Deel 4. Voorschriften voor het gebruik van verpakkingen, tanks en transporteenheden voor los gestort vervoer

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Deel 4. Voorschriften voor het gebruik van verpakkingen, tanks en transporteenheden voor los gestort vervoer"

Transcriptie

1 Deel 4 Voorschriften voor het gebruik van verpakkingen, tanks en transporteenheden voor los gestort vervoer

2 HOOFDSTUK 4.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN Het gebruik van verpakkingen en tanks moet voldoen aan de voorschriften van de internationale reglementen waarbij rekening gehouden wordt met de in de lijst van stoffen in deze internationale reglementen opgenomen aanduidingen en wel - voor de verpakkingen (met inbegrip van IBC s en grote verpakkingen): Kolom (9a) en (9b) van hoofdstuk 3.2, Tabel A van het RID of ADR, of de Stoffenlijst in hoofdstuk 3.2 van de IMDG code of ICAO-TI. - voor de transporttanks: Kolom (10) en (11) van hoofdstuk 3.2, Tabel A van het RID of ADR of de Stoffenlijst van de IMDG code. - voor de RID - of ADR tanks: Kolom (12) en (13) van hoofdstuk 3.2, Tabel A van het RID of ADR De te gebruiken voorschriften zijn: - voor de verpakkingen (met inbegrip van IBC s en grote verpakkingen): Hoofdstuk 4.1 van het RID, het ADR, de IMDG code of de ICAO-TI; - voor de transporttanks: Hoofdstuk 4.2 van het RID, het ADR of de IMDG code; - voor de RID - of ADR tanks: Hoofdstuk 4.3 van het RID of het ADR en, eventueel sectie of van de IMDG code; - voor de tanks van vezelgewapende kunststof: Hoofdstuk 4.4 van het ADR; - voor de druk/vacuümtanks (voor afvalstoffen): Hoofdstuk 4.5 van het ADR; Voor het los gestort vervoer van vaste stoffen in voertuigen, wagens, containers of bulkcontainers zijn de volgende voorschriften van de internationale reglementen van toepassing: - Hoofdstuk 4.3 van de IMDG code; of - Hoofdstuk 7.3 van het ADR waarbij rekening gehouden wordt met de voorwaarden in kolom (10) of (17) van hoofdstuk 3.2, Tabel A van het ADR, behalve dat voertuigen en containers met dekzeilen niet zijn toegelaten; of - Hoofdstuk 7.3 van het RID waarbij rekening gehouden wordt met de voorwaarden in kolom (10) of (17) van hoofdstuk 3.2, Tabel A van het RID, behalve dat wagens en containers met dekzeilen niet zijn toegelaten Er mogen alleen verpakkingen en tanks worden gebruikt die voldoen aan de voorschriften van Deel 6. 2

3 Deel 5 Procedures voor de verzending

4 HOOFDSTUK 5.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN Toepassingsgebied en algemene voorschriften Dit deel bevat voorschriften voor de verzending van gevaarlijke goederen met betrekking tot de kenmerking, de etikettering en documentatie, en, waar van toepassing, goedkeuring van de verzending en voorafgaande kennisgeving Het gebruik van oververpakkingen a) Tenzij de kenmerken en etiketten vereist volgens hoofdstuk 5.2, met uitzondering van tot en met , tot en met en , representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking : i) de aanduiding "OVERVERPAKKING" bevatten. De letters van het woord OVERVERPAKKING moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en ii) geëtiketteerd en gekenmerkt zijn met het UN-nummer en andere kenmerken zoals voorgeschreven voor colli in hoofdstuk 5.2, met uitzondering van tot en met , tot en met en voor alle afzonderlijke gevaarlijke goederen die in de oververpakking aanwezig zijn. Elk toepasselijk kenmerk of etiket hoeft slechts eenmaal te worden aangebracht. Oververpakkingen die radioactieve stoffen bevatten, moeten volgens worden geëtiketteerd. b) Richtinggevende pijlen, afgebeeld in , moeten op twee tegenover elkaar gelegen zijden te zien zijn van oververpakkingen met colli die van een kenmerking overeenkomstig moeten zijn voorzien, tenzij de kenmerken zichtbaar blijven Elk collo met gevaarlijke goederen dat zich bevindt in een oververpakking moet voldoen aan alle van toepassing zijnde voorschriften van het ADN. De beoogde functie van elke verpakking mag door de oververpakking niet worden aangetast Van elk collo waarop de richtinggevende kenmerken voorgeschreven in zijn aangebracht en dat in een oververpakking of een grote verpakking is geplaatst, moet de stand overeenkomen met deze kenmerken De samenladingsverboden zijn ook op deze oververpakkingen van toepassing Ongereinigde, lege verpakkingen (met inbegrip van IBC's en grote verpakkingen), tanks, MEMU s, voertuigen, wagens en containers voor vervoer als los gestort goed Ongereinigde, niet ontgaste en niet gedecontamineerde, lege verpakkingen (met inbegrip van IBC's en grote verpakkingen), tanks (met inbegrip van tankwagens, batterijwagens, (weg), batterijwagens (spoor) afneembare tanks, transporttanks, tankcontainers, MEGC's, MEMU s), voertuigen, wagens en containers voor los gestort vervoer, die gevaarlijke goederen van de verschillende klassen, met uitzondering van klasse 7, hebben bevat, moeten van dezelfde kenmerking en etiketten of grote etiketten zijn voorzien als in gevulde toestand. Opmerking: Zie hoofdstuk 5.4 voor de documentatie Containers, tanks, IBC s alsmede overige verpakkingen en oververpakkingen die voor het vervoer van

5 radioactieve stoffen worden gebruikt, mogen niet voor de opslag of het vervoer van andere goederen worden gebruikt, tenzij zij zijn gedecontamineerd tot onder het niveau van 0,4 Bq/cm 2 voor bèta- en gammastralers, alsmede voor alfastralers van geringe toxiciteit en 0,04 Bq/cm 2 voor alle andere alfastralers Gezamenlijke verpakking Indien twee of meer gevaarlijke goederen gezamenlijk in dezelfde buitenverpakking zijn verpakt, moet het collo van de etiketten en kenmerking zijn voorzien, die voorgeschreven zijn voor elke stof of voorwerp. Indien voor verschillende goederen hetzelfde etiket wordt vereist, moet het slechts eenmaal worden aangebracht Algemene voorschriften voor klasse Goedkeuring voor de verzending en kennisgeving Algemeen In aanvulling op de goedkeuring van het model van het collo, omschreven in hoofdstuk 6.4 van het ADR, is multilaterale goedkeuring voor verzending eveneens vereist onder bepaalde omstandigheden ( en ). In sommige omstandigheden is het eveneens noodzakelijk de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van een verzending ( ) Goedkeuring voor de verzending Multilaterale goedkeuring is vereist voor: a) de verzending van colli van type B(M) die niet voldoen aan de bepalingen van van het ADR of die speciaal zijn ontworpen voor de mogelijkheid van intermitterende druknivellering; b) de verzending van colli van type B(M) met radioactieve stoffen, waarvan de activiteit hoger is dan 3000 A 1 of 3000 A 2, al naar gelang, of 1000 TBq indien deze waarde lager is; c) de verzending van colli die splijtbare stoffen bevatten, indien de som van de criticaliteitsveiligheidsindices van de colli in een enkel schip, voertuig, wagen of container 50 overschrijdt; d) stralingsbeschermingsprogramma s voor het vervoer van zendingen met een speciaal schip in overeenstemming met ; Behalve dat kan een bevoegde autoriteit het vervoer naar of over haar grondgebied zonder vergunning toestaan op grond van een bijzondere bepaling in de goedkeuring van het model (zie ) Goedkeuring van een verzending op grond van een speciale regeling Door de bevoegde autoriteit kunnen bepalingen worden goedgekeurd waaronder een zending, die niet voldoet aan alle van toepassing zijnde voorschriften van het ADN, ingevolge een speciale regeling wordt vervoerd (zie 1.7.4) Kennisgevingen Kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is in de volgende gevallen vereist: a) Voorafgaand aan de eerste verzending van een collo waarvoor goedkeuring door de bevoegde autoriteit vereist is, moet de afzender ervoor zorgen dat kopieën van elk certificaat, dat betrekking heeft op het model van het collo, ingediend zijn bij de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong van de zending en elk land, waardoor of waarbinnen de zending moet worden vervoerd. De afzender hoeft bevestiging van ontvangst door de bevoegde autoriteit niet af te wachten en de bevoegde autoriteit is niet verplicht om een dergelijke bevestiging van ontvangst van het certificaat te verstrekken; b) Voor elk van de volgende soorten verzendingen: i) colli van type C die radioactieve stoffen bevatten met een activiteit hoger dan de laagste van de volgende waarden: 3000 A 1 of 3000 A 2, al naar gelang, of 1000 TBq; ii) colli van type B(U) colli die radioactieve stoffen bevatten met een activiteit hoger dan de laagste van de volgende waarden: 3000 A 1 of 3000 A 2, al naar gelang, of 1000 TBq; iii) colli van type B(M);

6 iv) verzending op grond van een speciale regeling, moet de afzender de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong van de zending en aan de bevoegde autoriteit van elk land waardoor of waarbinnen de zending wordt vervoerd, een kennisgeving zenden. Deze kennisgeving moet in bezit te zijn van elke bevoegde autoriteit voorafgaand aan het begin van de verzending, en bij voorkeur ten minste 7 dagen van tevoren; c) De afzender is niet verplicht een afzonderlijke kennisgeving te verzenden indien de vereiste informatie is vermeld in de aanvraag voor goedkeuring van de verzending (zie van het ADR); d) De kennisgeving van verzending moet omvatten: i) voldoende informatie om het collo of de colli te kunnen identificeren, in het bijzonder de nummers en de kentekens van de bijbehorende certificaten ; ii) informatie over de werkelijke datum van verzending, de verwachte datum van aankomst en de te volgen route; iii) de naam (namen) van de radioactieve stof (fen) of de nuclide(n); iv) beschrijvingen van de fysische en chemische toestand van de radioactieve stoffen, of de vermelding dat het een radioactieve stof in speciale toestand of een gering verspreidbare radioactieve stof betreft; en v) de hoogste activiteit van de radioactieve inhoud tijdens het vervoer, uitgedrukt in becquerel (Bq) met een bijbehorend SI-symbool voor het voorvoegsel (zie ). Bij splijtbare stoffen mag de massa van de splijtbare stoffen (of indien van toepassing bij mengsels de massa van elk splijtbaar nuclide) in gram (g), of veelvouden daarvan, worden gebruikt in plaats van de activiteit Certificaten, uitgegeven door de bevoegde autoriteit Certificaten, die worden uitgegeven door de bevoegde autoriteit, zijn vereist voor: a) modellen van i) radioactieve stoffen in speciale toestand; ii) iii) iv) gering verspreidbare radioactieve stof; splijtbare stoffen vrijgesteld onder (f); colli die 0,1 kg of meer uraniumhexafluoride bevatten; v) colli die splijtbare stoffen bevatten, behalve de uitzonderingen in van deze voorschriften of of van het ADR; vi) colli van type B(U) en colli van type B(M); vii) colli van type C; b) speciale regelingen; c) bepaalde zendingen (zie ); d) vaststelling van de basiswaarden voor radionucliden zoals bedoeld in voor individuele radionucliden die niet zijn opgenomen in tabel (zie (a)); e) alternatieve grenswaarden voor de activiteit voor een vrijgestelde zending van instrumenten of artikelen (zie (b)). De certificaten moeten bevestigen dat aan de van toepassing zijnde voorschriften is voldaan; bij de goedkeuringen van het model wordt in het certificaat een identificatiekenmerk aan het model toegekend. De Certificaten van Goedkeuring van het model van het collo en voor de verzending kunnen worden gecombineerd tot een enkel certificaat. Certificaten en aanvragen voor dergelijke certificaten moeten voldoen aan de voorschriften in van het ADR De afzender moet in bezit zijn van een kopie van elk van de van toepassing zijnde certificaten Voor modellen van colli waarvoor een door een bevoegde autoriteit uitgegeven certificaat niet vereist is,

7 moet de afzender desgevraagd schriftelijke bewijzen aan de desbetreffende bevoegde autoriteit kunnen overleggen dat voldaan is aan alle van toepassing zijnde voorschriften voor het model van het collo Bepaling van de transportindex (TI) en de criticaliteits-veiligheidsindex (CSI) Onder de transportindex (TI) voor een collo, oververpakking of container, of voor onverpakte LSA-I-stoffen of onverpakte SCO-I, wordt verstaan het getal dat overeenkomstig de volgende procedure wordt afgeleid: a) Bepaal het hoogste stralingsniveau in eenheden van millisievert per uur (msv/h) op een afstand van 1 m van de uitwendige oppervlakken van het collo, de oververpakking, de container, of onverpakte LSA-Istoffen en onverpakte SCO-I. De gemeten waarde moet met 100 worden vermenigvuldigd; het aldus verkregen getal is de transportindex. Bij uranium- en thoriumertsen en concentraten daarvan kan het hoogste stralingsniveau op elk punt op een afstand van 1 m van het uitwendig oppervlak van de lading is verwijderd, gelijkgesteld worden aan: - 0,4 msv/h voor ertsen en fysische concentraten van uranium en thorium; - 0,3 msv/h voor chemische concentraten van thorium; - 0,02 msv/h voor chemische concentraten van uranium, met uitzondering van uraniumhexafluoride. b) Voor tanks, containers en voor onverpakte LSA-I-stoffen en onverpakte SCO-I moet de volgens methode a) verkregen waarde met de betreffende factor uit tabel worden vermenigvuldigd. c) De waarde, verkregen volgens methode a) en b) hierboven, moet op de eerste decimaal naar boven worden afgerond (bijv. 1,13 wordt 1,2), behalve dat een waarde kleiner of gelijk aan 0,05 naar beneden mag worden afgerond op nul. Tabel : Vermenigvuldigingsfactoren voor tanks, containers en onverpakte LSA-I-stoffen en onverpakte SCO-I AFMETING VAN DE LADING a VERMENIGVULDIGINGSFACTOR afmeting van de lading 1m m 2 < afmeting van de lading 5 m m 2 < afmeting van de lading 20 m m 2 < afmeting van de lading 10 a Gemeten oppervlak van de grootste doorsnede van de lading De transportindex voor alle oververpakkingen, schepen of laadeenheden moet worden bepaald door ofwel de TI's van alle daarin aanwezige colli bij elkaar op te tellen, dan wel door rechtstreekse meting van het stralingsniveau, behalve in het geval van niet-stijve oververpakkingen, in welk geval de transportindex uitsluitend moet worden bepaald door de TI's van alle colli bij elkaar op te tellen Voor iedere oververpakking of container wordt de criticaliteits-veiligheidsindex (CSI) bepaald door de CSI's van alle er zich in bevindende colli bij elkaar op te tellen. Dezelfde methode moet worden gebruikt voor het bepalen van de totale som van de CSI s in een zending of aan boord van een schip of laadeenheid Colli, oververpakkingen en containers moeten in één van de categorieën I-WIT, II-GEEL of III-GEEL worden ingedeeld, overeenkomstig de voorwaarden, aangegeven in tabel en de navolgende voorschriften: a) Om in het geval van een collo, oververpakking of container de categorie te bepalen, moet rekening worden gehouden met zowel de transportindex als met het stralingsniveau aan het oppervlak. Indien op grond van de transportindex moet worden ingedeeld in één categorie, maar op grond van het stralingsniveau aan het oppervlak in een andere categorie, dan wordt het collo, de oververpakking of de

8 container ingedeeld in de hoogste van de twee categorieën. In dit verband wordt categorie I-WIT beschouwd als de laagste categorie. b) De transportindex moet worden bepaald volgens de in en aangegeven procedures. c) Indien het stralingsniveau aan het oppervlak hoger is dan 2 msv/h, moet het collo of de oververpakking worden vervoerd onder exclusief gebruik en moet rekening worden gehouden met de bepalingen van en a) indien van toepassing. d) Een collo dat op grond van een speciale regeling wordt vervoerd, moet in de categorie III-GEEL worden ingedeeld, behalve in het geval van vervoer volgens e) Een oververpakking of container, die colli bevat, die op grond van een speciale regeling worden vervoerd, moet in categorie III-GEEL worden ingedeeld, behalve in het geval van vervoer volgens Tabel : Categorieën van colli, oververpakkingen en containers VOORWAARDEN Transportindex (TI) Hoogste stralingsniveau op enig punt van het uitwendig oppervlak Categorie 0 a Niet meer dan 0,005 msv/h I-WIT Meer dan 0 maar niet meer dan 1 a Meer dan 1 maar niet meer dan 10 Meer dan 10 Meer dan 0,005 msv/h maar niet meer dan 0,5 msv/h Meer dan 0,5 msv/h maar niet meer dan 2 msv/h Meer dan 2 msv/h maar niet meer dan 10 msv/h II-GEEL III-GEEL III-GEEL b a b Indien de gemeten TI niet groter is dan 0,05, kan deze waarde overeenkomstig c) op nul worden afgerond. Moet bovendien onder exclusief gebruik worden vervoerd, behalve in het geval van containers (zie tabel D in ) In alle gevallen van internationaal vervoer van colli waarvoor goedkeuring van het ontwerp of de zending is vereist, waarvoor verschillende typen goedkeuring van toepassing zijn in de verschillende landen die bij de zending betrokken zijn, moet de indeling in categorieën in overeenstemming zijn met het certificaat van het land van oorsprong van het ontwerp Specifieke bepalingen voor vrijgestelde colli met radioactieve stoffen Vrijgestelde colli met radioactieve stoffenmoeten aan de buitenzijde van de verpakking leesbaar en op duurzame wijze zijn voorzien van de volgende kenmerking: a) het UN-nummer voorafgegaan door de letters UN ; b) een identificatie van ofwel de afzender dan wel de geadresseerde, of van beide; en c) de toelaatbare bruto massa indien deze 50 kg overschrijdt De voorschriften voor de documentatie van Hoofdstuk 5.4 zijn niet van toepassing op vrijgestelde colli met radioactieve stoffen, behalve dat: a) het UN-nummer voorafgegaan door de letters UN en de naam en het adres van de afzender en de geadresseerde en, indien van toepassing, het identificatiekenmerk voor elk Certificaat van Goedkeuring van een bevoegde autoriteit (zie (g)) moeten voorkomen op een vervoersdocument zoals een cognossement, een luchtvrachtbrief of een CMR, CIM of CMNI-vrachtbrief; b) indien relevant de vereisten van (g), en van toepassing zijn; c) de vereisten van en van toepassing zijn.

9 Indien relevant zijn de vereisten van en van toepassing Samenvatting van voorschriften inzake goedkeuring en voorafgaande kennisgeving Opmerking 1: De afzender moet vóór de eerste verzending van een collo, waarvoor goedkeuring van het model door de bevoegde autoriteit vereist is, controleren of een afschrift van het certificaat van goedkeuring voor dat model is toegezonden aan de bevoegde autoriteit van alle bij het vervoer betrokken landen [zie a)]. Opmerking 2: Kennisgeving is vereist indien de inhoud de 3 x 10 3 A 1, of 3 x 10 3 A 2, of 1000 TBq overschrijdt [zie b)]. Opmerking 3: Multilaterale goedkeuring voor de verzending is vereist indien de inhoud 3 x 10 3 A 1, of 3 x 10 3 A 2, of 1000 TBq overschrijdt, of indien gecontroleerde intermitterende druknivellering is toegestaan (zie ) Opmerking 4: Zie de voorschriften inzake goedkeuring en voorafgaande kennisgeving voor het collo gebruikt om deze stof te vervoeren.

10 Onderwerp UN-nummer Goedkeuring vereist door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst de bij het vervoer betrokken landen a) Kennisgeving door de afzender aan de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst en van de bij het vervoer betrokken landen a), voorafgaand aan elk vervoer Verwijzing Berekening van niet genoemde A 1- en A 2-waarden - Ja Ja Nee a), d) Alternatieve grenswaarden van de activiteit voor een vrijgestelde zending van instrumenten of voorwerpen Splijtbare stoffen die zijn vrijgesteld onder de voorwaarden van f) Vrijgestelde colli model van het collo verzending - Ja Ja Neen e), (ADR) - Ja Ja Neen a) iii), (ADR) 2908, 2909, 2910, 2911 Nee Nee Nee Nee Nee Nee --- LSA-stoffen b) en SCO b) / Industriële colli typen 1, 2 of 3, niet-splijtbaar en splijtbaar, vrijgesteld 2912, 2913, 3321, model van het collo verzending Nee Nee Nee Nee Nee Nee Colli van type A b), nietsplijtbaar en splijtbaar, vrijgesteld model van het collo verzending Colli van type B(U) b), nietsplijtbaar en splijtbaar, vrijgesteld 2915, Nee Nee Nee Nee Nee Nee b), a), (ADR) model van het collo verzending Ja Nee Nee Nee Zie Opmerking 1 Zie Opmerking 2 Colli van type B(M) b), nietsplijtbaar en splijtbaar, vrijgesteld model van het collo verzending 2917 Ja Zie Opmerking 3 Ja Zie Opmerking 3 Neen Ja b), a), , (ADR) Colli van type C b), nietsplijtbaar en splijtbaar, vrijgesteld model van het collo verzending 3323 Ja Neen Nee Nee Zie Opmerking 1 Zie Opmerking b), a), (ADR)

11 Colli met splijtbare stoffen model van het collo verzending: Som van de criticaliteitsveiligheidsindices niet meer dan 50 Som van de criticaliteitsveiligheidsindices groter dan , 3324, 3325, 3326, 3327, 3328, 3329, 3330, 3331, 3333 Ja c ) Nee d ) Ja Ja c ) Nee d ) Ja Nee Zie Opmerking 2 Zie Opmerking a), , (ADR)

12 Onderwerp UN-nummer Goedkeuring vereist door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst de bij het vervoer betrokken landen a) Kennisgeving door de afzender aan de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst en van de bij het vervoer betrokken landen a), voorafgaand aan elk vervoer Verwijzing Radioactieve stoffen in speciale toestand model verzending - Zie Opmerking 4 Ja Zie Opmerking 4 Nee Zie Opmerking 4 Nee Zie Opmerking (ADR), a), (ADR) Radioactieve stof met geringe verspreidbaarheid a), ( ADR) model verzending - Zie Opmerking 4 Ja Zie Opmerking 4 Nee Zie Opmerking 4 Nee Zie Opmerking 4 Colli die 0,1 kg of meer uraniumhexafluoride bevatten a), model verzending - Zie Opmerking 4 Ja Zie Opmerking 4 Nee Zie Opmerking 4 Nee Zie Opmerking (ADR) Speciale regeling verzending 2919, 3331 Ja Ja Ja , b), b) Goedgekeurde modellen van colli, onderworpen aan overgangsvoorschriften - Zie Zie1.6.6 Zie Opmerking (ADR), b), a), a) b) c) d) Landen waarvandaan, waardoor of waarheen de zending wordt vervoerd. Indien de radioactieve inhoud bestaat uit splijtbare stoffen, die niet zijn vrijgesteld van de voorschriften voor colli met splijtbare stoffen, dan zijn de voorschriften betreffende colli met splijtbare stoffen van toepassing (zie van het ADR). Voor modellen van colli voor splijtbare stoffen kan ook een goedkeuring volgens een van de andere punten van de tabel noodzakelijk zijn. Voor de verzending kan ook een goedkeuring volgens een van de andere punten van de tabel noodzakelijk zijn.

13 HOOFDSTUK 5.2 KENMERKING EN ETIKETTERING Kenmerking van colli Opmerking: Voor kenmerken die betrekking hebben op de constructie, de beproeving en de toelating van verpakkingen, grote verpakkingen, drukhouders en IBC's, zie deel 6 van het ADR Tenzij in het ADN anders is bepaald, moet het UN-nummer dat met de ingesloten gevaarlijke goederen overeenkomt, voorafgegaan door de letters "UN" duidelijk en duurzaam op elk collo zijn aangegeven. Het UN-nummer en de letters "UN" moeten ten minste 12 mm hoog zijn, behalve voor colli met een inhoud van 30 liter of minder of met een grootste netto massa van 30 kg en voor flessen met een waterinhoud van 60 liter of minder, indien zij ten minste 6 mm hoog zijn, en behalve voor colli van 5 liter of 5 kg of minder, indien zij een geschikte grootte hebben. In geval van onverpakte voorwerpen moet het kenmerk zijn weergegeven op het voorwerp, op zijn draagconstructie of op zijn behandelings-, opslag- of lanceerinrichting Alle kenmerken, vereist volgens dit hoofdstuk: a) moeten goed zichtbaar en leesbaar zijn; b) moeten blootstelling aan weer en wind kunnen doorstaan zonder een wezenlijke vermindering van doeltreffendheid Bergingsverpakkingen en bergingsdrukhouders moeten bovendien zijn gemerkt met het woord "BERGING". De letters van de aanduiding "BERGING" moeten ten minste 12 mm hoog zijn IBC's met een inhoud van meer dan 450 liter en grote verpakkingen moeten op twee tegenovergestelde zijden zijn gemerkt Aanvullende voorschriften voor goederen van klasse 1 Wat betreft goederen van klasse 1 moeten colli bovendien de juiste vervoersnaam dragen zoals vastgesteld in overeenstemming met Het opschrift moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar in een officiële taal van het land van herkomst zijn gesteld en ook, indien die taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten, die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen Aanvullende voorschriften voor goederen van klasse 2 Hervulbare houders moeten duidelijk leesbaar en duurzaam de volgende opschriften dragen: a) het UN-nummer en de juiste vervoersnaam van het gas of het gasmengsel, zoals aangegeven in Bij gassen, die onder een n.e.g.-positie zijn ingedeeld, moet in aanvulling op het UN-nummer slechts de technische benaming 1 van het gas zijn aangegeven. Bij mengsels behoeven niet meer dan twee componenten die het meest bepalend zijn voor de gevaren, te zijn aangegeven; b) voor samengeperste gassen, die op massa worden gevuld en voor vloeibaar gemaakte gassen, hetzij de maximale vulmassa en de eigen massa van de houder met uitrustingsdelen, zoals aangebracht ten tijde van het vullen, hetzij de bruto massa; c) de datum (jaar) van het volgende periodieke onderzoek. Deze gegevens mogen ofwel worden ingeslagen of aangegeven op een duurzaam informatieplaatje of etiket, dat aan de houder is bevestigd, ofwel worden aangegeven door een hechtend en duidelijk zichtbaar opschrift, zoals dat bijvoorbeeld door middel van druk of een gelijkwaardig proces kan zijn aangebracht. Opmerking 1: Zie ook van het ADR. Opmerking 2: Voor niet hervulbare houders, zie van het ADR. 1 In plaats van de technische benaming is het gebruik van één van de volgende benamingen toegestaan: Voor UN 1078 koelgas, n.e.g.: mengsel F 1, mengsel F 2, mengsel F 3; Voor UN 1060 mengsel van methylacetyleen en propadieen, gestabiliseerd: mengsel P 1, mengsel P 2; Voor UN 1965 mengsel van koolwaterstofgassen, vloeibaar gemaakt, n.e.g.: mengsel A of butaan, mengsel A 01 of butaan, mengsel A 02 of butaan, mengsel A 0 of butaan, mengsel A 1, mengsel B 1, mengsel B 2, mengsel B, mengsel C of propaan; Voor UN 1010 butadienen, gestabiliseerd: 1,2-butadieen, gestabiliseerd, 1,3-butadieen, gestabiliseerd.

14 Bijzondere voorschriften voor het kenmerken van radioactieve stoffen Elk collo moet leesbaar en duurzaam gemerkt zijn op de buitenkant van de verpakking met een identificatie van de afzender of de geadresseerde, of beiden. Elke oververpakking moet leesbaar en duurzaam gemerkt zijn op de buitenkant van de oververpakking, met een identificatie van de afzender of de geadresseerde, of beiden, tenzij deze kenmerken van alle colli aan de binnenkant van de oververpakking duidelijk zichtbaar zijn Bij elk collo anders dan de hiervan vrijgestelde colli moet het UN-nummer voorafgegaan door de letters "UN", en de juiste vervoersnaam leesbaar en duurzaam op de buitenkant van de verpakking aangebracht zijn. De kenmerking van vrijgestelde colli moet overeenkomen met de voorschriften van Bij elke collo met een bruto massa van meer dan 50 kg moet de maximaal toegestane bruto massa leesbaar en duurzaam op de buitenkant van de verpakking aangebracht zijn Elk collo dat voldoet aan: a) een model van een collo van type IP-1, een collo van type IP-2 of een collo van type IP-3, moet op de buitenkant van de verpakking voorzien zijn van een leesbare en duurzame aanduiding "TYPE IP-1", "TYPE IP-2" of "TYPE IP-3", al naar gelang; b) een model van collo van type A, moet voorzien zijn van een leesbare en duurzame aanduiding "TYPE A" op de buitenkant van de verpakking; c) een model van een collo van type IP-2, een collo van type IP-3 of een collo van type A, moet op de buitenkant van de verpakking voorzien zijn van het onderscheidingsteken dat wordt gebruikt op voertuigen in het internationale wegverkeer 2 van het land van herkomst van het model en ofwel de naam van de fabrikant dan wel een andere identificatie van de verpakking, gespecificeerd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van het model Elk collo dat voldoet aan een model dat is goedgekeurd onder een of meer van de paragrafen van deze Voorschriften, , tot en met en tot en met van het ADR, moet leesbaar en duurzaam op de buitenkant van de verpakking voorzien zijn van de volgende informatie: a) het kenmerk dat door de bevoegde autoriteit aan het model is toegekend; b) een serienummer ter identificatie van elke verpakking die met het model overeenkomt; c) "Type B(U)", "Type B(M)" of "Type C", in het geval van een collo van het model Type B(U), Type B(M) of Type C. 2 Onderscheidingsteken van de staat van inschrijving gebruikt op motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale wegverkeer, bv. overeenkomstig het Verdrag van Genève inzake het wegverkeer (1949) of voorgeschreven in het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer (1968).

15 Elk collo overeenkomstig het model van het collo van type B(U), type B(M) of type C, moet op het buitenoppervlak van de buitenste vuur- en waterbestendige omhulling zijn voorzien van het hieronder afgebeelde klaverbladsymbool, op duidelijke wijze aangebracht, door inpersen of inslaan of op een andere vuur- en waterbestendige wijze. Klaverbladsymbool. De verhoudingen zijn gebaseerd op een centrale cirkel met een straal X. De minimaal toegestane afmeting van X bedraagt 4 mm Indien stoffen van LSA-I of voorwerpen van SCO-I zich bevinden in een houder of in verpakkingmateriaal en wordt vervoerd onder exclusief gebruik zoals is toegestaan onder van het ADR, mag het buitenoppervlak van deze houder of verpakkingsmaterialen voorzien zijn van het opschrift RADIOACTIVE LSA-I ' of RADIOACTIVE SCO-I, al naar gelang In alle gevallen van internationaal vervoer van colli waarvoor de goedkeuring van de bevoegde autoriteit voor het ontwerp of de zending is vereist, waarvoor verschillende typen goedkeuring van toepassing zijn in de verschillende landen die bij de zending zijn betrokken, moet de kenmerking in overeenstemming zijn met het certificaat van het land van oorsprong van het ontwerp Bijzondere bepalingen voor de kenmerking van milieugevaarlijke stoffen Colli die milieugevaarlijke stoffen bevatten die voldoen aan de criteria van , moeten op duurzame wijze van de kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen, afgebeeld in zijn voorzien met uitzondering van enkelvoudige verpakkingen en samengestelde verpakkingen, indien dergelijke enkelvoudige verpakkingen of binnenverpakkingen van zulke samengestelde verpakkingen bevatten: - een inhoud van ten hoogste 5 l voor vloeistoffen, of - een inhoud van ten hoogste 5 kg voor vaste stoffen De kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen moet naast de kenmerken voorgeschreven in zijn aangebracht. Aan de voorschriften van en moet zijn voldaan De kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen moet overeenkomen met figuur Figuur

16 Kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen De kenmerking heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). Het symbool (vis en boom) moet zwart zijn op een witte of geschikte contrasterende achtergrond. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimumdikte van de lijn die de ruit vormt moet 2 mm zijn. Indien de grootte van het collo dit vereist mogen de afmetingen/lijndikte worden verkleind, onder voorwaarde dat de kenmerking duidelijk zichtbaar blijft. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken. Opmerking: De etiketteringsvoorschriften van zijn van toepassing naast alle voorschriften inzake het aanbrengen van de kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen op colli Kenmerking van lithiumbatterijen Colli die litiumcellen of -batterijen bevatten die overeenkomstig bijzondere bepaling 188 zijn gereedgemaakt, moeten volgens figuur worden gekenmerkt Het kenmerk moet het UN-nummer weergeven voorafgegaan door de letters "UN", d.w.z. UN 3090 voor lithiummetaalcellen of -batterijen of UN 3480 voor lithiumionencellen of -batterijen. Indien de lithiumcellen of -batterijen zijn opgenomen in of verpakt met apparatuur, moet het UN-nummer voorafgegaan door de letters "UN" worden weergegeven, d.w.z. UN 3091 of UN 3481, naar gelang van toepassing. Indien een collo lithiumcellen of -batterijen bevat die onder verschillende UN-nummers zijn ingedeeld, moeten alle van toepassing zijnde UN-nummers worden weergegeven in een of meer kenmerken. Figuur * Ruime voor UN-nummer(s) Kenmerking van lithiumbatterijen ** Ruimte voor telefoonnummer voor aanvullende gegevens

17 Het kenmerk heeft de vorm van een rechthoek met gearceerde begrenzing. De afmetingen zijn ten minste 120 mm breed x 110 mm hoog. De minimale breedte van de arcering bedraagt 5 mm. Het symbool (verzameling batterijen, waarvan er een beschadigd is en in brand staat, boven het UN-nummer voor lithiumionen- of lithiummetaalbatterijen of -cellen) is zwart op een witte of geschikte contrasterende achtergrond. De arcering is rood. De afmetingen/lijndikte mogen/mag worden teruggebracht tot niet minder dan 105 mm breed x 74 mm hoog, indien de grootte van het collo dit vereist. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken Richtinggevende pijlen Voor zover in niet anders is voorgeschreven, moeten - samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen die vloeistoffen bevatten, - enkelvoudige verpakkingen die voorzien zijn van ontluchtingsinrichtingen, en - cryo-houders voor het vervoer van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen, duidelijk met richtinggevende pijlen voor het collo gekenmerkt zijn, die gelijk zijn aan de hieronder volgende afbeelding of die voldoen aan de specificaties in ISO-norm 780: De richtinggevende pijlen moeten op twee tegenover elkaar gelegen, verticale zijden van het collo zijn aangebracht, waarbij de pijlen correct in de richting naar boven wijzen. Ze moeten rechthoekig zijn en zo groot dat ze in overeenstemming met de grootte van het collo goed zichtbaar zijn. De afbeelding van een rechthoekige begrenzing rondom de pijlen is facultatief. Figuur Figuur Twee zwarte of rode pijlen op witte of geschikte, contrasterende achtergrond. De rechthoekige begrenzing is facultatief. Alle kenmerken moeten bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken Richtinggevende pijlen zijn niet voorgeschreven voor: a) buitenverpakkingen met drukhouders, uitgezonderd cryo-houders; b) buitenverpakkingen met gevaarlijke goederen in binnenverpakkingen die elk niet meer dan 120 ml bevatten, met een voldoende hoeveelheid absorberend materiaal tussen de binnen- en buitenverpakking voor de opname van de totale vloeibare inhoud; c) buitenverpakkingen met infectueuze stoffen van klasse 6.2 in primaire houders die elk niet meer dan 50 ml bevatten; d) colli van het type IP-2, IP-3, A, B(U), B(M) of C met radioactieve stoffen van klasse 7; e) buitenverpakkingen met voorwerpen die in alle standen dicht zijn (bijv. alcohol of kwik in thermometers, spuitbussen, enz.); of f) buitenverpakkingen met gevaarlijke goederen in hermetisch afgedichte binnenverpakkingen die elk niet meer dan 500 ml bevatten.

18 Op een collo dat in overeenstemming met deze subsectie gekenmerkt is, mogen geen pijlen voor andere doeleinden dan de aanduiding van de juiste stand van het collo zijn aangebracht De etikettering van colli Etiketteringsvoorschriften Voor elk voorwerp of elke stof, opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2, moeten de in kolom (5) getoonde etiketten zijn aangebracht, tenzij door een bijzondere bepaling in kolom (6) anders wordt bepaald In plaats van etiketten mogen onuitwisbare merktekens worden gebruikt, die nauwkeurig met de voorgeschreven modellen overeenkomen (Gereserveerd) Afgezien van de voorschriften in moeten alle etiketten: a) zijn aangebracht op hetzelfde oppervlak van het collo, indien de afmetingen van het collo dit mogelijk maken; voor colli van klasse 1 en 7 dient dit dichtbij de kenmerking te zijn, die de juiste vervoersnaam aangeeft; b) zo op het collo zijn aangebracht, dat deze niet worden bedekt of afgeschermd door om het even welk deel van of hulpstuk behorende bij de verpakking of enig ander etiket of kenmerk; en c) naast elkaar zijn aangebracht, indien meer dan één etiket wordt vereist. Indien een collo zo'n grillige vorm of kleine omvang heeft dat een etiket niet op bevredigende wijze kan worden aangebracht, mag het etiket door middel van een koord of een ander geschikt middel aan het collo worden bevestigd IBC's met een inhoud van meer dan 450 liter en grote verpakkingen moeten op twee tegenovergestelde zijden van etiketten zijn voorzien (Gereserveerd) Bijzondere bepalingen voor de etikettering van zelfontledende stoffen en organische peroxiden a) Het etiket volgens model nr. 4.1 houdt ook in dat het product brandbaar kan zijn en dat derhalve geen etiket volgens model nr. 3 wordt vereist. Bovendien moet voor zelfontledende stoffen van type B een etiket volgens model nr. 1 zijn aangebracht, tenzij de bevoegde autoriteit heeft toegestaan dat dit etiket voor een bijzondere verpakking achterwege kan blijven, omdat beproevingsgegevens hebben uitgewezen dat de zelfontledende stof in een dergelijke verpakking geen explosief gedrag vertoont. b) Het etiket volgens model nr. 5.2 houdt ook in dat het product brandbaar kan zijn en dat derhalve geen etiket volgens model nr. 3 wordt vereist. Bovendien moeten de volgende etiketten zijn aangebracht: i) een etiket volgens model nr. 1 voor organische peroxiden van type B, tenzij de bevoegde autoriteit heeft toegestaan dat dit etiket voor een bijzondere verpakking achterwege kan blijven, omdat beproevingsgegevens hebben uitgewezen dat het organische peroxide in een dergelijke verpakking geen explosief gedrag vertoont. ii) een etiket volgens model nr. 8 indien de stof beantwoordt aan de criteria van verpakkingsgroep I of II van klasse 8. Voor met name genoemde zelfontledende stoffen en organische peroxiden worden de aan te brengen etiketten aangegeven in de lijsten, die zich bevinden onder respectievelijk subsectie en Bijzondere bepalingen voor de etikettering van colli met infectueuze stoffen. Naast het etiket volgens model nr. 6.2, moeten colli met infectueuze stoffen zijn voorzien van alle andere etiketten, die als gevolg van de aard van de inhoud zijn vereist Bijzondere bepalingen voor de etikettering van radioactieve stoffen Behalve indien grote etiketten conform worden gebruikt, moeten op elk(e) collo, oververpakking en container die radioactieve stoffen bevat, etiketten zijn aangebracht volgens de van toepassing zijnde modellen nrs. 7A, 7B, en 7C, in overeenstemming met de desbetreffende categorie (zie ) van het collo, de oververpakking of de container. Etiketten moeten aangebracht zijn op twee tegenover elkaar liggende zijden op de buitenkant van het collo of de oververpakking of op de buitenkant van alle vier de zijden van de container of tank. Daarnaast moet elk(e) collo, oververpakking en container die splijtbare stoffen bevat, anders dan splijtbare stoffen die zijn vrijgesteld onder de voorwaarden van van het ADR, voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 7E; dergelijke etiketten, moeten indien van toepassing, naast de etiketten volgens de van toepassing zijnde modellen nrs. 7A, 7B of 7C zijn

19 aangebracht. Etiketten mogen de kenmerken die gespecificeerd zijn in 5.2.1, niet aan het oog onttrekken. Alle etiketten die geen betrekking hebben op de inhoud, moeten zijn verwijderd of afgedekt Elk etiket moet volgens het van toepassing zijnde model nr. 7A, 7B of 7C zijn aangevuld met de volgende informatie: a) Inhoud: i) Behalve bij LSA-I stoffen, de naam (namen) van de radionuclide(n) zoals aangegeven in de tabel onder , met gebruikmaking van de daar vermelde symbolen. Bij mengsels van radionucliden moeten de nucliden zijn aangegeven, waarvoor de meest restrictieve waarde geldt, voor zover de beschikbare ruimte op de regel daartoe plaats biedt. De LSA- of SCOgroep moet zijn vermeld achter de naam (namen) van de radionuclide(n). De aanduidingen "LSA- II","LSA-III", "SCO-I" en "SCO-II" moeten hiervoor worden gebruikt. ii) Voor LSA-I stoffen volstaat de aanduiding "LSA-I"; de benaming van de radionuclide is niet nodig. b) Activiteit: de maximale activiteit van de radioactieve inhoud tijdens het vervoer, uitgedrukt in becquerel (Bq) met een bijbehorend SI-symbool voor het voorvoegsel (zie ). Bij splijtbare stoffen mag de totale massa van de splijtbare nucliden in eenheden van gram (g), of veelvouden daarvan, worden gebruikt in plaats van de activiteit. c) Bij oververpakkingen en containers moet de rubrieken "inhoud" en "activiteit" op het etiket de informatie geven die wordt voorgeschreven onder a) resp. b) hierboven, opgeteld voor de totale inhoud van de oververpakking of container, behalve dat op etiketten voor oververpakkingen of containers die gemengde ladingen colli met verschillende radionucliden bevatten, bij deze rubrieken mag worden ingevuld: "Zie vervoersdocumenten". d) Transportindex: Het getal bepaald overeenkomstig en (Er hoeft geen transportindex te worden ingevuld voor categorie I-WIT.) Op elk etiket volgens model nr. 7E moet de criticaliteits-veiligheidsindex (CSI) zijn ingevuld zoals deze vermeld is op het Certificaat van Goedkeuring dat van toepassing is in de landen waardoor of waarheen de zending wordt vervoerd en afgegeven door de bevoegde autoriteit dan wel zoals aangegeven in of van het ADR Voor oververpakkingen en containers moet het etiket volgens model nr. 7E de som vermelden van de criticaliteits-veiligheidsindexen van alle colli die de oververpakking of container bevat In alle gevallen van internationaal vervoer van colli waarvoor goedkeuring door de bevoegde autoriteit van het ontwerp of de zending is vereist, waarvoor verschillende typen goedkeuring van toepassing zijn in de verschillende landen die bij de zending betrokken zijn, moet de etikettering in overeenstemming zijn met het certificaat van het land van oorsprong van het ontwerp Voorschriften voor etiketten Etiketten moeten aan de hieronder gegeven voorschriften voldoen en wat betreft kleur, symbolen en algemene opmaak in overeenstemming zijn met de in getoonde modellen. Overeenkomstige modellen, voorgeschreven voor andere vervoersmodaliteiten, met kleine afwijkingen die de klaarblijkelijke betekenis van het etiket niet beïnvloeden, zijn ook acceptabel. Opmerking: In bepaalde gevallen zijn de etiketten in voorzien van een onderbroken buitenste rand, zoals aangegeven in Dit is niet vereist indien het etiket op een achtergrond met een contrasterende kleur is aangebracht De etiketten moeten worden uitgevoerd zoals weergegeven in figuur

20 Figuur Klasse/subklasse-etiket * In de onderste hoek moet de klasse worden vermeld of voor de klassen 4.1, 4.2 en 4.3 het cijfer "4" of voor de klassen 6.1 en 6.2 het getal "6". ** In deze onderste helft moeten (indien verplicht) of mogen (indien facultatief) aanvullende tekst, cijfers, symbolen of letters worden geplaatst. *** In deze bovenste helft moeten het symbool van de klasse of, voor de subklassen 1.4, 1.5 en 1.6, het nummer van de subklasse en voor model nr. 7E het woord "FISSILE" worden vermeld Etiketten moeten worden op een achtergrond met een contrasterende kleur worden aangebracht of moeten ofwel van een onderbroken dan wel een ononderbroken grenslijn zijn voorzien Etiketten moeten de vorm hebben van een op een hoekpunt staand vierkant (ruit) met afmetingen van ten minste 100 mm bij 100 mm; de minimale dikte van de lijn binnen de rand die de ruit vormt is 2 mm. Die lijn loopt parallel aan de rand op 5 mm afstand van de buitenzijde van die lijn tot de rand van het etiket. De lijn binnen de rand moet in de bovenste helft van het etiket dezelfde kleur hebben als het symbool en in de onderste helft dezelfde kleur als het nummer van de klasse of subklasse in de benedenhoek. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken Indien de grootte van het collo dit vereist mogen de afmetingen worden verkleind, onder voorwaarde dat de symbolen en andere elementen van het etiket duidelijk zichtbaar blijven. De afstand tussen de lijn binnen de rand en de rand van het etiket blijft 5 mm. De minimale dikte van de lijn binnen de rand blijft 2 mm. Voor flessen voldoen de afmetingen aan Flessen voor gassen van klasse 2 mogen op grond van hun vorm, oriëntatie en bevestigingsmechanismen voor het vervoer, etiketten dragen, die een afspiegeling zijn van die welke in deze sectie staan aangegeven, alsook, indien van toepassing, de kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen, die overeenkomstig de in de norm ISO 7225: 2005 "Veiligheidsetiketten voor gasflessen" geschetste afmetingen, in omvang zijn verkleind om op het niet cilindrische deel (schouder) van dergelijke flessen aangebracht te kunnen worden. Opmerking: Wanneer de diameter van de fles te klein is om het in omvang verkleinde etiket op het niet cilindrische deel (schouder) van de fles aan te brengen, mag dit etiket op het cilindrische deel worden aangebracht. Ondanks de voorschriften van , mogen etiketten en de kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen (zie ) elkaar overlappen voor zover daarin door de norm ISO 7225:2005 is voorzien. In alle gevallen echter moeten het primaire gevaarsetiket en de cijfers die op elk etiket voorkomen, volledig zichtbaar en de symbolen herkenbaar blijven. Lege, ongereinigde drukhouders voor gassen van klasse 2 mogen worden vervoerd met verouderde of beschadigde etiketten teneinde opnieuw gevuld dan wel onderzocht te worden en een nieuw etiket overeenkomstig de geldende voorschriften aan te brengen of met het doel de drukhouders te verwijderen.

21 Met uitzondering van de etiketten voor de subklassen 1.4, 1.5 en 1.6 van klasse 1, moet in de bovenste helft van het etiket de afbeelding van het symbool zijn opgenomen en in de onderste helft: a) voor de klassen 1, 2, 3, 5.1, 5.2, 7, 8 en 9, het nummer van de klasse; b) voor de klassen 4.1, 4.2 en 4.3, het cijfer "4"; c) voor de klassen 6.1 en 6.2, het cijfer "6". Voor een gevaarsetiket volgens model nr. 9A moeten echter in de bovenste helft van het etiket alleen de zeven verticale strepen van het symbool zijn opgenomen. In de onderste helft wordt de verzameling batterijen van het symbool en het nummer van de klasse opgenomen. Met uitzondering van een gevaarsetiket volgens model nr. 9A mag overeenkomstig op de etiketten tekst zijn aangebracht zoals het UN-nummer of woorden die het gevaar beschrijven (b.v. "brandbaar") onder voorwaarde dat de tekst de andere voorgeschreven elementen van het etiket niet overdekt of ervan afleidt Bovendien moet op etiketten voor klasse 1, met uitzondering van subklassen 1.4, 1.5 en 1.6, in de onderste helft, boven het nummer van de klasse, het nummer van de subklasse en de letter van de compatibiliteitsgroep van de stof of het voorwerp zijn aangebracht. Op etiketten voor de subklassen 1.4, 1.5 en 1.6 moet in de bovenste helft het nummer van de subklasse en in de onderste helft het nummer van de klasse en de letter van de compatibiliteitsgroep zijn aangebracht Op etiketten met uitzondering van die voor stoffen van klasse 7 moet het facultatief aanbrengen van een tekst (met uitzondering van het nummer van de klasse) in de ruimte onder het symbool worden beperkt tot bijzonderheden die de aard van het gevaar aangeven en de bij de behandeling te nemen voorzorgen De symbolen, tekst en cijfers moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht en in het zwart op alle etiketten zijn aangegeven, behalve voor: a) het etiket voor klasse 8, waarbij de tekst (voor zover aanwezig) en nummer van de klasse wit moet zijn; b) etiketten met groene, rode of blauwe achtergronden, waar ze in het wit mogen zijn aangegeven; c) het etiket voor klasse 5.2, waarbij het symbool in het wit mag worden weergegeven; en d) etiketten volgens model nr. 2.1 die op flessen en gaspatronen voor gassen van de UN-nummers 1011, 1075, 1965 en 1978 zichtbaar zijn, waar zij mogen worden aangebracht in de achtergrondkleur van de houder, indien voor voldoende contrast wordt gezorgd Alle etiketten moeten blootstelling aan weer en wind kunnen doorstaan zonder een wezenlijke vermindering in doeltreffendheid.

22 Modellen van etiketten Gevaar van Klasse 1 Ontplofbare stoffen of voorwerpen

23 (Nr. 2.3) Giftige gassen Symbool (doodshoofd met gekruiste beenderen): zwart; Achtergrond: wit; Cijfer 2 in de benedenhoek Gevaar van klasse 3 Brandbare vloeistoffen (Nr. 3) Symbool (vlam): zwart of wit; Achtergrond: rood; Cijfer 3 in de benedenhoek Gevaar van Klasse 4.1 Brandbare vaste stoffen, zelfontledende stoffen, polymeriserende stoffen en vaste gedesensibiliseerde ontplofbare stoffen Gevaar van Klasse 4.2 Voor zelfontbranding vatbare stoffen Gevaar van Klasse 4.3 Stoffen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen (Nr.4.1) Symbool (vlam): zwart; Achtergrond: wit met zeven verticale rode strepen; Cijfer 4 in de benedenhoek (Nr.4.2) Symbool (vlam): zwart; Achtergrond: bovenste helft wit, onderste helft rood; Cijfer 4 in de benedenhoek (Nr.4.3) Symbool (vlam): zwart of wit; Achtergrond: blauw Cijfer 4 in de benedenhoek

24 Gevaar van Klasse 5.1 Oxiderende stoffen Gevaar van Klasse 5.2 Organische peroxiden 5.2 (Nr. 5.1) Symbool (vlam boven een cirkel): zwart; Achtergrond: geel; Cijfer "5.1" in de benedenhoek (Nr. 5.2) Symbool (vlam): zwart of wit; Achtergrond: bovenste helft rood, onderste helft geel; Cijfer "5.2" in de benedenhoek Gevaar van Klasse 6.1 Giftige stoffen Gevaar van Klasse 6.2 Infectueuze stoffen (Nr. 6.1) Symbool (doodshoofd en gekruiste been- deren): zwart; Achtergrond: wit; Cijfer 6 in de benedenhoek (Nr. 6.2) De onderste helft van het etiket mag zijn voorzien van de opschriften INFECTUEUZE STOF en BIJ BESCHADIGING OF LEKKAGE ONMIDDELLIJK DE AUTORITEIT VOOR DE VOLKSGEZONDHEID INLICHTEN ; Symbool (drie sikkels op een cirkel) en opschriften: zwart;

25 Gevaar van Klasse 7 Radioactieve stoffen (Nr. 7A) Categorie I Wit Symbool (klaverblad): zwart; Achtergrond: wit; (voorgeschreven)tekst: zwart; Op de onderste helft van het etiket: RADIOACTIVE gevolgd door één rode verticale streep; CONTENTS... ACTIVITY cijfer 7 in de benedenhoek (Nr. 7B) Categorie II - Geel (Nr. 7C) Categorie III - Geel Symbool (klaverblad): zwart; Achtergrond: bovenste helft geel met witte rand, onderste helft wit; (voorgeschreven) tekst: zwart op de onderste helft van het etiket: RADIOACTIVE CONTENTS. ACTIVITY.. In een zwart omlijnd rechthoekig veld: TRANSPORT INDEX Het woord RADIOACTIVE wordt gevolgd door twee rode verticale strepen; cijfer 7 in de benedenhoek Het woord RADIOACTIVE wordt gevolgd door drie rode verticale strepen; (Nr. 7E) Splijtbare stoffen van Klasse 7 Achtergrond: wit; (voorgeschreven) Tekst: zwart; Op de bovenste helft van het etiket: FISSILE ; In een zwart omlijnd rechthoekig veld op de onderste helft van het etiket: CRITICALITY SAFETY INDEX ; Cijfer 7 in de benedenhoek

26 Gevaar van Klasse 8 Bijtende stoffen Gevaar van Klasse 9 Diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen (Nr. 8) Symbool (twee reageerbuisjes waaruit druppels vallen die een hand en metaal aantasten): zwart; Achtergrond: bovenste helft wit; Onderste benedenhoek helft zwart met witte rand; Cijfer 8 in de benedenhoek (Nr. 9) Symbool (zeven verticale strepen op de bovenste helft): zwart; Achtergrond: wit; Strepen: zwart; Cijfer 9 onderstreept in de benedenhoek (Nr. 9A) Symbool (zeven verticale zwarte strepen in bovenste helft; in onderste helft verzameling batterijen, waarvan er een beschadigd is en in brand staat): zwart; Achtergrond: wit; Cijfer 9 onderstreept in benedenhoek.

27 HOOFDSTUK 5.3 AANBRENGEN VAN GROTE ETIKETTEN EN KENMERKINGEN Opmerking: Zie voor de kenmerking en het aanbrengen van grote etiketten op containers, MEGC's, tankcontainers en transporttanks bij vervoer in een transportketen die vervoer over zee omvat, ook Indien de bepalingen van c) worden toegepast, zijn alleen en van dit hoofdstuk van toepassing Het aanbrengen van grote etiketten Algemene voorschriften De grote etiketten moeten op het buitenoppervlak van grote containers, MEGC's, tankcontainers, transporttanks, voertuigen en wagens volgens de voorschriften van deze sectie zijn aangebracht. De grote etiketten moeten overeenkomen met de in kolom (5) en, in voorkomend geval, in kolom (6) van tabel A van hoofdstuk 3.2 voorgeschreven etiketten voor de gevaarlijke goederen die zich in de grote container, MEGC, tankcontainer, transporttank, voertuig of de wagen bevinden en moeten voldoen aan de in gegeven specificaties. De grote etiketten moeten op een achtergrond met een contrasterende kleur worden aangebracht of moeten ofwel van een onderbroken dan wel van ononderbroken grenslijn zijn voorzien Voor klasse 1 mogen op de grote etiketten geen compatibiliteitsgroepen worden aangegeven indien in het voertuig, de wagen of de grote container stoffen of voorwerpen worden vervoerd, die tot verschillende compatibiliteitsgroepen behoren. Wagens of grote containers, waarin stoffen of voorwerpen van verschillende subklassen worden vervoerd, moeten alleen zijn voorzien van grote etiketten volgens het model van de gevaarlijkste subklasse, in de volgorde: 1.1 (meest gevaarlijk), 1.5, 1.2, 1.3, 1.6, 1.4 (minst gevaarlijk). Indien stoffen van classificatiecode 1.5 D tezamen met stoffen of voorwerpen van subklasse 1.2 worden vervoerd, moet het voertuig, de wagen of de grote container van grote etiketten worden voorzien voor subklasse 1.1. Grote etiketten zijn niet voorgeschreven bij het vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S Voor klasse 7 moet het grote etiket voor het overheersende gevaar overeenkomen met model nr. 7D zoals aangegeven in Dit grote etiket is niet vereist voor voertuigen, wagens of grote containers die vrijgestelde colli vervoeren en voor kleine containers. Indien het aanbrengen van zowel etiketten als grote etiketten van klasse 7 op voertuigen, wagens, grote containers, MEGC's, tankcontainers of transporttanks is voorgeschreven, mag in plaats van het grote etiket nr. 7D een vergroot gevaarsetiket worden aangebracht, dat met het voorgeschreven gevaarsetiket voor model nr. 7A, 7B of 7C overeenkomt, in plaats van het grote etiket nr. 7D, teneinde beide doelen te dienen. In dat geval moeten de afmetingen minimaal 250 mm bij 250 mm zijn Voor klasse 9 moet het grote etiket overeenkomen met een etiket van model nr. 9 volgens ; een etiket van model nr. 9A mag niet voor grote etiketten worden gebruikt Containers, MEGC's, tankcontainers, transporttanks, voertuigen of wagens die goederen van meer dan één klasse bevatten, behoeven niet te zijn voorzien van een groot etiket voor het bijkomend gevaar, indien het door dat grote etiket gesymboliseerde gevaar reeds wordt aangegeven door middel van een groot etiket voor het overheersende of bijkomende gevaar Grote etiketten die geen betrekking hebben op de vervoerde gevaarlijke goederen, of restanten daarvan, moeten zijn verwijderd of afgedekt Indien de grote etiketten zijn aangebracht op klapborden, dan moeten deze zodanig zijn ontworpen en vastgezet dat ze niet kunnen omklappen of losraken van de houder tijdens het vervoer (in het bijzonder als gevolg van stoten of onbedoelde handelingen).

28 Het aanbrengen van grote etiketten op containers, MEGC's, tankcontainers en transporttanks Opmerking: Deze subsectie is niet van toepassing op wissellaadbakken met uitzondering van wissellaadtanks die worden vervoerd op voertuigen, die de oranje kenmerking dragen, zoals bepaald in De grote etiketten moeten aan beide zijden en aan beide uiteinden van de grote container, MEGC, tankcontainer of transporttank zijn aangebracht. Indien de tankcontainer of transporttank meerdere compartimenten heeft, waarin twee of meer dan twee gevaarlijke stoffen worden vervoerd, moeten de van toepassing zijnde grote etiketten worden aangebracht aan de beide zijden op de plaats van het betreffende compartiment; en één groot etiket van elk model dat aan de zijden is aangebracht, moet aan beide uiteinden worden aangebracht. Indien op alle compartimenten dezelfde grote etiketten aangebracht moeten worden, dan moeten deze grote etiketten slechts één maal aan elke zijde en aan beide uiteinden van de tankcontainer of transporttank worden aangebracht Het aanbrengen van grote etiketten op voertuigen en wagens, die grote containers, MEGC's, tankcontainers of transporttanks vervoeren. Opmerking: Deze subsectie is niet van toepassing op wissellaadbakken met uitzondering van wissellaadtanks die worden vervoerd op voertuigen, die de oranje kenmerking dragen, zoals bepaald in Indien de op de grote containers, MEGC s, tankcontainers of transporttanks aangebrachte grote etiketten buiten de dragende voertuigen of wagens niet zichtbaar zijn, moeten dezelfde grote etiketten ook aan beide zijden en de achterzijde van het voertuig of wagen zijn aangebracht. Afgezien hiervan behoeven op de dragende voertuigen of wagens geen grote etiketten te worden aangebracht Het aanbrengen van grote etiketten op voertuigen voor vervoer als los gestort goed, wagens voor vervoer als los gestort goed, tankwagens, reservoirwagens, batterijwagens, MEMU s, voertuigen met afneembare tanks en wagens met afneembare tanks De grote etiketten moeten aan beide zijden en aan de achterzijde van de voertuigen, of, bij wagens, aan beide zijden zijn aangebracht. Indien de tankwagen, de reservoirwagen, de op het voertuig vervoerde afneembare tank of de op de wagen vervoerde afneembare tank meerdere compartimenten heeft en twee of meer gevaarlijke goederen vervoert, moeten de grote etiketten die van toepassing zijn worden aangebracht aan beide zijden op de plaats van de betreffende compartimenten en moet (alleen bij voertuigen) een groot etiket van elk model worden aangebracht aan beide zijden aan de achterzijde van het voertuig. Indien op alle compartimenten dezelfde grote etiketten aangebracht moeten worden, hoeven deze grote etiketten slechts éénmaal aan beide zijden en (alleen bij voertuigen) aan de achterzijde van het voertuig te worden aangebracht. Indien meer dan één groot etiket is voorgeschreven voor hetzelfde compartiment, moeten deze grote etiketten naast elkaar worden aangebracht.. Opmerking: Indien een tankoplegger van het trekkend voertuig wordt gescheiden om aan boord van een schip te worden geladen, moeten ook aan de voorzijde van de oplegger grote etiketten worden aangebracht MEMU's met tanks en bulkcontainers moeten overeenkomstig van grote etiketten zijn voorzien voor de stoffen die zich daarin bevinden. Voor tanks met een inhoud van minder dan 1000 liter mogen de grote etiketten zijn vervangen door etiketten volgens Voor MEMU's waarmee colli worden vervoerd die stoffen of voorwerpen van klasse 1 bevatten (met uitzondering van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S), moeten aan beide zijden en aan de achterzijde van de MEMU grote etiketten worden aangebracht. Bijzondere compartimenten voor ontplofbare stoffen of voorwerpen moeten overeenkomstig de bepalingen

29 van van grote etiketten zijn voorzien. De laatste zin van is niet van toepassing Het aanbrengen van grote etiketten op voertuigen die uitsluitend colli vervoeren Opmerking: Deze subsectie is ook van toepassing op voertuigen en wagens die wissellaadbakken vervoeren beladen met colli Bij voertuigen waarin colli met stoffen en voorwerpen van klasse 1 worden vervoerd (met uitzondering van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S moeten aan beide zijden en de achterzijde grote etiketten zijn aangebracht Bij voertuigen waarin radioactieve stoffen van klasse 7 worden vervoerd in colli of in IBC's (met uitzondering van vrijgestelde colli), moeten aan beide zijden en de achterzijde van het voertuig grote etiketten zijn aangebracht. Opmerking: Indien een voertuig waarin colli met gevaarlijke stoffen worden vervoerd met uitzondering van de klassen 1 en 7, aan boord van een schip wordt geladen voor een ADN-traject voorafgaand aan een zeereis, dan moeten grote etiketten worden aangebracht aan beide zijden en aan achterzijde van het voertuig. Zulke grote etiketten mogen op het voertuig blijven zitten voor het ADN-traject dat volgt op een zeereis Bij wagens waarin colli worden vervoerd moeten grote etiketten overeenkomstig de vervoerde goederen aan beide zijden worden aangebracht Het aanbrengen van grote etiketten op lege tankwagens, reservoirwagens, voertuigen met afneembare tanks, wagens met afneembare tanks, batterijwagens (weg en spoor), MEGC's, tankcontainers, transporttanks en lege voertuigen, wagens en containers voor losgestort vervoer Op lege tankwagens, reservoirwagens, voertuigen met afneembare tanks, wagens met afneembare tanks, batterijwagens (weg en spoor), MEGC's, tankcontainers, transporttanks, ongereinigd en niet ontgast en lege voertuigen, wagens en containers voor los gestort vervoer moeten de voor de voorafgaande lading voorgeschreven etiketten zichtbaar blijven Beschrijving van de grote etiketten Met uitzondering van het in bepaalde voor grote etiketten van klasse 7 en in voor de kenmerking van milieugevaarlijke stoffen, moet een groot etiket worden opgesteld zoals weergegeven in figuur : Figuur Groot etiket (behalve voor klasse 7)

30 Het grote etiket moet de vorm hebben van een op een hoekpunt stand vierkant (ruit) met afmetingen van ten minste 250 mm bij 250 mm (tot de rand van het etiket). De lijn binnen de rand loopt parallel aan de rand van het etiket op een afstand van 12,5 mm vanaf de buitenkant van die lijn tot de rand van het etiket. Het symbool en de lijn binnen de rand hebben dezelfde kleur als het etiket voor de klasse of subklasse van de gevaarlijke stoffen in kwestie. De positie en afmetingen van het symbool of nummer van de klasse of subklasse moeten in verhouding zijn tot de positie en afmetingen zoals voorgeschreven in voor de desbetreffende klasse of subklasse van de gevaarlijke stoffen in kwestie. Op het grote etiket worden het nummer van de klasse of subklasse (en voor goederen in klasse 1 de letter van de compatibiliteitsgroep) van de gevaarlijke stoffen in kwestie aangebracht op de wijze zoals voorgeschreven in voor het corresponderende etiket, in cijfers met een hoogte van minimaal 25 mm. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken Het grote etiket voor klasse 7 moet afmetingen bezitten van ten minste 250 mm x 250 mm met een zwarte kaderlijn op 5 mm binnen de rand en parallel daaraan, en moet verder overeenkomen met onderstaande afbeelding. Het cijfer 7 moet tenminste 25 mm hoog zijn. De achtergrondkleur van de bovenste helft van het grote etiket moet geel zijn en van de onderste helft wit; de kleur van het klaverbladsymbool en de opdruk moet zwart zijn. Het gebruik van het woord RADIOACTIVE in de onderste helft is facultatief, zodat deze ruimte gebruikt kan worden voor het vermelden van het UN-nummer van toepassing op de zending. Groot etiket voor radioactieve stoffen van klasse 7 5 mm 10 mm MINIMUM MINIMUM DIMENSION 250 mm RADIOACTIVE 7 MINIMUM DIMENSION 250 mm (No. 7D) Symbool (klaverblad): zwart; achtergrond: Bovenste helft geel met witte rand, onderste helft wit. In de onderste helft moet behalve het woord RADIOACTIVE, of in plaats daarvan het toepasselijke UNnummer, ook, in de benedenhoek, het cijfer 7 aangegeven zijn Bij tanks met een inhoud van niet meer dan 3 m 3 en bij kleine containers mogen de grote etiketten worden vervangen door etiketten overeenkomstig Indien deze etiketten buiten het dragende voertuig/de dragende wagen niet zichtbaar zijn, moeten tevens grote etiketten overeenkomstig aan beide zijden van de wagen of aan beide zijden en aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht Voor klasse 1 en 7 mogen, indien de omvang en constructie van het voertuig zodanig zijn dat het beschikbare oppervlak onvoldoende is om de voorgeschreven grote etiketten aan te brengen, hun afmetingen worden verkleind tot 100 mm voor elke zijde. Voor wagens mogen de afmetingen van de grote etiketten worden verkleind tot 150 mm x 150 mm. In dit geval zijn de andere afmetingen, vastgelegd voor de symbolen, lijnen, cijfers en letters niet van toepassing Kenmerking met oranje borden Algemene voorschriften voor kenmerking met oranje borden

31 Transporteenheden die gevaarlijke goederen vervoeren, moeten zijn voorzien van twee rechthoekige oranje borden volgens , die verticaal zijn bevestigd. Eén van deze borden moet aan de voorzijde en de ander aan de achterzijde van de transporteenheid zijn aangebracht, terwijl beide loodrecht op de lengteas van de transporteenheid moeten staan. Zij moeten duidelijk zichtbaar zijn. Indien een aanhangwagen of oplegger met gevaarlijke goederen tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen wordt losgekoppeld van het bijbehorende motorvoertuig, moet een oranje bord bevestigd blijven aan de achterzijde van de aanhangwagen of oplegger. Wanneer tanks in overeenstemming met zijn gekenmerkt, moet dit bord corresponderen met de gevaarlijkste stof die in de tank wordt vervoerd Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (20) van het ADR een gevaarsidentificatienummer is aangegeven, moeten tankwagens, batterijvoertuigen of voertuigen die één of meer tanks hebben, waarin gevaarlijke goederen worden vervoerd, bovendien aan weerszijden van elke tank, elk tankcompartiment of elk element van de batterijwagen, duidelijk zichtbaar en parallel aan de lengteas van het voertuig zijn voorzien van oranje borden, die identiek moeten zijn aan die welke zijn voorgeschreven in Deze oranje borden moeten voor elk van de in de tanks, in de tankcompartimenten of in de elementen van een batterijwagen vervoerde stoffen het respectievelijk in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (20) en (1) van het ADR voorgeschreven gevaarsidentificatienummer en UN-nummer dragen. De bepalingen van deze paragraaf zijn ook van toepassing op reservoirwagens, batterijwagens en wagens met afneembare tank. In laatstgenoemd geval is het te gebruiken gevaarsidentificatienummer het nummer dat is aangegeven in kolom (20) van tabel A van hoofdstuk 3.2 van het RID Het is niet nodig de in voorgeschreven oranje borden aan te brengen op tankwagens of transporteenheden met één of meer tanks die stoffen met UN-nummers 1202, 1203 of 1223, of de onder de UN-nummers 1268 of 1863 ingedeelde vliegtuigbrandstof, maar geen andere gevaarlijke stof vervoeren, indien de aan de voor- en achterzijde overeenkomstig aangebrachte borden zijn voorzien van het voorgeschreven gevaarsidentificatienummer en UN-nummer voor de gevaarlijkste stof die wordt vervoerd, d.w.z. de stof met het laagste vlampunt Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (20) van het ADR een gevaarsidentificatienummer is aangegeven, moeten transporteenheden en containers waarin onverpakte vaste stoffen of voorwerpen of verpakte radioactieve stoffen met één enkel UN-nummer waarvan het vervoer onder exclusief gebruik is voorgeschreven en zonder andere gevaarlijke stoffen worden vervoerd, bovendien aan weerszijden van elke transporteenheid of container duidelijk zichtbaar en parallel aan de lengteas van het voertuig zijn voorzien van oranje borden, die gelijk moeten zijn aan die welke in zijn voorgeschreven. Deze oranje borden moeten voor elk van de in de transporteenheid of container vervoerde, los gestorte stoffen of voor de in de transporteenheid of in de container vervoerde verpakte radioactieve stoffen waarvan het vervoer onder exclusief gebruik is voorgeschreven het in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (20) en (1) van het ADR voorgeschreven gevaarsidentificatienummer respectievelijk UN-nummer dragen. De bepalingen van deze paragraaf zijn ook van toepassing op wagens voor los gestort vervoer en complete wagonladingen bestaande uit colli met slechts één stof. In het laatste geval is het gevaarsidentificatienummer dat gebruikt moet worden het nummer dat aangegeven is in kolom (20) van tabel A van hoofdstuk 3.2 van het RID Indien de in en voorgeschreven oranje borden, aangebracht op containers, tankcontainers, MEGC s of transporttanks, niet duidelijk zichtbaar zijn vanaf de buitenzijde van het voertuig/de wagen, dat/die ze vervoerd, dan moeten dezelfde etiketten ook aan beide zijden van het voertuig/de wagen zijn aangebracht. Opmerking: Deze paragraaf hoeft niet te worden toegepast voor de kenmerking met oranje borden van gesloten of met dekzeil uitgeruste voertuigen, die tanks vervoeren met een grootste inhoud van 3000 liter Transporteenheden die slechts één gevaarlijke stof en geen niet-gevaarlijke stof vervoeren, behoeven niet te zijn voorzien van de in , en voorgeschreven oranje borden, onder voorwaarde dat die welke overeenkomstig aan de voor- en achterzijde zijn aangebracht, zijn voorzien van respectievelijk het in kolom 20 en 1 van Tabel A van hoofdstuk 3.2 van het ADR voorgeschreven gevaarsidentificatienummer en UN-nummer van die stof De voorschriften in tot en met zijn ook van toepassing op lege, ongereinigde, niet ontgaste of niet ontsmette vaste of afneembare tanks, batterijvoertuigen, tankcontainers, transporttanks,

32 MEGC s, reservoirwagens, batterijwagens en wagens met afneembare tanks evenals op lege, ongereinigde of niet ontsmette voertuigen, grote en kleine containers voor het vervoer van losgestorte goederen Oranje borden die geen betrekking hebben op de vervoerde gevaarlijke goederen of restanten daarvan, moeten zijn verwijderd of afgedekt. Indien het bord wordt afgedekt, moet de afdekking volledig en na een 15 minuten durende hevige brand nog intact zijn Specificaties voor de oranje borden De oranje borden moeten retroreflecterend en 40 cm breed en 30 cm hoog zijn; zij moeten een zwarte zoom hebben van 15 mm breed. Het gebruikte materiaal moet weersbestendig zijn en een duurzame kenmerking garanderen. Het bord mag bij een 15 minuten durende hevige brand niet van de bevestiging losraken. Het moet bevestigd blijven ongeacht de stand van het voertuig of de wagen De oranje borden mogen in het midden van het bord voorzien zijn van een horizontale zwarte lijn met een breedte van 15 mm. Indien de omvang en constructie van het voertuig zodanig zijn dat het beschikbare oppervlak onvoldoende is om deze oranje borden aan te brengen, mogen hun afmetingen worden verkleind tot minimaal 300 mm voor de breedte, 120 mm voor de hoogte en 10 mm voor de zwarte zoom. In dat geval mag voor de twee in gespecificeerde oranje borden een andere set afmetingen binnen het opgegeven bereik worden gebruikt. Wanneer oranje borden met gereduceerde afmetingen worden gebruikt voor een verpakte radioactieve stof die onder exclusief gebruik wordt vervoerd, is alleen het UN-nummer vereist mag de grootte van de cijfers, vastgesteld in , worden gereduceerd tot een hoogte van 65 mm en een lijndikte van 10 mm. Voor wagens is een niet-retroreflecterende kleur toegestaan. Bij containers waarin losgestorte, gevaarlijke, vaste stoffen worden vervoerd, en bij tankcontainers, MEGC s en transporttanks mogen de in , en voorgeschreven borden worden vervangen door een zelfklevende folie of door een met verf of door middel van enig ander gelijkwaardig proces aangebrachte aanduiding. Deze alternatieve kenmerking moet voldoen aan de specificaties genoemd in deze subsectie, met uitzondering van de voorschriften met betrekking tot de brandbestendigheid zoals genoemd in en Opmerking: De kleur van de oranje borden moet onder normale gebruiksomstandigheden de kleurcoördinaten bezitten, gelegen binnen het gebied van de kleurendriehoek dat gevormd wordt door de volgende coördinaten: Kleurcoördinaten van de punten op de hoeken van het gebied in de kleurendriehoek x y 0,52 0,38 0,52 0,40 0,578 0,422 0,618 0,38 Helderheidscoëfficiënt van de retroflecterende kleur: ß > 0,12. Helderheidscoëfficiënt van de niet-retroflecterende kleur (wagens): ß > 0,22. Referentiecentrum E, standaard lichtbron C, invalshoek 45, bekeken onder 0. De coëfficiënt van de intensiteit van het teruggekaatste licht bij een belichtingshoek van 5, bekeken onder 0,2 : niet minder dan 20 candela per lux per m 2 (niet vereist voor wagens) Het gevaarsidentificatienummer en het UN-nummer moeten bestaan uit zwarte cijfers met een hoogte van 100 mm en een lijndikte van 15 mm. Het gevaarsidentificatienummer moet in het bovenste deel van het bord zijn aangebracht en het UN-nummer in het onderste deel; zij moeten zijn gescheiden door een horizontale zwarte lijn van 15 mm breedte, die over het midden van het bord loopt (zie ). Het gevaarsidentificatienummer en het UN-nummer moeten onuitwisbaar zijn en na aanwezigheid in een 15 minuten durende brand nog leesbaar. Uitwisselbare cijfers en letters op borden, die het gevaarsidentificatienummer en het UN-nummer weergeven, moeten tijdens het vervoer op hun plaats blijven, ongeacht de stand van het voertuig of de wagen.

33 Voorbeeld van een oranje bord met gevaarsidentificatienummer en UN-nummer Achtergrond: oranje. Zoom, horizontale lijn en cijfers: zwart,15 mm dik De tolerantie, toegelaten voor alle afmetingen, vermeld in deze subsectie, bedraagt ± 10% Indien het oranje bord is bevestigd op klapborden, dan moeten deze zodanig zijn ontworpen en vastgezet dat ze niet kunnen omklappen of losraken van de houder tijdens het vervoer (in het bijzonder als gevolg van stoten of onbedoelde handelingen) Betekenis van gevaarsidentificatienummers Het gevaarsidentificatienummer bestaat voor stoffen van de klassen 2 t/m 9 uit twee of drie cijfers. De cijfers geven in het algemeen de volgende gevaren aan: 2 Vrijkomen van gas als gevolg van druk of van een chemische reactie 3 Brandbaarheid van vloeistoffen (dampen) en gassen of voor zelfverhitting vatbare vloeistof 4 Brandbaarheid van vaste stoffen of voor zelfverhitting vatbare vaste stof 5 Oxiderende (verbranding bevorderende) werking 6 Giftigheid of besmettingsgevaar 7 Radioactiviteit 8 Bijtende werking 9 Gevaar voor een spontane heftige reactie Opmerking: Het gevaar voor een spontane heftige reactie in de zin van cijfer 9 omvat de met de aard van de stof samenhangende mogelijkheid van explosiegevaar, een ontledings- of polymerisatiereactie, waarbij aanzienlijke warmte of brandbare en/of giftige gassen vrijkomen. Verdubbeling van een cijfer duidt op een versterking van dat specifieke gevaar. Indien het met een stof samenhangende gevaar voldoende kan worden aangegeven door middel van een enkel cijfer, dan wordt dit cijfer gevolgd door een nul. De volgende combinaties van cijfers hebben evenwel een bijzondere betekenis: 22, 323, 333, 362, 382, 423, 44, 446, 462, 482, 539, 606, 623, 642, 823, 842, 90 en 99 (zie hieronder). Indien het gevaarsidentificatienummer wordt voorafgegaan door de letter "X", betekent dit dat de stof op gevaarlijke wijze met water reageert. Bij dergelijke stoffen mag water alleen worden gebruikt met

34 toestemming van deskundigen. Voor stoffen van klasse 1 moet de classificatiecode overeenkomstig kolom (3b) van tabel A van hoofdstuk 3.2 worden gebruikt als het gevaarsidentificatienummer. De classificatiecode bestaat uit: - de subklasse overeenkomstig , en - de letter van de compatibiliteitsgroep overeenkomstig De gevaarsidentificatienummers, opgenomen in kolom (20) van tabel A van hoofdstuk 3.2 van het ADR of RID, hebben de volgende betekenis: 20 verstikkend gas, of gas dat geen bijkomend gevaar vertoont 22 sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas, verstikkend 223 sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas, brandbaar 225 sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas, oxiderend (verbranding bevorderend) 23 brandbaar gas 238 gas, brandbaar, bijtend 239 brandbaar gas, dat aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie 25 oxiderend (verbranding bevorderend) gas 26 giftig gas 263 giftig gas, brandbaar 265 giftig gas, oxiderend (verbranding bevorderend) 268 giftig gas, bijtend 28 bijtend gas 285 bijtend gas, oxiderend (verbranding bevorderend) 30 - brandbare vloeistof (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen) of - brandbare vloeistof of vaste stof in gesmolten toestand met een vlampunt hoger dan 60 C, die verwarmd is tot een temperatuur gelijk aan of boven zijn vlampunt, of - voor zelfverhitting vatbare vloeistof 323 brandbare vloeistof, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen X323 brandbare vloeistof, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 1 33 zeer brandbare vloeistof (vlampunt lager dan 23 C) 333 pyrofore vloeistof X333 pyrofore vloeistof, die op gevaarlijke wijze met water reageert zeer brandbare vloeistof, giftig 338 zeer brandbare vloeistof, bijtend X338 zeer brandbare vloeistof, bijtend, die op gevaarlijke wijze met water reageert 1 1 Water mag niet worden gebruikt, behalve met toestemming van deskundigen.

35 339 zeer brandbare vloeistof, die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie 36 brandbare vloeistof (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen), zwak giftig, of voor zelfverhitting vatbare vloeistof, giftig 362 brandbare vloeistof, giftig, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen X362 brandbare vloeistof, giftig, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen brandbare vloeistof, giftig, bijtend 38 brandbare vloeistof (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen), zwak bijtend, of voor zelfverhitting vatbare vloeistof, bijtend 382 brandbare vloeistof, bijtend, die met water reageert, onder ontwikkeling van brandbare gassen X382 brandbare vloeistof, bijtend, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 1 39 brandbare vloeistof, die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie brandbare vaste stof, of zelfontledende stof, of voor zelfverhitting vatbare stof 40 - brandbare vaste stof, of - zelfontledende stof, of - voor zelfverhitting vatbare stof, of - polymeriserende stof 423 vaste stof, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen, of brandbare vaste stof, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen, of voor zelfverhitting vatbare stof, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen X423 vaste stof, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen, of brandbare vaste stof, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen, of voor zelfverhitting vatbare stof, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 1 43 voor zelfontbranding vatbare (pyrofore) vaste stof X432 voor zelfontbranding vatbare (pyrofore) vaste stof, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 1) 44 brandbare vaste stof, in gesmolten toestand bij verhoogde temperatuur 446 brandbare vaste stof, in gesmolten toestand bij verhoogde temperatuur, giftig 46 brandbare of voor zelfverhitting vatbare vaste stof, giftig 462 vaste stof, giftig, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen X462 vaste stof, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van giftige gassen 1 48 brandbare of voor zelfverhitting vatbare vaste stof, bijtend 482 vaste stof, bijtend, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 1 Water mag niet worden gebruikt, behalve met toestemming van deskundigen.

36 X482 vaste stof, die op gevaarlijke wijze met water reageert onder ontwikkeling van bijtende gassen 1 50 oxiderende (verbranding bevorderende) stof 539 brandbaar organisch peroxide 55 sterk oxiderende (verbranding bevorderende) stof 556 sterk oxiderende (verbranding bevorderende) stof, giftig 558 sterk oxiderende (verbranding bevorderende) stof, bijtend 559 sterk oxiderende (verbranding bevorderende) stof, die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie 56 oxiderende (verbranding bevorderende) stof, giftig 568 oxiderende (verbranding bevorderende) stof, giftig, bijtend 58 oxiderende (verbranding bevorderende) stof, bijtend 59 oxiderende (verbranding bevorderende) stof, die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie 60 giftige of zwak giftige stof 606 infectueuze stof 623 giftige vloeistof, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 63 giftige stof, brandbaar (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen) 638 giftige stof, brandbaar (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen), bijtend 639 giftige stof, brandbaar (vlampunt niet hoger dan 60 C), die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie 64 giftige vaste stof, brandbaar of voor zelfverhitting vatbaar 642 giftige vaste stof, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 65 giftige stof, oxiderend (verbranding bevorderend), 66 zeer giftige stof 663 zeer giftige stof, brandbaar (vlampunt niet hoger dan 60 C) 664 zeer giftige vaste stof, brandbaar of voor zelfverhitting vatbaar 665 zeer giftige stof, oxiderend (verbranding bevorderend) 668 zeer giftige stof, bijtend X668 zeer giftige stof, bijtend, die op gevaarlijke wijze met water reageert zeer giftige stof, die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie 68 giftige stof, bijtend 687 giftige stof, bijtend, radioactief 69 giftige of zwak giftige stof, die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie 70 radioactieve stof

37 768 radioactieve stof, giftig, bijtend 78 radioactieve stof, bijtend 80 bijtende of zwak bijtende stof X80 bijtende of zwak bijtende stof, die op gevaarlijke wijze met water reageert bijtende vloeistof, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 83 bijtende of zwak bijtende stof, brandbaar (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen) X83 bijtende of zwak bijtende stof, brandbaar (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen), die op gevaarlijke wijze met water reageert bijtende of zwak bijtende stof, brandbaar (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen), die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie X839 bijtende of zwak bijtende stof, brandbaar (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen), die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie en die op gevaarlijke wijze met water reageert 1 84 bijtende vaste stof, brandbaar of voor zelfverhitting vatbaar 842 bijtende vaste stof, die met water reageert onder ontwikkeling van brandbare gassen 85 bijtende of zwak bijtende stof, oxiderend (verbranding bevorderend) 856 bijtende of zwak bijtende stof, oxiderend (verbranding bevorderend) en giftig 86 bijtende of zwak bijtende stof, giftig 88 sterk bijtende stof X88 sterk bijtende stof, die op gevaarlijke wijze met water reageert sterk bijtende stof, brandbaar (vlampunt tussen 23 C en 60 C, grenswaarden inbegrepen) 884 sterk bijtende vaste stof, brandbaar of voor zelfverhitting vatbaar 885 sterk bijtende stof, oxiderend (verbranding bevorderend) 886 sterk bijtende stof, giftig X886 sterk bijtende stof, giftig, die op gevaarlijke wijze met water reageert 1 89 bijtende of zwak bijtende stof, die aanleiding kan geven tot een spontane heftige reactie 90 milieugevaarlijke stof; diverse gevaarlijke stoffen 99 diverse gevaarlijke stoffen, vervoerd in verwarmde toestand.

38 1) Water mag slechts worden gebruikt na toestemming van deskundigen Kenmerk voor verwarmde stoffen Tankwagens, reservoirwagens, tankcontainers, transporttanks, speciale voertuigen, speciale wagens of speciale containers of speciaal ingerichte voertuigen, speciaal ingerichte wagens, speciaal ingerichte containers die een stof bevatten die wordt vervoerd of ten vervoer wordt overgedragen in vloeibare vorm met een temperatuur van 100 ºC of hoger of in vaste vorm bij een temperatuur van 240 ºC of hoger moeten in het geval van wagens aan beide zijden en in het geval van voertuigen aan beide zijden en aan de achterzijde en in het geval van containers, tankcontainers en transporttanks aan alle vier zijden van het in figuur weergegeven kenmerk zijn voorzien. Figuur Kenmerk voor vervoer in verwarmde toestand Het kenmerk bestaat uit een gelijkzijdige driehoek. De kleur van het kenmerk is rood. De zijden zijn minimaal 250 mm lang. Voor tankcontainers of transporttanks met een inhoud van niet meer dan liter waarvan het beschikbare oppervlak onvoldoende is om de voorgeschreven kenmerken aan te brengen, mogen hun afmetingen worden verkleind tot 100 mm. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken. Kenmerking voor vervoer in een transportketen die vervoer over zee omvat Voor het vervoer in een transportketen die vervoer over zee omvat behoeven containers, transporttanks en MEGC s niet te zijn voorzien van oranje borden volgens de secties indien zijn voorzien zijn van de kenmerking die is voorgeschreven in sectie van de IMDG Code, te weten: a) De juiste vervoersnaam van de inhoud is duurzaam aangebracht op ten minste beide lengtezijden; - van transporttanks en MEGC s - van containers voor los gestort vervoer; - van containers die gevaarlijke goederen bevatten in verpakkingen met slechts één stof, waarvoor de IMDG Code geen groot etiket of het kenmerk van een marine-milieuverontreinigende stof vereist; b) Het UN-nummer van de goederen is vermeld in zwarte cijfers met een minimale hoogte van 65 mm: - of op een witte achtergrond in de onderste helft van het grote etiket dat is aangebracht op de transporteenheid; - of op een oranje rechthoekige plaat van ten minste 120 mm hoog en 300 mm breed, met een 10 mm brede zwarte rand, die direct naast het grote etiket of het kenmerk voor een marinemilieuverontreinigende stof van de IMDG Code is aangebracht, of, indien geen groot etiket of kenmerk voor een marine-milieuverontreinigende stof is voorgeschreven, naast de juiste vervoersnaam.

39 Voorbeeld van kenmerking volgens de IMDG Code voor een transporttank die UN 1088, acetal, klasse 3 vervoert: Indien transporttanks, MEGC s of containers, voorzien van kenmerking volgens , geladen op een voertuig aan boord van een schip worden vervoerd is slechts paragraaf van toepassing op het dragende voertuig In aanvulling op de grote etiketten, oranje borden en andere kenmerken die zijn voorgeschreven of toegestaan volgens het ADN mogen transporteenheden zijn voorzien van aanvullende merken, grote etiketten en andere opschriften die zijn voorgeschreven in de IMDG Code, bijvoorbeeld het kenmerk voor een marine-milieuverontreinigende stof of het merkteken LIMITED QUANTITIES (Gereserveerd) Kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen Indien overeenkomstig de bepalingen van sectie het aanbrengen van een groot etiket is voorgeschreven, moeten containers, MEGC's, tankcontainers, transporttanks, voertuigen en wagens, die milieugevaarlijke stoffen bevatten, die voldoen aan de criteria van , zijn voorzien van de kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen, afgebeeld in De kenmerking voor milieugevaarlijke stoffen voor containers, MEGC s, tankcontainers, transporttanks, wagens en voertuigen is zoals beschreven in en figuur , behalve dat de minimale afmetingen 250 mm bij 250 mm moeten zijn. Voor tankcontainers of transporttanks met een inhoud van niet meer dan liter waarvan het beschikbare oppervlak onvoldoende is om de voorgeschreven kenmerken aan te brengen, mogen hun afmetingen worden verkleind tot 100 mm bij 100 mm. De overige bepalingen van sectie met betrekking tot grote etiketten zijn van overeenkomstige toepassing op de kenmerking.

40 HOOFDSTUK 5.4 DOCUMENTATIE Algemeen Tenzij anders aangegeven moet bij elk vervoer van goederen, geregeld door het ADN, de documentatie aanwezig zijn voorgeschreven in dit hoofdstuk, voor zover van toepassing. Opmerking: Voor de lijst van de aan boord van de schepen mee te voeren documenten, zie Het gebruik van technieken als elektronische gegevensverwerking (EDP, Electronic Data Processing) of elektronische gegevensuitwisseling (EDI, Electronic Data Interchange) als een hulpmiddel bij of in plaats van papieren documenten is toegestaan, onder voorwaarde dat de voor het vastleggen, de opslag en de verwerking van elektronische gegevens gebruikte procedures voldoen aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de waarde aangaande bewijskracht en beschikbaarheid van gegevens tijdens het vervoer op een wijze, die ten minste gelijkwaardig aan die van papieren documenten Indien de informatie over het vervoer van gevaarlijke goederen aan de vervoerder wordt verstrekt door middel van EDP- of EDI-technieken, moet de afzender in staat zijn de informatie aan de vervoerder te verstrekken als een papieren document, met de informatie in de volgorde voorgeschreven in dit hoofdstuk Vervoersdocument voor gevaarlijke goederen en daarmee samenhangende informatie Algemene informatie, voorgeschreven in het vervoersdocument bij het vervoer in colli of los gestort Het (de) vervoersdocument(en) moet(en) de volgende informatie bevatten met betrekking tot alle ten vervoer aangeboden gevaarlijke stoffen of voorwerpen: a) het UN-nummer, voorafgegaan door de letters UN of stofidentificatienummer; b) de juiste vervoersnaam, aangevuld met, voor zover van toepassing (zie ), de technische benaming tussen haakjes ( zie ), zoals vastgesteld volgens 3.1.2; c) - voor stoffen en voorwerpen van klasse 1: de in kolom (3b) van tabel A in hoofdstuk 3.2 aangegeven classificatiecode. Indien in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 andere modelnummers van etiketten dan 1, 1.4, 1.5 en 1.6 zijn aangegeven, dan moeten deze modelnummers van etiketten na de classificatiecode tussen haakjes worden aangegeven; - voor radioactieve stoffen van klasse 7: het nummer van de klasse 7 ; Opmerking: Zie voor radioactieve stoffen met een bijkomend gevaar ook bijzondere bepaling 172 in hoofdstuk voor lithiumbatterijen van de UN-nummers 3090, 3091, 3480 en 3481: het nummer van de klasse 9 ; - voor overige stoffen en voorwerpen: de modelnummers van etiketten, aangegeven in kolom (5) van tabel A in hoofdstuk 3.2 of van toepassing op grond van een bijzondere bepaling waarnaar in kolom (6) wordt verwezen. Indien meer dan één modelnummer van etiketten wordt gegeven, moeten de nummers volgende op het eerste nummer tussen haakjes worden aangegeven. Bij stoffen en voorwerpen, waarvoor in kolom (5) van Tabel A in hoofdstuk 3.2 geen modelnummer van etiketten is aangegeven, moet in plaats daarvan de klasse conform kolom (3a) worden vermeld; d) indien toegewezen, de verpakkingsgroep voor de stof, die mag worden voorafgegaan door de letters VG (bijv. VG II ), of de initialen in overeenstemming met het woord Verpakkingsgroep in de volgens gebruikte talen; Opmerking: Bij radioactieve stoffen van klasse 7 met bijkomend gevaar zie bijzondere bepaling 172(d) van hoofdstuk 3.3. e) het aantal en de beschrijving van de colli, voor zover van toepassing. UN-verpakkingscodes mogen uitsluitend worden gebruikt als aanvulling op de beschrijving van de soort verpakking [bijv. één kist (4G)]; Opmerking: Het is niet vereist dat het aantal, type en de inhoud van elke binnenverpakking binnen de buitenverpakking van een samengestelde verpakking wordt aangegeven.

