PROFIEL VAN DE HERNIEUWBARE ENERGIESECTOR. CASESTUDIE: GROENE STROOMPRODUCTIE IN VLAANDEREN

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "PROFIEL VAN DE HERNIEUWBARE ENERGIESECTOR. CASESTUDIE: GROENE STROOMPRODUCTIE IN VLAANDEREN"

Transcriptie

1 FACULTEIT ECONOMISCHE EN TOEGEPASTE ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN PROFIEL VAN DE HERNIEUWBARE ENERGIESECTOR. CASESTUDIE: GROENE STROOMPRODUCTIE IN VLAANDEREN Hans Van Nuffel Verhandeling aangeboden tot het behalen van de graad van Handelsingenieur Promotor : Prof. Dr. D. VANNESTE

2 FACULTEIT ECONOMISCHE EN TOEGEPASTE ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN Hans Van Nuffel Profiel van de hernieuwbare energiesector. Casestudie: groene stroomproductie in Vlaanderen Korte Inhoud Verhandeling: De verhandeling is opgedeeld in twee afzonderlijke delen. Het eerste deel geeft een theoretische omkadering waarin onder meer wordt onderzocht wat de belangrijkste invloedsfactoren zijn die er bestaan om een gezond investeringskader te creëeren voor de hernieuwbare energiesector. Verder behandelt dit deel ook nog enkele aspecten van beleid en de economische implicaties dat de uitbouw van een hernieuwbare energiesector met zich meebrengt. Het tweede deel van deze verhandeling poogt om deze theorie toe te passen op de Vlaamse groene stroomproductie. Zo wordt er ondermeer gepeild naar de visies van bedrijven op het vlak van het potentieel in Vlaanderen voor hernieuwbare energie, het belang van steunmaatregelen, vestigingsfactoren en de invloed op de regionale ontwikkeling. Promotor : Prof. Dr. D. VANNESTE

3

4 I Dankwoord Een dankwoord dient om mensen te bedanken voor iets wat ze hebben gedaan. Dit is dan ook wat ik hier wens te doen. Tijdens mijn academische studies heb ik veel mensen ontmoet, die mijn dankbaarheid verdienen. Toch zijn er enkele die hier een speciale vermelding verdienen. Vooreerst wens ik mijn oprechte dank uit te drukken aan mijn promotor Prof. Dr. D. Vanneste voor niet alleen het nalezen van mijn verhandeling en de verbetering van de vele taalfouten, maar voornamelijk om mij bij te staan met raad en daad en het geven van opbouwende kritiek. Het heeft dit werk zeker een meerwaarde gegeven. Ten tweede kan ik mijn ouders niet genoeg bedanken voor de mogelijkheid die ze mij hebben geboden om te studeren en te leven in Leuven gedurende vijf jaar. Met nog twee studerende zussen in Leuven besef ik maar al te goed dat het niet altijd gemakkelijk was voor mijn ouders om dit te dragen. Tot slot wil ik de stad Leuven en mijn vrienden bedanken voor de aangename tijd, die ik als student heb gekend. Hartelijk dank, Hans Van Nuffel

5 II Voorwoord Toen ik de studie handelsingenieur aanvatte kon ik me niet van de indruk ontdoen dat duurzaamheid en milieubewust handelen bijna haaks stonden op economisch rationeel denken i.e. een samenleving waarbij bedrijven vooral aandacht besteden aan winstmaximalisatie en, om evidente redenen, externe negatieve effecten niet of nauwelijks in rekening brachten. In de looptijd van mijn studie is mijn visie hieromtrent echter sterk gewijzigd. Duurzaamheid en ook meer specifiek hernieuwbaarheid van energie worden meer en meer aanzien als basisconcepten voor het verwezenlijken van economische groei in de toekomst. De dreigende schaarste aan grondstoffen in de toekomst en de gewijzigde publieke opinie zijn hiervoor belangrijke drijfveren. Wil een land economisch sterk blijven, zal het moeten investeren in de greening van de economie. Gelukkig kunnen we vaststellen dat steeds meer bedrijven en ook beleidsmakers dit al maar meer beginnen te beseffen. Ten tweede heeft de overvloedige media-aandacht, onder andere veroorzaakt door de klimaatfilm van voormalig Amerikaanse presidentskandidaat Al Gore, alles wat met duurzaamheid en het sparen van het milieu te maken heeft, terecht of onterecht, een hot topic gemaakt in de recente academische- en beleidsliteratuur. Ik wens de lezer van dit werk dan ook veel leesplezier en hoop dat ik met dit werk kan bijdragen tot het verschaffen van meer inzicht in enkele facetten van de boeiende wereld van hernieuwbare energie en duurzaam ondernemen.

6 III Table of Contents 0. Inleiding...1 Deel 1: Theoretisch kader Hernieuwbare energie Herniewbare energie: Wat & Waarom? Duurzame ontwikkeling Hernieuwbare energietechnologieën Primitieve vormen van aanwending van hernieuwbare energie Gangbare hernieuwbare energietechnologieën Hernieuwbare energie in een economie: regional endowments en beleid Ruimtelijke differentiatie Path dependencies Regio-eigen fysische kenmerken Effecten van historische beslissingen Maatschappelijke organisatie- en beleidsstructuur Invloed van beleid Supranationaal Nationaal Socio-economische invloedsfactoren Maatschappelijk draagvlak Maatschappelijke participatie Economische implicaties Betrouwbare, propere en betaalbare energievoorziening Betrouwbare energievoorziening Propere energievoorziening en imago Betaalbare energievoorziening Meso-economisch: de hernieuwbare energiesector Sectoroverzicht First-movers-advantages Regionale ontwikkeling en multiplicatieve effecten van investeringen in hernieuwbare energietechnologie Tewerkstelling...57 Deel 2: Casestudy: productie groene stroom in Vlaanderen Inleiding Motivatie van de keuze voor de elektriciteitsproductie Electriciteitsmarkt in België Algemeen Hernieuwbare energie Overzicht en methodologie van het empirisch onderzoek Path dependencies Geografische en fysische kenmerken...66

7 IV Windenergie Zonne-energie Waterkracht Geothermische energie Biogas, Biomassa Historische beslissingen Aanwezigheid van kerncentrales Gecentraliseerd versus gedecentraliseerd energiebeleid Overcapaciteit en hoge elektriciteitsprijzen Maatschappelijke organisatie- en beleidsstructuur Bevoegdheidsverdelingen Kwaliteit van regelgeving, administratie en beleid Invloed van beleid: steunmaatregelen Feiten Systeem van Groenestroomcertificaten Garantie van oorsprong Hervormingen ecologiesteun Evaluatie door de producenten en leveranciers Systeem van groenestroomcertificaten Garanties van oorsprong Hervormingen ecologiesteun Socio-economische factoren Maatschappelijke acceptatie Maatschappelijke participatie Coöperaties Participatie van bedrijven uit niet gerelateerde sectoren en gemeentelijke participatie Economische implicaties en regionale ontwikkeling Vestigingsfactoren Fysische factoren Ruimtelijke ordening en vergunningskader Beschikbaarheid van grondstoffen Nabijheid van de eindgebruiker Nabijheid van partners Transportinfrastructuur Financiële steunmaatregelen Imagofactoren en duurzaamheid Andere vestigingsfactoren Geografische ligging Groei & tewerkstelling Groei van de sector Financiering (van groei) Spill-over effecten op andere sectoren Tewerkstelling Algemene conclusies...122

8 1 0. Inleiding Het Europese landschap wordt gekenmerkt door een grote diversiteit betreffende het aandeel van hernieuwbare energie in het totaal energie-aanbod. Zo doen de Scandinavische landen en Duitsland het relatief goed, terwijl landen als België het lijstje afsluiten. Dit roept vragen op zoals onder meer: wat zijn de oorzaken hiervan?, Wat kunnen landen of regio s die ondermaats presteren doen om hun positie binnen Europa te versterken? En de belangrijkste vraag voor beleidsmakers: wat zijn de mogelijke economische implicaties van de genomen maatregelen voor onze welvaart? Het doel van deze verhandeling is nu de lezer een dieper inzicht te verschaffen in de sector van de groene stroomproductie in Vlaanderen. De structuur, die hiervoor wordt gehanteerd is tweeledig. In het eerste deel wordt gepoogd om een antwoord te vinden op bovenstaande vragen door het maken van een literatuurstudie. Wetenschappelijke artikels en boeken, beleidsdocumenten van de instellingen van de Europese Unie en data van het International Energy Agency (IAE) en Eurostat vormen hier de belangrijkste input. Ook wordt er vaak gebruik gemaakt van kleine casestudies om de band met de praktijk te benadrukken. Dit deel is opgedeeld in 3 hoofdstukken: Het eerste hoofdstuk geeft een algemene omkadering. Het definieert de begrippen hernieuwbare energie en duurzame ontwikkeling. Het geeft ook een kort overzicht van de meest gangbare hernieuwbare energietechnologieën zonder al te technische details. Het tweede hoofdstuk geeft een overzicht van belangrijke factoren die kunnen bijdragen tot het verklaren van de grote verschillen tussen de lidstaten van de Europese Unie. Hierbij wordt zowel aandacht besteed aan regional endowments als aan de invloed van beleid. De volgende items komen achtereenvolgens aan bod: ruimtelijke differentiaties, path dependencies, invloed van beleid en socio-economische factoren. In het derde hoofdstuk wordt de nadruk voornamelijk gelegd op de economische gevolgen van het gebruik van hernieuwbare energie in de economie. Hierbij worden macro- en meso-economische gevolgen, de invloed op tewerkstelling en regionale ontwikkeling bekeken. Het doel van deel 2 van deze verhandeling is een analyse te maken van de sector van de groene stroomproductie in Vlaanderen. Het eerste deel van deze verhandeling moet hiervoor een solide theoretische omkadering bieden, die ons in staat heeft gesteld de bevoorrechte getuigen de juiste thema s voor te leggen en diepgaand te bevragen. Er werd hierbij dan ook gepoogd om in de mate van het mogelijke de structuur en volgorde van het eerste

9 2 deel over te nemen zodat het voor de lezer overzichtelijk blijft en gemakkelijker de link met de theorie kan worden gelegd. De interviews met acht experten zijn de belangrijkste input voor het empirische onderzoek m.b.t. groene stroomproductie in Vlaanderen. Andere belangrijke inputs zijn informatie en data van de Vlaamse reguleringsinstantie voor de elektriciteits- en gasmarkt (VREG) en een potentieelstudie voor hernieuwbare energie in Vlaanderen uitgevoerd door de Organisatie voor Duurzame Energie (ODE). Ook deel 2 is opgedeeld in enkele hoofdstukken. Hoofdstuk 1 motiveert ten eerste de keuze voor de elektriciteitsproductie door middel van hernieuwbare energiebronnen in Vlaanderen. Ten tweede geeft het hoofdstuk een kort overzicht van de structuur van de elektricititeitssector in Vlaanderen/België. Het bespreekt daarbij het onderscheid tussen elektriciteitstransport, -productie en -levering. Ten derde geeft het de gehanteerde methodologie alsook een korte voorstelling van de studiecase, namelijk de elektriciteitsmarkt in Vlaanderen en België. Hoofdstuk 2 bespreekt de path dependencies met achtereenvolgens: de geografische en fysische factoren, historische beslissingen en de maatschappelijke organisatieen beleidsstructuur. In hoofdstuk 3 komt de invloed van beleid op het vlak van aanwezige steunmechanismen aan bod waarbij de klemtoon ligt op het systeem van de groenestroomcertificaten. Hoofdstuk 4 behandelt de socio-economische factoren meer bepaald de maatschappelijke acceptatie en de maatschappelijke participatie op het vlak van groene stroom. Hoofdstuk 5 bespreekt de economische implicaties en de effecten op de regionale ontwikkeling. Hierbij komen vestigingsfactoren, de geografische ligging en de groei- en tewerkstellingseffecten aan bod. Telkens wordt ook de mening van de experten weergegeven waarna de les wordt samengevat. Tot slot van deze verhandeling volgt er nog een algemeen besluit waarbij enkele conclusies worden getrokken en er suggesties worden gedaan voor het beleid op Vlaams/nationaal niveau.

10 3 Deel 1: Theoretisch kader 1. Hernieuwbare energie 1.1 Herniewbare energie: Wat & Waarom? Vooreerst stelt zich de vraag wat men juist verstaat onder de term hernieuwbare energie. Een goede definitie wordt ons aangereikt door het Nederlandse Protocol Monitoring Duurzame Energie (2006: 8) als zijnde: Elke energiebron waarbij hernieuwbare energiedragers met behulp van energieconversietechnologieën kunnen worden omgezet in de secundaire energiedragers elektriciteit, warmte en/of brandstof. Deze definitie brengt weer twee nieuwe begrippen naar voren namelijk: secundaire energiedragers en hernieuwbare energiedragers. Het eerste begrip omvat al de energiedragers die door omzetting uit primiare energiedragers worden verkregen zoals geraffineerde aardolieproducten en elektriciteit (Devriendt e.a., 2004). Het tweede begrip omvat alle natuurlijke bronnen die constant hernieuwd worden en dus per definitie onuitputtelijk zijn. Bovendien produceren deze geen enkel van de schadelijke emissies noch vervuiling die men kan associëren met conventionele niet-hernieuwbare brandstoffen (EREC, 2006). Uit bovenstaande definities kunnen we dus concluderen dat kernenergie niet onder de noemer hernieuwbare energie mag worden geplaatst. Het genereert immers kernafval. De discussie omtrent het al dan niet groen zijn van kernenergie valt echter buiten de scoop van deze verhandeling. Wij zullen doorheen dit werk consequent gebruik maken van de term hernieuwbare energie en niet van de term alternatieve energie zoals deze vorm van energiewinning ook vaak wordt genoemd. De reden hiervoor is dat hernieuwbare energie al ettelijke jaren helemaal niet alternatief, in de betekenis van marginaal, meer is, maar een snel groeiende sector met toenemende industriële productiecapaciteit die verantwoordelijk is voor de creatie van vele arbeidsplaatsen.

11 4 Vandaag zijn we voor het merendeel van onze productie van energie sterk afhankelijk van niet-hernieuwbare conventionele energiebronnen zoals ruwe aardolie en steenkool. Bovendien neemt de vraag in absolute waardes naar deze vormen van energiebronnen jaarlijks in sterke mate toe (EREC, 2006) waardoor de grote zwakte van deze bronnen, namelijk de eindigheid van de bestaande reserves 1, nog meer wordt benadrukt. Bovendien kan een belangrijk percentage van deze toenemende vraag worden toegeschreven aan de enorm sterke groei die sommige grote landen, met China op kop, de laatste decennia kenmerkt. Deze bevinden zich vaak in een transitiefase en hebben bijgevolg nog niet de graad van industrialisatie bereikt zoals we die kunnen waarnemen in vele Westerse geïndustrialiseerde landen. Een direct gevolg hiervan is dat er vaak op een minder efficiënte manier met deze primaire energiedragers wordt omgegaan met vaak negatieve gevolgen voor het milieu. Een concept dat vaak door economen naar voren wordt geschoven om milieuproblematiek te verklaren in landen, die zich in dergelijke transitie bevinden, is de Environmental Kuznets curve (figuur 1). Deze geeft een evolutie weer waarbij vervuiling en andere omgevingsproblemen verslechteren gedurende de eerste stadia van economische groei om uiteindelijk te verbeteren wanneer een land een midden-inkomensstatus bereikt (Naughton, 2006). Hierbij is het duidelijk dat bij beslissingen, genomen door organisaties en de overheid om groei te stimuleren, de belangen van bepaalde stakeholders worden geschaad. Wereldwijd eist milieuverontreiniging vele onschuldige levens. Als voorbeeld om dit te staven kunnen we wijzen op de bezorgdheid die het IOC het Internationaal Olympisch Commité uitte omtrent de gezondheidsrisico s voor de atleten tijdens de Olympische Spelen van Peking in 2008 (BBC Sport, 2007). Een ander voorbeeld zijn de ontbossingen aan een hoog tempo in China om hout als brandstof te gebruiken met woestijnvorming en dus een degradatie van de omgeving tot gevolg (Naughton, 2006). Wereldwijd zijn er nu nog tal van landen die zich in een dergelijke fase van transitie bevinden waardoor ons op dit vlak nog enorme uitdagingen te wachten staan. 1 Met (energie)reserves bedoelt men het gedeelte van de (energie)voorraden dat met de beschikbare technologie en aan de beschouwde marktprijzen economisch kan uitgebaat worden (D Haeselaar, 2005: 55)

12 5 Figuur 1 : Environmental Kuznets curve (http://www.marketobservation.com/blogs/media/blogs/nr/ EnvironmentalKuznetsCurve.jpg, 2008) Los van het milieuaspect zijn er meerdere economische motieven om het gebruik van hernieuwbare energierbronnen te promoten. Enkele hiervan zijn ten eerste de prijzen van ruwe olie die de laatste jaren enorm gestegen zijn door onder meer de toegenomen vraag, wat er toe bijdraagt, dat energie-intensieve sectoren in de problemen komen. Het argument van schaarste aan primaire energiedragers is echter niet nieuw. Reeds in het rapport Grenzen aan de groei, geschreven door Dennis Meadows (1972) in opdracht van de Club van Rome, een denktank van wetenschappers, waarschuwt men hiervoor. Ten tweede bevinden veel van deze strategische voorraden aan primaire energiedragers i.e. energiedragers die in de natuur voorkomen en beschikbaar komen door winning en soms ook worden aangeduid door de benaming energiegrondstoffen (Devriendt e.a., 2004), zich in instabiele regio s zoals het Midden-Oosten. Zo werd de eerste olieschok (1973) onder meer veroorzaakt door de Arabisch- Israëlische Jom Kippoer-oorlog. De tweede olieschok (1979) was op zijn beurt het gevolg van de Iraanse revolutie en de hieruit voortvloeiende Iraans-Iraakse oorlog waarbij grote delen van de olie-industrie van beide landen vernietigd werd (Buyst, 2003). Tegelijkertijd biedt het ook opportuniteiten aan nieuwe sectoren/subsectoren om zich te ontwikkelen met een resem aan multiplicatieve effecten op de rest van de economie als resultaat. De aanwending van hernieuwbare energie in een economie kan dus op lange termijn welvaartsverhogend werken voor een grote variëteit aan stakeholders. In hoofdstuk 3 wordt er dieper ingegaan op deze multiplicatieve effecten.

