Kinderen (v/m) die getuige zijn van geweld tussen hun ouders.

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Kinderen (v/m) die getuige zijn van geweld tussen hun ouders."

Transcriptie

1 Kinderen (v/m) die getuige zijn van geweld tussen hun ouders. Een basisverkenning van korte en lange termijn effecten. Sietske Dijkstra Bilthoven, 12 oktober 2001

2 Woord vooraf Dit project naar de problematiek van kinderen als getuige van geweld tussen hun ouders werd uitgevoerd door Dijkstra, onderzoek en advies, in de periode van juni tot december 2001 in opdracht van de Directie Preventie, Jeugd en Sancties van het Ministerie van Justitie. Het project bestaat uit een literatuurstudie, neergelegd in een basisverkenning naar de effecten op korte en lange termijn, geschreven door Sietske Dijkstra, en de inhoudelijke voorbereiding van een expertmeeting. Monique ter Berg leverde inhoudelijk en redactioneel commentaar op concepten van het rapport, bood informatie over congresbijdragen van het in juni gehouden internationale congres in Canada over kinderen als getuige van geweld en was sturende kracht in de ontwikkeling van het doel en programma van de expertmeeting. 2

3 Kinderen (v/m) die getuige zijn van geweld tussen hun ouders. Een basisverkenning van korte en lange termijn effecten. 1 Achtergrond en aard van de problematiek 1.1 Inleiding 1.2 Aanleiding voor basisverkenning, vraagstelling en werkwijze 1.3 Kinderen als getuige van geweld tussen hun ouders Afbakening Omvang 1.4 Drie theoretische perspectieven Sociale leertheorie Hechtingstheorie Traumatheorie 1.5 Kenmerken van onderzoek 1.6 Kinderen als getuige van geweld: omschrijving van het kernbegrip 1.7 Opbouw van de basisverkenning 2 Effecten op korte en lange termijn 2.1 Inleiding 2.2 A cycle of violence? 2.3 Opmerkingen bij de kwaliteit van onderzoek 2.4 Effecten van geweld op kinderen op korte termijn en lange termijn 2.5 Belang van gender, leeftijd en ernst van het geweld Gender en probleemgedrag Ernst van geweld, gender en leeftijd Subgroepen 2.6 Beschermende en risicoverhogende factoren Mishandelde kinderen en kinderen als getuige Mishandeling in de jeugd en criminologisch onderzoek Signalen van risico's op crimineel gedrag op school 2.7 Lopen kinderen als getuige van geweld later meer kans om binnenshuis of buitenshuis slachtoffer en/of pleger van geweld te worden? 2.8 Conclusie 3. Interventie en preventie. Ervaringen in Canada, VS en Nederland 3.1 Inleiding 3.2 Interventie, preventie en evaluatie: (inter)nationale ontwikkelingen Kinderen, moeders en vaders Aard van het aanbod Evaluaties Betrokken organisaties Preventie op scholen 3

4 3.3 Positie van mishandelde moeders in relatie tot hun ouderschap 3.4 Buitenlandse interventieprogramma s belicht Kids' Club Child Witness to Violence Project Children Who Witness Abuse 3.5 Nederlandse ervaringen met interventies Let op de Kleintjes Marietje Kessels Opvoedingsondersteuning 3.6 Conclusie 4 Problematiek, effecten en interventies. Nabeschouwing 4.1 Terugblik en nabeschouwing 4.2 Een onzichtbare en brede doelgroep 4.3 Effecten op korte en langere termijn 4.4 Interventies voor kinderen als getuige 4.5 Aandachtspunten ten aanzien van de problematiek 4.6 Aandachtspunten voor de praktijk 4.7 Aandachtspunten voor beleid 4.8 Aandachtspunten voor onderzoek Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Signalen van geweld en beschermende en risicoverhogende factoren * voor kinderen als getuige ** voor later crimineel gedrag Interventieprogramma's voor kinderen als getuige van geweld tussen hun ouders 4

5 2 Achtergrond en aard van de problematiek The world in which we raise our children is extremely violent. Millions of children are victims of child physical and sexual abuse every year. Many more children are frequent witnesses of violence: They watch it, hear it, read about it, and play with it. (Peled, Jaffe en Edleson, 1995, 3) 1.1 Inleiding Dit citaat van de Amerikaanse en Canadese onderzoekers Peled, Jaffe en Edleson, komt uit de inleiding van hun bundel Ending the cycle of violence. Community responses to children of battered women (1995). De auteurs winden er geen doekjes om: in hun opinie groeien kinderen op in een uiterst gewelddadige wereld. Veel kinderen, zo is ook internationaal veelvuldig aangetoond in onderzoek, worden fysiek mishandeld, affectief verwaarloosd en seksueel misbruikt. Minder aandacht is er geweest voor het feit dat daarnaast veel kinderen jaarlijks blootgesteld worden aan geweld in hun buurt, geweld in de media en aan geweld thuis. 1 In een recent overzichtsartikel bevestigt Osofsky (1999) het bericht dat kinderen heden ten dage veel risico lopen om al op jonge leeftijd geconfronteerd te worden met een vorm van geweld. 2 Geweld in de buurt is daarbij vooral gerelateerd aan inkomen en sociaaleconomische grenzen; kortom aan armoede. Veel kinderen uit stedelijke achterstandswijken in de VS, zijn getuige geweest van uitbarstingen van geweld; ze zagen mensen in hun buurt wapens en messen gebruiken en in drugs handelen. In alle lagen van de bevolking, ongeacht maatschappelijke positie en inkomen worden kinderen blootgesteld aan geweld in de media, vooral op tv. 3 In een recente beleidsverkenning van het Ministerie van Justitie (Hakkert en Eijken, 2001) naar de relatie tussen huiselijk geweld en straatgeweld, worden kinderen die bloot staan aan geweld thuis een vergeten groep genoemd. De problematiek is lang een ondergeschoven kindje geweest; in Nederland zijn slechts enkele kleinschalige projecten in ontwikkeling voor deze kinderen. De auteurs van de beleidsverkenning dringen aan op een nadere inhoudelijke analyse van de problematiek en de aanpak ervan; het Ministerie van Justitie is opdrachtgever van dit verkennende onderzoek. In deze basisverkenning richten we ons op kinderen die thuis getuige zijn van fysiek geweld, meestal tussen hun ouders. Omwille van de leesbaarheid wordt deze groep kinderen in de hierna volgende tekst vaak verkort aangeduid met kinderen als getuige, kinderen als getuige van geweld thuis. Verwijzingen naar het getuige zijn van andere vormen van geweld in de buurt of in de media worden expliciet benoemd. De geraadpleegde literatuur is vooral afkomstig uit Canada en de VS waar onderzoekers, beleidsmakers en beroepsbeoefenaren al sinds het eind van de jaren tachtig aandacht schenken aan deze problematiek. Aldaar is op meer substantiële basis kennis vergaard over de schade die kinderen op kunnen lopen door blootstelling aan geweld in het ouderlijk huis (Jaffe, Wolfe en Wilson, 1990; Peled, Jaffe en Edleson,1995; Graham-Bermann, 1998; Holden, 5

