolutie naar of weg van het natuurdoeltype opgevolgd worden. Strikt genomen zou een monitoring van alleen de kensoorten volstaan om de doelbereiking op te volgen. Voordelen hiervan zijn dat er minder tijd op het terrein moet worden gespendeerd en dat minder gespecialiseerde veldwerkers vegetatieopnames kunnen maken. Ze moeten zich immers maar toespitsen op enkele soorten. Voor een goede beheermonitoring raden we echter aan om toch alle soorten op te volgen. Hierdoor wordt het totaalaspect van de vegetatie bekomen wat een juister idee oplevert over mogelijke knelpunten met het beheer. Daarnaast kan eruit blijken dat een ander natuurdoeltype mogelijk beter haalbaar is. Door de volledige soortenrijkdom van (hogere) planten te bemonsteren kunnen volgende aspecten efficiënt opgevolgd worden: 1. Het beoordelen van de distance-totarget van de veldsituatie a.h.v. de kensoorten 2. Het bepalen tot van de gemeenschap waartoe de huidige vegetatiesamenstelling aanleunt en dit relateren aan het gevoerde beheer (op basis hiervan kunnen doelen eventueel worden bijgestuurd) 3. Het detecteren en opvolgen van bijzondere planten (RL-soorten, HRLsoorten, lokale aandachtsoorten) Het laatste punt is automatische output die kan bijdragen tot het evalueren van lokale beheerdoelstellingen (zie ). De hier voorgestelde verwerkingsmethoden voor het berekenen van de afstand van een vegetatieopname tot een bepaald doeltype en eventueel tot andere vegetatietypen zijn slechts een voorlopig voorstel. Op dit moment wordt er een analyseprogramma ontwikkeld waarmee dergelijke afstanden berekend zullen kunnen worden waarbij zowel aanwezigheid als bedekking van soorten in rekenschap worden gebracht (pers. comm. Bart Roelandt en Paul Quataert). Beheermonitoring: Concept & Methodiek 53

56 Mogelijke indexen waarmee voorlopig een distance-to-target kan berekend worden: Natuurtypeindicatorindex (Degezelle et al. 2004) Kenmerkendheidscores Trouwheidscores % locaties met positieve identificatie van doelvegetaties Natuurtypeindicatorindex (Degezelle et al. 2004) Gestandaardiseerde kwalitatieve indicatorindex I l,n = (5* (S 1p )+3* (S 2p )+2* (S 3p )+1* (S 4p ))/(5* (S 1 )+3* (S 2 )+2* (S 3 )+1* (S 4 ) categorie 2: indicatorsoorten met wegingsfactor 3; preferentiële soorten die een duidelijke voorkeur vertonen voor het natuurtype categorie 3: indicatorsoorten met wegingsfactor 2; matig preferentiële soorten die vaak voorkomen in het betreffende natuurtype, maar elders hun optimum hebben categorie 4: indicatorsoorten met wegingsfactor 1; constante begeleiders die vrijwel altijd in het natuurtype voorkomen, maar daarbuiten ook regelmatig voorkomen en geen voorkeur vertonen voor het betreffende natuurtype Dit systeem moet nog meer in detail uitgewerkt worden voor de Vlaamse Natuurtypen. Gestandaardiseerde kwantitatieve indicatorindex: J l,n = (5* (S 1p *T 1p )+3* (S 2p *T 1p )+2* (S 3p *T 1p )+1* (S 4p *T 1p ))/(5* (T 1 )+3* ( T 2 )+2* ( T 3 )+1* ( T 4 ) Met: I l,n = kwalitatieve indicatorindex voor natuurdoeltype n op locatie l J l,n = kwantitatieve indicatorindex voor natuurdoeltype n op locatie l S ip = soorten uit categorie i die aanwezig zijn op locatie l S i = soorten die als indicatorsoort in categorie i initieel werden onderscheiden voor natuurtype n T ip = bedekkingswaarde (vb. Tansleywaarde) van soorten uit categorie i die aanwezig zijn op locatie l T i = bedekkingswaarde (vb. Tansleywaarde) van alle soorten, die als inidcatorsoort in categorie i initieel werden onderscheiden voor natuurtype n i = categorie met : categorie 1: indicatorsoorten met wegingsfactor 5; exclusieve soorten die vrijwel uitsluitend voorkomen in het natuurtype of toch minstens een uitgesproken voorkeur vertonen Kenmerkendheidsindex en -score Omdat de natuurtypeindicatorindices nog niet op punt staan, werkten we een voorlopig alternatief uit vertrekkende van de soortinformatie uit de synoptische tabellen van de vegetaties van Nederland (Schaminée et al. 1995; Hennekens et al. 2001). In de synoptische tabellen vinden we per plantensoort de trouwgraad en de presentie terug voor ieder vegetatietype. De trouwgraad geeft een indicatie hoe specifiek een bepaalde soort is voor een bepaald vegetatietype over het hele spectrum aan vegetatietypen. De presentie geeft een indicatie over de mate waarin de soort terug te vinden is in de opnamen voor het beschouwde vegetatietype. Soorten met een hoge trouwgraad komen dus bijna uitsluitend voor binnen het beschouwde vegetatietype. Gewoonlijk hebben soorten met zeer hoge trouwgraden een relatief lage presentie binnen het vegetatietype. Het gaat hier immers om de meest typerende maar daarom dikwijls ook zeldzamere kensoorten. Soorten met hogere presentie zijn dikwijls planten die in een breder spectrum aan vegetatietypen terug te vinden zijn en hebben daardoor gewoonlijk een lagere trouwgraad. Door het vermenigvuldigen van de trouwgraad en presentiewaarden kan nu per kensoort van een vegetatietype dat overeenstemt met een natuurtype een index berekend worden. Hierbij krijgen de meest trouwe, maar terzelfdertijd ook meest presente soorten dus de 54 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

57 heel typische kensoorten waarvoor ook de kans op aantreffen hoog genoeg is de hoogste waarden. Deze waarde wordt dan gestandaardiseerd tegenover de totaalsom van alle waarden van de kensoorten voor het beschouwde natuurtype. De totaalsom van al deze indexwaarden bedraagt dan 1, wat overeenstemt met een weliswaar utopische complete vegetatie wat betreft kenmerkendheid. Kenmerkendheidsindex van een kensoort: S i,n = T i,n *P i,n / S n Met: S i,n = kenmerkendheidsindex van een soort i voor een bepaald natuurtype n T i,n = Trouwgraad van soort i voor natuurtype n P i,n = Presentie van soort i voor natuurtype n S n = S i,n = totaalsom van alle kenmerkendheidsindices voor natuurtype n Door na te gaan welke kensoorten in een opname worden teruggevonden en hun kenmerkendheisindices op te tellen wordt voor een opname de zogenaamde kenmerkendheidscore bekomen. Deze score geeft met een waarde tussen 0 en 1 de afstand weer van de waargenomen vegetatie tegenover de meest ideale vegetatie voor het beschouwde natuurtype wat betreft de kenmerkendheid. Uiteraard dragen de meest kenmerkende soorten door hun hogere kenmerkendheidsindex dan het meest bij tot de scoreberekening. Trouwheidsindex en -score Een andere benaderingswijze die complementaire informatie oplevert, is juist te evalueren aan de hand van kensoorten met de hoogste trouwgraden. Zoals hierboven aangehaald gaat het hier gewoonlijk om soorten die zelfs binnen het vegetatietype waarvoor ze zo typisch zijn, relatief zeldzaam zijn. Om rekening te houden met de regionale haalbaarheid om dergelijke kensoorten aan te treffen werd een index berekend die ecoregiospecifiek is. Zo is bijvoorbeeld dotterbloem afwezig in dotterbloemgraslanden van de Polders. Omdat kensoorten met hoge trouwgraden per definitie relatief zeldzaam zijn, is de kans immers hoog dat ze niet allemaal homogeen verspreid zijn over Vlaanderen. Om toch voldoende rekening te houden met de lokale mogelijkheden voor een maximale doelbereiking, werden trouwgraden van kensoorten vermenigvuldigd met hun voorkomen binnen ecoregio s (proportie van voorkomen in uurhokken binnen de beschouwde ecoregio; op basis van gegevens uit de Florabank 2007). Door deze waarde te delen door te totaalsom van alle waarden van kensoorten, wordt een gestandaardiseerde maat bekomen en wordt per ecoregio voor iedere kensoort een trouwheidsindex bekomen. De som van alle trouwheidsindices is dan 1, wat overeenstemt met de meest complete vegetatie wat betreft trouwheid. Trouwheidsindex van een kensoort: Kenmerkendheidscore voor een vegetatieopname S l,n = S o,i,n Met: S l,n = Kenmerkendheidscore voor een bepaald natuurdoeltype n op locatie l = score tussen 0 en 1 die de distance-to-target weergeeft van de vegetatie-opname op locatie l tot het betreffende natuurdoeltype n S o,i,n = som van kenmerkendheidsindices van alle op locatie l waargenomen soorten i voor een bepaald natuurtype n. X i,n,e = (T i,n * E i )/ X n Met: X i,n,e = trouwheidsindex van een soort i voor een bepaald natuur(doel)type n in een bepaalde (eco)regio E T i,n = Trouwgraad van soort i voor natuur(doel)type n E i = % voorkomen in uurhokken van soort i voor (eco)regio E X n = X i,n = totaalsom van alle trouwheidsindices voor natuurtype n in ecoregio E Door de trouwheidsindices van waargenomen soorten van een bepaalde vegetatieopname op te tellen wordt een trouwheidscore bekomen met een waarde tussen 0 Beheermonitoring: Concept & Methodiek 55

58 en 1. Deze score geeft dan de afstand weer van de waargenomen vegetatie tegenover de meest ideale vegetatie voor het beschouwde natuurtype wat betreft de trouwheid. Uiteraard dragen de meest trouwe en toch voldoende binnen de ecoregio voorkomende soorten het meest bij tot de scoreberekening. Het verschil tussen kenmerkendheids- en trouwheidscores is dat de eerste score weergeeft of alle voor het desbetreffende natuurdoeltype meest kenmerkende en gewoonlijk te verwachten soorten waargenomen werden, terwijl bij de trouwheid juist de zeer strikte (en per definitie gewoonlijk zeldzamere) soorten meer gewicht krijgen in de scoreberekening waarbij gewogen werd voor het relatieve voorkomen binnen de ecoregio. Trouwheidscore voor een vegetatieopname X l,n = X o,i,n Met: X l,n = trouwheidscore voor een bepaald natuurdoeltype n op locatie l = score tussen 0 en 1 die de distance-to-target weergeeft van de vegetatie-opname op locatie l (liggend binnen ecoregio E) tot het betreffende natuurdoeltype n X o,i,n = som van trouwheidsindices van alle op locatie l waargenomen soorten i voor een bepaald natuur(doel)type n in de (eco)regio E waarbinnen locatie l ligt Proportie van positieve identificaties Een berekening van de proportie van locaties (vegetatieopnames) waar een positieve syntaxonomische identificatie wordt vastgesteld, is een andere, simpelere maar grovere benadering om een distance-totarget beoordeling te geven. Aan de hand van de programma s ASSOCIA (Van Tongeren 2000) of SynBioSys (Hennekens et al. 2001) kan voor een willekeurige vegetatieopname worden beoordeeld tot welk type of syntaxon ze mag worden gerekend. Deze beoordelingswijze geeft uitsluitend een idee van doelbereiking op globaal niveau omdat ze berekend wordt op basis van kwalitatieve toewijzing van opnames (meetlocaties) tot een welbepaalde doelvegetatie/natuurdoeltype. In tegenstelling tot de vorige indices wordt hier dus geen kwantitatieve maat per locatie berekend Distance-to-target FAUNA: Multisoortenbenadering Naast flora, structuur en abiotiek maken ook fauna-elementen deel uit van het natuurstreefbeeld. Immers, de aanwezigheid van geschikte vegetatie en structuur alleen is geen garantie voor het voorkomen van typische fauna-elementen. Vandaar dat het onmisbaar is om ook fauna te integreren in de distance-to-target beoordeling Waarom Multisoorten? In het verleden werden (dier)soorten bijna nooit als maatstaf gebruikt om de ecologische kwaliteit bereikt via beheer te meten. Vanuit biologisch standpunt, lijkt dit nochtans het meest aangewezen. Van Dyck et al. (2001) en Maes & Van Dyck (2004; 2005) ontwikkelden de multisoortenbenadering die de beste keuze bleek te zijn voor een praktisch haalbare techniek wat betreft de tijds- en kosteninvestering om de staat van een bepaald natuurdoeltype in termen van distance-to-target te evalueren. Een multisoortenbenadering gaat uit van een relevante reeks soorten die uit verschillende taxonomische en functionele groepen met bekende ecologische vereisten betreffende milieu, structurele en ruimtelijke eigenschappen van hun habitat worden geselecteerd. De combinatie van de ecologische informatie die door een subset van soorten uit de multisoortenlijst wordt vertegenwoordigd, laat een betrouwbaardere beoordeling toe van de staat van de habitat en het natuurtype op de plek waar de soorten werden aangetroffen, dan wanneer van bijvoorbeeld slechts één enkele (paraplu)soort gebruikt gemaakt wordt (Maes & Van Dyck 2005). Zeer belangrijk bij de ontwikkeling van dergelijke multisoortenlijsten is dat een praktisch haalbaar en breed toepasbaar en daarmee ook toegepast instrument wordt ontwikkeld, waarbij ook niet-specialisten - mits gerichte informatie en vorming - actief kunnen deelnemen aan monitoring. Vele leden en/of medewerkers van Natuurpunt en van ANB behoren tot deze categorie. Het is cruciaal dat de ontwikkeling van de multisoortenlijsten gebeurt in samenspraak met natuurverenigingen zoals Natuurpunt. Natuurpunt heeft immers veel ervaring en een goed inzicht in de mo- 56 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

59 mogelijkheden met vrijwilligers. Er zijn al een aantal monitoringsprojecten opgestart geweest waarbij de multisoortenbenadering een belangrijk element vormde: Beheerevaluatie van de Brusselse groene ruimten d.m.v. de multisoortenaanpak: case-study Vuylbeekvallei (Vermeersch et al. 2005) Beheerevaluatie van de Brusselse groene ruimten d.m.v. De multisoortenaanpak: Koning Boudewijnpark (Vanermen et al. 2006) Standaardprotocol voor herstelbeheer van natte heide en vennen. (Laurijssens et al. 2007) Ondertussen wordt in de Hagelandse Heuvelstreek een eerste netwerk voor beheermonitoring opgesteld door Natuurpunt Oost-Brabant vzw waarbij een multisoortenaanpak wordt uitgetest voor struisgrasgraslanden en dotterbloemgraslanden Waarom opsplitsen per ecoregio? De meeste soorten in Vlaanderen hebben geen homogene verspreiding over het hele grondgebied, ze zijn vaak biogeografisch beperkt in areaal. Je kunt in dat geval niet verwachten dat een soort die kenmerkend is voor een bepaald natuurdoeltype in de biogeografische regio waar de soort (nog) niet bekend is of extreem zeldzaam, zal voorkomen in het betreffende natuurdoeltype. Je laat dergelijke soorten dus ook best weg uit een beoordelingsmethode, die de doelbereiking van een zekere locatie dient in te schatten. De meest handelbare indeling, die enerzijds een zekere overeenkomst vertoont met de algemene fyto- en zoögeografische indelingen van Vlaanderen, en die anderzijds Vlaanderen niet in teveel hokjes indeelt is de indeling in ecoregio s. In plaats van te kiezen voor de nieuwste indeling in 12 ecoregio s en 36 ecodistricten (zie Sevenant et al. 2002; Couvreur et al. 2004), gebruiken we de oude indeling van 6 ecoregio s (zie Antrop et al. 1993). Hoewel de nieuwere indeling accurater is op het vlak van indelingsmethode op basis van abiotische kenmerken, blijkt men de oudere, grovere indeling in aaneengesloten regio s toch meer te hanteren voor het verspreidingsonderzoek en in soortenatlassen; zie vb. de recente Atlas van de Vlaamse Flora (Van Landuyt et al. 2006). Vandaar de keuze voor de oudere indeling in de ecoregio s Duinen, Polders, Zand- en Zandleemstreek, Kempen, Leemstreek en Maasvallei. Waar de ecoregio s juist liggen, is in Figuur 6 weergegeven. Als een natuur(doel)type niet verwacht wordt binnen een bepaalde ecoregio dan heeft een multisoortenlijst hiervoor uiteraard geen zin. Figuur 6. Ecoregio's van Vlaanderen. Ook binnen een ecoregio zijn sommige soorten niet steeds homogeen verspreid (bijvoorbeeld wél in Polders van Kust en Meetjesland maar niet in de Scheldepolders ; of alleen in de zandige delen van de Zand- en Zandleemstreek; dit zijn de zandige gebieden ten westen van de Schelde, rondom Brugge en tussen Brugge, Gent tot aan Waasland; zie ook Afhankelijk van hun toegevoegde waarde aan de multisoortenlijst, kan overwogen worden de soort al dan niet op de lijst te zetten voor de betreffende subecoregio. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 57

