logoocw de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA Den Haag 5 maart 2004 VO/F/04/9969

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "logoocw de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA Den Haag 5 maart 2004 VO/F/04/9969"

Transcriptie

1 logoocw de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA Den Haag Den Haag Ons kenmerk 5 maart 2004 VO/F/04/9969 Onderwerp Afschaffing van de leeftijdscorrectie in het VO Zoals toegezegd in het algemeen overleg van 12 februari 2004 over de lumpsum in het primair onderwijs ontvangt u hierbij mijn antwoord op vragen over de afschaffing van de leeftijdscorrectie. Alvorens in te gaan op de specifieke vragen van de Kamer, wil ik aangeven waarom de bekostiging in het voortgezet onderwijs wordt vereenvoudigd en toelichten waarom ik voorstel de leeftijdscorrectie af te schaffen. 1. De vereenvoudiging van de bekostiging in het voortgezet onderwijs. Schoolbesturen hebben de laatste jaren steeds meer zeggenschap gekregen. Het beleid is erop gericht deze trend met kracht door te zetten, ook waar het de bekostiging betreft. In dit verband is het belangrijk de trits beslissen-betalen-genieten zo veel mogelijk in één hand te krijgen. Scholen dienen te profiteren van hun eigen beslissingen en hebben daartoe beleidsruimte nodig. In het kader van de bekostiging zijn al belangrijke stappen gezet. De overgang van een declaratiestelsel naar lumpsum per 1 augustus 1996 was de grootste. Uit de evaluatie van de invoering van de lumpsum (aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden bij brief van 18 april 2001, niet-dossierstuk ocw ) is gebleken dat de meeste scholen daar tevreden over zijn, zij willen de geschiedenis niet terugdraaien. Maar nog steeds bepaalt een groot aantal parameters de bekostiging in het voortgezet onderwijs. Parameters die hun grondslag vinden in bekostigingsformules die teruggaan tot de jaren 70. De relatie daarmee is echter niet meer goed te leggen door latere bezuinigingen en intensiveringen. De inhoudelijke ontwikkelingen van het onderwijs zijn ook niet meer duidelijk te relateren aan het bekostigingsstelsel. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag T F W

2 blad 2/6 Dat betekent dat we nog steeds te maken hebben met een relatief ondoorzichtig systeem van bekostigen met vele parameters. De afschaffing van de leeftijdscorrectie voor leraren is een onderdeel van het wetsvoorstel ter vereenvoudiging van de bekostiging VO zoals dat in maart aan de Kamer wordt aangeboden. De vereenvoudiging van de bekostiging is een totaalpakket van acht maatregelen dat beoogt de bekostiging van het voortgezet onderwijs inzichtelijker en meer voorspelbaar te maken. De vereenvoudiging sluit aan bij het streven naar vermindering van regelzucht en bureaucratie zoals geformuleerd in het Hoofdlijnenakkoord. De scholen zullen in de nieuwe systematiek eerder worden bekostigd op het aantal daadwerkelijk aanwezige leerlingen. De bijlagen bij de bekostigingsbrieven worden minder uitvoerig. Dit komt de duidelijkheid ten goede: scholen kunnen beter zelf nagaan op welk bedrag ze nu en in de toekomst kunnen rekenen. Scholen kunnen daarnaast beter afwegen welk soort onderwijs ze aanbieden, zonder dat daarbij financiële overwegingen een oneigenlijke rol spelen. Verder worden onredelijke en onbillijke elementen die nu nog in het systeem zitten, uitgeschakeld. Ten slotte gaat de overheid een steeds afstandelijker rol spelen. Daarbij past een bekostiging op hoofdlijnen en niet het sturen via verfijningen. 2. De afschaffing van de leeftijdscorrectie De huidige bekostiging legt door de leeftijdscorrectie op het onderwijzend personeel nog een sterke relatie tussen de rijksbijdrage die scholen krijgen en de kosten die scholen maken. Er wordt van uitgegaan dat de kosten toenemen naarmate het personeel ouder wordt. Eerdere maatregelen hebben er al toe geleid dat het verband tussen de leeftijd van onderwijzend personeel en hun beloning aanzienlijk is afgenomen. Deze maatregelen waren: herziening van de salarissystematiek met een overstap van leeftijds- naar functiebeloning; inkorten van de carrièrelijnen door afschaffen van de periodiekenstops en het terugbrengen van de lijnen tot 18 jaar; toevoegen van middelen voor scholen met vmbo voor extra functies op LC- en LD-niveau (dat wil zeggen de voormalige schalen 11 en 12); toevoegen van middelen aan de bekostiging voor beloningsdifferentiatie in het kader van integraal personeelsbeleid; het bedrag voor competentiebeloning zal nog enkele jaren stijgen de grotere instroom van zij-instromers. Zij-instromers worden over het algemeen niet via het reguliere carrièrepad van de beginnende leraren ingeschaald, maar op basis van hun eigen arbeidsverleden. De voordelen van afschaffing zijn dat scholen beter meerjarig kunnen plannen. Nu is het zo dat scholen een bedrag voor leeftijdscorrectie ontvangen als zij ouder zijn dan de scholen die tot dezelfde schoolsoortgroep (bv. brede scholengemeenschappen) behoren. Dat wil zeggen dat eerst bekend moet worden hoe de leeftijden zich hebben ontwikkeld bij de soortgelijke scholen voordat de hoogte van de rijksbijdrage precies bekend is. Pas op dat moment weet een school waar zij aan toe is. Overigens staat het geld dan nog niet op de rekening van de school, dat gebeurt in de huidige situatie pas op 1 augustus (de versnelling van 1 augustus naar 1 januari maakt ook deel uit van de voorstellen tot vereenvoudiging