13 6 1.2 Duurzame ontwikkeling Om echt een maximaal nut te behalen voor een brede variëteit aan stakeholders schiet een beslissing van louter nationale of regionale beleidsnemers om hernieuwbare energie te stimuleren echter te kort. Men dient het daarvoor te plaatsen in een ruimer kader. Dit ruimer kader kreeg voor de eerste maal een gedetailleerde invulling in het Bruntlandrapport Our Common Future (1990), dat werd opgesteld door de VN nadat het duidelijk was geworden dat milieudegradatie, economische groei, bevolkingstoename en armoede, internationaal met elkaar konden worden gelinkt. Het rapport omschreef duurzame ontwikkeling als: "Sustainable development is development that meets the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own needs." (Brundtlandrapport, 1990: Hoofdstuk 2 art. 1). Dit impliceert dus dat de huidige generatie een verantwoordelijkheid heeft ten overstaan van de toekomstige generaties en dus niet het recht heeft om alle grondstoffen op te gebruiken, zodat de toekomstige generaties van stakeholders zonder deze middelen moeten pogen om hun welvaart te behouden en zelfs te verhogen. Om tot een duurzame economische groei te komen of anders gezegd, tot een vergroening van de economie, kunnen we nu de volgende voorwaarden onderscheiden. Vooreerst de onuitputtelijkheid van grondstoffen, ten tweede het vermijden van milieubelastende effecten en ten derde het op een duurzame manier bijdragen tot de sociale en economische ontwikkeling (Devriendt e.a., 2004: 11). Het is bijgevolg een ruim concept waarbij het rationeel gebruik van energie een topprioriteit zou moeten zijn indien men de vergroening van de economie een kans op slagen wenst te geven. Aan de Technische Universiteit van Delft werd nu een beleidsstrategie ontwikkeld die als doel stelt het bereiken van een zo duurzaam mogelijke energievoorziening. Deze staat bekend onder de naam Trias Energetica (tudeflt.nl, 2006) en bevat drie stappen om het beoogde doel te bereiken. Als eerste moeten er maatregelen worden getroffen die de vraag door consumenten, bedrijven en overheid naar energie beperken. Vervolgens moet men proberen aan deze vraag te voldoen door gebruik te maken van duurzame (hernieuwbare) energiebronnen. Tot slot moet men de resterende vraag opvangen door op een zo efficiënt mogelijke manier gebruik te maken van niet-hernieuwbare energiebronnen (D haeseleer, 2005).

14 7 We kunnen dus besluiten dat een beleid, dat erop gericht is om duurzaam om te gaan met energie, zowel structurele veranderingen vereist aan de aanbod- als aan de vraagzijde van de energiemarkt. Het kan een enorme impuls betekenen voor de verdere verspreiding van hernieuwbare energietechnologieën in onze economie en opportuniteiten bieden voor een grote diversiteit aan sectoren. 1.3 Hernieuwbare energietechnologieën Primitieve vormen van aanwending van hernieuwbare energie Vaak wordt verondersteld dat het aanwenden van hernieuwbare energie voor industriële toepassingen een verschijnsel is van de laatste decennia. Niets is echter minder waar. In de vroege jaren van de industrialisatie waren water- en windmolens letterlijk de drijvende kracht achter de eerste vormen van automatisatie. De uitvinding van de Mule i.e. een spinmachine aangedreven door waterkracht, verhoogde de arbeidsproductiviteit bijna 200 maal! (Buyst, 2003). Daarom waren de eerste fabrieken vaak gevestigd op het platteland doordat men daar snelstromende rivieren en voldoende verval kon vinden voor het aandrijven van watermolens. Ook windmolens waren gelokaliseerd op plaatsen waar de wieken veel wind konden vangen. Deze waren vaak hoger gelegen plaatsen vrij van bebouwing. Het is wachten tot de stoommachine, uitgevonden door James Watt in 1769, doorbreekt in Engeland om een geografische scheiding te zien tussen de vindplaats van energiebronnen, voornamelijk steenkool en hout, en de aanwending van energie in de fabrieken in de steden, waar een pool van goedkope arbeiders gesitueerd was (Buyst, 2003). Vandaag kunnen we in beperkte mate terug de omgekeerde beweging waarnemen. Met name gaan energie-intensieve sectoren zich geografisch vestigen op plaatsen waar energie goedkoop is. Vaak betreft het plaatsen waar men regionale endownments gaat aanwenden voor het goedkoop produceren van hernieuwbare energie/groene stroom Gangbare hernieuwbare energietechnologieën In een studie, uitgevoerd in opdracht van het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (2004) maakt men een duidelijk onderscheid tussen drie verschillende groepen van hernieuwbare energiebronnen, namelijk: stromingsbronnen, bronnen die omgevings- en aardwarmte benutten en tot slot bronnen die energie uit afval

15 8 en biomassa winnen. Daar er een grote diversiteit bestaat binnen deze bronnen, betreffende aangewende technologieën en vereiste regional endownments, worden deze hieronder de meest courante technologieën per groep bondig besproken. A: Stromingsbronnen Als eerste energiebron vermelden we het gebruik van waterkracht als opwekmiddel van elektriciteit. Uit schattingen van Eurostat (figuur 2) kan men immers afleiden dat in 2004 waterkrachtcentrales verantwoordelijk waren voor 10.6 % van de totale elektriciteitsproductie in de EU-25 wat maakt dat deze bron veruit de belangrijkste hernieuwbare energiebron voor de productie van elektriciteit is in de Europese Unie. Dit kan worden verklaard door het feit dat water al gedurende een eeuw wordt aangewend voor de productie van elektriciteit (EREC, 2006). Het European Renewable Energy Council (2007) maakt verder nog een onderscheid tussen grootschalige waterkrachtcentrales waarbij zware investeringen en stuwdammen onontbeerlijk zijn en kleinschaligere projecten waarbij stromend water van een rivier door middel van bv. een waterrad, rechtstreeks wordt omgezet in elektrische energie. Naar de toekomst toe zijn deze laatste verkiesbaar doordat deze minder druk leggen op de omliggende natuur en dus ook minder nadelige gevolgen hebben voor de omwonenden. Bovendien is deze laatste toepassing van waterkacht ook bruikbaar in minder heuvel- of bergachtige regio s, omdat het aanleggen van kunstmatige stuwmeren geen vereiste is. Figuur 2: Bruto elektriciteitsopwekking volgens type van powerplant (Eurostat: European business 2006 edition Chapter 13: Energy: 243)

16 9 Als tweede stroombron beschouwen we windkracht. Windturbines duiken steeds vaker op in het dagelijkse straatbeeld. Landen zoals bv. Duitsland hebben de laatste twee decennia een succesvol beleid gevoerd ter promotie van windenergie (Jacobsson & Lauber, 2006). Ook hier kunnen we een onderscheid maken tussen grootschalige projecten met tientallen windturbines, windfarms genaamd en kleinschalige projecten, die vaak het resultaat zijn van een samenwerkingsverband tussen private groepen. Kleinschalige projecten vragen minder open ruimte dan de grootschalige windparken, die in sommige gevallen offshore op zandbanken gebouwd worden. Echter, voor beide aanwendingen van windmolens is voldoende windenergie een vereiste om een goed rendement te bekomen. Kustgebieden zijn daarom vaak een ideale locatie. Ten derde vermelden we zonne-energie waarbij we een onderscheid moeten maken tussen actief en passief gebruik ervan. Bij passief gebruik van zonne-energie komt geen specifieke apparatuur of technologie kijken. Men maakt gewoon rechtstreeks gebruik van de voordelen die zonlicht ons biedt - warmte en licht - door bijvoorbeeld grote ramen in zuidelijke richting in te bouwen in huizen. Bij actief gebruik van zonne-energie daarentegen, gebruikt men wel allerlei systemen om zonne-energie om te zetten in warmte en/of elektriciteit. Voorbeelden hiervan zijn de fotovoltaïsche zonnecel (elektriciteit) en zonneboiler (warmte) (EREC, 2006). Tot slot vermelden we nog de oceaan-energiebronnen. De voornaamste energiebronnen die men kan aanwenden voor de productie van elektricititeit betreffen golfenergie en getijdenenergie. Volgens EREC (2007) heeft golfenergie het potentieël van 1-10 TW! Deze is echter nog niet economische rendabel, maar men verwacht dat deze op lange termijn - lees ten vroegste tegen een belangrijk aandeel van onze elektriciteitsopwekking kunnen genereren (EU-EA, 2007). B: Bronnen die gebruik maken van omgevings- en aardwarmte De voornaamste bron in deze categorie is de geothermische energie. Men kan dit het best omschrijven als een grote voorraad aan energie die diep onder het aardoppervlakte opgeslagen zit in de vorm van warmte. Reeds in de oudheid werd deze vorm van energie aangewend als verwarmingsmiddel en sinds een eeuw ook als opwekmiddel van elektriciteit door gebruik te maken van stoomturbines. (EREC, 2007). Het grote voordeel ervan berust in het feit dat deze gemakkelijk zijn in opbouw en onderhoud (Celis, 2006). Dit maakt ze

17 10 bijgevolg geschikt voor gebieden met veel thermisch energiepotentieel maar lage graad van ontwikkeling. Een nadeel is echter dat men in sommige gebieden heel diep moet gaan boren om geothermische energie aan te wenden. In deze regio s is geothermische energie dus (nog) niet economisch rendabel. C: Energiewinning uit afval en biomassa Hierbij dient men een onderscheid te maken tussen de fractie die biologisch afbreekbaar is en de fractie die niet biologisch afbreekbaar is (Devriendt e.a., 2004). Het is de oudste door de mens gebruikte energiebron onder de vorm van het gebruik van hout als brandstof voor verwarming en verlichting. Een omschrijving van wat nu juist biologisch afbreekbaar is, wordt gegeven door de Vlaamse Milieu Maatschappij (2007) als: De biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval (milieurapport.be, sectie woordenboek) In landen zoals België en Nederland gaf men biomassa gedurende lange periode een heel ruime invulling. Echter sinds het EU-directive for the promotion of RES electricity production (2001) mogen landen enkel het biologische afbreekbare deel van industrieel -en gemeenschapsafval promoten als hernieuwbare energiebron (Reiche & Bechberger, 2003). Deze energiewinning uit organisch-biologische massa kan men verder onderverdelen in drie subgroepen. Ten eerste de aanwending van biomassa als middel tot verwarming, bioheating. Ten tweede de aanwending met als doel de productie van elektriciteit bv. door verbranding waarbij de ontstane warmte een stoomturbine aandrijft. Ten derde biomassa gebruiken als brandstof in de transportsector (EREC, 2007). Ondanks het feit dat er tijdens de verbranding van biomassa broeikasgassen vrijkomen, is het toch C0 2 neutraal doordat de hoeveelheid die vrijkomt immers gelijk is aan de hoeveelheid die wordt opgenomen tijdens de groeifase van de groep van planten die de biomassa uitmaakt.

18 11 2. Hernieuwbare energie in een economie: regional endowments en beleid 2.1 Ruimtelijke differentiatie Vele studies en schattingen hebben reeds aangetoond dat in vele economieën, landen of regio s hernieuwbare energie, zelfs bij het huidige niveau van technologische ontwikkeling, een belangrijk aandeel van de elektriciteitsproductie voor zijn rekening kan nemen (Reddy & Painuly, 2004). Men stelt bovendien vast dat er een grote variëteit bestaat tussen de verschillende landen van de Europese Unie op het vlak van marktpenetratie van zowel de distributie van hernieuwbare energie als van de technologieën die hiervoor verantwoordelijk zijn. Om dit te staven geeft figuur 3 in de verschillende landen van de EU de verschillen inzake het aandeel van groene stroom weer in de Europese Unie als percentage van de totale energieconsumptie in Hieruit valt zeer duidelijk grote verschillen waar te nemen tussen lidstaten. Figuur 3: Aandeel van groene elektriciteit in de totale energieconsumptie in de verschillende EU-landen (European Commission Directorate-General for Energy and Transport euenergy/res/index_en.htm, 2005)

19 12 Dit suggereert dat er bijgevolg een variëteit aan invloedsfactoren bestaat die men in beschouwing dient te nemen wanneer men de graad van penetratie in de economie wenst te vergroten. De Renewable Energy Road Map (2007: 6), opgesteld door de Europese Commissie, voegt hier nog aan toe dat slechts 9 2 van de 27 lidstaten van de Europese Unie volledig op het spoor zitten om hun aanvaarde nationale doelstellingen betreffende het aandeel van elektriciteitsconsumptie afkomstig van hernieuwbare bronnen - zoals overeengekomen in het Directive 2002/77/EC - te halen In de literatuur maakt men vaak gebruik van potentieelniveaus om een onderscheid te maken tussen verschillende niveaus van beperkingen waarmee men dient rekening te houden, indien men de penetratie van hernieuwbare energie wenst te bevorderen. Hier maken we ter illustratie gebruik van het model van ELGREEN (figuur 4) zoals ook wordt weergegeven in de studie van Devriendt e.a. (2004) 3. Potentieelniveau is een theoretisch concept dat men kan gebruiken om voor de verschillende soorten van hernieuwbare energiebronnen een overzicht te maken van wat er realiseerbaar is. Figuur 4: Potentieel niveaus van geïnstalleerde capaciteit aan hernieuwbare energie (RES) (Bron: Devriendt e.a., 2004: 18) 2 Denemarken, Duitsland, Finland, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Spanje, Zweden en Nederland (Renewable Energy Road Map 2007: 6) 3 Voor andere modellen, waaronder bv. het Ampère-model verwijzen wij naar de studie Is er plaats voor henieuwbare energie in Vlaanderen? in opdracht van het viwta door Devriendt e.a

20 13 Men maakt hier gebruik van vier verschillende potentieelniveaus. Vooreerst het theoretische potentieel i.e. de maximale hoeveelheid die men in theorie zou kunnen installeren, eventueel rekening houdend met beschikbare oppervlaktes, maximale hoeveelheid te benutten zonlicht etc. Het is dan ook een gegeven dat men min of meer als vast kan beschouwen over een aanvaardbaar tijdsinterval. Deze elementen zijn vaak plaats-afhankelijk, dus afhankelijk van zogenaamde regional endowments, en men heeft weinig of geen mogelijkheden om hierop enige invloed uit te oefenen. Ten twee definieert men het technische potentieel. Op dit niveau houdt men reeds rekening met de beperkingen die worden opgelegd door de stand van de technologie en met de beschikbare vestigingsplaats voor de installaties. Daar de technologische vooruitgang niet stil staat en men steeds verbeteringen doorvoert die de efficiëntie verhogen, zal het technisch potentieel gestaag toenemen naarmate men vordert in tijd. Reeds in punt werd een beknopt overzicht gegeven van de technologische mogelijkheden voor het opwekken van hernieuwbare energie. Het is vanaf het derde potentieelniveau, het sociaal aanvaardbaar potentieel, dat het vanuit een sociaal-economische hoek interessant wordt. Uit figuur 4 kan men immers afleiden dat het sociaal potentieel een heel stuk lager ligt dan het technische potentieel. Het beperkt de penetratie van hernieuwbare energie in veel grotere mate dan wat er op technisch vlak mogelijk is. Het omvat een hele resem aan factoren die er toe bijdragen dat een maatschappij al dan niet bereid is om meer capaciteit van een bepaalde bron in hun economie te absorberen. Verschillende stakeholders hebben vaak verschillende belangen en niet iedereen is bereid om dezelfde prijs te betalen om capaciteit te verhogen. Vaak ontstaan zulke barrières ook uit tegenstrijdige belangen of uit beslissingen die werden genomen in het verleden en mede bepalend zijn voor de voorkeuren van de huidige generaties. Deze laatste horen dan ook thuis onder de noemer path dependencies (zie 2.2). Ten vierde hebben we het gerealiseerd potentieel. Ook deze curve vertoont een stijgend verloop. Ze wordt bepaald o.a. door de strategieën van producenten denk bijvoorbeeld aan beslissingen i.v.m. capaciteiten die voor een welbepaalde periode als vast kunnen worden verondersteld - en de marktgroei. De marktgroei is op zijn beurt ondermeer afhankelijk van een toename in vraag en aanbod. Een stijging van de vraag kan in het algemeen worden gerealiseerd door een toegenomen vraag van drie partijen zijnde: de gezinnen, de overheid

21 14 en de bedrijven. Het aanbod wordt op zijn beurt in een vrijemarkteconomie afgestemd op de vraag maar kan verder worden gestimuleerd door allerlei gunstige maatregelen. De onderste curve suggereert een graduele toename van de geïnstalleerde hernieuwbare energiecapaciteit, die lager is dan het gerealiseerde potentieel indien men geen lange termijn strategie bezit die het gebruik ervan promoot. Een Business as Usual benadering dus. Bovenstaande uiteenzetting suggereert reeds dat er een grote variëteit aan invloedsfactoren of obstakels bestaat die een invloed hebben op de ontwikkeling van een gezonde hernieuwbare energiesector. Deze worden nu afzonderlijk behandeld. Belangrijk hierbij is dat vaak de verschillende stakeholders, o.a. RET 4 -industrie, de consumenten, beleidsmakers en lobbygroepen, verschillende belangen nastreven en er bijgevolg een belangrijke interactie plaats vindt tussen deze verschillende belangengroepen en beleid. 2.2 Path dependencies Path dependencies zorgen ervoor dat men in een bepaalde richting wordt gestuurd. Daden uit het verleden dragen er toe bij dat het moeilijk of soms zelfs onmogelijk is om af te wijken van de koers die men volgt. In bijna alle situaties dient men bijgevolg rekening te houden met zulke path dependencies. In het geval van de promotie van duurzaam ondernemen en hernieuwbare energie is dit niet anders. De natuurlijke karakteristieken van een regio, die miljoenen jaren geleden zijn gevormd, vormen een eerste soort van path dependency. Maar ook beslissingen en/of acties die in een recenter verleden zijn genomen, dragen er toe bij dat bepaalde structuren worden gecreëerd die men niet zomaar kan negeren of ongedaan maken. Beide elementen worden hieronder behandeld Regio-eigen fysische kenmerken De natuurlijke kenmerken van een land of regio zijn de eerste factoren die een invloed hebben op de ontwikkeling van een hernieuwbare energiesector. We onderscheiden hier twee soorten van natuurlijke kenmerken. Ten eerste, de aanwezigheid van niet hernieuwbare conventionele energiebronnen en ten tweede, de opportuniteiten voor het aanwenden van hernieuwbare energiebronnen. 4 Renewable Technology

22 15 A: Niet-hernieuwbare conventionele energiedragers Vooreerst zullen landen, die een overvloed of voldoende capaciteit aan primaire energiedragers hebben voor eigen consumptie, vaak minder geneigd zijn om de overstap te maken naar hernieuwbare energiebronnen. (Reiche & Bechberger, 2003). Deze, die uit zichzelf vaak al duurder zijn in aanwending, zullen het immers moeilijk hebben om te concurreren met een conventionele energiebron die, door zijn grote aanbod, goedkoop aanwezig is op de interne markt. Bovendien zijn er vaak vele partijen, stakeholders, die belang hebben bij het in stand houden van deze sectoren die rechtstreeks en onrechtstreeks betrokken zijn bij de ontginning en verwerking van deze bronnen. Tal van bedrijven kunnen in de problemen komen wanneer men massaal zou overschakelen op andere bronnen. Ook de consument zal vaak niet bereid zijn om meer te betalen voor deze duurdere vorm van energie. Het groen karakter van de energie moet in de meeste gevallen immers onderdoen voor het duurder zijn van zulke producten. Vaak gaat de ontginning van fossiele brandstoffen gepaard met zware investeringen in bijvoorbeeld materiaal en ontginningsrechten, waardoor het voor zulke bedrijven niet mogelijk is zich op korte termijn aan te passen aan veranderde dynamieken van de markt. De gevolgen voor zulke bedrijven wegen ook door op de werknemers die ervoor werken - deze kunnen van de ene dag op de andere overbodig worden waardoor ze het behoud steunen. Er bestaat bovendien geen zekerheid voor hen dat zij zich kunnen kwalificeren om aan de slag te gaan in deze nieuwe, vaak high-tech, sectoren die de stimulans van hernieuwbare energie met zich meebrengt. Hieruit volgt een druk tot behoud. Een goed voorbeeld hiervan is Polen. Het land bezit wereldwijd de hoogste concentratie van steenkool in zijn elektriciteitsproductie en is bijgevolg ook de grootste steenkoolnatie in de Europese Unie. Om de omvang ervan te benadrukken vermelden we dat in 2001 er meer steenkool werd geproduceerd in Polen dan in Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en Spanje samen (Reiche, 2004). In 2002 waren er nog 41 mijnen actief, die gezamenlijk 102 miljoen ton steenkool produceerden. De sector stelde in 2003, na enkele doorgedreven herstructureringen, nog steeds mensen te werk, al heeft men de laatste jaren dit aantal afgebouwd. (Tabis, 2003: 19-25). Toch spreekt het voor zich dat, indien men op korte termijn zou overschakelen op hernieuwbare energie, steenkool daardoor enorm aan belang zou inboeten en dit katastrofale effecten kan hebben voor een groot aantal werknemers en bedrijven.

