FORD C-MAX ENERGI Instructieboekje

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "FORD C-MAX ENERGI Instructieboekje"

Transcriptie

1 FORD C-MAX ENERGI Instructieboekje

2 Augustus 2014 Eerste druk FM5J 19A321 ABA (CG3628nlNLD)

3 De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties, ontwerp en uitrusting op ieder moment zonder aankondiging of verplichting te wijzigen. Niets uit deze uitgave mag in enigerlei vorm en door enig middel gereproduceerd, verzonden of in een oproepsysteem opgeslagen of in een andere taal vertaald worden zonder onze schriftelijke toestemming. Fouten of omissies uitgesloten. Ford Motor Company 2014 Alle rechten voorbehouden. Onderdeelnummer: FM5J 19A321 ABA (CG3628nlNLD) 08/

4

5 Inhoudsopgave Inleiding Over deze handleiding...5 Overzicht van symbolen...5 Gegevensopslag...7 Aanbeveling nieuwe onderdelen...8 Uitrusting mobiele communicatie...9 In één oogopslag Overzicht voorzijde exterieur...10 Overzicht achterzijde exterieur...11 Overzicht interieur...12 Overzicht instrumentenpaneel...13 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderzitjes aanbrengen...15 Stoelverhogers...18 Plaatsing van kinderzitjes...21 Kindersloten...24 Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels vastmaken...25 Hoogte van veiligheidsgordels afstellen...26 Herinnering veiligheidsgordel...26 Aanvullend veiligheidssysteem Werking...28 Bestuurdersairbag...28 Passagiersairbag...29 Gewichtssensorsysteem voorste passagier...29 Zij-airbags...32 Knie-airbag bestuurder...32 Hoofdairbags...33 Sleutels en afstandsbediening Algemene informatie over radiofrequenties...34 Afstandsbediening...34 Een verloren sleutel of afstandsbediening vervangen...36 MyKey Werking...37 MyKey aanmaken...38 Alle MyKeys wissen...38 Systeemstatus MyKey controleren...40 MyKey gebruiken bij op afstand bedienbare startsystemen...41 Storingsdiagnose MyKey...41 Sloten Vergrendelen en ontgrendelen...43 Handmatig bediende achterklep...46 Elektrisch bedienbare achterklep...47 Beveiliging Passief antidiefstalsysteem...50 Antidiefstalsysteem...51 Stuurwiel Stuurwiel afstellen...53 Audiobediening...53 Spraaksturing...54 Snelheidsregeling (Cruise Control)...54 Bedieningsorganen informatiedisplay...55 Ruitenwissers en ruitensproeiers Voorruitwissers...56 Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers...56 Voorruitsproeiers...57 Achterruitwissers en -sproeiers

6 Inhoudsopgave Verlichting Verlichtingsbediening...59 Automatisch in- en uitschakelende verlichting...59 Dimmer instrumentenpaneelverlichting...60 Uitschakelvertraging koplampen...61 Dagrijlicht...61 Voorste mistlampen...61 Mistachterlichten...62 Koplamphoogte afstellen...62 Richtingaanwijzers...62 Interieurverlichting...63 Sfeerverlichting...64 Ruiten en spiegels Elektrisch bedienbare ruiten...65 Centrale vergrendeling...66 Buitenspiegels...67 Binnenspiegel...68 Zonnekleppen...69 Zonnekleppen...69 Instrumentenpaneel Meters...71 Waarschuwings- en indicatielampen...74 Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties...77 Infodisplays Algemene informatie...78 Infoberichten...87 Klimaatregeling Automatische klimaatregeling...93 Tips voor de klimaatregeling in het interieur...94 Verwarmde ruiten en spiegels...96 Stoelen De juiste zitpositie innemen...97 Hoofdsteunen...97 Handmatig verstelbare stoelen...99 Elektrisch verstelbare stoelen Achterbank Verwarmde stoelen Armleuning achterbank Extra voedingsaansluitingen Extra voedingsaansluitingen Opbergvakken Middenconsole Dakconsole Motor starten en stoppen Algemene informatie Sleutelloos starten Een benzinemotor starten Unieke rijeigenschappen Hybride elektrische auto Brandstof en tanken Veiligheidsmaatregelen Brandstofkwaliteit Opraken van de brandstof Tanken Brandstofverbruik Emissieregeling Hoogspanningsaccu Algemene informatie Hoogspanningsaccu laden Onderbrekingsschakelaar hoogspanningsaccu

7 Inhoudsopgave Versnellingsbak/transmissie Automatische transmissie Remmen Algemene informatie Tips voor rijden met ABS Parkeerrem Regeling voor bergop rijden Aandrijfregeling Werking Gebruik maken van aandrijfregeling Stabiliteitsregeling Werking Gebruik maken van stabiliteitsregeling Parkeerhulp Parkeerhulp Actieve parkeerhulp Achteruitkijkcamera Snelheidsregeling (Cruise Control) Werking Gebruik maken van snelheidsregeling Rijhulpmiddelen Stuurinrichting Transport Algemene informatie Opbergruimte onder vloer achterin Bagagenetten Bagageafdekkingen Bevestigingspunten voor lading Aanhangers trekken Trekken van een aanhanger Sleeppunten Transport van de auto Auto op vier wielen slepen Tips voor het rijden Inrijden Economisch rijden Door water rijden Vloermatten Wat te doen bij pech Waarschuwingsknipperlichten Brandstofafsluiter Het voertuig starten met hulpstartkabels Aanrijding, schade of brand Post-Crash Alert System Zekeringen Specificatie-overzicht zekeringen Een zekering vervangen Onderhoud Algemene informatie De motorkap openen en sluiten Overzicht motorruimte Oliepeilstaaf Motorolie controleren Motorkoelvloeistof controleren Automatische controle vloeistofpeil transmissie Remvloeistof controleren Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren Ruitensproeiervloeistof controleren Brandstoffilter volt accu vervangen Ruitenwisserbladen controleren

8 Inhoudsopgave Ruitenwisserbladen vervangen Koplampen afstellen Een koplamp verwijderen Gloeilampen vervangen Gloeilampentabel Verzorging van de auto Reinigen van buitenzijde auto Reinigen van binnenzijde auto Kleine lakschade repareren Lichtmetalen velgen reinigen Informatie elektrisch voertuig Informatie Airconditioning Navigatie Storingsdiagnose SYNC Bijlagen Elektromagnetische compatibiliteit Licentieovereenkomst eindgebruiker Velgen en banden Algemene informatie Set tijdelijke mobiliteit Verzorging van banden Zomerbanden gebruiken Gebruik van sneeuwkettingen Bandenspanning Wielmoeren Inhouden en specificaties Afmetingen voertuig Voertuigidentificatieplaatje Chassisnummer Inhouden en specificaties Brandstofverbruikcijfers Audiosysteem Algemene informatie Audioeenheid Digitale radio Mediahub SYNC 2 Algemene informatie Instellingen Entertainment Telefoon

9 Inleiding OVER DEZE HANDLEIDING Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. We adviseren u, enige tijd te nemen om met uw auto kennis te maken door deze handleiding te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede. WAARSCHUWING Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af en adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen. Zorg dat u zich bewust bent van alle nationale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparaten tijdens het rijden. N.B.: Deze handleiding beschrijft productkenmerken en opties die voor de beschikbare modellen leverbaar zijn, soms nog voordat deze algemeen verkrijgbaar zijn. Soms worden opties beschreven waarmee de auto die u hebt gekocht, niet is uitgerust. N.B.: Sommige van de afbeeldingen in deze handleiding tonen functies die in andere modellen worden gebruikt, waardoor ze er anders kunnen uitzien in uw auto. N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de geldende regels en voorschriften. N.B.: Deze handleiding dient bij de auto te blijven wanneer deze wordt verkocht. Het vormt een integraal onderdeel van uw auto. In dit handboek kan de locatie van een component worden gekwalificeerd als linkerzijde of rechterzijde. De zijde wordt bepaald wanneer met het gezicht naar voren in de stoel wordt gezeten. E A B Rechterzijde. Linkerzijde. OVERZICHT VAN SYMBOLEN Dit zijn enkele symbolen die u in uw auto kunt aantreffen. E Veiligheidswaarschuwing Handleiding raadplegen Airconditioningsysteem Antiblokkeerremsysteem Roken, vlammen en vonken vermijden Battery 5

10 Inleiding Accuzuur Explosief gas Remvloeistof - niet op petroleumbasis Remsysteem Ventilatorwaarschuwing Veiligheidsgordel vastmaken Interieurfilter Frontairbag Brandstofvuldop controleren Mistlampen vóór Kinderslot ver-/ontgrendelen Brandstofpomp resetten Onderste verankering kinderzitje Zekeringenbox Bovenste verankering kinderzitje Waarschuwingsknipperlichten Snelheidsregeling Achterruitverwarming E71340 Niet openen indien heet Verwarmde voorruit Motorluchtfilter Bagageruimteontgrendeling Koelvloeistof Boordkrik Koelvloeistoftemperatuur Motorolie E Buiten het bereik van kinderen houden Verlichtingsschakelaar Waarschuwing lage bandenspanning 6

11 Inleiding E E Correct vloeistofpeil aanhouden Let op de gebruiksinstructies Paniekalarm Parkeerhulpsysteem Parkeerrem Stuurbekrachtigingsvloeistof Elektrisch bediende ruiten voor/achter Blokkering elektrisch bediende ruit Onderhoud motor vereist Zijairbag Scherm de ogen af Stabiliteitsregeling Voorruitwisser en -sproeier GEGEVENSOPSLAG Een groot aantal elektronische componenten in uw auto bevatten gegevensopslagmodules die tijdelijk of permanent technische gegevens opslaan over de staat van de auto, gebeurtenissen en fouten. Over het algemeen bevat deze technische informatie gegevens over de staat van onderdelen, modules, systemen of de omgeving: Bedrijfsomstandigheden van systeemcomponenten (bijvoorbeeld vulpeilen). Statusberichten van de auto en de afzonderlijke componenten (bijvoorbeeld het aantal wielomwentelingen/draaisnelheid, deceleratie, zijwaartse acceleratie). Storingen en defecten in belangrijke systeemcomponenten (bijvoorbeeld verlichting en remsysteem). Reacties van de auto onder bepaalde rij-omstandigheden (bijvoorbeeld activeren van een airbag, activeren van de stabiliteitsregeling). Omgevingscondities (bijvoorbeeld temperatuur). Deze gegevens zijn alleen technisch en helpen bij het identificeren en corrigeren van fouten en optimaliseren van voertuigfuncties. Bewegingsprofielen die afgelegde routes aangeven kunnen niet met behulp van deze gegevens worden aangemaakt. Als diensten worden gebruikt (bijvoorbeeld reparatiewerkzaamheden, onderhoudsprocedures, garantiegevallen, kwaliteitsgarantie), kunnen werknemers van het servicenetwerk (inclusief fabrikanten) deze technische informatie aflezen van de modules voor gegevensopslag van gebeurtenissen en 7

12 Inleiding fouten met behulp van speciale diagnose-apparaten. Indien nodig ontvangt u meer informatie. Nadat een fout is gecorrigeerd, worden de gegevens gewist uit de foutopslagmodule of worden deze voortdurend overschreven. Tijdens gebruik van de auto kunnen situaties voorkomen waarin deze technische gegevens met betrekking tot andere informatie (ongeluksrapportage, schade aan de auto, getuigenverklaringen enz.) kunnen worden gekoppeld aan een specifiek persoon (eventueel met de hulp van een expert). Via aanvullende functies die contractueel zijn overeengekomen met de klant (bijvoorbeeld de locatie van de auto in noodgevallen) kunnen bepaalde voertuiggegevens uit de auto worden overgedragen. AANBEVELING NIEUWE ONDERDELEN Uw auto is volgens de hoogste normen gebouwd met gebruik van hoogwaardige onderdelen. We raden het gebruik van originele Ford en Motorcraft onderdelen aan wanneer er gepland onderhoud of reparaties aan uw auto moeten worden uitgevoerd. U kunt originele Ford en Motorcraft onderdelen duidelijk herkennen aan de Ford, FoMoCo of Motorcraft logo's of markeringen op de onderdelen of hun verpakking. Gepland onderhoud en mechanische reparaties Een van de beste manieren om er zeker van te zijn dat uw auto jarenlang meegaat, is het uitvoeren van ondehoud in lijn met onze aanbevelingen en het gebruik van onderdelen conform de specificaties in deze Handleiding. Originele Ford en Motorcraft onderdelen voldoen of overtreffen deze specificaties. Schadeherstel We hopen dat u nooit bij een aanrijding betrokken raakt, maar ongelukken gebeuren nou eenmaal. Originele Ford vervangingsonderdelen voldoen aan onze strikte eisen voor montage, afwerking, structurele integriteit, corrosiebescherming en deukweerstand. Tijdens de ontwikkeling van de auto valideren we of deze onderdelen het gewenste beschermingsniveau leveren als een geheel systeem. Een goede manier om zeker te weten dat u dit beschermingsniveau geniet is het gebruik van originele Ford vervanginngsonderdelen. Garantie op vervangingsonderdelen Originele Ford en Motorcraft vervangingsonderdelen zijn de enige vervangingsonderdelen met het voordeel van Ford Garantie. Schade aan uw auto die veroorzaakt wordt door andere onderdelen dan die van Ford, wordt mogelijk niet gedekt door Ford Garantie. Zie de voorwaarden en bepalingen van Ford Garantie voor meer informatie. 8

13 Inleiding UITRUSTING MOBIELE COMMUNICATIE Het gebruik van mobiele communicatie-apparatuur wordt steeds belangrijker op zowel zakelijk als persoonlijk gebied. Bij het gebruik van dergelijke apparatuur is het echter belangrijk dat uw eigen veiligheid en die van anderen niet in het geding komt. Indien correct gebruikt, kan mobiele communicatie de persoonlijke veiligheid en bescherming verbeteren, met name in noodsituaties. Bij het gebruik van mobiele communicatie-apparatuur moet de veiligheid altijd voorop worden gesteld, om ervoor te zorgen dat deze voordelen behouden blijven. Mobiele communicatie-apparatuur omvat, maar is niet beperkt tot, mobiele telefoons, pagers, draagbare apparatuur, sms-apparatuur en draagbare zendontvangers. WAARSCHUWING Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af en adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen. Zorg dat u zich bewust bent van alle nationale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparaten tijdens het rijden. 9

14 In één oogopslag OVERZICHT VOORZIJDE EXTERIEUR E A B C D E F G H Zie Tanken (bladzijde 121). Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 43). Zie Buitenspiegels (bladzijde 67). Zie Ruitenwisserbladen vervangen (bladzijde 194). Zie Onderhoud (bladzijde 183). Zie Sleeppunten (bladzijde 160). Bandenspanning Zie Voorste mistlampen (bladzijde 61). Zie Verzorging van banden (bladzijde 211). 10

15 In één oogopslag OVERZICHT ACHTERZIJDE EXTERIEUR E A B C D E F G Zie Hoogspanningsaccu laden (bladzijde 131). Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 197). Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 197). Zie Ruitenwisserbladen vervangen (bladzijde 194). Zie Elektrisch bedienbare achterklep (bladzijde 47). Zie Bandenspanning (bladzijde 212). Zie Handmatig bediende achterklep (bladzijde 46). 11

16 In één oogopslag OVERZICHT INTERIEUR E A B C D E F G H Zie Versnellingsbak/transmissie (bladzijde 136). Zie Elektrisch bedienbare ruiten (bladzijde 65). Zie Veiligheidsgordels vastmaken (bladzijde 25). Zie Set tijdelijke mobiliteit (bladzijde 207). Zie Hoofdsteunen (bladzijde 97). Zie Handmatig verstelbare stoelen (bladzijde 99). Zie Parkeerrem (bladzijde 140). Zie De motorkap openen en sluiten (bladzijde 183). 12

17 In één oogopslag OVERZICHT INSTRUMENTENPANEEL E A B C D E F G H I J K Luchtroosters. Richtingaanwijzers. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 62). Grootlicht. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 59). Stuurwielknoppen. Zie Stuurwiel (bladzijde 53). Zie Instrumentenpaneel (bladzijde 71). Zie Infodisplays (bladzijde 78). Stuurwielknoppen. Zie Stuurwiel (bladzijde 53). Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 56). Schakelaar waarschuwingsknipperlichten Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 167). Informatie- en entertainmentdisplay. Audioeenheid. Zie Audioeenheid (bladzijde 219). Bedieningselementen klimaatregeling. Zie Klimaatregeling (bladzijde 93). Start/stop-schakelaar. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 107). 13

18 In één oogopslag L M N O Stuurwielverstelling. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 53). Claxon. Stuurwielknoppen. Zie Stuurwiel (bladzijde 53). Lichtschakelaar. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 59). Mistlampen vóór. Zie Voorste mistlampen (bladzijde 61). 14

19 Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERZITJES AANBRENGEN E WAARSCHUWINGEN Lees de instructies van de fabrikant en volg deze op wanneer u een kinderzitje aanbrengt. Verander op geen enkele wijze het kinderzitje. Houd een kinderzitje nooit op uw schoot wanneer de auto rijdt. Om verwondingen te voorkomen, mag u kinderen of huisdieren niet onbewaakt achterlaten in de auto. Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, laat dan het kinderzitje door een erkende dealer controleren. E Alleen kinderstoeltjes die zijn gecertificeerd volgens ECE-R129, ECE-R44.03 of recenter zijn getest en goedgekeurd voor gebruik in uw auto. Bij erkende dealers zijn diverse kinderstoeltjes beschikbaar. N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes is per land verschillend. Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen Gebruik het correcte kinderzitje als volgt: E68916 WAARSCHUWINGEN Extreem gevaar! Gebruik een naar achteren gericht kinderveiligheidszitje nooit op een stoel die beschermd wordt door een ervoor aangebrachte actieve airbag! Het kind kan dodelijk of ernstig letsel oplopen. Gebruik een goedgekeurd kinderzitje voor kinderen kleiner dan 150 cm op de achterbank. 15

20 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Naar achteren gericht babystoeltje (Groep 0+) E68918 Plaats kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 13 kg in een achterwaarts gericht babystoeltje, dat op de achterstoel is geplaatst. Kinderstoeltje (Groep 1) Zitverhogers WAARSCHUWINGEN Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel. Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen is of gedraaid zit. Leg de veiligheidsgordel niet onder de arm of achter de rug van uw kind langs. Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten. Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop zitten. Zorg dat het kinderzitje stevig tegen de stoel in de auto staat. Zet indien nodig de rugleuning van de stoel omhoog. Het kan ook nodig zijn om de hoofdsteun omhoog te heffen of te verwijderen. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 97). U moet de hoofdsteun weer aanbrengen nadat het kinderzitje is verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 97). Laat kinderen met een lichaamsgewicht van meer dan 15 kg maar met een lengte van minder dan 150 cm in een kinderzitje of op een zitverhoger plaatsnemen. E68920 Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13 kg tot 18 kg in een kinderstoeltje dat op de achterbank is geplaatst. 16

21 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Zitverhoger (groep 2) ISOFIX verankeringspunten E70710 Wij raden het gebruik van een kinderzitje aan, dat uit een zitverhoger met een rugleuning bestaat in plaats van alleen een zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt ervoor dat de standaard veiligheidsgordel correct over het midden van de schouder van uw kind en de heupgordel over de heupen komt te liggen. Zitverhoger (groep 3) E68924 E WAARSCHUWING Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening die voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of met een voet aan. Uw auto is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten die geschikt zijn voor het gebruik van goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes. Het ISOFIX-systeem heeft twee harde bevestigingsarmen op het kinderzitje. Deze worden bevestigd aan ankerpunten aan de stoelen op de tweede rij, waar het stoelkussen en de rugleuning elkaar raken. Voor kinderzitjes met bevestiging bovenaan, bevinden de ankerpunten zich aan de achterkant van de stoelen op de tweede rij. N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is voor de gewichtsgroep van uw kind en dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de plaats waar het zitje wordt aangebracht. Zie Plaatsing van kinderzitjes (bladzijde 21). 17

22 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderzitje met verankeringspunten aan de bovenzijde bevestigen WAARSCHUWING Bevestig de veiligheidsgordel aan de bovenzijde aan geen ander punt dan aan het verankeringspunt dat hiervoor is bestemd. Ga bij het installeren van een kinderzitje met een steunpoot te werk volgens de instructies van de fabrikant van het kinderzitje. Volg de instructies van de fabrikant van het kinderzitje om een kinderzitje met bevestiging bovenaan te installeren. Verankeringspunten aan de bovenzijde E STOELVERHOGERS E De ankerpunten voor bevestiging bovenaan bevinden zich op de achterkant van de rugleuning van de achterbank. Kinderzitje met steunpoot bevestigen WAARSCHUWINGEN Controleer of de steunpoot lang genoeg is om de vloer van de auto te bereiken. Ga na of de fabrikant van het kinderzitje uw auto als zijnde geschikt voor dit type kinderzitje beschouwt. WAARSCHUWING Plaats nooit een kind met de schoudergordel onder de arm van een kind of achter de rug, en laat een kind nooit op deze manier plaatsnemen, omdat de bescherming van het bovenste lichaamsgedeelte hierdoor afneemt en het risico van letsel of dodelijk letsel bij een ongeluk kan verhogen. Gebruik een kinderzitje met gordelgeleider voor kinderen die te groot zijn voor een kinderstoeltje (in het algemeen kinderen die minder dan 4 voet 9 inch (1,45 meter) lang zijn, tussen de vier (4) jaar en twaalf (12) jaar oud zijn, en tussen 40 pond (18 kilogram) en 80 pond (36 kilogram) wegen, of tot 100 pond (45 kilogram) wegen als dat wordt aangeraden door de 18

23 Veiligheidsuitrusting voor kinderen producent van uw kinderzitje). In veel landelijke en lokale wetgeving is het verplicht dat kinderen goedgekeurde kinderzitjes gebruiken als ze nog geen acht jaar oud zijn, 4 voet 9 inch (1,45 meter) groot zijn of 80 pond (36 kilogram) wegen. Kinderzitjes moeten gebruikt worden totdat u AL deze vragen met JA kunt beantwoorden als een kind plaatsneemt zonder kinderzitje: Soorten kinderzitjes E68924 E Kan het kind volledig naar achteren tegen de rugleuning aan zitten, met de knieën comfortabel over het einde van de zitting gebogen? Kan het kind goed rechtop zitten? Ligt de heupriem laag over de heupen? Is de schoudergordel op de schouder en borst gecentreerd? Kan het kind gedurende de hele reis zo blijven zitten? Gebruik kinderzitjes altijd in combinatie met de heup- en schoudergordel van uw auto. Kinderzitjes zonder rugleuning Als uw kinderzitje zonder rugleuning een afneembare afscherming heeft, verwijdert u de afscherming. Als een zitplaats in uw auto een lage rugleuning heeft of geen hoofdsteun heeft, kan bij gebruik van een kinderzitje zonder rugleuning het hoofd van het kind (gemeten bij de top van de oren) boven de zitting uitkomen. In dat geval verplaatst u het kinderzitje zonder rugleuning naar een andere zitplaats met een hogere rugleuning of hoofdsteun en heup- en schoudergordels of gebruikt u eventueel een kinderzitje met een hoge rugleuning. 19

24 Veiligheidsuitrusting voor kinderen E70710 Kinderzitjes met hoge rugleuning Als u bij een kinderzitje zonder rugleuning geen zitplaats kunt vinden die het hoofd van uw kind op voldoende wijze ondersteunt, is het beter om een kinderzitje met een hoge rugleuning te gebruiken. Kinderen en kinderzitjes zijn er in allerlei soorten en maten. Kies een zitje dat de heupgordel laag en comfortabel over de heupen houdt. De heupgordel mag nooit over de maag lopen en u moet de schoudergordel zo kunnen verstellen dat deze over de borst loopt en comfortabel op het midden van de schouder ligt. De volgende tekeningen vergelijken de ideale pasvorm (midden) met een schoudergordel die ongemakkelijk dicht bij de nek zit en een schoudergordel die van de schouder af kan glijden. De tekeningen tonen ook hoe de heupriem laag en comfortabel over de heupen van het kind hoort te liggen. E E

25 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Als het kinderzitje over de gebruikte zitting van de auto heen glijdt, kan dit worden verholpen door onder het kinderzitje een rubberen net te leggen, dat verkocht wordt als bekleding voor planken of als ondertapijt. Leg geen dikkere voorwerpen onder het kinderzitje. Controleer de instructies van de fabrikant van het kinderzitje. PLAATSING VAN KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Neem contact op met uw dealer voor de recentste informatie over onze aanbevolen kinderzitjes. Extreem gevaar! Gebruik een naar achteren gericht kinderveiligheidszitje nooit op een stoel die beschermd wordt door een ervoor aangebrachte actieve airbag. Het kind kan dodelijke of ernstige verwondingen oplopen. Als u een kinderzitje met steunpoot gebruikt, dan moet de steunpoot stevig op de vloer rusten. WAARSCHUWINGEN Als u een kinderzitje en een veiligheidsgordel gebruikt, dan mag de veiligheidsgordel niet slap hangen of gedraaid zijn. Zorg dat het kinderzitje stevig tegen de stoel in de auto staat. Zet indien nodig de rugleuning van de stoel omhoog. Het kan ook nodig zijn om de hoofdsteun omhoog te heffen of te verwijderen. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 97). U moet de hoofdsteun weer aanbrengen nadat het kinderzitje is verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 97). N.B.: Als u een kinderzitje op de voorstoel gebruikt, moet u de passagiersstoel vooraan steeds zo ver mogelijk naar achteren zetten. Is het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moeilijk strakker te zetten zonder dat speling overblijft, zet dan de rugleuning van de stoel recht overeind en zet de stoel hoger. Zie Stoelen (bladzijde 97). 21

26 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Gewichtsgroepen Stoelposities 0 Tot 22 lbs (10 kg) 0+ Tot 29 lbs (13 kg) lbs (9-18 kg) lbs (15-25 kg) lbs (22-36 kg) Passagiersstoel vooraan, met airbag ON X X UF¹ UF¹ UF¹ Passagiersstoel vooraan, met airbag OFF U¹ U¹ U¹ U¹ U¹ Achterbank U U U U U X Niet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep. U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. U¹ Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. We raden aan dat u kinderen vastklikt in een kinderzitje dat door de overheid is goedgekeurd, op de achterbank. UF¹ Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep. We raden aan dat u kinderen vastklikt in een kinderzitje dat door de overheid is goedgekeurd, op de achterbank. ISOFIX-kinderzitjes Gewichtsgroepen Stoelposities Naar achteren gericht Naar voren gericht Naar achteren gericht Passagiersstoel vooraan Achterste zitplaats opzij, ISOFIX Type formaat Maatklasse Maatklasse Tot 29 lbs (13 kg) C, D, E 1 Geen ISOFIX lbs (9-18 kg) A, B, B1 1 C, D 1 22

27 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Gewichtsgroepen Stoelposities Naar achteren gericht Naar voren gericht Naar achteren gericht Middelste zitplaats achterbank Type formaat Maatklasse Type formaat Tot 29 lbs (13 kg) IL 2 Geen ISOFIX lbs (9-18 kg) IL 2, IUF 3 IL 2 IL Geschikt voor gebruik met specifieke ISOFIX-bevestigingssystemen voor kinderzitjes in de semi-universele categorie. Raadpleeg de aanbevelingen voor auto's van de fabrikant van het bevestigingssysteem voor kinderzitjes voor extra informatie. IUF Geschikt voor gebruik met naar voor gerichte ISOFIX-bevestigingssystemen voor kinderzitjes in de universele categorie. 1 De hoofdletters A tot G bepalen de ISOFIX-gewichtsklasse, zowel voor universele als semi-universele bevestigingssystemen voor kinderzitjes. Deze identificatieletters staan op ISOFIX-bevestigingssystemen voor kinderzitjes. 2 Bij het ter perse gaan is het aanbevolen ISOFIX-kinderzitje voor Groep 0+ de Britax Roemer Baby Safe. 3 Bij het ter perse gaan is het aanbevolen ISOFIX-kinderzitje voor Groep 1 de Britax Roemer Duo. Kinderzitjes i-formaat Passagiersstoel vooraan Zitplaatsen op de linker- en rechterachterbank Middelste zitplaats achterbank Bevestigingssystemen kinderzitjes i- formaat X i-u X i-u Geschikt voor gebruik met naar voor of achter gerichte bevestigingssystemen voor kinderzitjes van i-formaat. X Niet geschikt voor gebruik met bevestigingssystemen voor kinderzitjes van i-formaat. 23

28 Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERSLOTEN Als deze sloten zijn ingesteld, kunnen de achterportieren niet vanaf de binnenzijde worden geopend. E De kinderveiligheidssloten bevinden zich aan de achterrand van elk achterportier en moeten voor elk portier afzonderlijk worden ingesteld. Linkerzijde Draai linksom om te vergrendelen en rechtsom om te ontgrendelen. Rechterzijde Draai rechtsom om te vergrendelen en linksom om te ontgrendelen. 24

29 Veiligheidsgordels VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN WAARSCHUWINGEN Steek de slottong in het gordelslot tot een zachte klik hoorbaar is. U hebt de veiligheidsgordel niet correct bevestigd wanneer u geen klik hoort. Zorg dat de veiligheidsgordel correct wordt opgeborgen en niet buiten de auto hangt tijdens sluiten van het portier. E85817 E74124 Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. Deze kan blokkeren wanneer u hem te snel uittrekt of wanneer de auto op een helling staat. De buitenste veiligheidsgordels achter kunnen blokkeren wanneer u met kracht de rugleuning van een ingeklapte naar een rechte positie zet. Als de veiligheidsgordel blokkeert, verstel de stoel dan met behulp van het verstelmechanisme. Zie Achterbank (bladzijde 102). Druk op de rode toets om de veiligheidsgordel te ontgrendelen. Houd de tong vast en laat deze volledig en soepel in zijn opbergpositie terugtrekken. 25

30 Veiligheidsgordels Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap E WAARSCHUWING Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel. Zwangere vrouwen moeten altijd een veiligheidsgordel dragen. Het heupgedeelte van een gecombineerde heup- en schoudergordel moet laag rond de heupen onder de buik worden geplaatst en zo strak mogelijk worden gedragen zonder comfortverlies. De schoudergordel moet rond het midden van de schouder en het midden van de borst worden geplaatst. HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN WAARSCHUWING Plaats de hoogteverstelling van de veiligheidsgordel zodanig dat de riem op het midden van uw schouder rust. Wordt de veiligheidsgordel niet correct afgesteld, dan kan dit de effectiviteit van de gordel verminderen en het risico van letsel tijdens een aanrijding vergroten. E87511 Voor het afstellen van de hoogte van de schoudergordel drukt u op de knop en schuift u de hoogteverstelling naar boven of beneden. Laat de knop los en trek de hoogteverstelling naar beneden om na te gaan of deze vergrendeld is. HERINNERING VEILIGHEIDSGORDEL WAARSCHUWING Het systeem biedt alleen bescherming als u de veiligheidsgordel correct gebruikt. De waarschuwingslamp brandt en een akoestisch waarschuwingssignaal weerklint wanneer er aan de volgende voorwaarden is voldaan: De voorste veiligheidsgordels zijn niet vastgemaakt. Uw auto overschrijft een relatief lage snelheid. De lamp brandt ook wanneer een voorste veiligheidsgordel niet is vastgemaakt terwijl uw auto rijdt. 26

31 Veiligheidsgordels Als u uw veiligheidsgordel niet vastmaakt, dam worden zowel het akoestische waarschuwingssignaal als de visuele waarschuwingen na circa vijf minuten automatisch uitgeschakeld. Waarschuwing veiligheidsgordel uitschakelen Neem contact op met een erkende dealer. 27

32 Aanvullend veiligheidssysteem WERKING WAARSCHUWINGEN Extreem gevaar! Gebruik een naar achteren gericht kinderveiligheidszitje nooit op een stoel die beschermd wordt door een ervoor aangebrachte actieve airbag. Doet u dit wel, dan kan dit ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. Wijzig de voorzijde van de auto op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben. Wanneer deze waarschuwing niet wordt opgevolgd, kan dit ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal effect kan bewerkstelligen. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 97). Wanneer deze waarschuwing niet wordt opgevolgd, kan dit ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. Laat reparaties aan het stuurwiel, de stuurkolom, stoelen, airbags en veiligheidsgordel uitvoeren door een erkende dealer. Wanneer deze waarschuwing niet wordt opgevolgd, kan dit ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. Houd de gebieden voor de airbags vrij. Breng niets aan op of over de panelen van de airbags. In het geval van een aanrijding kunnen harde voorwerpen letsel of de dood veroorzaken. WAARSCHUWINGEN Doorboor de stoel niet met scherpe voorwerpen. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben en de airbags kunnen beschadigen. Wanneer deze waarschuwing niet wordt opgevolgd, kan dit ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. Gebruik uitsluitend stoelhoezen die zijn ontworpen voor zij-airbags. Laat deze aanbrengen door een erkende dealer. Wanneer deze waarschuwing niet wordt opgevolgd, kan dit ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal en u ziet een onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit is normaal. N.B.: Reinig de panelen van de airbags met een vochtige doek. BESTUURDERSAIRBAG E74302 De airbag treedt in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbag wordt in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra deze in contact 28

33 Aanvullend veiligheidssysteem komt met het lichaam van de inzittenden, waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen. Bij lichte frontale aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van achteren of opzij wordt de airbag niet geactiveerd. PASSAGIERSAIRBAG E74302 De airbag treedt in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbag wordt in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra deze in contact komt met het lichaam van de inzittenden, waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen. Bij lichte frontale aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van achteren of opzij wordt de airbag niet geactiveerd. WAARSCHUWINGEN Als u niet goed of scheef zit of de rugleuning te schuin staat, kan er minder gewicht op het zitkussen rusten, waardoor het passagiersdetectiesysteem vooraan een fout signaal geeft, wat bij een ongeval ernstige of dodelijke verwondingen kan veroorzaken. Ga altijd rechtop tegen uw rugleuning zitten, met uw voeten op de vloer. Elke wijziging of aanpassing van de passagiersstoel vooraan kan de prestaties van het passagiersdetectiesysteem vooraan beïnvloeden, wat meer gevaar voor ernstige of dodelijke verwondingen kan veroorzaken. Dit systeem werkt met sensoren die deel uitmaken van de passagiersstoel en veiligheidsgordel vooraan om de aanwezigheid van een goed zittende passagier te detecteren en te bepalen of de voorste passagiersairbag al dan niet moet worden geactiveerd (opgeblazen). Type 1 GEWICHTSSENSORSYSTEEM VOORSTE PASSAGIER WAARSCHUWINGEN Zelfs met geavanceerde bevestigingssystemen moeten kinderen tot en met 12 jaar goed worden vastgeklikt op de achterbank. Als u dat niet doet, kan dit ernstige of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben. E

34 Aanvullend veiligheidssysteem Type 2 E Het passagiersdetectiesysteem vooraan maakt gebruik van een controlelampje voor passagiersairbag uit, dat gaat branden en blijft branden om u eraan te herinneren dat de voorste passagiersairbag is uitgeschakeld. Het controlelampje bevindt zich in het midden van het dashboard. N.B.: Wanneer het contact voor het eerst wordt aangezet, gaat het controlelampje passagiersairbag uit korte tijd branden om te bevestigen dat het goed werkt. Het passagiersdetectiesysteem vooraan is ontworpen om de voorste passagiersairbag uit te schakelen (wordt niet opgeblazen) wanneer er niemand op de passagiersstoel vooraan zit of wanneer een naar achteren gericht kinderzitje, een naar voren gericht bevestigingssysteem voor kinderen of een zitverhoger wordt gedetecteerd. Zelfs met deze technologie worden ouders ten sterkste aangeraden kinderen steeds goed vast te klikken op de achterbank. De sensor schakelt de passagiersairbag vooraan en de zij-airbag ook uit wanneer er niemand op de passagiersstoel vooraan zit. Wanneer het passagiersdetectiesysteem vooraan de passagiersairbag vooraan uitschakelt (niet opblazen), gaat het statuslampje van de passagiersairbag branden en blijft het branden om u eraan te herinneren dat de voorste passagiersairbag is uitgeschakeld. Als het kinderzitje is geplaatst en het statuslampje van de passagiersairbag niet gaat branden, zet de auto dan uit, haal het kinderzitje uit de auto en plaats het kinderzitje opnieuw volgens de instructies van de fabrikant van het kinderzitje. Het passagiersdetectiesysteem vooraan is ontworpen om de voorste passagiersairbag in te schakelen (kan worden opgeblazen) wanneer het systeem detecteert dat er een volwassen persoon op de passagiersstoel vooraan zit. Wanneer het passagiersdetectiesysteem vooraan de passagiersairbag vooraan inschakelt (kan worden opgeblazen), gaat het statuslampje voor de passagiersairbag niet branden. Als een volwassen persoon op de passagiersstoel vooraan zit maar het statuslampje voor de passagiersairbag brandt, is het mogelijk dat de persoon niet goed in de stoel zit. Als dit gebeurt: Zet de auto uit en vraag de persoon om de rugleuning helemaal omhoog te zetten. Zorg dat de persoon rechtop zit in de stoel, in het midden op het zitkussen van de stoel, met de benen comfortabel uitgestrekt. 30