3 blad 3/6 van de bekostiging). Na de vereenvoudiging weten scholen al direct na de telling hoe hoog de rijksbijdrage zal zijn. Dat betekent een tijdswinst van circa 5 maanden. Dit maakt ook dat scholen veel beter dan nu in staat zullen zijn om investeringen te plannen, veel scholen houden immers een meerjarenraming voor hun leerlingenaantallen bij. Daarnaast wordt de administratieve last teruggebracht. Scholen hoeven de gegevens immers niet meer aan het ministerie te leveren en ook niet meer door de accountant te laten controleren. Door de afschaffing zullen scholen bovendien een zuiverder afweging maken tussen kwaliteit en salaris. Immers, in dienst nemen van een oudere leerkracht wordt niet meer gecompenseerd via de leeftijdscorrectie en het inhuren van een jongere leerkracht niet langer afgestraft. De nadelen van de afschaffing zijn uiteraard de herverdeeleffecten die de vereenvoudiging van de bekostiging met zich mee brengt. Er moet wel aan worden toegevoegd dat het gaat om een pakket aan maatregelen. De scholen zullen niet de gevolgen van elke maatregel afzonderlijk voelen, maar de gevolgen van het totale pakket. Een school kan er op grond van de ene maatregel op achteruit gaan, maar kan er evengoed op grond van een of meer andere maatregelen op vooruit gaan. Door achteruitgang in de bekostiging kunnen scholen in de problemen komen. Ik ben er echter van overtuigd dat de overgangsregeling scholen in staat stelt hun beleid hierop aan te passen. 3. Draagvlak voor de voorstellen Over de voorstellen, inclusief de overgangsmaatregel is overleg gevoerd met de besturenorganisaties in het voortgezet onderwijs en met de VVO. De meerderheid van de organisaties (inclusief de VVO) is het eens met het wetsvoorstel. De scholen die zich hebben geschaard achter de petitie die op 12 februari j.l. is aangeboden aan de Vaste Commisie van OCW ( 89 scholen) vormen een kleine minderheid binnen het totaal aantal scholen (565 scholen). 4. Specifieke vragen van de Kamerleden. Kamerleden hebben specifieke vragen gesteld over de effecten van de afschaffing van de leeftijdscorrectie. Deze vragen worden onderstaand beantwoord. De mogelijke gevolgen voor oudere docenten? Oudere docenten zijn weliswaar duurder dan hun jongere collega s, maar het is een misverstand om te denken dat ze van jaar op jaar duurder worden. Immers een docent komt na 18 jaar op zijn maximumsalaris en wordt daarna (in loonkosten) niet meer duurder. Uit de gegevens van maart 2003 (CASO) blijkt dat 50% van de docenten nu al op het maximum zit. Ik verwacht niet dat oudere docenten door deze maatregel op straat komen te staan. Een school die leerlingengroei kent heeft zijn docenten hard nodig. Het lerarentekort laat zich het meest voelen op scholen die een stijgend leerlingenaantal hebben. Juist deze scholen hebben baat bij de overgang op kalenderjaarbekostiging. Immers op dit moment is het zo dat leerlingen geteld op 1 oktober van het jaar t-1 pas in de bekostiging van 1 augustus van het jaar t zijn verwerkt. Door de overgang op kalenderjaarbekostiging worden de leerlingen al per 1 januari van het jaar t bekostigd. Dat is een versnelling van 7 maanden. Daardoor hoeven scholen minder voor te financieren en hebben zij meer ruimte om jonge docenten in dienst te nemen en daalt de gemiddelde leeftijd van de docenten. Kortom:

4 blad 4/6 oudere docenten op scholen die leerlingengroei hebben, zijn hard nodig en door de school ook goed te bekostigen. Scholen die leerlingendaling kennen, zullen net als nu hun personeelsbestand moeten aanpassen aan het leerlingtal. Zij zullen maatregelen moeten nemen die passen bij de individuele situatie van de school. Schoolbesturen die er door de vereenvoudiging van de bekostiging meer dan 1,5% op achteruitgaan, ontvangen een overgangsbudget waardoor zij geleidelijk kunnen toegroeien naar de nieuwe situatie. Gevolgen voor schaalgrootte? Er is in de herverdeeleffecten geen relatie met schoolgrootte gevonden. Er zijn ook kleine scholen die er sterk op vooruitgaan. Wel is het zo dat kleine scholen relatief minder mogelijkheden hebben om financiële risico s af te dekken. Op basis van de nu bekende gegevens valt niet te voorzien dat kleine scholen extra in de problemen komen. Immers, het wetsvoorstel dat u spoedig zult ontvangen bevat een fatsoenlijke overgangsregeling voor de schoolbesturen (die zijn immers werkgever) die er meer dan 1,5% op achteruitgaan. Deze besturen krijgen in het 1e jaar 100% van de achteruitgang gecompenseerd, in het 2e jaar 66% en in het 3e jaar 33%. Dit bedrag wordt in één keer in 2005 uitgekeerd. Dit bedrag wordt op bestuursniveau uitgekeerd. Dat betekent dat éénpitters (groot en klein) sneller voor het hele overgangsbudget in aanmerking komen dan besturen met meer dan één school. Wegen de herverdeeleffecten op tegen de deregulering? Deregulering is winst voor iedereen. Immers scholen hoeven minder gegevens op te leveren en kunnen beter plannen. Zoals vrijwel altijd bij aanpassingen van de bekostiging zijn er schoolbesturen die er op korte termijn op achteruitgaan. Dit is dan ook de reden dat is gekozen voor een overgangsregeling. Wat zijn de gevolgen op de langere termijn? De gevolgen op langere termijn zijn dat scholen zich meer zullen richten op het verkrijgen van een personeelsbestand dat gemêleerd is. Hierdoor kunnen allerhande risico s beter gespreid worden. Het is in ieder geval niet de verwachting dat er een fusiegolf op gang zal komen of en al helemaal niet dat scholen failliet zullen gaan. Oud wordt jong? Het onderwijspersoneel in het voortgezet onderwijs hoort tot het meest vergrijsde van de hele onderwijssector. Die mensen zullen binnen een aantal jaren uitstromen en worden vervangen. Die vervanging zal uiteraard jonger zijn dan de huidige leraren (oud wordt dan jong). Het jongere personeel zal waarschijnlijk minder loonkosten met zich mee brengen. De termijn waarop grootschalige vervanging plaats zal vinden verschilt uiteraard van school tot school. Scholen die nu relatief oud zijn, zullen als eerste de verjongingsslag maken. Wat zijn de consequenties van achteruitgang? De achteruitgang in budget doet zich nu vooral voor bij schoolbesturen met relatief oude leraren. Zoals hierboven al beschreven zijn dat de besturen die het eerst weer zullen verjongen. De achteruitgang is