6 Geffner en Jouriles, 1998; Van Lawick en Groen, 1998; Edleson, 1999; Osofsky, 1999; Geffner, Jaffe en Sudermann, 2000; Dijkstra, 2001). 1.2 Aanleiding voor basisverkenning, vraagstelling en werkwijze De inhoud van deze basisverkenning wordt voor een deel bepaald door de vraag wat op termijn de effecten zijn voor opgroeiende kinderen en voor toekomstige generaties. In een brief van minister van justitie Korthals aan de Eerste Kamer in 2001 (26800 VI, nr. 217), wordt de zorg uitgesproken over deze lange termijn effecten, die mogelijk een schakel vormen in het voortzetten van geweld bij de volgende generatie. In de woorden van de minister: Een lange termijn-effect dat met name zorgen baart is in hoeverre blootstelling aan onderling ouderlijk geweld leidt tot een grotere geneigdheid tot agressief en gewelddadig gedrag. (2). 4 Deze zorg is te vertalen in vragen zoals: Welke gevolgen heeft het aanschouwen van geweld op het latere leven van kinderen? Wat voor interventies zijn ontwikkeld voor kinderen die getuige zijn van geweld en wat is bekend over de resultaten daarvan? Wat is de relatie tussen het zien van geweld tussen de ouders en later zelf slachtoffer dan wel pleger worden van geweld? En, ook van belang, hoe komt het dat het merendeel van de kinderen die getuige is van geweld thuis, zelf later niet gewelddadig wordt? Deze vragen vormden de leidraad voor een drieledige vraagstelling waarbij wordt ingegaan op de aard en effecten van de problematiek, op ontwikkelde buitenlandse interventies voor kinderen uit deze doelgroep en op recent ontwikkelde Nederlandse initiatieven op dit terrein. 1. Wat is bekend uit de met name buitenlandse 5 literatuur over de problematiek van kinderen die getuige zijn (geweest) van geweld tussen hun ouders op korte en langere termijn? Wat is de (gezins)achtergrond en leefsituatie van deze kinderen? In hoeverre lopen deze kinderen, jongens en meisjes, een grotere kans om later zelf slachtoffer en/of pleger te worden van geweld in huiselijke kring en daarbuiten? 6 Wat is bekend over buffers die negatieve effecten bij kinderen die getuige zijn van thuisgeweld kunnen verzachten en die bijdragen aan het doorbreken van een geweldsspiraal? 2. Met welk type interventies is in het buitenland ervaring opgedaan en op welke vooronderstellingen en analyses zijn dergelijke interventies gebaseerd? Wat zijn de doelgroepen die men bereikt en wie blijven (vermoedelijk) buiten beeld? Wat zijn de ervaringen en resultaten van deze interventies tot nu toe? Wat zijn successen en wat zijn valkuilen? Welke organisaties zijn betrokken en welke niet? 3. Waaruit bestaan de (kleinschalige) Nederlandse initiatieven, wat zijn de ontwikkelingen en hoe kunnen deze projecten worden getypeerd in vergelijking met buitenlandse projecten? In hoeverre zijn de beschreven en bij voorkeur geëvalueerde buitenlandse interventies toepasbaar in Nederland? Wat zijn sterke en wat zijn zwakke punten? Om de vraagstelling verder uit te werken, zijn er verschillende bronnen geraadpleegd. Ten eerste is in juni 2001 in Canada een internationaal congres over kinderen als getuige van geweld bezocht, is aldaar recent verschenen literatuur vergaard en zijn contacten met 6

7 sprekers gelegd voor aanvullende schriftelijke informatie. Ten tweede is een specifiek gerichte literatuurstudie verricht. De elektronische zoekmethode bestond eruit om in een universitaire bibliotheek internationale databestanden te screenen, door combinaties van in de thesaurus aanwezige steekwoorden in te voeren en tevens een bepaald tijdvak (1990 tot heden) te selecteren. 7 De volgende combinaties van steekwoorden bleken relevant: family violence, child witness, gender, criminality. Daarnaast zijn databestanden en jaargangen van tijdschriftcollecties gescreend in vakbibliotheken op het gebied van jeugd, seksueel geweld, criminaliteit en jeugdbescherming. Enkele artikelen zijn getraceerd via een sneeuwbalmethode door relevante literatuurverwijzingen uit bestaande documenten te raadplegen. 8 Ten derde is gezocht naar websites op het terrein van geweld in het gezin en kinderen als getuige. Tot slot zijn aantekeningen gemaakt van telefonische contacten met een aantal Nederlandse initiatiefnemers over interventies gericht op kinderen (en hun ouders) die getuige zijn van geweld. Schriftelijk materiaal over een uitgewerkte methodiek of opgedane ervaringen bleek nog spaarzaam Kinderen als getuige van geweld tussen hun ouders In historisch opzicht vormen kinderen als getuige van geweld in huiselijk kring een problematiek van een groep die lang onzichtbaar is gebleven, seen but not heard 10. Kinderen als getuige van geweld worden in publicaties van de laatste jaren vergeten, onbedoelde, stille en verborgen slachtoffers genoemd (Zie ook Edleson, 1999a). Dit vergeten is betrekkelijk; in opvanghuizen heeft men al jarenlang ervaringen met kinderen die getuige waren van geweld, maar daarover is weinig op schrift naar buiten gebracht. Bovendien lag het accent, zeker in de jaren tachtig, op de opvang en begeleiding van mishandelde vrouwen en niet zozeer op de effecten van mishandeling van vrouwen op hun kinderen. Fantuzzo en Mohr (1999) merken op dat beleidsmakers en onderzoekers deze groep over het hoofd hebben gezien en dat daardoor betekenisvolle data over de aard, omvang en gevolgen van de problematiek goeddeels ontbreken. De laatste jaren komt daar zowel internationaal als nationaal een kentering in. Met het besef dat kinderen zowel op korte als op lange termijn ernstige schade kunnen ondervinden van het geweld, openen zich nieuwe perspectieven voor preventie en interventie. Er ontwikkelen zich nieuwe vormen van samenwerking tussen vrouwenopvang, politie, jeugdzorg, geestelijke (volks)gezondheidszorg, kinderbescherming en scholen, met het doel problemen rond geweld op integrale wijze aan te pakken Afbakening In deze verkennende studie ligt het accent op kinderen die getuige zijn van fysiek geweld dat gericht is tegen hun moeders, waarbij degene die mishandelt meestal hun vader of moeders (ex)vriend is. Fysiek geweld gaat vaak gepaard met verbale bedreiging en intimidatie. 12 Strikt genomen kan het kind ook getuige zijn van het feit dat moeder vader slaat of zien dat vader of moeder broertjes en zusjes slaat. Soms zijn het juist oudere kinderen in het gezin die agressie uitoefenen over jongere kinderen en/of hun ouders tiranniseren. De geraadpleegde literatuur over kinderen als getuige biedt nog nauwelijks zicht op de relationele dynamiek van al deze vormen van geweld. 13 7

8 Waarvan zijn kinderen nu precies getuige? In tegenstelling tot wat sommige ouders denken en vooral hopen - de kinderen sliepen boven, speelden buiten - zijn kinderen vaak aanwezig bij geweldsincidenten tussen de ouders. Volgens Jaffe, Wolfe en Wilson (1990) ziet of hoort 80% van de kinderen het wanneer hun moeder mishandeld wordt. Fysieke mishandeling kan bestaan uit klappen, stompen, schoppen; er kunnen voorwerpen en wapens worden gebruikt, soms met dodelijke afloop. 14 Kinderen worden op verschillende manieren blootgesteld aan dit geweld (Edleson, 1999a). Ze kunnen ooggetuige zijn, bijvoorbeeld van vader die moeder een trap geeft. Soms worden kinderen ter bescherming of als doelwit letterlijk in de conflicten betrokken. Het kan ook zijn dat ze het geweld niet zien, maar er wel aan worden blootgesteld doordat ze verontrustende geluiden horen van geschreeuw, klappen die vallen, brekend glas, gegil. 15 Bij herhaald geweld zijn kinderen bovendien getuige van dreiging en angst voor geweld. Ze voelen zich soms tussen twee vuren geplaatst en hebben het idee dat zij hun moeder of broertjes en zusjes moeten beschermen (NCH, 1994; Dijkstra, 2001). Kinderen kunnen daarnaast geconfronteerd worden met de gevolgen van geweld, zoals ravage, verwondingen en verlies, zoals een in hun ogen plotselinge vlucht uit hun vertrouwde omgeving naar een opvangadres (Edleson, 1999a; NCH, 1994; Dijkstra, 2001) Omvang Er zijn, noch in Nederland noch in het buitenland, onderzoeksgegevens bekend over hoeveel kinderen jaarlijks worden blootgesteld aan geweld in hun gezin van herkomst. De schattingen die in de VS in omloop zijn, variëren van 3.3 miljoen tot 10 miljoen kinderen (Peled, Jaffe en Edleson, 1995; Osofsky, 1999). Edleson (1999a) licht deze schattingen toe. De schatting van 3.3 miljoen kinderen, afkomstig van Carlson (1984), is gebaseerd op een onderzoek van Straus, Gelles en Steinmetz uit In dat laatste onderzoek is gesteld dat zich in bijna drie miljoen Amerikaanse huishoudens tenminste elk jaar een ernstig geweldsincident voordoet. Carlson ging ervan uit dat er in 55% van de huishoudens kinderen zijn en dat het gemiddeld aantal kinderen per huishouden twee is. Volgens Edleson is de becijferde 3.3 miljoen een onderschatting: noch huishoudens met kinderen onder de drie jaar, noch gescheiden paren waren opgenomen in dit onderzoek; de term geweld werd alleen gebruikt wanneer sprake was van verwondingen. Straus schatte in 1992 dat 10 miljoen kinderen getuige zijn van geweld in het gezin. Hij baseerde zich op een retrospectieve studie van Straus en Gelles uit 1990 waarin volwassenen werd gevraagd of, en zo ja hoe vaak, tijdens hun puberteit hun vader hun moeder had geslagen en andersom. Ongeveer 1:8 volwassenen herinnerde zich geweldsincidenten destijds tussen hun ouders. Op grond van die gegevens komt Straus tot de schatting dat tenminste eenderde van alle Amerikaanse kinderen getuige is geweest van geweld tussen hun ouders. Er zijn wel Nederlandse cijfers over de omvang van mishandeling van vrouwen voorhanden in heteroseksuele partnerrelaties. Uit een representatief onderzoek van Römkens (1992) onder 1016 vrouwen blijkt dat 287 vrouwen, ofwel 28,2 procent, ooit geweld van een partner ondervond. Van deze groep mishandelde vrouwen heeft 43,5% (125), één of meer kinderen en geeft 1:4 van deze vrouwen aan dat zij ook mishandeld zijn tijdens de zwangerschap. Uit Römkens studie blijkt dat 1 op de 5 geïnterviewde vrouwen (203) eenzijdig geweld heeft ondervonden van een partner; 11% maakte ernstig geweld mee. 8