41 f) de totale hoeveelheid van elke gevaarlijke stof die voorzien is van een verschillend(e) UN-nummer, juiste vervoersnaam of, voor zover van toepassing, verpakkingsgroep (uitgedrukt in volume of bruto massa, of in netto massa, al naar gelang); Opmerking: Voor gevaarlijke stoffen in machines of uitrusting, gespecificeerd in dit reglement, moet de totale hoeveelheid daarin aanwezige gevaarlijke goederen in liters of kilogrammen, al naar gelang, worden aangegeven. g) de naam en het adres van de afzender; h) de naam en het adres van de geadresseerde(n); i) een verklaring zoals onder de voorwaarden van een eventuele bijzondere overeenkomst vereist wordt. De plaats en de volgorde waarin de vereiste informatiebestanddelen in het vervoersdocument voorkomen, wordt vrijgelaten; a), b), c) en d) moeten echter worden aangegeven in de hierboven genoemde volgorde, (d.w.z. a), b), c), d)), zonder tussengevoegde andere informatie, tenzij het ADN anders bepaalt. Voorbeelden van dergelijke toegestane omschrijvingen van gevaarlijke goederen zijn: UN 1098 ALLYLALCOHOL, 6.1 (3), I of UN 1098 ALLYLALCOHOL, 6.1 (3), PG I De op een vervoersdocument vereiste informatie moet leesbaar zijn. Hoewel in hoofdstuk 3.1 en in tabel A in hoofdstuk 3.2 hoofdletters worden gebruikt om de elementen aan te geven die in de juiste vervoersnaam moeten voorkomen en hoewel in dit hoofdstuk hoofdletters en kleine letters worden gebruikt om de in het vervoersdocument vereiste informatie aan te geven, is het gebruik van hoofdletters of van kleine letters voor het vermelden van de informatie in het vervoersdocument naar keuze Algemene informatie, voorgeschreven in het vervoersdocument bij het vervoer in tankschepen Het (de) vervoersdocument(en) moet(en) de volgende informatie bevatten met betrekking tot elke ten vervoer aangeboden gevaarlijke stof: a) het UN-nummer, voorafgegaan door de letters UN of het stofnummer; b) de volgens hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (2) juiste vervoersnaam, indien van toepassing, aangevuld met de technische benaming tussen haakjes; c) de gegevens in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (5). Indien meer dan één getal is aangegeven, moeten de getallen die volgen op het eerste tussen haakjes worden aangegeven. Voor stoffen die niet met name zijn genoemd in Tabel C (stoffen ingedeeld onder een algemene positie of een N.E.G.-positie en waarop het beslissingschema van van toepassing is) moeten alleen de feitelijke gevaarseigenschappen van de stof worden vermeld. d) indien toegewezen, de verpakkingsgroep voor de stof of het voorwerp die mag worden voorafgegaan door de letters VG (bijv. VG II ) of de hoofdletters in overeenstemming met het woord Verpakkingsgroep in de volgens gebruikte talen; e) de massa in tonnen; f) de naam en het adres van de afzender; g) de naam (namen) en het adres (de adressen) van de geadresseerde(n) De plaats en de volgorde waarin de vereiste informatie in het vervoersdocument moet zijn vermeld, is vrij; a), b), c) en d), moeten echter in de hierboven genoemde volgorde, d.w.z. a), b), c) en d) zonder dat er informatie tussen staat, uitgezonderd zoals bepaald in het ADN, worden vermeld. Voorbeelden van dergelijke toegestane omschrijvingen van gevaarlijke goederen zijn: UN 1203 BENZINE, 3 (N2, CMR, F), II ; OF UN 1203 BENZINE, 3 (N2, CMR, F), VG II. De op een vervoersdocument vereiste informatie moet leesbaar zijn. Hoewel in hoofdstuk 3.1 en Tabel C, hoofdstuk 3.2 voor de elementen die deel moeten uitmaken van de juiste vervoersnaam hoofdletters worden gebruikt en hoewel in dit hoofdstuk voor de opgave van de in het vervoersdocument noodzakelijke informatie hoofdletters en kleine letters worden gebruikt, is het gebruik van hoofdletters of kleine letters voor de in het vervoersdocument noodzakelijke informatie naar keuze.

42 Bijzondere bepalingen voor afvalstoffen (Geschrapt) Indien afval dat gevaarlijke goederen (met uitzondering van radioactieve afvalstoffen) bevat, wordt vervoerd, moet de juiste vervoersnaam zijn voorafgegaan door het woord "AFVAL", tenzij deze term deel uitmaakt van de juiste vervoersnaam, bijvoorbeeld: UN 1230 AFVAL METHANOL, 3 (6.1), II,, of UN 1230 AFVAL METHANOL, 3 (6.1), VG II, of UN 1993 AFVAL BRANDBARE VLOEISTOF, N.E.G. (tolueen en ethylalcohol), 3, II,, of UN 1993 AFVAL BRANDBARE VLOEISTOF, N.E.G. (tolueen en ethylalcohol), 3, VG II, Indien de bepaling voor afvalstoffen, omschreven in , wordt toegepast, moet het volgende aan de onder a) tot en met d) en k) vereiste beschrijving van de gevaarlijke goederen worden toegevoegd: "AFVAL VOLGENS " ( bv. "UN 3264, BIJTENDE ZURE ANORGANISCHE VLOEISTOF, N.E.G., 8, II, AFVAL VOLGENS "). De technische benaming, voorgeschreven in hoofdstuk 3.3, bijzondere bepaling 274, hoeft niet te worden toegevoegd Bijzondere bepalingen voor bergingsverpakkingen en bergingsdrukhouders Indien gevaarlijke goederen in een bergingsverpakking of bergingsdrukhouder worden vervoerd, moet na de omschrijving van de goederen in het vervoersdocument het woord "BERGINGSVERPAKKING" of "BERGINGSDRUKHOUDER" zijn toegevoegd Bijzondere bepalingen voor lege, ongereinigde middelen van omsluiting en lege ladingtanks van tankschepen Voor lege, ongereinigde middelen van omsluiting, die resten van gevaarlijke goederen - met uitzondering van klasse 7 - bevatten, moet voor of na de beschrijving van de gevaarlijke goederen aangegeven in a) t/m d), de benaming LEEG, ONGEREINIGD of "RESTEN VAN DE LAATSTE LADING worden vermeld. Bovendien is f) niet van toepassing De bijzondere bepaling van mag worden vervangen door de voorschriften van , of , voor zover van toepassing Voor lege, ongereinigde verpakkingen, die resten van gevaarlijke goederen bevatten - met uitzondering van klasse 7 - met inbegrip van lege, ongereinigde houders voor gassen met een inhoud van niet meer dan 1000 liter, worden de gegevens als bedoeld in a), b), c), d), e) en f) vervangen door "LEGE VERPAKKING", "LEGE HOUDER, LEGE lbc" respectievelijk "LEGE GROTE VERPAKKING", gevolgd door de informatie van de laatste lading als bedoeld in c). Zie het volgende voorbeeld: "LEGE VERPAKKING, 6.1 (3)". Daarnaast mag in een dergelijk geval: a) indien het bij de laatste lading gaat om gevaarlijke goederen van de klasse 2, de in c) voorgeschreven informatie worden vervangen door het nummer van de klasse "2". b) indien het bij de laatste lading gaat om gevaarlijke goederen van de klassen 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 8 or 9, mag de informatie over de laatste lading, zoals beschreven in c) worden vervangen door de woorden BEVAT RESTEN VAN [...] gevolgd door de met de resten corresponderende klasse(n) en bijkomende gevaren, in de volgorde van de klassenummers. Voorbeeld: lege verpakkingen, ongereinigd, waarin goederen van klasse 3 zijn vervoerd tezamen met lege verpakkingen, ongereinigd, waarin goederen van klasse 8 met een bijkomend gevaar van klasse 6.1 zijn vervoerd, kunnen in het vervoersdocument worden aangemerkt als: LEGE VERPAKKINGEN, BEVAT RESTEN VAN 3, 6.1, Voor lege, ongereinigde middelen van omsluiting, met uitzondering van verpakkingen, die resten van gevaarlijke goederen - met uitzondering van klasse 7 - bevatten, en voor lege, ongereinigde houders voor gassen met een inhoud van meer dan 1000 liter, moeten de gegevens als bedoeld in a) t/m d), worden voorafgegaan door LEGE RESERVOIRWAGEN, LEGE TANKWAGEN", LEGE AFNEEMBARE TANK", LEGE TANKCONTAINER", "LEGE TRANSPORTTANK", LEGE BATTERIJWAGEN", LEGE MEGC", LEGE WAGEN", "LEEG VOERTUIG", "LEGE CONTAINER" respectievelijk LEGE HOUDER",

43 gevolgd door de woorden "LAATSTE LADING". Daarnaast is f) niet van toepassing. Zie de volgende voorbeelden: "LEGE TANKCONTAINER, LAATSTE LADING: UN 1098 ALLYLALCOHOL, 6.1 (3), I" of "LEGE TANKCONTAINER, LAATSTE LADING: UN 1098 ALLYLALCOHOL, 6.1 (3), VG I" Indien lege, ongereinigde middelen van omsluiting, die restanten van gevaarlijke goederen bevatten, met uitzondering van klasse 7, aan de afzender worden teruggezonden, dan mogen de voor het vervoer van deze goederen in gevulde toestand opgemaakte vervoersdocumenten ook worden gebruikt. In dergelijke gevallen moet de aanduiding van de hoeveelheid worden verwijderd (door middel van schrappen, doorhalen of op een andere wijze) en worden vervangen door de woorden "LEEG, ONGEREINIGD RETOUR a) Indien lege, ongereinigde tanks,batterijwagens(weg), batterijwagens (spoor) en MEGC's worden vervoerd naar de dichtstbijzijnde plaats waar reiniging of reparatie kan worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van van het ADR of RID, moet in het vervoersdocument de volgende aanvullende verklaring worden opgenomen: "Vervoer volgens " van het ADR (of RID). b) Indien lege, ongereinigde voertuigen, wagens en containers worden vervoerd naar de dichtstbijzijnde plaats waar reiniging of reparatie kan worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van van het ADR of RID, moet in het vervoersdocument de volgende aanvullende verklaring worden opgenomen: "Vervoer volgens " van het ADR (of RID) Bij het vervoer van reservoirwagens, vaste tanks (tankwagens), wagens met afneembare tanks, voertuigen met afneembare tanks, batterijwagens (weg), batterijwagens (spoor), tankcontainers en MEGC's onder de voorwaarden van van het ADR of het RID moet in het vervoersdocument de volgende verklaring worden opgenomen: "Vervoer volgens van het ADR (of het RID)" al naar gelang In het geval van tankschepen met lege of geloste ladingtanks wordt met het oog op de vereiste vervoersdocumenten de schipper als afzender aangemerkt. In dit geval moet in het vervoersdocument voor iedere lege of geloste ladingtank de volgende gegevens worden opgenomen: a) Ladingtanknummer; b) het UN-nummer, voorafgegaan door de letters UN of het stofnummer; c) de juiste vervoersnaam van de laatste vervoerde stof, de klasse en eventueel de verpakkingsgroep volgens de voorschriften in Bijzondere bepalingen voor vervoer in een transportketen die vervoer over zee, over de weg, per spoor of door de lucht omvat Voor vervoer dat in overeenstemming met plaatsvindt, moet in het vervoersdocument een verklaring als volgt zijn opgenomen: "Vervoer volgens " (Gereserveerd) (Geschrapt) Bijzondere bepalingen voor het vervoer van IBC's, tanks, batterijwagens, transporttanks en MEGC s na het verstrijken van de termijn voor de laatste periodieke beproeving of inspectie Bij vervoer overeenkomstig b), b), b), b) of b) van het ADR (of RID) moet een verklaring van die strekking als volgt in het vervoersdocument zijn opgenomen: "Vervoer volgens b), "Vervoer volgens b)" van het ADR (of RID)", "Vervoer volgens b) van het ADR (of RID)", "Vervoer volgens b) van het ADR (of RID)" resp. "Vervoer volgens b) van het ADR (of RID)" al naar gelang (Gereserveerd) Bijzondere bepalingen voor het vervoer van stoffen die bij verhoogde temperatuur vervoerd worden Indien de juiste vervoersnaam van een stof die wordt vervoerd of voor vervoer wordt aangeboden in een vloeibare toestand bij een temperatuur die gelijk is aan of hoger is dan 100 o C, of in een vaste toestand bij een temperatuur die gelijk is aan of hoger is dan 240 o C, niet aangeeft dat het een stof betreft die onder verhoogde temperatuur wordt vervoerd (bijv. door het gebruik van de term GESMOLTEN of

44 VERWARMD als onderdeel van de juiste vervoersnaam), moet het woord HEET onmiddellijk aan de juiste vervoersnaam voorafgaan Bijzondere bepalingen voor het vervoer van stoffen die door middel van temperatuurbeheersing gestabiliseerd zijn Indien het woord GESTABILISEERD deel uitmaakt van de juiste vervoersnaam (zie ook ), moeten, indien de stabilisatie door middel van temperatuurbeheersing verkregen wordt, de controle- en kritieke temperaturen (zie ) als volgt op het vervoersdocument aangegeven worden: Controletemperatuur:... o C Kritieke temperatuur:... o C Volgens bijzondere bepaling 640 in hoofdstuk 3.3 vereiste informatie Daar waar dit door bijzondere bepaling 640 van hoofdstuk 3.3 vereist wordt, moet het vervoersdocument zijn voorzien van de formulering Bijzondere bepaling 640X waarbij X de hoofdletter is die in kolom (6) van tabel A van hoofdstuk 3.2 achter de relevante verwijzing naar bijzondere bepaling 640 staat Bijzondere bepalingen voor het vervoer van vaste stoffen in bulkcontainers conform van het ADR. Indien vaste stoffen in bulkcontainers conform vervoerd worden, moet in het vervoersdocument worden aangegeven (zie Opmerking aan het begin van van het ADR): Bulkcontainer BK (x) 1 door de bevoegde autoriteit van. toegelaten Bijzondere bepalingen voor het vervoer van milieugevaarlijke stoffen (aquatisch milieu) Indien een stof die tot een van de klassen 1 t/m 9 behoort, voldoet aan de criteria voor de classificatie van , dan moet in het vervoersdocument de volgende aanvullende vermelding zijn opgenomen: MILIEUGEVAARLIJK of MARINE POLLUTANT/MILIEUGEVAARLIJK. Dit aanvullende voorschrift is niet van toepassing op UN-nummers 3077 en 3082 of op de uitzonderingen genoemd in Voor vervoer in een transportketen die ook zeevervoer omvat is de vermelding MARINE POLLUTANT (overeenkomstig van de IMDG Code) acceptabel Bijzondere bepalingen voor het vervoer van afgedankte verpakkingen leeg, ongereinigd (UN-nr. 3509) De in b) vermelde juiste vervoersnaam voor afgedankte verpakkingen, leeg, ongereinigd wordt aangevuld met de woorden "(BEVAT RESTEN VAN [...])" gevolgd door de met de resten corresponderende klasse(n) en bijkomende gevaren, in de volgorde van de klassenummers. Bovendien is f) niet van toepassing. Voorbeeld: Afgedankte verpakkingen, leeg, ongereinigd waarin goederen van klasse 4.1 zijn vervoerd en die samen zijn verpakt in een collo met afgedankte verpakkingen, leeg, ongereinigd waarin goederen van klasse 3 met een bijkomend gevaar van klasse 6.1 zijn vervoerd moeten in het vervoersdocument worden aangemerkt als: "UN 3509 AFGEDANKTE VERPAKKINGEN, LEEG, ONGEREINIGD (BEVAT RESTEN VAN 3, 4.1, 6.1), 9" Bijzondere bepalingen voor het vervoer van stoffen die overeenkomstig zijn ingedeeld Voor vervoer overeenkomstig moet de volgende verklaring aan het vervoersdocument worden toegevoegd: Ingedeeld overeenkomstig Bijzondere bepalingen voor het vervoer van UN-nrs. 3528, 3529 en 3530 Voor vervoer van UN-nrs. 3528, 3529 en 3530 moet het vervoersdocument, indien vereist volgens bijzondere bepaling 363 van hoofdstuk 3.3, de volgende aanvullende verklaring bevatten Vervoer overeenkomstig bijzondere bepaling Bijzondere bepalingen voor het vervoer in bilgeboten en bunkerboten en zijn niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten Aanvullende of bijzondere informatie, vereist voor bepaalde klassen 1 (x) naar gelang van toepassing te vervangen door "1" of "2".

45 Bijzondere bepalingen voor klasse 1 a) Het vervoersdocument moet in aanvulling op de voorschriften in f) vermelden: - de totale netto massa explosieve inhoud 1 in kg, voor elk(e) stof of voorwerp voorzien van een verschillend UN-nummer; - de totale netto massa explosieve inhoud 1 voor alle stoffen en voorwerpen die door het vervoersdocument worden omvat; b) Voor gezamenlijke verpakking van twee verschillende goederen moet de omschrijving van de goederen in het vervoersdocument de UN-nummers omvatten, alsmede van beide stoffen of voorwerpen de in hoofdletters gedrukte benamingen uit de kolommen (1) en (2) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Indien zich meer dan twee verschillende goederen in hetzelfde collo bevinden volgens de voorschriften voor gezamenlijke verpakking, vermeld in van het ADR, bijzondere bepalingen MP1, MP2 en MP20 t/m 24, moet het vervoersdocument onder de omschrijving van de goederen de UN-nummers van alle stoffen en voorwerpen die zich in het collo bevinden aangeven met de omschrijving "Goederen van UN-nummers..."; c) Voor het vervoer van stoffen en voorwerpen, die zijn toegewezen aan een n.e.g.-positie of de positie 0190 ONTPLOFBARE STOF, MONSTER" of die zijn verpakt in overeenstemming met verpakkingsinstructie P101 van van het ADR, moet bij het vervoersdocument een kopie zijn gevoegd van de toestemming van de bevoegde autoriteit met de vervoersvoorwaarden. Deze moet in een officiële taal van het land van afzending zijn gesteld en ook, indien die taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten, die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen. d) Indien colli die stoffen en voorwerpen van de compatibiliteitsgroepen B en D bevatten, volgens de voorschriften van in één voertuig of wagen worden samengeladen, moet een kopie van de goedkeuring door de bevoegde autoriteit van het beschermende compartiment of omhullingsysteem overeenkomstig , voetnoot a onder de tabel van ADR of RID, bij het vervoersdocument zijn gevoegd. Deze moet in een officiële taal van het land van verzending zijn gesteld. Deze moet in een officiële taal van het land van verzending zijn gesteld en ook, indien die taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten, die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; e) Indien ontplofbare stoffen of voorwerpen in verpakkingen volgens verpakkingsinstructie P101 van het ADR worden vervoerd, moet in het vervoersdocument de verklaring "Verpakking toegelaten door de bevoegde autoriteit van.." zijn opgenomen (zie , verpakkingsinstructie P101). f) (Gereserveerd) g) Indien vuurwerk van de UN-nummers 0333, 0334, 0335, 0336 en 0337 wordt vervoerd, moet in het vervoersdocument de volgende vermelding zijn opgenomen: Classificatie van vuurwerk door de bevoegde autoriteit van XX met de referentie voor vuurwerk XX/YYZZZZ. Het certificaat voor de goedkeuring van de classificatie hoeft niet te worden meegezonden met de verzending, maar moet door de afzender voor controledoeleinden aan de vervoerder of de bevoegde autoriteiten beschikbaar gesteld worden. Het certificaat voor de goedkeuring van de classificatie of een kopie daarvan moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van afzending en indien die taal niet het Duits, Engels of Frans is, in het Duits, Engels of Frans.. Opmerking 1: Naast de juiste vervoersnaam mag in het vervoersdocument de handels- of technische benaming van de goederen worden vermeld. Opmerking 2: De referentie(s) voor de classificatie moet(en) bestaan uit: de Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR waar de classificatiecode overeenkomstig bijzondere bepaling 645 van is goedgekeurd, aangegeven door het onderscheidingsteken voor motorvoertuigen in het internationaal verkeer (XX) 2, de identificatie van de bevoegde autoriteit (YY) en een unieke referentie naar een serie (ZZZZ). Voorbeelden van dergelijke referenties voor classificaties zijn: - GB/HSE D/BAM Aanvullende bepalingen voor klasse 2 2 Voor voorwerpen wordt onder explosieve inhoud verstaan de ontplofbare stof die zich in het voorwerp bevindt. 2 Onderscheidingsteken van de staat van inschrijving gebruikt op motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale wegverkeer, bv. overeenkomstig het Verdrag van Genève inzake het wegverkeer (1949) of het Verdrag van Wenen inzake het Wegverkeer (1968).

46 a) Voor het vervoer van mengsels (zie ) in tanks (afneembare tanks, vaste tanks, reservoirwagens, transporttanks, tankcontainers of elementen van batterijwagens of van MEGC's) moet de samenstelling van het mengsel als een volume- of massapercentage zijn opgegeven. Bestanddelen met een concentratie lager dan 1% behoeven niet te worden aangegeven (zie ook ). De samenstelling van het mengsel hoeft niet te worden aangegeven indien ter aanvulling van de juiste vervoersnaam de op grond van bijzondere bepaling 581, 582 of 583 toegestane technische benamingen worden gebruikt. b) Voor het vervoeren van flessen, grote cilinders, drukvaten, cryo-houders en flessenbatterijen onder de voorwaarden van van het ADR, moet de volgende verklaring in het vervoersdocument zijn opgenomen: "Vervoer volgens van het ADR". c) (Gereserveerd) d) In geval van tankcontainers waarin sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen worden vervoerd, moet de afzender de datum (of tijd) waarop de werkelijke verblijftijd wordt overschreden, in het vervoersdocument opnemen. Einde van verblijftijd:... (DD/MM/JJJJ) Aanvullende bepalingen voor zelfontledende stoffen en polymeriserende stoffen van klasse 4.1 en organische peroxiden van klasse Voor zelfontledende stoffen van klasse 4.1 en voor organische peroxiden van klasse 5.2 waarvoor tijdens het vervoer temperatuurbeheersing nodig is (voor zelfontledende stoffen of polymeriserende stoffen, zie ; voor polymeriserende stoffen, zie ; voor organische peroxiden, zie t/m ), moeten de controle- en kritieke temperaturen als volgt in het vervoersdocument zijn aangegeven: "Controletemperatuur:... C Kritieke temperatuur:... C" Indien de bevoegde autoriteit voor bepaalde zelfontledende stoffen van klasse 4.1 en bepaalde organische peroxiden van klasse 5.2 heeft toegestaan dat het etiket volgens model nr.1 voor een bijzondere verpakking achterwege kan blijven (zie ), moet een verklaring van die strekking als volgt in het vervoersdocument zijn opgenomen: "Het etiket volgens model nr. 1 is niet vereist" Indien organische peroxiden en zelfontledende stoffen worden vervoerd onder omstandigheden waarvoor goedkeuring wordt vereist (zie voor organische peroxiden , en bijzondere bepaling TA2 van van het ADR; zie voor zelfontledende stoffen en van het ADR), moet een verklaring van die strekking in het vervoersdocument zijn opgenomen, b.v. "Vervoer volgens ". Een kopie van de goedkeuring door de bevoegde autoriteit met de vervoersvoorwaarden moet aan het vervoersdocument zijn toegevoegd. Deze moet in een officiële taal van het land van verzending zijn gesteld en ook, indien die taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten, die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen Indien een monster van een organisch peroxide (zie ) of een zelfontledende stof (zie ) wordt vervoerd, moet een verklaring van die strekking in het vervoersdocument zijn opgenomen, bijv. "Vervoer volgens " Indien zelfontledende stoffen van type G (zie het Handboek beproevingen en criteria, Deel II, paragraaf g)) worden vervoerd, mag de volgende verklaring in het vervoersdocument worden vermeld: "Geen zelfontledende stof van klasse 4.1". Indien organische peroxiden van type G (zie het Handboek beproevingen en criteria, Deel II, paragraaf g)) worden vervoerd, mag de volgende verklaring in het vervoersdocument worden vermeld: "Geen stof van klasse 5.2" Aanvullende bepalingen voor klasse 6.2 In aanvulling op de informatie betreffende de geadresseerde (zie h), moet de naam en het telefoonnummer van een verantwoordelijke persoon worden aangegeven Aanvullende bepalingen voor klasse Bij elke zending met stoffen van klasse 7 moet in het vervoersdocument, indien van toepassing, de volgende informatie in de onderstaande volgorde direct na de informatie conform a) tot en met c) en k) worden vermeld: a) de naam of het symbool van elk radionuclide of, voor mengsels van radionucliden, een geschikte algemene omschrijving of een lijst van de meest beperkende nucliden;

47 b) een beschrijving van de fysische en chemische toestand van de stof, of de aanduiding dat het een radioactieve stof in speciale toestand of een gering verspreidbare radioactieve stof betreft. Een chemische verzamelaanduiding is aanvaardbaar voor de chemisch hoedanigheid. Voor radioactieve stoffen met bijkomend gevaar, zie bijzondere bepaling 172, subparagraaf (c), van hoofdstuk 3.3; c) de hoogste activiteit van de radioactieve inhoud tijdens het vervoer, uitgedrukt in becquerel (Bq) met een bijbehorend SI-symbool voor het voorvoegsel (zie ). Bij splijtbare stoffen mag in plaats van de activiteit de massa van de splijtbare stoffen (of bij mengsels, indien van toepassing, van elk splijtbaar nuclide) in gram (g), of veelvouden daarvan, worden gebruikt in plaats van de activiteit. d) de categorie van het collo, d.w.z. I-WIT, II-GEEL of III-GEEL; e) de transportindex (alleen bij de categorieën II-GEEL en III-GEEL); f) voor splijtbare stoffen: i) Verzonden onder een van de vrijstellingen van a) tot en met f), verwijzing naar die paragraaf; ii) iii) iv) Verzonden onder c) tot en met e), de totale massa van splijtbare nucliden; Onderdeel van een collo waarvoor een van de paragrafen van a) tot en met c) of van het ADR wordt toegepast, verwijzing naar die paragraaf; De criticaliteits-veiligheidsindex, voor zover van toepassing; g) het identificatiekenmerk voor elk Certificaat van Goedkeuring van een bevoegde autoriteit (radioactieve stoffen in speciale toestand, gering verspreidbare radioactieve stoffen, splijtbare stoffen vrijgesteld onder f), speciale regeling, model van collo of verzending) van toepassing zijnde op de zending; h) voor zendingen met meer dan één collo moet de in en in a) tot en met g) hierboven voorgeschreven informatie voor ieder collo worden aangegeven. Voor colli in een oververpakking, in een container of een voertuig moet een gedetailleerde opgave van de inhoud van elk collo binnen de oververpakking, de container of het voertuig worden bijgevoegd. Indien op een plaats van tussentijdse lossing colli worden gehaald uit de oververpakking, de container of het voertuig, dan moeten de daarvoor vereiste vervoersdocumenten beschikbaar worden gesteld; i) Wanneer een zending moet worden verzonden onder exclusief gebruik, de opmerking VERZENDING ONDER EXCLUSIEF GEBRUIK ; en j) Voor LSA-II en LSA-III stoffen, SCO-I en SCO-II de totale activiteit van de zending als een veelvoud van A 2. Bij radioactieve stoffen waarvoor de waarde van A 2 onbegrensd is, moet het veelvoud van A 2 gelijk aan nul zijn De afzender moet in de vervoersdocumenten een verklaring opnemen met betrekking tot de eventuele activiteiten die de vervoerder geacht wordt te ondernemen. De verklaring moet gesteld zijn in de talen die noodzakelijk worden geacht door de vervoerder of de betrokken autoriteiten, en moet ten minste de volgende informatie bevatten: a) Aanvullende maatregelen voor het laden, het vastzetten, het vervoer, de behandeling en het lossen van het collo, de oververpakking of de container met inbegrip van eventuele bijzondere stuwagevoorschriften voor de veilige warmteafvoer [zie ], of een verklaring dat dergelijke maatregelen niet noodzakelijk zijn; b) Beperkingen ten aanzien van de transportmodaliteit of voertuig of wagen en eventueel noodzakelijke aanwijzingen voor de te volgen route; c) Noodprocedures die van toepassing zijn op de zending In alle gevallen van internationaal vervoer van colli, waarvoor goedkeuring door de bevoegde autoriteit van het ontwerp of de zending is vereist, waarvoor verschillende typen goedkeuring van toepassing zijn in de verschillende landen die bij de zending betrokken zijn, moet het UN-nummer en de juiste vervoersnaam voorgeschreven in in overeenstemming zijn met het certificaat van het land van oorsprong van het ontwerp De van toepassing zijnde certificaten van bevoegde autoriteiten behoeven niet noodzakelijkerwijs de zending te vergezellen. De afzender moet ze voorafgaand aan het laden en lossen ter beschikking stellen van de vervoerder(s) (Gereserveerd) Vereiste opmaak en taal

48 Het document met de in en beschreven informatie mag een document zijn dat reeds vereist is op grond van andere, van kracht zijnde voorschriften voor vervoer middels een andere vervoerswijze. In geval van diverse geadresseerden mogen de naam en het adres van de geadresseerden en de afgeleverde hoeveelheden, die het mogelijk maken dat de aard en de vervoerde hoeveelheden te allen tijde kunnen worden vastgesteld, worden vermeld in andere te gebruiken documenten of in alle andere documenten die overeenkomstig andere specifieke regelingen verplicht zijn en die aan boord van het voertuig moeten zijn. De in het document te vermelden aanduiding moeten in een officiële taal van het land van afzending zijn gesteld, en bovendien, indien die taal niet het Engels, Frans, of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen Indien wegens de omvang van de lading een zending niet in zijn geheel op een enkele transporteenheid kan worden geladen, moeten tenminste evenveel afzonderlijke documenten, of afschriften van het enkele document zijn opgemaakt als er transporteenheden zijn beladen. Verder moeten in alle gevallen afzonderlijke vervoersdocumenten zijn opgemaakt voor zendingen of delen van zendingen, die wegens de in van het ADR uitgevaardigde verbodsbepalingen niet in hetzelfde voertuig mogen worden samengeladen. De informatie met betrekking tot de aan de te vervoeren goederen verbonden gevaren (zoals aangegeven in ) mag worden opgenomen in, of worden gecombineerd met een bestaand vervoersdocument of vrachtafhandelingsdocument. De opmaak van de informatie in het document [of de volgorde van overdracht van de overeenkomstige gegevens door middel van technieken als elektronische gegevensverwerking (EDP) of elektronische gegevensuitwisseling (EDI)] moet eruitzien zoals bepaald in Wanneer een bestaand vervoersdocument of vrachtafhandelingsdocument niet als multimodaal vervoersdocument voor gevaarlijke goederen kan worden gebruikt, wordt het gebruik van documenten die overeenkomen met het in aangegeven voorbeeld raadzaam geacht Niet-gevaarlijke goederen Indien goederen die in tabel A van hoofdstuk 3.2 met name worden genoemd, niet aan het ADN onderworpen zijn, omdat zij volgens deel 2 als niet-gevaarlijk worden beschouwd, mag de afzender in het vervoersdocument een verklaring van die strekking opnemen, bijv. "Geen goederen van klasse... " Opmerking: Deze bepaling mag in het bijzonder worden gebruikt wanneer de afzender van mening is dat vanwege de chemische aard van de vervoerde goederen (bijv. oplossingen en mengsels) of vanwege het feit dat dergelijke goederen volgens andere voorschriften gevaarlijk geacht worden, de verzending tijdens de reis aan controle onderworpen zou kunnen worden Container-/voertuigbeladingscertificaat Indien het vervoer van gevaarlijke goederen in een container voorafgaat aan een zeereis, moet een container-/voertuigbeladingscertificaat overeenkomstig sectie van de IMDG Code 4 bij het vervoersdocument zijn gevoegd Indien hiervan gebruik gemaakt wordt kunnen de desbetreffende aanbevelingen van het Centrum van de Verenigde Naties UNECE voor de Vergemakkelijking van Handel en Electronische Transacties (UN/CEFACT) worden geraadpleegd, in het bijzonder Aanbeveling nr.1 (Modellen voor Handelsdocumenten van de Verenigde Naties) (ECE/TRADE/137, uitgave 81.3), Modellen voor Handelsdocumenten van de Verenigde Naties -Richtlijnen voor Toepassingen (ECE/TRADE/270, uitgave 2002), Aanbeveling nr. 11 (Documentatieaspecten van het Internationale Vervoer van Gevaarlijke Goederen (ECE/TRADE/204, uitgave thans in revisie) en Aanbeveling nr. 22 (Modellen voor genormaliseerde Verzendingsinstructies) (ECE/TRADE/168, uitgave 1989). Zie ook de Samenvatting van Aanbevelingen van de UN/CEFACT voor de Vergemakkelijking van de Handel (ECE/TRADE/346, uitgave 2006) en de Gids van de Verenigde Naties van Elementen van Handelsgegevens (UNTDED) (ECE/TRADE/362, uitgave 2005). Richtlijnen voor gebruik in de praktijk en bij de opleiding voor het laden van goederen in transporteenheden zijn ook opgesteld door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en de Economische commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) en zijn gepubliceerd door IMO ["IMO/ILO/UN-ECE Praktijkcode voor het stuwen van laadeenheden (Code of Practice for Packing of Cargo Transport Units (CTU code)"]. Sectie van de IMDG Code (wijziging 38-16) schrijft het volgende voor: Container-/voertuigbeladingscertificaat Indien het vervoer van gevaarlijke goederen in een voertuig voorafgaat aan een zeereis, kan een container- /voertuigbeladingscertificaat overeenkomstig sectie van de IMDG Code 5, 6 bij het vervoerdocument zijn gevoegd Indien gevaarlijke goederen in een container of voertuig worden verpakt of geladen, moeten de voor het beladen van de container of het voertuig verantwoordelijke personen een container-/ voertuigbeladingscertificaat verschaffen, waarin

49 De functies van het onder vereiste vervoersdocument en van het container- /voertuigbeladingscertificaat zoals hierboven genoemd, mogen in een enkel document worden opgenomen; zo dat niet het geval is, moeten deze documenten aan elkaar zijn gehecht. Indien deze functies in een enkel document zijn opgenomen, kan worden volstaan met een verklaring in het vervoersdocument dat de belading van de container of het voertuig is uitgevoerd overeenkomstig de van toepassing zijnde reglementen van de vervoerwijzen tezamen met de identificatie van de voor het container-/voertuigbeladingscertificaat verantwoordelijke persoon. Opmerking: Het container-/voertuigbeladingscertificaat is niet vereist voor transporttanks, tankcontainers en MEGC s. het (de) container-/ voertuig-/ eenheidsidentificatie-nummer(s) vermeld staan en officieel verklaren dat de operatie uitgevoerd is in overeenstemming met de volgende voorwaarden: 1. De container/het voertuig was schoon, droog en leeg en ogenschijnlijk geschikt voor ontvangst van de goederen; 2. Colli, die gescheiden moeten worden overeenkomstig van toepassing zijnde eisen tot gescheiden houden, zijn niet gezamenlijk op of in de container/het voertuig verpakt [tenzij overeenkomstig (van de IMDG Code) goedgekeurd door de betrokken bevoegde autoriteit]; 3. Alle colli zijn uitwendig geïnspecteerd op schade en alleen gave colli zijn geladen; 4. Vaten zijn rechtstandig gestuwd, tenzij door de bevoegde autoriteit anders toegestaan, en alle goederen zijn op deugdelijke wijze geladen en, zo nodig, voldoende vastgezet met vastzettingsmateriaal passend bij de wijze(n) van vervoer voor het voorgenomen traject; 5. Losgestorte goederen zijn gelijkmatig over de container / het voertuig verdeeld; 6. Voor zendingen waaronder begrepen goederen van klasse 1, met uitzondering van subklasse 1.4, is de container/het voertuig constructief geschikt overeenkomstig (van de IMDG Code); 7. De container/het voertuig en de colli zijn in voorkomend geval op deugdelijke wijze gemerkt en geëtiketteerd; 8. Wanneer stoffen die een verstikkingsgevaar met zich meebrengen worden gebruikt voor koelings- of conditioneringsdoeleinden (zoals droogijs (UN 1845) of stikstof, sterk gekoeld, vloeibaar (UN 1977) of argon, sterk gekoeld, vloeibaar (UN 1951)), wordt de container / het voertuig uitwendig gemerkt in overeenstemming met (van de IMDG Code); en 9. Voor elke zending gevaarlijke goederen die in de container/het voertuig geladen is, is een vervoerdocument voor gevaarlijke goederen, zoals aangegeven in (van de IMDG Code), ontvangen. Opmerking: Het container-/voertuigbeladingscertificaat is voor transporttanks niet vereist De in het vervoerdocument gevaarlijke goederen en het container-/voertuigbeladingscertificaat vereiste informatie mag in een enkel document worden opgenomen; zo niet, dan moeten deze documenten aan elkaar zijn gehecht. Indien de informatie in een enkel document opgenomen wordt, moet het document een ondertekende verklaring omvatten, zoals It is declared that the packing of the goods into the container/vehicle has been carried out in accordance with the applicable provisions (Hierbij wordt verklaard dat het laden van de goederen in de container/ het voertuig uitgevoerd is in overeenstemming met de van toepassing zijnde voorschriften). Deze verklaring moet worden gedateerd en de persoon die deze verklaring ondertekent, moet op het document herkenbaar worden gemaakt Indien het container-/voertuigbeladingscertificaat aan de vervoerder wordt aangeboden door middel van elektronische gegevensverwerking (EDP) of elektronische gegevensuitwisseling (EDI) als overdrachtstechniek, mag/mogen de handtekening(en) elektronische handtekening(en) zijn of worden vervangen door de naam/namen (in hoofdletters) van de persoon die gerechtigd is te tekenen Indien het container-/voertuigbeladingscertificaat aan de vervoerder wordt aangeboden door middel van elektronische gegevensverwerking (EDP) of elektronische gegevensuitwisseling (EDI) en indien vervolgens de gevaarlijke goederen worden overgedragen aan een vervoerder die een container-/voertuigbeladingscertificaat eist, moet de vervoerder garanderen dat het papieren document het volgende aangeeft het origineel is elektronisch ontvangen en dat de naam van de ondertekenaar in hoofdletters is aangegeven.

50 5.4.3 Schriftelijke instructies Als hulpmiddel tijdens een noodsituatie na een ongeval, die kan voorkomen of optreden tijdens het vervoer, moeten schriftelijke instructies in de in gespecificeerde vorm worden meegevoerd in het stuurhuis en zij moeten snel beschikbaar zijn Deze instructies moeten door de vervoerder aan de schipper worden verstrekt vóór het laden en gesteld zijn in een taal/talen die de schipper en de deskundige kan lezen en begrijpen. De schipper moet waarborgen dat elk lid van de betrokken bemanning van het voertuig de instructies begrijpt en in staat is deze naar behoren toe te passen Vóór het laden moeten de leden van de bemanning zich op de hoogte stellen van de gevaarlijke goederen die worden geladen en de schriftelijke instructies raadplegen wat betreft bijzonderheden van de te treffen maatregelen in het geval van een ongeval of een noodgeval De schriftelijke instructies moeten wat betreft vorm en inhoud overeenkomen met het volgende model van vier bladzijden.

51 SCHRIFTELIJKE INSTRUCTIES VOLGENS HET ADN Maatregelen in het geval van een ongeval of noodgeval In het geval van een ongeval of noodgeval dat tijdens het vervoer kan voorkomen of optreden, moeten de leden van de bemanning de volgende maatregelen treffen, indien dit veilig en praktisch uitvoerbaar is: - Informeer alle andere personen aan boord over de noodtoestand en houdt ze zoveel mogelijk op afstand van de gevarenzone. Waarschuw alle andere schepen in de omgeving. - Vermijd ontstekingsbronnen en in het bijzonder, rook niet, gebruik geen elektronische sigaretten of soortgelijke apparaten of schakel geen elektrische apparatuur in die niet is gecertificeerd als veilig type en niet is ontworpen voor gebruik bij ongevallenbestrijding. - Informeer de bevoegde instanties, geef daarbij zoveel mogelijk informatie over het voorval of ongeval en de stoffen die daarbij betrokken zijn. - Houd de vervoersdocumenten en het laadplan beschikbaar voor de hulpverleners bij hun aankomst. - Loop niet in vrijgekomen stoffen of raak ze niet aan en vermijd inademing van gassen, rook, stof en dampen door boven de wind te blijven. - Bestrijd, voor zover mogelijk en veilig uitvoerbaar kleine/ beginnende branden. - Gebruik voor zover mogelijk en veilig uitvoerbaar de uitrusting aan boord om het vrijkomen in het aquatisch milieu te voorkomen en vrijgekomen stoffen in te sluiten/op te vangen. - Leg het schip, indien nodig en veilig uitvoerbaar, vast om afdrijven te voorkomen. - Ga indien nodig weg uit de omgeving van het ongeval of het noodgeval, en adviseer andere personen weg te gaan en volg het advies op van de bevoegde instantie. - Verwijder alle verontreinigde kleding en gebruikte verontreinigde beschermende uitrusting, voer deze op veilige wijze af en was het lichaam met geschikte middelen. - Neem de aanvullende aanwijzingen in acht die in de hierna volgende tabel zijn toegekend aan de gevaren van alle betrokken goederen. Voor vervoer in colli of los gestort komen de gevaren overeen met het nummer van het model gevaarsetiket; voor vervoer in tankschepen met de gegevens overeenkomstig c.

52 Aanvullende aanwijzingen voor leden van de bemanning betreffende de gevaarseigenschappen van gevaarlijke goederen per klasse en betreffende te nemen maatregelen afhankelijk van de heersende omstandigheden (Grote) gevaarsetiketten Gevaarseigenschappen Aanvullende aanwijzingen (1) (2) (3) Ontplofbare stoffen en voorwerpen Ontplofbare stoffen en voorwerpen Kunnen uiteenlopende eigenschappen en effecten bezitten, zoals massa-detonatie, scherfwerking, intense brand/ warmtestroomdichtheid, vorming van verblindend licht, hard lawaai of rook. Gevoelig voor schokken en/of stoot en/of warmte. Zoek dekking maar blijf op afstand van ramen. Manoeuvreer het schip zo ver als mogelijk van bewoonde gebieden en infrastructurele werken vandaan. Gering ontploffings- en brandgevaar. Zoek dekking. 1.4 Brandbare gassen 2.1 Niet brandbare, niet giftige gassen 2.2 Giftige gassen 2.3 Brandbare vloeistoffen Brandgevaar Ontploffingsgevaar Kan onder druk staan Verstikkingsgevaar Kan verbranding en/of bevriezing veroorzaken Houders/tanks kunnen bij verhitting ontploffen. Verstikkingsgevaar Kan onder druk staan. Kan bevriezing veroorzaken. Houders/tanks kunnen bij verhitting ontploffen. Vergiftigingsgevaar Kan onder druk staan. Kan verbranding en/of bevriezing veroorzaken. Houders/tanks kunnen bij verhitting ontploffen. Brandgevaar Ontploffingsgevaar Houders/tanks kunnen bij verhitting ontploffen. Zoek dekking. Blijf weg uit laaggelegen gebieden. Zoek dekking. Blijf weg uit laaggelegen gebieden. Gebruik vluchtmasker voor noodgevallen. Zoek dekking. Blijf weg uit laaggelegen gebieden. Zoek dekking. Blijf weg uit laaggelegen gebieden. 3 3 Brandbare vaste stoffen, zelfontledende stoffen, polymeriserende stoffen, vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand Voor zelfontbranding vatbare stoffen Brandgevaar. Ontvlambaar of brandbaar, kunnen worden ontstoken door hitte, vonken of vlammen. Kan zelfontledende stoffen bevatten die exotherm kunnen ontleden in geval van toevoer van warmte contact met andere stoffen (zoals zuren, verbindingen van zware metalen of aminen), wrijving of stoot. Dit kan leiden tot de ontwikkeling van schadelijke en brandbare gassen of dampen of spontane ontbranding. Houders/tanks kunnen bij verhitting ontploffen. Gevaar voor explosie van ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand nadat desensibilisering verloren is gegaan. Gevaar van spontane ontbranding indien colli zijn beschadigd of de inhoud is vrijgekomen. Kan heftig met water reageren Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen Brand- en ontploffingsgevaar in contact met water. Vrijgekomen stoffen moeten droog worden gehouden door de vrijgekomen stof te bedekken.

53 Aanvullende aanwijzingen voor leden van de bemanning betreffende de gevaarseigenschappen van gevaarlijke goederen per klasse en betreffende te nemen maatregelen afhankelijk van de heersende omstandigheden (Grote) gevaarsetiketten Gevaarseigenschappen Aanvullende aanwijzingen (1) (2) (3) Oxiderende stoffen Organische peroxiden Giftige stoffen Gevaar van heftige reactie, ontsteking en ontploffing in contact met brandbare of ontvlambare stoffen. Gevaar van exotherme ontleding bij hoge temperaturen, in contact met andere stoffen (zoals zuren, verbindingen van zware metalen of aminen), wrijving of stoot. Dit kan leiden tot ontwikkeling van schadelijke en brandbare gassen of dampen of spontane ontbranding. Vermijd vermenging met ontvlambare of brandbare stoffen (bijv. zaagsel). Vermijd vermenging met ontvlambare of brandbare stoffen (bijv. zaagsel). Gevaar van vergiftiging door inademing, contact met huid of inslikken. Gebruik vluchtmasker. 6.1 Infectueuze (besmettelijke) stoffen 6.2 Radioactieve stoffen Besmettingsgevaar. Kan ernstige ziekte veroorzaken bij mensen of dieren. Gevaar voor het aquatisch milieu. 7A 7B Gevaar van opname en externe straling. Tijdsduur van blootstelling beperken. RADIOACTIVE 7 7C 7D Splijtbare stoffen Gevaar van een nucleaire kettingreactie. 7E Bijtende stoffen 8 Diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen Gevaar van verbranding door bijtende werking. Kunnen onderling, met water en met andere stoffen heftig reageren Vrijgekomen stof kan bijtende dampen ontwikkelen. Gevaar voor het aquatisch milieu. Gevaar van verbranding Brandgevaar Ontploffingsgevaar Gevaar voor het aquatisch milieu. 9 9A Opmerking 1: Voor gevaarlijke goederen met diverse gevaren en voor gemengde ladingen, moet elke rubriek die van toepassing is, in acht worden genomen. Opmerking 2: De aanvullende aanwijzingen in kolom (3) van de tabel mogen worden aangepast om rekening te houden met de klassen van de te vervoeren gevaarlijke goederen en hun vervoermiddelen. Opmerking 3: Zie voor de risico s ook de gegevens in het vervoersdocument en in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (5).

54 Aanvullende aanwijzingen voor leden van de bemanning betreffende de gevaarseigenschappen van gevaarlijke goederen, aangegeven door symbolen of kenmerken en betreffende te nemen maatregelen afhankelijk van de heersende omstandigheden Kenmerk Gevaarseigenschappen Aanvullende aanwijzingen (1) (2) (3) Gevaar voor het aquatisch milieu. Milieugevaarlijke stoffen Gevaar van verbranding door hitte. Vermijd contact met hete delen van de transporteenheid en met vrijgekomen stoffen. Verwarmde stoffen Uitrusting voor persoonlijke en algemene bescherming voor het uitvoeren van algemene maatregelen of gevaarspecifieke noodmaatregelen, die aan boord van het schip meegevoerd moeten worden, in overeenstemming met sectie van het ADN De in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (9) en Tabel C, kolom (18) vereiste uitrusting moet aan boord van het schip worden meegevoerd voor alle gevaren vermeld in het vervoersdocument.

55 De Overeenkomstsluitende Partijen leveren het secretariaat van de UNECE de officiële vertaling van de schriftelijke instructies in hun nationale taal of talen overeenkomstig deze sectie. Het secretariaat van de UNECE stelt de nationale versies van de schriftelijke instructies die het heeft ontvangen, beschikbaar aan alle Overeenkomstsluitende Partijen Bewaring van informatie over het vervoer van gevaarlijke goederen De afzender en de vervoerder moeten gedurende een periode van ten minste drie maanden een kopie bewaren van het vervoersdocument voor gevaarlijke goederen en de bijkomende informatie en documentatie, zoals aangegeven in het ADN Indien de documenten elektronisch of in een computersysteem worden opgeslagen, moeten de afzender en de vervoerder in staat zijn deze in gedrukte vorm te reproduceren Voorbeeld van een formulier voor multimodaal vervoer van gevaarlijke goederen Voorbeeld van een formulier dat kan worden gebruikt als een gecombineerd document voor de verklaring inzake gevaarlijke goederen en het container-beladingscertificaat voor multimodaal vervoer van gevaarlijke goederen.

56 BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS MULTIMODAL DANGEROUS GOODS FORM 1. Shipper / Consignor /Sender 2. Transport document number * FOR DANGEROUS GOODS: you must specify: UN No., proper shipping name, hazard class, packing group (where assigned) and any other element of information required Shipper's reference Page 1 of Pages 5. Freight Forwarder's reference 6. Consignee 7. Carrier (to be completed by the carrier) SHIPPER'S DECLARATION I hereby declare that the contents of this consignment are fully and accurately described below by the proper shipping name, and are classified, packaged, marked and labeled /placarded and are in all respects in proper condition for transport according to the applicable international and national governmental regulations. 8. This shipment is within the limitations prescribed for: (Delete 9. Additional handling information non-applicable) PASSENGER AND CARGO AIRCRAFT CARGO AIRCRAFT ONLY 10. Vessel / flight no. and date 11. Port / place of loading 12. Port / place of discharge 13. Destination 14. Shipping marks *Number and kind of packages; description of goods Gross mass (kg) Net mass Cube (m3) under applicable national and international regulations 15. Container identification No./ vehicle registration No. CONTAINER/VEHICLE PACKING CERTIFICATE I hereby declare that the goods described above have been packed/loaded into the container/ vehicle indentified above in accordance with the applicable provisions ** MUST BE COMPLETED AND SIGNED FOR ALL CONTAINER/ VEHICLE LOADS BY PERSON RESPONSIBLE FOR PACKING/ LOADING 16. Seal number (s) 17. Container/vehicle size & type 18.Tare (kg) 19.Total gross mass (inlcuding tare) (kg) 21.RECEIVING ORGANISATION RECEIPT Received the above number of packages/containers/trailers in apparent good order and condition unless stated hereon: RECEIVING ORGANISATION REMARKS: 20. Name of company Haulier's name 22. Name of company (OF SHIPPER PREPARING THIS NOTE) Name / Status of declarant Vehicle reg. no. Name / Status of declarant Place and date Signature of declarant Signature and date DRIVER'S SIGNATURE Place and date Signature of declarant ** See

57 BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS BLACK HATCHINGS MULTIMODAL DANGEROUS GOODS FORM Continuation Sheet 1. Shipper / Consignor /Sender 2. Transport document number Shipper's reference Page 2 of Pages 5. Freight Forwarder's reference 14. Shipping marks * Number and kind of packages; description of goods Gross mass (kg) Net mass Cube (m3) * FOR DANGEROUS GOODS: you must specify: UN No., proper shipping name, hazard class, packing group (where assigned) and any other element of information required under applicable national and international regulations

58 HOOFDSTUK 5.5 BIJZONDERE BEPALINGEN (Geschrapt) Bijzondere bepalingen van toepassing op gegaste laadeenheden (UN 3359) Algemeen Gegaste laadeenheden (UN 3359) die geen andere gevaarlijke goederen bevatten zijn niet onderworpen aan enige bepaling van het ADN anders dan die van deze sectie. Opmerking: Voor doeleinden van dit hoofdstuk betekent laadeenheid een voertuig, een container, een tankcontainer, een transporttank of een MEGC Indien de gegaste laadeenheid naast het gassingsmiddel beladen wordt met gevaarlijke goederen, zijn alle bepalingen van het ADN die deze goederen betreffen (met inbegrip van het aanbrengen van grote etiketten, kenmerking en documentatie) van toepassing aanvullend op de bepalingen van de sectie Voor het vervoer van gegaste ladingen mogen uitsluitend laadeenheden worden gebruikt die op zodanige wijze gesloten kunnen worden dat de ontsnapping van gas tot een minimum wordt gereduceerd Opleiding Personen, die betrokken zijn bij de behandeling van gegaste laadeenheden, moeten een opleiding hebben genoten passend bij hun verantwoordelijkheden Kenmerking en grote etiketten Een gegaste laadeenheid moet van een kenmerking zijn voorzien in de vorm van een waarschuwingsteken, zoals aangegeven in , dat op elk punt van toegang is aangebracht op een plaats waar het gemakkelijk kan worden gezien door personen die de laadeenheid openen of binnengaan. Deze kenmerking moet op de laadeenheid blijven totdat aan de volgende bepalingen is voldaan: a) de gegaste laadeenheid is geventileerd om schadelijke concentraties van het gassingsmiddel te verwijderen; en b) de gegaste goederen of stoffen zijn gelost Voor het waarschuwingsteken voor gegaste ladingen moet het model worden gebruikt zoals aangegeven in figuur Figuur DANGER THIS UNIT IS UNDER FUMIGATION WITH ( fumigant name* ) APPLIED ON ( date* ) ( time* ) VENTILATED ON ( date* ) Minimale afmeting 300 mm DO NOT ENTER * aanduidingen die van toepassing zijn invullen naaanduidingeninvullinvullen invulleninvullen invullen Minimale afmeting 400 mm

59 Waarschuwingsteken voor gegaste lading Het kenmerk moet rechthoekig zijn en mag niet kleiner zijn dan 400 mm breed en 300 mm hoog; de buitenste lijn moet ten minste 2 mm breed zijn. Het kenmerk moet zwart gedrukt zijn op een witte achtergrond, met letters van ten minste 25 mm hoog. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken Indien de gegaste laadeenheid volledig is geventileerd ofwel door de deuren van de eenheid te openen dan wel door mechanische ventilatie na gassing, moet de datum van ventilatie worden gemerkt op het waarschuwingsteken voor gegaste lading Wanneer de gegaste laadeenheid is geventileerd en gelost moet het waarschuwingsteken voor gegaste lading worden verwijderd Grote etiketten overeenkomstig model nr. 9 (zie ) mogen niet worden aangebracht op een gegaste laadeenheid behalve indien dit is voorgeschreven voor andere stoffen en voorwerpen van klasse 9 die daarin zijn geladen Documentatie Documenten in verband met het vervoer van gegaste laadeenheden die niet volledig zijn geventileerd vóór het vervoer moeten de volgende informatie omvatten: - UN 3359, gegaste laadeenheid, 9, of UN 3359, gegaste laadeenheid, klasse 9 ; - de datum en de tijd van gassing; en - het type en de hoeveelheid van het gebruikte gassingsmiddel. Deze bijzonderheden moeten worden gesteld in een officiële taal van het land van afzending, en bovendien, indien die taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten, die tussen de bij het vervoer betrokken landen zijn afgesloten, anders bepalen De documenten mogen in een willekeurige vorm zijn, onder voorwaarde dat zij de informatie bevatten, voorgeschreven in Deze informatie moet gemakkelijk zijn te identificeren, leesbaar en duurzaam zijn Er moeten instructies worden verschaft voor de verwijdering van alle resten van gassingsmiddel met inbegrip van voorzieningen voor de gassing (indien deze zijn gebruikt) Indien de gegaste laadeenheid volledig is geventileerd en de datum van ventilatie op het waarschuwingsteken is gemerkt (zie en ), is geen document vereist Bijzondere bepalingen van toepassing op colli en voertuigen en containers met stoffen die een verstikkingsgevaar vertonen wanneer zij voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt (zoals droogijs (UN 1845) of stikstof, sterk gekoeld, vloeibaar (UN 1977) of argon, sterk gekoeld, vloeibaar (UN 1951)) Toepassingsgebied Deze sectie is niet van toepassing op stoffen die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden mogen worden gebruikt wanneer zij als zending gevaarlijke goederen worden vervoerd, met uitzondering van het vervoer van droogijs (UN-nr. 1845). In geval van vervoer als zending moeten deze stoffen onder de desbetreffende positie van tabel A in hoofdstuk 3.2 worden vervoerd overeenkomstig de bijbehorende vervoersvoorwaarden. Voor UN-nr zijn de in deze sectie vermelde vervoersvoorwaarden, met uitzondering van , van toepassing op allerlei soorten van vervoer, vervoer van stoffen die als koelmiddel of conditioneringsmiddel worden gebruikt, of vervoer als zending. Andere voorschriften van het ADN zijn niet van toepassing op het vervoer van UN-nr Deze sectie is niet van toepassing op gassen in koelingscycli Gevaarlijke goederen die tijdens het vervoer voor het koelen of conditioneren van tanks of MEGC's worden gebruikt, zijn niet aan de voorschriften van deze sectie onderworpen Voertuigen, wagens en containers met stoffen die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt omvatten zowel voertuigen, wagens en containers met stoffen die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt binnen colli als voertuigen, wagens en containers met onverpakte stoffen die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt.

60 De subparagrafen en zijn uitsluitend van toepassing wanneer er in het voertuig, de wagen of de container sprake is van feitelijk verstikkingsgevaar. Het is aan de betrokken deelnemers om dit gevaar te beoordelen, met inachtneming van de gevaren verbonden aan de stoffen die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt, de hoeveelheid van de vervoerde stof, de duur van de reis, de te gebruiken soorten omsluiting en de grenswaarden voor gasconcentraties zoals vermeld in de opmerking bij Algemeen Voertuigen, wagens en containers met stoffen die tijdens het vervoer voor koelings- of conditioneringsdoeleinden (anders dan gassing) worden gebruikt, zijn aan geen enkele bepaling van het ADN anders dan die van deze sectie onderworpen Wanneer gevaarlijke goederen worden geladen in voertuigen, wagens of containers met stoffen die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt, zijn alle bepalingen van het ADN betreffende deze gevaarlijke goederen van toepassing, naast de voorschriften van deze sectie (Gereserveerd) Personen die betrokken zijn bij de behandeling of het vervoer van voertuigen, wagens en containers met stoffen die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt, moeten onderricht hebben genoten passend bij hun verantwoordelijkheden Colli die een koel- of conditioneringsmiddel bevatten Verpakte gevaarlijke goederen waarvoor koeling of conditionering vereist is en waaraan verpakkingsinstructie P203, P620, P650, P800, P901 of P904 van subsectie van het ADR is toegekend, moeten voldoen aan de relevante voorschriften van die verpakkingsinstructie Voor verpakte gevaarlijke goederen waarvoor koeling of conditionering vereist is en waaraan andere verpakkingsinstructies zijn toegekend, moeten de colli in staat zijn zeer lage temperaturen te weerstaan, en ook mogen zij niet worden aangetast of aanmerkelijk worden verzwakt door het koel- of conditioneringsmiddel. De colli moeten ontworpen en geconstrueerd zijn om het vrijkomen van gas mogelijk te maken teneinde te verhinderen dat er een drukopbouw plaatsvindt die de verpakking zou kunnen doen barsten. De gevaarlijke goederen moeten zodanig worden verpakt dat verplaatsing na het verdwijnen van alle koel- of conditioneringsmiddelen verhinderd wordt Colli die een koelings- of conditioneringsmiddel bevatten, moeten worden vervoerd in goed geventileerde voertuigen, wagens en containers. Kenmerking overeenkomstig is in dit geval niet van toepassing. Ventilatie is niet vereist maar kenmerking overeenkomstig is wel vereist, wanneer: - het laadcompartiment uit geïsoleerde, gekoelde of mechanisch gekoelde apparatuur bestaat, bijvoorbeeld zoals gedefinieerd in de Overeenkomst inzake het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP), en gescheiden is van de bestuurderscabine; - met betrekking tot voertuigen wordt voorkomen dat gas vanuit het laadcompartiment naar de bestuurderscabine ontsnapt. Opmerking: In dit verband houdt goed geventileerd in dat er sprake is van een atmosfeer waarin de concentratie koolstofdioxide lager is dan 0,5 vol.-% en de concentratie zuurstof hoger is dan 19,5 vol.-% Kenmerking van colli die een koel- of conditioneringsmiddel bevatten Colli met gevaarlijke goederen die voor koeling of conditionering worden gebruikt, moeten van een kenmerking zijn voorzien bestaande uit de naam van die gevaarlijke goederen zoals aangegeven in kolom (2) van tabel A, hoofdstuk 3.2, gevolgd door de woorden "ALS KOELMIDDEL" of "ALS CONDITIONERINGSMIDDEL", naar gelang van het geval, in een officiële taal van het land van herkomst en tevens, indien die taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij overeenkomsten tussen de bij het vervoersproces betrokken landen anders bepalen De merktekens moeten duurzaam en leesbaar zijn en worden aangebracht op een zodanige plaats en in een zodanig formaat in verhouding tot het collo dat zij duidelijk zichtbaar zijn Voertuigen, wagens en containers die onverpakt droogijs bevatten Indien droogijs in onverpakte vorm wordt gebruikt, mag dit niet rechtstreeks in contact komen met de metalen structuur van het voertuig of de container om verbrossing van het metaal te voorkomen. Er

61 moeten maatregelen worden genomen om het droogijs adequaat van het voertuig of de container te isoleren door te voorzien in een tussenruimte van ten minste 30 mm (bijv. door het gebruik van geschikte materialen die slechte warmtegeleiders zijn, zoals houten planken, pallets, enz.) Indien droogijs rond colli wordt geplaatst, moeten maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de colli tijdens het vervoer op hun oorspronkelijke positie blijven nadat het droogijs is verdwenen Kenmerking van voertuigen, wagens en containers Niet goed geventileerde voertuigen, wagens en containers met gevaarlijke goederen die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt, moeten van een kenmerking zijn voorzien in de vorm van een waarschuwingsteken als aangegeven in , dat op elk punt van toegang is aangebracht op een plaats waar het gemakkelijk kan worden gezien door personen die het voertuig, de wagen of de container openen of betreden. Deze kenmerking moet op het voertuig, de wagen of de container aanwezig blijven totdat aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) het voertuig, de wagen of de container is geventileerd om schadelijke concentraties van het koel- of conditioneringsmiddel te verwijderen; en b) de gekoelde of geconditioneerde goederen zijn gelost. Zolang het voertuig, de wagen of de container is gekenmerkt, moeten de nodige voorzorgsmaatregelen worden getroffen alvorens het voertuig, de wagen of de container te betreden. De noodzaak van ventilatie via de laaddeuren of andere middelen (b.v. mechanische ventilatie) moet worden geëvalueerd en opgenomen in de opleiding van de betrokken personen Voor het waarschuwingsteken moet het model worden gebruikt zoals weergegeven in figuur Figuur Waarschuwingsteken voor voertuigen en containers met koel- of conditioneringsmiddelen * Voeg de naam van het koel- of conditioneringsmiddel in zoals vermeld in kolom (2) van tabel A van

62 hoofdstuk 3.2. Voor de naam moeten hoofdletters worden gebruikt die alle op één regel staan en ten minste 25 mm hoog zijn. Als de juiste vervoersnaam te lang is voor de beschikbare ruimte, mogen de letters worden verkleind tot de maximale grootte die wel op één regel past. Voorbeeld: KOOLDIOXIDE, VAST. ** Voeg naar gelang van toepassing de woorden "ALS KOELMIDDEL" of "ALS CONDITIONERINGSMIDDEL" in. Hiervoor moeten hoofdletters worden gebruikt die alle op één regel staan en ten minste 25 mm hoog zijn. Het kenmerk moet rechthoekig zijn, minimaal 150 mm breed en 250 mm hoog, en voorzien van het woord "WAARSCHUWING" in rode of zwarte letters met een hoogte van ten minste 25 mm. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken. Het woord "WAARSCHUWING" en de woorden "ALS KOELMIDDEL" of "ALS CONDITIONERINGSMIDDEL", naar gelang van toepassing, moeten in een officiële taal van het land van herkomst zijn aangegeven en tevens, indien die taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij overeenkomsten tussen de bij het vervoer betrokken landen anders bepalen Documentatie Documenten (zoals een cognossement, een vrachtlijst of een CMR/CIM/CMNI-vrachtbrief) in verband met het vervoer van gekoelde of geconditioneerde voertuigen, wagens of containers die stoffen bevatten of hebben bevat die voor koelings- of conditioneringsdoeleinden worden gebruikt en vóór het vervoer niet volledig zijn geventileerd, moeten de volgende informatie bevatten: a) het UN-nummer, voorafgegaan door de letters "UN"; en b) de naam als vermeld in kolom (2) van tabel A, hoofdstuk 3.2, gevolgd door de woorden "ALS KOELMIDDEL" of "ALS CONDITIONERINGSMIDDEL", naar gelang van het geval, in een officiële taal van het land van herkomst en tevens, indien die taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten tussen de bij het vervoersproces betrokken landen anders bepalen. Bijvoorbeeld: UN 1845, KOOLDIOXIDE, VAST, ALS KOELMIDDEL Het vervoersdocument mag eender welke vorm hebben, op voorwaarde dat het de informatie bevat als voorgeschreven in Deze informatie moet gemakkelijk te identificeren, leesbaar en duurzaam zijn.

63 Deel 6 Voorschriften voor de constructie en beproeving van verpakkingen (inclusief IBC s en grote verpakkingen), tanks en transporteenheden voor los gestort vervoer

64 HOOFDSTUK 6.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN Verpakkingen (inclusief IBC s en grote verpakkingen) en tanks moeten ten aanzien van de constructie en beproeving voldoen aan de volgende voorschriften van het ADR: Hoofdstuk 6.1 Hoofdstuk 6.2 Hoofdstuk 6.3 Hoofdstuk 6.4 Hoofdstuk 6.5 Hoofdstuk 6.6 Hoofdstuk 6.7 Hoofdstuk 6.8 Hoofdstuk 6.9 Hoofdstuk 6.10 Hoofdstuk 6.11 Voorschriften voor de constructie en beproeving van verpakkingen; Voorschriften voor de constructie en beproeving van drukhouders, spuitbussen en houders, klein, met gas (gaspatronen); Voorschriften voor de constructie en beproeving van verpakkingen voor stoffen van Klasse 6.2; Voorschriften voor de constructie, beproeving en goedkeuring van colli en stoffen van Klasse 7; Voorschriften voor de constructie en beproeving van IBC s; Voorschriften voor de constructie en beproeving van grote verpakkingen; Voorschriften voor het ontwerp, de constructie, het onderzoek en de beproeving van transporttanks en UN gascontainers met verscheidene elementen (MEGC s); Voorschriften voor de constructie, uitrusting, typegoedkeuring, het onderzoek en de beproeving en kenmerking van vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, tankcontainers en wissellaadtanks met reservoirs van metaal en batterijwagens en gascontainers met verscheidene elementen (MEGC s); Voorschriften voor het ontwerp, de constructie, uitrusting, typegoedkeuring, beproeving en kenmerking van vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, tankcontainers en wissellaadtanks van vezelgewapende kunststof (FRP); Voorschriften voor de constructie, uitrusting, typegoedkeuring, het onderzoek en kenmerking van druk/vacuümtanks voor afvalstoffen; en Voorschriften voor het ontwerp, de constructie, het onderzoek en de beproeving van bulkcontainers. Hoofdstuk 6.12 Voorschriften voor de constructie, uitrusting, toelating van het prototype, onderzoeken en beproevingen en kenmerking van tanks, bulkcontainers en speciale compartimenten voor ontplofbare stoffen en voorwerpen van mobiele eenheden voor de fabricage van ontplofbare stoffen (MEMU's) Transporttanks mogen ook voldoen aan de voorschriften van Hoofdstuk 6.7 of waar van toepassing, Hoofdstuk 6.9 van de IMDG code Tankwagens mogen ook voldoen aan de voorschriften van Hoofdstuk 6.8 van de IMDG code Ketelwagens met vaste of afneembare tanks en batterijwagens moeten voldoen aan de voorschriften van Hoofdstuk 6.8 van het RID De laadbak van voertuigen voor los gestort vervoer moet eventueel voldoen aan de voorschriften van Hoofdstuk 6.11 of Hoofdstuk 9.5 van het ADR Indien de voorschriften als bedoeld in a) van het RID of ADR van toepassing zijn, moeten de bulkcontainers voldoen aan de voorschriften van Hoofdstuk 6.11 van het RID of ADR.

65 Deel 7 Voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de behandeling van de lading

66 HOOFDSTUK 7.1 DROGE LADING SCHEPEN Algemene voorschriften De voorschriften tot en met zijn van toepassing op droge lading schepen (Gereserveerd) Wijze van vervoer (Gereserveerd) Vervoer van colli Los gestort Ventilatie In de voorschriften omtrent het vervoer van colli wordt, voor zover niets anders is bepaald, de bruto massa aangegeven. Indien colli in containers of op voertuigen worden vervoerd, behoort de massa van de container of van het voertuig niet tot de bruto massa van deze colli. Het is verboden gevaarlijke goederen los gestort te vervoeren, tenzij dit in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (8) uitdrukkelijk is toegestaan. In deze kolom is dan een B ingevuld. Het ventileren van de laadruimen is slechts noodzakelijk indien dit in of in aanvullend voorschrift VE in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (10) is voorgeschreven Maatregelen te nemen voordat het laden aanvangt Aanvullende maatregelen voor het laden zijn slechts noodzakelijk indien dit in of in aanvullend voorschrift LO in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (11) is voorgeschreven Behandelen en stuwen van de lading Tijdens het behandelen en stuwen van de lading zijn aanvullende maatregelen slechts noodzakelijk indien dit in of in aanvullend voorschrift HA in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (11) is voorgeschreven (Gereserveerd) Maatregelen tijdens het laden, vervoeren, lossen en behandelen van de lading Tijdens het laden, vervoeren, lossen en de behandeling van de lading zijn aanvullende maatregelen slechts noodzakelijk indien dit in of in aanvullend voorschrift IN in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (11) is voorgeschreven (Gereserveerd) Vervoer in containers, bulkcontainers, IBC s en grote verpakkingen, in MEGC s, transporttanks en tankcontainers Het vervoer van containers, bulkcontainers, IBC s, grote verpakkingen, MEGC s, transporttanks en tankcontainers moet aan de voorschriften voor het vervoer van colli voldoen Voertuigen en wagens

67 Het vervoer van voertuigen en wagens moet aan de voorschriften voor het vervoer van colli voldoen (Gereserveerd) Vervoer in ladingtanks Het is verboden gevaarlijke goederen in ladingtanks in droge lading schepen te vervoeren (Gereserveerd) Voorschriften van toepassing op schepen Toegestane schepen Gevaarlijke goederen mogen worden vervoerd in hoeveelheden die niet groter zijn dan vermeld in of, indien van toepassing, in : - in droge lading schepen in overeenstemming met de van toepassing zijnde constructievoorschriften van tot en met ; of - in zeeschepen in overeenstemming met de van toepassing zijnde constructievoorschriften van tot en met , of anders volgens de voorschriften van tot en met Gevaarlijke goederen van de klassen 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 7, 8 of 9, met uitzondering van die waarvoor een gevaarsetiket model nummer 1 is vereist in kolom 5 van tabel A van hoofdstuk 3.2 wordt vereist mogen worden vervoerd in hoeveelheden die groter zijn dan vermeld in en : - In dubbelwandige droge lading schepen in overeenstemming met de van toepassing zijnde constructievoorschriften van tot en met ; of - In dubbelwandige zeeschepen in overeenstemming met de van toepassing zijnde constructievoorschriften van tot en met , of anders volgens de voorschriften van tot en met (Gereserveerd) Gebruiksaanwijzingen voor apparaten en installaties Indien aan specifieke veiligheidsregels moet worden voldaan bij het gebruik van een bepaald apparaat of een bepaalde installatie moeten gebruiksaanwijzingen voor dat speciale apparaat of die installatie voorhanden zijn op geschikte plaatsen aan boord in een taal die normalerwijze aan boord wordt gesproken en indien die taal niet Engels, Frans of Duits is, ook in Engels, Frans of Duits, tenzij overeenkomsten afgesloten tussen de landen betrokken bij het vervoersproces anders bepalen (Gereserveerd) Duwstellen en gekoppelde samenstellen Indien in een duwstel of in een gekoppeld samenstel ten minste één schip van een Certificaat van Goedkeuring voor het vervoer van gevaarlijke goederen moet zijn voorzien, moeten alle schepen in het duwstel of het gekoppeld samenstel van een op hen afgegeven Certificaat van Goedkeuring zijn voorzien. Schepen, die geen gevaarlijke goederen vervoeren, moeten voldoen aan de hierna vermelde nummers van het ADN: , , , , 8.1.5, , , 8.1.7, , , , , , , , , , , , en Voor de toepassing van de voorschriften van dit Deel met uitzondering van en , wordt het gehele duwstel of het gehele gekoppelde samenstel als één schip beschouwd (Gereserveerd)

68 7.1.3 Algemene bedrijfsvoorschriften Toegang tot laadruimen, zijtanks en dubbele bodems; Controle Het betreden van de laadruimen is slechts toegestaan voor het laden en lossen, voor het uitvoeren van controles en voor schoonmaakwerkzaamheden Zijtanks en dubbele bodems mogen tijdens de vaart niet worden betreden Indien voor het betreden van laadruimen, zijtanks of dubbele bodems de gasconcentratie of het zuurstofgehalte gemeten moet worden, moeten deze meetresultaten schriftelijk worden vastgelegd. De meting mag slechts door personen worden uitgevoerd, die een voor de te vervoeren stof geschikt adembeschermingsapparaat dragen. De te onderzoeken ruimten mogen ten behoeve van de meting niet worden betreden Bij het vermoeden van beschadiging van colli, moet, voordat personen laadruimen betreden, bij het vervoer van goederen van klasse 2, 3, 5.2, 6.1 en 8, waarvoor EX en/of TOX in Hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (9) is ingevuld, de gasconcentratie in deze laadruimen worden gemeten Voordat personen de laadruimen betreden moet, bij het los gestort of onverpakt vervoer van goederen, waarvoor EX en/of TOX in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (9) is ingevuld, de gasconcentratie in deze laadruimen en in de aangrenzende laadruimen worden gemeten Voordat personen de laadruimen, de zijtanks of de dubbele bodems betreden moet, bij het vervoer van goederen van klasse 2, 3, 5.2, 6.1 en 8 en een vermoeden van beschadiging van colli: - er geen gebrek aan zuurstof bestaat en er geen meetbare gevaarlijke stoffen in gevaarlijke concentraties aanwezig zijn, of - de persoon, die de ruimte betreedt, een van de buitenlucht onafhankelijk adembeschermingsapparaat en andere vereiste veiligheids- en reddingsuitrusting draagt en eveneens door middel van een veiligheidslijn is beveiligd. Het betreden van deze ruimten mag slechts geschieden onder toezicht van een tweede persoon, voor wie eenzelfde uitrusting gereed is gelegd. Twee extra personen, die in geval van nood hulp kunnen bieden, moeten zich op roepafstand aan boord van het schip bevinden Voordat personen de laadruimen, de zijtanks of de dubbele bodems betreden moet, bij het los gestort of onverpakt vervoer van goederen: - er geen gebrek aan zuurstof bestaat en er geen meetbare gevaarlijke stoffen in gevaarlijke concentraties aanwezig zijn, of - de persoon, die de ruimte betreedt, een van de buitenlucht onafhankelijk adembeschermingsapparaat en andere vereiste veiligheids- en reddingsuitrusting dragen en eveneens door middel van een veiligheidslijn is beveiligd. Het betreden van deze ruimten mag slechts geschieden onder toezicht van een tweede persoon, voor wie eenzelfde uitrusting gereed is gelegd. Twee extra personen, die in geval van nood hulp kunnen bieden, moeten zich op roepafstand aan boord van het schip bevinden (Gereserveerd) Deskundige aan boord van het schip Tijdens vervoer van gevaarlijke goederen moet de verantwoordelijke schipper een deskundige zijn in de zin van Opmerking: Het is de verantwoordelijkheid van de vervoerder om te bepalen welke schipper aan boord de verantwoordelijke schipper is, en deze keuze in een document aan boord vast te leggen. Indien hieromtrent niets is bepaald, is het voorschrift op elke schipper van toepassing. In afwijking van het bovenstaande is het voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen in een duwbak voldoende dat de persoon die voor het laden en lossen en voor het ballasten van de duwbak verantwoordelijk is, een deskundige zijn in de zin van

69 (Gereserveerd) Ballastwater Zijtanks en dubbele bodems mogen voor ballastwater worden gebruikt (Gereserveerd) Openen van laadruimen Gevaarlijke goederen moeten, behalve tijdens het laden of lossen of tijdens een controle, beschermd zijn tegen weersinvloeden en buiswater. Dit is niet van toepassing op gevaarlijke goederen in spuitwaterdichte containers, IBC s, grote verpakkingen, MEGC s, transporttanks, tankcontainers, voertuigen of wagens die gesloten zijn of met dekzeilen zijn uitgerust Indien gevaarlijke goederen los gestort worden vervoerd, moeten de laadruimen van luiken zijn voorzien (Gereserveerd) Machines Het is verboden motoren te gebruiken, die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt lager dan 55 C (b.v. benzinemotoren). Dit voorschrift is niet van toepassing op bijboten die met benzine aangedreven buitenboordmotoren zijn uitgerust Brandstoftanks Dubbele bodems met een hoogte van ten minste 0,6 m mogen als brandstoftank worden gebruikt, indien zij conform de voorschriften van hoofdstuk 9.1 en 9.2 zijn gebouwd (Gereserveerd) Vuur en onbeschermd licht Het gebruik van vuur of onbeschermd licht is verboden. Dit is niet van toepassing in woning en in het stuurhuis Voor verwarmings-, kook- en koeltoestellen mag noch van vloeibare brandstoffen noch van vloeibaar gas of van vaste brandstoffen gebruik worden gemaakt. Kook- en koeltoestellen mogen slechts in de woning en in het stuurhuis worden gebruikt Indien verwarmingstoestellen of verwarmingsketels in de machinekamer of in een speciaal daarvoor geschikte ruimte zijn ondergebracht mogen zij echter gebruik maken van vloeibare brandstoffen met een vlampunt hoger dan 55 C Verwarmen van laadruimen Het is verboden laadruimen te verwarmen of in de laadruimen een verwarming in gebruik te hebben (Gereserveerd) Schoonmaakwerkzaamheden Het is verboden schoonmaakwerkzaamheden met vloeistoffen met een vlampunt lager dan 55 C uit te voeren.

70 (Gereserveerd) Elektrische inrichtingen Elektrische inrichtingen moeten in goede staat worden gehouden Het gebruik van verplaatsbare elektrische kabels in de beschermde zone is verboden. Dit is niet van toepassing op: - intrinsiek veilige stroomkringen; - elektrische kabels voor het aansluiten van sein-, navigatie- en loopplankverlichting indien het aansluitpunt (bijv. wandcontactdoos) in de onmiddellijke nabijheid van de mast, waarin de lichten zijn aangebracht of van de loopplank, permanent op het schip is aangebracht; - elektrische kabels voor het aansluiten van containers; - elektrische kabels voor het aansluiten van elektrisch aangedreven luikenwagens; - elektrische kabels voor het aansluiten van dompelpompen; - elektrische kabels voor het aansluiten van laadruimventilatoren Wandcontactdozen voor de aansluiting van sein-, navigatie- en loopplankverlichting en voor de aansluiting van containers, dompelpompen, luikenwagens of laadruimventilatoren mogen slechts dan onder spanning staan, indien de sein-, navigatie- en loopplankverlichting, de containers, de dompelpompen, de luikenwagens of de laadruimventilatoren in gebruik zijn. Het insteken en uittrekken van de stekkers in de beschermde zone mag slechts mogelijk zijn indien de wandcontactdozen spanningsvrij zijn Elektrische inrichtingen in de laadruimen moeten spanningsvrij en tegen het onbewust inschakelen beveiligd zijn. Dit is niet van toepassing op doorgaande, permanent geïnstalleerde kabels, op verplaatsbare elektrische kabels voor de aansluiting van containers gestuwd overeenkomstig evenals op "erkend veilige" inrichtingen (Gereserveerd) Antennes, Bliksemafleiders, Kabels, Masten Geen deel van de antennes voor elektronische apparaten, geen bliksemafleiders en geen kabels mogen zich boven de laadruimen bevinden Geen deel van de antennes voor radiotelefonie installaties mag zich binnen een straal van 2,00 m van stoffen en voorwerpen van klasse 1 bevinden (Gereserveerd)

71 Aanvullende voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de overige behandeling van de lading Beperking van de vervoerde hoeveelheden Tenzij van toepassing is, mogen aan boord van een schip de volgende bruto massa s niet worden overschreden. Bij duwstellen en gekoppelde samenstellen geldt deze bruto massa per eenheid. Klasse 1 alle stoffen en voorwerpen van de subklasse 1.1 van de compatibiliteitsgroep A 90 kg 1) alle stoffen en voorwerpen van de subklasse 1.1 van de compatibiliteitsgroep B, C, D, E, F, G, J of L kg 2) alle stoffen en voorwerpen van de subklasse 1.2 van de compatibiliteitsgroep B, C, D, E, F, G, H, J of L kg alle stoffen en voorwerpen van de subklasse 1.3 van de compatibiliteitsgroep C, G, H, J of L kg 3) alle stoffen en voorwerpen van de subklasse 1.4 van de compatibiliteitsgroep B, C, D, E, F, G of S kg alle stoffen van de subklasse 1.5 van de compatibiliteitsgroep D kg 2) alle voorwerpen van de subklasse 1.6 van de compatibiliteitsgroep N, kg 3) lege verpakkingen, ongereinigd kg Opmerking: 1) In ten minste drie partijen van maximaal 30 kg elk en ten minste 10,00 m afstand tussen de afzonderlijke partijen. 2) In ten minste drie partijen van maximaal kg elk en ten minste 10,00 m afstand tussen de afzonderlijke partijen. 3) Niet meer dan kg per ruim. Een geplaatst houten schot is als laadruimafscheiding toegestaan. Klasse 2 alle goederen waarvoor gevaarsetiket 2.1 is voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (5, in totaal alle goederen waarvoor gevaarsetiket 2.3 is voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (5), in totaal andere goederen Klasse 3 alle goederen van de verpakkingsgroep I of II waarvoor gevaarsetiket 6.1 is voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (5), in totaal andere goederen: in totaal kg kg onbeperkt kg kg

72 Klasse 4.1 UN-nummers 3221, 3222, 3231 en 3232, in totaal Alle goederen van verpakkingsgroep I; alle goederen van verpakkingsgroep II waarvoor etiket 6.1 is voorgeschreven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2; zelfontledende stoffen van de typen C, D, E en F (UN-nummers 3223 t/m 3230 en 3233 t/m 3240); andere stoffen van classificatiecode SR1 of SR2 (UN-nummers 2956, 3241, 3242 en 3251); en gedesensibiliseerde ontplofbare stoffen van verpakkingsgroep II (UN-nummers 2907, 3319 en 3344), in totaal andere goederen Klasse 4.2 alle goederen van de verpakkingsgroep I of II waarvoor gevaarsetiket 6.1 is voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (5), in totaal andere goederen Klasse 4.3 alle goederen van de verpakkingsgroep I of II waarvoor gevaarsetiket 3, 4.1 of 6.1 is voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (5), in totaal andere goederen Klasse 5.1 alle goederen van de verpakkingsgroep I of II waarvoor gevaarsetiket 6.1 is voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (5), in totaal andere goederen Klasse 5.2 UN-nummers 3101, 3102, 3111 en 3112, in totaal andere goederen: in totaal Klasse 6.1 alle goederen van verpakkingsgroep I: in totaal alle goederen van verpakkingsgroep II: in totaal alle goederen, los gestort andere goederen kg kg onbeperkt kg onbeperkt kg onbeperkt kg onbeperkt kg kg kg kg 0 kg onbeperkt Klasse 7 UN-nummers 2912, 2913, 2915, 2916, 2917, 2919, 2977, 2978 en 3321 tot en met kg andere goederen Klasse 8 alle goederen van verpakkingsgroep I; alle goederen van verpakkingsgroep II en waarvoor gevaarsetiket 3 of 6.1 is voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (5), in totaal andere goederen onbeperkt kg onbeperkt

73 Klasse 9 alle goederen van verpakkingsgroep II: In totaal andere goederen UN-nummer 3077, voor los gestort vervoerde goederen, geclassificeerd als gevaarlijk voor het aquatisch milieu, categorieën acuut 1 of chronisch overeenkomstig 2.4.3: kg onbeperkt 0 kg Tenzij van toepassing is, is aan boord van een schip of aan boord van duwstellen en gekoppelde samenstellen per eenheid maximaal kg gevaarlijke goederen toegestaan De beperkingen van en zijn niet van toepassing in het geval van vervoer van gevaarlijke goederen van de klassen 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 7, 8 en 9 met uitzondering van die goederen, waarvoor een etiket van model nr. 1 is vereist in kolom (5) van Tabel A van hoofdstuk 3.2, aan boord van dubbelwandige schepen die voldoen aan de aanvullende voorschriften van t/m of t/m Indien op een schip, met inachtneming van de samenladingsverboden van of , stoffen en voorwerpen van verschillende subklassen van de klasse 1 worden geladen, mag de lading in zijn geheel niet de in voorgeschreven kleinste maximum netto massa overschrijden voor de meest gevaarlijke geladen subklasse in de volgorde 1.1, 1.5, 1.2, 1.3, 1.6, Indien de totale netto massa van de vervoerde ontplofbare stoffen en van ontplofbare stoffen aanwezig in de vervoerde voorwerpen onbekend is, is de bruto massa van de lading van toepassing op de massa genoemd in de tabel in hierboven Voor de grenswaarden van de activiteit, transportindices (TI) en criticaliteit-veiligheidsindices (CSI) bij het vervoer van radioactieve stoffen zie Samenladingsverbod (los gestorte goederen) Aan boord van schepen met losgestorte goederen van klasse 5.1 mogen zich geen andere goederen bevinden Samenladingsverbod (Colli in laadruimen) Goederen van verschillende klassen moeten door een horizontale afstand van ten minste 3,00 m van elkaar zijn gescheiden. Ze mogen niet op elkaar worden geplaatst Onafhankelijk van hun hoeveelheid, mogen gevaarlijke goederen waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (12) het voeren van twee blauwe kegels of twee blauwe lichten is voorgeschreven, niet in hetzelfde laadruim met brandbare goederen, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (12) het voeren van één blauwe kegel of één blauw licht is voorgeschreven, worden geplaatst Colli met stoffen en voorwerpen van klasse 1 en colli met goederen van klasse 4.1 en 5.2, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (12) het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, moeten door een afstand van ten minste 12m zijn gescheiden van goederen van alle andere klassen.

74 Stoffen en voorwerpen van klasse 1 mogen niet in hetzelfde laadruim worden geplaatst, behalve indien dit in de hierna volgende Tabel is aangegeven: Compatibiliteits- groep A B C D E F G H J L N S A X B - X - 1) X C - - X X X - X )3) X D - 1) X X X - X )3) X E - - X X X - X )3) X F X X G - - X X X - X X H X X J X - - X L ) - - N - - 2)3) 2)3) 2)3) ) X S - X X X X X X X X - X X "X" geeft aan, dat de stoffen of voorwerpen van de betreffende compatibiliteitsgroepen conform deel 2 van dit reglement in hetzelfde laadruim mogen worden geplaatst. 1) Colli die voorwerpen bevatten ingedeeld in compatibiliteitsgroep B of stoffen of voorwerpen ingedeeld in compatibiliteitsgroep D mogen slechts tezamen in één laadruim worden geplaatst, indien zij in containers of voertuigen of wagens met gesloten metalen wanden zijn geladen. 2) Diverse soorten voorwerpen van de subklasse 1.6, compatibiliteitsgroep N, mogen slechts als voorwerpen van de subklasse 1.6, compatibiliteitsgroep N tezamen worden vervoerd, indien door beproevingen of naar analogie is aangetoond, dat geen bijkomend ontploffingsgevaar als gevolg van onderlinge beïnvloeding van de voorwerpen bestaat. Anders moeten zij als voorwerpen van de subklasse 1.1 worden behandeld. 3) Indien voorwerpen van de compatibiliteitsgroep N met stoffen of voorwerpen van de compatibiliteitsgroepen C, D of E tezamen worden geladen, moeten de voorwerpen van de compatibiliteitsgroep N zo worden behandeld alsof zij tot de compatibiliteitsgroep D behoren. 4) Colli met stoffen en voorwerpen van de compatibiliteitsgroep L mogen met colli met stoffen en voorwerpen van hetzelfde type van deze compatibiliteitsgroep tezamen in hetzelfde laadruim worden geplaatst Bij vervoer van stoffen van klasse 7 (UN-nummers 2916, 2917, 3323, 3328, 3329 en 3330) in Type B(U)-, Type B(M)- of Type C-colli moet aan de, in de door de bevoegde autoriteit afgegeven goedkeuring vermelde controles, beperkingen en voorschriften worden voldaan Bij vervoer van stoffen van klasse 7 op grond van een speciale regeling (UN-nummers 2919 en 3331), moet worden voldaan aan de door de bevoegde autoriteit vastgelegde speciale bepalingen. In het bijzonder is samenlading niet toegestaan, tenzij dit door de bevoegde autoriteit wordt toegestaan.

75 Samenladingsverbod (Containers, voertuigen, wagens) is niet van toepassing op colli in containers, voertuigen of wagens, die volgens één der internationale reglementen zijn geladen is niet van toepassing op: - containers met gesloten metalen wanden; - gesloten voertuigen en gesloten wagens met complete metalen wanden; - tankcontainers, transporttanks, MEGC s, - tankwagens en reservoirwagens Bij containers, met uitzondering van die waarnaar in paragraaf en hierboven wordt verwezen, mag de scheidingsafstand voorgeschreven in worden verlaagd tot 2,4 m (breedte van een container) De elektrische uitrusting die aan de buitenzijde van een gesloten container is aangebracht, mag worden aangesloten op demonteerbare elektrische kabels overeenkomstig de voorschriften van en in werking worden gesteld, op voorwaarde dat: a) de elektrische uitrusting in kwestie van een erkend veilig type is; of b) de elektrische uitrusting in kwestie niet van een erkend veilig type is, maar voldoende is gescheiden van andere containers die stoffen bevatten van: klasse 2 waarvoor een etiket volgens model nr. 2.1 in hoofdstuk 3.2, tabel A, kolom (5) is voorgeschreven; klasse 3, verpakkingsgroep I of II; klasse 4.3; klasse 6.1; verpakkingsgroep I of II, met een bijkomend gevaar van klasse 4.3; klasse 8, verpakkingsgroep I, met een bijkomend gevaar van klasse 3; en klasse 8, verpakkingsgroep I of II, met een bijkomend gevaar van klasse 4.3. Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan wanneer er binnen een cilindervormig gebied met een straal van 2,4 m rondom de elektrische uitrusting en een vrije verticale ruimte geen container die bovengenoemde stoffen bevat is gestuwd. Deze voorwaarde geldt niet wanneer containers met elektrische uitrusting die niet van een erkend veilig type is en containers die bovengenoemde stoffen bevatten in aparte laadruimten zijn gestuwd. Voorbeelden van stuwage en scheiding van containers Legenda R Container (b.v. koelcontainer) met elektrische uitrusting die niet van een erkend veilig type is. Z Elektrische uitrusting die niet van een erkend veilig type is. X Container niet toegelaten wanneer deze gevaarlijke stoffen bevat waarvoor voldoende scheiding is vereist.

76 Schot Bulkhead Bovenaanzicht 1. Aan dek Bovenaanzicht 2. In het ruim

77 Schot Schot Bovenaanzicht 2. In het ruim R Z Vooraanzicht Vooraanzicht Elektrische uitrusting in een open container mag niet worden aangesloten op demonteerbare elektrische kabels overeenkomstig de voorschriften van , noch in werking worden gesteld tenzij de apparatuur van een erkend veilig type is dan wel de container in een laadruimte is geplaatst die geen containers met stoffen als bedoeld in b) bevat Samenladingsverbod (zeeschepen; binnenvaartschepen die containers vervoeren) Bij zeeschepen en binnenvaartschepen, indien deze laatste slechts containers vervoeren, wordt geacht te zijn voldaan aan de samenladingsverboden, indien aan de stuwage- en samenladingsvoorschriften van de IMDG-code is voldaan.

78 (Gereserveerd) Laad- en losplaatsen Gevaarlijke goederen mogen slechts op de door de bevoegde autoriteit aangewezen of voor dit doel toegelaten plaatsen geladen of gelost worden. Op die plaatsen moeten de in subparagraaf genoemde evacuatiemiddelen beschikbaar zijn. In andere gevallen is overslag slechts toegestaan met goedkeuring van de bevoegde autoriteit Indien stoffen en voorwerpen van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (12) het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, aan boord zijn, mogen goederen van welke soort ook, slechts op door de bevoegde autoriteit aangewezen of voor dit doel toegestane plaatsen geladen of gelost worden Tijdstip en duur van de laad- en loshandelingen Laad- en loshandelingen van stoffen en voorwerpen van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (12) het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, mogen niet zonder schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangevangen. Dit is ook van toepassing op het laden en lossen van andere goederen, indien stoffen en voorwerpen van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (12) het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, aan boord zijn Laad- en loshandelingen van stoffen en voorwerpen van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in hoofdstuk 3.2 Tabel A Kolom (12) het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, moeten tijdens onweer worden onderbroken Overslaan Het is verboden, zonder toestemming van de bevoegde autoriteit, de lading geheel of gedeeltelijk naar een ander schip over te slaan buiten een daarvoor toegelaten overslagplaats. Opmerking: Voor overslag naar andere vervoermiddelen, zie Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot levensmiddelen, genotmiddelen en diervoeding Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel A, Kolom (6) bij een stof of een voorwerp het bijzondere voorschrift 802 is aangegeven moeten de volgende voorzorgsmaatregelen met betrekking tot levensmiddelen, genotmiddelen en diervoeding in acht worden genomen: Colli alsmede ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van grote verpakkingen en IBC's, die zijn voorzien van etiketten volgens model no. 6.1 of 6.2 of die welke zijn voorzien van etiketten volgens model no. 9, die goederen van klasse 9, UN-nummers 2212, 2315, 2590, 3151, 3152 en 3245 bevatten, mogen niet in hetzelfde ruim, laad- en losplaatsen of overslagplaatsen worden gestapeld op of geladen in de onmiddellijke nabijheid van colli, waarvan bekend is dat zij levensmiddelen, genotmiddelen of diervoeding bevatten. Indien deze colli, voorzien van voornoemde etiketten, in de onmiddellijke nabijheid worden geladen van colli waarvan bekend is dat zij levensmiddelen, genotmiddelen of diervoeding bevatten, dan moeten zij hiervan zijn gescheiden: a) door volwandige scheidingswanden. Deze scheidingswanden moeten even hoog zijn als de colli voorzien van de voornoemde etiketten, of b) door colli die niet zijn voorzien van etiketten volgens model no. 6.1, 6.2 of 9 of door colli die zijn voorzien van etiketten volgens model no. 9 maar die geen goederen van klasse 9, UN-nummers 2212, 2315, 2590, 3151, 3152 en 3245 bevatten, of c) door een afstand van ten minste 0,8 meter, tenzij de colli met voornoemde etiketten voorzien zijn van een aanvullende verpakking of volledig afgedekt zijn (bijvoorbeeld door een dekzeil, bedekking van karton of andere maatregelen).