60 Selectiecriteria voor multisoortenlijsten Om in aanmerking te komen voor een multisoortenlijst moet een soort aan een reeks criteria voldoen. Een eerste set criteria betreft het belang van de soort voor het beschouwde natuurdoeltype RELEVANTIE: 1. Kenmerkend voor het natuurdoeltype en eventueel indicatief voor de aanwezigheid van welbepaalde typische systeemkenmerken: oppervlakte, structuurkenmerken, hydrologie, microhabitats,...) 2. Hoog informatieniveau zoals gevoeligheid voor beheer, milieudrukken: habitatversnippering en -isolatie, verstoring, verdroging, vernatting, vermesting, verzuring, verstruweling, verbossing, vergrassing, atmosferische depositie, enz. 3. Verschillende taxonomische groepen om gezamenlijke informatieinhoud te maximaliseren, waarbij voornamelijk gekozen wordt uit beter gekende soortgroepen zoals broedvogels, amfibieën, reptielen, libellen en waterjuffers, lieveheersbeestjes, sprinkhanen en krekels, dagvlinders. 4. Voor elk te evalueren natuurdoeltypekenmerk worden best meerdere soorten als indicator geselecteerd, maar de uiteindelijke lijst moet wel werkbaar blijven Vervolgens moeten de soorten ook voldoen aan een aantal praktische criteria PRAKTISCHE WERKBAARHEID: 1. Gemakkelijk herkenbaar op het terrein, zodat geen tijd- en budgetopslorpend sorteer- en determineerwerk of het inschakelen van dure experts vereist is 2. Gemakkelijk en steeds vindbaar zodat op het terrein niet teveel tijd gespendeerd wordt in het opsporen van de soorten. 3. Niet te zeldzaam, noch te algemeen en homogeen verspreid in Vlaanderen of in een bepaalde ecoregio Het opstellen van een multisoortenlijst gebeurt in 5 selectiestappen (Van Dyck et al. 2001): Stap 1: formulering van een duidelijke vraagstelling en omschrijving welke informatie de soorten moeten dragen om hieraan tegemoet te komen. Bijvoorbeeld om de kwaliteit en kwantiteit van een bepaald natuurdoeltype te evalueren, komen soorten die grote oppervlakten van het habitat nodig hebben en soorten die bijzondere in het geval van beheermonitoring voornamelijk door beheer bepaalde- eisen stellen aan het habitat (structuur, hydrologie, aanwezigheid van andere soorten,...) in aanmerking Stap 2: selectie van soorten waarvoor voldoende basisinformatie beschikbaar is in de ecologische literatuur Hiervoor werd een opzoeking gedaan van soorten die in de literatuur en door experts als typisch omschreven worden voor het beschouwde natuurtype en werd nagegaan of ze van toepassing zijn voor Vlaanderen. Stap 3: selectie van goed herkenbare, gemakkelijk vindbare soorten, die niet te zeldzaam zijn en die homogeen verspreid zijn over het studiegebied Vermits de opvolging best op grote schaal ingang zou vinden, kosten daarom best beperkt blijven en dus ook niet-experts ze zouden kunnen toepassen, moeten de soorten eenvoudig te vinden en te herkennen zijn. Te zeldzame soorten zijn te beperkt bruikbaar en de te algemene soorten te weinig kritisch. Stap 4: gedetailleerde ecologische informatie en informatie over de gevoeligheid voor milieudrukken en natuurbeheer van de overgebleven soorten wordt verzameld uit literatuur en expert best judgment. Het gaat o.a. om mobiliteit, ruimtebeslag, trofieniveau, bijzondere habitateisen, enz. Stap 5: een complementaire multisoortenlijst wordt samengesteld door soorten te selecteren uit verschillende taxonomische groepen zodat, indien mogelijk, elk infor- 58 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

61 matietype meermaals aan bod komt bv. meerdere soorten voor oppervlakte, meerdere soorten voor belangrijke structuurkenmerken, enz.; maar om de lijsten werkbaar te houden wordt ook vermeden dat een te groot aantal soorten moet worden opgevolgd. Wat vertegenwoordigen multisoorten en wat niet? Multisoortenlijsten vervangen geen: soortspecifieke monitoring soortinventarisatie monitoring van algemene biodiversiteit monitoring van RodeLijst soorten Maes & Van Dyck (2005) en Laurijssens et al. (2007) toonden aan dat bij een goede multisoortenselectie deze als het ware een paraplu is voor de andere typische soorten van het beschouwde natuurdoeltype. Op die manier vormt de multisoortenlijst een indicator voor natuurtype-typische biodiversiteit. Erg belangrijk is in te zien dat de multisoortenlijst dankzij de selectieprocedure een indicator is voor de typische systeemkenmerken van het onderzochte natuurdoeltype. De combinatie van de ecologische informatie vertegenwoordigd door de soorten uit de multisoortenlijst laten aldus een completere beoordeling toe over de staat van het natuurdoeltype dan het gebruik van één enkele paraplusoort of Rode- Lijst soorten (Maes & Van Dyck 2005; Laurijssens et al 2007). Het is erg belangrijk in te zien dat het toepassen van de Multisoortenbenadering in beheermonitoring geen soortinventarisatie vervangt. Het inventariseren van specifieke soorten, soortgroepen of het uitvoeren van een gebieddekkende inventaris heeft een totaal andere doelstelling dan beheermonitoring en vereist gewoonlijk intensievere, meer specifieke protocols. Een multisoortenlijst geeft geen idee over algemene biodiversiteit, ze geeft alleen een indicatie dat de omstandigheden gunstig zijn voor de andere, moeilijker monitorbare natuurtype-typische soorten. De multisoortenlijsten zijn niet indicatief voor de aanwezigheid van of het voorhanden zijn van gunstige omstandigheden voor Rode-Lijst soorten. Dikwijls hebben Rode-Lijst soorten nood aan erg specifieke combinaties van omstandigheden die niet overal haalbaar zijn of zijn ze gewoon te beperkt in hun verspreidingsvermogen en daardoor minder gecorreleerd met de multisoorten. De vorige bevindingen zijn gebaseerd op grondige wetenschappelijke studies voor natte heide in de Kempen (Van Dyck et al 2001; Maes & Van Dyck 2005; Laurijssens et al. 2007). In principe zou iedere multisoortenlijst opgesteld op basis van expert judgement, wetenschappelijk getest en onderbouwd moeten worden. Dit vergt echter extra, erg intensief veldonderzoek. Gegevens hiervoor kunnen komen van andere inventarisatieprojecten binnen de onderzochte gebieden of beter nog uit extra gestandaardiseerde inventarisaties gekoppeld aan beheermonitoring (cfr de aanpak voorgesteld in Demeulenaere et al. 2002) waarbij meetnetmonitoring gekoppeld wordt aan intensieve monitoring Hoe verliep de selectieprocedure van multisoorten in de praktijk? Demeulenaere et al. (2002) stelden lijsten met op te volgen multisoorten voor, maar hierbij werd niet doorgeselecteerd op waarneembaarheid, herkenbaarheid, haalbaarheid en het complementair zijn van de soorten. Dit resulteerde in lange soortenlijsten met ondermeer zeer zeldzame of moeilijker inventariseerbare soorten en soortgroepen (vb. de nood aan bijzondere veldprotocols, bodemvallen en determinatie door experts). Om te komen tot complementaire multisoortenlijsten werden de eerste stappen van de selectie (5-stappenprocedure, ) op voorhand uitgewerkt. Aan de hand van de ecologische literatuur werd gezocht naar soorten die voldoen aan bovenvermelde criteria. Uiteraard komen alleen soorten in aanmerking waarvan voldoende ecologische en taxonomische informatie voorhanden is (zoals Rode Lijst, verspreiding en biotoopkeuze van de soort, goed gekend in Vlaanderen d.w.z. het bestaan van een specialist of een werkgroep rond de soortgroep, etc.). Hoewel het on- Beheermonitoring: Concept & Methodiek 59

62 mogelijk is om alle soortgroepen in beschouwing te nemen mag een soortgroep niet zomaar als geheel uitgesloten worden. Bepaalde soorten van deze groepen kunnen zeer goed gekend en/of herkenbaar zijn terwijl de groep op zich dat minder is (wespachtigen zijn bijvoorbeeld minder goed gekend, doch de hoornaar wel). Tabel 12. Overzicht van soortenexperts die meewerkten bij het opstellen van multisooortenlijsten. Soortgroep Vogels Amfibieën en reptielen Vlinders Loopkevers Sprinkhanen Lieveheersbeestjes Libellen Andere invertebraten Spinnen Flora (Korst)mossen Zwammen Vissen Zoogdieren Experts Anny Anselin Glenn Vermeersch Koen Devos Dirk Bauwens Dirk Maes Konjev Desender Kris Decleer Geert De Knijf Edward Vercruysse Tim Adriaens Geert De Knijf Luc De Bruyn Jan Schoors Jo Packet Jean-Pierre Maelfait Wouter Van Landuyt Maurice Hoffmann Jan Van Uytvanck Geert De Blust Maurice Hoffmann Ruben Walleyn Roosmarijn Steeman Johan Coeck Goedele Verbeylen Alle relevante soortinformatie werd opgenomen in een databank (zie ). Op basis van deze informatie werd uiteindelijk beslist of een soort afhankelijk van bijvoorbeeld haar voorkomen, zeldzaamheid, herkenbaarheid, determineerbaarheid, monitoringsmethode, gebiedspecifiek element, indicatorwaarde (vb. kenmerkendheid, beheergevoeligheid, etc.), tijd- en kostinvestering voor inventarisatie, in de lijst werd weerhouden. Het resultaat werd voorgelegd aan de soortenexperts die de eerste voorstellen corrigeerden of soorten aanvulden die voldeden aan de criteria. Tabel 12 geeft een overzicht van de geraadpleegde experts bij het samenstellen van de multisoortenlijsten. Op basis van de aangeleverde expertkennis, ecologische info uit de literatuur en in overleg met Natuurpunt-studie (Wouter Vanreusel) werden de uiteindelijke finale multisoortenlijsten met op te volgen soorten opgesteld. Natuurpunt is één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de erkende reservaten waar beheermonitoring op basis van de multisoortenbenadering binnenkort ingang zou vinden. Hoogstwaarschijnlijk zullen vrijwilligers ingeschakeld worden om gegevens te verzamelen. Het is dus enorm belangrijk dat de soorten praktisch werkbaar zijn ook voor deze doelgroep. Alleen op deze wijze kunnen we in de toekomst komen tot gestandaardiseerde en uitwisselbare gegevens om zo tot een krachtigere steekproef per natuurdoeltype en een écht geïntegreerd beeld over de reservaten heen te bekomen. Het uitvoeren van de protocols beheermonitoring binnen de aangewezen natuurreservaten zou in de toekomst eveneens een taak worden voor initieel minder ervaren vaste medewerkers op de buitendiensten van ANB. Op termijn en gecoördineerd door INBO, zou dit team uitgroeien tot een min of meer vaste groep van getrainde waarnemers voor de gestandaardiseerde monitoring. Voor sommige natuurtypen is het zeer moeilijk een uitgebreide multisoortenlijst op te stellen omdat het leefgebied van de soorten die in aanmerking komen, bestaat uit een combinatie van verschillende natuurtypen. Veel diersoorten laten zich touwens maar specifiëren tot op het niveau van natuurtypegroep. Wanneer tijdens de selectie erg weinig pure kensoorten werden gevonden, werd soms overwogen om ook minder strikt aan het natuurtype gebonden soorten in de multisoortenlijst op te nemen. Een voorwaarde hierbij was dat het natuurtype een essentieel onderdeel uitmaakt van hun leefgebied of dat de soort indicatief is voor bepaalde systeemkenmerken van het natuurtype. Zo kunnen bepaalde weidevogels multisoort zijn op het niveau van natte en vochtige graslanden en zo terecht komen op de lijsten voor dotterbloemgrasland, kamgrasweide en periodiek overstroomde graslanden, of werd de Wulp multisoort voor zowel natte 60 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

63 heide als voor natte hooilanden afhankelijk van zijn habitatvoorkeuren in verschillende ecoregio s (zie bijlage 16). In sommige gevallen kan de multisoortenlijst aangevuld zijn met plantensoorten, fungi of (korst)mossen zolang deze aan de criteria voldoen en extra informatie aanleveren die niet door fauna kan worden ingevuld Multisoortendatabank Om de selectieprocedure van multisoorten te vergemakkelijken werden alle kandidaatsoorten gegroepeerd in de databank met opname van zoveel mogelijk soortinformatie, zowel voor multisoorten als voor gebiedspecifieke soorten. Deze multisoortendatabank heeft een drievoudige functie: Ondersteuning bij selectieprocedure multisoorten Het opvragen van soortenlijsten en soortenfiches Ondersteuning bij de verwerking en interpretatie van gegevens In de eerste plaats diende de databank als instrument om per natuurdoeltype en ecoregio soorten uit te kiezen die voldeden aan de multisoortencriteria en in de tweede plaats om over de uiteindelijk weerhouden soortenlijsten relevante informatie op te vragen. Per reservaat werd ook een lijst van gebiedspecifieke soorten opgenomen en werd aangegeven of die al dan niet monitorbaar zijn volgens de standaardmethoden uitgewerkt voor multisoorten (zie 8.2.3). Aan de hand van een selectieformulier kunnen zowel multisoorten als gebiedspecifieke soorten opgevraagd worden en kan per soort een uitgebreide soortfiche met belangrijke informatie waaronder monitoringtips opgevraagd worden. De databank bevat niet alleen informatie die bijdroeg tot de selectie, maar ook soortspecifieke (achtergrond)informatie die kan dienen als informatiebron bij de verwerking en interpretatie van monitoringgegevens (soortgroepen, ecologisch functionele groepen, indicaties, etc.). De multisoortendatabank is opgebouwd uit verschillende deelmodules (zie Figuur 7): Soortmodule met alle in Vlaanderen te verwachten soorten voor de belangrijkste taxonomische groepen (hogere planten, vlinders, sprinkhanen, vogels, libellen, lieveheersbeestjes) en RLsoorten en aanvullingen voor andere relevante soortgroepen (zoogdieren, spinnen, fungi, (korst)mossen, kevers, andere invertebraten, ). Verschillende gelinkte tabellen leveren de soortspecifieke achtergrondinformatie (RLstatus, verspreiding, homogeniteit verspreiding, habitat, monitoringsdetails en -tips, indicatieniveau, trofieniveau, etc.) natuurtypenmodule met hiërarchische indeling van natuurtypen multisoortenselectie voor de reeds behandelde natuurdoeltypen, gekoppeld aan soortenmodule, ecoregio en natuurtype gebiedsmodule met de in beheermonitoring opgenomen natuurreservaten (visiegebieden). Deze zijn ingedeeld per ecoregio en hieraan zitten de meetlocaties gekoppeld (proefvlakken, transecten, PQ s, fuiklocaties, broedvogeltelpunten). De proefvlakken zijn gekoppeld aan hun respectievelijke natuurdoeltypen via de natuurtypenmodule. Module voor gebiedspecifieke soorten met een koppeling van op te volgen aandacht- en streefdoelsoorten aan natuurreservaat ( visiegebied ) ten gunste van de integratie van gebiedseigen monitoring. De databank met veldgegevens zit via de gebiedmodule direct gekoppeld aan de multisoortendatabank. Het geheel is op dit moment uitgewerkt als een SQL-databank op de INBO-server. De databank met veldgegevens uit de monitoring van 2006 is bijgeleverd als meta-informatie bij de CDrom Interpretatieniveau multisoorten: Het noteren van de aan- of afwezigheid of een inschatting maken van aantallen per soort maakt geen wezenlijk verschil wat betreft de geleverde veldwerkinspanning. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 61