35 Aanvullend veiligheidssysteem Start de auto opnieuw en zorg dat de persoon ongeveer twee minuten in deze houding blijft zitten. Zo kan het systeem die persoon detecteren en de passagiersairbag vooraan inschakelen. Als het statuslampje voor de passagiersairbag daarna nog steeds blijft branden, moet de persoon worden geadviseerd op de achterbank te gaan zitten. Passagier 160 Kind Volwassene Statuslamp passagiersairbag Brandt niet Brandt Brandt niet Passagiersairbag Uitgeschakeld Uitgeschakeld Ingeschakeld N.B.: Wanneer de statuslamp voor de passagiersairbag brandt, kan de zij-airbag aan passagierszijde (gemonteerd op de stoel) worden uitgeschakeld om verwondingen bij activering van de airbag te voorkomen. Nadat alle inzittenden hun stoel hebben afgesteld en hun veiligheidsgordel hebben vastgeklikt, is het erg belangrijk dat ze goed blijven zitten. Een goed zittende passagier zit rechtop, leunt tegen de rugleuning en zit in het midden op het zitkussen van de stoel, met de voeten comfortabel uitgestrekt op de vloer. Een verkeerde zithouding kan het risico op verwondingen bij een botsing groter maken. Als een passagier bijvoorbeeld hangt, ligt, zijdelings is gedraaid, op het puntje van de stoel zit, naar voren of opzij leunt of één of beide voeten omhoog plaatst, wordt de kans op verwondingen bij een botsing veel groter. Als u vindt dat de status van het controlelampje voor passagiersairbag uit verkeerd is, controleer dan het volgende: Voorwerpen die vastzitten onder de stoel. Voorwerpen tussen het zitkussen van de stoel en de middenconsole. Voorwerpen die aan de rugleuning hangen. Voorwerpen die in de zak voor kaarten op de rugleuning zitten. Voorwerpen die op de schoot van de passagier liggen. Bagage die de stoel hindert. Andere passagiers die op de stoel duwen of eraan trekken. Voeten en knieën van een passagier op de achterbank die op de stoel rusten of erop duwen. De bovenstaande omstandigheden kunnen ervoor zorgen dat het gewicht van een goed zittende passagier verkeerd wordt geïnterpreteerd door het passagiersdetectiesysteem. De persoon op de passagiersstoel vooraan kan zwaarder of lichter lijken omwille van de omstandigheden die in de bovenstaande lijst worden beschreven. Zorg dat het passagiersdetectiesysteem vooraan goed werkt. Zie Gewichtssensorsysteem voorste passagier (bladzijde 29). Ga als volgt te werk als het lampje airbag klaar brandt: 31

36 Aanvullend veiligheidssysteem De bestuurder of volwassen passagiers moeten controleren of er voorwerpen vastzitten onder de passagiersstoel vooraan of er bagage is die de stoel hindert. Als er voorwerpen vastzitten of bagage de stoel hindert, voer dan de volgende stappen uit om de blokkering te verwijderen: Zet de auto aan de kant. Zet het contact uit. De bestuurder of volwassen passagiers moeten controleren of er voorwerpen vastzitten onder de passagiersstoel vooraan of er bagage is die de stoel hindert. Verwijder de blokkering(en) (indien gevonden). Start de auto opnieuw. Wacht minstens twee minuten en controleer dat het lampje airbag klaar niet meer brandt. Als het lampje airbag klaar blijft branden, kan dit al dan niet een probleem zijn met het passagiersdetectiesysteem vooraan. Probeer het systeem niet te repareren of te onderhouden. Breng uw auto onmiddellijk naar een erkende dealer. Neem contact op met uw erkende dealer als een geavanceerd systeem voor de airbag vooraan moet worden gewijzigd voor een persoon met een beperking. ZIJ-AIRBAGS WAARSCHUWING Gebruik uitsluitend stoelhoezen die zijn ontworpen voor zij-airbags. Laat deze aanbrengen door een erkende dealer. E72658 De zij-airbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. Op de zijkant van de rugleuning is een label aangebracht om dit aan te geven. De airbag wordt geactiveerd bij zware zijdelingse aanrijdingen. De airbag wordt niet geactiveerd bij lichte zijdelingse en frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren of over de kop slaan van de auto. KNIE-AIRBAG BESTUURDER WAARSCHUWING Probeer niet het paneel van de airbag te openen. De airbag treedt in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbag wordt in enkele milliseconden opgeblazen en stroomt weer leeg zodra hij in contact komt met het lichaam van de inzittende, waardoor hij een kussen vormt tussen de knieën van de bestuurder en de stuurkolom. Tijdens het over de kop slaan van de auto, aanrijdingen van achteren en opzij wordt de knieairbag niet geactiveerd. N.B.: De airbag heeft een lagere activeringsdrempel dan de frontairbags. Tijdens een lichte aanrijding is het mogelijk dat alleen de knieairbag wordt geactiveerd. 32

37 Aanvullend veiligheidssysteem HOOFDAIRBAGS E75004 De airbags zijn aangebracht boven de zijruiten voor en achter. De airbag wordt geactiveerd bij zware zijdelingse aanrijdingen. De airbag wordt tevens geactiveerd tijdens zware frontale aanrijdingen. De gordijnairbag wordt niet geactiveerd bij lichte zijdelingse en frontale aanrijdingen, aanrijdingen van achteren of over de kop slaan van de auto. 33

38 Sleutels en afstandsbediening ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES N.B.: Wijzigingen of modificaties zonder nadrukkelijke toestemming van de verantwoordelijke partij kunnen veroorzaken dat de productgoedkeuring vervalt. Het typische zendbereik voor uw zender is ca. 10 m. Een afname van het zendbereik kan worden veroorzaakt door: weersomstandigheden radiotorens in de buurt gebouwen rond de auto andere geparkeerde auto's naast de auto. De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijv. zendamateurs, medische apparatuur, draadloze koptelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen). Als de frequenties worden gestoord, kunt u uw afstandsbediening niet meer gebruiken. U kunt de portieren met de sleutel ver- en ontgrendelen. N.B.: Controleer of uw auto vergrendeld is voor u hem onbeheerd achterlaat. N.B.: Als u binnen het bereik bent, werkt de afstandsbediening als u onbedoeld op een toets drukt. N.B.: In de afstandsbediening zitten gevoelige elektrische onderdelen. Vocht of schokken kunnen de afstandsbediening blijvend beschadigen. AFSTANDSBEDIENING Sleutel voor intelligente toegang E Mechanisch sleutelblad De sleutel voor intelligente toegang bevat ook een verwijderbaar mechanisch sleutelblad, dat u kunt gebruiken om het bestuurdersportier te openen. 1 E87964 Om het mechanisch sleutelblad los te maken: 1 1. Houd de drukknoppen in de randen van de zender ingedrukt om het kapje te ontgrendelen. Verwijder voorzichtig het kapje. 2. Verwijder de sleutelbaard. 2 34

39 Sleutels en afstandsbediening De batterij vervangen N.B.: Raadpleeg uw lokale regelgeving om batterijen van zenders af te danken. N.B.: Veeg geen vet van de batterijpolen of het oppervlak aan de achterkant van de printplaat. N.B.: Als u de batterij vervangt, wordt de zender niet verwijderd van de auto. De zender blijft normaal werken. De afstandsbediening maakt gebruik van een lithium knoopbatterij van drie volt, CR2032 of soortgelijk Draai de schroevendraaier in de afgebeelde richting om een begin te maken de twee huishelften van de afstandsbediening van elkaar te scheiden. 4 E Draai de schroevendraaier in de afgebeelde richting om de twee huishelften van de afstandsbediening van elkaar te scheiden. 5 E Houd de toetsen in de randen ingedrukt om de afdekking te ontgrendelen. Verwijder voorzichtig het kapje. 2. Verwijder de sleutelbaard. E E N.B.: Raak de batterijcontacten of de printplaat niet met de schroevendraaier aan. 5. Verwijder de batterij voorzichtig met de schroevendraaier. 6. Plaats een nieuwe batterij met de + naar omlaag gericht. 7. Zet de twee huishelften van de afstandsbediening op elkaar vast. 8. Breng het sleutelblad aan. 35

40 Sleutels en afstandsbediening EEN VERLOREN SLEUTEL OF AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN U kunt vervangende sleutels of afstandsbedieningen kopen bij een erkende dealer. Erkende dealers kunnen afstandsbedieningen voor de auto programmeren. Zie Afstandsbediening (bladzijde 34). Neem contact op met een erkende dealer voor het herprogrammeren van de passieve elektronische startbeveiliging. 36

41 MyKey WERKING Met MyKey kunt u sleutels met beperkte rijmodi programmeren om een goed rijgedrag te stimuleren. Alle bij de auto geprogrammeerde sleutels behalve één kunnen met deze beperkte modi worden geactiveerd. Alle ongeprogrammeerde sleutels noemen we administrator- of admin-sleutels. Met deze sleutels kunt u: Een MyKey maken. Configureerbare MyKey-instellingen programmeren. Alle MyKeys-functies wissen. Als u een MyKey geprogrammeerd hebt, kunt u via het informatiedisplay toegang krijgen tot de volgende informatie: Hoeveel admin-sleutels en MyKeys bij de auto geprogrammeerd zijn. De totale gereden afstand met gebruik van een MyKey. N.B.: Alle MyKeys worden met dezelfde instellingen geprogrammeerd. U kunt de sleutels niet afzonderlijk programmeren. N.B.: Als bij auto s met een startknop zowel een MyKey- als een admin-zender aanwezig zijn, zal de auto de admin-zender herkennen als u het contact aanzet om de auto te starten. Niet-configureerbare instellingen De volgende instellingen kunt u niet veranderen met een admin-sleutel: Gordelverklikker. U kunt deze functie niet uitschakelen. Het audiosysteem wordt gedempt als de voorste inzittenden geen gordel omhebben. Vroegtijdig laag brandstofpeil. De tankwaarschuwing verschijnt eerder, wat de MyKey-gebruiker meer tijd geeft om te tanken. De aanwezige assistentiesystemen worden altijd aangezet: parkeerhulp, dodehoekdetectie (BLIS) met herkenning van kruisend verkeer, Lane Departure Warning en het Forward Collision Warning System. Configureerbare instellingen Met een admin-sleutel kunt u bepaalde MyKey-instellingen configureren als u voor het eerst een MyKey maakt en voor u de sleutel verdraait of de auto opnieuw start. U kunt de instellingen ook achteraf veranderen met een admin-sleutel. U kunt een snelheidslimiet instellen. Er verschijnen waarschuwingen op het display, gevolgd door een geluidssignaal zodra uw auto de ingestelde snelheid bereikt. U kunt de ingestelde snelheid niet negeren door het gaspedaal door te drukken of via de instelling van de snelheidsregeling. U kunt diverse snelheidsverklikkers instellen. Als u een snelheid selecteert, verschijnt deze op het display, gevolgd door een geluidssignaal zodra de geselecteerde rijsnelheid wordt overschreden. 37

42 MyKey Maximaal volume van audiosysteem is 45%. Er verschijnt een bericht op het display als u probeert het beperkte volume te overschrijden. De snelheidsafhankelijke of gecompenseerde automatische volumeregeling is ook uitgeschakeld. Instelling Altijd aan. Als u dit selecteert, kunt u de Advance Trac niet uitschakelen (als uw auto dit systeem heeft). MYKEY AANMAKEN Gebruik het informatiedisplay om een MyKey aan te maken: 1. Steek de sleutel die u wilt programmeren in het contactslot. Als uw auto is uitgerust met een startknop, houdt u de intelligente toegangssleutel naast de stuurkolom. Details over de juiste positie van de afstandsbediening staan in een ander hoofdstuk. Zie Motor starten en stoppen (bladzijde 107). 2. Zet het contact aan. 3. Open het hoofdmenu via de bedieningstoetsen op het informatiedisplay en kies Instellingen en daarna MyKey door op OK of de knop > te drukken. 4. Druk op OK of de knop > om Maak MyKey te selecteren. 5. Houd desgevraagd de toets OK ingedrukt tot het bericht verschijnt dat u deze sleutel gaat markeren als een MyKey. De sleutel wordt beperkt wanneer uw auto de volgende keer wordt gestart. MyKey is aangemaakt. Zorg dat u de sleutel markeert, zodat u deze van de admin-sleutels kunt onderscheiden. U kunt ook configureerbare instellingen programmeren voor de sleutel(s). Raadpleeg Configureerbare instellingen programmeren/wijzigen. Configureerbare instellingen programmeren/wijzigen Ga via het informatiedisplay naar uw configureerbare MyKey-instellingen: 1. Zet het contact aan met een admin-sleutel of afstandsbediening. 2. Open het hoofdmenu via de bedieningstoetsen op het informatiedisplay en kies Instellingen en vervolgens MyKey door op OK of de knop > te drukken. 3. Ga via de pijltjestoetsen naar een configureerbare instelling. 4. Druk op OK of > om een keuze te maken. N.B.: U kunt uw MyKey-instellingen op elk moment wissen of wijzigen tijdens de sleutelcyclus waarin u de MyKey hebt aangemaakt. Zodra u de motor hebt uitgezet, hebt u echter een admin-sleutel nodig om uw MyKey-instellingen te wijzigen of wissen. ALLE MYKEYS WISSEN U kunt uw MyKey-instellingen wissen of wijzigen via de bedieningstoetsen van het informatiedisplay op het stuurwiel. Zie Infodisplays (bladzijde 78). Zet het contact aan met een admin-sleutel of afstandsbediening. 38

43 MyKey Om alle MyKey-instellingen voor alle MyKeys te wissen, drukt u de linker pijltoets in om naar het hoofdmenu te gaan en bladert u naar: Mededeling Instellingen MyKey Wis MyKeys Druk op de toets OK. Druk op de toets OK. Actie en omschrijving Houd de knop OK ingedrukt tot het volgende bericht verschijnt. Alle MyKeys gewist N.B.: Wanneer u uw MyKeys wist, verwijdert u alle beperkingen en worden alle MyKeys gereset naar hun oorspronkelijke status van admin-sleutel. 39

44 MyKey SYSTEEMSTATUS MYKEY CONTROLEREN U kunt informatie over de geprogrammeerde MyKey(s) opzoeken via de stuurbediening van het informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 78). Om informatie over geprogrammeerde MyKey(s) te vinden, drukt u de linker pijltoets in om naar het hoofdmenu te gaan en bladert u naar: Instellingen MyKey Mededeling Selecteer het volgende: MyKey traject {0} MyKeys {0} Admin Keys Druk op de toets OK. Druk op de toets OK. Omschrijving Registreert de afstand als bestuurders een MyKey gebruiken. U kunt de totale afstand alleen verwijderen door uw MyKey met een admin-sleutel te wissen. Als afstanden niet zoals verwacht worden opgeteld, dan gebruikt de beoogde gebruiker geen MyKey of heeft iemand met een admin-sleutel de MyKey onlangs gewist en een nieuwe gemaakt. Geeft het aantal MyKeys aan dat voor uw auto is geprogrammeerd. Gebruik deze functie om te kijken hoeveel MyKeys er zijn voor uw auto en te zien wanneer een MyKey is verwijderd. Geeft aan hoeveel admin-sleutels voor uw auto geprogrammeerd zijn. Gebruik deze functie om te kijken hoeveel onbeperkte sleutels u voor de auto hebt en om te zien of een extra MyKey is geprogrammeerd. 40

45 MyKey MYKEY GEBRUIKEN BIJ OP AFSTAND BEDIENBARE STARTSYSTEMEN MyKey is niet compatibel met achteraf aangebrachte (aftermarket) startsystemen op afstand die niet door Ford zijn goedgekeurd. Als u besluit een startsysteem op afstand aan te brengen, neem dan contact op met een erkende dealer voor een door Ford goedgekeurd startsysteem op afstand. STORINGSDIAGNOSE MYKEY Probleem Mogelijke oorzaken Ik kan geen MyKey maken. De sleutel of zender om de auto te starten heeft geen admin-rechten. De sleutel of zender om de auto te starten is de enige admin-sleutel (er moet altijd minstens één admin-sleutel zijn). Auto s met sleutelloos startsysteem: de sleutelloos startsysteem-zender zit niet in de bewaargleuf in de middenconsole. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 107). Passieve diefstalbeveiliging SecuriLock is uit of zit in onbeperkte modus. Ik kan geen configureerbare instellingen programmeren. Ik kan de MyKeys niet wissen. Ik verloor de enige admin-sleutel. De sleutel of zender om de auto te starten heeft geen admin-rechten. Er worden geen MyKeys gemaakt. Zie MyKey aanmaken (bladzijde 38). De sleutel of zender om de auto te starten heeft geen admin-rechten. Er worden geen MyKeys gemaakt. Zie MyKey aanmaken (bladzijde 38). Koop een nieuwe sleutel bij een erkende dealer. 41

46 MyKey Probleem Ik verloor een sleutel. Mogelijke oorzaken Programmeer een reservesleutel. Zie Passief antidiefstalsysteem (bladzijde 50). MyKey afstanden worden niet opgeteld. De MyKey gebruiker gebruikt geen MyKey. Iemand met een admin-sleutel wiste de MyKeys en maakte nieuwe MyKeys. Het sleutelsysteem is gereset. Geen MyKey functies met de sleutelloos toegangssysteem-zender. Er ligt bij de start een admin-zender in de auto. Er worden geen MyKeys gemaakt. Zie MyKey aanmaken (bladzijde 38). 42

47 Sloten VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN U kunt de elektrische portierregeling of de afstandsbediening gebruiken om uw auto te vergrendelen en te ontgrendelen. Elektrische portiersloten De elektrische portierregeling bevindt zich op de panelen van het bestuurders- en passagiersportier vooraan. E A B B A Ontgrendelen. Vergrendelen. Afstandsbediening Portieren ontgrendelen (ontgrendelen in twee fasen) Druk op de toets om het bestuurdersportier te ontgrendelen. Druk binnen drie seconden de toets in om alle portieren te ontgrendelen. De richtingaanwijzers knipperen. Houd de ontgrendel- en vergrendelknop van de afstandsbediening gelijktijdig tenminste vier seconden ingedrukt om ontgrendelen in twee fasen uit of in te schakelen. Als u ontgrendelen in twee fasen uitschakelt, worden alle portieren van de auto ontgrendeld met een druk op de knop. De richtingaanwijzers knipperen tweemaal om een wijziging in de ontgrendelmodus aan te duiden. De ontgrendelmodus is van toepassing op de afstandsbediening en intelligente toegang. Met intelligente toegang bij het bestuurdersportier worden alle portieren ontgrendeld wanneer u ontgrendelen in twee fasen uitschakelt. Portieren vergrendelen Druk op de toets om alle portieren te vergrendelen. De richtingaanwijzers gaan branden. Druk de toets nogmaals binnen drie seconden in om te bevestigen dat alle portieren zijn gesloten. De portieren worden opnieuw vergrendeld en de richtingaanwijzers knipperen twee keer als alle portieren en de bagageruimte zijn gesloten. N.B.: Als het ontgrendelen niet is gelukt of een portier of de achterklep open is of als de motorkap open is bij auto's uitgerust met een perimeteralarm, zullen de lampen niet knipperen. Automatisch opnieuw vergrendelen De portieren worden automatisch opnieuw vergrendeld wanneer u niet binnen 45 seconden na het ontgrendelen een portier opent met de afstandsbediening. De portieren worden vergrendeld en het alarm keert terug in de vorige stand. Achterklep WAARSCHUWINGEN Zorg dat er zich niemand in de buurt van de achterklep bevindt voordat u de elektrisch bediende achterklep gebruikt. 43

48 Sloten WAARSCHUWINGEN Zorg dat u de achterklep sluit en vergrendelt, zodat er geen uitlaatgassen in het voertuig komen. Dit voorkomt ook dat er passagiers en bagage naar buiten vallen. Als u met de achterklep open moet rijden, houd dan ventilatieopeningen of ruiten open, zodat de buitenlucht in het voertuig komt. Wanneer deze waarschuwing niet wordt opgevolgd, kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben. N.B.: Zorg in een garage of andere afgesloten ruimte dat u de achterklep voorzichtig opent of sluit om schade aan de achterklep te voorkomen. E Druk de knop tweemaal binnen drie seconden in om het volgende te doen: een handmatige achterklep ontgrendelen. een elektrische achterklep openen, sluiten of de beweging ervan stoppen. Zie Elektrisch bedienbare achterklep (bladzijde 47). Mechanische sleutel Draai de bovenzijde van de sleutel één keer in de richting van de voorzijde van de auto om alle portieren te vergrendelen. Draai de bovenzijde van de sleutel één keer in de richting van de achterzijde van de auto om alleen het bestuurdersportier te ontgrendelen. Portieren afzonderlijk vergrendelen Als de elektrische vergrendeling niet werkt, dan kunnen de portieren afzonderlijk met de sleutel in de afgebeelde positie worden vergrendeld. E Linkerzijde Draai rechtsom om te vergrendelen. Rechterzijde Draai rechtsom om te vergrendelen. Een achterportier langs de binnenkant openen Trek twee keer aan de binnenhandgreep van het portier om het achterportier te ontgrendelen en te openen. Wanneer u er de eerste keer aan trekt, wordt het portier ontgrendeld en de tweede keer wordt het portier geopend. Intelligente toegang activeren De sleutel voor intelligente toegang moet zich binnen 3 feet (1 meter) van uw auto bevinden. 44

49 Sloten Bij de voorportieren Trek aan de buitenhandgreep van een voorportier om het portier te ontgrendelen en te openen. De sensor voor ontgrendelen bevindt zich op de achterkant van de handgreep. Zorg dat u het gebied van de sensor voor vergrendelen op de voorkant van de handgreep niet aanraakt. E87384 Houd het gebied van de sensor voor vergrendelen een seconde ingedrukt om uw auto te vergrendelen. Om te voorkomen dat het portier per ongeluk wordt ontgrendeld, moet u zorgen dat u alleen de sensor voor vergrendelen en geen andere delen van de portierhandgreep aanraakt. Nadat de portieren zijn vergrendeld met de sensor voor vergrendelen, is er een korte vertraging voordat u uw auto kunt ontgrendelen. Tijdens deze vertraging kunt u aan de handgreep trekken om te controleren dat het portier is vergrendeld. N.B.: Houd het oppervlak van de portierhandgreep schoon om problemen met de werking ervan te voorkomen. Bij de achterklep Druk op de ontgrendelknop aan de buitenkant van de achterklep boven aan de handgreep. Verlichte ingang De interieurverlichting en bepaalde buitenverlichting gaat branden wanneer u de portieren ontgrendelt met de afstandsbediening. Het systeem voor verlichte ingang schakelt de verlichting uit: als u de auto start. als u op de vergrendelknop van de afstandsbediening drukt. na 25 seconden verlichting. De verlichting wordt niet uitgeschakeld als: u ze inschakelt via de bediening voor de verlichting. er een portier is geopend. Verlichte uitgang De interieurverlichting en bepaalde buitenverlichting gaat branden wanneer alle portieren dicht zijn en u het contact uitzet. De verlichting wordt uitgeschakeld als alle portieren dicht blijven en: er 25 seconden zijn verstreken. u de auto vanaf de buitenkant vergrendelt. Accuspaarfunctie Indien u de instapverlichting of plafondverlichting ingeschakeld laat en het contact uitzet, schakelt de accuspaarfunctie ze na een tijdje uit. Accuspaarfunctie voor accessoires Als u het contact aan laat nadat u uit de auto bent gestapt, wordt dit 15 minuten nadat u alle portieren hebt gesloten uitgeschakeld. 45

50 Sloten HANDMATIG BEDIENDE ACHTERKLEP WAARSCHUWINGEN Het is heel gevaarlijk om in de bagageruimte of laadbak van een auto mee te rijden. Personen die hier meerijden lopen bij een aanrijding een grotere kans op zwaar of dodelijk letsel. Laat niemand op een plek in uw auto zonder stoelen en veiligheidsgordels meerijden. Zorg dat iedereen in uw auto op een stoel zit en zijn veiligheidsgordel goed gebruikt. Als u deze waarschuwing negeert, kan dat ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. Zorg dat u de achterklep sluit en vergrendelt, zodat er geen uitlaatgassen in de auto komen. Dit voorkomt ook dat passagiers en bagage naar buiten vallen. Als u met de achterklep open moet rijden, houd dan ventilatieopeningen of ruiten open, zodat de buitenlucht in de auto komt. Als u deze waarschuwing negeert, kan dat ernstig letsel tot gevolg hebben. N.B.: Zorg in een garage of andere afgesloten ruimte dat u de achterklep voorzichtig opent of sluit om schade aan de achterklep te voorkomen. N.B.: Hang niets aan de ruit of de achterklep (bijvoorbeeld een fietsenrek). Dit kan de achterklep en onderdelen ervan beschadigen. N.B.: Laat de achterklep tijdens het rijden niet open. Dit kan de achterklep en onderdelen ervan beschadigen. Achterklep openen Handmatig E Druk op de knop boven in de handgreep van de achterklep om de achterklep te ontgrendelen en trek vervolgens aan de buitenhandgreep. Met de afstandsbediening Druk de toets binnen 3 seconden tweemaal in om de achterklep E te ontgrendelen. Maak de achterklep met de hand open. Achterklep sluiten E Binnen aan de achterklep zit een handgreep om de klep te sluiten. 46

51 Sloten ELEKTRISCH BEDIENBARE ACHTERKLEP WAARSCHUWINGEN Het is zeer gevaarlijk om in of buiten de bagageruimte van uw auto mee te rijden. Bij een aanrijding is het risico op ernstig letsel of overlijden groter voor personen die in of buiten de bagageruimte meerijden. Laat niemand op een plek in uw auto zonder stoelen en veiligheidsgordels meerijden. Zorg ervoor dat iedereen in uw auto op een stoel zit en op correcte wijze een veiligheidsgordel gebruikt. Zorg dat u de achterklep sluit en vergrendelt, zodat er geen uitlaatgassen in het voertuig komen. Dit voorkomt ook dat er passagiers en bagage naar buiten vallen. Als u met de achterklep open moet rijden, houd dan ventilatieopeningen of ruiten open, zodat de buitenlucht in het voertuig komt. Wanneer deze waarschuwing niet wordt opgevolgd, kan dit ernstig letsel tot gevolg hebben. Houd sleutels buiten het bereik van kinderen. Laat kinderen niet spelen in de buurt van een openstaande of bewegende elektrische achterklep. N.B.: Als u het contact aan en uit zet wanneer de achterklep elektrisch wordt gesloten en bijna helemaal omlaag is, kan de achterklep terugkeren naar de volledig geopende positie. Zorg dat u de achterklep sluit voordat u de auto bedient of ermee rijdt, vooral in een gebouw, zoals een garage of parkeerruimte. U kunt de achterklep of onderdelen hiervan beschadigen. N.B.: Hang niets aan de spoiler, de ruit of de achterklep (bijvoorbeeld een fietsenrek). Dit kan de achterklep en onderdelen hiervan beschadigen. Als de auto draait, werkt de achterklep alleen als de transmissie in de parkeerstand staat. Deze waarschuwingssignalen klinken wanneer de achterklep elektrisch begint te sluiten. Drie korte signalen wijzen op een probleem met het verzoek om te openen of te sluiten, veroorzaakt door: Het contact is aan en de transmissie staat niet in de stand P. De accuspanning ligt onder de minimale bedrijfsspanning. De rijsnelheid is minstens 1 km/h. Als de achterklep dicht valt nadat de achterklep is gestopt in de geopende stand, wijzen vier korte waarschuwingssignalen erop dat de achterklep te veel weegt of dat er een mogelijk defect met de gasdemper is. Als het probleem nog steeds optreedt nadat u de lading hebt verwijderd, laat het systeem dan controleren door een erkende dealer. Achterklep openen en sluiten WAARSCHUWING Zorg dat de personen zich niet in de buurt van de elektrische achterklep bevinden voordat u de elektrische achterklep gebruikt. N.B.: Zorg in een garage of andere afgesloten ruimte dat u de achterklep voorzichtig opent of sluit om schade aan de achterklep te voorkomen. N.B.: Laat de achterklep tijdens het rijden niet open. Dit kan de achterklep en onderdelen hiervan beschadigen. 47

52 Sloten N.B.: U kunt de beweging van de achterklep stoppen met een tweede druk op de knop op het dashboard of de bedieningsknop op de achterklep, twee keer drukken op de knop van de zender of via een schoppende beweging met uw voet voor handenvrije achterkleppen. Vanaf het dashboard E Druk op de knop op het dashboard. N.B.: Wacht totdat het elektrisch systeem de achterklep heeft geopend nadat u op de bediening hebt gedrukt. Als u met de hand aan de achterklep duwt of trekt, kan de functie voor detectie van obstakels van het systeem worden geactiveerd en stopt de elektrische bediening. Sluiten Met behulp van de afstandsbediening E Druk twee keer op de knop op de afstandsbediening binnen drie seconden. Met de bedieningsknop aan de buitenkant Openen 1. Ontgrendel de achterklep met de afstandsbediening of de bediening om de portieren te ontgrendelen. Als er zich een zender voor intelligente toegang binnen 3 feet (1 meter) van de auto bevindt, wordt de achterklep ontgrendeld wanneer u op de ontgrendelknop op de achterklep drukt. E Druk op de bedieningsknop boven aan de handgreep van de achterklep. E Druk kort op de knop. WAARSCHUWING Blijf uit de buurt van de achterklep wanneer u de schakelaar achteraan activeert. Hoogte geopende achterklep instellen 1. Breng de achterklep omhoog. 2. Beweeg de achterklep met de hand naar de gewenste hoogte. 3. Houd de bedieningsknop op de achterklep ingedrukt totdat u een signaal hoort, wat erop wijst dat het programmeren is voltooid. N.B.: U kunt de hoogte niet programmeren als de positie van de achterklep te laag is. 48

53 Sloten De nieuwe hoogte van de geopende achterklep wordt weer opgeroepen wanneer de elektrische achterklep wordt geopend. Herhaal de bovenstaande procedure om de geprogrammeerde hoogte te wijzigen. Wanneer u de elektrische achterklep opent, kunt u deze met de hand naar een andere hoogte bewegen. Wanneer u de elektrische achterklep gebruikt nadat u een lagere hoogte dan volledig geopend hebt geprogrammeerd, kunt u de achterklep helemaal openen door deze met de hand omhoog te duwen tot de maximaal geopende positie. Detectie van obstakels Bij het sluiten Het systeem stopt wanneer het een obstakel detecteert. Er klinken twee korte signalen en het systeem gaat terug naar de geopende positie. Wanneer u het obstakel hebt verwijderd, kunt u de achterklep elektrisch sluiten. N.B.: Als u instapt terwijl de achterklep wordt gesloten, kan uw auto wat schommelen en kan de detectie van obstakels worden geactiveerd. Om dit te voorkomen moet u de elektrische achterklep helemaal laten sluiten voordat u instapt. Voor u vertrekt, controleert u of er op het instrumentenpaneel een bericht staat dat de achterklep of een portier is geopend of de desbetreffende controlelamp brandt. Als u dat niet doet, kan de achterklep per ongeluk geopend blijven tijdens het rijden. Bij het openen Het systeem stopt wanneer het een obstakel detecteert en er klinken twee korte signalen. Verwijder het obstakel om de achterklep te bedienen. 49

54 Beveiliging PASSIEF ANTIDIEFSTALSYSTEEM SecuriLock Dit systeem helpt te voorkomen dat uw auto start, tenzij u een gecodeerde sleutel gebruikt, geprogrammeerd voor uw auto. Met een verkeerde sleutel start uw auto wellicht niet. Op het informatiedisplay kan een bericht verschijnen. Als u de auto niet met een correct gecodeerde sleutel kunt starten, dan is een storing opgetreden. Op het informatiedisplay kan een bericht verschijnen. N.B.: Het systeem is incompatibel met startsystemen op afstand die niet origineel van Ford zijn. Deze systemen kunnen startproblemen en een verminderde diefstalbeveiliging veroorzaken. N.B.: Metalen voorwerpen, elektronica of een tweede gecodeerde sleutel aan dezelfde sleutelhanger kunnen startproblemen veroorzaken als ze bij het starten te dicht bij de sleutel zijn. Voorkom dat zulke voorwerpen bij het starten de gecodeerde sleutel raken. Zet het contact uit, houd alles aan de sleutelhanger uit de buurt van de gecodeerde sleutel en start opnieuw als een probleem optreedt. N.B.: Laat geen bijgemaakte gecodeerde sleutel in uw auto liggen. Neem uw sleutels steeds met u mee en vergrendel alle portieren als u de auto verlaat. Automatisch beveiligen Uw auto wordt meteen beveiligd zodra u het contact uitzet. Automatisch vrijgeven Als u het contact met een gecodeerde sleutel aanzet, wordt uw auto vrijgegeven. Vervangende sleutels N.B.: Bij uw auto zitten twee sleutels met sleutelkopzenders of twee intelligente toegangssleutels. De sleutelkopzender werkt als een geprogrammeerde contactsleutel, die alle sloten bedient, uw auto start en als afstandsbediening functioneert. De intelligente toegangssleutel werkt als een geprogrammeerde contactsleutel, die het slot van het bestuurdersportier bedient, de intelligente toegang met het startknopsysteem activeert en als afstandsbediening functioneert. Als uw geprogrammeerde zenders of standaard SecuriLock gecodeerde sleutels (alleen sleutelkopzenders) kwijtraken of gestolen worden en u geen gecodeerde reservesleutel hebt, moet u de auto naar een erkende dealer laten slepen. U moet de sleutelcodes in uw auto wissen en nieuwe gecodeerde sleutels programmeren. Bewaar een geprogrammeerde reservesleutel op een veilige plaats buiten uw auto om ongemakken te voorkomen. Ga naar uw erkende dealer om reservesleutels of vervangende sleutels te kopen. Reservesleutel met sleutelkopzender programmeren N.B.: U kunt maximaal acht gecodeerde sleutels voor uw auto programmeren. Alle acht mogen sleutels met sleutelkopzender zijn. U kunt uw eigen sleutelkopzenders of standaard SecuriLock gecodeerde sleutels voor uw auto programmeren. Deze procedure programmeert de sleutelcode van de startonderbreker en de toegangsfunctie van de afstandsbediening van uw auto 50

55 Beveiliging Gebruik alleen sleutelkopzenders of standaard SecuriLock sleutels. U moet twee eerder geprogrammeerde, gecodeerde sleutels en de nieuwe ongeprogrammeerde sleutel bij de hand hebben. Ga naar uw erkende dealer om de reservesleutel te programmeren als u geen twee eerder geprogrammeerde, gecodeerde sleutels hebt. U moet de hele procedure gelezen en begrepen hebben voor u begint. 1. Steek de eerste al geprogrammeerde, gecodeerde sleutel in het contact. 2. Zet het contact van uit naar aan. Laat het contact minstens 3 seconden aanstaan, maar niet langer dan 10 seconden. 3. Zet het contact uit en trek de eerste gecodeerde sleutel uit het contact. 4. Steek binnen 10 seconden nadat u het contact hebt uitgezet de tweede al gecodeerde sleutel in het contact. 5. Zet het contact van uit naar aan. Laat het contact minstens 3 seconden aanstaan, maar niet langer dan 10 seconden. 6. Zet het contact uit en trek de tweede al geprogrammeerde sleutel uit het contact. 7. Na 3 seconden, maar binnen 10 seconden nadat u het contact hebt uitgezet en de geprogrammeerde sleutel hebt uitgetrokken, steekt u de nieuwe ongeprogrammeerde sleutel in het contact. 8. Zet het contact van uit naar aan. Laat het contact minstens 6 seconden aanstaan. 9. Trek de zojuist geprogrammeerde sleutel uit het contact. Als de sleutel goed is geprogrammeerd, kunt u hiermee de auto starten en de afstandsbediening gebruiken (als de nieuwe sleutel een sleutelkopzender heeft). Als de programmering is mislukt, wacht u 10 seconden en herhaalt u stap 1 tot 8. Lukt het nog steeds niet, breng uw auto dan naar een erkende dealer. Reservesleutel voor intelligente toegang programmeren Ga naar uw erkende dealer om reservesleutels voor uw auto te laten programmeren. ANTIDIEFSTALSYSTEEM Het systeem waarschuwt u voor ongeoorloofde toegang tot uw auto. Het wordt geactiveerd wanneer een portier, de achterklep of de motorkap wordt geopend zonder sleutel of afstandsbediening. Als er geprobeerd wordt ongeoorloofde toegang te verkrijgen terwijl het alarm is ingeschakeld, knipperen de richtingaanwijzers en weerklinkt de claxon. Ga bij eventuele problemen met het alarm van uw voertuig naar een erkende dealer en breng alle afstandsbedieningen mee. Het alarm inschakelen Het alarm kan worden ingeschakeld wanneer er zich geen sleutel in het contactslot bevindt. Vergrendel de auto elektronisch om het alarm in te schakelen. Het alarm uitschakelen Schakel het alarm uit door een van de volgende handelingen: 51

56 Beveiliging Ontgrendel de portieren of bagageruimte met de afstandsbediening of het toetsenbord van het sleutelloos toegangssysteem. Schakel het contact in of start de motor. Steek een sleutel in het bestuurdersportier om het voertuig te ontgrendelen en schakel binnen 12 seconden het contact in. N.B.: Als u op de paniekknop op de afstandsbediening drukt, worden de claxon en de richtingaanwijzers uitgezet, maar blijft het systeem actief. 52

57 Stuurwiel STUURWIEL AFSTELLEN WAARSCHUWING Verstel nooit het stuurwiel als uw auto in beweging is. N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 97). 2 E Vergrendel het stuurkolom. E AUDIOBEDIENING Selecteer de gewenste bron op de audio-unit. U kunt de volgende functies bedienen met behulp van de regeling: 1. Ontgrendel de stuurkolom. 2. Zet het stuurwiel in de gewenste stand. D A C B E A B Volume hoger Opwaarts zoeken of volgende 53

58 Stuurwiel C D Volume lager Neerwaarts zoeken of vorige Zoeken, volgende of vorige Druk de seek toets in om: op het volgende of vorige radiostation af te stemmen het volgende of vorige nummer af te spelen Houd de seek toets ingedrukt om: af te stemmen op het volgende radiostation op een hogere of lagere frequentie door een nummer te zoeken E E Druk om naar het beginscherm te gaan. Druk om naar het informatiescherm te gaan. Zie SYNC 2 (bladzijde 223). SNELHEIDSREGELING (CRUISE CONTROL) SPRAAKSTURING E Zie Snelheidsregeling (Cruise Control) (bladzijde 155). E Trek aan de bedieningsknop om de spraakgestuurde bediening in of uit te schakelen. Zie SYNC 2 (bladzijde 223). Zie SYNC 2 (bladzijde 223). MyFord Touch -bediening (indien aanwezig) De bedieningsknoppen op uw stuurwiel zijn mogelijk uitgerust met deze aanvullende functies. 54