9 Een deel van de kinderen die getuige is van geweld, is daarnaast direct slachtoffer. Precieze gegevens hierover ontbreken. Wel zijn er twee soorten gegevens over kinderen zelf en over moeders die daar een licht op werpen. Naar schatting van Jazwinsky en Augustine (1999) is 30% tot 40% van kinderen die in het Canadese Britisch Columbia in opvanghuizen terechtkomt, behalve getuige van zich herhalend geweld eveneens zelf slachtoffer geweest van geweld in het gezin. Roelofs (1996) vond in een Nederlands dossier-onderzoek naar 116 meldingen van fysieke mishandeling van kinderen bij de BVA s, dat daarnaast ten minste 26% van de moeders ook mishandeld werden. In een recent artikel stelt Lamers (1999) op basis van divers onderzoek vast dat kindermishandeling in tussen de 30% en 60% van de gevallen samengaat met mishandeling van moeders; bij de vermelde 60% ging het overigens om een onderzoeksgroep van moeders die in een opvanghuis verbleef. 16 Verhoudingsgewijs wordt in veel studies vermeld dat er een overlap bestaat tussen kindermishandeling en vrouwenmishandeling maar feitelijk is er nog maar heel weinig onderzoek beschikbaar over dit verband, zo constateert Edleson (1999b). Volgens hem komt dit ook doordat deze overlap zelden primair onderzoeksdoel was. Hij concludeert op basis van een beknopt overzicht van 12 methodologisch geavanceerde onderzoeken dat in ongeveer de helft van de gevallen waarin kinderen geslagen worden ook moeders mishandeld worden. Als gekeken wordt naar de gevallen waarin moeder mishandeld wordt, blijkt ook de helft van de kinderen klappen te krijgen. 17 De schattingen van de prevalentie zijn niet zondermeer om te zetten naar Nederlandse kinderen; daarvoor ontbreken teveel gegevens. In ieder geval kan verwacht worden dat het aantal kinderen dat getuige is van geweld aanzienlijker groter is dan de groep mishandelde kinderen. Een deel van deze kinderen is zowel getuige als slachtoffer van geweld thuis. 1.4 Drie theoretische perspectieven We beschrijven drie theoretische perspectieven die het meest in de bestudeerde literatuur worden aangehaald om de meestal nadelige effecten bij kinderen op korte en lange termijn te beschrijven en te verklaren. Daarbij valt op dat men in recente literatuur vaak een gecombineerde theoretische verklaring zoekt, zeker waneer het gaat om interpretaties van effecten op langere termijn en om kwesties van intergenerationele overdracht van normen, representaties en gedrag. In deze verkenning volstaan we met een beknopte beschrijving. De problematiek van kinderen als getuige van geweld wordt in een kader geplaatst van leertheorie, hechting en trauma Sociale leertheorie In de sociale leertheorie, ontwikkeld door Bandura, nemen principes van leren een centrale plaats in. Kinderen zouden zich nieuw gedrag eigen maken door belangrijke anderen te observeren en te imiteren, een proces dat modelling wordt genoemd. Wanneer kinderen zien dat geweld wordt gebruikt, leiden ze daaruit de boodschap af dat geweld een goed werkend middel is en ze leren bovendien dat mannen een (fysiek) machtsoverwicht hebben over vrouwen. Agressie wordt dan een manier om conflicten naar je hand te zetten en macht en controle uit te oefenen over anderen. Geweld is daarmee gewoon, acceptabel en rechtvaardig 9

10 geworden. Een voorbeeld van deze theoretische benadering, aldus Jaffe, Wolfe en Wilson (1990), is te vinden in de studie van Straus en anderen: Straus and his collegues (Straus et al, 1980) pointed out that children in violent homes learn several important lessons about conflict resolution. They are taught that violence is an appropriate way of resolving conflict in intimate relationships. These children learn that assaultive behavior and threats are very effective means to maintain power and control over other people. They will acquire all the rationalizations about this violence being an essential strategy whenever there is too much or too many problems to address. In any event, children learn that the victims of the violence have brought this consequence upon themselves by their own behavior or by the fact that they are devalued by being a woman ( Jaffe, Wolfe and Wilson, 1990, 52) Gehechtheidstheorie In toenemende mate staat in de hechtingstheorie de vraag centraal hoe vroege hechtingservaringen zich bij mensen als mentale representaties verankeren (Nicolai, 2000; 333). Vanuit het perspectief van de gehechtheidstheorie waarvan Bowlby de grondlegger is, bedreigen geweld en het aanschouwen van geweld bij een kind de ontwikkeling van een veilige gehechtheid. Onveilige gehechtheid, evenals gedesorganiseerde of ambivalente gehechtheid kan hiervan een resultaat zijn (Dutton, 2000; Nicolai, 2001). Volgens Nicolai, die zich baseert op onderzoek van Main en Hesse, kan gedesorganiseerde hechting zich voordoen wanneer de hechtingsfiguur tegelijkertijd bron van veiligheid én van angst is; er is dan bij kinderen sprake van gelijktijdige toenadering en vermijding. Dutton (2000) stelt vast dat verminderde gehechtheid aan de ouders één van de cruciale mechanismen is die optreedt na het zien van geweld tussen de ouders. Het geweld toont dat de ouder(s) niet garant kunnen staan voor veiligheid en bescherming. Als gevolg van deze informatie kan het kind komen tot een blijvende aanpassing van het innerlijke model van de wereld, anderen en zichzelf. Relevant is het onderscheid dat Nicolai (2001) aanbrengt tussen hechtingsgedrag, hechtingssysteem en hechtingsstijl. Hechtingsgedrag is het gedrag dat kinderen en volwassenen laten zien als ze gescheiden worden van de bron van veiligheid. Het hechtingssysteem bestaat uit niet-bewuste innerlijke werkmodellen, die leidend zijn voor het beeld van zichzelf en anderen. De hechtingsstijl is het patroon of de biografie van gehechtheid. Een eenmaal verworven gehechtheidsstijl zou redelijk stabiel zijn, ook over generaties heen. Nicolai noemt een intergenerationele gelijkenis van hechtingsstijl tussen vader en kind van 69% en tussen moeder en kind van 75%. Zij concludeert dat hechting een vrij constante representatie is die van generatie op generatie wordt overgedragen Traumatheorie In het brede spectrum van het traumaperspectief wordt de angst, bedreiging en hulpeloosheid die kinderen ervaren als getuige van geweld, in verband gebracht met het begrip traumatisering. Kinderen zijn fysiek en psychisch kwetsbaarder dan volwassenen, waardoor traumatisering bij kinderen ook de ontwikkeling in het voelen, denken en de relatie tot zichzelf en anderen kan stremmen en vervormen. Herhaling van aspecten van het trauma in spel, gedrag en gedachten worden wel gezien als pogingen om het trauma meester te worden (Terr, 1990). Falshaw en anderen (1996) gebruiken het begrip trauma-learning om aan te geven dat iemand die mishandeld wordt kan veranderen in iemand die zelf mishandelt; in psychodynamische theorie ook wel aangeduid met turning passive into active en identificatie met de agressor. 10