23 16 In een paper van de Coal Industry Advisory Board (CIAB) van het Internationaal Energy Agency (IEA) (2006) stipuleert men daarom dat men bij duurzame ontwikkeling op elk moment een afweging moet maken tussen economische ontwikkeling, milieuaspecten en sociale gelijkheid. Daarom opteert men in dit werkstuk om te blijven investeren in het opdrijven van de efficiëncy en de vermindering van de schadelijke gevolgen voor mens en milieu van steenkoolverbranding voor productie van elektriciteit (CIAB, 2006). Impliciet kan men daar dus uit afleiden dat men het volledig verlaten van het pad steenkool niet als optie aanziet. Dit vormt dus een belangrijke barrière voor hernieuwbare energie om een significant aandeel in de markt in te nemen. De aanwezigheid van een overvloed aan steenkool en het gelobby voor het instandhouden van de steenkoolindustrie zijn hier dus de grootste obstakels om hernieuwbare energie te laten doorbreken (Reiche, 2004). Ondanks de gunstige ligging van Polen, voor de ontwikkeling van verschillende hernieuwbare energiebronnen, heeft het land bijgevolg weinig geïnvesteerd in hernieuwbare energie uitgezonderd in waterkrachtcentrales en aanwending van houtafval, dat nota bene kan worden verbrand in steenkoolcentrales (Patlizianas, 2004). Aan de andere kant zijn er landen die over weinig, geen of reeds uitgeputte bronnen van primaire energiedragers beschikken, dit terwijl de energiesector in de EU voornamelijk afhankelijk is van fossiele brandstoffen (Patlizianas, 2004). Men is bijgevolg in grote mate afhankelijk van import van primaire energiedragers om aan de energiehonger van de verschillende economieën van de EU te voldoen. Volgens cijfers van de Europese Commissie (EU, 2004) werd in 2004 aan de behoefte aan energie van de Europese Unie voor meer dan 50% voldaan door import van niet-hernieuwbare energiedragers, zoals aardolie, van buiten de Europese Unie. Zonder extra investeringen in hernieuwbare energie zal dit percentage volgens ruwe schattingen kunnen oplopen tot meer dan 70% in het jaar 2030 waarbij het merendeel gaat naar import van olie en gas (Europese Commissie, 2006). Landen beseffen steeds vaker de vele politieke, economische en milieurisico s, die hiermee verband houden (EU, 2004). De drang om te diversifiëren neemt dan ook toe. Het is ook logisch te stellen dat hernieuwbare energiebronnen, die gebruik kunnen maken van specifieke regiogebonden kenmerken, uitermate geschikt kunnen zijn om aan het verlangen om te diversifiëren zonder de afhankelijkheid van het buitenland te vergroten, te voldoen. Ter illustratie hiervan bekijken we Cyprus en Denemarken.

24 17 Cyprus is voor zijn primaire energievoorziening bijna volledig, lees 97%, afhankelijk van de import van olie Zo goed als alle elektriciteit die in het land wordt opgewekt berust op het gebruik van geïmporteerde ruwe olie. Een gevolg hiervan is dat de import van olie verantwoordelijk is voor de absorptie van bijna 50% van de deviezen die het land binnenkomen door middel van export (Patlizianas e.a., 2004: 482). Dit zorgt voor een enorme druk op de handelsbalans van het land en laat weinig ruimte voor investeringen in de eigen economie. Omdat men dit probeem onderkende, is men begonnen met het benutten van zonneenergie voor het opwarmen van water door gebruik te maken van zonneboilers. Eerst werden deze vernieuwingen doorgevoerd in de toeristische industrie, maar gaandeweg werden ook de individuele gezinnen en bedrijven warm gemaakt om de overstap naar het gebruik van zonne-energie te maken. Door gebruik te maken van de specifieke regional endowment zonne-energie is deze manier van energie-opwekking relatief competitief ten overstaan van de andere traditionele energiedragers. Het resultaat was dan ook opmerkelijk. Vandaag is Cyprus één van de landen in de wereld die het grootste aandeel van zonneenergie in de energie-opwekking heeft. In het jaar 2000 had bij benadering 35% van de gezinnen een zonneboiler op hun dak gemonteerd en bedroeg de totale oppervlakte aan zonnecollectoren meer dan 600 km² (Patlizianas e.a., 2004: 482). Een succesverhaal van hoe een kleine, eerder onbelangrijke sector, i.e. bedrijven die zonneboilers aanbieden, groot kan worden en voor nieuwe jobopportuniteiten zorgt. In het geval van Denemarken was de olieschok van 1973 een gebeurtenis die de Deense overheid letterlijk heeft wakker geschud. Voor 1973 was Denemarken voor 99% afhankelijk van de import van olie voor zijn energievoorziening (Ministerie van buitenlandse zaken Denemarken, 2007). Sinsdien is men zich gaan focussen op het verminderen van deze afhankelijkheid. Nu, 34 jaar later, is Denemarken een voorbeeldfunctie op het vlak van de aanwending van hernieuwbare energie voor elektriciteitsproductie. Elk jaar neemt het aandeel van hernieuwbare energie, hoofdzakelijk windenergie, in de totale energieconsumptie toe. Op onderstaande grafiek, figuur 5, kan je duidelijk zien dat de hoeveelheid opgewekte groene stroom enorm is toegenomen gedurende de periode tussen , waarbij het gros van de toename kan worden toegeschreven aan de enorme groei van de windenergiesector. Op dit ogenblik wordt aan meer dan 20% van de energiebehoefte voldaan door windenergie.

25 18 Figuur 5: Elektriciteitsgeneratie door hernieuwbare energiebronnen in Denemarken. ( Europese Commissie, 2007; Denmark, Renewable energy factsheet: 2) B: Mogelijkheden tot het aanwenden van hernieuwbare energiebronnen Het spreekt voor zich, dat landen die goede regional endowments hebben, in de betekenis van natuur- en grondgebonden factoren, voor de aanwending van bepaalde soorten van hernieuwbare energietechnologieën, sneller geneigd zullen zijn om de overstap ernaar te maken. Zoals in het geval van Cyprus, kan het gebruiken van zulke overvloedige bron als zonne-energie er toe bijdragen, dat deze energie de concurrentie kan aangaan met de traditionele manieren van energie-opwekking, zonder dat deze zwaar gesubsidieërd dient te worden. Hetzelfde geldt voor het Deense verhaal, al blijkt onmiddellijk dat dit verder gaat dan alleen maar specifieke regionale kenmerken. De windenergiesector stelt in Denemarken nu reeds meer dan mensen tewerk en 3 decennia aan investeringen in R&D heeft er toe geleid dat Deense bedrijven instaan voor bijna 40% van de wereldproductie aan windmolens (Ministerie van buitenlandse zaken Denemarken, 2007). Daar er een grote verscheidenheid bestaat aan technologieën om hernieuwbare energie op te wekken, bestaat er ook een grote verscheidenheid aan regional endowments die kunnen benut worden voor de productie van groene energie. Een niet exhaustieve opsomming omvat onder meer: lengte van de kustlijn, hoeveelheid zonlicht en de intensiteit ervan, windsnelheden en het aantal uren wind per dag, warmwaterreserves in bodemlagen, aanwezigheid van bergen, regenval plus de spreiding ervan op jaarbasis, biomassa en tot slot ruimte om voorgaande voordelen optimaal te kunnen benutten (EREC, 2007).

26 19 Net zoals Cyprus - dat in grote mate gebruik maakt van de zon als bron voor energieproductie - is ook Noorwegen een land dat op zeer grote schaal gebruik gemaakt heeft van factor endowments eigen aan het land. Doordat het land zeer bergachtig is met onder meer het grootste bergplateau van Europa, het Hardangerviddaplateau, leent het land zich uitermate voor het aanwenden van waterkracht als middel voor de productie van elektriciteit. Het land beschikt de Opec landen niet meegerekend - over één van de belangrijkste voorraden aan ruwe olie en aardgas. Ondanks deze overvloedige aanwezigheid van primaire energiedragers hanteert het land een beleid waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie. Zo kwam 99% van de elektriciteit van het land in 2000 van 27 miljoen kilowatt aan geïnstalleerde waterkracht 5. Deze waterkrachtenergie wordt opgewekt door middel van meer dan 850 waterkrachtcentrales (Geni, 2007). Het feit dat het land zeer uitgestrekt en relatief dun bevolkt is, is daardoor ook een factor die zeker in het voordeel speelt. Extra voordelen uiten zich nu ten eerste in het feit dat het land het merendeel van zijn ontginningen van aardolie en aardgas kan exporteren (Geni, 2007), wat extra middelen genereert voor binnenlandse investeringen in bijvoorbeeld hernieuwbare energietechnologieën en import van goederen en diensten. Ten tweede impliceert goedkope energie ook dat het interessant wordt voor energie-intensieve bedrijven om zich te vestigen in Noorwegen wat voor bijkomende jobcreatie kan zorgen (Hydro, 2007). Tot slot voelt men niet de andere nadelen die conventionele energiebronnen met zich meebrengen zoals bijvoorbeeld de uitstoot van CO 2 en roetdeeltjes De keerzijde van de medaille is dat, mede door de lage prijs van elektriciteit, Noorwegen bij de hoogste elektriciteitsverbruikers per capita hoort. Daar de maximale capaciteit aan waterkracht bijna is bereikt, dringt zich voor de toekomst de noodzaak op om te investeren in andere vormen van hernieuwbare energie (Geni, 2007). Dit biedt perspectieven voor bestaande bedrijven en nieuwe toetreders van andere technologieën in het geval van Noorwegen voornamelijk biomassa en windenergie om nieuw aanbod te genereren en bijgevolg ook werkgelegenheid. 5 Waterkracht levert nu reeds meer dan 50 procent van de hernieuwbare energie in de EU, maar doordat de mogelijkheden voor de bouw van nieuwe centrales beperkt is, verwacht men dat in de toekomst dit aandeel gaat afnemen (Slingerland & van Geuns, 2006).

27 20 Het is markant dat de meeste landen van de EU-27, die reeds een groot aandeel groene stroom bezitten in hun totale energie-opwekking, bijna allemaal veelvuldig gebruik maken van waterkrachtenergie. Ter illustratie hiervan geeft tabel I het aandeel van de verschillende soorten van hernieuwbare energie in de nieuwe lidstaten plus Turkije. Tabel I: Hernieuwbare energiebronnen in de nieuwe lidstaten EU + Turkije (Data IAE, 2004) 2004 Biomassa Geothermisch Zonneenergie (thermisch) Waterkracht Waterkracht/ fotovoltaïsch Getijden Wind totale productie RE GWH GWH GWH GWH GWH GWH GWH % Estland ,67 Bulgarije ,41 Cyprus ,00 Tsjechië ,00 Hongarije ,76 Letland ,46 Lithouwen ,26 Malta Polen ,30 Roemenië ,98 Slovenië ,00 Slovakije ,03 Turkije ,67 Dit kan in grote mate worden verklaard door twee factoren. Ten eerste de enorme mogelijkheden die de waterkrachttechnologie biedt voor landen met snelstromende rivieren en voldoende verval. Ten tweede door het feit dat deze technologie al gedurende een eeuw wordt toegepast en verbeterd, zoals in reeds werd aangehaald (EREC, 2006) Effecten van historische beslissingen Op elk moment in de tijd moeten er beslissingen genomen worden in het kader van de economische ontwikkeling van een land. Het is een afweging tussen de belangen van vele verschillende stakeholders. Bij de energievoorziening is dit niet anders. Men wenst een stabiele en voldoende grote energievoorziening te garanderen die rekening houdt met een toenemende vraag naar energie die wordt veroorzaakt door economische groei. Tegelijkertijd wenst men de prijs voldoende laag te houden aangezien het binnen de primaire behoeftes van de gezinnen valt en een te hoge energieprijs een bijkomende handicap kan betekenen voor de concurrentiepositie van bedrijven. Vaak is het ook een verhaal van macht en behoud van macht door de verschillende stakeholders. Hieruit zijn beslissingen met een

28 21 lange termijnperspectief gevloeid waarmee we nu nog geconfronteerd worden en die een belemmeringen kunnen betekenen voor hernieuwbare energie. A: Kernenergie De aanwezigheid van kernenergie is in vele gevallen een belangrijk obstakel in de promotie van hernieuwbare energie. De eerste commerciële kernreactor werd actief in 1957 (US Department of Energy, 2007). Op dit ogenblik is nucleaire energie-opwekking verantwoordelijk voor 32% van de elektriciteitsopwekking binnen de EU. De grondstoffen i.e. het nucleair materiaal, verkrijgt men hoofdzakelijk uit Canada, Rusland, Nigeria en Australië (Euratom, 2006). Uit data van het International Atomic Energy Agency (IAEA) blijkt dat Europese landen de kroon spannen op het vlak van het aandeel dat kernenergie inneemt in de totale binnenlandse elektriciteitsproductie. Tabel II geeft ter illustratie de wereldwijde top vijf hieromtrent. Het valt onmiddellijk op dat deze vijf landen allemaal in Europa gelegen zijn. Tabel II: Aandeel Kernenergie in de totale elektriciteitsproductie, top 5 wereldwijd (Data: IAEA, 2003: 24) Land Percentage van totale elektriciteitsproductie Litouwen 77,58 Frankrijk 77,07 Belgïe 58,3 Slowakije Oekraïne 46,36 Kernenergie wordt aanzien als een stabiele, goedkope en relatief groene niet te verwarren met hernieuwbare - vorm van elektriciteitsproductie. De bouw en het operationeel maken van kerncentrales vergt enorme investeringen en ze worden bijgevolg gebouwd om gedurende enkele decennia te kunnen meedraaien in de energievoorziening van een land. Naast het aspect van louter openhouden van deze centrales zijn er ook nog de enorme subsidies voor O&O waarover de kernenergiesector kan beschikken. Het spreekt voor zich dat het terugdringen van deze subsidies enorme consequenties kan hebben voor de bedrijven die betrokken zijn bij atoomonderzoek met mogelijke gevolgen voor de tewerkstelling. Zo besteedde volgens Slingerland & van Geuns (2006) Frankrijk in het jaar 2000 bij benadering 630 miljoen euro aan onderzoek inzake energie-efficiëntie waarvan maar liefst 562 miljoen

29 22 euro ging naar kernenergie! Van het overige werd amper 14 miljoen euro besteed aan onderzoek naar hernieuwbare energietechnologieën. De enorme belangen voor bepaalde stakeholders, die gepaard gaan met het behoud van kernenergie, zijn bijgevolg niet te onderschatten en men kan dan ook veronderstellen dat er stevig wordt gelobbied door belangengroepen van sectoren die aanleunen bij kernenergie. De laatste twee decennia is er echter een algemene vertraging van de bouw van nieuwe, modernere kerncentrales waar te nemen (EREC, 2006). Incidenten zoals in het geval van Tjernobil, Three Mile Island en Monju hebben er toe bijgedragen dat mensen de perceptie kregen dat kernenergie onveilig is. Bovendien is men zich sterker bewust geworden van de negatieve economische- en milieugevolgen. Denk hierbij maar aan de kosten verbonden aan het transport van nucleair afval en de opslag gedurende vele eeuwen. Maatschappelijke druk en het besef van de risico s verbonden aan kernenergie zorgden ervoor dat verschillende landen besloten hebben om het pad van kernenergie te verlaten. Echter recentelijk lijken sommige landen zoals Nederland gedeeltelijk te willen terugkomen op zulke beslissingen. Algemeen neemt de interesse voor kernenergie terug toe, mede bepaald door de hoge olieprijzen en de risico s verbonden aan de afhankelijkheid van import uit onstabiele regio s (Slingerland & van Geuns, 2006). Aan de andere kant zijn er de landen die geen kerncentrales bezitten en bijgevolg in belangrijke mate afhankelijk zijn van andere primaire energiedragers voor hun energieproductie. Sommigen hebben - zoals hoger reeds vermeld - zelf geen primaire energiedragers en zijn dus in grote mate afhankelijk van import om aan hun energiebehoefte te voldoen. Van de landen die pas toegetreden zijn tot de EU, plus Turkije, zijn er zes die niet beschikken over kernenergie. Onder deze landen bevinden zich nu drie van de belangrijkste koplopers op het vlak van hernieuwbare energie namelijk: Turkije en Letland (Waterkracht) en Cyprus (zonne-energie) (Reiche, 2004). B: Gecentraliseerd versus gedecentraliseerd energiebeleid Een meer technische barrière vormt de manier waarop de energievoorziening in een regio is georganiseerd. Vele landen, waaronder zeker Frankrijk, hebben in het verleden geopteerd voor een centrale productie van elektriciteit waarbij vervolgens de elektriciteit via hoogspanningsnetten en verdeelcentra aan bedrijven en gezinnen wordt geleverd in een uitge-