59 Stuurwiel BEDIENINGSORGANEN INFORMATIEDISPLAY E Zie Infodisplays (bladzijde 78). Multimediaregelingen (indien aanwezig) E Gebruik de pijlen aan de rechterzijde van het stuurwiel om door de menu's te navigeren. Druk op OK en maak een selectie. 55

60 Ruitenwissers en ruitensproeiers VOORRUITWISSERS N.B.: Laat de voorruit volledig ontdooien voordat u de ruitenwissers inschakelt. N.B.: Controleer of de ruitenwissers zijn uitgeschakeld voordat u een wasstraat inrijdt. N.B.: Reinig de voorruit en de wisserbladen indien deze strepen of vlekken beginnen achter te laten. Breng nieuwe wisserbladen aan indien hiermee het probleem niet is verholpen. N.B.: Schakel de ruitenwissers niet in bij een droge voorruit. Daardoor kunnen krassen op de voorruit ontstaan, kunnen de wisserbladen beschadigd raken en kan de wissermotor verbranden. Gebruik altijd de ruitensproeiers voordat u de wisfunctie op een droge voorruit inschakelt. Intervalwissen E A B C Kort wisinterval Interval-wissen Lang wisinterval Gebruik de draaiknop om het wisinterval af te stellen. Snelheidsafhankelijke ruitenwissers (indien aangebracht) Wanneer de snelheid van uw auto toeneemt, neemt het interval tussen de wisslagen af. E A B C D Eenmaal wissen Interval-wissen Normaal wissen Hoge wissnelheid AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS N.B.: Laat de voorruit volledig ontdooien voordat u de ruitenwissers inschakelt. N.B.: Zorg dat u de ruitenwissers uitschakelt voor u een carwash binnenrijdt. N.B.: Reinig de voorruit en wisserbladen als deze strepen of vlekken beginnen te maken. Vervang de wisserbladen als hiermee het probleem niet is verholpen. 56

61 Ruitenwissers en ruitensproeiers N.B.: Als u de automatische verlichting en de automatische wisfunctie inschakelt, wordt het dimlicht vanzelf aangezet als de regensensor de continue wisfunctie van de ruitenwissers activeert. N.B.: Bij natte of winterse rijomstandigheden met ijs, sneeuw of pekelnevel is het mogelijk dat de wissers niet vlot of niet zoals verwacht wissen of dat er strepen ontstaan. In dat geval kunt u het volgende doen: Verlaag de gevoeligheid van de automatische wissers om minder strepen te maken. Schakel naar normaal of snel wissen. Schakel de automatische wisfunctie uit. Gebruik de draaiknop om de gevoeligheid van de regensensor af te stellen. Als u de knop op lage gevoeligheid zet, worden de wissers ingeschakeld als de regensensor veel vocht op de voorruit meet. Als u de knop op hoge gevoeligheid zet, worden de wissers ingeschakeld als de regensensor weinig vocht op de voorruit meet. Houd de buitenkant van de voorruit schoon. De regensensor is heel gevoelig. Vuil of vuildeeltjes rond de binnenspiegel laten de automatische wisfunctie slechter werken. De automatische wissers kunnen bijv. aangaan als vuil, nevel of insecten de voorruit raken. VOORRUITSPROEIERS N.B.: Bedien de sproeiers niet wanneer het sproeierreservoir leeg is. Dit kan leiden tot oververhitting van de sproeierpomp. E A B C Hoge gevoeligheid Aan Lage gevoeligheid De automatische wisfunctie gebruikt een regensensor, die in het gebied rond de binnenspiegel zit. De regensensor bewaakt de hoeveelheid vocht op de voorruit en schakelt de ruitenwissers automatisch in. Deze zal de wissnelheid afstemmen op de hoeveelheid vocht die de sensor op de voorruit meet. E Om de sproeiers te bedienen en de voorruit schoon te sproeien, trekt u de hendel naar u toe. Na het loslaten van de hendel blijven de ruitenwissers nog kortstondig in werking. Enkele seconden na het sproeien wissen de ruitenwissers om eventuele resterende sproeivloeistof te verwijderen. 57

62 Ruitenwissers en ruitensproeiers ACHTERRUITWISSERS EN - SPROEIERS Ruitensproeier achter Achterruitenwisser E E U besproeit de achterruit door de hendel van u af te duwen. Na het loslaten van de hendel blijft de wisser nog even in werking. A B C Intervalwissen Langzaam wissen Uit Druk boven op de knop aan het uiteinde van de hendel om de intervalstand aan te zetten. Druk nogmaals op de knop om langzaam te wissen. Druk onder op de knop om de wisser uit te zetten of om van langzaam wissen naar intervalwissen te gaan. Als u de R (achteruit) inschakelt en de voorste wissers aanstaan, wordt de interval van de achterruitenwisser ingeschakeld. 58

63 Verlichting VERLICHTINGSBEDIENING Lichtsignaal E A B C Uit Grootlicht Parkeerlichten, instrumentenpaneelverlichting, kentekenplaatverlichting en achterlichten Koplampen E Trek de hendel licht naar u toe en laat deze weer los voor een lichtsignaal met de koplampen. AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE VERLICHTING WAARSCHUWING Als de automatische verlichting aanstaat, worden de koplampen wellicht niet ingeschakeld bij slecht zicht, zoals bij mist overdag. Zet de koplampen in alle omstandigheden met slecht zicht zo nodig in de auto- of aan-stand. Anders kunt u een aanrijding krijgen. E Druk de hendel naar voren om het grootlicht in te schakelen. Druk de hendel opnieuw naar voren of trek de hendel naar u toe om het grootlicht uit te schakelen. E

64 Verlichting Als de lichtschakelaar in de stand automatisch staat, worden de koplampen automatisch ingeschakeld bij slecht zicht of zodra de wissers aangaan. Als de lichtschakelaar in de stand automatisch staat, worden de volgende eventueel aanwezige functies ook geactiveerd als u deze via het informatiedisplay hebt ingeschakeld: Configureerbaar dagrijlicht. Automatische grootlichtregeling. Adaptieve koplampregeling. De koplampen blijven branden gedurende een bepaalde periode nadat het contact is afgezet. Gebruik het informatiedisplay om in te stellen hoe lang de koplampen blijven branden. Zie Infodisplays (bladzijde 78). N.B.: Als de koplampen in de automatische stand staan, kunt u het grootlicht pas inschakelen als de automatische verlichting het dimlicht heeft aangezet. Koplampen geactiveerd door ruitenwissers Als de lichtschakelaar op automatisch staat, worden de door de ruitenwissers geactiveerde koplampen binnen 10 seconden aangezet zodra u de voorste ruitenwissers inschakelt. Ze doven ongeveer 60 seconden nadat u de voorste ruitenwissers hebt uitgezet. De koplampen worden niet geactiveerd door de wissers: Als u eenmaal wist. Als de wissers aangaan bij het ruitensproeien. Als de wissers in de intervalstand staan. N.B.: Als u de automatische verlichting en automatische wissers inschakelt, worden de koplampen automatisch aangezet als de voorste wissers continu wissen. DIMMER INSTRUMENTENPA- NEELVERLICHTING N.B.: Als u de accu loskoppelt of de accu leegraakt, gaan de verlichte delen naar de maximale instelling. Auto s met mistlampen voor E Meermaals indrukken of ingedrukt houden tot gewenst niveau is bereikt. 60

65 Verlichting Auto s zonder mistlampen voor DAGRIJLICHT A E A B Meermaals indrukken of ingedrukt houden om te dimmen. Meermaals indrukken of ingedrukt houden om te verlichten. B WAARSCHUWING Schakel in situaties met weinig daglicht of tijdens slechte weersomstandigheden altijd uw koplampen in. Het systeem activeert niet de achterlichten en biedt tijdens deze omstandigheden wellicht onvoldoende verlichting. Niet inschakelen van uw koplampen onder deze omstandigheden kan een aanrijding tot gevolg hebben. Inschakelen van het systeem: 1. Schakel het contact in. 2. Draai de verlichtingsknop in de stand uit of automatische verlichting. VOORSTE MISTLAMPEN UITSCHAKELVERTRAGING KOPLAMPEN Nadat u het contact uitschakelt, kunt u de koplampen inschakelen door de richtingaanwijzer naar u toe te trekken. Er klinkt kort een signaal. Bij een geopende deur gaan de koplampen automatisch na drie minuten uit, of 30 seconden nadat de laatste deur is gesloten. U kunt deze functie annuleren door de richtingaanwijzer nogmaals naar u toe te trekken of het contact in te schakelen. E Druk op het bedieningselement om de mistlampen voor in of uit te schakelen. U kunt de koplampen inschakelen wanneer de verlichting in een andere stand staat dan uit. N.B.: Gebruik de mistlampen alleen bij beperkt zicht, bijvoorbeeld bij mist, sneeuw of hevige regenval. N.B.: Als u de automatisch inschakelende koplampen inschakelt, kunt u de mistlampen pas inschakelen wanneer de koplampen automatisch zijn ingeschakeld. 61

66 Verlichting MISTACHTERLICHTEN E Druk op het bedieningselement om de mistlampen voor in of uit te schakelen. U kunt de mistachterlichten pas inschakelen wanneer de mistlampen vooraan of de dimlichtkoplampen branden. N.B.: Gebruik de mistachterlichten alleen wanneer de zichtbaarheid minder dan 164 feet (50 meter) is. N.B.: Gebruik de mistachterlichten niet wanneer het regent of sneeuwt. N.B.: Als u de automatisch inschakelende koplampen inschakelt, kunt u de mistlampen pas inschakelen wanneer de koplampen automatisch zijn ingeschakeld. E Druk knop in om te ontgrendelen. 2. Draai de knop naar de gewenste instelling. 3. Druk knop in om te sluiten. RICHTINGAANWIJZERS KOPLAMPHOOGTE AFSTELLEN Stel het niveau van de koplampen af op basis van de lading van uw auto. Zet het niveau van de koplampen in de stand nul als uw auto onbeladen is. Stel de koplampen in met een lichtstraal van m op het wegdek als uw auto gedeeltelijk of volledig is beladen. Het niveau van de koplampen afstellen: E Druk de hendel omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers te gebruiken. N.B.: Tik de hendel omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen om aan te geven dat u van rijbaan gaat wisselen. 62

67 Verlichting INTERIEURVERLICHTING De lampen worden ingeschakeld wanneer aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: Een willekeurig portier is geopend. Er wordt op een knop van de afstandsbediening gedrukt. Er wordt op schakelaar B van de voorste interieurlamp gedrukt. Interieurverlichting, voor (indien aanwezig) E C B (A) Portierfunctieschakelaar. Druk op deze schakelaar om de E interieurlampen te deactiveren. Het controlelampje voor de portierfunctie brandt geel bij gedeactiveerde lampen. Druk de schakelaar opnieuw in om de interieurverlichting in te schakelen. Het controlelampje brandt blauw. E E E D A (B) Aan/uit-schakelaar alle lampen. (C) Aan/uit-schakelaar afzonderlijke lamp passagier. (D) Aan/uit-schakelaar afzonderlijke lamp bestuurder. Interieurverlichting vooraan - met panoramadak (indien aanwezig) Lamp bestuurderszijde E A (A) Portierfunctieschakelaar. Druk op deze schakelaar om de E interieurlampen te deactiveren. Het controlelampje voor de portierfunctie brandt geel bij gedeactiveerde lampen. Druk de schakelaar opnieuw in om de interieurverlichting in te schakelen. Het controlelampje brandt blauw. E E B C (B) Aan/uit-schakelaar alle lampen. (C) Aan/uit-schakelaar afzonderlijke lamp. Lamp passagierszijde E E A (A) Aan/uit-schakelaar afzonderlijke lamp. 63

68 Verlichting Achterste interieurverlichting (indien aanwezig) E E E A B (A) Aan/uit-schakelaar lamp passagierszijde. (B) Aan/uit-schakelaar lamp bestuurderszijde. SFEERVERLICHTING Draai B voorbij de eerste klik om in te schakelen en af te stellen op de gewenste helderheid. Druk op A om door de kleurkeuzes te navigeren. Druk op C om alle interieurlampen en de sfeerverlichting in te schakelen. Druk opnieuw op C om de interieurlampen uit te schakelen en de sfeerverlichting in de eerder geselecteerde kleur te zetten. De sfeerverlichting wordt ingeschakeld wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: Het contact is aangezet. De koplampen zijn aangezet. De sfeerverlichting blijft branden tot u het contact uitzet en aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: De auto is vergrendeld. De vertragingstimer van de accessoires is verlopen. Het sfeerverlichtingssysteem verlicht het interieur met een aantal verschillende kleuren. De sfeerverlichtingsregeling bevindt zich in de dakconsole. A B C E A B C Kleurenpalet Regelknop Zoekmodus 64

69 Ruiten en spiegels ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN WAARSCHUWINGEN Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter en laat hen niet met de elektrische ruitbediening spelen. Ze kunnen zich ernstig verwonden. Controleer bij het sluiten van de elektrisch bediende ruiten of de ruiten vrij van obstakels zijn en of kinderen en huisdieren zich niet in de nabijheid van de ruitopeningen bevinden. Ruiten volledig sluiten met één druk op de knop Til de schakelaar volledig op en laat deze weer los. Druk de schakelaar opnieuw in of trek deze omhoog om de ruit te stoppen. Ruitvergrendeling E70850 Druk de schakelaar in om de achterruitbediening te vergrendelen of te ontgrendelen. De schakelaar gaat branden wanneer u de bediening van de achterruiten vergrendelt. E70848 N.B.: U kunt een pulserend geluid horen als er slechts één ruit geopend is. Open de tegenoverliggende ruit een stukje om het geluid te verminderen. Druk op de schakelaar om de ruit te openen. Til de schakelaar op om de ruit te sluiten. Ruiten volledig openen met één druk op de knop Druk de schakelaar volledig in en laat deze weer los. Druk de toets opnieuw in of trek hem omhoog om de ruit te stoppen. Inklembeveiliging (indien aanwezig) De ruit stopt automatisch tijdens het sluiten. De ruit wordt een stukje geopend indien er een obstakel in de weg zit. De inklembeveiliging omzeilen WAARSCHUWING Als u de inklembeveiliging omzeilt, wordt de ruit niet geopend wanneer een obstakel wordt geregistreerd. Wees voorzichtig wanneer u de ruiten sluit, om schade aan de auto of letsel te voorkomen. 65

70 Ruiten en spiegels Ga als volgt te werk om deze beveiligingsvoorziening te omzeilen wanneer weerstand voelbaar is, bijvoorbeeld in de winter: 1. Sluit de ruit tweemaal totdat deze het weerstandspunt bereikt en laat de ruit openen. 2. Sluit de ruit een derde maal tot het weerstandspunt. De inklembeveiliging is nu uitgeschakeld en u kunt de ruit nu handmatig sluiten. De ruit zal het weerstandspunt nu passeren en u kunt de ruit nu volledig sluiten. Neem zo snel mogelijk contact op met een erkende Ford dealer indien de ruit na de derde poging niet sluit. De inklembeveiliging resetten WAARSCHUWING De inklembeveiliging blijft uitgeschakeld totdat u het geheugen hebt gereset. Indien u de accu hebt losgekoppeld, moet u het geheugen van de inklembeveiliging afzonderlijk voor elke ruit resetten. 1. Trek de schakelaar omhoog en houd hem in deze stand tot de ruit volledig is gesloten. 2. Laat de schakelaar los. 3. Trek de schakelaar opnieuw langer dan een seconde omhoog. 4. Druk de schakelaar in en houd deze ingedrukt tot de ruit volledig is geopend. 5. Laat de schakelaar los. 6. Trek de schakelaar omhoog en houd hem in deze stand tot de ruit volledig is gesloten. 7. Open de ruit en probeer deze vervolgens automatisch te sluiten. 8. Reset de procedure en herhaal deze indien de ruit niet automatisch sluit. Accessoiresvertraging (indien aanwezig) U kunt de ruitschakelaars nog een paar minuten gebruiken nadat u het contact uitzet of tot u een van de voorportieren opent. CENTRALE VERGRENDELING Met behulp van de functie voor integraal openen en sluiten kunt u ook de elektrisch bedienbare ruiten bij uitgeschakeld contact bedienen. N.B.: Integraal openen werkt slechts korte tijd nadat u de auto ontgrendeld hebt met behulp van de afstandsbediening. N.B.: Integraal sluiten functioneert alleen wanneer u het geheugen voor elke ruit correct hebt ingesteld. Zie Elektrisch bedienbare ruiten (bladzijde 65). Integraal openen (indien aanwezig) E71955 Om alle ruiten te openen: 1. Druk de ontgrendelknop van de afstandsbediening in en laat deze los. 66

71 Ruiten en spiegels 2. Houd de ontgrendelknop van de afstandsbediening minimaal 3 seconden ingedrukt. Druk op de vergrendel- of ontgrendelknop om de openingsfunctie te stoppen. Auto's met sleutelloze toegang Integraal sluiten (indien aanwezig) Auto's zonder sleutelloze toegang WAARSCHUWING Wees voorzichtig bij het gebruiken van de functie voor integraal sluiten. Druk in een noodgeval onmiddellijk op de vergrendel- of ontgrendelknop om te stoppen. E87384 WAARSCHUWING Wees voorzichtig bij het gebruiken van de functie voor integraal sluiten. Raak in een noodgeval de vergrendelsensor van een portierhandgreep aan om te stoppen. E71956 Voor het sluiten van alle ruiten drukt u op de vergrendelknop van de afstandsbediening en houd u deze tenminste drie seconden lang ingedrukt. Druk op de vergrendel- of ontgrendeltoets om de sluitfunctie te stoppen. De anti-inklemfunctie is tevens ingeschakeld tijdens het integraal openen en sluiten. N.B.: Het integraal sluiten kan worden ingeschakeld met behulp van de handgreep op het bestuurdersportier. Integraal openen en sluiten kan ook worden ingeschakeld met de toetsen op de passieve sleutel. Om alle ruiten te sluiten houd u de handgreep op het bestuurdersportier tenminste twee seconden lang ingedrukt. De anti-inklemfunctie is tevens ingeschakeld tijdens het integraal openen en sluiten. BUITENSPIEGELS Elektrisch bedienbare buitenspiegels WAARSCHUWING Verstel de spiegels niet tijdens het rijden. 67

72 Ruiten en spiegels BINNENSPIEGEL E70846 A B C E70847 A B C Spiegel aan linkerzijde. Uit. Spiegel aan rechterzijde. Druk op de pijlen om de spiegel af te stellen. Inklapbare buitenspiegels Druk de spiegel in de richting van de portierruit. Zorg ervoor dat u de spiegel volledig in de steun laat aangrijpen wanneer deze in zijn oorspronkelijke positie wordt teruggezet. Richtingaanwijzers spiegels Het buitenste gedeelte van de desbetreffende spiegelbehuizing knippert wanneer u de richtingaanwijzer aanzet. WAARSCHUWING Verstel de spiegel nooit tijdens het rijden. N.B.: Reinig de behuizing of het spiegelglas niet met agressieve schuurmiddelen, brandstof of andere petroleum- of ammoniakhoudende reinigingsmiddelen. U kunt de binnenspiegel naar wens afstellen. Sommige spiegels hebben een tweede scharnierpunt. Hiermee kunt u de spiegelkop op en neer en heen en weer bewegen. Trek de nok onder de spiegel naar u toe om 's nachts verblinding via de spiegel tegen te gaan. Binnenspiegel met automatische anti-verblindingsstand (indien aanwezig) N.B.: Blokkeer de sensoren aan de voor- en achterzijde van de spiegel niet. De werking van de spiegel kan hierdoor worden beïnvloed. Een passagier of een verhoogde hoofdsteun op de middenstoel achterin kan het licht naar de sensor ook belemmeren. De spiegel dimt automatisch om verblinding via de spiegel door verlichting achter uw auto te voorkomen. Wanneer u de achteruitversnelling selecteert wordt automatisch weer de normale weerspiegeling ingeschakeld om voor goed zicht bij het achteruitrijden te zorgen. Verwarmde buitenspiegels (indien aanwezig) Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 96). 68

73 Ruiten en spiegels ZONNEKLEPPEN Zonnescherm openen en sluiten Verlichte make-up spiegel (indien aanwezig) E Druk op de voorkant van de bediening en laat los om het zonnescherm te openen. Druk op de achterkant van de bediening en laat los om het zonnescherm te sluiten. E Til de afdekking op om de lamp in te schakelen. ZONNEKLEPPEN WAARSCHUWINGEN Laat kinderen niet met de zonneschermen spelen of laat ze niet onbewaakt achter in de auto. Ze kunnen zich ernstig verwonden. Wanneer u het zonnescherm sluit, moet u controleren dat het niet geblokkeerd is en zorgen dat er zich geen kinderen en huisdieren in de buurt van het zonnescherm bevinden. De bediening bevindt zich in de dakconsole. Het zonnescherm kan worden geopend en gesloten met één beweging. Om de beweging te stoppen tijdens bediening, drukt u een tweede keer op de bediening. Inklembeveiliging Het zonnescherm zal automatisch stoppen als het dicht is. De ruit wordt een stukje geopend indien er een obstakel in de weg zit. Zonnescherm instellen WAARSCHUWING De inklembeveiliging is niet actief tijdens deze procedure. Zorg dat er geen hindernissen in de weg van het bewegende zonnescherm zitten. N.B.: U moet het instelproces starten binnen de 30 seconden nadat het contact is aangezet. Als het zonnescherm niet langer correct opent of sluit, volgt u deze procedure om dit in te stellen: 1. Druk twee keer op de voorkant van de bediening naar het eerste actiepunt en laat deze binnen de twee seconden los. 2. Druk twee keer op de achterkant van de bediening naar het eerste actiepunt en laat deze binnen de twee seconden los. 69

74 Ruiten en spiegels 3. Houd de voorkant van de bediening ingedrukt tot het eerste actiepunt, tot het zonnescherm volledig is geopend. 4. Houd de achterkant van de bediening ingedrukt tot het eerste actiepunt, tot het zonnescherm volledig is gesloten. Als u Stap 2 niet binnen de 15 seconden na Stap 1 uitvoert, wordt de instelfunctie beëindigd. Zet het contact uit, wacht 30 seconden en zet het contact daarna weer aan. Start de procedure opnieuw vanaf het begin. Controleer dat de instellingen goed werden uitgevoerd door het zonnescherm te openen en te sluiten. 70

75 Instrumentenpaneel METERS A B C E A B C Informatiedisplay links Snelheidsmeter Informatiedisplay rechts Zie Algemene informatie (bladzijde 218). Informatiedisplay links Kilometerteller Aangebracht aan de onderzijde van de informatiedisplay. Registreert de totale afstand die de auto heeft afgelegd. Brandstofverbruik Zie verderop bij Algemene weergaven. Voor aanvullende menu-opties. Zie Algemene informatie (bladzijde 78). tripcomputer Zie Algemene informatie (bladzijde 78). Instellingen en personalisering van de auto Zie Algemene informatie (bladzijde 78). Informatiedisplay rechts Bladeren voor zuinig rijgedrag Bladeren voor zuinig rijgedrag geven efficiënt rijgedrag op korte termijn aan. Hoe efficiënter u rijdt, hoe meer bladeren op het display worden getoond en hoe beter uw brandstofverbruik. Bladeren verschijnen en verdwijnen af en toe om een wijziging in de efficiëntie van het rijgedrag aan te duiden. N.B.: De bladeren voor zuinig rijgedrag kunnen worden beïnvloed door uw gebruik van de remmen, het gaspedaal en accessoires, maar ook door de omgeving, zoals heuvels en het weer. 71

76 Instrumentenpaneel Algemene weergaven Weergaven van brandstofverbruik: Toont uw gemiddelde en huidige brandstofverbruik op de meeste weergaveschermen. N.B.: U kunt uw gemiddelde brandstofverbruik resetten door de toets OK links op het stuurwiel ingedrukt te houden. Het gemiddelde brandstofverbruik kan niet worden gereset terwijl het scherm MyView geopend is. Gemiddeld brandstofverbruik - Wordt voortdurend berekend vanaf het moment dat dit werd gereset. U kunt uw gemiddelde brandstofverbruik resetten door de toets OK links op het stuurwiel ingedrukt te houden. Voor Energi-modellen is zowel de Hybride modus als de Plug-in Power-modus inbegrepen in de berekening. Huidig brandstofverbruik - Als uw brandstofverbruik op dit moment hoger is dan de weergegeven maximumwaarde, wordt er een + teken weergegeven naast het maximum op de schaal. Wanneer de auto alleen op accuvermogen werkt, wordt EV weergegeven en wordt de meter in het blauw weergegeven. Accumeter: N.B.: Accumeterinformatie kan afzonderlijk aan of uit worden geselecteerd via de accuweergave in het submenu Opties. Vanuit een willekeurig hoofdscherm van het informatiedisplay drukt u op het pijltje naar rechts op het stuurwiel om naar het submenu Opties te gaan. N.B.: Voor Energi-voertuigen zijn er twee versies van de accumeter. Wanneer de auto de Hybride modus gebruikt, wordt de informatie getoond door middel van een eenvoudige accuafbeelding. In de Plug-in Power-modus wordt een uitgebreide accuafbeelding getoond en wordt de weergave uitgebreid met het beschikbare elektrische bereik. De meter van de hoogspanningsaccu wordt aan de rechterkant van de informatieweergave getoond. Hier vindt u Charge Fill (Oplaadstatus), Oplaadhulp and Regeneratieweergave. Charge Fill (Hybride modus) - Het ladingsniveau, oftewel de oplaadstatus, geeft de hoeveelheid energie aan die in de hoogspanningsaccu is opgeslagen als percentage van de totale energiecapaciteit. Het niveau stijgt of daalt naarmate de accu tijdens normaal gebruik oplaadt en ontlaadt. Charge Fill (Energi Plug-Power-modus) - Het ladingsniveau geeft de hoeveelheid energie aan die in de hoogspanningsaccu is opgeslagen die beschikbaar is voor de Plug-in Power-modus. Een volledige vulling komt overeen met de totale energie die u kunt krijgen door extern op te laden (door uw auto op stroom aan te sluiten). Wanneer de vulling leeg is, schakelt uw auto automatisch over op de Hybride modus. N.B.: Charge Fill wordt altijd getoond voor de Plug-in Power-modus, zelfs als Charge Fill niet is geselecteerd onder Accuweergave in het submenu Opties. 72

77 Instrumentenpaneel Elektrisch bereik (Energi Plug-in Power-modus) - De schatting van het elektrische bereik wordt aan de bestuurder aangepast aan de hand van de bestuurderssleutel. De schatting wordt gebaseerd op de hoeveelheid energie die momenteel beschikbaar is in de hoogspanningsaccu en op de hoeveelheid energie die u doorgaans verbruikt tijdens het rijden. Hierbij wordt rekening gehouden met uw rijgedrag en uw gebruik van accessoires zoals de klimaatregeling. De hoeveelheid beschikbare accuenergie verwijst naar de energie die werd gewonnen toen de accu was aangesloten. Oplaadhulp - De pijlen omhoog en omlaag geven informatie over de energie die in en uit de hoogspanningsaccu stroomt. De pijl omhoog boven de accu geeft aan dat de accu wordt opgeladen, bijvoorbeeld door regeneratief remmen. De pijl omlaag onder de accu wijst erop dat de accu aan het ontladen is, om vermogen te leveren voor de aandrijving of voor autoaccessoires. Regeneratieweergave - Wanneer u het rempedaal intrapt, verschijnt het symbool van een ronde pijl in het midden van de accumeter wanneer energie wordt teruggewonnen door het regeneratieve remsysteem. Brandstofmeter: De brandstofmeter geeft aan hoe veel brandstof er ongeveer in de brandstoftank resteert. De brandstofmeter kan licht afwijken wanneer uw auto op een helling rijdt. De pijl naast het symbool van de brandstofpomp duidt aan, aan welke zijde van uw auto zich de brandstofvulklep bevindt. Remcoachweergave: De remcoach verschijnt nadat uw auto tot stilstand is gekomen. De coach traint u om dusdanig te remmen dat een maximale hoeveelheid energie wordt teruggewonnen door het regeneratieve remsysteem. Het weergegeven percentage is een indicatie van hoe efficiënt het regeneratieve remmen verloopt, waarbij 100% de maximale hoeveelheid herwonnen energie vertegenwoordigt. Tripoverzicht: Het tripoverzicht wordt getoond nadat u uw auto uit hebt gezet. De gegevens worden berekend voor de laatste aan/uit-cyclus. Afstand - De totale afgelegde afstand, afstand afgelegd op alleen accuvermogen (EV-afstand) en remrecuperatieafstand worden weergegeven. Remrecuperatieafstand is het geschatte extra bereik op energie die met regeneratief remmen is teruggewonnen. Brandstofverbruik - Het gemiddelde brandstofverbruik en de totale hoeveelheid verbruikte brandstof worden weergegeven. Daarnaast wordt voor Energi de totale hoeveelheid energie getoond die werd verbruikt in de Plug-in Power-modus, in kilowattuur (kwh). Remscore - Het gemiddelde percentage remenergie dat is teruggewonnen en geretourneerd naar de hoogspanningsaccu door middel van regeneratief remmen. 73

78 Instrumentenpaneel WAARSCHUWINGS- EN INDICATIELAMPEN De volgende waarschuwings- en controlelampen waarschuwen u voor storingen met mogelijk ernstige gevolgen. Sommige lampen branden als u de motor start om aan te geven dat ze werken. Als één van de lampen na het starten aanblijft, lees dan de tekst over de betreffende waarschuwingslamp voor nadere informatie. N.B.: Sommige waarschuwingen verschijnen op het informatiedisplay en werken op dezelfde manier als een waarschuwingslamp, maar verschijnen niet als u start. Antiblokkeersysteem Als deze onder het rijden brandt, wijst dit op een storing. U beschikt nog steeds over het normale remvermogen (maar zonder antiblokkeerfunctie), tenzij de waarschuwingslamp van het remsysteem ook brandt. Laat het systeem controleren door een erkende dealer. Accu Als deze onder het rijden brandt, wijst dit op een storing. Schakel alle onnodige elektrische apparatuur uit en laat het systeem onmiddellijk controleren door een erkende dealer. Remsysteem E Gaat branden als u de handrem aantrekt terwijl het contact aanstaat. Als deze onder het rijden brandt, kijk dan of de handrem nog is aangetrokken. Als de handrem is losgezet, dan wijst dit op een te laag remvloeistofpeil of een storing in het remsysteem. Laat het systeem onmiddellijk controleren door een erkende dealer. WAARSCHUWING Rijden met een brandende waarschuwingslamp is gevaarlijk. De remwerking kan aanzienlijk verminderd zijn. Het duurt langer voor de auto stilstaat. Laat uw auto onmiddellijk door een erkende dealer controleren. Als u langere afstanden met een aangetrokken handrem rijdt, kunnen de remmen defect raken, wat letsel kan veroorzaken. Snelheidsregeling (indien aanwezig) E71340 Brandt als u deze functie inschakelt. Richtingaanwijzer Brandt als u de linker of rechter richtingaanwijzer of de alarmlichten aanzet. Als de lampjes aanblijven of sneller knipperen, kijk dan of een gloeilamp is doorgebrand. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 197). Portier open Brandt als een portier niet goed dicht is nadat u het contact hebt aanzet. 74

79 Instrumentenpaneel Koelvloeistoftemperatuur benzine- en elektromotor Brandt als de koelvloeistof van de benzine- of elektromotor te heet is. Stop zodra dit veilig kan, zet de benzinemotor uit en laat de auto afkoelen. Motorolie Als deze bij een draaiende benzinemotor of onder het rijden brandt, wijst dit op een storing. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en schakel de benzinemotor uit. Controleer het motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 186). N.B.: Rijd niet verder als de lamp nog brandt hoewel het peil correct is. Laat het systeem onmiddellijk controleren door een erkende dealer. EV Now E EV Later E Brandt als u deze functie kiest. Zie Hybride elektrische auto (bladzijde 111). Brandt als u deze functie kiest. Zie Hybride elektrische auto (bladzijde 111). Veiligheidsgordel vastmaken Deze brandt en u hoort een geluidssignaal als herinnering dat u uw gordel moet omdoen. Zie Herinnering veiligheidsgordel (bladzijde 26). Airbag voor Als deze niet brandt als u de auto start of als de lamp knippert of aanblijft, dan wijst dit op een storing. Laat het systeem controleren door een erkende dealer. Mistlampen voor (indien aanwezig) Grootlicht Brandt als u de voorste mistlampen aanzet. Brandt als u het grootlicht aanzet. Knippert als u een lichtsignaal geeft. Achterklep open E Brandt als de achterklep nog niet goed dicht is. Accuspanning laag (indien aanwezig) Brandt als het oplaadniveau van de accu laag is. Er verschijnt E wellicht ook een bericht met het voorstel de klimaatregeling minder te gebruiken. Laag brandstofpeil Brandt bij een laag brandstofpeil of als de tank bijna leeg is. Ga zo snel mogelijk tanken. Overdrive-uitschakeling en bergrem (indien aanwezig) E Brandt als de hoogste versnelling wordt uitgeschakeld en de bergrem actief wordt. 75

80 Instrumentenpaneel Stadslichten Brandt als u het stadslicht aanzet. Aandrijflijn storing Brandt als het systeem een fout in de aandrijflijn of hoogspanningslaadsysteem herkent. Als de lamp aanblijft of steeds weer oplicht, neem dan zo snel mogelijk contact op met een erkende dealer. N.B.: Als uw auto bepaalde storingen herkent, laat hij niet meer toe dat u het gaspedaal intrapt. Trap in dat geval het rempedaal in en laat het weer los. Hierdoor gaat de auto naar de noodloop. In de noodloop accelereert uw auto op een gecontroleerde manier tot een topsnelheid van 35 mph (56 km/h) op een vlakke weg. Als u het rempedaal intrapt of de transmissie in neutraal (N) zet, kunt u de acceleratie onderbreken. Ready to Drive Brandt als u de auto aanzet en deze klaar voor vertrek is. U ziet E wellicht dezelfde tekst op het informatiedisplay. Controlelamp mistachterlicht Brandt als u de mistachterlichten aanzet. Motorstoringslamp Als de motorstoringslamp brandt nadat u de benzinemotor start, heeft het on-board diagnosesysteem (OBD) een storing in het emissieregelsysteem gevonden. Lees de paragraaf over de on-board diagnose (OBD) in het hoofdstuk over brandstof en tanken voor nadere informatie over het repareren van uw auto. Zie Emissieregeling (bladzijde 126). Als de lamp knippert, slaat de benzinemotor over, wat schade aan uw katalysator kan veroorzaken. Rijd rustig (vermijd snel optrekken en hard afremmen) en laat uw auto onmiddellijk repareren door een erkende dealer. N.B.: Als de benzinemotor bij hoge uitlaattemperaturen overslaat, kan schade aan de katalysator of andere delen van de auto ontstaan. De motorstoringslamp brandt als u het contact aanzet voor u start om het lampje te controleren en om te laten zien of de auto klaar is om de inspectie en het onderhoud te testen. Normaal gesproken blijft de motorstoringslamp aan tot u de motor start, waarna hij vanzelf dooft als geen storing aanwezig zijn. Maar als de motorstoringslamp na 15 seconden 8 maal knippert, dan is de auto niet klaar om de inspectie en het onderhoud te testen. Zie Emissieregeling (bladzijde 126). Stabiliteitsregeling Brandt als het systeem actief is. Als de lamp aanblijft of niet E brandt als u het contact aanzet, dan wijst dit op een storing. Bij storingen wordt het systeem uitgeschakeld. Laat het systeem onmiddellijk controleren door een erkende dealer. Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling (bladzijde 144). 76

81 Instrumentenpaneel Stabiliteitsregeling Uit Brandt als u het systeem uitzet. De lamp dooft als u het systeem weer aanzet of als u het contact uitzet. Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling (bladzijde 144). Veilig stoppen Wijst op een defect elektrisch onderdeel of een storing E waardoor de auto wordt uitgeschakeld of naar een beperkte gebruiksmodus gaat. Er kan ook een bericht verschijnen. Auto aan stopcontact (indien aanwezig) Brandt als u uw auto op het stopcontact aansluit. Na een E startpoging ziet u wellicht dezelfde tekst. AKOESTISCHE WAARSCHUWINGSSIGNALEN EN -INDICATIES Waarschuwingstoon sleutel in contactslot Weerklinkt als het bestuurdersportier wordt geopend en de sleutel in het contact steekt in de stand OFF of ACC. Waarschuwingstoon motor aan Er klinkt een waarschuwingssignaal wanneer er een portier geopend wordt als de auto een relatief lage snelheid overschrijdt. Waarschuwingsmelding voor sleutelloze systemen (indien aanwezig) De claxon weerklinkt tweemaal wanneer u de auto verlaat en de sleutelloze auto nog AAN staat, om aan te geven dat de motor nog draait. Waarschuwingstoon koplampen aan Weerklinkt als u de sleutel uit het contact verwijdert en het bestuurdersportier opent, terwijl de koplampen of de parkeerverlichting ingeschakeld zijn. Waarschuwingstoon parkeerrem aan Weerklinkt als de handrem is ingeschakeld en als u met de auto rijdt. Indien het waarschuwingssignaal weerklinkt nadat u de handrem hebt uitgeschakeld, laat u het systeem onmiddellijk controleren door uw erkende dealer. Waarschuwingstoon automatische transmissie Weerklinkt als u de keuzehendel van de transmissie niet in de stand P hebt gezet. In het display wordt een bericht weergegeven. 77