79 Stuwplan De schipper moet in een stuwplan aangeven, welke goederen er in de afzonderlijke laadruimen of aan dek zijn geplaatst. De goederen moeten overeenkomstig a), b), c) en d) zijn vermeld zoals in het vervoersdocument Bij het vervoer van gevaarlijke goederen in containers is het nummer van de container voldoende. In dit geval moet een lijst van alle containers met hun nummer, en de zich erin bevindende goederen overeenkomstig a), b), c) en d) als aanhangsel bij het stuwplan zijn gevoegd Ventilatie Bij het beladen of lossen van laadruimen van Ro-Ro schepen met voertuigen moet de lucht ten minste vijf maal per uur volledig worden ververst, gebaseerd op het totale volume van het ledige laadruim Aan boord van schepen, die slechts gevaarlijke goederen in containers in open laadruimen vervoeren, behoeven de ventilatoren niet te zijn ingebouwd, zij moeten echter wel aan boord worden meegevoerd. Bij vermoeden van beschadiging van de container of vrijkomen van de inhoud binnen de container moeten de laadruimen zo worden geventileerd dat de gasconcentratie van de uit de lading komende brandbare gassen onder 10% van de onderste explosiegrens ligt of bij uit de lading komende giftige gassen of dampen de laadruimen vrij van iedere van belang zijnde concentratie zijn Indien tankcontainers, transporttanks, MEGC s, tankwagens of reservoirwagens in gesloten laadruimen worden geplaatst, moeten deze laadruimen permanent worden geventileerd met een vijfvoudige luchtwisseling per uur Maatregelen voor het laden De laadruimen en ladingzones moeten vóór het laden worden gereinigd. Laadruimen moeten worden geventileerd Behandelen en stuwen van de lading De afzonderlijke delen van een lading moeten zo worden geplaatst dat zij zich ten opzichte van elkaar of van het schip niet kunnen verplaatsen en niet door andere lading beschadigd kunnen worden Colli die gevaarlijke goederen bevatten en onverpakte gevaarlijke voorwerpen moeten met behulp van daartoe geschikte middelen zodanig worden vastgezet (bijv. bevestigingsriemen, schuifwanden, verstelbare stutten) dat een beweging tijdens het vervoer waardoor de positie van het collo verandert of het collo beschadigd wordt, wordt verhinderd. Indien gevaarlijke goederen samen met andere goederen (bijv. zware machines of kisten) worden vervoerd, moeten alle goederen zodanig worden vastgezet of verpakt dat het naar buiten treden van gevaarlijke goederen wordt verhinderd. Het bewegen van colli kan ook worden voorkomen door het opvullen van holle ruimten met behulp van stuwhout of door het blokkeren of vastzetten met spandraden. Indien spandraden zoals banden of riemen worden gebruikt mogen deze niet zo zijn aangetrokken dat dit tot beschadiging of vervorming van het collo leidt. Flexibele bulkcontainers moeten zodanig worden gestuwd dat zich tussen de flexibele bulkcontainers in het ruim geen lege ruimten bevinden. Indien de flexibele bulkcontainers het ruim niet geheel vullen, moeten passende maatregelen worden getroffen om verschuiving van de lading te voorkomen Colli mogen niet op elkaar worden gestapeld, tenzij ze voor dit doel ontworpen zijn. Indien verschillende typen colli die voor stapelen zijn ontworpen, samen moeten worden geladen, moet met de wederzijdse stapelcompatibiliteit rekening worden gehouden. Indien nodig moet gestapelde colli de beschadiging van de onderste colli voorkomen door gebruik te maken van ondersteunende hulpmiddelen. Flexibele bulkcontainers mogen op elkaar worden gestapeld in ruimten met dien verstande dat de stapelhoogte van flexibele bulkcontainers nooit meer dan drie containers hoog mag zijn. Wanneer flexibele bulkcontainers met ontluchtingsinrichtingen zijn uitgerust, mag de stuwage van de flexibele bulkcontainers de werking daarvan niet belemmeren Tijdens het laden en lossen moeten colli met gevaarlijke goederen tegen beschadiging worden beschermd. Opmerking: In het bijzonder moet aandacht worden geschonken aan de behandeling van colli bij de voorbereiding van het vervoer, het soort schip waarmee de colli moeten worden vervoerd en de laad- en

80 losmethoden, zodat een niet opzettelijke beschadiging door schuiven van de colli over de bodem of door foutieve behandeling van de colli wordt vermeden Indien richtinggevende pijlen zijn voorgeschreven, moeten de colli en oververpakkingen in overeenstemming met deze kenmerking worden opgesteld. Opmerking: Vloeibare gevaarlijke goederen moeten, indien mogelijk, onder droge gevaarlijke goederen worden gestuwd Gevaarlijke goederen moeten ten minste 1 m verwijderd van woning, machinekamers, van het stuurhuis en van warmtebronnen worden geplaatst. Indien woning of het stuurhuis boven een laadruim zijn aangebracht mogen gevaarlijke goederen niet onder deze woning of het stuurhuis worden geplaatst Colli moeten worden beschermd tegen hitte, zonnestraling en weersinvloeden. Dit is niet van toepassing op voertuigen, wagens, tankcontainers, transporttanks, MEGC s en containers. Colli, die niet in voertuigen, wagens of containers, maar aan dek zijn geplaatst, moeten met behulp van moeilijk ontvlambare zeilen zijn afgedekt. De ventilatie mag niet worden belemmerd Gevaarlijke goederen moeten in de laadruimen zijn geplaatst, echter goederen verpakt of verladen - in containers met volwandige, spuitwaterdichte wanden; - in MEGC s - in voertuigen of wagens met volwandige, spuitwaterdichte wanden; - tankcontainers of transporttanks; - en tankwagens of reservoirwagens mogen in de beschermde zone aan dek worden vervoerd Colli met goederen van klassen 3, 4.1, 4.2, 5.1 en 8 kunnen aan dek in de beschermde zone worden geplaatst indien vaten worden gebruikt of ze zich in volwandige containers of volwandige voertuigen of wagens bevinden. Goederen van klasse 2 mogen aan dek in de beschermde zone worden geplaatst indien ze zich in flessen bevinden Bij zeeschepen wordt geacht te zijn voldaan aan de stuwagevoorschriften als bedoeld in tot en met hierboven, indien wordt voldaan aan de voorschriften van de IMDG code en in het geval van losgestort vervoer van gevaarlijke goederen aan de stuwvoorschriften van Hoofdstuk 9.3 van de IMSBC code Behandeling en stuwen van radioactieve stoffen Scheiding Opmerking 1: Kritische groep is een groep personen uit het publiek die redelijk homogeen is met betrekking tot haar blootstelling aan een aanwezige stralingsbron en blootstellingsweg en die kenmerkend is voor individuen die door de aanwezige blootstellingsweg van de aanwezige stralingsbron de hoogste effectieve dosis ontvangen. Opmerking 2: Personen uit het publiek zijn in het algemeen de individuen uit de bevolking, uitgezonderd degenen die beroepsmatig of om medische redenen aan straling worden blootgesteld. Opmerking 3: Werknemers zijn alle personen die full-time, part-time of tijdelijk voor een werkgever werken en die erkende rechten en plichten hebben met betrekking tot beroepsmatige stralingsbescherming Colli, oververpakkingen, containers, tanks en voertuigen en wagens die radioactieve stoffen bevatten en onverpakte radioactieve stoffen, moeten tijdens het vervoer zijn gescheiden: a) van werknemers op regelmatig gebruikte werkplekken: i) overeenkomstig tabel A hieronder; of ii) door afstanden berekend uitgaande van een criterium voor de dosis van 5 msv per jaar en conservatieve waarden voor de parameters van de modellen;

81 Opmerking: Werknemers die vallen onder individueel toezicht voor doeleinden van stralingsbescherming, moeten niet in aanmerking worden genomen voor segregatiedoeleinden. b) van leden van de kritische groep uit het publiek, op plaatsen waar het publiek regelmatig toegang heeft: i) overeenkomstig tabel A hieronder; of ii) door afstanden berekend uitgaande van een criterium voor de dosis van 1 msv per jaar en conservatieve waarden voor de parameters van de modellen; c) van niet-ontwikkelde fotografische films en postzakken: i) overeenkomstig tabel B hieronder; of ii) door afstanden berekend uitgaande van een criterium voor de blootstelling aan straling van nietontwikkelde fotografische film als gevolg van het vervoer van radioactieve stoffen van 0,1 msv per verzending van een dergelijke film; en Opmerking: Er wordt verondersteld dat postzakken niet-ontwikkelde fotografische films en platen bevatten en dat ze derhalve op dezelfde wijze van radioactieve stoffen moeten worden gescheiden. d) van andere gevaarlijke goederen overeenkomstig Tabel A: Minimumafstanden tussen colli van categorie II-GEEL of van categorie III-GEEL en personen Som van de transportindices BLOOTSTELLINGSDUUR PER JAAR (UREN) niet hoger dan Plaatsen waar personen uit het publiek Regelmatig gebruikte werkplekken regelmatig toegang hebben Scheidingsafstand in meters, geen tussenliggend afschermingsmateriaal, van: , ,5 4 0,5 1,5 8 2,5 6 1,0 2, ,5 1, ,5 1, ,5 13,5 2,5 5,5 50 6,5 15,5 3 6,5 Tabel B: Minimumafstanden tussen colli van categorie II-GEEL of van categorie III-GEEL en colli met het opschrift "FOTO" of postzakken Totaal aantal colli niet hoger dan Som van de transportindices niet hoger dan DUUR VAN HET VERVOER OF VAN DE TUSSENOPSLAG, IN UREN CATEGORIE III-GEEL II-GEEL Minimale afstand in meters

82 ,2 0, ,5 0,5 0,5 0, , ,5 0,5 0, , ,5 0, , , , Colli of oververpakkingen van categorie II-GEEL of III-GEEL mogen niet worden vervoerd in compartimenten waarin passagiers verblijven, behalve in compartimenten die uitsluitend gereserveerd zijn voor koeriers die speciale toestemming hebben om dergelijke colli of oververpakkingen te begeleiden Geen andere personen dan de schipper van het schip of de chauffeur van het voertuig aan boord, personen die om ambtelijke redenen aan boord zijn en andere bemanningsleden mogen worden toegelaten aan boord van schepen die colli, oververpakkingen of containers vervoeren, voorzien van etiketten van de categorie II-GEEL of III-GEEL Grenswaarden van de activiteit De totale activiteit in een laadruim, in een afdeling van het schip of in een ander vervoermiddel mag voor het vervoer van LSA-stoffen of SCO-voorwerpen in colli van type IP-1, type IP-2, type IP-3 of onverpakt niet meer bedragen dan de in tabel C aangegeven grenswaarden. Tabel C: Grenswaarden van de activiteit per vervoermiddel voor LSA-stoffen en SCO in industriële colli of onverpakt Aard van de stof of het voorwerp Grenswaarde van de activiteit voor andere vervoermiddelen dan een schip Grenswaarde van de activiteit voor een laadruim of een afdeling van een schip LSA-I onbeperkt onbeperkt LSA-II en LSA-III niet brandbare vaste stoffen onbeperkt 100 A 2 LSA-II en LSA-III brandbare vaste stoffen en alle vloeistoffen en gassen 100 A 2 10 A 2 SCO 100 A 2 10 A Stuwage tijdens het vervoer en tussenopslag De zendingen moeten op veilige wijze worden gestuwd Onder voorwaarde dat de gemiddelde warmtestroomdichtheid aan het oppervlak 15 W/m 2 niet overschrijdt en de goederen in de directe omgeving niet in zakken zijn verpakt, mag een collo of een oververpakking zonder bijzondere bepalingen tezamen met andere verpakte goederen worden vervoerd of opgeslagen tenzij de bevoegde autoriteit uitdrukkelijk iets anders bepaalt in het Certificaat van Goedkeuring dat van toepassing is Het laden van containers en de accumulatie van colli, oververpakkingen en containers moet als volgt gecontroleerd worden: a) Behalve onder de voorwaarden van exclusief gebruik en het vervoer van LSA-I-stoffen, moet het totale aantal colli, oververpakkingen en containers in één vervoermiddel dusdanig worden beperkt dat de totale som van de transportindices van het vervoermiddel de in Tabel D hieronder aangegeven waarden niet overschrijdt. b) Het stralingsniveau onder routinematige vervoersomstandigheden mag op geen enkel punt van het uitwendige oppervlak van het vervoermiddel 2 msv/h en op een afstand van 2 m van het buitenoppervlak van het vervoermiddel 0,1 msv/h overschrijden, met uitzondering van zendingen die

83 onder exclusief gebruik worden vervoerd, waarvoor grenswaarden voor het stralingsniveau in de omgeving van het vervoermiddel in b) en c) zijn vastgelegd. c) De totale som van de criticaliteit-veiligheidsindices in een container en aan boord van een vervoermiddel mag niet meer bedragen dan de in Tabel E hieronder aangegeven waarden. Tabel D: Grenswaarden voor de transportindex voor containers, vervoermiddelen niet onder exclusief gebruik Type container of vervoermiddel Grenswaarde voor de totale som van transportindices in een container, of in een vervoermiddel Kleine container 50 Grote container 50 Voertuig of wagen 50 Schip 50 Tabel E: Criticaliteits-veiligheidsindex voor containers en vervoermiddelen die splijtbare stoffen bevatten Type container of vervoermiddel Grenswaarde voor de totale som van criticaliteits-veiligheidsindices Niet onder exclusief gebruik Onder exclusief gebruik Kleine container 50 niet van toepassing Grote container Voertuig of wagen Schip Alle colli of oververpakkingen met een transportindex hoger dan 10 of alle zendingen met een criticaliteitsveiligheidsindex groter dan 50, mogen alleen onder exclusief gebruik worden vervoerd Het stralingsniveau mag bij zendingen, die onder exclusief gebruik in voertuigen of wagens worden vervoerd, de volgende waarden niet overschrijden: a) 10 msv/h op enig punt van het uitwendige oppervlak van elk collo of elke oververpakking; en mag alleen meer bedragen dan 2 msv/h indien: i) het voertuig of de wagen is voorzien van een omhulling die tijdens routinematige vervoersomstandigheden de toegang van onbevoegde personen tot het inwendige van de omhulling verhindert, ii) maatregelen zijn getroffen om het collo of de oververpakking dusdanig vast te zetten dat zijn positie binnen de omhulling van het voertuig of wagen tijdens routinematige vervoersomstandigheden gefixeerd blijft, en iii) tijdens het vervoer geen laden of lossen plaatsvindt; b) 2 msv/h op enig punt van de buitenoppervlakken van het voertuig of de wagen, met inbegrip van het boven- en onderoppervlak, of, in het geval van een open voertuig of wagen, op enig punt van de verticale vlakken in het verlengde van de buitenkanten van het voertuig of de wagen, op het bovenoppervlak van de lading en op het uitwendige onderoppervlak van het voertuig of de wagen, en c) 0,1 msv/h op enig punt op 2,00 m vanaf de verticale vlakken, voorgesteld door de buitenste zijvlakken van het voertuig of de wagen, of, indien de lading wordt vervoerd in een open voertuig of wagen, op enig punt op 2,00 m vanaf de verticale vlakken in het verlengde van de buitenkanten van het voertuig of de wagen Colli of oververpakkingen met een hoger stralingsniveau aan het oppervlak dan 2 msv/h mogen, behalve indien zij in of op een voertuig of wagen onder exclusief gebruik worden vervoerd, en behalve indien zij van het voertuig of de wagen worden afgenomen wanneer zij aan boord van het schip zijn, mogen met een schip alleen op grond van een speciale regeling worden vervoerd.

84 Voor het vervoer van zendingen met een speciaal schip, dat op grond van zijn ontwerp of omdat het is gecharterd uitsluitend voor het vervoer van radioactieve stoffen bestemd is, zijn van de voorschriften in uitgezonderd, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a) Voor het vervoer moet een stralingsbeveiligingsprogramma door de bevoegde autoriteit van het land waar het schip geregistreerd is en, op verzoek, door de bevoegde autoriteiten van iedere aanloophaven van de landen van doorvoer, goedgekeurd zijn; b) Voor de totale route moet vooruit een stuwplan worden opgesteld voor de gehele reis met inbegrip van de toeladingen in de aanloophavens; en c) De belading, het vervoer en lossen van de zendingen moet onder toezicht staan van personen die voor het vervoer van radioactieve stoffen gekwalificeerd zijn Scheiding van colli met splijtbare stoffen tijdens het vervoer en tussenopslag Iedere groep van colli, oververpakkingen en containers, die splijtbare stof bevatten en op een opslagterrein voor tussenopslag zijn opgeslagen, moet zodanig zijn beperkt, dat de totale som van de criticaliteits-veiligheidsindices in de groep niet meer bedraagt dan 50. Iedere groep moet dusdanig worden opgeslagen dat tussen deze groepen en andere dergelijke groepen een ruimte van ten minste 6 m wordt aangehouden In de gevallen waarin de totale som van de criticaliteits-veiligheidsindices aan boord van een voertuig, een wagen of in een container meer bedraagt dan 50, zoals toegestaan in Tabel E hierboven, moet de opslag zodanig plaatsvinden dat ten opzichte van andere groepen van colli, oververpakkingen of containers met splijtbare stoffen of ten opzichte van andere voertuigen of wagens met radioactieve stoffen een ruimte van ten minste 6 m aangehouden blijft. De tussenruimte tussen de groepen kan voor andere gevaarlijke goederen van het ADN worden gebruikt. Het vervoer van andere goederen tezamen met zendingen onder exclusief gebruik is toegestaan onder voorwaarde dat de voorzorgsmaatregelen daarvoor door de afzender zijn getroffen en het vervoer niet op grond van andere voorschriften verboden is Splijtbare stoffen die voldoen aan een van de bepalingen a) tot en met f) van moeten voldoen aan de volgende voorschriften: a) Per zending is slechts één van de bepalingen a) tot en met f) van toegestaan; b) Per zending is slechts één splijtbare stof in colli geclassificeerd conform f toegestaan, tenzij in het Certificaat van Goedkeuring meerdere stoffen zijn toegestaan; c) Splijtbare stoffen in colli die conform c) zijn geclassificeerd, moeten worden vervoerd in een zending die ten hoogste 45 g splijtbare nucliden bevat; d) Splijtbare stoffen in colli die conform d) zijn geclassificeerd, moeten worden vervoerd in een zending die ten hoogste 15 g splijtbare nucliden bevat; e) Onverpakte of verpakte splijtbare stoffen die conform e) zijn geclassificeerd, moeten worden vervoerd in een voertuig met ten hoogste 45 g splijtbare nucliden Beschadigde of lekkende colli, besmette verpakkingen Indien het duidelijk is dat een collo beschadigd is of lekt, of indien er wordt vermoed dat het collo kan hebben gelekt of beschadigd kan zijn, moet toegang tot het collo worden beperkt en een gekwalificeerd persoon moet zo snel mogelijk de omvang van de besmetting en het resulterende stralingsniveau van het collo vaststellen. De omvang van de vaststelling moet zich uitstrekken tot het collo, het voertuig, de wagen, de aangrenzende laad- en losplaatsen, en, zo nodig, tot alle andere goederen die in het schip zijn vervoerd. Zo nodig moeten, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit vastgestelde bepalingen, aanvullende maatregelen ter bescherming van personen, bezittingen en het milieu worden getroffen om de gevolgen van een dergelijke lekkage of schade te ondervangen en tot een minimum te beperken.

85 Beschadigde colli of colli waaruit meer radioactieve inhoud lekt dan de toegestane grenswaarden voor normale vervoersomstandigheden mogen onder toezicht worden overgebracht naar een aanvaardbare, tijdelijke tussenopslagplaats onder toezicht, maar mogen pas verder worden vervoerd nadat ze zijn hersteld of gereconditioneerd en ontsmet Voertuigen, wagens, schepen en uitrusting, die regelmatig worden gebruikt voor het vervoer van radioactieve stoffen, moeten periodiek worden gecontroleerd om het besmettingniveau te bepalen. De frequentie van dergelijke controles moet verband houden met de waarschijnlijkheid van besmetting en de mate waarin radioactieve stoffen worden vervoerd Behoudens het bepaalde in moet elk schip, de uitrusting of gedeelten daarvan dat/die in de loop van het vervoer van de radioactieve stoffen besmet is/zijn geraakt tot een niveau hoger dan de in gespecificeerde grenswaarden, of aan het oppervlak een stralingsniveau vertoont of vertonen van meer dan 5 µsv/h, zo snel mogelijk worden ontsmet door een gekwalificeerd persoon en mag/mogen dat schip of de desbetreffende uitrusting of gedeelten daarvan niet worden hergebruikt tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de afwrijfbare besmetting mag niet meer bedragen dan de in van het ADR gespecificeerde grenswaarden; b) het stralingsniveau dat het gevolg is van de niet-afwrijfbare besmetting mag niet hoger zijn dan 5 µsv/h aan het oppervlak Voor toepassing van mag de afwrijfbare besmetting de volgende grenswaarden niet overschrijden: - 4 Bq/cm 2 voor bèta- en gammastralers en alfastralers van geringe toxiciteit; - 0,4 Bq/cm 2 voor alle andere alfastralers. Deze grenswaarden zijn gemiddelden voor elk vlak van 300 cm 2 van elk deel van het oppervlak De voor het vervoer van radioactieve stoffen onder exclusief gebruik bestemde schepen zijn van de voorschriften van de voorafgaande paragraaf slechts vrijgesteld met betrekking tot de inwendige oppervlakken en alleen zolang zij onder dat specifieke exclusieve gebruik blijven vallen Beperking van de temperatuuruitwerking Indien de temperatuur van toegankelijke uitwendige oppervlakken van een collo van het type B (U) of type B (M) in de schaduw 50 ºC kan overschrijden, mag het vervoer slechts onder exclusief gebruik worden uitgevoerd, waarbij voor zover mogelijk de temperatuur van het uitwendig oppervlak tot 85 ºC moet worden beperkt. Daarbij kan met afsluitingen en scheidingswanden, bestemd om het bij het vervoer betrokken personeel te beschermen, rekening worden gehouden zonder dat deze afschermingen of scheidingswanden zijn beproefd Indien de gemiddelde warmtestroomdichtheid aan de buitenzijde van een collo van het type B (U) of B (M) 15 W/m² kan overschrijden, dan moet voldaan worden aan de speciale stuwvoorschriften, die in het Certificaat van Goedkeuring van het model van het collo door de bevoegde autoriteit zijn aangegeven Overige voorschriften Indien noch de afzender noch de geadresseerde kan worden vastgesteld, of indien de zending niet aan de geadresseerde kan worden afgeleverd en de vervoerder heeft geen instructies van de afzender, moet de zending op een veilige plaats worden opgeslagen en de bevoegde autoriteit moet zo spoedig mogelijk worden ingelicht en een verzoek moet worden gedaan om aanwijzingen te verstrekken hoe verder moet worden gehandeld Maatregelen na het lossen Na het lossen van gevaarlijke goederen moeten de laadruimen gecontroleerd en indien noodzakelijk gereinigd worden. Dit voorschrift is niet van toepassing bij los gestort vervoer, indien de nieuwe lading uit dezelfde stof als de voorgaande lading bestaat Voor stoffen van klasse 7 zie ook

86 Een laadeenheid of laadruim dat is gebruikt om infectueuze stoffen te vervoeren moet worden geïnspecteerd op vrijkomen van de stof vóór hergebruik. Indien de infectueuze stoffen zijn vrijgekomen tijdens het vervoer moet de transporteenheid of laadruim worden ontsmet vóór zij opnieuw worden gebruikt. Ontsmetting kan worden bereikt met elk middel dat de vrijgekomen infectueuze stof effectief onwerkzaam maakt Te nemen maatregelen tijdens het laden, vervoeren, lossen en behandelen van de lading Zonder speciale toestemming van de bevoegde autoriteit is het vullen en ledigen van houders, tankvoertuigen, reservoirwagens, IBC s, grote verpakkingen, MEGC s, transporttanks of tankcontainers aan boord van het schip verboden (Gereserveerd) Vuur en onbeschermd licht Het is verboden, vuur of onbeschermd licht te gebruiken, indien stoffen en voorwerpen van de subklassen 1.1, 1.2, 1.3, 1.5 of 1.6 van klasse 1 aan boord zijn en de laadruimen geopend zijn, of indien de te laden goederen zich binnen een afstand van minder dan 50 m van het schip bevinden (Gereserveerd) Elektrische inrichtingen Tijdens het laden en lossen van stoffen en voorwerpen van de subklassen 1.1, 1.2, 1.3, 1.5 of 1.6 van klasse 1 mogen geen radio- of radarzenders worden gebruikt. Dit is niet van toepassing op VHF-zenders van het schip, in kranen of in de nabijheid van het schip, voor zover het vermogen van de VHF-zender niet groter is dan 25 W en geen deel van zijn antenne zich binnen een afstand van 2,00 m van de hiervoor genoemde stoffen bevindt (Gereserveerd) Verlichting Tijdens het laden of lossen bij nacht of slecht zicht moet voor een doeltreffende verlichting worden gezorgd. Indien deze vanaf dek plaatsvindt, moet deze door goed bevestigde elektrische lampen geschieden die zo zijn geplaatst dat zij niet kunnen worden beschadigd. Indien deze lampen in de beschermde zone aan dek zijn aangebracht moeten zij van het type "beperkt explosieveilig" zijn (Gereserveerd) Gevaar voor vonkvorming Elektrisch geleidende verbindingen tussen schip en wal evenals werktuigen, die in de beschermde zone worden gebruikt moeten zodanig zijn vervaardigd, dat zij geen ontstekingsbron vormen Kunststoftrossen Tijdens het laden en lossen mag het schip slechts dan met kunststoftrossen worden vastgelegd, indien afdrijven van het schip door staaltrossen wordt verhinderd. Staaltrossen met een omwikkeling van kunststof- of natuurlijke vezels gelden als gelijkwaardig, indien de conform het Reglement waarnaar in wordt verwezen vereiste minimum treksterkte alleen door de staaldraadstrengen wordt bereikt.

87 Schepen mogen echter tijdens het laden of lossen van containers met behulp van kunststof trossen worden vastgelegd Mogelijke evacuatiemiddelen in geval van nood Droge lading lost gestort (schip en duwbak) Klasse Container (schipschip en duwbak) en verpakte goederen Klasse Twee vluchtroutes binnen of buiten de beschermde zone in tegenovergestelde richtingen Eén vluchtroute buitende beschermde zone en één vluchtoord buiten het schip, met inbegrip van de vluchtroute daarheen, aan het tegenoverliggende einde Eén vluchtroute buiten de beschermde zone en één vluchtoord aan boord van het schip aan het tegenoverliggende einde Eén vluchtroute buiten de beschermde zone en één bijboot aan het tegenoverliggende einde Eén vluchtroute buiten de beschermde zone en één vluchtboot aan het tegenoverliggende einde Eén vluchtroute binnen de beschermde zone en één vluchtroute buiten de ladingzone aan het tegenoverliggende uiteinde Eén vluchtroute binnen de beschermde zone en één vluchtoord buiten het schip in de tegenovergestelde richting Eén vluchtroute binnen de beschermde zone en één vluchtoord op het schip in de tegenovergestelde richting Eén vluchtroute binnen de beschermde zone en één bijboot aan het tegenoverliggende einde Eén vluchtroute binnen de beschermde zone en één vluchtboot aan het tegenoverliggende einde Eén vluchtroute binnen of buiten de beschermde zone en twee veilige vluchtoorden aan boord van het schipschip aan tegenoverliggende einden Eén vluchtroute binnen of buiten de beschermde zone en twee veilige zones aan boord van het schipschip aan tegenoverliggende einden 4.1, 4.2, , 6.1, 7, 8, 9 Alle klassen 13 Eén vluchtroute buiten de beschermde zone 14 Eén vluchtroute binnen het beschermde zone Een of meer veilige vluchtoorden buiten het schipschip, met inbegrip van de vluchtroute daarheen Een of meer veilige vluchtoorden aan boord van het schip 17 Een of meer vluchtboten 18 Eén vluchtboot en één reddingsboot

88 Droge lading lost gestort (schip en duwbak) Klasse Container (schipschip en duwbak) en verpakte goederen Klasse 4.1, 4.2, , 6.1, 7, 8, 9 Alle klassen 19 Een of meer reddingsboten = Mogelijke optie. De bevoegde autoriteit kan op basis van de plaatselijke omstandigheden aanvullende voorschriften uitvaardigen omtrent de beschikbaarheid van evacuatiemiddelen (Gereserveerd)

89 7.1.5 Aanvullende operationele voorschriften Seinvoering Schepen, die de in hoofdstuk 3.2, Tabel A genoemde gevaarlijke goederen vervoeren, moeten de in kolom (12) van deze Tabel aangegeven seinvoering conform Artikel 3.14 van de CEVNI voeren Schepen, die de in hoofdstuk 3.2, Tabel A genoemde verpakte, gevaarlijke goederen uitsluitend in containers vervoeren, moeten de blauwe kegels of blauwe lichten als bedoeld in kolom (12) van Tabel A van hoofdstuk 3.2 voeren indien: - drie blauwe kegels of drie blauwe lichten zijn vereist, of - twee blauwe kegels of twee blauwe lichten zijn vereist, een stof van klasse 2 is betrokken of verpakkingsgroep I is aangegeven in kolom (4) van tabel A van hoofdstuk 3.2 en de totale bruto massa van deze gevaarlijke goederen overschrijdt kg, of - één blauwe kegel of één blauw licht is vereist, een stof van klasse 2 is betrokken of verpakkingsgroep I is aangegeven in kolom (4) van tabel A van hoofdstuk 3.2 en de totale bruto massa van deze gevaarlijke goederen overschrijdt kg Schepen die lege ongereinigde tanks, batterijwagens (weg), batterijwagens (spoor) of MEGC's vervoeren, moeten de seinvoering als bedoeld in kolom (12) van tabel A van hoofdstuk 3.2 voeren, indien deze laadeenheden gevaarlijke goederen hebben bevat waarvoor deze tabel een seinvoering voorschrijft Indien een schip onder meerdere voorschriften met betrekking tot de seinvoering valt, moet worden voldaan aan die seinvoering die hieronder als eerste is genoemd: - drie blauwe kegels of drie blauwe lichten; - twee blauwe kegels of twee blauwe lichten; - een blauwe kegel of een blauw licht In afwijking van hierboven en in overeenstemming met de voetnoten bij artikel 3.14 van de CEVNI kan de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij zeeschepen die tijdelijk opereren in een binnenvaartgebied op het grondgebied van deze Overeenkomstsluitende Partij het gebruik toestaan van dag- en nachtseinen die zijn omgeschreven in de Recommendations on the Safe Transport of Dangerous Cargoes and Related Activities in Port Areas aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie (bij nacht een rondom zichtbaar rood licht en bij dag de B vlag van het Internationale Seinboek) in plaats van de seinvoering voorgeschreven in De bevoegde autoriteit die het initiatief heeft genomen met betrekking tot de toegestane afwijking stelt Secretaris Generaal van de UNECE op de hoogte, die de afwijking onder de aandacht brengt van het Administratief Comité Wijze van scheepvaart De bevoegde autoriteiten kunnen beperkingen opleggen aan de opname van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren in duwstellen van grote afmeting Indien schepen stoffen of voorwerpen van klasse 1 en goederen van de klasse 4.1 of 5.2 vervoeren, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (12) het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven en goederen van de klasse 7, UN-nummers 2912, 2913, 2915, 2916, 2917, 2919, 2977, 2978 en 3321 tot en met 3333, kan de bevoegde autoriteit beperkingen opleggen aan de dimensies van duwstellen of gekoppelde samenstellen. Desondanks is het gebruik van een motorschip dat tijdelijk hulp verleent als voorspan toegestaan Varende schepen Schepen, die stoffen of voorwerpen van klasse 1 of goederen van klasse 4.1 of 5.2, vervoeren, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (12) het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, moeten tijdens de vaart, voor zover mogelijk, een afstand van ten minste 50 m van ieder ander schip in acht nemen.

90 Meren Schepen moeten stevig, doch zodanig worden vastgemaakt, dat ze in geval van gevaar snel kunnen worden los gemaakt Ligplaats nemen Schepen, die gevaarlijke goederen vervoeren, mogen geen ligplaats nemen ten opzichte van andere schepen op een geringere afstand als in de Europese code voor binnenwateren (CEVNI) is voorgeschreven Aan boord van aangemeerde schepen, die een seinvoering als bedoeld in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (12) moeten voeren, moet zich permanent een deskundige als bedoeld in bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter de schepen, die in een haven of op daarvoor toegelaten plaatsen ligplaats hebben genomen van deze verplichting ontslaan Buiten de door de bevoegde autoriteit speciaal aangegeven ligplaatsen mag bij het ligplaats nemen de onderstaande afstanden niet minder zijn dan: m van woongebieden, kunstwerken en opslagtanks die gas of brandbare vloeistoffen bevatten, indien het schip conform hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (12) een seinvoering met één blauwe kegel of één blauw licht moet voeren; m van kunstwerken en opslagtanks die gas of brandbare vloeistoffen bevatten en 300 m van woongebieden, indien het schip conform hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (12) een seinvoering met twee blauwe kegels of twee blauwe lichten moet voeren; - 500m van woongebieden, kunstwerken en opslagtanks die gas of brandbare vloeistoffen bevatten, indien het schip conform hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (12) een seinvoering met drie blauwe kegels of drie blauwe lichten moet voeren. Tijdens het wachten voor sluizen of bruggen is het toegestaan afwijkende en geringere afstanden aan te houden. In geen geval mag de afstand korter zijn dan 100 m De bevoegde autoriteit kan met het oog op de plaatselijke omstandigheden geringere als de in genoemde afstanden toelaten Stilleggen van de schepen Indien de vaart van een schip, dat stoffen en voorwerpen van klasse 1 of stoffen van klasse 4.1 of 5.2 vervoert, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (12) het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, gevaar dreigt op te leveren ten gevolge van, - hetzij invloeden van buitenaf (slecht weer, ongunstige toestand van de vaarweg, enz.), of - hetzij de toestand van het schip zelf (ongeval of incident), moet het schip, ongeacht de voorschriften als bedoeld in , op een geschikte ligplaats, zover mogelijk verwijderd van woonhuizen, havens, kunstwerken of opslagplaatsen voor gassen of brandbare vloeistoffen, worden afgemeerd. De bevoegde autoriteit moet onverwijld op de hoogte worden gesteld (Gereserveerd) Meldingsplicht In de Staten waar de meldingsplicht van kracht is, moet de schipper van een schip de informatie verschaffen conform paragraaf (Geschrapt) (Geschrapt) (Geschrapt)

91 (Gereserveerd) Aanvullende eisen (Gereserveerd) Los gestort Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan, indien zij in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (11) worden vermeld: CO01: CO02: CO03: ST01: ST02: RA01: De oppervlakken van de laadruimen moeten zo zijn bekleed of behandeld, dat zij moeilijk ontvlambaar zijn en dat impregnering door de lading is uitgesloten. Alle delen van de laadruimen en de luiken, die met deze stof in aanraking kunnen komen, moeten van metaal of van hout met een specifieke dichtheid van ten minste 0,75 kg/dm 3 (luchtdroog) vervaardigd zijn. De binnenzijden van de laadruimen moeten zo zijn bekleed of behandeld, dat corrosie is uitgesloten. Deze stof moet gestabiliseerd zijn in overeenstemming met de op ammoniumnitraathoudende meststoffen betrekking hebbende voorschriften van de IMSBC code. De wijze van stabiliseren moet door de afzender in het vervoersdocument zijn bevestigd. In de staten, waar dit is voorgeschreven, is het losgestorte vervoer van deze stoffen slechts toegestaan met toestemming van de bevoegde autoriteit. Het los gestort vervoer van deze stof is slechts toegestaan indien met behulp van de TROG-test conform subsectie 38.2 van het Handboek beproevingen en criteria is vastgesteld dat de voortplantingssnelheid van de zelf onderhoudende ontleding niet meer dan 25 cm/h bedraagt. Het los gestort vervoer van deze stoffen is toegestaan onder voorwaarde dat a) bij stoffen, met uitzondering van natuurlijke ertsen, het vervoer onder exclusief gebruik plaatsvindt en onder normale vervoersomstandigheden geen verlies van de inhoud uit het schip en geen verlies van de afscherming aan boord van het schip kan optreden; of b) bij natuurlijke ertsen het vervoer onder exclusief gebruik plaatsvindt. RA02: Het vervoer van deze stoffen is slechts toegestaan, indien: a) ze zodanig in een schip worden vervoerd, dat onder normale vervoersomstandigheden geen verlies van de inhoud en geen verlies van de afscherming optreedt; b) ze onder exclusief gebruik worden vervoerd, indien de besmetting op de toegankelijke en de ontoegankelijke oppervlakken voor bèta- en gammastralers en alfastralers van geringe toxiciteit 4 Bq/cm² (10-4 µci/cm 2 ) of voor alle andere alfastralers 0,4 Bq/cm² (10-5 µci/cm 2 ) overschrijdt; c) maatregelen zijn getroffen, om er zeker van te zijn, dat de radioactieve stof niet in het schip vrij kan komen, indien verwacht wordt dat een afwrijfbare besmetting op de ontoegankelijke oppervlakken 4 Bq/cm² (10-4 µci/cm 2 ) voor bèta- en gammastralers en alfastralers van geringe toxiciteit of 0,4 Bq/cm² (10-5 µci/cm 2 ) voor alle andere alfastralers overschrijdt. Voorwerpen met besmetting aan het oppervlak van de SCO II-groep mogen niet los gestort worden vervoerd. RA03: Samengevoegd met RA02.

92 Ventilatie Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan, indien zij in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (10) worden vermeld: VE01: VE02: VE03: VE04 Laadruimen, die deze stof bevatten moeten met het volle vermogen van de ventilatoren worden geventileerd indien na meting is vastgesteld dat de gasconcentratie van vanuit de lading komende gassen boven 10% van de onderste explosiegrens komt. Deze meting moet direct na het laden worden uitgevoerd. Een herhalingsmeting moet na één uur worden uitgevoerd. Deze meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd. Laadruimen, die deze stof bevatten moeten met het volle vermogen van de ventilatoren worden geventileerd indien na meting is vastgesteld dat de laadruimen niet vrij van vanuit de lading komende gassen zijn. Deze meting moet direct na het laden worden uitgevoerd. Een herhalingsmeting moet na één uur worden uitgevoerd. Deze meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd. Bij schepen die deze stoffen alleen in containers in open laadruimen bevatten, is het toegestaan de laadruimen die dergelijke containers bevatten in plaats daarvan enkel dan met het volle vermogen van de ventilatoren te ventileren wanneer het vermoeden bestaat dat zij niet vrij zijn van gassen. Vóór het lossen moet de losser van dit vermoeden in kennis worden gesteld. Ruimten, zoals laadruimen, woning en machinekamers, die grenzen aan een laadruim dat deze stoffen bevat, moeten worden geventileerd. De laadruimen die deze stoffen hebben bevat moeten na het lossen mechanisch worden geventileerd. Na het ventileren moet de gasconcentratie in deze laadruimen worden gemeten. Deze meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd. Indien spuitbussen conform 3.3, Bijzondere bepaling 327 van Deel 3 voor hergebruik of voor verwijderingsdoeleinden worden vervoerd, zijn de Bijzondere bepalingen VE01 en VE02 van toepassing Maatregelen die vóór het laden genomen moeten worden Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan, indien zij in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (11) worden vermeld: LO01: LO02: LO03: LO04: LO05: Vóór het laden van deze stoffen of voorwerpen moet men zich ervan overtuigen dat metalen voorwerpen, die geen geïntegreerd deel van het schip zijn, in het laadruim niet aanwezig zijn. Deze stoffen mogen slechts los gestort worden geladen, indien de temperatuur ervan niet hoger is dan 55 C. Vóór het los gestort of onverpakt laden van deze stof moeten de betreffende laadruimen zo droog mogelijk zijn gemaakt. Vóór het los gestort laden van deze stof moet los organisch materiaal uit de laadruimen worden verwijderd. Vóór het vervoer van drukvaten moet men er zeker van zijn dat de druk ten gevolge van een eventuele waterstofvorming niet is gestegen Behandelen en stuwen van de lading Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan, indien zij in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (11) worden vermeld: HA01: HA02: HA03: Deze stoffen of voorwerpen moeten ten minste 3,00 m verwijderd van de woning, machinekamers, van het stuurhuis en van warmtebronnen worden geplaatst. Deze stoffen of voorwerpen moeten ten minste 2,00 m van de verticale vlakken begrensd door de huid van het schip worden geplaatst. Tijdens de behandeling van deze stoffen of voorwerpen moet wrijving, stoten, schokken, kantelen en vallen worden vermeden.

93 Alle zich in hetzelfde laadruim bevindende colli moeten zo worden geplaatst en vastgezet, dat schokken en wrijvingen tijdens het vervoer worden voorkomen. Het is verboden op colli met deze stoffen of voorwerpen ongevaarlijke goederen te plaatsen. Indien deze stoffen of voorwerpen met andere goederen in hetzelfde laadruim worden geladen, moeten zij na alle andere goederen worden geladen en vóór alle andere goederen worden gelost. Deze stoffen of voorwerpen hoeven niet na alle andere goederen te worden geladen en vóór alle andere goederen te worden gelost indien zij zich in containers bevinden. Tijdens het laden of lossen van deze stoffen of voorwerpen mogen andere laadruimen en brandstoftanks niet worden geladen of gelost. De bevoegde autoriteit kan evenwel afwijkingen van deze bepaling toestaan. HA04: HA05: HA06: HA07: HA08: HA09: HA10: Samengevoegd met HA03 Samengevoegd met HA03 Samengevoegd met HA03 Het is verboden deze goederen los gestort of onverpakt te laden of te lossen indien het gevaar bestaat dat de stof door de heersende weersomstandigheden nat wordt. Indien de, met deze goederen beladen colli, niet in een container zijn geplaatst, moeten ze op roosters geplaatst en met waterdichte zeilen afgedekt worden, die zodanig zijn aangebracht dat het water naar de buitenzijde afloopt en de ventilatie niet wordt gehinderd. Indien deze goederen los gestort vervoerd worden, mogen in hetzelfde laadruim geen brandbare stoffen worden geplaatst. Deze goederen moeten aan dek in de beschermde zone worden geplaatst. Zeeschepen worden geacht aan deze stuwagevoorschriften te voldoen indien aan de voorschriften van de IMDG Code is voldaan (Gereserveerd) Maatregelen te treffen tijdens het laden, vervoeren, lossen en behandeling van lading Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan, indien zij in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (11) worden vermeld: IN01: IN02: Na het laden en na het lossen van deze goederen, los gestort of onverpakt, en vóór het verlaten van de overslagplaats moet door de afzender of door de geadresseerde de gasconcentratie in de woning, machinekamers en aangrenzende laadruimen met behulp van een detectiemeter voor brandbaar gas worden gemeten. Alvorens personen de laadruimen betreden en voor het lossen moet de gasconcentratie door de geadresseerde van de lading worden gemeten. Het laadruim mag pas worden betreden en met het lossen mag pas worden aangevangen, indien de gasconcentratie in de vrije ruimte boven de lading beneden 50% van de onderste explosiegrens ligt. Wanneer in deze ruimten van belang zijnde gasconcentraties worden vastgesteld moeten door de afzender of de geadresseerde onmiddellijk de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Indien een laadruim deze goederen los gestort of onverpakt bevat, moet in alle andere ruimten van het schip, die door de bemanning gebruikt worden, ten minste éénmaal per acht uur de gasconcentratie met behulp van een giftigheidsmeter worden gemeten. De meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd.

94 IN03: Indien een laadruim deze goederen los gestort of onverpakt bevat, moet de schipper zich dagelijks overtuigen door controle bij de lensputten of de pompkokers of er op het scheepsvlak in het laadruim geen water staat. Indien op het scheepsvlak in het laadruim water staat moet dit onmiddellijk worden verwijderd (Gereserveerd)

95 HOOFDSTUK 7.2 TANKSCHEPEN Algemene voorschriften De voorschriften tot en met zijn van toepassing op tankschepen (Gereserveerd) Wijze van vervoer van de goederen (Gereserveerd) Vervoer in ladingtanks De stoffen, hun toewijzing aan de diverse typen tankschepen en de bijzondere voorwaarden waaronder ze in deze tankschepen vervoerd mogen worden staan opgesomd in hoofdstuk 3.2, Tabel C Een stof die volgens het gestelde in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (6) in een tankschip van het type N, open, vervoerd moet worden, mag ook in een tankschip van het type N, open, met vlamkerende inrichtingen, N, gesloten, en typen C of G worden vervoerd, onder voorwaarde dat wordt voldaan aan alle vervoersvoorwaarden voorgeschreven voor tankschepen van type N, open, en ook aan alle andere vervoersvoorwaarden voorgeschreven voor deze stoffen in Tabel C van hoofdstuk 3.2 is voldaan Een stof die volgens het gestelde in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (6) in een tankschip van het type N, open, met vlamkerende inrichtingen vervoerd moet worden, mag ook in een tankschip van het type N, gesloten, en typen C of G worden vervoerd, onder voorwaarde dat wordt voldaan aan alle vervoersvoorwaarden voorgeschreven voor tankschepen van type N, open, met vlamkerende inrichtingen, en ook aan alle andere vervoersvoorwaarden voorgeschreven voor deze stoffen in Tabel C van hoofdstuk 3.2 is voldaan Een stof die volgens het gestelde in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (6) in een tankschip van het type N, gesloten, vervoerd moet worden, mag ook in een tankschip van het type C of G worden vervoerd, onder voorwaarde dat wordt voldaan alle vervoersvoorwaarden voorgeschreven voor tankschepen van type N, gesloten, en ook aan alle andere vervoersvoorwaarden voorgeschreven voor deze stoffen in Tabel C van hoofdstuk 3.2 is voldaan Een stof die volgens het gestelde in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (6) in een tankschip van het type C vervoerd moet worden, mag ook in een tankschip van het type G worden vervoerd, onder voorwaarde dat wordt voldaan alle vervoersvoorwaarden voorgeschreven voor tankschepen van type C en ook aan alle andere vervoersvoorwaarden voorgeschreven voor deze stoffen in Tabel C van hoofdstuk 3.2 is voldaan Olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval mag alleen in vuurbestendige houders met deksel of in ladingtanks worden vervoerd Een stof die volgens het gestelde in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (8) in een ladingtank van het type 2 (geïntegreerde ladingtank) vervoerd moet worden, mag ook in een ladingtank van het type 1 (onafhankelijke ladingtank) of in een ladingtank van het type 3 (ladingtankwand geen scheepshuid) van het in Tabel C voorgeschreven scheepstype of van een in t/m voorgeschreven scheepstype worden vervoerd, onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan alle andere vervoersvoorwaarden als voorgeschreven voor deze stof in Tabel C van hoofdstuk Een stof die volgens het gestelde in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (8) in een ladingtank van het type 3 (ladingtankwand geen scheepshuid) vervoerd moet worden, mag ook in een ladingtank van het type 1 (onafhankelijke ladingtank) van het in Tabel C voorgeschreven scheepstype of van een in t/m

96 voorgeschreven scheepstype of in een schip van het type C met een ladingtank van het type 2 (geïntegreerde ladingtank) worden vervoerd, onder de voorwaarde dat ten minste wordt voldaan aan de vervoersvoorwaarden voor het voorgeschreven type N en dat wordt voldaan aan alle andere vervoersvoorwaarden als voorgeschreven voor deze stof in Tabel C van hoofdstuk 3.2 of in t/m (Gereserveerd) Voorschriften van toepassing op schepen Toegestane schepen Opmerking 1: De openingsdruk van de veiligheidsventielen of de snelafblaasventielen moet worden vermeld in het Certficaat van Goedkeuring (zie ) Opmerking 2: De ontwerpdruk en beproevingsdruk van ladingtanks moet worden vermeld in het certificaat van het erkende classificatiebureau zoals voorgeschreven in of of Opmerking 3: Indien een schip ladingtanks vervoert met verschillende openingsdrukken van veiligheidsventielen moet de openingsdruk van elke tank worden vermeld in het Certificaat van Goedkeuring en de ontwerp- en beproevingsdrukken van elke tank in het certificaat van het erkende classificatiebureau Gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd in tankschepen typen N, C of G in overeenstemming met de voorschriften van respectievelijk de hoofdstukken 9.2, 9.3 of 9.4. Het te gebruiken type tankschip is gespecificeerd in kolom (6) van Tabel C van hoofdstuk 3.2 en in Opmerking: De voor vervoer in het individuele schip toegelaten stoffen worden vermeld in de Scheepsstoffenlijst die door het erkende classificatiebureau wordt opgesteld (zie ) (Gereserveerd) Gebruiksaanwijzingen voor apparaten en installaties Indien voor het gebruik van bepaald apparaat of een installatie aan bijzondere veiligheidsregels moet worden voldaan, dan moet de gebruiksaanwijzing van dat speciale apparaat of die installatie gemakkelijk beschikbaar zijn, op geschikte plaatsen aan boord om te worden geraadpleegd en in de taal die normalerwijze aan boord wordt gesproken en, indien die taal niet Engels, Frans of Duits is, ook in Engels, Frans of Duits, tenzij overeenkomsten afgesloten tussen de bij het vervoersproces betrokken landen anders bepalen Gasdetectie-installaties De sensoren van de gasdetectie-installatie moeten een detectiedrempel van ten hoogste 20% van de onderste explosiegrens van de voor vervoer in het schip toegelaten stoffen hebben. De installaties moeten door de bevoegde autoriteit of door een erkend classificatiebureau zijn toegelaten (Gereserveerd) Duwstellen en gekoppelde samenstellen Indien in een duwstel of in een gekoppeld samenstel ten minste één schip in het bezit van een Certificaat van Goedkeuring voor het vervoer van gevaarlijke goederen moet zijn, moeten alle schepen in het duwstel of het gekoppelde samenstel van een op hen afgegeven Certificaat van Goedkeuring zijn voorzien. Schepen, die geen gevaarlijke goederen vervoeren, moeten voldoen aan de voorschriften van

97 Voor de toepassing van de voorschriften van dit Deel wordt het gehele duwstel of het gehele gekoppelde samenstel als één schip beschouwd Indien in het duwstel of het gekoppelde samenstel een tankschip aanwezig is dat gevaarlijke stoffen vervoert, dan moeten de schepen die voor de voortbeweging worden gebruikt voldoen aan de voorschriften in de volgende randnummers: , , , , 8.1.4, 8.1.5, , , 8.1.7, , d), , , , , , , tot en met , tot en met , , , , (echter één brandblus- of ballastpomp is voldoende), , , c), , , t/m , , en Schepen die slechts type N open tankschepen voortbewegen, behoeven niet te voldoen aan de voorschriften van de paragrafen , en In dit geval moet de volgende aantekening in het Certificaat van Goedkeuring of Voorlopig Certificaat van Goedkeuring worden gemaakt onder nummer 5, toegestane afwijkingen: Afwijking van , en ; het schip mag slechts tankschepen van het type N open voortbewegen (Gereserveerd) Veiligheids- en controle inrichtingen Het moet mogelijk zijn het laden of lossen van stoffen van klasse 2 en UN-nummers 1280 en 2983 van klasse 3 te onderbreken door middel van schakelaars, gemonteerd op twee plaatsen aan boord van het schip (voor en achter) en op twee plaatsen aan de wal (direct bij de toegang tot het schip en op voldoende afstand aan wal ). De onderbreking van laden en lossen moet worden bewerkstelligd met behulp van een snel werkende afsluiter rechtstreeks gemonteerd op de buigzame verbindingsleiding tussen het schip en de walinstallatie. Het systeem voor de ontkoppeling moet zijn ontworpen overeenkomstig het principe van het gesloten circuit Openingen van de ladingtanks Indien tijdens het vervoer van stoffen in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (6) een type C-schip is voorgeschreven, moeten de snelafblaasventielen zo zijn ingesteld, dat zij onder normale omstandigheden niet aanspreken terwijl het schip onderweg is (Gereserveerd) Algemene bedrijfsvoorschriften Toegang tot ladingtanks, restladingtanks, pompkamers onder dek, kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten; Controles Kofferdammen moeten leeg zijn. Dagelijks moet worden gecontroleerd of de lege kofferdammen droog zijn. (met uitzondering van condenswater) Het betreden van ladingtanks, restladingtanks, kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten is slechts toegestaan voor het uitvoeren van controles en voor schoonmaakwerkzaamheden Zijtanks en dubbele bodems mogen, terwijl het schip onderweg is, niet worden betreden Indien voor het betreden van ladingtanks, restladingtanks, pompkamers onder dek, kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems of ladingtankruimten de gasconcentratie of het zuurstofgehalte gemeten moet worden, moeten deze meetresultaten schriftelijk worden vastgelegd. De meting mag slechts door personen worden uitgevoerd, die een voor de te vervoeren stof geschikt adembeschermingsapparaat dragen.

98 Deze ruimten mogen ten behoeve van de meting niet worden betreden Voordat personen ladingtanks, pompkamers onder dek, kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten betreden, moet: a) indien met het schip gevaarlijke stoffen van de klassen 2, 3, 4.1, 6.1, 8 of 9 worden vervoerd, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (18) een detectiemeter voor brandbare gassen wordt vereist, moet met behulp van dit apparaat zijn vastgesteld dat de gasconcentratie in deze ladingtanks, pompkamers onder dek, kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems of ladingtankruimten niet hoger is dan 50% van de onderste explosiegrens van de lading. In pompkamers onder dek mag dit met behulp van de vast ingebouwde gasdetectie-installatie worden vastgesteld; b) indien met het schip gevaarlijke stoffen van de klassen 2, 3, 4.1, 6.1, 8 of 9 worden vervoerd, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (18) een giftigheidsmeter is voorgeschreven, moet met behulp van dit apparaat zijn vastgesteld, dat deze ladingtanks, pompkamers onder dek, kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems of ladingtankruimten geen van belang zijnde concentratie van giftige gassen bevatten Het betreden van lege ladingtanks, pompkamers onder dek, kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten is niet toegestaan, tenzij: - er geen gebrek aan zuurstof bestaat en er geen meetbare hoeveelheid gevaarlijke stoffen in gevaarlijke concentraties aanwezig zijn, of - de persoon, die de ruimte betreedt, een van de buitenlucht onafhankelijk adembeschermingsapparaat en andere nodige veiligheids- en reddingsuitrusting draagt en door middel van een veiligheidslijn is beveiligd. Het betreden van deze ruimten mag slechts geschieden onder toezicht van een tweede persoon, voor wie eenzelfde uitrusting gereed is gelegd. Twee extra personen, die in geval van nood hulp kunnen bieden, moeten zich op roepafstand aan boord van het schip bevinden. Indien er een bergingsapparaat gereed staat is één extra persoon reeds voldoende Pompkamers onder dek Pompkamers onder dek moeten bij het vervoer van stoffen van klasse 3, 4.1, 6.1, 8 of 9 dagelijks op lekkage worden gecontroleerd. De bilgen en de lekbakken moeten vrij van product worden gehouden Bij het geven van alarm door de gasdetectie-installatie moet de laad- of loshandeling onmiddellijk worden gestopt. Alle afsluiters moeten worden gesloten en de pompkamer moet direct worden verlaten. Alle toegangsopeningen moeten worden gesloten. Het laden of lossen mag pas dan worden voortgezet nadat de schade is gerepareerd of de storing is verholpen (Gereserveerd) Gasdetectie-installaties Gasdetectie-installaties moeten conform de voorschriften van de fabrikant onderhouden en geijkt worden Ontgassen van lege ladingtanks Het ontgassen van geloste of lege ladingtanks naar de atmosfeer is onder de volgende voorwaarden alleen dan toegestaan indien het op grond van andere internationale of nationale wettelijke voorschriften niet verboden is Geloste of lege ladingtanks die tevoren gevaarlijke stoffen hebben bevat van de klassen 2 of 3 met een Classificatiecode waarin de letter "T" voorkomt in kolom (3b) van tabel C van hoofdstuk 3.2, van klasse 6.1 of van klasse 8 verpakkingsgroep I mogen slechts worden ontgast door bevoegde personen overeenkomstig subsectie , dan wel door ondernemingen die door de bevoegde autoriteit voor dat doel zijn erkend. Ontgassing mag slechts worden uitgevoerd op locaties toegelaten door de bevoegde autoriteit Geloste of lege ladingtanks, die andere dan de onder genoemde gevaarlijke stoffen hebben bevat, mogen tijdens de vaart of op door de bevoegde autoriteit goedgekeurde plaatsen met behulp van geschikte

99 ventilatie-inrichtingen worden ontgast, mits de tankdeksels zijn gesloten en de afvoer van het gas/luchtmengsel via vlamkerende inrichtingen, die een duurbrand kunnen doorstaan, plaatsvindt. Onder normale bedrijfsomstandigheden moet op de plaats van uittreding van het gas/luchtmengsel de concentratie aan product minder dan 50% van de onderste explosiegrens bedragen. Geschikte ventilatie-inrichtingen bij de zuigende ontgassing mogen slechts met een direct op de zuigzijde van de ventilator aangebracht vlamkerende inrichting worden gebruikt. De gasconcentratie moet bij blazende of zuigende werking van de ventilatie-inrichtingen tijdens de eerste twee uren na het begin van het ontgassen ieder uur door een deskundige als bedoeld in worden gemeten. De meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd Indien het ontgassen van ladingtanks, die de in genoemde gevaarlijke stoffen hebben bevat op de door de bevoegde autoriteit aangewezen of voor dit doel toegelaten plaatsen niet praktisch is, kan tijdens de vaart worden ontgast, onder voorwaarde dat: - aan de voorschriften in is voldaan, waarbij echter de gasconcentratie in het uitgeblazen mengsel op de plaats van uittreding niet meer dan 10% van de onderste explosiegrens mag bedragen; - gevaar voor de bemanning is uitgesloten; - alle toegangen en openingen van ruimten, die met de buitenlucht in verbinding staan zijn gesloten. Dit is niet van toepassing op lucht toevoeropeningen van de machinekamer en op ventillatiesystemen met overdruk; - de aan dek werkende bemanningsleden geschikte veiligheidsuitrusting dragen; - dit niet in de nabijheid van sluizen, inclusief hun voorhavens, onder bruggen of in dichtbevolkte gebieden plaatsvindt Het ontgassen moet worden onderbroken indien gedurende een onweersbui of wanneer ten gevolg van ongunstige windomstandigheden gevaarlijke gasconcentraties te verwachten zijn bij de woning, het stuurhuis of dienstruimten buiten de ladingzone. De kritische toestand is bereikt zodra in deze gebieden concentraties van meer dan 20% van de onderste explosiegrens zijn aangetoond door middel van meting met behulp van een draagbare detectiemeter De seinvoering als bedoeld in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (19) mag door de schipper worden weggenomen, indien na het ontgassen van de ladingtanks met behulp van de in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (18) genoemde apparaten is vastgesteld dat, noch de concentratie brandbare gassen in de ladingtanks boven 20% van de onderste explosiegrens ligt, noch een van belang zijnde concentratie van giftige gassen vast te stellen is Vóór het uitvoeren van werkzaamheden als beschreven in sectie 8.3.5, moeten ladingtanks en leidingen in de ladingzone worden gereinigd en ontgast. Het resultaat van het ontgassen moet schriftelijk worden vastgelegd in een gasvrij-verklaring. De toestand gasvrij mag slechts worden vastgesteld en verklaard door een persoon erkend door de bevoegde autoriteit (Gereserveerd) Ventilatie Indien machine-installaties in dienstruimten in werking zijn, moeten de aanwezige verlengingspijpen naar de luchttoevoeropeningen verticaal staan. Zo niet moeten de openingen zijn afgesloten. Deze bepaling is niet van toepassing op luchttoevoeropeningen van dienstruimten buiten de ladingzone indien de opening zonder verlengingspijp ten minste 0,50 m boven dek is aangebracht De ventilatie van pompkamers moet in bedrijf zijn: - ten minste 30 minuten vóór betreden en tijdens het verblijf, - tijdens het laden, lossen en ontgassen en - na het aanspreken van de gasdetectie-installatie (Gereserveerd)

100 Deskundige aan boord Tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen moet de verantwoordelijke schipper een deskundige in de zin van zijn. Daarnaast moet de verantwoordelijke schipper: - tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen waarvoor in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (6) een tankschip van het type G is voorgeschreven, een deskundige zijn als bedoeld in ; en - tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (6) een tankschip van het type C is voorgeschreven, een deskundige zijn als bedoeld in Tijdens het vervoer van stoffen, waarvoor in 3.2, tabel C, kolom 6 een tankschip van het type C en in kolom 7 een type van de ladingtank 1 is voorgeschreven, is tijdens het vervoer in een tankschip van het type G een verklaring als bedoeld in voldoende. Opmerking: Het is de verantwoordelijkheid van de vervoerder om te bepalen welke schipper aan boord de verantwoordelijke schipper is, en deze keuze in een document aan boord vast te leggen. Indien hieromtrent niets is bepaald, is het voorschrift op elke schipper van toepassing. In afwijking van het bovenstaande is het voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen in een tankduwbak voldoende dat de persoon die voor het laden en lossen en voor het ballasten van de tankduwbak verantwoordelijk is, een deskundige zijn in de zin van (Gereserveerd) Ballastwater Kofferdammen en ladingtankruimten die geïsoleerde ladingtanks bevatten, mogen niet met water worden gevuld (Geschrapt) Zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten die geen geïsoleerde ladingtanks bevatten, mogen met ballastwater worden gevuld, onder voorwaarde dat: -hiermee rekening is gehouden bij de berekening van de intact- en lekstabiliteit; en - het vullen ervan niet is verboden op grond van hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20). Indien het schip als gevolg van water in ballasttanks en/of compartimenten voor de opname van ballastwater niet meer aan deze stabiliteitscriteria voldoet: - moeten permanent niveaumeetinrichtingen worden geïnstalleerd; of - moet het niveau van vulling van de ballasttanks en de compartimenten voor de opname van ballastwater dagelijks voor vertrek en tijdens werkzaamheden worden gecontroleerd. Indien niveaumeetinrichtingen aanwezig zijn mogen de ballasttanks en de compartimenten voor de opname van ballastwater ook gedeeltelijk zijn gevuld. Is dat niet het geval, dan moeten zij volledig gevuld of leeg zijn (Gereserveerd) Openen van ladingtankruimten, pompkamers onder dek en kofferdammen, openingen, ladingtanks, restladingtanks; afsluitinrichtingen De ladingtanks, restladingtanks en de toegangsopeningen van pompkamers onder dek, kofferdammen en ladingtankruimten moeten gesloten blijven. Dit voorschrift geldt niet voor pompkamers aan boord van bilgeboten en bunkerboten evenals andere in dit Deel genoemde uitzonderingen (Gereserveerd) Verbinding tussen pijpleidingen

101 Het is verboden tussen twee of meer van de volgende pijpleidingsystemen verbindingen te maken: a) pijpleidingen voor het laden en lossen; b) pijpleidingen voor het ballasten en lenzen van ladingtanks, kofferdammen, ladingtankruimten, zijtanks en dubbele bodems; c) pijpleidingen die buiten de ladingzone liggen Bepaling is niet van toepassing op demonteerbare verbindingen tussen pijpleidingen van de kofferdammen en - pijpleidingen voor het laden en lossen; - pijpleidingen die buiten de ladingzone liggen waarbij de kofferdammen in een noodgeval met water moeten worden gevuld. In deze gevallen moeten de verbindingen zo zijn uitgevoerd, dat uit de ladingtanks geen water aangezogen kan worden. Het leegpompen van de kofferdammen mag slechts met behulp van ejectoren of een onafhankelijke inrichting in de ladingzone plaatsvinden De bepalingen b) en c) zijn niet van toepassing op: - pijpleidingen voor het ballasten en lenzen van zijtanks en dubbele bodems, die geen gemeenschappelijke wand met de ladingtanks hebben; - pijpleidingen voor het ballasten van zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten, indien dit via de brandblusleiding in de ladingzone plaatsvindt. Het lenzen van de zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten mag slechts met behulp van ejectoren of een onafhankelijke inrichting in de ladingzone plaatsvinden (Gereserveerd) Koelinstallatie Bij het vervoer van gekoelde stoffen moet aan boord een instructie zijn die de maximaal toelaatbare laadtemperatuur in verhouding tot de capaciteit van de koelinstallatie en de uitvoering van de isolatie van de ladingtanks bevat Bijboten De in het Reglement, waarnaar in wordt verwezen, voorgeschreven bijboot moet buiten de ladingzone worden opgesteld. De bijboot mag evenwel in de ladingzone worden opgesteld, onder voorwaarde dat er zich in de directe omgeving van de woning een gemakkelijk bereikbaar reddingshulpmiddel overeenkomstig bevindt hierboven is niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten (Gereserveerd) Motoren Het is verboden motoren te gebruiken, die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt lager dan 55 C (b.v. benzinemotoren). Dit voorschrift is niet van toepassing op buitenboordmotoren van bijboten Het is verboden gemotoriseerde vervoermiddelen zoals personenauto's en motorboten in de ladingzone mee te voeren Brandstoftanks Dubbele bodems met een hoogte van ten minste 0,60 m mogen als brandstoftank worden gebruikt, indien zij conform de voorschriften van Deel 9 zijn gebouwd (Gereserveerd) Vuur en onbeschermd licht

102 Het gebruik van vuur of onbeschermd licht is verboden. Dit is niet van toepassing in de woning en in het stuurhuis Voor verwarmings-, kook- en koeltoestellen mag noch van vloeibare brandstoffen noch van vloeibaar gas of van vaste brandstoffen gebruik worden gemaakt. Kook- en koeltoestellen mogen slechts in woning en in het stuurhuis worden gebruikt Verwarmingstoestellen of verwarmingsketels in de machinekamer of in een andere geschikte ruimte mogen echter gebruik maken van vloeibare brandstoffen met een vlampunt hoger dan 55 C Ladingverwarmingsinstallatie Het verwarmen van de lading is niet toegestaan behalve indien er kans op het stollen van de lading bestaat of indien vanwege de viscositeit van de lading normaal lossen niet mogelijk is. In het algemeen mag een vloeistof niet boven zijn vlampunt worden verwarmd. Bijzondere voorwaarden staan in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) De ladingtanks moeten bij het vervoer van stoffen, die verwarmd worden vervoerd, uitgerust zijn met inrichtingen voor het meten van de temperatuur van de lading Tijdens het lossen mag de ladingverwarmingsinstallatie worden gebruikt, onder voorwaarde dat de ruimte waarin de installatie staat opgesteld volledig voldoet aan de voorwaarden genoemd in of De voorwaarden als bedoeld in zijn niet van toepassing, indien de ladingverwarmingsinstallatie vanaf de wal van stoom wordt voorzien en slechts de circulatiepomp in bedrijf is, danwel bij het lossen van stoffen met een vlampunt groter of gelijk aan 60 C (Gereserveerd) Schoonmaakwerkzaamheden Het gebruik van vloeistoffen met een vlampunt lager dan 55 C voor schoonmaakwerkzaamheden is alleen toegestaan in de ladingzone (Gereserveerd) Elektrische inrichtingen Elektrische inrichtingen moeten in onberispelijke staat worden gehouden Het is verboden, in de ladingzone verplaatsbare elektrische leidingen te gebruiken. Dit is niet van toepassing op: - intrinsiek veilige stroomkringen; - elektrische kabels voor de aansluiting van sein-, navigatie- en loopplankverlichting indien het aansluitpunt (bijv. wandcontactdoos) in de onmiddellijke nabijheid van de mast, waarin de lichten zijn aangebracht, of van de loopplank permanent op het schip is aangebracht; - elektrische kabels voor de aansluiting van dompelpompen aan boord van bilgeboten Wandcontactdozen voor de aansluiting van sein-, navigatie- en loopplankverlichting of de dompelpompen van bilgeboten mogen slechts dan onder spanning staan, indien de sein-, navigatie- of loopplankverlichting of de dompelpompen van bilgeboten in gebruik zijn. Het insteken en uittrekken van de stekkers mag slechts mogelijk zijn indien de wandcontactdozen spanningsvrij zijn.

103 (Gereserveerd) Aanvullende voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de overige behandeling van de lading Beperking van de vervoerde hoeveelheden Het is verboden in de ladingzone colli te vervoeren, met uitzondering van: - restlading, waswater, ladingrestanten en slobs in niet meer dan zes toegelaten houders voor restproducten en houders voor slobs met een maximale individuele inhoud van ten hoogste 2 m³. Deze houders voor restproducten moeten voldoen aan de eisen van de internationale voorschriften die op de desbetreffende stof van toepassing zijn. De houders voor restproducten en de houders voor slobs moeten op degelijke wijze zijn vastgezet in de ladingzone en voldoen aan de desbetreffende voorschriften van of ; - maximaal 30 ladingmonsters van stoffen, die in het tankschip mogen worden vervoerd, met een maximaal toelaatbare inhoud van 500 ml per houder. De houders moeten voldoen aan de verpakkingsvoorschriften waarnaar in Deel 4 van het ADR wordt verwezen en aan boord op een vaste plaats in de ladingzone en zodanig zijn opgesteld dat ze onder normale vervoersomstandigheden niet breken of doorboord kunnen worden of hun inhoud niet in de ladingtankruimte kan uittreden. Breekbare houders moeten op geschikte wijze zijn gecapitonneerd Aan boord van bilgeboten mogen houders ten behoeve van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval met een maximale inhoud van 2,00 m 3 in de ladingzone worden meegevoerd, onder voorwaarde dat zij op veilige wijze zijn vastgezet Aan boord van bunkerboten of andere schepen die scheepsaandrijfstoffen afgeven mogen colli met gevaarlijke goederen en niet-gevaarlijke goederen tot een hoeveelheid van 5000 kg bruto in de ladingzone worden vervoerd, onder voorwaarde dat dit in het Certificaat van Goedkeuring is aangetekend. De colli moeten op veilige wijze zijn vastgezet en moeten tegen hitte, zonnestraling en weersinvloeden beschermd zijn Aan boord van bunkerboten of andere schepen, die scheepsaandrijfstoffen afgeven, mag het aantal ladingmonsters als bedoeld in van 30 tot maximaal 500 worden verhoogd Overname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en afgifte van scheepsaandrijfstoffen De overname van vloeibaar, onverpakt scheepsbedrijfsafval mag slechts door opzuigen geschieden Het afmeren en de overname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval mag niet tijdens het laden en lossen van stoffen, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C, Kolom (17) explosiebescherming is voorgeschreven en evenmin tijdens het ontgassen van tankschepen plaatsvinden. Dit is niet van toepassing op bilgeboten onder voorwaarde dat aan de eisen ten aanzien van de explosiebescherming voor de gevaarlijke stof wordt voldaan Het afmeren en de afgifte van scheepsaandrijfstoffen mag niet tijdens het laden en lossen van stoffen, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is voorgeschreven. Dit voorschrift is niet van toepassing op bunkerboten onder voorwaarde dat aan de eisen ten aanzien van de explosiebescherming voor de gevaarlijke stof wordt voldaan De bevoegde autoriteit kan afwijkingen van en toestaan. Tijdens het lossen mag zij ook afwijkingen van toestaan (Gereserveerd) Laad- en losplaatsen Tankschepen mogen slechts op de door de bevoegde autoriteit aangewezen of voor dit doel toegelaten plaatsen geladen, gelost of ontgast worden.

104 De overname van vloeibaar, onverpakt, olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en de afgifte van scheepsaandrijfstoffen is geen laden of lossen als bedoeld in (Gereserveerd) Overslaan Controlelijst Het is verboden, zonder toestemming van de bevoegde autoriteit de lading geheel of gedeeltelijk over te slaan naar een ander schip buiten een daarvoor toegelaten overslagplaats. Opmerking: Voor overslag naar andere vervoermiddelen, zie Met het laden en lossen mag pas worden begonnen wanneer een Controlelijst overeenkomstig is ingevuld voor de betreffende ladingen en de vragen 1 t/m 19 in de Controlelijst met X zijn aangekruist. Niet van toepassing zijnde vragen moeten worden doorgehaald. De Controlelijst moet, nadat de pijpleidingen voor het overslaan zijn aangesloten en voorafgaand aan het overslaan, in tweevoud worden ingevuld en zowel door de schipper (of door een door hem met de verantwoording belaste persoon) als door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de walinstallatie worden ondertekend. Indien niet alle van toepassing zijnde vragen positief kunnen worden beantwoord, is laden of lossen slechts met voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit toegestaan. De bevoegde autoriteit kan ermee instemmen dat, in afwijking van en uiterlijk tot 31 december 2016 een Controlelijst met daarin vraag 4 in de versie die tot 31 december 2014 van toepassing was, wordt gebruikt De Controlelijst moet overeenkomen met het model in De Controlelijst moet ten minste in talen zijn gedrukt die worden begrepen door de schipper en de persoon verantwoordelijk voor de behandeling op de walinstallatie De bepalingen van tot en met hierboven zijn niet van toepassing tijdens de ontvangst van olie- en vethoudend afval in bilgeboten en tijdens de afgifte van scheepsaandrijfstoffen vanuit bunkerboten Stuwplan (Geschrapt) De schipper moet in een stuwplan de stoffen opnemen die in de afzonderlijke ladingtanks zijn opgeslagen. De stoffen moeten worden omschreven zoals in het vervoersdocument (informatie volgens a) t/m d)) Reisregistratie In de reisregistratie als bedoeld in moeten onmiddellijk ten minste de volgende gegevens worden opgenomen: Laden: Plaats van laden en laadinstallatie, datum en tijd, UN-nummer of Stofnummer van de stof, juiste vervoersnaam, klasse en indien van toepassing verpakkingsgroep; Lossen: Plaats en losinstallatie, datum en tijd; Ontgassen van UN-nummer 1203 Benzine: Plaats en installatie of sector van ontgassing, datum en tijd. Deze gegevens moeten voor iedere ladingtank aanwezig zijn Maatregelen vóór het laden Indien restanten van de vorige lading gevaarlijke reacties met de volgende lading kunnen veroorzaken, moeten deze restanten goed worden verwijderd.

105 Stoffen die gevaarlijk met andere gevaarlijke stoffen reageren moeten door middel van een kofferdam, een lege ruimte, een pompkamer, een lege ladingtank of een ladingtank beladen met een stof, die niet met de lading reageert, zijn gescheiden. Indien een ladingtank leeg en niet gereinigd is of ladingresten van een stof bevat, die gevaarlijk kan reageren met andere gevaarlijke stoffen, is deze scheiding niet voorgeschreven indien de schipper geschikte maatregelen heeft genomen om een gevaarlijke reactie te vermijden. Indien het schip is uitgerust met laad- of losleidingen onder dek, die door de ladingtanks worden gevoerd, mogen stoffen, die met elkaar gevaarlijk kunnen reageren, niet tezamen geladen of vervoerd worden Voor de aanvang van het laden moeten, indien mogelijk, alle voorgeschreven veiligheids- en controleinrichtingen evenals alle uitrustingsstukken zijn getest en op goed functioneren zijn gecontroleerd Voor aanvang van het laden moet de gever voor het inschakelen van de overvulbeveiliging aan de walinstallatie worden aangesloten Behandelen en stuwen van de lading Gevaarlijke goederen moeten in de ladingzone in ladingtanks, restladingtanks of in de in toegelaten colli zijn ondergebracht Maatregelen na het lossen (nalenssysteem) Indien de voorschriften opgenomen in voorzien in de toepassing van een nalenssysteem, moeten de ladingtanks en de laadleidingen na iedere lossing worden geleegd door middel van een nalenssysteem conform de voorwaarden zoals ze bij de beproevingsprocedure werden vastgelegd. Aan deze bepaling hoeft niet te worden voldaan indien de nieuwe lading dezelfde is als de voorafgaande lading of een verschillende lading waarvan het vervoer geen voorafgaande reiniging van de ladingtanks vereist. Restlading moet naar de wal worden gelost door middel van de daarvoor verschafte uitrusting (artikel 7.04 Nr. 1 en aanhangsel II model 1 van CDNI) of moet worden opgeslagen in de eigen tanks voor restproducten van het schip of in houders voor restproducten in overeenstemming met Tijdens het vullen van de houder voor restproducten moeten vrijgekomen gassen veilig worden afgevoerd Het ontgassen van ladingtanks en laad- en losleidingen moet worden uitgevoerd conform de voorwaarden van Maatregelen tijdens het laden, vervoeren, lossen en behandeling De laadsnelheid evenals de maximale pompdruk van de laadpompen moeten in overeenstemming met het personeel van de landinstallatie worden bepaald Alle voorgeschreven veiligheids- en controle-inrichtingen in de ladingtanks moeten blijven ingeschakeld. Tijdens het vervoer is deze bepaling slechts van toepassing op de in e) en f), e) en f) of e) en f) genoemde inrichtingen. Bij uitval van de veiligheids- en controle-inrichtingen moet het laden of het lossen onmiddellijk worden onderbroken. Indien een pompkamer onder dek is gelegen, moeten de voorgeschreven veiligheids- en controleinrichtingen in de pompkamer onafgebroken ingeschakeld blijven. Elke uitval van de gasdetectie-installatie moet onmiddellijk door een optische en akoestische waarschuwing in het stuurhuis en aan dek worden gesignaleerd Afsluitinrichtingen van de leidingen voor het laden en lossen, evenals die van de leidingen van het nalenssysteem moeten gesloten zijn, behalve tijdens laden, lossen, nalenzen, schoonmaken of ontgassen Indien het schip met een dwarsschot als bedoeld in , of is uitgerust moeten de deuren in dit schot tijdens het laden of lossen gesloten zijn.

106 Onder de voor het laden of lossen gebruikte walaansluitingen moeten houders zijn geplaatst om eventueel lekvloeistof te kunnen opvangen. Voor aankoppeling en na afkoppeling van de aansluitingen, en zo nodig tussendoor, moeten de houders worden geleegd. Dit voorschrift is niet van toepassing op het vervoer van stoffen van klasse Bij terugvoer van het gas-luchtmengsel van de wal in het schip mag de druk aan het walaansluitpunt niet hoger zijn dan de openingsdruk van het snelafblaasventiel Indien een tankschip voldoet aan de eisen, bedoeld in d) of d) moeten de afzonderlijke ladingtanks tijdens het vervoer zijn afgesloten en tijdens het laden en lossen evenals tijdens het ontgassen zijn geopend Personen, die tijdens het laden en lossen onderdeks gelegen ruimten in de ladingzone betreden, moeten de in genoemde veiligheidsuitrusting PP dragen, indien deze in dit in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (18) is voorgeschreven. Personen die de laad-, los- of gasafvoerleiding aan- en afkoppelen, een monster nemen, een peiling uitvoeren of de vlamkerende roosters uitwisselen moeten de in genoemde veiligheidsuitrusting PP dragen, indien deze in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (18) is voorgeschreven; zij moeten aanvullend de veiligheidsuitrusting A dragen, indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (18) een giftigheidsmeter (TOX) is voorgeschreven a) Tijdens het laden of lossen van stoffen waarvoor volgens hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (6) en (7) een type N open schip met vlamkerende inrichtingen volstaat, mogen bij een gesloten tankschip de ladingtanks worden geopend met behulp van een inrichting voor het veilig drukloos maken van de ladingtanks als bedoeld in a) of a). b) Tijdens het laden of lossen van stoffen waarvoor volgens hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (6) en (7) een type N open schip volstaat, mogen bij een gesloten tankschip de landingtanks worden geopend met behulp van een inrichting voor het veilig drukloos maken van de ladingtanks als bedoeld in a) of a), of met behulp van een andere geschikte opening in de gasafvoerleiding, mits elke ophoping van water en het binnendringen van water in de ladingtanks worden voorkomen en de opening na het laden of lossen weer naar behoren wordt afgesloten is niet van toepassing, indien de ladingtanks gassen bevatten van stoffen, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (7) een gesloten tankschip is voorgeschreven De afsluiter van de aansluiting als bedoeld in g), g) of g) mag pas worden geopend nadat een gasdichte verbinding met de gesloten of deels gesloten monstername-inrichting tot stand is gebracht Bij stoffen waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is voorgeschreven, moet de aansluiting van de gasafvoerleiding aan de walinstallatie zodanig zijn uitgevoerd dat het schip tegen detonatie en vlamdoorslag vanaf de wal is beschermd. De bescherming van het schip tegen detonatie en vlamdoorslag vanaf de wal is niet vereist indien de ladingtanks conform inert gemaakt zijn Bij het vervoer van stoffen van UN-nummer 2448, of van goederen van de klassen 5.1 of 8 mogen de openingen in verschansingen, in voetlijsten, etc. niet worden afgesloten. Zij mogen ook niet worden afgesloten tijdens de reis in geval van vervoer van andere gevaarlijke goederen Indien bij stoffen van klasse 2 of 6.1 in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) toezicht is voorgeschreven moet het laden of lossen onder toezicht van een hiervoor door de afzender of ontvanger gevolmachtigd persoon, die niet tot de bemanning behoort, plaatsvinden De laadsnelheid bij aanvang van de belading in de laadinstructie moet zodanig zijn dat elektrostatische oplading tijdens het begin van het laden is uitgesloten Maatregelen die voorafgaande aan het laden van gekoelde vloeibaar gemaakte gassen getroffen moeten worden

107 Tenzij de temperatuur van de lading wordt geregeld in overeenstemming met a) of c) ter waarborging van het gebruik van de maximale hoeveelheid boil off ongeacht de bedrijfsomstandigheden, moet de verblijftijd voorafgaande aan het laden worden vastgesteld door de schipper of namens hem door een ander persoon en tijdens het laden door de schipper of namens hem door een ander person worden vastgesteld, en aan boord worden gedocumenteerd Vaststellen van de verblijftijd Aan boord moet een tabel aanwezig zijn, goedgekeurd door het erkende classificatiebureau dat het schip heeft gecertificeerd, waarin de relatie tussen de verblijftijd en de voorwaarden voor het vullen wordt aangegeven, met inbegrip van de onderstaande parameters. De verblijftijd van de lading moet op basis van de onderstaande parameters worden vastgesteld: De warmtedoorgangscoëfficiënt zoals gedefinieerd in ; De vastgestelde druk van de veiligheidsventielen; De initiële omstandigheden bij het vullen (temperatuur van de lading tijdens het vullen en de vullingsgraad); De luchttemperatuur volgens ; Bij gebruik van verdampende gassen mag het minimale gegarandeerde gebruik van de verdampende gassen (ofwel de gebruikte hoeveelheid verdampende gassen ongeacht de bedrijfsomstandigheden) in aanmerking worden genomen. Toereikende veiligheidsmarge Teneinde een toereikende veiligheidsmarge te waarborgen dient de verblijftijd ten minste drie maal de verwachte duur van de reis van het schip te zijn, waarbij het volgende in acht wordt genomen: Ter waarborging van de veiligheid van korte reizen die (naar verwachting) ten hoogste vijf dagen zullen duren is de minimale verblijftijd voor ieder schip dat gekoelde vloeibaar gemaakte gassen vervoert minimaal 15 dagen. Voor lange reizen die (naar verwachting) meer dan tien dagen zullen duren moet een minimale verblijftijd van 30 dagen in acht worden genomen. Deze wordt uitgebreid met twee dagen voor iedere dag dat de reis langer dan tien dagen duurt. Zodra duidelijk wordt dat de lading niet binnen de verblijftijd gelost zal worden, moet de schipper de dichtstbijzijnde instanties voor de hulpverlening en de veiligheid op de hoogte stellen overeenkomstig Sluiting van ramen en deuren Tijdens het laden, lossen en ontgassen moeten alle toegangen en alle openingen van ruimten toegankelijk vanaf dek en alle openingen van ruimten naar de buitenlucht gesloten blijven. Deze bepaling is niet van toepassing op: - aanzuigopeningen van in bedrijf zijnde motoren; - ventilatieopeningen van machinekamers indien de motoren in bedrijf zijn; - ventilatieopeningen van een overdrukinstallatie als bedoeld in , of ; en - ventilatieopeningen van een airconditioninginstallatie, indien deze openingen zijn voorzien van een gasdetectie-installatie als bedoeld in , of Toegangen en openingen mogen slechts indien noodzakelijk voor korte tijd met toestemming van de schipper worden geopend Na het laden, lossen en ontgassen moeten de van dek af toegankelijke ruimten worden geventileerd De bepalingen van en zijn niet van toepassing tijdens de overname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en tijdens de afgifte van scheepsaandrijfstoffen.

108 Afdekken of inert maken van de lading In ladingtanks en de aangesloten pijpleidingen kan inert maken in de gasfase of afdekken van de lading noodzakelijk zijn. Inert maken en afdekken van de lading worden als volgt gedefinieerd: - Inert maken: ladingtanks, de aangesloten pijpleidingen en andere ruimten, waarvoor dit proces is voorgeschreven in kolom (20) van Tabel C van hoofdstuk 3.2 zijn gevuld met gassen of dampen die een verbranding verhinderen, niet met de lading reageren en deze situatie in stand houden; - Afdekken van de lading: ruimten in de ladingtanks boven de lading en de aangesloten pijpleidingen zijn gevuld met een vloeistof, een gas of damp, waardoor de lading van de lucht wordt gescheiden en deze situatie in stand wordt gehouden Voor bepaalde stoffen worden de eisen voor het inert maken en afdekken van de lading in ladingtanks, in de aangesloten pijpleidingen en in ernaast gelegen lege ruimten in kolom (20) van Tabel C van hoofdstuk 3.2 aangegeven (Gereserveerd) Het inert maken of afdekken van brandbare ladingen moet zodanig worden uitgevoerd dat elektrostatische oplading tijdens het toevoegen van het inertiseringsmiddel zo veel mogelijk wordt beperkt (Geschrapt) (Gereserveerd) Vullen van ladingtanks De in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (11) opgenomen of overeenkomstig berekende vullingsgraad voor de individuele ladingtank mag niet worden overschreden De bepalingen van zijn niet van toepassing op ladingtanks, waarvan de inhoud tijdens het vervoer door middel van een verwarmingsinrichting op de vultemperatuur wordt gehouden. In dit geval moet de vullingsgraad bij het begin van het vervoer zodanig zijn en moet de temperatuur zo worden gecontroleerd, dat de maximaal toelaatbare vullingsgraad niet overschreden wordt De maximaal toelaatbare vullingsgraden moeten bij het vervoer van stoffen met een hogere dan in het Certificaat van Goedkeuring aangegeven relatieve dichtheid met behulp van de volgende formule worden bepaald: maximaal toelaatbare vullingsgraad (%) = a x 100/b a = relatieve dichtheid volgens het Certificaat van Goedkeuring b = relatieve dichtheid van de stof De in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (11) genoemde vullingsgraad mag echter niet worden overschreden. Opmerking: Ook de voorschriften voor stabiliteit, sterkte in langsrichting en maximaal toelaatbare diepgang van het schip moeten bij het vullen van ladingtanks worden nageleefd Bij een overschrijding van de vullingsgraad van 97,5 % moet door middel van een technische inrichting het uitpompen van de te veel geladen lading mogelijk worden gemaakt. Tijdens een dergelijke bedrijfsomstandigheid moet een automatisch optisch alarm aan dek worden ingeschakeld Openen van openingen van ladingtanks Het openen van ladingtanks mag slechts plaats vinden, nadat de betreffende ladingtanks drukloos zijn gemaakt Het openen van de monstername-openingen, de peilopeningen evenals de behuizingen van de vlamkerende inrichtingen is slechts toegestaan ter controle of ten behoeve van het reinigingen van de ledige ladingtanks.

109 Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, is het openen van de ladingtankdeksels of de behuizingen van de vlamkerende inrichtingen voor de in- of uitbouw van het vlamkerend rooster, bij geloste ladingtanks slechts toegestaan indien de betreffende ladingtanks ontgast zijn, en de concentratie brandbare gassen in de ladingtank lager is dan 10 % van de onderste explosiegrens (O.E.G.) Het nemen van monsters is slechts met behulp van de in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (13) aangegeven of een veiliger monstername-inrichting toegestaan. Het openen van de monstername-openingen en peilopeningen van ladingtanks die met stoffen zijn beladen waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (19) een seinvoering met een of twee blauwe kegels of een of twee blauwe lichten is voorgeschreven, is slechts toegestaan nadat het laden ten minste sinds 10 minuten is onderbroken De voor de monstername bestemde houders, met inbegrip van de onderdelen daarvan, zoals kabels enz. moeten bestaan uit een elektrostatisch geleidend materiaal en tijdens de monstername elektrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden De openingsduur moet tot de tijd voor de controle, het reinigen, vervanging van vlamkerende roosters, de peiling of de monstername beperkt blijven Het drukloos maken van de ladingtanks is slechts met behulp van de in a) of a) voorgeschreven inrichting voor het veilig drukloos maken van de ladingtanks toegestaan De bepalingen van tot en met zijn niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten (Gereserveerd) Gelijktijdig laden en lossen Tijdens het laden of lossen van ladingtanks mag geen andere lading worden geladen of gelost. De bevoegde autoriteit kan tijdens het lossen uitzonderingen toestaan Laad- en losleidingen Het laden en lossen, evenals het nalenzen moet met behulp van de vast ingebouwde leidingen van het schip worden uitgevoerd. De metalen koppelingen van de verbindingen naar de walleiding moeten zodanig worden geaard dat elektrostatische oplading wordt voorkomen Leidingen voor het laden en lossen mogen niet over de kofferdammen naar voor of naar achter met vaste of buigzame leidingen worden verlengd. Dit voorschrift is niet van toepassing op de buigzame leidingen die voor de ontvangst van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en voor de afgifte van scheepsaandrijfstoffen worden gebruikt Afsluitinrichtingen van de leidingen voor het laden en lossen mogen slechts tijdens het laden, lossen of ontgassen in de daarvoor noodzakelijke mate zijn geopend De in de leidingen achterblijvende vloeistof moet zo volledig mogelijk in de ladingtanks terugvloeien of op veilige wijze worden verwijderd. Dit voorschrift is niet van toepassing op bunkerboten Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (7) een gesloten schip is voorgeschreven, moeten de bij het laden naar buiten tredende dampen via een gasterugvoerleiding naar de wal worden teruggevoerd Bij vervoer van stoffen van klasse 2 wordt geacht aan de voorschriften genoemd in te zijn voldaan, indien de laad- en losleidingen met het beladen gas of met stikstof zijn gespoeld (Gereserveerd) Watersproei-inrichting

110 Indien voor gassen of dampen in kolom (9) van tabel C van hoofdstuk 3.2 voor gassen of dampen een watersproei-inrichting is voorgeschreven, moet deze tijdens het laden, lossen en het vervoer steeds bedrijfsklaar zijn. Indien een watersproei-inrichting is voorgeschreven voor het koelen van het dek van de tanks, moet deze tijdens het vervoer steeds bedrijfsklaar zijn Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (9) een watersproei-inrichting is voorgeschreven, moet de schipper, indien de druk van de gasfase in de ladingtank 80% van de openingsdruk van het snelafblaasventiel dreigt te bereiken, alle met de veiligheid in overeenstemming zijnde vereiste maatregelen treffen om te verhinderen dat deze overdruk wordt bereikt. Hij moet in het bijzonder de watersproei-inrichting in werking stellen Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (9) een watersproei-inrichting is voorgeschreven en in kolom (20) de aantekening 23 is vermeld en een overdruk in de ladingtank van 40 kpa (0,4 bar) wordt bereikt, moet het instrument voor het meten van de druk een alarm in werking stellen. De watersproei-inrichting moet onmiddellijk in werking worden gesteld en zolang in werking blijven tot de inwendige overdruk in de ladingtank tot 30 kpa (0,3 bar) is gedaald Vervoer van gekoelde vloeibaar gemaakte gassen Tijdens het laden of lossen moet de lekbak zoals bedoeld in onder de walaansluiting van de gebruikte laad- of losleiding worden geplaatst en moet een waterfilm zoals bedoeld in geactiveerd worden (Gereserveerd) Brandblusinstallaties Tijdens het laden en lossen moeten aan dek in de ladingzone de brandblusinstallaties, de brandblusleiding met brandslangaansluitingen inclusief aansluitstukken en straalpijpen met straal-/sproeimondstuk of slangassemblages met aansluitstukken en straalpijpen met straal-/sproeistuk voor gebruik gereed worden gehouden. Bevriezing van brandblusleidingen en brandslangaansluitingen moet worden voorkomen Vuur en onbeschermd licht Tijdens het laden, lossen of ontgassen zijn aan boord van het schip vuur of onbeschermd licht verboden. De bepalingen en zijn echter van toepassing Ladingverwarmingsinstallatie De in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) aangegeven hoogst toelaatbare vervoerstemperatuur mag niet worden overschreden (Gereserveerd) Elektrische inrichtingen Tijdens het laden, lossen en ontgassen mogen slechts elektrische inrichtingen worden gebruikt die overeenkomen met de constructievoorschriften van Deel 9 of die zich in ruimten bevinden die aan de voorwaarden van , of voldoen. Alle andere elektrische inrichtingen, welke rood gemerkt zijn, moeten zijn uitgeschakeld Elektrische inrichtingen, die door middel van de in , of genoemde inrichting worden uitgeschakeld mogen pas weer worden ingeschakeld nadat is vastgesteld dat de betreffende ruimten gasvrij zijn Installaties voor actieve kathodische bescherming tegen corrosie vóór het afmeren uitgeschakeld worden en mogen pas na het vertrek van het schip weer ingeschakeld worden (Gereserveerd)

111 Verlichting Tijdens het laden of lossen bij nacht of slecht zicht moet voor een doeltreffende verlichting worden gezorgd. Indien deze vanaf dek plaatsvindt, moet deze door goed bevestigde elektrische lampen geschieden die zo zijn geplaatst dat zij niet kunnen worden beschadigd. Indien deze lampen in de ladingzone zijn aangebracht moeten zij voldoen van een "erkend veilig" type zijn (Gereserveerd) Speciale uitrusting De in de constructievoorschriften voorgeschreven douche en het oog- en gezichtsbad moeten onder alle weersomstandigheden tijdens het laden, lossen en het overladen bedrijfsklaar worden gehouden (Gereserveerd) Rookverbod, Verbod van vuur en onbeschermd licht Het rookverbod is niet van toepassing in woning en stuurhuizen, die aan de voorwaarden van , of voldoen Gevaar van vonkvorming Elektrisch geleidende verbindingen tussen schip en wal moeten zodanig zijn ontworpen dat zij geen ontstekingsbron vormen Kunststoftrossen Tijdens het laden en lossen mag het schip slechts dan met kunststoftrossen worden vastgemaakt, indien staaltrossen worden gebruikt om te verhinderen dat het schip afdrijft. Staaltrossen met een omwikkeling van kunststof- of natuurlijke vezels gelden als gelijkwaardig, indien de vereiste minimum treksterkte, conform het Reglement waarnaar in wordt verwezen alleen door de staaldraadstrengen wordt bereikt. Bilgeboten mogen echter met geschikte kunststoftrossen worden aangemeerd tijdens de overname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval, evenals bunkerboten en andere schepen tijdens de afgifte van producten bestemd voor het bedrijf van schepen.