11 Volgens deze auteurs kunnen mensen die als kind mishandeld waren of die getuige waren van geweld in de criminaliteit belanden vanuit een poging om te ontsnappen aan de traumatisering die hen achtervolgt. Het theoretisch gedachtegoed van trauma omvat zowel kennis over neurobiologische veranderingen in hersenverbindingen en hersenstructuur als gevolg van trauma, cognitieve veranderingen waardoor basisaannamen over de mensen en de wereld ter discussie komen te staan en psychodynamische veranderingen als gevolg van de moeizame omgang met overweldigende emoties (Dijkstra, 2000, 41-43). Korte en langere termijn reacties van kinderen op het frequent aanschouwen van ernstig geweld zijn gerelateerd aan de manieren waarop kinderen met deze indringende gebeurtenissen om kunnen gaan. Latere klachten zijn beschouwd in het licht van criteria voor post traumatische stress klachten (ptsd), zoals depressie, zich opdringende gedachten en beelden, angst, slapeloosheid, nachtmerries, gespannenheid, verstoorde agressie, overgevoeligheid, vermijding, irritatie ( Lehmann, 1997; Kilpatrick en Williams, 1998; Graham-Bermann en Levendosky, 1998; Dutton, 2000). In de woorden van Dutton: The possibility exists that witnessing a parent being struck by another parent is traumatizing. It may destroy the belief in the victim s parent s ability to protect and make life secure for the child and may force a localizing of loyalty at a premature stage. (Dutton, 2000, 61) In deze geschetste theoretische perspectieven spelen de concepten van leren, bindingen en traumatisering een meer of minder belangrijke rol. Hun werking bij (het getuige zijn van) geweld is ondermijnend (Terr, 1990; Falshaw en anderen, 1996; Dutton, 2000). Volgens sommige auteurs is het juist de combinatie van negatieve ervaringen met leren, problemen met hechting en traumatisering die nadelige effecten op korte en lange termijn en problemen met agressie extra vergroot. Ter illustratie nog een citaat: Although witnessing parental violence, being shamed and being insecurely attached are three sources of trauma in and of themselves, the combination of the three over prolonged and vulnerable developmental phases constitutes a dramatic and powerful trauma source. (Dutton, 2000, 63) Onbelicht in genoemde theoretische perspectieven blijft het specifieke genderkarakter van geweld; zowel in het plegen ervan als in het omgaan met de gevolgen. Aanleiding voor Miedzian s (1995) betoog learning to be violent, is het feit dat minstens 90% van het veroordeelde criminele geweld door jongens en mannen wordt gepleegd. Zij stelt in haar analyse vast dat geweld bij Amerikaanse jongens wordt aangemoedigd; men beschouwt geweld als een gewone reactie op boosheid en frustratie. Miedzian brengt dit in verband met wat zij de masculine mystique noemt (competitie, dominantie, emotioneel niet betrokken) en die in literatuur bekend staat als coderingen van mannelijkheid. Volgens Miedzian kunnen coderingen van mannelijkheid zich in geval van geweld verschillend manifesteren in groepsverkrachting, joy-riding of in de bereidheid om iemand te beroven, aan te vallen en zelfs te doden. Nicolai (2001) merkt in haar artikel over hechting op dat behalve het beeld van gehechtheid, gender en de mate van internalisatie en externalisatie een belangrijke rol spelen, waarbij vrouwen in het algemeen eerder internaliserende stoornissen vertonen. 18 Op het verband tussen gender en internaliserend en externaliserend gedrag komen we terug in hoofdstuk 2 als het gaat om de effecten die het getuige zijn van geweld op meisjes en jongens heeft. 11

12 1.5 Kenmerken van onderzoek Het is niet eenvoudig om goed onderzoek te doen naar geweld in gezinnen; op het hobbelige onderzoeksterrein doen zich verschillende methodologische beperkingen voor. Het is moeilijk om toegang te krijgen tot gezinnen waarin geweld speelt. Nog moeilijker is het om deze vaak turbulent levende volwassenen en kinderen te volgen. De soms elkaar snel opvolgende veranderingen in hun leven verhouden zich moeizaam tot de structuur die nodig is voor het verzamelen van onderzoeksgegevens op meerdere tijdstippen. De specifieke kenmerken van onderzoek naar geweld lijken eveneens van toepassing op de problematiek van kinderen als getuige van geweld. Op basis van de bestudeerde literatuur lichten we er vier uit: In de eerste plaats is het moeilijk zicht te krijgen op de omvang en de aard van de doelgroep. Er zijn niet veel prevalentiegegevens over fysieke mishandeling van zowel jongens als meisjes en over seksueel misbruik van jongens. Draijer (1988) stelde in haar representatieve en retrospectieve studie naar seksueel misbruik van meisjes vast dat een op de zes à zeven vrouwen (15.6%) tussen de 20 en 40 jaar voor haar zestiende door een verwant seksueel misbruikt wordt. Zoals aangegeven bestaan er evenmin cijfers over de omvang van het aantal kinderen dat jaarlijks getuige is; Amerikaanse schattingen daarover lopen uiteen. Ook verschillen in operationele definities van geweld en van getuige zijn van geweld, beperken de reikwijdte van onderzoek en de discussie over effecten (Fantuzzo en Mohr, 1999; Falshaw en anderen, 1996). Ten tweede zijn er geen precieze gegevens bekend over het percentage kinderen dat behalve getuige is van geweld tussen hun ouders zelf ernstige klappen oploopt. Soms worden deze gegevens ook in onderzoek niet uit elkaar gehaald, waardoor effecten van het getuige zijn van geweld tussen ouders en het zelf slachtoffer zijn van geweld in het gezin, door elkaar lopen en hun (on)afhankelijke bijdrage onduidelijk blijft. Dit bemoeilijkt het opzetten van passende interventies. Ook is er nog te weinig onderzoek gedaan naar het samenspel van beschermende en risicoverhogende factoren (zie Edleson, 1999a) en de wijze waarop deze ingezet kunnen worden bij preventie en interventie. Ten derde is nog nauwelijks prospectief en longitudinaal onderzoek gedaan naar geweld in gezinnen (zie ook Baartman, 1998). 19 Door een grotere groep kinderen langere tijd te volgen, ontstaat meer zicht op de effecten. Onderzoek zou zich te veel richten op kinderen in de schoolgaande leeftijd. Verder beslaat veel onderzoek nu maar een meetmoment of gaat het om retrospectief onderzoek met geringe voorspellende waarde. Daar komt nog bij dat er relatief weinig onderzoek is waarbij men gebruikt maakt van vergelijking met een groep die geen geweld meemaakte of met een groep die geen hulp kreeg. Vergelijking kan stuiten op ethische bezwaren, zoals het uitsluiten van een deel van de onderzochte kinderen van hulp omwille van onderzoek. Ten vierde zijn er kanttekeningen te plaatsen bij de validiteit van onderzoeksbevindingen. Het is opmerkelijk dat kinderen zelf zelden aan het woord zijn gelaten over hun ervaringen als getuige van geweld tussen hun ouders. Wat zijn behoeften van kinderen aan ondersteuning? 12