64 Het gebruik en de interpreteren van de multisoortgegevens kan echter op verschillende niveaus gebeuren: 1. louter aan-afwezigheid 2. aantallen 3. criteria voor leefbare populatie: via een weging op basis van aantallen en /of indicaties voor reproductie Voor de eenvoud kan in eerste instantie gewerkt worden met louter aan-of aanwezigheid van soorten en per locatie de proportie waargenomen soorten van de totaallijst. Om betekenisvol te zijn voor beheermonitoring zouden de soorten in principe moeten voorkomen als leefbare populatie binnen de onderzochte gebieden. Het is echter erg moeilijk om te bepalen hoeveel individuen, koppels, nesten, juvenielen of andere indicaties waargenomen moeten worden om te besluiten tot een leefbare populatie. Voor veel soorten is zelfs (nog) niet geweten wat de minimale populatiegrootte is, laat staan hoeveel individuen er waargenomen moeten worden om te besluiten dat aan dit criterium is voldaan. Eventueel kan wel gewerkt worden met het inbouwen van gewichten bovenop aan-afwezigheid zoals indicaties voor de aanwezigheid van een leefbare populatie. Dit kan bijvoorbeeld door het vooraf definiëren van een minimum aantal waar te nemen individuen per soort(groep), of door gewichten toe te kennen voor indicaties van voortplanting (nesten, eieren, koppels, juvenielen). Bij het in rekening brengen van het aantal waargenomen individuen per soort moet idealiter jaarlijks gemonitord worden. Anders wordt de kans op misinterpretaties door jaarlijkse fluctuatie en populatiecycli te groot. Voor sommige natuurdoeltypen zullen de multisoortenlijsten wegens de strikte selectiecriteria en lacunes in de soortenkennis niet altijd compleet zijn om werkelijk alle systeemkenmerken van die natuurtypen te dekken. In dergelijke gevallen is de multisoortenlijst vooral te beschouwen als een indicator voor de compleetheid van typische fauna en vervolledigen de andere metingen voor structuur, abiotiek en flora de evaluatie. Vandaar ook dat een gecombineerde evaluatie steeds aangewezen is. Voor een gebiedseigen evaluatie kan de multisoortenlijst aangepast worden afhankelijk van de lokale situatie. Als bijvoorbeeld de totaal geplande oppervlakte aan natuurdoeltype lager ligt dan vereist voor één van de soorten in de multisoortenlijst of een bepaald systeemkenmerk nooit haalbaar zal zijn, dan kan overwogen worden de hiervoor indicatieve soort niet te laten meetellen in de beoordeling. 62 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

65 MULTISOORTENDATABANK Soortmodule Met gedetailleerde soortinformatie Multisoortenselectie Met definitieve toelichting voor selectie Gebiedspecifieke soorten Met indicatie voor monitorbaarheid volgens standaard protocol Ecoregio s Gebiedmodule Natuurtypenmodule Volgens nieuwe hiërarchische indeling Proefvlakken Met gekoppeld: PQs transecten fuiken telpunten proefvlakcirkels Monitoringsgegevens 2006 GEGEVENSDATABANK Figuur 7. Schematisch overzicht met de hoofdstructuur en relaties van uitgewerkte databanken voor beheermonitoring. Een eerste hoofdmodule, de Multisoortendatabank, groepeert soortinformatie, meer specifiek over de selectie van de multisoorten afhankelijk van ecoregio en natuurtype. Daarnaast bevat deze module nog informatie over monitorbare gebiedspecifieke aandachtsoorten (in het kader van de monitoring in 2006). Een tweede module, de Gegevensdatabank, bevat de monitoringsgegevens uit de monitoringronde van Distance-to-target ABIOTIEK Zeker voor de vochtige en natte natuurdoeltypen is het belangrijk een gedetailleerd idee te verkrijgen over de bodemwaterhuishouding. Informatie over de vochttoestand is enerzijds te achterhalen via de indicatiegetallen van de aangetroffen plantensoorten (Ellenbergwaarden). Aan de hand van dergelijke Ellenbergwaarden kan ook een indicatie worden gegeven over andere abiotische factoren zoals lichtinval, zuurtegraad van de bodem en voedselrijkdom (stikstof in de bodem) (Ellenberg 1991). De zogenaamde suited-species score levert als het ware performantie indicatoren die getoetst kunnen worden aan de karakteristieke vereisten van het natuurdoeltype (te droog, te licht, zuurtegraad, stikstofgetal, etc ) (Hurford & Schneider 2006; Hennekens et al. 2001). Referentiewaarden en bandbreedtes voor de Ellenbergindicaties zijn per natuurdoeltype terug te vinden in Bal et al. (2001). Een groot voordeel bij deze benadering is dat geen extra tijd- en budgetrovende metingen en labo-analyses nodig zijn. Een groot nadeel echter, is dat vegetaties dikwijls naijlen op de heersende ecologische condities en een sterk vertekend of te achterhaald beeld kunnen geven. Behalve dat de milieucondities kunnen worden afgeleid van de indicatiegetallen van voorkomende planten, zijn peilbuismetingen een betrouwbaardere methode om een exact en directer signaal te verkrijgen over grondwaterstanden en amplitude. Zo staan in alle verdrogingsgevoelige terreinen best peilbuizen om de grondwaterstand te meten. Door op deze manier te meten, worden veranderingen sneller opgespoord dan als afgeleide van de vegetatie (Wiertz et al 2007). Op die manier vormen peilbuismetingen in vergelijking tot de Beheermonitoring: Concept & Methodiek 63

66 eerder trage verandering in samenstelling van de flora een beter early-warning signaal voor ongewenste evoluties in de grondwaterhuishouding. Daarom stellen we voor om daar waar relevant, extra peilbuizen te plaatsen. Het INBO kan hierbij bijstaan door te onderzoeken en bepalen of het bijplaatsen van piëzometers al dan niet relevant is op basis van het reeds uitgebouwde WATINA-meetnet en expertise. Uit (langdurige) tijdreeksen van peilmetingen kunnen volgende hydrologische stuurvariabelen belangrijk voor het voorkomen van vegetatieypen bepaald worden (Laurrijsens et al. 2007): Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) Duur laagste grondwaterstand Amplitude Inundatieduur Hierbij dient in rekenschap gebracht te worden dat het om gemiddelde gaat van jarenlange opvolging van grondwaterpeilen. Bij korte tijdreeksen moet ermee rekening gehouden worden dat mogelijk toevallige schommelingen worden gedetecteerd en dat dit niet altijd een trend indiceert. Voor het bepalen van een optimum of referentiewaaren per natuurtype om aldus tot een distance-to-target-benadering te komen voor de hydrologie verwijzen we naar Laurrijssens et al. (2007), Callebaut et al. (2007), De Becker (2005), De Becker et al. (2004) en de WATINA-databank (INBO) voor de Vlaamse referenties (zie ook Tabel 13) en Nederlandse gegevens in Aggenbach et al. (1998), Bal et al. (2001), als Vlaamse gegevens ontbreken. 64 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

67 Tabel 13. Vegetatietypen die opgenomen zijn in het model NICHE Vlaanderen (naar Callebaut et al. 2007). Voor de weergegeven vegetatietypen zijn Vlaamse referentiewaarden uitgewerkt. Groep Wetenschappelijke Naam Nederlandse Naam Natuurtype code Habitat code Bos Sphagno Betuletum Berkenbroekbos - 91E0 Bos Carici elongatae Alnetum Mesotroof elzenbroekbos BMeb 91E0 Bos Macrophorbio Alnetum Ruigte elzenbroekbos BNare 91E0 Bos Pruno Fraxinetum Vogelkers essenbos - 91E0 Bos Carpinion betuli Haagbeuken verbond BVeh 9160 Bos Betulo Quercetum Berken eikenbos BDeb roboris Ruigte Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge MEgzsz Ruigte Filipendulion Moerasspirea verbond RNms 6430 Ruigte Galio Alliarion Verbond van RDlzl Look zonder look Ruigte RG Phalaris Rompgemeenschap van Rietgras - arundinacea [Convolvulo Fi lipendulion] Ruigte RG Juncus effusus [Molinietalia/Lol Rompgemeenschap van Pitrus - io Potentillion] Ruigte Magnocaricion met Grote zeggevegetatie met Riet MEgz Phragmites Ruigte RG Glyceria maxima [Phragmiteteagras Rompgemeenschap van Lies- - Grasland Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge MMzl Grasland Caricion davallianae Knopbies verbond/ kalkmoeras / /21 90 Grasland Lolio Potentillion Zilverschoon verbond GSzs anserinae Grasland Junco Molinion Verbond van Biezenknoppen GNvv 6410 en Pijpestrootje Grasland Calthion palustris Dotterbloem verbond GNdb Grasland Alopecurion pratensis Verbond van Grote vossestaart GVgv 6510 Grasland Arrhenatherion elatioris Glanshaver verbond GVgh 6510 Grasland Cynosurion cristati Kamgras verbond GVkg Heide Ericion tetralicis Dophei verbond DNdh 4010 Heide Venige heide DNdh 7120 Heide Oxycocco Ericion Hoogveenmos verbond DNhv 7110 Heide Rynchosporion albae Verbond van Veenmos en Sna- MOws 7150 Heide Heide Heide RG Molinia caerulea [Oxycocco sphagnetea] RG Myrica gale [Oxycocco sphagnetea] Calluno Genistion pilosae velbies Rompgemeenschap van Pijpestrootje Rompgemeenschap van Wilde gagel Verbond van Struikhei en Kruipbrem - SNg DDsh 4030 Beheermonitoring: Concept & Methodiek 65

68 4.1.6 Toepassing voor gebiedsgerichte monitoring: basis- en gebiedseigen monitoring De veldprotocols bedoeld voor een meetnet beheermonitoring leveren in principe een set variabelen op waarmee ook de beheerdoelstellingen van individuele reservaten kunnen opgevolgd worden volgens een 1:1 gerichte monitoring. Hierbij is het de bedoeling om het beheer binnen één welbepaald reservaat op te volgen en te evalueren. Demeulenaere et al. (2002) behandelen dit als basismonitoring. Bij basismonitoring wordt voor de belangrijkst nagestreefde natuurdoeltypen binnen een reservaat gemonitord. Daarnaast wil men ook vaak gebiedspecifieke beheerdoelstellingen gaan opvolgen wat Demeulenaere et al. (2002) behandelen als gebiedseigen monitoring. Waar de vegetatieopnames en opvolging van fauna-multisoorten dienen om de biotische kwaliteit van natuurtypen of de doelbereiking van het beheer in functie van natuurstreefbeelden (= natuurdoeltypen) te kwantificeren en te evalueren, zowel voor meetnetmonitoring als voor basismonitoring, fungeert een opvolging van gebiedspecifieke soorten als maat voor de evaluatie van meer gebiedseigen beheerdoelstellingen. (zie schema Figuur 8) Niveau Vlaanderen: meetnetmonitoring Bereiking van natuurstreefbeelden = natuurdoeltypen en evaluatie beheer BEHEERMONITORING Algemene beheerdoelstellingen Gebiedsniveau: basismonitoring Gebiedseigen monitoring: Specifieke lokale/regionale beheerdoelstellingen Specifieke (zeldzame) natuurdoeltypen, natuurherstel, omvormingsbeheer,... Gebiedspecifieke soorten: aandachtsoorten + streefdoelsoorten Lokaal nagestreefde functies, soortbeschermingsplannen,... Figuur 8. Schematisch overzicht met invulling van beheermonitoring op het niveau van meetnetmonitoring, op het niveau van een meer gebiedsgerichte monitoring bestaande uit basismonitoring en gebiedseigen monitoring sensu Demeulenaere et al. (2002). Beide monitoringsniveaus hebben als algemene doelstelling om het beheer voor het behoud of de ontwikkeling van natuurdoeltypen relevant op het niveau van Vlaanderen te evalueren. Meer gebiedspecifieke beheerdoelstellingen zijn het instandhouden of ontwikkelen van lokaal of regionaal belangrijke natuur(doel)typen, van aandacht- en streefdoelsoorten (waaronder eventueel ook habitatrichtlijnsoorten), of bepaalde ecologische functies of soortbeschermingsplannen (paaiplaatsen creëeren, steile oeverwanden voor oeverzwaluw, vleermuiskasten, etc.). De in dit rapport uitgewerkte protocols kunnen dienen voor zowel een meetnet- als voor een basismonitoring en indien specifieke multisoortenlijsten worden uitgewerkt, voor de monitoring van lokaal belangrijke natuurdoeltypen. Voor de andere gebiedseigen aspecten zoals gebiedspecifieke aandacht- en streefdoelsoorten of het evalueren van lokaal nagestreefde functies dienen andere methodes en bijkomende monitoring te worden uitgevoerd. De gebiedspecifieke soorten kunnen gedeeltelijk worden opgevangen in de bestaande methode (zie tekst). 66 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