112 Mogelijke evacuatiemiddelen in geval van nood Tankschip/tankduwbak Klasse 2, 3 verpakkingsgroep I, II en rest van III 3 verpakkingsgroep III (UN1202 tweede en derde positie in tabel C), , Twee vluchtroutes binnen of buiten de ladingzone in tegenovergestelde richtingen 2 Eén vluchtroute buiten de ladingzone en één vluchtoord buiten het schip, met inbegrip van de vluchtroute daarheen vanuit het tegenovergestelde uiteinde 3 Eén vluchtroute buiten de ladingzone en één vluchtoord op het schip, aan het tegenovergestelde uiteinde ** 4 Eén vluchtroute buiten de ladingzone en één bijboot aan het tegenoverliggende uiteinde 5 Eén vluchtroute buiten de ladingzone en één vluchtboot aan het tegenoverliggende uiteinde 6 Eén vluchtroute binnen de ladingzone en één vluchtroute buiten de ladingzone aan het tegenoverliggende uiteinde 7 Eén vluchtroute binnen de ladingzone en één vluchtoord buiten het schip in de tegenovergestelde richting

113 Tankschip/tankduwbak Klasse 2, 3 verpakkingsgroep I, II en rest van III 3 verpakkingsgroep III (UN1202 tweede en derde positie in tabel C), , Eén vluchtroute binnen de ladingzone en één vluchtoord op het schip in de tegenovergestelde richting ** 9 Eén vluchtroute binnen de ladingzone en één bijboot aan het tegenoverliggende uiteinde 10 Eén vluchtroute binnen de ladingzone en één vluchtboot aan het tegenoverliggende uiteinde 11 Eén vluchtroute binnen of buiten de ladingzone en twee vluchtoorden op het schip aan tegenoverliggende uiteinden ** 12 Eén vluchtroute binnen of buiten de ladingzone en twee veilige zones op het schip aan tegenoverliggende uiteinden ** 13 Eén vluchtroute buiten de ladingzone * 14 Eén vluchtroute binnen de ladingzone * 15 Eén of meer vluchtoorden buiten het schip, met inbegrip van de vluchtroute daarheen * = Mogelijke optie. * = Niet aanvaardbaar in het geval van classificatiecodes TFC, CF of CFT. **= Niet aanvaardbaar indien een combinatie van oxiderende stoffen en ontvlambare vloeistoffen tot ontploffingsgevaar leidt. De bevoegde autoriteit kan op basis van plaatselijke omstandigheden aanvullende voorschriften uitvaardigen omtrent de beschikbaarheid van evacuatiemiddelen.

114 (Gereserveerd) Aanvullende voorschriften betreffende het bedrijf van schepen Seinvoering Schepen, die de in hoofdstuk 3.2, Tabel C aangegeven stoffen vervoeren, moeten het in kolom (19) aangegeven aantal blauwe kegels of lichten en conform de CEVNI voeren. Indien op grond van de vervoerde lading geen blauwe kegels of blauwe lichten zijn vereist, maar de concentratie brandbare gassen in de ladingtanks hoger is dan 20 % van de onderste explosiegrens, dan wordt het aantal blauwe kegels of blauwe lichten bepaald door de laatste lading welke seinvoeringsplichtig was Indien meer dan één type seinvoering op een schip van toepassing is, dan is de eerste hieronder genoemde optie van toepassing: - twee blauwe kegels of twee blauwe lichten; - een blauwe kegel of een blauw licht In afwijking van hierboven en in overeenstemming met de voetnoten bij artikel 3.14 van de CEVNI kan de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij zeeschepen die tijdelijk opereren in een binnenvaartgebied op het grondgebied van deze Overeenkomstsluitende Partij het gebruik toestaan van dag- en nachtseinen die zijn voorgeschreven in de Recommendations on the Safe Transport of Dangerous Cargoes and Related Activities in Port Areas, aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie (bij nacht een rondom zichtbaar rood licht en bij dag de B vlag van het Internationale Seinboek) in plaats van de seinvoering voorgeschreven in De bevoegde autoriteit die het initiatief heeft genomen met betrekking tot de toegestane afwijking stel de Secretaris Generaal van de UNECE op de hoogte, die de afwijking onder de aandacht brengt van het Administratief Comité Wijze van navigatie De bevoegde autoriteiten kunnen beperkingen opleggen aan het opnemen van tankschepen in duwstellen van grote afmetingen (Gereserveerd) Afmeren Schepen moeten op veilige wijze, doch zodanig worden afgemeerd, dat in de elektrische kabels en in de buigzame leidingen geen trekbelasting kan optreden en dat ze in geval van gevaar snel kunnen worden los gemaakt Ligplaats nemen De afstanden van andere afgemeerde schepen die moet worden aangehouden door afgemeerde schepen die gevaarlijke goederen vervoeren moet niet kleiner zijn dan die welke voorgeschreven zijn in de reglementen waarnaar in wordt verwezen Aan boord van stilliggende schepen, die gevaarlijke stoffen vervoeren, moet zich permanent een deskundige als voorgeschreven in bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter de schepen die in het havenbekken of op daarvoor toegelaten plaatsen stilliggen van deze verplichting ontslaan Buiten de door de bevoegde autoriteit speciaal aangegeven ligplaatsen mogen bij het ligplaats nemen van de schepen de onderstaande afstanden niet worden onderschreden: m van woongebieden, kunstwerken en tankopslagplaatsen, indien het schip conform hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (19) een seinvoering met één blauwe kegel of één blauw licht moet voeren; m van kunstwerken en tankopslagplaatsen en 300 m van woongebieden, indien het schip conform hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (19) een seinvoering met twee blauwe kegels of twee blauwe lichten moet voeren;

115 Tijdens het wachten voor sluizen of bruggen is het toegestaan geringere afstanden dan hierboven aangegeven aan te houden. In geen geval mag de afstand lager zijn dan 100 m De bevoegde autoriteit kan lagere als de in genoemde afstanden voorschrijven (Gereserveerd) Meldingsplicht In de Staten waar de meldingsplicht van kracht is, moet de schipper van een schip de informatie verschaffen conform paragraaf (Geschrapt) (Gereserveerd)

116 Deel 8 Voorschriften voor de bemanning, de uitrusting, de exploitatie van de schepen en de documenten

117 HOOFDSTUK 8.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN VOOR DE SCHEPEN EN DE UITRUSTING (Gereserveerd) Documenten Behalve de op grond van andere voorschriften vereiste documenten moeten de volgende documenten aan boord zijn: a) het in voorgeschreven Certificaat van Goedkeuring van het schip of het in voorgeschreven voorlopige Certificaat van Goedkeuring van het schip en de in genoemde bijlage; b) de in voorgeschreven vervoersdocumenten voor alle vervoerde gevaarlijke goederen en zo nodig het grote container-, voertuig- of wagenbeladingscertificaat (zie 5.4.2). c) de in vereiste schriftelijke instructies; d) een exemplaar van het ADN met de laatste versie van het Reglement als Bijlage; dit mag een exemplaar zijn dat met elektronische middelen te allen tijde kan worden geraadpleegd; e) de in vereiste verklaring van inspectie met betrekking tot de isolatieweerstand van de elektrische inrichtingen; f) de in vereiste verklaring van inspectie met betrekking tot de brandblusslangen; g) een boek, waarin alle resultaten van de vereiste metingen worden opgetekend; h) een kopie van de betreffende tekst van de speciale regeling(en) conform 1.5, indien het transport op basis van deze speciale regeling(en) wordt uitgevoerd; i) het in voorgeschreven identiteitsbewijs met foto voor ieder lid van de bemanning. j) (Geschrapt) Behalve de in voorgeschreven documenten moeten aan boord van drogelading schepen de volgende documenten ook aan boord zijn: a) het in voorgeschreven stuwplan; b) de in voorgeschreven verklaring met betrekking tot de bijzondere kennis van het ADN; c) voor schepen die voldoen aan de aanvullende voorschriften voor dubbelwandige schepen: - een lekveiligheidsplan; - de bescheiden met betrekking tot de intactstabiliteit, evenals de aan de lekberekening ten grondslag liggende intactstabiliteits-situaties, in de voor de schipper begrijpelijke vorm; - de verklaring van het erkend classificatiebureau (zie of ); d) de verklaring van onderzoek betreffende de vast ingebouwde brandblusinstallaties als voorgeschreven in Behalve de in voorgeschreven documenten moeten de volgende documenten aan boord van tankschepen zijn: a) het in voorgeschreven stuwplan; b) de in vereiste verklaring met betrekking tot de bijzondere kennis van het ADN; c) bij schepen, bij schepen, die aan de voorwaarden met betrekking tot de lekveiligheid moeten voldoen (zie paragraaf , of ) : - een lekveiligheidsplan; - de bescheiden met betrekking tot de intactstabiliteit, evenals alle situaties van intactstabiliteit die aan de berekening van de lekstabiliteit ten grond slag liggen, in de voor de schipper begrijpelijke vorm (zie , of ), het stabiliteitsboek en het bewijs dat de beladingscomputer is goedgekeurd door het erkend classificatiebureau; d) de in , of voorgeschreven documenten betreffende de elektrische installaties; e) het in , of voorgeschreven klassecertificaat afgegeven door het erkend classificatiebureau; f) de in , of voorgeschreven verklaring met betrekking tot gasdetectieinstallaties;

118 g) de in voorgeschreven Scheepsstoffenlijst; h) de in voorgeschreven verklaring met betrekking tot de beproeving van de slangassemblages voor het laden en lossen; i) de in of voorgeschreven instructie met betrekking tot de laad- en lossnelheden; j) (Geschrapt) k) bij het vervoer van stoffen met een smeltpunt 0 C, de verwarmingsinstructies; l) de in voorgeschreven verklaring van beproeving van de over- en onderdrukventielen, behalve voor tankschepen van het type N open of tankschepen van het type N open met vlamkerende inrichtingen; m) de reisregistratie waarnaar wordt verwezen in ; n) voor het vervoer van gekoelde stoffen: de instructie voorgeschreven in ; o) het certificaat betreffende de koelinstallatie, voorgeschreven in , of ; p) de verklaringen van onderzoek betreffende de vast ingebouwde brandblusinstallaties als voorgeschreven in , en q) bij het vervoer van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen de berekening van de verblijftijd ( , ) indien de temperatuur niet wordt gecontroleerd overeenkomstig a) en c), De warmtedoorgangscoëfficiënt moet worden gedocumenteerd en aan boord worden bijgehouden De schriftelijke instructies waarnaar wordt verwezen in moeten vóór het laden aan de schipper worden overhandigd. Zij moeten op een zodanige wijze in het stuurhuis worden bewaard, dat ze steeds beschikbaar zijn. De vervoersdocumenten moeten aan boord van drogelading schepen vóór het laden en aan boord van tankschepen en direct na het laden en voordat de reis begint aan de schipper worden overhandigd (Gereserveerd) Voor drogelading duwbakken, die geen gevaarlijke goederen vervoeren, is de aanwezigheid van het Certificaat van Goedkeuring niet vereist, mits de plaat als bedoeld in het CEVNI in hetzelfde lettertype wordt aangevuld met de volgende gegevens: Nr. van het Certificaat van Goedkeuring:... Afgegeven door:... Geldig tot:... Het Certificaat van Goedkeuring en de in genoemde bijlage moeten zich in dit geval in het bezit van de eigenaar van de duwbak bevinden. De overeenstemming van de op de plaat aangebrachte gegevens met die welke in het Certificaat van Goedkeuring zijn vermeld moet door een bevoegde autoriteit worden vastgesteld, die een merkteken op de plaat moet aanbrengen Voor drogelading- of tankduwbakken, die gevaarlijke goederen vervoeren, is de aanwezigheid aan boord van het Certificaat van Goedkeuring niet vereist, mits de plaat als bedoeld in het CEVNI door een tweede metalen of kunststof plaat, voorzien van een fotokopie van het totale Certificaat van Goedkeuring, wordt aangevuld. Een fotokopie van de in genoemde bijlage is niet vereist. Het Certificaat van Goedkeuring en de in genoemde bijlage moeten zich in dit geval in het bezit van de eigenaar van de duwbak bevinden. De overeenstemming van de gegevens op de plaat moet door een bevoegde autoriteit worden vastgesteld, die een merkteken op de plaat moet aanbrengen Alle documenten moeten aan boord aanwezig zijn in een taal die de schipper kan lezen en begrijpen. Indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, moeten alle documenten, met uitzondering van het exemplaar van het ADN en de voorschriften in de bijlage daarvan, en documenten waarvoor bijzondere bepalingen betreffende talen in die voorschriften zijn opgenomen, in het Engels, Frans of Duits aan boord

119 aanwezig zijn, tenzij overeenkomsten tussen de bij het vervoersproces betrokken landen anders bepalen b), g), en zijn niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten c) is niet van toepassing op bilgeboten (Gereserveerd) Brandblusinstallaties Ieder schip moet, in aanvulling op de brandblusapparaten, voorgeschreven volgens het Reglement waarnaar in wordt verwezen, ten minste met twee extra handblussers van dezelfde capaciteit zijn uitgerust. Het blusmiddel in deze extra handblussers moet geschikt zijn voor de bestrijding van branden, waar de vervoerde gevaarlijke stoffen bij zijn betrokken Speciale uitrusting Voor zover de bepalingen van hoofdstuk 3.2, Tabel A of C dit vereisen, moet de volgende uitrusting aan boord zijn: PP: EP: EX: Voor ieder lid van de bemanning een veiligheidsbril, een paar veiligheidshandschoenen, veiligheidskleding en een paar geschikte veiligheidsschoenen (zo nodig veiligheidslaarzen). Aan boord van tankschepen zijn in alle gevallen veiligheidslaarzen vereist; Een geschikt vluchtapparaat voor ieder zich aan boord bevindend persoon; Een gasdetectiemeter met de gebruiksaanwijzing; TOX: Een giftigheidsmeter met de gebruiksaanwijzing; A: Een van de buitenlucht afhankelijk, geschikt ademhalingstoestel (Gereserveerd) Voor duwstellen of gekoppelde samenstellen is het tijdens de vaart echter voldoende, dat de in genoemde speciale uitrusting zich, voorover deze in hoofdstuk 3.2, Tabel A of C is voorgeschreven, aan boord van de duwboot of het schip bevindt, dat het gekoppelde samenstel voortbeweegt Beproeving en onderzoek van de uitrusting Handblussers en brandblusslangen moeten ten minste eenmaal per twee jaar door hiervoor door de bevoegde autoriteit aangewezen personen worden onderzocht. Op de handblussers moet het bewijs van onderzoek zijn aangebracht. Een verklaring omtrent het onderzoek van de brandblusslangen moet zich aan boord bevinden De voor het laden en lossen, de afgifte van scheepsaandrijfstoffen en ladingrestanten gebruikte slangassemblages moeten voldoen aan de Europese norm EN 12115: (Rubber- en kunststofslangen en -assemblages voor vloeibare of gasvormige chemicaliën - Specificatie) of EN 13765: (Thermoplastische composiet (niet-gevulkaniseerde) foliën slangen en slangassemblages voor het transport van koolwaterstoffen, oplosmiddelen en chemicaliën) of EN ISO 10380: (Pijpleidingen - Gegolfde metalen slangen en slangassemblages). Zij moeten ten minste eenmaal per jaar volgens de aanwijzingen van de betreffende fabrikant door de hiervoor door de bevoegde autoriteit aangewezen personen conform Tabel A.1 van de Europese Norm EN 12115: of Tabel K.1 van de Europese Norm EN 13765: of paragraaf 7 van de Europese Norm EN ISO 10380: worden gecontroleerd en onderzocht. Een verklaring omtrent dit onderzoek moet aan boord worden meegevoerd De speciale uitrusting als bedoeld in en de gasdetectie-installaties moeten volgens de aanwijzingen van de betreffende fabrikant door hem of door de hiervoor door de bevoegde autoriteit aangewezen personen worden gecontroleerd en onderzocht. Een verklaring omtrent deze beproeving moet aan boord worden meegevoerd De in voorgeschreven meetinstrumenten moeten vóór ieder gebruik conform de gebruiksaanwijzing door de gebruiker worden beproefd De in , , , en voorgeschreven over- en onderdrukventielen moeten bij iedere vernieuwing van het Certificaat van Goedkeuring door de betreffende fabrikant of door een hiervoor door hen toegelaten firma worden beproefd. Een verklaring omtrent deze beproeving moet aan boord meegevoerd worden.

120 (Geschrapt) Elektrische inrichtingen (Geschrapt) (Geschrapt) (Geschrapt) De isolatieweerstand van de elektrische inrichtingen, de aarding en de elektrische inrichtingen in de erkend veilige uitvoering, evenals de overeenkomst van de in , of vereiste documenten met de situatie aan boord, moeten bij iedere vernieuwing van het Certificaat van Goedkeuring evenals in het derde jaar na de datum van afgifte van het Certificaat van Goedkeuring door een hiervoor door de bevoegde autoriteit aangewezen persoon worden gekeurd. Een verklaring van deze keuring moet aan boord worden bewaard Registratie inzake vervoersactiviteiten in verband met het vervoer van UN 1203 Tankschepen, die voor het vervoer van UN 1203 Benzine zijn aanvaard, moeten tijdens de vaart een reisregistratie meevoeren. De reisregistratie kan ook uit andere documenten bestaan, die de vereiste informatie bevatten. Deze reisregistratie of deze andere documenten moeten ten minste drie maanden aan boord worden bewaard en ten minste de laatste drie ladingen omvatten.

121 HOOFDSTUK 8.2 VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE OPLEIDINGEN Algemene voorschriften voor de opleiding van de deskundigen Een deskundige moet ten minste 18 jaar oud zijn Een deskundige is een persoon die bijzondere kennis bezit van het ADN. Het bewijs van deze kennis moet worden geleverd door middel van een opleidingscertificaat van een bevoegde autoriteit of een instantie erkend door de bevoegde autoriteit. Dit opleidingscertificaat moet worden verstrekt aan personen die na een opleiding geslaagd zijn voor een examen dat bevoegdheden verleent in het kader van het ADN Deskundigen als bedoeld in moeten aan een Basisopleiding deelnemen. De Basisopleiding moet worden gegeven conform een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd opleidingsprogramma. Deze Basisopleiding heeft met name tot doel deskundigen bewust te maken van de gevaren bij het vervoer van gevaarlijke goederen en hen de noodzakelijke basiskennis te verschaffen inzake het verkleinen van de gevaren van een ongeval en, indien zich een ongeval voordoet, hen de mogelijkheid te geven, die maatregelen te nemen, die voor hun eigen veiligheid, de algemene veiligheid en het milieu en voor het beperken van de gevolgen van het ongeval noodzakelijk zijn. Deze Basisopleiding, die individuele praktijkoefeningen moet omvatten, moet ten minste betrekking hebben op de in en de in of genoemde eindtermen Na vijf jaar moet het certificaat worden verlengd door de bevoegde autoriteit of door een door deze autoriteit erkende instelling wanneer de deskundige, door middel van de betreffende aantekeningen van de bevoegde autoriteit of een door deze autoriteit erkende instelling in zijn certificaat, aantoont dat hij binnen het laatste jaar voor afloop van de geldigheid van zijn opleidingscertificaat met succes een herhalingsopleiding heeft afgerond die volgens de in en de in of genoemde eindtermen is opgebouwd en actuele nieuwe ontwikkelingen omvat. Een herhalingsopleiding wordt geacht met succes te zijn afgerond indien een door het opleidingsinstituut conform afgenomen schriftelijke eindtest met goed gevolg is afgelegd. De test kan tijdens de geldigheidsduur van het opleidingscertificaat zo vaak als gewenst opnieuw worden afgelegd. De nieuwe geldigheidsduur begint op de afloopdatum van het opleidingscertificaat; indien de test meer dan één jaar voor afloop van de geldigheid van de verklaring wordt afgelegd, begint de nieuwe geldigheidsduur op de datum van het bewijs van deelname aan de opleiding Deskundigen voor het vervoer van gassen moeten aan een vervolgopleiding Gas deelnemen, waarin ten minste de in genoemde eindtermen worden behandeld. Deze vervolgopleiding moet worden gegeven conform een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd opleidingsprogramma. De verklaring van deskundigheid moet na een gevolgde opleiding door middel van een met goed gevolg afgelegd examen met betrekking tot het vervoer van gassen en het bewijs dat ten minste één jaar werkzaamheden aan boord van een type G-schip zijn verricht binnen een periode van twee jaar voor of na het examen, worden afgegeven Na vijf jaar moet het certificaat worden verlengd door de bevoegde autoriteit of door een door deze autoriteit erkende instelling wanneer de deskundige voor het vervoer van gassen, door middel van de betreffende aantekeningen van de bevoegde autoriteit of een door deze autoriteit erkende instelling in zijn certificaat, aantoont dat hij: - binnen het laatste jaar voor afloop van de geldigheid van zijn opleidingscertificaat een herhalingsopleiding of vervolgopleiding, die ten minste volgens de in genoemde eindtermen is opgebouwd en in het bijzonder actuele nieuwe ontwikkelingen omvat, heeft bezocht of - binnen de laatste twee jaar, ten minste één jaar, werkzaamheden heeft verricht aan boord van een type G-schip. Indien de herhalingsopleiding of de vervolgopleiding wordt gelopen in het jaar vóór de datum van afloop van de verklaring, dan moet de nieuwe geldigheidsduur beginnen op de afloopdatum van het vorige opleidingscertificaat, echter in andere gevallen moet deze beginnen op de datum van het bewijs van deelname aan de opleiding.

122 Deskundigen voor het vervoer van chemicaliën moeten aan een vervolgopleiding Chemie deelnemen, waarin ten minste de in genoemde eindtermen worden behandeld. Deze vervolgopleiding moet worden gegeven conform een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd opleidingsprogramma. De verklaring van deskundigheid moet na een gevolgde opleiding door middel van een met goed gevolg afgelegd examen met betrekking tot het vervoer van chemicaliën, en het bewijs dat ten minste één jaar werkzaamheden aan boord van een type C-schip zijn verricht binnen een periode van twee jaar voor of na het examen, worden afgegeven Na vijf jaar moet het certificaat worden verlengd door de bevoegde autoriteit of door een door deze autoriteit erkende instelling wanneer de deskundige voor het vervoer van chemicaliën, door middel van de betreffende aantekeningen van de bevoegde autoriteit of een door deze autoriteit erkende instelling in zijn opleidingscertificaat, aantoont dat hij: - binnen het laatste jaar voor afloop van de geldigheid van zijn opleidingscertificaat een herhalingsopleiding of een vervolgopleiding, die volgens de in genoemde eindtermen is opgebouwd en in het bijzonder actuele nieuwe ontwikkelingen omvat, heeft bezocht; of - gedurende de laatste twee jaar, ten minste één jaar werkzaamheden heeft verricht aan boord van een type C-schip. Indien de herhalingsopleiding of de vervolgopleiding wordt gelopen in het jaar vóór de datum van afloop van het opleidingscertificaat, dan moet de nieuwe geldigheidsduur beginnen op de afloopdatum van de vorige verklaring, echter in andere gevallen moet deze beginnen op de datum van het bewijs van deelname aan de opleiding Het document dat verklaart dat opleiding en ervaring in overeenstemming zijn met de eisen van Hoofdstuk V van de STCW Code voor de opleiding en bekwaamheid van kapiteins, officieren en bemanningsleden van tankschepen die vloeibaar petroleumgas of vloeibaar aardgas vervoeren wordt met de verklaring als bedoel in gelijkgesteld, onder voorwaarde dat het is erkend door de bevoegde autoriteit. De afgifte of de verlenging van de geldigheidsduur van dit document moet korter dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden Het document dat verklaart dat opleiding en ervaring in overeenstemming zijn met de eisen van Hoofdstuk V van de STCW Code over de training en kwalificatie van kapiteins, officieren en matrozen op tankschepen die chemicaliën los gestort vervoeren wordt met de verklaring als bedoel in gelijkgesteld, onder voorwaarde dat het is erkend door de bevoegde autoriteit. De afgifte of de verlenging van de geldigheidsduur van dit document moet korter dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden De verklaring moet overeenkomen met het model in Bijzondere voorschriften voor de opleiding van de deskundigen De theoretische kennis en praktische vaardigheden moeten worden verkregen door middel van theorielessen en praktijkoefeningen. De theoretische kennis moet door een examen worden getoetst. Tijdens de herhalingsopleiding moet door oefeningen en toetsen worden gewaarborgd dat de deelnemer actief aan de opleiding deelneemt Het opleidingsinstituut moet waarborgen dat de opleiders goed op de hoogte zijn van het onderwerp en rekening houden met recente ontwikkelingen in de voorschriften en opleidingseisen die met het vervoer van gevaarlijke goederen samenhangen. De opleiding moet praktijkgericht zijn. De opleidingsyllabus moet in overeenstemming zijn met de goedkeuring wat betreft de in tot en met en of genoemde eindtermen. De Basisopleiding en de herhalingsopleiding moeten ook individuele praktijkoefeningen omvatten (zie ) Structuur van de opleiding De eerste basis- en herhalingsopleidingen moeten worden gegeven in de vorm van een basisopleiding (zie ) en voorover nodig, vervolgopleidingen (zie ). De opleiding als bedoeld in kan drie varianten omvatten: Drogeladingvervoer, Tankvervoer en een Combinatie Drogelading- /tankvervoer.

123 Basisopleidingen Basisopleiding Drogeladingvaart Vooropleiding: geen Kennis: ADN algemeen, met uitzondering van hoofdstuk 3.2, Tabel C, 7.2 en 9.3 Bevoegdheid: Drogelading schepen Opleiding: Algemeen en drogelading schepen Basisopleiding Tankvaart Vooropleiding: geen Kennis: ADN algemeen, met uitzondering van hoofdstuk 3.2, Tabel A en B, 7.1, 9.1, 9.2 en secties en Bevoegdheid: Tankschepen voor het vervoer van stoffen waarvoor een tankschip van het type N is voorgeschreven Opleiding: Algemeen en tankschepen Basisopleiding Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart Vooropleiding: Geen Kennis: ADN algemeen, met uitzondering van secties en Bevoegdheid: Drogelading schepen en tankschepen voor het vervoer van stoffen waarvoor een tankschip van het type N is voorgeschreven Opleiding: Algemeen , drogelading schepen en tankschepen Het algemene deel van de basisopleiding moet ten minste de volgende eindtermen omvatten: Algemeen: - Doel en opbouw van het ADN Bouw en uitrusting: - Bouw en uitrusting van ADN schepen Meettechnieken: - Meten van giftigheid, zuurstofgehalte en explosiviteit Kennis van producten: - Indeling en gevaarseigenschappen van gevaarlijke goederen Laden, lossen en vervoeren: - Laden, lossen en algemene bedrijfs- en vervoersvoorschriften Documenten: - Documenten die tijdens het vervoer aan boord moeten zijn Gevaren en voorzorgsmaatregelen: - Algemene veiligheidsmaatregelen Praktische oefeningen: - Praktische oefeningen, in het bijzonder het betreden van ruimten, het gebruik van brandblusapparaten, brandblusinrichtingen, en uitrusting voor persoonlijke bescherming alsmedegasdetectiemeters, zuurstofmeters en giftigheidsmeters Stabiliteit: - Voor stabiliteit relevante parameters - Slagzijmomenten - Voorbeeldberekeningen - Lekstabiliteit, stadia tijdens en eindtoestand van het vollopen - Invloed van vrije oppervlakken - Beoordeling van stabiliteit op basis van bestaande stabiliteitscriteria (tekst van de voorschriften) - Beoordeling van intactstabiliteit met behulp van de kromme van statische armen - Toepassing van de beladingscomputer - Gebruik van de beladingscomputer - Toepassing van het stabiliteitsboek conform 9.3.x.13.3

124 Het deel van de basisopleiding met betrekking tot de drogeladingvaart moet ten minste de volgende eindtermen omvatten: Bouw en uitrusting: - Bouw en uitrusting van drogelading schepen Behandeling van laadruimen en aangrenzende ruimten: - Gasvrij maken, reinigen en in goede staat houden - Ventileren van de laadruimen en de ruimten buiten de beschermde zone Laden, lossen en vervoeren: - Laden, lossen en algemene bedrijfs- en vervoersvoorschriften. - Etikettering van colli. Documenten: - Documenten die tijdens het vervoer aan boord moeten worden meegevoerd Gevaren en voorzorgsmaatregelen: - Algemene veiligheidsmaatregelen. - Persoonlijke beschermings- en veiligheidsuitrusting Het deel van de basisopleiding met betrekking tot tankvaart moet ten minste de volgende eindtermen omvatten: Bouw en uitrusting: - Bouw en uitrusting van tankschepen. - Be- en ontluchtingssystemen. - Laad- en lossystemen. Behandeling van ladingtanks en aangrenzende ruimten: - Gasvrij maken, reinigen en in goede staat houden - Verwarmen en koelen van de lading - Behandelen van houders voor restproducten. Meettechnieken en monstername: - Meten van giftigheid, zuurstofgehalte en explosiviteit - Monstername Laden, lossen en vervoeren: - Laden, lossen en algemene bedrijfs- en vervoersvoorschriften. Documenten: - Documenten die tijdens het vervoer aan boord moeten worden meegevoerd. Blootstelling aan gevaar en voorzorgsmaatregelen: - Voorzorg en algemene veiligheidsmaatregelen - Vonkvorming - Persoonlijke beschermings- en veiligheidsuitrusting - Brand en brandbestrijding Herhalingopleidingen Herhalingsopleiding Drogeladingvaart Eerdere opleiding: Geldige verklaring Drogeladingvaart of Drogeladingvaart en Tankvaart Kennis: ADN algemeen, met uitzondering van hoofdstuk 3.2,Tabel C, hoofdstuk 7.2 en 9.3 Bevoegdheid: Drogelading schepen Opleiding: Algemeen en drogelading schepen Herhalingsopleiding Tankvaart Eerdere opleiding: Geldige verklaring Tankvaart of Drogeladingvaart en Tankvaart Kennis: ADN algemeen, met uitzondering van hoofdstuk 3.2, Tabel A en B, hoofdstuk 7.1, 9.1, 9.2 en secties en Bevoegdheid: Tankschepen voor het vervoer van stoffen waarvoor een tankschip van het type N is voorgeschreven Opleiding: Algemeen en tankschepen

125 Herhalingsopleiding Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart Eerdere opleiding: Geldige verklaring Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart Kennis: ADN algemeen, met inbegrip van en Bevoegdheid: Drogeladingschepen en tankschepen voor het vervoer van stoffen waarvoor een tankschip van het type N is voorgeschreven Opleiding: Algemeen , drogeladingschepen en tankschepen Vervolgopleidingen Vervolgopleiding Gas Eerdere opleiding: Geldige verklaring Tankvaart of Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart Kennis: ADN met in het bijzonder kennis met betrekking tot het laden, het vervoer, het lossen en de behandeling van gassen Bevoegdheid: Tankschepen, voor het vervoer van stoffen waarvoor een tankschip van het type G is voorgeschreven en vervoer van stoffen in een tankschip van het type G waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C een tankschip van het type C met in kolom (7) een ladingtank uitvoering 1 is voorgeschreven. Opleiding: Gas Vervolgopleiding Chemie Eerdere opleiding: Geldige verklaring Tankvaart of Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart Kennis: ADN met in het bijzonder kennis met betrekking tot het laden, het vervoer, het lossen en de behandeling van chemicaliën Bevoegdheid: Tankschepen, voor het vervoer van stoffen waarvoor een tankschip van het type C is voorgeschreven Opleiding: Chemie De vervolgopleiding Gas moet ten minste betrekking hebben op de volgende eindtermen: Kennis van natuurkunde en scheikunde: - Partiële gaswetten, als b.v. de Wet van Boyle, de Wet van Gay-Lussac en de algemene gaswet - Drukken en mengsels, als b.v. definities en eenvoudige berekeningen, opdrukken en aflaten van ladingtanks - Het getal van Avogadro en massaberekeningen van ideale gassen en toepassing van de massa formule - Massadichtheid, relatieve dichtheid en volume van vloeistof, b.v. massadichtheid, relatieve dichtheid, volume bij verhoging van temperatuur en hoogste vullingsgraad - Kritische druk en temperatuur - Polymerisatie, b.v. theoretische vragen, praktijkvragen en vervoersvoorwaarden - Verdampen en condenseren, b.v. definitie, verhouding volume vloeistof en volume damp - Mengsels, b.v. dampdruk, samenstelling en gevaarseigenschappen - Chemische verbindingen en formules Praktijk: - Spoelen van de ladingtanks, als b.v. spoelen bij wisselen van lading, toevoegen van lucht aan de lading, spoelmethoden (ontgassen) voor het betreden van ladingtanks - Monstername - Explosiegevaar - Gevaren voor de gezondheid - Gasconcentratiemetingen, b.v. welke apparaat moet worden gebruikt en hoe moet men dit gebruiken - Controleren en betreden van besloten ruimten - Gasvrijverklaringen en toegestane werkzaamheden - Vullingsgraad en overvulling - Veiligheidsinrichtingen - Pompen en compressoren - Behandeling van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen Noodmaatregelen: - Persoonlijk letsel, b.v. stoffen op de huid, inademen van gas en hulpverlening - Onregelmatigheden in verband met de lading, b.v. lekkage aan een flensverbinding, overvulling, polymerisatie en gevaar in de omgeving van het schip De vervolgopleiding Chemie moet ten minste betrekking hebben op de volgende eindtermen: Kennis van natuurkunde en scheikunde: - Chemische producten, b.v. moleculen, atomen, aggregatietoestand, zuren en logen, oxidatie - Massadichtheid, relatieve dichtheid, druk en volume van vloeistoffen, b.v. massadichtheid, relatieve dichtheid, volume en druk bij verhoging van temperatuur en hoogste vullingsgraad - Kritische temperatuur

126 - Polymerisatie, b.v. theoretische vragen, praktijkvragen en vervoersvoorwaarden - Mengsels, als b.v. dampdruk, samenstelling en gevaarseigenschappen - Chemische verbindingen en formules Praktijk: - Het reinigen van de ladingtanks, zoals bijv. ontgassen en wassen, ladingrestanten en houders voor restproducten; - Het laden en lossen, b.v. gasafvoerleiding, snelsluitsysteem en temperatuurs-invloeden - Monstername - Explosiegevaren - Gevaren voor de gezondheid- Gasconcentratiemetingen, b.v. welke apparaat moet worden gebruikt en hoe moet men dit gebruiken - Controleren en betreden van besloten ruimten - Gasvrijverklaringen en toegestane werkzaamheden - Vullingsgraad en overvulling - Veiligheidsinrichtingen - Pompen en compressoren Noodmaatregelen: - Persoonlijk letsel, b.v. contact met de lading, inademen van gas en hulpverlening - Onregelmatigheden in verband met de lading, b.v. lekkage aan een flensverbinding, overvulling, polymerisatie en gevaren in de omgeving van het schip Herhalingsopleiding Herhalingsopleiding Gas Eerdere opleiding: Geldige verklaring Tankvaart of Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart, en geldig opleidingscertificaat Gas Kennis: ADN in het bijzonder het laden, het vervoer, het lossen en de behandeling van gassen Bevoegdheid: Tankschepen, voor het vervoer van stoffen waarvoor een tankschip van type G is voorgeschreven en vervoer van stoffen in een tankschip van type G waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C een tankschip van het type C met in kolom (7) een ladingtank uitvoering 1 is voorgeschreven Opleiding: Gas Herhalingsopleiding Chemie Eerdere opleiding: Geldige verklaring Tankvaart of Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart, en geldig opleidingscertificaat Chemie Kennis: ADN in het bijzonder het laden, het vervoer, het lossen en de behandeling van chemicaliën Bevoegdheid: Tankschepen, voor het vervoer van stoffen waarvoor een tankschip van het type C is voorgeschreven Opleiding: Chemie Programma voor de basis- en vervolgopleidingen De volgende minimale perioden moeten voor de opleiding in acht worden genomen: - Basisopleiding Drogeladingschepen 32 leseenheden van 45 minuten - Basisopleiding Tankschepen 32 leseenheden van 45 minuten - Basisopleiding Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart 40 leseenheden van 45 minuten - Vervolgopleiding Gas 16 leseenheden van 45 minuten - Vervolgopleiding Chemie 16 leseenheden van 45 minuten Elke dag opleiding mag ten hoogste acht leseenheden omvatten. Indien de theoretische opleiding in de vorm van schriftelijk onderwijs wordt uitgevoerd, moet de equivalentie ten opzichte van de hierboven genoemde leseenheden worden vastgesteld. De schriftelijke opleiding moet binnen negen maanden zijn voltooid. Aan praktijkoefeningen moet in de basisopleiding ongeveer 30 % worden gewijd. De praktijkoefeningen moeten, indien mogelijk, gedurende de periode van de theoretische opleiding worden ondernomen; ze moeten in elk geval uiterlijk drie maanden na afloop van de theoretische opleiding worden voltooid Programma voor de herhalingsopleiding De herhalingsopleiding moet plaatsvinden vóór de in , of genoemde termijn verlopen is.

127 De volgende minimale perioden moeten voor de opleiding in acht worden genomen: - Herhaling-basisopleiding Drogeladingvaart 16 leseenheden van 45 minuten - Herhaling-basisopleiding Tankvaart 16 leseenheden van 45 minuten - Herhaling-basisopleiding Combinatie Drogeladingvaart en Tankvaart 16 leseenheden van 45 minuten - Herhaling-vervolgopleiding Gas 8 leseenheden van 45 minuten - Herhaling-vervolgopleiding Chemie 8 leseenheden van 45 minuten Elke opleidingsdag mag ten hoogste acht leseenheden omvatten. Aan praktijkoefeningen in de herhaling basisopleiding moet ongeveer 30 % worden gewijd. De praktijkoefeningen moeten, indien mogelijk, gedurende de periode van de theoretische opleiding worden ondernomen; ze moeten in ieder geval uiterlijk drie maanden na afloop van de theoretische opleiding worden voltooid. In de herhalingsopleiding moeten ten minste twee leseenheden worden gewijd aan opleiding inzake stabiliteit Goedkeuring van de opleidingen De opleidingen moeten door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd De goedkeuring wordt slechts verleend na een schriftelijke aanvraag Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd: a) Een gedetailleerd opleidingsprogramma dat aangeeft de te onderwijzen onderwerpen en de daaraan te besteden tijdsduur, alsmede het rooster en de voorgenomen onderwijsmethoden; b) De kwalificaties van de opleidingsinstructeurs waarin hun bevoegdheden zijn aangegeven en door elk van hen te onderwijzen onderwerpen; c) Informatie over de klaslokalen en over het onderwijsmateriaal alsook over de faciliteiten voor de praktijkoefeningen; d) Voorwaarden voor deelname aan de opleidingen, bijvoorbeeld het aantal deelnemers; e) Een gedetailleerde opzet voor eindtests zo nodig inclusief inrichting en organisatie van elektronische examens overeenkomstig , indien deze afgenomen moeten worden De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het toezicht op de opleidingen en de examens De goedkeuring bevat onder meer de volgende voorwaarden: a) de opleidingen worden gegeven overeenkomstig de bij de aanvraag voor goedkeuring gevoegde informatie; b) de bevoegde autoriteit kan inspecteurs sturen om de opleidingen en examens bij te wonen; c) de bevoegde autoriteit wordt op tijd van de lesroosters van de afzonderlijke opleidingsopleidingen op de hoogte gebracht; De goedkeuring wordt schriftelijk en voor een beperkte periode afgegeven. Zij kan worden ingetrokken indien niet aan de voorwaarden van goedkeuring wordt voldaan Het goedkeuringsdocument moet aangeven of het bij de opleiding gaat om een basis-, vervolg- of herhalingsopleiding Indien het opleidingsinstituut, nadat goedkeuring is verleend, wijzigingen wenst aan te brengen van de voorwaarden die voor de goedkeuring van belang waren, moet het vooraf de bevoegde autoriteit om toestemming vragen. Deze bepaling is in het bijzonder van toepassing op wijzigingen in de syllabi De opleidingen moeten met actuele ontwikkelingen in de diverse onderwezen onderwerpen rekening houden. De organisator van de opleiding is ervoor verantwoordelijk dat gewaarborgd wordt dat recente ontwikkelingen onder de aandacht worden gebracht van en volledig worden begrepen door de opleidingsinstructeurs Examens en tests Het examen moet worden georganiseerd door de bevoegde autoriteit of door een exameninstelling aangewezen door de bevoegde autoriteit. De exameninstelling mag geen opleidingen verschaffen. De exameninstelling moet schriftelijk worden aangewezen. Deze erkenning kan van beperkte geldigheidsduur zijn en moet op de volgende criteria zijn gebaseerd: - competentie van de exameninstelling:

128 - specificaties van de vorm van de examens die de exameninstelling voorstelt, zo nodig inclusief inrichting en organisatie van elektronische examens overeenkomstig , indien deze afgenomen moeten worden; - maatregelen bedoeld om te waarborgen dat de examens onpartijdig zijn; - onafhankelijkheid van de instelling van alle natuurlijke of rechtspersonen die ADN-deskundigen in dienst hebben Examens voor de basisopleiding Na de beginopleiding moet het examen ADN Basisopleiding worden afgenomen. Dit moet binnen zes maanden na het einde van de opleiding plaatsvinden Tijdens het examen moet de kandidaat aantonen dat hij, overeenkomstig de Basisopleiding, de kennis, het inzicht en de vaardigheden bezit die voor een deskundige aan boord van een schip vereist zijn Voor dit doel legt het Administratief Comité een vragencatalogus vast, die de in tot en met opgesomde eindtermen omvat alsmede een richtlijn inzake het gebruik van de vragencatalogus 1. De examenvragen moeten uit deze lijst worden gekozen. De kandidaat mag voorafgaand aan het examen geen kennis hebben over de gekozen vragen Bij de richtlijn inzake de vragencatalogus is een matrix opgenomen. Deze matrix moet worden gebruikt bij het samenstellen van het examen Het examen moet schriftelijk plaatsvinden. Kandidaten moeten 30 meerkeuzevragen worden voorgelegd. De duur van het examen bedraagt 60 minuten. Het examen is met goed gevolg afgelegd indien ten minste 25 van de 30 vragen juist zijn beantwoord De bevoegde autoriteit of een door deze autoriteit aangewezen exameninstituut moet tijdens elk examen surveilleren. Fraude en bedrog moeten zoveel mogelijk worden uitgesloten. Van elke kandidaat wordt de identiteit gecontroleerd. Bij het schriftelijk examen is het niet toegestaan andere documentatie te gebruiken dan regelgevingsteksten inzake gevaarlijke goederen, de Europese code voor binnenwateren (CEVNI) en aanverwante politievoorschriften. Tijdens vervolgcursussen mogen niet-programmeerbare zakrekenmachines worden gebruikt, die worden uitgereikt door de bevoegde autoriteit of het door deze autoriteit aangewezen exameninstituut. De examendocumenten (vragen en antwoorden) worden geregistreerd en in schriftelijke of elektronische vorm bewaard Schriftelijke examens mogen geheel of gedeeltelijk elektronisch worden afgenomen, waarbij de antwoorden worden geregistreerd en beoordeeld met gebruikmaking van elektronische gegevensverwerking (EDP), mits aan onderstaande voorwaarden is voldaan: a) De hardware en software moeten worden gecontroleerd en geaccepteerd door de bevoegde autoriteit of het door deze autoriteit aangewezen exameninstituut; b) Alleen elektronische hulpmiddelen die ter beschikking zijn gesteld door de bevoegde autoriteit of het door deze autoriteit aangewezen exameninstituut mogen worden gebruikt. c) Apparaten en applicaties dienen naar behoren te werken. In geval van uitval van apparaten en applicaties moet er voorzien zijn in een regeling die bepaalt of en hoe het examen kan worden voortgezet. Er mogen geen hulpmiddelen (bv. een elektronische zoekfunctie) op de invoerapparaten zijn aangesloten; de beschikbaar gestelde EDP-apparatuur mag het niet mogelijk maken dat kandidaten gedurende het examen door middel van enig ander apparaat met elkaar communiceren. d) Het moet in geen geval mogelijk zijn dat een kandidaat meer gegevens invoert in de ter beschikking gestelde elektronische hulpmiddelen; de kandidaat mag uitsluitend antwoorden geven op de gestelde vragen. e) De definitieve uitwerkingen van elke kandidaat moeten worden geregistreerd. De bepaling van de resultaten dient op transparante wijze te geschieden Examens voor de vervolgopleidingen Gas en Chemie 1 Opmerking van het secretariaat: de vragencatalogus en de richtlijn over de toepassing zijn beschikbaar op de website van het secretariaat van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (http//

129 Kandidaten die geslaagd zijn voor het examen van de ADN Basisopleiding kunnen een aanvraag indienen tot inschrijving voor een vervolgopleiding Gas of Chemie. De vervolgopleiding moet worden gevolgd door een examen. Het examen moet zijn gebaseerd op de Iijst van vragen van het Administratief Comité Tijdens het examen moet de kandidaat aantonen dat hij, overeenkomstig de vervolgopleiding "Gas" en/of "Chemie", de kennis, het inzicht en de vaardigheden bezit die voor een deskundige aan boord van schepen, die gassen of chemicaliën vervoeren, vereist zijn Het Administratief Comité legt een vragencatalogus vast, die de in of opgesomde eindtermen omvat alsmede een richtlijn inzake het gebruik van de vragencatalogus 1. De examenvragen moeten uit deze lijst worden gekozen. De kandidaat mag voorafgaand aan het examen mag geen kennis hebben over de gekozen vragen Bij de richtlijn inzake het gebruik van de vragencatalogus is een matrix opgenomen. Deze matrix moet worden gebruikt bij het samenstellen van het examen Het examen moet schriftelijk plaatsvinden. Kandidaten moeten 30 meerkeuze vragen een casusvraag worden voorgelegd. De duur van het examen bedraagt in totaal 150 minuten, waarvan 60 minuten voor de meerkeuzevragen en 90 minuten voor de casus-vraag. Het totale examen omvat 60 punten waarvan 30 punten voor de meerkeuze vragen (één punt per vraag) en 30 punten voor de casusvraag (de verdeling van de punten wordt aan de bevoegde autoriteit overgelaten). Het examen is met goed gevolg afgelegd indien ten minste 44 punten zijn gehaald. Daarbij moet echter in elk examenonderdeel ten minste 20 punten zijn bereikt. Indien de kandidaat 44 punten bereikt, en echter in één onderdeel geen 20 punten of meer is gehaald, dan kan voor dit onderdeel een herexamen worden afgenomen. De bepalingen van en zijn van overeenkomstige toepassing Herhalingsopleiding Het opleidingsinstituut neemt aan het einde van de herhalingsopleiding overeenkomstig paragraaf een test af De test moet schriftelijk plaatsvinden. Kandidaten moeten 20 vragen worden voorgelegd. De duur van de test bedraagt 40 minuten. Aan het einde van iedere herhalingsopleiding moet een nieuwe vragenlijst worden opgesteld. De test is met goed gevolg afgelegd indien ten minste 16 van de 20 vragen juist zijn beantwoord Op het afnemen van de tests zijn de bepalingen van , , en van toepassing (naast de voorschriften van de richtlijn inzake het gebruik van de vragencatalogus voor examencommissies en -instellingen) Het opleidingsinstituut moet kandidaten die de test met goed gevolg hebben afgelegd een schriftelijke verklaring ter hand stellen, die overeenkomstig paragraaf aan de bevoegde autoriteit moet worden overgelegd Het opleidingsinstituut moet de testformulieren van kandidaten bewaren gedurende een periode van vijf jaar, gerekend vanaf de datum van de test Verklaring omtrent bijzondere kennis van het ADN De afgifte en vernieuwing van de verklaring omtrent bijzondere kennis van het ADN overeenkomstig moet de verantwoordelijkheid zijn van de bevoegde autoriteit of een instelling erkend door de bevoegde autoriteit. Verklaringen moeten worden afgegeven aan: - kandidaten die een basisopleiding of vervolgopleiding hebben bijgewoond en zijn geslaagd voor het examen; - kandidaten die hebben deelgenomen aan een herhalingsopleiding. De geldigheidsduur van de verklaring voor de basisopleiding is vijf jaar gerekend vanaf de datum van het examen. Aan kandidaten die de verklaring hebben verkregen voor de vervolgopleidingen "Gas" en/of "Chemie" moet een nieuwe verklaring worden verstrekt, die alle verklaringen die verband houden met de basisopleiding en de vervolgopleidingen omvat. De geldigheidsduur van de nieuwe verklaring is vijf jaar gerekend vanaf de datum van het examen voor de basisopleiding.

130 Indien de herhalingsopleiding niet volledig was afgesloten vóór de afloop van de geldigheidsduur van de verklaring, moet geen nieuwe verklaring worden afgegeven totdat de kandidaat opnieuw een eerste basisopleiding heeft afgemaakt en geslaagd is voor een examen waarnaar in hierboven wordt verwezen. Indien een nieuwe verklaring wordt afgegeven na het bijwonen van een vervolgopleiding of herhalingsopleiding, en de vorige verklaring was afgegeven door een andere bevoegde autoriteit of een instelling erkend door een andere bevoegde autoriteit, dan moet de vorige verklaring worden bewaard en geretourneerd aan de autoriteit of instelling die deze heeft afgegeven De Overeenkomstsluitende Partijen zenden aan het secretariaat van de UNECE een voorbeeld van het nationaal model voor elk certificaat bedoeld voor afgifte overeenkomstig deze sectie, vergezeld van voorbeelden van modellen voor certificaten die nog steeds geldig zijn. Een Overeenkomstsluitende Partij mag aanvullend een toelichting verstrekken. Het secretariaat van de UNECE stelt de ontvangen gegevens beschikbaar aan alle Overeenkomstsluitende Partijen.

131 HOOFDSTUK 8.3 DIVERSE VOORSCHRIFTEN, DIE DOOR DE BEMANNING VAN HET SCHIP IN ACHT GENOMEN MOETEN WORDEN Personen toegelaten aan boord Voor zover in deel 7 niet anders is voorgeschreven, zijn aan boord slechts de volgende personen toegelaten: a) de bemanning; b) niet tot de bemanning behorende, doch normaal aan boord verblijvende personen; c) personen, die om ambtelijke redenen aan boord zijn In de beschermde zone aan boord van drogelading schepen en in de ladingzone aan boord van tankschepen mogen de in b) genoemde personen zich slechts kortstondig ophouden Indien voor het schip conform hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (19) het voeren van twee blauwe kegels of twee blauwe lichten is voorgeschreven, mogen geen personen jonger dan 14 jaar niet aan boord zijn Draagbare lampen Aan boord van drogelading schepen zijn in de beschermde zone alleen draagbare lampen met een eigen energiebron toegestaan. Aan boord van tankschepen zijn in de ladingzone en op het dek buiten de ladingzone alleen draagbare lampen met een eigen energiebron toegestaan. De lampen moeten van het erkend veilige type zijn Toegang aan boord Onbevoegde personen mogen niet aan boord worden toegelaten. Dit verbod moet op waarschuwingsborden op geschikte plaatsen worden getoond Rookverbod, Verbod van vuur en open licht Het is verboden aan boord van het schip te roken. Dit verbod moet op waarschuwingsborden op geschikte plaatsen worden getoond. Het rookverbod geldt ook voor elektronische sigaretten en soortgelijke apparaten. Dit verbod is niet van toepassing in de woning en het stuurhuis, indien daarvan de ramen, deuren, schijnlichten en luiken gesloten zijn Gevaar bij werkzaamheden aan boord Het is verboden, reparatie- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren, die het gebruik van vuur of elektrische stroom vereisen of waarbij vonken kunnen ontstaan: - aan boord van drogelading schepen in de beschermde zone of aan dek langsscheeps tot 3 m voor en achter de beschermde zone; en - aan boord van tankschepen. Deze bepaling is niet van toepassing: - indien voor drogelading schepen een toestemming van de bevoegde autoriteit of een verklaring die de geheel gasvrije toestand bevestigt voor de beschermde zone afgegeven is; - indien voor het tankschip een toestemming van de bevoegde autoriteit of een verklaring van de geheel gasvrije toestand van het schip afgegeven is; - voor afmeer werkzaamheden. Aan boord van tankschepen mogen dergelijke werkzaamheden zonder toestemming worden uitgevoerd in bedrijfsruimten buiten de ladingzone, onder voorwaarde dat de deuren en openingen van deze ruimten gesloten zijn en het schip niet beladen, gelost of ontgast wordt. Het gebruik van schroevendraaiers en moersleutels van Chroom-Vanadium-Staal of gelijkwaardig materiaal uit het gezichtspunt van vonkvorming is toegestaan.

132 HOOFDSTUK 8.4 (Gereserveerd) HOOFDSTUK 8.5 (Gereserveerd)

133 HOOFDSTUK 8.6 DOCUMENTEN Certificaat van Goedkeuring Model van een Certificaat van Goedkeuring voor drogelading schepen Bevoegde autoriteit: Ruimte gereserveerd voor het wapen en de naam van de staat 1 ADN Certificaat van Goedkeuring Nr.: Naam van het schip: Uniek Europees Scheepsidentificatienummer: Type schip: Extra eisen: Schip als bedoeld in ) Schip als bedoeld in ) Het schip voldoet aan de aanvullende constructie-eisen voor dubbelwandige schepen in t/m / t/m ) 5. Toegestane afwijkingen: 1) Dit Certificaat van Goedkeuring is geldig tot... (datum) 7. Het voorgaande Certificaat van Goedkeuring Nr.... werd op.... (datum) door... (bevoegde autoriteit) afgegeven. 8. Het schip is toegelaten voor het vervoer van gevaarlijke goederen op grond van: - onderzoek op 1)... (datum) - het onderzoeksrapport van een erkend classificatiebureau 1) (naam van het classificatiebureau) (datum) - het onderzoeksrapport van de erkende onderzoeksinstantie 1) (naam van de onderzoeksinstantie) (datum) 9. op grond van toegelaten gelijkwaardigheden: 1) Op grond van de bijzondere machtigingen: 1) Afgegeven te... op... plaats) (datum) 12. (stempel)... (bevoegde autoriteit)... (ondertekening) 1) Indien niet van toepassing doorhalen

134 Verlenging van de geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring De geldigheidsduur van dit Certificaat van Goedkeuring wordt op grond van hoofdstuk 1.16 van het ADN verlengd. tot... (datum) de... (plaats (datum) 15. (stempel)... (bevoegde autoriteit)... (ondertekening)

135 Model van het voorlopig Certificaat van Goedkeuring voor drogelading schepen Bevoegde autoriteit: Ruimte gereserveerd voor het wapen en de naam van de Staat 1 ADN Voorlopig Certificaat van Goedkeuring Nr::.. 1. Naam van het schip:.. 2. Uniek Europees Scheepsidentificatienummer: 3. Type schip:. 4. Extra eisen: Schip waarnaar wordt verwezen ) Schip waarnaar wordt verwezen ) Het schip voldoet aan de aanvullende constructievoorschriften voor dubbelwandige schepen volgens t/m / t/m Toegestane afwijkingen: 1) Het voorlopige Certificaat van Goedkeuring is geldig 6.1 tot.. 1) 6.2 voor een enkele reis van naar 1) 7. Afgegeven te op (plaats) (datum) 8. (stempel) (bevoegde autoriteit).. (ondertekening) 1 Indien niet van toepassing doorhalen Opmerking: Dit model voorlopige Certificaat van Goedkeuring mag worden vervangen door een enkel model certificaat dat een voorlopig Certificaat van Inspectie en het voorlopig Certificaat van Goedkeuring samenvoegt onder voorwaarde dat het enkele model certificaat dezelfde informatie bevat als het model hierboven en is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten.

136 Model van het Certificaat van Goedkeuring voor tankschepen Bevoegde autoriteit: Ruimte gereserveerd voor het wapen en de naam van de staat 1 ADN Certificaat van Goedkeuring Nr.: Naam van het schip: Uniek Europees Scheepsidentificatienummer: Type schip: Tankschip van het type: Ontwerp van de ladingtanks: 1. Druktank 2. Ladingtank, gesloten 3. Ladingtank, open met vlamkerende inrichting 4. Ladingtank, open 1)2) 1)2) 1)2) 1)2) 6. Typen van de ladingtanks: 1. onafhankelijke ladingtank 2. geïntegreerde ladingtank 3. Ladingtankwand geen scheepshuid 7. Openingsdruk van het snelafblaasventiel/veiligheidsventiel... kpa 1)2) 1)2) 1)2) 1)2) 8. Extra uitrusting: Monstername-inrichting aansluiting voor een monstername-inrichting Ja/Nee 1)2) monstername-opening Ja/Nee 1)2) Watersproei-inrichting Ja/Nee 1)2) interne drukalarminrichting 40 kpa Ja/Nee 1)2) Verwarmingssysteem voor de lading Verwarmingsmogelijkheid vanaf de wal Ja/Nee 1)2) Verwarmingsinstallatie aan boord Ja/Nee 1)2) Koelinstallatie voor de lading Ja/Nee 1)2) Inertgasinstallatie Ja/Nee 1)2) Pompkamer voor de lading onder dek Ja/Nee 1) Ventilatiesysteem voor overdruk Ja/Nee 1) in... Uitvoering van de gasafvoerleiding conform... leiding en inrichtingen verwarmd Ja/Nee 1)2) Voldoet aan de constructievoorschriften volgend uit de aantekening(en)..van kolom (20) van tabel C, hoofdstuk 3.2 1)2) 9. Elektrische inrichtingen: Temperatuurklasse:... Explosiegroep: Laad-/lossnelheid:... m 3 /h 1) of zie laad- en losinstructies 1) 1) Indien niet van toepassing doorhalen 2) Indien de tanks niet allen van hetzelfde type zijn: zie pagina 3

137 11. Toegestane relatieve dichtheid: Extra opmerkingen: 1) Dit Certificaat van Goedkeuring is geldig tot... (datum) 14. Het voorgaande Certificaat van Goedkeuring Nr.... werd op... (datum) door... (bevoegde autoriteit) afgegeven. 15. Het schip is toegelaten voor het vervoer van gevaarlijke goederen als vermeld in de Scheepsstoffenlijst overeenkomstig op grond van - onderzoek op 1)... (datum) - het onderzoeksrapport van een erkend classificatiebureau 1) (naam van het classificatiebureau) (datum) - het onderzoeksrapport van de erkende onderzoeksinstantie 1) (naam van de onderzoeksinstantie) (datum) 16. op grond van toegelaten gelijkwaardigheden: 1) Op grond van de bijzondere machtigingen: 1) Afgegeven te:... op... (plaats) (datum) 19. (Stempel)... (bevoegde autoriteit) 1) Indien niet van toepassing doorhalen... (ondertekening) Verlenging van de geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring 20. De geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring wordt op grond van hoofdstuk 1.16 van het ADN verlengd. tot... (datum) de... (plaats) (datum) 22. (Stempel)... (bevoegde autoriteit)... (ondertekening)

138 Indien niet alle ladingtanks van het schip van hetzelfde type of toestand zijn of de uitrusting is niet dezelfde, dan moeten hun type, hun toestand of hun uitrusting hieronder worden aangegeven: 3 Ladingtanknummer Druktank Ladingtank, gesloten Ladingtank, open met vlamkerend rooster Ladingtank, open Onafhankelijke ladingtank Geïntegreerde ladingtank Ladingtankwand geen scheepshuid Openingsdruk snelafblaasventiel/veiligheidsklep in kpa Aansluiting voor een monstername-inrichting Monstername-opening Watersproei-inrichting Interne drukalarminrichting 40 kpa Verwarmingsmogelijkheid voor de lading vanaf de wal Verwarmingsinstallatie voor de lading aan boord Koelinstallatie voor de lading Inertiseringsinrichtingen Gasverzamel- of gasafvoerleiding conform of Gasverzamel- of gasafvoerleiding en inrichtingen verwarmd Voldoet aan de constructievoorschriften volgend uit de aantekening(en)...van kolom (20) van Tabel C van Hoofdstuk 3.2

139 Model van een voorlopig Certificaat van Goedkeuring voor tankschepen Bevoegde autoriteit: Ruimte gereserveerd voor het wapen en de naam van de Staat 1 ADN Voorlopig Certificaat van Goedkeuring Nr.: Naam van het schip: Uniek Europees Scheepsidentificatienummer: Type schip: Tankschip van het type: Ontwerp van de ladingtanks: 1. Druktank 2. Ladingtank, gesloten 3. Ladingtank, open met vlamkerende inrichting 4. Ladingtank, open 1)2) 1)2) 1)2) 1)2) 6. Typen van de ladingtanks: 1. Onafhankelijke ladingtank 2. Geïntegreerde ladingtank 3. Ladingtankwand geen scheepshuid 7. Openingsdruk van het snelafblaasventiel/veiligheidsventiel... kpa 1)2) 1)2) 1)2) 1)2) 8. Extra uitrusting: Monstername-inrichting aansluiting voor een monstername-inrichting Ja/Nee 1)2) monstername-opening Ja/Nee 1)2) Watersproei-inrichting Ja/Nee 1)2) interne drukalarminrichting 40 kpa Ja/Nee 1)2) Verwarmingssysteem voor de lading Verwarmingsmogelijkheid vanaf de wal Ja/Nee 1)2) Verwarmingsinstallatie aan boord Ja/Nee 1)2) Koelinstallatie voor de lading Ja/Nee 1)2) Inertgasinstallatie Ja/Nee 1)2) Pompkamer voor de lading onder dek Ja/Nee 1) Ventilatiesysteem voor overdruk Ja/Nee 1) in... Uitvoering van de gasafvoerleiding conform... leiding en inrichtingen verwarmd Ja/Nee 1)2) Voldoet aan de constructievoorschriften volgend uit de aantekening(en)..van kolom (20) van tabel C, hoofdstuk 3.2 1)2) 9. Elektrische inrichtingen: Temperatuurklasse:... Explosiegroep: Laad-/lossnelheid:... m 3 /h 1) of zie laad- en losinstructies 1) 1) Indien niet van toepassing doorhalen 2) Indien de tanks niet allen van hetzelfde type zijn: zie pagina 3

140 11. Toegestane relatieve dichtheid: Extra opmerkingen: Het voorlopige Certificaat van Goedkeuring is geldig 13.1 tot voor een enkele reis van 1..naar 14. Afgegeven te op (plaats) (datum) 15. (stempel).. (bevoegde autoriteit).. (ondertekening) 1 Indien niet van toepassing doorhalen Opmerking: Dit model voorlopige Certificaat van Goedkeuring mag worden vervangen door een enkel model certificaat dat een voorlopig Certificaat van Inspectie en het voorlopig Certificaat van Goedkeuring samenvoegt onder voorwaarde dat het enkele model certificaat dezelfde informatie bevat als het model hierboven en is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten.

141 3 Indien niet alle ladingtanks van het schip van hetzelfde type of toestand zijn of de uitrusting is niet dezelfde, dan moeten hun type, hun toestand of hun uitrusting hieronder worden aangegeven: Ladingtanknummer Druktank Ladingtank, gesloten Ladingtank, open met vlamkerend rooster Ladingtank, open Onafhankelijke ladingtank Geïntegreerde ladingtank Ladingtankwand geen scheepshuid Openingsdruk snelafblaasventiel/veiligheidsklep in kpa Aansluiting voor een monstername-inrichting Monstername-opening Watersproei-inrichting Interne drukalarminrichting 40 kpa Verwarmingsmogelijkheid voor de lading vanaf de wal Verwarmingsinstallatie voor de lading aan boord Koelinstallatie voor de lading Inertiseringsinrichtingen Gasverzamel- of gasafvoerleiding conform of Gasverzamel- of gasafvoerleiding en inrichtingen verwarmd Voldoet aan de constructievoorschriften volgend uit de aantekening(en)...van kolom (20) van Tabel C van Hoofdstuk 3.2

142 Bijlage bij het Certificaat van Goedkeuring en voorlopig Certificaat van Goedkeuring overeenkomstig (a) Bijlage bij het Certificaat van Goedkeuring 1. Uniek Europees Scheepsidentificatienummer Type schip. 3. Overgangsvoorschriften van toepassing met ingang van Certificaat van Goedkeuring nr. : Bevoegde autoriteit Afgegeven op Geldig tot Stempel en handtekening

143 Certificaat van Goedkeuring nr: Bevoegde autoriteit Afgegeven op Geldig tot Stempel en handtekening

144 8.6.2 Verklaring omtrent bijzondere kennis van het ADN als bedoeld in , of (formaat: A6 verticaal, kleur: Oranje) Nr. van de verklaring:... Naam:... Ruimte gereserveerd voor het wapen en de naam van de Staat Voornaam(en):... Geboren op:... Verklaring Nationaliteit:... Omtrent bijzondere kennis van het ADN Ondertekening van de houder:... De houder van deze verklaring beschikt over bijzondere kennis van het ADN. De houder van deze verklaring heeft een opleiding inzake stabiliteit van 8 leseenheden gevolgd. Deze verklaring is geldig voor de bijzondere kennis van het ADN als bedoeld in: (drogelading schepen) *) (tankschepen *) *) *) tot:... Afgegeven door:... Afgiftedatum:... (Stempel) Ondertekening:... *) Indien niet van toepassing doorhalen (voorzijde) (achterzijde)

145 8.6.3 Controlelijst ADN CONTROLELIJST ADN 1 Betreffende het in acht nemen van veiligheidsbepalingen en de uitvoering van de noodzakelijke maatregelen voor het laden of lossen - Gegevens van het schip (scheepsnaam) (Uniek Europees Scheepsidentificatienummer )... (scheepstype) - Gegevens met betrekking tot het laden of lossen... (wal laad of losinstallatie) (plaats).. (datum).. (tijd) - Gegevens met betrekking tot de lading zoals vermeld in het vervoersdocument Hoeveelheid in Juiste vervoersnaam*** UN-nummer m 3 of stofnummer Gevaren* Verpakkingsgroep Gegevens met betrekking tot de voorgaande lading **) Juiste vervoersnaam*** UN-nummer of stofnummer Gevaren* Verpakkingsgroep *) De in tabel C, kolom (5) aangegeven gevaren, voor zover relevant (als vermeld in het vervoersdocument overeenkomstig c)). **) Alleen in te vullen bij laden van het schip. ***) De in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (2) aangegeven juiste vervoersnaam, indien van toepassing aangevuld met de technische benaming tussen haakjes.

146 Laad-/lossnelheid (niet invullen indien het schip wordt beladen met gassen) 2 Juiste vervoersnaam** Tank nummer snelheid m 3 /h Overeengekomen laad-/lossnelheid aanvang midden eind hoeveelheid m 3 snelheid m 3 /h hoeveelheid m 3 snelheid m 3 /h hoeveelheid m Wordt de laad-/losleiding vanuit de walinstallatie/vanuit het schip *) na het laden of lossen leeg gedrukt resp. leeg gezogen? gedrukt *) gezogen *) Indien gedrukt, op welke manier?... (b.v. lucht, inertgas, pig)... kpa (maximaal toelaatbare druk in de ladingtanks)... liter (geschatte nastroom hoeveelheid) *) doorhalen indien niet van toepassing Vragen aan de schipper of de door hem gevolmachtigde persoon aan boord en aan de verantwoordelijke persoon van de laad en losinstallatie Met laden/lossen mag pas worden aangevangen nadat alle hierna volgende vragen van de Controlelijst met "X" zijn aangekruist, dat wil zeggen met JA zijn beantwoord en de lijst door beide personen is ondertekend. Niet van toepassing zijnde vragen moeten worden doorgehaald. Indien niet alle van toepassing zijnde vragen met JA kunnen worden beantwoord is laden/lossen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit toegestaan. ** De in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (2) aangegeven juiste vervoersnaam, indien van toepassing aangevuld met de technische benaming tussen haakjes.

147 Schip Walinstallatie 3 1. Is het schip tot het vervoer van de te beladen stof toegelaten? O *) O *) 2. (Gereserveerd) 3. Is het schip, de plaatselijke omstandigheden in aanmerking nemend, goed gemeerd? O 4. Zijn geschikte middelen overeenkomstig aanwezig om het schip, ook in noodgevallen, te verlaten? O O 5. Is een doeltreffende verlichting van de laad- en losplaats en de vluchtwegen gewaarborgd? O O 6. Schip-wal verbinding 6.1 Zijn de laad- en losleidingen tussen schip en wal in goede conditie? O Zijn zij op de juiste wijze aangesloten? O 6.2 Zijn alle aansluitflenzen voorzien van de juiste pakkingen? 6.3 Zijn alle flensbouten aangebracht en aangedraaid? 6.4 Zijn de laadarmen in alle werkrichtingen vrij beweegbaar en hebben zij en de slangen voldoende speelruimte? O 7. Zijn alle niet gebruikte aansluitingen van de laad- en losleidingen en van de gasafvoerleiding deugdelijk afgeblind? O O 8. Zijn onder de gebruikte aansluitingen geschikte voorzieningen aangebracht om gelekte vloeistoffen op te vangen en zijn deze leeg? O O 9. Zijn de wegneembare delen tussen ballast- en lensleidingen enerzijds en laad- en losleidingen anderzijds verwijderd? O 10. Is voor de gehele duur van laden/lossen een voortdurend en doelmatig toezicht verzekerd? O O 11. Is de communicatie tussen schip en wal verzekerd? O O 12.1 Is de gasafvoerleiding van het schip tijdens de belading aan de gasterugvoerleiding, indien vereist resp. aanwezig, aangesloten? 12.2 Is door de walinstallatie gewaarborgd, dat de druk aan het walaansluitpunt de openingsdruk van het snelafblaasventiel niet te boven gaat (druk aan het aansluitpunt kpa)? O O O O O O *) 12.3 Is, indien volgens hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, door de walinstallatie gewaarborgd dat in haar gasterugvoerleiding een vlamkerende inrichting aanwezig is, die het schip tegen een detonatie en vlamdoorslag vanuit de wal beschermd? O * alleen in te vullen bij laden

148 Schip Walinstallatie Zijn de maatregelen met betrekking tot "noodstop" en "alarm" bekend? O O 14. Controle van de belangrijkste bedrijfsvoorschriften: - Zijn de voorgeschreven brandblusinrichtingen en apparaten bedrijfsklaar? O O - Zijn alle kleppen en afsluiters gecontroleerd op hun juiste stand open of gesloten? O O - Is er een algeheel rookverbod afgekondigd? O O - Zijn de verwarmingsapparaten met open vlam buiten werking? O - Staan de radarinstallaties niet onder spanning? O - Zijn alle rood gemerkte elektrische installaties uitgeschakeld? O - Zijn alle ramen en deuren gesloten? O 15.1 Is de uitgangsdruk van de lospomp aan boord op de toelaatbare werkdruk van de walinstallatie afgestemd (overeengekomen druk kpa)? 15.2 Is de uitgangsdruk van de ladingpomp aan de wal op de toelaatbare werkdruk van de installatie aan boord van het schip afgestemd (overeengekomen druk kpa)? O 16. Is de vloeistofniveau-alarminrichting bedrijfsklaar? O O O 17. Zijn de volgende systemen aangesloten, bedrijfsgereed en beproefd? - Overvulbeveiliging bij het laden bij het lossen - Inrichting voor het uitschakelen van de pomp aan boord vanaf de walinstallatie (alleen bij het lossen van het schip) 18. Slechts invullen bij het laden of lossen van stoffen voor het vervoer waarvan een gesloten of een met vlamkerende inrichtingen beveiligd open schip is voorgeschreven. O O O O Zijn de tankdeksels, controle-, peil- en monsternameopeningen van de ladingtanks gesloten of door middel van in goede staat verkerende vlamkerende inrichtingen beveiligd? 19. Is bij het vervoer van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen de verblijftijd vastgesteld overeenkomstig , en is die verblijftijd aan boord bekend en gedocumenteerd? O O** O**

149 Gecontroleerd, ingevuld en ondertekend voor het schip: voor de walinstallatie: (naam in hoofdletters) (naam in hoofdletters) (ondertekening) (ondertekening) ** Uitsluitend invullen als het schip wordt geladen.

150 Toelichting: Vraag 3: Onder "goed gemeerd" wordt verstaan dat het schip op een dusdanige wijze aan de aanleg- cq. overslagsteiger is vastgemaakt dat het zonder invloed van derden in geen enkele richting kan bewegen waardoor de overslaginrichting overbelast kan raken. Daarbij moet met de plaatselijk aanwezige cq. te verwachten variaties van het peil en bijzonderheden rekening worden gehouden. Vraag 4: Het moet mogelijk zijn om op elk moment het schip te betreden of te verlaten. Indien er geen of slechts één beschermde vluchtweg vanaf de wal beschikbaar is om in geval van nood snel het schip te kunnen verlaten moet worden gezorgd voor een geschikt vluchtmiddel aan de scheepszijde, indien vereist in overeenstemming met Vraag 6: Ten behoeve van de slangassemblages moet een geldige verklaring van onderzoek aan boord aanwezig zijn. Het materiaal van de laad- en losleidingen moet de te voorziene belastingen kunnen weerstaan en geschikt zijn voor de overslag van de betreffende stoffen. De laad- en losleidingen tussen schip en wal moeten zodanig zijn aangebracht dat zij door normale bewegingen van het schip tijdens het laad- en losproces of door veranderingen van het peil niet kunnen worden beschadigd. Verder moeten alle flensverbindingen zijn voorzien van de juiste pakking en van voldoende bouten, zodat de mogelijkheid van lekkage uitgesloten is. Vraag 10: Op het laden en lossen moet zowel aan boord als aan de wal op een zodanige wijze toezicht worden uitgeoefend dat gevaren, die kunnen optreden, in de buurt van de laad- en losleidingen tussen schip en wal direct opgemerkt kunnen worden. Indien het toezicht met aanvullende technische hulpmiddelen wordt uitgeoefend, moet tussen de walinstallatie en het schip overeenstemming zijn bereikt op welke wijze dit is gewaarborgd. Vraag 11: Voor een veilige laad- en losprocedure is een goede communicatie tussen schip en wal vereist. Ten behoeve hiervan mogen telefoon- en radioapparatuur slechts worden gebruikt indien zij van een Exbeveiligd type zijn en zich in de buurt van de toezichthouder bevinden. Vraag 13: Voor de aanvang van de laad- en loswerkzaamheden moeten de vertegenwoordiger van de walinstallatie en de schipper of de door hem gemachtigde persoon het eens zijn over de te volgen procedure. Hierbij moet rekening worden gehouden met de bijzondere eigenschappen van de te laden of te lossen stoffen. Vraag 17: Om terugstromen vanaf de wal te voorkomen is het ook noodzakelijk om onder bepaalde omstandigheden tijdens het lossen de overvulbeveiliging op het schip te activeren. Dit is verplicht tijdens het laden en facultatief tijdens het lossen. Schrap dit onderdeel indien het niet noodzakelijk is tijdens het lossen (Geschrapt)

151 Deel 9 Constructievoorschriften

152 HOOFDSTUK 9.1 CONSTRUCTIEVOORSCHRIFTEN VOOR DROGELADING SCHEPEN De voorschriften van tot en met zijn van toepassing op drogelading schepen Constructiematerialen De scheepsromp moet zijn vervaardigd van scheepsbouwstaal of van een ander metaal, onder voorwaarde dat dit metaal ten minste de gelijkwaardige mechanische eigenschappen en een bestendigheid tegen de inwerking van temperatuur of vuur bezit Scheepsdossier Opmerking: Ten behoeve van deze paragraaf wordt onder "eigenaar" hetzelfde verstaan als in De eigenaar moet het scheepsdossier bewaren en ter beschikking kunnen stellen op verzoek van de bevoegde autoriteit en het erkende classificatiebureau. Het scheepsdossier moet tijdens de gehele levensduur van het schip worden bijgehouden en geactualiseerd en zes maanden worden bewaard nadat het schip uit de vaart is genomen. Indien het schip tijdens zijn levensduur van eigenaar verandert moet het scheepsdossier aan de nieuwe eigenaar worden overgedragen. Exemplaren van het scheepsdossier of alle noodzakelijke documenten moeten op verzoek ter beschikking worden gesteld aan de bevoegde autoriteit voor de afgifte van het Certificaat van Goedkeuring alsmede aan het erkende classificatiebureau of de onderzoeksinstantie voor eerste inspectie, periodiek onderzoek, buitengewoon onderzoek of buitengewone controles (Gereserveerd) Laadruimen a) Elk laadruim moet aan de voor- en achterzijde door waterdichte metalen schotten zijn begrensd. b) De laadruimen mogen geen gemeenschappelijk schot met de brandstoftanks bezitten De bodems van de laadruimen moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat zij gereinigd en gedroogd kunnen worden De luiken moeten sproeiwater- en regendicht zijn of door middel van waterdichte zeilen zijn afgedekt. Zeilen, die voor het afdekken van de laadruimen worden gebruikt, moeten moeilijk ontvlambaar zijn In de laadruimen mag geen verwarmingsinstallatie zijn ingebouwd Ventilatie Elk laadruim moet door middel van twee onafhankelijk van elkaar werkende zuigventilatoren kunnen worden geventileerd. De capaciteit moet zodanig zijn, dat de inhoud van het lege laadruim ten minste vijfmaal per uur volledig kan worden ververst. De ventilator moet zodanig zijn ontworpen dat vonkvorming bij aanraking van een schoep met het ventilatorhuis alsmede elektrostatische oplading is uitgesloten. De afzuigkanalen moeten tot op 50 mm afstand van de bodem van het laadruim worden aangebracht en moeten zich aan de uiterste einden van het laadruim bevinden. De toestroming van gassen en dampen naar het afzuigkanaal moet ook bij het vervoer van losgestorte stoffen zijn gewaarborgd. Indien de afzuigkanalen wegneembaar zijn, moeten zij geschikt zijn voor de samenbouw met de ventilator en moeten op veilige wijze bevestigd kunnen worden. Zij moeten tegen weersinvloeden en sproeiwater beschermd zijn. De toestroming van lucht moet tijdens het ventileren zijn gewaarborgd.

153 De ventilatie-inrichting van een laadruim moet zo zijn aangebracht, dat gevaarlijke gassen niet in de woning, het stuurhuis of de machinekamer kunnen binnendringen Woning en dienstruimten moeten kunnen worden geventileerd (Gereserveerd) Woning en dienstruimten De woning moet door middel van metalen schotten zonder openingen van de laadruimen zijn gescheiden De naar de laadruimen gerichte openingen van de woning en van het stuurhuis moeten gasdicht kunnen worden gesloten Toegangen naar en openingen van machinekamers en dienstruimten mogen niet naar de beschermde zone zijn gericht (Gereserveerd) Ballastwater Zijtanks en dubbele bodems mogen voor de opname van ballastwater worden ingericht (Gereserveerd) Machines Er zijn slechts verbrandingsmotoren toegestaan die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt hoger dan 55 C Ventilatieopeningen van machinekamers en inlaatopeningen van motoren moeten, indien de motoren de lucht niet direct vanuit de machinekamer aanzuigen, ten minste 2,00 m van de beschermde zone zijn verwijderd Vonkvorming moet niet mogelijk zijn in de beschermde zone Brandstoftanks Dubbele bodems in het laadruimgebied mogen als brandstoftank worden ingericht indien de hoogte ten minste 0,60 m bedraagt. Brandstofleidingen en openingen van deze tanks in het laadruim zijn verboden De openingen van de ontluchtingsleidingen van alle brandstoftanks moeten ten minste tot 0,50 m boven het open dek zijn gevoerd. Deze openingen en de openingen van de overloopleidingen die boven dek zijn gevoerd, moeten zijn voorzien van een bescherming, die door een rooster of een geperforeerde plaat wordt gevormd (Gereserveerd) Uitlaatgasleidingen Uitlaatgassen moeten door een uitlaatgasleiding naar boven of door de scheepshuid naar buiten worden afgevoerd. De uittreedopening moet ten minste 2,00 m van de laadruimopeningen zijn verwijderd. De uitlaatgasleidingen van motoren moeten zodanig zijn aangebracht, dat de uitlaatgassen van het schip worden afgeleid. Uitlaatgasleidingen mogen niet in de beschermde zone zijn aangebracht Uitlaatgasleidingen moeten zijn voorzien van een inrichting die het ontsnappen van vonken voorkomt, b.v. vonkenvangers Lensinrichting Lenspompen ten behoeve van laadruimen moeten in de beschermde zone zijn opgesteld. Dit voorschrift is niet van toepassing, indien het lenzen met behulp van ejektoren plaats vindt.

154 (Gereserveerd) Brandblusinstallaties Het schip moet voorzien zijn van een brandblusinstallatie. De installatie moet aan de volgende voorschriften voldoen: - zij moet door twee onafhankelijke brandblus- of ballastpompen worden gevoed. Één van deze pompen moet te allen tijden bedrijfsklaar zijn. Deze pompen, evenals hun aandrijving en elektrische inrichtingen, mogen niet in dezelfde ruimte zijn opgesteld; - zij moet gevoed worden door een waterleiding, die in de beschermde zone boven dek ten minste drie brandslangaansluitingen bezit. Er moeten drie, daarop aansluitbare en van voldoende lengte zijnde brandslangen met straalpijp met sproeistuk met een diameter van ten minste 12 mm aanwezig zijn. Ten minste twee, niet van dezelfde brandslangaansluiting afkomstige waterstralen moeten tegelijkertijd elke plaats van het dek in de beschermde zone kunnen bereiken. Door middel van een veerbelaste terugslagklep moet zijn gewaarborgd, dat gassen niet door de brandblusinstallatie in de woning of dienstruimten buiten de beschermde zone kunnen komen; - de capaciteit van de installatie moet ten minste zodanig zijn, dat bij het gelijktijdig gebruik van twee straalpijpen vanuit elke plaats aan boord een werpafstand wordt bereikt die ten minste gelijk is aan de scheepsbreedte; Aan boord van duwbakken zonder eigen voortstuwing is één brandblus- of ballastpomp voldoende In aanvulling hierop moeten machinekamers zijn voorzien van een vast ingebouwde brandblusinstallatie die aan de volgende voorschriften voldoet: Blusmiddelen In machinekamers, ketelruimten en pompkamers zijn, ter bescherming van deze ruimten, slechts vast ingebouwde brandblusinstallaties toegestaan die de volgende blusmiddelen gebruiken: a) CO 2 (kooldioxide) b) HFC 227 ea (heptafluorpropaan) c) IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% kooldioxide) d) FK (dodecafluor-2-methylpentaan-3-on) Andere blusmiddelen zijn slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van het Administratief Comité Ventilatie, luchtaanzuiging a) De verbrandingslucht die nodig is voor de verbrandingsmotoren voor de voortstuwing mag niet worden aangezogen uit door vast ingebouwde brandblusinstallaties te beschermen ruimten. Deze eis is niet verplicht wanneer er twee van elkaar onafhankelijke, gasdicht gescheiden hoofdmachinekamers aanwezig zijn dan wel er naast de hoofdmachinekamer een boegbesturingsaandrijving in een aparte machinekamer is geïnstalleerd, waardoor in geval van brand in de hoofdmachinekamer het voortbewegen op eigen kracht wordt verzekerd. b) Alle mechanische ventilatiesystemen in de te beschermen ruimte moeten bij het inwerkingstellen van de brandblusinstallatie automatisch worden uitgeschakeld. c) Alle openingen, waardoor lucht zou kunnen toetreden tot, dan wel gas zou kunnen ontsnappen uit de te beschermen ruimte moeten zijn uitgerust met voorzieningen die het mogelijk maken om ze snel te sluiten. Het moet duidelijk zijn of ze open of gesloten zijn. d) Lucht die via de veiligheidsventielen uit in de machinekamers geïnstalleerde persluchthouders stroomt moet in de open lucht worden afgevoerd. e) Over- of onderdruk veroorzaakt door het binnenstromen van het blusmiddel mag de essentiële onderdelen van de te beschermen ruimte niet vernielen. De compensatie van de druk moet zonder gevaar kunnen geschieden. f) Beschermde ruimten moeten beschikken over een mogelijkheid om het blusmiddel af te zuigen. Indien afzuiginrichtingen geïnstalleerd zijn, mogen deze tijdens het blussen niet kunnen worden ingeschakeld Brandmeldinstallaties De te beschermen ruimte moet voorzien zijn van een doelmatige brandmeldinstallatie. De brandmelding moet in het stuurhuis, in de verblijven en in de te beschermen ruimte worden waargenomen.

155 Pijpleidingsysteem a) Het blusmiddel moet door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. Leidingen die in de te beschermen ruimte zijn geïnstalleerd en de daarbij behorende armaturen moeten zijn vervaardigd van staal. Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren mits de gebruikte materialen gelijkwaardige brandvertragende eigenschappen hebben. Leidingen moeten zowel in- als uitwendig tegen corrosie beschermd zijn. b) De sproeikoppen moeten zo zijn aangebracht dat de gelijkmatige verdeling van het blusmiddel is gewaarborgd. Het blusmiddel moet in het bijzonder ook onder de vloer werkzaam zijn Inrichting voor het in werking stellen a) Brandblusinstallaties die automatisch in werking worden gesteld zijn niet toegestaan. b) Het moet mogelijk zijn de brandblusinstallatie in werking te stellen vanaf een geschikte plaats buiten de te beschermen ruimte. c) Inrichtingen voor het in werking stellen moeten zodanig zijn geïnstalleerd dat ze ook in geval van brand kunnen worden bediend en zodanig dat het risico van storing in geval van een brand of explosie in de te beschermde ruimte zo veel mogelijk wordt verminderd. Niet mechanische inrichtingen voor het in werking stellen moeten door twee van elkaar onafhankelijke energiebronnen worden gevoed. Deze energiebronnen moeten zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Leidingen voor de aansturing in de te beschermen ruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd dat ze in geval van brand tenminste gedurende 30 minuten kunnen blijven functioneren. De elektrische installaties worden geacht te voldoen aan deze eis indien ze overeenkomen met de norm IEC :1999. Indien de inrichtingen voor het in werking stellen zodanig zijn geplaatst dat ze niet zichtbaar zijn moet de afscherming zijn voorzien van het symbool Brandbestrijdingssysteem, met een lengte van elke zijde van ten minste 10 cm met de volgende tekst in rode letters op een witte achtergrond Brandblusinstallatie d) Indien de brandblusinstallatie bedoeld is voor het beschermen van meerdere ruimten, moeten de inrichtingen voor het in werking stellen voor elke ruimte gescheiden en duidelijk zijn gemarkeerd; e) Bij elke inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. De gebruiksaanwijzing moet zijn gesteld in een taal die de schipper kan lezen en begrijpen en indien deze taal niet Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits. Deze moet informatie bevatten inzake: i) het in werking stellen van de brandblusinstallatie; ii) de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten; iii) de juiste handelwijze van de bemanning in geval van het in werking stellen en bij het betreden van de ruimte die beschermd moet worden na het in werking stellen of de diffusie, in het bijzonder ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke stoffen; iv) de juiste handelwijze van de bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie. f) De gebruiksaanwijzing moet er op wijzen dat vóór het in werking stellen van de brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld Waarschuwingssysteem a) Vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een akoestisch en optisch waarschuwingssysteem. b) Het waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken en mag niet kunnen worden uitgeschakeld. c) De waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij elke toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden zijn; d) De akoestische waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn, onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn; e) Indien het waarschuwingssysteem niet intrinsiek tegen kortsluiting, draadbreuk en spanningsvermindering is beschermd, moet het functioneren ervan kunnen worden getest; f) Bij elke ingang van een ruimte, die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de volgende tekst: Let op, brandblusinstallatie! Bij het in werking stellen van het. (omschrijving) alarmsignaal deze ruimte onmiddellijk verlaten!

156 Tanks onder druk, armaturen en persleidingen a) Tanks onder druk, armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de voorschriften van de bevoegde autoriteit of, indien die ontbreken, aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau. b) Tanks onder druk moeten volgens de instructies van de fabrikant zijn geïnstalleerd. c) Tanks onder druk, armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn. d) De temperatuur in de kasten of ruimten waarin tanks onder druk zijn opgesteld mag 50 ºC niet overschrijden. e) Kasten of ruimten aan dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, in geval de tanks onder druk niet dicht zijn, geen ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan Hoeveelheid van het blusmiddel Indien de hoeveelheid blusmiddel bedoeld is voor het beschermen van meer dan één ruimte, behoeft de totale hoeveelheid van het beschikbare blusmiddel niet meer te zijn dan de hoeveelheid die nodig is voor de grootste te beschermen ruimte Installatie, controle en documentatie a) De installatie mag slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (formulier met gegevens over het product en de veiligheid) verschaft door de fabrikant van het blusmiddel of de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen. b) De installatie moet door een deskundige worden onderzocht: i) voor ingebruikstelling; ii) voor hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest; iii) na elke verandering of reparatie; iv) regelmatig ten minste elke twee jaar. c) Tijdens het onderzoek moet de deskundige controleren of de installatie aan de eisen van voldoet. d) Het onderzoek moet ten minste betrekking hebben op: i) Uitwendig onderzoek van de installatie als geheel; ii) onderzoek van de pijpleidingen op hun dichtheid; iii) onderzoek van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen; iv) onderzoek van de druk in de tanks en de inhoud daarvan; v) onderzoek van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte vi) onderzoek van het brandmeldingssysteem vii) onderzoek van het waarschuwingssysteem. e) De persoon die het onderzoek uitvoert moet een certificaat van onderzoek opstellen, dateren en ondertekenen. f) Het aantal aanwezige vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend Brandblusinstallatie die werkt met CO 2 In aanvulling op de voorschriften in tot en met moeten brandblusinstallaties die CO 2 als blusmiddel gebruiken, aan de volgende bepalingen voldoen: a) CO 2-tanks moeten in een gasdicht gescheiden ruimte of kast zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten of van de kasten waar ze zijn opgesteld moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en aan de buitenkant zijn voorzien van een symbool Waarschuwing: algemeen gevaar met een hoogte van ten minste 5 cm alsmede van het bijkomend opschrift CO 2 in dezelfde kleur en met dezelfde afmeting. b) De benedendekse kasten of ruimten waar CO 2-houders zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen beschikken. c) De vullingsgraad van met CO 2 gevulde tanks mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde CO 2-gas moet worden uitgegaan van 0,56 m 3 /kg. d) De concentratie CO 2-gas benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40% van de bruto inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden vrijkomen. Het moet controleerbaar zijn of het gas correct is verspreid. e) Het openen van de ventielen van de tanks en het bedienen van het ventiel waardoor het gas uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden. f) De redelijke tijd bedoeld in (b) moet ten minste 20 seconden bedragen. De timing tot aan het vrijkomen van het CO 2-gas moet zijn gegarandeerd door een betrouwbare inrichting Brandblusinstallatie die werkt met HFC-227 ea (heptafluorpropaan)

157 In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die HFC-227 ea gebruiken als blusmiddel aan de volgende bepalingen voldoen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Elke tank die HFC-227 ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) De vullingsgraad van de tanks mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het soortelijk volume van het uitgestroomde HFC-227 ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m 3 /kg. e) De concentratie HFC-227 ea voor de te beschermen ruimte moet ten minste 8% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden vrijkomen. f) De tanks van HFC-227 ea moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Indien er geen stuurhuis is moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld. g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte 10,5 volume-% niet overschrijden. h) De brandblusinstallatie mag geen enkel onderdeel van aluminium bevatten Brandblusinstallatie die werkt met IG-541 In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die IG-541 als blusmiddel gebruiken, voldoen aan de volgende bepalingen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Elke tank die IG-541 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de tank veilig in de te beschermen ruimte wordt verspreid, indien de tank aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de inhoud kan worden gecontroleerd. d) De druk waaronder de tanks zijn gevuld mag bij +15 ºC niet meer bedragen dan 200 bar. e) De concentratie IG-541 voor de te beschermen ruimte moet ten minste 44% en niet meer dan 50% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden vrijgekomen zijn Brandblusinstallaties die werken met FK In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die FK als blusmiddel gebruiken, voldoen aan de volgende bepalingen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie; b) Elke tank die FK bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de tank zich zonder gevaar in de te beschermen ruimte verspreidt, indien de tank aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld; c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd; d) De vullingsgraad van de tanks mag niet hoger zijn dan 1,00 kg/l. Voor het soortelijke volume van het uitgestroomde FK moet 0,0719 m 3 genomen worden; e) Het volume FK in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden vrijkomen; f) De tanks FK moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een onvoorzien verlies van blusmiddel een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Indien er geen stuurhuis is, moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld; g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte 10,0% niet overschrijden Vast ingebouwde brandblusinstallatie voor bescherming van objecten Om bescherming van objecten te verzekeren in machinekamers, ketelruimen en pompkamers worden permanente, vast ingebouwde brandblusinstallaties slechts toegelaten op grond van de aanbevelingen van het Administratief Comité De in genoemde twee handblussers moeten zich in de beschermde zone of in de onmiddellijke nabijheid ervan bevinden De blusmiddelen en blusmiddelhoeveelheden in de vast ingebouwde brandblusinstallatie moet geschikt zijn en voldoende voor het bestrijden van branden.