82 Infodisplays ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWING Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af en adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen. Zorg dat u zich bewust bent van alle nationale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparaten tijdens het rijden. U kunt verschillende systemen van uw auto bedienen met behulp van de bedieningstoetsen voor het informatiedisplay op het stuurwiel. De bijbehorende informatie verschijnt op het informatiedisplay. Bedieningstoetsen informatiedisplay links Druk op de pijltoetsen omhoog en omlaag om door de opties in het menu te scrollen en deze te selecteren. Druk op de rechter pijltoets om een submenu op te vragen. Druk op de linker pijltoets om een menu te verlaten. Houd telkens de linker pijltoets ingedrukt wanneer u naar het hoofdmenu wilt terugkeren (escape toets). Druk op de OK toets om een keuze te maken en instellingen of berichten te bevestigen. Hoofdmenu Vanaf de hoofdmenubalk aan de linkerzijde van het informatiedisplay kunt u kiezen uit de volgende categorieën: E E E tripcomputer Informatie Instellingen Ga omhoog of omlaag om één van de categorieën te markeren en druk dan op de pijltoets naar rechts of OK om die categorie te openen. Druk indien nodig op de pijltoets naar links om terug te gaan naar het hoofdmenu. E tripcomputer Gebruik de pijltoetsen omhoog of omlaag om een keuze te E maken uit de volgende weergaveopties. N.B.: Het instrumentenpaneel onthoudt de status van menuniveau 2 wanneer u de contactstatus van AAN naar UIT zet. 78

83 Infodisplays Weergave/Trip Menuniveau 2 Menuniveau 3 Menuniveau 4 Menuniveau 5 Inschakelen (Gesplitst vermogen + Gem. brandstofverbruik + Accumeter + Brandstofmeter) Help Aanzetten (Vermogen (met drempel motor aan/ uit) + Gem. brandstofverbruik + Accumeter + Brandstofmeter) Help MyView (MyView + Accumeter + Brandstofmeter) MyView wijzigen Bereik; Bereik; Ø-verbruik Ø-verbruik Gesplitst vermogen Brandstofverbruik van het moment Vermogen + Drempel Koelvloeistoftemp. Toerental x Gem. brandstof Accessoirevoeding Accessoirevoeding Boordcomputer 1 Boordcomputer 1 Boordcomputer 2 Boordcomputer 2 Brandstofhistoriek Brandstofhistoriek Coach Coach Blanco Blanco 79

84 Infodisplays Weergave/Trip Help Energieverbruik (alleen Energi) Auto EV (verbruiksmeter + meter vermogen klimaatregeling + accumeter + brandstofmeter) EV Now (verbruiksmeter met budgetmeter + meter vermogen klimaatregeling + motor inschakelen + accumeter + brandstofmeter) EV Later (verbruiksmeter + meter vermogen klimaatregeling + accumeter + brandstofmeter) Help Boordcomputer 1 en 2: dagteller + accumeter + brandstofmeter Help Inschakelen Inschakelen biedt aparte meters voor motorvermogen en vermogen van de hoogspanningsaccu in kilowatt (kw). De meter voor motorvermogen wordt wit gevuld en de meter voor vermogen van de hoogspanningsaccu wordt blauw gevuld. U kunt ook de meter met het brandstofverbruik op dit moment bekijken. Wanneer uw auto alleen op accuvermogen werkt, wordt EV weergegeven en verschijnen de meters in het blauw. Aanzetten Aanzetten biedt een meter met het gevraagde vermogen in kilowatt (kw), inclusief een drempelwaarde voor motor aan of uit. Wanneer uw auto alleen op accuvermogen werkt (onder de drempelwaarde), wordt EV weergegeven en wordt de meter blauw gevuld. Wanneer uw auto zowel op vermogen van de motor als van de hoogspanningsaccu werkt, wordt de meter wit gevuld. 80

85 Infodisplays Wanneer er meer vermogen gevraagd wordt dan de oranje indicator, wordt dit gevraagde vermogen en het gekoppelde brandstofverbruik in het oranje weergegeven. Wanneer de motor werkt, kan de motor worden uitgeschakeld als u minder vermogen vraagt dan de drempelwaarde. U kunt ook de meter met het brandstofverbruik op dit moment bekijken. N.B.: U kunt uw gemiddelde brandstofverbruik resetten door de toets OK links op het stuurwiel ingedrukt te houden. MyView U kunt kiezen wat u in deze weergave wilt tonen. Als u MyView wijzigen in het optiemenu selecteert, kunt u door twee kolommen met keuzemogelijkheden voor inhoud bladeren. Druk op de pijl omhoog of omlaag om de inhoud te bekijken. Druk op OK om uw geselecteerde inhoud op te slaan. U moet inhoud in beide kolommen selecteren voordat u uw nieuwe MyView kunt opslaan. Unieke inhoud die beschikbaar is in MyView: Voertuigbereik (alleen voor Energi) duidt de geschatte afstand aan die u met de auto kunt rijden met de energie die momenteel aanwezig is. Geeft het beschikbare bereik in Hybride modus apart weer voor aandrijving op benzine, elektrisch bereik beschikbaar in Plug-in Power-modus en totaal bereik. Totaal bereik wordt ook weergegeven onderaan op het informatiedisplay rechts. De waarden kunnen variëren naarmate de rijomstandigheden en het gebruik van de klimaatregeling veranderen. Accessoirevoeding duidt de elektriciteitsvraag van de accessoiresystemen van uw auto aan. Accessoires verbruiken vermogen maar dragen niet bij tot de aandrijving van uw auto. De meter geeft de elektriciteitsvraag in kilowatt (kw) voor de klimaatregeling en andere accessoires apart aan.klimaatregeling omvat de stroom die wordt verbruikt door de componenten voor klimaatregeling met hoogspanning, zoals de elektrische aircocompressor en de elektrische verwarming (alleen Energi).Overige omvat alle stroom die wordt verbruikt door de accessoires met laagspanning (ventilator voor het interieur, koplampen of stoelverwarming). Koelvloeistoftemperatuur duidt de temperatuur van de motorkoelvloeistof aan. Bij normale bedrijfstemperatuur is de niveau-indicatie wit en ligt deze binnen het normale bereik (tussen H en C). Wanneer de motorkoelvloeistoftemperatuur het normale bereik overschrijdt, wordt de niveau-indicator rood om aan te duiden dat de motor oververhit is. Stop zodra dit veilig kan, zet het contact uit en laat de motor afkoelen. 81

86 Infodisplays Toerental x 1000 wanneer de benzinemotor draait, geeft de toerenteller het motortoerental in omwentelingen per minuut (TPM) weer. Wanneer uw auto alleen op accuvermogen werkt en de motor uit is, wordt EV weergegeven en wordt de toerenteller in het grijs weergegeven. N.B.: U kunt de dagteller en het gemiddelde brandstofverbruik niet resetten in MyView. Energieverbruik (alleen Energi) Energieverbruik geeft een schatting van het beschikbare elektrische bereik, een meter met het energieverbruik en een meter met het verbruik van de klimaatregeling en bovendien ook het brandstofpeil en de accuweergave. Als u EV Now selecteert, wordt dit scherm automatisch weergegeven. U kunt op OK drukken om de motor te starten wanneer u dit scherm bekijkt tijdens EV Now. Zie Hybride elektrische auto (bladzijde 111). Elektrisch bereik: Het elektrische bereik is een schatting van de afstand die u kunt afleggen in Plug-in Power-modus met de motor uit. Dit is gebaseerd op de hoeveelheid energie die beschikbaar is in de hoogspanningsaccu en uw gemiddelde energieverbruik tijdens het rijden. De hoeveelheid energie in de accu verwijst naar de energie die werd gewonnen toen de accu was aangesloten. Het energieverbruik wordt beïnvloed door: zacht of agressief accelereren of remmen. uw rijsnelheid. uw gebruik van accessoires zoals klimaatregeling. de omgevingstemperatuur en andere weersomstandigheden. rijden in de stad of op de snelweg. hellingen op de weg. N.B.: Het is normaal dat de schatting van uw elektrisch bereik varieert bij elke oplaadbeurt, omwille van veranderingen in het gemiddeld energieverbruik. Energieverbruikmeter: Uw huidige energieverbruik is de witte lijn die in de meter op en neer beweegt. Een hogere lijn betekent dat u meer energie verbruikt (lager is beter). Uw energieverbruik is gebaseerd op de ingangssignalen van het gaspedaal en de accessoires, zoals de klimaatregeling. Wanneer u in EV Now werkt, verschijnt er een blauwe kom rond de meter. Dit stelt het maximale energieverbruik weer dat u kunt behouden om het geschatte elektrisch bereik te verkrijgen toen EV Now-modus van start ging. Houd uw huidige energieverbruik grotendeels binnen de kom tijdens het rijden, dan zou u het geschatte elektrische bereik moeten verkrijgen. Meter klimaatregeling: Duidt de elektrische hoogspanning aan die de componenten voor klimaatregeling met hoogspanning vragen, zoals de elektrische aircocompressor en de elektrische verwarming. Deze componenten verbruiken vermogen maar dragen niet bij tot de aandrijving van uw auto. De meter geeft het gevraagde vermogen in kilowatt (kw) weer. Boordcomputer 1 en 2 Geeft de dagteller, het gemiddelde brandstofverbruik en de rijtijd weer. Afstand afgelegd op alleen accuvermogen met de motor uit verschijnt in het blauw naast de totale afstand van de rit. 82

87 Infodisplays Voor Energi-modellen verschijnt de totale verbruikte energie in kilowatt uur (kwh) in het blauw naast het gemiddelde brandstofverbruik van de rit. Informatie In deze modus kunt u de informatie van de verschillende E voertuigsystemen bekijken en een systeemcontrole uitvoeren. Informatie Help MyKey Systeemcontr. Geeft diverse instructies voor het systeem weer. Gebruik de pijltoetsen omhoog/omlaag om door de instructies te gaan. Druk dan op OK om ze te bekijken. MyKeys (aantal geprogrammeerde MyKeys) MyKey mijl (km) (afstand afgelegd met gebruik van een geprogrammeerde MyKey) Admin-sleutels (aantal admin-sleutels) Indien van toepassing worden eerst alle actieve waarschuwingen weergegeven. Het menu System Check kan afwijken op basis van uitrustingsopties en actuele voertuigstatus. Gebruik de pijltoetsen omhoog/omlaag om door de lijst te gaan. Instellingen In deze modus kunt u de verschillende E keuzemogelijkheden voor bestuurdersinstellingen configureren. N.B.: Sommige items zijn optioneel en verschijnen wellicht niet. N.B.: Sommige items voor MyKey verschijnen alleen als er een MyKey is ingesteld. Instellingen Menuniveau 2 Menuniveau 3 Menuniveau 4 Menuniveau 5 Menuniveau 6 Bestuurd. ass. Tractiecontrole Aan of Uit ECO-cruise Aan of Uit Hellingstart Aan of Uit EV + modus Aan of Uit 83

88 Infodisplays Parkeerhulp achter Aan of Uit Instellingen Voertuig Verlichting Regen-/lichtsensor Aan of Uit Dagrijlichten Aan of Uit Uitstaplicht Selecteer tijdsinterval. Bandenreparatieset Selecteer aantal jaar MyKey Maak MyKey Houd OK ingedrukt om MyKey te maken Tractiecontrole Steeds aan of te selecteren door de gebruiker Max.snelheid Kies gewenste snelheid of uit Snelheidswaarsch. Kies gewenste snelheid of uit Volumebegrenzer Aan of Uit MyKeys wissen Houd OK ingedrukt om alle MyKeys te wissen Weergeven Taal Selecteer de gewenste taal Afstand Maateenheden Temperatuureenheid Selecteer de gewenste maateenheden. Fahrenheit ( F) of Celsius ( C) Remcoach Aan of Uit 84

89 Infodisplays Regen. actief Oplaadhulp Rijhistoriek Aan of Uit Aan of Uit Instellingen Houd OK ingedrukt om te resetten Bedieningstoetsen informatiedisplay rechts Druk op de linker pijltoets om een menu te verlaten. Druk op de toets OK om te kiezen en uw keuze te bevestigen. Hoofdmenu Vanaf de hoofdmenubalk aan de rechterzijde van het informatiedisplay kunt u kiezen uit de volgende categorieën: Entertainment Zie Algemene informatie (bladzijde 223). E Druk op de pijltoetsen omhoog en omlaag om door de opties in het menu te scrollen en deze te selecteren. Druk op de rechter pijltoets om een submenu op te vragen. Telefoon Zie Algemene informatie (bladzijde 223). Navigatie of kompas Zie Algemene informatie (bladzijde 223). Brandstofverbruik Gebruik de pijltoetsen omhoog of omlaag om een keuze te maken uit de volgende weergaveopties. N.B.: Het informatiedisplay onthoudt de status van menuniveau 2 wanneer u de individuele contactstatus van AAN naar UIT zet. 85

90 Infodisplays Brandstofverbruik Menuniveau 2 Menuniveau 3 Menuniveau 4 Menuniveau 5 Bladeren zuinig rijgedrag Help Brandstofhistoriek (Huidig brandstofverbruik + Historiek brandstofverbruik + Gem. brandstofverbruik) Duur Help 5, 10 of 30 minuten Coach Help Bladeren zuinig rijgedrag Bladeren voor zuinig rijgedrag wijzen op efficiënt rijgedrag op korte termijn, gemeten gedurende de voorbije minuten. Hoe efficiënter u rijdt, hoe meer bladeren er verschijnen op het display. Bladeren verschijnen en verdwijnen af en toe om een wijziging in uw efficiënt rijgedrag aan te duiden. Brandstofhistoriek Van links naar rechts omvat deze weergave een meter voor brandstofverbruik op dit moment, gegevens over historisch brandstofverbruik en gemiddeld brandstofverbruik. De historische gegevens zijn een gemiddelde over een periode van 1, 2 of 6 minuten, waarbij het interval uiterst links het recentste is. Onderaan wordt de totale duur van de vijf intervallen weergegeven. U kunt de totale duur selecteren in het optiemenu. Intervallen die in het grijs worden weergegeven, komen van de vorige rit. De blauwe horizontale lijn stelt de waarde van het gemiddelde brandstofverbruik weer dat rechts wordt weergegeven. N.B.: Houd OK ingedrukt om het gemiddelde brandstofverbruik te resetten. Coach Deze weergave toont een vergelijking van uw recente acceleratie-, rem- en rijgedrag en beveelt dan het meest efficiënte gebruik van energie in de huidige omstandigheden aan. De horizontale balken worden van links naar rechts gevuld met het beste gedrag en verschijnen in het blauw wanneer ze minstens voor de helft gevuld zijn. Wanneer de balken minder dan voor de helft gevuld zijn, is de kleur oranje om aan te geven dat voor een efficiënter energieverbruik ander rijgedrag nodig is. N.B.: Het gebruik van de remmen, het gaspedaal en accessoires, maar ook de omgeving, zoals heuvels en het weer, hebben een invloed op het brandstofverbruik. N.B.: Brandstofverbruik is niet altijd een goede maatstaf voor het beste rijgedrag. Wanneer u bijvoorbeeld een helling op rijdt en een overeenkomstige snelheid aanhoudt, is uw brandstofverbruik wellicht niet goed (u verliest bladeren) maar kan er in de Coach een blauwe balk worden weergegeven voor Acceleratie en Rijden. 86

91 Infodisplays Algemene weergaven Zowel het gemiddeld brandstofverbruik en een meter voor brandstofverbruik op dit moment zijn beschikbaar in Inschakelen, Aanzetten en MyView (indien geselecteerd) op het informatiedisplay links. Ze worden ook weergegeven in Brandstofhistoriek op het informatiedisplay rechts. Gemiddeld brandstofverbruik Gemiddeld brandstofverbruik wordt voortdurend berekend vanaf het moment dat dit werd gereset. U kunt uw gemiddelde brandstofverbruik resetten door de toets OK op het stuurwiel ingedrukt te houden. Voor Energi-modellen is zowel de Hybride modus als de Plug-in Power-modus inbegrepen in de berekening. N.B.: Het gemiddelde brandstofverbruik kan niet worden gereset in MyView. Brandstofverbruik op dit moment Als uw brandstofverbruik op dit moment hoger is dan de weergegeven maximumwaarde, wordt er een + teken weergegeven naast het maximum op de schaal. Wanneer uw auto alleen op accuvermogen werkt, wordt EV weergegeven en wordt de meter in het blauw weergegeven. AdvanceTrac INFOBERICHTEN N.B.: Afhankelijk van de opties op uw auto is het mogelijk dat niet alle berichten worden weergegeven of beschikbaar zijn. Afhankelijk van het type instrumentenpaneel kunnen bepaalde berichten worden afgekort of ingekort. E Druk op de toets OK om te bevestigen en om sommige berichten van het informatiedisplay te verwijderen. Andere berichten verdwijnen na korte tijd automatisch. U moet bepaalde berichten bevestigen voordat u de menu's kunt openen. Mededeling Onderhoud Advance- Trac Actie Verschijnt als het systeem een storing heeft herkend die verholpen moet worden. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een erkende dealer. 87

92 Infodisplays Alarm Mededeling Start auto om alarm te stoppen Actie Verschijnt als het alarm is afgegaan na onbevoegde toegang tot de auto. Zie Antidiefstalsysteem (bladzijde 51). Accu en laadsysteem (hoogspanning) Mededeling Auto aan stopcontact? Ready to Drive Trek de stekker eruit voor u start EV Now niet beschikbaar Druk op OK om benzinemotor te starten EV Now op accu EV Later XX% stroomreserve Auto EV normale werking Motor gestart vanwege ontdooien Motor gestart vanwege systeemprestaties Actie Er is bevestiging nodig dat uw auto is afgekoppeld om te kunnen starten. Zorg dat uw auto niet meer aan het stopcontact hangt en beantwoord de vraag voor u uw voertuig start. Uw auto is klaar om te rijden. Uw auto herkent een nog aangesloten stekker terwijl u probeert te starten. EV Now is niet beschikbaar. U kunt op OK drukken om tijdelijk de benzinemotor te starten voor meer vermogen als u in de EV Now-modus zit. U hebt de EV Now-modus gekozen met de EV-toets. U hebt de EV Later-modus gekozen met de EV-toets. U hebt de Auto EV-modus gekozen met de EV-toets. Uw auto start de benzinemotor omdat de klimaatregeling op ontdooien staat. Dit is normaal. Uw auto start de benzinemotor om het systeem beter te laten werken. Dit is normaal. Portieren Mededeling X Portier open Achterklep open Actie Geeft aan welke portieren onder het rijden nog niet goed dicht zijn. Geeft aan welke portieren nog niet goed dicht zijn. Geeft aan dat de achterklep nog niet goed dicht is. 88

93 Infodisplays Brandstof Mededeling Brandstofpeil laag Versheid brandstof Tankklep gaat open Tankklep is open Sluit tankklep Tankfout, zie handleiding Actie Een vroege waarschuwing voor een laag brandstofpeil. EV-functie is uitgeschakeld en benzinemotor loopt om brandstof vers te houden. Zie Brandstofkwaliteit (bladzijde 119). Wacht 15 seconden om druk van het brandstofsysteem te laten. Brandstofsysteem heeft druk afgelaten en u kunt nu tanken. Herinnering dat u de tankklep moet sluiten. Er is een fout opgetreden toen u probeerde te tanken. Hill Start Assist Mededeling Hellingstart niet beschikbaar Hellingstart actief Hellingstart UIT Actie Verschijnt als de Hill Start Assist niet werkt. Neem contact op met een erkende dealer. Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 140). Verschijnt als de Hill Start Assist actief is. Verschijnt als de Hill Start Assist uit is. Sleutels en intelligente toegang Mededeling Storing startsysteem Sleutel in auto Sleutel buiten auto Geen sleutel herkend Actie Deze mededeling verschijnt als het startsysteem van uw auto een storing heeft. Neem contact op met een erkende dealer voor een reparatie. Verschijnt als herinnering dat de sleutel in de bagageruimte ligt. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 107). Verschijnt als het systeem geen sleutel herkent. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 107). Verschijnt als het systeem geen sleutel herkent. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 107). 89

94 Infodisplays Mededeling Herstart nu of sleutel nodig Accessoirevoeding actief Rem indrukken om te starten Rem indrukken + startknop Steek sleutel in gleuf Sleutel geprogrammeerd x sleutels totaal Max. aantal sleutels ingeleerd Kon sleutelkop niet programmeren Actie Verschijnt als u de startknop indrukt om de motor af te zetten terwijl het systeem geen intelligente toegangssleutel in de auto herkent. Verschijnt als het contactslot in de accessoire-stand staat. Verschijnt als herinnering dat u de rem moet intrappen om de auto te starten. Verschijnt als herinnering dat u de rem moet intrappen en de startknop indrukken om te starten. Verschijnt zo nodig om het systeem goed te laten werken. Verschijnt als u reservesleutels programmeert met een geprogrammeerde intelligente toegangssleutel. Verschijnt bij het programmeren als u het maximale aantal sleutels hebt geprogrammeerd. Verschijnt als u een reservesleutel met twee bestaande MyKeys probeert te programmeren. Onderhoud Mededeling Motoroliedruk LAAG Motorolie binnenkort verversen Motorolie verversen Remvloeistofpeil LAAG Controleer remsysteem Koelvloeistof benzinemotor oververhit Actie Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en zet de motor uit. Controleer het oliepeil. Als de waarschuwing aanblijft of steeds terugkeert als de motor loopt, neem dan zo snel mogelijk contact op met een erkende dealer. Verschijnt als de levensduur van de motorolie 10% of minder is. Zie Motorolie controleren (bladzijde 186). Verschijnt als de levensduur van de motorolie 0% is. Zie Motorolie controleren (bladzijde 186). Geeft aan dat het remvloeistofpeil te laag is en het remsysteem onmiddellijk gecontroleerd moet worden. Zie Remvloeistof controleren (bladzijde 191). Verschijnt als het remsysteem gerepareerd moet worden. Stop uw auto op een veilige plek. Neem contact op met een erkende dealer. Verschijnt als de koelvloeistof van de benzinemotor te heet is. 90

95 Infodisplays Mededeling Koelvloeistof elektromotor oververhit Onderhoud bandenreparatieset Zie handboek Motor aan wegens beperkt gebruik Normale werking Actie Verschijnt als de koelvloeistof van de elektromotor te heet is. Verschijnt als de set gerepareerd moet worden. Neem contact op met een erkende dealer. Geeft aan dat de aandrijflijn vanwege een storing gerepareerd moet worden. Verschijnt in de EV-modus als de benzinemotor loopt om de brandstof vers te houden. Zie Hybride elektrische auto (bladzijde 111). MyKey Mededeling MyKey niet aangemaakt MyKey actief Veilig rijden Dichtbij max. snelheid Voertuig op max. snelheid MyKey Contr. snelheid Veilig rijden Gordel om Schak. radio in Tractiecontrole aan - MyKey instelling MyKey P. Pilot uitsch. niet mogelijk Actie Verschijnt bij het sleutel programmeren als geen MyKey geprogrammeerd kan worden. Verschijnt als MyKey actief is. Verschijnt als u een MyKey met ingeschakelde snelheidsbegrenzing gebruikt en de auto bijna 80 mph (130 km/h) rijdt. Verschijnt als u een MyKey gebruikt en de maximumsnelheid van de MyKey bereikt. Verschijnt als MyKey actief is. Verschijnt als u een MyKey gebruikt en de gordelverklikker actief is. Verschijnt als u een MyKey gebruikt en de tractieregeling actief is. Verschijnt als u een MyKey gebruikt en de parkeerhulp actief is. 91

96 Infodisplays Parkeerhulp Mededeling Controleer P. Pilot P. Pilot achter Aan Uit Controleer P. Pilot achter Controleer P. Pilot voor P. Pilot storing Actie Verschijnt als het systeem een storing heeft herkend die verholpen moet worden. Neem contact op met een erkende dealer. Zie Parkeerhulp (bladzijde 145). Geeft status van de parkeerhulp achter aan. Verschijnt als het systeem een storing heeft herkend die verholpen moet worden. Zie Parkeerhulp (bladzijde 145). Verschijnt als het systeem een storing heeft herkend die verholpen moet worden. Zie Parkeerhulp (bladzijde 145). Verschijnt als het systeem een storing heeft herkend die verholpen moet worden. Neem contact op met een erkende dealer. Zie Parkeerhulp (bladzijde 145). Handrem Mededeling Handrem aangetrokken Actie Verschijnt als u de handrem aantrekt, de benzinemotor loopt en de auto harder rijdt dan 3 mph (5 km/h). Blijft de waarschuwing aan als u de handrem loszet, neem dan contact op met een erkende dealer. Stuurbekrachtiging Mededeling Stuurbekrachtiging storing onderhoud nu Besturing storing Veilig stoppen Actie Stuurbekrachtiging heeft een storing herkend die verholpen moet worden. Neem contact op met een erkende dealer. Het stuurbekrachtigingssysteem werkt niet. Stop uw auto op een veilige plek. Neem contact op met een erkende dealer. Transmissie Mededeling Schakel naar P Actie Verschijnt als herinnering dat u P-stand moet inschakelen. 92

97 Klimaatregeling AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING A B C D E E J I H G F A B C D E F G H AUTO: Druk op de toets om de automatische werking te selecteren. Het systeem regelt de temperatuur, de hoeveelheid en de verdeling van de luchtstroom om de eerder geselecteerde temperatuur te bereiken en behouden. Aanjagersnelheid: Regelt de hoeveelheid lucht die in de auto circuleert. Druk op de toetsen voor de gewenste aanjagersnelheid. De instelling wordt op het display weergegeven. Aan/uit-toets: Druk op de toets om het systeem in en uit te schakelen. MAX Defrost: Druk op de toets om de buitenlucht via de luchtroosters bij de voorruit te verdelen. De airconditioning wordt automatisch ingeschakeld. De ventilator staat op de hoogste stand en de temperatuur staat op HI. Als de luchtverdeling in deze stand staat, kunt u luchtrecirculatie niet selecteren en kunt u de temperatuurregeling niet handmatig aanpassen. Druk op de AUTO toets om naar de auto modus terug te keren. MAX A/C: Druk op de toets om maximale airconditioning via de luchtroosters in het dashboard te verdelen. Deze stand is zuiniger en efficiënter dan normale airconditioning. Luchtrecirculatie: Druk op de toets om te kiezen tussen toevoer van buitenlucht en gerecirculeerde lucht. De lucht in het passagierscompartiment wordt gerecirculeerd. Hierdoor kan het koelen van het interieur minder lang duren en kunnen ongewenste geuren van buiten verminderd worden. Ontwasemen: Druk op de toets om de lucht via de luchtroosters bij de voorruit te verdelen. U kunt deze instelling ook gebruiken om de voorruit te ontwasemen of van een dun laagje ijs te ontdoen. Dashboard: Druk op de toets om de lucht via de luchtroosters in het dashboard te verdelen. 93

98 Klimaatregeling I J Beenruimte: Druk op de toets om de lucht via de luchtroosters bij de beenruimte te verdelen. Airconditioning: Druk op toets om de airconditioning in of uit te schakelen. De airconditioning koelt uw auto met buitenlucht. Ter verbetering van de airconditioning na het starten van de auto, kunt u het beste twee tot drie minuten met iets geopende ruiten rijden. Temperatuurregeling E U kunt de temperatuur instellen tussen 60 F (15,5 C) en 85 F (29,5 C). In de stand laag schakelt het systeem over naar permanent koelen. In de stand hoog schakelt het systeem over naar permanent verwarmen. N.B.: In de stand laag of hoog regelt het systeem geen stabiele temperatuur. Mono modus In deze modus worden de temperatuurinstellingen voor de bestuurderszijde en de passagierszijde gekoppeld. Wanneer u de instelling met de draaiknop aan bestuurderszijde verandert, wordt dezelfde temperatuurinstelling voor de passagierszijde door het systeem doorgevoerd. Monomodus uitschakelen Selecteer met de draaiknop aan passagierszijde een temperatuur voor de passagierszijde. De monomodus wordt automatisch uitgeschakeld. De temperatuur aan de bestuurderszijde blijft ongewijzigd. U kunt nu de temperatuur voor de bestuurderszijde en de passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen. De temperatuurinstellingen voor beide zijden worden in het display weergegeven. Monomodus inschakelen Houd de toets AUTO ingedrukt. De temperatuur aan de passagierszijde wordt afgesteld op de temperatuurinstelling aan de bestuurderszijde. TIPS VOOR DE KLIMAATREGELING IN HET INTERIEUR Algemene tips N.B.: Wanneer de luchtrecirculatiestand langdurig wordt ingeschakeld, kunnen de ruiten beslaan. N.B.: Het is mogelijk dat er wat lucht uit de luchtroosters in de beenruimte komt, ongeacht de instelling voor de luchtverdeling. 94

99 Klimaatregeling N.B.: Rijd niet met het systeem uitgeschakeld of met voortdurend ingeschakelde luchtrecirculatie om ophoping van vocht in de auto te voorkomen. N.B.: Plaats geen voorwerpen onder de voorstoelen, want dit kan de luchtstroom naar de achterbank belemmeren. N.B.: Verwijder sneeuw, ijs of bladeren uit het luchtinlaatgedeelte onderaan de voorruit. N.B.: Om sneller een aangename binnentemperatuur te bereiken bij warm weer, rijdt u met enigszins geopende ruiten gedurende de eerste 2-3 minuten na het starten of totdat uw auto gelucht is. In zacht weer kunt u uw brandstofverbruik verbeteren als u het klimaatregelsysteem gebruikt, door buitenlucht te gebruiken in plaats van airconditioning. Draai de temperatuurregelknop(pen) zo dat de binnentemperatuur wordt ingesteld op 60 F (15,5 C). Zet de luchtverdeling op het dashboard of de vloer (of beide). Druk op A/C zodat A/C Off wordt weergegeven op het display. Druk op de luchtrecirculatieknop, zodat frisse lucht de auto binnenstroomt. Druk op de knop met de kleine ventilator totdat de ventilator op de laagste stand staat. Automatische klimaatregeling N.B.: U hoeft de instellingen niet aan te passen wanneer het interieur van uw auto uitzonderlijk warm of koud is. Het systeem past zich automatisch aan om het interieur zo snel mogelijk te verwarmen of af te koelen tot de door u ingestelde temperatuur. Voor een efficiënte werking van het systeem moeten de zijdelingse luchtroosters volledig geopend zijn. N.B.: Als u AUTO selecteert terwijl het buiten koud is, leidt het systeem de luchtstroom door de luchtroosters voor de voorruit en zijruiten. Daarnaast kan de ventilator op een lagere temperatuur draaien totdat de motor is opgewarmd. N.B.: Als u AUTO selecteert terwijl het buiten warm is of als het in de auto warm is, gebruikt het systeem automatisch luchtrecirculatie om het interieur optimaal te koelen. Wanneer het interieur de gewenste temperatuur bereikt, schakelt het systeem automatisch over op het gebruik van buitenlucht. Snel verwarmen van het interieur 1. Druk op de toets AUTO. 2. Stel de temperatuurregeling op de gewenste stand in. Aanbevolen instellingen voor verwarmen 1. Druk op de toets AUTO. 2. Stel de temperatuurregeling op de gewenste stand in. Gebruik 72 F (22 C) als startpunt en pas vervolgens de instelling naar behoefte aan. Snel koelen van het interieur Druk op de toets MAX A/C. Aanbevolen instellingen voor koelen 1. Druk op de toets AUTO. 2. Stel de temperatuurregeling op de gewenste stand in. Gebruik 72 F (22 C) als startpunt en pas vervolgens de instelling naar behoefte aan. Zijruiten ontwasemen bij koud weer 1. Druk op de knoppen voor ontdooien en de dashboardknop. 95

100 Klimaatregeling 2. Selecteer A/C. 3. Stel de temperatuurregeling op een comfortabele stand in. Gebruik 72 F (22 C) als startpunt en pas vervolgens de instelling naar behoefte aan. 4. Zet de ventilator op de hoogste snelheid. 5. Richt de buitenste luchtroosters van het dashboard naar de zijruiten. 6. Om de luchtstroom naar de buitenste luchtroosters te vergroten, sluit u de luchtroosters in het midden van het instrumentenpaneel en achterin de middenconsole. N.B.: Gebruik geen krabber om de spiegels ijsvrij te maken en verstel het spiegelglas niet als het is vastgevroren. N.B.: Reinig het spiegelhuis of spiegelglas niet met agressieve schuurmiddelen, brandstof of andere reinigingsmiddelen op petroleumbasis. VERWARMDE RUITEN EN SPIEGELS Verwarmde achterruit E72507 De knop van de achterruitverwarming zit onder de kachelbediening. Druk op de knop om een dunne laag ijs of condens van de verwarmde achterruit te verwijderen. De achterruitverwarming wordt na een korte tijd vanzelf uitgeschakeld. Start de benzinemotor voor u de achterruitverwarming aanzet. N.B.: Gebruik geen scheermesjes of andere scherpe voorwerpen om de binnenkant van de verwarmde achterruit stickervrij of schoon te maken. De voertuiggarantie dekt geen schade aan de verwarmingsdraden van achterruitverwarming. Verwarmde buitenspiegels (indien aanwezig) Als u de achterruitverwarming aanzet, worden de verwarmde E72507 buitenspiegels automatisch ingeschakeld. 96

101 Stoelen DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN WAARSCHUWINGEN Als u niet goed of scheef zit of de rugleuning te schuin staat, kan er minder gewicht op het zitkussen rusten, waardoor het passagiersdetectiesysteem een fout signaal geeft, wat bij een ongeval ernstig of dodelijk letsel kan veroorzaken. Ga altijd rechtop tegen uw rugleuning zitten, met uw voeten op de vloer. Zet de rugleuning niet te ver achterover, want daardoor kan de inzittende onder de veiligheidsgordel doorglijden, wat bij een ongeval tot ernstig letsel kan leiden. Plaats geen voorwerpen hoger dan de rugleuning op de stoel om het risico op ernstig letsel bij een ongeval of hard remmen te beperken. Wij raden u aan deze richtlijnen te volgen: Ga rechtop zitten met de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren. Kantel de rugleuning niet meer dan 30 graden achterover. Stel de hoofdsteun zo in dat de bovenkant even hoog is als de bovenkant van uw hoofd en zet de hoofdsteun zover mogelijk naar voren. Zorg ervoor dat u comfortabel zit. Houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. We raden een afstand van minimaal 25 cm tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aan. Houd het stuurwiel met licht gebogen armen vast. Buig uw benen licht zodat u de pedalen volledig kunt indrukken. Leg de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen. Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de auto hebt. HOOFDSTEUNEN E68595 Wanneer u de veiligheidsgordel correct draagt, kunnen de stoel, hoofdsteun, veiligheidsgordel en airbags bij een ongeval optimale bescherming bieden. WAARSCHUWINGEN Stel de hoofdsteunen correct af voordat u in de auto plaatsneemt en ermee gaat rijden. Dit helpt het risico op nekletsel in geval van een ongeval te minimaliseren. Verstel de hoofdsteun niet tijdens het rijden. De hoofdsteun is een veiligheidsvoorziening. Voor zover mogelijk dient deze geïnstalleerd en correct afgesteld te zijn wanneer de stoel bezet is. Een onjuist afgestelde hoofdsteun beschermt een inzittende mogelijk onvoldoende bij een botsing van achteren. 97

102 Stoelen WAARSCHUWINGEN Stel de hoofdsteun goed af om het risico op nekletsel in geval van een ongeval te minimaliseren. N.B.: Verstel de rugleuning naar een rechte rijpositie alvorens de hoofdsteun af te stellen. Stel de hoofdsteun zodanig in, dat de bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover mogelijk naar voren in. Zorg hierbij ervoor dat u comfortabel zit. Als u erg lang bent, stelt u de hoofdsteun af op de hoogste positie. Hoofdsteun van voorstoel E Hoofdsteun van middelste achterstoel De hoofdsteun bestaat uit: A B C D Een energieabsorberende hoofdsteun. Twee stalen stangen. Verstel- en ontgrendelknop van geleidebus. Ontgrendel- en verwijderknop van geleidebus. De hoofdsteunen afstellen De hoofdsteun omhoog brengen Trek de hoofdsteun omhoog. De hoofdsteun laten zakken 1. Druk op toets C en houd deze ingedrukt. 2. Druk de hoofdsteun naar beneden. De hoofdsteun verwijderen 1. Trek de hoofdsteun omhoog tot deze de hoogste positie heeft bereikt. 2. Druk op toets C en D en houd deze ingedrukt. 3. Trek de hoofdsteun omhoog. De hoofdsteun aanbrengen Lijn de stalen stangen uit op de geleidebussen en druk de hoofdsteun omlaag tot deze is vergrendeld. E

103 Stoelen Buitenste hoofdsteunen van achterbank Hoofdsteunen kantelen (indien aanwezig) De voorste hoofdsteunen kunnen voor extra comfort gekanteld worden. Doe het volgende om de hoofdsteun te kantelen: E De hoofdsteun bestaat uit: A B C D Een energieabsorberende hoofdsteun. Twee stalen stangen. Ontgrendel- en verwijderknop van geleidebus. Vouwknop. De hoofdsteun verwijderen 1. Druk op de toetsen C en houd deze ingedrukt. 2. Trek de hoofdsteun omhoog. De hoofdsteun aanbrengen Lijn de stalen stangen uit op de geleidebussen en druk de hoofdsteun omlaag tot deze is vergrendeld. De hoofdsteun opvouwen 1. Druk op toets D en houd deze ingedrukt. 2. Trek weer omhoog om te resetten. E Zet de rugleuning omhoog, in de rij- of zitpositie. 2. Draai de hoofdsteun naar voren richting uw hoofd in de gewenste positie. Nadat de hoofdsteun de uiterste voorste kantelpositie heeft bereikt, draait u de steun weer naar voren om deze naar de achterste ongekantelde positie te ontgrendelen. HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN WAARSCHUWING Om het risico op letsel te voorkomen, verstelt u de zitting en de rugleuning van de bestuurdersstoel niet tijdens het rijden. 99