13 Het is nog niet eenvoudig daarop in onderzoek een goed antwoord te krijgen. Het blijkt moeilijk te zijn om rechtstreeks bij kinderen onder de tien jaar gegevens te verzamelen die niet aan de oppervlakte blijven (mededeling T. Eijken, september 2001). Toch kan het belangrijk zijn om meer expertise op te doen over het ondervragen van kinderen. Hoewel algemeen bekend is uit onderzoek dat meestal moeders informanten en woordvoerders voor kinderen zijn, is aanvulling van andere informanten, bij voorkeur van oudere kinderen en van observaties van kinderen door professionals, gewenst. De meeste gegevens over kinderen als getuige zijn verzameld door afname van gestandaardiseerde vragenlijsten (zoals CBCL), waardoor mogelijk ook belangrijke informatie over het leven van deze kinderen wordt gemist. Bovendien heeft onderzoek zich veelal beperkt tot selecte, niet-representatieve onderzoeksgroepen. Gegevens worden bovendien vooral verzameld via moeders die terecht zijn gekomen in opvanghuizen; vaders zijn maar zelden ondervraagd (Edleson, 1999a). Dat betekent dat onderzoek naar ervaringen van kinderen zelf en hun moeders die niet in de opvang terechtkomen of zich in een crisissituatie bevinden dringend gewenst is, evenals onderzoek naar de opvoedingsverantwoordelijkheid van vaders. 1.6 Kinderen als getuige: omschrijving van het kernbegrip De toegenomen bewustwording van de problematiek heeft in de VS en Canada een debat op gang gebracht over de vraag hoe het getuige zijn van mishandeling begripsmatig dient te worden ingekaderd. Is er sprake van mishandeling? Moeten kinderen die getuige zijn van geweld in de toekomst gemeld worden? En welke, mogelijk onbedoelde consequenties heeft het wanneer de ervaringen van deze kinderen als een vorm van mishandeling worden beschouwd? Duidelijk is al wel dat het getuige zijn van geweld voor kinderen nadelige effecten heeft, al geldt dat zeker niet voor ieder kind en in gelijke mate. Het gaat om differentiële effecten en om een heterogene doelgroep. 20 Verschillende auteurs zijn er voorstander van om een melding van kinderen als getuige van geweld te beschouwen als een melding die valt binnen de categorie van kindermishandeling. Echlin en Marshall (1995) beschouwen kinderen als getuige als mishandelde kinderen die bescherming nodig hebben en gemeld moeten worden bij Child Protection Services (CPS). Naar hun mening lijken de symptomen van kinderen die getuige zijn van geweld sterk op die van mishandelde kinderen. Bovendien lopen kinderen die getuige zijn meer risico om daarnaast - mishandeld te worden, verwond te raken en mishandeld of verwaarloosd te worden door hun gevictimiseerde moeders. Interessant in dit verband zijn opmerkingen van Echlin en Marshall (1995) over de van oudsher grote terughoudendheid van CPS om zaken onder handen te nemen waarbij vrouwenmishandeling in het geding is. CPS is overwerkt, overladen met meldingen en slecht gefinancierd; men is bang om met de aandacht voor mishandeling van vrouwen en de positie van kinderen een doos van Pandora te openen. Verder is er bezorgdheid dat overheidsingrijpen leidt tot een weerspiegeling van de machteloos makende ervaringen van mishandelde vrouwen; aanpassing van de wetgeving leidt tot een verplichting tot melden die voor mishandelde vrouwen zeer nadelig kan uitpakken. Somer en Braunstein (1999) beschouwen het getuige zijn van fysiek en seksueel geweld tussen de ouders als een vorm van psychische kindermishandeling. Ouders falen om hun kinderen te beschermen tegen de traumatiserende invloed van geweld en komen daarmee niet tegemoet aan de behoeften en rechten van kinderen. 21 Volgens deze auteurs spelen in ieder 13

14 geval de volgende kenmerken van de mishandelende ouder een rol bij psychische kindermishandeling en dus ook standaard bij kinderen die getuige zijn: verwerpen, vernederen, terroriseren, isoleren, corrumperen, exploiteren en emotionele verantwoordelijkheid ontkennen. Andere auteurs zoals Dutton (2000), benadrukken de verwevenheid tussen kindermishandeling, affectieve verwaarlozing en vrouwenmishandeling. Zij plaatsen de problematiek van kinderen als getuige van geweld in het licht van meervoudig geweld. De interesse gaat hierbij vooral uit naar de cumulatie van traumatiserende invloeden. 22 Er zijn ook auteurs die verbindingen leggen tussen het getuige zijn van geweld en later pesten op school of met het zogenaamde dating violence, ofwel geweld tussen jongeren die verkering hebben. (Sudermann en Jaffe, 1997; Kelly, Health Canada, 2001; Thames Valley District School, 2001). 23 De auteurs in de hier aangehaalde literatuur noemen geen percentages noch doen ze schattingen over de sterkte van het verband. Belangrijk in de discussie over de plaatsbepaling zijn ook de argumenten om kinderen als getuige van geweld niet te rekenen tot kindermishandeling. Volgens Edleson (1999a; 2001) is het onjuist om uit bezorgdheid over wat kinderen als getuige meemaken aan geweld in het gezin, het getuige zijn voor de wet te scharen onder de noemer kindermishandeling. Hij onderbouwt zijn standpunt als volgt: Op deze wijze wordt veronachtzaamd dat een deel van de kinderen die getuige is van geweld geen ontwikkelingsproblemen heeft; de groep die veel problemen heeft (meestal daarnaast slachtoffer is) wordt vermoedelijk toch al gemeld; Door het getuige zijn van geweld als mishandeling te bestempelen, worden pogingen van mishandelde moeders over het hoofd gezien om een veilige omgeving te creëren voor zichzelf en hun kinderen; De handelwijze van Child Protective Services (in Nederland AMK en Raad) kan mishandelde vrouwen zeer terughoudend maken om over hun mishandeling te praten uit de reële angst dat hun kinderen dan worden afgenomen, dat wil zeggen onder toezicht gesteld of uithuis geplaatst; Nadeel voor kinderen die getuige zijn van geweld is dat ze door de verplichting tot melden, tegen hun zin kunnen worden gescheiden van hun moeder en uithuis worden geplaatst. In deze studie wordt vooralsnog het standpunt ingenomen de problematiek van kinderen als getuige van geweld voorlopig af te bakenen van kindermishandeling. Dit om onbedoelde en ongewenste gevolgen tegen te gaan. Het getuige zijn van geweld is een probleem maar geen synoniem voor het zelf ondergaan van geweld als slachtoffer. Gewaakt moet worden voor een aanpak die mishandelde vrouwen klem zet en haaks staat op het vergroten van de mentale, sociale en fysieke weerbaarheid van deze moeders en hun kinderen. Evident is wel dat het getuige zijn van geweld schadelijk is voor kinderen; het tast op zijn minst hun gevoel van veiligheid aan. Bovendien lopen zij meer kans om slachtoffer te worden van fysiek geweld en seksueel misbruik (Fantuzzo en Mohr, 1999). Per geval dienen zorgvuldige afwegingen over melding en handelwijze gemaakt te worden; er zijn vooralsnog geen sluitende beslisregels vast te stellen. In deze afwegingen dient de duur, ernst en actualiteit van het geweld te worden meegenomen, evenals de samenhang met eventueel fysieke, psychische of seksuele mishandeling van het kind, de band met de ouder(s), het contact met broers en zussen en de leeftijd en het geslacht van kinderen. 14

15 1.7 Opbouw van de basisverkenning In dit eerste hoofdstuk is een indruk gegeven van de problematiek van kinderen die getuige zijn van geweld en van de achtergrond, vraagstelling en werkwijze van dit onderzoek. We vervolgen de basisverkenning met hoofdstuk 2 dat ingaat op onderzoek naar de korte en lange termijn effecten die kinderen ondervinden van het getuige zijn van geweld. Daarbij staan we stil bij de ernst van het geweld, de invloed van gender en leeftijd en bij de invalshoek van beschermende en risicoverhogende factoren. Speciale aandacht bestaat in dit hoofdstuk voor de vraag of en in hoeverre kinderen als getuige van geweld meer kans lopen om later slachtoffer en pleger van geweld te worden, een fenomeen dat in de geweldsliteratuur bekend staat onder de term cycle of violence. In hoofdstuk 3 bespreken we een aantal buitenlandse interventieprogramma s en enkele Nederlandse initiatieven die gericht zijn op kinderen (en hun moeders) als getuige van geweld. In kaart wordt gebracht welke organisaties betrokken zijn bij het initiatief en de uitvoering, op welke kinderen men zich richt, wat de status en korte inhoud is van het programma en wat er bekend is over de effecten. In hoofdstuk 4 worden de bevindingen in een breder verband geplaatst. Er worden aandachtspunten geformuleerd voor de problematiek, beleid, praktijk en verder onderzoek. 1 Een vierde geweldsvorm die hier buiten beschouwing wordt gelaten, is dat kinderen getuige zijn van oorlogssituaties. Zie daarvoor bijvoorbeeld de vakbibliotheek van ICODO te Utrecht. Sommige auteurs vergelijken het leven in sommige Amerikaanse buurten wel met living in a warzone. 2 Volgens Edleson (1999a) is nog weinig onderzoek verricht naar de meervoudige impact van geweld in de buurt, de media en het gezin op kinderen (865). In deze literatuurstudie zijn los van de aangehaalde opmerkingen van Osofsky (1999) geen artikelen gevonden van onderzoek dat deze vormen van getuige zijn van geweld combineert. 3 Wanneer kinderen geweld op tv zien zou dat agressie bij de kijker vergroten, tot langdurige effecten leiden en de kijker in emotionele zin minder gevoelig maken (Somer en Braunstein, 1999). Volgens Miedzian (1995) kijken Amerikaanse jongens gemiddeld 28 uur per week tv en zijn vooral gewelddadige avonturenfilms en MTV popmuziek hun favoriete genres. Sandra Graham-Bermann sprak op een conferentie in London, Ontario, over een onderzoek naar mediageweld bij kinderen in de leeftijd van 3-8 jaar in de opvang en op school. De meest bekeken programma s waren: Jerry Springer, Power Rangers en Godzilla. Relevant in dit verband is het in 1999 opgerichte Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM). Zij bracht in 2001 een kijkwijzer uit met een codeformulier om de mate van fysiek en seksueel geweld en de indringendheid in kaart te brengen. Het NICAM stelt zich tot doel te bevorderen dat in Nederland goede en uniforme classificatie van audiovisuele media plaatsvindt door de 15