30 23 strekt gebied. Het grote aandeel dat kernenergie bezit in de Franse elektriciteitsvoorziening kan hiervoor deels een verklaring bieden. De meeste vormen van hernieuwbare energie uitgezonderd die vormen die wel een gecentraliseerde infrastructuur nodig hebben zoals grootschalige waterkrachtcentrales en offshore windmolenparken (EREC, 2006) hebben nood aan een voldoende uitgewerkte gedecentraliseerde infrastructuur, die de nodige capaciteit bezit. Bij een gedecentraliseerde energie distributie infrastructuur wordt immers de energie lokaal geproduceerd en ook voor het overgrote deel op die locatie verbruikt door gezinnen en bedrijven. Echter bij een gecentraliseerde energieproductie en distributie is de infrastructuur vaak niet of onvoldoende aangepast om deze gedecentraliseerde energieproductie te ondersteunen. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat lokale verdeelcentra niet geschikt zijn om het vermogen te verwerken dat rechtstreeks wordt geleverd door een nabij gelegen windmolen. Dit probleem was er in Zweden voor verantwoordelijk dat de bouw van windmolens vertraagd werd, doordat de lokale knooppunten van de elektriciteitsinfrastructuur dienden versterkt te worden, wat extra tijd en kosten met zich meebracht. Ook van Spanje verwacht men dat men slechts in staat zal zijn om 20 tot 50 procent van de beoogde doelstelling aan geïnstalleerde windenergiecapaciteit tegen 2010 te realiseren indien het huidige net geen aanpassingen ondergaat (Reiche, Bechberger, 2003). Dit kan een enorme dobber betekenen voor een resem aan stakeholders, die voordeel hebben bij een snelle en doeltreffende uitbouw van de geïnstalleerde capaciteit, zijnde onder meer energieproducenten, overheid en windmolenindustrie. Een bijkomend belangrijk probleem is de ongelijke toegang tot het distributienet voor nieuwe toetreders op de energiemarkt in vergelijking met de gevestigde waardes binnen de markt (Turmes, 2005). Dit draagt bij tot oneerlijke concurrentie en beknot het ondernemingsschap. Immers nieuwe aanbieders, die reeds hogere opstartkosten en extra kosten verbonden aan groene stroom ondervinden, worden geconfronteerd met een bijkomende kost betreffende de toegang tot de distributie. Dit kan voor sommigen de doorslag geven om de markt niet te betreden. Het werkt bijgevolg ook in het nadeel van de verdere liberalisering van de energiemarkt. Bijkomende voordelen van een gedecentraliseerd energiebeleid zijn de positieve gevolgen die het kan meebrengen voor de regionale economische ontwikkeling en de besparingen die

31 24 worden gerealiseerd op het vlak van transport en conversie (EREC, 2006). Het is immers evident dat, indien warmte of elektriciteit een veel korter pad moet afleggen om tot bij de gebruiker te geraken, de geleden verliezen vele malen kleiner zullen zijn. Dit draagt dus bij bij tot realisatie van een duurzaam energie beleid volgens het Trias Energetica concept (zie 1.2). Het maakt ook een bottum-up aanpak voor het tot stand brengen van projecten gegemakkelijk. Maar hierover meer onder puntje 2.4: socio-economische invloedsfactoren. Een goed voorbeeld van de manier waarop een gecentraliseerd energiebeleid kan bijdragen tot het onderdrukken van hernieuwbare energieproductie zijn de voormalige communistische staten, die recentelijk zijn toegetreden tot de EU. De meesten onder hen hadden reeds eeuwen ervaring met de aanwending van hernieuwbare energiebronnen (Patlizianas e.a., 2004). Echter, eenmaal onder het juk van de Sovjet-Unie werd deze traditie abrupt verbroken. De communistische leiders waren er immers van overtuigd dat grootschalige energieproductie o.a. door schaalvoordelen veel efficiënter waren dan kleinschalige gedecentraliseerde projecten. Een gevolg hiervan was dat alle meer gedecentraliseerde centrales, waaronder ook centrales die gebruik maakten van hernieuwbare energiebronnen, moesten sluiten met dus ook verlies aan lokale arbeidsplaatsen als gevolg. In Letland bijvoorbeeld werden alle kleine waterkrachtcentrales in de periode tussen 1963 en 1977 ontmanteld (Reiche, 2004) na een traditie die terugloopt tot in de 13 de eeuw! C: Aanwezigheid van overcapaciteit in productie en lange termijncontracten Tot slot kunnen we nog twee andere obstakels aanhalen die onder dit puntje horen. Ten eerste bestaat de kans dat landen geconfronteerd worden met een overcapaciteit in de energieproductie. Dit is het geval in Roemenië. Het land wordt sinds de revolutie van 1989 en de sluiting van grote inefficiënte bedrijven gekenmerkt door een grote terugval in de energieconsumptie en bijgevolg een grote overcapaciteit in de productie (Apostol, 2006). Hierdoor zullen energieproducenten, om economische motieven, de voorkeur geven aan het opgebruiken van deze overcapaciteiten voordat ze wensen te investeren in hernieuwbare energie. Zonder incentieven vanwege de overheid zal er in hernieuwbare energie weinig worden geïnvesteerd. Ten tweede beschouwen we de lange termijn contracten die vele naties hebben afgesloten met olie- en gasproducerende landen/bedrijven om aan hun vraag naar energie te voldoen. Vaak zijn deze contracten take- or paycontracten waarbij ze verplicht worden om de con-

32 25 tractueel afgesproken hoeveelheden af te nemen of anders hoge schadeclaims te betalen. Het spreekt bijgevolg voor zich dat men eerst deze afgesproken hoeveelheden gaat afnemen en pas daarna bereid zal zijn om het residu aan energievraag in te vullen door middel van hernieuwbare energie. De kosten zouden anders de baten te veel kunnen overtreffen Maatschappelijke organisatie- en beleidsstructuur Elke maatschappij wordt gekenmerkt door een aantal waardes en normen op het vlak van de organisatie van bestuur. Deze hebben invloed op de manier waarop een maatschappij functioneert of georganiseerd is en hebben bijgevolg ook invloed op de werking van de economie. Ten eerste vermelden we hier de manier van inrichting van het staatsapparaat. Elk land heeft verschillende niveaus van beleidsmakers, rechtsregels,... De zogenaamde bureaucratie van een land. Volgens Reiche (2004) is de aanwezigheid van veel administratieve rompslomp één van de belangrijkste bekommernissen van mogelijke toetreders in zowel de nieuwe als de oude lidstaten. Vaak moeten er toestemmingen verkregen worden van zowel nationale, regionale als lokale administratieve organen waardoor vaak zelfs getrainde specialisten door de bomen het bos niet meer kunnen zien. Zo had men in 2003 in Polen tussen de 10 en 16 lokale, regionale en provinciale toestemmingen nodig om een aanvraag te mogen doen bij de Energieregulatiecommissie voor de bouw van windturbines. In Griekeland is de situatie zowaar nog schreinender. Daar moet men moet voor de installatie van een hernieuwbare energiecentrale van maar liefst 35 publieke entiteiten op nationaal, regionaal, prefecturaal en lokaal niveau toestemming krijgen. Hier boven op komt nog dat de aanvraag moet voldoen aan vier nationale wetten en zeven ministeriële besluiten (Reiche, 2004: 372)! Naast de onzekerheid en de kosten die deze verschillende aanvragen veroorzaken, is er ook nog het tijdsaspect dat belangrijk is. Hierdoor wordt het heel moeilijk om kort op de bal te spelen in de snel veranderende energiesector. Landen met veel bureaucratie en aanslepende procedures zijn daardoor minder interessant om te investeren. Dit wordt verder ook nog bevestigd in de Renewable Energy Road Map (2007), uitgevaardigd door de Europese Commissie, waarin wordt gesteld dat administratieve problemen een belangrijke reden zijn waarom de Europese Unie zijn zelfopgelegde doelstellingen inzake penetratie van hernieuwbare energie niet zal halen. Naast bureaucratie categoriseert men onder deze noemer

33 26 ook nog zaken zoals: verschillende standaarden, certificatieproblemen en incompatibele test-regimes. Ten tweede vermelden we het vertrouwen dat beleidsmakers genieten in een land op het vlak van consistentie en continuïteit van genomen maatregelen. Wanneer bv. wetten vaak worden gewijzigd of subsidiëringen zomaar kunnen wegvallen, zal het voor investeerders minder interessant worden om te investeren. De mogelijk zware investeringen die gepaard gaan met de uitbouw van hernieuwbare energiecapaciteit of O&O betreffende nieuwe technologieën hebben nood aan lange termijn strategieën en men dient daarom te kunnen vertrouwen op een stabiel wettelijke en financiële omkadering. In Nederland heerst de perceptie dat regelgeving kan veranderen van jaar tot jaar waardoor er een extra onzekerheid wordt gecreëerd voor investeerders. Zo werd in 2001 aangekondigd dat vanaf 2002 waterkracht niet langer kon genieten van belastingsvrijstellingen. Het moge duidelijk zijn dat dit een aderlating is voor de investeerders in deze vorm van hernieuwbare energie (Reiche & Bechberger, 2004) en bijgevolg ook de risicoperceptie bij de realisatie van toekomstige projecten zal verhogen. Een studie van Agterbosch (2005) betreffende de windenergiesector in Nederland bevestigt deze stelling. Entrepreneurs die actief zijn in de windmolenindustrie plaatsen de onzekerheid en het complexe karakter van het financieel supportsysteem op de derde plaats in de ranking van institutionele bottlenecks. De veelvuldige aanpassingen van deze financiële supportsystemen maken dat deze entrepreneurs eerder weigerachtig staan ten overstaan van nieuwe investeringen in windenergieprojecten. Tot slot vermelden we nog de mate waarin beleidsmakers openstaan voor advies en verzuchtigen van allerhande belangengroepen/lobbygroepen van ondermeer consumenten en producenten. Op deze manier weet men waar deze verschillende stakeholders belang aan hechten in de beleidvorming en kan men ook gebruik maken van hun expertise binnen het gebied waarin de besluitvorming moet vallen. De EU hanteert hierin een redelijk open beleid en laat zich vaak informeren door belangengroepen wanneer er besluiten moeten genomen worden. Hierdoor wordt vaak naar voren gebracht dat Brussel een belangrijke concurrent voor Washington wordt voor de titel van most lobbied city in the world (Nugent & Paterson, 2006). Een, voor ons belangrijke en vaak geciteerde bron, is EREC, European Renewale Energy Council. Het is een paraplugroep die een hele resem belangengroepen van verschillende subsectoren van de hernieuwbare energiesector vertegenwoordigt.

34 27 Het openstaan voor belangengroepen is echter ook een mes dat langs twee kanten snijdt. Naast de voordelen die hierboven werden uiteengezet, houdt het ook het risico in dat machtige en goed georganiseerde lobbygroepen van de conventionele energiesector hun invloed laten gelden. Hierdoor kan het zijn dat een overheid terughoudend optreedt en enkel maar bereid is om kleine toegevingen te doen ten voordele van duurzaamheid. Bovendien maakt de lange, complexe en multigelaagde natuur van de EU-processen het voor lobbygroepen mogelijk om, naast de officiële weg van consultatie, ook via informele wegen hun invloed te laten gelden. De belangrijkste contactpunten zijn echter via de nationale overheden, de Commissie en het Europese Parlement (Nugent & Paterson, 2006). Zo kan men er vanuit gaan dat bv. nationale politiekers oor hebben naar de eisen en verzuchtigingen van bedrijven die een belangrijke plaats innemen in de eigen economie en bijgevolg ook hun belangen zullen verdedingen op Europees vlak. 2.3 Invloed van beleid Hoger werd reeds sporadisch aangehaald dat hernieuwbare energie in vele gevallen een kostennadeel heeft in vergelijking met conventionele niet-hernieuwbare energiedragers (Ringel, 2005). Eigenlijk kan men spreken van een soort van oneerlijke concurrentie door marktverstorende elementen. Zo wordt ten eerste bij conventionele energiebronnen externe kosten van onder meer lucht- en watervervuiling niet of onvoldoende in rekening gebracht. Ten tweede denk maar aan het voorbeeld van de energiesteun in Frankrijk worden deze traditionele sectoren zwaar gesubsidieerd (EREC, 2006). Voeg hierbij nog het gegeven dat het vaak jonge sectoren, infant industries, betreft waarbij onzekerheid en risico nog belangrijke drempels tot toetreding vormen. Bovendien moeten ze vechten om een marktaandeel te verwerven dat het mogelijk maakt om op minimale schaal te produceren. Daarom wordt er vaak verondersteld dat institutionele veranderingen een vereiste zijn om markten te genereren, die voldoende afzet garanderen voor nieuwe vormen van technologieën en energie (Jacobsson & Lauber, 2006). Daarenboven is de liberalisering van de energiemarkt een mes dat langs twee kanten snijdt. Aan de ene kant genereert deze liberalisering kansen voor nieuwe toetreders om op de markt actief te worden. Aan de andere kant zorgen meer toetreders voor een toename van de concurrentie. Met andere woorden volgens de theorie over volkomen concurrentie (Berlage & Decoster, 2000) kunnen energieprijzen per eenheid gaan dalen waardoor het voor

35 28 aanbieders van hernieuwbare energie nog moeilijker wordt om de concurrentie aan te gaan. De terugverdientijd van de investeringskost van de installaties gaat hierdoor toenemen. Echter, volgens Painuly (2000), geldt dit enkel op korte termijn en verwacht hij dat, op de lange termijn, de liberalisatie van de energiemarkt voor een betere omgeving zal zorgen voor een gezonde uitbouw van hernieuwbare energie. De vraag rijst nu van hoe men dit kostennadeel (op korte termijn) kan compenseren om deze infant industries de kans te geven om te groeien tot mature competitieve sectoren. In het antwoord op deze vraag spelen de beleidsniveaus op supranationaal, nationaal en regionaal vlak een centrale rol voor de creatie van een gezonde voedingsbodem. Er bestaat een enorme variëtiet aan mogelijke acties die men kan ondernemen. We bespreken de meest courante en beperken ons hier niet louter tot maatregelen die overheden op nationaal/regionaal vlak kunnen nemen. Ook internationale afspraken en verdragen die de overheden aanzetten om tot actie over te gaan, worden onder de loep genomen Supranationaal Men is meer en meer gaan beseffen dat vele negatieve effecten van ons econonomisch handelen iedereen treft. Voorbeelden zijn er legio: het gat in de ozonlaag, vervuiling van de oceanen, luchtverontreiniging,... Dit heeft landen er toe aangezet om samen naar oplossingen hiervoor te zoeken. Hieruit zijn verdragen en, al dan niet bindende, afspraken ontstaan ter promotie van milieuvriendelijke technologieën en het terugdringen van de negatieve gevolgen van onze honger naar groei. Sommigen specifiëren te realiseren doelen terwijl anderen actief over gaan tot de promotie van zulke technologieën door onder meer financiële steun. A. Kyoto verplichtingen In 1992 aanvaardde een groot aantal landen de Framework Convention on Climate Change kort geschreven als UNFCCC. Het was de eerste grote stap om het probleem van de opwarming van de aarde bij zijn wortels aan te pakken en niet langer louter maatregelen te nemen om de gevolgen ervan te bekampen. Echter, al gauw merkte men dat de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd bleef toenemen en dat enkel bindende afspraken waartoe, in de beste omstandigheden, alle landen van de wereld zich verbonden, doeltreffend zouden zijn om het probleem op grote schaal aan te pakken. Om deze reden ging men akkoord om

36 29 te starten met de onderhandelingen voor het opstellen van een bindend protocol (UNFCCC, 2007). Dit resulteerde uiteindelijk na meer dan twee en half jaar intensief onderhandelen in het Kyoto Procotol in Het grote verschil met de conventie bestond hierin dat ontwikkelde landen zich er toe verbonden om de uitstoot van broeikasgassen te verminden, daar waar de conventie dit enkel aanmoedigde. Men moest echter wachten tot de Marrakesh akkoorden in 2001 voordat de gedetailleerde regels voor implementatie werden geadopteerd door een groot aantal landen. Op 16 februari 2005 werd het Kyoto Protocol van kracht (UNFCCC, 2007). De kern van de verbintenis van het protocol bestaat er nu in dat elk land belooft dat de uitstoot van broeikasgassen over de periode die het protocol beschoudt een bepaalde toegelaten hoeveelheid niet overschrijdt. Zo engageerde de EU zich om tegen 2012 de emissie aan opwarmingsgassen met 8% te verminderen in vergelijking met Men moet deze doelstellingen nu halen binnen de periode tussen 2008 en 2012 en deze doelstellingen impliceren een bepaalde procentuele daling van de uitstoot van een land ten opzichte van de uitstoot dat dat land kenmerkte in het referentiejaar 1990 (tabel III) (Kyoto Protocol, 1997). De controle op de naleving en de herziening van deze verbintenissen wordt uitgevoerd door de daartoe bevoegde departementen van de VN. Belangrijk op te merken is dat het protocol strengere normen hanteert voor ontwikkelde naties in vergelijking met ontwikkelingslanden. Dit kan men verklaren door twee belangrijke redeneringen. Ten eerste beschikken ontwikkelde landen over meer financiële middelen om de kost van een reductie in uitstoot te verlagen. Ten tweede benadrukt men het feit dat ontwikkelde landen enorme hoeveelheden historische bijdragen kennen doordat de uitstoot per hoofd er veel hoger ligt dan in de ontwikkelingslanden (UNFCCC, 2007). Daar men begrip heeft voor de bezorgdheid dat de kosten die gepaard gaan met zulke reductie van de uitstoot van broeikasgassen de concurrentiepositie kunnen aantasten, heeft men drie mechanismen uitgewerkt. Deze zogenaamde marktgebaseerde mechanismen bieden de betrokken stakeholders i.e. bedrijven, overheden,... de mogelijkheid om emissiekredieten te winnen en te verhandelen. Deze kunnen ze realiseren door de investeringen te doen in ontwikkelde of ontwikkelingslanden die het halen van de doelstellingen bevorderen (UNFCCC, 2007).

37 30 Tabel III: Emissiedoelstellingen uitgedrukt in relatie met de emissies in het referentiejaar (UNFCC Secretariat Kyoto Protocol Reference Manual on Accounting of Emissions and Assigned Amounts, 2007: 8) Hierdoor hebben bedrijven en landen zelf de mogelijkheid om op basis van kosten-baten analyses te beslissen of het voor hun opportuun is om, ofwel zelf tot een reductie van de uitstoot van broeikasgassen over te gaan, ofwel projecten in andere landen te financieren om zo hun normen te halen, ofwel credits te kopen van partijen die er te veel hebben. Projecten financieren in ontwikkelingslanden biedt hierbij extra voordelen voor de betreffende regio nl. i) er wordt kapitaal geïmporteerd waarmee investeringen worden gedaan, waardoor de economie wordt gestimuleerd, ii) de investeringen dragen er toe bij dat de leefwereld erop vooruit gaat door een verlaging van de uitstoot van broeikasgassen. Indien ze echter opteren voor het aankopen van credits kunnen ze dit doen door credits te kopen van landen die meer mogen vervuilen dan dat ze op dit ogenblik doen. Wanneer we tabel III bekijken zien we dat landen zoals IJsland tot 10 procent meer mogen uitstoten dan op dit ogenblik het geval is. De bedoeling hierachter is echter niet de promotie van meer uitstoot. Integendeel, doordat ze meer mogen uitstoten dan op dit moment, beschikken ze over meer credits die ze kunnen aanbieden op de internationale markt. Hierdoor worden ze ook gestimuleerd om de uitstoot niet te verhogen en zelfs te gaan verlagen! Immers hoe meer credits ze op overschot hebben, hoe meer ze er kunnen verkopen en hoe meer ze er dus kunnen aan verdienen. Het geeft aan beleidsmakers en bedrijven bijgevolg een sterke stimulans om ook te investeren in een daling van de uitstoot in plaats van meer te gaan uitstoten.