104 Stoelen De stoel naar achteren en naar voren bewegen Hoogte van de bestuurdersstoel verstellen E70730 Kantelhoek afstellen E WAARSCHUWING Beweeg de stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel hebt losgelaten om te controleren of de stoel goed is vergrendeld. E WAARSCHUWING Plaats geen lading of andere voorwerpen achter de rugleuning alvorens deze in de originele positie terug te brengen. Trek aan de rugleuning om te zorgen dat deze volledig aangrijpt nadat de rugleuning in de oorspronkelijke positie is teruggebracht. Een stoel die niet vergrendeld is kan gevaarlijk worden als u plots stopt of bij een botsing. 100

105 Stoelen Lendensteunverstelling (indien aanwezig) ELEKTRISCH VERSTELBARE STOELEN WAARSCHUWINGEN Verstel de zitting en de rugleuning van de bestuurdersstoel niet tijdens het rijden. Wanner u de rugleuning verstelt terwijl uw auto in beweging is, kunt u de macht over het stuur kwijtraken. Plaats geen lading of andere voorwerpen achter de rugleuning alvorens deze in de originele positie terug te brengen. E E

106 Stoelen Elektrisch verstelbare lendensteun (indien aanwezig) Rugleuning neerklappen (indien aanwezig) 1. Als de stoel leeg is, vouwt u de hoofdsteunen op door op de knop te drukken aan de buitenste kant van elke buitenste hoofdsteun op de achterbank. Zorg dat de middelste hoofdsteun achter volledig omlaag is gezet. 2. Trek de hendel aan de buitenste kant van de stoel omhoog om de stoel op te vouwen. Rugleuning omhoog klappen E ACHTERBANK Om de rugleuning weer omhoog te zetten, draait u de rugleuning omhoog totdat deze vastklikt. VERWARMDE STOELEN E WAARSCHUWING Mensen die geen pijn op hun huid kunnen voelen als gevolg van hoge leeftijd, chronische ziekte, diabetes, ruggengraatletsel, medicatie, alcoholgebruik, uitputting of andere fysieke omstandigheden moeten voorzichtig omgaan met de stoelverwarming. De stoelverwarming kan zelfs bij lage temperatuur verbrandingen veroorzaken, met name indien ze gedurende langere tijd gebruikt wordt. Plaats niets op de stoel dat warmte-isolerend is, zoals een deken of een kussen. Hierdoor kan de verwarmde stoel namelijk oververhit raken. Steek geen spelden, naalden of andere puntige voorwerpen door de stoelbekleding. Hierdoor kan het verwarmingselement beschadigd raken, waardoor de verwarmde stoel oververhit kan raken. Een oververhitte stoel kan ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. 102

107 Stoelen Doe het volgende niet! Zware voorwerpen op de stoel plaatsen. De stoelverwarming inschakelen indien water of een andere vloeistof op de stoel gemorst is. Laat de stoel grondig drogen. De stoelverwarming inschakelen terwijl de motor niet loopt. Hierdoor kan de accu worden ontladen. E Stel de regeling op de gewenste warmtestand in. ARMLEUNING ACHTERBANK E Klap de armsteun neer om de armsteun en de bekerhouder te gebruiken. 103

108 Extra voedingsaansluitingen 12 volt stopcontact WAARSCHUWING Sluit geen elektrische accessoires aan op het aanstekercontact. Verkeerd gebruik van de aansteker kan schade veroorzaken die niet door uw garantie wordt gedekt en tot brand of ernstig letsel leiden. N.B.: Als het contact aanstaat, kunt u het stopcontact gebruiken voor 12 volt apparaten met een maximale stroomsterkte van 15 A. Nadat u het contact hebt afgezet, werkt de voedingsspanning nog maximaal 30 minuten. N.B.: Steek niets anders in het stopcontact dan de stekker van een accessoire. Anders raakt het stopcontact beschadigd en brandt de zekering door. N.B.: Hang geen accessoire of accessoiresteun aan de stekker. N.B.: Gebruik het stopcontact niet voor meer dan 12 volt en 180 watt, anders brandt een zekering door. N.B.: Steek geen aansteker in het stopcontact. N.B.: Incorrect gebruik van het stopcontact kan schade veroorzaken die niet wordt gedekt door de garantie. N.B.: Houd de kapjes van de stopcontacten dicht als u ze niet gebruikt. Start de motor om de maximale stroom uit het stopcontact te halen. Om te voorkomen dat de accu van uw auto leegraakt: Gebruik het stopcontact niet langer dan nodig als de motor stilstaat. Laat apparaten niet 's nachts aangesloten of als uw auto langere tijd in de P-stand staat. Plaats Hier vindt u de stopcontacten: Op de middenconsole. In de middenconsole. Achter op de console. In de bagageruimte (alleen wagon). 230 volt stopcontact (indien aanwezig) WAARSCHUWING Laat geen elektrische apparaten in het stopcontact zitten als u ze niet gebruikt. Gebruik geen verlengsnoer in het 230 volt stopcontact, want dan werkt de ingebouwde veiligheid niet meer. Hierdoor kan het stopcontact overbelast raken. Als u meer apparaten aansluit, kan het max. vermogen van 150 watt worden overschreden, wat brand en ernstig letsel kan veroorzaken. N.B.: Laat de auto aan om het stopcontact te gebruiken. Op het stopcontact kunt u apparaten met een max. vermogen van 150 watt aansluiten. Het zit achter op de middenconsole. De controlelamp op het stopcontact geeft aan dat het stopcontact klaar voor gebruik is. Als de controlelamp van het stopcontact: Aan is is het stopcontact klaar om stroom te geven. Uit is is het stopcontact uit en staat het contact ook uit. Knippert zit het stopcontact in de foutmodus. Het stopcontact geeft tijdelijk geen stroom meer als het max. vermogen van 150 watt is overschreden. Het stopcontact kan ook naar de foutmodus gaan als het overbelasting, oververhitting of kortsluiting herkent. 104

109 Extra voedingsaansluitingen Bij overbelasting of kortsluiting trekt u het apparaat uit het stopcontact en zet u het contact uit en weer aan. Bij oververhitting laat u het systeem eerst afkoelen. Daarna zet u het contact uit en weer aan. Sommige apparaten mag u niet op het stopcontact aansluiten, zoals: Televisies met een beeldbuis. Apparaten met een motor, zoals stofzuigers, zagen en andere elektrische gereedschappen of koelkasten met een compressor. Meetapparaten die nauwkeurige data verwerken, zoals medische apparatuur of meettoestellen. Andere apparaten die een heel stabiele voeding vereisen, zoals microcomputer-gestuurde elektrische dekens of lampen met aanraaksensor. 105

110 Opbergvakken MIDDENCONSOLE Berg items voorzichtig op in de bekerhouder; deze items kunnen immers loskomen bij bruusk remmen, acceleratie of botsingen, waarbij warme drank kan worden gemorst. Beschikbare consolefuncties zijn onder meer: Druk in de buurt van de achterrand van het portier om dit te openen. A B E A B C Bekerhouder C Opbergvak met extra voedingspunt, extra ingangsaansluiting, USB-poort en media-hub Aansluiting elektrische accessoires DAKCONSOLE E

111 Motor starten en stoppen ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWINGEN Langdurig stationair draaien met hoge motortoerentallen kan tot zeer hoge temperaturen in de motor en het uitlaatsysteem leiden, waardoor het risico op brand of andere schade ontstaat. Laat de motor niet stationair draaien en parkeer of rij niet op droog gras of ander droog materiaal. Het emissiesysteem warmt de motorruimte en het uitlaatsysteem op, waardoor brandgevaar ontstaat. Start de auto niet in een gesloten garage of in andere gesloten ruimtes. Uitlaatgassen kunnen giftig zijn. Open altijd de garage voordat u de auto start. Als u uitlaatgassen ruikt in de auto, moet u hem onmiddellijk laten controleren door een erkende dealer. Rijd niet met uw auto als u uitlaatgassen ruikt. Als u de accu loskoppelt, kan uw auto nog ca. 5 mijl (8 kilometer) ongebruikelijke rijeigenschappen vertonen nadat u de accu weer hebt aangesloten. Dit komt doordat het motormanagement zich weer met de motor moet synchroniseren. U kunt eventuele ongebruikelijke rijeigenschappen in deze periode negeren. Het aandrijflijnregelsysteem voldoet aan alle Canadese standaardeisen aan apparatuur die elektrische impulsvelden of radiostoringen kan veroorzaken. Voorkom dat het gaspedaal vóór en tijdens het starten wordt ingedrukt. Gebruik het gaspedaal alleen als de auto moeilijk start. SLEUTELLOOS STARTEN N.B.: Het startsysteem zonder sleutel werkt wellicht niet als de sleutel zich dicht bij metalen objecten of elektronische apparaten als mobiele telefoons bevindt. N.B.: Er moet een geldige sleutel in uw auto liggen om het contact aan te zetten en de auto te starten. Contactslotmodi E

112 Motor starten en stoppen Het startsysteem zonder sleutel heeft drie modi: Uit: schakelt de ontsteking uit. Druk zonder het rempedaal in te trappen op de knop terwijl het contact aanstaat of wanneer de auto ingeschakeld is, maar niet rijdt en laat deze weer los. Aan: alle elektrische circuits werken en de waarschuwings- en controlelampen branden. Druk één keer kort op de knop, zonder dat u het rempedaal intrapt. Start: start de auto in de Ready to Drive-modus (aangegeven door groene "Ready to Drive" icoon op het instrumentenpaneel). De benzinemotor start eventueel niet als de auto start. Trap het rempedaal in en houd de knop ingedrukt totdat de auto aangaat. EEN BENZINEMOTOR STARTEN Wanneer de motor tijdens uw rit voor het eerst wordt opgestart, wordt het toerental voor stationair draaien verhoogt. Dit helpt om de motor op te warmen. Als het toerental voor stationair draaien niet automatisch afneemt, laat u uw auto door een erkende dealer controleren. Voordat u de auto start, controleert u het volgende: Controleer of alle inzittenden hun veiligheidsgordels hebben vastgemaakt. Controleer of de koplampen en de elektrische accessoires uit zijn. Controleer of de parkeerrem aangetrokken is. Zet de keuzehendel van de transmissie in de stand P. Zet de contactsleutel in stand II. Als uw auto is uitgerust met een sleutelloos startsysteem, gebruikt u de volgende instructies. Auto's met een contactsleutel N.B.: Trap het gaspedaal niet in. 1. Trap het rempedaal volledig in. 2. Draai de sleutel in stand III om de auto te starten. Laat de sleutel los zodra de auto start. N.B.: De starttijd kan 15 seconden duren of totdat de auto start. N.B.: Als u de auto niet bij de eerste poging kunt starten, wacht u even en probeert u het opnieuw. Auto's met sleutelloos startsysteem N.B.: Trap het gaspedaal niet in. 1. Trap het rempedaal volledig in. 2. Druk op de toets. N.B.: Er gaat een groen gereedheidslampje branden dat aangeeft dat er met de auto gereden kan worden. Aangezien uw auto is uitgerust met Silent Key Start, start de motor mogelijk niet wanneer de auto gestart wordt. Zie Hybride elektrische auto (bladzijde 111). Het systeem werkt in de volgende gevallen niet: De frequenties van de sleutel worden verstoord. De sleutelbatterij heeft geen voeding. Als u de auto niet kunt starten, doet u het volgende: 108

113 Motor starten en stoppen Afstandsbediening met 3 toetsen E Afstandsbediening met 5 toetsen Binnen 20 seconden nadat u de auto hebt uitgezet, trapt u het rempedaal in en drukt u op de startknop. Na 20 seconden kunt u uw voertuig niet meer opnieuw starten zonder dat de sleutel in uw voertuig ligt. Nadat de auto gestart is, blijft de auto aan totdat u op de startknop drukt, zelfs als het systeem geen geldige sleutel detecteert. Wanneer u een portier opent en sluit terwijl de auto aan staat, zoekt het systeem naar een geldige sleutel. U kunt de auto niet opnieuw starten als het systeem binnen 20 seconden geen geldige sleutel detecteert. De auto uitzetten terwijl deze stationair draait Auto's met een contactsleutel 1. Zet de keuzehendel van de transmissie in de stand P. 2. Zet de sleutel in stand Schakel de parkeerrem in. Auto's met sleutelloos startsysteem E Houd de sleutel zoals getoond naast de stuurkolom. 2. Met de sleutel in deze stand kunt u de startknop gebruiken om het contact aan te zetten en de motor te starten. 1. Zet de keuzehendel van de transmissie in de stand P. 2. Druk de toets eenmaal in. 3. Schakel de parkeerrem in. N.B.: Hiermee worden het contact, alle elektrische circuits, waarschuwings- en controlelampen uitgezet. Snel herstarten Met de functie voor snel opnieuw starten kunt u de auto binnen 20 seconden na uitschakelen weer opnieuw starten, zelfs wanneer er geen geldige sleutel aanwezig is. 109

114 Motor starten en stoppen De auto uitzetten terwijl deze in beweging is WAARSCHUWING Afzetten van de motor terwijl nog met de auto wordt gereden, leidt tot verlies van rem- en stuurbekrachtiging. De stuurinrichting wordt niet geblokkeerd, maar heeft meer stuurkracht nodig. Wanneer het contact wordt uitgeschakeld, kunnen ook sommige elektrische circuits, waaronder de airbags, waarschuwings- en controlelampjes uitgeschakeld worden. Als het contact per ongeluk is uitgezet, kunt u de transmissie in de neutrale stand (N) zetten en de motor opnieuw starten. Auto's met een contactsleutel 1. Zet de keuzehendel van de transmissie in de stand N en zet uw voertuig met de rem veilig stil. 2. Wanneer de auto is gestopt, zet u de keuzehendel van de transmissie in de stand P en draait u de contactsleutel in de stand Schakel de parkeerrem in. Beschermen tegen uitlaatgassen WAARSCHUWING Als u uitlaatgassen in uw voertuig ruikt, laat u uw voertuig direct controleren door uw erkende dealer. Rijd niet met uw voertuig indien u uitlaatgassen ruikt. Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide. Neem voorzorgsmaatregelen om de schadelijke gevolgen ervan te vermijden. Belangrijke informatie over ventileren Wanneer u uw auto stopt en gedurende langere tijd stationair laat draaien, raden we aan dat u een van de volgende handelingen verricht: Open de ramen ten minste 2,5 cm. Stel uw klimaatregeling in op buitenlucht. Auto's met sleutelloos startsysteem 1. Zet de keuzehendel van de transmissie in de stand N en zet uw voertuig met de rem veilig stil. 2. Wanneer uw auto is gestopt, zet u de keuzehendel van de transmissie in de stand P. 3. Houd de startknop minimaal een seconde ingedrukt of druk binnen twee seconden driemaal op de startknop. 4. Schakel de parkeerrem in. 110

115 Unieke rijeigenschappen HYBRIDE ELEKTRISCHE AUTO Plug-in Power-modus en Hybridmodus U moet uw auto regelmatig aansluiten op het stopcontact om de grote actieradius van de hoogspanningsaccu optimaal te benutten. Bij het opladen krijgt uw auto extra elektrische energie. In de Plug-in Power-modus dient deze energie voor de aandrijving. U ziet de geschatte elektrische actieradius op het scherm voor energieverbruik op het informatiedisplay links. U kunt ook MyView configureren om uitgebreide informatie over de actieradius te tonen. Zie Meters (bladzijde 71). In de Plug-in Power-modus laat het systeem de auto zoveel mogelijk puur elektrisch rijden. De systeemtoestand kan om de benzinemotor vragen, maar het systeem zal zo zoveel mogelijk elektrisch werken. Als uw stroom is opgebruikt, zal de aandrijflijn automatisch omschakelen naar de Hybrid-modus. Zodra de auto naar de Hybrid-modus gaat, toont uw accumeter een simpele accu. De Hybrid-modus gebruikt de benzinemotor en de elektromotor voor de aandrijving en minimaliseert het brandstofverbruik. EV-modi Uw auto heeft diverse EV-modi, die u via de EV-toets midden in E het dashboard en onder de klimaatregeling kunt selecteren. Deze modi zijn beschikbaar als de auto op de hoogspanningsaccu kan rijden. Als de auto in de rijmodus zit, kunt u de EV-modus veranderen met elke druk op de EV-toets. De huidige modus wordt weergegeven op het informatiedisplay. Auto EV-modus Deze modus zorgt voor een automatisch gebruik van de E hoogspanningsaccu tijdens het rijden en blijft indien mogelijk in de elektrische modus, maar zal indien nodig de motor starten. Dit is de enige beschikbare modus als de stroom is opgebruikt. EV Now-modus In deze modus rijdt u puur elektrisch. Het informatiedisplay E verandert in een scherm voor energieverbruik, waarop u de specifieke EV-tools en -functies kunt bekijken. De auto trekt wellicht langzamer op en de topsnelheid kan lager zijn dan in automatische modus. Op de volgende manieren kunt u op elk moment de motor starten: 1. Druk op de OK-toets op de 5 weg stuurbediening links terwijl u het scherm voor energieverbruik bekijkt. De auto zal indien nodig de motor starten en na acht seconden automatisch naar de modus EV Now terugkeren of zodra geen motor meer nodig is. 2. Trap het gaspedaal helemaal in. Er verschijnt een pop-upbericht dat u op OK moet drukken om de motor te starten. Druk op OK op de stuurwieltoets links om indien nodig in te schakelen. Het bericht verdwijnt als u het gaspedaal loslaat. 3. Druk op de EV-toets. Hierdoor gaat de auto naar de EV Later-modus en kan de motor draaien. 111

116 Unieke rijeigenschappen De auto kan automatisch naar de modus met de motor ingeschakeld gaan als de systeemtoestand dat vraagt. In dat geval wordt een bericht weergegeven dat de motor is gestart omwille van systeemprestaties. Dit is normaal en uw auto gaat indien mogelijk terug naar de EV Now-modus. De auto kan naar de modus motor inschakelen gaan als de klimaatregeling op ontdooien staat en de buitentemperatuur laag is. In dat geval wordt een bericht weergegeven dat de motor is gestart vanwege ontdooien. Als u niet wilt ontdooien, kiest u een andere klimaatregelmodus om de modus EV Now mogelijk te maken. Als u de modus EV Now kiest, verschijnt een blauw EV-pictogram op het informatiedisplay. Als de auto in de modus motor ingeschakeld staat, wordt er een geel EV-pictogram weergegeven. De EV Now-modus wordt automatisch afgesloten als de stroom is opgebruikt. EV Later-modus Deze modus bewaart de meeste stroom in de hoogspanningsaccu E voor later gebruik (u rijdt nu bijvoorbeeld flink door op doorgaande wegen, maar u rijdt later in de stad, waar elektrisch rijden efficiënter is). Uw auto zal indien nodig de motor starten en de meeste stroom in de hoogspanningsaccu bewaren voor later gebruik in de automatische modus of EV Now-modus. Als u de EV Later-modus kiest, verschijnt een wit EV Later-pictogram op het informatiedisplay links. De EV Later-modus wordt automatisch naar de EV Auto-modus gereset als u de auto uitzet. Desgewenst kunt u de EV-toets tijdens de volgende rit tweemaal indrukken om naar de EV Later-modus terug te gaan. Hybride auto bedienen Uw auto combineert een aandrijving door een elektromotor en een benzinemotor om optimaal en nog efficiënter te presteren. Als u deze unieke eigenschappen leert kennen, zult u een optimale rijbeleving met uw nieuwe auto ervaren. N.B.: Misschien valt u het hoge motortoerental na het starten op. Dit tijdelijke verschijnsel is normaal en dient om het interieur te verwarmen en de uitstoot te beperken. Starten: Als u de auto start, ziet u een groene Ready-lamp E rechtsonder in het instrumentenpaneel en verschijnt de tekst Ready to Drive in het midden van het informatiedisplay links om te laten zien dat uw auto klaar voor vertrek is. De motor start wellicht niet omdat uw auto Silent Key Start heeft. Deze brandstofbesparende functie maakt dat uw auto Ready to Drive is zonder de benzinemotor te starten. Deze lamp blijft branden terwijl de auto aanstaat, of de motor nu wel of niet draait, om aan te geven dat de auto kan rijden (elektrisch, op de motor of beide). De motor start meestal niet, tenzij de auto koud is, u de klimaatregeling anders instelt of het gaspedaal intrapt. Rijden: De benzinemotor start en stopt automatisch om indien nodig vermogen te leveren, dan wel om brandstof te besparen. Als u langzaam uitrolt, stopt of stilstaat, slaat de benzinemotor meestal af en werkt de auto puur in de elektrische modus. Gevallen waarin de motor aanslaat of blijft lopen zijn onder andere: Hard optrekken. Rijsnelheid hoger dan 137 km/h. Bedenk dat de topsnelheid puur elektrisch lager kan zijn bij hoge temperaturen en in heuvelachtig terrein. 112

117 Unieke rijeigenschappen Bergop rijden. Oplaadniveau van de hoogspanningsaccu is laag. Heel hoge of lage buitentemperatuur (om systeem te laten koelen of verwarmen). De motor hoeft niet direct aan te slaan als de passagiers de klimaatregeling verstellen. Dat gebeurt alleen als de hoogspanningsaccu zwak is of de buitentemperatuur zo laag is dat de motor extra warmte voor het interieur moet leveren. Motor niet warm genoeg om gewenste binnentemperatuur te bereiken. Stoppen: De benzinemotor slaat eventueel af om brandstof te besparen als u stopt. U hoeft de auto hiervoor niet opnieuw te starten. Trap simpelweg het gaspedaal in als u wilt wegrijden. Transmissie bedienen: Dankzij de technologisch geavanceerde, elektronisch gestuurde continu variabele transmissie voelt u niet dat de auto schakelt, zoals bij niet-hybride auto's. N.B.: Doordat de transmissie het motortoerental regelt, kan het soms wat hoog lijken. Dit is een normale hybride werking, die brandstof bespaart en de prestaties verbetert. Neutraal: Het is niet raadzaam de auto langere tijd in neutraal (N) stationair te laten draaien, omdat hierdoor uw hoogspanningsaccu leeg raakt en het brandstofverbruik stijgt. De benzinemotor start of stopt niet en levert in neutraal (N) geen stroom aan het hybride systeem. Low: De lage versnelling (L) dient om de versterkte motorremwerking van een niet-hybride auto na te bootsen. In lage versnelling draait de motor met hogere toerentallen, waardoor u op de motor kunt afremmen. Dit is normaal en niet slecht voor uw auto. In lage versnelling zal de benzinemotor vaker draaien dan in Vooruit (D). Achteruit: In achteruit (R) is de rijsnelheid beperkt tot 35 km/h. Unieke eigenschappen van de hybride auto Uw auto gedraagt zich anders dan een niet-hybride auto. We beschrijven de voornaamste verschillen: Accu: Uw auto heeft een hoogspanningsaccu. Een koele accu gaat langer mee en levert optimale prestaties. Uw hoogspanningsaccu kan zichzelf regelmatig reconditioneren om zo efficiënt mogelijk te blijven. U kunt tijdens dit proces een iets ander rijgedrag opmerken, maar het proces is belangrijk om uw hoogspanningsaccu in optimale toestand te houden. De hoogspanningsaccu wordt gekoeld met interieurlucht, aangezogen via de ventilatiegaten in de bekleding achter de achterbank. Zet niets voor de ventilatiegaten dat de luchtstroom naar de hoogspanningsaccu kan belemmeren. Motor: Het motortoerental van uw auto is niet direct aan de rijsnelheid gekoppeld. De motor en transmissie van uw auto zijn ontworpen om het benodigde vermogen bij het efficiëntste toerental te leveren. Bij hard optrekken kan uw auto hoge toerentallen bereiken (tot omw/min). Bij lange bergritten merkt u wellicht dat het motortoerental oploopt zonder dat u iets doet. Dat hoort zo en dient om de accu opgeladen te houden. U merkt misschien ook dat de motor blijft draaien en niet wordt uitgeschakeld als u lange afdalingen maakt. Tijdens dit afremmen op de motor blijft de motor aan, maar zonder brandstof te gebruiken. U hoort eventueel ook een zacht gejank of gefluit onder het rijden. Dat is het normale geluid van de elektrische generator in het hybride systeem. 113

118 Unieke rijeigenschappen In bepaalde gevallen (bijv. een werkplaatsbezoek) kan uw 12V-laagspanningsaccu worden losgekoppeld of uitgeschakeld. Nadat de accu weer is aangesloten, kan de motor na een rit nog drie tot vijf seconden blijven draaien nadat u het contact uitzet. Dat is normaal. Remmen: Uw auto kan normaal hydraulisch remmen, maar ook regeneratief remmen. Het regeneratief remmen wordt gedaan door de transmissie en dient om de remenergie terug te winnen en in uw hoogspanningsaccu op te slaan. Zo zuinig mogelijk rijden N.B.: Wanneer de motor draait, wijst dit niet altijd op onzuinigheid. Soms is het zelfs efficiënter dan in de elektrische modus te rijden. Het brandstofverbruik zal gedurende de inrijperiode van uw auto nog dalen. Uw rijstijl en de gebruikte accessoires kunnen het brandstofverbruik sterk beïnvloeden, net als bij elke auto. Gebruik deze tips voor het beste resultaat: Houd de banden goed op spanning en gebruik alleen de voorgeschreven bandenmaten. Door een agressieve rijstijl is meer energie nodig om uw auto voort te bewegen. U haalt doorgaans een lager brandstofverbruik door rustig op te trekken en geleidelijk te vertragen. Geleidelijk vertragen is vooral belangrijk omdat het regeneratieve remsysteem dan de maximale energie kan terugwinnen. Meer tips: Vervoer geen onnodige bagage. Bedenk dat accessoires buiten op de auto de luchtweerstand kunnen verhogen. Houd u aan de aangegeven maximumsnelheid. Laat alle onderhoudsbeurten uitvoeren. U hoeft uw motor niet te laten warmdraaien. De auto is direct na het starten klaar voor vertrek. EV+ modus Uw auto herkent veelgebruikte bestemmingen en zal meer elektrisch rijden mogelijk maken als u deze nadert. Als u bijvoorbeeld bijna thuis bent, moet u gemakkelijker in de elektrische modus kunnen blijven. De EV-lamp geeft EV+ aan als deze modus actief is. U moet deze lamp zien op ca. 200 m van een veelgebruikte bestemming. Zie Infodisplays (bladzijde 78). N.B.: Uw auto leert de veelgebruikte bestemmingen na twee tot vier weken gebruik. U kunt deze bestemmingen wissen door de Rijhistorie te resetten in het menu Instellingen. N.B.: U kunt de EV+ functie aan- en uitzetten onder Bestuurdersassistentie in het menu Instellingen. Beperkt motorgebruik De Low Engine Use-modus wordt vanzelf geactiveerd als u de motor van uw auto weinig gebruikt. De modus zorgt dat de motor goed gesmeerd en warm genoeg blijft. Als uw auto bij het starten in de Low Engine Use-modus zit, verschijnt er een bericht op het informatiedisplay. Als uw auto in de Low Engine Use-modus zit, zal hij de motor indien nodig automatisch laten draaien. Als u de EV Now-modus kiest terwijl uw auto in de Low Engine Use-modus staat, wordt de EV 114

119 Unieke rijeigenschappen Now-modus opgeschort zolang u in de Low Engine Use-modus blijft rijden. De Low Engine Use-modus wordt hervat wanneer u de auto de volgende keer start en stopt automatisch wanneer dit niet meer nodig is. N.B.: Bij lage temperaturen duurt het langer dat de motor warm is en wordt de Low Engine Use-modus vaker gebruikt. N.B.: De olie hoeft niet te worden ververst, maar dit geeft u de kans een cyclus in Low Engine Use-modus te vermijden. Als u de olielevensduurbewaking reset, wordt de Low Engine Use-modus opgeschort. Veelgestelde vragen Vraag Wat zijn de klikken in de bagageruimte als ik de sleutel voor het eerst in het contact steek? Waarom start de motor soms als ik het contact aanzet? Waarom duurt het zolang voor de motor afslaat? Waarom slaat mijn motor nooit af boven 137 km/h? Antwoord Als het contact uitstaat, is de hoogspanningsaccu elektrisch gescheiden van de rest van de auto. Als u het contact aanzet, worden de hoogspanningscontactpunten in de accu gesloten om stroom naar de elektromotor en generator door te laten, zodat u kunt rijden. U hoort deze contactpunten klikken doordat ze sluiten en openen als u het contact aan- en uitzet. De computer van de auto bepaalt of de motor gestart moeten worden als u het contact aanzet. De Silent Key Start start de motor als dit nodig is voor de interieurverwarming, de voorruitontdooiing of als het buiten koud is. Om deze functies te bedienen hoeft de motor wellicht niet te draaien. Dat de motor na een koude start langer blijft werken, heeft meerdere oorzaken. Een gebruikelijke oorzaak is dat delen van de emissieregeling moeten opwarmen om de uitstoot te verminderen. Hoe lager de buitentemperatuur, des te langer de motor blijft werken. Boven deze snelheid moet de motor aanslaan om de mechanische transmissiedelen te beschermen. 115

120 Unieke rijeigenschappen Vraag Waarom blijft mijn motor aan als het buiten heel koud is? Waarom maakt de motor soms zoveel toeren als ik optrek? Wat voor ventilator hoor ik aan de achterkant van mijn auto? Mag ik E15 of E85 in mijn auto tanken en is dit van invloed op het verbruik? Antwoord De koelvloeistof van de motor moet warm genoeg zijn, zodat de klimaatregeling het interieur kan verwarmen of de voorruit kan ontdooien zodra u dat wenst. De motor moet aanblijven om de juiste koelvloeistoftemperatuur te handhaven. De motor en transmissie van uw auto zijn ontworpen om het benodigde vermogen bij het efficiëntste toerental te leveren. Dit kan onverwacht hoog zijn als u hard optrekt en het kan variëren als u met constante snelheid rijdt. Dat is kenmerkend voor de Atkinson-cyclus en de transmissietechnologie, die uw auto zo weinig mogelijk brandstof laten verbruiken. Het geluid komt van de ventilator naast het hoogspanningsaccupakket. De ventilator slaat aan als de accu luchtkoeling nodig heeft. Het ventilatortoerental en het gemaakte geluid veranderen naargelang van de vereiste koeling om de prestaties optimaal te houden. Door de accu op de optimale temperatuur te houden, gaat deze langer mee en wordt een hogere brandstofbesparing bereikt. Uw auto mag E15 (15% ethanol, 85% benzine) gebruiken, maar kan daardoor iets meer verbruiken doordat ethanol per liter minder energie bevat dan benzine. Uw auto is niet ontworpen voor het gebruik van E85 (85% ethanol). 116

121 Unieke rijeigenschappen Vraag Hoelang gaat mijn hoogspanningsaccu mee? Heeft de accu onderhoud nodig? Kan ik de accu opladen via een stekker in het stopcontact? Kan ik mijn auto met alle wielen op de grond achter mijn camper meetrekken? Antwoord De hoogspanningsaccu is ontworpen om even lang als de auto mee te gaan en vraagt geen onderhoud. Er zijn geen mogelijkheden om de hoogspanningsaccu via een stroombron buiten de auto op te laden, maar de auto kan met de bijgeleverde laadkabel worden aangesloten op een stopcontact. Ja. Uw auto kan zonder aanpassingen op zijn wielen worden meegetrokken. Zie Aanhangers trekken (bladzijde 160). 117

122 Brandstof en tanken VEILIGHEIDSMAATREGELEN WAARSCHUWINGEN Tank de brandstoftank niet te vol. De druk in een overvolle tank kan lekkage veroorzaken en leiden tot het naar buiten spuiten van brandstof en brand. Het brandstofsysteem kan onder druk staan. Als u een sissend geluid hoort bij de tankklep (Easy Fuel-systeem zonder tankdop), tank dan niet voordat het geluid gestopt is. Anders kan er brandstof naar buiten spuiten, wat tot ernstig letsel kan leiden. Autobrandstof kan bij misbruik of incorrecte gebruik leiden tot ernstig letsel of overlijden. De brandstof die door het spuitstuk van de brandstofpomp stroomt, kan statische elektriciteit veroorzaken. Dit kan brand veroorzaken wanneer u een niet-geaard brandstofreservoir vult. Ethanolbrandstof en benzine kan benzeen, een kankerverwekkende stof, bevatten. Schakel voordat u tankt altijd de motor uit en zorg ervoor dat vonken of open vuur uit de buurt van de vulnek worden gehouden. Rook nooit of gebruik geen mobiele telefoon tijdens het tanken. Brandstofdamp is onder bepaalde omstandigheden extreem gevaarlijk. Voorkom het inademen van brandstofdampen. Neem de volgende richtlijnen in acht bij het omgaan met autobrandstof: Doof alle rokende materialen en open vuur voordat u tankt. Schakel de motor altijd uit voordat u tankt. Autobrandstoffen kunnen schadelijk of fataal zijn indien deze worden ingeslikt. Brandstof zoals benzine is zeer giftig en kan bij inslikken resulteren in permanent of dodelijk letsel. Als brandstof wordt ingeslikt, roep dan direct de hulp van een arts in, zelfs als er geen directe symptomen zichtbaar zijn. De giftige effecten van brandstof kunnen uren niet zichtbaar zijn. Voorkom het inademen van brandstofdampen. Het inademen van te veel brandstofdamp kan leiden tot irritatie van ogen en luchtwegen. In ernstige gevallen kan overmatig of langdurig inademen van brandstofdamp ernstige ziekte of permanent letsel veroorzaken. Voorkom daat vloeibare brandstof in uw ogen komt. Als er brandstof in de ogen terecht komt, verwijder dan contactlenzen (indien deze gedragen worden), spoel de ogen 15 minuten met water en roep medische hulp in. Indien er geen medische hulp wordt ingeroepen, kan dit leiden tot permanent letsel. Brandstoffen kunnen ook schadelijk zijn wanneer deze via de huid worden geabsorbeerd. Als er brandstof op de huid, kleren of beide terecht komt, verwijder dan direct de vuile kleding en was de huid grondig met water en zeep. Herhaaldelijk of langdurig contact van de huid met vloeibare of gasvormige brandstof kan huidirritatie veroorzaken. Ga extra voorzichtig te werk wanneer u "Antabuse" of een andere vorm van disulfiram neemt bij de behandeling van alcoholisme. Het inademen van brandstofdamp of huidcontact met brandstof kan bijwerkingen 118

123 Brandstof en tanken veroorzaken. Bij gevoelige personen kan dit leiden tot ernstig letsel of ziekte. Als er brandstof op de huid terecht komt, was deze dan grondig met water en zeep. Neem direct contact op met een arts als u bijwerkingen ondervindt. BRANDSTOFKWALITEIT N.B.: Uw garantie dekt geen schade aan de auto, motorschade, verlies van prestaties of reparaties aan uw auto, veroorzaakt door het gebruik van brandstof die niet wordt aanbevolen. De juiste brandstof kiezen Gebruik alleen LOODVRIJE benzine of LOODVRIJE benzine gemengd met maximaal 15% ethanol in uw auto met benzinemotor. Als u een Flex Fuel-voertuig (FFV) hebt, dan is er een gele omlijsting rond de opening van de brandstoftank geplaatst. Gebruik geen: brandstof met meer dan 15% ethanol of E-85 brandstof. brandstof met methanol. brandstof met additieven met metallische bestanddelen, inclusief samenstellingen op basis van mangaan. brandstof met het additief MMT (methylcyclopentadienyl mangenese tricarbonyl) om het octaangehalte te verhogen. u mag geen loodhoudende brandstof gebruiken, dat is bij wet verboden. N.B.: Het gebruik van andere brandstof dan de aanbevolen brandstof kan motorschade veroorzaken, de emissieregeling hinderen of verlies van prestaties veroorzaken. Uw garantie dekt geen schade aan de auto die wordt veroorzaakt door het gebruik van brandstof die niet wordt aanbevolen. Aanbeveling octaangehalte We bevelen gewone loodvrije benzine aan met octaangehalte 87 ((R+M)/2 aan de pomp. Sommige tankstations bieden gewone brandstof aan die is gelabeld met een octaangehalte lager dan 87, vooral in gebieden op grote hoogte. We bevelen het gebruik van brandstof met een octaangehalte lager dan 87 niet aan. Premium brandstof biedt betere prestaties en we bevelen deze brandstof aan voor zwaar gebruik, zoals bij het trekken van een aanhanger. Modus versheid brandstof Deze functie helpt om het brandstofsysteem functioneel te houden en de brandstof vers te houden. Als u uw auto vooral in de Plug-in Power-modus met elektriciteit gebruikt zonder te tanken, verschaalt de benzine in de brandstoftank na lange tijd. Verschaalde benzine kan de motor en het brandstofsysteem beschadigen. Uw auto werkt automatisch in de modus versheid brandstof als u binnen een periode van 18 maanden geen verse brandstof tankt. Het ontwerp van de modus versheid brandstof beschermt uw auto tegen potentiële motorschade en schade aan het brandstofsysteem die wordt veroorzaakt door verschaalde brandstof. N.B.: Als u binnen een periode van 18 maand geen nieuwe brandstof toevoegt, verbruikt de modus versheid brandstof de brandstof totdat er nog ongeveer 3,8 L in de tank overblijft. 119