69 De evaluatie van een 1:1 gebiedgerichte basismonitoring kan opgesplists worden in 2 aspecten: 1. Standaard doelbereiking van de natuurstreefbeelden, natuurdoeltypen 2. Lokale doelbereiking: evaluatie van omvormingsbeheer, natuurherstel, lokale aandacht- en streefdoelsoorten, instandhouding van habitatrichtlijnsoorten, etc. Het grote verschil tussen een meetnetmonitoring en een basismonitoring ligt vooral in de opzet en de keuze van meetlocaties. Een heel reservaat opvolgen is niet haalbaar. Het kiezen van meetlocaties voor basismonitoring in een reservaat hangt gedeeltelijk af van de beheeraanpak: 1. Patroongericht beheer: maximaal drie proefvlakken per meest belangrijke natuurdoeltype met een uniform beheer zou volstaan (cfr Demeulenaere et al. 2002) 2. Procesgericht beheer: hier wordt geopteerd voor de aanpak via proefvlakcirkels (zie Tabel 14 en 9.2). Het aantal proefvlakcirkels hangt dan af van de grootte van het gebied en kan bijgestuurd worden afhankelijk van de middelen. Hoe de in dit rapport uitgewerkte veldprotocols inpasbaar zijn, staat samengevat in Tabel 15. Extra ingebouwde modules ten gunste van kenniswerving voor lokale doelstellingen die aan het algemene schema kunnen worden toegevoegd zijn: Gebiedspecifieke soorten: 1. lokale flora: is reeds voorzien in standaardprotocols omdat perceelsdekkende vegetatieopnames met opname van de volledige planten biodiversiteit worden uitgevoerd (PQ s, en kartering van gebiedspecifieke soorten. 2. lokale fauna: maximale inbouw van monitorbare gebiedspecifieke soorten volgens het standaardprotocol. Bijkomende monitoring en specifieke methode voor overige gebiedspecifieke soorten Gebiedspecifieke abiotiek: 3. lokaal bijzondere abiotiek: bijplaatsen van extra peilbuizen: gebeurt best in overleg met de coördinatoren van het WATINA-meetnet Hoe rekening houden met gebiedspecifieke doelsoorten? In beheerplannen word gewoonlijk een lijst opgesomd van lokaal belangrijke aandachten streefdoelsoorten. Onder aandachtsoorten verstaan we Rode-Lijstsoorten of lokaal belangrijke soorten die reeds in het gebied aanwezig zijn. Onder streefdoelsoorten verstaan we soorten die regionaal aanwezig zijn, maar nog niet binnen het gebied, of die in het verleden voorkwamen en waarvoor een zekere kans op herverschijnen bestaat. Gebiedspecifieke soorten zijn de gecombineerde lijst van aandacht- en streefdoelsoorten. In het belang van lokale beheerders is het wenselijk om zoveel mogelijk informatie te vergaren over de aanwezigheid van gebiedspecifieke soorten Gebiedspecifieke flora De opvolging van gebiedspecifieke flora kan op twee manieren gebeuren. In de standaardprotocols voor beheermonitoring wordt aangeraden alle plantensoorten op te volgen (zie 4.1.3). Op die manier worden ook de gebiedspecifieke soorten niet uit het oog verloren en kunnen nieuw verschenen RodeLijst soorten worden gedetecteerd. Afhankelijk van de middelen of de kennis van de uitvoerders zou ook geopteerd kunnen worden voor een simpelere versie waarbij alleen kensoorten worden beschouwd en behandeld worden als een soort floramultisoortenlijst die de afstand tot het natuurdoeltype nagaat. Aan deze lijst kunnen ook lokale doel en aandachtsoorten worden toegevoegd. In dit scenario staat het de lokale beheerder vrij om te beslissen om naast de natuurdoeltypespecifieke ook gebiedspecifieke soorten extra op te volgen. Nadelen zijn dat nieuw verschenen Rode- Beheermonitoring: Concept & Methodiek 67

70 Lijstsoorten mogelijk over het hoofd worden gezien en dat er geen uitspraken gedaan zullen kunnen worden over de vegetatiesamenstelling want hiervoor zijn opnames van de volledige vegetatie nodig. Het gedetailleerd opvolgen van floristische Rode-Lijst en/of aandachtsoorten of erg lokale bijzondere vegetaties kan gebeuren aan de hand van (extra) PQ s (zie hoofdstuk ) en/of florakarteringen (zie hoofdstuk 11.1) Gebiedspecifieke fauna Voor een goede opvolging van gebiedspecifieke diersoorten gebeurt best eerst een screening. In de eerste plaats kan uitgemaakt worden welke gebiedspecifieke soorten vermeld in het beheerplan inpasbaar zijn het algemeen monitoringschema van beheermonitoring, m.a.w. volgens de multisoortenaanpak, en welke niet. Criteria die hierbij een rol spelen, zijn de herkenbaarheid en waarneembaarheid op het terrein. Naast multisoorten en inpasbare gebiedspecifieke soorten zullen de toegepaste veldmethoden ertoe leiden dat ook bijkomende waarnemingen worden gedaan van relatief gemakkelijk herkenbare diersoorten. Dit levert gegevens op die van belang kunnen zijn voor een betere kennis van de algemene biodiversiteit in het gebied en als aanvulling kunnen dienen bij een gebiedsinventaris. Vier niveau s van fauna-waarnemingen voor de evaluatie van lokale beheerdoelen: Afhankelijk van de doelstelling van de monitoring en de middelen stellen we vier niveau s van soortwaarnemingen voor: 1. multisoortenmonitoring: voor de evaluatie van doelbereiking van natuurdoeltypen 2. Aangevuld met methodisch inpasbare gebiedspecifieke soorten: voor de evaluatie van gebiedseigen beheerdoelstellingen 3. Aangevuld met gebiedspecifieke soorten waarvoor bijzondere waarnemingsmethoden vereist zijn: voor een meer uitgebreide evaluatie van gebiedseigen beheerdoelstellingen of 3 aangevuld met bijkomende waarnemingen : Meer specifiek worden alle soorten van de volgende beter gekende diergroepen mee opgenomen: 1. Amfibieën 2. Reptielen 3. Libellen en waterjuffers 4. Lieveheersbeestjes 5. Sprinkhanen en krekels 6. Dagvlinders 7. Vogels De meerwaarde van bijkomende waarnemingen : a. Rode-Lijst soorten onbekend voor het gebied of de regio worden gedetecteerd waardoor het lokale beheer hierop kan worden afgestemd b. de multisoortenlijsten zijn vooral op voornoemde diergroepen gebaseerd. Als uit de monitoring blijkt dat beheerdoelen moeten worden bijgesteld, dan kan bij toepassing van verandering van doeltype toch voldoende informatie uit voorgaande ronden aanwezig om met terugwerkende kracht het beheer te kunnen evalueren Alsdusdanig wordt zonder bijkomende inspanningen belangrijke informatie gewonnen. De enige meerkost ligt dan bij de uitvoerders met minder veldkennis; die moeten zich extra inwerken om de bijkomende soorten te leren herkennen. Meer details over de te volgen methode zijn te vinden in Lokale abiotiek Door de random selectie van meetlocaties voor een meetnetmonitoring zullen bijzondere of afwijkende situaties die voor de opvolging op lokaal niveau juist erg belangrijk zijn, niet altijd gedekt zijn. Het opvolgen van de grondwaterstanden en de waterkwaliteit is een zeer belangrijk deelaspect bij de beoordeling van grondwaterafhankelijke natuurdoeltypen. In zulke gevallen kunnen op die plaatsen bijkomende peilbuizen geplaatst worden, maar de planning en afspraken ervan maakt deel uit van het WATINA-meetnet 68 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

71 en wordt best met de betrokken coördinatoren geregeld. Een handleiding voor het plaatsen van peilbuizen is terug te vinden in overzicht distance-totarget metingen Tabel 15 geeft een overzicht van de verschillende deelpaketten die in deze methodiek zijn opgenomen. Tevens is aangeduid wat er standaard relevant is voor beheermonitoring zowel op Vlaams niveau als voor de evaluatie op gebiedniveau. Voor dit laatste aspect wordt opgegeven welke extra s kunnen worden opgenomen voor de evaluatie van lokale beheerdoelstellingen. 4.2 BEHEERMONITORING EN INTEGRATIE MET ANDE- RE MONITORINGSPRO- GRAMMA S Er kunnen verschillende (andere) monitoring- of inventarisatiepaketten aan de standaardmethode worden toegevoegd om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk gegevens worden opgemeten van belang voor de lokale beheerdoelstellingen of algemene soortkennis. Wel dient opgemerkt dat eventueel een uitgebreid of aangepast monitoringsschema nodig is als men een (basis) gebiedinventaris of soortspecifieke monitoring als doel heeft. Indien men lokaal een doorgevoerde inventaris wenst uit te voeren, wordt de hier voorgestelde aanpak best uitgebreid en uitbesteed aan een gespecialiseerd team, bv. een studiebureau. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 69

72 Tabel 14. Samenvatting aanpak voor een gebiedgerichte beheermonitoring of basismonitoring. Monitoringsonderdeel Hoofdstuk Monitoringsaanpak Rapportage Beheerkartering Demeulenaere et al. (2002): Module 1: beheerkaart Zie ook en in dit rapport Natuurstreefbeeldenkaart Demeulenaere et al. (2002): Module 1: beheerkaart Zie ook en in dit rapport Opstellen kaart met uniforme beheereenheden Opmaak van een kaart met natuurstreefbeelden in de vorm van natuurdoeltypen Gebiedkartering Kartering van de huidige natuurtypen Proefvlakselectie bij patroongericht beheer (geperceleerde aanpak) Proefvlakselectie bij procesgericht beheer ( mozaiëk of wastine -aanpak) Structuurkartering en opname Aan de hand van de kaart met uniforme beheereenheden en natuurdoeltypen wordt een nieuwe kaart met uniforme beheerde natuurdoeltypen verkregen. Op basis hiervan worden proefvlakken (maximum 2ha) afgebakend en geselecteerd (bvb per gebied maximum 3 proefvlakken per natuurdoeltype met éénvormig beheer) 9.2 Als gebieden of grote percelen onder een éénvormig beheer staan maar een dynamisch mozaïek van natuurtypen als beheerdoelstelling voor ogen hebben dan wordt de aanpak via proefvlakcirkels aanbevolen Proefvlakdekkende of proefvlakcirkeldekkende structuuropname, inclusief foto s Beheereenhedenkaart (best als GIS-laag) Vergelijking van de huidige situatie met de streefbeeldenkaart en indien voorhanden met de uitgangsituatie (best als GISlaag). Proefvlakkenkaart (best als GISlaag) Kaart met Proefvlakcirkels (best als GIS-laag) Beschrijving en opvolging van de structuurvariatie in de vorm van structuurkarteringen (best als GIS-laag), structuuropname, verbossingsparameters 70 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

73 Monitoringsonderdeel Hoofdstuk Monitoringsaanpak Rapportage Vegetatieopnames Proefvlakdekkende of proefvlakcirkeldekkende vegetatieopnamen: - best alle soorten - minstens voor kensoortenlijst van natuurdoeltype Multisoortenaanpak Multisoorten: aantalschatting per soort en/of nagaan of er een populatie bestaat: - Geperceleerde aanpak: binnen de gekozen proefvlakken proefvlakdekkend en in vaste trajecten (1 tot 3 per proefvlak), telpunten of fuiken - Mozaïekaanpak: gebiedsdekkend multisoortentraject en binnen proefvlakcirkels Abiotiek: Opvolgen grondwaterstanden Gebiedseigen aspecten 10.1 Aangeven in welke bodemtypes grondwaterstanden opgevolgd moeten worden (dit vormt een onderdeel van het WATINAmeetnet) Kwantificeren van natuurtypen op basis van plantensoortensamenstelling en bedekking van individuele soorten: er wordt bepaald hoeveel % de locatie van het optimum verwijderd is Beoordeling van de volledigheid van het natuurdoeltype op basis van de multisoortenlijst De multisoortentrajecten, fuiken telpunten worden vastgelegd en best gedigitaliseerd Beoordeling van natuurlijke grondwaterschommelingen Gebiedspecifieke flora Opvolgen van aandacht- en streefdoelsoorten Gebiedspecifieke fauna: - Soort(groep)en inpasbaar in de protocols van de multisoortenaanpak worden toegevoegd aan de soortenlijsten - niet-inpasbare soort(groep)en worden best opgevolgd volgens een aangepaste planning en veldtechnieken (bv. nachtvogels, vleermuizen, invertebraten met bodem- en vliegvallen). De uitvoering gebeurt dan best door experts (bv. studiebureau s) Opvolgen van aandacht- en streefdoelsoorten Beheermonitoring: Concept & Methodiek 71

74 Tabel 15. Overzicht van de verschillende monitoringmodules, het niveau van meetlocatie waarop ze betrekking hebben met de bijhorende beoordelingswijze en het evaluatieniveau Methode Niveau meetlocatie Beoordelingsmethode en rapportage Evaluatieniveau Karteringen Gebiedkartering Gebied Vergelijken van kaarten met huidige toestand en samenstelling qua natuurtypen van het gebied met streefkaarten Oppervlakte doelbereiking: basismonitoring Structuurkartering Proefvlak(cirkel) / beheereenheid structurele (natuurtype)-elementen tegenover het optimum voor het Vergelijken van kaarten met huidige toestand en samenstelling qua desbetreffende natuurdoeltype basismonitoring + evt. gebiedsei- Kwaliteit doelbereiking: meetnet-, gen monitoring Florakartering Proefvlak(cirkel) / beheereenheid, Beschrijven van de aanwezigheid, plaatsbepaling en spreiding van Gebiedseigen monitoring (evt. uitgebreid tot gehele reservaat) gebiedspecifieke soorten en RodeLijst soorten met vergelijking en beoordeling t.o.v. vorige karteringen. Structuuropname (tezamen met structuurkarteringeenheid Proefvlak(cirkel) / beheer- van het natuurdoeltype, met vergelijking t.o.v. vorige opnames Beoordeling van specifiek verwachte structuurvariatiekenmerken basismonitoring + evt. gebiedsei- Kwaliteit doelbereiking: meetnet-, gen monitoring Vegetatieopnames Fauna Abiotiek Proefvlakdekkend a.h.v. Tansleyschaal Permanente kwadraten a.h.v. Londoschaal Proefvlak(cirkel) / beheereenheid PQ s: 1 tot max 3 per beheereenheid Multisoorten Proefvlak(cirkel) / beheereenheid (evt. uitgebreid tot gehele reservaat) Gebiedspecifieke soorten Proefvlak(cirkel) / beheereenheid (evt. uitgebreid tot gehele reservaat) Peilbuismetingen Proefvlak(cirkel) / beheereenheid (evt. uitgebreid tot gehele reservaat) Chemische analyse grond- en oppervlaktewater Bepaling van het huidige vegetatietype en beoordeling van de ontwikkelingsgraad tot het natuurdoeltype a.h.v. de volledigheid van kensoorten met vergelijking t.o.v. vorige situaties Bepaling van het huidige vegetatietype en beoordeling van de ontwikkelingsgraad tot het natuurdoeltype a.h.v. de volledigheid van kensoorten met vergelijking t.o.v. vorige situaties. Het (blijven) opvolgen van vegetaties in het kader van het lokale, gebiedspecifiek belang Beoordelen van de volledigheid van het natuurdoeltype a.h.v. de volledigheid van de multisoortenlijst Beoordelen van de volledigheid van lijst met monitorbare gebiedspecifieke aandacht- en streefdoelsoorten Opvolgen en beoordelen dan de natuurlijke grondwaterschommelingen en -dynamiek Opvolgen en beoordelen dan de chemische samenstelling van grond- en oppervlaktewater Kwaliteit doelbereiking: meetnet-, basismonitoring + evt. gebiedseigen monitoring Kwaliteit doelbereiking: meetnet-, basismonitoring + evt. gebiedseigen monitoring Kwaliteit doelbereiking: meetnet-, basismonitoring + evt. gebiedseigen monitoring gebiedseigen monitoring Kwaliteit doelbereiking: meetnet-, basismonitoring + evt. gebiedseigen monitoring Kwaliteit doelbereiking: meetnet-, basismonitoring + evt. gebiedseigen monitoring 72 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