38 31 De schaduwzijde van het protocol is echter dat enkele van de grootste vervuilers, zijnde de Verenigde Staten, India en China, het verdrag weigeren te ratificeren. Ze zien het als een bedreiging voor hun economische groei, die enorm hard steunt op primaire energiedragers. Bovendien heeft Australië pas begin december 2007 het Kyoto verdrag geratificeerd, uiterlijk net voor het begin van de nieuwe klimaattop in Bali, nadat de nieuwe premier Kevin Rudd de verkiezingen had gewonnen. Dit neemt echter niet weg dat het verdrag zeker al zijn nut heeft bewezen. Het impliceerde een trikker-effect voor beleidsmaking op Europees en nationaal/regionaal niveau. Aangezien de maatregelen die men kan nemen hoofdzakelijk betrekking hebben op het besparen van energie en het aanwenden van hernieuwbare energie zeker indien men een uitstap uit kernenergie ambieert - speelt dit in de kaart van alle sectoren die duurzaam ondernemen ondersteunen. B: Energiebeleid Europese Unie Reeds in het begin van de jaren negentig heeft de EU een grote verscheidenheid aan maatregelen genomen ter promotie van hernieuwbare energie in de brede betekenis van het woord (Europose Commissie, 2007). In 1997, aan de vooravond van de klimaatconferentie in Koyoto, erkende de EU de dringendheid die geboden was bij het aanpakken van de klimaatverandering. Dit resulteerde in de door de Europese Commissie opgestelde White Paper for a Community Strategy and Action Plan (1997) waarin de toenmalige lidstaten overeenkwamen dat er tegen 2010 een reductie moest worden gerealiseerd van 15% van de broeikasgassen binnen de EU. Om dit te bereiken was er, naast een efficiënter en dalend gebruik van energie, een penetratie van hernieuwbare energie van minstens 12% procent tegen 2010 vooropgesteld. Ondanks deze afspraken zal, aan het huidige tempo, deze doelstelling niet worden gehaald (European Commission, 2007). Een volgende belangrijk impuls kwam er na de Lissabontop in maart Staatshoofden en regeringsleiders uitten op deze top hun goedkeuring aan een nieuwe economische en sociale agenda nadat was gebleken dat de EU werd gekenmerkt door stagnatie en lage productiviteit. De kern van de bekomen strategie kan worden samengevat in volgend statement: To become the most competitive and dynamic knowledge based economy in the world capable of sustainable economic growth with more and better jobs and great social cohesion (Nugent., Paterson, 2006: 229).

39 32 Tegelijkertijd werd er een algemene strategie overeengekomen waardoor de EU deze doelstelling kon bereiken. Hierbij werd de nadruk ondermeer gelegd op innovatie, regionale ontwikkeling en duurzame groei (e4c.org, 2007). Hernieuwbare energie is daardoor zeer geschikt om deze Lissabon doelstellingen te bereiken en bijgevolg wordt er dan ook veel aandacht aan besteed bij beleidsbepalingen en aanwending van fondsen. Hieruit vloeide op de top in Gothenburg (2001) een aanvaarding van een brede strategie voor duurzame ontwikkeling waarbij één van de sleutelprioriteiten was een beperking van de klimaatverandering en de promotie van hernieuwbare energie. De strategie van duurzame ontwikkeling en de Lissabon Strategie kan men zien als wederzijds versterkende acties, die gebruik maken van een breed gamma aan instrumenten en waarbij resultaten worden beoogd in verschillende tijdskaders (Klevas e.a. 2005). De drang om doelstellingen te bereiken betekent ook extra investeringen in O&O en de uitbouw van sectoren om een greening van de economie in zijn totaliteit te bekomen. Ten tweede geven deze lange termijn strategieën een sterk signaal aan mogelijke stakeholders waar de Europese Unie naartoe wilt. Dit wordt ook benadrukt door Turmes (2005) in een verslag voor het Europese Parlement: [...] onderstreept het belang van het opstellen van bindende doelstellingen voor 2020 om een duidelijk signaal aan marktdeelnemers te geven, zoals aan grootschalige energiebedrijven en de financiële gemeenschap alsook aan nationale beleidsvormers, dat hernieuwbare energiebronnen de toekomst voor de energie van de EU zijn en deel uitmaken van haar milieu- en industriestrategie (A6-0227/2005 art. 10). Bedrijven kunnen hierop anticiperen wanneer ze hun eigen lange termijn strategieën uitwerken. Zo kunnen ze bijvoorbeeld pogen om bij nieuwe investeringen zo efficiënt mogelijk om te gaan met energie om op deze manier in de toekomst aan wettelijke normen te voldoen of investeren in innovaties waarvan men verwacht dat er in de toekomst een grote vraag naar zal ontstaan. Ten derde biedt het ook opportuniteiten voor een diversiteit aan stakeholders (ondernemers, groenestroomproducenten,...) in landen die wensen, of recentelijk zijn toegetreden tot de EU. Ook zij dienen te voldoen aan bepaalde doelstellingen die hun worden opgelegd inzake aandeel van hernieuwbare energie in hun energieconsumptie. Dit verhoogt de vraag naar technologie en groene energie waardoor sectoren kunnen gaan groeien. Bovendien kunnen landen gebruik maken van allerlei fondsen en financieringsmiddelen die ter beschikking worden gesteld door de Europese Unie. Een voorbeeld hiervan wordt aangereikt in een studie betreffende hernieuwbare energie in de Baltische Staten

40 33 door Klevas e.a. (2005) waar wordt verwezen naar de mogelijkheden om gebruik te maken van de Structural Funds van de EU. Verder heeft men ook projecten inzake hernieuwbare energie gefinancierd door de EUstructuurfondsen. Een voorbeeld is een Iers project om het landbouw-inkomen te vergroten door de productie van olie uit rapenzaden. Samen met een regionaal ontwikkelingsbedrijf dienden een aantal Wexfordboeren een aanvraag in voor financiering van een transnationale coöperatie-project binnen leader+. Het geld investeerden ze in activa, R&D én uitwisseling van knowhow met Duitse bio-olieproducenten. In 2002 genereerde de eerste oogst 60 ton oliezaad. Twee jaar later was het volume reeds toegenomen tot 2000 ton. Uiteindelijk creëerden drie entrepreneurs het bedrijf Biogreen Energy Products Ltd. Het bedrijf kan tot tien ton oliezaad per dag produceren waarbij het de oliezaden koopt van lokale boeren (e4c.org, 2007). Naast de fondsen die beschikbaar worden gesteld door de EU, zijn er ook nog andere fondsen waarvan men gebruik kan maken. De belangrijkste hierbij zijn de Global Environment Facility (GEF) en de Wereldbank. Zo helpt de Wereldbank bij de financiering van grootschalige geothermische projecten in Polen (Reiche, 2004). In de loop der jaren zijn er ook meer specifieke Green Papers, strategieën, akkoorden en specifieke actieplannen verschenen, die moeten bijdragen tot de promotie van hernieuwbare energie in de Europese Unie. De maatregelen die hieruit voortvloeien reflecteren zich in verplichte nationale doelstellingen voor de lidstaten. Vaak hebben nationale overheden een zekere vrijheid omtrent de wijze waarop ze aan deze doelstellingen zullen voldoen. Hieruit ontstaan dan nationale actieplannen, die onderling sterk kunnen verschillen qua genomen maatregelen, rekening houdend met specifieke regionale kenmerken en of politieke voorkeuren. Zo was er in 2006 de Green Paper: a European Strategy for sustainable, competitive and secure energy (Commissie, 2006) en op 23 januari 2008 werd er een nieuw ambitieus klimaatplan voorgesteld door de Commissie. De voorstellen dienen om een ecologisch vriendelijker Europa te creëren, maar ze zullen ook helpen om een industrievriendelijke, jobvriendelijke en consumentvriendelijke EU te creëren, dixit de Commissie (2008).

41 Nationaal A. Overheidsfonsen aan infant industries: de S-curve Reeds in de inleiding van dit hoofdstuk werd vermeld dat de hernieuwbare energiesectoren in vele regio s infant industries betreffen. Nieuwe industrieën betekenen dus ook nieuwe technologische vindingen. Van zulke innovaties wordt nu verwacht dat ze op langere termijn hun plaats gaan opeisen in onze maatschappij. Om zover te komen spelen politiek/beleid naast o.a. economische en sociale factoren een vooraanstaande rol. De focus op hernieuwbare energie is een belangrijke stimulans voor de groei van de hernieuwbare energiesector. Zo heb je bijvoorbeeld het Duitse Dächer Programma ( daken programma). Het is een doeltreffende maatregel waarbij de installatie van zonne-energieinstallaties door middel van subsidiëring wordt ondersteund (D haeseleer, 2005). Het geeft een indicatie van wat men wenst te bereiken. Bovendien maakt een sterke focus het gemakkelijker om middelen te alloceren aan projecten die binnen de doelstellingen vallen. Zodoende hebben nationale overheden mogelijkheden om de infant industries binnen hun eigen grondgebied te ondersteunen en wordt nationale ondersteuning aanzien als een essentieel onderdeel van het Europees onderzoeksbeleid. Zo heeft de Europese Unie een richtlijn uitgevaardigd (2001/77/EG) die nationale overheden verplicht om door middel van wetgeving en steunprogramma s het gebruik van hernieuwbare energie te stimuleren (D haeseleer, 2005). Echter door deze multigelaagdheid van subsidiëring en financiële ondersteuning is het speelveld hierdoor enorm complex geworden (Slingerland & van Geuns, 2006). De verschillende stadia van ontwikkeling van een nieuwe technologie worden vaak voorgesteld door de zogenaamde S-curve (De Bondt, 1993) (figuur 6). Deze curve veronderstelt dat een innovatie gekenmerkt wordt door een langzame start waarbij een aantal prototypes worden gerealiseerd. Het marktaandeel en dus ook de economische opbrengsten blijven hierbij echter beperkt totdat de kinderziektes ervan kunnen worden opgelost. Later, indien de innovatie succesvol blijkt, worden er grotere aantallen geproduceerd en zal het marktaandeel gaan toenemen. Op het einde van de rit, onder andere veroorzaakt door verzadiging van de markten, neemt deze toename in vraag af. Vooral in deze beginstadia van ontwikkeling is overheidssteun vaak cruciaal, daar het risico op falen nog zeer hoog is. Naargelang het project verder in ontwikkeling is en het economisch potentieël duidelijker

42 35 wordt, zal er gemakkelijk financiering worden verschaft door private investeerders. Hieronder worden nu enkele mogelijke steunmaatregelen bondig besproken. Figuur 6: S-curve die de evolutie van de uitvinding tot de marktrijpheid weergeeft van een technologie (Slingerland & van Geuns, 2006: 194) Vooreerst beschouwen we de zuivere subsidies waarbij een bedrijf directe steun kan krijgen vanwege de overheid. Het kan hierbij als voorbeeld een vast bedrag per eenheid geproduceerde energie betreffen of een medefinanciering van R&D projecten door de overheid voor de ontwikkeling van nieuwe hernieuwbare energietechnologieën. Hierdoor kunnen de kosten voor de producenten en investeerders worden verlaagd waardoor de producten competitiever worden ten overstaan van de traditionele energiedragers/technologieën. Dit kan als een lap op een rode stier werken voor nieuwe toetreders en ademruimte geven aan reeds bestaande bedrijven. Kortom het werkt stimulerend op het ondernemersschap. Er bestaat echter ook een negatieve kant aan subsidies. In minder ontwikkelde regio s kan het zijn dat de nodige middelen niet beschikbaar zijn om een subsidiebeleid te financieren. Bovendien, indien de subsidieperiode maar tijdelijk is, is er geen garantie dat bedrijven de gewenste handelingen zullen blijven stellen nadat de subsidieperiode is verstreken (Patlizianas, 2004). Nieuwe toetreders kunnen de markt opnieuw verlaten of bedrijven kunnen

43 36 zich gaan heroriënteren en zich richten op meer winstgevende activiteiten. De investeringen vanwege de overheden kunnen dan een maat voor niets worden. B: Feed-in Tarieven Specifiek ter promotie van hernieuwbare energie heeft men in het verleden reeds een speciaal model ontwikkeld nl. feed-in tarieven. In dit model zijn nationale of regionale elektriciteitsdistributeurs verplicht om de volledige hoeveelheid geproduceerde groene stroom in hun aanbod te absorberen tegen politiek vastgelegde tarieven die kunnen variëren over de verschillende vormen van hernieuwbare energiebronnen en hoger zijn dan de marktprijs van elektriciteit (Ringel, 2005). Traditionele aanbieders worden op deze manier ook gestimuleerd om te diversifiëren in de richting van hernieuwbare energie, daar ze hierdoor extra winsten kunnen genereren. Hier boven op zien aanbieders van de noodzakelijke technologieën de vraag naar hun producten ook toenemen. De andere kant van de medaille is echter dat de gewone consumenten het slachtoffer hiervan zijn. Zij betalen immers het gelag omdat deze vorm van subsidiëring zorgt voor hogere energieprijzen. Hierin gaat nu de zwakheid van het ganse systeem schuil. Het is duidelijk dat zulk systeem enkel zal werken wanneer men vast hangt aan een bepaalde leverancier of met andere woorden wanneer er nationale en regionale monopolies bestaan. Door de liberalisering van de energiemarkt echter, zijn rationele consumenten geneigd van leverancier te veranderen indien een andere leverancier een lagere prijs biedt. In Duitsland was dit het geval na de vrijmaking van de energiemarkt. In de noordelijke kuststreken waren de distributeurs verplicht om grote hoeveelheden groene stroom op te nemen in hun aanbod terwijl in het zuiden weinig hernieuwbare energie werd geproduceerd waardoor in deze regio s de distributeurs minder groene stroom moesten opnemen in hun aanbod. Hierdoor ontstond een zeker kostennadeel voor distributeurs uit het noorden. Om dit euvel te verhelpen werd in 2000 een nationale feed-in wet van kracht waarbij distributeurs minimum het gemiddelde van de totaal geproduceerde groene stroom in het land moesten opnemen in hun aanbod. Indien ze te weinig hadden moesten ze groene stroom bijkopen van distributeurs die een teveel hadden. Hierdoor werd het evenwicht min of meer hersteld (Ringel, 2005). Een ander nadeel aan het systeem is echter dat het geen garanties biedt dat de beoogde percentages aan groene stroom worden gehaald. Het is moeilijk om een juiste prijs te vinden die men voor groene stroom dient te betalen. Is de prijs te laag dan zal er te weinig initiatief worden genomen om groene stroom te produceren. Is de prijs aan de andere kant

44 37 te hoog dan zal de consument moeten opdraaien voor de buiten proportionele winsten die de producenten maken. Volgens Ringel (2005) tonen internationale tariefvergelijkingen aan dat landen zoals Duitsland eerder hoge tarieven hanteren, terwijl Denemarken op ecologisch vlak ook goede resultaten boekt met eerder lage tarieven. Hieruit kunnen we afleiden dat een te hoge graad van steun efficiëntieverliezen veroorzaakt voor de gehele economie. C: Groenestroomcertificaten Vaak is louter subsidiëren dus niet voldoende om de gewenste doelen te behalen. Om deze reden moet de wetgever wetten uitvaardigen die het behalen van de gewenste doelen verzekeren door bv. een maximale uitstoot van CO² per bedrijf toe te staan. Het tweede model dat we nu bekijken, het groenestroomcertificatenmodel, werkt op deze manier. Het poogt een oplossing te bieden voor de tekorten waarmee Feed-in tarieven worden geconfronteerd, namelijk het gebrek aan controle op de ecologische effectiviteit en het grote marktverstorende effect dat feed-in tarieven veroorzaken. Dit model biedt bedrijven, distributeurs of consumenten de keuze om een bepaalde hoeveelheid stroom zelf te produceren ofwel een bepaalde hoeveelheid aan te kopen bij anderen. Eenerzijds krijgen stroomproducenten als beloning groenestroomcertificaten voor het produceren van groene stroom. De organisatie van duurzame energie, ODE (2007) omschrijft nu een groene stroomcertificaat als: Een soort van officieel document en bewijsstuk dat bevestigt dat een producent van stroom een bepaalde hoeveelheid groene stroom heeft geleverd aan het net. Anderzijds is er een certificatenverplichting of quotumverplichting voor al wie zich bezig houdt met de levering van elektriciteit (VREG, 2008). Deze regelgeving impliceert dus dat iedere producent of leverancier van elektriciteit een bepaalde hoeveelheid certificaten moet binnenleveren bij specifiek daartoe bestemde organen. Dit aantal is afhankelijk van de totale hoeveelheid stroom dat deze leverancier levert aan de eindgebruiker. Indien het onvoldoene groene elektriciteit zelf heeft geproduceerd, dient het certificaten te kopen van producenten die meer dan de opgelegde hoeveelheid groene stroom hebben geproduceerd. Voor deze koop en verkoop bestaan er speciale markten of fora waarbij de prijs afhangt van vraag en aanbod. Het komt er dus op neer dat bedrijven die verplicht zijn tot het volbrengen van quotanormen de keuze hebben tussen zelf aan de quotanormen te voldoen of anders hiervoor te be-

45 38 talen. Er is als het ware een ontkoppeling tussen de fysische productie van elektriciteit en het volbrengen van de quotaverplichtingen (Ringel, 2005). Dit model legt bijgevolg een grote keuzevrijheid voor bedrijven aan de dag. Indien het aandeel van groene stroom in hun productie verhogen gepaard gaat met heel hoge kosten, kan het voor hun niet opportuun zijn om dit te doen. Ze zouden dan teveel moeten inboeten aan concurrentiekracht t.o.v. de andere spelers in de markt. Zeker na de liberalisering van de Europese energiemarkt is dit niet aan te raden. Anderzijds kan het zijn dat bedrijven voor een relatief lage meerkost in vergelijking met traditionele manieren van elektriciteitsproductie extra groene stroom in hun aanbod kunnen opnemen dat hun quotaverplichtingen overtreft. Ze zullen dit doen indien de prijs die ze krijgen voor een een groenestroomcertificaat minimum deze meerkost zal dekken. Indien de prijs van zulke certificaten vrij mag fluctueren zal de prijs ervan bepaad worden door de marktwerking van de invisible hand 6 (Berlage & Decoster, 2000). Hieruit volgt dus dat wanneer er weinig certificaten op de markt zijn, de prijs ervan zal stijgen waardoor meer producenten hun meerkost gedekt zullen zien en dus meer producenten groene stroom zullen aanbieden en vica versa. Hoewel het model relatief nieuw is het werd voor het eerst gebruikt in Nederland op het einde van de jaren tachtig (Ringel, 2005), is het relatief populair en wordt het reeds in een groot aantal landen of regio s toegepast. Echter, ook dit model heeft een groot nadeel aangezien het kan bijdragen tot een verschrompeling van de diversiteit aan hernieuwbare energiebronnen en/of technologieën die zullen aangewend worden (Ringel, 2005). Men zal enkel opteren voor deze bronnen die de laagste extra kosten met zich meebrengen en bijgevolg bij een bepaalde prijs van groenestroomcertificaten de meeste winst voor het bedrijf genereren. In figuur 7 is de hoeveelheid groenestroomcertificaten, op de X-as, uitgezet tegen prijs over marginale kost op de Y-as. Nu heeft dit systeem bij een vaste vraag naar groenestroomcertificaten D, een verdringing van bepaalde technologieën, namelijk fotovoltaïsche zonnecellen en geothermische energieopwekking, tot gevolg. Wanneer een producent-leverancier zijn groene stroom produceert door middel van windenergie, waterkracht of biomassa is er geen probleem daar de produc- 6 Het concept de invisible hand is geïntroduceerd door Adam Smith in zijn werk An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. Het duidt ondermeer op het feit dat de onzichtbare hand in een vrije markt ervoor zorgt dat voor een goed of dienst een prijs tot stand komt waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn.