158 Vuur en onbeschermd licht De openingen van schoorstenen moeten zich ten minste 2 m van de laadruimopeningen bevinden. Er moeten inrichtingen aanwezig zijn, die het naar buiten treden van vonken en het binnendringen van water verhinderen Voor verwarmings-, kook- en koeltoestellen mag noch van vloeibare brandstoffen noch van vloeibaar gas noch van vaste brandstoffen gebruik worden gemaakt. Indien verwarmingstoestellen in de machinekamer of in een speciaal daarvoor geschikte ruimte zijn geïnstalleerd mag echter gebruik gemaakt worden van vloeibare brandstoffen met een vlampunt hoger dan 55ºC. Kook- en koeltoestellen zijn slechts in stuurhuizen met metalen onderbouw en in woningtoegelaten Buiten de woning en het stuurhuis zijn alleen elektrische verlichtingsapparaten toegestaan (Gereserveerd) Type en plaats van de elektrische inrichtingen Elektrische inrichtingen in de beschermde zone moeten door middel van centraal geplaatste schakelaars spanningsloos gemaakt kunnen worden, behalve indien zij: - in de laadruimen aan een "erkend veilige" uitvoering voor ten minste de temperatuurklasse T4 en de explosiegroep II B, en - in de beschermde zone aan dek aan de "beperkt explosieveilige" uitvoering voldoen. De betreffende stroomkringen moeten zijn voorzien van controlelampen, die aangeven of de stroomkring wel of niet onder spanning staat. De schakelaars moeten tegen onbedoeld inschakelen beveiligd zijn. De in dit gebied gebruikte wandcontactdozen moeten zo zijn uitgevoerd, dat het insteken en uittrekken van de stekker slechts in spanningsloze toestand mogelijk is. Dompelpompen, die in de laadruimen ingebouwd of gebruikt worden, moeten ten minste aan de erkend veilige uitvoering voor temperatuurklasse T 4 en explosiegroep II B voldoen Elektrische motoren voor laadruimventilatoren, die in de luchtstroom zijn aangebracht, moeten voldoen aan de "erkend veilige" uitvoering Wandcontactdozen voor de aansluiting van sein-, navigatie- en loopplankverlichting moeten in de onmiddellijke nabijheid van de mast, waarin de lampen zijn aangebracht of de loopplank permanent op het schip zijn aangebracht. Wandcontactdozen voor de aansluiting van dompelpompen, laadruimventilatoren en containers moeten in de onmiddellijke nabijheid van de laadruimopening permanent op het schip zijn aangebracht Accumulatoren moeten buiten de beschermde zone zijn gelegen (Gereserveerd) Elektrische kabels Kabels en wandcontactdozen in de beschermde zone moeten beschermd zijn tegen mechanische beschadigingen Het gebruik van verplaatsbare elektrische kabels in de beschermde zone is verboden. Dit is niet van toepassing op intrinsiek veilige stroomkringen of voor de aansluiting van seinlichten en voor loopplankverlichting, containers, dompelpompen, laadruimventilatoren en elektrisch aangedreven luikenwagens Voor de conform toegelaten verplaatsbare kabels mogen slechts rubber mantelleidingen van het type H 07 RN-F volgens IEC :1994 of kabels van ten minste gelijkwaardig ontwerp met een

159 minimumdoorsnede van de geleidingsdraden van 1,5 mm² worden gebruikt. Deze kabels moeten zo kort mogelijk zijn en zodanig zijn geïnstalleerd, dat beschadiging onwaarschijnlijk is (Gereserveerd) Metalen kabels, masten Metalen kabels, die over de laadruimen voeren, evenals alle masten moeten zijn geaard tenzij deze door de wijze van hun montage elektrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden Toegang tot het schip De waarschuwingsborden met het toegangsverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn (Gereserveerd) Rookverbod, verbod van vuur en onbeschermd licht De waarschuwingsborden met het rookverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn Waarschuwingsborden die aangeven onder welke omstandigheden het verbod van toepassing is, moeten nabij de toegangen tot ruimten zijn aangebracht waar roken of het gebruik van vuur of onbeschermd licht niet in alle gevallen is verboden In de woning en in het stuurhuis moeten in de nabijheid van elke uitgang asbakken zijn aangebracht (Gereserveerd) Aanvullende voorschriften voor dubbelwandige schepen De voorschriften tot en met zijn van toepassing op dubbelwandige schepen, bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van de klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 7, 8 of 9, met uitzondering van die waarvoor gevaarsetiket 1 in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (5) is voorgeschreven, in hoeveelheden groter dan vermeld in (Gereserveerd) Classificatie Dubbelwandige schepen, bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van de klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 7, 8 of 9, met uitzondering van die waarvoor gevaarsetiket 1 in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (5) is voorgeschreven, in hoeveelheden groter dan vermeld , moeten onder toezicht van een erkend classificatiebureau overeenkomstig de regels van het classificatiebureau voor hun hoogste klasse gebouwd of omgebouwd zijn. Dit moet door middel van een desbetreffende verklaring door het classificatiebureau zijn bevestigd Doorlopende klasse is niet vereist Latere verbouwingen en grote reparaties aan de scheepsromp moeten onder toezicht van dit classificatiebureau worden uitgevoerd (Gereserveerd) Laadruimen Het schip moet in de beschermde zone als dubbelwandig schip met zijtanks en dubbele bodem zijn uitgevoerd.

160 De afstand tussen de huid van het schip en de zijwanden van het laadruim moet ten minste 0,80 m bedragen. Ongeacht de voorschriften met betrekking tot de breedte van de looppaden aan dek, is een vermindering van deze afstand tot 0,60 m toegestaan, indien ten opzichte van de voorschriften met betrekking tot de afmetingen volgens de constructie-voorschriften gepubliceerd door een erkend classificatiebureau de volgende versterkingen aanwezig zijn: a) Bij de uitvoering van de zijde van het schip volgens het langsspantensysteem mag de spantafstand niet groter zijn dan 0,60 m. De langsspanten moeten op een onderlinge afstand van ten hoogste 1,80 m door raamspanten overeenkomstig de bodemdwarsdragers en voorzien zijn van spaargaten, worden gesteund. Deze afstanden kunnen worden vergroot, indien de constructie dienovereenkomstig wordt versterkt. b) Bij de uitvoering van de zijde van het schip volgens het dwarsspantensysteem moeten of: - twee langsstringers worden aangebracht. De afstand tussen de langsstringers onderling en van langsstringer tot het gangboord mag ten hoogste 0,80 m zijn. De stringers moeten ten minste dezelfde hoogte hebben als de dwarsspanten en de dwarsdoorsnede van de gording mag niet minder dan 15 cm² bedragen. De langsstringers moeten op een onderlinge afstand van ten hoogste 3,60 m door raamspanten, overeenkomstig de bodemdwarsdragers en voorzien van spaargaten, worden gesteund. Het dwarsspant in de zijde en de laadruimlangsschotstijl moeten in de kim door middel van een metalen knie met een hoogte van ten minste 0,90 m en een dikte gelijk aan die van de bodemvrangen met elkaar zijn verbonden; of - op elk spant moeten raamspanten overeenkomstig de bodemdwarsdragers en voorzien van spaargaten worden aangebracht. c) De gangboorden moeten op een onderlinge afstand van ten hoogste 32 m door dwarsschotten of steunpijpen met elkaar zijn verbonden. In plaats van de onder c) genoemde voorwaarde is een berekening, uitgevoerd door een erkend classificatiebureau, dat door het aanbrengen van aanvullende versterkingen in de zijtanks voldoende dwarssterkte aanwezig is, voldoende De hoogte van de dubbele bodem moet ten minste 0,50 m bedragen. De hoogte onder de lensput mag echter plaatselijk worden verminderd, maar de ruimte tussen de bodem van de lensput en de bodem van het schip moeten ten minste 0,40 m bedragen. Indien de ruimtes tussen de 0,40 m en 0,49 m zijn mag de oppervlakte van de lensput niet meer dan 0,5 m 2 bedragen Nooduitgang De inhoud van de lensput mag niet meer bedragen dan 0,120 m 3. Ruimten, waarvan de toe- of uitgangen in geval van beschadiging deels of geheel onder water komen, moeten worden voorzien van een nooduitgang die ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking ligt. Dit is niet van toepassing op de voor- en achterpiek Stabiliteit (Algemeen) Een voldoende stabiliteit met inbegrip van de lekstabiliteit moet zijn aangetoond De basiswaarden voor de stabiliteitsberekening - ledig scheepsgewicht en ligging van het zwaartepunt - moeten of door middel van een hellingproef of door middel van een gedetailleerde berekening van massa en moment worden bepaald. Hierbij moet het ledig scheepsgewicht door middel van een beproeving van het ledig gewicht worden gecontroleerd, waarbij het met behulp van de berekening verkregen gewicht niet meer dan ± 5 % van de met behulp van de diepgangscontrole verkregen waterverplaatsing mag afwijken Voor de intacte stabiliteit moet voor alle stadia van belading en lossing en voor de eindtoestand van de belading worden aangetoond dat deze voldoende is. Het drijfvermogen van het schip in beschadigde toestand moet voor de ongunstigste beladingstoestand worden aangetoond. Hierbij moet voor kritische stadia tijdens het vollopen en vóór de eindtoestand van het vollopen, het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit worden geleverd. Treden in stadia tijdens het vollopen negatieve stabiliteitswaarden op, dan kunnen zij alleen worden geaccepteerd indien het verdere verloop van de kromme van statische armen in beschadigde toestand voldoende positieve stabiliteitswaarden aantoont Stabiliteit (Intact) Aan de voorschriften voor de intacte stabiliteit, verkregen uit de berekening van de lekstabiliteit moet volledig worden voldaan.

161 Bij het vervoer van containers moet daarnaast voldoende stabiliteit, conform de voorschriften waarnaar in wordt verwezen, worden aangetoond De strengste eisen van en zijn voor het schip maatgevend Stabiliteit (Lek) Voor de lekstabiliteit moeten de volgende aannamen in acht worden genomen: a) Omvang van de beschadiging aan een scheepszijde: langsscheeps : ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps : 0,59 m, vanaf de buitenzijde van de scheepshuid, loodrecht op de lengteas van het schip bij de maximaal toelaatbare diepgang, verticaal : vanaf de basis naar boven onbegrensd. b) Omvang van de beschadiging aan de scheepsbodem: langsscheeps : ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps : 3,00 m, verticaal : vanaf de basis naar boven 0,49 m, lensput uitgezonderd. c) Alle in de beschadigingsomvang vallende schotten zijn als beschadigd te beschouwen, dat wil zeggen dat de schotindeling zo gekozen moet zijn dat het schip ook bij het vollopen van twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. De volgende bepalingen zijn van toepassing: - Bij een bodembeschadiging moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden beschouwd. - De onderkant van niet waterdicht afsluitbare openingen (b.v. van deuren, ramen, toegangsluiken) moet in de eindtoestand van het vollopen ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking bij beschadiging liggen. - In het algemeen moet een permeabiliteit van 95 % worden aangenomen. Wanneer door een berekening wordt aangetoond dat in één of andere afdeling de gemiddelde permeabiliteit kleiner dan 95 % is, dan kan deze berekende waarde worden aangehouden. De volgende minimumwaarden moeten echter worden aangehouden: - machinekamers 85 % - bemanningsruimten 95 % - dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks, enz. Afhankelijk van het feit of deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of ledig moeten worden aangenomen. 0 of 95 % Voor de hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor de ééncompartimentsstandaard, derhalve worden machinekamereindschotten als niet beschadigd beschouwd In de evenwichtstoestand (eindtoestand van het vollopen) mag de slagzij van het schip niet groter zijn dan 12. Niet waterdicht afgesloten openingen mogen pas na het bereiken van de evenwichtstoestand vollopen. Raken dergelijke openingen eerder het water dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden beschouwd. Uitgaande van de evenwichtstoestand moet het positieve deel van de kromme van statische armen een oprichtende arm van 0,05 m in relatie tot een oppervlak 0,0065 m.rad hebben. Aan deze minimum waarde van de stabiliteit moet tot de eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening het water raakt, echter maximaal tot een slagzijhoek van 27 worden voldaan. Raken niet spatwaterdicht afgesloten openingen eerder het water, dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden beschouwd.

162 < 12 statische arm > 0,05 m A A > 0,0065 [m. rad] Phi [ ] eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening raakt het water, echter < 27 evenwichtstoestand eindtoestand Binnenvaartschepen met niet vastgezette containers moeten voldoen aan de volgende stabiliteitscriteria bij beschadiging: In de evenwichtstoestand (eindtoestand van het vollopen) mag de slagzij van het schip niet groter zijn dan 5. Niet waterdicht afgesloten openingen mogen pas na het bereiken van de evenwichtstoestand het water raken. Raken dergelijke openingen eerder het water dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden aangenomen. Uitgaande van de evenwichtstoestand moet het positieve deel van de kromme van statische armen een oppervlak 0,0065 m.rad hebben. Aan deze minimale waarde van de stabiliteit moet tot het raken van het water van de eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening, echter maximaal tot een slagzijhoek van 10 worden voldaan. Raken niet spatwaterdicht afgesloten openingen eerder het water, dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden aangenomen. < 5 statische arm A A > 0,0065 [m. rad] Phi [ ] eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening raakt het water, echter < 10 evenwichtstoestand eindtoestand Indien openingen, waardoor onbeschadigde afdelingen alsnog vol kunnen lopen, waterdicht kunnen worden afgesloten, dan moeten deze afsluitinrichtingen van dienovereenkomstige opschriften zijn voorzien Indien dwars- of overloopopeningen ter vermindering van de asymmetrie van het vollopen worden aangebracht moet het evenwicht binnen 15 minuten worden bereikt, indien gedurende de tussenliggende toestanden van het vollopen stabiliteitswaarden zijn aangegetoond, die voldoende zijn (Gereserveerd)

163 HOOFDSTUK 9.2 CONSTRUCTIEVOORSCHRIFTEN VAN TOEPASSING OP ZEESCHEPEN, DIE VOLDOEN AAN DE VOORSCHRIFTEN VAN DE SOLAS-CONVENTIE 74, HOOFDSTUK II-2, ARTIKEL 19 of SOLAS 74, HOOFDSTUK II-2, ARTIKEL De voorschriften tot en met zijn van toepassing op zeeschepen die voldoen aan de volgende voorschriften: - SOLAS 74, Hoofdstuk II-2, Artikel 19 in de gewijzigde versie of - SOLAS 74 Hoofdstuk II-2, Artikel 54 in de gewijzigde versie in overeenstemming met de resoluties vermeld in Hoofdstuk II-2, artikel 1, paragraaf 2.1, onder voorwaarde dat het schip gebouwd is vóór 1 juli Zeeschepen, die niet die voldoen aan de voorschriften van de SOLAS Conventie 74, moeten voldoen aan de voorschriften tot en met Constructiematerialen De scheepsromp moet zijn vervaardigd van scheepsbouwstaal of van een ander, ten minste gelijkwaardig metaal, onder voorwaarde dat dit metaal ten minste gelijkwaardige mechanische eigenschappen en een bestendigheid tegen de inwerking van temperatuur of vuur bezit (Gereserveerd) Ballastwater Zijtanks en dubbele bodems mogen voor de opname van ballastwater worden ingericht (Gereserveerd) Machines Er zijn slechts verbrandingsmotoren toegestaan, die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt hoger dan 60 C Ventilatie-inlaten van de machinekamers en de inlaatopeningen van de motoren die niet rechtstreeks lucht aanzuigen uit de machinekamer moeten ten minste 2 m van de beschermde zone zijn gelegen Vonkvorming in de beschermde zone moet niet mogeliijk zijn (Gereserveerd) Uitlaatgasleidingen Uitlaatgassen moeten van het schip door een uitlaatgassenleiding naar boven of door de scheepshuid naar de open lucht worden afgevoerd. De opening moet ten minste 2,00 m van de laadruimopeningen zijn verwijderd. De uitlaatgasleidingen van motoren moeten zodanig zijn aangebracht, dat de uitlaatgassen van het schip worden afgeleid. Uitlaatgasleidingen mogen niet in de beschermde zone zijn aangebracht Uitlaatgasleidingen moeten zijn voorzien van een inrichting die het naar buitentreden van vonken voorkomt, b.v. vonkenvangers (Gereserveerd) Vuur en onbeschermd licht De openingen van schoorstenen moeten zich ten minste 2,00 m van de laadruimopeningen bevinden. Zij moeten zijn voorzien van een inrichting die het naar buitentreden van vonken, en het binnendringen van water voorkomt.

164 Voor verwarmings-, kook- en koeltoestellen mag noch van vloeibare brandstoffen noch van vloeibaar gas noch van vaste brandstoffen gebruik worden gemaakt. Indien verwarmingstoestellen in de machinekamer of in een speciaal daarvoor geschikte ruimte zijn geïnstalleerd, mag echter gebruik gemaakt worden van vloeibare brandstoffen met een vlampunt hoger dan 55 C. Kook- en koeltoestellen zijn slechts in stuurhuizen met metalen onderbouw en in woning toegelaten Buiten de woning en het stuurhuis zijn slechts elektrische verlichtingsapparaten toegestaan (Gereserveerd) Toegang tot het schip De waarschuwingsborden met het toegangsverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn (Gereserveerd) Rookverbod, verbod van vuur en onbeschermd licht De waarschuwingsborden met het rookverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn Waarschuwingsborden die aangeven onder welke omstandigheden het verbod van toepassing is, moeten nabij de toegangen tot ruimten zijn aangebracht waar roken of het gebruik van vuur of onbeschermd licht niet in alle gevallen is verboden In het stuurhuis moeten in de nabijheid van elke uitgang asbakken zijn aangebracht (Gereserveerd) Aanvullende voorschriften voor dubbelwandige zeeschepen De voorschriften tot en met zijn van toepassing op dubbelwandige schepen, die bestemd zijn voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van de klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 7, 8 of 9, met uitzondering van die waarvoor gevaarsetiket 1 in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (5) is voorgeschreven, in hoeveelheden groter dan vermeld in (Gereserveerd) Classificatie Dubbelwandige schepen, bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van de klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 7, 8 of 9, met uitzondering van die waarvoor een gevaarsetiket 1 in hoofdstuk 3.2, Tabel A, kolom (5) is voorgeschreven, in hoeveelheden groter dan vermeld in moeten onder toezicht van een erkend classificatiebureau overeenkomstig de regels van het classificatiebureau voor hun hoogste klasse gebouwd of omgebouwd zijn. Dit moet door middel van een desbetreffende verklaring door het classificatiebureau zijn bevestigd De hoogste klasse van het schip moet in stand worden gehouden (Gereserveerd) Laadruimen Het schip moet in de beschermde zone als dubbelwandig schip met zijtanks en dubbele bodem zijn uitgevoerd De afstand tussen de huid van het schip en de zijwanden van het laadruim moet ten minste 0,80 m bedragen. Aan de scheepsuiteinden is een plaatselijke vermindering van de afstand toegestaan, voor zover de kleinste afstand tussen de de huid van het schip en de zijwanden van het laadruim (loodrecht gemeten) niet minder is dan 0,60 m. Een voldoende stevigheid van de verbanddelen (langs- en

165 dwarsverband evenals plaatselijke sterkte) moet door een klassecertificaat worden aangetoond De hoogte van de dubbele bodem moet ten minste 0,50 m bedragen, echter onder de lensputten mag zij plaatselijk tot 0,40 m worden gereduceerd, waarbij de inhoud van een lensput niet meer mag bedragen dan 0,03 m (Gereserveerd) Stabiliteit (Algemeen) Een voldoende stabiliteit met inbegrip van de lekstabiliteit moet zijn aangetoond De basiswaarden voor de stabiliteitsberekening - ledig scheepsgewicht en ligging van het zwaartepunt - moeten of door middel van een hellingproef of door middel van een gedetailleerde berekening van massa en moment worden bepaald. Hierbij moet het ledig scheepsgewicht door middel van een beproeving van het ledig gewicht worden gecontroleerd, waarbij het met behulp van de berekening verkregen gewicht niet meer dan ± 5 % van de met behulp van de diepgangscontrole verkregen waterverplaatsing mag afwijken Voor de intacte stabiliteit moet voor alle stadia van belading en lossing en voor de eindtoestand van de belading worden aangetoond dat deze voldoende is. Het drijfvermogen van het schip in beschadigde toestand moet voor de ongunstigste beladingstoestand worden aangetoond. Hierbij moet voor kritische stadia tijdens het vollopen en voor de eindtoestand van het vollopen, het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit worden geleverd. Treden in stadia tijdens het vollopen negatieve stabiliteitswaarden op, dan kunnen zij worden geaccepteerd indien het verdere verloop van de kromme van statische armen in beschadigde toestand voldoende positieve stabiliteitswaarden aantoont Stabiliteit (Intact) Aan de voorschriften van de intacte stabiliteit verkregen uit de berekening bij lekstabiliteit moet volledig worden voldaan Bij het vervoer van containers moet daarnaast voldoende stabiliteit, conform de voorschriften waarnaar in wordt verwezen, worden aangetoond De strengste eisen van en zijn voor het schip maatgevend Zeeschepen worden geacht te voldoen aan het gestelde in wanneer de stabiliteit overeenkomt met IMO Resolutie A.749 (18) van de Internationale Maritieme Organisatie en de stabiliteitsdocumenten door de bevoegde autoriteit zijn gecontroleerd. Dit is alleen van toepassing indien alle containers zoals gebruikelijk op zeeschepen zijn vastgezet en een desbetreffend stabiliteitsdocument is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit Stabiliteit (Lek) Voor de lektoestand moeten de volgende aannamen in acht worden genomen: a) Omvang van de beschadiging aan een scheepszijde: langsscheeps : ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps : 0,59 m, vanaf de buitenzijde van de scheepshuid, loodrecht op de lengteas van het schip bij de maximaal toelaatbare diepgang, verticaal : vanaf de basis naar boven onbegrensd. b) Omvang van de beschadiging aan de scheepsbodem: langsscheeps : ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps : 3,00 m, verticaal : vanaf de basis naar boven 0,49 m, lensput uitgezonderd. c) Alle in de beschadigingsomvang vallende schotten zijn als beschadigd te beschouwen, dat wil zeggen dat de schotindeling zo gekozen moet zijn dat het schip ook bij het vollopen van twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. De volgende bepalingen zijn van toepassing: - Bij een bodembeschadiging moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden beschouwd. - De onderkant van niet waterdicht afsluitbare openingen (b.v. van deuren, ramen, toegangsluiken) moet in de eindtoestand van het volgelopen zijn ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking liggen.

166 - In het algemeen moet met een permeabiliteit van 95 % worden gerekend. Indien door een berekening wordt aangetoond dat in één of andere afdeling de gemiddelde permeabiliteit kleiner dan 95 % is, dan kan de berekende waarde worden aangehouden. De volgende minimumwaarden moeten echter worden aangehouden: - machinekamers: 85 % - bemanningsruimten: 95 % - dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks, enz. afhankelijk van het feit of deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95 % Voor de hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor de ééncompartimentsstandaard, derhalve worden machinekamereindschotten als niet beschadigd beschouwd In de evenwichtstoestand (eindtoestand van het vollopen) mag de slagzij van het schip niet groter zijn dan 12. Niet waterdicht afgesloten openingen mogen pas na het bereiken van de evenwichtstoestand het water raken. Raken dergelijke openingen eerder het water dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden beschouwd. Uitgaande van de evenwichtstoestand moet het positieve deel van de kromme van statische armen een oprichtende arm van 0,05 m in relatie tot een oppervlak 0,0065 m.rad hebben. Aan deze minimum waarde van de stabiliteit moet tot het raken van het water van de eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening, echter maximaal tot een slagzijhoek van 27 worden voldaan. Raken niet spatwaterdicht afgesloten openingen eerder het water, dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden aangenomen. < 12 statische arm > 0,05 m A A > 0,0065 [m. rad] Phi [ ] eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening raakt het water, echter < 27 evenwichtstoestand eindtoestand Indien openingen, waardoor onbeschadigde afdelingen alsnog vol kunnen lopen, waterdicht kunnen worden afgesloten, dan moeten deze afsluitinrichtingen van overeenkomstige opschriften zijn voorzien Indien dwars- of overloopopeningen ter vermindering van de asymmetrie voor het vollopen zijn aangebracht moet het evenwicht binnen 15 minuten worden bereikt, indien gedurende de tussenliggende toestanden van vollopen stabiliteitswaarden zijn aangetoond, die voldoende zijn (Gereserveerd)

167 HOOFDSTUK 9.3 VOORSCHRIFTEN VOOR DE CONSTRUCTIE VAN TANKSCHEPEN Constructievoorschriften voor tankschepen van het type G De voorschriften tot en met zijn van toepassing op tankschepen van het type G Constructiematerialen a) De scheepsromp en de ladingtanks moeten zijn vervaardigd van scheepsbouwstaal of van een ander, ten minste gelijkwaardig metaal. De onafhankelijke ladingtanks mogen ook van andere materialen zijn vervaardigd onder voorwaarde dat deze ten minste gelijkwaardige mechanische eigenschappen en bestendigheid tegen de inwerking van temperatuur of vuur bezitten. b) Alle delen van het schip inclusief inrichting en uitrusting, die met de lading in aanraking kunnen komen, moeten van materialen vervaardigd zijn die noch op gevaarlijke wijze door de lading aangetast kunnen worden of een ontleding van de lading kunnen veroorzaken noch ermee reageren en zodat schadelijke of gevaarlijke verbindingen worden gevormd. Indien dit bij de classificatie en het onderzoek van het schip niet onderzocht kon worden, moet een voorbehoud dienaangaande worden opgenomen in de Scheepsstoffenlijst overeenkomstig Het gebruik van hout, aluminiumlegeringen of kunststoffen in de ladingzone is verboden behalve indien dit in hieronder of in het Certificaat van Goedkeuring uitdrukkelijk is toegestaan a) Het gebruik van hout, aluminiumlegeringen of kunststoffen in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - loopplanken en buitenboordtrappen; - losse uitrustingsstukken; - de onderstopping van, van de scheepsromp onafhankelijke ladingtanks, evenals voor de onderstopping van inrichtingen en uitrustingen; - masten en dergelijke rondhouten; - onderdelen van machines; - onderdelen van de elektrische inrichting; - deksels van kisten aan dek. b) Het gebruik van hout of kunststoffen in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - stopblokken en diverse aanslagen. c) Het gebruik van kunststoffen of rubber in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - allerlei soorten afdichtingen (b.v. ten behoeve van domdeksels en luiken); - elektrische leidingen; - laad- en losslangassemblages; - isolering van ladingtanks en laad- en losleidingen; - fotokopieën van het Certificaat van Goedkeuring overeenkomstig of d) Alle in de woning en in het stuurhuis vast ingebouwde materialen, met uitzondering van meubels, moeten moeilijk ontvlambaar zijn. In geval van brand mogen ze geen gevaarlijke hoeveelheid rook of giftige gassen ontwikkelen De in de ladingzone gebruikte verf mag bij slag- of gelijksoortige belasting geen vonkvorming kunnen veroorzaken Het gebruik van kunststof voor bijboten is slechts toegestaan indien het materiaal moeilijk ontvlambaar is Scheepsdossier Opmerking: Ten behoeve van deze paragraaf wordt onder "eigenaar" hetzelfde verstaan als in De eigenaar moet het scheepsdossier bewaren en ter beschikking kunnen stellen op verzoek van de bevoegde autoriteit en het erkende classificatiebureau.

168 Het scheepsdossier moet tijdens de gehele levensduur van het schip worden bijgehouden en geactualiseerd en zes maanden worden bewaard nadat het schip uit de vaart is genomen. Indien het schip tijdens zijn levensduur van eigenaar verandert moet het scheepsdossier aan de nieuwe eigenaar worden overgedragen. Exemplaren van het scheepsdossier of alle noodzakelijke documenten moeten op verzoek ter beschikking worden gesteld aan de bevoegde autoriteit voor de afgifte van het Certificaat van Goedkeuring alsmede aan het erkende classificatiebureau of de onderzoeksinstantie voor eerste inspectie, periodiek onderzoek, buitengewoon onderzoek of buitengewone controles (Gereserveerd)

169 Classificatie Het tankschip moet onder toezicht van een erkend classificatiebureau in overeenstemming met de door dat classificatiebureau vastgestelde regels zijn gebouwd en in zijn hoogste klasse zijn opgenomen. De hoogste klasse van het schip moet in stand worden gehouden. Dit moet worden bevestigd door middel van een passend certificaat dat door het erkende classificatiebureau wordt afgegeven (klassecertificaat). Het klassecertificaat moet bevestigen dat het schip in overeenstemming is met de eigen aanvullend toepasselijke regels en voorschriften van het classificatiebureau die relevant zijn voor het beoogde gebruik van het schip. De ontwerpdruk en de beproevingsdruk van ladingtanks moeten in het certificaat worden opgenomen. Indien een schip ladingtanks heeft met verschillende openingsdrukken van ventielen moet de ontwerp- en beproevingsdruk van elke tank in het certificaat worden opgenomen. Het erkend classificatiebureau moet een Scheepsstoffenlijst opstellen waarin alle voor vervoer in het tankschip toegelaten gevaarlijke goederen zijn vermeld (zie ook ) Pompkamers moeten bij elke vernieuwing van het Certificaat van Goedkeuring evenals in het derde jaar van de geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring door een erkend classificatiebureau worden onderzocht. Dit onderzoek moet ten minste omvatten: - controle van het gehele systeem naar staat, corrosie, lekkage of niet goedgekeurde ombouw; - controle van de staat van de gasdetectie-installatie in de pompkamers. De door het erkend classificatiebureau ondertekende verklaringen omtrent het onderzoek van de pompkamers moeten aan boord aanwezig zijn. De verklaringen moeten ten minste het hierboven genoemde onderzoek en de daarbij behaalde resultaten evenals de datum van het onderzoek omvatten De toestand van de gasdetectie-installatie conform moet bij elke vernieuwing van het Certificaat van Goedkeuring evenals in het derde jaar van de geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring door een erkend classificatiebureau worden onderzocht. Een door het erkend classificatiebureau ondertekende verklaring moet aan boord zijn (Gereserveerd) Bescherming tegen het binnendringen van gassen Het schip moet zodanig zijn ontworpen dat het binnendringen van gassen in de woning en in de dienstruimten wordt voorkomen Buiten de ladingzone moet de onderkant van openingen van de deuren in de zijwanden van bovenbouwen en de drempels van toegangsluiken naar onderdekse ruimten ten minste 0,50 m boven dek liggen. Aan dit voorschrift hoeft niet te worden voldaan indien de naar de ladingzone toegekeerde wand van de bovenbouw van huid tot huid doorloopt en slechts is voorzien van doorgangsopeningen, waarbij de drempels van deze openingen ten minste 0,50 m hoog zijn. De hoogte van deze wand moet ten minste 2,00 m bedragen. De onderkant van openingen in de zijwanden van bovenbouwen en de bovenkant van de drempels van toegangsluiken, die zich achter de doorgetrokken dwarswand bevinden, moeten in dit geval ten minste 0,10 m boven dek liggen. Drempels van machinekamerdeuren en -toegangsluiken moeten echter altijd ten minste 0,50 m hoog zijn In de ladingzone moet de onderkant van openingen in de zijwanden van bovenbouwen ten minste 0,50 m boven dek liggen en de hoogte van de drempels van toegangsluiken naar onderdekse ruimten moet ten minste 0,50 m boven dek bedragen. Dit voorschrift is niet van toepassing op openingen van zijtanks en dubbele bodems Verschansingen, voetlijsten enz. moeten zijn voorzien van direct boven dek aangebrachte openingen van voldoende grootte.

170 Ladingtankruimten en ladingtanks a) De maximaal toelaatbare inhoud van een ladingtank wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel: L x B x H (m 3 ) Maximaal toelaatbare inhoud van een ladingtank (m 3 ) < > L x B x H x 0, (L x B x H - 600) x 0, Alternatieve constructies overeenkomstig zijn toegestaan. In bovenstaande tabel is L x B x H het product van de hoofdafmetingen van het tankschip in meters (volgens de meetbrief). Hierin is: L = totale lengte van de scheepsromp in m; B = grootste breedte van de scheepsromp in m; H = kleinste verticale afstand tussen de onderzijde van de kiel en het laagste punt van het dek aan de zijde van het schip (holte) in de ladingzone in m waarbij: Bij trunkdekschepen moet H door H' worden vervangen. H' wordt bepaald met behulp van de volgende formule: H' = H + (h t x b t/b x l t/l), waarin h t = hoogte van de trunk (afstand tussen trunkdek en hoofddek aan de zijde van de trunk op L/2 gemeten) in m; b t = breedte van de trunk in m; l t = lengte van de trunk in m. b) Druktanks met een verhouding van lengte tot diameter groter dan 7 zijn verboden. c) De druktanks moeten voor een temperatuur van + 40 C zijn ontworpen a) De scheepsromp moet in de ladingzone als volgt worden uitgevoerd 1) : - als dubbelwandigschip met zijtanks en dubbele bodem. De afstand tussen de buitenhuid van het schip en het langsschot moet ten minste 0,80 m bedragen. De hoogte van de dubbele bodem moet ten minste 0,60 m bedragen. De ladingtanks moeten in stoelen zijn opgelegd, die ten minste tot 20 onder de hartlijn van de ladingtank zijn opgetrokken. Gekoelde ladingtanks en ladingtanks voor het vervoer van gekoelde vloeibaar gemaakte gassen mogen slechts in een ladingtankruimte zijn opgesteld die door zijtanks en een dubbele bodem wordt gevormd. De onderstopping moet voldoen aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau, of - als enkelwandigschip waarbij de buitenhuid van het schip op afstanden van ten hoogste 0,60 m gelijkmatig verdeelt tussen gangboord en bovenzijde van de vrangen voorzien is van zijstringers en die op afstanden van ten hoogste 2,00 m van elkaar door raamspanten zijn ondersteund. De zijstringers en de raamspanten moeten een minimale hoogte van 10 % van de holte, echter niet minder dan 0,30 m hebben. De zijstringers en de raamspanten moeten van een gording uit platstaal met een doorsnede van ten minste 7,5 cm² resp. 15 cm² zijn voorzien. - De afstand tussen de buitenhuid van het schip en de ladingtanks moet ten minste 0,80 m en tussen de bodem van het schip en de ladingtanks ten minste 0,60 m bedragen. Onder de pompputten mag de vrije hoogte tot 0,50 m worden gereduceerd. - De zijdelingse afstand tussen de pompput van een ladingtank en de bodemversterkingen moet ten minste 0,10 m bedragen. De oplegging en de bevestiging van de ladingtanks moeten ten minste 10 onder de horizontale hartlijn van de ladingtank zijn opgetrokken. b) Ladingtanks moeten zo zijn vastgezet dat zij niet kunnen opdrijven. 1) Bij een andere bouwwijze van de scheepsromp in de ladingzone moet rekenkundig worden aangetoond, dat bij een dwarsscheepse aanvaring door een ander schip met een rechte boegvorm een energie van 22 MJ opgenomen kan worden, zonder scheuren van de ladingtanks of de naar de ladingtanks lopende pijpleidingen.alternatieve constructies in overeenstemming met zijn toegelaten.

171 c) De inhoud van een pompput mag niet meer dan 0,10 m 3 bedragen. Bij druktanks mag de inhoud van de pompput echter 0,20 m 3 bedragen. d) Dekstijlen, die constructiedelen van de scheepshuid verbinden met constructiedelen van het langsschot van de ladingtank of profielen, die constructiedelen van het scheepsvlak verbinden met de bodem van de ladingtank, zijn niet toegestaan. e) Ladingtanks die zijn bestemd voor producten bij een temperatuur van minder dan -10 o C moeten voldoende wijze zijn geïsoleerd om te kunnen waarborgen dat de temperatuur van de scheepsconstructie niet daalt tot onder de minimale ontwerpwaarde voor de temperatuur van het materiaal. Het isolatiemateriaal moet bestand zijn tegen vuur en vlamuitbreiding a) Ladingtankruimten moeten van de woning, de machinekamers en dienstruimten onder dek buiten de ladingzone door middel van schotten zijn gescheiden die van een brandisolatie "klasse A-60" volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, regel 3 zijn voorzien. De ladingtanks moeten ten minste 0,20 m van de eindschotten van de ladingtankruimte zijn verwijderd. Bij vlakke eindschotten van de ladingtanks moet deze afstand ten minste 0,50 m bedragen. b) Ladingtankruimten en ladingtanks moeten onderzocht kunnen worden. c) Alle ruimten in de ladingzone moeten geventileerd kunnen worden. Het moet mogelijk zijn te controleren of zij gasvrij zijn De schotten die de ladingtankruimten begrenzen moeten waterdicht zijn. De ladingtanks en de schotten die de ladingzone begrenzen mogen onder dek geen openingen of doorvoeringen hebben. In het schot tussen machinekamer en de dienstruimten in de ladingzone of tussen machinekamer en ladingtankruimte mogen doorvoeringen zijn aangebracht indien zij voldoen aan de in gestelde voorschriften Zijtanks en dubbele bodems in de ladingzone mogen slechts voor de opname van ballastwater zijn ingericht. Dubbele bodems mogen echter als brandstoftank worden gebruikt indien ze aan de voorschriften in voldoen a) Een in de ladingzone onderdeks gelegen ruimte mag als dienstruimte zijn ingericht indien de schotten die de dienstruimte begrenzen verticaal tot op de bodem zijn aangebracht en het van de ladingzone afgewende schot van scheepshuid tot scheepshuid in één spantvlak is aangebracht. Deze dienstruimte mag slechts vanaf dek toegankelijk zijn. b) Een dergelijke dienstruimte moet met uitzondering van de toegangs- en ventilatieopeningen waterdicht zijn. c) In de onder a) genoemde dienstruimte mogen geen laad- en losleidingen zijn aangebracht. In de pompkamer onder dek mogen laad- en losleidingen zijn aangebracht indien zij voldoen aan de voorschriften in Dienstruimten onder dek in de ladingzone moeten zodanig zijn ingericht dat zij gemakkelijk toegankelijk zijn en de daarin aanwezige bedrijfsuitrusting ook door personen die veiligheidskleding en adembescherming dragen, veilig bediend kunnen worden. Zij moeten zodanig zijn ontworpen dat personen, die gewond zijn of buiten bewustzijn, zonder bijzondere moeilijkheden uit dergelijke ruimten gehaald kunnen worden, zonodig met behulp van vast ingebouwde inrichtingen Ladingtankruimten en andere toegankelijke ruimten in de ladingzone moeten zodanig zijn ingericht, dat zij op passende wijze en volledig onderzocht en gereinigd kunnen worden. Met uitzondering van zijtanks en dubbele bodems, die geen gemeenschappelijke wand met de ladingtanks hebben, moeten toegangsopeningen zodanige afmetingen hebben dat een persoon die een ademhalingstoestel draagt onbelemmerd in of uit de ruimte kan komen. Minimaal oppervlak van de opening: 0,36 m²; lengte van de kleinste zijde: 0,50 m. Zij moeten zodanig zijn ontworpen, dat gewonde of bewusteloze personen zonder moeilijkheden van de bodem van een dergelijke ruimte gehaald kunnen worden, zo nodig met behulp van vast aangebrachte inrichtingen. De afstand tussen de versterkingen in deze ruimten mag niet minder dan 0,50 m bedragen. In dubbele bodems mag deze afstand tot 0,45 m worden gereduceerd. Ladingtanks mogen van ronde openingen met een minimale diameter van 0,68 m zijn voorzien Als het schip is voorzien van geïsoleerde ladingtanks mogen de ladingtankruimten uitsluitend droge lucht bevatten ter bescherming van de isolatie van de ladingtanks tegen vocht Ventilatie

172 In elke ladingtankruimte moeten twee openingen aanwezig zijn, waarvan de afmetingen en de plaats zodanig moeten zijn, dat de doelmatige ventilatie op elke plaats van de ladingtankruimte mogelijk is. Indien deze openingen niet aanwezig zijn moet de ladingtankruimte met inert gas of droge lucht gevuld kunnen worden Zijtanks en dubbele bodems in de ladingzone, die niet zijn ingericht om met balastwater te worden gevuld, en eventueel aanwezige kofferdammen tussen machinekamers en pompkamers moeten zijn uitgerust met ventilatiesystemen In de ladingzone onder dek gelegen dienstruimten moeten voorzien zijn van een systeem van mechanische ventilatie met voldoende vermogen om te garanderen dat de lucht 20 keer per uur wordt ververst, gebaseerd op de inhoud van de ruimte. De afzuigkanalen van de ventilatie moeten tot op een afstand van 50 mm van de bodem van de dienstruimte reiken. De toevoerlucht moet door een doorlaat boven in de dienstruimte worden toegevoerd. De toevoerluchtopeningen moeten ten minste 2,00 m boven dek, ten minste 2,00 m van tankopeningen en 6,00 m van de openingen van de veiligheidsventielen verwijderd zijn gelegen. De hiervoor in bepaalde gevallen benodigde verlengpijpen mogen klapbaar zijn uitgevoerd Woning en dienstruimten moeten geventileerd kunnen worden Ventilatoren in de ladingzone moeten zodanig zijn ontworpen dat vonkvorming bij aanraking van een schoepenblad met het ventilatorhuis evenals elektrostatische oplading is uitgesloten Bij ventilatieopeningen moeten borden zijn aangebracht die de voorwaarden, wanneer zij gesloten moeten worden, aangeven. Alle ventilatieopeningen van woning en dienstruimten die naar buiten voeren, moeten voorzien zijn van vast aangebrachte brandkleppen. Deze ventilatieopeningen moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone verwijderd zijn gelegen. Ventilatieopeningen van dienstruimten in de ladingzone mogen wel in deze zone zijn gelegen Stabiliteit (Algemeen) Een voldoende stabiliteit met inbegrip van de lekstabiliteit moet zijn aangetoond De basiswaarden voor de stabiliteitsberekening - ledig scheepsgewicht en ligging van het zwaartepunt - moeten of door middel van een hellingproef of door middel van een gedetailleerde berekening van massa en moment worden bepaald. Hierbij moet het ledig scheepsgewicht door middel van een beproeving van het ledig gewicht worden gecontroleerd, waarbij het met behulp van de gewichtsberekening verkregen gewicht niet meer dan ± 5 % van het met behulp van de diepgangscontrole verkregen waterverplaatsing mag afwijken Voor de intactstabiliteit moet voor alle stadia van belading en lossing, en voor de eindtoestand van de belading, worden aangetoond dat deze voldoende is voor de relatieve dichtheid van alle in de Scheepsstoffenlijst conform vermelde stoffen die worden vervoerd. Voor elke beladingshandeling moet het schip, rekening houdend met de feitelijke vulling en drijfstand van ladingtanks, ballasttanks en compartimenten, drink- en afvalwatertanks en tanks met scheepsaandrijfstoffen, voldoen aan de vereisten voor stabiliteit in onbeschadigde en beschadigde toestand. Ook tussenstadia tijdens de handelingen moeten in aanmerking worden genomen. Het bewijs van voldoende stabiliteit moet voor elke bedrijfs-, beladings- en ballasttoestand worden weergegeven in het stabiliteitsboek, dat moet worden goedgekeurd door het erkende classificatiebureau dat het schip classificeert. Indien berekening vooraf van de bedrijfs-, beladings- en ballasttoestanden in de praktijk niet uitvoerbaar is, moet een beladingscomputer worden geïnstalleerd en gebruikt dat de gegevens uit het stabiliteitsboek bevat. Deze beladingscomputer moet zijn goedgekeurd door het erkende classificatiebureau dat verantwoordelijk is voor de classificatie van het schip. Opmerking: De tekst in het stabiliteitsboek moet op een voor de verantwoordelijke schipper begrijpelijke wijze zijn geformuleerd. Het stabiliteitsboek moet de volgende gegevens bevatten: Algemene beschrijving van het schip: Algemene overzichten van inrichting en inhoud, met vermelding van de bestemming van compartimenten en ruimten (ladingtanks, opslagkamers, woning, enz.); Een schets waarop te zien is waar zich de diepgangsmerken ten opzichte van de loodlijnen van het schip bevinden; Een overzicht van de ballast-/lenspompinrichtingen en overvulbeveiligingssystemen;

173 Hydrostatische krommen of tabellen voor de ontwerptrim en, indien aanzienlijke trimhoeken tijdens normaal bedrijf van het schip worden voorzien, krommen of tabellen voor een dergelijk trimbereik; Kruiscurven of -tabellen inzake stabiliteit berekend op basis van vrije vertrimming, voor het deplacement- en trimbereik dat bij normaal bedrijf wordt verwacht, met vermelding van de volumes waarvoor een opwaartse druk is aangenomen; Echoloodtabellen of -krommen met gegevens omtrent inhoud, zwaartepunt en vrij oppervlak van alle ladingtanks, ballastanks en compartimenten, drink- en afvalwatertanks en tanks met scheepsaandrijfstoffen; Gegevens omtrent het ledig schip (gewicht en zwaartepunt), verkregen via een hellingproef of drijfvermogensmeting in combinatie met gedetailleerde massabalans- of andere aanvaardbare metingen. Indien deze informatie van een zusterschip wordt afgeleid, moet duidelijk naar dat zusterschip worden verwezen en moet een kopie van het goedgekeurde hellingproefrapport betreffende dat zusterschip worden bijgevoegd; Een kopie van het goedgekeurde beproevingsrapport (bij te voegen); Bedrijfs- en beladingstoestanden met alle relevante details, zoals: - gegevens omtrent het ledig schip, tankvullingen, voorraden, bemanning en andere relevante zaken aan boord (massa en zwaartepunt voor elk item, momenten van vrij vloeistofoppervlak voor vloeibare lading); - diepgang midscheeps en op de loodlijnen; - metacenterhoogte gecorrigeerd voor het effect van vrije oppervlakken; - waarden voor en kromme van de oprichtende hefboomarm; - langsscheepse buigmomenten en afschuifkrachten op uitleespunten; - informatie over openingen (locatie, soort dichtheid, middel van sluiting); en - informatie voor de schipper; Berekening van de invloed van ballastwater op de stabiliteit, met informatie omtrent de vraag of vaste niveau-meetinrichtingen voor ballasttanks en compartimenten moeten worden geïnstalleerd en of ballasttanks of compartimenten tijdens de reis volledig gevuld of volledig leeg moeten zijn Het drijfvermogen van het schip in beschadigde toestand moet voor de ongunstigste beladingstoestand worden aangetoond. Hierbij moet voor kritische stadia tijdens het vollopen en voor de eindtoestand van het vollopen, het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit worden geleverd Stabiliteit (Intact) Aan de voorschriften voor de intacte stabiliteit, verkregen uit de berekeningen van de lekstabiliteit moet volledig worden voldaan Voor schepen met breedten van ladingtanks van meer dan 0,70 x B m moet worden aangetoond dat aan de volgende stabiliteitseisen is voldaan: a) Binnen het positieve deel van de kromme van statische armen tot het raken van het water van de eerste, niet spatwaterdicht afgesloten opening moet een oprichtende arm (GZ) van ten minste 0,10 m aanwezig zijn; b) Het oppervlak van het positieve deel van de kromme van statische armen tot het raken van het water van de eerste, niet spatwaterdicht afgesloten opening, echter maximaal tot een slagzijhoek van < 27, mag niet kleiner zijn dan 0,024 m.rad; c) De metacenterhoogte (GM) moet ten minste 0,10 m bedragen. Aan deze eisen moet worden voldaan met inachtneming van de invloed van alle vrije vloeistofoppervlakken in de tanks voor alle stadia tijdens het laden en lossen De meest strenge van de eisen volgend uit en is van toepassing op het schip Stabiliteit (Lek) Voor de lekstabiliteit moeten de volgende aannamen in acht worden genomen: a) Omvang van de schade aan een scheepszijde: langsscheeps: ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps: 0,79 m, vanaf de buitenzijde van de scheepshuid, loodrecht op de lengteas van het schip bij de maximaal toelaatbare diepgang, of, indien van toepassing, de in sectie toegelaten afstand verminderd met 0,01 m,

174 verticaal: vanaf de basis naar boven onbegrensd. b) Omvang van de schade aan de scheepsbodem: langsscheeps: ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps: 3,00 m. verticaal: vanaf de basis naar boven 0,59 m, lensput uitgezonderd. c) Alle in de beschadigingsomvang vallende schotten zijn als beschadigd te beschouwen, dat wil zeggen dat de schotindeling zo gekozen moet zijn dat het schip ook bij het vollopen van twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. De volgende bepalingen zijn van toepassing: - Bij een bodembeschadiging moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden beschouwd. - De onderkant van niet waterdicht afsluitbare openingen (b.v. deuren, ramen, toegangsluiken) moet in de eindtoestand van het vollopen ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking liggen. - In het algemeen moet een permeabiliteit van 95 % worden aangenomen. Indien door een berekening wordt aangetoond dat in één of andere afdeling de gemiddelde permeabiliteit kleiner dan 95 % is, dan kan de zo berekende waarde worden aangehouden. De volgende minimum waarden moeten echter worden gebruikt: - machinekamers: 85 % - bemanningsruimten: 95 % - dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks, enz. afhankelijk van het feit of deze tanks uit hoofde van hun functie bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95 % Voor de hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor de ééncompartimentsstandaard, d.w.z. machinekamereindschotten worden als niet beschadigd beschouwd Voor de tussenliggende toestand van het vollopen moet aan de volgende criteria zijn voldaan: GZ >= 0,03m Positieve deel GZ-kromme: 5. In de evenwichtstoestand (eindtoestand van het vollopen) mag de slagzij van het schip niet groter zijn dan 12. Niet waterdicht afgesloten openingen mogen pas vollopen na het bereiken van de evenwichtstoestand. Raken dergelijke openingen eerder het water dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden aangenomen. Uitgaande van de evenwichtstoestand moet het positieve deel van de kromme van statische armen een oprichtende arm van 0,05 m in relatie tot een oppervlak onder de kromme 0,0065 m.rad bezitten. Aan deze minimum waarde van de stabiliteit moet worden voldaan tot de eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening het water raakt, echter maximaal tot een slagzijhoek van 27. Raken niet spatwaterdicht afgesloten openingen eerder het water, dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden beschouwd. < 12 statische arm > 0,05 m A A > 0,0065 [m. rad] Phi [ ] eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening raakt het water, echter < 27 evenwichtstoestand eindtoestand Indien openingen, waardoor onbeschadigde afdelingen alsnog vol kunnen lopen, waterdicht kunnen

175 worden afgesloten, dan moeten deze afsluitinrichtingen van dienovereenkomstige opschriften worden voorzien Indien dwars- of overloopopeningen ter vermindering van de asymmetrie van het vollopen worden aangebracht, dan moet het evenwicht binnen 15 minuten worden bereikt, indien gedurende de tussenliggende toestanden van vollopen stabiliteitswaarden zijn aangetoond, die voldoende zijn Machinekamers Verbrandingsmotoren voor de voortstuwing van het schip, alsmede verbrandingsmotoren die hulpwerktuigen aandrijven moeten buiten de ladingzone zijn aangebracht. Toegangen en andere openingen van machinekamers moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd De machinekamer moet vanaf dek toegankelijk zijn. Toegangen mogen niet naar de ladingzone zijn gericht. Indien de deuren niet in een nis zijn aangebracht, waarvan de diepte ten minste gelijk is aan de breedte van de deur, moeten de scharnieren aan de zijde van de ladingzone zijn aangebracht Woning en dienstruimten Woonruimten en het stuurhuis moeten buiten de ladingzone, achter het achterste verticale vlak of voor het voorste verticale vlak van het onderdeks gelegen deel van de ladingzone, zijn gelegen. Ramen van het stuurhuis, die ten minste 1,00 m boven de bodem van het stuurhuis liggen, mogen naar voren overhellen Toegangen tot ruimten en openingen in de opbouwen mogen niet naar de ladingzone zijn gericht. Scharnieren van deuren, die naar buiten geopend worden en niet in een nis zijn aangebracht waarvan de diepte ten minste gelijk is aan de breedte van de deur, moeten aan de zijde van de ladingzone overhellen Toegangen vanaf dek en openingen van ruimten naar buiten moeten kunnen worden gesloten. De volgende aanwijzing moet bij de toegang tot deze ruimten zijn aangebracht: Tijdens laden en lossen niet zonder toestemming van de schipper openen. Direct weer sluiten Toegangen en ramen in opbouwen en woonruimten die te openen zijn evenals andere openingen van deze ruimten moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn gelegen. Stuurhuisdeuren en -ramen mogen niet binnen 2,00 m van de ladingzone zijn gelegen, behalve indien er geen directe verbinding tussen het stuurhuis en de woning bestaat a) Aandrijfassen van de lens- en ballastpompen mogen door het schot tussen dienstruimte en machinekamer worden gevoerd onder voorwaarde dat de inrichting van de dienstruimte voldoet aan b) De doorvoering van de as door het schot moet gasdicht zijn en door een erkend classificatiebureau zijn toegelaten. c) De noodzakelijke bedrijfsvoorschriften moeten te zien zijn. d) Door het schot tussen machinekamer en dienstruimte in de ladingzone en het schot tussen machinekamer en ladingtankruimte mogen doorvoeringen voor elektrische kabels, hydraulische leidingen en pijpleidingen voor meet-, regel- en alarmsystemen worden aangebracht onder voorwaarde dat de doorvoeringen door een erkend classificatiebureau zijn toegelaten. De doorvoeringen moeten gasdicht zijn. Doorvoeringen door een schot met een brandisolatie A-60 volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, Regel 3, moeten een gelijkwaardige brandbeveiliging hebben. e) Door het schot tussen machinekamer en dienstruimte in de ladingzone mogen pijpleidingen worden gevoerd onder voorwaarde dat het leidingen tussen mechanische installaties in de machinekamer en de dienstruimte betreft, die in de dienstruimte geen openingen bezitten en voorzien zijn van afsluitinrichtingen bij het schot in de machinekamer. f) Vanuit de machinekamer mogen, ongeacht , pijpleidingen door de dienstruimte in de ladingzone, door een kofferdam, door de ladingtankruimte of door de zijtank naar buiten worden gevoerd, onder voorwaarde dat zij in de dienstruimte, in de kofferdam, in de ladingtankruimte of in de zijtank van een dikwandig type zijn en geen flensverbindingen of openingen bezitten. g) Indien een aandrijfas van een hulpwerktuig door een boven dek gelegen wand wordt gevoerd moet de doorvoering gasdicht zijn.

176 Een in de ladingzone onder dek gelegen dienstruimte mag niet als pompkamer voor de opstelling van de eigen gaslosinstallatie, zoals b.v. compressoren of compressor / warmtewisselaar / pompcombinatie worden gebruikt, behalve indien: - de pompkamer door middel van een kofferdam of een schot dat is voorzien van een brandisolatie "A- 60" volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, regel 3 of door een dienstruimte of een ladingtankruimte van de machinekamer of dienstruimten buiten de ladingzone gescheiden is; - het hierboven vereiste "A-60" schot geen doorvoeringen overeenkomstig a) bezit; - ventilatieopeningen ten minste 6,00 m van toegangen en openingen van de woning en de dienstruimten buiten de ladingzone verwijderd zijn gelegen; - toegangs- en ventilatieopeningen van buitenaf afsluitbaar zijn; - alle laad- en losleidingen (zuig- en drukzijde) door het dek boven de pompkamer zijn gevoerd. De noodzakelijke bediening van de controle-inrichtingen in de pompkamer en het starten van de pompen of compressoren evenals de noodzakelijke regeling van de vloeistofstroom moet vanaf dek plaatsvinden; - het systeem volledig in het gas- en vloeistofleidingsysteem is opgenomen; - de ladingpompkamer van een vast ingebouwd gasdetectie-systeem is voorzien, dat de aanwezigheid van explosieve gassen evenals het gebrek aan zuurstof door middel van direct metende sensoren automatisch aangeeft en bij het bereiken van een gasconcentratie van 20% van de onderste explosiegrens een optisch- en akoestisch alarm in werking stelt. De sensoren van dit systeem moeten zich op geschikte plaatsen op de bodem en direct onder dek bevinden. De metingen moeten zonder onderbreking plaatsvinden. De akoestische en optische alarmsystemen moeten in het stuurhuis en de ladingpompkamer zijn geïnstalleerd en wanneer het alarmsysteem in werking treedt moet het de laad- en losinstallatie uitschakelen. Uitval van de gasdetectie-installatie moet direct optisch en akoestisch in het stuurhuis en aan dek worden gemeld; - het in voorgeschreven ventilatiesysteem moet een capaciteit van ten minste dertigmaal luchtverversing de inhoud van de dienstruimte per uur bezitten Bij de ingang van de pompkamer moet de volgende aanwijzing zijn aangebracht: Inertgasinstallatie Voor het betreden van de pompkamer deze op de aanwezigheid van gas alsmede op voldoende zuurstof controleren Deuren en toegangsopeningen niet zonder toestemming van de schipper openen Bij alarm de ruimte direct verlaten Indien inert maken of afdekken van de lading is voorgeschreven moet het schip uitgerust zijn met een inertgasinstallatie. Deze installatie moet in staat zijn een minimale druk van 7 kpa (0,07 bar) in de inert te maken ruimten te allen tijde te kunnen handhaven. Bovendien mag de inertgasinstallatie de druk in de ladingtank niet tot boven de insteldruk van het overdrukventiel verhogen. De insteldruk van het onderdrukventiel moet 3,5 kpa (0,035 bar) bedragen. Een voor het laden of lossen voldoende hoeveelheid inertgas moet aan boord worden meegevoerd of moet aan boord kunnen worden geproduceerd, voor zover het niet van de wal verkregen kan worden. Bovendien moet aan boord een voldoende hoeveelheid inertgas ter beschikking staan om de normale verliezen tijdens het vervoer te kunnen compenseren. De inert te maken ruimten moeten voorzien zijn van aansluitingen voor de toevoer van het inerte gas en van controle-systemen, waardoor continu de juiste atmosfeer behouden kan worden. Indien de druk of de concentratie van inert gas in de gasfase daalt onder een gegeven waarde moet dit controlesysteem een akoestische en optisch alarm in het stuurhuis in werking stellen. Indien het stuurhuis niet bezet is moet het alarm ook waarneembaar zijn op een plaats die bezet is door een bemanningslid (Gereserveerd) Veiligheids- en controle-inrichtingen Ladingtanks moeten zijn voorzien van de volgende uitrusting: a) (Gereserveerd)

177 b) een niveau-meetinrichting; c) een niveau-alarminrichting die uiterlijk bij een vullingsgraad van 86 % in werking treedt; d) een niveau-sensor voor het inschakelen van de overvulbeveiliging die uiterlijk bij een vullingsgraad van 97,5 % in werking treedt; e) een instrument voor het meten van de druk van de gasfase in de ladingtank; f) een instrument voor het meten van de temperatuur van de lading; g) een aansluiting voor een gesloten monstername-inrichting Wanneer de vullingsgraad in procenten is vastgesteld, is een afwijking van niet meer dan 0,5 % toegelaten. Deze moet worden berekend op grond van de totale inhoud van de ladingtank inclusief de expansietrunk De niveau-meetinrichting moet kunnen worden afgelezen vanaf de plaats waar de afsluiters van de betreffende ladingtank worden bediend. De maximaal toelaatbare vullingsgraad van de ladingtank van 91%, 95% en 97%, zoals vermeld in de Scheepsstoffenlijst, moet bij elke meetinrichting zijn aangegeven. De over- en onderdruk moet te allen tijde kunnen worden afgelezen vanaf een plaats waar het laden of lossen onderbroken kan worden. De maximaal toelaatbare over- en onderdruk moet bij elke niveaumeetinrichting zijn aangegeven. Het aflezen moet onder alle weersomstandigheden mogelijk zijn De niveau-alarminrichting moet aan boord een optisch en akoestisch alarm afgeven indien deze in werking wordt gesteld. De niveau-alarminrichting moet onafhankelijk zijn van de niveau-meetinrichting a) De niveau-sensor overeenkomstig d) moet aan boord een optisch en akoestisch alarm aan boord inschakelen en tegelijkertijd een elektrisch contact aanspreken, dat als binair signaal de door de walinstallatie gegeven en gevoede stroomkring kan onderbreken en zo aan de walzijde maatregelen tegen het overlopen tijdens het laden kan inleiden. Het signaal moet aan de walinstallatie door middel van een tweepolige waterdichte apparatenstekker van een koppelingsinrichting overeenkomstig de norm EN : A1: A2:2012 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur, worden overgebracht. De stekker moet in de directe omgeving van de walaansluiting van de laad- en losleidingen permanent op het schip zijn aangebracht. De niveau-sensor moet ook in staat zijn de eigen lospomp van het schip uit te schakelen. De niveau-sensor moet onafhankelijk zijn van de niveau-alarminrichting, maar mag gekoppeld zijn aan de niveau-meetinrichting. b) Tijdens het lossen met de lospomp aan boord moet deze door de walinstallatie kunnen worden uitgeschakeld. Hiervoor moet een aparte, door de boordinstallatie gevoede, intrinsiek veilige stroomkring door de walinstallatie door middel van een elektrisch contact worden onderbroken. Het binaire signaal van de walinstallatie moet door middel van een twee-polig, waterdicht stopcontact van een koppelingsinrichting conform de norm EN : A1: A2:2012 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur, worden overgebracht. Het stopcontact moet in de directe omgeving van de walaansluiting van de losleidingen permanent op het schip zijn aangebracht De optische en akoestische signalen van de niveau-alarminrichting en van de niveau-sensor moeten duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Het optische alarm moet vanaf elke plaats waar de afsluiters van de ladingtanks worden bediend zichtbaar zijn. De functie van de sensoren en stroomkringen moet eenvoudig te controleren zijn of ze moeten "failsafe" zijn ontworpen De instrumenten voor het meten van de druk en de temperatuur van de lading moeten bij het overschrijden van de ingestelde druk of de ingestelde temperatuur in het stuurhuis een optisch- en akoestisch alarm in werking stellen. Indien het stuurhuis niet bezet is moet het alarm ook op een door een bemanningslid bezette plaats waarneembaar zijn. Tijdens het laden of lossen moet het instrument voor het meten van de druk bij het overschrijden van een ingestelde waarde tegelijkertijd een elektrisch contact doen aanspreken, dat het door middel van de in genoemde stekker mogelijk maakt maatregelen te nemen, waardoor het laden en lossen wordt onderbroken. Bij gebruik van de lospomp van het schip moet deze automatisch worden uitgeschakeld. De

178 sensor van de hierboven bedoelde alarmen mag aan de alarminrichting zijn aangesloten Indien de bedieningselementen van de afsluiters van de ladingtanks zich in een controleruimte bevinden moeten in de controleruimte de ladingpompen kunnen worden uitgeschakeld en de niveaumeetinrichtingen kunnen worden afgelezen. De optische en akoestische alarmen van de niveau-alarminrichting, van de niveau-sensor overeenkomstig d) en van de instrumenten voor het meten van de druk en de temperatuur van de lading moeten zowel in de controleruimte als ook aan dek waarneembaar zijn. Voldoende toezicht op de ladingzone vanuit de controleruimte moet gewaarborgd zijn Het schip moet zodanig zijn uitgerust dat de laad-/loshandelingen door middel van schakelaars kunnen worden onderbroken, dat wil zeggen dat het snelsluitventiel gelegen aan de buigzame verbindingsleiding tussen schip en wal moet kunnen worden gesloten. Deze schakelaars moeten op twee punten aan boord van het schip (voor en achter) zijn aangebracht. De onderbrekingssystemen moeten volgens het ruststroomprincipe zijn ontworpen Bij het vervoer van gekoelde stoffen moet de openingsdruk van het veiligheidssysteem worden bepaald door het ontwerp van de ladingtanks. Bij het vervoer van stoffen, welke gekoeld vervoerd moeten worden, moet de openingsdruk van het veiligheidssysteem ten minste 25 kpa (0,25 bar) hoger zijn dan de hoogste druk berekend overeenkomstig Op schepen die zijn gecertificeerd voor het vervoer van gekoelde vloeibaar gemaakte gassen moeten in de ladingzone de onderstaande beschermingsmaatregelen worden getroffen : Lekbakken moeten worden geplaatst onder aansluitingen van de laad- en losleidingen waarover wordt geladen of gelost wordt. De lekbakken moeten zijn vervaardigd van materiaal dat bestand is tegen de temperatuur van de lading, en moeten ten opzichte van het dek zijn geïsoleerd. De lekbakken moeten voldoende volume hebben en zijn voorzien van een afvoerpijp naar buitenboord; Een watersproei-inrichting met dekking van: 1. niet-geïsoleerde dommen van ladingtanks en niet-geïsoleerde delen van ladingtanks; 2. niet-geïsoleerde aan dek staande tanks voor ontvlambare of giftige producten; 3. delen van het dek in dezone waar een lekkage kan ontstaan. De capaciteit van de watersproei-inrichting moet zodanig zijn dat bij gebruik van alle sproeikoppen een uitstroom van 300 liter per vierkante meter dekoppervlak in de ladingzone per uur wordt bereikt. De inrichting moet vanuit het stuurhuis en vanaf dek in werking kunnen worden gesteld; Een waterfilm rond de walaansluiting van de gebruikte laad- en losleiding ter bescherming van het dek, en de scheepshuid aan de zijde van de walaansluiting van de gebruikte laad- en losleiding. De waterfilm moet voldoende capaciteit hebben. De inrichting moet vanuit het stuurhuis en vanaf dek in werking kunnen worden gesteld Teneinde schade aan de ladingtanks tijdens het laden en aan de laad- en losleidingen tijdens het laden en lossen te voorkomen, moet aan boord van vaartuigen die gekoelde vloeibaar gemaakte gassen vervoeren een schriftelijke procedure met betrekking tot het voorkoelen aanwezig zijn. Deze procedure moet worden toegepast voordat het vaartuig in gebruik wordt genomen en na langdurig onderhoud Openingen van de ladingtanks a) Ladingtankopeningen moeten zich op het dek in de ladingzone bevinden; b) Ladingtankopeningen met een doorsnede van meer dan 0,10 m² moeten zich ten minste 0,50 m boven dek bevinden Ladingtankopeningen moeten van gasdichte afsluitingen zijn voorzien die voldoen aan de bepalingen van Afblaasopeningen van de overdrukventielen moeten ten minste 2,00 m boven dek zijn gelegen en ten minste 6,00 m van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten. Deze hoogte kan worden verlaagd, indien direct rondom de uitstroomopening van het overdrukventiel in een gebied met een straal van 1,00 m geen apparatuur aanwezig is, geen werk in uitvoering is en het gebied door merktekens is aangegeven Afsluitmiddelen, die normaal tijdens het laden en lossen worden gebruikt, mogen wanneer zij bediend worden geen vonken veroorzaken.

179 Iedere ladingtank, waarin gekoelde stoffen worden vervoerd, moet voorzien zijn van een veiligheidssysteem dat ontoelaatbare over- en onderdrukken voorkomt Beproeving onder druk Ladingtanks en laad- en losleidingen moeten voldoen aan de voorschriften betreffende drukvaten, die door de bevoegde autoriteit of een erkend classificatiebureau voor de te vervoeren goederen zijn vastgesteld Kofferdammen, indien aanwezig, moeten voor de eerste maal voor de ingebruikname en binnen voorgeschreven termijnen worden beproefd. De beproevingsdruk moet ten minste 10 kpa (0,10 bar) overdruk bedragen De maximale termijnen voor de periodieke beproevingen conform moeten elf jaar bedragen Regeling van druk en temperatuur van de lading Behalve indien het complete ladingsysteem is ontworpen om weerstand te bieden tegen de totale dampdruk bij de maximale ontwerpwaarden voor de omgevingstemperatuur, moet de druk in de ladingtanks beneden de maximaal toelaatbare openingsdruk van de veiligheidsventielen worden gehouden met behulp van één of meer van de volgende methoden: a) een systeem dat de druk in de ladingtank met behulp van mechanische koeling regelt; b) een systeem dat bij opwarming of drukverhoging van de lading de veiligheid garandeert. De isolatie of de ontwerpdruk van de ladingtank of de combinatie van deze twee elementen moeten een passende marge met het oog op werkingsduur en de te verwachten temperaturen garanderen. Het systeem moet in elk afzonderlijk geval door een erkend classificatiebureau worden geaccepteerd en moet de veiligheid waarborgen gedurende een tijdsduur van ten minste drie maal de werkingsduur. c) uitsluitend voor UN 1972: een systeem dat de druk in de ladingtanks regelt, waarbij de boil-off als brandstof worden gebruikt. Zolang het gebruik van LNG als brandstof niet is toegestaan overeenkomstig kan het gebruik van de boil-off overeenkomstig voor testdoeleinden worden toegestaan; d) andere door één der erkende classificatiebureaus toegelaten systemen De in voorgeschreven systemen moeten tot tevredenheid van het erkend classificatiebureau worden uitgevoerd, ingebouwd en beproefd. De constructiematerialen moeten voor de te vervoeren stof geschikt zijn. Voor het normale bedrijf moeten de maximale ontwerpgrenswaarden voor de omgevingstemperatuur zijn: luchttemperatuur: watertemperatuur: + 30 ºC, + 20 ºC Het ladingtanksysteem moet de totale dampdruk van de lading bij de maximale waarden van de ontwerpomgevingstemperaturen kunnen weerstaan welk systeem ook gebruikt wordt dat met de boil off werkt. Dit voorschrift is in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) aangegeven met aantekening Pompen en leidingen Pompen, compressoren en bijbehorende laad- en losleidingen moeten in de ladingzone zijn ondergebracht. Ladingpompen en compressoren moeten in de ladingzone en bovendien vanaf een plaats buiten de ladingzone kunnen worden uitgeschakeld. Ladingpompen en compressoren aan dek moeten ten minste 6,00 m van toegangen tot en openingen van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten zijn verwijderd a) Laad- en losleidingen moeten van elke andere leiding van het schip onafhankelijk zijn. Onder dek mogen geen productvoerende leidingen aanwezig zijn, met uitzondering van degene in het inwendige van de ladingtanks en in de voor de opstelling van de gaslosinstallatie van het schip bestemde dienstruimten. b) (Gereserveerd) c) Laad- en losleidingen moeten duidelijk van de overige leidingen zijn te onderscheiden, bijvoorbeeld door kenmerking met kleuren. d) De laad- en losleidingen aan dek en gasafvoerleidingen, met uitzondering van de walaansluiting, echter met inbegrip van de veiligheidsventielen en de afsluiters, moeten zich binnen de langsscheeps verlopende buitenste begrenzing van de dommen en ten minste op een afstand van één vierde van de scheepsbreedte van de scheepshuid bevinden. Dit voorschrift is niet van toepassing op de ontlastingsleidingen na de veiligheidsventielen. Indien er echter dwarsscheeps slechts één dom aanwezig is moeten deze leidingen met de daarbijbehorende ventielen ten minste op een afstand van 2,70 m van de scheepshuid zijn gelegen.

180 Bij naast elkaar geplaatste ladingtanks moeten alle aansluitingen aan de tankdommen zich op de naar hartschip gerichte zijde van de tankdommen bevinden. Daarbij mogen de buitenste aansluitingen op de middellijn van de tankdommen, parallel aan de hartschiplijn, worden aangebracht. De afsluiters moeten, indien mogelijk, zo kort mogelijk bij of direct op de tankdommen worden aangebracht. Afsluiters van de laad- en losleidingen moeten dubbel worden uitgevoerd, waarvan één afsluiter als op afstand bedienbare snelafsluiter moet zijn uitgevoerd. Bij een inwendige diameter van een afsluiter kleiner dan 50 mm mag één van de afsluiters als veiligheidsinrichting tegen scheuren in de leidingen worden beschouwd. e) Walaansluitingen moeten ten minste 6,00 m van toegangen en openingen van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten zijn verwijderd. f) Alle walaansluitingen van de gasafvoerleiding en de walaansluiting van de laad- en losleiding, waardoor geladen of gelost wordt, moeten van een afsluiter en een snelsluitventiel zijn voorzien. Alle walaansluitingen moeten echter, indien zij niet in gebruik zijn, voorzien zijn van een blindflens. g) Laad- en losleidingen en gasafvoerleidingen mogen niet van flexibele verbindingen zijn voorzien met schuifafsluitingen. Voor het vervoer van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen h) moeten de laad- en losleidingen en ladingtanks worden beschermd tegen overmatige belasting als gevolg van temperatuurverschillen en bewegingen van de tank- en rompconstructie. i) moeten voor zover nodig laad- en losleidingen thermisch geïsoleerd zijn van de naastliggende rompconstructie teneinde te voorkomen dat de temperatuur van de romp daalt tot onder de ontwerptemperatuur van het materiaal van de romp. j) moeten alle laad- en losleidingen die aan ieder uiteinde kunnen worden afgesloten wanneer zij een vloeistof (of vloeistofresten) bevatten, worden voorzien van veiligheidsventielen met afvoer in de ladingtanks. Deze veiligheidsventielen moeten worden beschermd tegen onbedoeld sluiten De in en e) genoemde afstand kan tot 3,00 m worden gereduceerd indien aan het einde van de ladingzone een dwarsschot conform is aangebracht. De openingen moeten zijn voorzien van deuren. Op deze deuren moet de volgende aanwijzing zijn aangebracht: Tijdens het laden of lossen niet zonder toestemming van de schipper openen. Direct weer sluiten Alle onderdelen van de laad- en losleidingen moeten elektrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden Het moet herkenbaar zijn of afsluiters en andere afsluitinrichtingen van de laad- en losleidingen open of gesloten zijn Laad- en losleidingen moeten bij de beproevingsdruk de nodige buigzaamheid, dichtheid en weerstand tegen druk bezitten Losleidingen moeten aan de ingang en uitgang van de lospomp voorzien zijn van manometers. De manometers moeten te allen tijde, vanaf de plaats waar de gaslosinstallatie van het schip wordt bediend, kunnen worden afgelezen. De maximaal toelaatbare over- en onderdruk moeten door een rood merkteken zijn aangegeven. Het aflezen moet onder alle weersomstandigheden mogelijk zijn Laad- en losleidingen mogen niet voor ballastdoeleinden kunnen worden gebruikt (Gereserveerd) Perslucht die buiten de ladingzone of het stuurhuis wordt gegenereerd, kan in de ladingzone worden gebruikt mits er een veerbelaste terugslagklep is geïnstalleerd om te voorkomen dat gassen uit de ladingzone via het persluchtsysteem in woon- of dienstruimten buiten de ladingzone kunnen komen (Gereserveerd) Koelinstallatie

181 Een koelinstallatie overeenkomstig a) moet uit één of meerdere eenheden bestaan, die de druk en de temperatuur van de lading bij de maximale ontwerpwaarden van de omgevingstemperatuur op het voorgeschreven niveau kan houden. Indien geen alternatieve maatregelen voor de druk- en temperatuurregeling van de lading die voldoende geacht worden door een erkend classificatiebureau worden voorzien, moet een of meer reserve-eenheden worden voorzien, die ten minste dezelfde capaciteit bezitten als de grootste voorgeschreven eenheid. Een reserve-eenheid moet bestaan uit een compressor inclusief aandrijfmotor, regelsysteem en alle noodzakelijke uitrustingen om een, van de normale eenheid onafhankelijke werking mogelijk te maken. Er moet in een reserve-warmtewisselaar worden voorzien tenzij de voor het normale bedrijf aanwezige warmtewisselaar een overcapaciteit bezit van ten minste 25 % van de grootste vereiste capaciteit. Gescheiden pijpleidingsystemen zijn niet nodig. Ladingtanks, pijpleidingen en toebehoren moeten zodanig zijn geïsoleerd dat bij uitval van alle koelinstallaties de totale lading ten minste 52 uur in een toestand blijft waarbij de veiligheidsventielen zich niet openen Veiligheidsinrichtingen en verbindingsleidingen vanaf de koelinstallatie moeten boven de vloeistoffase van de lading bij de maximaal toelaatbare vullingsgraad op de ladingtanks zijn aangesloten. Zij moeten ook in de gasfase blijven, zelfs indien het schip een slagzij van 12 heeft Indien verschillende gekoelde ladingen, die gevaarlijk chemisch met elkaar kunnen reageren, tegelijkertijd worden vervoerd, moet bijzondere zorg worden besteed aan de koelinstallaties zodat wordt voorkomen dat de ladingen zich kunnen vermengen. Voor het vervoer van dergelijke ladingen moet voor elk soort ladingen, gescheiden koelinstallaties, elk met een volledige reserve-eenheid conform , worden voorzien. Indien echter de koeling met behulp van een indirect of een gecombineerd systeem plaatsvindt, en een lekkage in de warmtewisselaar onder alle bedrijfsomstandigheden niet kan leiden tot een vermenging van de ladingen, hoeft niet te worden voorzien in gescheiden koelinstallaties Indien meerdere gekoelde ladingen onder de vervoersomstandigheden niet in elkaar oplosbaar zijn, zodat hun dampdrukken bij vermengen bij elkaar moeten worden opgeteld, moet er bij het ontwerp van de koelinstallaties speciaal voor worden gezorgd dat wordt voorkomen dat de ladingen met elkaar kunnen mengen Indien voor koelinstallaties koelwater noodzakelijk is moet een voldoende hoeveelheid met behulp van een pomp of pompen worden geleverd, die uitsluitend voor dit doel worden gebruikt. Deze pomp resp. pompen moeten ten minste twee aanzuigleidingen hebben, vanaf twee waterinlaatkasten, één aan stuurboord- en de andere aan bakboord. Er moet in een reservepomp van voldoende capaciteit zijn voorzien. Deze pomp kan een voor andere doeleinden gebruikte pomp zijn, onder voorwaarde dat het gebruik ervan voor de levering van koelwater niet een ander belangrijk systeem beïnvloedt De koelinstallatie kan één van de volgende vormen aannemen: a) Direct systeem: de dampen van de lading worden samengeperst, gecondenseerd en naar de ladingtanks teruggevoerd. Voor enkele stoffen aangegeven in hoofdstuk 3.2, Tabel C mag dit systeem niet worden gebruikt. Dit voorschrift wordt in wordt in kolom (20) van tabel C van hoofdstuk 3.2 aangegeven met aantekening 35. b) Indirect systeem: de lading of de dampen van de lading worden met behulp van een koelmiddel gekoeld of gecondenseerd, zonder te worden samengeperst. c) Gecombineerd systeem: de dampen van de lading worden samengeperst en in een lading/koelmiddel warmtewisselaar gecondenseerd en naar de ladingtanks teruggevoerd. Voor enkele stoffen aangegeven in hoofdstuk 3.2, Tabel C mag dit systeem niet worden gebruikt. Dit voorschrift wordt in kolom (20) van tabel C van hoofdstuk 3.2 aangegeven met aantekening Alle primaire en secundaire koelvloeistoffen moeten met elkaar en met de lading, waarmee zij in aanraking kunnen komen, verenigbaar zijn. De warmteuitwisseling kan of op afstand van de ladingtank of door middel van koelspiralen, die in of aan de ladingtank zijn bevestigd, geschieden Indien de koelinstallatie in een speciale dienstruimte wordt geïnstalleerd moet deze dienstruimte voldoen aan de voorschriften van Voor alle ladingsinstallaties moet de warmte-overdrachtsscoëfficient die wordt gebruikt voor het bepalen van de verblijftijd ( en ) door middel van berekening worden vastgesteld. Bij de oplevering van het schip moet de juistheid van de berekening door middel van een warmteoverdrachtstest worden gecontroleerd. Deze berekening en test moeten worden uitgevoerd onder toezicht van het erkende classificatiebureau dat het vaartuig heeft geclassificeerd. De warmte-overdrachtscoëfficiënt moet worden gedocumenteerd en aan boord aanwezig zijn, en dient bij iedere verlenging van het Certificaat van Goedkeuring te worden gecontroleerd.

182 Bij de aanvraag voor de afgifte of de verlenging van het Certificaat van Goedkeuring moet een verklaring van een erkend classificatiebureau worden bijgevoegd waaruit blijkt dat aan tot en met , en hierboven is voldaan Watersproei-inrichting Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (9) een watersproei-inrichting is voorgeschreven moet in de ladingzone aan dek een watersproei-inrichting zijn geïnstalleerd waarmee gassen uit de lading kunnen worden gereduceerd door water te sproeien. De inrichting moet zijn voorzien van een aansluiting voor de verzorging vanaf de wal. De sproeikoppen moeten zodanig zijn aangebracht dat de vrijkomende gassen op veilige wijze worden neergeslagen. De inrichting moet vanuit het stuurhuis en vanaf dek in werking kunnen worden gesteld. De capaciteit van de watersproei-inrichting moet zodanig zijn dat bij gebruik van alle sproeikoppen een uitstroming van 50 liter per m² per uur dekoppervlak in de ladingzone wordt bereikt (Gereserveerd) Machines Er zijn slechts verbrandingsmotoren toegestaan, die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt hoger dan 55 C Ventilatieopeningen van de machinekamer en inlaatopeningen van motoren, indien de motoren de lucht niet direct vanuit de machinekamer aanzuigen, moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd Vonkvorming in de ladingzone moet niet mogelijk zijn Aan uitwendige delen van motoren, die tijdens het laden en lossen worden gebruikt, evenals aan hun luchtinlaatkanalen en uitlaatgasleidingen mogen geen oppervlaktetemperaturen optreden die boven de voor de temperatuurklasse van de vervoerde stoffen toegelaten waarden liggen. Deze bepaling is niet van toepassing op motoren, die in dienstruimten zijn opgesteld onder voorwaarde dat wordt voldaan aan de bepalingen van De ventilatie van de gesloten machinekamer moet zodanig zijn ontworpen, dat bij een buitentemperatuur van 20 C de gemiddelde temperatuur in de machinekamer 40 C niet overschrijdt Brandstoftanks Indien het schip voorzien is van ladingtankruimten en dubbele bodems mogen de dubbele bodems in de ladingruimte als tanks voor brandstof worden ingericht, onder voorwaarde dat hun hoogte ten minste 0,6 m bedraagt. Leidingen voor brandstof en openingen van dergelijke tanks zijn niet toegestaan in ladingtankruimten De openingen van de ontluchtingsleidingen van alle tanks voor brandstof moeten ten minste tot 0,50 m boven het open dek uitsteken. Deze openingen en de openingen van de overloopleidingen die boven dek zijn gevoerd, moeten zijn voorzien van een bescherming, die door uit een rooster of een geperforeerde plaat bestaat (Gereserveerd) Uitlaatgasleidingen Uitlaatgassen moeten door een uitlaatgassenleiding, die naar boven of door de scheepshuid wordt gevoerd, naar de open lucht worden afgevoerd. De uittredeopening moet ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd. De uitlaatgasleidingen van motoren moeten zodanig zijn aangebracht, dat de uitlaatgassen van het schip worden afgeleid. Uitlaatgasleidingen mogen niet in de ladingzone zijn gelegen Uitlaatgasleidingen van motoren moeten zijn voorzien van een inrichting die het uittreden van vonken voorkomt, b.v. vonkenvangers Lens- en ballastinrichting

183 Lens- en ballastpompen voor ruimten binnen de ladingzone moeten in een dergelijke zone zijn opgesteld. Deze bepaling is niet van toepassing op: - zijtanks en dubbele bodems die geen gemeenschappelijke wand met de ladingtanks hebben; - kofferdammen en ladingtankruimten, indien het ballasten via de brandblusleiding in de ladingzone en het lenzen door middel van ejektoren plaats vindt Bij gebruik van de dubbele bodem als tank voor brandstof mag deze niet op het lensleidingsysteem zijn aangesloten De standpijp en zijn buitenboordaansluiting voor het aanzuigen van ballastwater moeten, indien de ballastpomp in de ladingzone is opgesteld, binnen de ladingzone zijn gelegen Een pompkamer onder dek moet in noodgevallen met behulp van een van alle andere installaties onafhankelijke inrichting in de ladingzone kunnen worden gelensd. Deze lensinrichting moet buiten de pompkamer zijn opgesteld (Gereserveerd) Brandblusinstallaties Het schip moet voorzien zijn van een brandblusinstallatie. De installatie moet aan de volgende voorschriften voldoen: - zij moet door twee onafhankelijke brandblus- of ballastpompen worden gevoed. Eén van deze pompen moet te allen tijde bedrijfsklaar zijn. Deze pompen, evenals hun aandrijvingen en elektrische inrichtingen, mogen niet in dezelfde ruimte zijn opgesteld. - zij moet gevoed worden door een waterleiding, die in de ladingzone of het stuurhuis boven dek ten minste drie brandslangaansluitingen bezit. Er moeten drie geschikte brandslangen van voldoende lengte met straalpijp met straal-/sproeimondstuk met een diameter van ten minste 12 mm aanwezig zijn. Een of meer van de slangassemblages mogen bij wijze van alternatief worden vervangen door richtbare straalpijpen met straal-/sproeimondstuk met een diameter van ten minste 12 mm. Met ten minste twee, niet van dezelfde brandslangaansluiting afkomstige waterstralen moeten tegelijkertijd elke plaats van het dek in de ladingzone kunnen worden bereikt. Door middel van een veerbelaste terugslagklep moet zijn gewaarborgd, dat gassen niet door de brandblusinstallatie in woning of dienstruimten buiten de ladingzone kunnen ontsnappen. - de capaciteit van de installatie moet ten minste zodanig zijn, dat bij het gelijktijdig gebruik van twee straalpijpen vanaf elke plaats aan boord een werpafstand wordt bereikt die ten minste gelijk is aan de scheepsbreedte; - het watertoevoersysteem moet vanuit het stuurhuis en vanaf dek in werking gesteld kunnen worden; - er moeten maatregelen worden getroffen om bevriezing van de brandblusleiding en brandslangaansluitingen te voorkomen In aanvulling hierop moeten machinekamers, pompkamers en indien aanwezig alle ruimten die voor de koelinstallatie belangrijke installaties bevatten (schakelkasten, compressoren, enz.) zijn voorzien van een vast ingebouwde brandblusinstallatie die aan de volgende voorschriften voldoet: Blusmiddelen In machinekamers, ketelruimten en pompkamers zijn, ter bescherming van deze ruimten, slechts vast ingebouwde brandblusinstallaties toegestaan die de volgende blusmiddelen gebruiken: a) CO 2 (kooldioxide) b) HFC 227 ea (heptafluorpropaan) c) IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% kooldioxide) d) FK (dodecafluor-2-methylpentaan-3-on) Andere blusmiddelen zijn slechts toegestaan op grond van aanbevelingen vanhet Administratief Comité Ventilatie, luchtaanzuiging a) De verbrandingslucht die nodig is voor de verbrandingsmotoren voor de voortstuwing mag niet worden aangezogen uit door vast ingebouwde brandblusinstallaties te beschermen ruimten. Deze eis is niet verplicht wanneer er twee van elkaar onafhankelijke, gasdicht gescheiden hoofdmachinekamers aanwezig zijn dan wel er naast de hoofdmachinekamer een boegbesturingsaandrijving in een aparte

184 machinekamer is geïnstalleerd, waardoor in geval van brand in de hoofdmachinekamer het voortbewegen op eigen kracht wordt verzekerd. b) Alle mechanische ventilatiesystemen in de te beschermen ruimte moeten bij het inwerkingstellen van de brandblusinstallatie automatisch worden uitgeschakeld. c) Alle openingen, waardoor lucht zou kunnen toetreden tot, dan wel gas zou kunnen ontsnappen uit de te beschermen ruimte moeten zijn uitgerust met voorzieningen die het mogelijk maken om ze snel te sluiten. Het moet duidelijk zijn of ze open of gesloten zijn. d) Lucht die via de veiligheidsventielen uit in de machinekamers geïnstalleerde persluchthouders stroomt moet in de open lucht worden afgevoerd. e) Over- of onderdruk veroorzaakt door het binnenstromen van het blusmiddel mag de essentiële onderdelen van de te beschermen ruimte niet vernielen. De compensatie van de druk moet zonder gevaar kunnen geschieden. f) Beschermde ruimten moeten beschikken over een mogelijkheid om het blusmiddel af te zuigen. Indien afzuiginrichtingen geïnstalleerd zijn, mogen deze tijdens het blussen niet kunnen worden ingeschakeld Brandmeldinstallaties De te beschermen ruimte moet voorzien zijn van een doelmatige brandmeldinstallatie. De brandmelding moet in het stuurhuis, in de verblijven en in de te beschermen ruimte worden waargenomen Pijpleidingsysteem a) Het blusmiddel moet door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. Leidingen die in de te beschermen ruimte zijn geïnstalleerd en de daarbij behorende armaturen moeten zijn vervaardigd van staal. Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren mits de gebruikte materialen gelijkwaardige brandvertragende eigenschappen hebben. Leidingen moeten zowel in- als uitwendig tegen corrosie beschermd zijn. b) De sproeikoppen moeten zo zijn aangebracht dat de gelijkmatige verdeling van het blusmiddel is gewaarborgd. Het blusmiddel moet in het bijzonder ook onder de vloer werkzaam zijn Inrichting voor het in werking stellen a) Brandblusinstallaties die automatisch in werking worden gesteld zijn niet toegestaan. b) Het moet mogelijk zijn de brandblusinstallatie in werking te stellen vanaf een geschikte plaats buiten de te beschermen ruimte. c) Inrichtingen voor het in werking stellen moeten zodanig zijn geïnstalleerd dat ze ook in geval van brand kunnen worden bediend en zodanig dat het risico van storing in geval van een brand of explosie in de te beschermde ruimte zo veel mogelijk wordt verminderd. Niet mechanische inrichtingen voor het in werking stellen moeten door twee van elkaar onafhankelijke energiebronnen worden gevoed. Deze energiebronnen moeten zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Leidingen voor de aansturing in de te beschermen ruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd dat ze in geval van brand tenminste gedurende 30 minuten kunnen blijven functioneren. De elektrische installaties worden geacht te voldoen aan deze eis indien ze overeenkomen met de norm IEC :1999. Indien de inrichtingen voor het in werking stellen zodanig zijn geplaatst dat ze niet zichtbaar zijn moet de afscherming zijn voorzien van het symbool Brandbestrijdingssysteem, met een lengte van elke zijde van ten minste 10 cm met de volgende tekst in rode letters op een witte achtergrond Brandblusinstallatie d) Indien de brandblusinstallatie bedoeld is voor het beschermen van meerdere ruimten, moeten de inrichtingen voor het in werking stellen voor elke ruimte gescheiden en duidelijk zijn gemarkeerd; e) Bij elke inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. De gebruiksaanwijzing moet zijn gesteld in een taal die de schipper kan lezen en begrijpen en indien deze taal niet Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits. Deze moet informatie bevatten inzake: i) het in werking stellen van de brandblusinstallatie; ii) de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten; iii) de juiste handelwijze van de bemanning in geval van het in werking stellen en bij het betreden van de ruimte die beschermd moet worden na het in werking stellen of de diffusie, in het bijzonder ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke stoffen; iv) de juiste handelwijze van de bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie. f) De gebruiksaanwijzing moet er op wijzen dat vóór het in werking stellen van de brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld Waarschuwingssysteem

185 a) Vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een akoestisch en optisch waarschuwingssysteem. b) Het waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken en mag niet kunnen worden uitgeschakeld. c) De waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij elke toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden zijn; d) De akoestische waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn, onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn; e) Indien het waarschuwingssysteem niet intrinsiek tegen kortsluiting, draadbreuk en spanningsvermindering is beschermd, moet het functioneren ervan kunnen worden getest; f) Bij elke ingang van een ruimte, die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de volgende tekst: Let op, brandblusinstallatie! Bij het in werking stellen van het.. (omschrijving) alarmsignaal deze ruimte onmiddellijk verlaten! Tanks onder druk, armaturen en persleidingen a) Tanks onder druk, armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de voorschriften van de bevoegde autoriteit of, indien die ontbreken, aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau. b) Tanks onder druk moeten volgens de instructies van de fabrikant zijn geïnstalleerd. c) Tanks onder druk, armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn. d) De temperatuur in de kasten of ruimten waarin tanks onder druk zijn opgesteld mag 50 ºC niet overschrijden. e) Kasten of ruimten aan dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, in geval de tanks onder druk niet dicht zijn, geen ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan Hoeveelheid van het blusmiddel Indien de hoeveelheid blusmiddel bedoeld is voor het beschermen van meer dan één ruimte, behoeft de totale hoeveelheid van het beschikbare blusmiddel niet meer te zijn dan de hoeveelheid die nodig is voor de grootste te beschermen ruimte Installatie, controle en documentatie a) De installatie mag slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (formulier met gegevens over het product en de veiligheid) verschaft door de fabrikant van het blusmiddel of de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen. b) De installatie moet door een deskundige worden onderzocht: i) voor ingebruikstelling; ii) voor hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest; iii) na elke verandering of reparatie; iv) regelmatig ten minste elke twee jaar. c) Tijdens het onderzoek moet de deskundige controleren of de installatie aan de eisen van voldoet. d) Het onderzoek moet ten minste betrekking hebben op: i) uitwendig onderzoek van de installatie als geheel; ii) onderzoek van de pijpleidingen op hun dichtheid; iii) onderzoek van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen; iv) onderzoek van de druk in de houders alsmede de inhoud daarvan; v) onderzoek van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte vi) onderzoek van het brandmeldingssysteem vii) onderzoek van het waarschuwingssysteem. e) De persoon die het onderzoek uitvoert moet een verklaring van onderzoek opstellen, dateren en ondertekenen. f) Het aantal aanwezige vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in de verklaring van onderzoek worden aangetekend Brandblusinstallatie die werkt met CO 2

186 In aanvulling op de voorschriften in tot en met moeten brandlbusinstallaties die CO 2 als blusmiddel gebruiken, aan de volgende bepalingen voldoen: a) CO 2-tanks moeten in een gasdichte ruimte of kast gescheiden van andere ruimten zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten of van de kasten waar ze zijn opgesteld moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en aan de buitenkant zijn voorzien van een symbool Waarschuwing: algemeen gevaar met een hoogte van ten minste 5 cm alsmede van het bijkomend opschrift CO 2 in dezelfde kleur en met dezelfde afmeting. b) De benedendekse kasten of ruimten waar CO 2- tanks zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen beschikken. c) De vullingsgraad van met CO 2 gevulde tanks mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde CO 2-gas moet worden uitgegaan van 0,56 m 3 /kg. d) De concentratie CO 2-gas benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40% van de bruto inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden kunnen vrijkomen. Het moet controleerbaar zijn of het gas correct is verspreid. e) Het openen van de ventielen van de tanks en het bedienen van het ventiel waardoor het gas uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden. f) De redelijke tijd bedoeld in (b) moet ten minste 20 seconden bedragen. De timing tot aan het vrijkomen van het CO 2-gas moet zijn gegarandeerd door een betrouwbare inrichting Brandblusinstallatie die werkt met HFC-227 ea (heptafluorpropaan) In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die HFC-227 ea als blusmiddel gebruiken aan de volgende bepalingen voldoen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Iedere tank die HFC-227 ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de tank zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de tank aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Iedere tank moet zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) De vullingsgraad van de tanks mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het soortelijk volume van het uitgestroomde HFC-227 ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m 3 /kg. e) De concentratie HFC-227 ea voor de te beschermen ruimte moet ten minste 8% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden vrijkomen. f) De tanks van HFC-227 ea moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Indien er geen stuurhuis is, moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld. g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte 10,5% niet overschrijden. h) De brandblusinstallatie mag geen enkel onderdeel van aluminium bevatten Brandblusinstallatie die werkt met IG-541 In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die IG-541 als blusmiddel gebruiken, voldoen aan de volgende bepalingen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Iedere tank die IG-541 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de tank veilig in de te beschermen ruimte wordt verspreid, indien de tank aan brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Iedere tank moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de inhoud kan worden gecontroleerd. d) De druk waaronder de tanks zijn gevuld mag bij +15 ºC niet meer bedragen dan 200 bar. De concentratie IG-541 voor de te beschermen ruimte moet ten minste 44% en niet meer dan 50% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden vrijgekomen zijn Brandblusinstallaties die werken met FK In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die FK als blusmiddel gebruiken, voldoen aan de volgende bepalingen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie; b) Elke tank die FK bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de tank zich zonder gevaar in de te beschermen ruimte verspreidt, indien de tank aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld; c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd;

187 d) De vullingsgraad van de tanks mag niet hoger zijn dan 1,00 kg/l. Voor het soortelijke volume van het uitgestroomde FK moet 0,0719 m 3 genomen worden; e) Het volume FK in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden vrijkomen; f) De tanks FK moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een onvoorzien verlies van blusmiddel een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Indien er geen stuurhuis is, moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld; g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte 10,0% niet overschrijden Vast ingebouwde brandblusinstallatie voor bescherming van objecten Om bescherming van objecten te verzekeren in machinekamers, ketelruimen en pompkamers worden permanente, vast ingebouwde brandblusinstallaties slechts toegelaten op grond van de aanbevelingen van het Administratief Comité De twee handblussers genoemd in moeten zich in de ladingzone bevinden of in de nabijheid ervan De blusmiddelen en hoeveelheden daarvan aanwezig in de vast ingebouwde brandblusinstallatie moet geschikt zijn en voldoende voor het bestrijden van branden Vuur en onbeschermd licht De openingen van schoorstenen moeten zich ten minste 2,00 m buiten de ladingzone bevinden. Er moeten inrichtingen aanwezig zijn om het naar buiten treden van vonken en het binnendringen van water te voorkomen Voor verwarmings-, kook- en koeltoestellen mag noch van vloeibare brandstoffen noch van vloeibaar gas noch van vaste brandstoffen gebruik worden gemaakt. Indien verwarmingstoestellen in de machinekamer of in een speciaal daarvoor geschikte ruimte zijn geïnstalleerd, mag echter gebruik gemaakt worden van vloeibare brandstoffen met een vlampunt hoger dan 55 C. Kook- en koeltoestellen zijn slechts in de woning toegelaten Er zijn slechts elektrische verlichtingsapparaten toegestaan (Gereserveerd) Documenten betreffende elektrische installaties In aanvulling op de op grond van het Reglement, waarnaar in wordt verwezen, voorgeschreven documenten, moeten de volgende documenten aan boord aanwezig zijn: a) een tekening waarop de grenzen van de ladingzone en de in deze zone geïnstalleerde elektrische uitrusting zijn aangegeven; b) een lijst van de onder letter a) bedoelde elektrische uitrusting met inbegrip van de volgende bijzonderheden: Toestel of apparaat, plaats van opstelling, wijze van bescherming, soort bescherming tegen explosie, beproevingsinstantie en goedkeuringsnummer; c) een lijst of schema waarin de buiten de ladingzone aanwezige elektrische uitrusting is aangegeven die gedurende het laden, lossen en ontgassen kan worden gebruikt. Alle andere elektrische uitrusting moet rood gemerkt zijn. Zie en De hierboven genoemde documenten moeten zijn voorzien van een stempel van de bevoegde autoriteit die het Certificaat van Goedkeuring afgeeft Elektrische installaties Er zijn slechts verdeelsystemen zonder teruggeleiding via de scheepsromp toegestaan. Deze bepaling is niet van toepassing op: - actieve kathodische bescherming tegen corrosie; - bepaalde plaatselijk begrensde en buiten de ladingzone gelegen installaties (b.v. aansluitingen voor starterinrichtingen van dieselmotoren);

188 - de inrichting voor de controle van het isolatieniveau overeenkomstig In elk geïsoleerd verdeelsysteem moet een automatische inrichting voor de controle van het isolatieniveau met een optisch en akoestisch alarm zijn ingebouwd Voor de keuze van een elektrische uitrusting in een explosiegevaarlijke omgeving moet rekening worden gehouden met de aan de te vervoeren goederen toegekende explosiegroepen en temperatuurklassen (zie hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (15) en (16)) Typen en plaats van elektrische uitrusting a) In ladingtanks en laad- en losleidingen mogen slechts worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 0): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het type bescherming EEx (ia). b) In kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten mogen slechts worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 1): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het "erkend veilige" type. - verlichting van de beschermingssoort "explosieveilige omhulling" of "overdruk omhulling"; - hermetisch gesloten echoloodsensoren, waarvan de kabels door een dikwandige stalen pijp, met gasdichte verbindingen tot boven het hoofddek gevoerd zijn; - kabels voor actieve kathodische beschermingssystemen van de scheepshuid in beschermende stalen pijpen op een wijze als voorzien voor echoloodsensoren. De volgende apparaten mogen alleen worden geïnstalleerd in zijtanks en dubbele bodems wanneer zij voor het ballasten worden gebruikt: - Vast ingebouwde dompelpompen met temperatuurbewaking van het erkend veilige type. c) In de dienstruimten onder dek in de ladingzone mag slechts de volgende uitrusting worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 1): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het "erkend veilige" type. - verlichting van de beschermingssoort "explosieveilige omhulling" of "overdruk omhulling"; - motoren voor de aandrijving van noodzakelijke installaties zoals van ballastpompen met temperatuurbewaking. Zij moeten van het "erkend veilige" type zijn. d) De schakel- en beveiligingsinrichtingen van de onder paragraaf a), b) en c) hierboven genoemde installaties moeten buiten de ladingzone zijn gelegen indien zij niet intrinsiek veilig zijn. e) De elektrische inrichtingen aan dek in de ladingzone moeten van het "erkend veilige" type zijn (vergelijkbaar met zone 1) Accumulatoren moeten buiten de ladingzone zijn gelegen a) Elektrische inrichtingen, die worden gebruikt tijdens het laden, lossen of tijdens het ontgassen terwijl het schip is aangemeerd en die buiten de ladingzone zijn geplaatst, moeten ten minste van het "beperkt explosieveilige" type zijn (vergelijkbaar met zone 2). b) Deze bepaling is niet van toepassing op: i) verlichtinginstallaties in de woning met uitzondering van de schakelaars in de nabijheid van de toegang tot de woning; ii) radiotelefonie-installaties in de woning en het stuurhuis; iii) draagbare telefoons en vast geïnstalleerde telefooninstallaties in de woning en het stuurhuis; iv) elektrische inrichtingen in de woning, het stuurhuis of de dienstruimten buiten de ladingzone, indien: 1. deze ruimten zijn voorzien van een ventilatiesysteem dat een overdruk van ten minste 0,1 kpa (0,001 bar) garandeert en geen enkel raam kan worden geopend. De aanzuigopeningen van het ventilatiesysteem moeten zover mogelijk, echter ten minste 6,00 m van de ladingzone verwijderd en ten minste 2,00 m boven dek zijn gelegen; 2. de ruimten moeten zijn uitgerust met een gasdetectie-installatie: - in de aanzuigopeningen van het ventilatiesysteem; - direct bij de bovenzijde van de drempel van de deur van ingangen van de woning en dienstruimten indien de lading in gasvormige toestand zwaarder is dan lucht. Is dat niet het

189 geval, dan moeten de sensoren dichtbij het plafond worden geïnstalleerd; 3. de metingen van de gasconcentratie moeten zonder onderbreking plaatsvinden; 4. de ventilatoren moeten uitgeschakeld worden zodra de gasconcentratie van 20 % van de onderste explosiegrens wordt bereikt. In dit geval en indien de overdruk niet wordt gehandhaafd of de gasdetectie-installatie uitvalt, moeten de elektrische inrichtingen die niet aan de onder letter a) genoemde voorwaarden voldoen, worden uitgeschakeld. Deze acties moeten direct en automatisch worden uitgevoerd en een noodverlichting in woning, stuurhuis en dienstruimten in werking stellen die ten minste aan het type "beperkt explosieveilig" voldoet. Het uitschakelen moet in de woning en in het stuurhuis optisch en akoestisch worden aangegeven; 5. het ventilatiesysteem, de gasdetectie-installatie en de alarmering van de uitschakeling moeten volledig voldoen aan de onder letter a) genoemde voorschriften; 6. de automatische uitschakeling moet zodanig zijn ingesteld dat automatische uitschakeling niet tijdens de vaart van het schip plaats kan vinden. v) AIS (automatisch identificatiesysteem)-apparatuur voor binnenvaartschepen in de woning en het stuurhuis, mits geen enkel onderdeel van de antenne zich boven de ladingzone bevindt, en er zich geen onderdelen van een VHF-antenne voor AIS-stations bevinden binnen 2 m van de ladingzone Elektrische uitrusting, die niet aan de in gestelde voorschriften hierboven voldoen moet, evenals hun schakelaars, rood zijn gemerkt. Het uitschakelen van dergelijke uitrusting moet op een centrale plaats aan boord geschieden Een elektrische generator, die niet voldoet aan de in gestelde voorschriften, maar door een machine continu wordt aangedreven, moet zijn voorzien van een schakelaar die de bekrachtiging van de generator uitschakelt. Een bord met daarop de bedieningsvoorschriften moet bij de schakelaar zijn aangebracht Wandcontactdozen ten behoeve van het aansluiten van seinlichten en loopplankverlichting moeten in de onmiddellijke nabijheid van de mast waarin de seinen zijn aangebracht of van de loopplank permanent op het schip zijn aangebracht. Het insteken en het uittrekken van de stekkers mag slechts in spanningsloze toestand van de wandcontactdozen mogelijk zijn Uitval van de elektrische voeding van veiligheids- en controle-inrichtingen moet direct door optische en akoestische signalering op de plaatsen waar de alarmering normalerwijze wordt ingeschakeld, worden aangegeven Aarding In de ladingzone moeten de bij normaal bedrijf niet onder spanning staande metalen delen van elektrische toestellen alsmede metalen bewapeningen en mantels van kabels zijn geaard, tenzij zij zodanig zijn aangebracht dat zij automatisch geaard zijn door de verbinding met de scheepsromp De bepalingen van zijn eveneens van toepassing op installaties met een bedrijfsspanning lager dan 50 Volt Onafhankelijke ladingtanks moeten zijn geaard Houders voor restproducten moeten geaard kunnen worden (Gereserveerd) Elektrische kabels Alle kabels in de ladingzone moeten zijn voorzien van een metalen omhulling Kabels en wandcontactdozen in de ladingzone moeten beschermd zijn tegen mechanische beschadiging Verplaatsbare kabels in de ladingzone zijn verboden, behalve ten behoeve van intrinsiek veilige stroomkringen of voor de aansluiting van seinlichten en loopplankverlichting Kabels voor intrinsiek veilige stroomkringen mogen slechts voor dergelijke stroomkringen worden gebruikt en moeten gescheiden zijn van andere kabels, die niet bedoeld zijn te worden gebruikt in dergelijke stroomkringen (b.v. niet in dezelfde kabelbundel gelegd en niet met behulp van gemeenschappelijke kabelbeugels vastgezet) Voor de verplaatsbare kabels voor de aansluiting van seinlichten en loopplankverlichting mogen slechts mantelleidingen van het type H 07 RN-F volgens norm IEC : 1994 of kabels van ten minste gelijkwaardig ontwerp met een minimumdoorsnede van de geleidingsdraden van 1,5 mm² worden gebruikt.