75 5 UITVOERING VAN DE VELDPROTOCOLS IN 2006 Twaalf reservaten werden voorgesteld vanuit de buitendiensten van de voormalige afd. Natuur. Een analyse van de spreiding en oppervlakte van de gemeenschappelijke natuurdoeltypen leverde uiteindelijk 9 natuurdoeltypen op die in aanmerking kwamen om er veldprotocols voor op te stellen en een initiële steekproef uit te nemen, zijnde: 1. Circumneutraal stilstaand water (WSC) 2. Rietmoeras (MErm) 3. Gewoon kamgrasgrasland (GVkgg) 4. Dotterbloemgrasland (GNdb) 5. Vochtig heischraal grasland (GHv) 6. Droog heischraal grasland (GHdg) 7. Natte heide (DNdh) 8. Droge heide (DDsh) 9. Zomereiken-berkenbos (BDebz) In 2006 werd het uitvoeren van de veldprotocols uitbesteed aan studiebureaus (Aeolus: Antwerpen, Vlaams Brabant, Limburg, en Econnection: Oost- en West- Vlaanderen) dit om: 1. de haalbaarheid van de methode te testen 2. een eerste aanzet te geven tot de daadwerkelijke uitvoering van een in de toekomst meer continue en gestandaardiseerde monitoring 3. aan de hand van de gegevens een eerste verwerking uit te voeren en de mogelijkheden van de monitoringsgevens te exploreren Hierbij stond het INBO in voor de begeleiding bij de uitvoering en het uittesten van de veldprotocols op het terrein en voor de gegevensdoorstroming. Een initiële verwerking en interpretatie van de resultaten van deze monitoringsronde wordt besproken in een andere deelrapport (De Cock et al. 2008a). 6 VOORUITZICHTEN Onderstaande punten duiden aan welke invulling INBO kan leveren bij een verdere uitbouw van beheermonitoring, zowel bij een uitbreiding voor meetnetmonitoring als voor de uitwerking van methodes voor de evaluatie van het lokaal beheer: 1. Wat betreft meetnetmonitoring: het uitbreiden van de steekproef, m.a.w. de keuze van extra gebieden/proefvlakken in volgende jaren (2008-.) naar de uitbouw van een statistisch verantwoord meetnet (+ ondersteuning bij het standaardiseren van de informatie uit GISlagen met beheertypen en natuur(doel)typen, en uit beheerplannen). 2. Organiseren van een kwaliteitscontrole op de uitvoering van de monitoring (bvb a.h.v. een steekproefsessie van parallelle opnamen evt. aangevuld met een intensievere inventarisatie waarvan de gegevens gebruikt kunnen worden om multisoortenlijsten wetenschappelijk te ondersteunen en te evalueren. 3. Evt. uitbreiden en publiceren van multisoortenlijsten voor bijkomende natuurdoeltypen en indien nodig het bijstellen van bestaande lijsten. 4. Coördinatie van het veldwerk en (coördinatie van de) training van de uitvoerders op het terrein (evt. via trainingsprogramma s in samenwerking met Natuurpunt, Inverde of andere cursussen). 5. Continue screening en verwerking van de gegevens en interpretatie van de resultaten. 6. Aanvullen en coördineren van het beheer van de gegevensdatabanken m.b.t. beheermonitoring 7. Doorstroming van waarnemingen naar andere projecten (vb. verspreidingsgegevens van verschillende soortgroepen, RodeLijst- soorten) 8. Contact en terugkoppeling verzorgen met (andere) instanties actief met beheer, natuurbehoud en monitoring (stuurgroep(en), NARA, Natuurpunt, VLM, wetenschappelijke instellingen in binnen- en buitenland) Beheermonitoring: Concept & Methodiek 73

76 9. Afstemmen van de beheermonitoringmethodologie binnen het kader van het strategisch project monitoring & inventarisatie 7 ALGEMENE CONCLU- SIE CONCEPT Uit hoofdstukken 3.2 en 3.3 blijken een aantal bedenkingen wat betreft de haalbaarheid van een meetnetprogramma beheermonitoring. De voornaamste punten zijn: Nood aan een voorbereidende ontwerpfase voor de opbouw van een meetnet Nood aan duidelijkheid over het uitspraakniveau: - een monitoringsprogramma kan niet dienen om zowel globale als lokale vraagstellingen te beantwoorden - natuurdoeltypen en beheertypen waarover uitspraken gewenst en mogelijk zijn Het vorige hangt samen met de nood aan geschikt uitgangsmateriaal (GIS-lagen) om een goed overzicht te krijgen over de steekproefmogelijkheden bij het meetnetontwerp. Nood aan een idee over het gewenste detectieniveau van aanvaardbare verandering (nood aan een poweranalyse): - Hieruit kan de effectief vereiste steekproefgrootte bepaald worden met als randvoorwaarde het beschikbare budget op langetermijn Dit alles vraagt om een verder planmatig overleg en samenwerking tussen de veschillende betrokkenen over de verwachtingen, keuzes, middelen voor continue monitoring en de verdere aanpak (zie ook: 3.2). Alleen op deze manier is de uitbouw van een weloverwogen en wetenschappelijk verantwoord meetnet om de efficiëntie en effectiviteit van natuurbeheer op Vlaamse schaal in de tijd te evalueren, mogelijk en zinnig. De hier uitgewerkte methode is ook bruikbaar voor de evaluatie van individuele reservaten, zeker wat betreft de zogenaamde basismonitoring waarbij het beheer voor één of enkele van de belangrijkste natuurdoeltypen in een reservaat wordt opgevolgd en geëvalueerd. Voor het opvolgen van natuurtypen die erg zeldzaam zijn waardoor ze niet in aanmerking komen voor een meetnetmonitoring, maar die men wel lokaal wil opvolgen, dienen wel bijkomende multisoortenlijsten opgesteld te worden en moet eventueel nagegaan worden welke aspecten van abiotiek of structuurkenmerken extra moeten worden opgemeten. De methode is echter niet bruikbaar voor het evalueren van louter gebiedseigen doelstellingen, zoals het opvolgen van gebiedspecifieke soorten of lokale ecologische functies. Wel kunnen de veldprotocols voor vegetatieopanmen en multisoorten als basis dienen om een groot aandeel van de gebiedspecifieke soorten of een van de algemene biodiversiteit te inventariseren. Aansluitend dienen aanvullende, meer intensieve monitoringsinitiatieven ondernomen te worden om deze doelstelling te vervolledigen. Wat betreft de veldprotocols zelf zijn verschillende vereenvoudigingen denkbaar in functie van de middelen en expertise. De huidige protocols zijn nu zo gekozen dat een maximale informatie-input wordt verkregen voor een zo minimaal mogelijke veldwerkinspanning. Een verdere vereenvoudiging van de veldprotocols houdt ondanks een winst qua tijd en kost en de mogelijkheid om distance-to-target scores te bekomen, wel een belangrijk verlies in van informatie die van belang kan zijn voor verdere interpretatie, evaluatie en bijsturing van het beheer. Zo kan wat betreft de flora overwogen worden om in plaats van de volledige vegetatie, een bepaalde selectie van kensoorten of indicatieve soorten op te volgen. De Cock et al (2008a) geven een aantal voorstellen om dit verder aan te pakken. Wat betreft de structuurgegevens kan bespaard worden in het veldwerk voor de structuurkarteringen. In plaats van een veldkartering met digitalisatie uit te voeren, kan bijvoorbeeld geopteerd worden om dit te beperken tot de 74 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

77 oplijsting van de waargenomen structuurelementen met per element een opgave van de proportionele oppervlakte-inname binnen het proefvlak. Voor gebiedkarteringen blijft het terreinkarteren en de digitalisatie wel aangewezen omdat de spatiale configuratie en informatie een cruciaal criterium vormt bij de evaluatie. Via het organiseren van een overkoepelende werkgroep voor inventarisatie en monitoring (ANB, VLM, Natuurpunt, INBO, studiebureaus, natuurverenigingen etc.) zou op korte termijn nagegaan moeten worden welke de wenselijke koppelingen en afstemmingen zijn tussen verschillende lopende en toekomstige projecten: Monitoring grondwaterstanden Monitoring in het kader van de HRL Monitoring in het kader van KRW Monitoring militaire domeinen Monitoring van de erkende natuurreservaten Monitoring natuurinrichtingsprojecten Eventuele individuele monitoring van de VNR s Eventuele andere monitoringinitiatieven Beheermonitoring: Concept & Methodiek 75

78 Deel 2: TECHNISCHE HANDLEIDING PRO- TOCOLS BEHEERMONITORING Dit deel beschrijft gedetailleerd de protocols per monitoringsthema. De selectie van meetlocaties hangt af van de beheerdoelstellingen (zie hoofdstuk 3.3.4): Patroongeoriënteerd beheer (geperceleerde aanpak): Op basis van de beheereenhedenkaart kunnen proefvlakken worden afgebakend en geselecteerd. De proefvlakken worden in dit geval beperkt tot een maximum van 2ha. Op die manier wordt de veldwerkinspanning ingeperkt. Beheereenheden kleiner dan 2ha worden dus in hun geheel als proefvlak beschouwd. Voor beheereenheden groter dan 2ha wordt een representatief deel geselecteerd dat maximaal 2ha beslaat. Procesgeoriënteerd beheer (mozaïekaanpak): In principe is het hele gebied te beschouwen als proefvlak. Hierbinnen worden proefvlakcirkels uitgezet op vastliggende rasterpunten. Dit levert een objectieve ligging en spreiding van meetpunten op. De proefvlakcirkels (afgekort PVCs) hebben een straal van 18m. Het aantal PVCs dat binnen het gebied liggen is dus afhankelijk van de vorm en ligging van het gebied t.o.v. het raster. Meer details zijn terug te vinden in hoofdstuk 1. Een overzicht van de verschillende modules is terug te vinden in Tabel 15. Het laatste hoofdstuk 12 vat samen welke thema s er dienen bemonsterd te worden naargelang het type reservaat. 8 ALGEMENE AANPAK VOOR GEPERCELEERDE GEBIEDEN Dit deel bevat de technische details om gebieden waar een patroon geörienteerd beheer wordt gevoerd, dus met beheereenheden in een geperceleerde structuur, te gaan bemonseteren. Per module van beheermonitoring (structuur, flora, fauna, abiotiek) worden praktische en technische details uiteengezet. 8.1 STRUCTUURKARTERING Doel Per (deel)proefvlak wordt de fijnere structuur gekarteerd en gedigitaliseerd om een meer gedetailleerd beeld te krijgen over de aanwezigheid van structuurelementen (bvb. mantel- en zoomvegetaties, aanwezigheid kleine bosjes, poeltjes, oevervegetaties, rietzomen etc.). In principe is er geen probleem als er naar een hogere, dus algemenere categorie (vb. natuurtypegroep i.p.v. natuur(sub)type) gegrepen wordt om een structuur te typeren. Informatie over het doeltype en mogelijke gedegenereerde fasen zal immers blijken uit de vegetatieopnamen. Bij de structuurkartering gaat het niet zozeer om gedetailleerde info i.v.m. het doeltype dat in het proefvlak opgevolgd moet worden, maar eerder om info op landschapschaal die van invloed kan zijn op het doeltype. Deze informatie laat niet alleen toe de evolutie van de structuurvariatie binnen proefvlakken op te volgen, maar ook om achteraf vast te stellen of de creatie van dergelijke variatie wel degelijk ingevuld wordt door de te verwachten typische fauna-elementen (cfr. multisoortenlijsten) die aan het doeltype geassocieerd kunnen worden, maar die afhankelijk zijn van de ruimere structuur waarin hun (deel)habitat ligt. Dit laatste kan nagegaan worden door deze gegevens te analyseren in relatie tot de gegevens uit de multisoortenmonitoring (zie verder). In de multisoortenlijsten komen immers een aantal soorten voor die afhankelijk zijn van structuur en die reageren op veranderingen, m.a.w. op beheer. 76 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

79 Fiche: structuurkartering parameter Structuurkartering Meetlocaties: Ligging meetlocaties: Meetfrequentie en - periode: Meetmethode: Materiaal: Alle proefvlakken (geperceleerd aanpak) of proefvlakcirkels (mozaïekaanpak) Weergegeven in GIS-bestanden geleverd door coördinatoren 1x per monitoringsronde; periode: tussen april - oktober, best tijdens periode van maximale ontwikkeling van de vegetatie van het betreffende natuurtype 1. Terreinkaart van het proefvlak (veldkaart: zie bijlage 3): recente orthofoto met overlays: proefvlakafbakening (en eventueel doorzichtige stafkaart, de structuurkaart van de vorige monitoringsronde); de nodige GIS-bestanden worden aangeleverd 2. Terreinanalyse: kartering naar structuur (karteringscriteria zie tekst) 3. digitalisatie van (nieuwe) situatie met ArcView of ArcGis Veldkaarten, kompas, RTK-GPS of gelijkaardig Hoewel de grove structuurinformatie uit orthofoto s afleidbaar is, wordt voor iedere bemonsterde beheereenheid een terreindekkende structuuropname uitgevoerd om meer gedetailleerde informatie te registeren. Suggesties: in de toekomst kunnen remote sensing en applicaties zoals Google Earth bijkomende mogelijkheden bieden. Zo levert Google Earth recente(re) luchtfoto s waarmee vegetaties effectiever kunnen afgebakend worden en is er (beperkte) compatibiliteit met ArcGis Karteringscriteria structuur structuurkartering andere natuurtypen dan het natuurdoeltype worden aangegeven: bijvoorbeeld een grote plek riet binnen een dotterbloemgrasland, of een bronbeekje door bos. Dankzij structuurkartering kan bijvoorbeeld ook aangegeven worden waar de beter ontwikkelde stukken doeltype liggen tegenover bijvoorbeeld onduidelijker te definiëren typen of derivaat- en rompgemeenschappen (die worden dan best hoger in de natuurtypen hiërarchie aangegeven: bijvoorbeeld nat hooiland in plaats van dotterbloemgrasland ). Voorbeelden van te karteren vlakvormige, lineaire of puntvormige elementen zijn (cfr lijst Natuurtypen, bijlage 1): De gekarteerde structuren kunnen getypeerd worden naar formatie, natuurtypegroep, natuurtype of subtype aan de hand van de hiërarchische tabel van natuurtypen. Voor een overzicht van de huidige indeling van natuurtypen, zie bijlage 1. Zie bijlage 3 voor tips bij het opstellen van veldkaarten. De rapporten met beschrijvingen van de natuurtypen zijn downloadbaar als pdf-bestanden via: =BIO_NT_start waters (poelen, plassen, grachtjes, sloten, bronbeekjes, kleine beken) kaal substraat moeras rietzomen en oevervegetaties grasland ruigte = bvb zoomvegetatie, ruigtehoeken (dwerg)struwelen struweel = bvb mantelvegetatie, of bosje struiken in grasland solitaire bomen boomgroepjes Binnen de lijst natuurtypen komen heel wat structurele typen voor, denk bijvoorbeeld aan zoom- en mantelvegetaties in graslanden grenzend aan bos welke in feite vertaald kunnen worden in struweel en ruigte van een bepaald type. Andere dergelijke elementen zijn bijvoorbeeld poeltjes, grachten, beekjes, rietkragen, struweelbosjes, solitaire bomen, of verschillende types graslanden binnen éénzelfde perceel. In de meeste gevallen zal het erop neer komen dat via Voor het opmeten van de vegetatiehoogte stellen Stewart et al. (2001) 3 snelle en eenvoudige methoden voor: sward stick, drop disc en direct methode. Demeulenaere et al. (2002) schuiven de drop disc methode naar voren als meest haalbaar in het kader van grootschalige monitoring in natuurreservaten, maar uit Stewart et al. (2001) blijkt dat vooral de directe methode het best gecorreleerd is met bodemtemperatuur en dus de meest accurate indicator Beheermonitoring: Concept & Methodiek 77