46 39 tieprijs bij deze drie energiebronnen lager of gelijk is aan de prijs van een groenestroomcertificaat (P*) waardoor de productie van groene stroom goedkoper is dan het aankopen van groenestroomcertificaten op de markt. Wanneer een producent-leverancier echter groene stroom opwekt door middel van zonne-energie of geothermische energie is de productieprijs van deze groene stroom hoger dan de aankoopprijs van groenestroomcertificaten op de markt. Deze producent-leverancier doet er bijgevolg goed aan zijn productie van groene stroom door middel van deze bronnen stop te zetten en over te gaan tot het aankopen van groenestroomcertificaten op de markt om aan zijn quotumverplichting te voldoen. Men dient dus goed de voor- en nadelen van dit systeem af te wegen en na te gaan of de implementatie van het model bestaande sectoren in een regio niet te hard zal schaden. Figuur 7: Economische efficiëntie op de markt voor groenestroomcertificaten (Ringel, 2005: 12) D: Andere maatregelen Verder bestaan er ook nog andere mechanismen zoals indirecte subsidiëring vanwege de overheid zoals het geval is bij verlaagde BTW-tarieven (Reiche & Bechberger, 2004). Ook voor gezinnen en kleine bedrijven die in hun eigen energiebehoefte willen verzien is een tegemoetkoming vanwege de overheid vaak noodzakelijk. Kleinschalige projecten zijn nog vaak zeer kostelijk en hebben een lange terugverdienperiode waardoor de initiële investering voor velen te hoog is. Zo bedraagt bv. de terugverdientijd van systemen die gebruik

47 40 maken van zonne-energie vaak nog meer dan 15 jaar 7 (Celis, 2006). Door middel van subsidies of fiscale voordelen kunnen diegenen die twijfelen, eventueel wel over de streep getrokken worden. Hierdoor ontstaat er eigenlijk een situatie waarbij alle partijen winnen. Ten eerste kunnen de gebruikers ervan op lange termijn geld uitsparen door zelf in hun energiebehoefte te voorzien. Ten tweede zien bedrijven de vraag naar hun producten en diensten toenemen en tot slot vaart ook de natuur er wel bij waardoor een regio weer een stap dichter is bij het voldoen aan de door hun geaccepteerde Kyoto- en EU-doelstellingen. Verder zijn ook de capaciteiten van de beleidsmakers zelf belangrijk. Hoger werd reeds vermeld dat men vaak wordt geconfronteerd met ingewikkelde bureaucratische regelgeving op verschillende niveaus van beleid. De mate waarin de beleidsmakers erin slagen om administratieve vereenvoudigingen door te voeren is bijgevolg ook een belangrijke factor. Tot slot dienen we nog op te merken dat de overheid, naast het stimuleren van productie, ook aandacht moet besteden aan de uitbouw van een goede distributie-infrastructuur. Onder puntje werd reeds aangekaart dat voor vele landen, die een gecentraliseerde energie-infrastructuur hebben, investeringen in extra netwerkcapaciteit op lokaal vlak heel belangrijk is. Dit zal vaak zeer duur uitvallen en financiële tegemoetkoming is daarom wenselijk om dit op een efficiënte manier te kunnen realiseren. 2.4 Socio-economische invloedsfactoren De factoren die in voorgaande hoofdstukken werden behandeld hebben meer betrekking op harde factoren 8. In dit hoofdstuk gaan we nu dieper in op enkele zachtere factoren 9. Zacht wil echter niet zeggen dat ze minder belangrijk zijn. Integendeel zelfs, men merkt vaak dat, wanneer een bevolking in grote getalen eenzelfde mening of dezelfde bezorgdheden deelt m.a.w. wanneer er een groot maatschappelijk draagvlak bestaat, men hier politiek, snel zal op inpikken waardoor veranderingen kunnen worden doorgevoerd. Zo verhoogde het Duitse parlement de uitgaven voor O&O voor hernieuwbare energietechnologie tot een significant niveau nadat het was bezweken voor de sterke druk van de publieke opinie. 7 Volledigheidshalve dienen we hier toe te voegen dat deze terugverdientijd in de toekomst snel kan verkorten doordat er steeds meer onderzoek en ontwikkeling gebeurt naar deze vormen van hernieuwbare energiebronnen waardoor het rendement steeds toeneemt. 8 Factoren die gemakkelijk kunnen worden uitgedrukt in cijfers of eenheden. 9 Factoren die moeilijker kwantificeerbaar zijn zoals cultuur, motivatie en maatschappelijk draagvlak.

48 41 In 1982 bereikten deze uitgaven een piek van 300 miljoen DM per jaar nadat de eerste uitgaven ten belope van 20 miljoen DM waren gedaan in 1974 (Jacobsson, Lauber, 2006). Ook ontstond er in Duitsland in de jaren 80 de eerste grote groene partij van Europa. Bovendien zien veel mensen de greening van de economie als een must, maar tegelijkertijd zijn ze vaak zelf niet bereid of achten ze zich niet in staat om er iets aan te doen. Verder zijn vele mensen ook niet consequent in hun handelen. Zo zien vele luchthavens en vliegtuigen als bron van geluidsoverlast en luchtvervuiling, maar toch stappen er jaarlijks miljoenen mensen over heel de wereld met plezier in het vliegtuig richting de zon. Zo vormen ze, vaak zonder het te beseffen, als het ware zelf een belangrijke oorzaak van de processen die ze als storend ervaren. Het komt er voor hernieuwbere energie dus ook op aan om een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak te creëren en maatschappelijke participatie te bevorderen. Beide worden in deze sectie verder uitgewerkt Maatschappelijk draagvlak De manier waarop individuen staan ten overstaan van nieuwe producten/technologieën is belangrijk voor de snelheid waarmee deze producten zullen worden geadopteerd door de grote massa. Volgens Kotler (2006) ondergaan/volgen vele innovaties een adoptie-evolutie die wordt gekenmerkt door vijf verschillende adoptiesnelheden van de innovatie door mensen, namelijk: de innovatoren, vroege adaptoren, vroege meerderheid, late meerderheid en de conservatieven. Wanneer men deze groepen in kwantiteiten uitdrukt en grafisch uitzet heeft deze bekomen grafiek de vorm van een normaalverdeling (figuur 8). Hierbij stellen we vast dat het gros van de bevolking zich bevindt in de twee groepen van de vroege en late meerderheid. Het zijn mensen die wikken en wegen, veel informatie verlangen, vaak sceptisch staan ten overstaan van vernieuwing en waarbij men meer moeite moet doen om ze te overtuigen om de innovaties te aanvaarden (Kotler, 2006). Hoe sneller men erin slaagt om ze te overtuigen van de noodzaak en het nut van de beschouwde technologieën hoe sneller ze dan ook tot adoptie van de innovaties of participatie in grootschalige projecten zullen overgaan. Of meer specifiek voor energie: hoe groter het draagvlak voor hernieuwbare energie wordt.

49 42 Figuur 8: Moment van acceptatie van een innovatie (Kotler, 2006: 221) Bewustwordingscampagnes en informatieverschaffing vormen bijgevolg een eerste stap om mensen te overtuigen van de noodzaak om tot een vergroening van de economie te kiezen en hiermee samenhangend te opteren voor groene energie. Scholing en vorming speelt hierbij een centrale rol. De Eurobarometer 2006, een enquête georganiseerd door de Europese Commissie in de verschillende lidstaten betreffende hun kennis en houding ten overstaan van hernieuwbare energie, ondersteunt de bevinding dat informatieverschaffing noodzakelijk is. De enquête toont vooreerst aan dat slechts 14 procent van de inwoners van de Europese Unie energie als één van de belangrijkste bezorgdheden aanduiden. In Polen, Spanje en Griekenland beschouwden er slechts 4 procent van de bevolking energie als een belangrijk item (Eurobarometer energie 2006: 10). Ten tweede bleek er geen groot verschil te bestaan tussen de verschillende leeftijdsgroepen, maar wel een groot verschil tussen geslacht betreffende het al dan niet op de hoogte zijn van een bepaalde energiebron. Mannen waren over het algemeen veel beter op de hoogte van wat technologisch mogelijk is dan vrouwen (Eurobarometer energie 2006: 19). Verder werden er nog vele andere zaken ivm. de kennis en het belang dat de bevolking hecht aan hernieuwbare energie, getoetst. Het kan voor beleidsmakers een belangrijke indicatie geven van de manier waarop men eventuele bewustwordingscampagnes moet gaan organiseren. Uit bewustwording kan acceptatie volgen. Acceptatie niet enkel in de zin dat men overgaat tot het aanwenden van hernieuwbare energie, maar ook in de zin dat men gaat aanvaarden dat bepaalde hernieuwbare energie-installaties in hun directe woonomgeving worden geplaatst. Volgens Reiche & Bechberger (2003) staan veel mensen wel zeer positief ten over-

50 43 staan van hernieuwbare energie, maar heerst er toch een sterk NIMBY-effect (Not-In-My- Back-Yard). Dit fenomeen heeft men reeds in veel verschillende infrastructurele werken geanalyseerd. Een goed voorbeeld hiervan is de huisvuilproblematiek in Napels. De inwoners willen wel dat de metershoge bergen huisvuil verdwijnen uit het straatbeeld, maar tegelijkertijd protesteren ze hevig tegen de (her)opening van afvalstortplaatsen in de omgeving van Napels. Vanaf het moment dat men is begonnen met het inplanten van de eerste windmolen heeft men met dit probleem te kampen gehad. Mensen zijn wel enorme voorstanders van windenergie en vinden het plaatsen van windmolens bijgevolg wenselijk zolang het maar niet in hun eigen omgeving gebeurt (Wolsink, 1999). Zo is het lokaal verzet tegen windmolenprojecten vaak gebaseerd op vrees voor zichtverstoring, geluidshinder, waardevermindering van het land,... Ook in Slovenië en Slovakije werd men geconfronteerd met een sterk NIMBY-fenomeen. Milieugroeperingen hebben in het recente verleden zich heftig gekant tegen de bouw van grootschalige waterkrachtcentrales in deze landen (Reiche, 2004). Volledigheidshalve dienen we hierbij echter te vermelden dat men in de literatuur steeds vaker oog heeft voor de enorme (negatieve) impact die zulke investeringen hebben op de omgeving. Daarom hebben landen, zoals onder andere Nederland, besloten om zulke projecten niet meer te subsidiëren (Reiche & Bechberger, 2004). Verder dient men ook nog de afweging te benadrukken tussen welvaart en welzijn waarmee mensen worden geconfronteerd. Hernieuwbare energie kan in vele gevallen dan wel duurder uitvallen dan energie gewonnen uit conventionele energiedragers, maar het welzijn stijgt wel op voorwaarde dat er collectief wordt gehandeld. Massaal overschakelen op hernieuwbare energie en biobrandstoffen voor transport heeft een direct positief effect op onder meer de luchtkwaliteit doordat de concentratie van onder meer roetdeeltjes afneemt. Het nut van de overschakeling voor een individu neemt daardoor toe. Het is bijgevolg belangrijk om dit te benadrukken en vrijbuitersgedrag zoveel mogelijk uit te sluiten. Echter dient men wel rekening te houden met het feit dat vele mensen nu reeds problemen hebben met het betalen van energierekeningen. Verhoging van de energieprijzen kan voor deze gezinnen erg zwaar wegen op hun budget. De sociale kost van hernieuwbare energie kan daardoor (te) groot zijn. Wanneer de overheid bijgevolg opteert voor hernieuwbare

51 44 energie dient men met deze sociale kost rekening te houden en deze gezinnen tegemoet te komen. Hierdoor lopen de kosten voor de overheid verder op, maar dit probleem doet zich enkel op korte termijn voor aangezien men verwacht dat olieprijzen zullen blijven stijgen en de kosten verbonden aan hernieuwbare energie verder zullen dalen. Bovendien houdt sensibilisering op het vlak van duurzaam energieverbruik meer in dan louter stimuleren van hernieuwbare energie. Minstens even belangrijk is energiezuiniger gaan leven. Betere isolatie en het gebruik van spaarlampen zijn hier maar enkele voorbeelden van. Wanneer dit samen wordt gepromoot en financieël wordt gesteund door de overheid kan de energiebesparing misschien wel de extra kost van hernieuwbare energie gaan compenseren. Tot slot kunnen we hier nog de waarden en normen van een maatschappij met betrekking tot de omgang en positie ten overstaan van de omgeving/natuur vermelden. Het kon evengoed ook worden vermeld onder de titel path dependencies want het komt voort uit traditie en maatschappelijk denken dat een land/regio in de loop van de tijd ontwikkeld heeft. Zo hebben de Scandinavische landen altijd veel aandacht besteed aan de natuurlijke rijkdom die ze bezitten. Milieubehoud en duurzaamheid staan hier al decennia lang centraal in het beleid en het stoelt ook op een brede acceptatie hiervan door het volk. Inwoners zijn trots op het imago dat ze bezitten in het buitenland. Hierdoor zetten ze ook gemakkelijker de stap tot de overgang naar hernieuwbare energie en vergroening van de economie. Er werd reeds aangehaald dat Noorwegen en Denemarken (mede door de natuurlijke kenmerken van de landen) tot de top in Europa behoren op het vlak van aanwending van hernieuwbare energie. Een stap verder is naast het passief accepteren ook actief participeren in het uitbouwen, ondersteunen en financieren van hernieuwbare energieprojecten. Dit wordt nu in het volgende puntje behandeld Maatschappelijke participatie Een trend die we kunnen vaststellen bij het analyseren van internationale cases is dat hernieuwbare energieprojecten vaak het resultaat zijn van een bottom-up aanpak. Hierbij, in tegenstelling tot een top-down aanpak, slaan groepen van mensen, of in sommige gevallen gehele dorpen en steden, de handen in elkaar om projecten betreffende hernieuwbare energie te realiseren. Ze verzamelen zich in coöperaties en de coöperanten zijn naast de producenten vaak ook de belangrijkste afnemers van de geproduceerde stroom. Ze dragen ook in

52 45 belangrijke mate bij tot de acceptatie en penetratie van een bepaalde technologie in een markt en veroorzaken positieve effecten op de regionale ontwikkeling. Voornamelijk op het vlak van windenergie is dit een beproefde strategie. Zo wordt Denemarken gekenmerkt door meer dan 3000 windmolens die eigendom zijn van coöperaties die, volgens ruwe schattingen, tussen de en de coöperanten omvatten (Reiche & Berchberger, 2003: 6). Netwerkeffecten en de voordelen van collectief handelen vormen hier bijgevolg een belangrijke motivatie. Het is belangrijk om te benadrukken dat een voldoende gedecentraliseerde energie-infrastructuur een vereiste is, daar het vaak lokale en kleinschalige projecten betreft. Bovenstaande geeft ook een meer genuanceerd beeld van het NIMBY-fenomeen en toont aan dat het zeker niet algemeen geldt. Sommigen gaan zelfs nog verder. Zo heeft de vzw Vents d Houyet van Bernard Delville in februari 2006 in het Waalse Houyet de tweede windmolen in gebruik genomen die deels eigendom is van kinderen. Verder wenst de vzw mensen te sensibiliseren en heeft het specifiek voor kinderen educatieve projecten gelanceerd. Hiermee wenst de vzw de maatschappelijke aanvaarding en participatie met betrekking tot windenergie te verhogen (energie-zuinig.be, 2008). Meer algemeen vormen entrepreneurs de motor voor de groei van de hernieuwbare energiesector. Zo zien entrepreneurs sneller gaten in de markt en gaan hierop inspelen (De Bondt, 2007). Ze zijn geïnteresseerd in specifieke technologieën en richten nieuwe bedrijven op waarvan ze hopen dat ze op termijn voldoende rendement genereren. In een studie van Agterbosch e.a. (2005) betreffende sociale barrières bij de implementatie van windmolenprojecten wordt de invloed van verschillende soorten investeerders onderzocht. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen vier groepen van entrepreneurs: kleine privé-investeerders, investeerders binnen de bestaande elektriciteitssector, coöperanten en nieuwe onafhankelijke windenergie producenten. Figuur 9 toont grafisch de bijdrage van elk van de vier groepen entrepreneurs tot de jaarlijkse toename in de capaciteit van windmolenenergie in Nederland. Hieruit blijkt duidelijk dat eind jaren 90 van de 20 ste eeuw de investeringen van bestaande energieverdelers de belangrijkste bijdragen leverden. De laatste jaren is dit echter sterk veranderd. Daar waar de bestaande energieverdelers aan belang hebben ingeboet, hebben kleine privé-investeerders enorm aan belang gewonnen. Ook nieuwe onafhankelijke windenergie producenten (her)winnen terug aan belang. Hun belang

53 46 toont echter grote variatie over de jaren heen. Tot slot is het opmerkelijk dat in Nederland coöperaties weinig of geen input hebben bij de groei en ontwikkeling van de sector. Dit toont dus aan dat de waarnemingen in Denemarken en Duitsland niet zomaar als een algemene trend mogen worden aanzien. Figuur 9: Bijdrage tot de windenergiecapaciteit geïnstalleerd per jaar uitgedrukt in percentage (Agterbosch e.a., 2005: 1030) Tot slot is ook de bereidheid van investeerders belangrijk om de vaak dure projecten te financieren. Dit betekent dan ook dat het vaak gemakkelijker is om projecten te realiseren in landen die over goed werkende kapitaal- en investeringsmarkten beschikken. Echter zoals vermeld onder het punt energiebeleid van de EU (zie 2.3.2) kan men onder meer beschikken over de structuurfondsen van de EU om de financiering te vergemakkelijken (Klevas e.a., 2005). Dit moet extra mogelijkheden bieden voor alle landen van de EU.