124 Brandstof en tanken Tijdens de modus versheid brandstof: duidt het informatiescherm aan dat de modus versheid brandstof actief is. rijdt de auto alleen in hybride modus. EV Now is niet beschikbaar. slaat de auto de meeste elektriciteit op totdat de modus versheid brandstof is voltooid. N.B.: EV Now kan worden hervat als er minder dan 3,8 L brandstof overblijft in de tank. N.B.: Wanneer het brandstofpeil in de tank lager is dan een vierde van de tank, wordt de modus versheid brandstof in de meeste gevallen beëindigd als u tankt. Daarna wordt EV Now beschikbaar. Als u tankt nadat u een volle tank hebt verbruikt in de modus versheid brandstof, wordt de modus beëindigd. N.B.: Het is raadzaam dat u een brandstofstabilisator gebruikt als u minder dan een volle tank verbruikt binnen een periode van 18 maanden. OPRAKEN VAN DE BRANDSTOF Rijd de tank nooit helemaal leeg, omdat dit een nadelig effect kan hebben op aandrijflijncomponenten. Als de tank is leeggereden: Het contact moet na het tanken wellicht enkele malen van OFF naar ON worden gedraaid, zodat het brandstofsysteem de brandstof van de tank naar de motor kan pompen. Bij opnieuw starten duurt de starttijd enkele seconden langer dan normaal. Bij een sleutelloos ontstekingssysteem kan de motor gewoon worden gestart. De starttijd duurt langer dan normaal. Normaal volstaat toevoegen van 1 gallon (3.8 liter) brandstof om de motor opnieuw te starten. Als de brandstoftank van de auto leeg is en u op een steile helling staat, kan er meer brandstof dan 1 gallon (3,8 liter) nodig zijn. De Service Engine Soon-lamp kan gaan branden. Voor meer informatie over de Service Engine Soon-lamp, Zie Overzicht van symbolen (bladzijde 5). Tanken met een draagbaar brandstofreservoir WAARSCHUWINGEN Steek het mondstuk van draagbare brandstofreservoirs of trechters uit de handel niet in het doploze brandstofvulsysteem. Het brandstofsysteem en de afdichting kunnen beschadigd raken en er kan brandstof op de grond terechtkomen en niet in de tank, wat kan leiden tot ernstig letsel. Probeer het doploze brandstofsysteem niet open te wrikken of open te drukken met vreemde voorwerpen. Het brandstofsysteem en de afdichting kunnen beschadigd raken en u of anderen kunnen letsel oplopen. 120

125 Brandstof en tanken N.B.: Gebruik geen trechters uit de handel; deze werken niet in combinatie met het doploze brandstofsysteem en kunnen het systeem beschadigen. De bijgeleverde trechter is speciaal ontworpen voor veilig gebruik bij de auto. Wanneer u de brandstoftank van de auto vult met een draagbaar brandstofreservoir, moet u de trechter bij de auto gebruiken. E E De trechter bevindt zich achteraan in de auto, in de bagageruimte. 1. Zoek de draagbare trechter die bij de auto is geleverd. 3. Druk op de brandstofknop op het dashboard. 4. Vul de tank met brandstof uit het draagbare brandstofreservoir. 5. Reinig de trechter na het tanken of gooi deze op de juiste manier weg. U kunt extra trechters kopen bij een erkende dealer als u de trechter wilt weggooien. TANKEN WAARSCHUWINGEN Brandstofdamp kan hevige brand veroorzaken en een brandstofbrand kan ernstige verwondingen veroorzaken. Lees en volg alle instructies bij het tankstation. Zet uw auto uit wanneer u tankt. E Plaats de trechter langzaam in het doploze brandstofsysteem. Rook niet in de buurt van brandstof of wanneer u tankt. Houd vonken, vlammen en rookwaren uit de buurt van brandstof. Blijf buiten uw auto en laat de brandstofpomp niet onbewaakt achter terwijl u tankt. Op sommige plaatsen is dat in strijd met de wet. 121

126 Brandstof en tanken WAARSCHUWINGEN Houd kinderen uit de buurt van de brandstofpomp en laat kinderen nooit brandstof tanken. Gebruik geen persoonlijke elektronische apparaten tijdens het tanken. Wacht minstens 10 seconden vooraleer u het vulpistool eruit haalt, zodat alle achtergebleven brandstof in de brandstoftank kan stromen. Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer automatisch is afgeslagen. Als u deze procedure niet volgt, zal de expansieruimte in de brandstoftank worden gevuld, waardoor de brandstof zou kunnen overstromen. Verwijder tijdens het tanken het vulpistool van de brandstofpomp niet uit de volledig geplaatste positie. Gebruik de volgende richtlijnen om de vorming van elektrostatische lading te voorkomen wanneer u een niet-geaard brandstofreservoir vult: Plaats een goedgekeurd brandstofreservoir op de grond. Vul het brandstofreservoir niet terwijl het in de auto staat (inclusief in de kofferruimte). Houd het spuitstuk van de brandstofpomp in contact met het brandstofreservoir tijdens het vullen. Gebruik geen inrichting om de handgreep van de brandstofpomp op zijn plaats te houden. Easy Fuel -systeem zonder tankdop WAARSCHUWING Het brandstofsysteem kan onder druk staan. Als u een sissend geluid hoort bij de tankklep, tank dan niet voordat het geluid gestopt is. Anders kan er brandstof naar buiten spuiten, wat tot ernstig letsel kan leiden. N.B.: Uw auto heeft een tankklep met slot en automatische afdichting die de vulklep van de brandstoftank vergrendelt. Voordat u kunt tanken, moet u eerst op de knop op de middenconsole drukken. Als u op deze knop drukt, wordt de vulklep van de brandstoftank ontgrendeld, zodat de tankklep wordt geopend en u het vulpistool in de vulopening kunt plaatsen. Het kan tot vijftien seconden duren voordat de tankklep wordt geopend en het vulpistool kan worden geplaatst. Wanneer u de auto bijtankt: 1. Zet de auto in de parkeerstand (P) en zet het contact uit. 2. Druk op de brandstofknop op de middenconsole. E Wacht tot vijftien seconden voordat u de tankklep opent. Op dit moment verschijnt er een bericht Tankklep gaat open op het informatiedisplay. 122

127 Brandstof en tanken 4. Wanneer de klep is geopend, verschijnt er een bericht Tankklep is open op het informatiedisplay, wat erop wijst dat uw auto klaar is om te tanken. De auto blijft ongeveer 20 minuten klaar om de tanken. Als het tanken meer dan 20 minuten duurt, moet u opnieuw op de tankknop drukken. Als u niet opnieuw op de tankknop drukt, kan de brandstofpomp worden uitgeschakeld. 5. Open de tankklep. E Schuif het vulpistool langzaam volledig in het brandstofsysteem en laat het vulpistool er helemaal in zitten totdat het tanken is voltooid. Houd de handgreep hoger wanneer u het vulpistool plaatst voor vlottere toegang. E Verwijder het vulpistool langzaam wanneer het tanken is voltooid. Wacht ongeveer vijf tot tien seconden nadat u hebt getankt voordat u het vulpistool verwijdert. Zo kan de resterende brandstof in de brandstoftank stromen en wordt er geen brandstof op de auto gemorst. 8. Sluit de tankklep helemaal totdat deze vastklikt. Zo garandeert u de goede werking van het brandstofsysteem. N.B.: Als de brandstoftank wordt overvuld, kan er brandstof worden gemorst. Overvul de tank niet zodat de brandstof voorbij het vulpistool kan stromen. De overvulde brandstof kan door de afvoer onder en voor de tankklep stromen. Als u de tankklep niet goed hebt gesloten, kan er een bericht Controleer opening branstoftank verschijnen op het informatiedisplay. Doe het volgende zodra u daarvoor de kans krijgt: 1. Zet de auto op een veilige manier aan de kant. 2. Zet de auto in de parkeerstand (P) en zet het contact uit. 3. Open de tankklep en verwijder alle zichtbare vuil van de vulopening. 4. Plaats het vulpistool of de trechter, die bij de auto is geleverd, meermaals om alle vuil los te maken en ervoor te zorgen dat de tankopening goed kan sluiten. Als het probleem hiermee is opgelost, is het mogelijk dat het bericht niet onmiddellijk wordt gereset. Het kan verschillende rijcycli duren voordat het bericht wordt uitgeschakeld. Een rijcyclus bestaat uit het starten van de motor (nadat de motor vier uur of langer was uitgeschakeld) gevolgd door rijden in de stad of op de snelweg. Blijf rijden terwijl het bericht wordt weergegeven, anders kan de Service Engine Soon-lamp ook gaan branden. 123

128 Brandstof en tanken Hendel voor handmatige bediening gebruiken WAARSCHUWING Het brandstofsysteem kan onder druk staan. Plaats het vulpistool langzaam. Als u een sissend geluid hoort bij de tankklep, tank dan niet voordat het geluid gestopt is. Anders kan er brandstof naar buiten spuiten, wat tot ernstig letsel kan leiden. N.B.: De auto moet in de parkeerstand (P) staan wanneer de functie voor handmatige bediening wordt gebruikt. De hendel voor handmatige bediening bevindt zich in de bagageruimte, rechts op het achterpaneel. Wanneer u de handmatige bediening van de tankklep gebruikt voor toegang tot de vulopening: 1. Zet het contact aan voordat u de handmatige bediening gebruikt. 2. Verwijder het paneel in de bagageruimte, rechts op het achterpaneel van de achterklep. E Zoek het mechanisme voor handmatige bediening. E Trek aan het mechanisme voor handmatige bediening. E Zet het contact uit en voer de tankbeurt binnen 20 minuten uit. Als het tanken meer dan 20 minuten duurt, sluit u de tankklep en herhaalt u deze procedure. Zo kunt u zonder problemen tanken. N.B.: Als de brandstoftank wordt overvuld, kan er brandstof worden gemorst. Overvul de tank niet zodat de brandstof voorbij het vulpistool kan stromen. De overvulde brandstof kan door de afvoer onder en voor de tankklep stromen. Als u de tankklep niet goed hebt gesloten, kan er een bericht Controleer opening branstoftank verschijnen op het informatiedisplay. Doe het volgende zodra u daarvoor de kans krijgt: 124

129 Brandstof en tanken 1. Zet de auto op een veilige manier aan de kant. 2. Zet de auto in de parkeerstand (P) en zet het contact uit. 3. Open de tankklep en verwijder alle zichtbare vuil van de vulopening. 4. Plaats het vulpistool of de trechter, die bij de auto is geleverd, meermaals om ervoor te zorgen dat de tankopening goed kan sluiten. Zo wordt alle vuil losgemaakt waardoor de inlaat niet kon worden afgedicht. Als het probleem hiermee is opgelost, is het mogelijk dat het bericht niet onmiddellijk wordt gereset. Het kan verschillende rijcycli duren voordat het bericht wordt uitgeschakeld. Een rijcyclus bestaat uit het starten van de motor (nadat de motor vier uur of langer was uitgeschakeld) gevolgd door rijden in de stad en op de snelweg. Blijf rijden terwijl het bericht wordt weergegeven, anders kan de Service Engine Soon-lamp ook gaan branden. BRANDSTOFVERBRUIK N.B.: De hoeveelheid bruikbare brandstof in de tankreserve kan verschillen en er mag niet op worden vertrouwd om het rijbereik te vergroten. Als wordt getankt nadat de brandstofmeter een lege tank heeft aangegeven, dan kan wellicht niet de volledige hoeveelheid van de genoemde inhoud van de brandstoftank worden getankt, omdat de tankreserve nog aanwezig is in de tank. De tankreserve is de hoeveelheid resterende brandstof in de brandstoftank nadat de brandstofmeter een lege tank heeft aangegeven. Ga er niet vanuit dat u deze brandstof kunt gebruiken om te rijden. De bruikbare hoeveelheid van de brandstoftank is de hoeveelheid brandstof die in de brandstoftank kan worden gedaan nadat de brandstofmeter een lege tank aangeeft. De genoemde hoeveelheid is de grootte van de totale brandstoftank het is de bruikbare hoeveelheid plus de lege reserve. Tanken Voor consistente resultaten tijdens vullen van de brandstoftank: Schakel het contact uit voor het tanken; een onnauwkeurige waarde volgt wanneer de motor blijft draaien. Gebruik dezelfde vulverhouding (laag-medium-hoog) wanneer wordt getankt. Niet meer dan twee automatische klikonderbrekingen tijdens het tanken. De resultaten zijn het meest nauwkeurig wanneer de vulmethode consistent is. Brandstofverbruik berekenen Meet het brandstofverbruik niet tijdens de eerste 1000 mijl (1600 kilometer) rijden (dit is de inrijperiode van uw motor); een nauwkeurigere meting wordt verkregen na 2000 mijl mijl (3200 kilometer kilometer). Brandstofkosten, aantal vulbeurten of brandstofmeteraflezingen zijn geen nauwkeurige opties voor het meten van het brandstofverbruik. 1. Vul de brandstoftank volledig en noteer de initiële kilometertellerwaarde. 2. Noteer iedere keer de hoeveelheid gevulde brandstof tijdens het vullen van de tank. 3. Na minimaal drie tot vijf maal vullen van de tank, moet de brandstoftank worden gevuld en de huidige kilometertellerwaarde worden genoteerd. 4. Trek de initiële kilometertellerwaarde af van de huidige kilometertellerwaarde. 125

130 Brandstof en tanken 5. Bereken het brandstofverbruik door de gebruikte liters te vermenigvuldigen met 100 en te delen door het aantal afgelegde kilometers. Houd dit minstens een maand bij en noteer uw rijtype (stad of snelweg). Dit levert een nauwkeurige schatting op van het brandstofverbruik onder de huidige rijomstandigheden. Het bijhouden van gegevens tijdens de zomer en de winter laat zien hoe de temperatuur van invloed is op het brandstofverbruik. Lagere temperaturen betekenen over het algemeen een hoger brandstofverbruik. EMISSIEREGELING WAARSCHUWINGEN Laat de motor niet stationair draaien en parkeer of rij niet op droog gras of ander droog materiaal. Het emissiesysteem warmt de motorruimte en het uitlaatsysteem op, waardoor brand kan ontstaan. Door uitlaatlekkages kunnen schadelijke en eventueel dodelijke gassen in het interieur dringen. Als u uitlaatgassen in uw auto ruikt, laat hem dan direct controleren door uw dealer. Rijd niet als u uitlaatgassen ruikt. Uw auto heeft diverse onderdelen voor de emissieregeling en een katalysator, waardoor hij aan de betreffende emissienormen voldoet. Om te zorgen dat de katalysator en andere onderdelen van de emissieregeling goed blijven werken: Gebruik alleen de aangegeven brandstof. Voorkom dat de brandstof opraakt. Zet het contact niet uit als de auto nog rijdt, vooral niet bij hoge snelheden. Laat de punten van het periodieke onderhoud uitvoeren volgens het bijbehorende onderhoudsschema. De periodieke onderhoudspunten in het onderhoudsschema zijn cruciaal voor de levensduur en prestaties van uw auto en zijn emissiesysteem Als u enige andere onderdelen dan Ford, Motorcraft of Ford-erkende onderdelen gebruikt om emissiegerelateerde onderdelen te vervangen of te repareren, moeten deze niet-ford onderdelen even goed en duurzaam zijn als de originele onderdelen van de Ford Motor Company. Een brandende motorstoringslamp, waarschuwingslamp voor de laadstroom of temperatuur, maar ook vloeistoflekkages, vreemde geuren of een verlies aan motorvermogen kunnen aangeven dat de emissieregeling niet goed werkt. Door een slecht werkend of beschadigd uitlaatsysteem kan uitlaatgas in de auto komen. Laat een beschadigd of slecht werkend uitlaatsysteem direct controleren en repareren. Voer geen ongeoorloofde veranderingen aan de auto of de benzinemotor uit. Het is wettelijk verboden dat autobezitters, personen die auto s bouwen, herstellen, onderhouden, verkopen, leasen of verhandelen en wagenparkbeheerders doelbewust onderdelen van de emissieregeling verwijderen of uitschakelen. Gegevens over het emissieregelsysteem van uw auto staan op het informatieplaatje over de emissieregeling op of dicht bij de motor. Op dit plaatje staat ook de cilinderinhoud Raadpleeg uw garantie-informatie voor de volledige gegevens. 126

131 Brandstof en tanken On-board diagnose II (OBD-II) Uw auto heeft een computer, het zogenaamde on-board diagnosesysteem (OBD-II), dat de emissieregeling van de motor bewaakt. Het systeem beschermt het milieu door te zorgen dat de auto aan de wettelijke emissienormen blijft voldoen. Het OBD-II systeem helpt ook de erkende dealer bij het correcte onderhoud van uw auto. Als de motorstoringslamp brandt, heeft het OBD-II systeem een storing herkend. De motorstoringslamp kan door tijdelijke storingen oplichten. Voorbeelden zijn: 1. De brandstof is opgeraakt de motor slaat eventueel over of loopt slecht. 2. Slechte brandstofkwaliteit of water in brandstof de motor slaat eventueel over of loopt slecht. 3. U hebt de tankdop wellicht niet goed dichtgedaan. Zie Tanken (bladzijde 121). 4. Rijden door diep water het elektrisch systeem is wellicht nat. U kunt deze tijdelijke storingen verhelpen door een goede kwaliteit brandstof te tanken, door de tankdop goed dicht te doen of door het elektrisch systeem te laten drogen. Na drie rijcycli zonder dat deze of andere tijdelijke storingen optreden, moet de motorstoringslamp uitblijven als u de motor de volgende keer start. Een rijcyclus bestaat uit een koude start, gevolgd door combinatie van stadsen snelwegverkeer. Er is geen verder onderhoud vereist. Als de motorstoringslamp aanblijft, moet u bij de eerstvolgende gelegenheid een werkplaats opzoeken. Hoewel het OBD-II soms storingen herkent die onder het rijden geen merkbare symptomen hebben, kan het doorrijden met een brandende motorstoringslamp leiden tot een hoger verbruik, een minder soepele motor en transmissie en hogere reparatiekosten. Gereedheid voor inspectie en onderhoud testen (I/M-test) Sommige landelijke of lokale overheden hebben inspectie/onderhoudsprogramma s (I/M) om de emissieregeling van uw auto te controleren. Als uw auto niet door deze inspectie komt, mag u eventueel niet meer rijden. Als de motorstoringslamp aan is of het lampje niet werkt, moet uw auto wellicht gerepareerd worden. Zie On-board diagnose. Uw auto komt eventueel niet door de I/M-test als de motorstoringslamp aan is of niet goed werkt (lampje doorgebrand) of als het OBD-II systeem vaststelt dat sommige emissieregelsystemen niet goed zijn gecontroleerd. In dit geval is de auto niet klaar voor de I/M-test. Als pas aan de motor of transmissie is gewerkt of de accu kortgeleden is leeggeraakt of vervangen, geeft het OBD-II systeem eventueel aan dat de auto niet klaar is voor de I/M-test. Om te zien of de auto klaar voor de I/M-test is, zet u de contactsleutel 15 seconden in de aan-stand zonder de motor te starten. Als de motorstoringslamp achtmaal knippert, wil dat zeggen dat de auto niet klaar voor de I/M-test is; blijft de motorstoringslamp branden, dan is uw auto wel klaar voor de I/M-test. 127

132 Brandstof en tanken Het OBD-II systeem controleert de emissieregeling terwijl u normaal rijdt. Een volledige controle kan meerdere dagen duren. Als de auto niet klaar voor de I/M-test is, kunt u de volgende rijcyclus maken, zowel in de stad als op de snelweg: 15 minuten constante snelheid op een snelweg of autoweg, gevolgd door 20 minuten stop-and-go met minimaal vier perioden van 30 s waarin de motor stationair loopt. Laat uw auto minstens acht uur staan met het contact uit. Start het auto daarna en maak de bovenstaande rijcyclus af. De auto moet de normale bedrijfstemperatuur bereiken. Zet de auto na het starten niet uit voor u de bovenstaande rijcyclus hebt afgemaakt. Als de auto nog steeds niet klaar voor de I/M-test is, herhaal dan de bovenstaande rijcyclus. 128

133 Hoogspanningsaccu ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWING Laat de accu uitsluitend door een erkende monteur voor elektrische auto's onderhouden. Ondeskundigheid kan letsel of de dood tot gevolg hebben. N.B.: De hoogspanningsaccu heeft geen regelmatig onderhoud nodig. Uw auto bestaat uit diverse hoogspanningsonderdelen en -bedrading. Alle hoogspanning stroomt door specifieke bedradingssystemen die zijn voorzien van een bijbehorend label of zijn omhuld met een geheel oranje isolatie, oranje gestreepte tape of beide. Raak deze componenten niet aan. Het hoogspanningsaccusysteem is een systeem met een hoogspanningslithium-ionaccu. De accu bevindt zich in de achterste laadruimte. Het hoogspanningsaccusysteem gebruikt een luchtkoelsysteem voor het regelen van de temperatuur van de hoogspanningsaccu, zodat deze zo lang mogelijk meegaat. E N.B.: De hoogspanningsaccu is uitgerust met luchtroosters in de accubak, die helpen om de temperatuur te regelen. Het is belangrijk dat deze openingen niet geblokkeerd worden. Blokkeer de luchtstroom van interieurlucht naar dit gebied niet. SERVICEONTKOPPELING HOOGSPANNINGSACCU De serviceontkoppeling van de hoogspanningsaccu schakelt de stroom van de hoogspanningsaccu uit. N.B.: In uw auto zit een ontkoppelingscircuit. Als het circuit wordt ontkoppeld, wordt de hoogspanningsaccu automatisch uitgeschakeld. 129

134 Hoogspanningsaccu Om de accu uit te schakelen en alle elektrische hoogspanningsactiviteit in de auto te stoppen, kunt u het ontkoppelingscircuit voor hoogspanning gebruiken. Om dit te doen, ontkoppelt u het circuit van de circuitaansluiting die op de accu is aangesloten. N.B.: De serviceontkoppeling heeft een buitenhendel, die helpt om de serviceontkoppeling op zijn plaats te houden. Verwijder de buitenhendel om de hoogspanningsserviceontkoppeling te ontkoppelen. De serviceontkoppeling van de hoogspanningsaccu bevindt zich achter de achterste inklapbare stoelen. Locatie van de serviceontkoppeling bij voertuigen die geen Energi-model zijn. De hoogspanningsaccu uitschakelen 1. Vouw de achterste stoelen omlaag en verwijder het afdekpaneel. 2. Vind de toegangsdeur en verwijder de plastic afdekking. E Trek aan de buitenste afdekking om de hendel van de serviceontkoppeling bloot te leggen. E Locatie van de serviceontkoppeling bij Energi-voertuigen. E Verschuif de handgreep op de serviceontkoppeling naar buiten, naar rechts. Bij Energi-voertuigen verschuift u de handgreep naar buiten en naar links. E

135 Hoogspanningsaccu E Trek de handgreep naar u toe en verwijder de serviceontkoppeling uit de auto om de hoogspanningsaccu uit te schakelen. De hoogspanningsaccu opnieuw inschakelen N.B.: Als u handmatig het ontkoppelingscircuit voor hoogspanning hebt ontkoppeld, dient u het circuit opnieuw aan te sluiten voordat u het opnieuw kunt activeren. Het systeem detecteert of het elektrisch systeem veilig is en wordt automatisch geactiveerd. HOOGSPANNINGSACCU LADEN WAARSCHUWINGEN Sluit de laadkabel niet aan op een verlengsnoer, randaardeverloop, piekspanningsbeveiliging, timer of andere adapter. Voorkom brandbare dampen omdat de aanwezige onderdelen vlambogen en vonken maken. Plaats deze apparatuur minstens 18 inch (80 millimeter) boven de vloer. WAARSCHUWINGEN De stekker moet stevig in het wandstopcontact zitten. Als de verbinding los aanvoelt, versleten is of het wandstopcontact kapot is, moet u het stopcontact door een erkende elektricien laten vervangen. Als u de laadkabel op een versleten stopcontact aansluit, kunnen brandwonden en schade ontstaan en loopt u de kans op een stroomstoot. Oplaadapparatuur Uw auto heeft een standaard 230 volt laadkabel, opgeborgen in een tas in de bagageruimte. N.B.: Met de laadkabel kunt u de hoogspanningsaccu via een standaard 230 volt huishoudstopcontact opladen. Het duurt circa 7 uur om een lege accu via de standaard laadkabel helemaal op te laden. Wij adviseren het optionele 240 volt oplaadstation om de auto sneller en efficiënter op te laden. Het duurt circa 2,5 uur om een lege accu via het 240 volt oplaadstation helemaal op te laden. Uw elektrische installatie moet aan bepaalde eisen voldoen als u hoogspanningsaccu s wilt opladen: Het 230 volt stopcontact moet randaarde hebben, goed geaard zijn, 10 A (of meer) kunnen leveren en in goede staat verkeren. Het stopcontact moet een eigen circuit hebben, d.w.z. dat u geen andere apparaten op dezelfde groep mag aansluiten. N.B.: Als het geen eigen circuit heeft, laat dit dan op correcte wijze door een erkende elektricien aanleggen. 131

136 Hoogspanningsaccu Zorg dat de laadkabel helemaal is afgerold voor u begint te laden. Steek de laadkabel altijd eerst in het wandstopcontact voor u de oplaadstekker in de oplaadaansluiting van uw auto steekt. Het regelkastje van de laadkabel heeft drie controlelampen, die laadstatus, spanning, laadstroom en storing aangeven. Spanning (groen licht): Deze lamp licht op als u de laadkabel op het wandstopcontact aansluit. Laadstroom (groen licht): Geeft de laadstatus aan. Geen licht betekent dat u de kabel niet op de auto hebt aangesloten. Knipperen wil zeggen dat de auto wordt opgeladen. Continu branden betekent dat u de kabel hebt aangesloten, maar dat de auto niet bijlaadt. Storing (rode driehoek): Wijst op een gevonden storing en geeft aan dat laden onmogelijk is. Een knipperende rode driehoek wil zeggen dat de laadkabel de storing probeert te resetten en de laadcyclus eventueel kan herstarten. Een continu brandende rode driehoek wijst op een permanente storing. U moet de kabel loskoppelen en weer aansluiten om de storing te resetten. Neem contact op met een erkende dealer. Oplaadaansluiting De oplaadaansluiting zit tussen het linker voorportier en de wielkast van het linker voorwiel. Druk op de uitsparing in de oplaadklep om de klep te openen en te sluiten. E N.B.: Maak de oplaadklep niet met geweld open of dicht. Als u de klep met geweld opent of sluit, kan de oplaadaansluiting beschadigd raken. U kunt de verlichting van de lichtring anders instellen. De lichtring rond de oplaadaansluiting geeft de laadtoestand van de hoogspanningsaccu in uw auto aan. De lichtring rond de oplaadaansluiting is verdeeld in vier kwadranten, die telkens 25 procent van de laadtoestand aangeven. U kunt de ontgrendelknop van uw afstandsbediening indrukken om de laadtoestand te bekijken. Aan de verlichte kwadranten ziet u hoe ver de accu is opgeladen. Bij een laadtoestand onder 25 procent brandt de lichtring niet. Denk eraan dat u daarna op de vergrendelknop van de afstandsbediening drukt om uw auto weer te vergrendelen. De lichtring geeft de huidige laadtoestand ook aan als u de portieren opent. De laadkabelherkenning wordt geactiveerd zodra u een laadcyclus begint. De vier lichtkwadranten knipperen beurtelings rechtsom draaiend, te beginnen met de lamp rechtsboven en eindigend met de lamp linksboven: tweemaal om te bevestigen dat het systeem de oplaadstekker herkent. 132

137 Hoogspanningsaccu Laden N.B.: Uw auto moet in de P-stand staan om op te laden. Om uw hoogspanningsaccu op te laden: 1. Zet uw auto in de parkeerstand (P) en zet de auto uit. 2. Druk op de uitsparing in de oplaadklep om de klep te openen. 3. Steek de oplaadstekker in de oplaadaansluiting van uw auto. De knop moet klikken ten teken dat u de oplaadstekker goed hebt aangesloten. Als beide rechter kwadranten aan zijn en het kwadrant linksonder knippert, is de laadtoestand procent. Als de drie kwadranten aan zijn en het kwadrant linksboven knippert, is de laadtoestand procent. Als alle lampen van de lichtring branden, is het opladen klaar. N.B.: De lichtring gaat 1 minuut uit nadat de volledige laadtoestand is bereikt. Oplaadstekker vergrendelen N.B.: U kunt de oplaadstekker vergrendelen met een hang- of cijferslot met een beugeldiameter van 5 mm of minder. Bovendien moet het rechte stuk van de beugel 25,4 mm of langer zijn. E Controleer dat de laadkabelherkenning wordt geactiveerd. De laadkabelherkenning wordt geactiveerd zodra u een laadcyclus begint. 5. Als u een 240 volt oplaadstation gebruikt, volgt u de instructies op het station om het oplaadproces te beginnen. De lichtring rond de oplaadaansluiting geeft de laadtoestand van de hoogspanningsaccu in uw auto aan: Als het kwadrant rechtsboven knippert, is de laadtoestand 0-25 procent. Als het kwadrant rechtsboven aan is en het kwadrant rechtsonder knippert, is de laadtoestand procent. E Steek het slot door het gat in de knop van de oplaadstekker. 2. Druk het hang- of cijferslot dicht. Wachten op opladen N.B.: Zie Oplaadinstellingen in de paragraaf MyFord Touch. Zie SYNC 2 (bladzijde 223). Als u voor voordelig opladen kiest, begint het laden eventueel niet meteen na het aansluiten. De auto kan het opladen uitstellen om van het goedkopere daltarief te profiteren. De auto optimaliseert de oplaadplanning, zodat het opladen voltooid is tegen de volgende Vertrektijd. 133

138 Hoogspanningsaccu Als de auto met opladen wacht (laadt niet actief), dan geeft de lichtring de huidige laadtoestand van de hoogspanningsaccu als volgt aan: Als het kwadrant rechtsboven uit is, is de laadtoestand 0 25 procent. Als het kwadrant rechtsboven aan is en het kwadrant rechtsonder uit is, is de laadtoestand procent. Als beide rechter kwadranten aan zijn en het kwadrant linksonder uit is, is de laadtoestand procent. Als de drie kwadranten aan zijn en het kwadrant linksboven uit is, is de laadtoestand procent. Als de hele lichtring brandt, is de laadtoestand 100 procent. N.B.: Als de auto met opladen wacht, dooft de lichtring na 1 minuut als hij de huidige laadtoestand heeft weergegeven. Als de auto automatisch begint op te laden, gaat de lichtring weer aan om te laten zien hoever de accu al is opgeladen, zoals hierboven beschreven. N.B.: Als het systeem ergens in de oplaadcyclus een storing in het laadsysteem herkent, begint de hele lichtring 1 minuut lang te knipperen en daarna dooft hij. In dat geval moet u de oplaadstekker uit de oplaadaansluiting trekken en weer opnieuw aansluiten. Neem contact op met een erkende dealer als de storing aanhoudt. U kunt de verlichting van de lichtring anders instellen. Zie Instellingen lichtring oplaadaansluiting in de paragraaf MyFord Touch. Zie SYNC 2 (bladzijde 223). Oplaadstekker loskoppelen N.B.: Trek de stekker niet uit het wandstopcontact als de auto wordt opgeladen. Hierdoor kunnen het stopcontact en de kabel beschadigd raken. 1. Verwijder het slot van de knop op de oplaadstekker. 2. Druk op de knop van de oplaadstekker. 3. Houd de knop ingedrukt en trek de oplaadstekker uit de oplaadaansluiting van uw auto. E Sluit de oplaadklep door op de uitsparing van de oplaadklep te duwen. Blijf de uitsparing indrukken terwijl de klep linksom draait en sluit. ONDERBREKINGS- SCHAKELAAR HOOGSPANNINGSACCU De hoogspanningsuitschakelprocedure schakelt de stroom uit van de hoogspanningsaccu na een botsing of wanneer er hard tegen uw auto aangestoten wordt. Om uw auto weer aan te zetten na een van deze gebeurtenissen, voert u de volgende stappen uit: 1. Zet het contact uit. 2. Schakel het contact in. 3. Als uw auto na deze procedure nog geen stroom heeft, herhaalt u stap 1 en 2 maximaal tweemaal. Voor auto's met een drukknopstartsysteem: 1. Druk op de START/STOP-knop om het contact uit te zetten. 134

139 Hoogspanningsaccu 2. Trap het rempedaal in en druk op de START/STOP-knop. 3. Als uw auto na deze procedure nog geen stroom heeft, herhaalt u stap 1 en 2 maximaal tweemaal. N.B.: Tijdens dit proces detecteert uw auto of het elektrisch systeem veilig is en wordt het systeem opnieuw geactiveerd. Zodra uw auto vaststelt dat het elektrisch systeem veilig is, kunt u uw auto zoals gewoonlijk starten door de contactsleutel te draaien of door het rempedaal in te trappen terwijl u op de START/STOP-knop duwt. N.B.: Neem contact op met een erkende dealer als uw auto niet opnieuw wordt geactiveerd nadat u de sleutelprocedure driemaal geprobeerd hebt. 135

140 Versnellingsbak/transmissie AUTOMATISCHE TRANSMISSIE WAARSCHUWINGEN Zorg dat de parkeerrem altijd volledig ingeschakeld is en zorg dat de versnellingshendel is vastgezet in de parkeerstand (P). Zet het contact uit en verwijder de sleutel als u de auto verlaat. Bedien het rempedaal en het gaspedaal niet gelijktijdig. Door beide pedalen gelijktijdig gedurende meer dan 3 seconden te bedienen, wordt het motortoerental beperkt, waardoor het lastig kan zijn uw snelheid in het verkeer te handhaven, hetgeen tot een ongeval met ernstig letsel kan leiden. Automatische transmissie Uw auto in een versnelling zetten: 1. Trap het rempedaal helemaal in. 2. Beweeg de versnellingshendel in de gewenste versnelling. 3. Kom volledig tot stilstand. 4. Beweeg de versnellingshendel en zet deze vast in de parkeerstand (P). Parkeerstand (P) In deze stand wordt de transmissie vergrendeld en kunnen de voorwielen niet draaien. Kom volledig tot stilstand voordat u uw auto in of uit de parkeerstand (P) zet. Achteruit (R) Als de versnellingshendel in de stand achteruit (R) staat, rijdt uw auto achteruit. Zorg dat de auto altijd volledig stilstaat voordat u de transmissie in of uit de achteruit (R) zet. N (Neutraal) Als de versnellingshendel in de stand neutraal (R) staat, kan uw auto worden gestart en kan deze rollen. Houd het rempedaal ingetrapt terwijl de transmissie in neutraal staat. Vooruit (D) Vooruit (D) is de normale rijstand voor optimaal brandstofverbruik. Laag (L) Maximaliseert de remfunctie van de motor. De transmissie kan bij elke rijsnelheid in laag (L) worden gezet. Deze stand is niet bedoeld voor langdurig gebruik of voor gebruik bij normale rijomstandigheden en leidt tot een hoger brandstofverbruik. Bergrem: Druk de bedieningsknop van de transmissie aan de zijkant van de versnellingshendel in om de bergrem te activeren. E

141 Versnellingsbak/transmissie E Biedt extra remkracht op hellingen door middel van een combinatie van de motorfunctie en het opladen van de hoogspanningsaccu. Dit helpt om de rijsnelheid constant te houden wanneer u een helling afrijdt. Terwijl uw auto bepaalt hoeveel motorfunctie nodig is en hoeveel hoogspanningsaccu moet worden opgeladen, merkt u mogelijk dat het motortoerental toeneemt en afneemt. Dit helpt om uw rijsnelheid constant te houden wanneer u een helling afrijdt. Het bergremlampje in het instrumentenpaneel brandt. Het bergremlampje verschijnt in het instrumentenpaneel E wanneer de bergrem wordt ingeschakeld. WAARSCHUWINGEN Wanneer u deze procedure doorloopt, zet u uw auto uit de parkeerstand. Dat betekent dat uw auto vrij kan rollen. Om te voorkomen dat de auto zich ongewenst verplaatst, trekt u altijd de parkeerrem aan voordat u deze procedure uitvoert. Gebruik wielkeggen indien nodig. Als de handrem volledig is vrijgezet, maar de remwaarschuwingslamp blijft branden, werken de remmen wellicht niet correct. Neem contact op met uw erkende dealer. N.B.: Neem zo snel mogelijk contact op met uw erkende dealer als deze procedure wordt gebruikt. N.B.: Voor sommige markten is deze functie uitgeschakeld. Gebruik de hendel van de inschakelblokkering om de versnellingshendel uit de parkeerstand te zetten in geval van een elektrische storing of als uw auto een lege accu heeft. Bedien de handrem en zet de auto van contact alvorens deze procedure uit te voeren. Druk nogmaals op de bedieningsknop van de transmissie om terug te keren naar de normale rijstand (D). Inschakelblokkering WAARSCHUWINGEN Rijd niet met de auto voordat is gecontroleerd of de remlampen werken. 137

142 Versnellingsbak/transmissie N.B.: Beweeg de auto niet langer dan 1 minuut heen en weer, omdat anders de transmissie en de banden beschadigd kunnen raken of de motor oververhit kan raken. Als de auto vast komt te zitten in modder of sneeuw, mag deze heen en weer worden bewogen door te schakelen tussen vooruiten achteruitversnellingen (stoppen tussen schakelingen met een regelmatig patroon). Trap het gaspedaal in iedere versnelling licht in. E Verwijder het zijpaneel aan de rechterkant van de versnellingshendel. 2. Vind het toegangsgat. 3. Plaats een schroevendraaier (of vergelijkbaar gereedschap) in het toegangsgat en duw de hendel naar voren terwijl u de versnellingshendel uit de parkeerstand (P) en in de neutrale stand (N) zet. 4. Verwijder het gereedschap en breng het zijpaneel opnieuw aan. 5. Start uw auto en zet de parkeerrem vrij. Als de auto vast komt te zitten in modder of sneeuw N.B.: Beweeg de auto niet heen en weer als de motor niet op de normale bedrijfstemperatuur is; doet u dit wel, dan kan de transmissie beschadigd raken. 138