16 audiovisuele sector zelf ten behoeve van de consumenten, mede ter bescherming van jeugdigen tegen mogelijk schadelijke invloeden van audiovisuele producten (2001, 2). Informatie: 4 Met deze opmerking wordt de vraag opgeworpen of er een verband te leggen is tussen (het getuige zijn van) geweld in het gezin van herkomst en later gewelddadig gedrag. Deze kwestie wordt aan de orde gesteld in hoofdstuk 2. 5 Met buitenlandse literatuur wordt vooral Canadese en Amerikaanse literatuur bedoeld. Er zijn daarnaast enkele verwijzingen naar Finse (Haapsalo en Pokela, 1999), Australische (Indermaur, 2001) en Engelse literatuur (NCH, 1994). 6 Met geweld binnenshuis en buitenshuis wordt fysiek geweld en criminele geweldspleging bedoeld: een ander bedreigen, pijn doen of letsel toebrengen (zie De Haan en anderen, 1999, 74). Psychisch en seksueel geweld als aparte categorieën blijven hier buiten beschouwing. 7 Screening van de volgende databases: ERIC, PSYCHINFO en PICARTA. 8 Van sommige referenties bleken tijdschriften niet aanwezig noch opvraagbaar in Nederland; van andere vaak zogenaamde grijze en vaak intern uitgegeven literatuur bestond alleen een korte beschrijving in een database. Andere artikelen daarentegen waren uitsluitend elektronisch opvraagbaar. 9 Met uitzondering van Let op de Kleintjes (De Ruiter, 1999) en Spelenderwijs ( Riphagen, 2000) en meer algemene literatuur die bij leefgroepwerk in het opvanghuis aansluit, zoals Opvoedingsondersteuning in de maatschappelijk opvang (Becker, Heyboer en Peper, 2000). 10 Kinderen zijn zelf maar zelden geïnterviewd over hun ervaringen met het getuige zijn van geweld. Een Nederlandse uitzondering is bijvoorbeeld Omdat mijn vader zo slaat van Corinne de Beer (Sua, 1981). 11 Voorbeelden van deze allianties zijn te vinden in projecten in de vier grote steden zoals VeiligHuis Utrecht; Geweld achter de voordeur, Rotterdam; in gemeentelijke samenwerking rond geweld zoals de integrale aanpak van geweld in Haarlem; in de provinciale samenwerking bij geweld in Zeeland, De Vrijblijvendheid voorbij en in het project Thuisfront in de drie noordelijke provincies. 12 In deze studie concentreren we ons vooral op het getuige zijn van fysiek geweld, variërend in ernst van een klap tot zware mishandeling. Lichamelijke mishandeling impliceert een schending van de fysieke integriteit (zie ook Römkens, 1992, 7) en psychische krenking. Daarnaast kunnen kinderen getuige zijn van seksueel geweld; daarover is in de hier besproken literatuur weinig specifieke informatie gevonden. Seksuele dwang wordt vaak verzwegen en is een moeilijk onderzoekbaar onderwerp (zie voor een bespreking: Römkens,1992, 58/59). 16

17 13 Van Lawick, J. en M. Groen. Intieme oorlog. Over geweld en kwetsbaarheid in gezinsrelaties. Van Gennep, Amsterdam, Volgens Miedzian (1995) zou doodslag in het gezin] de laatste dertig jaar meer dan verdubbeld zijn, van 4.7 gevallen op de in 1960 naar 10 op de in 1991 (10). 15 Volgens Carter, Weithorn en Beherman (1999) worden weliswaar de termen witness en exposure door elkaar gebruikt, maar verwijst de eerste naar ooggetuige zijn en de tweede naar op andere wijze geconfronteerd worden met het geweld. Exposure is dus een bredere term. 16 Deze gegevens zijn afkomstig uit een studie van Hughes uit 1988, aangehaald in Lamers (1999) en in Edleson, 1999b. 17 Onduidelijk is in hoeverre de gegeven percentages over dezelfde doelgroep gaan. Met andere woorden, gaat het om dezelfde of verschillende groepen mishandelde moeders en mishandelde kinderen? Edleson (1999b) stelt in dit artikel vast dat vanuit twee richtingen onderzoek wordt gedaan naar het verband tussen kindermishandeling en vrouwenmishandeling. Een strategie is om bij gevallen van kindermishandeling in gezinnen na te gaan of vrouwen ook mishandeld worden, bijvoorbeeld door medische dossiers van vrouwen na te gaan. Een andere strategie is om bij vrouwenmishandeling onder vrouwen met kinderen naar solide aanwijzingen te zoeken voor kindermishandeling. 18 Nicolai (2001) formuleert twee interessante uitzonderingen. Behalve mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis zijn dit mannelijke adolescenten met anti-sociale trekken met een minachting voor hechtingservaringen en personen; een subclassificatie die, aldus Nicolai, criminaliteit lijkt te kunnen voorspellen (338). 19 Fantuzzo en Mohr (1999) spreken van longitudinaal onderzoek bij kinderen dat wordt verricht vanuit een ontwikkelingsgericht epidemiologisch raamwerk. 20 Deze gedachtegang volgend kan er differentiatie aangebracht worden in de handelwijze van een meldpost nadat bekend geworden is dat een kind getuige is van geweld. Edleson (2001) geeft aan dat er ook andere risicofactoren zijn die om een specifieke aanpak vragen, zoals een drugsverslaafde ouder, de aanwezigheid van wapens in huis, de voorgeschiedenis van degene die mishandelt, de wijze waarop het kind reageert op het geweld (24). 21 Offending fathers should be aware that by failing to shield their children from observing their mother being brutalised by them, they are also maltreating their watching offspring, and are so liable to criminal prosecution. (Somer en Braunstein, 1999, 453). 17

18 22 Witnessing parental violence is typically part of a confounded set of traumatogenic influences on early development. Dysfunctional-violent families where interparental abuse occurs, also tend to present failures of opportunity for secure attachment, and increased risk of direct physical and emotional abuse of the child. (Dutton, 2000, 64) 23 Dating violence wordt door K. Kelly van Health Canada (2001) op de website omschreven als Any intentional sexual physical or psychological attack on one partner by the other in a dating relationship. 18