5 blad 5/6 daarmee tijdelijk. Verder ga ik er vanuit dat de overgangsregeling die ik na overleg met de besturenorganisaties en de VVO in het wetsvoorstel heb opgenomen voor de overgrote meerderheid van schoolbesturen voldoende ruimte biedt om naar de vereenvoudigde bekostiging over te gaan. Er is op basis van de voorlopige getallen gekeken of er zich schrijnende gevallen zullen voordoen. Dat geldt slechts in een aantal specifieke gevallen en met deze schoolbesturen wordt overleg gevoerd over een maatwerkoplossing. Afschaffen van de leeftijdscorrectie heeft ook gevolgen voor de zij-instroom? Zij-instroom wordt steeds meer de bron waar scholen hun leraren uit betrekken. Zij-instromers worden door de school ingeschaald op basis van hun eigen arbeidsverleden en kunnen duurder uitvallen dan een leraar die net van de lerarenopleiding afkomt. Het is daarmee niet zo dat zij-instromers per definitie duurder zijn dan reguliere docenten, maar het zij hier herhaald zij zorgen er in ieder geval voor dat de relatie tussen leeftijd en salaris steeds zwakker wordt. Gevolgen voor de OCW-begroting? Er zijn geen gevolgen voor de OCW-begroting. Er is sprake van herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de bekostiging en dat wil zeggen er scholen op vooruit en dat er scholen op achteruitgaan. De overgangsregeling wordt bekostigd door het budget van de scholen die er op vooruitgaan af te romen. Modale percentages van achteruitgang? De herverdeeleffecten zijn vorig jaar voorlopig berekend op basis van de gegevens van 1 oktober Voor een klein aantal besturen is een aanvullende analyse gepleegd (voor besturen die er meer dan 4% op achteruitgaan) om te bezien of maatwerk noodzakelijk was. Uit de analyse bleek dat er geen bijzondere knelpunten waren op enkele zeer specifieke gevallen na. Op basis van deze bevindingen is de algemene overgangsregeling ontworpen die in het wetsvoorstel is opgenomen. Inmiddels heb ik nieuwe leerlinggegevens en leeftijden per 1 oktober 2003 ontvangen. Met deze gegevens wordt het overgangsbudget bepaald. De definitieve berekeningen op basis van de gegevens van 1 oktober 2003 zijn op dit moment gemaakt. Op basis van die gegevens blijkt dat 276 schoolbesturen (circa 80% van de besturen) een wijziging van budget kent tussen een vooruitgang van 4% en een achteruitgang van 4%. De overgangsregeling stelt besturen die er tussen 1,5% en 4% op achteruitgaan in staat met de achteruitgang om te gaan. De analyse van de besturen die er meer dan 4% op achteruitgaan (24 besturen, 7% van het totaal) moet nog plaatsvinden. Ik zal nagaan of het evenals in de vorige analyse om een beperkt aantal zeer specifieke knelpunten gaat. Pas daarna kan ik bepalen of en zo ja welke maatwerkoplossingen ik zal treffen. De mening over de petitie? Ik heb kennis genomen van de petitie zoals die op 12 februari jl. aan de vaste Kamercommissie is aangeboden. Ik deel de mening van deze scholen niet. Naar mijn mening blijft de bekostiging op een fatsoenlijk niveau en zijn er voor scholen voldoende mogelijkheden om met een mogelijke achteruitgang in budget om te gaan.

6 blad 6/6 Ik hoop hiermee uw vragen afdoende te hebben beantwoord. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (Maria J.A. van der Hoeven)