143 Remmen ALGEMENE INFORMATIE N.B.: Zo nu en dan kunnen remgeluiden hoorbaar zijn; dit is normaal. Als een geluid van metaal op metaal, een voortdurend schurend geluid of een voortdurend piepgeluid hoorbaar is, kunnen de remvoeringen zijn versleten. Laat het systeem controleren door een erkende dealer. Als voortdurend trillen of schokken in het stuur voorkomt tijdens het remmen, laat u de auto controleren door een erkende dealer. N.B.: Remstof kan zich ophopen op de wielen (zelfs onder normale rijomstandigheden). Een kleine hoeveelheid stof is onvermijdelijk, aangezien de remmen slijten. Dit zorgt niet voor geluid tijdens het remmen. Zie Lichtmetalen velgen reinigen (bladzijde 205). E Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 74). Natte remmen leiden tot een geringere remwerking. Trap het rempedaal enkele malen voorzichtig in tijdens wegrijden bij een wasstraat of stilstaand water om de remmen te drogen. Remmen over het gaspedaal In het geval dat het gaspedaal vast of klem komt te zitten, trapt u het rempedaal stevig en constant in om de auto af te remmen en het motorvermogen te verminderen. Als deze situatie zich voordoet, trapt u de rem in en brengt u uw auto veilig tot stilstand. Zet de transmissie in de parkeerstand (P), zet de motor uit en schakel de parkeerrem in. Kijk of het gaspedaal geblokkeerd wordt. Als u niets ziet wat het gaspedaal blokkeert maar de situatie zich blijft voordoen, laat u uw auto naar de dichtstbijzijnde erkende dealer slepen. Remhulp De remhulp detecteert wanneer u bruusk remt door te meten in hoeverre u het rempedaal indrukt. Het systeem zorgt voor een maximale remdruk zolang het rempedaal wordt ingedrukt. De remhulp kan de stopafstanden beperken in kritieke situaties. Anti-blokkeerremsysteem Dit systeem helpt om de controle over het stuur te houden tijdens een noodstop door te voorkomen dat de remmen blokkeren. Dit lampje brandt ook kortstondig wanneer u het contact aanzet. Als het lampje niet gaat branden wanneer u het contact aanzet, als het blijft branden of als het knippert, is het systeem mogelijk uitgeschakeld. Laat het systeem controleren door een erkende dealer. Als het antiblokkeersysteem is uitgeschakeld, werken de gewone remmen nog wel. Als het remwaarschuwingslampje E brandt wanneer u de parkeerrem vrijzet, laat u het systeem controleren door een erkende dealer. Regeneratief remsysteem Deze functie wordt gebruikt om de motorremfunctie van een verbrandingsmotor te simuleren en om het standaardremsysteem te helpen. Verder wordt een gedeelte van de bewegingsenergie teruggewonnen en in de accu opgeslagen, om het bereik van uw auto te verbeteren. Het standaardremsysteem is ontworpen om de auto volledig tot stilstand te brengen als regeneratief remmen niet beschikbaar is. Tijdens regeneratief remmen wordt de motor als een dynamo gedraaid, om 139

144 Remmen elektrische stroom op te wekken. Zo wordt de accu opnieuw opgeladen en wordt de auto afgeremd. In feite verandert de motor van een energieverbruiker in een energieopwekker zodra het gaspedaal wordt losgelaten. Wanneer het gaspedaal wordt losgelaten of als het rempedaal wordt ingetrapt, detecteert de remregelaar automatisch hoeveel u wilt afremmen. De hoeveelheid remkracht die wordt geproduceerd door regeneratief remmen wordt vervolgens geoptimaliseerd. De resterende hoeveelheid remkracht wordt geleverd door standaard wrijvingsremmen. Wanneer de accu bijna volledig is opgeladen, wordt de hoeveelheid regeneratief remmen beperkt om te voorkomen dat de accu wordt overladen. De gevraagde remkracht wordt alleen geproduceerd door standaard wrijvingsremmen. Regeneratief remmen is geen vervanging van standaard wrijvingsremmen, maar werkt slechts ter aanvulling. Regeneratief remmen is ook ontworpen om te communiceren met het antiblokkeersysteem. Regeneratief remmen wordt uitgeschakeld wanneer het antiblokkeersysteem wordt geactiveerd of als de accu volledig is opgeladen. TIPS VOOR RIJDEN MET ABS N.B.: Wanneer het systeem in werking is, pulseert het rempedaal en legt wellicht een langere weg af. Blijf het rempedaal indrukken. Er is tevens wellicht een geluid hoorbaar vanaf het systeem. Dat is normaal. Het anti-blokkeerremsysteem voorkomt geen risico's die ontstaan wanneer: U te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt. Uw auto last heeft van aquaplanning. U bochten te snel neemt. Het wegdek slecht is. PARKEERREM WAARSCHUWING Trek de handrem altijd volledig aan en laat de auto achter met de keuzehendel van de transmissie in stand P. N.B.: Druk de ontgrendelknop tijdens het aantrekken niet in. De handrem inschakelen: 1. Druk het rempedaal krachtig in. 2. Trek de handremhendel volledig omhoog. N.B.: Als de auto wordt geparkeerd op een helling en naar boven wijst, zet de keuzehendel dan in stand P en draai het stuur weg van de stoeprand. N.B.: Als de auto wordt geparkeerd op een helling en naar beneden wijst, zet de keuzehendel dan in stand P en draai het stuur richting de stoeprand. De handrem lossen: 1. Druk het rempedaal stevig in. 2. Trek de hendel enigszins omhoog 3. Druk op de ontgrendelknop en druk de hendel naar beneden. REGELING VOOR BERGOP RIJDEN WAARSCHUWINGEN Het systeem vervangt niet de parkeerrem. Als u de auto verlaat, moet u altijd de parkeerrem aantrekken en de transmissie in de P-stand zetten. U moet in de auto blijven zitten nadat het systeem is geactiveerd. 140

145 Remmen WAARSCHUWINGEN U blijft altijd verantwoordelijk voor het besturen van uw auto, de controle van het systeem en de eventueel vereiste ingrepen. Als de motor te veel toeren maakt of een storing wordt herkend, wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem maakt het eenvoudiger tegen een helling weg te rijden zonder dat u de parkeerrem hoeft te gebruiken. Als het systeem actief is, blijft de auto nadat u het rempedaal hebt losgelaten twee tot drie seconden op de helling stilstaan. Dit geeft u de tijd om uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal te verplaatsen. De remmen worden automatisch gelost zodra de motor voldoende kracht levert om te voorkomen dat de auto op een helling achteruitrijdt. Dit is een voordeel bij het wegrijden op een helling (bijv. in een parkeergarage, voor verkeerslichten of als u bergop achteruit inparkeert). Het systeem werkt vanzelf op elke helling die steil genoeg is om de auto achteruit te laten rijden. Hill Start Assist gebruiken 1. Druk het rempedaal in om de auto volledig tot stilstand te brengen. Houd het rempedaal ingedrukt. 2. Als de sensoren detecteren dat uw auto op een helling staat, wordt het systeem automatisch ingeschakeld. 3. Als u uw voet van het rempedaal haalt, blijft uw auto ongeveer twee tot drie seconden op de helling staan zonder terug te rollen. Deze periode wordt automatisch verlengd als u bezig bent weg te rijden. 4. Rijd op de normale manier weg. De remmen worden automatisch gelost. 141

146 Aandrijfregeling WERKING Het tractieregelsysteem helpt het doordraaien van aangedreven wielen en verlies van tractie te voorkomen. Indien uw auto begint te schuiven, laat het systeem de remmen van individuele wielen aangrijpen en, indien nodig, vermindert het tegelijkertijd het motorvermogen. Indien de wielen tijdens het accelereren op gladde of losse ondergrond doordraaien, vermindert het systeem het motorvermogen om de tractie te vergroten. GEBRUIK MAKEN VAN AANDRIJFREGELING In bepaalde situaties, als u bijvoorbeeld vastzit in de sneeuw of in de modder, kan het goed zijn om de aandrijfregeling uit te schakelen, aangezien de wielen dan kunnen draaien met het volledige motorvermogen. Naargelang het soort systeem dat u op uw auto hebt, kunt u het systeem uitzetten via het informatiedisplay of door op de toets te drukken. Het systeem uitschakelen via de bedieningstoetsen op het informatiedisplay (indien aanwezig) Uw auto wordt geleverd met ingeschakeld systeem. Indien nodig kunt u deze functie uitschakelen via de bedieningstoetsen op het informatiedisplay. Zie (bladzijde 78). Het systeem uitschakelen via een schakelaar (indien aanwezig) De toets bevindt zich op het dashboard. Druk op de toets. Er verschijnt een bericht vergezeld van een verlicht pictogram in de display. Druk opnieuw op de toets om terug te keren naar normale modus. Als u het systeem voor de aandrijfregeling uitschakelt, blijft de stabiliteitsregeling volledig actief. Lampjes en berichten diefstalbeveiliging WAARSCHUWING Als er een storing is gedetecteerd in het AdvanceTrac-systeem, blijft het lampje van de stabiliteitsregeling branden. Controleer dat het AdvanceTrac-systeem niet handmatig werd uitgeschakeld via het informatiedisplay. Als het lampje van de stabiliteitsregeling blijft branden, laat u het systeem onmiddellijk controleren door een erkende dealer. De auto besturen met AdvanceTrac uitgeschakeld kan leiden tot een groter risico op verlies van controle over de auto, kantelen van de auto en (dodelijke) verwondingen. Het lampje van de stabiliteitsregeling brandt E tijdelijk wanneer de motor wordt gestart en knippert wanneer het stabiliteitssysteem wordt ingeschakeld tijdens het rijden. Het lampje van de stabiliteitsregeling uit brandt tijdelijk wanneer de motor wordt gestart en blijft branden wanneer u het systeem van de aandrijfregeling uitschakelt. Als u het systeem van de aandrijfregeling uit- of inschakelt, verschijnt er een bericht in het informatiedisplay met de systeemstatus. 142

147 Stabiliteitsregeling WERKING WAARSCHUWINGEN Voertuigaanpassingen, bijvoorbeeld aan het remsysteem, achteraf gemonteerde imperialen, wielophanging, besturingssysteem en wielen bandgrootte kunnen invloed hebben op de rijeigenschappen van uw auto en kunnen de prestaties van het AdvanceTrac-systeem negatief beïnvloeden. Daarnaast kan de installatie van stereoluidsprekers het AdvanceTrac-systeem verstoren en negatief beïnvloeden. Installeer elke achteraf geplaatste stereoluidspreker zo ver mogelijk van de middenconsole voor, de tunnel en de voorstoelen, om het risico van storing van de AdvanceTrac-sensoren te beperken. Als de doeltreffendheid van het AdvanceTrac-systeem beperkt wordt, kan dit leiden tot een groter risico op verlies van controle over de auto, kantelen van de auto en (dodelijke) verwondingen. Vergeet niet dat zelfs geavanceerde technologie gebonden is aan de wetten van de natuurkunde. Het is altijd mogelijk om de macht over het stuur kwijt te raken doordat de bestuurder een handeling verricht die niet bij de omstandigheden past. Agressief rijden op alle wegdekken kan leiden tot verlies van de controle over uw auto en de kans op ernstig letsel of eigendomsschade vergroten. Als het AdvanceTrac-systeem geactiveerd wordt, geeft dit aan dat een of meerdere banden hun vermogen om grip op de weg te houden hebben overschreden. Dit kan ervoor zorgen dat de bestuurder minder controle over de auto heeft, met als mogelijke gevolgen verlies van de macht over het stuur, kantelen van de auto en (dodelijke) verwondingen. Als uw AdvanceTrac-systeem geactiveerd wordt, VERMINDER UW SNELHEID. Het AdvanceTrac-systeem met rolstabiliteitscontrole (RSC) helpt u om de controle over uw auto te houden op gladde oppervlakken. Het gedeelte met elektronische stabiliteitscontrole van het systeem voorkomt slippen en zijwaarts glijden, de rolstabiliteitscontrole helpt voorkomen dat de auto kantelt. Het tractieregelsysteem helpt het doordraaien van aangedreven wielen en verlies van tractie te voorkomen. Zie Gebruik maken van aandrijfregeling (bladzijde 142). E72903 B A B A B B A B A Voertuig zonder AdvanceTrac met RSC dat van zijn bedoelde route afslipt. Voertuig met AdvanceTrac met RSC dat op een glad oppervlak bestuurbaar blijft. 143

148 Stabiliteitsregeling GEBRUIK MAKEN VAN STABILITEITSREGELING AdvanceTrac met rolstabiliteitscontrole (RSC ) Het systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer u uw auto start. Het AdvanceTrac-systeem met RSC kan niet volledig worden uitgeschakeld, maar de systeemgedeelten voor elektronische stabiliteitscontrole en rolstabiliteitscontrole worden uitgeschakeld als de transmissie in stand R wordt gezet. U kunt de aandrijfregeling (traction control) van het systeem afzonderlijk uitzetten. Zie Gebruik maken van aandrijfregeling (bladzijde 142). 144

149 Parkeerhulp PARKEERHULP WAARSCHUWINGEN Om letsel te voorkomen, moet u deze paragraaf over de beperkingen van het systeem hebben gelezen en begrepen. De sensoren zijn slechts een hulpmiddel om bepaalde (meestal grote en vaste) voorwerpen te herkennen als u op een vlakke ondergrond met parkeersnelheid achteruitrijdt. Verkeersregelingen, slecht weer, luchtremmen, uitwendige motoren en ventilatoren kunnen het sensorsysteem ook beïnvloeden, bijv. door verminderde prestaties of een onterechte activering. Om letsel te voorkomen, moet u altijd voorzichtig zijn in de achteruit (R) en als u het sensorsysteem gebruikt. Het systeem is niet ontworpen om contact met kleine of bewegende voorwerpen te voorkomen. Het systeem is ontworpen om de bestuurder te waarschuwen bij het naderen van grote stilstaande voorwerpen, zodat schade aan de auto wordt voorkomen. Het systeem herkent wellicht geen kleinere voorwerpen, vooral dicht bij de grond. Bepaalde accessoires, zoals grote trekhaken, fiets- of surfplankdragers en andere zaken die de normale detectiezone van het systeem blokkeren, kunnen valse piepsignalen veroorzaken. N.B.: Als uw auto MyKey heeft, kunt u verhinderen dat het systeem wordt uitgeschakeld. Zie MyKey (bladzijde 37). Het sensorsysteem waarschuwt de bestuurder voor obstakels binnen een bepaalde afstand tot de bumper. Als het systeem waarschuwt, wordt het radiovolume verminderd tot een vooraf bepaald niveau. Na de waarschuwing keert het radiovolume terug naar het eerdere niveau. Sensorsysteem achter De achtersensoren werken alleen als de transmissie in de achteruit (R) staat. Naarmate de auto het obstakel nadert, volgen de geluidssignalen elkaar eerder op. Als het obstakel minder dan 30 cm ver is, klinkt het geluidssignaal continu. Als het systeem een stilstaand of vertrekkend voorwerp herkent, verder dan 30 cm van de zijkant van de auto, dan klinkt het geluid maar 3 seconden. Zodra het systeem een naderend voorwerp ontdekt, klinkt de waarschuwing opnieuw. N.B.: Houd de sensoren in de bumper vrij van sneeuw, ijs en zware vuilophopingen. Als de sensoren bedekt zijn, werkt het systeem eventueel minder nauwkeurig. N.B.: Als uw auto schade aan de bumper heeft, waardoor deze scheef of krom is, kan de detectiezone veranderd zijn, waardoor het systeem onnauwkeurig meet en valse alarmen geeft. E Detectiezone achter tot 6 voet (1,8 meter) van de achterbumper. Er is een kleiner detectiegebied rond de bumperhoeken. 145

150 Parkeerhulp Het systeem herkent bepaalde voorwerpen als de transmissie in de achteruit (R) staat: En u een stilstaand voorwerp nadert met een snelheid van 5 km/h of lager. En u stilstaat terwijl een voorwerp de achterkant van de auto nadert met een snelheid van 5 km/h of lager. U kunt het systeem uitschakelen via het informatiedisplay. Als het systeem een storing heeft, verschijnt er een waarschuwing op het informatiedisplay en kunt u het defecte systeem niet meer inschakelen. Sensorsysteem voor De voorste sensoren werken als de keuzehendel in een andere stand dan de parkeer- of neutraalstand (P of N) staat en de rijsnelheid lager is dan 10 km/h. Het systeem geeft de volgende geluidssignalen als obstakels dicht bij de voor- of achterbumper staan: Een hoog geluid uit de voorste radioluidsprekers geeft aan dat de voorsensoren voorwerpen herkennen. Een lager geluid uit de achterste luidsprekers geeft aan dat de achtersensoren voorwerpen herkennen. Het sensorsysteem waarschuwt voor het obstakel dat het dichtst bij de voorof achterkant staat. Als een voorwerp bijv. 60 cm van de voorkant staat, terwijl tegelijkertijd een ander voorwerp op maar 40 cm van de achterkant staat, hoort u het lagere geluidssignaal. Een afwisselend geluidssignaal van voren en achteren geeft aan dat er voorwerpen op minder dan 25 cm van beide bumpers staan. Nadere informatie over het achteruitrijden met het systeem vindt u in de betreffende paragraaf. A E A Detectiegebied tot 27 inch (70 centimeter) van de neus van de auto en circa 14 inch (35 centimeter) tot de flank aan de voorkant van de auto. Informatie over het detectiegebied vindt u in de paragraaf over het sensorsysteem achter. E Druk op de knop om het systeem in te schakelen. Het blijft de hele contactcyclus aan. U kunt het systeem ook via het informatiedisplay aanzetten. 146

151 Parkeerhulp ACTIEVE PARKEERHULP WAARSCHUWING Het systeem is ontworpen als aanvullend hulpmiddel bij het parkeren. Mogelijk werkt het systeem niet onder alle omstandigheden. Het systeem is niet bedoeld ter vervanging van de aandacht en het inschattingsvermogen van de bestuurder. De bestuurder is verantwoordelijk voor het vermijden van gevaren en voor het handhaven van een veilige afstand en snelheid, ook wanneer het systeem is ingeschakeld. N.B.: De bestuurder blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto, de bewaking van het systeem en ingrijpen indien nodig. Het systeem detecteert een beschikbare parkeerplek waar u kunt fileparkeren en stuurt de auto automatisch naar de plek (handsfree), terwijl u het gas, de versnelling en remmen bedient. Het systeem geeft u hoorbaar en zichtbaar instructies om de auto te parkeren. Het systeem werkt mogelijk niet correct als er iets tussen de voorbumper en de parkeerplek beweegt (bijvoorbeeld een voetganger of fietser) of als de rand van het volgende geparkeerde voertuig zich hoog boven de grond bevindt (bijvoorbeeld een bus, sleepauto of vrachtwagen met hoge oplegger). N.B.: Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het mogelijk dat de sensoren bepaalde voorwerpen niet 'zien'. N.B.: De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak dat ultrasone geluidsgolven absorbeert niet 'zien'. N.B.: Na een bandenwissel doorloopt het systeem een procedure voor opnieuw leren. Gedurende deze periode kunnen de systeemprestaties afnemen. Het systeem moet niet worden gebruikt als: een vreemd object (bijvoorbeeld een fietsendrager of een aanhanger) op de voor- of achterkant van de auto is geplaatst of op een andere locatie in de buurt van de sensoren. een overhangend object (bijvoorbeeld een surfplank) op het dak is geplaatst. de sensoren van de voorbumper of aan de zijkant beschadigd zijn (bijvoorbeeld door een aanrijding) of door een vreemd object worden bedekt (bijvoorbeeld een voorbumperpaneel). een minireservewiel wordt gebruikt. Actieve parkeerhulp gebruiken E Druk op de toets. Het aanraakscherm toont een bericht en een bijbehorende afbeelding om aan te geven dat er naar een parkeerplek gezocht wordt. Gebruik de richtingaanwijzer om aan te geven aan welke kant van de auto u het systeem wilt laten zoeken. N.B.: Als de richtingaanwijzer niet aan wordt gezet, zoekt het systeem automatisch aan de passagierskant van de auto. 147

152 Parkeerhulp A E Zodra een geschikte plek gevonden is, toont het aanraakscherm een bericht en klinkt een geluidssignaal. Verminder uw snelheid en stop ongeveer bij positie (A). Volg daarna de instructies op het aanraakscherm. N.B.: U dient er op te letten dat de gekozen ruimte tijdens de manoeuvre te allen tijde vrij blijft van obstakels. N.B.: Voertuigen met overhangende belading (bijvoorbeeld een bus of vrachtwagen), straatmeubilair en andere voorwerpen worden mogelijk niet gedetecteerd door de actieve parkeerhulp. U dient zelf te controleren of de geselecteerde plek geschikt is om te parkeren. N.B.: De auto dient zo evenwijdig mogelijk langs andere voertuigen te worden gereden wanneer u langs een parkeerplek rijdt. N.B.: Het systeem biedt altijd de parkeerplek aan die als laatste is waargenomen (oftewel als de auto tijdens het rijden meerdere parkeerplekken ziet, biedt het systeem de laatste aan). N.B.: Als er sneller wordt gereden dan circa 20 mph (35 km/u), toont het aanraakscherm een waarschuwingsbericht om u te vragen uw snelheid te verminderen. Automatisch naar een parkeerplek sturen N.B.: Als de rijsnelheid hoger is dan 6 mph (10 km/h), schakelt het systeem uit en dient u de auto weer volledig zelf te bedienen. N.B.: Als een manoeuvre wordt onderbroken voordat deze is voltooid, wordt het systeem uitgeschakeld. De stuurpositie geeft niet de werkelijke positie van de besturing aan en u dient de volledige besturing van de auto over te nemen. Met uw handen van het stuurwiel af (en als niets de beweging ervan kan hinderen) en de transmissie in R (Achteruit) stuurt de auto zichzelf, terwijl in het aanraakscherm instructies worden getoond om de auto veilig naar voren en achteren in de parkeerplek te rijden. Terwijl u achteruit rijdt, toont het aanraakscherm een bericht met instructies om uw omgeving in de gaten te houden (omwille van de veiligheid) en om langzaam achteruit te rijden, samen met een bijbehorende afbeelding. 148

153 Parkeerhulp E Wanneer u vindt dat er voldoende ruimte voor en achter de auto is of wanneer de parkeerhulp een constante toon laat horen, brengt u de auto volledig tot stilstand. E Als automatisch sturen is voltooid, toont het aanraakscherm een bericht om aan te geven dat de actieve parkeerhulp klaar is met zijn functie. De bestuurder is verantwoordelijk voor de controle van het parkeren en voor het uitvoeren van eventuele noodzakelijke correcties, voordat de transmissie in P (Parkeerstand) wordt gezet. De parkeerhulpfuncie uitschakelen Het systeem kan handmatig worden uitgeschakeld door: op de knop voor actieve parkeerhulp te drukken het stuurwiel vast te pakken 30 seconden lang circa 20 mph (35 km/h) te rijden tijdens actief zoeken naar een parkeerplek meer dan 6 mph (10 km/h) te rijden tijdens automatisch sturen het systeem voor de aandrijfregeling (traction control) uit te schakelen. Bepaalde voertuigomstandigheden kunnen het systeem ook uitschakelen, zoals: De aandrijfregeling wordt geactiveerd op een glad of los oppervlak. Het antiblokkeersysteem grijpt in of heeft een storing. Een van de portieren (behalve die van de bestuurder) wordt geopend. Iets raakt het stuurwiel. 149

154 Parkeerhulp Als zich een probleem voordoet met het systeem, wordt een waarschuwingsbericht getoond, gevolgd door een geluidssignaal. Tijdens normale werking kunnen van tijd tot tijd systeemberichten worden getoond. Als systeemstoringen zich herhaaldelijk of vaak voordoen, neemt u contact op met een erkende dealer voor onderhoud van uw auto. Problemen oplossen met het systeem Het systeem zoekt geen vrije plek Mogelijk staat het systeem voor aandrijfregeling (traction control) uit Een van de portieren (behalve die van de bestuurder) is mogelijk niet helemaal dicht Het systeem biedt een bepaalde plek niet aan Mogelijk zit er iets tegen de sensoren van de voorbumper of zijkant aan Er is onvoldoende ruimt aan beide kanten van de wagen om te kunnen parkeren Er is onvoldoende ruimte voor de parkeermanoeuvre aan de overkant van de parkeerplek De auto staat meer dan 6,5 voet (2 meter) van de parkeerplek vandaan De auto staat minder dan 16 inch (40 centimeter) van naast de parkeerplek geparkeerde voertuigen vandaan De transmissie staat in R (Achteruit); de auto moet vooruit bewegen om een parkeerplek te kunnen detecteren Het systeem zet de auto niet in de parkeerplek zoals ik dat wil De auto rolt in tegenovergestelde richting van de transmissie (oftewel rolt vooruit wanneer R [Achteruit] is geselecteerd) De transmissie staat in R (Achteruit); de auto moet vooruit bewegen om een parkeerplek te kunnen detecteren Een oneffen stoep naast de parkeerplek zorgt ervoor dat het systeem de auto niet goed kan uitlijnen Voertuigen of voorwerpen naast de parkeerplek staan mogelijk onjuist De auto is te ver langs de parkeerplek gereden. Het systeem werkt het beste als u dezelfde afstand langs de parkeerplek rijdt De banden zijn mogelijk onjuist gemonteerd of onderhouden (oftewel verkeerd opgepompt, van verkeerde grootte of van verschillende groottes) 150

155 Parkeerhulp Het systeem zet de auto niet in de parkeerplek zoals ik dat wil Een reparatie of aanpassing heeft de detectiecapaciteiten gewijzigd Een geparkeerd voertuig heeft een hoog uitstekend onderdeel (bijvoorbeeld een zoutsproeier, sneeuwploeg, laadplatform, enzovoort) De lengte van de parkeerplek of de positie van geparkeerde voorwerpen is gewijzigd nadat uw auto er langsreed. De temperatuur rond uw auto wijzigt snel (bijvoorbeeld door vanuit een verwarmde garage de kou in te rijden of door uit een autowasstraat te rijden) ACHTERUITKIJKCAMERA WAARSCHUWINGEN Het achteruitkijkcamerasysteem is een aanvullend hulpmiddel bij het achteruitrijden, dat de bestuurder steeds samen met de binnen- en buitenspiegels moet gebruiken voor een maximaal zicht. Voorwerpen die zich dicht in de buurt bevinden van een van de hoeken van de bumper of onder de bumper, worden mogelijk niet op het scherm getoond wegens het beperkte bereik van het camerasysteem. Rijd zo traag mogelijk achteruit, aangezien u bij hogere snelheden minder reactietijd hebt om uw auto te stoppen. Wees voorzichtig als u de achteruitkijkcamera gebruikt en de achterklep gedeeltelijk geopend is. Als de achterklep gedeeltelijk geopend is, is de camera uit positie en is het videobeeld mogelijk onjuist. Alle richtlijnen zijn verwijderd als de achterklep geopend is. Wees voorzichtig als u de camerafuncties aan- of uitzet terwijl de auto in de achteruitrijversnelling (R) staat. Zorg ervoor dat uw auto niet beweegt. Het achteruitkijkcamerasysteem biedt een videobeeld van het gebied achter uw auto. Tijdens gebruik worden lijnen in het scherm weergegeven die het pad van uw auto en de afstand tot voorwerpen achter uw auto weergeven. E De camera bevindt zich op de achterklep. Het achteruitkijkcamerasysteem gebruiken Het achteruitkijkcamerasysteem toont wat zich achter uw auto bevindt wanneer u de transmissie in de achteruit (R) zet. 151

156 Parkeerhulp Het systeem gebruikt drie soorten richtlijnen die u helpen zien wat zich achter uw auto bevindt. Actieve richtlijnen: tonen het beoogde pad van uw auto terwijl u achteruitrijdt. Vaste richtlijnen: tonen het daadwerkelijke pad dat uw auto aflegt terwijl u recht achteruitrijdt. Dit kan handig zijn wanneer u achteruit inparkeert of als u uw auto op een lijn wilt brengen met een ander voorwerp achter u. Middenlijn: helpt om het midden van uw auto met een voorwerp uit te lijnen (zoals bijvoorbeeld een aanhanger). N.B.: Als de transmissie in de achteruit (R) staat en de bagageruimte gedeeltelijk geopend is, worden er geen achteruitkijkcamerafuncties weergegeven. N.B.: Als het beeld verschijnt terwijl de transmissie niet in de achteruit (R) staat, laat u het systeem inspecteren door uw erkende dealer. N.B.: Tijdens slepen ziet de camera alleen wat er achter uw auto wordt gesleept. Dit biedt mogelijk onvoldoende dekking vergeleken met de dekking bij normaal gebruik, aangezien sommige voorwerpen mogelijk niet te zien zijn. In sommige auto's kunnen de richtlijnen verdwijnen, zodra de aanhangerstekker wordt ingeschakeld. N.B.: De camera werkt wellicht niet correct onder de volgende omstandigheden: 's Nachts of in donkere gebieden als een of beide achteruitrijlampen niet werken. Het zicht van de camera is geblokkeerd door modder, water of vuil. Maak de lens schoon met een zachte, pluisvrije doek en een zacht schoonmaakmiddel. De achterkant van uw auto is geraakt of beschadigd, waardoor de camera niet meer goed is uitgelijnd. Om de instellingen van de achteruitkijkcamera te openen, selecteert u het volgende in het aanraakscherm terwijl de transmissie niet in de achteruit (R) staat: Menu > Voertuig > Achteruitkijkcamera Nadat u een systeeminstelling gewijzigd hebt, laat het aanraakscherm een voorbeeld zien van de geselecteerde functies. Camerarichtlijnen N.B.: Vaste richtlijnen zijn alleen beschikbaar als de transmissie in de achteruit (R) staat. N.B.: De middenlijn is alleen beschikbaar als de actieve of vaste richtlijnen aan staan. E A B C D A B Actieve richtlijnen Middenlijn F E 152

157 Parkeerhulp C D E F Vaste richtlijn: groene zone Vaste richtlijn: gele zone Vaste richtlijn: rode zone Achterbumper Actieve richtlijnen worden alleen getoond met vaste richtlijnen. Om actieve richtlijnen te gebruiken, draait u het stuurwiel om de richtlijnen op een beoogd pad te richten. Als de positie van het stuurwiel gewijzigd wordt terwijl u achteruitrijdt, kan uw auto mogelijk afwijken van het oorspronkelijk bedoelde pad. De vaste en actieve richtlijnen worden zichtbaar of vervagen afhankelijk van de positie van het stuurwiel. De actieve richtlijnen worden niet getoond als het stuur recht gehouden wordt. Wees altijd voorzichtig wanneer u achteruitrijdt. Voorwerpen in de rode zone zijn het dichtst in de buurt van uw auto en voorwerpen in de groene zone bevinden zich verder weg. Voorwerpen komen dichter in de buurt van uw auto wanneer ze uit de groene zone komen en in de gele of rode zones terechtkomen. Gebruik de zijspiegels en de achteruitkijkspiegel voor beter zicht aan beide kanten en achter uw auto. Uitgebreide Park Pilot N.B.: Uitgebreide Park Pilot is alleen beschikbaar als de transmissie in de achteruit (R) staat. N.B.: Het sensorsysteem voor achteruitrijden werkt niet bij snelheden boven 12 km/h en neemt sommige hoekige of bewegende objecten mogelijk niet waar. Het systeem gebruikt rode, gele en groene markeringen die bovenop het videobeeld verschijnen wanneer een object wordt waargenomen door het sensorsysteem voor achteruitrijden. De waarschuwing markeert het dichtstbijzijnde waargenomen object. Beschikbare instellingen voor deze functie zijn AAN en UIT. Handmatig zoomen WAARSCHUWING Wanneer handmatig zoomen is ingeschakeld, wordt slechts een gedeelte van het gebied achter uw auto getoond. Let goed op uw omgeving wanneer u de functie voor handmatig zoomen gebruikt. N.B.: Handmatig zoomen is alleen beschikbaar als de transmissie in de achteruit (R) staat. N.B.: Wanneer handmatig zoomen is ingeschakeld, wordt alleen de middenlijn getoond. Hiermee kunt u het voorwerp achter uw auto van dichtbij bekijken. Het gezoomde beeld houdt als referentiepunt de bumper in beeld. Zoomen is alleen actief als de transmissie in de achteruit (R) staat. Indien de transmissie uit de achteruit (R) wordt gezet, wordt de functie automatisch uitgeschakeld. Om zoomen opnieuw te gebruiken moet de functie opnieuw worden ingesteld. Beschikbare instellingen voor deze functie zijn + en -. De standaardinstelling voor handmatig zoomen is UIT. 153

158 Parkeerhulp Vertraging achteruitrijcamera (indien aanwezig) Wanneer u de transmissie uit de achteruit (R) zet en in een van de versnellingen zet terwijl de vertraging van de achteruitrijcamera actief is, wordt het camerabeeld weergegeven totdat: uw rijsnelheid voldoende toeneemt. u uw auto in de parkeerstand (P) zet. Beschikbare instellingen voor deze functie zijn AAN en UIT. De standaardinstelling voor vertraging achteruitrijcamera is UIT. 154

159 Snelheidsregeling (Cruise Control) WERKING Via de cruise control kan een ingestelde snelheid worden aangehouden zonder uw voet op het gaspedaal te houden. U kunt de snelheidsregeling gebruiken bij een rijsnelheid hoger dan 30 km/h. GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING WAARSCHUWINGEN Schakel snelheidsregeling niet in onder drukke verkeersomstandigheden, op bochtige wegen en op gladde wegen. Dit zou tot controleverlies over de auto en fataal of dodelijk letsel kunnen leiden. Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de voertuigsnelheid hoger worden dan de ingestelde snelheid. Het systeem gebruikt de remmen niet. Schakel een versnelling terug om het systeem te helpen bij het aanhouden van de ingestelde snelheid. Doet u dit niet, dan zou zit tot controleverlies over de auto en fataal of dodelijk letsel kunnen leiden. N.B.: Snelheidsregeling wordt uitgeschakeld indien uw rijsnelheid meer dan 10 mph (16 km/u) onder uw ingestelde snelheid afneemt terwijl u een helling beklimt. E De bediening van de snelheidsregeling bevindt zich in het stuurwiel. Snelheidsregeling inschakelen Druk op de ON toets en laat deze los. E71340 Het controlelampje in het instrumentenpaneel gaat branden. Snelheid instellen 1. Accelereer tot de gewenste snelheid. 2. Druk op de SET+ toets en laat deze los. 3. Neem uw voet van het gaspedaal. Ingestelde snelheid veranderen Druk op de SET+ of SET- toets en houd deze ingedrukt. Laat de toets los zodra u de gewenste snelheid hebt bereikt. Druk op de SET+ of SET- toets en laat deze los. De ingestelde snelheid wordt met stappen van circa 1 mph (2 km/u) gewijzigd. Druk het gaspedaal of het rempedaal in tot de gewenste snelheid is bereikt. Druk op de SET+ toets en laat deze los. 155

160 Snelheidsregeling (Cruise Control) Ingestelde snelheid annuleren Trek CAN naar u toe en laat deze los of trap het rempedaal iets in. De ingestelde snelheid wordt niet gewist. Ingestelde snelheid hervatten Trek RES naar u toe en laat deze los. Snelheidsregeling uitschakelen N.B.: U wist de ingestelde snelheid indien u het systeem uitschakelt. Druk op de OFF toets en laat deze los, of schakel het contact uit. ECO-snelheidsregeling Met deze functie kunt u voertuigenergie besparen door minder te accelereren vergeleken met standaard snelheidsregeling. Uw auto kan bijvoorbeeld tijdelijk snelheid verminderen wanneer u heuvelop rijdt. ECO verschijnt in het informatiedisplay wanneer ECO-snelheidsregeling is ingeschakeld. Deze functie kan worden in- of uitgeschakeld via het informatiedisplay. Zie (bladzijde 78). 156

161 Rijhulpmiddelen STUURINRICHTING Elektrische stuurbekrachtiging WAARSCHUWING De elektrische stuurbekrachtiging heeft diagnosecontroles, die het systeem continu bewaken. Als een fout wordt gevonden, verschijnt een bericht op het informatiedisplay. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan. Zet het contact uit. Wacht minstens 10 seconden, zet het contact aan en kijk of het informatiedisplay een waarschuwing over de stuurinrichting aangeeft. Als de waarschuwing over de stuurinrichting terugkeert, moet u het systeem door een erkende dealer laten controleren. Uw auto heeft een elektrische stuurbekrachtiging. Er is geen oliereservoir. Er is geen onderhoud nodig. Als onder het rijden de stroom van uw auto uitvalt, valt ook de stuurbekrachtiging uit. De stuurinrichting werkt nog wel en u kunt onbekrachtigd sturen. Het onbekrachtigd sturen vraagt meer kracht. Als u langdurig grote stuurbewegingen maakt, kan de benodigde stuurkracht toenemen. Deze verminderde bekrachtiging voorkomt oververhitting en blijvende schade aan de stuurinrichting. U kunt de auto altijd onbekrachtigd blijven besturen. Bij normale stuur- en rijmanoeuvres zal het systeem kunnen afkoelen en weer normaal werken. Losse of versleten delen van de stuurinrichting. Verkeerde uitlijning. N.B.: Door een sterk aflopende weg of harde zijwind kan het lijken dat de stuurinrichting zwabbert of scheeftrekt. Adaptief inleren Het adaptieve inleren door de elektrische stuurbekrachtiging helpt onregelmatigheden op de weg te corrigeren en verbetert de algemene besturing en stuurgevoel. De stuurbekrachtiging communiceert met het remsysteem om de geavanceerde stabiliteitsregeling en de ongevalpreventiesystemen te bedienen. Als de accu werd losgekoppeld of een nieuwe accu is gemonteerd, moet u een stukje rijden om het systeem de strategie opnieuw te laten inleren en alle systemen te heractiveren. Tips voor het sturen Als de stuurinrichting zwabbert of scheeftrekt, controleert u op: De juiste bandenspanning. Onregelmatige bandenslijtage. Losse of versleten delen van de wielophanging. 157