80 is voor microhabitatomstandigheden. Daarenboven blijkt de directe methode ook de enige betrouwbare methode voor zeer korte vegetaties, terwijl de drop disc goed scoort voor middelhoge tot hoge vegetatie. Eenvoudiger, sneller en toch voldoende informatief om een idee te verkrijgen over de structuurvariatie is het bepalen van de vegetatiehoogte aan de hand van hoogteklassen en hoogtevariatieklassen die gemakkelijk inschatbaar zijn. Per gekarteerd element worden hoogteklassen toegekend voor de gemiddelde hoogte van de dominante vegetatie (zie Tabel 16) en de variatie in hoogteverdeling (zie Tabel 17). Ook wordt voor ieder gekarteerd element aangegeven tot welke formatie of, indien mogelijk, tot welke natuurtypegroep of natuur(sub)type-niveau het behoort (op basis van de tabel met Natuurtypen in bijlage 1 en de kensoorten uit de natuurtypologierapporten). De gekarteerde elementen worden gedigitaliseerd met behulp van ArcGis of Arcview. Het geleverde materiaal bestaat dan uit shapefiles (polygonen en/of punten) met in de databank verdere informatie over type en hoogteklasse en hoogteklassevariatie en verdere relevante opmerkingen zoals aspectbepalende soorten. Globaal geldt dat de nauwkeurigheid van het intekenen van structuurelementen zeer sterk afhangt van de kwaliteit en recentheid van de luchtfoto. Hou er verder rekening mee dat hoe natuurlijker het gebied, hoe vager de grenzen tussen vegetaties worden en hoe meer structuurdiversiteit er te verwachten is. De structuurelementen van gemaaide graslandperceleen zijn in het algemeen het gemakkelijkst in te tekenen. Tabel 16. Hoogteklassen voor gebieds- (hoofdstuk 9.1.1) en structuurkartering (hoofdstuk 8.1) Hoogteklasse Code < 0.05 H m H m H m H4 2-5 m H5 > 5 m H6 Tabel 17. Variatie (range rond gemiddelde) in hoogteverdeling gebieds- (hoofdstuk 9.1.1) en structuurkartering (hoofdstuk 8.1) als bijkomend element bij de code voor hoogteklasse Hoogtevariatieklasse Code Geen a Enkele cm b 10-tal cm c 50-tal cm d Meters e >= 5 meter f De minimale oppervlakte van te karteren elementen in structuurkartering zijn: Vlakvormige elementen: - minimum opp > 16m² - (stilstaande) waters (poelen, plassen) worden steeds gekarteerd vanaf opp. > 2m² Lineaire elementen: - minimum breedte > 1m, lengte > 10m - waters (bronbeekjes, grachten, slootjes) worden steeds gekarteerd vanaf een breedte 0.5m Muren of stenige oppervlakten worden ook steeds aangeduid als de substraatoppervlakte (vertikaal of horizontaal) > 4m² bedraagt. Puntvormige elementen (vb. solitaire bomen, struiken, plassen, bronnen, etc) worden gelocaliseerd op kaart en later gedigitaliseerd. Indien zulke puntvormige elementen (proef)vlakdekkend verspreid voorkomen met meer dan 5 elementen per ha, dan is er geen kartering nodig. Noteer wel: 5-10, 10-30, >30 per ha en vul ook in de databank deze gegevens aan. Naast structuurelementen worden in de proefvlakken ook bepaalde biotische aspecten gekarteerd (flora aandachtsoorten (zie ), multisoorten fungi (zie ) of koepelnesten van mieren (zie ). Het veldwerk voor deze karteringen kan eventueel gecombineerd worden. Verder worden nog volgende variabelen genoteerd/gekarteerd: a. Aangrenzende natuurtypen (+ landgebruik); bij onduidelijkheid kan hiervoor altijd contact opgenomen worden met de natuurwachters die hierover beter op de hoogte zijn. b. Kwelindicaties (geen / in sloten /in perceel maar niet in sloten) met aanduiding van welke kwelindicatie (ijzerbacteriefilm / kwelvlokken/ kwelindicerende plantensoorten / kleur: roest- 78 Beheermonitoring: Concept & Methodiek

81 bruin) c. Reliëf: vlak / oneven / helling: zacht (<10%) of steil (>10%). d. Microreliëf: egaal / bulten / slenken / grachtjespatroon / wallen als een reliëfkenmerk erg lokaal voorkomt kan dit best aangeduid worden op de structuurkartering e. Algemeen beeld vegetatiestructuur (over alle soorten): Proefvlakniveau: aaneengesloten Binnen vegetatie(plekken): uniform Aaneensluiting: dicht Bedekking vegetatie: Patroon op proefvlakniveau: aaneengesloten, hier en daar open plekken, meerdere open plekken, vegetatie in grote blokken, gelijke afwisseling vegetatieplekken met open plekken in mozaïekpatroon, vegetatie enkel in kleinere afgezonderde vlekkenverdeling van soorten en/of levensvormen Patroon binnen vegetatie(plekken): uniform, zeer grove (blokken)mozaiek, grof mozaiek, fijn mozaiek, zeer fijn verdeeld mozaiek. Merk op dat meerdere mogelijkheden van toepassing kunnen zijn (voorbeelden zie Figuur 9). Aaneensluiting binnen vegetatie(plekken): ijl / dicht / vervilt. Merk op dat meerdere mogelijkheden van toepassing kunnen zijn. Aanwezigheid pioniersvegetaties (deze eventueel verder typeren a.h.v. natuurtypentabel, zie bijlage 1) Proefvlakniveau: aaneengesloten Binnen vegetatie(plekken): fijn mozaïek Aaneensluiting: dicht Proefvlakniveau: aaneengesloten Binnen vegetatie(plekken): zeer fijn mozaïek Aaneensluiting: dicht Voor een gedetailleerd overzicht van de op te nemen variabelen, zie ook de veldformulieren voor structuurkartering in Bijlage 5. Proefvlakniveau: gelijke afwisseling vegetatieplekken met open plekken in mozaïekpatroon Binnen vegetatie(plekken): zeer fijn mozaïek + grof mozaïek Aaneensluiting: ijl + dicht Figuur 9. Voorbeelden van vegetatiepatronen. Beheermonitoring: Concept & Methodiek 79

Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse Natuurreservaten Beknopte handleiding Beheermonitoring

Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse Natuurreservaten Beknopte handleiding Beheermonitoring inbo Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Kliniekstraat 25-1070 Brussel - T.: +32 (0)2 558 18 11 - F.: +32 (0)2 558 18 05 - info@inbo.be - www.inbo.be Begeleiding

Nadere informatie

Europees beschermde natuur

Europees beschermde natuur Europees beschermde natuur Kwartelkoning Vlaanderen streeft naar 100 broedkoppels van deze soort, in 2007 waren er 6. Twee richtlijnen Vogelrichtlijn, 1979 Habitatrichtlijn, 1992 Afbakenen van gebieden

Nadere informatie

Fish Based Assessment Method for the Ecological Status of European Rivers (FAME)

Fish Based Assessment Method for the Ecological Status of European Rivers (FAME) Fish Based Assessment Method for the Ecological Status of European Rivers (FAME) Overleg i.v.m. verdere verfijning en validatie van de nieuw ontwikkelde visindex op Europese schaal (EFI = the European

Nadere informatie

BRIEFADVIES. van 19 januari 2012

BRIEFADVIES. van 19 januari 2012 BRIEFADVIES van 19 januari 2012 over de erkenningsaanvraag van het natuurreservaat Hof ten Berg te Galmaarden (Vlaams-Brabant) en Geraadsbergen (Oost-Vlaanderen) 12 11 Mevrouw Marleen Evenepoel Administrateur-generaal

Nadere informatie

Natuurstreefbeelden inleiding

Natuurstreefbeelden inleiding Natuurstreefbeelden inleiding Wat zijn natuurstreefbeelden? Een natuurstreefbeeld is een nagestreefd biotoop, mozaïek van biotopen of een leefgebied van een soort dat je wil behouden of verkrijgen via

Nadere informatie

NATUURPUNT MALDEGEM-KNESSELARE nominatie Groene Pluim 2014

NATUURPUNT MALDEGEM-KNESSELARE nominatie Groene Pluim 2014 NATUURPUNT MALDEGEM-KNESSELARE nominatie Groene Pluim 2014 NATUURPUNT vzw Een onafhankelijke organisatie gedragen door vrijwilligers grootste natuurbeschermingsorganisate in Vlaanderen eind 2001 opgericht

Nadere informatie

Hoofdlijnen Natuurrapport 2007

Hoofdlijnen Natuurrapport 2007 Hoofdlijnen Hoofdlijnen Natuurrapport 2007 Biodiversiteit Verstoringen/bedreigingen Duurzaam gebruik Hoofdlijnen Natuurrapport 2007 Biodiversiteit Verstoringen/bedreigingen Duurzaam gebruik Toestand plant-

Nadere informatie

Het Natuurrapport 2007 is het eerste Natuurrapport dat wordt geproduceerd door het Instituut

Het Natuurrapport 2007 is het eerste Natuurrapport dat wordt geproduceerd door het Instituut Mevrouw De Minister, Het Natuurrapport 2007 is het eerste Natuurrapport dat wordt geproduceerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, het nu iets meer dan een jaar oude Vlaamse onderzoeks- en

Nadere informatie

Projectoproep Kankerplan Actie 24 : Wetenschappelijke analyse in de onco-geriatrie

Projectoproep Kankerplan Actie 24 : Wetenschappelijke analyse in de onco-geriatrie B Projectoproep Kankerplan Actie 24 : Wetenschappelijke analyse in de onco-geriatrie Inleiding Deze projectoproep kadert binnen de verderzetting van Actie 24 van het Kankerplan: Steun aan pilootprojecten

Nadere informatie

Natuurkwaliteit en monitoring in het Natuurnetwerk en Natura 2000 / PAS

Natuurkwaliteit en monitoring in het Natuurnetwerk en Natura 2000 / PAS Werkwijze Natuurkwaliteit en monitoring in het Natuurnetwerk en Natura 2000 / PAS Foto: Safir Natuurkwaliteit en monitoring in het Natuurnetwerk en Natura 2000 / PAS Het Rijk, de provincies en beheerders

Nadere informatie

Natuurkwaliteit en monitoring in de EHS

Natuurkwaliteit en monitoring in de EHS 1 Natuurkwaliteit en monitoring in de EHS Rijk, provincies en beheerders hebben samen een systeem ontwikkeld voor het monitoren van natuurkwaliteit (het geheel aan dieren en planten in een bepaald gebied).

Nadere informatie

Ondersteuningsproject bij de uitvoering van de reemonitoring in het Zoniënwoud

Ondersteuningsproject bij de uitvoering van de reemonitoring in het Zoniënwoud Ondersteuningsproject bij de uitvoering van de reemonitoring in het Zoniënwoud Periode 2008-2013 Céline Malengreaux, Jan Vercammen, Alain Licoppe, Frank Huysentruyt, Jim Casaer Dankwoord Het uitvoeren

Nadere informatie

Projectplan. Informatie arrangementen als app. s-hertogenbosch, 6 december 2011

Projectplan. Informatie arrangementen als app. s-hertogenbosch, 6 december 2011 Projectplan Informatie arrangementen als app s-hertogenbosch, 6 december 2011 i Versiebeheer Algemene gegevens Projectnaam Informatie arrangementen als app Uitgave Final Datum 6 december 2011 Auteurs Projectleider

Nadere informatie

Process Mining and audit support within financial services. KPMG IT Advisory 18 June 2014

Process Mining and audit support within financial services. KPMG IT Advisory 18 June 2014 Process Mining and audit support within financial services KPMG IT Advisory 18 June 2014 Agenda INTRODUCTION APPROACH 3 CASE STUDIES LEASONS LEARNED 1 APPROACH Process Mining Approach Five step program

Nadere informatie

Analyse van een aantal eenheden van de Biologische waarderingskaart

Analyse van een aantal eenheden van de Biologische waarderingskaart Analyse van een aantal eenheden van de Biologische waarderingskaart Nummer: INBO.A.2013.128 128 Datum advisering: 10 december 2013 Auteurs: Contact: Steven De Saeger, Carine Wils Lon Lommaert (lon.lommaert@inbo.be

Nadere informatie

Registratie Data Verslaglegging

Registratie Data Verslaglegging Registratie Data Verslaglegging Registratie Controleren en corrigeren Carerix helpt organisaties in het proces van recruitment en detachering. De applicatie voorziet op een eenvoudige wijze in de registratie

Nadere informatie

Mindfulness als Aanvullende Hulpbron bij het JD R model voor het. Verklaren van Bevlogenheid bij Werknemers uit het Bankwezen in.

Mindfulness als Aanvullende Hulpbron bij het JD R model voor het. Verklaren van Bevlogenheid bij Werknemers uit het Bankwezen in. Mindfulness als Aanvullende Hulpbron bij het JD R model voor het Verklaren van Bevlogenheid bij Werknemers uit het Bankwezen in Vlaanderen Mindfulness as an Additional Resource for the JD R Model to Explain

Nadere informatie

Digital municipal services for entrepreneurs

Digital municipal services for entrepreneurs Digital municipal services for entrepreneurs Smart Cities Meeting Amsterdam October 20th 2009 Business Contact Centres Project frame Mystery Shopper Research 2006: Assessment services and information for

Nadere informatie

FUNCTIEFAMILIE 5.3 Projectmanagement

FUNCTIEFAMILIE 5.3 Projectmanagement Doel van de functiefamilie Leiden van projecten en/of deelprojecten de realisatie van de afgesproken projectdoelstellingen te garanderen. Context: In lijn met de overgekomen normen in termen van tijd,

Nadere informatie

Decreet tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos

Decreet tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos Decreet tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos Bespreking Commissie Leefmilieu 25/2/2014 1 Doel Geïntegreerd beheer van natuur gaat over een efficiëntere en effectievere inzet van middelen

Nadere informatie

Biodiversiteit in Vlaanderen: de cijfers

Biodiversiteit in Vlaanderen: de cijfers Biodiversiteit in Vlaanderen: de cijfers Myriam Dumortier Natuurrapport www.natuurindicatoren.be www.nara.be www.inbo.be Haalt Vlaanderen de 2010-doelstelling? Biodiversiteit Verstoringen/bedreigingen

Nadere informatie

Het meten van de kwaliteit van leven bij kinderen met JIA

Het meten van de kwaliteit van leven bij kinderen met JIA Het meten van de kwaliteit van leven bij kinderen met JIA Measuring quality of life in children with JIA Masterthese Klinische Psychologie Onderzoeksverslag Marlot Schuurman 1642138 mei 2011 Afdeling Psychologie

Nadere informatie

Alcohol policy in Belgium: recent developments

Alcohol policy in Belgium: recent developments 1 Alcohol policy in Belgium: recent developments Kurt Doms, Head Drug Unit DG Health Care FPS Health, Food Chain Safety and Environment www.health.belgium.be/drugs Meeting Alcohol Policy Network 26th November