19 2 Effecten op korte en langere termijn Witnessing parental violence is typically part of a confounded set of traumatogenic influences on early development. Dysfunctional-violent families where interparental abuse occurs, also tend to present failures of opportunity for secure attachment, and increased risk of direct physical and emotional abuse of the child. (Dutton, 2000, 64) The link between witnessing and perpetrating is complex and mediated by a number of social and situational factors. (Indermaur, 2001, 5) 2.1 Inleiding Wat ondervinden kinderen van het feit dat ze getuige zijn van geweld tussen hun ouders en welke risico s lopen ze daarbij? Deze schijnbaar eenvoudige vraag, zo is al af te leiden uit bovenstaande citaten, leidt tot complexe antwoorden. In dit hoofdstuk bespreken we literatuur die ingaat op de grote variëteit aan effecten op korte en langere termijn. In het bijzonder schenken we aandacht aan de vraag wat onderzoek te zeggen heeft over in hoeverre kinderen die getuige zijn meer kans lopen om later gewelddadig te worden of opnieuw slachtoffer te worden van geweld in intieme relaties. Daarnaast gaan we in dit hoofdstuk in op mogelijke verschillen in effecten van kinderen als getuige van geweld op grond van hun leeftijd en sekse. In hoeverre zijn gevonden effecten leeftijdspecifiek? Is het inderdaad zo dat jongens die getuige zijn verhoudingsgewijs hun probleemgedrag meer naar buiten en op anderen richten en meisjes hun problemen meer op zichzelf betrekken door zich bijvoorbeeld terug te trekken? Onderzoeksgegevens op dit jonge onderzoeksgebied kennen de nodige beperkingen. Voordat we inhoudelijk ingaan op bovenstaande vragen stellen we eerst twee andere kwesties aan de orde. We bespreken effecten van het getuige zijn van geweld in het licht van de vraag of er aanwijzingen zijn voor herhaling van geweld, een verschijnsel dat in de literatuur aangeduid wordt met de term 'cycle of violence'. Daarna beschrijven we kenmerken die de kwaliteit van dit type onderzoek naar kinderen als getuige van geweld bepalen. 2.2 Cycle of violence? Al enkele decennia is er een debat gaande over het vraagstuk of er zowel theoretisch als empirisch ondersteuning te vinden is voor de gedachte dat geweld zich herhaalt, zowel binnen als tussen generaties. De veelgebruikte term 'cycle of violence' kan in het Nederlands als 'spiraal van geweld' worden benoemd (Dijkstra, 1999; Dijkstra, 2000; 28-31). Belangrijke aanname die in dit debat ter discussie staat, is de zogenaamde overdrachtshypothese. Daarin stelt men dat het ondergaan van geweld in de jeugd met grote waarschijnlijkheid leidt tot later gewelddadig optreden, met name in de rol van ouder. Mishandelde kinderen van vandaag zijn wel de mishandelaars van de toekomst genoemd. De effecten van jeugd in de kindertijd 19

20 worden in de gedachtegang van de cycle of violence nogal eens voorgesteld als onontkoombaar en onveranderlijk. Er zijn in deze optiek slechts twee posities mogelijk: herhalen en doorbreken van het geweld. (Dijkstra, 1999). Weinig zicht is er nog op gecompliceerde vragen als wat in soortgelijke posities het ene kind gewelddadig of crimineel maakt, een ander depressief en weer een ander opvallend weinig nadelige gevolgen ondervindt. De gedachte dat probleemgedrag zich over generaties herhaalt, is niet voorbehouden aan geweld. Het is ook bekend uit de hulpverlening en psychiatrie (overdracht van psychische stoornissen) en de criminologie. De Haan en anderen (1999) concluderen in hun recente studie naar jeugdgeweld dat er sprake is van continuïteit in delinquent gedrag door generaties heen. De verklaring daarvoor dient naar hun idee vooral gezocht te worden in de overdracht van normen en waarden over geweld. Een bekender voorbeeld nog is het intussen klassieke criminologische werk dat Widom met verschillende collega's heeft verricht. In haar onderzoeken bespreekt ze resultaten van grote groepen mishandelde, misbruikte en verwaarloosde kinderen die langdurig zijn gevolgd. Deze onderzoeksgroep wordt vergeleken met een vergelijkbare controlegroep die geen mishandeling in hun voorgeschiedenis heeft (1989; 1991; 1994; 2001). Wat heeft deze gedachtegang van de cycle of violence te maken met kinderen als getuige van geweld? Het is in ieder geval van belang om te realiseren dat het bij effecten bij kinderen die getuige waren niet gaat om causale verbanden, ofwel relaties tussen oorzaak en gevolg. Bij effecten gaat het om een samenhang tussen variabelen (zie ook Edleson, 1999a) 23. De veronderstelling is daarbij dat een kind dat blootgesteld wordt aan geweld in een risicovolle positie terechtkomt waarin meer kans is op schade. De veronderstelling, hoewel aannemelijk,] kan niet worden onderbouwd door grootschalig onderzoek naar de lange termijn gevolgen van kinderen die thuis getuige zijn van geweld. Wel is onderzoek gedaan naar effecten van vooral fysieke mishandeling van kinderen in gezinnen. Kinderen die mishandeld worden lopen in vergelijking met kinderen zonder dergelijke ervaringen grotere kans om (later) zelf mishandeld te worden of gewelddadig te worden. Dit verhoogde risico is echter bepaald niet onontkoombaar of onomkeerbaar. Vooralsnog blijkt uit veel onderzoek dat de meerderheid van mishandelde kinderen geen dader wordt, noch van geweld in een relatie, noch van crimineel gedrag (Kaufman en Zigler, 1987; Widom, 1991). Kaufman en Zigler (1987) schatten in een op populatieonderzoek gebaseerde overzichtsstudie dat ongeveer tweederde van de fysiek mishandelde kinderen het geweldspatroon doorbreekt. In hun beschouwing stellen ze vast dat de cycle of violence geen algemeen voorkomend patroon is. Ook andere onderzoekers bevestigen het beeld dat een minderheid van jongeren - en dan vooral jongens - problemen geeft met agressie en gewelddadig crimineel gedrag (Totten, 2001; Falshaw, 1996; Widom, 1989; 1991). Recentelijk laten de bevindingen uit de prospectieve studie van Widom en Maxfield (2001) een minder rooskleurig beeld zien. De onderzoekers komen terug op hun eerdere conclusie dat de meerderheid van mishandelde en verwaarloosde kinderen geen dader wordt. Ze vergeleken 908 respondenten die als kind mishandeld of verwaarloosd werden met een gematchte controlegroep van 667 kinderen. Zij stellen vast dat de groep verwaarloosde en mishandelde respondenten een verhoogde kans loopt op arrestatie tijdens de adolescentie (59%), op arrestatie als volwassene (28%) en de kans vergroot op gewelddadig crimineel gedrag (30%). Vooral mishandelde en vaak ook verwaarloosde jongens pleegden meer 20

Scholieren Over Mishandeling

Scholieren Over Mishandeling Scholieren Over Mishandeling Resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs Prof.dr. F. Lamers-Winkelman Prof.dr. N.W. Slot Dr.

Nadere informatie

PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN. Van papier naar werkelijkheid

PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN. Van papier naar werkelijkheid PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN Van papier naar werkelijkheid Datum: 21 mei 2014 Advies: KOM/004/2014 Gemeentelijke preventie van kindermishandeling van papier naar werkelijkheid De Kinderombudsman

Nadere informatie

Over de grens. Opvattingen van jongeren en beroepskrachten over grensoverschrijdend seksueel gedrag van jongeren

Over de grens. Opvattingen van jongeren en beroepskrachten over grensoverschrijdend seksueel gedrag van jongeren Over de grens Opvattingen van jongeren en beroepskrachten over grensoverschrijdend seksueel gedrag van jongeren Auteur(s) Datum MOVISIE Sander Kramer Kristin Janssens Leyla Çinibulak Marianne Cense Utrecht,

Nadere informatie

Wmo Kenniscahier Wmo Instrumenten. Wmo Essay12. partnergeweld. De pedagogische opdracht van het jongerenwerk. Essay

Wmo Kenniscahier Wmo Instrumenten. Wmo Essay12. partnergeweld. De pedagogische opdracht van het jongerenwerk. Essay Wmo Kenniscahier Wmo Instrumenten Wmo Essay12 07 Moeders Van faciliteren en hun naar kinderen verbinden over partnergeweld De pedagogische opdracht van het jongerenwerk Essay Jodi Susan MakKetner Majone

Nadere informatie

SEKSUALISERING: REDEN TOT ZORG? Een verkennend onderzoek onder jongeren

SEKSUALISERING: REDEN TOT ZORG? Een verkennend onderzoek onder jongeren SEKSUALISERING: REDEN TOT ZORG? Een verkennend onderzoek onder jongeren SEKSUALISERING: REDEN TOT ZORG? Een verkennend onderzoek onder jongeren Dit onderzoek is gefinancierd door het ministerie van Onderwijs,

Nadere informatie

Aard, omvang en impact op de gezondheid van relationeel geweld op Curaçao

Aard, omvang en impact op de gezondheid van relationeel geweld op Curaçao Aard, omvang en impact op de gezondheid van relationeel geweld op Curaçao een empirische studie onder de beroepsbevolking van Curaçao Lianne Rückert Masterscriptie Criminologie November 28 Geneeskundige-

Nadere informatie

Vechtende ouders, het kind in de knel. Adviesrapport over het verbeteren van de positie van kinderen in vechtscheidingen

Vechtende ouders, het kind in de knel. Adviesrapport over het verbeteren van de positie van kinderen in vechtscheidingen Vechtende ouders, het kind in de knel Adviesrapport over het verbeteren van de positie van kinderen in vechtscheidingen Datum: 31 maart 2014 Advies: KOM003/2014 2 Vechtende ouders, het kind in de knel

Nadere informatie

Kinderen met een handicap in Tel

Kinderen met een handicap in Tel Kinderen met een handicap in Tel Kerngegevens per provincie, gemeente en wijk Bas Tierolf Dick Oudenampsen Kinderen met een handicap in Tel Kerngegevens per provincie, gemeente en wijk Bas Tierolf Dick

Nadere informatie

Jonge delinquenten van 16-23 jaar met een lichte verstandelijke beperking en problematisch middelengebruik J. van der Nagel en R.