ENERGIEPRIORITEITEN VOOR EUROPA

ENERGIEPRIORITEITEN VOOR EUROPA ENERGIEPRIORITEITEN VOOR EUROPA Presentatie door de heer J.M. Barroso, Voorzitter van de Europese Commissie, voor de Europese Raad van 4 februari 2011 Inhoud 1 I. Waarom energiebeleid ertoe doet II. Waarom

Nadere informatie

Een overzicht van de hernieuwbare-energiesector in Roemenië

Een overzicht van de hernieuwbare-energiesector in Roemenië Een overzicht van de hernieuwbare-energiesector in Roemenië Roemenië ligt geografisch gezien in het midden van Europa (het zuidoostelijk deel van Midden-Europa). Het land telt 21,5 miljoen inwoners en

Nadere informatie

Insights Energiebranche

Insights Energiebranche Insights Energiebranche Naar aanleiding van de nucleaire ramp in Fukushima heeft de Duitse politiek besloten vaart te zetten achter het afbouwen van kernenergie. Een transitie naar duurzame energie is

Nadere informatie

Inventaris hernieuwbare energie in Vlaanderen 2013

Inventaris hernieuwbare energie in Vlaanderen 2013 1 Beknopte samenvatting van de Inventaris duurzame energie in Vlaanderen 2013, Deel I: hernieuwbare energie, Vito, februari 2015 1 1 Het aandeel hernieuwbare energie in 2013 bedraagt 5,8 % Figuur 1 zon-elektriciteit

Nadere informatie

Kernenergie. kernenergie01 (1 min, 22 sec)

Kernenergie. kernenergie01 (1 min, 22 sec) Kernenergie En dan is er nog de kernenergie! Kernenergie is energie opgewekt door kernreacties, de reacties waarbij atoomkernen zijn betrokken. In een kerncentrale splitst men uraniumkernen in kleinere

Nadere informatie

Mondiale perspectieven voor energie, technologie en klimaatbeleid voor 2030 KERNPUNTEN

Mondiale perspectieven voor energie, technologie en klimaatbeleid voor 2030 KERNPUNTEN Mondiale perspectieven voor energie, technologie en klimaatbeleid voor 2030 KERNPUNTEN Referentiescenario De WETO-studie (World Energy, Technology and climate policy Outlook 2030) bevat een referentiescenario

Nadere informatie

ENERGIE- OBSERVATORIUM. Kerncijfers 2013 20% 80% 60% 40%

ENERGIE- OBSERVATORIUM. Kerncijfers 2013 20% 80% 60% 40% ENERGIE- OBSERVATORIUM Kerncijfers 2013 20% 80% 60% 40% Deze brochure wordt gepubliceerd met als doel door een efficiënt en doelgericht gebruik van de statistische gegevens, van marktgegevens, van de databank

Nadere informatie

slibvergisting, wordt omgezet in elektric iteit 0,029 per kwh. slibvergisting, wordt omgezet in elektriciteit 0,029 per kwh.

slibvergisting, wordt omgezet in elektric iteit 0,029 per kwh. slibvergisting, wordt omgezet in elektriciteit 0,029 per kwh. Regeling van de Minister van Economische Zaken van.., nr. WJZ, houdende vaststelling van de vaste bedragen per kwh ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor het jaar 2005

Nadere informatie

Energie Rijk. Lesmap Leerlingen

Energie Rijk. Lesmap Leerlingen Energie Rijk Lesmap Leerlingen - augustus 2009 Inhoudstafel Inleiding! 3 Welkom bij Energie Rijk 3 Inhoudelijke Ondersteuning! 4 Informatiefiches 4 Windturbines-windenergie 5 Steenkoolcentrale 6 STEG centrale

Nadere informatie

FOSSIELE BRANDSTOFFEN

FOSSIELE BRANDSTOFFEN FOSSIELE BRANDSTOFFEN De toekomst van fossiele energiebronnen W.J. Lenstra Inleiding Fossiele energiebronnen hebben sinds het begin van de industriele revolutie een doorslaggevende rol gespeeld in onze

Nadere informatie

Samenvatting Flanders DC studie Internationalisatie van KMO s

Samenvatting Flanders DC studie Internationalisatie van KMO s Samenvatting Flanders DC studie Internationalisatie van KMO s In een globaliserende economie moeten regio s en ondernemingen internationaal concurreren. Internationalisatie draagt bij tot de economische

Nadere informatie

Beleggen in de toekomst. de kansen van beleggen in klimaat en milieu

Beleggen in de toekomst. de kansen van beleggen in klimaat en milieu Beleggen in de toekomst de kansen van beleggen in klimaat en milieu Angst voor de gevolgen? Stijging van de zeespiegel Hollandse Delta, 6 miljoen Randstedelingen op de vlucht. Bedreiging van het Eco-systeem

Nadere informatie

Duurzame energie in Japan

Duurzame energie in Japan Duurzame energie in Japan Rob Stroeks (Project Officer, TWA Tokio) - 8-3-2004 Samenvatting Japan heeft van oudsher weinig natuurlijke energiebronnen. De daarmee samenhangende afhankelijkheid van buitenlandse

Nadere informatie

2016-04-15 H2ECOb/Blm HOE KAN DE ENERGIETRANSITIE WORDEN GEREALISEERD? Probleemstelling

2016-04-15 H2ECOb/Blm HOE KAN DE ENERGIETRANSITIE WORDEN GEREALISEERD? Probleemstelling HOE KAN DE ENERGIETRANSITIE WORDEN GEREALISEERD? Probleemstelling Op de internationale milieuconferentie in december 2015 in Parijs is door de deelnemende landen afgesproken, dat de uitstoot van broeikasgassen

Nadere informatie

Prof. Jos Uyttenhove. E21UKort

Prof. Jos Uyttenhove. E21UKort Historisch perspectief 1945-1970 Keerpunten in de jaren 70 oliecrisis en milieu Tsjernobyl (1986) ramp door menselijke fouten Kyoto protocol (1997) (CO 2 en global warming problematiek) Start alternatieven

Nadere informatie

Duurzame energie in balans

Duurzame energie in balans Duurzame energie in balans Duurzame energie produceren en leveren binnen Colruyt Group I. Globale energievraag staat onder druk II. Bewuste keuze van Colruyt Group III. Wat doet WE- Power? I. Globale energievraag

Nadere informatie

Macro-economische impact van hernieuwbare energie productie in België

Macro-economische impact van hernieuwbare energie productie in België Macro-economische impact van hernieuwbare energie productie in België SAMENVATTING Context van het onderzoek september 2014 Hernieuwbare energie is één van de belangrijkste oplossingen die door de beleidsmakers

Nadere informatie

NOTA (Z)140109-CDC-1299

NOTA (Z)140109-CDC-1299 Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel Tel.: 02/289.76.11 Fax: 02/289.76.09 COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS NOTA

Nadere informatie

Latijns-Amerika aarzelt over hernieuwbare energie zaterdag, 15 augustus 2015 12:30

Latijns-Amerika aarzelt over hernieuwbare energie zaterdag, 15 augustus 2015 12:30 Waterkrachtcentrale's vormen een belangrijke energiebron in Zuid-Amerka, zoals hier bij de Itaipudam, een Braziliaans-Paraguyaanse stuwdam in de rivier de Paraná op de grens van de Braziliaanse staat Paraná

Nadere informatie

Inleiding: energiegebruik in bedrijven en gebouwen

Inleiding: energiegebruik in bedrijven en gebouwen Inleiding: energiegebruik in bedrijven en gebouwen Energie Energie is een eigenschap van de materie die kan worden omgezet in arbeid, warmte of straling. De eenheid van energie is de Joule. De fundamentele

Nadere informatie

Schone technologie voor een levende aarde Bouwen aan de Nederlandse schone technologie sector

Schone technologie voor een levende aarde Bouwen aan de Nederlandse schone technologie sector Wereld Natuur Fonds Driebergseweg 10 Postbus 7 3700 AA Zeist Tel: +31 30 693 7333 Direct: Fax: +31 30 691 2064 Info@wnf.nl www.wnf.nl Schone technologie voor een levende aarde Bouwen aan de Nederlandse

Nadere informatie

16% Energie van eigen bodem. 17 januari 2013

16% Energie van eigen bodem. 17 januari 2013 16% Energie van eigen bodem 17 januari 2013 Inhoud Klimaatverandering Energie in Nederland Duurzame doelen Wind in ontwikkeling Northsea Nearshore Wind Klimaatverandering Conclusie van het IPCC (AR4, 2007)

Nadere informatie

Flipping the classroom

Flipping the classroom In dit projectje krijg je geen les, maar GEEF je zelf les. De leerkracht zal jullie natuurlijk ondersteunen. Dit zelf les noemen we: Flipping the classroom 2 Hoe gaan we te werk? 1. Je krijgt of kiest

Nadere informatie

HERNIEUWBARE ENERGIE IN ITALIË

HERNIEUWBARE ENERGIE IN ITALIË HERNIEUWBARE ENERGIE IN ITALIË Overzicht 1 Hernieuwbare energiebronnen (hierna ook: HE) spelen een belangrijke rol in het kader van het Italiaanse energiesysteem. Ze worden uitvoerig gebruikt om elektriciteit

Nadere informatie

Markstudie naar kleine windturbines in Vlaanderen

Markstudie naar kleine windturbines in Vlaanderen Markstudie naar kleine windturbines in Vlaanderen September 12, 2012 Deze marktstudie werd uitgevoerd in samenwerking met Gfk Significant uit Leuven. 1 Gemeenten van de 308 Vlaamse gemeenten werden geïnterviewed.

Nadere informatie

Wat verstaan we onder warmtehuishouding? Jo Cox Sponsor P2

Wat verstaan we onder warmtehuishouding? Jo Cox Sponsor P2 Wat verstaan we onder warmtehuishouding? Jo Cox Sponsor P2 Energietransitie Papierketen De ambities binnen Energietransitie Papierketen: Halvering van het energieverbruik per eindproduct in de keten per

Nadere informatie

Cleantech Markt Nederland 2008

Cleantech Markt Nederland 2008 Cleantech Markt Nederland 2008 Baken Adviesgroep November 2008 Laurens van Graafeiland 06 285 65 175 1 Definitie en drivers van cleantech 1.1. Inleiding Cleantech is een nieuwe markt. Sinds 2000 heeft

Nadere informatie

100% groene energie. uit eigen land

100% groene energie. uit eigen land 100% groene energie uit eigen land Sepa green wil Nederland op een verantwoorde en transparante wijze van energie voorzien. Dit doen wij door gebruik te maken van duurzame energieopwekking van Nederlandse

Nadere informatie

ENERGIE- OBSERVATORIUM. Kerncijfers 2011 60%

ENERGIE- OBSERVATORIUM. Kerncijfers 2011 60% ENERGIE- OBSERVATORIUM Kerncijfers 2011 20% 80% 60% 40% Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Vooruitgangstraat 50 1210 BRUSSEL Ondernemingsnr.: 0314.595.348 http://economie.fgov.be

Nadere informatie

WORLD ENERGY TECHNOLOGY OUTLOOK 2050 (WETO-H2) KERNPUNTEN

WORLD ENERGY TECHNOLOGY OUTLOOK 2050 (WETO-H2) KERNPUNTEN WORLD ENERGY TECHNOLOGY OUTLOOK 2050 (WETO-H2) KERNPUNTEN In het kader van de WETO-H2-studie is een referentieprognose van het wereldenergiesysteem ontwikkeld samen met twee alternatieve scenario's, een

Nadere informatie

Emissiekentallen elektriciteit. Kentallen voor grijze en niet-geoormerkte stroom inclusief upstream-emissies

Emissiekentallen elektriciteit. Kentallen voor grijze en niet-geoormerkte stroom inclusief upstream-emissies Emissiekentallen elektriciteit Kentallen voor grijze en niet-geoormerkte stroom inclusief upstream-emissies Notitie: Delft, januari 2015 Opgesteld door: M.B.J. (Matthijs) Otten M.R. (Maarten) Afman 2 Januari

Nadere informatie

ENERGIE- OBSERVATORIUM. Kerncijfers 2010 60%

ENERGIE- OBSERVATORIUM. Kerncijfers 2010 60% ENERGIE- OBSERVATORIUM Kerncijfers 2010 20% 80% 60% 40% Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Vooruitgangstraat 50 1210 BRUSSEL Ondernemingsnr.: 0314.595.348 http://economie.fgov.be

Nadere informatie

Energieprijzen in vergelijk

Energieprijzen in vergelijk CE CE Oplossingen voor Oplossingen milieu, economie voor milieu, en technologie economie en technologie Oude Delft 180 Oude Delft 180 611 HH Delft 611 HH Delft tel: tel: 015 015 150 150 150 150 fax: fax:

Nadere informatie

Kernenergie in de Belgische energiemix

Kernenergie in de Belgische energiemix Kernenergie in de Belgische energiemix 1. Bevoorradingszekerheid De energie-afhankelijkheid van België is hoger dan het Europees gemiddelde. Zo bedroeg het percentage energie-afhankelijkheid van België

Nadere informatie

Change. Hoe moet het morgen met de energievoorziening? Document. magazine

Change. Hoe moet het morgen met de energievoorziening? Document. magazine Hoe moet het morgen met de energievoorziening? Nederland is verslaafd aan fossiele energie, zeker in vergelijking met landen om ons heen, vertelt Paul Korting, directeur van ECN. Er zijn genoeg scenario

Nadere informatie

Vooraleer de leerlingen de teksten lezen, worden de belangrijkste tekststructuren overlopen (LB 265).

Vooraleer de leerlingen de teksten lezen, worden de belangrijkste tekststructuren overlopen (LB 265). 5.2.1 Lezen In het leerboek krijgen de leerlingen uiteenlopende teksten te lezen. Op die manier worden de verschillende tekstsoorten en tekststructuren nogmaals besproken. Het gaat om een herhaling van

Nadere informatie

Biomassa: brood of brandstof?

Biomassa: brood of brandstof? RUG3 Biomassa: brood of brandstof? Centrum voor Energie en Milieukunde dr ir Sanderine Nonhebel Dia 1 RUG3 To set the date: * >Insert >Date and Time * At Fixed: fill the date in format mm-dd-yy * >Apply

Nadere informatie

Windenergie goedkoper dan kernenergie!

Windenergie goedkoper dan kernenergie! Go Wind - Stop nuclear Briefing 1 26 june 2002 Windenergie goedkoper dan kernenergie! Electrabel geeft verkeerde informatie over kostprijs van kernenergie en windenergie. Electrabel beweert dat windenergie

Nadere informatie

Energievoorziening Rotterdam 2025

Energievoorziening Rotterdam 2025 Energievoorziening Rotterdam 2025 Trends Issues Uitdagingen 9/14/2011 www.bollwerk.nl 1 Trends (1) Wereld energiemarkt: onzeker Toenemende druk op steeds schaarsere fossiele bronnen Energieprijzen onvoorspelbaar,

Nadere informatie

Intersteno Ghent 2013- Correspondence and summary reporting

Intersteno Ghent 2013- Correspondence and summary reporting Intersteno Ghent 2013- Correspondence and summary reporting DUTCH Wedstrijd Correspondentie en notuleren De wedstrijdtekst bevindt zich in de derde kolom van de lettergrepentabel in art. 19.1 van het Intersteno

Nadere informatie

Gas als zonnebrandstof. Verkenning rol gas als energiedrager voor hernieuwbare energie na 2030

Gas als zonnebrandstof. Verkenning rol gas als energiedrager voor hernieuwbare energie na 2030 Gas als zonnebrandstof Verkenning rol gas als energiedrager voor hernieuwbare energie na 2030 1 Inhoudsopgave 1 2 3 4 5 Introductie Meer hernieuwbare energie Extra hernieuwbare energie in Nederland? Verkennen

Nadere informatie

Energietechnologieën

Energietechnologieën pagina 1/6 Wetenschappelijke Feiten Bron: over IEA (2008) Energietechnologieën Scenario s tot 2050 Samenvatting en details: GreenFacts Context - Het toenemende energiegebruik dat aan de huidige economische

Nadere informatie

1 Nederland is nog altijd voor 92 procent afhankelijk van fossiele brandstoffen

1 Nederland is nog altijd voor 92 procent afhankelijk van fossiele brandstoffen achtergrond Afscheid van fossiel kan Klimaatverandering is een wereldwijd probleem. Energie(on)zekerheid ook. Dat betekent dat een transitie naar een veel duurzamere economie noodzakelijk is. Het recept

Nadere informatie

Energieverbruik gemeentelijke gebouwen

Energieverbruik gemeentelijke gebouwen MILIEUBAROMETER: INDICATORENFICHE ENERGIE 1/2 Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 Milieubarometer: Energieverbruik gemeentelijke gebouwen Indicatorgegevens Naam Definitie Meeteenheid Energieverbruik gemeentelijke

Nadere informatie

De buitenlandse handel van België - 2009 -

De buitenlandse handel van België - 2009 - De buitenlandse handel van België - 2009 - De buitenlandse handel van België in 2009 (Bron: NBB communautair concept*) Analyse van de cijfers van 2009 Zoals lang gevreesd, werden in 2009 de gevolgen van

Nadere informatie

Attitude van Nederland, Zeeland en Borsele ten aanzien van verschillende energiebronnen. Energiemonitor 2010

Attitude van Nederland, Zeeland en Borsele ten aanzien van verschillende energiebronnen. Energiemonitor 2010 Attitude van Nederland, Zeeland en Borsele ten aanzien van verschillende energiebronnen Energiemonitor 2010 Index 1. Inleiding 2. Populariteit energievormen 3. Bouwen tweede kerncentrale 4. Uitbreiding

Nadere informatie

Inplanting van windmolens Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning vzw

Inplanting van windmolens Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning vzw Inplanting van windmolens Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning vzw Energie in België EHA! 8 mei 2008 Nieuwerkerken 25 oktober 2007 Dirk Knapen Projectmedewerker energie en klimaat Inplanting van

Nadere informatie

Verslag bijeenkomst Vereniging voor Zonnekrachtcentrales 30 nov. 2012 Energietransitie te belangrijk! Kohnstammhuis

Verslag bijeenkomst Vereniging voor Zonnekrachtcentrales 30 nov. 2012 Energietransitie te belangrijk! Kohnstammhuis Verslag bijeenkomst Vereniging voor Zonnekrachtcentrales 30 nov. 2012 Energietransitie te belangrijk! Kohnstammhuis Global Energy Assessment Naar Een Duurzame Toekomst samenvatting van de lezing van Wim

Nadere informatie

De kleur van stroom: de milieukwaliteit van in Nederland geleverde elektriciteit

De kleur van stroom: de milieukwaliteit van in Nederland geleverde elektriciteit De kleur van stroom: de milieukwaliteit van in geleverde elektriciteit Feiten en conclusies uit de notitie van ECN Beleidsstudies Sinds 1999 is de se elektriciteitsmarkt gedeeltelijk geliberaliseerd. In

Nadere informatie

Prioriteiten op energiegebied voor Europa Presentatie door de heer J.M. Barroso,

Prioriteiten op energiegebied voor Europa Presentatie door de heer J.M. Barroso, Prioriteiten op energiegebied voor Europa Presentatie door de heer J.M. Barroso, Voorzitter van de Europese Commissie, voor de Europese Raad van 22 mei 2013 Nieuwe omstandigheden op de wereldwijde energiemarkt

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2007 410 Besluit van 16 oktober 2007, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies ten behoeve van de productie van hernieuwbare elektriciteit,

Nadere informatie

VEA - Draagvlak windenergie

VEA - Draagvlak windenergie Elke Van Hamme Significant GfK Februari 2011 VEA - Draagvlak windenergie Inhoud Achtergrond & doelstelling van het onderzoek 2 Is er anno 2011 een draagvlak voor windenergie? Attitude tov windenergie:

Nadere informatie

Les Biomassa. Werkblad

Les Biomassa. Werkblad LESSENSERIE ENERGIETRANSITIE Les Biomassa Werkblad Les Biomassa Werkblad Niet windenergie, niet zonne-energie maar biomassa is de belangrijkste bron van hernieuwbare energie in Nederland. Meer dan 50%

Nadere informatie

SETIS VOOR EEN KOOLSTOFARME TOEKOMST

SETIS VOOR EEN KOOLSTOFARME TOEKOMST E u r o p e s e Commissie INFORMATIESYSTEEM VOOR STRATEGISCHE ENERGIETECHNOLOGIEËN SETIS VOOR EEN KOOLSTOFARME TOEKOMST http://setis.ec.europa.eu Europese Commissie Informatiesysteem voor strategische

Nadere informatie

Onderzoek gunstige prijsligging.