190 Deze kabels moeten zo kort mogelijk zijn en zodanig zijn gelegd, dat beschadiging onwaarschijnlijk is Kabels vereist voor de in b) en c) genoemde elektrische inrichtingen zijn in kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems, ladingtankruimten en dienstruimten onder dek toegestaan (Gereserveerd) Speciale uitrusting Het schip moet zijn voorzien van een douche en een oog- en gezichtsbad op een direct vanuit de ladingzone toegankelijke plaats (Gereserveerd) Toegang tot het schip De waarschuwingsborden met het toegangsverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn (Gereserveerd) Rookverbod, verbod van vuur en onbeschermd licht De waarschuwingsborden met het rookverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn Waarschuwingsborden die aangeven onder welke omstandigheden het verbod van toepassing is, moeten nabij de toegangen tot ruimten zijn aangebracht waar roken of het gebruik van vuur of onbeschermd licht niet in alle gevallen is verboden In de woning en in het stuurhuis moet in de nabijheid van elke uitgang asbakken zijn aangebracht (Gereserveerd) Nooduitgang Ruimten, waarvan de in- of uitgangen in beschadigde toestand waarschijnlijk deels of geheel onder water komen te staan, moeten zijn voorzien van een nooduitgang die ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking ligt. Dit is niet van toepassing op de voor- en achterpiek (Gereserveerd) Constructievoorschriften voor tankschepen van het type C De voorschriften tot en met zijn van toepassing op tankschepen van het type C Constructiematerialen a) De scheepsromp en de ladingtanks moeten zijn vervaardigd van scheepsbouwstaal of van een ander, ten minste gelijkwaardig metaal. De onafhankelijke ladingtanks mogen ook van andere materialen worden vervaardigd, onder voorwaarde dat deze tenminste gelijkwaardige mechanische eigenschappen en bestendigheid tegen de inwerking van temperatuur of vuur bezitten. b) Alle delen van het schip inclusief inrichting en uitrusting, die met de lading in aanraking kunnen komen, moeten van materialen vervaardigd zijn die noch op gevaarlijke wijze door de lading aangetast kunnen worden of een ontleding van de lading kunnen veroorzaken noch ermee reageren zodat schadelijke of gevaarlijke verbindingen worden gevormd. Indien dit bij de classificatie en het onderzoek van het schip niet onderzocht kon worden, moet een voorbehoud dienaangaande worden opgenomen in de Scheepsstoffenlijst overeenkomstig c) Gasafvoerleidingen moeten tegen corrosie zijn beschermd.

191 Het gebruik van hout, aluminiumlegeringen of kunststoffen in de ladingzone is verboden voorzover dit niet in of in het Certificaat van Goedkeuring uitdrukkelijk is toegestaan a) Het gebruik van hout, aluminiumlegeringen of kunststoffen in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - loopplanken en buitenboordtrappen; - losse uitrustingsstukken (peilstokken van aluminium zijn echter toegestaan indien zij ter voorkoming van vonkvorming van een messingvoet zijn voorzien of op andere wijze zijn beschermd); - de onderstopping van, van de scheepsromp onafhankelijke tanks, evenals voor de onderstopping van inrichtingen en uitrustingen; - masten en dergelijke rondhouten; - onderdelen van machines; - onderdelen van de elektrische inrichting; - onderdelen van de laad- en losinstallatie; - deksels van kisten aan dek. b) Het gebruik van hout of kunststoffen in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - stopblokken en diverse aanslagen. c) Het gebruik van kunststoffen of rubber in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - bekleding van ladingtanks en laad- en losleidingen; - allerlei soorten afdichtingen (b.v. ten behoeve van domdeksels en luiken); - elektrische leidingen; - laad- en losslangassemblages; - isolering van ladingtanks en laad- en losleidingen; - fotokopieën van het Certificaat van Goedkeuring overeenkomstig of d) Alle in de woning en in het stuurhuis gebruikte vast ingebouwde materialen, met uitzondering van meubels, moeten moeilijk ontvlambaar zijn. In geval van brand mogen ze geen gevaarlijke hoeveelheid rook of giftig gas ontwikkelen De in de ladingzone gebruikte verf mag bij slag- of gelijksoortige belasting geen vonkvorming kunnen veroorzaken Het gebruik van kunststof voor bijboten is slechts toegestaan indien het materiaal moeilijk ontvlambaar is Scheepsdossier Opmerking: Ten behoeve van deze paragraaf wordt onder "eigenaar" hetzelfde verstaan als in De eigenaar moet het scheepsdossier bewaren en ter beschikking kunnen stellen op verzoek van de bevoegde autoriteit en het erkende classificatiebureau. Het scheepsdossier moet tijdens de gehele levensduur van het schip worden bijgehouden en geactualiseerd en zes maanden worden bewaard nadat het schip uit de vaart is genomen. Indien het schip tijdens zijn levensduur van eigenaar verandert moet het scheepsdossier aan de nieuwe eigenaar worden overgedragen. Exemplaren van het scheepsdossier of alle noodzakelijke documenten moeten op verzoek ter beschikking worden gesteld aan de bevoegde autoriteit voor de afgifte van het Certificaat van Goedkeuring alsmede aan het erkende classificatiebureau of de onderzoeksinstantie voor eerste inspectie, periodiek onderzoek, buitengewoon onderzoek of buitengewone controles (Gereserveerd) Classificatie Het tankschip moet onder toezicht van een erkend classificatiebureau in overeenstemming met de door dat classificatiebureau vastgestelde regels voor hun hoogste klasse zijn gebouwd en het tankschip moet dienovereenkomstig worden geclassificeerd.

192 De hoogste klasse van het schip moet in stand worden gehouden. Dit moet worden bevestigd door middel van een passend certificaat dat door het erkende classificatiebureau wordt afgegeven (klassecertificaat). De ontwerpdruk en de beproevingsdruk van ladingtanks moeten in het certificaat worden opgenomen. Indien een schip ladingtanks heeft met verschillende openingsdrukken van ventielen moet de ontwerp- en beproevingsdruk van elke tank in het certificaat worden opgenomen. Het erkende classificatiebureau moet een Scheepsstoffenlijst opstellen waarin alle voor vervoer in het tankschip toegelaten gevaarlijke goederen zijn vermeld (zie ook ) Pompkamers moeten bij elke vernieuwing van het Certificaat van Goedkeuring evenals in het derde jaar van de geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring door een erkend classificatiebureau worden onderzocht. Dit onderzoek moet ten minste omvatten: - onderzoek van het gehele systeem naar staat, corrosie, lekkage of niet goedgekeurde ombouw; - controle van de staat van de gasdetectie-installatie in de pompkamer. De door het erkend classificatiebureau ondertekende verklaringen omtrent het onderzoek van de pompkamers moeten aan boord aanwezig zijn. De verklaringen moeten ten minste het hierboven genoemde onderzoek en de daarbij behaalde resultaten evenals de datum van het onderzoek omvatten De toestand van de gasdetectie-installatie conform moet bij elke vernieuwing van het Certificaat van Goedkeuring evenals in het derde jaar van de geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring door een erkend classificatiebureau worden onderzocht. Een door het erkend classificatiebureau ondertekende verklaring moet aan boord zijn (Gereserveerd) Bescherming tegen het binnendringen van gassen Het schip moet zodanig zijn ontworpen dat het binnendringen van gassen in de woning en in de dienstruimten wordt voorkomen Buiten de ladingzone moet de onderkant van openingen van de deuren in de zijwanden van bovenbouwen en de drempels van toegangsluiken naar onderdekse ruimten ten minste 0,50 m boven dek liggen. Aan dit voorschrift hoeft niet te worden voldaan indien de naar de ladingzone toegekeerde wand van de bovenbouw van huid tot huid doorloopt en slechts is voorzien van doorgangsopeningen, waarbij de drempels van deze openingen ten minste 0,50 m hoog zijn. De hoogte van deze wand moet ten minste 2,00 m bedragen. De onderkant van openingen in de zijwanden van bovenbouwen en de bovenkant van de drempels van toegangsluiken, die zich achter de doorgetrokken dwarswand bevinden, moeten in dit geval ten minste 0,10 m boven dek liggen. Drempels van machinekamerdeuren en -toegangsluiken moeten echter altijd ten minste 0,50 m hoog zijn In de ladingzone moet de onderkant van openingen van deuren in de zijwanden van bovenbouwen ten minste 0,50 m boven dek liggen en de hoogte van de drempels van toegangsluiken naar onderdekse ruimten moet ten minste 0,50 m boven dek bedragen. Dit voorschrift is niet van toepassing op openingen van zijtanks en dubbele bodems Verschansingen, voetlijsten enz. moeten zijn voorzien van direct boven dek aangebrachte openingen van voldoende grootte Ladingtankruimten en ladingtanks a) De maximaal toelaatbare inhoud van een ladingtank wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel: L x B x H (m 3 ) Maximaal toelaatbare inhoud van een ladingtank (m 3 ) < > L x B x H x 0, (L x B x H - 600) x 0, Alternatieve constructies overeenkomstig zijn toegestaan. In bovenstaande tabel is L x B x H het product van de hoofdafmetingen van het tankschip in meters

193 (volgens de meetbrief). Hierin is: L = totale lengte van de scheepsromp in m; B = grootste breedte van de scheepsromp in m; H = kleinste verticale afstand tussen de onderzijde van de kiel en het laagste punt van het dek in de zijde van het schip (holte) in de ladingzone in m; b) Bij het ontwerp van de ladingtanks moet rekening worden gehouden met de relatieve dichtheid van de te vervoeren stoffen. De hoogste relatieve dichtheid moet in het Certificaat van Goedkeuring zijn vermeld. c) Indien het schip met druktanks is uitgerust moeten deze tanks ten minste voor een werkdruk van 400 kpa (4 bar) zijn ontworpen. d) Voor schepen met een lengte tot 50,00 m mag de ladingtanklengte 10,00 m niet overschrijden. Voor schepen met een lengte van meer dan 50,00 m mag de ladingtanklengte 0,20 l niet overschrijden. Deze bepaling is niet van toepassing op schepen met onafhankelijke, ingebouwde cilindrische ladingtanks met een verhouding van lengte tot diameter van a) Het schip moet in de ladingzone (met uitzondering van de kofferdammen) als dubbelwandig gladdekschip, d.w.z. met zijtanks en dubbele bodem en zonder trunk, zijn ontworpen. Onafhankelijke ladingtanks en gekoelde ladingtanks mogen slechts in een ladingtankruimte, die door zijtanks en dubbele bodems conform wordt gevormd, zijn geplaatst. Ladingtanks mogen niet boven het dek uitkomen. Bevestigingsmaterialen tegen het opdrijven van gekoelde ladingtanks moeten voldoen aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau. b) Ladingtanks onafhankelijk van de romp van het schip moeten zo zijn vastgezet dat zij niet kunnen opdrijven. c) De inhoud van een pompput mag niet meer dan 0,10 m 3 bedragen. d) Dekstijlen, die constructiedelen van de scheepshuid verbinden met constructiedelen van het langsschot van de ladingtank of profielen, die constructiedelen van het scheepsvlak verbinden met de bodem van de ladingtank, zijn niet toegestaan. e) Een plaatselijke verlaging in het tankdek die aan alle kanten ingesloten is, met een diepte groter dan 0,10 m, ontworpen om de ladingpomp onder te brengen is toegestaan indien deze voldoet aan de volgende voorwaarden: - De verlaging mag niet dieper zijn dan 1 m. - De verlaging moet ten minste 6 m verwijderd zijn van toegangen of openingen van woning en dienstruimten buiten de ladingzone. - De verlaging moet zich bevinden op een afstand van de scheepshuid die ten minste gelijk is aan een kwart van de scheepsbreedte. - Alle leidingen die van de verlaging naar de tank voeren moeten zijn uitgerust met afsluiters die direct op het schot zijn aangebracht. - De noodzakelijk bediening van de uitrusting in de uitsparing moet vanaf dek plaatsvinden. - Indien de verlaging dieper is dan 0,50 m moet deze zijn voorzien van een vast ingebouwde gasdetectie-installatie die automatisch de aanwezigheid van explosieve gassen aangeeft door middel van direct metende sensoren en een optisch en akoestisch alarm in werking stelt indien de gasconcentratie 20% van de onderste explosiegrens bereikt. De sensoren van deze installatie moeten zich op geschikte plaatsen op de bodem van de verlaging bevinden. De metingen moeten zonder onderbreking plaatsvinden. - Optische en akoestische alarmen moeten zijn aangebracht in het stuurhuis en aan dek en indien het alarm in werking treedt moet de laad- en losinstallatie worden uitgeschakeld. Uitval van de gasdetectie-installatie moet direct optisch en akoestisch in het stuurhuis en aan dek worden gemeld. - De verlaging moet door een van alle andere installaties onafhankelijke installatie aan dek in de ladingzone gelensd kunnen worden. - De verlaging moet zijn voorzien van een niveau-alarminrichting die de lensinstallatie in werking stelt en een optisch en akoestisch alarm in het stuurhuis en de woning inschakelt indien zich vloeistof ophoopt op de bodem. - Indien de verlaging zich boven de kofferdam bevindt moet het machinekamerschot van een brandisolatie A-60 volgens SOLAS 74, Hoofdstuk II-2, Artikel 3 zijn voorzien.

194 - Indien de ladingzone is uitgerust met een watersproei-inrichting moet de elektrische uitrusting in de verlaging beschermd zijn tegen binnendringen van water. - Leidingen die de verlaging verbinden met de scheepshuid mogen niet door de ladingtanks lopen a) Ladingtanks moeten van de woning, de machinekamers en dienstruimten onder dek buiten de ladingzone of, indien deze woning, machinekamers en dienstruimten niet aanwezig zijn, van de scheepseinden door middel van kofferdammen met een minimale breedte van 0,60 m zijn gescheiden. Indien de ladingtanks in een ladingtankruimte zijn opgesteld moeten zij ten minste 0,50 m van de eindschotten van de ladingtankruimte verwijderd zijn. In dit geval wordt een eindschot, dat ten minste voldoet aan de definitie van Klasse "A-60" volgens SOLAS 74, hoofdstuk 11-2, regel 3 als gelijkwaardig aan een kofferdam beschouwd. De afstand van 0,50 m mag bij druktanks tot 0,20 m worden verlaagd. b) Ladingtankruimten, kofferdammen en ladingtanks moeten onderzocht kunnen worden. c) Alle ruimten in de ladingzone moeten geventileerd kunnen worden. Het moet mogelijk zijn te controleren of zij gasvrij zijn De schotten die de ladingtanks, de kofferdammen en de ladingtankruimten begrenzen moeten waterdicht zijn. De ladingtanks en de schotten die de ladingzone begrenzen, mogen onder dek geen openingen of doorvoeringen hebben. In het schot tussen machinekamer en kofferdam of dienstruimte in de ladingzone of tussen machinekamer en ladingtankruimte mogen doorvoeringen zijn aangebracht indien zij voldoen aan de in gestelde bepalingen. In het schot tussen ladingtank en pompkamer onder dek mogen doorvoeringen aanwezig zijn indien zij voldoen aan de in gestelde voorwaarden. In het schot tussen ladingtanks mogen doorvoeringen aanwezig zijn, indien de laad- of losleidingen in de ladingtank, waaruit zij komen, van een afsluiter zijn voorzien. Deze afsluiters moeten vanaf dek kunnen worden bediend Zijtanks en dubbele bodems in de ladingzone mogen slechts voor de opname van ballastwater zijn ingericht. Dubbele bodems mogen echter als brandstoftank worden gebruikt indien ze aan de voorschriften in voldoen a) De kofferdam, het middelste deel van een kofferdam of een andere onder dek in de ladingzone gelegen ruimte mag als dienstruimte zijn ingericht indien de schotten die de dienstruimte begrenzen verticaal tot op de bodem zijn aangebracht. Deze dienstruimte mag slechts vanaf dek toegankelijk zijn. b) Een dergelijke dienstruimte moet met uitzondering van de toegangs- en ventilatieopeningen, waterdicht zijn. c) In de onder a) hierboven genoemde dienstruimten mogen geen laad- en losleidingen aanwezig zijn. In de pompkamers onder dek mogen laad- en losleidingen zijn aangebracht indien deze volledig voldoen aan de voorschriften in Bij een dubbelwandige constructie met in de opbouw van het schip geïntegreerde ladingtanks moet de afstand tussen de huid van het schip en het zijlangsschot van de ladingtanks ten minste 1,00 m bedragen. Een afstand van 0,80 m kan echter worden toegestaan onder voorwaarde dat, ten opzichte van de voorschriften voor de dimensionering volgens de eisen die door een erkend classificatiebureau zijn gesteld, de volgende versterkingen zijn aangebracht: a) verhoging van de dikte van de stringerplaten met 25% en, b) verhoging van de dikte van de huidbeplating met 15% en, c) aanbrengen van een langsspantensysteem in de zijde van het schip, waarbij de spanthoogte niet minder dan 0,15 m en de dwarsdoorsnede van de gording van de langsspanten ten minste 7,0 cm 2 moet zijn. d) De stringer- of langsspantensystemen moeten op een onderlinge afstand van ten hoogste 1,80 m worden gesteund door raamspanten overeenkomstig de bodemdwarsdragers en zijn voorzien van spaargaten. Deze afstanden kunnen worden vergroot indien de constructie overeenkomstig wordt versterkt.

195 Bij de bouw van het schip volgens het dwarsspantensysteem moet in plaats van het gestelde onder letter c) een langsstringersysteem zijn aangebracht. De afstand tussen de langsstringers onderling mag niet groter zijn dan 0,80 m en de hoogte van de stringers mag, indien zij doorlopend aan de spanten zijn vastgelast, niet minder zijn dan 0,15 m. De dwarsdoorsnede van de gording mag als onder letter c) vermeld niet minder zijn dan 7,0 cm 2. Indien er in de stringer spaargaten ten behoeve van de spanten zijn aangebracht, dan moet de hoogte van de stringer met de hoogte van de spantuitsnijding worden vermeerderd. De hoogte van de dubbele bodem moet gemiddeld ten minste 0,70 m bedragen, maar mag echter op geen enkele plaats minder zijn dan 0,60 m. Onder de pompputten mag de vrije hoogte tot 0,50 m worden verlaagd. Alternatieve constructies overeenkomstig zijn toegestaan Indien een schip wordt gebouwd met ladingtanks die in een ladingtankruimte zijn geplaatst of gekoelde ladingtanks dan moet de afstand tussen de dubbele wanden van de ladingtankruimte niet minder bedragen dan 0,80 m en de diepte van de dubbele bodem moet niet lager zijn dan 0,60 m Dienstruimten onder dek in de ladingzone moeten zodanig zijn ingericht dat zij gemakkelijk toegankelijk zijn en de daarin aanwezige bedrijfsuitrusting ook door personen die veiligheidskleding en adembescherming dragen, veilig bediend kunnen worden. Zij moeten zodanig zijn ontworpen, dat gewonde of bewusteloze personen zonder moeilijkheden uit dergelijke ruimten gehaald kunnen worden, zonodig met behulp van vast ingebouwde inrichtingen Kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems, ladingtanks, ladingtankruimten en andere betreedbare ruimten in de ladingzone moeten zodanig zijn ingericht, dat zij op passende wijze volledig onderzocht en gereinigd kunnen worden. Met uitzondering van zijtanks en dubbele bodems, indien zij geen gemeenschappelijke wand met de ladingtanks hebben, moeten toegangsopeningen zodanige afmetingen hebben dat een persoon die een ademhalings-apparaat draagt onbelemmerd in of uit de ruimte komen kan. Minimale grootte van de opening: 0,36 m²; lengte van de kleinste zijde: 0,50 m. ZIj moeten zodanig zijn ontworpen, dat een gewond of bewusteloos persoon zonder bijzondere moeilijkheden van de bodem van een dergelijke ruimte gehaald kan worden, zo nodig met behulp van vast aangebrachte inrichtingen. De afstand tussen de versterkingen in deze ruimten mag niet minder dan 0,50 m bedragen. In de dubbele bodem mag deze afstand tot 0,45 m worden verminderd Ventilatie Ladingtanks mogen van ronde openingen met een minimale diameter van 0,68 m zijn voorzien In elke ladingtankruimte moeten twee openingen aanwezig zijn, waarvan de afmetingen en de plaats zodanig moeten zijn, dat doelmatige ventilatie op elke plaats van de ladingtankruimte mogelijk is. Indien deze openingen niet aanwezig zijn moet de ladingtankruimte met inert gas of droge lucht gevuld kunnen worden Zijtanks en dubbele bodems in de ladingzone, die niet zijn ingericht om met ballastwater te worden gevuld, ladingtankruimten en kofferdammen moeten zijn uitgerust met ventilatiesystemen Alle dienstruimten in de ladingzone onder dek gelegen moeten voorzien zijn van een systeem van geforceerde ventilatie met voldoende vermogen om te garanderen dat de lucht 20 keer per uur wordt ververst, gebaseerd op de inhoud van de ruimte. De afzuigkanalen van de ventilatie moeten tot op een afstand van 50 mm van de bodem van de dienstruimten reiken. De toevoerlucht moet door een doorlaat boven in de dienstruimte worden toegevoerd. De openingen voor de toevoerlucht moeten ten minste 2,00 m boven dek, ten minste 2,00 m van tankopeningen en 6,00 m van de openingen van de veiligheidsventielen verwijderd zijn gelegen. De hiervoor in bepaalde gevallen benodigde verlengpijpen mogen klapbaar zijn uitgevoerd De woning en dienstruimten moeten geventileerd kunnen worden Ventilatoren in de ladingzone moeten zodanig zijn ontworpen dat vonkvorming bij aanraking van een schoepenblad met het ventilatorhuis evenals elektrostatische oplading is uitgesloten.

196 Bij ventilatieopeningen moeten borden zijn aangebracht die aangeven onder welke voorwaarden zij gesloten moeten worden. Alle ventilatieopeningen van woning en dienstruimten die naar buiten voeren, moeten voorzien zijn van vast aangebrachte brandkleppen. Deze ventilatieopeningen moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone verwijderd zijn gelegen. Ventilatieopeningen van dienstruimten in de ladingzone mogen wel in deze zone zijn gelegen Vlamkerende inrichtingen voorgeschreven in , , en moeten van een door de bevoegde autoriteit voor het beoogde doel goedgekeurd type zijn Stabiliteit (Algemeen) Een voldoende stabiliteit met inbegrip van de lekstabiliteit moet zijn aangetoond De basiswaarden voor de stabiliteitsberekening - ledig scheepsgewicht en ligging van het zwaartepunt - moeten of door middel van een hellingproef of door middel van een gedetailleerde berekening van massa en moment worden bepaald. Hierbij moet het ledig scheepsgewicht door middel van een beproeving van het ledig gewicht worden gecontroleerd, waarbij het met behulp van de gewichtsberekening verkregen gewicht niet meer dan ± 5 % van het met behulp van de diepgangscontrole verkregen waterverplaatsing mag afwijken Voor de intactstabiliteit moet voor alle stadia van belading en lossing en voor de eindtoestand van de belading worden aangetoond dat deze voldoende is voor de relatieve dichtheid van alle in de Scheepsstoffenlijst conform vermelde stoffen die worden vervoerd. Voor elke beladingshandeling moet het schip, rekening houdend met de feitelijke vulling en drijfstand van ladingtanks, ballasttanks en compartimenten, drink- en afvalwatertanks en tanks met scheepsaandrijfstoffen, voldoen aan de vereisten voor stabiliteit in onbeschadigde en beschadigde toestand. Ook tussenstadia tijdens de handelingen moeten in aanmerking worden genomen. Het bewijs van voldoende stabiliteit moet voor elke bedrijfs-, beladings- en ballasttoestand worden weergegeven in het stabiliteitsboek, dat moet worden goedgekeurd door het erkende classificatiebureau dat het schip classificeert. Indien berekening vooraf van de bedrijfs-, beladings- en ballasttoestanden in de praktijk onuitvoerbaar is, moet een beladingscomputer worden geïnstalleerd en gebruikt dat de gegevens uit het stabiliteitsboek bevat. Deze beladingscomputer moet zijn goedgekeurd door het erkende classificatiebureau dat verantwoordelijk is voor de classificatie van het schip. Opmerking: De tekst van het stabiliteitsboek moet op een voor de verantwoordelijke schipper begrijpelijke wijze zijn geformuleerd. Het stabiliteitsboek moet de volgende gegevens bevatten: Algemene beschrijving van het schip: Algemene overzichten van inrichting en inhoud, met vermelding van de bestemming van compartimenten en ruimten (ladingtanks, opslagkamers, woning, enz.); Een schets waarop te zien is waar zich de diepgangsmerken ten opzichte van de loodlijnen van het schip bevinden; Een overzicht van de ballast-/lenspompinrichtingen en overvulbeveiligingssystemen; Hydrostatische krommen of tabellen voor de ontwerptrim en, indien aanzienlijke trimhoeken tijdens normaal bedrijf van het schip worden voorzien, krommen of tabellen voor een dergelijk trimbereik; Kruiscurven of -tabellen inzake stabiliteit berekend op basis van vrije vertrimming, voor het deplacement- en trimbereik dat bij normaal bedrijf wordt verwacht, met vermelding van de volumes waarvoor een opwaartse druk is aangenomen; Echoloodtabellen of -krommen met gegevens omtrent inhoud, zwaartepunt en vrij oppervlak van alle ladingtanks, ballastanks en compartimenten, drink- en afvalwatertanks en tanks met scheepsaandrijfstoffen; Gegevens omtrent het ledig schip (gewicht en zwaartepunt), verkregen via een hellingproef of draagvermogensmeting in combinatie met gedetailleerde massabalans- of andere aanvaardbare metingen. Indien deze informatie van een zusterschip wordt afgeleid, moet duidelijk naar dat zusterschip worden verwezen en moet een kopie van het goedgekeurde hellingproefrapport betreffende dat zusterschip worden bijgevoegd; Een kopie van het goedgekeurde beproevingsrapport (bij te voegen); Bedrijfs- en beladingstoestanden met alle relevante details, zoals:

197 - gegevens omtrent het ledig schip, tankvullingen, voorraden, bemanning en andere relevante zaken aan boord (massa en zwaartepunt voor elk item, momenten van vrij vloeistofoppervlak voor vloeibare lading); - diepgang midscheeps en op de loodlijnen; - metacenterhoogte gecorrigeerd voor het effect van vrije vloeistofoppervlakken; - waarden voor en kromme van de oprichtende hefboomarm; - langsscheepse buigmomenten en afschuifkrachten op uitleespunten; - informatie over openingen (locatie, soort dichtheid, middel van sluiting); en - informatie voor de schipper; Berekening van de invloed van ballastwater op de stabiliteit, met nformatie omtrent de vraag of vaste niveau-meetinrichtingen voor ballasttanks en compartimenten moeten worden geïnstalleerd en of ballasttanks of compartimenten tijdens de reis volledig gevuld of volledig leeg moeten zijn Het drijfvermogen van het schip in beschadigde toestand moet voor de ongunstigste beladingstoestand worden aangetoond. Hierbij moet voor kritische stadia tijdens het vollopen en voor de eindtoestand van het vollopen, het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit worden geleverd Stabiliteit (Intact) Aan de voorschriften voor de intactstabiliteit, verkregen uit de berekeningen van de lekstabiliteit moet volledig worden voldaan Voor schepen met breedten van ladingtanks van meer dan 0,70 x B m moet worden aangetoond dat aan de volgende stabiliteitseisen is voldaan: a) Binnen het positieve deel van de kromme van statische armen tot het raken van het water van de eerste, niet spatwaterdicht afgesloten opening moet een oprichtende arm (GZ) van ten minste 0,10 m aanwezig zijn. b) Het oppervlak van het positieve deel van de kromme van statische armen tot het raken van het water van de eerste, niet spatwaterdicht afgesloten opening, echter maximaal tot een slagzijhoek van 27, mag niet kleiner zijn dan 0,024 m.rad. c) De metacenterhoogte (GM) moet ten minste 0,10 m bedragen. Aan deze eisen moet worden voldaan met inachtneming van de invloed van alle vrije vloeistofoppervlakken in de tanks voor alle stadia tijdens het laden en lossen De meest strenge van de eisen volgend uit en is van toepassing op het schip Stabiliteit (Lek) Voor de lekstabiliteit moeten de volgende aannamen in acht worden genomen: a) Omvang van de schade aan een scheepszijde: langsscheeps: ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps: 0,79 m, vanaf de buitenzijde van de scheepshuid, loodrecht op de lengteas van het schip bij de maximaal toelaatbare diepgang, of, indien van toepassing, de in sectie toegelaten afstand verminderd met 0,01 m; verticaal: vanaf de basis naar boven onbegrensd. b) Omvang van de schade aan de scheepsbodem: langsscheeps: ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps: 3,00 m; verticaal : vanaf de basis naar boven 0,59 m, lensput uitgezonderd. c) Alle in de beschadigingsomvang vallende schotten zijn als beschadigd te beschouwen, dat wil zeggen dat de schotindeling zo gekozen moet zijn dat het schip ook bij het vollopen van twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. De volgende bepalingen zijn van toepassing: - Bij een bodembeschadiging moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden beschouwd. - De onderkant van niet waterdicht afsluitbare openingen (b.v. van deuren, ramen, toegangsluiken) moet in de eindtoestand van het vollopen ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking liggen. - In het algemeen moet een permeabiliteit van 95 % worden aangenomen. Indien door een berekening wordt aangetoond dat in een of andere afdeling de gemiddelde permeabiliteit kleiner dan 95 % is, dan kan deze berekende waarde worden aangehouden.

198 De volgende minimum waarden moeten echter worden gebruikt: - machinekamers: 85 % - bemanningsruimten: 95 % - dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks, enz. afhankelijk van het feit of deze tanks uit hoofde van hun functie bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95 % Voor de hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor de ééncompartimentsstandaard, d.w.z. machinekamereindschotten worden als niet beschadigd beschouwd Voor de tussenliggende toestand van het vollopen moet aan de volgende criteria zijn voldaan: GZ >= 0,03m Positieve deel GZ-kromme: 5. In de evenwichtstoestand (eindtoestand van het vollopen) mag de slagzij van het schip niet groter zijn dan 12. Niet waterdicht afgesloten openingen mogen pas vollopen na het bereiken van de evenwichtstoestand. Raken dergelijke openingen eerder het water dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden aangenomen. Uitgaande van de evenwichtstoestand moet het positieve deel van de kromme van statische armen een oprichtende arm van 0,05 m in relatie tot een oppervlak onder de kromme 0,0065 m.rad bezitten. Aan deze minimum waarde van de stabiliteit moet worden voldaan tot de eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening het water raakt, echter maximaal tot een slagzijhoek van 27 worden voldaan. Raken niet spatwaterdicht afgesloten openingen eerder het water, dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden beschouwd. < 12 statische arm > 0,05 m A A > 0,0065 [m. rad] Phi [ ] eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening raakt het water, echter < 27 evenwichtstoestand eindtoestand Indien openingen, waardoor onbeschadigde afdelingen alsnog vol kunnen lopen, waterdicht kunnen worden afgesloten, dan moeten deze afsluitinrichtingen van dienovereenkomstige opschriften worden voorzien Indien dwars- of overloopopeningen ter vermindering van de asymmetrie van het vollopen worden aangebracht, dan moet het evenwicht binnen 15 minuten worden bereikt, indien in de tussenliggende toestanden van vollopen stabiliteitswaarden zijn aangetoond, die voldoende zijn Machinekamer Verbrandingsmotoren voor de voortstuwing van het schip, alsmede verbrandingsmotoren die hulpwerktuigen aandrijven moeten buiten de ladingzone zijn aangebracht. Toegangen en andere openingen van machinekamers moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd De machinekamers moeten vanaf dek toegankelijk zijn. Toegangen mogen niet naar de ladingzone zijn gericht. Indien de deuren niet in een nis zijn aangebracht, waarvan de diepte ten minste gelijk is aan de breedte van de deur, moeten de scharnieren aan de zijde van de ladingzone zijn aangebracht Woning en dienstruimten Woonruimten en het stuurhuis moeten buiten de ladingzone, achter het achterste verticale vlak of voor het voorste verticale vlak van het onderdeks gelegen deel van de ladingzone, zijn gelegen. Ramen van het

199 stuurhuis, die ten minste 1,00 m boven de bodem van het stuurhuis liggen, mogen naar voren overhellen Toegangen tot ruimten en openingen in de opbouwen mogen niet naar de ladingzone zijn gericht. Scharnieren van deuren, die naar buiten geopend worden en niet in een nis zijn aangebracht waarvan de diepte ten minste gelijk is aan de breedte van de deur, moeten aan de zijde van de ladingzone zijn aangebracht Toegangen vanaf dek en openingen van ruimten naar buiten moeten kunnen worden gesloten. De volgende aanwijzing moet bij de toegang tot deze ruimten zijn aangebracht: Tijdens laden en lossen niet zonder toestemming van de schipper openen. Direct weer sluiten Toegangen en ramen in opbouwen en woonruimten die te openen zijn evenals andere openingen van deze ruimten moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn gelegen. Stuurhuisdeuren en -ramen mogen niet binnen 2,00 m van de ladingzone zijn gelegen behalve indien er geen directe verbinding tussen het stuurhuis en de woning bestaat a) Aandrijfassen van de lens- en ballastpompen in de ladingzone mogen door het schot tussen dienstruimte en machinekamer worden gevoerd onder voorwaarde dat de inrichting van de dienstruimte voldoet aan b) De doorvoering van de as door het schot moet gasdicht zijn en door een erkend classificatiebureau zijn toegelaten. c) De noodzakelijke bedrijfsvoorschriften moeten te zien zijn. d) Door het schot tussen machinekamer en dienstruimte in de ladingzone en het schot tussen machinekamer en ladingtankruimte mogen doorvoeringen voor elektrische kabels, hydraulische leidingen en pijpleidingen voor meet-, regel- en alarmsystemen worden aangebracht onder voorwaarde dat de doorvoeringen door een erkend classificatiebureau zijn toegelaten. De doorvoeringen moeten gasdicht zijn. Doorvoeringen door een schot met een brandisolatie A-60 volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, Regel 3, moeten een gelijkwaardige brandbeveiliging bezitten. e) Door het schot tussen machinekamer en dienstruimte in de ladingzone mogen pijpleidingen worden gevoerd onder voorwaarde dat het leidingen tussen mechanische installaties in de machinekamer en de dienstruimte betreft, die in de dienstruimte geen openingen bezitten en voorzien zijn van afsluitinrichtingen bij het schot in de machinekamer. f) Vanuit de machinekamer mogen, ongeacht , pijpleidingen door de dienstruimte in de ladingzone, door een kofferdam, door de ladingtankruimte of door de zijtank naar buiten worden gevoerd, onder voorwaarde dat zij in de dienstruimte, in de kofferdam, in de ladingtankruimte of in de zijtank van een in dikwandig type zijn en geen flensverbindingen of openingen bezitten. g) Indien een aandrijfas van een hulpwerktuig door een boven dek gelegen wand wordt gevoerd moet de doorvoering gasdicht zijn Een in de ladingzone onder dek gelegen dienstruimte mag niet als pompkamer voor de opstelling van een laad- losinstallatie worden gebruikt, behalve indien: - de pompkamer door middel van een kofferdam of een schot dat is voorzien van een brandisolatie "A- 60" volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, regel 3 of door een dienstruimte of een ladingtankruimte van de machinekamer of dienstruimten buiten de ladingzone gescheiden is; - het hierboven vereiste "A-60" schot geen doorvoeringen overeenkomstig a) bezit; - ventilatieopeningen ten minste 6,00 m van toegangen en openingen van de woning en de dienstruimten buiten de ladingzone verwijderd zijn gelegen; - toegangs- en ventilatieopeningen van buitenaf afsluitbaar zijn; - alle laad- en losleidingen, evenals de leidingen voor het nalenssysteem, aan de zuigzijde van de pomp in de pompkamer direct op het schot zijn voorzien van een afsluiter. De noodzakelijke bediening van de controle-inrichtingen in de pompkamer en het starten van de pompen evenals de noodzakelijke regeling van de vloeistofstroom moet vanaf dek plaatsvinden; - de bilge van de ladingpompkamer uitgerust is met een inrichting voor het meten van het niveau, die uitgevoerd is met een optisch- en akoestisch alarm in het stuurhuis in werking stelt, indien er zich in de pompkamerbilge vloeistof verzamelt. - de ladingpompkamer van een vast ingebouwd gasdetectie-systeem is voorzien, dat de aanwezigheid

200 van explosieve gassen evenals het gebrek aan zuurstof door middel van direct metende sensoren automatisch aangeeft en bij het bereiken van een gasconcentratie van 20% van de onderste explosiegrens een optisch- en akoestisch alarm in werking stelt. De sensoren van dit systeem moeten zich op geschikte plaatsen op de bodem en direct onder dek bevinden. De metingen moeten zonder onderbreking plaatsvinden. De akoestische en optische alarmsystemen moeten in het stuurhuis en de ladingpompkamer zijn geïnstalleerd en wanneer het alarmsysteem in werking treedt moet het de laad- en losinstallatie uitschakelen. Uitval van de gasdetectieinstallatie moet direct optisch en akoestisch in het stuurhuis worden gemeld; - Het in voorgeschreven ventilatiesysteem moet een capaciteit van ten minste dertigmaal luchtverversing van de inhoud van de dienstruimte per uur bezitten Bij de ingang van de pompkamer moet de volgende aanwijzing zijn aangebracht: Inertgasinstallatie Voor het betreden van de pompkamer deze op de aanwezigheid van gas alsmede op voldoende zuurstof controleren Deuren en toegangsopeningen niet zonder toestemming van de schipper openen Bij alarm de ruimte direct verlaten Indien inert maken of afdekken van de lading is voorgeschreven moet het schip uitgerust zijn met een inertgasinstallatie. Deze installatie moet in staat zijn een minimale druk van 7 kpa (0,07 bar) in de inert te maken ruimten te allen tijde te kunnen handhaven. Bovendien mag de inertgasinstallatie de druk in de ladingtank niet tot boven de insteldruk van het overdrukventiel verhogen. De insteldruk van het onderdrukventiel moet 3,5 kpa (0,035 bar) bedragen. Een voor het laden of lossen voldoende hoeveelheid inertgas moet aan boord worden meegevoerd of moet aan boord kunnen worden geproduceerd, voor zover het niet van de wal verkregen kan worden. Bovendien moet aan boord een voldoende hoeveelheid inertgas ter beschikking staan om de normale verliezen tijdens het vervoer te kunnen compenseren. De inert te maken ruimten moeten voorzien zijn van aansluitingen voor de toevoer van het inerte gas en van controlesystemen, waardoor continu de juiste atmosfeer behouden kan worden. Indien de druk of de concentratie van inert gas in de gasfase daalt onder een gegeven waarde, moet dit controlesysteem een akoestische en optisch alarm in het stuurhuis in werking stellen. Indien het stuurhuis niet bezet is moet het alarm ook waarneembaar zijn op een plaats die bezet is door een bemanningslid (Gereserveerd) Inrichting van de kofferdammen Kofferdammen of compartimenten van kofferdammen die overblijven wanneer een dienstruimte conform is ingericht, moeten via een toegangsluik toegankelijk zijn Kofferdammen moeten met behulp van een pomp met water gevuld en geleegd kunnen worden. Het vullen moet binnen 30 minuten plaats kunnen vinden. Deze eisen zijn niet van toepassing, indien het schot tussen machinekamer en kofferdam voorzien is van een brandisolatie A-60 volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, Regel 3 of indien de kofferdam als dienstruimte is ingericht. Kofferdammen mogen niet zijn voorzien van een oploopafsluiter/inlaatklep Kofferdammen mogen niet via een vast aangebrachte leiding met een andere leiding van het schip, buiten de ladingzone, zijn verbonden De ventilatieopeningen van de kofferdammen moeten zijn voorzien van een vlamkerende inrichting die een deflagratie kan doorstaan wanneer op de Scheepsstoffenlijst van het schip overeenkomstig stoffen zijn opgenomen waarvoor conform hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is voorgeschreven Veiligheids- en controle-inrichtingen Ladingtanks moeten zijn voorzien van de volgende uitrusting: a) een merkteken in de tank dat het vloeistofniveau van 95% aangeeft; b) een niveau-meetinrichting;

201 c) een niveau-alarminrichting die uiterlijk bij een vullingsgraad van 90% in werking treedt; d) een niveau-sensor voor het inschakelen van de overvulbeveiliging die uiterlijk bij een vullingsgraad van 97,5% in werking treedt; e) een instrument voor het meten van de druk in de dampfase van de ladingtank; f) een instrument voor het meten van de temperatuur van de lading, indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (9) een ladingverwarmingsinstallatie of in kolom (20) een maximale hoogste temperatuur is voorgeschreven; g) een aansluiting voor een gesloten of deels gesloten monstername-inrichting en/of ten minste één monstername-opening, zoals voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (13) Wanneer de vullingsgraad in procenten is vastgesteld, is een afwijking van niet meer dan 0,5 % toegestaan. Deze moet worden berekend op grond de totale inhoud van de ladingtank inclusief de expansietrunk De niveau-meetinrichting moet kunnen worden afgelezen vanaf de plaats waar de afsluiters van de betreffende ladingtank worden bediend. De maximaal toelaatbare vullingsgraad van de ladingtank moet op elke meetinrichting zijn aangegeven. De over- en onderdruk moet te allen tijde kunnen worden afgelezen vanaf een plaats waar het laden of lossen onderbroken kan worden.. De maximaal toelaatbare vullingsgraad van 95% en 97%, zoals vermeld in de Scheepsstoffenlijst, moet bij elke niveau-meetinrichting zijn aangegeven. Het aflezen moet onder alle weersomstandigheden mogelijk zijn De niveau-alarminrichting moet aan boord een optisch- en akoestisch alarm afgeven indien deze in werking wordt gesteld. De niveau-alarminrichting moet onafhankelijk zijn van de niveau-meetinrichting a) De niveau-sensor overeenkomstig d) moet een optisch- en akoestisch alarm aan boord inschakelen en tegelijkertijd een elektrisch contact aanspreken, dat als binair signaal de door de walinstallatie gegeven en gevoede stroomkring kan onderbreken en zo aan de walzijde maatregelen tegen het overlopen tijdens het laden kan inleiden. Het signaal moet aan de walinstallatie door middel van een tweepolige waterdichte apparatenstekker van een koppelingsinrichting overeenkomstig de norm EN : A1: A2:2012 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur, worden overgebracht. De stekker moet in de directe omgeving van de walaansluiting van de laad- en losleidingen permanent op het schip zijn aangebracht. De niveau-sensor moet ook in staat zijn de eigen lospomp van het schip uit te schakelen. De niveau-sensor moet onafhankelijk zijn van de niveau-alarminrichting, maar mag gekoppeld zijn aan de niveau-meetinrichting. b) Tijdens het lossen met de lospomp aan boord moet deze door de walinstallatie kunnen worden uitgeschakeld. Hiervoor moet een aparte, door de boordinstallatie gevoede, intrinsiek veilige stroomkring door de walinstallatie door middel van een elektrisch contact worden onderbroken. Het binaire signaal van de walinstallatie moet door middel van een twee-polige, waterdichte wandcontactdoos van een koppelingsinrichting conform de norm EN : A1: A2:2012 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur, worden overgebracht. De wandcontactdoos moet in de directe omgeving van de walaansluiting van de losleidingen permanent op het schip zijn aangebracht. c) Schepen die scheepsaandrijfstoffen kunnen afleveren moeten zijn voorzien van een afgifte- inrichting die compatibel is in de Europese norm EN 12827:1999 en van een snelsluitinrichting, door middel waarvan het bunkeren kan worden onderbroken. Deze snelsluitinrichting moet met behulp van een elektrisch signaal van het overvulbeveiligingssysteem kunnen worden bediend. De stroomkringen voor de besturing van de snelsluitinrichting moeten in het ruststroom principe zijn uitgevoerd of door middel van andere geschikte maatregelen voor de detectie van fouten worden beveiligd. Stroomkringen, die niet volgens het ruststroom principe kunnen worden ingeschakeld, moeten met betrekking tot hun goede werking gemakkelijk te controleren zijn. De snelsluitinrichting moet onafhankelijk van het elektrische signaal kunnen worden gesloten. De snelsluitinrichting moet aan boord een optisch en akoestisch alarm in werking stellen De optische en akoestische signalen afgegeven door de niveaualarminrichting en van de niveau-sensor moeten duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

202 Het optisch alarm moet vanaf elke plaats waar de afsluiters van de ladingtanks worden bediend zichtbaar zijn. De functie van de sensoren en stroomkringen moet eenvoudig te controleren zijn of ze moeten voldoen aan de uitvoering "failsafe" (intrinsiek veilige apparatuur) De instrumenten voor het meten van de over- en onderdruk in de gasfase van de ladingtank en de temperatuur van de lading moeten bij het overschrijden van een ingestelde druk of een ingestelde temperatuur in het stuurhuis een optisch- en akoestisch alarm in werking stellen. Indien het stuurhuis niet bezet is moet het alarm ook op een door een bemanningslid bezette plaats waarneembaar zijn. Tijdens het laden en lossen moet het instrument voor het meten van de druk bij het overschrijden van de ingestelde waarde tegelijkertijd een elektrisch contact doen aanspreken, dat door middel van de in genoemde stekker het mogelijk maakt maatregelen te nemen, waardoor het laden of lossen wordt onderbroken. Bij gebruik van de lospomp van het schip moet deze automatisch worden uitgeschakeld. Het instrument voor het meten van de over- en onderdruk moet uiterlijk bij een overdruk van 1,15 maal de openingsdruk van de snelafblaasventielen en uiterlijk bij de ontwerponderdruk, zonder echter 5 kpa (0,05 bar) te overschrijden, het alarm in werking stellen. De maximaal toelaatbare temperatuur is in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) opgenomen. De sensoren van de in deze paragraaf genoemde alarmen mogen verbonden zijn met de alarminrichting van de sensor. Indien dit in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) wordt voorgeschreven, moet het instrument voor het meten van de overdruk in de gasfase bij het overschrijden van 40 kpa (0,4 bar) tijdens de vaart een optisch- en akoestisch alarm in het stuurhuis in werking stellen. Indien het stuurhuis niet bezet is moet dit alarm ook op een door een bemanningslid bezette plaats waarneembaar zijn Indien de schakelelementen van de afsluiters van de ladingtanks zich in een controleruimte bevinden, moeten in de controleruimte de ladingpompen kunnen worden uitgeschakeld en de niveaumeetinrichtingen kunnen worden afgelezen. De optische- en akoestische alarmen van de niveau-alarminrichting, van de niveau-sensor overeenkomstig d) en van de instrumenten voor het meten van de druk en de temperatuur in de lading moeten zowel in de controleruimte als aan dek waarneembaar zijn. Voldoende toezicht op de ladingzone vanuit de controleruimte moet gewaarborgd zijn Het schip moet zodanig zijn uitgerust dat de laad-/loshandelingen door middel van schakelaars kunnen worden onderbroken, dat wil zeggen dat het snelsluitventiel gelegen aan de buigzame verbindingsleiding tussen schip en wal moet kunnen worden gesloten. Deze schakelaars moeten op twee plaatsen aan boord van het schip (voor en achter) zijn aangebracht. Deze bepaling is alleen van toepassing indien dit in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) is voorgeschreven. Het onderbrekingssysteem moet volgens het ruststroom principe zijn ontworpen Bij het vervoer van gekoelde stoffen moet de openingsdruk van de veiligheidsinrichting worden bepaald door de uitvoering van de ladingtank. Bij het vervoer van stoffen die gekoeld vervoerd moeten worden, moet de openingsdruk van de veiligheidsinrichting ten minste 25 kpa (0,25 bar) hoger zijn dan de hoogste druk berekend overeenkomstig Openingen van de ladingtanks a) Ladingtankopeningen moeten zich op het dek in de ladingzone bevinden. b) Ladingtankopeningen met een doorsnede van meer dan 0,10 m² en openingen van veiligheidsinrichtingen, die overdrukken voorkomen, moeten zich ten minste 0,50 m boven dek bevinden Ladingtankopeningen moeten van gasdichte afsluitingen zijn voorzien, die voldoen aan de beproevingsdruk overeenkomstig Afsluitmiddelen, die normaal tijdens het laden en lossen worden gebruikt, mogen, wanneer zij bediend worden, geen vonken veroorzaken a) Elke ladingtank of elke groep van ladingtanks, die aan een gemeenschappelijke gasafvoerleiding is verbonden, moet voorzien zijn van: - veiligheidsinrichtingen die ontoelaatbare over- en onderdrukken voorkomen. Indien volgens hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, moet het onderdrukventiel zijn voorzien van een vlamkerende inrichting die een deflagratie kan weerstaan en het overdrukventiel zijn voorzien van een snelafblaasventiel, dat een langdurige brand kan weerstaan. De gassen moeten naar boven worden afgevoerd. De openingsdruk van het snelafblaasventiel en

203 het onderdrukventiel moet op het ventiel onuitwisbaar zijn aangegeven; - een aansluiting voor het veilig terugvoeren van de bij het laden verdreven gassen naar de walinstallatie; - een inrichting om de ladingtanks op veilige wijze drukloos te maken. Wanneer de Scheepsstoffenlijst overeenkomstig stoffen zijn opgenomen waarvoor conform hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is voorgeschreven, moet de inrichting ten minste bestaan uit een vlamkerend rooster dat bestand is tegen een langdurige brand, en een afsluiter waaraan duidelijk herkenbaar is of hij open of gesloten is. b) Openingen van snelafblaasventielen moeten ten minste 2,00 m boven dek en ten minste 6,00 m van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten zijn gelegen. Deze hoogte kan worden verminderd, indien in een gebied met een straal van 1,00 m rondom de uitstroomopening van het overdrukventiel geen apparatuur aanwezig is, geen werkzaamheden worden uitgevoerd en dit gebied is aangegeven met borden. Snelafblaasventielen moeten zo zijn ingesteld dat zij zich tijdens het vervoersproces pas bij het bereiken van de hoogst toelaatbare werkdruk van de ladingtanks afblazen a) Een gasafvoerleiding die twee of meer ladingtanks met elkaar verbindt moet, indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, aan elke inlaatopening in de ladingtank voorzien zijn van een vlamkerende inrichting met een vast of veerbelast vlamkerend rooster die een detonatie kan weerstaan. De uitrusting kan bestaan uit: i) een vlamkerende inrichting voorzien van een vast vlamkerend rooster, waarbij elke ladingtank is voorzien van een onderdrukventiel dat bestand is tegen een deflagratie en een snelafblaasventiel dat bestand is tegen een langdurige brand; ii) een vlamkerende inrichting voorzien van een veerbelast vlamkerend rooster, waarbij elke ladingtank is voorzien van een onderdrukventiel dat bestand is tegen een deflagratie; iii) een vlamkerende inrichting voorzien van een vast of veerbelast vlamkerend rooster; iv) een vlamkerende inrichting voorzien van een vast vlamkerend rooster, waarbij de inrichting voor het meten van de druk moet zijn voorzien van een alarminrichting overeenkomstig v) (Geschrapt.) Indien in de ladingzone aan dek een vast ingebouwde brandblusinrichting aanwezig is, die vanaf het dek en vanuit het stuurhuis in werking kan worden gesteld, zijn vlamkerende inrichtingen in de afzonderlijke ladingtanks niet vereist. In ladingtanks die aan een gemeenschappelijke gasafvoerleiding zijn aangesloten, mogen tegelijkertijd slechts die stoffen worden vervoerd, die niet mengbaar zijn en niet gevaarlijk met elkaar reageren. of, b) Een gasafvoerleiding die twee of meer ladingtanks met elkaar verbindt moet, indien in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, aan elke inlaatopening naar de ladingtank voorzien zijn van een over/onderdrukventiel, met een vlamkerende inrichting die bestand is tegen detonatie/deflagratie. In ladingtanks die aan een gemeenschappelijke gasafvoerleiding zijn aangesloten, mogen tegelijkertijd slechts goederen worden vervoerd, die niet mengbaar zijn en die niet gevaarlijk met elkaar reageren. of, c) Iedere ladingtank heeft een onafhankelijke gasafvoerleiding die, indien in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, voorzien is van een onderdrukventiel dat bestand is tegen een deflagratie en een snelafblaasventiel dat bestand is tegen een langdurige brand. Er mogen tegelijkertijd meerdere verschillende stoffen worden vervoerd. of, d) Een gasafvoerleiding die twee of meer ladingtanks met elkaar verbindt moet, indien in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, aan elke inlaatopening naar de ladingtank voorzien zijn van een afsluiter die bestand is tegen een detonatie, waarbij elke ladingtank is voorzien van een onderdrukventiel dat bestand is tegen een deflagratie en een snelafblaasventiel dat bestand is tegen een langdurige brand. In ladingtanks die aan een gemeenschappelijke gasafvoerleiding zijn aangesloten, mogen tegelijkertijd slechts stoffen worden vervoerd, die niet mengbaar zijn en niet gevaarlijk met elkaar reageren Beproeving onder druk Ladingtanks, restladingtanks, kofferdammen en laad- en losleidingen moeten de eerste maal vóór de indienststelling en daarna binnen voorgeschreven termijnen worden beproefd. Indien in de ladingtanks een verwarmingssysteem aanwezig is moeten de verwarmingsspiralen de eerste maal vóór de indienststelling en daarna binnen voorgeschreven termijnen worden beproefd.

204 De beproevingsdruk van de ladingtanks en de restladingtanks moet ten minste het 1,3-voudige van de druk, waarvoor zij zijn geconstrueerd, bedragen. De beproevingsdruk voor de kofferdammen en open ladingtanks moet ten minste 10 kpa (0,10 bar) overdruk bedragen De beproevingsdruk van de laad- en losleidingen moet ten minste 1000 kpa (10 bar) overdruk bedragen De maximale termijnen voor de periodieke beproevingen moeten elf jaar bedragen De procedure voor de beproeving onder druk moet voldoen aan de bepalingen die door de bevoegde autoriteit of een erkend classificatiebureau zijn vastgesteld Regeling van druk en temperatuur van de lading Behalve indien het complete ladingsysteem is ontworpen om weerstand te bieden tegen de totale dampdruk van de lading bij de maximale ontwerpwaarden voor de omgevingstemperatuur, moet de druk in de ladingtanks beneden de maximaal toelaatbare openingsdruk van de veiligheidsventielen worden gehouden met behulp van één of meer van de volgende methoden: a) een systeem dat de druk in de ladingtank met behulp van mechanische koeling regelt; b) een systeem dat bij opwarming of drukverhoging van de lading de veiligheid garandeert. De isolatie of de ontwerpdruk van de ladingtank of de combinatie van deze twee elementen moeten een passende marge met het oog op werkingsduur en de te verwachten temperaturen garanderen. Het systeem moet in elk afzonderlijk geval door een erkend classificatiebureau geacht acceptabel te zijn en moet de veiligheid waarborgen gedurende een tijdsduur van ten minste drie maal de werkingsduur. c) andere door een erkend classificatiebureau acceptabel geachte systemen De in voorgeschreven systemen moeten tot tevredenheid van het erkend classificatiebureau worden uitgevoerd, ingebouwd en beproefd. De constructiematerialen moeten voor de te vervoeren stof geschikt zijn. Voor het normale bedrijf zijn de maximale ontwerpgrenswaarden voor de omgevingstemperatuur als volgt: luchttemperatuur: watertemperatuur: + 30 ºC, + 20 ºC Het ladingtanksysteem moet de totale dampdruk van de lading bij de maximale waarden van de ontwerpomgevingstemperaturen kunnen weerstaan, welk systeem ook gebruikt wordt dat met boil off werkt. Dit voorschrift is in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (20) aangegeven met aantekening Pompen en leidingen Pompen, compressoren en bijbehorende laad- en losleidingen moeten in de ladingzone zijn ondergebracht. Ladingpompen moeten in de ladingzone en bovendien vanaf een plaats buiten de zone kunnen worden uitgeschakeld. Ladingpompen aan dek moeten ten minste 6,00 m van toegangen tot en openingen van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten zijn verwijderd a) Laad- en losleidingen moeten onafhankelijk zijn van elke andere leiding van het schip. Onder dek mogen geen productvoerende leidingen aanwezig zijn met uitzondering van het inwendige van de ladingtank en de pompkamer. b) Laad- en losleidingen moeten zodanig zijn aangebracht, dat na het laden of lossen, de in die leidingen achterblijvende vloeistof op veilige wijze verwijderd kan worden en ofwel in de ladingtanks of in de landtanks kan stromen. c) Laad- en losleidingen moeten duidelijk van de overige leidingen zijn te onderscheiden, bijvoorbeeld door een kenmerking met kleuren. d) Laad- en losleidingen aan dek moeten zich, met uitzondering van de walaansluiting, ten minste op een afstand van één vierde van de scheepsbreedte van de scheepshuid bevinden. e) Walaansluitingen moeten ten minste 6,00 m van toegangen en openingen van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten zijn verwijderd. f) Alle walaansluitingen van de gasafvoerleiding en de walaansluitingen van de laad- en losleidingen, waardoor geladen of gelost wordt, moeten van een afsluiter zijn voorzien. Alle walaansluitingen moeten echter, indien zij niet in gebruik zijn, voorzien zijn van een blindflens. g) (Geschrapt) h) Flenzen en pakkingbussen moeten voorzien zijn van een inrichting die het uitspuiten van lading voorkomt. i) Laad- en losleidingen en gasafvoerleidingen mogen niet zijn voorzien van van flexibele verbindingen

205 met schuifafsluitingen De in en e) genoemde afstand kan tot 3,00 m worden verlaagd indien aan het einde van de ladingzone een dwarsschot conform is aangebracht. De doorgangsopeningen moeten in dit geval zijn voorzien van deuren. Op deze deuren moet de volgende aanwijzing zijn aangebracht: Tijdens het laden of lossen niet zonder toestemming van de schipper openen. Direct weer sluiten a) Alle onderdelen van de laad- en losleidingen moeten elektrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden. b) De laadleidingen moeten tot nabij de bodem van de ladingtanks reiken Het moet herkenbaar zijn of afsluiters en andere afsluitinrichtingen van de laad- en losleidingen open of gesloten zijn Laad- en losleidingen moeten bij de beproevingsdruk de vereiste buigzaamheid, lekdichtheid en drukbestendigheid bezitten De laad- en losleidingen moeten bij de persopening van de pompen voorzien zijn van manometers. De maximaal toelaatbare over- en onderdruk moet bij elke inrichting zijn aangegeven. Het aflezen moet onder alle weersomstandigheden mogelijk zijn a) Indien de laad- en losleidingen worden gebruikt om waswater of ballastwater naar de ladingtanks te voeren, moeten de voor het aanzuigen noodzakelijke aansluitingen zich in de ladingzone, doch buiten de ladingtanks bevinden. Pompen ten behoeve van tankwassystemen met de bijbehorende aansluitingen kunnen buiten de ladingzone zijn gelegen indien de afvoerzijde van het systeem zodanig is uitgevoerd dat via deze leidingen niet kan worden aangezogen. Een veerbelaste terugslagklep moet zijn aangebracht om te verhinderen dat gassen via het wassysteem buiten de ladingzone worden verdreven. b) De voor het aanzuigen van het water bestemde pijpleiding moet bij de verbinding met de laadleiding voorzien zijn van een terugslagklep De toelaatbare laad- en lossnelheden moeten worden berekend. Deze berekeningen hebben betrekking op het hoogste debiet bij laden en lossen voor elke ladingtank of groep van ladingtanks, rekening houdend met het ontwerp van het ontluchtingssysteem. Bij deze berekeningen moet er mee rekening worden gehouden dat bij een onverwachte afsluiting van de gasterugvoerleiding van de walinstallatie de veiligheidssystemen van de ladingtanks voorkomen dat de druk in de ladingtanks de hierna vermelde waarden overschrijdt: Overdruk: Onderdruk: 115% van de openingsdruk van het snelafblaasventiel. niet hoger dan de onderdruk voor de constructie, zonder echter 5 kpa (0,05 bar) te overschrijden. De belangrijkste factoren, die beschouwd moeten worden zijn: 1. de afmetingen van het ontluchtingssysteem van de ladingtank; 2. de gasontwikkeling tijdens het laden: vermenigvuldig de hoogste laaddebiet met een factor van ten minste 1,25; 3. de dichtheid van het dampmengsel van de lading gebaseerd op 50 vol.-% damp en 50 vol.-% lucht; 4. het drukverlies in de ontluchtingsleidingen en door ventielen en fittingen. Hierbij moet met een verstopping van 30% van het vlamkerende rooster rekening worden gehouden; 5. de blokkeerdruk van de veiligheidsventielen. De maximaal toelaatbare laad- en lossnelheid per ladingtank of per groep van ladingtanks moet in een instructie aan boord worden aangegeven Perslucht die buiten de ladingzone of het stuurhuis wordt gegenereerd, kan in de ladingzone worden gebruikt mits er een veerbelaste terugslagklep is geïnstalleerd om te voorkomen dat gassen uit de ladingzone via het persluchtsysteem in woon- of dienstruimten buiten de ladingzone kunnen komen Indien het schip verscheidene gevaarlijke stoffen vervoert, die gevaarlijk met elkaar kunnen reageren, moet voor elke stof een aparte pomp en de daarbij behorende laad- en losleidingen geïnstalleerd zijn. De leidingen mogen niet door een ladingtank worden gevoerd, die gevaarlijke stoffen bevat, waarmee de stof kan reageren Tank en houders voor restproducten en houders voor slobs

206 Indien schepen zijn voorzien van een tank voor restproducten moet deze voldoen aan de voorschriften van en Houders voor restproducten en houders voor slobs mogen alleen worden geplaatst in de ladingzone. Tijdens het vullen van de houders voor restproducten moeten onder de voor het laden gebruikte aansluitingen voorzieningen zijn aangebracht om eventueel gelekte vloeistoffen te verzamelen Houders voor slobs moeten vuurbestendig zijn en met deksels afgesloten kunnen worden (vaten met afneembaar deksel, code 1A2, ADR). De houders voor slobs moeten gekenmerkt en goed hanteerbaar zijn De maximaal toelaatbare inhoud van een tank voor restproducten bedraagt 30 m Tanks voor restproducten moeten zijn voorzien van: - over- en onderdrukventielen. Het snelafblaasventiel moet zo zijn ingesteld dat hij tijdens het vervoer onder normale omstandigheden niet open gaat. Aan deze voorwaarde is voldaan indien de openingsdruk van het ventiel voldoet aan de voorwaarden voor de te vervoeren stof conform hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (10). Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom 17 explosiebescherming is voorgeschreven moet het onderdrukventiel bestand zijn tegen een deflagratie en het snelafblaasventiel tegen een langdurige brand; - een niveau-meetinrichting; - aansluitingen voorzien van afsluiters ten behoeve van leidingen en slangassemblages. Houders voor restproducten moeten voorzien zijn van: - een aansluiting om tijdens het vullen de uittredende gassen op veilige wijze af te kunnen voeren; - een mogelijkheid voor het aangeven van de vullingsgraad; - aansluitingen voorzien van afsluiters voor leidingen en slangen. Houders voor restproducten mogen alleen met het gasafvoerleiding van de ladingtanks zijn verbonden gedurende de tijd, die voor het vullen conform noodzakelijk is. Houders voor restproducten en houders voor slobs aan dek moeten zich ten minste op een afstand van één vierde van de scheepsbreedte van de scheepshuid bevinden Koelinstallatie Een koelinstallatie overeenkomstig a) moet uit één of meerdere eenheden bestaan, die de druk en de temperatuur van de lading bij de maximale ontwerpwaarden van de omgevingstemperatuur op het voorgeschreven niveau kan houden. Indien geen alternatieve maatregelen voor de druk- en temperatuurregeling van de lading die voldoende geacht worden door een erkend classificatiebureau worden voorzien, moet in een of meer reserve-eenheden worden voorzien, die ten minste dezelfde capaciteit bezitten als de grootste voorgeschreven eenheid. Een reserve-eenheid moet bestaan uit een compressor inclusief aandrijfmotor, regelsysteem en alle noodzakelijke uitrustingen om een van de normale eenheid onafhankelijke werking mogelijk te maken. Er moet in een reserve-warmtewisselaar worden voorzien tenzij de voor het normale bedrijf aanwezige warmtewisselaar een overcapaciteit bezit van ten minste 25 % van de grootste vereiste capaciteit. Gescheiden pijpleidingsystemen zijn niet nodig. Ladingtanks, pijpleidingen en toebehoren moeten zodanig zijn geïsoleerd dat bij uitval van alle koelinstallaties de totale lading ten minste 52 uur in een toestand blijft waarbij de veiligheidsventielen zich niet openen Veiligheidsinrichtingen en verbindingsleidingen vanaf de koelinstallatie moeten boven de vloeistoffase van de lading bij de maximaal toelaatbare vullingsgraad op de ladingtanks zijn aangesloten. Zij moeten ook in de gasfase blijven, zelfs indien het schip een slagzij van 12 heeft Indien verschillende gekoelde ladingen die gevaarlijk chemisch met elkaar kunnen reageren, tegelijkertijd worden vervoerd, moet bijzondere zorg worden besteed aan de koelinstallaties zodat wordt voorkomen dat de ladingen zich kunnen vermengen. Voor het vervoer van dergelijke ladingen moet voor elk soort lading worden voorzien in een gescheiden koelinstallatie, elk met een volledige reserve-eenheid conform Indien echter de koeling met behulp van een indirect of een gecombineerd systeem plaatsvindt, en een lekkage in de warmtewisselaar onder alle voorzienbare bedrijfsomstandigheden niet kan leiden tot een vermenging van de ladingen, hoeft niet te worden voorzien in gescheiden koelinstallaties Indien meerdere gekoelde ladingen onder de vervoersomstandigheden niet in elkaar oplosbaar zijn, zodat

207 hun dampdrukken bij vermengen bij elkaar moeten worden opgeteld, moet er bij het ontwerp van de koelinstallaties speciaal voor worden gezorgd dat wordt voorkomen dat de ladingen met elkaar kunnen mengen Indien voor koelinstallaties koelwater noodzakelijk is moet een voldoende hoeveelheid daarvan worden geleverd met behulp van een pomp of pompen die uitsluitend voor dit doel worden gebruikt. Deze pomp resp. pompen moeten ten minste twee aanzuigleidingen hebben, vanaf twee waterinlaatkasten, één aan stuurboord en de andere aan bakboord. Er moet in een reservepomp van voldoende capaciteit zijn voorzien. Deze pomp kan een voor andere doeleinden gebruikte pomp zijn, onder voorwaarde dat het gebruik ervan voor de levering van koelwater niet ten koste gaat van een ander belangrijk systeem De koelinstallatie kan één van de volgende vormen aannemen: a) Direct systeem: de dampen van de lading worden samengeperst, gecondenseerd en naar de ladingtanks teruggevoerd. Voor enkele stoffen aangegeven in hoofdstuk 3.2, tabel C mag dit systeem niet worden gebruikt. Dit voorschrift wordt in kolom (20) van tabel C van hoofdstuk 3.2 aangegeven met aantekening 35. b) Indirect systeem: de lading of de dampen van de lading worden met behulp van een koelmiddel gekoeld of gecondenseerd, zonder te worden samengeperst. c) Gecombineerd systeem: de dampen van de lading worden samengeperst en in een lading/koelmiddel warmtewisselaar gecondenseerd en naar de ladingtanks teruggevoerd. Voor enkele stoffen aangegeven in hoofdstuk 3.2, tabel C mag dit systeem niet worden gebruikt. Dit voorschrift wordt in kolom (20) van tabel C van hoofdstuk 3.2 aangegeven met aantekening Alle primaire en secundaire koelvloeistoffen moeten met elkaar en met de lading waarmee zij in aanraking kunnen komen, verenigbaar zijn. De warmteuitwisseling kan of op afstand van de ladingtank of door middel van koelspiralen, die in of aan de ladingtank zijn bevestigd, geschieden Indien de koelinstallatie in een speciale dienstruimte wordt geïnstalleerd moet deze dienstruimte voldoen aan de voorschriften van Voor alle ladingsinstallaties moet de warmtedoorgangscoëfficient die wordt gebruikt voor het bepalen van de verblijftijd ( en ) door middel van berekening worden vastgesteld. Bij oplevering van het vaartuig moet de juistheid van de berekening door middel van beproeving van het thermisch evenwicht worden gecontroleerd. Deze berekening en beproeving moeten worden uitgevoerd onder toezicht van het erkende classificatiebureau dat het vaartuig heeft geclassificeerd. De warmtedoorgangscoëfficiënt moet worden gedocumenteerd en aan boord aanwezig zijn, en dient bij iedere verlenging van het Certificaat van Goedkeuring te worden geverifieerd Bij de aanvraag voor de afgifte of de verlenging van het Certificaat van Goedkeuring moet een verklaring van een erkend classificatiebureau worden bijgevoegd waaruit blijkt dat aan tot en met , en hierboven is voldaan Watersproei-systeem Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (9) een watersproei-inrichting is voorgeschreven word moet in de ladingzone aan dek een watersproei-inrichting zijn geïnstalleerd waarmee vrijkomende gassen uit de lading kunnen worden neergeslagen of waarmee het dek van de ladingtanks gekoeld kan worden om het aanspreken van het snelafblaasventiel bij 50 kpa (0,5 bar) op veilige wijze te vermijden. De inrichting voor het neerslaan van gassen moet zijn voorzien van een aansluiting voor aanvoer vanaf een walinstallatie. De sproeikoppen moeten zodanig zijn aangebracht dat een besproeiing van het volledige dek wordt bereikt en de vrijkomende gassen op veilige wijze worden neergeslagen. De inrichting moet vanuit het stuurhuis en vanaf dek in werking kunnen worden gesteld. De capaciteit moet zodanig zijn dat bij gelijktijdig gebruik van alle sproeikoppen een uitstroming van 50 liter per m² dekoppervlak en per uur wordt bereikt (Gereserveerd) Machines Er zijn slechts verbrandingsmotoren toegelaten, die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt hoger dan 55 C.

208 Ventilatieopeningen van de machinekamer en inlaatopeningen van motoren moeten, indien de motoren de lucht niet direct vanuit de machinekamer aanzuigen, ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd Vonkvorming in de ladingzone moet niet mogelijk zijn Aan uitwendige delen van motoren, die tijdens het laden en lossen worden gebruikt, evenals aan hun luchtinlaatkanalen en uitlaatgasleidingen mogen geen oppervlaktetemperaturen optreden die boven de voor de temperatuurklasse van de vervoerde stoffen toegelaten waarden liggen. Deze bepaling is niet van toepassing op motoren, die in dienstruimten zijn opgesteld onder voorwaarde dat deze volledig voldoen aan de bepalingen van De ventilatie van de gesloten machinekamer moet zodanig zijn ontworpen, dat bij een buitentemperatuur van 20 C de gemiddelde temperatuur in de machinekamer 40 C niet overschrijdt Brandstoftanks Indien het schip voorzien is van ladingtankruimten mogen de dubbele bodems in deze ruimten als brandstoftank worden ingericht, onder voorwaarde dat de hoogte ten minste 0,6 m bedraagt. Leidingen voor brandstof en openingen van dergelijke tanks in ladingtankruimten zijn niet toegestaan De openingen van de ontluchtingsleidingen van alle tanks voor brandstof moeten ten minste tot 0,5 m boven het open dek zijn gevoerd. Deze openingen en de openingen van de overloopleidingen die boven dek zijn gevoerd, moeten zijn voorzien van een bescherming, die door een rooster of een geperforeerde plaat wordt gevormd (Gereserveerd) Uitlaatgasleidingen Uitlaatgassen moeten door een uitlaatgassenleiding, die naar boven of door de scheepshuid wordt gevoerd, naar de open lucht worden afgevoerd. De uittredeopening moet ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd. De uitlaatgasleidingen van motoren moeten zodanig zijn aangebracht, dat de uitlaatgassen van het schip worden afgeleid. Uitlaatgasleidingen mogen niet in de ladingzone zijn gelegen Uitlaatgasleidingen moeten zijn voorzien van een inrichting die het uittreden van vonken voorkomt, b.v. vonkenvangers Lenspompen en ballastinrichting Lens- en ballastpompen voor ruimten binnen de ladingzone moeten in een dergelijke zone zijn opgesteld. Deze bepaling is niet van toepassing op: - zijtanks en dubbele bodems die geen gemeenschappelijke wand met de ladingtanks bezitten; - kofferdammen, zijtanks en dubbele bodems, indien het ballasten via de brandblusleiding in de ladingzone en het lenzen door middel van ejektoren plaats vindt Bij gebruik van de dubbele bodem als brandstoftank mag deze niet op het lenssysteem zijn aangesloten De standpijp en zijn buitenboordaansluiting voor het aanzuigen van ballastwater moeten, indien de ballastpomp in de ladingzone is opgesteld, binnen de ladingzone, maar buiten de ladingtanks, zijn gelegen Een pompkamer onder dek moet in geval van nood met behulp van een van alle andere installaties onafhankelijke installatie in de ladingzone kunnen worden gelensd. Deze installatie moet buiten de pompkamer zijn opgesteld (Gereserveerd) Brandblusinstallaties Het schip moet voorzien zijn van een brandblusinstallatie. De installatie moet aan de volgende voorschriften voldoen: - zij moet door twee onafhankelijke brandblus- of ballastpompen worden gevoed. Één van deze pompen moet te allen tijde bedrijfsklaar zijn. Deze pompen, evenals hun aandrijving en elektrische uitrusting, mogen niet in dezelfde ruimte zijn opgesteld. - zij moet gevoed worden door een waterleiding, die in de ladingzone of het stuurhuis boven dek ten

209 minste drie brandslangaansluitingen heeft. Er moeten drie geschikte brandslangen van voldoende lengte met straalpijp met straal-/sproeimondstuk met een diameter van ten minste 12 mm aanwezig zijn. Een of meer van de slangassemblages mogen bij wijze van alternatief worden vervangen door richtbare straalpijpen met straal-/sproeimondstuk met een diameter van ten minste 12 mm. Met ten minste twee, niet van dezelfde brandslangaansluiting afkomstige waterstralen moet tegelijkertijd elke plaats van het dek in de ladingzone kunnen worden bereikt. Door middel van een veerbelaste terugslagklep moet zijn gewaarborgd, dat gassen niet door de brandblusinstallatie in woning of dienstruimten buiten de ladingzone kunnen ontsnappen. - de capaciteit van de installatie moet ten minste voldoende zijn, dat bij het gelijktijdig gebruik van twee straalpijpen vanaf elke plaats aan boord een werpafstand wordt bereikt die ten minste gelijk is aan de scheepsbreedte; - het watertoevoersysteem moet vanuit het stuurhuis en vanaf dek in werking gesteld kunnen worden; - er moeten maatregelen worden getroffen om bevriezing van de brandblusleiding en brandslangaansluitingen te voorkomen In aanvulling hierop moeten de machinekamers, de pompkamer en indien aanwezig alle ruimten die voor de koelinstallatie belangrijke installaties bevatten (schakelkasten, compressoren, enz.) zijn voorzien van een vast ingebouwde brandblusinstallatie, die aan de volgende voorschriften voldoet: Blusmiddelen In machinekamers, ketelruimten en pompkamers zijn, ter bescherming van deze ruimten, slechts vast ingebouwde brandblusinstallaties toegestaan die de volgende blusmiddelen gebruiken: a) CO 2 (kooldioxide) b) HFC 227 ea (heptafluorpropaan) c) IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% kooldioxide) d) FK (dodecafluor.2-methylpentaan-3-on) Andere blusmiddelen zijn slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van het Administratief Comité Ventilatie, luchtaanzuiging a) De verbrandingslucht die nodig is voor de verbrandingsmotoren voor de voortstuwing mag niet worden aangezogen uit door vast ingebouwde brandblusinstallaties te beschermen ruimten. Deze eis is niet verplicht wanneer er twee van elkaar onafhankelijke, gasdicht gescheiden hoofdmachinekamers aanwezig zijn dan wel er naast de hoofdmachinekamer een boegbesturingsaandrijving in een aparte machinekamer is geïnstalleerd, waardoor in geval van brand in de hoofdmachinekamer het voortbewegen op eigen kracht wordt verzekerd. b) Alle mechanische ventilatiesystemen in de te beschermen ruimte moeten bij het inwerkingstellen van de brandblusinstallatie automatisch worden uitgeschakeld. c) Alle openingen, waardoor lucht zou kunnen toetreden tot, dan wel gas zou kunnen ontsnappen uit de te beschermen ruimte moeten zijn uitgerust met voorzieningen die het mogelijk maken om ze snel te sluiten. Het moet duidelijk zijn of ze open of gesloten zijn. d) Lucht die via de veiligheidsventielen uit in de machinekamers geïnstalleerde persluchthouders stroomt moet in de open lucht worden afgevoerd. e) Over- of onderdruk veroorzaakt door het binnenstromen van het blusmiddel mag de essentiële onderdelen van de te beschermen ruimte niet vernielen. De compensatie van de druk moet zonder gevaar kunnen geschieden. f) Beschermde ruimten moeten beschikken over een mogelijkheid om het blusmiddel af te zuigen. Indien afzuiginrichtingen geïnstalleerd zijn, mogen deze tijdens het blussen niet kunnen worden ingeschakeld Brandmeldinstallaties De te beschermen ruimte moet voorzien zijn van een doelmatige brandmeldinstallatie. De brandmelding moet in het stuurhuis, in de verblijven en in de te beschermen ruimte worden waargenomen Pijpleidingsysteem a) Het blusmiddel moet door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. Leidingen die in de te beschermen ruimte zijn geïnstalleerd en de daarbij behorende armaturen moeten zijn vervaardigd van staal. Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren mits de gebruikte materialen gelijkwaardige brandvertragende eigenschappen hebben. Leidingen moeten zowel in- als uitwendig tegen corrosie beschermd zijn. b) De sproeikoppen moeten zo zijn aangebracht dat de gelijkmatige verdeling van het blusmiddel is gewaarborgd. Het blusmiddel moet in het bijzonder ook onder de vloer werkzaam zijn.

210 Inrichting voor het in werking stellen a) Brandblusinstallaties die automatisch in werking worden gesteld zijn niet toegestaan. b) Het moet mogelijk zijn de brandblusinstallatie in werking te stellen vanaf een geschikte plaats buiten de te beschermen ruimte. c) Inrichtingen voor het in werking stellen moeten zodanig zijn geïnstalleerd dat ze ook in geval van brand kunnen worden bediend en zodanig dat het risico van storing in geval van een brand of explosie in de te beschermde ruimte zo veel mogelijk wordt verminderd. Niet mechanische inrichtingen voor het in werking stellen moeten door twee van elkaar onafhankelijke energiebronnen worden gevoed. Deze energiebronnen moeten zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Leidingen voor de aansturing in de te beschermen ruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd dat ze in geval van brand tenminste gedurende 30 minuten kunnen blijven functioneren. De elektrische installaties worden geacht te voldoen aan deze eis indien ze overeenkomen met de norm IEC :1999. Indien de inrichtingen voor het in werking stellen zodanig zijn geplaatst dat ze niet zichtbaar zijn moet de afscherming zijn voorzien van het symbool Brandbestrijdingssysteem, met een lengte van elke zijde van ten minste 10 cm met de volgende tekst in rode letters op een witte achtergrond Brandblusinstallatie d) Indien de brandblusinstallatie bedoeld is voor het beschermen van meerdere ruimten, moeten de inrichtingen voor het in werking stellen voor elke ruimte gescheiden en duidelijk zijn gemarkeerd; e) Bij elke inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. De gebruiksaanwijzing moet zijn gesteld in een taal die de schipper kan lezen en begrijpen en indien deze taal niet Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits. Deze moet informatie bevatten inzake: i) het in werking stellen van de brandblusinstallatie; ii) de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten; iii) de juiste handelwijze van de bemanning in geval van het in werking stellen en bij het betreden van de ruimte die beschermd moet worden na het in werking stellen of de diffusie, in het bijzonder ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke stoffen; iv) de juiste handelwijze van de bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie. f) De gebruiksaanwijzing moet er op wijzen dat vóór het in werking stellen van de brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld Waarschuwingssysteem a) Vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een akoestisch en optisch waarschuwingssysteem. b) Het waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken en mag niet kunnen worden uitgeschakeld. c) De waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij elke toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden zijn; d) De akoestische waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn, onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn; e) Indien het waarschuwingssysteem niet intrinsiek tegen kortsluiting, draadbreuk en spanningsvermindering is beschermd, moet het functioneren ervan kunnen worden getest; f) Bij elke ingang van een ruimte, die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de volgende tekst: Let op, brandblusinstallatie! Bij het in werking stellen van het. (omschrijving) alarmsignaal deze ruimte onmiddellijk verlaten! Tanks onder druk, armaturen en persleidingen a) Tanks onder druk, armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de voorschriften van de bevoegde autoriteit of, indien die ontbreken, aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau. b) Tanks onder druk moeten volgens de instructies van de fabrikant zijn geïnstalleerd. c) Tanks onder druk, armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn. d) De temperatuur in de kasten of ruimten waarin tanks onder druk zijn opgesteld mag 50 ºC niet overschrijden. e) Kasten of ruimten aan dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, in geval de tanks onder druk niet dicht zijn, geen

211 ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan Hoeveelheid van het blusmiddel Indien de hoeveelheid blusmiddel bedoeld is voor het beschermen van meer dan één ruimte, behoeft de totale hoeveelheid van het beschikbare blusmiddel niet meer te zijn dan de hoeveelheid die nodig is voor de grootste te beschermen ruimte Installatie, controle en documentatie a) De installatie mag slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (formulier met gegevens over het product en de veiligheid) verschaft door de fabrikant van het blusmiddel of de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen. b) De installatie moet door een deskundige worden onderzocht: i) voor ingebruikstelling; ii) voor hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest; iii) na elke verandering of reparatie; iv) regelmatig ten minste elke twee jaar. c) Tijdens het onderzoek moet de deskundige controleren of de installatie aan de eisen van voldoet. d) Het onderzoek moet ten minste betrekking hebben op: i) Uitwendig onderzoek van de installatie als geheel; ii) onderzoek van de pijpleidingen op hun dichtheid; iii) onderzoek van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen; iv) onderzoek van de druk in de tanks en de inhoud daarvan; v) onderzoek van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte vi) onderzoek van het brandmeldingssysteem vii) onderzoek van het waarschuwingssysteem. e) De persoon die het onderzoek uitvoert moet een verklaring van onderzoek opstellen, dateren en ondertekenen. f) Het aantal aanwezige vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in de verklaring van onderzoek worden aangetekend Brandblusinstallatie die werkt met CO 2 In aanvulling op de voorschriften in tot en met moeten brandlbusinstallaties die CO 2 als blusmiddel gebruiken, aan de volgende bepalingen voldoen: a) CO 2-tanks moeten in een gasdichte ruimte of kast van andere ruimten gescheiden, zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten of van de kasten waar ze zijn opgesteld moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en aan de buitenkant zijn voorzien van een symbool Waarschuwing: gevaar met een hoogte van ten minste 5 cm alsmede van het bijkomend opschrift CO 2 in dezelfde kleur en met dezelfde afmeting. b) De benedendekse kasten of ruimten waar CO 2-houders zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen beschikken. c) De vullingsgraad van met CO 2 gevulde tanks mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde CO 2-gas moet worden uitgegaan van 0,56 m 3 /kg. d) De concentratie CO 2-gas benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40% van de bruto inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden vrijkomen. Het moet controleerbaar zijn of het gas correct is verspreid. e) Het openen van de ventielen van de tanks en het bedienen van het ventiel waardoor het gas uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden. f) De redelijke tijd bedoeld in (b) moet ten minste 20 seconden bedragen. De timing tot aan het vrijkomen van het CO 2-gas moet zijn gegarandeerd door een betrouwbare inrichting Brandblusinstallatie die werkt met HFC-227 ea (heptafluorpropaan) In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die HFC-227 ea gebruiken als blusmiddel aan de volgende bepalingen voldoen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Elke tank die HFC-227 ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd.