Nadere informatie

(IHD): wat betekent dit voor jouw gebied? www.natuurpunt.be/ihdoverleg

(IHD): wat betekent dit voor jouw gebied? www.natuurpunt.be/ihdoverleg (IHD): wat betekent dit voor jouw gebied? www.natuurpunt.be/ihdoverleg Overzicht Waarover gaat het IHD-overleg? Hoe verloopt het IHD-overleg? Lokale impact!! Mening Natuurpunt over de IHD SWITCH! Meer

Nadere informatie

Het beheren van mijn Tungsten Network Portal account NL 1 Manage my Tungsten Network Portal account EN 14

Het beheren van mijn Tungsten Network Portal account NL 1 Manage my Tungsten Network Portal account EN 14 QUICK GUIDE C Het beheren van mijn Tungsten Network Portal account NL 1 Manage my Tungsten Network Portal account EN 14 Version 0.9 (June 2014) Per May 2014 OB10 has changed its name to Tungsten Network

Nadere informatie

Briefadvies. idor. van de. nning. Datum

Briefadvies. idor. van de. nning. Datum Briefadvies Definitieve erken nning Bosgroep Groene Corri idor De toekenning van de definitieve erkenning van de Bosgroep Groenee Corridor voor de periode 2013-2018 Datum van goedkeuring Volgnummer Coördinator

Nadere informatie

Arbeidsmarktbarometer 2011 Basisonderwijs en Secundair onderwijs

Arbeidsmarktbarometer 2011 Basisonderwijs en Secundair onderwijs Arbeidsmarktbarometer 2011 Basisonderwijs en Secundair onderwijs Vlaams ministerie van Onderwijs & Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/agodi

Nadere informatie

Projectplan Duurzaam Inkopen

Projectplan Duurzaam Inkopen Projectplan Duurzaam Inkopen Gemeente Franekeradeel, afdeling Bouwen en Milieu Minke Lotens - Eichhorn Augustus 2010 status: Definitief Inhoudsopgave Inleiding 3 Doelstellingen projectplan 4 Overige resultaten

Nadere informatie

Administrateur. Context. Doel. Rapporteert aan/ontvangt hiërarchische richtlijnen van: Directeur dienst Afdelingshoofd

Administrateur. Context. Doel. Rapporteert aan/ontvangt hiërarchische richtlijnen van: Directeur dienst Afdelingshoofd Administrateur Doel Realiseren van beheersmatige, adviserende en managementondersteunende administratieve werkzaamheden ten behoeve van de instelling, dan wel onderdelen daarvan, binnen vastgestelde procedures

Nadere informatie

Software Processen. Ian Sommerville 2004 Software Engineering, 7th edition. Chapter 4 Slide 1. Het software proces

Software Processen. Ian Sommerville 2004 Software Engineering, 7th edition. Chapter 4 Slide 1. Het software proces Software Processen Ian Sommerville 2004 Software Engineering, 7th edition. Chapter 4 Slide 1 Het software proces Een gestructureerd set van activiteiten nodig om een software systeem te ontwikkelen Specificatie;

Nadere informatie

Briefadvies. nning. van de. Datum

Briefadvies. nning. van de. Datum Briefadvies Definitieve erken nning Bosgroep IJzer & Leie De toekenning van de definitieve erkenning van de Bosgroep IJzer & Leie voor de periode 2013-2018 Datum van goedkeuring Volgnummer Coördinator

Nadere informatie

liniled Cast Joint liniled Gietmof liniled Castjoint

liniled Cast Joint liniled Gietmof liniled Castjoint liniled Cast Joint liniled Gietmof liniled is een hoogwaardige, flexibele LED strip. Deze flexibiliteit zorgt voor een zeer brede toepasbaarheid. liniled kan zowel binnen als buiten in functionele en decoratieve

Nadere informatie

Introduction Henk Schwietert

Introduction Henk Schwietert Introduction Henk Schwietert Evalan develops, markets and sells services that use remote monitoring and telemetry solutions. Our Company Evalan develops hard- and software to support these services: mobile

Nadere informatie

Programma van Eisen - Beheerplannen

Programma van Eisen - Beheerplannen Programma van Eisen - Beheerplannen Eisen voor de inhoud Inventarisatie 1. Het beheerplan geeft allereerst een beschrijving van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied (de actuele situatie en trends,

Nadere informatie

Advies bij de herziening van bijlage 1 van het Soortenbesluit

Advies bij de herziening van bijlage 1 van het Soortenbesluit Advies bij de herziening van bijlage 1 van het Soortenbesluit Adviesnummer: INBO.A.3319 Datum advisering: 1 juli 2015 Auteur(s): Contact: Kenmerk aanvraag: Geadresseerden: Cc: Luc De Bruyn, Dirk Maes Lieve

Nadere informatie

WERKPROTOCOLLEN VOOR WERKZAAMHEDEN IN HET KADER VAN BESTENDIG BEHEER EN ONDERHOUD.

WERKPROTOCOLLEN VOOR WERKZAAMHEDEN IN HET KADER VAN BESTENDIG BEHEER EN ONDERHOUD. WERKPROTOCOLLEN VOOR WERKZAAMHEDEN IN HET KADER VAN BESTENDIG BEHEER EN ONDERHOUD. In onderstaande werkprotocollen geeft de tabel aan waneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. In de tabel wordt

Nadere informatie

Inleiding Wat zijn paradata en welke data voor welk gebruik. verzamelen?

Inleiding Wat zijn paradata en welke data voor welk gebruik. verzamelen? Inleiding Wat zijn paradata en welke data voor welk gebruik Ann Carton verzamelen? Discussiemiddag paradata, Nederlandstalig Platform voor Survey-Onderzoek Brussel, 11 maart 2010 Wat zijn paradata? Data»Gegevens

Nadere informatie

CSRQ Center Rapport over onderwijsondersteunende organisaties: Samenvatting voor onderwijsgevenden

CSRQ Center Rapport over onderwijsondersteunende organisaties: Samenvatting voor onderwijsgevenden CSRQ Center Rapport over onderwijsondersteunende organisaties: Samenvatting voor onderwijsgevenden Laatst bijgewerkt op 25 november 2008 Nederlandse samenvatting door TIER op 5 juli 2011 Onderwijsondersteunende

Nadere informatie

De vragenlijst van de openbare raadpleging

De vragenlijst van de openbare raadpleging SAMENVATTING De vragenlijst van de openbare raadpleging Tussen april en juli 2015 heeft de Europese Commissie een openbare raadpleging gehouden over de vogel- en de habitatrichtlijn. Deze raadpleging maakte

Nadere informatie

Aankoopbeleid. waar ligt de focus vanaf 2016? cel Patrimonium Daan Stemgée Jits Gysen Koen Grolus Gunther Lelièvre

Aankoopbeleid. waar ligt de focus vanaf 2016? cel Patrimonium Daan Stemgée Jits Gysen Koen Grolus Gunther Lelièvre Aankoopbeleid waar ligt de focus vanaf 2016? cel Patrimonium Daan Stemgée Jits Gysen Koen Grolus Gunther Lelièvre Aankopen 2014 10.000.0.00 Boscompensatie 8.000.0.00 6.000.0.00 Reguliere aankopen 4.000.0.00

Nadere informatie

Creatief onderzoekend leren

Creatief onderzoekend leren Creatief onderzoekend leren De onderwijskundige: Wouter van Joolingen Universiteit Twente GW/IST Het probleem Te weinig bèta's Te laag niveau? Leidt tot economische rampspoed. Hoe dan? Beta is spelen?

Nadere informatie

Fiche Natuurbehoudswaarde van de plantendiversiteit in de. in de provinciedomeinen en provinciale aandachtsgebieden

Fiche Natuurbehoudswaarde van de plantendiversiteit in de. in de provinciedomeinen en provinciale aandachtsgebieden Natuurbehoudswaarde van de plantendiversiteit in de provinciedomeinen en provinciale aandachtsgebieden Indicatorgegevens Naam Natuurbehoudswaarde van de plantendiversiteit in de provinciedomeinen en provinciale

Nadere informatie

Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: The Manager as a Resource.

Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: The Manager as a Resource. Open Universiteit Klinische psychologie Masterthesis Emotioneel Belastend Werk, Vitaliteit en de Mogelijkheid tot Leren: De Leidinggevende als hulpbron. Emotional Job Demands, Vitality and Opportunities

Nadere informatie

DECLARATION FOR GAD approval

DECLARATION FOR GAD approval Version 1.2 DECLARATION FOR GAD approval Declare that for the following central heating boilers Intergas Calderas de Calefacción S. L. Kombi Kompakt R 24, 28/24, 36/30 and Prestige The installation and

Nadere informatie

PROJECTPLAN REGISTRATIESYSTEEM PRIVATE VOORZIENINGEN BIJZONDERE JEUGDZORG

PROJECTPLAN REGISTRATIESYSTEEM PRIVATE VOORZIENINGEN BIJZONDERE JEUGDZORG PROJECTPLAN REGISTRATIESYSTEEM PRIVATE VOORZIENINGEN BIJZONDERE JEUGDZORG Stefaan VIAENE Johan PEETERS 30 maart 2007 1 A. CONTEXT VAN HET PROJECT - Doelstelling 32 van het Globaal Plan bepaalt: We geven

Nadere informatie

Concrete begrenzing EHS en GHS in het plangebied Voorste Stroom te Tilburg

Concrete begrenzing EHS en GHS in het plangebied Voorste Stroom te Tilburg Concrete begrenzing EHS en GHS in het plangebied Voorste Stroom te Tilburg Opdrachtgever: gemeente Tilburg Maart 2009 Antonie van Diemenstraat 20 5018 CW Tilburg 013-5802237 Eac@home.nl Pagina 1 Inhoudsopgave

Nadere informatie

PROJECT PLAN VOOR DE IMPLEMENTATIE VAN EEN STANDAARD SITE VOOR DE VERENIGING O3D

PROJECT PLAN VOOR DE IMPLEMENTATIE VAN EEN STANDAARD SITE VOOR DE VERENIGING O3D PROJECT PLAN VOOR DE IMPLEMENTATIE VAN EEN STANDAARD SITE VOOR DE VERENIGING O3D Auteur : P. van der Meer, Ritense B.V. Datum : 17 juli 2008 Versie : 1.3 2008 Ritense B.V. INHOUD 1 VERSIEBEHEER...1 2 PROJECT

Nadere informatie

De SYSQA dienst auditing. Een introductie. Algemene informatie voor medewerkers van SYSQA B.V.

De SYSQA dienst auditing. Een introductie. Algemene informatie voor medewerkers van SYSQA B.V. De SYSQA dienst auditing Een introductie Algemene informatie voor medewerkers van SYSQA B.V. Organisatie SYSQA B.V. Pagina 2 van 8 Inhoudsopgave 1 INLEIDING... 3 1.1 ALGEMEEN... 3 1.2 VERSIEBEHEER... 3

Nadere informatie

Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme

Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effecten van contactgericht spelen en leren op de ouder-kindrelatie bij autisme Effects of Contact-oriented Play and Learning in the Relationship between parent and child with autism Kristel Stes Studentnummer:

Nadere informatie

Functieprofiel: Projectleider Functiecode: 0302

Functieprofiel: Projectleider Functiecode: 0302 Functieprofiel: Projectleider Functiecode: 0302 Doel Voorbereiden en opzetten van en bijbehorende projectorganisatie, alsmede leiding geven aan de uitvoering hiervan, binnen randvoorwaarden van kosten,

Nadere informatie

Gedrag en ervaringen van professionele afnemers op de vrijgemaakte Vlaamse energiemarkt VREG - TECHNISCH RAPPORT

Gedrag en ervaringen van professionele afnemers op de vrijgemaakte Vlaamse energiemarkt VREG - TECHNISCH RAPPORT Gedrag en ervaringen van professionele afnemers op de vrijgemaakte Vlaamse energiemarkt VREG - TECHNISCH RAPPORT 10 september 2014 INHOUDSOPGAVE 1. TECHNISCH RAPPORT...3 1.1. Universum en steekproef...

Nadere informatie

Quickscan natuuronderzoek bouwblok Kolenbranderweg Haaksbergen

Quickscan natuuronderzoek bouwblok Kolenbranderweg Haaksbergen Quickscan natuuronderzoek bouwblok Kolenbranderweg Haaksbergen Een inventarisatie van beschermde flora en fauna Haaksbergen 21 Mei 2014 Rapportnummer 031 Projectnummer 012 opdrachtgever Fam. Ten Dam Kolenbranderweg

Nadere informatie

Actualisatie van de Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart i.h.k.v. het GRUP 'Uitbreiding transportbedrijf H.

Actualisatie van de Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart i.h.k.v. het GRUP 'Uitbreiding transportbedrijf H. Actualisatie van de Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart i.h.k.v. het GRUP 'Uitbreiding transportbedrijf H. Essers' Adviesnummer: INBO.A.3365 Datum advisering: 30 oktober 2015 Auteur(s):

Nadere informatie

Werken met indicatoren binnen AHOVOS

Werken met indicatoren binnen AHOVOS Werken met indicatoren binnen AHOVOS Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs 1 Voorstelling van het agentschap Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs Voorstelling agentschap

Nadere informatie

Leeftijdcheck (NL) Age Check (EN)

Leeftijdcheck (NL) Age Check (EN) Leeftijdcheck (NL) Age Check (EN) [Type text] NL: Verkoopt u producten die niet aan jonge bezoekers verkocht mogen worden of heeft uw webwinkel andere (wettige) toelatingscriteria? De Webshophelpers.nl

Nadere informatie

Meetstrategie en methodiek macrofyten 1 METHODIEK

Meetstrategie en methodiek macrofyten 1 METHODIEK ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Meetstrategie en methodiek macrofyten //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Nadere informatie

Ervaringen met begeleiding FTA cursus Deployment of Free Software Systems

Ervaringen met begeleiding FTA cursus Deployment of Free Software Systems Ervaringen met begeleiding FTA cursus Deployment of Free Software Systems Frans Mofers Nederland cursusmateriaal & CAA's alle cursusmateriaal vrij downloadbaar als PDF betalen voor volgen cursus cursussite

Nadere informatie

Briefadvies. roep. Datum

Briefadvies. roep. Datum Briefadvies Verlenging definitieve erkenning Bosg roep Kempense Heuvelrug De verlenging van de definitieve erkenning van de Bosgroep Kempense Heuvelrug voor de periode 2013-2018 Datum van goedkeuring Volgnummer

Nadere informatie

Ius Commune Training Programme 2015-2016 Amsterdam Masterclass 16 June 2016

Ius Commune Training Programme 2015-2016 Amsterdam Masterclass 16 June 2016 www.iuscommune.eu Dear Ius Commune PhD researchers, You are kindly invited to attend the Ius Commune Amsterdam Masterclass for PhD researchers, which will take place on Thursday 16 June 2016. During this

Nadere informatie

1.1 ORGANIZATION INFORMATION 1.2 CONTACT INFORMATION 2.1 SCOPE OF CERTIFICATION 2.2 AUDITOR INFORMATION 3.1 AUDIT CONCLUSIONS 3.2 MANAGEMENT SYSTEM EFFECTIVENESS 3.3 OBSERVATIONS Organization Address Name

Nadere informatie

Projectoproep Kankerplan Actie 21/22 : Innovatieve benaderingen in de psychosociale steun

Projectoproep Kankerplan Actie 21/22 : Innovatieve benaderingen in de psychosociale steun C Projectoproep Kankerplan Actie 21/22 : Innovatieve benaderingen in de psychosociale steun Inleiding Deze projectoproep kadert binnen de verderzetting van Actie 21/22 van het Kankerplan: Psychosociale

Nadere informatie

Assessing writing through objectively scored tests: a study on validity. Hiske Feenstra Cito, The Netherlands

Assessing writing through objectively scored tests: a study on validity. Hiske Feenstra Cito, The Netherlands Assessing writing through objectively scored tests: a study on validity Hiske Feenstra Cito, The Netherlands Outline Research project Objective writing tests Evaluation of objective writing tests Research

Nadere informatie

Validatie van de door de VLM opgemaakte attesten in het kader van bestemmingswijzigingen in ruimtelijke uitvoeringsplannen

Validatie van de door de VLM opgemaakte attesten in het kader van bestemmingswijzigingen in ruimtelijke uitvoeringsplannen Validatie van de door de VLM opgemaakte attesten in het kader van bestemmingswijzigingen in ruimtelijke uitvoeringsplannen Adviesnummer: INBO.A.3193 Datum advisering: 27 oktober 2014 Auteur: Contact: Lieve

Nadere informatie

Energiemanagement Actieplan

Energiemanagement Actieplan 1 van 8 Energiemanagement Actieplan Datum 18 04 2013 Rapportnr Opgesteld door Gedistribueerd aan A. van de Wetering & H. Buuts 1x Directie 1x KAM Coördinator 1x Handboek CO₂ Prestatieladder 1 2 van 8 INHOUDSOPGAVE

Nadere informatie

Denken is Doen? De cognitieve representatie van ziekte als determinant van. zelfmanagementgedrag bij Nederlandse, Turkse en Marokkaanse patiënten

Denken is Doen? De cognitieve representatie van ziekte als determinant van. zelfmanagementgedrag bij Nederlandse, Turkse en Marokkaanse patiënten Denken is Doen? De cognitieve representatie van ziekte als determinant van zelfmanagementgedrag bij Nederlandse, Turkse en Marokkaanse patiënten met diabetes mellitus type 2 in de huisartsenpraktijk Thinking

Nadere informatie

Creating a marketplace where expertise is made available through videoconferencing. Roland Staring Community Support Manager roland.staring@surfnet.