Jonge delinquenten van 16-23 jaar met een lichte verstandelijke beperking en problematisch middelengebruik J. van der Nagel en R. 2 Inhoudsopgave Samenvatting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 9 1.1 Doel en opzet 9 1.2 Definities 10 1.3 Leeswijzer 11 Hoofdstuk 2 Delinquentie, LVB en middelengebruik: samenhang en omvang van de groep 13 2.1

Nadere informatie

beleidsdossier Klopt dit nu? 6 jaar werken rond familiaal geweld

beleidsdossier Klopt dit nu? 6 jaar werken rond familiaal geweld beleidsdossier Klopt dit nu? 6 jaar werken rond familiaal geweld Klopt dit nu? 6 jaar werken rond familiaal geweld Inhoudstafel 1. Twee kantelmomenten 6 1.1 Wat is familiaal geweld?... 6 1.2 Hoe vaak

Nadere informatie

methodiek bij de aanpak van complexe scheidingen

methodiek bij de aanpak van complexe scheidingen methodiek bij de aanpak van complexe scheidingen 1 methodiek complexe scheidingen methodiek bij de aanpak van complexe scheidingen 2 methodiek complexe scheidingen Voorwoord Als kinderen een scheiding

Nadere informatie

Methodebeschrijving Signs of Safety. Databank Effectieve interventies huiselijk geweld

Methodebeschrijving Signs of Safety. Databank Effectieve interventies huiselijk geweld Methodebeschrijving Signs of Safety Databank Effectieve interventies huiselijk geweld Deze methodebeschrijving is gemaakt door: Els Kok MOVISIE e.kok@movisie.nl Els Kok is projectleider van de afdeling

Nadere informatie

Ouders met een verstandelijke beperking

Ouders met een verstandelijke beperking Ouders met een verstandelijke beperking Ouders met een verstandelijke beperking Een praktijkstudie Dina Joha Deze publicatie is gemaakt door het Landelijk KennisNetwerk Gehandicaptenzorg (LKNG). Het LKNG

Nadere informatie

Wat werkt? MOVISIE / Trimbos-instituut. Peter Rensen, Silke van Arum & Radboud Engbersen

Wat werkt? MOVISIE / Trimbos-instituut. Peter Rensen, Silke van Arum & Radboud Engbersen Wat werkt? Een onderzoek naar de effectiviteit en de praktische bruikbaarheid van methoden in de vrouwenopvang, maatschappelijke opvang en opvang voor zwerfjongeren. Peter Rensen, Silke van Arum & Radboud

Nadere informatie

Kindermishandeling voorkomen: het kan!

Kindermishandeling voorkomen: het kan! Kindermishandeling voorkomen: het kan! PREVENTIE IN GEMEENTEN omslag1 Inhoudsopgave 1 Voorwoord 3 Preventiepunt 1: Screening tijdens de zwangerschap 7 Preventiepunt 2: Voorlichting geweldloos opvoeden

Nadere informatie

Kijk.. dan zie je het! Huiselijk geweld geteld en verdiept

Kijk.. dan zie je het! Huiselijk geweld geteld en verdiept Kijk.. dan zie je het! Huiselijk geweld geteld en verdiept Cijfers 2010 t/m 2012 Kijk.. dan zie je het! Huiselijk geweld geteld en verdiept Cijfers 2010 t/m 2012 In opdracht van Mariëtte Christophe, programmaleider

Nadere informatie

Methodebeschrijving Uit de schaduw van de ander

Methodebeschrijving Uit de schaduw van de ander Methodebeschrijving Uit de schaduw van de ander Groepshulpverlening aan vrouwen na huiselijk geweld Databank Effectieve interventies huiselijk geweld Deze methodebeschrijving is gemaakt door: Wilma Schakenraad

Nadere informatie

Typologie voor een strategische aanpak van multiprobleemgezinnen in Rotterdam

Typologie voor een strategische aanpak van multiprobleemgezinnen in Rotterdam Typologie voor een strategische aanpak van multiprobleemgezinnen in Rotterdam Een studie in het kader van Klein maar Fijn - CEPHIR Auteurs: Dr. Majone Steketee Dr. Myriam Vandenbroucke Juni 2010 Typologie

Nadere informatie

Versterken van vaderschap in Amsterdam

Versterken van vaderschap in Amsterdam Een vader is meer dan 100 meesters Versterken van vaderschap in Amsterdam Trees Pels Susan Ketner Pauline Naber (red.) 1 2 Een vader is meer dan 100 meesters Versterken van vaderschap in Amsterdam Redactie:

Nadere informatie

Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden

Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden Annette Roest Anne Marike Lokhorst Cok Vrooman Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag,

Nadere informatie

Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter

Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter Een advies over vroegtijdige signalering en interventies bij opvoed- en opgroeiproblemen Opgesteld door de Inventgroep, te weten: Prof. Dr. Jo

Nadere informatie

NIET ZWIJGEN HOREN, ZIEN, DEEL 1. Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties

NIET ZWIJGEN HOREN, ZIEN, DEEL 1. Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties HOREN, ZIEN, NIET ZWIJGEN DEEL 1 Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties Horen, zien, niet zwijgen Deel I Onderzoek naar de kwaliteit van

Nadere informatie

D e a u v a n o u d e rd o m

D e a u v a n o u d e rd o m De au van ouderdom Hilde Bakker Joop Beelen Carla Nieuwenhuizen De au van ouderdom Ouderenmishandeling, perspectieven voor hulpverlening NIZW eerste druk: september 1999 tweede druk: februari 2000 1999

Nadere informatie

De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen

De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen Onderzoek op eigen initiatief naar aanleiding van klachten en signalen over de Bureaus Jeugdzorg Onderzoeksteam

Nadere informatie

Is de zorg gegrond? Analyse van het feitenonderzoek aan de basis van ingrijpende jeugdzorgbeslissingen

Is de zorg gegrond? Analyse van het feitenonderzoek aan de basis van ingrijpende jeugdzorgbeslissingen Is de zorg gegrond? Analyse van het feitenonderzoek aan de basis van ingrijpende jeugdzorgbeslissingen de Kinderombudsman, 10 december 2013 KOM/008/2013 Woord vooraf Elk kind heeft het recht om te wonen

Nadere informatie

(H)echte sociale bindingen?

(H)echte sociale bindingen? (H)echte sociale bindingen? Een onderzoek naar de sociale bindingen van migrantenjongeren en hun gedrag in het licht van de sociale controle theorie van Hirschi Bachelorscriptie Bestuurskunde Begeleider:

Nadere informatie

Tussen flaneren en schofferen

Tussen flaneren en schofferen Tussen flaneren en schofferen Tussen flaneren en schofferen Een constructieve aanpak van het fenomeen hangjongeren Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling Tussen flaneren en schofferen Een constructieve

Nadere informatie

Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin.

Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin. Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin. Auteur: Eva Geesing 2 Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg?

Nadere informatie

10 jaargangen PIJ-ers Kenmerken en Veranderingen

10 jaargangen PIJ-ers Kenmerken en Veranderingen 10 jaargangen PIJ-ers Kenmerken en Veranderingen 10 jaargangen PIJ-ers Kenmerken en Veranderingen Datum december 2008 Dr. E.F.J.M. Brand Dr. A.A. van den Hurk Informatieanalyse en Documentatie 1 2 Colofon

Nadere informatie

Kindermishandeling en huiselijk geweld. KNMG-meldcode

Kindermishandeling en huiselijk geweld. KNMG-meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld KNMG-meldcode Colofon KNMG-meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld is een uitgave van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst

Nadere informatie