212 d) De vullingsgraad van de tanks mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het soortelijk volume van het uitgestroomde HFC-227 ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m 3 /kg. e) De concentratie HFC-227 ea voor de te beschermen ruimte moet ten minste 8% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden vrijkomen. f) De tanks van HFC-227 ea moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Indien er geen stuurhuis is moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld. g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte 10,5 volume-% niet overschrijden. h) De brandblusinstallatie mag geen onderdelen van aluminium bevatten Brandblusinstallatie die werkt met IG-541 In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die IG-541 als blusmiddel gebruiken, voldoen aan de volgende bepalingen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Elke tank die IG-541 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder veilig in de te beschermen ruimte wordt verspreid, indien de tank aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de inhoud kan worden gecontroleerd. d) De druk waaronder de tanks zijn gevuld mag bij +15 ºC niet meer bedragen dan 200 bar. e) De concentratie IG-541 voor de te beschermen ruimte moet ten minste 44% en niet meer dan 50% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden vrijgekomen zijn. \ Brandblusinstallaties die werken met FK In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die FK als blusmiddel gebruiken, voldoen aan de volgende bepalingen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie; b) Elke tank die FK bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de tank zich zonder gevaar in de te beschermen ruimte verspreidt, indien de tank aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld; c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd; d) De vullingsgraad van de tanks mag niet hoger zijn dan 1,00 kg/l. Voor het soortelijke volume van het uitgestroomde FK moet 0,0719 m 3 genomen worden; e) Het volume FK in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden vrijkomen; f) De tanks FK moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een onvoorzien verlies van blusmiddel een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Indien er geen stuurhuis is, moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld; g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte 10,0% niet overschrijden Vast ingebouwde brandblusinstallatie voor bescherming van objecten Om bescherming van objecten te verzekeren in machinekamers, ketelruimen en pompkamers worden permanente, vast ingebouwde brandblusinstallaties slechts toegelaten op grond van de aanbevelingen vanhet Administratief Comité De in voorgeschreven twee handblussers moeten zich in de ladingzone bevinden Blusmiddelen en hoeveelheden daarvan aanwezig in vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten geschikt zijn en voldoende voor het bestrijden van branden Vuur en onbeschermd licht De openingen van schoorstenen moeten zich ten minste 2,00 m buiten de ladingzone bevinden. Er moeten inrichtingen aanwezig zijn om het naar buiten treden van vonken en het binnendringen van water te voorkomen Voor verwarmings-, kook- en koeltoestellen mag noch van vloeibare brandstoffen noch van vloeibaar gas noch van vaste brandstoffen gebruik worden gemaakt.

213 Indien verwarmingstoestellen in de machinekamer of in een speciaal daarvoor geschikte ruimte zijn geïnstalleerd, mag echter gebruik gemaakt worden van vloeibare brandstoffen met een vlampunt hoger dan 55 C. Kook- en koeltoestellen zijn slechts in de woning toegelaten Er zijn slechts elektrische verlichtingsapparaten toegestaan Ladingverwarmingsinstallatie Verwarmingsketels gebruikt voor het verwarmen van de lading moeten worden gestookt met een vloeibare brandstof met een vlampunt hoger dan 55 C. Zij moeten of in de machinekamer of in een speciale onder dek en buiten de ladingzone gelegen en vanaf dek of vanuit de machinekamer toegankelijke ruimte zijn opgesteld Ladingverwarmingsinstallaties moeten zodanig zijn ontworpen, dat in geval van lekkages in de verwarmingsspiralen er geen lading in de ketel kan komen. Ladingverwarmingsinstallaties met kunstmatige trek moeten elektrisch worden aangestoken Bij het ontwerp van de installatie voor de ventilatie van de machinekamer moet rekening worden gehouden met het luchtverbruik voor de ketel Indien de ladingverwarmingsinstallatie gebruikt wordt tijdens het laden, lossen of ontgassen moet de dienstruimte, waarin deze installatie is opgesteld, volledig aan de voorschriften conform voldoen. Dit voorschrift is niet van toepassing op aanzuigopeningen van het ventilatiesysteem. Deze aanzuigopeningen moeten op een afstand van ten minste 2 m van de ladingzone en 6 m van openingen van de lading- of restladingtanks, ladingpompen aan dek, openingen van snelafblaasventielen of overdrukventielen en walaansluitingen van de laad- en losleidingen verwijderd en ten minste 2 m boven dek zijn gelegen. Tijdens het lossen van goederen met een vlampunt van 60 C of hoger hoeft niet te worden voldaan aan de voorschriften van , indien de temperatuur van het product ten minste 15 K onder het vlampunt ligt, (Gereserveerd) Documenten betreffende elektrische installaties In aanvulling op de voorgeschreven documenten op grond van de voorschriften waarnaar in wordt verwezen, moeten aan boord aanwezig zijn: a) een tekening waarop de grenzen van de ladingzone en de in deze zone geïnstalleerde elektrische uitrusting zijn aangegeven; b) een lijst van de onder letter a) bedoelde elektrische uitrusting met inbegrip van de volgende bijzonderheden: toestel of apparaat, plaats van opstelling, wijze van bescherming, soort bescherming tegen explosie, beproevingsinstantie en goedkeuringsnummer; c) een lijst of schema waarin de buiten de ladingzone aanwezige elektrische uitrusting is aangegeven die gedurende het laden, lossen en ontgassen mogen worden gebruikt. Alle andere toestellen moeten rood gemerkt zijn. Zie en De hierboven genoemde documenten moeten zijn voorzien van een stempel van de bevoegde autoriteit die het Certificaat van Goedkeuring afgeeft Elektrische inrichtingen Er zijn slechts verdeelsystemen zonder teruggeleiding via de scheepsromp toegestaan. Dit voorschrift is niet van toepassing op: - actieve kathodische bescherming tegen corrosie; - bepaalde plaatselijk begrensde en buiten de ladingzone gelegen installaties (b.v. aansluitingen voor starterinrichtingen van dieselmotoren); - de inrichting voor de controle van het isolatieniveau overeenkomstig In elk geïsoleerd verdeelsysteem moet een automatische voor de controle van het isolatieniveau met een optisch en akoestisch alarm zijn ingebouwd.

214 Voor de keuze van de elektrische uitrusting in een explosiegevaarlijke omgeving moet rekening worden gehouden met de - aan te vervoeren goederen toegekende - explosiegroepen en temperatuurklassen (zie hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (15) en (16)) Typen en plaats van de elektrische inrichtingen a) In ladingtanks, restladingtanks en in laad- en losleidingen mogen slechts worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 0): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het type bescherming EEx (ia). b) In kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten mogen slechts worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 1): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het "erkend veilige" type; - verlichting van de beschermingssoort "explosieveilige omhulling" of "overdruk omhulling"; - hermetisch gesloten echoloodsensoren, waarvan de kabels door een dikwandige stalen pijp, met gasdichte verbindingen tot boven het hoofddek gevoerd zijn; - kabels voor actieve katodische bescherming van de scheepshuid in beschermende stalen pijpen op een wijze als voorzien voor echoloodsensoren. De volgende apparaten mogen alleen worden geïnstalleerd in zijtanks en dubbele bodems wanneer zij voor het ballasten worden gebruikt: - Vast ingebouwde dompelpompen met temperatuurbewaking van het erkend veilige type. c) In de dienstruimten onder dek in de ladingzone mag slechts de volgende uitrusting worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 1): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het "erkend veilige" type; - verlichting van de beschermingssoort "explosieveilige omhulling" of "overdruk omhulling"; - motoren voor de aandrijving van noodzakelijke installaties zoals van ballastpompen met temperatuurbewaking. Zij moeten van het "erkend veilige" type zijn. d) De schakel- en beveiligingsinrichtingen van de onder paragraaf a), b) en c) hierboven genoemde installaties moeten buiten de ladingzone zijn gelegen indien zij niet intrinsiek veilig zijn uitgevoerd. e) Aan dek in de ladingzone moeten de elektrische inrichtingen van het "erkend veilige" type zijn (vergelijkbaar met zone 1) Accumulatoren moeten buiten de ladingzone zijn gelegen a) Elektrische inrichtingen, die worden gebruikt tijdens het laden, lossen of tijdens het ontgassen terwijl het schip is aangemeerd en die buiten de ladingzone zijn geplaatst, moeten ten minste van het "beperkt explosieveilige" type zijn (vergelijkbaar met zone 2). b) Deze bepaling is niet van toepassing op: i) verlichtinginstallaties in de woning met uitzondering van de schakelaars in de nabijheid van de toegang tot de woning; ii) radiotelefonie-installaties in de woning en het stuurhuis; iii) draagbare telefoons en vast geïnstalleerde telefooninstallaties in de woning en het stuurhuis; iv) elektrische inrichtingen in de woning, het stuurhuis of de dienstruimten buiten de ladingzone, indien: 1 deze ruimten zijn voorzien van een ventilatiesysteem dat een overdruk van ten minste 0,1 kpa (0,001 bar) garandeert en geen enkel raam geopend kan worden. De aanzuigopeningen van het ventilatiesysteem moeten zover mogelijk achter, ten minste 6,00 m van de ladingzone verwijderd en ten minste 2,00 m boven dek zijn gelegen; 2 een gasdetectie-installatie met sensoren moet in de ruimten aanwezig zijn: - in de aanzuigopeningen van het ventilatiesysteem; - direct onder de bovenzijde van de deurdrempel van toegangen tot de woning en dienstruimten; 3 de metingen moeten zonder onderbreking plaatsvinden; 4 de ventilatoren moeten uitgeschakeld worden zodra een concentratie van 20 % van de onderste explosiegrens wordt bereikt. In dit geval en, indien de overdruk niet wordt gehandhaafd of de gasdetectie-installatie uitvalt, moeten de elektrische inrichtingen die niet aan de onder letter a) genoemde voorwaarden voldoen, worden uitgeschakeld. Deze acties moeten direct en automatisch worden uitgevoerd en de noodverlichting in woning, stuurhuis en dienstruimten in werking stellen die ten minste aan het "beperkt explosieveilige" type voldoet. Het uitschakelen moet in de woning en in het stuurhuis optisch en akoestisch worden aangegeven;

215 5 het ventilatiesysteem, de gasdetectie-installatie en de uitschakelalarmering moeten volledig voldoen aan de onder letter a) genoemde voorschriften; 6 de automatische uitschakeling moet zodanig zijn ingesteld dat de automatische uitschakeling niet tijdens de vaart van het schip plaats kan vinden. v) AIS (automatisch identificatiesysteem)-stations voor binnenvaartschepen in de woning en het stuurhuis indien geen enkel onderdeel van een antenne voor elektronische apparatuur zich boven de ladingzone bevindt en er zich binnen 2 m van de ladingzone geen onderdelen van een VHFantenne voor een AIS bevinden Elektrische uitrusting, die niet aan de in gestelde voorschriften voldoen, evenals hun schakelaars, moeten rood zijn gemerkt. Het uitschakelen van deze uitrusting moet op een centrale plaats aan boord geschieden Een elektrische generator, die niet voldoet aan de in gestelde voorschriften, maar door een machine continu wordt aangedreven, moet zijn voorzien van een schakelaar die de bekrachtiging van de generator uitschakelt. Een bord met daarop de bedieningsvoorschriften moet bij de schakelaar zijn aangebracht Wandcontactdozen ten behoeve van het aansluiten van seinlichten en loopplankverlichting moeten in de onmiddellijke nabijheid van de mast waarin de seinen zijn aangebracht of van de loopplank permanent op het schip zijn aangebracht. Het insteken en het uittrekken van de stekkers mag slechts in spanningsloze toestand van de wandcontactdozen mogelijk zijn Uitval van de elektrische voeding van veiligheids- en controle-uitrusting moet direct door optische en akoestische signalering op de plaatsen waar de alarmering normalerwijze wordt ingeschakeld, worden aangegeven Aarding In de ladingzone moeten de bij normaal bedrijf niet onder spanning staande metalen delen van elektrische toestellen alsmede metalen bewapeningen en mantels van kabels zijn geaard, tenzij zij zodanig zijn aangebracht dat zij automatisch geaard zijn door de verbinding met de scheepsromp De bepalingen van zijn eveneens van toepassing op installaties met een bedrijfsspanning van lager dan 50 Volt Onafhankelijke ladingtanks, metalen IBC s en tankcontainers moeten zijn geaard Houders voor restproducten moeten geaard kunnen worden (Gereserveerd) Elektrische kabels Alle kabels in de ladingzone moeten zijn voorzien van een metalen omhulling Kabels en wandcontactdozen in de ladingzone moeten beschermd zijn tegen mechanische beschadiging Verplaatsbare kabels in de ladingzone zijn verboden, behalve ten behoeve van intrinsiek veilige stroomkringen of voor de aansluiting van seinlichten en loopplankverlichting Kabels voor intrinsiek veilige stroomkringen mogen slechts voor dergelijke stroomkringen worden gebruikt en moeten gescheiden zijn van andere kabels, die niet bedoeld zijn te worden gebruikt in dergelijke stroomkringen, zijn gelegd (b.v. niet in dezelfde kabelbundel gelegd en niet met behulp van gemeenschappelijke kabelbeugels vastgezet) Voor de verplaatsbare kabels voor de aansluiting van seinlichten en loopplankverlichting mogen slechts mantelleidingen van het type H 07 RN-F volgens norm IEC :1994 of kabels van ten minste gelijkwaardig ontwerp met een minimumdoorsnede van de geleidingsdraden van 1,5 mm² worden gebruikt. Deze kabels moeten zo kort mogelijk zijn en zodanig zijn gelegd, dat beschadiging onwaarschijnlijk is Kabels vereist voor de in b) en c) genoemde elektrische inrichtingen zijn in kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems, ladingtankruimten en dienstruimten onder dek toegestaan.

216 (Gereserveerd) Speciale uitrusting Het schip moet zijn voorzien van een douche en een oog- en gezichtsbad op een direct vanuit de ladingzone toegankelijke plaats (Gereserveerd) Toegang tot het schip De waarschuwingsborden met het toegangsverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn (Gereserveerd) Rookverbod, verbod van vuur en onbeschermd licht De waarschuwingsborden met het rookverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn Waarschuwingsborden die aangeven onder welke omstandigheden het verbod van toepassing is, moeten nabij de toegangen tot ruimten zijn aangebracht, waar roken of het gebruik van vuur of onbeschermd licht niet in alle gevallen is verboden In de woning en in het stuurhuis moet in de nabijheid van elke uitgang asbakken zijn aangebracht (Gereserveerd) Nooduitgang Ruimten, waarvan de toe- of uitgangen in beschadigde toestand waarschijnlijk deels of geheel onder water komen te staan, moeten zijn voorzien van een nooduitgang die ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking ligt. Dit voorschrift is niet van toepassing op de voor- en achterpiek (Gereserveerd) Constructievoorschriften voor tankschepen van het type N De voorschriften tot en met zijn van toepassing op tankschepen van het type N Constructiematerialen a) De scheepsromp en de ladingtanks moeten zijn vervaardigd van scheepsbouwstaal of van een ander, ten minste gelijkwaardig metaal. De onafhankelijke ladingtanks mogen ook van andere materialen worden vervaardigd, onder voorwaarde dat deze tenminste gelijkwaardige mechanische eigenschappen en bestendigheid tegen de inwerking van temperatuur of vuur bezitten. b) Alle delen van het schip inclusief inrichting en uitrusting, die met de lading in aanraking kunnen komen, moeten van materialen vervaardigd zijn die noch op gevaarlijke wijze door de lading aangetast kunnen worden of een ontleding van de lading kunnen veroorzaken noch ermee reageren zodat schadelijke of gevaarlijke verbindingen worden gevormd. Indien dit bij de classificatie en het onderzoek van het schip niet onderzocht kon worden, moet een voorbehoud dienaangaande worden opgenomen in de Scheepsstoffenlijst overeenkomstig c) Gasafvoerleidingen moeten inwendig tegen corrosie zijn beschermd Het gebruik van hout, aluminiumlegeringen of kunststoffen in de ladingzone is verboden voorzover dit niet in of in het Certificaat van Goedkeuring uitdrukkelijk is toegestaan a) Het gebruik van hout, aluminiumlegeringen of kunststoffen in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - loopplanken en buitenboordtrappen; - losse uitrustingsstukken (peilstokken van aluminium zijn echter toegestaan indien zij ter voorkoming

217 van vonkvorming van een messingvoet zijn voorzien of op andere wijze zijn beschermd); - de onderstopping van, van de scheepsromp onafhankelijke tanks, evenals voor de onderstopping van inrichtingen en uitrustingen; - masten en dergelijke rondhouten; - onderdelen van machines; - onderdelen van de elektrische inrichting; - onderdelen van de laad- en losinstallatie; - deksels van kisten aan dek. b) Het gebruik van hout of kunststoffen in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - stopblokken en diverse aanslagen. c) Het gebruik van kunststoffen of rubber in de ladingzone is slechts toegestaan voor: - bekleding van ladingtanks en laad- en losleidingen; - allerlei soorten afdichtingen (b.v. ten behoeve van domdeksels en luiken); - elektrische leidingen; - laad- en losslangassemblages; - isolering van ladingtanks en laad- en losleidingen; - fotokopieën van het Certificaat van Goedkeuring overeenkomstig of d) Alle in de woning en in het stuurhuis gebruikte vast ingebouwde materialen, met uitzondering van meubels, moeten moeilijk ontvlambaar zijn. In geval van brand mogen ze geen gevaarlijke hoeveelheid rook of giftig gas ontwikkelen De in de ladingzone gebruikte verf mag bij slag- of gelijksoortige belasting geen vonkvorming kunnen veroorzaken Het gebruik van kunststof voor bijboten is slechts toegestaan indien het materiaal moeilijk ontvlambaar is Scheepsdossier Opmerking: Ten behoeve van deze paragraaf wordt onder "eigenaar" hetzelfde verstaan als in De eigenaar moet het scheepsdossier bewaren en ter beschikking kunnen stellen op verzoek van de bevoegde autoriteit en het erkende classificatiebureau. Het scheepsdossier moet tijdens de gehele levensduur van het schip worden bijgehouden en geactualiseerd en zes maanden worden bewaard nadat het schip uit de vaart is genomen. Indien het schip tijdens zijn levensduur van eigenaar verandert moet het scheepsdossier aan de nieuwe eigenaar worden overgedragen. Exemplaren van het scheepsdossier of alle noodzakelijke documenten moeten op verzoek ter beschikking worden gesteld aan de bevoegde autoriteit voor de afgifte van het Certificaat van Goedkeuring alsmede aan het erkende classificatiebureau of de onderzoeksinstantie voor eerste inspectie, periodiek onderzoek, buitengewoon onderzoek of buitengewone controles (Gereserveerd) Classificatie Het tankschip moet onder toezicht van een erkend classificatiebureau in overeenstemming met de door dat classificatiebureau vastgestelde regels voor hun hoogste klasse zijn gebouwd en het tankschip moet dienovereenkomstig worden geclassificeerd. De hoogste klasse van het schip moet in stand worden gehouden. Dit moet worden bevestigd door middel van een passend certificaat dat door het erkende classificatiebureau wordt afgegeven (klassecertificaat). De ontwerpdruk en de beproevingsdruk van ladingtanks moeten in het certificaat worden opgenomen. Indien een schip ladingtanks heeft met verschillende openingsdrukken van ventielen moet de ontwerp- en beproevingsdruk van elke tank in het certificaat worden opgenomen. Het erkende classificatiebureau moet een Scheepsstoffenlijst opstellen waarin alle voor vervoer in het tankschip toegelaten gevaarlijke goederen zijn vermeld (zie ook ).

218 Pompkamers moeten bij elke vernieuwing van het Certificaat van Goedkeuring evenals in het derde jaar van de geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring door een erkend classificatiebureau worden onderzocht. Dit onderzoek moet ten minste omvatten: - onderzoek van het gehele systeem naar staat, corrosie, lekkage of niet goedgekeurde ombouw; - controle van de staat van de gasdetectie-installatie in de pompkamer. De door het erkend classificatiebureau ondertekende verklaringen omtrent het onderzoek van de pompkamers moeten aan boord aanwezig zijn. De verklaringen moeten ten minste het hierboven genoemde onderzoek en de daarbij behaalde resultaten evenals de datum van het onderzoek omvatten De toestand van de gasdetectie-installatie conform moet bij elke vernieuwing van het Certificaat van Goedkeuring evenals in het derde jaar van de geldigheidsduur van het Certificaat van Goedkeuring door een erkend classificatiebureau worden onderzocht. Een door het erkend classificatiebureau ondertekende verklaring moet aan boord zijn en Controle van de staat van de gasdetectie-installatie zijn niet van toepassing op type N open (Gereserveerd) Bescherming tegen het binnendringen van gassen Het schip moet zodanig zijn ontworpen dat het binnendringen van gassen in de woning en in de dienstruimten wordt voorkomen Buiten de ladingzone moet de onderkant van openingen van de deuren in de zijwanden van bovenbouwen en de drempels van toegangsluiken naar onderdekse ruimten ten minste 0,50 m boven dek liggen. Aan dit voorschrift hoeft niet te worden voldaan indien de naar de ladingzone toegekeerde wand van de bovenbouw van huid tot huid doorloopt en slechts is voorzien van doorgangsopeningen, waarbij de drempels van deze openingen ten minste 0,50 m hoog zijn. De hoogte van deze wand moet ten minste 2,00 m bedragen. De onderkant van openingen in de zijwanden van bovenbouwen en de bovenkant van de drempels van toegangsluiken, die zich achter de doorgetrokken dwarswand bevinden, moeten in dit geval ten minste 0,10 m boven dek liggen. Drempels van machinekamerdeuren en -toegangsluiken moeten echter altijd ten minste 0,50 m hoog zijn In de ladingzone moet de onderkant van openingen van deuren in de zijwanden van bovenbouwen ten minste 0,50 m boven dek liggen en de hoogte van de drempels van toegangsluiken naar onderdekse ruimten moet ten minste 0,50 m boven dek bedragen. Dit voorschrift is niet van toepassing op openingen van zijtanks en dubbele bodems Verschansingen, voetlijsten enz. moeten zijn voorzien van direct boven dek aangebrachte openingen van voldoende grootte tot en met hierboven zijn niet van toepassing op type N open Ladingtankruimten en ladingtanks a) De maximaal toelaatbare inhoud van een ladingtank wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel: L x B x H (m 3 ) Maximaal toelaatbare inhoud van een ladingtank (m 3 ) < > L x B x H x 0, (L x B x H - 600) x 0, Alternatieve constructies overeenkomstig zijn toegestaan. In bovenstaande tabel is L x B x H het product van de hoofdafmetingen van het tankschip in meters (volgens de meetbrief). Hierin is: L = totale lengte van de scheepsromp in m; B = grootste breedte van de scheepsromp in m;

219 H = kleinste verticale afstand tussen de onderzijde van de kiel en het laagste punt van het dek in de zijde van het schip (holte) in de ladingzone in m; Bij trunkdekschepen moet H door H' worden vervangen. H' wordt bepaald met behulp van de volgende formule: H' = H + (h t x b t/b x l t/l), waarin h t = hoogte van de trunk (afstand tussen trunkdek en hoofddek aan de zijde van de trunk op L/2 gemeten in m); b t = breedte van de trunk in m; l t = lengte van de trunk in m. b) Bij het ontwerp van de ladingtanks moet rekening worden gehouden met de relatieve dichtheid van de te vervoeren stoffen. De hoogste relatieve dichtheid moet in het Certificaat van Goedkeuring zijn vermeld. c) Indien het schip met druktanks is uitgerust moeten deze tanks ten minste voor een werkdruk van 400 kpa (4 bar) zijn ontworpen. d) Voor schepen met een lengte tot 50,00 m mag de ladingtanklengte 10,00 m niet overschrijden. Voor schepen met een lengte van meer dan 50,00 m mag de ladingtanklengte 0,20 L niet overschrijden. Deze bepaling is niet van toepassing op schepen met onafhankelijke, ingebouwde cilindrische ladingtanks met een verhouding van lengte tot diameter van a) Ladingtanks onafhankelijk van de romp van het schip moeten zo zijn vastgezet dat zij niet kunnen opdrijven. De bevestiging van gekoelde ladingtanks moet voldoen aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau b) De inhoud van een pompput mag niet meer dan 0,10 m 3 bedragen a) Ladingtanks moeten van de woning, de machinekamers en dienstruimten onder dek buiten de ladingzone of, indien deze woning, machinekamer en dienstruimten niet aanwezig zijn, van de scheepseinden door middel van kofferdammen met een minimale breedte van 0,60 m zijn gescheiden. Indien de ladingtanks in een ladingtankruimte zijn opgesteld moeten zij ten minste 0,50 m van de eindschotten van de ladingtankruimte verwijderd zijn. In dit geval wordt een eindschot, dat van een brandisolatie "A-60" volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, regel 3 is voorzien als gelijkwaardig aan een kofferdam beschouwd. De afstand van 0,50 m mag bij druktanks tot 0,20 m worden verlaagd. b) Ladingtankruimten, kofferdammen en ladingtanks moeten onderzocht kunnen worden. c) Alle ruimten in de ladingzone moeten geventileerd kunnen worden. Het moet mogelijk zijn om te controleren of zij gasvrij De schotten die de ladingtanks, de kofferdammen en de ladingtankruimten begrenzen moeten waterdicht zijn. De ladingtanks en de schotten die de ladingzone begrenzen, mogen onder dek geen openingen of doorvoeringen hebben. In het schot tussen machinekamer en kofferdam of dienstruimte in de ladingzone of tussen machinekamer en ladingtankruimte mogen doorvoeringen zijn aangebracht indien zij voldoen aan de in gestelde bepalingen. In het schot tussen ladingtank en pompkamer onder dek mogen doorvoeringen aanwezig zijn indien zij voldoen aan de in gestelde voorwaarden. In het schot tussen ladingtanks mogen doorvoeringen aanwezig zijn, indien de laad- en losleidingen in de ladingtank, waaruit zij komen, van een afsluiter zijn voorzien. Deze leidingen moeten ten minste 0,60 m boven de bodem worden aangebracht. De afsluiters moeten vanaf dek kunnen worden bediend Zijtanks en dubbele bodems in de ladingzone mogen slechts voor de opname van ballastwater zijn ingericht. Dubbele bodems mogen echter als brandstoftank worden gebruikt indien ze aan de voorschriften in voldoen a) De kofferdam, het middelste deel van een kofferdam of een andere onder dek in de ladingzone gelegen ruimte mag als dienstruimte zijn ingericht indien de schotten die de dienstruimte begrenzen verticaal tot op de bodem zijn aangebracht. Deze dienstruimte mag slechts vanaf dek toegankelijk zijn.

220 b) Een dergelijke dienstruimte moet met uitzondering van de toegangs- en ventilatieopeningen, waterdicht zijn. c) In de onder a) hierboven genoemde dienstruimten mogen geen laad- en losleidingen aanwezig zijn. In de pompkamers onder dek mogen laad- en losleidingen zijn aangebracht indien deze volledig voldoen aan de voorschriften in Indien onafhankelijke ladingtanks worden gebruikt, of bij een dubbelwandige constructie waarbij de ladingtanks zijn geïntegreerd in de opbouw van het schip moet de afstand tussen de wand van het schip en de wand van de ladingtanks niet minder zijn dan 0,60 m. De afstand tussen de bodem van het schip en de bodem van de ladingtank moet ten minste 0,50 m bedragen. Onder de pompputten mag de ruimte tot 0,40 m worden verlaagd. De verticale ruimte tussen de pompput van een ladingtank en de bodemversterkingen moet ten minste 0,10 m bedragen. Indien de ladingtankruimte voor de onafhankelijke ladingtanks dubbelwandig wordt uitgevoerd, zijn de hierboven genoemde afmetingen van toepassing op de dubbele wand. Indien in dit geval de minimale waarde conform voor een onderzoek van de onafhankelijke ladingtanks niet worden bereikt moeten de ladingtanks voor een onderzoek gemakkelijk kunnen worden uitgenomen Dienstruimten onder dek in de ladingzone moeten zodanig zijn ingericht dat zij gemakkelijk toegankelijk zijn en de daarin aanwezige bedrijfsuitrusting ook door personen die veiligheidskleding en adembescherming dragen, veilig bediend kunnen worden. Zij moeten zodanig zijn ontworpen, dat gewonde of bewusteloze personen zonder moeilijkheden uit dergelijke ruimten gehaald kunnen worden, zonodig met behulp van vast ingebouwde inrichtingen Kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems, ladingtanks, ladingtankruimten en andere betreedbare ruimten in de ladingzone moeten zodanig zijn ingericht, dat zij op passende wijze volledig onderzocht en gereinigd kunnen worden. Met uitzondering van zijtanks en dubbele bodems, indien zij geen gemeenschappelijke wand met de ladingtanks hebben, moeten toegangsopeningen zodanige afmetingen hebben dat een persoon die een ademhalings-apparaat draagt onbelemmerd in of uit de ruimte komen kan. Minimale grootte van de opening: 0,36 m²; lengte van de kleinste zijde: 0,50 m. ZIj moeten zodanig zijn ontworpen, dat gewonde of bewusteloze personen zonder bijzondere moeilijkheden van de bodem van een dergelijke ruimte gehaald kunnen worden, zo nodig met behulp van vast aangebrachte inrichtingen. De afstand tussen de versterkingen in deze ruimten mag niet minder dan 0,50 m bedragen. In de dubbele bodem mag deze afstand tot 0,45 m worden verminderd. Ladingtanks mogen van ronde openingen met een minimale diameter van 0,68 m zijn voorzien Randnummer c) is niet van toepassing op type N open Ventilatie In elke ladingtankruimte moeten twee openingen aanwezig zijn, waarvan de afmetingen en de plaats zodanig moeten zijn, dat doelmatige ventilatie op elke plaats van de ladingtankruimte mogelijk is. Indien deze openingen niet aanwezig zijn moet de ladingtankruimte met inert gas of droge lucht gevuld kunnen worden Zijtanks en dubbele bodems in de ladingzone, die niet zijn ingericht om met ballastwater te worden gevuld, ladingtankruimten en kofferdammen moeten zijn uitgerust met ventilatiesystemen Alle dienstruimten in de ladingzone onder dek gelegen moeten voorzien zijn van een systeem van geforceerde ventilatie met voldoende vermogen om te garanderen dat de lucht 20 keer per uur wordt ververst, gebaseerd op de inhoud van de ruimte. De afzuigkanalen van de ventilatie moeten tot op een afstand van 50 mm van de bodem van de dienstruimte reiken. De toevoeropeningen voor verse lucht moeten in het bovenste deel zijn gelegen; zij moeten zich niet lager dan 2,00 m boven het dek bevinden en op niet minder dan 2,00 m afstand van de

221 openingen van de ladingtanks en niet minder dan 6,00 m afstand van de uitlaatopeningen van veiligheidsventielen. De hiervoor in bepaalde gevallen benodigde verlengpijpen mogen klapbaar zijn. Aan boord van type N open schepen kunnen andere geschikte inrichtingen zonder ventilator voldoende zijn Woning en dienstruimten moeten geventileerd kunnen worden Ventilatoren in de ladingzone moeten zodanig zijn ontworpen dat vonkvorming bij aanraking van een schoepenblad met het ventilatorhuis evenals elektrostatische oplading is uitgesloten Bij ventilatieopeningen moeten borden zijn aangebracht, die de voorwaarden, wanneer zij gesloten moeten worden, aangeven. Alle ventilatieopeningen van woning en dienstruimten die naar buiten voeren, moeten voorzien zijn van vast aangebrachte brandkleppen. Deze ventilatieopeningen moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone verwijderd zijn gelegen. Ventilatieopeningen van dienstruimten in de ladingzone onder dek mogen wel in deze zone zijn gelegen Vlamkerende inrichtingen voorgeschreven in , , en moeten van een door de bevoegde autoriteit voor het beoogde doel goedgekeurd type zijn De randnummers , en zijn niet van toepassing op type N open Stabiliteit (Algemeen) Een voldoende stabiliteit moet zijn aangetoond. Voor enkelwandige schepen met ladingtankbreedten kleiner of gelijk aan 0,70 x B is het niet nodig deze aan te tonen De basiswaarden voor de stabiliteitsberekening - ledig scheepsgewicht en ligging van het zwaartepunt - moeten of door middel van een hellingproef of door middel van een gedetailleerde berekening van massa en moment worden bepaald. Hierbij moet het ledig scheepsgewicht door middel van een beproeving van het ledig gewicht worden gecontroleerd, waarbij het met behulp van de gewichtsberekening verkregen gewicht niet meer dan ± 5 % van het met behulp van de diepgangscontrole verkregen waterverplaatsing mag afwijken Voor de intactstabiliteit moet voor alle stadia van belading en lossing en voor de eindtoestand van de belading worden aangetoond dat deze voldoende is voor de relatieve dichtheid van alle in de Scheepsstoffenlijst conform vermelde stoffen die worden vervoerd. Voor elke beladingshandeling moet het schip, rekening houdend met de feitelijke vulling en drijfstand van ladingtanks, ballasttanks en compartimenten, drink- en afvalwatertanks en tanks met scheepsaandrijfstoffen, voldoen aan de vereisten voor stabiliteit in onbeschadigde en beschadigde toestand. Ook tussenstadia tijdens de handelingen moeten in aanmerking worden genomen. Het bewijs van voldoende stabiliteit moet voor elke bedrijfs-, beladings- en ballasttoestand worden weergegeven in het stabiliteitsboek, dat moet worden goedgekeurd door het erkende classificatiebureau dat het schip classificeert. Indien berekening vooraf van de bedrijfs-, beladings- en ballasttoestanden in de praktijk onuitvoerbaar is, moet een beladingscomputer worden geïnstalleerd en gebruikt dat de gegevens uit het stabiliteitsboek bevat. Deze beladingscomputer moet zijn goedgekeurd door het erkende classificatiebureau dat verantwoordelijk is voor de classificatie van het schip. Opmerking: De tekst van het stabiliteitsboek moet op een voor de verantwoordelijke schipper begrijpelijke wijze zijn geformuleerd. Het stabiliteitsboek moet de volgende gegevens bevatten: Algemene beschrijving van het schip: Algemene overzichten van inrichting en inhoud, met vermelding van de bestemming van compartimenten en ruimten (ladingtanks, opslagkamers, woning, enz.); Een schets waarop te zien is waar zich de diepgangsmerken ten opzichte van de loodlijnen van het schip bevinden; Een overzicht van de ballast-/lenspompinrichtingen en overvulbeveiligingssystemen; Hydrostatische krommen of tabellen voor de ontwerptrim en, indien aanzienlijke trimhoeken tijdens normaal bedrijf van het schip worden voorzien, krommen of tabellen voor een dergelijk trimbereik; Kruiscurven of -tabellen inzake stabiliteit berekend op basis van vrije vertrimming, voor het deplacement- en trimbereik dat bij normaal bedrijf wordt verwacht, met vermelding van de volumes

222 waarvoor een opwaartse druk is aangenomen; Echoloodtabellen of -krommen met gegevens omtrent inhoud, zwaartepunt en vrij oppervlak van alle ladingtanks, ballastanks en compartimenten, drink- en afvalwatertanks en tanks met scheepsaandrijfstoffen; Gegevens omtrent het ledig schip (gewicht en zwaartepunt), verkregen via een hellingproef of draagvermogensmeting in combinatie met gedetailleerde massabalans- of andere aanvaardbare metingen. Indien deze informatie van een zusterschip wordt afgeleid, moet duidelijk naar dat zusterschip worden verwezen en moet een kopie van het goedgekeurde hellingproefrapport betreffende dat zusterschip worden bijgevoegd; Een kopie van het goedgekeurde beproevingsrapport (bij te voegen); Bedrijfs- en beladingstoestanden met alle relevante details, zoals: - gegevens omtrent het ledig schip, tankvullingen, voorraden, bemanning en andere relevante zaken aan boord (massa en zwaartepunt voor elk item, momenten van vrij vloeistofoppervlak voor vloeibare lading); - diepgang midscheeps en op de loodlijnen; - metacenterhoogte gecorrigeerd voor het effect van vrije vloeistofoppervlakken; - waarden voor en kromme van de oprichtende hefboomarm; - langsscheepse buigmomenten en afschuifkrachten op uitleespunten; - informatie over openingen (locatie, soort dichtheid, middel van sluiting); en - informatie voor de schipper; Berekening van de invloed van ballastwater op de stabiliteit, met informatie omtrent de vraag of vaste niveau-meetinrichtingen voor ballasttanks en compartimenten moeten worden geïnstalleerd en of ballasttanks of compartimenten tijdens de reis volledig gevuld of volledig leeg moeten zijn Het drijfvermogen van het schip in beschadigde toestand moet voor de ongunstigste beladingstoestand worden aangetoond. Hierbij moet voor kritische stadia tijdens het vollopen en voor de eindtoestand van het vollopen, het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit worden geleverd Intactstabiliteit Bij schepen met onafhankelijke ladingtanks, en bij dubbelwandige schepen met ladingtanks die zijn geïntegreerd in de structuur van het schip, moet volledig worden voldaan aan de eisen voor intact stabiliteit verkregen uit de berekening van de lekstabiliteit Voor schepen met breedten van ladingtanks van meer dan 0,70 x B m moet worden aangetoond dat aan de volgende stabiliteitseisen is voldaan: a) Binnen het positieve deel van de kromme van statische armen tot het raken van het water van de eerste, niet spatwaterdicht afgesloten opening moet een oprichtende arm (GZ) van ten minste 0,10 m aanwezig zijn. b) Het oppervlak van het positieve deel van de kromme van statische armen tot het raken van het water van de eerste, niet spatwaterdicht afgesloten opening, echter maximaal tot een slagzijhoek van 27, mag niet kleiner zijn dan 0,024 m.rad. c) De metacenterhoogte (GM) moet ten minste 0,10 m bedragen. Aan deze eisen moet worden voldaan met inachtneming van de invloed van alle vrije vloeistofoppervlakken in de tanks voor alle stadia tijdens het laden en lossen Lekstabiliteit Bij schepen met onafhankelijke ladingtanks en bij dubbelwandige schepen waarbij ladingtanks zijn geïntegreerd in de constructie van het schip moeten voor de lekstabiliteit de volgende aannamen in acht worden genomen: a) Omvang van de schade aan een scheepszijde: langsscheeps: ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m, dwarsscheeps: 0,59 m binnenboords vanaf de zijkant van het schip tot de hartlijn, ter hoogte van de maximale diepgang of, indien van toepassing, de in sectie toegelaten afstand verminderd met 0,01 m; verticaal: vanaf de basis naar boven onbegrensd. b) Omvang van de beschadiging van de scheepsbodem: langsscheeps : ten minste 0,10 L, echter niet minder dan 5,00 m,

223 dwarsscheeps : 3,00 m; verticaal : vanaf de basis naar boven 0,49 m, lensput uitgezonderd. c) Alle in de beschadigingsomvang vallende schotten zijn als beschadigd te beschouwen, dat wil zeggen dat de schotindeling zo gekozen moet zijn dat het schip ook bij het vollopen van twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. De volgende bepalingen zijn van toepassing: - Bij een bodembeschadiging moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden beschouwd. - De onderkant van niet waterdicht afsluitbare openingen (b.v. van deuren, ramen, toegangsluiken) moet in de eindtoestand van het vollopen ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking liggen. - In het algemeen moet een permeabiliteit van 95 % worden aangenomen. Indien door een berekening wordt aangetoond dat in een of andere afdeling de gemiddelde permeabiliteit kleiner dan 95 % is, dan kan deze berekende waarde worden aangehouden. De volgende minimum waarden moeten echter worden gebruikt: - machinekamers: 85 % - bemanningsruimten: 95 % - dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks, enz. afhankelijk van het feit of deze tanks uit hoofde van hun functie bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95 % Voor de hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor de ééncompartimentsstandaard, d.w.z. machinekamereindschotten worden als niet beschadigd beschouwd Voor de tussenliggende toestand van het vollopen moet aan de volgende criteria zijn voldaan: GZ >= 0,03m Positieve deel GZ-kromme: 5. In de evenwichtstoestand (eindtoestand van het vollopen) mag de slagzij van het schip niet groter zijn dan 12. Niet waterdicht afgesloten openingen mogen pas vollopen na het bereiken van de evenwichtstoestand. Raken dergelijke openingen eerder het water dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden aangenomen. Uitgaande van de evenwichtstoestand moet het positieve deel van de kromme van statische armen een oprichtende arm van 0,05 m in relatie tot een oppervlak onder de kromme 0,0065 m.rad bezitten. Aan deze minimum waarde van de stabiliteit moet worden voldaan tot de eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening het water raakt, echter maximaal tot een slagzijhoek van 27 worden voldaan. Raken niet spatwaterdicht afgesloten openingen eerder het water, dan moeten de daarbij behorende ruimten in de stabiliteitsberekening als volgelopen worden beschouwd. < 12 statische arm > 0,05 m A A > 0,0065 [m. rad] Phi [ ] eerste niet spatwaterdicht afgesloten opening raakt het water, echter < 27 evenwichtstoestand eindtoestand Indien openingen, waardoor onbeschadigde afdelingen alsnog vol kunnen lopen, waterdicht kunnen worden afgesloten, dan moeten deze afsluitinrichtingen van dienovereenkomstige opschriften worden voorzien Indien dwars- of overloopopeningen ter vermindering van de asymmetrie van het vollopen worden aangebracht, dan moet het evenwicht binnen 15 minuten worden bereikt, indien in de tussenliggende

224 toestanden van vollopen stabiliteitswaarden zijn aangetoond, die voldoende zijn Machinekamers Verbrandingsmotoren voor de voortstuwing van het schip, alsmede verbrandingsmotoren die hulpwerktuigen aandrijven moeten buiten de ladingzone zijn aangebracht. Toegangen en andere openingen van machinekamers moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd De machinekamers moeten vanaf dek toegankelijk zijn. Toegangen mogen niet naar de ladingzone zijn gericht. Indien de deuren niet in een nis zijn aangebracht, waarvan de diepte ten minste gelijk is aan de breedte van de deur, moeten de scharnieren aan de zijde van de ladingzone zijn aangebracht De laatste zin van is niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten Woning en dienstruimten Woonruimten en het stuurhuis moeten buiten de ladingzone, achter het achterste verticale vlak of voor het voorste verticale vlak van het onderdeks gelegen deel van de ladingzone, zijn gelegen. Ramen van het stuurhuis, die ten minste 1,00 m boven de bodem van het stuurhuis liggen, mogen naar voren overhellen Toegangen tot ruimten en openingen in de opbouwen mogen niet naar de ladingzone zijn gericht. Scharnieren van deuren, die naar buiten geopend worden en niet in een nis zijn aangebracht waarvan de diepte ten minste gelijk is aan de breedte van de deur, moeten aan de zijde van de ladingzone zijn aangebracht Toegangen vanaf dek en openingen van ruimten naar buiten moeten kunnen worden gesloten. De volgende aanwijzing moet bij de toegang tot deze ruimten zijn aangebracht: Tijdens laden en lossen niet zonder toestemming van de schipper openen. Direct weer sluiten Toegangen en ramen in opbouwen en woonruimten die te openen zijn evenals andere openingen van deze ruimten moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn gelegen. Stuurhuisdeuren en -ramen mogen niet binnen 2,00 m van de ladingzone zijn gelegen behalve indien er geen directe verbinding tussen het stuurhuis en de woning bestaat a) Aandrijfassen van de lens- en ballastpompen in de ladingzone mogen door het schot tussen dienstruimte en machinekamer worden gevoerd onder voorwaarde dat de inrichting van de dienstruimte voldoet aan b) De doorvoering van de as door het schot moet gasdicht zijn en door een erkend classificatiebureau zijn toegelaten. c) De noodzakelijke bedrijfsvoorschriften moeten te zien zijn. d) Door het schot tussen machinekamer en dienstruimte in de ladingzone en het schot tussen machinekamer en ladingtankruimte mogen doorvoeringen voor elektrische kabels, hydraulische leidingen en pijpleidingen voor meet-, regel- en alarmsystemen worden aangebracht onder voorwaarde dat de doorvoeringen door een erkend classificatiebureau zijn toegelaten. De doorvoeringen moeten gasdicht zijn. Doorvoeringen door een schot met een brandisolatie A-60 volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, Regel 3, moeten een gelijkwaardige brandbeveiliging bezitten. e) Door het schot tussen machinekamer en dienstruimte in de ladingzone mogen pijpleidingen worden gevoerd onder voorwaarde dat het leidingen tussen mechanische installaties in de machinekamer en de dienstruimte betreft, die in de dienstruimte geen openingen bezitten en voorzien zijn van afsluitinrichtingen bij het schot in de machinekamer. f) Vanuit de machinekamer mogen, ongeacht , pijpleidingen door de dienstruimte in de ladingzone, door een kofferdam, door de ladingtankruimte of door de zijtank naar buiten worden gevoerd, onder voorwaarde dat zij in de dienstruimte, in de kofferdam, in de ladingtankruimte of in de zijtank van een in dikwandig type zijn en geen flensverbindingen of openingen bezitten. g) Indien een aandrijfas van een hulpwerktuig door een boven dek gelegen wand wordt gevoerd moet de doorvoering gasdicht zijn.

225 Een in de ladingzone onder dek gelegen dienstruimte mag niet als pompkamer voor de opstelling van een laad- losinstallatie worden gebruikt, behalve indien: - de pompkamer door middel van een kofferdam of een schot dat is voorzien van een brandisolatie "A- 60" volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, regel 3 of door een dienstruimte of een ladingtankruimte van de machinekamer of dienstruimten buiten de ladingzone gescheiden is; - het hierboven vereiste "A-60" schot geen doorvoeringen overeenkomstig a) bezit; - ventilatieopeningen ten minste 6,00 m van toegangen en openingen van de woning en de dienstruimten buiten de ladingzone verwijderd zijn gelegen; - toegangs- en ventilatieopeningen van buitenaf afsluitbaar zijn; - alle laad- en losleidingen, evenals de leidingen voor het nalenssysteem, aan de zuigzijde van de pomp in de pompkamer direct op het schot zijn voorzien van een afsluiter. De noodzakelijke bediening van de controle-inrichtingen in de pompkamer en het starten van de pompen evenals de noodzakelijke regeling van de noodzakelijke vloeistofstroom moet vanaf dek plaatsvinden; - de bilge van de ladingpompkamer uitgerust is met een inrichting voor het meten van het niveau, die uitgevoerd is met een optisch- en akoestisch alarm in het stuurhuis in werking stelt, indien er zich in de pompkamerbilge vloeistof verzamelt. - de ladingpompkamer van een vast ingebouwd gasdetectie-systeem is voorzien, dat de aanwezigheid van explosieve gassen evenals het gebrek aan zuurstof door middel van direct metende sensoren automatisch aangeeft en bij het bereiken van een gasconcentratie van 20% van de onderste explosiegrens een optisch- en akoestisch alarm in werking stelt. De sensoren van dit systeem moeten zich op geschikte plaatsen op de bodem en direct onder dek bevinden. De metingen moeten zonder onderbreking plaatsvinden. De akoestische en optische alarmsystemen moeten in het stuurhuis en de ladingpompkamer zijn geïnstalleerd en wanneer het alarmsysteem in werking treedt moet het de laad- en losinstallatie uitschakelen. Uitval van de gasdetectieinstallatie moet direct optisch en akoestisch in het stuurhuis worden gemeld; - Het in voorgeschreven ventilatiesysteem moet een capaciteit van ten minste dertigmaal luchtverversing van de inhoud van de dienstruimte per uur bezitten Bij de ingang van de pompkamer moet de volgende aanwijzing zijn aangebracht: Voor het betreden van de pompkamer deze op de aanwezigheid van gas alsmede op voldoende zuurstof controleren Deuren en toegangsopeningen niet zonder toestemming van de schipper openen Bij alarm de ruimte direct verlaten De randnummers g), en zijn niet van toepassing op type N open. De randnummers , laatste zin, , laatste zin en zijn niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten Inertgasinstallatie Indien inert maken of afdekken van de lading is voorgeschreven moet het schip uitgerust zijn met een inertgasinstallatie. Deze installatie moet in staat zijn een minimale druk van 7 kpa (0,07 bar) in de inert te maken ruimten te allen tijde te kunnen handhaven. Bovendien mag de inertgasinstallatie de druk in de ladingtank niet tot boven de insteldruk van het overdrukventiel verhogen. De insteldruk van het onderdrukventiel moet 3,5 kpa (0,035 bar) bedragen. Een voor het laden of lossen voldoende hoeveelheid inertgas moet aan boord worden meegevoerd of moet aan boord kunnen worden geproduceerd, voor zover het niet van de wal verkregen kan worden. Bovendien moet aan boord een voldoende hoeveelheid inertgas ter beschikking staan om de normale verliezen tijdens het vervoer te kunnen compenseren. De inert te maken ruimten moeten voorzien zijn van aansluitingen voor de toevoer van het inerte gas en van controlesystemen, waardoor continu de juiste atmosfeer behouden kan worden. Indien de druk of de concentratie van inert gas in de gasfase daalt onder een gegeven waarde, moet dit controlesysteem een akoestische en optisch alarm in het stuurhuis in werking stellen. Indien het stuurhuis niet bezet is moet het alarm ook waarneembaar zijn op een plaats die bezet is door een bemanningslid (Gereserveerd) Inrichting van de kofferdammen

226 Kofferdammen of compartimenten van kofferdammen, die overblijven wanneer een dienstruimte conform is ingericht, moeten via een toegangsluik toegankelijk zijn Kofferdammen moeten met behulp van een pomp met water gevuld en geleegd kunnen worden. Het vullen moet binnen 30 minuten plaats kunnen vinden. Deze eisen zijn niet van toepassing, indien het schot tussen machinekamer en kofferdam voorzien is van een brandisolatie A-16 volgens SOLAS 74 hoofdstuk II-2, Regel 3. Kofferdammen mogen niet zijn voorzien van een oploopafsluiter/inlaatklep Kofferdammen mogen niet via een vast aangebrachte leiding met een andere leiding van het schip, buiten de ladingzone, zijn verbonden Wanneer op de lijst van stoffen aan boord van het schip overeenkomstig stoffen zijn opgenomen waarvoor conform hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is voorgeschreven, moeten de ventilatieopeningen van de kofferdammen zijn voorzien van een vlamkerende inrichting Randnummer is niet van toepassing op type N open. Randnummer is niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten Veiligheids- en controle-inrichtingen Ladingtanks moeten zijn voorzien van de volgende uitrusting: a) een merkteken in de tank dat het vloeistofniveau van 97% aangeeft; b) een niveau-meetinrichting; c) een niveau-alarminrichting die uiterlijk bij een vullingsgraad van 90% in werking treedt; d) een niveau-sensor voor het inschakelen van de overvulbeveiliging die uiterlijk bij een vullingsgraad van 97,5% in werking treedt; e) een instrument voor het meten van de druk in de dampfase van de ladingtank; f) een instrument voor het meten van de temperatuur van de lading, indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (9) een ladingverwarmingsinstallatie of in kolom (20) een maximale hoogste temperatuur is voorgeschreven; g) een aansluiting voor een gesloten of deels gesloten monstername-inrichting en/of ten minste één monstername-opening, zoals voorgeschreven in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (13) Wanneer de vullingsgraad in procenten is vastgesteld, is een afwijking van niet meer dan 0,5 % toegestaan. Deze moet worden berekend op grond de totale inhoud van de ladingtank inclusief de expansietrunk De meetinrichting moet kunnen worden afgelezen vanaf de plaats waar de afsluiters van de betreffende ladingtank worden bediend. De maximale vullingsgraad van de ladingtank moet op elke meetinrichting zijn aangegeven. De over- en onderdruk moet te allen tijde kunnen worden afgelezen vanaf een plaats waar het laden of lossen onderbroken kan worden. Het maximaal toelaatbare niveau van vulling van 95% en 97%, zoals vermeld in de Scheepsstoffenlijst, moet bij elke meetinrichting zijn aangegeven. Het aflezen moet onder alle weersomstandigheden mogelijk zijn De niveau-alarminrichting moet aan boord een optisch- en akoestisch alarm afgeven indien deze in werking wordt gesteld. De niveau-alarminrichting moet onafhankelijk zijn van de niveau-meetinrichting a) De niveau-sensor overeenkomstig d) moet een optisch- en akoestisch alarm aan boord inschakelen en tegelijkertijd een elektrisch contact aanspreken, dat als binair signaal de door de walinstallatie gegeven en gevoede stroomkring kan onderbreken en zo aan de walzijde maatregelen tegen het overlopen tijdens het laden kan inleiden. Het signaal moet aan de walinstallatie door middel van een tweepolige waterdichte apparatenstekker van een koppelingsinrichting overeenkomstig de norm EN : A1: A2:2012 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur, worden overgebracht. De stekker moet in de directe omgeving van de walaansluiting van de laad- en losleidingen permanent op het schip zijn aangebracht. De niveau-sensor moet ook in staat zijn de eigen lospomp van het schip uit te schakelen. De niveau-sensor moet onafhankelijk zijn van de niveau-alarminrichting, maar mag gekoppeld zijn aan

227 de niveau-meetinrichting. b) Aan boord van bilgeboten moet de sensor overeenkomstig d) aan boord een optisch- en akoestisch alarm in werking stellen en de pomp, die voor het zuigen van het bilgewater wordt gebruikt, uitschakelen. c) Bunkerboten of andere schepen, die scheepsaandrijfstoffen kunnen afgeven, moeten zijn uitgerust met een afgifte-inrichting die compatibel is met de koppeling als bedoeld in de Europese norm EN 12827:1999 en met een snelsluitinrichting, die het mogelijk maakt het bunkeren te onderbreken. Deze snelsluitinrichting moet met behulp van een elektrisch signaal van het overvulbeveiligingssysteem kunnen worden gesloten. Stroomkringen voor de besturing van de snelsluitinrichting moeten overeenkomstig het ruststroom principe zijn beveiligd of door middel van andere geschikte maatregelen voor het signaleren van fouten worden geregeld. Stroomkringen, die niet volgens het ruststroom principe kunnen worden geschakeld, moeten met betrekking tot hun goede werking gemakkelijk te controleren zijn. De snelsluitinrichting moet onafhankelijk van het elektrische signaal kunnen worden gesloten. De snelsluitinrichting moet aan boord een optisch en akoestisch alarm in werking stellen. d) Tijdens het lossen met de lospomp aan boord moet deze door de walinstallatie kunnen worden uitgeschakeld. Hiervoor moet een aparte, door de boordinstallatie gevoede, intrinsiek veilige stroomkring door de walinstallatie door middel van een elektrisch contact worden onderbroken. Het binaire signaal van de walinstallatie moet door middel van een twee-polige, waterdichte wandcontactdoos van een koppelingsinrichting conform de norm EN : A1: A2:2012 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur, worden overgebracht. De wandcontactdoos moet in de directe omgeving van de walaansluiting van de losleidingen permanent op het schip zijn aangebracht De optische en akoestische signalen afgegeven door de niveaualarminrichting en van de niveau-sensor moeten duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Het optisch alarm moet vanaf elke plaats waar de afsluiters van de ladingtanks worden bediend zichtbaar zijn. De functie van de sensoren en stroomkringen moet eenvoudig te controleren zijn of ze moeten voldoen aan de uitvoering "failsafe" (intrinsiek veilige apparatuur) De instrumenten voor het meten van de over- en onderdruk in de gasfase van de ladingtank en de temperatuur van de lading moeten bij het overschrijden van een ingestelde druk of een ingestelde temperatuur in het stuurhuis een optisch- en akoestisch alarm in werking stellen. Indien het stuurhuis niet bezet is moet het alarm ook op een door een bemanningslid bezette plaats waarneembaar zijn. Tijdens het laden en lossen moet het instrument voor het meten van de druk bij het overschrijden van de ingestelde waarde tegelijkertijd een elektrisch contact doen aanspreken, dat door middel van de in genoemde stekker het mogelijk maakt maatregelen te nemen, waardoor het laden of lossen wordt onderbroken. Bij gebruik van de lospomp van het schip moet deze automatisch worden uitgeschakeld. Het instrument voor het meten van de over- en onderdruk moet uiterlijk bij een overdruk van 1,15 maal de openingsdruk van de snelafblaasventielen en uiterlijk bij de ontwerponderdruk, zonder echter 5 kpa te overschrijden, het alarm in werking stellen. De maximaal toelaatbare temperatuur is in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) opgenomen. De sensoren van de in deze paragraaf genoemde alarmen mogen verbonden zijn met de alarminrichting van de sensor. Indien dit in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) wordt voorgeschreven, moet het instrument voor het meten van de overdruk in de gasfase bij het overschrijden van 40 kpa tijdens de vaart een optisch- en akoestisch alarm in het stuurhuis in werking stellen. Indien het stuurhuis niet bezet is moet dit alarm ook op een door een bemanningslid bezette plaats waarneembaar zijn Indien de schakelelementen van de afsluiters van de ladingtanks zich in een controleruimte bevinden, moeten in de controleruimte de ladingpompen kunnen worden uitgeschakeld en de niveaumeetinrichtingen kunnen worden afgelezen. De optische- en akoestische alarmen van de niveau-alarminrichting, van de niveau-sensor overeenkomstig d) en van de instrumenten voor het meten van de druk en de temperatuur in de lading moeten zowel in de controleruimte als aan dek waarneembaar zijn. Voldoende toezicht op de ladingzone vanuit de controleruimte moet gewaarborgd zijn Randnummers e) en met betrekking tot de drukmeting zijn niet van toepassing op type N open met vlamkerend rooster en type N open. Randnummers b), c) en g), en zijn niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten.

228 Aan boord van tankschepen van het type N open is een vlamkerend rooster in de monstername-opening niet vereist. Randnummers f) en zijn niet van toepassing op bunkerboten. Randnummer a) is niet van toepassing op bilgeboten Bij het vervoer van gekoelde stoffen moet de openingsdruk van de veiligheidsinrichting worden bepaald door de uitvoering van de ladingtank. Bij het vervoer van stoffen die gekoeld vervoerd moeten worden, moet de openingsdruk van de veiligheidsinrichting ten minste 25 kpa (0,25 bar) hoger zijn dan de hoogste druk berekend overeenkomstig Openingen van de ladingtanks a) Ladingtankopeningen moeten zich op het dek in de ladingzone bevinden. b) Ladingtankopeningen met een doorsnede van meer dan 0,10 m² en openingen van veiligheidsinrichtingen, die overdrukken voorkomen, moeten zich ten minste 0,50 m boven dek bevinden Ladingtankopeningen moeten van gasdichte afsluitingen zijn voorzien, die voldoen aan de beproevingsdruk overeenkomstig Afsluitmiddelen, die normaal tijdens het laden en lossen worden gebruikt, mogen, wanneer zij bediend worden, geen vonken veroorzaken a) Elke ladingtank of elke groep van ladingtanks, die door middel van een gasafvoerleiding met elkaar zijn verbonden, moet voorzien zijn van veiligheidsinrichtingen die ontoelaatbare over- en onderdrukken voorkomen. Deze veiligheidsinrichtingen moet als volgt zijn uitgevoerd: Voor type N open: - veiligheidsinrichtingen, die zodanig zijn ontworpen, dat elke ophoping van water en het binnendringen van water in de ladingtanks wordt voorkomen. Voor type N open met vlamkerende inrichtingen: - veiligheidsinrichtingen, die voorzien zijn van vlamkerende inrichtingen die bestand zijn tegen een langdurige brand en zodanig zijn ontworpen, dat elke ophoping van water en het binnendringen van water in de ladingtanks wordt voorkomen. Voor type N gesloten: - veiligheidsinrichtingen die ontoelaatbare over- en onderdrukken voorkomen. Indien volgens hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, moet het onderdrukventiel zijn voorzien van een vlamkerende inrichting die een deflagratie kan weerstaan en het overdrukventiel zijn voorzien van een snelafblaasventiel, dat een langdurige brand kan weerstaan. De gassen moeten naar boven worden afgevoerd. De openingsdruk van het snelafblaasventiel en het onderdrukventiel moet op het ventiel onuitwisbaar zijn aangegeven; - een aansluiting voor het veilig terugvoeren van de bij het laden verdreven gassen naar de walinstallatie; - een inrichting om de ladingtanks op veilige wijze drukloos te maken. Wanneer de Scheepsstoffenlijst overeenkomstig stoffen zijn opgenomen waarvoor conform hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is voorgeschreven, moet de inrichting ten minste bestaan uit een vlamkerend rooster dat bestand is tegen een langdurige brand, en een afsluiter waaraan duidelijk herkenbaar is of hij open of gesloten is. b) Openingen van snelafblaasventielen moeten ten minste 2,00 m boven dek en ten minste 6,00 m van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten zijn gelegen. Deze hoogte kan worden verminderd, indien in een gebied met een straal van 1,00 m rondom de uitstroomopening van het overdrukventiel geen apparatuur aanwezig is, geen werkzaamheden worden uitgevoerd en dit gebied is aangegeven met borden. Snelafblaasventielen moeten zo zijn ingesteld dat zij zich tijdens het vervoersproces pas bij het bereiken van de hoogst toelaatbare werkdruk van de ladingtanks afblazen a) Een gasafvoerleiding, die twee of meer ladingtanks met elkaar verbindt, moet, indien in hoofdstuk 3.2,

229 Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, aan elke inlaatopening in de ladingtank voorzien zijn van een vlamkerende inrichting met een vast of veerbelast vlamkerend rooster die een detonatie kan weerstaan,. De uitrusting kan bestaan uit: i) een vlamkerende inrichting voorzien van een vast vlamkerend rooster, waarbij elke ladingtank is voorzien van een onderdrukventiel dat bestand is tegen een deflagratie en een snelafblaasventiel dat bestand is tegen een langdurige brand; ii) een vlamkerende inrichting voorzien van een veerbelast vlamkerend rooster, waarbij elke ladingtank is voorzien van een onderdrukventiel dat bestand is tegen een deflagratie; iii) een vlamkerende inrichting voorzien van een vast of veerbelast vlamkerendrooster; iv) een vlamkerende inrichting voorzien van een vast vlamkerend rooster, waarbij de inrichting voor het meten van de druk moet zijn voorzien van een alarminrichting overeenkomstig v) (Geschrapt) In ladingtanks, die aan een gemeenschappelijke gasafvoerleiding zijn aangesloten, mogen tegelijkertijd slechts die stoffen worden vervoerd, die niet mengbaar zijn en niet gevaarlijk met elkaar reageren. of, b) Een gasafvoerleiding, die twee of meer ladingtanks met elkaar verbindt, moet, indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, aan elke inlaatopening naar de ladingtank voorzien zijn van een over/onderdrukventiel, met een vlamkerende inrichting die bestand is tegen detonatie/deflagratie. In ladingtanks, die aan een gemeenschappelijke gasafvoerleiding zijn aangesloten, mogen tegelijkertijd slechts goederen worden vervoerd, die niet mengbaar zijn en die niet gevaarlijk met elkaar reageren. of, c) Iedere ladingtank heeft een onafhankelijke gasafvoerleiding die, indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, voorzien is van een over/onderdrukventiel dat bestand is tegen een deflagratie en een snelafblaasventiel dat bestand is tegen een langdurige brand. Er mogen tegelijkertijd meerdere verschillende stoffen worden vervoerd. of, d) Een gasafvoerleiding, die twee of meer ladingtanks met elkaar verbindt, moet, indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, aan elke inlaatopening naar de ladingtank voorzien zijn van een afsluiter die bestand is tegen een detonatie, waarbij elke ladingtank is voorzien van een onderdrukventiel dat bestand is tegen een deflagratie en een snelafblaasventiel dat bestand is tegen een langdurige brand. In ladingtanks, die aan een gemeenschappelijke gasafvoerleiding zijn aangesloten, mogen tegelijkertijd slechts stoffen worden vervoerd, die niet mengbaar zijn en niet gevaarlijk met elkaar reageren Randnummers , b) en zijn niet van toepassing op type N open met vlamkerende roosters en type N open. Randnummer is niet van toepassing op type N open Beproeving onder druk Ladingtanks, restladingtanks, kofferdammen en laad- en losleidingen moeten de eerste maal vóór de indienststelling en daarna binnen voorgeschreven termijnen worden beproefd. Indien in de ladingtanks een verwarmingssysteem aanwezig is moeten de verwarmingsspiralen de eerste maal vóór de indienststelling en daarna binnen voorgeschreven termijnen worden beproefd De beproevingsdruk van de ladingtanks en de restladingtanks moet ten minste het 1,3-voudige van de ontwerpdruk bedragen. De beproevingsdruk voor de kofferdammen en open ladingtanks moet ten minste 10 kpa (0,10 bar) overdruk bedragen De beproevingsdruk van de laad- en losleidingen moet ten minste 1000 kpa (10 bar) overdruk bedragen De maximale termijnen voor de periodieke beproevingen moeten elf jaar bedragen De procedure voor de beproeving onder druk moet voldoen aan de bepalingen die door de bevoegde autoriteit of een erkend classificatiebureau zijn vastgesteld Regeling van de druk en temperatuur van de lading Behalve indien het complete ladingsysteem is ontworpen om weerstand te bieden tegen de totale dampdruk bij de maximale ontwerpwaarden voor de omgevingstemperatuur, moet de druk in de ladingtanks beneden de maximaal toelaatbare openingsdruk van de veiligheidsventielen worden gehouden met behulp van één of meer van de volgende methoden: a) een systeem dat de druk in de ladingtank met behulp van mechanische koeling regelt;

230 b) een systeem dat bij opwarming of drukverhoging van de lading de veiligheid garandeert. De isolatie of de ontwerpdruk van de ladingtank of de combinatie van deze twee elementen moeten een passende marge met het oog op werkingsduur en de te verwachten temperaturen garanderen. Het systeem moet in elk afzonderlijk geval door een erkend classificatiebureau geacht acceptabel te zijn en moet de veiligheid waarborgen gedurende een tijdsduur van ten minste drie maal de werkingsduur. c) andere door een erkend classificatiebureau acceptabel geachte systemen De in voorgeschreven systemen moeten tot tevredenheid van het erkend classificatiebureau worden uitgevoerd, ingebouwd en beproefd. De constructiematerialen moeten voor de te vervoeren stof geschikt zijn. Voor het normale bedrijf moeten de maximale ontwerpgrenswaarden voor de omgevingstemperatuur zijn: luchttemperatuur: watertemperatuur: + 30 ºC, + 20 ºC Het ladingtanksysteem moet de totale dampdruk van de lading bij de maximale waarden van de ontwerpomgevingstemperaturen kunnen weerstaan, welk systeem ook gebruikt wordt dat met de boil off werkt. Dit voorschrift is in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (20) aangegeven met aantekening Pompen en leidingen a) Pompen, compressoren en bijbehorende laad- en losleidingen moeten in de ladingzone zijn gelegen. b) Ladingpompen moeten in de ladingzone en bovendien vanaf een plaats buiten de zone kunnen worden uitgeschakeld. c) Ladingpompen aan dek moeten ten minste 6,00 m van toegangen tot en openingen van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten zijn verwijderd a) Laad- en losleidingen moeten onafhankelijk zijn van elke andere leiding van het schip. Onder dek mogen geen productvoerende leidingen aanwezig zijn met uitzondering van het inwendige van de ladingtank en de pompkamer. b) Laad- en losleidingen moeten zodanig zijn aangebracht, dat na het laden of lossen, de in die leidingen achterblijvende vloeistof op veilige wijze verwijderd kan worden en ofwel in de ladingtanks of in de landtanks kan stromen. c) Laad- en losleidingen moeten duidelijk van de overige leidingen zijn te onderscheiden, bijvoorbeeld door een kenmerking met kleuren. d) (Gereserveerd) e) Walaansluitingen moeten ten minste 6,00 m van toegangen en openingen van de woning en van buiten de ladingzone gelegen dienstruimten zijn verwijderd. f) Alle walaansluitingen van de gasafvoerleiding en de walaansluitingen van de laad- en losleidingen, waardoor geladen of gelost wordt, moeten van een afsluiter zijn voorzien. Alle walaansluitingen moeten echter, indien zij niet in gebruik zijn, voorzien zijn van een blindflens. g) (Geschrapt) h) Laad- en losleidingen en gasafvoerleidingen mogen niet zijn voorzien van flexibele verbindingen met schuifafsluitingen De in en e) genoemde afstand kan tot 3,00 m worden verlaagd indien aan het einde van de ladingzone een dwarsschot conform is aangebracht. De doorgangsopeningen moeten in dit geval zijn voorzien van deuren. Op deze deuren moet de volgende aanwijzing zijn aangebracht: Tijdens het laden of lossen niet zonder toestemming van de schipper openen. Direct weer sluiten a) Alle onderdelen van de laad- en losleidingen moeten elektrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden. b) De laadleidingen moeten tot nabij de bodem van de ladingtanks reiken Het moet herkenbaar zijn of afsluiters en andere afsluitinrichtingen van de laad- en losleidingen open of gesloten zijn Laad- en losleidingen moeten bij de beproevingsdruk de vereiste buigzaamheid, lekdichtheid en drukbestendigheid bezitten.

231 De laad- en losleidingen moeten bij de persopeningen van de pompen voorzien zijn van manometers. De maximaal toelaatbare over- en onderdruk moet bij elke inrichting zijn aangegeven. Het aflezen moet onder alle weersomstandigheden mogelijk zijn a) Indien de laad- en losleidingen worden gebruikt om waswater of ballastwater naar de ladingtanks te voeren, moeten de voor het aanzuigen noodzakelijke aansluitingen zich in de ladingzone, doch buiten de ladingtanks bevinden. Pompen ten behoeve van tankwassystemen met de bijbehorende aansluitingen kunnen buiten de ladingzone zijn gelegen indien de afvoerzijde van het systeem zodanig is uitgevoerd dat via deze leidingen niet kan worden aangezogen. Een veerbelaste terugslagklep moet zijn aangebracht om te verhinderen dat gassen via het wassysteem buiten de ladingzone worden verdreven. b) De voor het aanzuigen van het water bestemde pijpleiding moet bij de verbinding met de laadleiding voorzien zijn van een terugslagklep De toelaatbare laad- en lossnelheden moeten worden berekend. Voor tankschepen van het type N open met vlamkerende inrichtingen en type N open zijn de laad- en los-stroomsnelheden afhankelijk van de totale dwarsdoorsnede van de ontluchtingsleidingen. ` Deze berekeningen hebben betrekking op het hoogste debiet bij laden en lossen voor elke ladingtank of groep van ladingtanks, rekening houdend met het ontwerp van het ontluchtingssysteem. Bij deze berekeningen moet ermee rekening worden gehouden dat bij een onverwachte afsluiting van de gasterugvoerleiding van de walinstallatie de veiligheidssystemen van de ladingtanks voorkomen dat de druk in de ladingtanks de hierna vermelde waarden overschrijdt: Overdruk: 115% van de openingsdruk van het snelafblaasventiel. Onderdruk: niet hoger dan de onderdruk voor de constructie, zonder echter 5 kpa (0,05 bar) te overschrijden. De belangrijkste factoren, die beschouwd moeten worden zijn: 1. de afmetingen van het ontluchtingssysteem van de ladingtank; 2. de gasontwikkeling tijdens het laden: vermenigvuldig de hoogste laaddebiet met een factor van ten minste 1,25; 3. de dichtheid van het dampmengsel van de lading gebaseerd op 50 vol.-% damp en 50 vol.-% lucht; 4. het drukverlies in de ontluchtingsleidingen en door ventielen en fittingen. Hierbij moet met een verstopping van 30% van het vlamkerende rooster rekening worden gehouden; 5. de blokkeerdruk van de veiligheidsventielen. De maximaal toelaatbare laad- en losdruk per ladingtank of per groep van ladingtanks moet in een instructie aan boord worden aangegeven Perslucht die buiten de ladingzone of het stuurhuis wordt gegenereerd, kan in de ladingzone worden gebruikt mits er een veerbelaste terugslagklep is geïnstalleerd om te voorkomen dat gassen uit de ladingzone via het persluchtsysteem in woon- of dienstruimten buiten de ladingzone kunnen komen Indien het schip verscheidene gevaarlijke stoffen vervoert, die gevaarlijk met elkaar kunnen reageren, moet voor elke stof een aparte pomp en de daarbij behorende laad- en losleidingen geïnstalleerd zijn. De leidingen mogen niet door een ladingtank worden gevoerd, die gevaarlijke stoffen bevat, waarmee de stof kan reageren Randnummers a) en c), a), laatste zin en e), en a) zijn niet van toepassing op type N open, behalve indien de vervoerde stof bijtende eigenschappen bezit (zie hoofdstuk 3.2, Tabel C, Kolom (5), gevaar 8). Randnummer b) is niet van toepassing op type N open. Randnummers f), laatste zin, g), a), laatste zin en zijn niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten. Randnummer is niet van toepassing op bilgeboten. Randnummer h) is niet van toepassing op bunkerboten Tanks en houders voor restproducten en houders voor slobs Indien schepen zijn voorzien van een tank voor restproducten moet deze voldoen aan de voorschriften van en Houders voor restproducten en houders voor slobs mogen alleen worden geplaatst in de ladingzone. Tijdens het vullen van de houders voor restproducten moeten onder de voor het laden gebruikte aansluitingen voorzieningen zijn aangebracht om eventueel gelekte vloeistoffen te verzamelen Houders voor slobs moeten vuurbestendig zijn en met deksels afgesloten kunnen worden (vaten met afneembaar deksel, code 1A2, ADR). De houders voor slobs moeten gekenmerkt en goed hanteerbaar

232 zijn De maximaal toelaatbare inhoud van een tank voor restproducten bedraagt 30 m Tanks voor restproducten moeten zijn voorzien van: - in geval van een open systeem: - een drukvereveningsinrichting; - een peilopening; - aansluitingen voorzien van afsluiters voor leidingen en slangassemblages. - in geval van een beschermd systeem: - een drukvereveningsinrichting met een vlamkering die bestand is tegen een langdurige brand; - een peilopening; - aansluitingen voorzien van afsluiters voor leidingen en slangassemblages. - in geval van een gesloten systeem: - een onderdrukventiel en een snelafblaasventiel. Het snelafblaasventiel moet zo zijn ingesteld dat het tijdens het vervoer onder normale omstandigheden niet open gaat. Aan deze voorwaarde is voldaan indien de openingsdruk van het ventiel voldoet aan de voorwaarden voor de te vervoeren stof conform hoofdstuk 3.2, Tabel C, Kolom (10). Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, Kolom (17) explosiebescherming is vereist moet het onderdrukventiel bestand zijn tegen deflagraties en het snelafblaasventiel tegen een langdrurige brand; - een inrichting voor het meten van de vullingsgraad; - aansluitingen voorzien van afsluiters voor leidingen en slangassemblages. Houders voor restproducten moeten zijn uitgerust met: - een aansluiting om tijdens het vullen de uittredende gassen op veilige wijze af te kunnen voeren; - een mogelijkheid voor het aangeven van de vullingsgraad; - aansluitingen voorzien van afsluiters voor leidingen en slangassemblages. Houders voor restproducten mogen alleen met het gasafvoerleiding van de ladingtanks zijn verbonden gedurende de tijd, die voor het vullen conform noodzakelijk is. Houders voor restproducten en houders voor slobs aan dek moeten zich ten minste op een afstand van één vierde van de scheepsbreedte van de scheepshuid bevinden Randnummers , en zijn niet van toepassing op bilgeboten Koelinstallatie Een koelinstallatie overeenkomstig a) moet uit één of meerdere eenheden bestaan, die de druk en de temperatuur van de lading bij de maximale ontwerpwaarden van de omgevingstemperatuur op het voorgeschreven niveau kan houden. Indien geen alternatieve maatregelen voor de druk- en temperatuurregeling van de lading die voldoende geacht worden door een erkend classificatiebureau worden voorzien, moet in een of meer reserve-eenheden worden voorzien, die ten minste dezelfde capaciteit bezitten als de grootste voorgeschreven eenheid. Een reserve-eenheid moet bestaan uit een compressor inclusief aandrijfmotor, regelsysteem en alle noodzakelijke uitrustingen om een van de normale eenheid onafhankelijke werking mogelijk te maken. Er moet in een reserve-warmtewisselaar worden voorzien tenzij de voor het normale bedrijf aanwezige warmtewisselaar een overcapaciteit bezit van ten minste 25 % van de grootste vereiste capaciteit. Gescheiden pijpleidingsystemen zijn niet nodig. Ladingtanks, pijpleidingen en toebehoren moeten zodanig zijn geïsoleerd dat bij uitval van alle koelinstallaties de totale lading ten minste 52 uur in een toestand blijft waarbij de veiligheidsventielen zich niet openen Veiligheidsinrichtingen en verbindingsleidingen vanaf de koelinstallatie moeten boven de vloeistoffase van de lading bij de maximaal toelaatbare vullingsgraad op de ladingtanks zijn aangesloten. Zij moeten ook in de gasfase blijven, zelfs indien het schip een slagzij van 12 heeft Indien verschillende gekoelde ladingen die gevaarlijk chemisch met elkaar kunnen reageren, tegelijkertijd worden vervoerd, moet bijzondere zorg worden besteed aan de koelinstallaties zodat wordt voorkomen dat de ladingen zich kunnen vermengen. Voor het vervoer van dergelijke ladingen moet voor elk soort lading worden voorzien in een gescheiden koelinstallatie, elk met een volledige reserve-eenheid conform Indien echter de koeling met behulp van een indirect of een gecombineerd systeem plaatsvindt,

233 en een lekkage in de warmtewisselaar onder alle voorzienbare bedrijfsomstandigheden niet kan leiden tot een vermenging van de ladingen, hoeft niet te worden voorzien in gescheiden koelinstallaties Indien meerdere gekoelde ladingen onder de vervoersomstandigheden niet in elkaar oplosbaar zijn, zodat hun dampdrukken bij vermengen bij elkaar moeten worden opgeteld, moet er bij het ontwerp van de koelinstallaties speciaal voor worden gezorgd dat wordt voorkomen dat de ladingen met elkaar kunnen mengen Indien voor koelinstallaties koelwater noodzakelijk is moet een voldoende hoeveelheid daarvan worden geleverd met behulp van een pomp of pompen die uitsluitend voor dit doel worden gebruikt. Deze pomp resp. pompen moeten ten minste twee aanzuigleidingen hebben, vanaf twee waterinlaatkasten, één aan stuurboord en de andere aan bakboord. Er moet in een reservepomp van voldoende capaciteit zijn voorzien. Deze pomp kan een voor andere doeleinden gebruikte pomp zijn, onder voorwaarde dat het gebruik ervan voor de levering van koelwater niet ten koste gaat van een ander belangrijk systeem De koelinstallatie kan één van de volgende vormen aannemen: a) Direct systeem: de dampen van de lading worden samengeperst, gecondenseerd en naar de ladingtanks teruggevoerd. Voor enkele stoffen aangegeven in hoofdstuk 3.2, tabel C mag dit systeem niet worden gebruikt. Dit voorschrift wordt in kolom (20) van tabel C van hoofdstuk 3.2 aangegeven met aantekening 35. b) Indirect systeem: de lading of de dampen van de lading worden met behulp van een koelmiddel gekoeld of gecondenseerd, zonder te worden samengeperst. c) Gecombineerd systeem: de dampen van de lading worden samengeperst en in een lading/koelmiddel warmtewisselaar gecondenseerd en naar de ladingtanks teruggevoerd. Voor enkele stoffen aangegeven in hoofdstuk 3.2, tabel C mag dit systeem niet worden gebruikt. Dit voorschrift wordt in kolom (20) van tabel C van hoofdstuk 3.2 aangegeven met aantekening Alle primaire en secundaire koelvloeistoffen moeten met elkaar en met de lading waarmee zij in aanraking kunnen komen, verenigbaar zijn. De warmteuitwisseling kan of op afstand van de ladingtank of door middel van koelspiralen, die in of aan de ladingtank zijn bevestigd, geschieden Indien de koelinstallatie in een speciale dienstruimte wordt geïnstalleerd moet deze dienstruimte voldoen aan de voorschriften van Voor alle ladingsinstallaties moet de warmtedoorgangscoëfficient die wordt gebruikt voor het vaststellen van de verblijftijd ( en ) door middel van berekening worden vastgesteld. Bij oplevering van het vaartuig moet de juistheid van de berekening door middel van beproeving van het thermisch evenwicht worden gecontroleerd. Deze berekening en beproeving moeten worden uitgevoerd onder toezicht van het erkende classificatiebureau dat het vaartuig heeft geclassificeerd. De warmtedoorgangscoëfficiënt moet worden gedocumenteerd en aan boord aanwezig zijn, en dient bij iedere verlenging van het Certificaat van Goedkeuring te worden geverifieerd Bij de aanvraag voor de afgifte of de verlenging van het Certificaat van Goedkeuring moet een verklaring van een erkend classificatiebureau worden bijgevoegd waaruit blijkt dat aan tot en met , en hierboven is voldaan Watersproei-systeem Indien in hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (9) een watersproei-inrichting is voorgeschreven word moet in de ladingzone aan dek een watersproei-inrichting zijn geïnstalleerd waarmee vrijkomende gassen uit de lading kunnen worden neergeslagen of waarmee het dek van de ladingtanks gekoeld kan worden om het aanspreken van het snelafblaasventiel bij 50 kpa op veilige wijze te vermijden. De inrichting voor het neerslaan van gassen moet zijn voorzien van een aansluiting voor aanvoer vanaf een walinstallatie. De sproeikoppen moeten zodanig zijn aangebracht dat een besproeiing van het volledige dek wordt bereikt en de vrijkomende gassen op veilige wijze worden neergeslagen. De inrichting moet vanuit het stuurhuis en vanaf dek in werking kunnen worden gesteld. De capaciteit moet zodanig zijn dat bij gelijktijdig gebruik van alle sproeikoppen een uitstroming van 50 liter per m² dekoppervlak en per uur wordt bereikt (Gereserveerd) Machines

234 Er zijn slechts verbrandingsmotoren toegelaten, die gebruik maken van een brandstof met een vlampunt hoger dan 55 C Ventilatieopeningen van de machinekamer en inlaatopeningen van motoren, indien de motoren de lucht niet direct vanuit de machinekamer aanzuigen, moeten ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd Vonkvorming in de ladingzone moet niet mogelijk zijn Aan uitwendige delen van motoren, die tijdens het laden en lossen worden gebruikt, evenals aan hun luchtinlaatkanalen en uitlaatgassenleidingen mogen geen oppervlaktetemperaturen optreden die boven de voor de temperatuurklasse van de vervoerde stoffen toegelaten waarden liggen. Deze bepaling is niet van toepassing op motoren, die in dienstruimten zijn opgesteld onder voorwaarde dat deze volledig voldoen aan de bepalingen van De ventilatie van de gesloten machinekamer moet zodanig zijn ontworpen, dat bij een buitentemperatuur van 20 C de gemiddelde temperatuur in de machinekamer 40 C niet overschrijdt Randnummer is niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten Brandstoftanks Indien het schip voorzien is van ladingtankruimten mogen de dubbele bodems in deze ruimten als brandstoftank worden ingericht, onder voorwaarde dat de hoogte ten minste 0,6 m bedraagt. Leidingen voor brandstof en openingen van dergelijke tanks in ladingtankruimten zijn niet toegestaan De openingen van de ontluchtingsleidingen van alle tanks voor brandstof moeten ten minste tot 0,50 m boven het open dek zijn gevoerd. Deze openingen en de openingen van de overloopleidingen die boven dek zijn gevoerd, moeten zijn voorzien van een bescherming, die door een rooster of een geperforeerde plaat wordt gevormd (Gereserveerd) Uitlaatgasleidingen Uitlaatgassen moeten door een uitlaatgasleiding, die naar boven of door de scheepshuid wordt gevoerd, naar de open lucht worden afgevoerd. De uittredeopening moet ten minste 2,00 m van de ladingzone zijn verwijderd. De uitlaatgasleidingen van motoren moeten zodanig zijn aangebracht, dat de uitlaatgassen van het schip worden afgeleid. Uitlaatgassenleidingen mogen niet in de ladingzone zijn gelegen Uitlaatgasleidingen moeten zijn voorzien van een inrichting die het uittreden van vonken voorkomt, b.v. vonkenvangers De in voorgeschreven afstand is niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten Lenspompen en ballastinrichting Lens- en ballastpompen voor ruimten binnen de ladingzone moeten in een dergelijke zone zijn opgesteld. Deze bepaling is niet van toepassing op: - zijtanks en dubbele bodems die geen gemeenschappelijke wand met de ladingtanks bezitten; - kofferdammen, zijtanks en dubbele bodems, indien het ballasten via de brandblusleiding in de ladingzone en het lenzen door middel van ejektoren plaats vindt Bij gebruik van de dubbele bodem als brandstoftank mag deze niet op het lenssysteem zijn aangesloten De standpijp en zijn buitenboordaansluiting voor het aanzuigen van ballastwater moeten, indien de ballastpomp in de ladingzone is opgesteld, binnen de ladingzone, maar buiten de ladingtanks, zijn gelegen Een pompkamer onder dek moet in geval van nood met behulp van een van alle andere installaties onafhankelijke installatie in de ladingzone kunnen worden gelensd. Deze installatie moet buiten de pompkamer zijn opgesteld (Gereserveerd) Brandblusinstallaties

235 Het schip moet voorzien zijn van een brandblusinstallatie. De installatie moet aan de volgende voorschriften voldoen: - zij moet door twee onafhankelijke brandblus- of ballastpompen worden gevoed. Één van deze pompen moet te allen tijde bedrijfsklaar zijn. Deze pompen, evenals hun aandrijving en elektrische uitrusting, mogen niet in dezelfde ruimte zijn opgesteld. - zij moet gevoed worden door een waterleiding, die in de ladingzone of het stuurhuis boven dek ten minste drie brandslangaansluitingen heeft. Er moeten drie geschikte brandslangen van voldoende lengte met straalpijp met straal-/sproeimondstuk met een diameter van ten minste 12 mm aanwezig zijn. Een of meer van de slangassemblages mogen bij wijze van alternatief worden vervangen door richtbare straalpijpen met straal-/sproeimondstuk met een diameter van ten minste 12 mm. Met ten minste twee, niet van dezelfde brandslangaansluiting afkomstige waterstralen moet tegelijkertijd elke plaats van het dek in de ladingzone kunnen worden bereikt. Door middel van een veerbelaste terugslagklep moet zijn gewaarborgd, dat gassen niet door de brandblusinstallatie in woning of dienstruimten buiten de ladingzone kunnen ontsnappen. - de capaciteit van de installatie moet ten minste voldoende zijn, dat bij het gelijktijdig gebruik van twee straalpijpen vanaf elke plaats aan boord een werpafstand wordt bereikt die ten minste gelijk is aan de scheepsbreedte; - het watertoevoersysteem moet vanuit het stuurhuis en vanaf dek in werking gesteld kunnen worden; - er moeten maatregelen worden getroffen om bevriezing van de brandblusleiding en brandslangaansluitingen te voorkomen In aanvulling hierop moeten de machinekamers, de pompkamer en indien aanwezig alle ruimten die voor de koelinstallatie belangrijke installaties bevatten (schakelkasten, compressoren, enz.) zijn voorzien van een vast ingebouwde brandblusinstallatie, die aan de volgende voorschriften voldoet: Blusmiddelen In machinekamers, ketelruimten en pompkamers zijn, ter bescherming van deze ruimten, slechts vast ingebouwde brandblusinstallaties toegestaan die de volgende blusmiddelen gebruiken: a) CO 2 (kooldioxide) b) HFC 227 ea (heptafluorpropaan) c) IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% kooldioxide) d) FK (dodecafluor-2-methylpentaan-3-on) Andere blusmiddelen zijn slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van het Administratief Comité Ventilatie, luchtaanzuiging a) De verbrandingslucht die nodig is voor de verbrandingsmotoren voor de voortstuwing mag niet worden aangezogen uit door vast ingebouwde brandblusinstallaties te beschermen ruimten. Deze eis is niet verplicht wanneer er twee van elkaar onafhankelijke, gasdicht gescheiden hoofdmachinekamers aanwezig zijn dan wel er naast de hoofdmachinekamer een boegbesturingsaandrijving in een aparte machinekamer is geïnstalleerd, waardoor in geval van brand in de hoofdmachinekamer het voortbewegen op eigen kracht wordt verzekerd. b) Alle mechanische ventilatiesystemen in de te beschermen ruimte moeten bij het inwerkingstellen van de brandblusinstallatie automatisch worden uitgeschakeld. c) Alle openingen, waardoor lucht zou kunnen toetreden tot, dan wel gas zou kunnen ontsnappen uit de te beschermen ruimte moeten zijn uitgerust met voorzieningen die het mogelijk maken om ze snel te sluiten. Het moet duidelijk zijn of ze open of gesloten zijn. d) Lucht die via de veiligheidsventielen uit in de machinekamers geïnstalleerde persluchthouders stroomt moet in de open lucht worden afgevoerd. e) Over- of onderdruk veroorzaakt door het binnenstromen van het blusmiddel mag de essentiële onderdelen van de te beschermen ruimte niet vernielen. De compensatie van de druk moet zonder gevaar kunnen geschieden. f) Beschermde ruimten moeten beschikken over een mogelijkheid om het blusmiddel af te zuigen. Indien afzuiginrichtingen geïnstalleerd zijn, mogen deze tijdens het blussen niet kunnen worden ingeschakeld Brandmeldinstallaties De te beschermen ruimte moet voorzien zijn van een doelmatige brandmeldinstallatie. De brandmelding moet in het stuurhuis, in de verblijven en in de te beschermen ruimte worden waargenomen Pijpleidingsysteem

236 a) Het blusmiddel moet door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. Leidingen die in de te beschermen ruimte zijn geïnstalleerd en de daarbij behorende armaturen moeten zijn vervaardigd van staal. Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren mits de gebruikte materialen gelijkwaardige brandvertragende eigenschappen hebben. Leidingen moeten zowel in- als uitwendig tegen corrosie beschermd zijn. b) De sproeikoppen moeten zo zijn aangebracht dat de gelijkmatige verdeling van het blusmiddel is gewaarborgd. Het blusmiddel moet in het bijzonder ook onder de vloer werkzaam zijn Inrichting voor het in werking stellen a) Brandblusinstallaties die automatisch in werking worden gesteld zijn niet toegestaan. b) Het moet mogelijk zijn de brandblusinstallatie in werking te stellen vanaf een geschikte plaats buiten de te beschermen ruimte. c) Inrichtingen voor het in werking stellen moeten zodanig zijn geïnstalleerd dat ze ook in geval van brand kunnen worden bediend en zodanig dat het risico van storing in geval van een brand of explosie in de te beschermde ruimte zo veel mogelijk wordt verminderd. Niet mechanische inrichtingen voor het in werking stellen moeten door twee van elkaar onafhankelijke energiebronnen worden gevoed. Deze energiebronnen moeten zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Leidingen voor de aansturing in de te beschermen ruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd dat ze in geval van brand tenminste gedurende 30 minuten kunnen blijven functioneren. De elektrische installaties worden geacht te voldoen aan deze eis indien ze overeenkomen met de norm IEC :1999. Indien de inrichtingen voor het in werking stellen zodanig zijn geplaatst dat ze niet zichtbaar zijn moet de afscherming zijn voorzien van het symbool Brandbestrijdingssysteem, met een lengte van elke zijde van ten minste 10 cm met de volgende tekst in rode letters op een witte achtergrond Brandblusinstallatie d) Indien de brandblusinstallatie bedoeld is voor het beschermen van meerdere ruimten, moeten de inrichtingen voor het in werking stellen voor elke ruimte gescheiden en duidelijk zijn gemarkeerd; e) Bij elke inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. De gebruiksaanwijzing moet zijn gesteld in een taal die de schipper kan lezen en begrijpen en indien deze taal niet Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits. Deze moet informatie bevatten inzake: i) het in werking stellen van de brandblusinstallatie; ii) de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten; iii) de juiste handelwijze van de bemanning in geval van het in werking stellen en bij het betreden van de ruimte die beschermd moet worden na het in werking stellen of de diffusie, in het bijzonder ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke stoffen; iv) de juiste handelwijze van de bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie. f) De gebruiksaanwijzing moet er op wijzen dat vóór het in werking stellen van de brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld Waarschuwingssysteem a) Vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een akoestisch en optisch waarschuwingssysteem. b) Het waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken en mag niet kunnen worden uitgeschakeld. c) De waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij elke toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden zijn; d) De akoestische waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn, onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn; e) Indien het waarschuwingssysteem niet intrinsiek tegen kortsluiting, draadbreuk en spanningsvermindering is beschermd, moet het functioneren ervan kunnen worden getest; f) Bij elke ingang van een ruimte, die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de volgende tekst: Let op, brandblusinstallatie! Bij het in werking stellen van het. (omschrijving) alarmsignaal deze ruimte onmiddellijk verlaten! Tanks onder druk, armaturen en persleidingen

237 a) Tanks onder druk, armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de voorschriften van de bevoegde autoriteit of, indien die ontbreken, aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau. b) Tanks onder druk moeten volgens de instructies van de fabrikant zijn geïnstalleerd. c) Tanks onder druk, armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn. d) De temperatuur in de kasten of ruimten waarin tanks onder druk zijn opgesteld mag 50 ºC niet overschrijden. e) Kasten of ruimten aan dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, in geval de tanks onder druk niet dicht zijn, geen ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan Hoeveelheid van het blusmiddel Indien de hoeveelheid blusmiddel bedoeld is voor het beschermen van meer dan één ruimte, behoeft de totale hoeveelheid van het beschikbare blusmiddel niet meer te zijn dan de hoeveelheid die nodig is voor de grootste te beschermen ruimte Installatie, controle en documentatie a) De installatie mag slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (formulier met gegevens over het product en de veiligheid) verschaft door de fabrikant van het blusmiddel of de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen. b) De installatie moet door een deskundige worden onderzocht: i) voor ingebruikstelling; ii) voor hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest; iii) na elke verandering of reparatie; iv) regelmatig ten minste elke twee jaar. c) Tijdens het onderzoek moet de deskundige controleren of de installatie aan de eisen van voldoet. d) Het onderzoek moet ten minste betrekking hebben op: i) uitwendig onderzoek van de installatie als geheel; ii) onderzoek van de pijpleidingen op hun dichtheid; iii) onderzoek van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen; iv) onderzoek van de druk in de tanks en de inhoud daarvan; v) onderzoek van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte vi) onderzoek van het brandmeldingssysteem vii) onderzoek van het waarschuwingssysteem. e) De persoon die het onderzoek uitvoert moet een verklaring van onderzoek opstellen, dateren en ondertekenen. f) Het aantal aanwezige vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in de verklaring van onderzoek worden aangetekend Brandblusinstallatie die werkt met CO 2 In aanvulling op de voorschriften in tot en met moeten brandlbusinstallaties die CO 2 als blusmiddel gebruiken, aan de volgende bepalingen voldoen: a) CO 2-tanks moeten in een gasdichte ruimte of kast van andere ruimten gescheiden, zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten of van de kasten waar ze zijn opgesteld moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en aan de buitenkant zijn voorzien van een symbool Waarschuwing: gevaar met een hoogte van ten minste 5 cm alsmede van het bijkomend opschrift CO 2 in dezelfde kleur en met dezelfde afmeting. b) De benedendekse kasten of ruimten waar CO 2-houders zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen beschikken. c) De vullingsgraad van met CO 2 gevulde tanks mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde CO 2-gas moet worden uitgegaan van 0,56 m 3 /kg. d) De concentratie CO 2-gas benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40% van de bruto inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden vrijkomen. Het moet controleerbaar zijn of het gas correct is verspreid. e) Het openen van de ventielen van de tanks en het bedienen van het ventiel waardoor het gas uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden. f) De redelijke tijd bedoeld in (b) moet ten minste 20 seconden bedragen. De timing tot aan het vrijkomen van het CO 2-gas moet zijn gegarandeerd door een betrouwbare inrichting Brandblusinstallatie die werkt met HFC-227 ea (heptafluorpropaan) In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die HFC-227 ea gebruiken als blusmiddel aan de volgende bepalingen voldoen:

238 a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Elke tank die HFC-227 ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) De vullingsgraad van de tanks mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het soortelijk volume van het uitgestroomde HFC-227 ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m 3 /kg. e) De concentratie HFC-227 ea voor de te beschermen ruimte moet ten minste 8% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden vrijkomen. f) De tanks van HFC-227 ea moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Indien er geen stuurhuis is moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld. g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte 10,5 volume-% niet overschrijden. h) De brandblusinstallatie mag geen onderdelen van aluminium bevatten Brandblusinstallatie die werkt met IG-541 In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die IG-541 als blusmiddel gebruiken, voldoen aan de volgende bepalingen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) Elke tank die IG-541 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder veilig in de te beschermen ruimte wordt verspreid, indien de tank aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de inhoud kan worden gecontroleerd. d) De druk waaronder de tanks zijn gevuld mag bij +15 ºC niet meer bedragen dan 200 bar. e) De concentratie IG-541 voor de te beschermen ruimte moet ten minste 44% en niet meer dan 50% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden vrijgekomen zijn Brandblusinstallaties die werken met FK In aanvulling op de voorschriften van tot en met moeten brandblusinstallaties die FK als blusmiddel gebruiken, voldoen aan de volgende bepalingen: a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met verschillende bruto inhoud, moet elke ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie; b) Elke tank die FK bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de tank zich zonder gevaar in de te beschermen ruimte verspreidt, indien de tank aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld; c) Elke tank moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd; d) De vullingsgraad van de tanks mag niet hoger zijn dan 1,00 kg/l. Voor het soortelijke volume van het uitgestroomde FK moet 0,0719 m 3 genomen worden; e) Het volume FK in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden vrijkomen; f) De tanks FK moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een onvoorzien verlies van blusmiddel een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Indien er geen stuurhuis is, moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld; g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte 10,0% niet overschrijden Vast ingebouwde brandblusinstallatie voor bescherming van objecten Om bescherming van objecten te verzekeren in machinekamers, ketelruimen en pompkamers worden permanente, vast ingebouwde brandblusinstallaties slechts toegelaten op grond van de aanbevelingen vanhet Administratief Comité De in voorgeschreven twee handblussers moeten zich in de ladingzone bevinden Blusmiddelen en hoeveelheden daarvan aanwezig in vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten geschikt zijn en voldoende voor het bestrijden van branden Randnummers en zijn niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten.