Creating a marketplace where expertise is made available through videoconferencing. Roland Staring Community Support Manager roland.staring@surfnet. Expert at a distance Creating a marketplace where expertise is made available through videoconferencing Roland Staring Community Support Manager roland.staring@surfnet.nl Working together for education

Nadere informatie

De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim

De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim De Relatie tussen Werkdruk, Pesten op het Werk, Gezondheidsklachten en Verzuim The Relationship between Work Pressure, Mobbing at Work, Health Complaints and Absenteeism Agnes van der Schuur Eerste begeleider:

Nadere informatie

ECEL. Wouter Fransman

ECEL. Wouter Fransman Exposure Control Efficacy Library ECEL Wouter Fransman Achtergrond Veel onderzoek naar effectiviteit van beheersmaatregelen, maar resultaten niet eenduidig Beheersmaatregelen (Risk Management Measures

Nadere informatie

S e v e n P h o t o s f o r O A S E. K r i j n d e K o n i n g

S e v e n P h o t o s f o r O A S E. K r i j n d e K o n i n g S e v e n P h o t o s f o r O A S E K r i j n d e K o n i n g Even with the most fundamental of truths, we can have big questions. And especially truths that at first sight are concrete, tangible and proven

Nadere informatie

2013 Introduction HOI 2.0 George Bohlander

2013 Introduction HOI 2.0 George Bohlander 2013 Introduction HOI 2.0 George Bohlander HOI 2.0 introduction Importance HOI currency Future print = HOI 2.0 HOI 2.0 Print: Décomplexation/more simple Digital: New set-up Core values HOI Accountability

Nadere informatie

Het Eigen Vermogen van Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (EVINBO) werft aan met

Het Eigen Vermogen van Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (EVINBO) werft aan met Het Eigen Vermogen van Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (EVINBO) werft aan met een voltijds contract van onbepaalde duur (werkzekerheid tot eind 2019), voor onmiddellijke indiensttreding: JUNIOR

Nadere informatie

Voorstudie van de implementatie en organisatie van een kennisbeheersysteem voor de FOD Financiën

Voorstudie van de implementatie en organisatie van een kennisbeheersysteem voor de FOD Financiën Voorstudie van de implementatie en organisatie van een kennisbeheersysteem voor de FOD Financiën Informatie (Proces 44) versus Kennismanagement (Proces 78) Versie gevalideerd door de stuurgroep van 23

Nadere informatie

Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011)

Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011) Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011) Verkeerskundige interpretatie van de belangrijkste tabellen (Analyserapport) D. Janssens, S. Reumers, K. Declercq, G. Wets Contact: Prof. dr. Davy

Nadere informatie

Advies betreffende de jacht op houtduiven in het Vlaamse gewest

Advies betreffende de jacht op houtduiven in het Vlaamse gewest Advies betreffende de jacht op houtduiven in het Vlaamse gewest Nummer: INBO.A.2010.197 Datum: 20/07/2010 Auteur(s): Contact: Frank Huysentruyt, Jim Casaer lon.lommaert@inbo.be Kenmerk aanvraag: e-mail

Nadere informatie

Medewerker onderwijsontwikkeling

Medewerker onderwijsontwikkeling Medewerker onderwijsontwikkeling Doel Ontwikkelen van en adviseren over het onderwijsbeleid en ondersteunen bij de implementatie en toepassing ervan, uitgaande van de geformuleerde strategie van de instelling/faculteit

Nadere informatie

GWATE s: het punt in Afrika waar Habitatrichtlijn en kaderrichtlijn Water elkaar ontmoeten?

GWATE s: het punt in Afrika waar Habitatrichtlijn en kaderrichtlijn Water elkaar ontmoeten? GWATE s: het punt in Afrika waar Habitatrichtlijn en kaderrichtlijn Water elkaar ontmoeten? Gert VAN HOYDONCK, Piet DE BECKER. (Agentschap voor Natuur en Bos, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) LAAGVEEN

Nadere informatie

Strategische planning Workbook

Strategische planning Workbook Strategische planning Workbook Dr. Sebastian Desmidt 2 Inhoudstafel Opstellen strategisch businessplan: het 10 stappenplan... 4 STAP 0: Analyse van de organisatiestrategie... 5 STAP 1: Probleemanalyse

Nadere informatie

NATUURTYPEKARTERING EN BEPALING VAN DE LOKALE STAAT VAN INSTANDHOUDING MET AANLEG VAN EEN WERFRESERVE

NATUURTYPEKARTERING EN BEPALING VAN DE LOKALE STAAT VAN INSTANDHOUDING MET AANLEG VAN EEN WERFRESERVE Het Eigen Vermogen van Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (EVINBO) werft aan met een voltijds contract van onbepaalde duur (werkzekerheid tot eind 2017 en optie tot verlenging tot eind november 2019),

Nadere informatie

Indien uw project geselecteerd wordt, krijgt u ongeveer 6 sessies coaching verspreid over de periode januari 2016 december 2016.

Indien uw project geselecteerd wordt, krijgt u ongeveer 6 sessies coaching verspreid over de periode januari 2016 december 2016. VERZOEK COACHING IN MANAGEMENT UW PROJECTVOORSTEL MAN-378 Elke groep die de ondersteuning van een coach wenst te genieten voor zijn project dient in het gedetailleerde beschrijving van het project op te

Nadere informatie

INVLOED VAN CHRONISCHE PIJN OP ERVAREN SOCIALE STEUN. De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren

INVLOED VAN CHRONISCHE PIJN OP ERVAREN SOCIALE STEUN. De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren De Invloed van Chronische Pijn en de Modererende Invloed van Geslacht op de Ervaren Sociale Steun The Effect of Chronic Pain and the Moderating Effect of Gender on Perceived Social Support Studentnummer:

Nadere informatie

ISO 20000 @ CTG Europe

ISO 20000 @ CTG Europe ISO 20000 @ CTG Europe 31/10/2007 mieke.roelens@ctg.com +32 496266725 1 Agenda 31 oktober 2007 Voorstelling Project Business Case: Doel & Scope Projectorganisatie Resultaten assessments en conclusies De

Nadere informatie

Bureauonderzoek natuurwaarden wijzigingsplan Boekenrode

Bureauonderzoek natuurwaarden wijzigingsplan Boekenrode Bureauonderzoek natuurwaarden wijzigingsplan Boekenrode Natuurwaardenkaart Voor het inventariseren van de natuurwaarden van Heemstede zijn in het rapport Natuurwaardenkaart van Heemstede Waardering van

Nadere informatie

Vragenlijsten kwaliteit van leven

Vragenlijsten kwaliteit van leven Click for the English version Vragenlijsten kwaliteit van leven TNO heeft een aantal vragenlijsten ontwikkeld om de gezondheidsrelateerde kwaliteit van leven te meten van kinderen, jongeren en jong-volwassenen.

Nadere informatie

Examenreglement Opleidingen/ Examination Regulations

Examenreglement Opleidingen/ Examination Regulations Examenreglement Opleidingen/ Examination Regulations Wilde Wijze Vrouw, Klara Adalena August 2015 For English translation of our Examination rules, please scroll down. Please note that the Dutch version

Nadere informatie

Vlaamse overheid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Afdeling Strategie en Coördinatie Koning Albert II-laan 35, bus 10 1030 Brussel

Vlaamse overheid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Afdeling Strategie en Coördinatie Koning Albert II-laan 35, bus 10 1030 Brussel Evaluatie van beleid en beleidsinstrumenten Protocol tussen de entiteit 1 verantwoordelijk voor de (aansturing van de) evaluatie en (de instelling verantwoordelijk voor) het beleidsinstrument Vlaamse overheid

Nadere informatie

Laatst bijgewerkt op 2 februari 2009 Nederlandse samenvatting door TIER op 25 mei 2011

Laatst bijgewerkt op 2 februari 2009 Nederlandse samenvatting door TIER op 25 mei 2011 Effective leesprogramma s voor leerlingen die de taal leren en anderssprekende leerlingen samenvatting voor onderwijsgevenden Laatst bijgewerkt op 2 februari 2009 Nederlandse samenvatting door TIER op

Nadere informatie

Energie management Actieplan

Energie management Actieplan Energie management Actieplan Conform niveau 3 op de CO 2 -prestatieladder 2.2 Auteur: Mariëlle de Gans - Hekman Datum: 30 september 2015 Versie: 1.0 Status: Concept Inhoudsopgave 1 Inleiding... 2 2 Doelstellingen...

Nadere informatie

OVERGANGSREGELS / TRANSITION RULES 2007/2008

OVERGANGSREGELS / TRANSITION RULES 2007/2008 OVERGANGSREGELS / TRANSITION RULES 2007/2008 Instructie Met als doel het studiecurriculum te verbeteren of verduidelijken heeft de faculteit FEB besloten tot aanpassingen in enkele programma s die nu van

Nadere informatie

Jobeekbosje. natuurpunt. (Wingene) Eerste monitoringrapport. april 2005 dossier. administratie. auteurs: Tom De Beelde Kris Vandekerkhove

Jobeekbosje. natuurpunt. (Wingene) Eerste monitoringrapport. april 2005 dossier. administratie. auteurs: Tom De Beelde Kris Vandekerkhove Jobeekbosje (Wingene) Eerste monitoringrapport april 2005 dossier administratie auteurs: Tom De Beelde Kris Vandekerkhove natuurpunt Kardinaal Mercierplein 1-2800 Mechelen tel: 015-29 72 20 - fax: 015-42

Nadere informatie

Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland

Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland 1. Londen In Londen kunnen gebruikers van een scootmobiel contact opnemen met een dienst

Nadere informatie

Facilitair accountmanager

Facilitair accountmanager Facilitair accountmanager Doel Inventariseren en analyseren van de wensen en ervaringen van klanten van de dienst ten aanzien van de dienstverlening en het uitzetten van daaruit voorvloeiende activiteiten,

Nadere informatie

Impact van verhoogde biomassaoogst op nutriëntenvoorraad

Impact van verhoogde biomassaoogst op nutriëntenvoorraad Impact van verhoogde biomassaoogst op nutriëntenvoorraad Luc De Keersmaeker INBO Afdeling Beheer en Duurzaam gebruik Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer Inhoud Terminologie en definities (Luc) Summier: globale

Nadere informatie

Patiëntveiligheid door Klinische Paden

Patiëntveiligheid door Klinische Paden Patiëntveiligheid door Klinische Paden Dr. Kris Vanhaecht CZV-KULeuven Secretary General European Pathway Association Kris.Vanhaecht@med.kuleuven.be Klinisch Pad Een middel om een patiëntgericht programma

Nadere informatie

TRANSPARANTIEVERSLAG 2013

TRANSPARANTIEVERSLAG 2013 TRANSPARANTIEVERSLAG 2013 1. Inleiding Dit verslag bevat de informatie zoals bepaald in artikel 15 van de wet van 22 juli 1953 houdende de oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren, aangepast

Nadere informatie

Ledenbinding & -werving. Velt vzw Vereniging voor ecologisch leven en tuinieren Uitbreidingstraat 392c, 2600 Berchem, België www.velt.

Ledenbinding & -werving. Velt vzw Vereniging voor ecologisch leven en tuinieren Uitbreidingstraat 392c, 2600 Berchem, België www.velt. Ledenbinding & -werving Velt vzw Vereniging voor ecologisch leven en tuinieren Uitbreidingstraat 392c, 2600 Berchem, België Communicatiestrategie Velt verleidt en brengt mensen samen op weg naar ecologisch

Nadere informatie

Functieprofiel: Medewerker Marketing en Communicatie Functiecode: 0602

Functieprofiel: Medewerker Marketing en Communicatie Functiecode: 0602 Functieprofiel: Communicatie Functiecode: 0602 Doel Verzorgen van activiteiten op het gebied van communicatie en/of voorlichting voor Hogeschool Utrecht of onderdelen daarvan, aan verschillende in- en

Nadere informatie

HIRLAM Plans for academic research models. Tilly Driesenaar Scientific secretary HIRLAM

HIRLAM Plans for academic research models. Tilly Driesenaar Scientific secretary HIRLAM HIRLAM Plans for academic research models Tilly Driesenaar Scientific secretary HIRLAM Contents Introduction sci-sec tasks Introduction HARMONIE HARMONIE for Universities Sci-sec HIRLAM tasks HIRLAM.org

Nadere informatie

Medewerker pedagogische cel - Kwaliteitsbewaking

Medewerker pedagogische cel - Kwaliteitsbewaking Doel van de functie Medewerker pedagogische cel - Kwaliteitsbewaking De medewerker pedagogische cel coördineert ook de EVC- en EVK-procedure en ziet toe op de correcte afhandeling van de aanvragen. Ook

Nadere informatie

STUDIE INZAKE DE ONTWIKKELING VAN EEN REGISTRATIE-INSTRUMENT VOOR PALLIATIEVE ZORG

STUDIE INZAKE DE ONTWIKKELING VAN EEN REGISTRATIE-INSTRUMENT VOOR PALLIATIEVE ZORG Directoraat-Generaal Organisatie Gezondheidszorgvoorzieningen Cel Chronische, Ouderen- en Palliatieve Zorg Victor Hortaplein 40, bus 10 1060 Brussel STUDIE INZAKE DE ONTWIKKELING VAN EEN REGISTRATIE-INSTRUMENT

Nadere informatie

Herziening van de huidige definitie van de Maatregeltoets

Herziening van de huidige definitie van de Maatregeltoets Herziening van de huidige definitie van de Maatregeltoets ing. E.H.L. van Wissen Grontmij Nederland B.V. R. Gravesteijn Grontmij Nederland B.V. ir. L. van Hoogevest Grontmij Nederland B.V. Samenvatting

Nadere informatie