Onderzoek gunstige prijsligging. Onderzoek gunstige prijsligging. BMW 3 Serie Model 320D. 22 Eu-Lidstaten. Jordy Reijers Marketing/Onderzoek P van. Prijs 1 Inhoud Opgave Onderzoek informatie over Eu landen Welke landen hanteren de euro?

Nadere informatie

Energie voor morgen, vandaag bij GTI

Energie voor morgen, vandaag bij GTI Energie voor morgen, vandaag bij GTI Jet-Net docentendag 5 juni 2008 GTI. SMART & INVOLVED GTI is in 2009 van naam veranderd: GTI heet nu Cofely SLIMME ENERGIENETWERKEN, NU EN MORGEN 2008 2010 Centrale

Nadere informatie

Nieuwe methodiek CO 2 -voetafdruk bedrijventerreinen POM West-Vlaanderen. Peter Clauwaert - Gent 29/09/11

Nieuwe methodiek CO 2 -voetafdruk bedrijventerreinen POM West-Vlaanderen. Peter Clauwaert - Gent 29/09/11 Nieuwe methodiek CO 2 -voetafdruk bedrijventerreinen POM West-Vlaanderen Peter Clauwaert - Gent 29/09/11 Inhoud presentatie 1.Afbakening 2.Inventarisatie energie 3.CO 2 -voetafdruk energieverbruik 4.CO

Nadere informatie

Bio-WKK en WKK in de glastuinbouw: meer met minder

Bio-WKK en WKK in de glastuinbouw: meer met minder Voor kwaliteitsvolle WarmteKrachtKoppeling in Vlaanderen Bio-WKK en WKK in de glastuinbouw: meer met minder 16/12/2010 Cogen Vlaanderen Daan Curvers COGEN Vlaanderen Houtige biomassa in de landbouw 16

Nadere informatie

Bouwstenen voor een nieuw energiebeleid. De uitdagingen in het energiebeleid. CD&V voorzitter Jo Vandeurzen

Bouwstenen voor een nieuw energiebeleid. De uitdagingen in het energiebeleid. CD&V voorzitter Jo Vandeurzen Bouwstenen voor een nieuw energiebeleid De uitdagingen in het energiebeleid CD&V voorzitter Jo Vandeurzen CD&V-studiedag, Vlaams Parlement 29 april 2006 Als ik zeg dat onze moderne westerse samenleving

Nadere informatie

Aantal uitgereikte groenestroomcertificaten en garanties van oorsprong

Aantal uitgereikte groenestroomcertificaten en garanties van oorsprong Statistieken Laatste aanpassing 03/06/2015 Aantal uitgereikte groenestroomcertificaten en garanties van oorsprong Dit document bevat de gegevens betreffende het aantal toegekende groenestroomcertificaten

Nadere informatie

PROEFTUIN VOOR HET EUROPESE ENERGIESYSTEEM VAN DE TOEKOMST

PROEFTUIN VOOR HET EUROPESE ENERGIESYSTEEM VAN DE TOEKOMST NOORD-NEDERLAND: PROEFTUIN VOOR HET EUROPESE ENERGIESYSTEEM VAN DE TOEKOMST PROEFTUIN ENERGIE- TRANSITIE REGIONALE PARTNER IN DE EUROPESE ENERGIE UNIE Noord-Nederland is een grensoverschrijdende proeftuin

Nadere informatie

Reken op ons! Donkere wolken boven de zonnepanelen (vervolg)

Reken op ons! Donkere wolken boven de zonnepanelen (vervolg) 10/12/2010 Donkere wolken boven de zonnepanelen (vervolg) Vlaams minister van Energie Freya Van den Bossche vind koppigheid een slechte eigenschap voor een regering en gaat in op het voorstel van de sector

Nadere informatie

Hartelijk welkom! Uniek nieuw initiatief Transition Town Breda Energie coöperatie: Brabants Eigen Energie (BREE)

Hartelijk welkom! Uniek nieuw initiatief Transition Town Breda Energie coöperatie: Brabants Eigen Energie (BREE) Hartelijk welkom! Uniek nieuw initiatief Transition Town Breda Energie coöperatie: Brabants Eigen Energie (BREE) Peter Nuijten Mob: 06-22811585 E-mail: peter.nuijten@hotmail.nl 1 Concept Energie coöperatie

Nadere informatie

Onconventionele fossiele brandstoffen (bijv. schaliegas) in Europa

Onconventionele fossiele brandstoffen (bijv. schaliegas) in Europa Onconventionele fossiele brandstoffen (bijv. schaliegas) in Europa De opsporing en winning van aardgas en aardolie in Europa richtte zich in het verleden vooral op conventionele brandstoffen. De mogelijkheden

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie Nr. 538 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Derde Energienota Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergade~aar1995-1996 24525 Derde Energienota Nr. 2 INHOUDSOPGAVE DERDE ENERGIENOTA 1995 Samenvatting en conclusies Inleiding Hoofdstuk 1 De uitdaging

Nadere informatie

EU Energy [R]evolution: Op weg naar 100% hernieuwbare energie tegen 2050

EU Energy [R]evolution: Op weg naar 100% hernieuwbare energie tegen 2050 Juli 2010 EU Energy [R]evolution: Op weg naar 100% hernieuwbare energie tegen 2050 Hernieuwbare energie kent een spectaculaire groei. Van alle nieuwe elektriciteitscentrales die in 2009 in gebruik werden

Nadere informatie

Eindexamen aardrijkskunde vmbo gl/tl 2003 - I

Eindexamen aardrijkskunde vmbo gl/tl 2003 - I Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op. OMGAAN MET NATUURLIJKE HULPBRONNEN figuur 1 De kringloop van het water A B LAND ZEE 2p 1 In figuur 1 staat de kringloop van het

Nadere informatie

Definitielijst HG- Certificatensysteem

Definitielijst HG- Certificatensysteem Definitielijst HG- Certificatensysteem versie 2.0 december 2009 1 In de in de Overeenkomst HG-Certificatensysteem hebben de met een hoofdletter aangeduide begrippen de betekenis als hieronder beschreven:

Nadere informatie

Caro De Brouwer 27/11/2013

Caro De Brouwer 27/11/2013 Caro De Brouwer 27/11/2013 Caro De Brouwer 2e Master Irw Energie, KUL Erasmus Imperial College London Thesis: Solvent storage for postcombustion CCS in coal fired plants Voorzitter YERA Young Energy Reviewers

Nadere informatie

1E SCHOOL. duurzaam gerenoveerd

1E SCHOOL. duurzaam gerenoveerd 1E SCHOOL duurzaam gerenoveerd DUURZAAM RENOVEREN investeren in MEERVOUDIGE OPBRENGST INHOUD PRESENTATIE 1 Niet duurzame school 2 Duurzaam bouwen & leven 3 Duurzame energie, kleinschalig opgewekt 4 Passief

Nadere informatie

Visie op Windenergie en solar Update 2014

Visie op Windenergie en solar Update 2014 Visie op Windenergie en solar Update 2014 De vooruitzichten voor hernieuwbare energie zijn gunstig Succes hangt sterk af van de beschikbaarheid van subsidies Naast kansen in Nederland kan de sector profiteren

Nadere informatie

Internationale handel in goederen van Nederland 2012

Internationale handel in goederen van Nederland 2012 Webartikel 2013 Internationale handel in goederen van Nederland 2012 Wiel Packbier 11-11-2013 gepubliceerd op cbs.nl Samenvatting De internationale handel in goederen is in 2012 wederom minder hard gegroeid.

Nadere informatie

1. 31958 Q 1101: EAEC Raad: De Statuten van het Voorzieningsagentschap van Euratom (PB 27 van 6.12.1958, blz. 534), gewijzigd bij:

1. 31958 Q 1101: EAEC Raad: De Statuten van het Voorzieningsagentschap van Euratom (PB 27 van 6.12.1958, blz. 534), gewijzigd bij: 9. ENERGIE 1. 31958 Q 1101: EAEC Raad: De Statuten van het Voorzieningsagentschap van Euratom (PB 27 van 6.12.1958, blz. 534), gewijzigd bij: 31973 D 0045: Besluit 73/45/Euratom van de Raad van 8 maart

Nadere informatie

67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk

67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 28 oktober 67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk Tegen 2020 moet 75% van de Europeanen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk zijn.

Nadere informatie

De rol van biomassa in de energietransitie.

De rol van biomassa in de energietransitie. De rol van biomassa in de energietransitie. Bert de Vries Plaatsvervangend directeur-generaal Energie, Telecom en Mededinging, Ministerie van Economische Zaken Inhoud 1. Energieakkoord 2. Energietransitie

Nadere informatie

Emissies, emissierechten, hernieuwbare bronnen en vermeden emissies

Emissies, emissierechten, hernieuwbare bronnen en vermeden emissies Emissies, emissierechten, hernieuwbare bronnen en vermeden emissies Door Harry Kloosterman en Joop Boesjes (Stichting E.I.C.) Deel 1 (Basis informatie) Emissies: Nederland heeft als lidstaat van de Europese

Nadere informatie

Kernenergie: Kan België zonder?

Kernenergie: Kan België zonder? Kernenergie: Kan België zonder? Marktonderzoeks-, studie- & consultancy-bureau mbt hernieuwbare energie - Marktstudies over energiemarkten - Opleidingen over (hernieuwbare) energie - Haalbaarheidsstudies,

Nadere informatie

Overzicht lessenserie Energietransitie. Lessen Energietransitie - Thema s en onderwerpen per les.

Overzicht lessenserie Energietransitie. Lessen Energietransitie - Thema s en onderwerpen per les. 1 Lessen Energietransitie - Thema s en onderwerpen per les. 2 Colofon Dit is een uitgave van Quintel Intelligence in samenwerking met GasTerra en Uitleg & Tekst Meer informatie Kijk voor meer informatie

Nadere informatie

Emissiehandel: Commissie geeft groen licht voor nog eens 8 plannen zodat de handel zoals gepland van start kan gaan

Emissiehandel: Commissie geeft groen licht voor nog eens 8 plannen zodat de handel zoals gepland van start kan gaan IP/04/1250 Brussel, 20 oktober 2004 Emissiehandel: Commissie geeft groen licht voor nog eens 8 plannen zodat de handel zoals gepland van start kan gaan De Europese Commissie gaat akkoord met een tweede

Nadere informatie

Ontwerpregeling mep-subsidiebedragen voor afvalverbrandingsinstallaties

Ontwerpregeling mep-subsidiebedragen voor afvalverbrandingsinstallaties Regeling van de Minister van Economische Zaken van., nr..., houdende wijziging van de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 (periode 1 juli tot en met 31 december) en de

Nadere informatie

Thermische Centrales voor Elektriciteit

Thermische Centrales voor Elektriciteit Thermische Centrales voor Elektriciteit College spm1520 5 maart 2013 Dr.ir. Gerard P.J. Dijkema Universitair Hoofddocent Energie en Industrie Faculty of Technology, Policy and Management Industry and Energy

Nadere informatie

Samenvatting voor beleidsmakers

Samenvatting voor beleidsmakers Road book towards a nuclear-free Belgium. How to phase out nuclear electricity production in Belgium? rapport door Alex Polfliet, Zero Emissions Solutions, in opdracht van Greenpeace Belgium Samenvatting

Nadere informatie

Examen economie thema 2 deel 1 Theorie thema 2: Produceren voor de wereldmarkt

Examen economie thema 2 deel 1 Theorie thema 2: Produceren voor de wereldmarkt Examen economie thema 2 deel 1 Theorie thema 2: Produceren voor de wereldmarkt Door: F. De Smyter en P. Holvoet 1. Geef een correcte omschrijving van de volgende economische begrippen: a) Globalisering:.

Nadere informatie

Elektrische auto stoot evenveel CO 2 uit als gewone auto

Elektrische auto stoot evenveel CO 2 uit als gewone auto Elektrische auto stoot evenveel CO 2 uit als gewone auto Bron 1: Elektrische auto s zijn duur en helpen vooralsnog niets. Zet liever in op zuinige auto s, zegt Guus Kroes. 1. De elektrische auto is in

Nadere informatie

My statement paper. Windturbines beïnvloeden het klimaat. Glen Pelgrims Ellen Van Dievel

My statement paper. Windturbines beïnvloeden het klimaat. Glen Pelgrims Ellen Van Dievel My statement paper Windturbines beïnvloeden het klimaat Glen Pelgrims Ellen Van Dievel 14 april 2015 1. Inleiding Tegenwoordig is hernieuwbare, groene energie een onderwerp waar veel over gesproken en

Nadere informatie

Eindexamen aardrijkskunde havo 2002-II

Eindexamen aardrijkskunde havo 2002-II Politiek en Ruimte bron 10 Aandeel van de lidstaten in de handel van de Europese Unie in procenten, 1998 30 % 25 20 22 25 Legenda: invoer uitvoer 15 10 8 8 15 15 10 11 9 9 15 12 5 0 6 5 2 2 1 0 België

Nadere informatie

De nieuwe energie-efficiëntierichtlijn - Uitdagingen & oplossingen -

De nieuwe energie-efficiëntierichtlijn - Uitdagingen & oplossingen - De nieuwe energie-efficiëntierichtlijn l - Uitdagingen & oplossingen - DG Energie 22 juni 2011 ENERGIEVOORZIENING NOG AFHANKELIJKER VAN IMPORT Te verwachten scenario gebaseerd op cijfers in 2009 in % OLIE

Nadere informatie

Energieverzorging Nederland

Energieverzorging Nederland Energieverzorging Nederland Naar een Duurzame Samenleving (VROM) Vanuit een internationaal geaccordeerde basis voor 2050 Standpunt Nederlandse overheid : 100% CO2 -reductie Standpunt van de G8: 80 % CO2

Nadere informatie

Mevrouw de voorzitter, Geachte leden van het Bureau, Dames en heren,

Mevrouw de voorzitter, Geachte leden van het Bureau, Dames en heren, Vrijdag 10 september 2010 Toespraak van JOKE SCHAUVLIEGE VLAAMS MINISTER VAN LEEFMILIEU, NATUUR EN CULTUUR Comité van de Regio s Resource Efficient Europa Mevrouw de voorzitter, Geachte leden van het Bureau,

Nadere informatie

Docentenvel opdracht 18 (De grote klimaat- en Europa- quiz)

Docentenvel opdracht 18 (De grote klimaat- en Europa- quiz) Docentenvel opdracht 18 (De grote klimaat- en Europa- quiz) Lees ter voorbereiding de volgende teksten en bekijk de vragen en antwoorden van de quiz. De juiste antwoorden zijn vetgedrukt. Wat wil en doet

Nadere informatie

Nieuwe Energie Aanboren. PvdA Aanvalsplan Aardwarmte 17 februari 2011

Nieuwe Energie Aanboren. PvdA Aanvalsplan Aardwarmte 17 februari 2011 Nieuwe Energie Aanboren PvdA Aanvalsplan Aardwarmte 17 februari 2011 Verduurzaming van onze energievoorziening hapert De zekerstelling van onze energievoorziening is één van de grootste uitdagingen voor

Nadere informatie

INSCHATTING VAN DE IMPACT VAN DE KILOMETERHEFFING VOOR VRACHTVERVOER OP DE VOEDINGSINDUSTRIE. Studie in opdracht van Fevia

INSCHATTING VAN DE IMPACT VAN DE KILOMETERHEFFING VOOR VRACHTVERVOER OP DE VOEDINGSINDUSTRIE. Studie in opdracht van Fevia INSCHATTING VAN DE IMPACT VAN DE KILOMETERHEFFING VOOR VRACHTVERVOER OP DE VOEDINGSINDUSTRIE Studie in opdracht van Fevia Inhoudstafel Algemene context transport voeding Enquête voedingsindustrie Directe

Nadere informatie

et broeikaseffect een nuttig maar door de mens ontregeld natuurlijk proces

et broeikaseffect een nuttig maar door de mens ontregeld natuurlijk proces H 2 et broeikaseffect een nuttig maar door de mens ontregeld natuurlijk proces Bij het ontstaan van de aarde, 4,6 miljard jaren geleden, was er geen atmosfeer. Enkele miljoenen jaren waren nodig voor de

Nadere informatie

Aspiravi nv. Woensdag 3 november 2010 IEEE Student Branch Gent Ir. Rik Van de Walle / Algemeen directeur

Aspiravi nv. Woensdag 3 november 2010 IEEE Student Branch Gent Ir. Rik Van de Walle / Algemeen directeur Aspiravi nv Woensdag 3 november 2010 IEEE Student Branch Gent Ir. Rik Van de Walle / Algemeen directeur Agenda Aspiravi nv: onshore windenergie Evolutie windenergie in Europa en Vlaanderen Biogas-installaties

Nadere informatie

Tool Burgemeestersconvenant Actualisatie nulmeting 2011 & inventaris 2012

Tool Burgemeestersconvenant Actualisatie nulmeting 2011 & inventaris 2012 17/11/2014 Tool Burgemeestersconvenant Actualisatie nulmeting 2011 & inventaris 2012 Kadering» VITO actualiseert jaarlijks, in opdracht van LNE, CO 2 -inventaris gemeenten» Taken voorzien in actualisatie

Nadere informatie

Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid?

Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid? vbo-analyse Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid? September 2014 I Raf Van Bulck 39,2% II Aandeel van de netto toegevoegde waarde gegenereerd door bedrijven dat naar

Nadere informatie

van 11 december 2007

van 11 december 2007 Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert II-laan 20 bus 19 B - 1000 BRUSSEL e-mail : info@vreg.be tel. : +32 2 553 13 53 fax : +32 2 553 13

Nadere informatie