239 Vuur en onbeschermd licht De openingen van schoorstenen moeten zich ten minste 2,00 m buiten de ladingzone bevinden. Er moeten inrichtingen aanwezig zijn om het naar buiten treden van vonken en het binnendringen van water te voorkomen Voor verwarmings-, kook- en koeltoestellen mag noch van vloeibare brandstoffen noch van vloeibaar gas noch van vaste brandstoffen gebruik worden gemaakt. Indien verwarmingstoestellen in de machinekamer of in een speciaal daarvoor geschikte ruimte zijn geïnstalleerd, mag echter gebruik gemaakt worden van vloeibare brandstoffen met een vlampunt hoger dan 55 C. Kook- en koeltoestellen zijn slechts in de woning toegelaten Er zijn slechts elektrische verlichtingsapparaten toegestaan Ladingverwarmingsinstallatie Verwarmingsketels gebruikt voor het verwarmen van de lading moeten worden gestookt met een vloeibare brandstof met een vlampunt hoger dan 55 C. Zij moeten of in de machinekamer of in een speciale onder dek en buiten de ladingzone gelegen en vanaf dek of vanuit de machinekamer toegankelijke ruimte zijn opgesteld Ladingverwarmingsinstallaties moeten zodanig zijn ontworpen, dat in geval van lekkages in de verwarmingsspiralen er geen lading in de ketel kan komen. Ladingverwarmingsinstallaties met kunstmatige trek moeten elektrisch worden aangestoken Bij het ontwerp van de installatie voor de ventilatie van de machinekamer moet rekening worden gehouden met het luchtverbruik voor de ketel Indien de ladingverwarmingsinstallatie gebruikt wordt tijdens het laden, lossen of ontgassen moet de dienstruimte, waarin deze installatie is opgesteld, volledig aan de voorschriften conform voldoen. Dit voorschrift is niet van toepassing op aanzuigopeningen van het ventilatiesysteem. Deze aanzuigopeningen moeten op een afstand van ten minste 2 m van de ladingzone en 6 m van openingen van de lading- of restladingtanks, ladingpompen aan dek, openingen van snelafblaasventielen of overdrukventielen en walaansluitingen van de laad- en losleidingen verwijderd en ten minste 2 m boven dek zijn gelegen. De voorschriften van zijn niet van toepassing op het lossen van stoffen met een vlampunt van 60 C of hoger, indien de temperatuur van het product ten minste 15 K lager is dan het vlampunt (Gereserveerd) Documenten betreffende elektrische installaties In aanvulling op de op grond van het Reglement waarnaar in wordt verwezen voorgeschreven documenten, moeten aan boord aanwezig zijn: a) een tekening waarop de grenzen van de ladingzone en de in deze zone geïnstalleerde elektrische uitrusting zijn aangegeven; b) een lijst van de onder letter a) bedoelde elektrische uitrusting met inbegrip van de volgende bijzonderheden: toestel of apparaat, plaats van opstelling, wijze van bescherming, soort bescherming tegen explosie, beproevingssinstantie en goedkeuringsnummer; c) een lijst of schema waarin de buiten de ladingzone aanwezige elektrische uitrusting is aangegeven die gedurende het laden, lossen en ontgassen mogen worden gebruikt. Alle andere toestellen moeten rood gemerkt zijn. Zie en De hierboven genoemde documenten moeten zijn voorzien van een stempel van de bevoegde autoriteit die het Certificaat van Goedkeuring afgeeft Elektrische inrichtingen Er zijn slechts verdeelsystemen zonder teruggeleiding via de scheepsromp toegestaan. Dit voorschrift is niet van toepassing op: - actieve kathodische bescherming tegen corrosie;

240 - bepaalde plaatselijk begrensde en buiten de ladingzone gelegen installaties (b.v. aansluitingen voor starterinrichtingen van dieselmotoren); - de inrichting voor de controle van het isolatieniveau overeenkomstig In elk geïsoleerd verdeelsysteem moet een automatische voor de controle van het isolatieniveau met een optisch en akoestisch alarm zijn ingebouwd Voor de keuze van de elektrische uitrusting in een explosiegevaarlijke omgeving moet rekening worden gehouden met de aan te vervoeren goederen toegekende explosiegroepen en temperatuurklassen (zie hoofdstuk 3.2, Tabel C, kolom (15) en (16)) Typen en plaats van de elektrische inrichtingen a) In ladingtanks, restladingtanks en in laad- en losleidingen mogen slechts worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 0): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het type bescherming EEx (ia). b) In kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems en ladingtankruimten mogen slechts worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 1): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het "erkend veilige" type; - verlichting van de beschermingssoort "explosieveilige omhulling" of "overdruk omhulling"; - hermetisch gesloten echoloodsensoren, waarvan de kabels door een dikwandige stalen pijp, met gasdichte verbindingen tot boven het hoofddek gevoerd zijn; - kabels voor actieve katodische bescherming van de scheepshuid in beschermende stalen pijpen op een wijze als voorzien voor echoloodsensoren. De volgende apparaten mogen alleen worden geïnstalleerd in zijtanks en dubbele bodems wanneer zij voor het ballasten worden gebruikt: - Vast ingebouwde dompelpompen met temperatuurbewaking van het erkend veilige type. c) In de dienstruimten onder dek in de ladingzone mag slechts de volgende uitrusting worden geïnstalleerd (vergelijkbaar met zone 1): - meet-, regel- en alarminrichtingen van het "erkend veilige" type; - verlichting van de beschermingssoort "explosieveilige omhulling" of "overdruk omhulling"; - motoren voor de aandrijving van noodzakelijke installaties zoals van ballastpompen met temperatuurbewaking. Zij moeten van het "erkend veilige" type zijn. d) De schakel- en beveiligingsinrichtingen van de onder paragraaf a), b) en c) hierboven genoemde installaties moeten buiten de ladingzone zijn gelegen indien zij niet intrinsiek veilig zijn uitgevoerd. e) Aan dek in de ladingzone moeten de elektrische inrichtingen van het "erkend veilige" type zijn (vergelijkbaar met zone 1) Accumulatoren moeten buiten de ladingzone zijn gelegen a) Elektrische inrichtingen, die worden gebruikt tijdens het laden, lossen of tijdens het ontgassen terwijl het schip is aangemeerd en die buiten de ladingzone zijn geplaatst, moeten ten minste van het "beperkt explosieveilige" type zijn (vergelijkbaar met zone 2). b) Deze bepaling is niet van toepassing op: i) verlichtinginstallaties in de woning met uitzondering van de schakelaars in de nabijheid van de toegang tot de woning; ii) radiotelefonie-installaties in de woning en het stuurhuis; iii) draagbare telefoons en vast geïnstalleerde telefooninstallaties in de woning en het stuurhuis; iv) elektrische inrichtingen in de woning, het stuurhuis of de dienstruimten buiten de ladingzone, indien: 1. deze ruimten zijn voorzien van een ventilatiesysteem dat een overdruk van ten minste 0,1 kpa (0,001 bar) garandeert en geen enkel raam geopend kan worden. De aanzuigopeningen van het ventilatiesysteem moeten zover mogelijk achter, ten minste 6,00 m van de ladingzone verwijderd en ten minste 2,00 m boven dek zijn gelegen; 2. een gasdetectie-installatie met sensoren moet in de ruimten aanwezig zijn: - in de aanzuigopeningen van het ventilatiesysteem; - direct onder de bovenzijde van de deurdrempel van toegangen tot de woning en dienstruimten; 3. de metingen moeten zonder onderbreking plaatsvinden;

241 4. de ventilatoren moeten uitgeschakeld worden zodra een concentratie van 20 % van de onderste explosiegrens wordt bereikt. In dit geval en, indien de overdruk niet wordt gehandhaafd of de gasdetectie-installatie uitvalt, moeten de elektrische inrichtingen die niet aan de onder letter a) genoemde voorwaarden voldoen, worden uitgeschakeld. Deze acties moeten direct en automatisch worden uitgevoerd en de noodverlichting in woning, stuurhuis en dienstruimten in werking stellen die ten minste aan het "beperkt explosieveilige" type voldoet. Het uitschakelen moet in de woning en in het stuurhuis optisch en akoestisch worden aangegeven; 5. het ventilatiesysteem, de gasdetectie-installatie en de uitschakelalarmering moeten volledig voldoen aan de onder letter a) genoemde voorschriften; 6. de automatische uitschakeling moet zodanig zijn ingesteld dat de automatische uitschakeling niet tijdens de vaart van het schip plaats kan vinden. v) AIS (automatisch identificatiesysteem)-stations voor binnenvaartschepen in de woning en het stuurhuis indien geen enkel onderdeel van een antenne voor elektronische apparatuur zich boven de ladingzone bevindt en er zich binnen 2 m van de ladingzone geen onderdeel van een VHFantenne bevindt Elektrische uitrusting, die niet aan de in gestelde voorschriften voldoen, evenals hun schakelaars, moeten rood zijn gemerkt. Het uitschakelen van deze uitrusting moet op een centrale plaats aan boord geschieden Een elektrische generator, die niet voldoet aan de in gestelde voorschriften, maar door een machine continu wordt aangedreven, moet zijn voorzien van een schakelaar die de bekrachtiging van de generator uitschakelt. Een bord met daarop de bedieningsvoorschriften moet bij de schakelaar zijn aangebracht Wandcontactdozen ten behoeve van het aansluiten van seinlichten en loopplankverlichting moeten in de onmiddellijke nabijheid van de mast waarin de seinen zijn aangebracht of van de loopplank permanent op het schip zijn aangebracht. Het insteken en het uittrekken van de stekkers mag slechts in spanningsloze toestand van de wandcontactdozen mogelijk zijn Uitval van de elektrische voeding van veiligheids- en controle-uitrusting moet direct door optische en akoestische signalering op de plaatsen waar de alarmering normalerwijze wordt ingeschakeld, worden aangegeven Aarding In de ladingzone moeten de bij normaal bedrijf niet onder spanning staande metalen delen van elektrische toestellen alsmede metalen bewapeningen en mantels van kabels zijn geaard, tenzij zij zodanig zijn aangebracht dat zij automatisch geaard zijn door de verbinding met de scheepsromp De bepalingen van zijn eveneens van toepassing op installaties met een bedrijfsspanning van lager dan 50 Volt Onafhankelijke ladingtanks moeten geaard zijn Houders voor restproducten moeten geaard kunnen worden (Gereserveerd) Elektrische kabels Alle kabels in de ladingzone moeten zijn voorzien van een metalen omhulling Kabels en wandcontactdozen in de ladingzone moeten beschermd zijn tegen mechanische beschadiging Verplaatsbare kabels in de ladingzone zijn verboden, behalve ten behoeve van intrinsiek veilige stroomkringen of voor de aansluiting van seinlichten en loopplankverlichting en dompelpompen aan boord van bilgeboten Kabels voor intrinsiek veilige stroomkringen mogen slechts voor dergelijke stroomkringen worden gebruikt en moeten gescheiden zijn van andere kabels, die niet bedoeld zijn te worden gebruikt in dergelijke stroomkringen, zijn gelegd (b.v. niet in dezelfde kabelbundel gelegd en niet met behulp van gemeenschappelijke kabelbeugels vastgezet) Voor de verplaatsbare kabels voor de aansluiting van seinlichten en loopplankverlichting mogen slechts

242 mantelleidingen van het type H 07 RN-F volgens IEC-publicatie (1994) of kabels van ten minste gelijkwaardig ontwerp met een minimumdoorsnede van de geleidingsdraden van 1,5 mm² worden gebruikt. Deze kabels moeten zo kort mogelijk zijn en zodanig zijn gelegd, dat beschadiging onwaarschijnlijk is Kabels vereist voor de elektrische inrichtingen overeenkomstig b) en c) zijn in kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems, ladingtankruimten en dienstruimten onder dek toegestaan. Indien het schip slechts is toegelaten voor het vervoer van stoffen, waarvoor in hoofdstuk 3.2, Tabel C Kolom (17) geen explosiebescherming is vereist, zijn doorgaande kabels in ladingtankruimten toegestaan (Gereserveerd) Speciale uitrusting Het schip moet zijn voorzien van een douche en een oog- en gezichtsbad op een direct vanuit de ladingzone toegankelijke plaats. Dit voorschrift is niet van toepassing op bilgeboten en bunkerboten (Gereserveerd) Toegang tot het schip De waarschuwingsborden met het toegangsverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn (Gereserveerd) Rookverbod, verbod van vuur en onbeschermd licht De waarschuwingsborden met het rookverbod overeenkomstig moeten vanaf beide zijden van het schip duidelijk leesbaar zijn Waarschuwingsborden die aangeven onder welke omstandigheden het verbod van toepassing is, moeten nabij de toegangen tot ruimten zijn aangebracht, waar roken of het gebruik van vuur of onbeschermd licht niet in alle gevallen is verboden In de woning en in het stuurhuis moeten in de nabijheid van elke uitgang asbakken zijn aangebracht (Gereserveerd) Nooduitgang Ruimten, waarvan de toe- of uitgangen in beschadigde toestand waarschijnlijk deels of geheel onder water komen te staan, moeten zijn voorzien van een nooduitgang die ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking ligt. Dit voorschrift is niet van toepassing op de voor- en achterpiek (Gereserveerd) Alternatieve constructies Algemeen De maximaal toelaatbare inhoud en lengte van een ladingtank volgens , en mag worden overschreden en van de minimum afstanden volgens a) en mag worden afgeweken onder voorwaarde dat aan de bepalingen van deze sectie wordt voldaan. De inhoud van een ladingtank mag niet groter zijn dan 1000 m Tankschepen waarvan de ladingtanks de maximaal toelaatbare inhoud overschrijden of waarvan de afstand tussen de buitenhuid van het schip en de ladingtank kleiner is dan vereist, moeten worden beschermd door een aanvaringsbestendige zijconstructie. Dit moet worden bewezen door het risico van een conventionele constructie (referentie constructie), die voldoet aan de voorschriften van het ADN, te vergelijken met het risico van een aanvaringsbestendige constructie (alternatieve constructie) Indien het risico van een meer aanvaringsbestendige constructie gelijk is aan of lager dan het risico van

243 een conventionele constructie, dan is een gelijkwaardige of hogere veiligheid bewezen. De gelijkwaardige of hogere veiligheid moet worden bewezen in overeenstemming met Indien een schip wordt gebouwd in overeenstemming met deze sectie, dan moet een erkend classificatiebureau de toepassing van de berekeningsprocedure volgens documenteren en haar conclusies ter goedkeuring overleggen aan de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit kan verzoeken om aanvullende berekeningen en bewijsmateriaal De bevoegde autoriteit moet deze constructie opnemen in het Certificaat van Goedkeuring in overeenstemming met Benadering De waarschijnlijkheid van het scheuren van een ladingtank als gevolg van een aanvaring en het gebied rond het schip dat is aangetast als gevolg van het uitstromen van de lading, zijn de bepalende parameters. Het risico wordt beschreven door de volgende formule: R = P C Hierin zijn: R risico [m 2 ], P waarschijnlijkheid van scheuren van een ladingtank [ ], C gevolg (mate van schade) van scheuren van een ladingtank [m 2 ] De waarschijnlijkheid P van het scheuren van een ladingtank hangt af van de waarschijnlijkheidsverdeling van de beschikbare aanvaringsenergie die door de schepen wordt vertegenwoordigd, die het slachtoffer kan tegenkomen bij een aanvaring en het vermogen van het aangevaren schip om de aanvaringsenergie zonder scheuren van de ladingtank te kunnen absorberen. Een afname van deze waarschijnlijkheid kan worden bereikt door middel van een zijconstructie met een verhoogde aanvaarbestendigheid. Het gevolg C van uitgestroomde lading veroorzaakt door het scheuren van een tank wordt uitgedrukt als een aangetast gebied rond het aangevaren schip De procedure volgens laat zien hoe de kansen op het scheuren van een tank moeten worden berekend, alsmede hoe het aanvaringsenergie-absorptievermogen van de buitenzijde van het schip en een toename van het gevolg (mate van schade) moet worden vastgesteld Procedure voor de berekening De berekeningsprocedure moet 13 basisstappen volgen. Stappen 2 tot en met 10 moet worden uitgevoerd voor zowel het alternatieve ontwerp als het referentie ontwerp. De navolgende tabel toont de berekening van de gewogen waarschijnlijkheid van het scheuren van de ladingtank.

244

245 Stap 1 Naast het alternatieve ontwerp dat wordt gebruikt voor ladingtanks die de maximum toegelaten capaciteit overschrijden of voor een geringere afstand tussen de buitenhuid van het schip en de ladingtank voorzien van een meer aanvaringsbestendige zijconstructie, moet een referentie ontwerp met ten minste dezelfde afmetingen (lengte, breedte, diepte, waterverplaatsing) worden gemaakt. Dit referentie ontwerp moet voldoen aan de eisen die zijn gespecificeerd in sectie (Type G), (Type C) of (Type N) en moet voldoen aan de minimum eisen van een erkend classificatiebureau Stap De relevante karakteristieke aanvaringslocaties i=1 tot n moeten worden bepaald. De tabel in illustreert het algemene geval waarbij er n karakteristieke aanvaringslocaties zijn. Het aantal typische aanvaringslocaties hangt af van het scheepsontwerp. De keuze van de aanvaringslocaties moet worden geaccepteerd door het erkende classificatiebureau Verticale aanvaarlocaties Tankschepen type C en N De bepaling van de aanvaarlocaties in de verticale richting hangt af van de diepgangsverschillen tussen aanvarende en aangevaren schip die worden begrensd door de maximale en minimale diepgang van beide schepen en de constructie van het aangevaren schip. Dit kan grafisch worden afgebeeld door een rechthoekig oppervlak dat wordt omsloten door de waarden van de maximale en minimale diepgang van zowel het botsende als het aangevaren schip (zie de volgende figuur) Definitie van verticale aanvaarlocaties Elk punt in dit oppervlak vertegenwoordigt een mogelijke combinatie van diepgangen. T 1max is de maximale diepgang en T 1min is de minimale diepgang van het aanvarende schip, terwijl T 2max en T 2min de overeenkomstige maximale en minimale diepgang van het aangevaren schip zijn. Elke combinatie van diepgangen heeft een gelijke kans van optreden Punten op elke gehelde lijn in de figuur in geven een gelijk verschil in diepgang aan. Elk van deze lijnen weerspiegelt een verticale aanvaringslocatie. In het voorbeeld in de figuur in zijn drie verticale aanvaringslocaties aangegeven, weergegeven door drie oppervlakken. Punt P 1 is het punt waar de onderrand van het verticale deel van de duwbakboeg of V-boeg op dekhoogte van het aangevaren schip botst. Het driehoekig gebied voor aanvaringsgeval 1 wordt begrensd door punt P 1. Dit correspondeert met de verticale aanvaringslocatie aanvaring op dekhoogte. Het driehoekige gebied linksboven in de rechthoek correspondeert met de verticale

246 aanvaringslocatie aanvaring onderdeks. Het verschil in diepgang T i, i = 1,2,3 moet worden gebruikt in de aanvaringsberekeningen (zie de volgende figuur). Voorbeeld van verticale aanvaringslocaties Voor de berekening van de aanvaringsenergieën moet de maximale massa (maximaal deplacement) van zowel het aanvarende als het aangevaren schip worden gebruikt (hoogste punt op elke respectievelijke diagonaal T i) Afhankelijk van het scheepsontwerp kan het erkende classificatiebureau aanvullende aanvaringslocaties eisen Tankschip type G Voor een tankschip type G moet een aanvaring bij halve tankhoogte worden aangenomen. Het erkende classificatiebureau kan aanvullende aanvaringslocaties bij andere hoogten eisen. Dit moet worden overeengekomen met het erkende classificatiebureau Langsscheepse aanvaringslocaties Tankschepen type C en N Ten minste de volgende drie karakteristieke aanvaringslocaties moeten in aanmerking worden genomen: - op dwarsschot, - tussen webspanten en - op webspanten Tankschip type G Voor een tankschip type G moeten ten minste de volgende drie karakteristieke aanvaarlocaties in aanmerking worden genomen: - bij het einde van de ladingtank, - tussen webspanten en - op webspanten Aantal aanvaringslocaties

247 Tankschepen type C en N De combinatie van verticale en langsscheepse aanvaringslocaties in het voorbeeld genoemd in en resulteert in 3 3 = 9 aanvaringslocaties Tankschip type G De combinatie van verticale en langsscheepse aanvaringslocaties in het voorbeeld genoemd in en resulteert in 1 3 = 3 aanvaringslocaties Aanvullende onderzoeken voor tankschepen type G, C en N met onafhankelijke ladingtanks Stap 3 Als bewijs dat de tankstoelen en de opdrijfzekeringen geen voortijdige tankscheuring veroorzaken moeten aanvullende berekeningen worden uitgevoerd. De aanvullende aanvaringslocaties moeten voor dit doel worden overeengekomen met het erkende classificatiebureau Voor elke karakteristieke aanvaringslocatie moet een weegfactor worden bepaald die de relatieve waarschijnlijkheid aangeeft dat een dergelijke karakteristieke aanvaringslocatie zal worden geraakt. In de tabel in worden deze factoren wf loc(i) (kolom J) genoemd. De aannames moeten worden overeengekomen met het erkende classificatiebureau. De weegfactor voor elke aanvaringslocatie is het product van de factor voor de verticale aanvaringslocatie met de factor voor de langsscheepse aanvaringslocatie Verticale aanvaringslocaties Tankschip type C en N De weegfactor voor de verschillende verticale aanvaarlocaties worden voor elk geval gedefinieerd als de verhouding tussen het deeloppervlak voor het corresponderende aanvaringsgeval en het totale oppervlak van de rechthoek getoond in de Figuur in Bijvoorbeeld voor aanvaringsgeval 1 (zie figuur in ) is de weegfactor gelijk aan de verhouding tussen het driehoekige oppervlak rechter beneden in de rechthoek en het oppervlak van de rechthoek tussen de minimale en maximale diepgang van de botsende en aangevaren schepen Tankschip type G De weegfactor voor de verticale aanvaarlocatie heeft de waarde 1,0, indien slechts één aanvaarlocatie wordt verondersteld. Wanneer het erkende classificatiebureau aanvullende aanvaarlocaties eist, moet de weegfactor worden bepaald analoog aan de procedure voor tankschepen type C en N Langsscheepse aanvaringslocaties Tankschip type C en N De weegfactor voor elke langsscheepse aanvaarlocatie is de verhouding tussen de rekenspanlengte en de tanklengte. De rekenspanlengte moet als volgt worden berekend: Tankschip type G a) aanvaring op dwarsschot: 0,2 de afstand tussen webspant en dwarsschot, maar niet groter dan 450 mm, b) aanvaring op webspant: de som van 0,2 webspantafstand voorlijk van de webspant, maar niet groter dan 450 mm, en 0,2 de webspantafstand achterlijk van de webspant, maar niet groter dan 450 mm, en c) aanvaring tussen webspanten: lengte van de ladingtank min de lengte aanvaring op dwarsschot en min de lengte aanvaring op webspant. De wegingsfactor voor elke langsscheepse aanvaringslocatie is de verhouding tussen de rekenspanlengte en de lengte van het ruim. De rekenspanlengte moet als volgt worden berekend: a) aanvaring op uiteinde van de ladingtank: afstand tussen dwarsschot en het begin van het cilindrische deel van de ladingtank,

248 Stap 4 b) aanvaring op webspant: som van 0,2 de webspantafstand voorlijk van de webspant, maar niet groter dan 450 mm, en 0,2 de webspantafstand achterlijk van de webspant, maar niet groter dan 450 mm, en c) aanvaring tussen webspanten: lengte van de ladingtank min de lengte aanvaring op uiteinde ladingtank en min de lengte aanvaring op webspant Voor elke aanvaarlocatie moet het aanvaringsenergie-absorptievermogen worden berekend. Wat dat aangaat is het aanvaringsenergie-absorptievermogen de hoeveelheid aanvaringsenergie die wordt geabsorbeerd door de scheepsconstructie tot aan scheurinitiatie van de ladingtank (zie de tabel in , kolom D: E loc(i)). Voor dit doel moet een eindige elementanalyse worden gebruikt in overeenstemming met Deze berekeningen moeten worden uitgevoerd voor twee aanvaarscenario s overeenkomstig de volgende tabel. Aanvaringsscenario I moet worden geanalyseerd onder aanname van een duwbakboegvorm. Aanvaringsscenario II moet worden geanalyseerd onder aanname van een V- boegvorm. Deze boegvormen worden gedefinieerd in Tabel: Snelheidsreductie factoren voor scenario I of scenario II met wegingsfactoren. Communicatiefout en slecht zicht Oorzaken Technische fout Menselijke fout 0,50 0,20 0,30 Slechtste scenario I II Boegvorm duwbak aanvaringshoek 55º V-boegvorm aanvaringshoek 90º 0,80 0,20 0,66 0,50 1, Stap Voor elk aanvaringsenergie-absorptievermogen E loc(i), moet de bijhorende waarschijnlijkheid van overschrijding, dat wil zeggen de waarschijnlijkheid van het scheuren van de ladingtank, worden berekend. Voor dit doel moet de formule voor de cumulatieve waarschijnlijkheidsdichtheidsfuncties (CPDF) hieronder worden gebruikt. De coëfficiënten moeten worden geselecteerd uit de Tabel in , uitgaande van de effectieve massa van het aangevaren schip. P x% = C 1(E loc(i)) 3 + C 2(E loc(i)) 2 + C 3E loc(i) + C 4 Met: P x% waarschijnlijkheid van scheuren van de tank, C 1-4 coëfficiënten uit de tabel in , E loc(i) aanvaringsenergie-absorptievermogen De effectieve massa moet gelijk zijn aan de maximale waterverplaatsing van het schip vermenigvuldigd met een factor 1,4. Beide aanvaringsscenario s ( ) moeten worden beschouwd In het geval van aanvaarscenario I (boeg van duwbak bij 55º) moeten drie CPDF formules worden gebruikt:

249 CPDF 50% (snelheid 0,5 V max), CPDF 66% (snelheid 2/3 V max) en CPDF 100% (snelheid V max) In het geval van aanvaarscenario II (V-boegvorm bij 90º) moeten de volgende twee CPDF formules worden gebruikt: CPDF 30% (snelheid 0,3 V max) en CPDF 100% (snelheid V max) In de tabel in , kolom F, worden deze waarschijnlijkheden P50%, P66%, P110% en respectievelijk P30% en P100% genoemd Tabel: Coëfficiënten voor de CPDF formules Effectieve massa van aangevaren schip in tonnen Snelheid = 1 x V max Coëfficiënten C 1 C 2 C 3 C 4 bereik ,106E-05-2,507E-03 9,727E-03 9,983E-01 4<E loc< ,609E-05-2,761E-03 1,215E-02 9,926E-01 4<E loc< ,327E-05-3,125E-03 1,569E-02 9,839E-01 4<E loc< ,458E-05-3,691E-03 2,108E-02 9,715E-01 4<E loc< ,902E-05-4,431E-03 2,719E-02 9,590E-01 4<E loc< ,823E-05-5,152E-03 3,285E-02 9,482E-01 4<E loc< ,144E-05-4,607E-03 2,921E-02 9,555E-01 2<E loc< ,071E-03 2,704E-02-1,245E-01 1,169E+00 2<E loc<12 Effectieve massa van aangevaren schip in tonnen Snelheid = 0,66 x V max Coëfficiënten C 1 C 2 C 3 C 4 bereik 4,638E-04-1,254E-02 2,041E-02 1,000E+00 2<E loc<17 5,377E-04-1,427E-02 2,897E-02 9,908E-01 2<E loc<17 6,262E-04-1,631E-02 3,849E-02 9,805E-01 2<E loc<15 7,363E-04-1,861E-02 4,646E-02 9,729E-01 2<E loc<13 9,115E-04-2,269E-02 6,285E-02 9,573E-01 2<E loc<12 1,071E-03-2,705E-02 7,738E-02 9,455E-01 1<E loc<11-1,709e-05-1,952e-02 5,123E-02 9,682E-01 1<E loc<8-2,479e-02 1,500E-01-3,218E-01 1,204E+00 1<E loc<5

250 Effectieve massa van aangevaren schip in tonnen Snelheid = 0,5 x V max Coëfficiënten C 1 C 2 C 3 C 4 bereik 2,621E-03-3,978E-02 3,363E-02 1,000E+00 1<E loc<10 2,947E-03-4,404E-02 4,759E-02 9,932E-01 1<E loc<9 3,317E-03-4,873E-02 5,843E-02 9,878E-01 2<E loc<8 3,963E-03-5,723E-02 7,945E-02 9,739E-01 2<E loc<7 5,349E-03-7,407E-02 1,186E-01 9,517E-01 1<E loc<6 6,303E-03-8,713E-02 1,393E-01 9,440E-01 1<E loc<6 2,628E-03-8,504E-02 1,447E-01 9,408E-01 1<E loc<5-1,566e-01 5,419E-01-6,348E-01 1,209E+00 1<E loc<3 Effectieve massa van aangevaren schip in tonnen Snelheid = 0,3 x V max Coëfficiënten C 1 C 2 C 3 C 4 bereik ,628E-02-3,081E-01 1,036E-01 9,991E-01 1<E loc< ,997E-02-3,212E-01 1,029E-01 1,002E+00 1<E loc< ,477E-02-3,949E-01 1,875E-01 9,816E-01 1<E loc< ,021E-02-5,143E-01 2,983E-01 9,593E-01 1<E loc< ,145E-02-4,814E-01 2,421E-01 9,694E-01 1<E loc< ,180E-01-6,267E-01 3,542E-01 9,521E-01 1<E loc< ,902E-02-7,546E-01 5,079E-01 9,218E-01 1<E loc< ,031E+00 2,214E-01 1,891E-01 9,554E-01 0,5<E loc<1 Het bereik waarin de formule geldig is wordt gegeven in kolom 6. In geval van een E loc waarde onder het bereik is de kans gelijk aan P x% = 1,0. In geval van een waarde boven het bereik is P x% gelijk aan Stap 6 De gewogen waarschijnlijkheden van het scheuren van de ladingtank P wx% (tabel in , kolom H) moeten worden berekend door elke waarschijnlijkheid van het scheuren van de ladingtank P x% (tabel in , kolom F) te vermenigvuldigen met de weegfactoren wf x% in overeenstemming met de volgende tabel: Tabel: Wegingsfactoren voor elke karakteristieke aanvaringssnelheid Wegingsfactor Scenario I CPDF 50% wf50% 0,2 CPDF 66% wf66% 0,5 CPDF 100% wf100% 0,3 Scenario II CPDF 30% wf30% 0,7 CPDF 100% wf100% 0,3

251 Stap Stap 8 De totale waarschijnlijkheden voor het scheuren van de ladingtank P loc(i) (tabel in , kolom I) volgend uit (stap 6) moet worden berekend als de som van alle gewogen waarschijnlijkheden voor het scheuren van de ladingtank P wx% (tabel , kolom H) voor elke in aanmerking genomen aanvaringslocatie. Voor beide aanvaarscenario s moeten de gewogen totale waarschijnlijkheden van het scheuren van de ladingtank P wloc(i) worden berekend, door de totale waarschijnlijkheden van het scheuren van de tank P loc(i) voor elke aanvaarlocatie te vermenigvuldigen met de wegingsfactoren wf loc(i) die corresponderen met de respectievelijke aanvaringslocatie (zie (stap 3) en de tabel in , kolom J) Stap Stap 10 Door optelling van de gewogen totale waarschijnlijkheden van het scheuren van de ladingtank P wloc(i) moeten de scenario-specifieke totale waarschijnlijkheden van het scheuren van de ladingtank P sceni en P scenii (tabel in , kolom L) worden berekend voor elke afzonderlijke aanvaring scenario I en II. Ten slotte moet de gewogen waarde van de over het geheel genomen totale waarschijnlijkheid van het scheuren van de ladingtank P w worden berekend met de formule hieronder (tabel in , kolom O): Stap Stap 12 P w = 0,8 P sceni + 0,2 P scenii De over het geheel genomen totale waarschijnlijkheid van het scheuren van de ladingtank P w voor het alternatieve ontwerp wordt P n genoemd. De over het geheel genomen totale waarschijnlijkheid van het scheuren van de tank P w voor het referentie ontwerp wordt P r genoemd De verhouding (C n/c r) tussen het gevolg (mate van schade) C n van het openscheuren van een ladingtank van het alternatieve ontwerp en het gevolg C r van het openscheuren van een ladingtank van het referentie ontwerp moeten worden bepaald met de volgende formule: C n/c r = V n / V r Met C n/c r de verhouding tussen het gevolg met betrekking tot het alternatieve ontwerp en het gevolg met betrekking tot het referentie ontwerp, V n maximum capaciteit van de grootste ladingtank in het alternatieve ontwerp maximum capaciteit van de grootste ladingtank in het referentie ontwerp V r Deze formule werd afgeleid voor karakteristieke ladingen vermeld in de volgende tabel.

252 Tabel: Karakteristieke ladingen UN Beschrijving Benzeen 1114 Brandbare vloeistof Verpakkingsgroep II Gevaarlijk voor de gezondheid Acrylnitril, gestabiliseerd ACN 1093 Brandbare vloeistof Verpakkingsgroep I Giftig, gestabiliseerd n-hexaan 1208 Brandbare vloeistof Verpakkingsgroep II Nonaan 1920 Brandbare vloeistof Verpakkingsgroep III Ammoniak, watervrij 1005 Giftig, bijtend gas Vloeibaar gemaakt onder druk Propaan 1978 Brandbaar gas Vloeibaar gemaakt onder druk Voor ladingtanks met een inhoud tussen 380 m 3 en 1000 m 3 die brandbare, giftige en bijtende vloeistoffen of gassen bevatten moet worden verondersteld dat het effect lineair toeneemt met de toegenomen tankinhoud (verhoudingsfactor 1,0) Indien stoffen moeten worden vervoerd in tankschepen die zijn geanalyseerd volgens deze berekeningsprocedure, waarbij de verhoudingsfactor tussen de totale tankinhoud en het aangetaste gebied verwacht wordt groter te zijn dan 1,0, zoals verondersteld in de vorige paragraaf, moet het aangetaste gebied worden bepaald door een afzonderlijke berekening. In dit geval moet de vergelijking zoals beschreven in (stap 13) worden uitgevoerd met deze andere waarde voor de grootte van het aangetaste gebied, t Stap 13 P r Ten slotte moet de verhouding Pn tussen de over het geheel genomen totale waarschijnlijkheid van het scheuren van de ladingtank P r voor het referentie ontwerp en de over het geheel genomen totale waarschijnlijkheid van het scheuren van de ladingtank P n voor het alternatieve ontwerp worden C n vergeleken met de verhouding C r tussen het gevolg met betrekking het alternatieve ontwerp en het gevolg met betrekking tot het referentie ontwerp. Wanneer aan geleverd. C C n r P P r n is voldaan is het bewijs volgens voor het alternatieve ontwerp Bepaling van het aanvaringsenergie-absorptievermogen Algemeen De bepaling van het aanvaringsenergie-absorptievermogen moet worden uitgevoerd door middel van een Eindige Elementen Analyse (Finite Element Analysis FEA). De analyse moet worden uitgevoerd met behulp van een gebruikelijke eindige elementen code (bijvoorbeeld LS-DYNA 1, PAM-CRASH 2, ABAQUS 3 enz.) die geschikt is om zowel geometrische niet-lineaire effecten alsmede niet lineair materiaalgedrag in rekening te brengen. De code moet ook geschikt zijn om scheurvorming realistisch te simuleren Het programma dat daadwerkelijk wordt gebruikt en het detailniveau van de berekeningen moet worden overeengekomen met een erkend classificatiebureau Het creëren van de eindige elementen modellen (Finite Element - FE modellen)

253 Allereerst moeten FE modellen van het meer aanvaarbestendige ontwerp en een van het referentie ontwerp worden gegenereerd. Elk FE model moet alle plastische vervormingen beschrijven die relevant zijn voor alle in aanmerking genomen aanvaringsgevallen. Het gedeelte van de te modelleren ladingzone moet worden overeengekomen met een erkend classificatiebureau Aan beide einden van de te modelleren sectie moeten de drie translaties worden onderdrukt. Omdat in de meeste aanvaargevallen de globale horizontale buiging van de scheepsligger niet van van belang is voor de evaluatie van de plastische vervormingsenergie, is het voldoende dat slechts de halve breedte van het schip wordt gemodelleerd. In deze gevallen moeten de dwarsverplaatsingen op de centerlijn (CL) worden onderdrukt. Na de gereedkoming van het FE model moet een berekening voor een proefaanvaring worden uitgevoerd om vast te stellen dat er geen plastische vervormingen nabij de modelgrenzen optreden. Anders moet de omvang van de in eindige elementen te modelleren sectie worden uitgebreid Constructiedelen die beinvloed worden tijdens aanvaringen moet voldoende verfijnd worden geïdealiseerd terwijl andere delen grover mogen worden gemodelleerd. De verfijndheid van het element moet voldoende zijn voor een toereikende beschrijving van locale vouwvervormingen en voor het vaststellen van een realistische scheurvorming van elementen LSTC, 7374 Las Positas Rd, Livermore, CA 94551, USA Tel : ESI Group, 8, Rue Christophe Colomb, Paris, France Tel: +33 (0) , Fax: +33 (0) , SIMULIA, Rising Sun Mills, 166 Valley Street, Providence, RI USA Tel: , Fax: ,

254 De berekening van scheurinitiatie moet zijn gebaseerd op breukcriteria die geschiktzijn voor de gebruikte elementen. De maximum elementgrootte moet in de aanvaringsgebieden kleiner zijn dan 200 mm. De verhouding tussen de lange en het korte zijde van een plaatelement mag niet de waarde van drie overschrijden. De lengte van het plaatelement wordt gedefinieerd als de langste lengte van beide zijden van het element. De verhouding tussen de lengte en de dikte van het plaatelement moet niet groter zijn dan vijf. Andere waarden moeten worden overeengekomen met het erkende classificatiebureau Plaatconstructies zoals scheepshuid, binnenhuid (tankwand in het geval van gastanks), webspanten zowel als stringers kunnen worden gemodelleerd met plaatelementen en verstijvingen als balkelementen. Bij het modelleren moet rekening worden gehouden met spaargaten en mangaten op de plaatsen van aanvaring In de FE berekening moet de node on segment penalty methode worden gebruikt voor de contact optie. Voor dit doel moeten de volgende keuzen worden geactiveerd in de genoemde codes: - contact_automatic_single_surface in LS-DYNA, - self impacting in PAMCRASH, en - gelijksoortige contact typen in andere FE-programma s Materiaaleigenschappen Vanwege het extreme gedrag van materiaal en constructie tijdens een aanvaring met niet-lineaire effecten in zowel geometrische- als materaalgedrag, moet de ware spanning-rekrelatie (true stressstrain) worden gebruikt: n C, waarin n ln( 1 A ) C R m e n g, n, A g = de maximum uniforme rek in relatie tot de breukspanning R m en e = the Euler constante ( ) De waarden A g en R m moeten worden bepaald aan de hand van trekproeven Indien slechts de uiterste trekspanning R m bekend is, dan mag voor scheepsbouw-staal met een vloeispanning R eh van niet meer dan 355 N/mm 2 de volgende benadering worden gebruikt om de A g waarde te verkrijgen uit een bekende R m [N/mm 2 ] waarde: A g 1 0,24 0,01395 R m Indien de materiaaleigenschappen van trekproeven niet beschikbaar zijn wanneer de berekeningen worden gestart dan moeten de minimum waarden van A g en R m,zoals voorgeschreven in de klasseregels van het erkende classificatiebureau, worden gebruikt. Voor scheepsbouwstaal met een vloeispanning hoger dan 355 N/mm 2 of andere materialen dan scheepsbouwstaal moeten de materiaaleigenschappen worden overeengekomen met het erkende classificatiebureau Bezwijkcriteria De scheurinitiatie van een element in een FEA wordt gedefinieerd door de breukrekwaarde. Indien de berekende rek, zoals de effectieve plastische rek, hoofdrek of (voor plaatelementen) de door-dikte-rek zijn gedefinieerde bezwijksrekwaarde overschrijdt moet het element worden weggenomen uit het FE model, de vervormingsenergie in dit element zal niet langer veranderen in de volgende stappen voor de berekening De volgende formule moet worden gebruikt voor de berekening van de breukrek: f l e g e t l e

255 Waarin: g = uniforme rek e = insnoering t = plaatdikte l e = lengte van het beschouwde plaatelement De waarden van uniforme rek en de insnoering voor scheepsbouwstaal met een vloeispanning R eh van niet meer dan 355 N/mm 2 moet worden genomen volgens de volgende tabel. Tabel Spanningstoestanden 1-D 2-D g 0,079 0,056 e 0,76 0,54 Type bestanddeel Staaf, balk Plaatelement Andere waarden voor g en e die zijn ontleend aan diktemetingen aan karakteristieke schadegevallen en/of experimenten, mogen worden gebruikt mits overeengekomen met het erkende classificatiebureau Andere bezwijkcriteria mogen worden geaccepteerd door het erkende classificatiebureau indien bewijsmateriaal uit geschikte beproevingen wordt overlegd Tankschip type G Voor een tankschip type G moet het bezwijkcriterium voor de druktank worden gebaseerd op equivalente plastische rek. De te gebruiken waarde bij het toepassen van het bezwijkcriterium moet worden overeengekomen met het erkende classificatiebureau. Equivalente plastische rek in relatie tot compressie moeten worden genegeerd Berekening van het aanvaringsenergie-absorptievermogen Het aanvaringsenergie-absorptievermogen is de optelling van interne energie (energie verbonden met vervorming van structurele elementen) en wrijvingsenergie. De wrijvingscoëfficient FD c Met: FD = 0,1, FS = 0,3, DC = 0,01 DC vrel FS FD e c wordt gedefinieerd als: v rel = relatieve wrijvingssnelheid. Opmerking: Waarden zijn standaardwaarden voor scheepsbouwstaal De kracht-indringingskrommen die voortvloeien uit de berekening volgens het FE model moeten ter beoordeling worden voorgelegd aan het erkende classificatiebureau Tankschip type G Om het totale energieabsorptievermogen van een tankschip type G te verkrijgen moet de energie die wordt geabsorbeerd door compressie van de damp tijdens de aanvaring worden berekend De energie E geabsorbeerd door de damp moet als volgt worden berekend: E p V1 p0 1 1 V0 met: γ = 1,4 (Opmerking: De waarde 1,4 is de standaardwaarde c p/c v met, in principe: c p = specifieke warmte bij constante druk [J/(kgK)], c v = specifieke warmte bij constant volume [J/(kgK)])

256 p 0 druk bij het begin van de compressie [Pa] p 1 druk aan het eind van de compressie [Pa] V 0 volume bij het begin van de compressie [m 3 ] V 1 volume bij het eind van de compressie [m 3 ] Definitie van aanvarend schip en aanvarende boeg Ten minste twee typen boegvormen van het aanvarende schip moeten worden gebruikt voor de berekening van het aanvaarenergie-absorptievermogen. - boegvorm I: duwbakboeg (zie ) - boegvorm II: V-vorm boeg zonder bulp (zie ) Omdat in de meeste aanvaargevallen de boeg van het aanvarende schip slechts lichte vervormingen vertoont vergeleken met de zijconstructie van het aangevaren schip, zal een aanvarende boeg worden gedefinieerd als onvervormbaar. Slechts voor bijzondere situaties waar het aangevaren schip een extreem sterke zijconstructie heeft vergeleken met de aanvarende boeg en het structurele gedrag van het aangevaren schip wordt beïnvloed door de plastische vervorming van de aanvarende boeg, moet de aanvarende boeg worden beschouwd als vervormbaar. In dit geval behoort de structuur van de aanvarende boeg ook te worden gemodelleerd. Dit moet worden overeengekomen met het erkende classificatiebureau Veronderstellingen voor aanvaringsgevallen Voor de aanvaargevallen moet het volgende worden verondersteld: a) Als aanvaringshoek tussen aanvarende en aangevaren schip moet 90º worden genomen in geval van een V-gevormde boeg en 55º in geval van een duwbakboeg; en b) Het aangevaren schip heeft snelheid 0, terwijl het aanvarende schip in de zijde van het aangevaren schip vaart met een constante snelheid van 10 m/s Typen boegvormen Duwbakboeg De aanvaringssnelheid van 10 m/s is een veronderstelde waarde om te worden gebruikt in de FE analyse. Karakteristieke afmetingen moeten worden genomen uit de tabel hieronder: Halve breedten Hoogten Spant Knokkel 1 Knokkel 2 Dek Voorsteven Knokkel 1 Knokkel 2 Dek 145 4,173 5,730 5,730 0,769 1,773 2,882 5, ,100 5,730 5,730 0,993 2,022 3,074 5, ,028 5,730 5,730 1,255 2,289 3,266 5, ,955 5,711 5,711 1,559 2,576 3,449 5, ,883 5,653 5,653 1,932 2,883 3,621 5, ,810 5,555 5,555 2,435 3,212 3,797 5, ,738 5,415 5,415 3,043 3,536 3,987 5, ,665 5,230 5,230 3,652 3,939 4,185 5,315 transom 3,600 4,642 4,642 4,200 4,300 4,351 5,340

257 De volgende afbeeldingen zijn bedoeld om toelichting te verschaffen.

258 V-boeg Karakteristieke afmetingen moeten worden genomen uit de tabel hieronder Referentienummer x y z 1 0,000 3,923 4, ,000 3,923 4, ,000 3,000 2, ,652 3,000 3, ,296 3,000 4, ,296 3,000 4, ,000 2,000 0, ,197 2,000 2, ,346 2,000 4, ,346 2,000 4, ,000 1,000 0, ,420 1,000 0, ,777 1,000 0, ,894 1,000 1, ,123 1,000 4, ,123 1,000 4, ,765 0,053 0, ,131 0,120 1, ,471 0,272 1, ,618 0,357 2, ,895 0,588 3, ,159 0,949 4, ,159 0,949 4, ,000 0,000 0, ,795 0,000 0, ,212 0,000 1, ,481 0,000 4, ,485 0,000 5,004

259 De volgende afbeeldingen zijn bedoeld om toelichting te verschaffen

5.2.1.3 Bergingsverpakkingen en bergingsdrukhouders moeten bovendien zijn gemerkt met het woord "BERGING".

5.2.1.3 Bergingsverpakkingen en bergingsdrukhouders moeten bovendien zijn gemerkt met het woord BERGING. HOOFDSTUK 5.2 KENMERKING EN ETIKETTERING 5.2.1 Kenmerking van colli Opmerking: Voor kenmerking die betrekking heeft op de constructie, de beproeving en de toelating van verpakkingen, grote verpakkingen,

Nadere informatie

Deel 5 Procedures voor de verzending

Deel 5 Procedures voor de verzending Deel 5 Procedures voor de verzending HOOFDSTUK 5.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 5.1.1 Toepassingsgebied en algemene voorschriften Dit deel bevat voorschriften voor de verzending van gevaarlijke goederen met

Nadere informatie

DEEL 5 Procedures voor de verzending

DEEL 5 Procedures voor de verzending DEEL 5 Procedures voor de verzending HOOFDSTUK 5.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 5.1.1 Toepassing en algemene voorschriften Dit deel bevat de voorschriften met betrekking tot de kenmerking, de etikettering en

Nadere informatie

DEEL 5 Procedures voor de verzending

DEEL 5 Procedures voor de verzending DEEL 5 Procedures voor de verzending HOOFDSTUK 5.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 5.1.1 Toepassing en algemene voorschriften Dit deel bevat de voorschriften met betrekking tot de kenmerking, de etikettering en

Nadere informatie

Procedures voor de verzending

Procedures voor de verzending Procedures voor de verzending adnr Inhoud Deel 5 Procedures voor de verzending Hoofdstuk 5.1 Algemene voorschriften 5.1.1 Toepassing en algemene voorschriften 5.1.2 Gebruik van oververpakkingen 5.1.3 Lege

Nadere informatie

5.1.2.1 a) Op een oververpakking moeten de volgende aanduidingen zijn aangebracht: i) het woord "OVERVERPAKKING"; en

5.1.2.1 a) Op een oververpakking moeten de volgende aanduidingen zijn aangebracht: i) het woord OVERVERPAKKING; en DEEL 5 Procedures voor de verzending HOOFDSTUK 5.1 Algemene voorschriften 5.1.1 Toepassingsgebied en algemene voorschriften Dit deel bevat voorschriften voor de verzending van gevaarlijke goederen met

Nadere informatie

Procedures voor de verzending

Procedures voor de verzending DEEL 5 Procedures voor de verzending Hoofdstuk 5.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 5.1.1 Toepassingsgebied en algemene voorschriften Dit deel bevat voorschriften voor de verzending van gevaarlijke goederen met

Nadere informatie

Hoofdstuk 5.2 - Kenmerken en etiketteren

Hoofdstuk 5.2 - Kenmerken en etiketteren Hoofdstuk 5.2 - Kenmerken en etiketteren 5.2.1 Kenmerken van colli OPMERKING. Zie in deel 6 voor de merktekens betreffende de constructie, de beproevingen en de goedkeuring van de verpakkingen, grote verpakkingen,

Nadere informatie

DEEL 5. Verzendingsprocedures

DEEL 5. Verzendingsprocedures DEEL 5 Verzendingsprocedures Hoofdstuk 5.1 - Algemene bepalingen 5.1.1 Toepassing en algemene bepalingen Het onderhavig deel geeft de bepalingen weer met betrekking tot de verzending van gevaarlijke goederen

Nadere informatie

DEEL 5. Verzendingsprocedures

DEEL 5. Verzendingsprocedures DEEL 5 Verzendingsprocedures 5.1.1 Toepassing en algemene bepalingen HOOFDSTUK 5.1 ALGEMENE BEPALINGEN Onderhavig deel geeft de bepalingen betreffende de verzending van gevaarlijke goederen die betrekking

Nadere informatie

DEEL 5. Verzendingsprocedures

DEEL 5. Verzendingsprocedures DEEL 5 Verzendingsprocedures 5.1.1 Toepassing en algemene bepalingen HOOFDSTUK 5.1 ALGEMENE BEPALINGEN Onderhavig deel geeft de bepalingen betreffende de verzending van gevaarlijke goederen die betrekking

Nadere informatie

DEEL 5 Verzendingsprocedures

DEEL 5 Verzendingsprocedures DEEL 5 Verzendingsprocedures - 723 - 5.1.1 Toepassing en algemene bepalingen HOOFDSTUK 5.1 ALGEMENE BEPALINGEN Onderhavig deel geeft de bepalingen betreffende de verzending van gevaarlijke goederen die

Nadere informatie

Hoofdstuk 5.1 - Algemene bepalingen

Hoofdstuk 5.1 - Algemene bepalingen Hoofdstuk 5.1 - Algemene bepalingen 5.1.1 Toepassing en algemene bepalingen Het onderhavig deel geeft de bepalingen weer met betrekking tot de verzending van gevaarlijke goederen voor wat betreft de kenmerking,

Nadere informatie

5.5.2 Bijzondere bepalingen van toepassing op gegaste laadeenheden (UN 3359)

5.5.2 Bijzondere bepalingen van toepassing op gegaste laadeenheden (UN 3359) HOOFDSTUK 5.5 BIJZONDERE BEPALINGEN 5.5.1 (Geschrapt) 5.5.2 Bijzondere bepalingen van toepassing op gegaste laadeenheden (UN 3359) 5.5.2.1 Algemeen 5.5.2.1.1 Gegaste laadeenheden (UN 3359) die geen andere

Nadere informatie

AANBRENGEN VAN GROTE ETIKETTEN EN KENMERKINGEN

AANBRENGEN VAN GROTE ETIKETTEN EN KENMERKINGEN HOOFDFSTUK 5.3 AANBRENGEN VAN GROTE ETIKETTEN EN KENMERKINGEN Opmerking : Zie voor de kenmerking en het aanbrengen van grote etiketten op containers, MEGC's, tankcontainers en transporttanks bij vervoer

Nadere informatie

DEEL 5. Verzendingsprocedures

DEEL 5. Verzendingsprocedures DEEL 5 Verzendingsprocedures 5.1.1 Toepassing en algemene bepalingen HOOFDSTUK 5.1 ALGEMENE BEPALINGEN Onderhavig deel geeft de bepalingen betreffende de verzending van gevaarlijke goederen die betrekking

Nadere informatie

Deel 5 Procedures voor de verzending

Deel 5 Procedures voor de verzending Deel 5 Procedures voor de verzending - 575 - - 576 - Inhoud 5.1 Algemene voorschriften 5.1.1 Toepassing en algemene voorschriften 5.1.2 gereserveerd 5.1.3 gereserveerd 5.1.4 Gezamenlijke verpakking 5.1.5

Nadere informatie

Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg 1 INHOUDSOPGAVE ADR Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg Protocol van ondertekening BIJLAGE A ALGEMENE BEPALINGEN EN BEPALINGEN BETREFFENDE

Nadere informatie

Hoofdstuk Lijsten van de gevaarlijke goederen

Hoofdstuk Lijsten van de gevaarlijke goederen Hoofdstuk 3.2 - Lijsten van de gevaarlijke goederen 3.2.1 Verduidelijkingen betreffende Tabel A : Lijst van de gevaarlijke goederen per UN-nummer Over het algemeen heeft elke rij van tabel A van onderhavig

Nadere informatie

Hoofdstuk 5.3 - Etiketteren (grote etiketten) en kenmerken

Hoofdstuk 5.3 - Etiketteren (grote etiketten) en kenmerken Hoofdstuk 5.3 - Etiketteren (grote etiketten) en kenmerken OPMERKING. Voor de kenmerking en etikettering van containers, MEGC s, tankcontainers en mobiele tanks van een vervoer dat deel uitmaakt van een

Nadere informatie

Hoofdstuk 5.3 - Etiketteren (grote etiketten) en kenmerken

Hoofdstuk 5.3 - Etiketteren (grote etiketten) en kenmerken Hoofdstuk 5.3 - Etiketteren (grote etiketten) en kenmerken OPMERKING. Voor de kenmerking en etikettering van containers, MEGC s, tankcontainers en mobiele tanks van een vervoer dat deel uitmaakt van een

Nadere informatie

Vervoer van lithiumcellen en -batterijen over de weg

Vervoer van lithiumcellen en -batterijen over de weg Vervoer van lithiumcellen en -batterijen over de weg Opgesteld door: QSS/PT Geldig vanaf: ADR 2017 Ongebruikte lithiumcellen en batterijen. 1.1.3.7 Vrijstellingen in samenhang met het vervoer van inrichtingen

Nadere informatie

Transport gevaarlijke stoffen

Transport gevaarlijke stoffen min. 30 cm Identificatienummer gevaar Identificatienummer stof 40 cm Afmeting mag ongeveer 10% afwijken Herkenningsbord Blanco Lijst van stoffen en identificatienummers Betekenis van gevaarsidentificatienummers

Nadere informatie

Voor dit type organisch peroxide of zelfontledende stof moet verpakkingsmethode OP8 gebruikt worden Gebruik van de IBC s

Voor dit type organisch peroxide of zelfontledende stof moet verpakkingsmethode OP8 gebruikt worden Gebruik van de IBC s 4.1.7.1 Gebruik van de verpakkingen (met uitzondering van IBC s) 4.1.7.1.1 De verpakkingen die gebruikt worden voor de organische peroxides en de zelfontledende stoffen moeten beantwoorden aan de voorschriften

Nadere informatie

Hoofdstuk 5.5 - Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 5.5 - Bijzondere bepalingen Miinimale afmeting 250 mm 5.5.1 Afgeschaft Hoofdstuk 5.5 - Bijzondere bepalingen 5.5.2 Bijzondere bepalingen met betrekking tot laadtransporteenheden onder fumigatie (UN-nummer 3359) 5.5.2.1 Algemeenheden

Nadere informatie

ADR/RID 2013 ADR ONLY 1.6.1.1 17/12/2012. Afdeling België Belgian Safety Advisors Association

ADR/RID 2013 ADR ONLY 1.6.1.1 17/12/2012. Afdeling België Belgian Safety Advisors Association 1 ADR/RID 2013 1.6.1.1 ADR ONLY 2 1 Voorwoord Dit is een samenvatting van de belangrijkste wijzigingen. Steeds officiële teksten gebruiken (december 2012) ADR : http://www.unece.org/trans/main/dgdb/wp15/wp15rep.html

Nadere informatie

Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) Bijlagen

Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) Bijlagen Verenigde Naties - Economische Commissie voor Europa Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) Bijlagen 2015 Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Nadere informatie

REGLEMENT BETREFFENDE HET INTERNATIONALE SPOORWEGVERVOER VAN GEVAARLIJKE GOEDEREN (RID) Bijlage

REGLEMENT BETREFFENDE HET INTERNATIONALE SPOORWEGVERVOER VAN GEVAARLIJKE GOEDEREN (RID) Bijlage REGLEMENT BETREFFENDE HET INTERNATIONALE SPOORWEGVERVOER VAN GEVAARLIJKE GOEDEREN (RID) Bijlage INHOUDSOPGAVE RID Deel 1: Algemene voorschriften 1.1 Toepassingsgebied en toepasbaarheid 1.1.1 Structuur

Nadere informatie

Geen / verkeerde vrachtbrief 1.600,-- Vrachtbriefinformatie onjuiste volgorde 375,-- Geen / verkeerde gevarenkaart 1.200,--

Geen / verkeerde vrachtbrief 1.600,-- Vrachtbriefinformatie onjuiste volgorde 375,-- Geen / verkeerde gevarenkaart 1.200,-- Feit Boete Geen / verkeerde vrachtbrief,-- Vrachtbriefinformatie onjuiste volgorde,-- Geen / verkeerde gevarenkaart,-- Geen vakbekwaamheidscertificaat,-- Geen algemene opleiding,-- Samenladen / scheiden

Nadere informatie

5.1.5.1.4 a) Voeg na ingediend zijn bij in de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong van de zending.

5.1.5.1.4 a) Voeg na ingediend zijn bij in de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong van de zending. VERTALING WIJZIGINGEN ADN INGAANDE 1-1-2011 Bronnen: ECE/ADN/9 d.d. 25 juni 2010 ECE-ADN-9 FINAL-E_RedConfDMS van mei 2010 ECE/ADN/9/Corr.1 d.d. 29 juni 2010 DEEL 5 Hoofdstuk 5.1 5.1.2.3 en 5.1.2.4 Wijzig

Nadere informatie

VALUE ADDED SERVICE DANGEROUS GOODS

VALUE ADDED SERVICE DANGEROUS GOODS ALGEMEEN Dangerous Goods Indien zendingen gevaarlijke stoffen bevatten dan kunnen deze verzonden worden mits deze voldoen aan de voorwaarden van het ADR. Het ADR is de Europese regelgeving rond vervoer

Nadere informatie

24 mei 2016 - Evenementenhal Gorinchem. Rollen en verantwoordelijkheden in de transportketen

24 mei 2016 - Evenementenhal Gorinchem. Rollen en verantwoordelijkheden in de transportketen 24 mei 2016 - Evenementenhal Gorinchem Rollen en verantwoordelijkheden in de transportketen Rollen en verantwoordelijkheden in de transportketen De markt: wie heeft welke rol? Wat is bevrachter / operator

Nadere informatie

Vragen gecombineerd weg-/zeevervoer v.v. van verpakte gevaarlijke stoffen.

Vragen gecombineerd weg-/zeevervoer v.v. van verpakte gevaarlijke stoffen. Vragen gecombineerd weg-/zeevervoer v.v. van verpakte gevaarlijke stoffen. Totaal 15 vragen met antwoorden Vraag 1. De IMDG Code bestaat uit 7 delen Het ADR bestaat uit 9 delen B. Stelling 1 en 2 zijn

Nadere informatie

5.1.5.3.5 Voeg een nieuwe paragraaf 5.1.5.3.5 toe die als volgt wordt gelezen:

5.1.5.3.5 Voeg een nieuwe paragraaf 5.1.5.3.5 toe die als volgt wordt gelezen: VERTALING WIJZIGINGEN ADR INGAANDE 1-1-2011 Bron: ECE/TRANS/WP.15/204 d.d. 12-3-10 + 204/Add.1 en 204/Corr.1 DEEL 5 Hoofdstuk 5.1 5.1.5.1.4 a) Voeg na ingediend zijn bij in: de bevoegde autoriteit van

Nadere informatie

Publicatieblad van de Europese Unie L 367/23

Publicatieblad van de Europese Unie L 367/23 14.12.2004 Publicatieblad van de Europese Unie L 367/23 RICHTLIJN 2004/112/EG VAN DE COMMISSIE van 13 december 2004 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 95/50/EG van de Raad

Nadere informatie

Instructie Veilig Werken met Gevaarlijke Stoffen

Instructie Veilig Werken met Gevaarlijke Stoffen Welkom bij Instructie Veilig Werken met Gevaarlijke Stoffen Jaap van der Steen Bedrijfsadvies EVO Agenda Risico s Stoffen Controle lading Verzenden LQ en ADR volle dozen Verzenden LQ en ADR stuks Oververpakken

Nadere informatie

Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR)

Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) INHOUDSTAFEL Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) Protocol van ondertekening BIJLAGE A Deel 1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN EN VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING

Nadere informatie

Vervoer gevaarlijke stoffen en tunnels

Vervoer gevaarlijke stoffen en tunnels Vervoer gevaarlijke stoffen en tunnels Vervoer gevaarlijke stoffen en tunnels Dit is een geheugensteun voor chauffeurs die gevaarlijke stoffen vervoeren. In deze brochure staan onderwerpen die belangrijk

Nadere informatie

Hoofdstuk Algemene voorschriften

Hoofdstuk Algemene voorschriften 2.1.1 Inleiding Hoofdstuk 2.1 - Algemene voorschriften 2.1.1.1 De klassen gevaarlijke goederen volgens het RID zijn de volgende: Klasse 1 Klasse 2 Klasse 3 Ontplofbare stoffen en voorwerpen. Gassen. Brandbare

Nadere informatie

SCHRIFTELIJKE INSTRUCTIES VOLGENS HET ADN. Maatregelen in het geval van een ongeval of noodgeval

SCHRIFTELIJKE INSTRUCTIES VOLGENS HET ADN. Maatregelen in het geval van een ongeval of noodgeval SCHRIFTELIJKE INSTRUCTIES VOLGENS HET ADN Maatregelen in het geval van een ongeval of noodgeval In het geval van een ongeval of noodgeval dat tijdens het vervoer kan voorkomen of optreden, moeten de leden

Nadere informatie

GROENEWOUD Consultancy

GROENEWOUD Consultancy Wijzigingen ADR per 1 januari 2011 1.1 Toepassingsgebied 1.2 Definities 1.3 Opleidingen 1.4 Veiligheidsplichten Vrijstellingen ivm samenhang met gassen aangevuld met: gassen in ballen tbv sport. gassen

Nadere informatie

Opgesteld door: CCV. Examenonderdeel Code: n.v.t. Veiligheidsadviseur Modaliteitspecifiek deel Spoorvervoer Toetsvorm: Schriftelijk

Opgesteld door: CCV. Examenonderdeel Code: n.v.t. Veiligheidsadviseur Modaliteitspecifiek deel Spoorvervoer Toetsvorm: Schriftelijk Opgesteld door: CCV Examenonderdeel Code: n.v.t. Naam: Veiligheidsadviseur Modaliteitspecifiek deel Spoorvervoer Toetsvorm: Schriftelijk Eindtermen/toetstermen: 6. Voorschriften voor verpakkingen, met

Nadere informatie

1. Mag U in éénzelfde container volgende colli samen vervoeren? - Colli met UN 1848 en colli met UN 3114 O Ja O Neen

1. Mag U in éénzelfde container volgende colli samen vervoeren? - Colli met UN 1848 en colli met UN 3114 O Ja O Neen UBIJSCHLINGSPLEIDING - BASIS 1. Mag U in éénzelfde container volgende colli samen vervoeren? - Colli met UN 1848 en colli met UN 3114 Ja - Colli met UN 3112 en colli met UN 3125 Ja - Colli met UN 2021

Nadere informatie

DOSSIER: IBC s voor het vervoer van gevaarlijke stoffen

DOSSIER: IBC s voor het vervoer van gevaarlijke stoffen SEPTEMBER 2016 DOSSIER: IBC s voor het vervoer van gevaarlijke stoffen IBC s of voluit Intermediate Bulk Containers. Dit is een container die gebruikt wordt voor los gestorte goederen in bulk (bv ertsen,

Nadere informatie

Indelen van gevaarlijke (afval)stoffen. EURAL versus ADR

Indelen van gevaarlijke (afval)stoffen. EURAL versus ADR Indelen van gevaarlijke (afval)stoffen EURAL versus ADR Wie ben ik? Pascal Smetsers Wat doe ik? Bedrijfsadviseur gevaarlijke (afval)stoffen Opslag: PGS Vervoer: Alle vervoersmodaliteiten Gebruik: (EU-)GHS,

Nadere informatie

10 ADR 2007: Voornaamste wijzigingen voor 1 juli 2007

10 ADR 2007: Voornaamste wijzigingen voor 1 juli 2007 10 ADR 2007: Voornaamste wijzigingen voor 1 juli 2007 35 De wijzigingen voor 2007 kunnen geraadpleegd worden op het INTERNET website : http://www.unece.org./trans/main/dgdb/wp15/wp15rep.html De tekst kiezen

Nadere informatie

DEEL 1. Algemene bepalingen

DEEL 1. Algemene bepalingen DEEL 1 Algemene bepalingen 1.1.1 Structuur Hoofdstuk 1.1 - Toepassingsgebied en toepasbaarheid Het RID is onderverdeeld in zeven delen; elk deel is onderverdeeld in hoofdstukken, en elk hoofdstuk in afdelingen

Nadere informatie

5.4.1.1.1 I 14 I niveau 1 500 euro. 5.4.1.1.1 of 5.4.1.1.16

5.4.1.1.1 I 14 I niveau 1 500 euro. 5.4.1.1.1 of 5.4.1.1.16 1/ vervoerdocument richtlijn risico nu morgen 1.1 geen enkele aanduiding over het gevaarlijke karakter (of de gevaarseigenschappen) van de vervoerde goederen 5.4.1.1.1 I 14 I niveau 1 500 1500 1.2 onmogelijke

Nadere informatie

pag 1 / 10 Het vervoer van radioactieve stoffen Index

pag 1 / 10 Het vervoer van radioactieve stoffen Index 12 pag 1 / 10 /stralingsbeschermingsdienst SBD 02-8021-1 Het vervoer van radioactieve stoffen Index Inleiding Verpakking Radioactieve inhoud Transportindex Exclusief gebruik Vervoersdocument Vakbekwaamheidscertificaat

Nadere informatie

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur Binnenvaart - Initieel en Verlenging

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur Binnenvaart - Initieel en Verlenging In deze toetsmatrijs staat wat u moet kunnen en kennen. De toetsmatrijs vormt daarom de basis van de opleiding en het examen. Opgesteld door: CB divisie CCV Categoriecode: VB (Initieel examen), VVB (Verlengingsexamen)

Nadere informatie

Vo (EG) Nr. 1677/88, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 888/97 en Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 KOMKOMMERS

Vo (EG) Nr. 1677/88, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 888/97 en Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 KOMKOMMERS Vo (EG) Nr. 1677/88, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 888/97 en Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 KOMKOMMERS I. DEFINITIE VAN HET PRODUCT Deze norm heeft betrekking op komkommers van de variëteiten (cultivars)

Nadere informatie

Vo (EG) Nr. 1455/99, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 2706/00; Vo (EG) Nr. 2147/02; Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 PAPRIKA'S

Vo (EG) Nr. 1455/99, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 2706/00; Vo (EG) Nr. 2147/02; Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 PAPRIKA'S Vo (EG) Nr. 1455/99, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 2706/00; Vo (EG) Nr. 2147/02; Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 PAPRIKA'S I. DEFINITIE VAN HET PRODUCT Deze norm heeft betrekking op paprikavariëteiten

Nadere informatie

a) de gevaarlijke goederen die van het internationale vervoer zijn uitgesloten;

a) de gevaarlijke goederen die van het internationale vervoer zijn uitgesloten; DEEL 1 Algemene Voorschriften HOOFDSTUK 1.1 TOEPASSINGSGEBIED EN TOEPASBAARHEID 1.1.1 Structuur Bijlagen A en B van het ADR zijn onderverdeeld in negen delen. Bijlage A bestaat uit de delen 1 tot en met

Nadere informatie

L3G B.02 - Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Bijlage 1. Toepassingsgebied/ondergrenzen en vrijstellingen PGS 15 (versie 2016)

L3G B.02 - Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Bijlage 1. Toepassingsgebied/ondergrenzen en vrijstellingen PGS 15 (versie 2016) L3G 06.03.B.02 - Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Bijlage 1. Toepassingsgebied/ondergrenzen en vrijstellingen PGS 15 (versie 2016) Het toepassingsgebied van PGS 15 heeft betrekking op stoffen van

Nadere informatie

1.1.3.4.3 Voeg een nieuwe paragraaf 1.1.3.4.3 toe, die als volgt wordt gelezen:

1.1.3.4.3 Voeg een nieuwe paragraaf 1.1.3.4.3 toe, die als volgt wordt gelezen: ADR (wijzigingen per ) Deel 1 Hoofdstuk 1.1 1.1.3.1 a) Voeg in a) een nieuwe tweede zin toe, die als volgt wordt gelezen: "Indien deze goederen brandbare vloeistoffen zijn, vervoerd in hervulbare houders,

Nadere informatie

VRS. Inleiding EMPLOYÉE EN SÛRETÉ NUCLÉAIRE ET RADIOPROTECTION [ÉDITION 2007]

VRS. Inleiding EMPLOYÉE EN SÛRETÉ NUCLÉAIRE ET RADIOPROTECTION [ÉDITION 2007] Inleiding Wanneer er zich een ongeval voordoet waarbij het vervoer van radioactieve stoffen (VRS) 1 betrokken is, is het mogelijk dat er, standaard, onmiddellijke acties vereist zijn, rekening gehouden

Nadere informatie

Toetsmatrijs Vakbekwaamheid Behandeling Gevaarlijke Stoffen Initieel en Verlenging - Extern

Toetsmatrijs Vakbekwaamheid Behandeling Gevaarlijke Stoffen Initieel en Verlenging - Extern Opgesteld door: CCV Wijzigingen zijn cursief weergeven Categorie: Categoriecode: Toetsvorm: Totaal aantal vragen: Dekkingsgraad toetstermen: 94% Vakbekwaamheid Behandeling Gevaarlijke Stoffen VBGS(V) Schriftelijk

Nadere informatie

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur Binnenvaart - Initieel en Verlenging

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur Binnenvaart - Initieel en Verlenging In deze toetsmatrijs staat wat u moet kunnen en kennen. De toetsmatrijs vormt daarom de basis van de opleiding en het examen. Opgesteld door: CB divisie CCV Categoriecode: Toetsvorm: Totaal aantal vragen:

Nadere informatie

ADR. in voege op 1 januari 2015. Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

ADR. in voege op 1 januari 2015. Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg ADR in voege op 1 januari 2015 Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg INHOUDSTAFEL Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke

Nadere informatie

MONITEUR BELGE 11.02.2009 BELGISCH STAATSBLAD

MONITEUR BELGE 11.02.2009 BELGISCH STAATSBLAD MONITEUR BELGE 11.02.2009 BELGISCH STAATSBLAD 10523 FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER [C 2008/14377] ADR in voege op 1 januari 2009 Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer

Nadere informatie

EU, WOR WORTELEN I. DEFINITIE VAN HET PRODUCT

EU, WOR WORTELEN I. DEFINITIE VAN HET PRODUCT Vo (EG) 730/99, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 WORTELEN I. DEFINITIE VAN HET PRODUCT Deze norm heeft betrekking op wortelen van variëteiten (cultivars) afgeleid van Daucus carota L.,

Nadere informatie

ADR in voege op 1 januari 2009 Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg INHOUDSTAFEL

ADR in voege op 1 januari 2009 Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg INHOUDSTAFEL FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER [C 2008/14377] ADR in voege op 1 januari 2009 Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg INHOUDSTAFEL Europees

Nadere informatie

SafetyPlan bvba tel. +32-(0) Marjoleinstraat 32 fax.+32-(0)

SafetyPlan bvba tel. +32-(0) Marjoleinstraat 32 fax.+32-(0) SafetyPlan bvba Veiligheidsuitrusting & Advies voor het Vervoer van Gevaarlijke Stoffen Lijst van de inbreuken en de te innen men. Inhoud 1. Vervoerdocument en identiteitsbewijs 2. Keuringsdocument 3.

Nadere informatie

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur wegvervoer - Initieel en Verlenging

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur wegvervoer - Initieel en Verlenging In deze toetsmatrijs staat wat u moet kunnen en kennen. De toetsmatrijs vormt daarom de basis van de opleiding en het examen. Opgesteld door: CB divisie CCV Categoriecode: VW (Initieel examen), VVW (Verlengingsexamen)

Nadere informatie

4.1.1.1 Vervang aan het slot of hergebruikte door, hergebruikte of omgebouwde. 4.1.1.2 Schrap het woord en aan het slot van subparagraaf a).

4.1.1.1 Vervang aan het slot of hergebruikte door, hergebruikte of omgebouwde. 4.1.1.2 Schrap het woord en aan het slot van subparagraaf a). VERTALING WIJZIGINGEN RID INGAANDE 1-1-2011 Bron: OTIF/RID/NOT/2011 d.d. 30-6-2010 DEEL 4 Hoofdstuk 4.1 4.1.1.1 Vervang aan het slot of hergebruikte door, hergebruikte of omgebouwde. 4.1.1.2 Schrap het

Nadere informatie

a) de gevaarlijke goederen die van het internationale vervoer zijn uitgesloten;

a) de gevaarlijke goederen die van het internationale vervoer zijn uitgesloten; DEEL 1 Algemene Voorschriften HOOFDSTUK 1.1 TOEPASSINGSGEBIED EN TOEPASBAARHEID 1.1.1 Structuur Bijlagen A en B van het ADR zijn onderverdeeld in negen delen. Bijlage A bestaat uit de delen 1 tot en met

Nadere informatie

Deel 7. Voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de overige behandeling van de lading

Deel 7. Voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de overige behandeling van de lading Voorschriften vervoer, laden, lossen en behandeling adnr Inhoud Deel 7 Voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de overige behandeling van de lading Hoofdstuk 7.1 Drogeladingschepen 7.1.0 Algemene

Nadere informatie

4G/20.5/S/17 B/

4G/20.5/S/17 B/ Januari 2017 DOSSIER: UN-kenmerk op verpakkingen Nog veel té vaak zien we UN-kenmerken, waarvan de juistheid ver te zoeken valt, vandaar dat het eens hoog tijd werd om hier een artikel aan te wijden. Alle

Nadere informatie

ECE/TRANS/WP15/204 d.d /Add.1 en 204/Corr.1

ECE/TRANS/WP15/204 d.d /Add.1 en 204/Corr.1 VERTALING WIJZIGINGEN ADR INGAANDE 1-1-2011 Bron: ECE/TRANS/WP15/204 d.d. 12-3-10 + 204/Add.1 en 204/Corr.1 DEEL 8 Hoofdstuk 8.1 8.1.2.1 a) Vervang containerbeladingscertificaat door grote container- of

Nadere informatie

Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (tekst geldig vanaf )

Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (tekst geldig vanaf ) Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (tekst geldig vanaf 01-07-2011) Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 29, 30, tweede lid, 31

Nadere informatie

Checklist voor Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, nitraathoudende kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen

Checklist voor Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, nitraathoudende kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen Nr. 4.1.1 Checklist voor Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, nitraathoudende kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen Vindplaats Activiteitenbesluit: 4.1.1, artikel

Nadere informatie

Vakbekwaamheidseisen vervoer gevaarlijke stoffen. voor de wagencontroleur

Vakbekwaamheidseisen vervoer gevaarlijke stoffen. voor de wagencontroleur Vakbekwaamheidseisen vervoer gevaarlijke stoffen voor de wagencontroleur Behorend bij het examenprogramma wagencontroleur Vastgesteld op 22 november 2012 de Minister Infrastructuur en Milieu, namens deze:

Nadere informatie

Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR)

Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR) Protocol (CCR) Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR) Besluit I; CCR onder verwijzing naar haar Besluit 2000-II-5 en 2000-I-25 op voorstel van haar Comité voor gevaarlijke

Nadere informatie

DEEL 1 Algemene Voorschriften. Hoofdstuk 1.1 TOEPASSINGSGEBIED EN TOEPASBAARHEID

DEEL 1 Algemene Voorschriften. Hoofdstuk 1.1 TOEPASSINGSGEBIED EN TOEPASBAARHEID DEEL 1 Algemene Voorschriften Hoofdstuk 1.1 TOEPASSINGSGEBIED EN TOEPASBAARHEID 1.1.1 Structuur Het RID is onderverdeeld in zeven delen; elk deel is onderverdeeld in hoofdstukken, en elk hoofdstuk in secties

Nadere informatie

Whitepaper wijzigingen ADR Bron: Jaarboek vervoer gevaarlijke stoffen over de weg 2017 Sdu

Whitepaper wijzigingen ADR Bron: Jaarboek vervoer gevaarlijke stoffen over de weg 2017 Sdu Whitepaper wijzigingen ADR 2017 Bron: Jaarboek vervoer gevaarlijke stoffen over de weg 2017 Sdu Samenvatting KORTE SAMENVATTING VAN DE WIJZIGINGEN IN HET ADR INGAANDE 1 JANUARI 2017 Inleiding DEEL 1 Hoofdstuk

Nadere informatie

ADR - DEEL 1 Hoofdstuk 1.6

ADR - DEEL 1 Hoofdstuk 1.6 1.6.1.15 Het is niet nodig om op de IBC s, die gebouwd, gereconstrueerd of gerepareerd werden vóór 1 januari 2011, het kenmerk van de maximaal toegelaten stapellast aan te brengen overeenkomstig 6.5.2.2.2.

Nadere informatie

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur Spoorvervoer - Initieel en Verlenging

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur Spoorvervoer - Initieel en Verlenging In deze toetsmatrijs staat wat u moet kunnen en kennen. De toetsmatrijs vormt daarom de basis van de opleiding en het examen. Opgesteld door: CB divisie CCV Categoriecode: VS (Initieel examen), VVS (Verlengingsexamen)

Nadere informatie

subklassen compatibiliteitsgroepen ADR 2013 Klasse 1

subklassen compatibiliteitsgroepen ADR 2013 Klasse 1 Copyright en gebruiksrecht Copyright GDS Europe BV ADR 2013 Klasse 1 Deze presentatie is alleen bestemd ter ondersteuning van klassikale lessen voor de basiskwalificatie en nascholing van beroepschauffeurs

Nadere informatie

DEEL 8 Voorschriften voor de bemanning, uitrusting en exploitatie van het voertuig en documentatie

DEEL 8 Voorschriften voor de bemanning, uitrusting en exploitatie van het voertuig en documentatie DEEL 8 Voorschriften voor de bemanning, uitrusting en exploitatie van het voertuig en documentatie HOOFDSTUK 8.1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN INZAKE TRANSPORTEENHEDEN EN BOORDUITRUSTING 8.1.1 Transporteenheden

Nadere informatie

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur Spoorvervoer - Initieel en Verlenging

Toetsmatrijs Veiligheidsadviseur Spoorvervoer - Initieel en Verlenging In deze toetsmatrijs staat wat u moet kunnen en kennen. De toetsmatrijs vormt daarom de basis van de opleiding en het examen. Opgesteld door: CB divisie CCV Categoriecode: VS (Initieel examen), VVS (Verlengingsexamen)

Nadere informatie

Transportveiligheid belicht vanuit de vervoerder en de geadresseerde

Transportveiligheid belicht vanuit de vervoerder en de geadresseerde Transportveiligheid belicht vanuit de vervoerder en de geadresseerde Wim van Dongen Voorzitter van de Vereniging voor Veiligheidsadviseurs Vervoer Gevaarlijke Stoffen Wat zijn de levercondities (Incoterms

Nadere informatie

VOORSCHRIFTEN INZAKE HET VERVOER, HET LADEN, LOSSEN EN DE BEHANDELING

VOORSCHRIFTEN INZAKE HET VERVOER, HET LADEN, LOSSEN EN DE BEHANDELING DEEL 7 VOORSCHRIFTEN INZAKE HET VERVOER, HET LADEN, LOSSEN EN DE BEHANDELING Hoofdstuk 7. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 7.. Het vervoer van gevaarlijke goederen is onderworpen aan het verplicht gebruik van een

Nadere informatie

Vervoer van gevaarlijke goederen, "Hazardous Goods" en "Hazardous Articles"

Vervoer van gevaarlijke goederen, Hazardous Goods en Hazardous Articles Vertaling ter informatie verstrekt - alleen de Franse en Engelse versies hebben een dwingend juridisch karakter. Vervoer van gevaarlijke goederen, "Hazardous Goods" en "Hazardous Articles" Dit beleid is

Nadere informatie

Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 29, 30, tweede lid, 31 en 32 van de Kernenergiewet

Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 29, 30, tweede lid, 31 en 32 van de Kernenergiewet (Tekst geldend op: 21-04-2005) Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 29, 30, tweede lid, 31 en 32 van de Kernenergiewet Wij JULIANA, bij de gratie Gods,

Nadere informatie

Toetsmatrijs Vakbekwaamheid behandeling gevaarlijke stoffen Initieel en Verlenging

Toetsmatrijs Vakbekwaamheid behandeling gevaarlijke stoffen Initieel en Verlenging In deze toetsmatrijs staat wat u moet kunnen en kennen. De toetsmatrijs vormt daarom de basis van de opleiding en het examen. Opgesteld door: CBR divisie CCV Categoriecode: Toetsvorm: Totaal aantal vragen:

Nadere informatie

UINITIELE OPLEIDING - BASIS. 1. Mag U in éénzelfde container volgende colli samen vervoeren? - Colli met UN 1848 en colli met UN 3114 O Ja O Neen

UINITIELE OPLEIDING - BASIS. 1. Mag U in éénzelfde container volgende colli samen vervoeren? - Colli met UN 1848 en colli met UN 3114 O Ja O Neen UINITIELE OPLEIDING - BASIS 1. Mag U in éénzelfde container volgende colli samen vervoeren? - Colli met UN 1848 en colli met UN 3114 O Ja - Colli met UN 3111 en colli met UN 3221 O Ja - Colli met UN 3112

Nadere informatie

16.4.2010 A7-0101/ 001-065. Voorstel voor een richtlijn (COM(2009)0482 C7-0161/2009 2009/0131(COD)) Door de Commissie voorgestelde tekst.

16.4.2010 A7-0101/ 001-065. Voorstel voor een richtlijn (COM(2009)0482 C7-0161/2009 2009/0131(COD)) Door de Commissie voorgestelde tekst. 16.4.2010 A7-0101/ 001-065 AMENDEMENTEN 001-065 ingediend door de Commissie vervoer en toerisme Verslag Brian Simpson Vervoerbare drukapparatuur A7-0101/2010 (COM(2009)0482 C7-0161/2009 2009/0131(COD))

Nadere informatie

Vo (EG) Nr. 790/00, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 717/01, Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 TOMATEN

Vo (EG) Nr. 790/00, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 717/01, Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 TOMATEN Vo (EG) Nr. 790/00, gewijzigd bij Vo (EG) Nr. 717/01, Vo (EG) Nr. 46/03, Vo (EG) Nr. 907/04 TOMATEN I. DEFINITIE VAN HET PRODUCT Deze norm heeft betrekking op tomaten van de variëteiten (cultivars) van

Nadere informatie

GLT-PLUS. Datum : 06-01-2014 INDEX

GLT-PLUS. Datum : 06-01-2014 INDEX Werkinstructie : HSEW Blz. : 1 van 7 INDEX 1 SCOPE 2 DOEL 3 BESCHRIJVING PROCEDURE 3.1 Introductie 3.2 Verpakking radioactieve materialen 3.2.1 Radioactief besmette installatie-onderdelen 3.2.2 Radioactief

Nadere informatie

INHOUD. 1.2 Definities en meeteenheden Definities Meeteenheden...

INHOUD. 1.2 Definities en meeteenheden Definities Meeteenheden... Deel 1 Algemene bepalingen INHOUD 1.1 Toepassingsgebied en toepasbaarheid... 1.1.1 Structuur... 1.1.2 Toepassingsgebied... 1.1.3 Vrijstellingen... 1.1.3.1 Vrijstellingen in samenhang met de aard van het

Nadere informatie

OPGESTELD: HSEW Advisor Wim Workum. GECONTROLEERD: Area Lead Mike Scholten. GOEDGEKEURD: Execution Manager Peter van der Ree

OPGESTELD: HSEW Advisor Wim Workum. GECONTROLEERD: Area Lead Mike Scholten. GOEDGEKEURD: Execution Manager Peter van der Ree Werkinstructie : HSEW Blz. : 1 van 7 INDEX 1 SCOPE 2 DOEL 3 BESCHRIJVING PROCEDURE 3.1 Introductie 3.2 Verpakking radioactieve materialen 3.2.1 Radioactief besmette installatie-onderdelen 3.2.2 Radioactief

Nadere informatie

Algemene voorschriften

Algemene voorschriften Algemene voorschriften adnr Inhoud Deel 1 Algemene voorschriften Hoofdstuk 1.1 Toepassingsgebied en toepasbaarheid 1.1.1 Structuur 1.1.2 Toepassingsgebied 1.1.3 Vrijstellingen 1.1.3.1 Vrijstellingen die

Nadere informatie

Van indeling naar etiket. Mengseldag. 10 april 2015. Workshop Etiketteren

Van indeling naar etiket. Mengseldag. 10 april 2015. Workshop Etiketteren Mengseldag Workshop Etiketteren RWS Leefomgeving CLP Helpdesk Mohamed El-Allouchi Van indeling naar etiket Presentatie 1. Voorschriften 2. Samenstellen van het etiket 3. Uitzonderingen 4. Verpakkingseisen

Nadere informatie

Deel 7 Voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de behandeling van de lading HOOFDSTUK 7.1 DROGE LADING SCHEPEN 7.1.0 Algemene voorschriften

Deel 7 Voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de behandeling van de lading HOOFDSTUK 7.1 DROGE LADING SCHEPEN 7.1.0 Algemene voorschriften Deel 7 Voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de behandeling van de lading HOOFDSTUK 7. DROGE LADING SCHEPEN 7..0 Algemene voorschriften 7..0. De voorschriften 7..0 tot en met 7..6 zijn van

Nadere informatie

Identificatie gevaarlijke stoffen

Identificatie gevaarlijke stoffen Identificatie gevaarlijke stoffen 2 Gas 3 Brandbare vloeistof 4 Brandbare vaste stof 5 Oxiderende werkende stof of Organische peroxide 6 Giftige stof 7 Radioactieve stof 8 Bijtende stof 9 Diverse gevaarlijke

Nadere informatie

Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over weg en binnenwater lastig?

Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over weg en binnenwater lastig? Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over weg en binnenwater lastig? Maak gebruik van onze digitale oplossingen ADN-app Voor het transport van gevaarlijke goederen over de binnenwateren De regelgeving

Nadere informatie

GLT-PLUS. Datum : 14-3-2014 INDEX

GLT-PLUS. Datum : 14-3-2014 INDEX Werkinstructie : HSEW Blz. : 1 van 5 INDEX 1 SCOPE 2 DOEL 3 PROCEDURE 3.1 Rollen van betrokkenen 3.2 Monstername 3.3 Verpakking 3.4 Transport 3.4.1 Monsters tbv radiologische analyse. 3.4.2 Monsters tbv

Nadere informatie

A7-0319/ Voorstel voor een richtlijn (COM(2013)0102 C7-0047/ /0062(COD)) Door de Commissie voorgestelde tekst

A7-0319/ Voorstel voor een richtlijn (COM(2013)0102 C7-0047/ /0062(COD)) Door de Commissie voorgestelde tekst 31.1.2014 A7-0319/ 001-019 AMENDEMENTEN 001-019 ingediend door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken Verslag Sari Essayah Indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels A7-0319/2013

Nadere informatie

Toetsmatrijs. Opgesteld door: CCV

Toetsmatrijs. Opgesteld door: CCV Opgesteld door: CCV Examenonderdeel Code: Naam: Toetsvorm: Theorie VBGS(V) Vakbekwaamheid Behandeling Gevaarlijke Stoffen Schriftelijk Note: In dit document bestrijkt het begrip tank de volgende uitgebreide

Nadere informatie

OVERZICHT BELANGRIJKSTE WIJZIGINGEN ADR/ADN/RID m.i.v Overgangstermijn tot en met

OVERZICHT BELANGRIJKSTE WIJZIGINGEN ADR/ADN/RID m.i.v Overgangstermijn tot en met OVERZICHT BELANGRIJKSTE WIJZIGINGEN ADR/ADN/RID m.i.v. 1-1-2013 Overgangstermijn tot en met 30-6-2013. ADR/RID, deel 1 (1.1) 1.1.3.6 Vrijstellingen in samenhang met de vervoerde hoeveelheden per transporteenheid

Nadere informatie