162 Transport ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWINGEN Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN. Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet. Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte of de laadruimte. Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen. Overschrijd niet de maximum vooren achterasbelasting voor uw auto. Zie Voertuigidentificatieplaatje (bladzijde 215). Laat geen items in contact komen met de achterruiten. De opbergruimten onder de vloer zijn aangebracht achter de voorstoelen. Trek de handgreep omhoog om het deksel te ontgrendelen. BAGAGENETTEN Bagagenet N.B.: Wanneer u lange voorwerpen in uw auto laadt, zoals bijvoorbeeld buizen, houten planken of meubels, moet u voorzichtig zijn dat u de interieurbekleding niet beschadigt. OPBERGRUIMTE ONDER VLOER ACHTERIN E BAGAGEAFDEKKINGEN WAARSCHUWINGEN Zorg ervoor dat de pennen correct in de bevestigingspunten gehaakt zijn. Als de afdekking niet goed bevestigd is, kan deze letsel veroorzaken bij een ongeluk of als er plotseling geremd wordt. E

163 Transport WAARSCHUWINGEN Plaats geen voorwerpen op de laadruimte-afdekking. Deze kunnen het zicht belemmeren of inzittenden raken bij een plotselinge stop of botsing. De afdekking verwijderen Gebruik de laadruimte-afdekking om voorwerpen in de laadruimte van de auto te bedekken. E Druk de ontgrendelingsknoppen aan weerszijden naar voren en til vervolgens de afdekking uit de bevestigingspunten. U ziet een rode markering wanneer de knop ontgrendeld is. E Plaats de uiteinden van de laadruimte-afdekking in de bevestigingspunten op de achterste bekledingspanelen achter de achterbank om de laadruimte-afdekking aan te brengen. Bedienen van de laadruimte-afdekking: 1. Trek de achterste rand van de laadruimte-afdekking naar achteren. 2. Zet beide uiteinden van de steunbalk vast in de bevestigingsgaten, die te vinden zijn op de achterste zijpanelen. BEVESTIGINGSPUNTEN VOOR LADING Sjorogen E

164 Aanhangers trekken TREKKEN VAN EEN AANHANGER Sleepoog voorzijde WAARSCHUWING Trek nooit een aanhanger met uw auto. Deze aandrijflijn is niet ontworpen om te trekken. SLEEPPUNTEN WAARSCHUWING Het sleepoog is voorzien van linkse schroefdraad. Draai het linksom in het draadgat. Zorg ervoor dat het sleepoog tot de aanslag wordt aangehaald. Gebeurt dit niet, dan kan het sleepoog losschieten. E Verwijder het paneel en breng het sleepoog aan. Achterste trekogen Plaats sleepoog E De recuperatiehaak bevindt zich in de zak met de bandenreparatieset onder de passagiersstoel. Het sleepoog dient zich te allen tijde in uw auto te bevinden. E Verwijder het paneel en breng het sleepoog aan. N.B.: Als uw auto over een trekhaak beschikt, kunt u het sleepoog niet aan de achterzijde van de auto aanbrengen. Gebruik de trekhaak voor het slepen van andere auto's. 160

165 Aanhangers trekken TRANSPORT VAN DE AUTO Ford Motor Company produceert een sleephandleiding voor alle erkende bestuurders van sleepauto's. Laat de bestuurder van uw sleepauto deze handleiding raadplegen voor de juiste procedures om uw auto vast te koppelen of te slepen. De voorwielen (aangedreven wielen) moeten op een verrijdbaar onderstel worden geplaatst wanneer uw auto van achteren wordt gesleept met een hefuitrusting voor de wielen. Dit voorkomt schade aan de transmissie. We raden aan dat u de achterwielen op een verrijdbaar onderstel plaatst wanneer uw auto van voren wordt gesleept met een hefuitrusting voor de wielen. Dit voorkomt schade aan het achterschort. AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN E Als uw auto gesleept moet worden, neemt u contact op met een professionele sleepdienst of, als u lid bent van een programma voor pechassistentie, neemt u contact op met uw leverancier voor pechassistentie. We raden aan dat u een hefuitrusting voor de wielen en verrijdbare onderstellen of een uitrusting voor laadbedden gebruikt om uw auto te slepen. Gebruik geen hijsstrop om te slepen. Ford Motor Company heeft geen procedure goedgekeurd voor het slepen met een hijsstrop. Als de auto onjuist of met andere middelen wordt gesleept, kan de auto beschadigd raken. WAARSCHUWINGEN U moet het contact aanzetten als uw auto wordt gesleept. Als u deze waarschuwing negeert, kan dit ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. Zorg dat de keuzehendel van de transmissie in de stand N staat. Als u deze waarschuwing negeert, kan transmissieschade ontstaan met een botsing of letsel als gevolg. De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Trap het rempedaal harder in en houd rekening met de langere remweg en het zwaarder sturen. Als u niet voorzichtig bent, kan dit leiden tot een botsing of letsel. Te veel spanning op een sleepkabel kan uw auto of de trekkende auto beschadigen. 161

166 Aanhangers trekken Slepen in geval van nood Als uw auto in panne staat en er geen toegang is tot verrijdbare onderstellen, een takelwagen of een transportvoertuig met laadbed, mag de auto worden gesleept met alle wielen op de grond. Dat mag u in de volgende omstandigheden doen: Uw auto is vooruit gericht, zodat deze vooruit wordt gesleept. De keuzehendel van de transmissie staat in de stand N. Als de keuzehendel van de transmissie niet in de stand N kan worden geschakeld, moet deze wellicht worden uitgeschakeld. Zie Versnellingsbak/transmissie (bladzijde 136). Maximale snelheid is 50 km/h. Maximale afstand is 80 km. N.B.: Als u harder dan 50 km/h wilt rijden en verder dan 80 km wilt slepen, moeten de aandreven wielen omhoog worden gezet. N.B.: Wij raden aan dat u de auto niet met de aangedreven wielen op de grond sleept. Is het echter nodig om de auto van een gevaarlijke plek te verwijderen, sleep uw auto dan niet met snelheden boven 50 km/h of verder dan 80 km. WAARSCHUWING Gebruik bij een mechanische transmissieschade geen dolly onder één van de assen. De auto moet met alle wielen omhoog op een vlakke ondergrond worden gezet. U moet een sleepkabel of een sleepbalk gebruiken die sterk genoeg is voor het gewicht van de takelwagen en de auto die wordt gesleept. N.B.: Een sleepstang is de veiligste manier om een auto te slepen. Het gewicht de auto die wordt gesleept mag niet hoger zijn dan het gewicht van de takelwagen. Trek rustig en soepel zonder rukken op. U mag alleen het sleepoog gebruiken dat bij uw auto werd geleverd. Zie Sleeppunten (bladzijde 160). Sleepkabels of sleepbalken moeten aan dezelfde kant worden geplaatst. Bijvoorbeeld sleeppunt rechtsachter verbonden met sleeppunt rechtsvoor. 162

167 Tips voor het rijden INRIJDEN Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 300 mijl (480 kilometer). Tijdens deze periode kan uw auto ongewone rijeigenschappen vertonen. De motor heeft ook een inlooptijd. Voorkom hard accelereren en te snel rijden gedurende de eerste 1000 mijl (1600 kilometer). Voorkom indien mogelijk tijdens de inlooptijd zware belasting op steile hellingen. ECONOMISCH RIJDEN Uw brandstofverbruik hangt af van: Hoe u met uw auto rijdt. Hoe u uw auto onderhoudt. De omstandigheden waarin u uw auto rijdt. U kunt uw brandstofverbruik verbeteren door op de volgende aandachtspunten te letten: Rijd uw auto met redelijke snelheden. Rijden met 105 km/h verbruikt 15% minder brandstof dan rijden met 121 km/h. Rijd met constante snelheden zonder te stoppen. Anticipeer wanneer u moet stoppen. Als u de snelheid van uw voertuig vermindert, hoeft u mogelijk niet te stoppen. Houd de banden goed op spanning en gebruik alleen de voorgeschreven bandenmaten. Zet de verwarming uit als u deze niet gebruikt. Als u de verwarming aan hebt staan, zet u de ventilator en temperatuur op de laagste comfortabele instelling. Als het buiten koud is, parkeert u op een zonnige locatie of in een omgeving met klimaatregeling. Dit kan brandstof besparen, doordat er minder energie nodig is om het interieur te verwarmen. Zet de airconditioning uit als u deze niet gebruikt. Als u de airconditioning aan hebt staan, zet u de ventilator op de laagste en de temperatuur op de hoogste comfortabele instelling. Als het buiten warm of zonnig is, parkeert u op een locatie met schaduw of in een omgeving met klimaatregeling. U bespaart brandstof doordat er minder energie nog is om het interieur te koelen. Voor de C-MAX Energi kunt u de binnentemperatuur vooraf laten regelen om uw brandstofverbruik te verbeteren. Zie Hoogspanningsaccu (bladzijde 129). Zet de stoelverwarming uit als u deze niet gebruikt. Zet de ruitverwarming uit wanneer u deze niet meer nodig heeft voor zicht. Voor de C-MAX Energi geldt dat de hoogspanningsaccu altijd moet worden ingeplugd en opgeladen wanneer dit mogelijk is. Gebruik de ECO-snelheidsregeling, vooral op heuvelachtig terrein. Voor meer informatie over ECO-snelheidsregeling inschakelen, Zie Snelheidsregeling (Cruise Control) (bladzijde 155). Schakel naar een lage versnelling (L) als versterkte motorremwerking nodig is. Gebruik in andere gevallen de schakelpositie voor gewoon rijden (D). 163

168 Tips voor het rijden Combineer boodschappen die u moet doen en voorkom dat u vaak moet stoppen tijdens het rijden. Een warme motor werkt efficiënter. Wanneer u meerdere boodschappen doet, gaat u eerst naar de verste bestemming voordat u weer richting huis gaat. Sluit de ramen wanneer u op hoge snelheid rijdt. Gebruik de aanbevolen motorolie. Zie Capacities and Specifications (bladzijde?). Laat alle reguliere onderhoudsbeurten uitvoeren. Gebruik de coach- en remcoachweergave om feedback te krijgen over hoe economische uw rijstijl is. Voor meer informatie, Zie Infodisplays (bladzijde 78). Vermijd deze handelingen, aangezien ze uw brandstofverbruik verhogen: Vermijd onverwacht of snel accelereren en afremmen. Accelereer en rem af op een vloeiende, gematigde wijze. Vermijd dat u het motortoerental hoog laat oplopen voordat u uw auto uitzet. Vermijd lang stationair draaien. Laat uw auto op koude ochtenden niet warmdraaien. Laat uw voet tijdens het rijden niet op het rempedaal rusten. Vermijd onnodige belading van de auto. Voor elke 180 kg aan beladen gewicht verliest u ongeveer 1 mijl per gallon (0,4 kilometer per liter). Vermijd het toevoegen van accessoires die de aerodynamische weerstand van uw auto verhogen, zoals vliegenweringen, imperialen en ski- of fietsenrekken. Vermijd rijden met verkeerd uitgelijnde wielen. Zaken om op te letten wanneer u tankt: Er komen minder brandstofdampen vrij als het buien koel en donker is. Tank 's ochtends vroeg of 's avonds laat. Gebruik brandstof met het aanbevolen octaangehalte. Als u brandstof gebruikt met een lager octaangehalte, neemt uw brandstofverbruik toe. DOOR WATER RIJDEN WAARSCHUWING Rijd niet door stromend of diep water, want dan kunt u de controle over de auto verliezen. N.B.: Rijden door stilstaand water kan schade aan de auto veroorzaken. N.B.: Er kan motorschade ontstaan als water in het luchtfilter komt. Controleer de diepte voor u door stilstaand water rijdt. Rijd nooit door water dat hoger staat dan de onderkant van de voordorpels van uw auto. E Rijd heel langzaam door het stilstaande water en blijf niet stilstaan. De remwerking en grip zijn wellicht beperkt. Na het rijden door water en zodra het veilig is: Trap het rempedaal licht in om de remmen te drogen en te controleren. Controleer of de claxon werkt. 164

169 Tips voor het rijden Controleer of de buitenverlichting werkt. Draai aan het stuur om zien of de stuurbekrachtiging werkt. VLOERMATTEN WAARSCHUWINGEN Gebruik uitsluitend vloermatten die zijn ontworpen om te passen in de voetruimte van uw auto. Gebruik uitsluitend vloermatten die het gebied rondom de pedalen vrijlaten. Gebruik uitsluitend vloermatten die stevig bevestigd zijn aan bevestigingspennen zodat ze niet van hun plaats kunnen schuiven en ze de pedaalbediening niet hinderen of anderszins de bediening van de auto kunnen hinderen. Door pedalen die niet vrij kunnen bewegen kunt u de controle over de auto verliezen; hiermee vergroot u het risico op ernstig persoonlijk letsel. Zorg er altijd voor dat de vloermatten stevig aan de bij de auto meegeleverde bevestigingspennen in de vloerbedekking bevestigd zijn Vloermatten moeten stevig bevestigd zijn aan beide bevestigingspennen, zodat ze niet van hun plaats kunnen schuiven. Plaats nooit vloermatten of andere vloerbedekking in de voetruimte van de auto die niet stevig bevestigd kan worden om te voorkomen dat ze kunnen verschuiven en de pedaalbediening of de bediening van de auto kunnen hinderen. WAARSCHUWINGEN Plaats nooit vloermatten of andere vloerbedekking bovenop reeds aangebrachte vloermatten. Vloermatten moeten altijd bovenop de vloerbedekking van de auto en niet op andere vloermatten of vloerbedekking worden aangebracht. Extra vloermatten of andere vloertbedekking vermindert de ruimte rondom de pedaln en kan de pedaalbediening hinderen. Controleer de bevestiging van de vloermatten regelmatig. Breng vloermatten die voor vervanging of reiniging zijn verwijderd altijd weer op de juiste wijze en stevig aan. Zorg ervoor dat geen voorwerpen in de voetruimte van de bestuurder kunnen vallen terwijl de auto rijdt. Losse voorwerpen kunnen onder de pedalen beklemd raken waardoor u de controle over de auto kunt verliezen. Indien u de instructies voor het aanbrengen en bevestigen van vloermatten niet zorgvuldig opvolgt, kunt u hinder ondervinden bij het bedienen van de pedalen, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen. E

170 Tips voor het rijden Voor het installeren van vloermatten, plaatst u de vloermatten met het oogje over de bevestigingsstift; vervolgens drukt u de mat naar beneden om deze op de stift te vergrendelen. Ga voor het verwijderen van de vloermatten in omgekeerde volgorde van installeren te werk. 166

171 Wat te doen bij pech WAARSCHUWINGSKNIP- PERLICHTEN N.B.: Bij gebruik terwijl de auto niet aanstaat, loopt de accu leeg. Mogelijk is er onvoldoende stroom om uw auto opnieuw te starten. De knop voor alarmknipperlichten is aangebracht op het instrumentenpaneel. Gebruik de knop wanneer uw auto een veiligheidsgevaar is voor andere weggebruikers. Druk op de knop om de alarmknipperlichtfunctie in te schakelen (de richtingaanwijzers voor en achter gaan knipperen). Druk nogmaals op de schakelaar om de alarmknipperlichten uit te schakelen. BRANDSTOFAFSLUITER WAARSCHUWING Als brandstoflekken na een aanrijding niet worden geïnspecteerd en zo nodig gerepareerd, kan het risico van brand en ernstig letsel toenemen. Ford Motor Company raadt aan het brandstofsysteem na een aanrijding te laten controleren door een erkende dealer. Uw auto heeft een uitschakelfunctie voor de brandstofpomp, die de brandstofstroom naar de motor stopzet bij een middelzware tot zware aanrijding. Niet elke aanrijding veroorzaakt deze afsluiting. Als uw auto wordt uitgeschakeld na een botsing, kunt u de auto opnieuw starten. Bij auto's met een sleutelsysteem: 1. Zet het contact uit. 2. Zet het contact aan. 3. Kijk op het informatiedisplay of de Ready to Drive-lamp brandt, omdat de benzinemotor eventueel niet start, terwijl de elektromotor wel werkt. Als u de Ready to Drive-lamp niet ziet, herhaal dan stap 1 en 2 maximaal tweemaal. Bij auto's met een startknopsysteem: 1. Druk op de startknop om het contact uit te zetten. 2. Trap het rempedaal in en druk op de startknop om het contact aan te zetten. 3. Kijk op het informatiedisplay of de Ready to Drive-lamp brandt, omdat de benzinemotor eventueel niet start, terwijl de elektromotor wel werkt. Als u de Ready to Drive-lamp niet ziet, herhaal dan stap 1 en 2 maximaal tweemaal. N.B.: Als u uw auto na een brandstofafsluiting opnieuw probeert te starten, controleert de auto dat het elektrisch systeem veilig gestart kan worden. Zodra uw auto vaststelt dat het elektrisch systeem veilig is, staat de auto toe dat u opnieuw start. N.B.: Neem contact op met een erkende dealer als uw auto na de derde poging niet opnieuw start. HET VOERTUIG STARTEN MET HULPSTARTKABELS WAARSCHUWINGEN De gassen rond de accu kunnen exploderen als ze worden blootgesteld aan vlammen, vonken of brandende sigaretten. Een explosie kan leiden tot schade aan het voertuig of letsel. 167

172 Wat te doen bij pech WAARSCHUWINGEN Accu's kunnen zwavelzuur bevatten, wat bij contact met de huid, ogen of kleding voor brandwonden kan zorgen. Probeer uw auto met automatische transmissie niet te starten door middel van slepen of duwen. Automatische transmissies kunnen niet gestart worden door middel van slepen of duwen. Wanneer u een auto met automatische transmissie probeert te starten door middel van slepen of duwen, kan dit de transmissie beschadigen. Uw auto voorbereiden N.B.: Gebruik uitsluitend een 12V-voeding om uw auto te starten. N.B.: Ontkoppel de accu van de stilgevallen auto niet, omdat dit het elektrische systeem van de auto kan beschadigen. 1. Parkeer het voertuig waarop u startkabels wilt aansluiten zo dicht mogelijk bij de stilgevallen auto. Zorg er daarbij voor dat de twee voertuigen elkaar niet raken. Trek de parkeerremmen van beide voertuigen aan en blijf uit de buurt van de koelventilator van de motor en andere bewegende onderdelen. 2. Controleer alle accuaansluitingen en verwijder eventueel buitensporige hoeveelheden corrosie voordat u de accukabels aansluit. Controleer of alle ventilatiedoppen stevig en vlak vastzitten. 3. Zet de verwarmingsventilatoren van beide voertuigen aan als bescherming tegen piekstroom. Schakel alle andere accessoires uit. De hulpstartkabels aansluiten Uw auto heeft een 12V-accu met twee randaardes die onder de motorkap toegankelijk zijn. Uw auto kan, net zoals gewone voertuigen, met startkabels gestart worden door deze randaardes te gebruiken. De afbeelding hieronder toont de twee randaardes die worden gebruikt om uw auto met starkabels te starten. E A. Pluspool (+) B. Minpool (-) N.B.: In de afbeelding wordt de onderste auto gebruikt om de hulpaccu (de voedingsbron) aan te duiden. 168

173 Wat te doen bij pech N.B.: Verwijder de rode dop van de pluspool (A) op uw auto, voordat u de kabels aansluit. WAARSCHUWING Sluit het negatieve uiteinde van de kabel nooit aan op de minpool (-) van de lege accu. Een vonk kan ervoor zorgen dat de gassen rond de accu exploderen. Gebruik altijd de minpool als massapunt. Zorg ervoor dat de kabels niet met ventilatorbladen, riemen, bewegende onderdelen van beide motoren of onderdelen van het brandstoftoevoersysteem in aanraking kunnen komen. Startkabels gebruiken E Sluit de positieve (+) startkabel aan op de pluspool (+) (A) van de lege accu. 2. Sluit het andere uiteinde van de positieve (+) kabel aan op de positieve (+) aansluiting van de hulpaccu. 3. Sluit de negatieve (-) kabel aan op de negatieve (-) aansluiting van de hulpaccu. 4. Sluit ten slotte de negatieve (-) kabel aan op de minpool (-) (B) van uw auto. N.B.: Sluit de negatieve (-) kabel niet aan op brandstofleidingen, motorafdekkingen, het inlaatspruitstuk of elektrische onderdelen. Deze voorwerpen mogen niet beschouwd worden als massapunten. 1. Start de hulpauto en trap het gaspedaal enigszins in. 2. Start de stilgevallen auto. Kijk op het instrumentenpaneel of de Ready to Drive-lamp brandt, omdat de benzinemotor eventueel niet start, terwijl de elektromotor wel werkt. 3. Zodra u de stilgevallen auto hebt gestart, laat u beide motoren nog eens drie minuten draaien alvorens de hulpstartkabels los te koppelen. De hulpstartkabels verwijderen Verwijder de hulpstartkabels in omgekeerde volgorde van aansluiten. N.B.: In de afbeelding wordt de onderste auto gebruikt om de hulpaccu (de voedingsbron) aan te duiden. 169

174 Wat te doen bij pech AANRIJDING, SCHADE OF BRAND Richtlijnen voor elektrische en hybride elektrische voertuigen van Ford Motor Company uitgerust met hoogspanningsaccu's (Eigenaar voertuig/bestuurder/grote publiek) Overwegingen voor elektrische en hybride elektrische voertuigen Bij schade of brand waarbij een elektrisch voertuig (EV) of hybride elektrisch voertuig (HEV) is betrokken: E Maak de hulpstartkabels los van de minpool. 2. Maak de hulpstartkabel los van de negatieve (-) aansluiting van de accu van de hulpauto. 3. Maak de hulpstartkabel los van de positieve (+) aansluiting van de accu van de hulpauto. 4. Maak de hulpstartkabel los van de pluspool (+) van de accu van de stilgevallen auto. Nadat u de starkabels hebt losgekoppeld, laat u de stilgevallen auto een paar minuten in de Ready to Drive-modus staan om de 12V-accu op te laden. De stilgevallen auto kan de 12V-accu zelfs opladen als de benzinemotor is uitgeschakeld. De 12V-accu ontvangt dan stroom van de hoogspanningsaccu. Ga er steeds van uit dat de hoogspanningsaccu en gekoppelde componenten onder stroom staan en volledig zijn opgeladen. Blootliggende elektrische componenten, kabels en hoogspanningsaccu's vormen een potentieel gevaar voor hoogspanningsschokken. Ontsnappende dampen van hoogspanningsaccu's kunnen giftig en brandbaar zijn. Fysieke schade aan het voertuig of de hoogspanningsaccu kan leiden tot onmiddellijke of vertraagde vrijgave van giftige, brandbare gassen en brand. 170

175 Wat te doen bij pech Voertuiginformatie en algemene veiligheidsvoorzorgen Zorg dat u het merk en model van uw voertuig kent. Lees de handleiding en maak uzelf vertrouwd met de veiligheidsinformatie en de aanbevolen veiligheidsvoorzorgen van uw voertuig. Probeer beschadigde elektrische en hybride elektrische voertuigen nooit zelf te repareren. Neem contact op met een erkende dealer van Ford of vertegenwoordiger van de fabrikant van het voertuig voor onderhoud. Botsingen Voor een botsing of schok die ernstig genoeg is dat er de noodhulp nodig is voor conventionele voertuigen, is deze noodhulp ook nodig voor een elektrisch of hybride elektrisch voertuig. Indien mogelijk: Breng uw auto naar een veilige plaats in de buurt en blijf ter plaatse. Zet de ruiten open voordat u de auto uitzet. Zet uw auto in de parkeerstand (P), schakel de parkeerrem in, zet de auto uit, schakel de alarmknipperlichten in en ga met uw sleutel(s) op minstens 5 m van de auto staan. Altijd Bel indien nodig de noodhulpdiensten en meld dat er een elektrisch of hybride elektrisch voertuig bij betrokken is. Raak blootliggende elektrische componenten of de motorruimte niet aan, er is immers gevaar voor elektrische schokken. Voorkom contact met lekkende vloeistoffen en gassen en blijf uit de buurt van tegenliggend verkeer totdat de noodhulpdiensten ter plaatse zijn. Wanneer de noodhulpdiensten ter plaatse komen, meld dan dat het betrokken voertuig een elektrisch of hybride voertuig is. Brand Zoals bij elk voertuig moet u de noodhulpdiensten onmiddellijk bellen als er vonken, rook of vlammen uit het voertuig komen. Verlaat het voertuig onmiddellijk. Meld de noodhulpdiensten dat er een elektrisch of hybride elektrisch voertuig bij betrokken is. Zoals bij elk voertuig mag u rook, dampen of gas van het voertuig niet inademen, aangezien dit gevaarlijk kan zijn. Blijf op een veilige afstand boven de wind en op een helling ten opzichte van de voertuigbrand. Blijf van de weg af en blijf uit de buurt van tegenliggend verkeer terwijl u wacht totdat de noodhulpdiensten ter plaatse komen. Na het incident Berg een ernstig beschadigd voertuig met een lithium-ionaccu niet op in een structuur of binnen 15 m van structuren of voertuigen. Zorg dat het interieur en de bagageruimte geventileerd blijven. Open bijvoorbeeld een ruit, portier of de koffer. 171

176 Wat te doen bij pech Informeer zo snel mogelijk uw lokale Customer Contact Centre van Ford (zie uw Service Portfolio) en een erkende dealer van Ford. Er kunnen nog andere stappen zijn om de hoogspanningsaccu te beveiligen en te ontladen. Bel de noodhulpdiensten als u vloeistof, vonken, rook of vlammen opmerkt of een klokkend of borrelend geluid van de hoogspanningsaccu hoort. POST-CRASH ALERT SYSTEM Het systeem doet de lampjes van de richtingaanwijzers knipperen bij een ernstige botsing waarbij een airbag (voor, zij, zijgordijn of Safety Canopy) of de gordelspanners worden geactiveerd. De lampjes gaan uit wanneer: u op een knop voor gevarenregeling drukt. u op de paniekknop drukt (indien geplaatst) op de zender van de afstandsbediening. uw voertuig geen stroom meer heeft. 172

177 Zekeringen SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN Voorschakel-zekeringkast Uw auto heeft een voorschakel-zekeringkast die aan de stroomverdeelkast is bevestigd. Er is een tweede voorschakel-zekeringkast bevestigd aan de 12V-accuaansluiting achterin uw auto. Ze bevatten hoogspanningszekeringen. Neem contact op met een erkende dealer indien een van deze zekeringen vervangen moet worden. Stroomverdeelkast WAARSCHUWINGEN Ontkoppel altijd de accu voordat u onderhoud uitvoert aan hoogspanningszekeringen. WAARSCHUWINGEN Plaats vóór het weer aansluiten van de accu of het bijvullen van vloeistofreservoir altijd het deksel weer op de verdeelkast voor zo min mogelijk kans op elektrische schokken. De stroomverdeelkast bevindt zich in de motorruimte. Deze bevat hoogspanningszekeringen die de elektrische systemen van uw auto beschermen tegen overbelasting. Als u de accu ontkoppelt en weer aansluit, dient u enkele functies te resetten. Zie 12 volt accu vervangen (bladzijde 192). Til de ontgrendelhendel aan de achterzijde van het deksel op om deze te verwijderen. E

178 Zekeringen Zekering- of relaisnummer F1 F2 F3 F4 F5 F6 F7 F8 F9 F10 F11 F12 F13 F14 F15 F16 F17 F18 F19 F20 F21 F22 F23 F24 F25 Vermogen zekering (ampère) 50A Midi 50A Midi 50A Midi 50A Midi 40A** 30A** 40A** 40A** 30A** 25A** 20A** 30A** 20A** 20A** 20A** 5A* 15A* 5A* 5A* 5A* 5A* 10A* Beschermde onderdelen Moduul koelventilateur Elektrische koelvloeistofpomp Carrosserieregelmodule voeding 1 Carrosserieregelmodule voeding 2 Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Pomp antiblokkeersysteem Klep antiblokkeersysteem Vacuümpomp Aanjagermotor Motormanagement Wordt niet gebruikt Relais voor regelmodule van aandrijflijn Ruitenwisser van achterruit Carrosserieregelmodule KL30 voeding Carrosserieregelmodule 15 toevoer Oliepomp transmissie Ruitenwissermotor, voor Module voor antiblokkeersysteem en elektronisch stabiliteitsprogramma Claxon Remlichtschakelaar Bewaking vacuümpomp Motorcontrolemodule 15/computer motorregeling 15/transmissie oliepomp 15 Relaisspoelen, module lichtschakelaar Motor elektronische koelpomp 174

179 Zekeringen Zekering- of relaisnummer F26 F27 F28 F29 F30 F31 F32 F33 F34 F35 F36 R1 R2 R3 R4 R5 R6 R7 R8 R9 R10 R11 R12 Vermogen zekering (ampère) 5A* 5A* 15A* 10A* 10A* 5A* 20A* 15A* 10A* 10A* 20A* Micro-relais Micro-relais Micro-relais Micro-relais Vermogensrelais Vermogensrelais Mini-relais Vermogensrelais Beschermde onderdelen Module elektronische stuurbekrachtiging 15 Luchtmassameter (MAF-sensor) Computer motorregeling (PCM) Compressor elektronische airconditioning/ verwarming met positieve temperatuurcoëfficiënt Motorcontrolemodule, computer motorregeling Lichtring oplaadaansluiting Voertuigvoeding 2 Voertuigvoeding 4 Verstuivers Voertuigvoeding 3 Voertuigvoeding 1 Wordt niet gebruikt Claxon Motorregeling hybride Ruitenwisser, voor Wordt niet gebruikt Ruitenwissers voor en achter omhoog/ omlaag Vacuümpomp Contactslotvoeding Wordt niet gebruikt Sensor vacuümpomp Wordt niet gebruikt Koelventilateur 175

180 Zekeringen Zekering- of relaisnummer R13 R14 Vermogen zekering (ampère) Mini-relais Mini-relais Beschermde onderdelen Verwarmingsaanjager Relais motorregeling *Minizekeringen **Patroonzekeringen Zekeringenkast interieur De zekeringenkast bevindt zich aan de rechterkant onder het handschoenenkastje. Mogelijk dient u een bekledingspaneel te verwijderen om toegang tot de zekeringenkast te krijgen. 176

181 Zekeringen E Zekering- of relaisnummer F56 F57 F58 F59 F60 Vermogen zekering (ampère) 20 A 5 A 5 A 10 A Beschermde onderdelen Voeding brandstofpomp Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt (reserve) Passieve elektronische startbeveiliging Interieurlamp, schakelaarset bestuurdersportier, handschoenenkastjeverlichting, schakelaarrij dakconsole 177

182 Zekeringen Zekering- of relaisnummer F61 F62 F63 F64 F65 F66 F67 F68 F69 F70 F71 F72 F73 F74 F75 F76 F77 F78 F79 F80 F81 F82 F83 Vermogen zekering (ampère) 20 A 5 A 10 A 10 A 20 A 7,5 A 15 A 5 A 20 A 10 A 7,5 A 7,5 A 15 A 15 A 10 A 20 A 5 A 15 A 20 A 5 A 20 A 20 A Beschermde onderdelen Aansteker, elektrisch aansluitpunt op tweede rij Module automatische wissers, automatisch dimmen achteruitkijkspiegel Wordt niet gebruikt (reserve) Wordt niet gebruikt Ontgrendeling achterklep Voeding ontgrendeling bestuurdersportier Paspoort van mobiele telefoon, multifunctioneel display, GPS-module, SYNC Elektrisch stuurslot Instrumentenpaneel. Voeding centrale vergrendeling en ontgrendeling Regeling verwarming (handbediende airconditioning), module klimaatregeling Stuurwiel - module Diagnosestekker, OBD II-voeding Voeding koplamp Voeding mistlamp Voeding achteruitrijlamp Sproeierpomp Contactschakelaar, startknop Radio, schakelaar alarmlichten Wordt niet gebruikt (reserve) Elektrisch zonnescherm, antenne ontvanger afstandsbediening Massa sproeierpomp Massa centrale vergrendeling 178

183 Zekeringen Zekering- of relaisnummer F84 F85 F86 F87 F88 F89 Vermogen zekering (ampère) 20 A 7,5 A 10 A 25 A Beschermde onderdelen Massa ontgrendeling bestuurdersportier Elektronica 15 toevoer Module aanvullend veiligheidssysteem, indicator deactivering passagiersairbag Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt (reserve) Wordt niet gebruikt Zekeringenkast bagageruimte De zekeringenkast bevindt zich in de bagageruimte, achter de linker wielkast. Verwijder het zekeringenpaneeldeksel om de zekeringen te kunnen bereiken. E Zekering- of relaisnummer F1 F2 F3 F4 Vermogen zekering (ampère) 5 A 10 A 5 A 25 A Beschermde onderdelen Module handsfree toegang achterklep Module sleutelloos voertuigsysteem Portierhandgrepen sleutelloos voertuigsysteem Portierregeleenheid linksvoor 179

184 Zekeringen Zekering- of relaisnummer F5 F6 F7 F8 F9 F10 F11 F12 F13 F14 F15 F16 F17 F18 F19 F20 F21 F22 F23 F24 F25 F26 F27 F28 F29 F30 Vermogen zekering (ampère) 25 A 25 A 25 A 25 A 25 A 5 A 15 A 10 A 10 A 15 A 15 A 15 A 10 A 30 A 25 A 40 A 20 A 5 A 5 A Beschermde onderdelen Portierregeleenheid rechtsvoor Portierregeleenheid linksachter Portierregeleenheid rechtsachter Wordt niet gebruikt Motor bestuurdersstoel Achterruitverwarming Contactslotrelais Regelmodule accu-elektronica Wordt niet gebruikt Oplader Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Regelmodule accu-elektronica Regelmodule accu-elektronica ventilator Ventilator oplader Wordt niet gebruikt Slimme diagnosestekker Actieve geluidsdemping Wordt niet gebruikt DC/AC-omvormer Elektrisch bediende achterklep AC/DC-oplader Stopcontact bagageruimte Wordt niet gebruikt Koplamphoogte-instelling Parkeerhulpsensor 180

185 Zekeringen Zekering- of relaisnummer F31 F32 F33 F34 F35 F36 F37 F38 F39 F40 F41 F42 F43 F44 F45 F46 R1 R2 R3 R4 R5 R6 Vermogen zekering (ampère) 5 A 5 A 20 A 20 A 20 A 5 A 10 A Vermogensrelais Mini-relais Micro-relais Micro-relais Beschermde onderdelen Achteruitkijkcamera DC/AC-omvormer Wordt niet gebruikt Verwarming bestuurdersstoel Verwarming passagiersstoel Wordt niet gebruikt Elektrisch zonnescherm Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Luchtvochtigheidssensor Brandstofsysteem Achter 15 relais Achterruitverwarming Tankklep Wordt niet gebruikt Wordt niet gebruikt Ruitenwisser van achterruit 181

186 Zekeringen EEN ZEKERING VERVANGEN Zekeringen WAARSCHUWING Vervang een zekering altijd door een zekering met de gespecificeerde stroomsterkte. Gebruik van een zekering met een hogere stroomsterkte kan leiden tot ernstige beschadiging van de draden en brand. E Als elektrische componenten in de auto niet werken, kan er een zekering kapot zijn. Kapotte zekeringen hebben een kapotte draad in de zekering. Controleer de betreffende zekeringen alvorens elektrische componenten te vervangen. Standaard vermogen (ampère) en kleur van zekeringen Kleur Vermogen zekering Standaardzekeringen Mini-zekeringen Maxi-zekeringen Zekeringautomaat Maxi-zekeringen met patroon 2A Grijs Grijs A Paars Paars A Roze Roze A Beige Beige ,5A Bruin Bruin A Rode Rode A Blauw Blauw A Geel Geel Geel Blauw Blauw 25A Naturel Naturel - Naturel Naturel 30A Groene Groene Groene Roze Roze 40A - - Oranje Groene Groene 50A - - Rode Rode Rode 60A - - Blauw Geel Geel 70A - - Beige - Bruin 80A - - Naturel Zwarte Zwarte 182

187 Onderhoud ALGEMENE INFORMATIE Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er is een groot netwerk van erkende dealers die u kunnen helpen met hun professionele expertise op het gebied van onderhoud. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren. Zij beschikken over gereedschappen en apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud aan uw auto uit te voeren. Om u te helpen uw auto te onderhouden, bieden we informatie over gepland onderhoud aan, waarmee het gemakkelijk wordt om regulier onderhoud bij te houden. Als uw auto professioneel onderhoud nodig heeft, kan een erkende dealer de nodige onderdelen en service leveren. Bekijk uw garantie-informatie om te zien welke onderdelen en services onder garantie vallen. Gebruik uitsluitend aanbevolen brandstoffen, smeermiddelen, vloeistoffen en reserveonderdelen die overeenkomen met de specificaties. Motorcraft -onderdelen zijn ontworpen en bedoeld om de beste prestaties in uw auto te leveren. Werken met de motor uit 1. Schakel de parkeerrem in en zet de versnelling in de parkeerstand (P). 2. Schakel de motor uit. 3. Blokkeer de wielen. Werken met de motor aan WAARSCHUWING Om het risico op schade aan de auto en/of brandwonden te beperken, mag u de motor niet starten als het luchtfilter is verwijderd en mag u dit niet verwijderen terwijl de motor draait. 1. Schakel de parkeerrem in en zet de versnelling in de parkeerstand (P). 2. Blokkeer de wielen. DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN Motorkap openen Voorzorgsmaatregelen Werk niet aan een warme motor. Zorg ervoor dat niets verstrikt raakt in bewegende onderdelen. Werk niet aan een auto met draaiende motor in een afgesloten ruimte, tenzij u er zeker van bent dat u voldoende ventilatie hebt. Houd open vlammen en ander brandend materiaal (bijvoorbeeld sigaretten) uit de buurt van de accu en alle onderdelen die met brandstof te maken hebben. E Trek in de auto aan de handgreep van de motorkapontgrendeling onder de linkerzijde van het dashboard. 2. Til de motorkap een beetje omhoog. 183

188 Onderhoud 4. Open de motorkap. Ondersteun de motorkap met de steun. Motorkap sluiten 1. Verwijder de motorkapsteun van de motorkapvergrendeling en zet deze na gebruik weer correct vast. 2. Breng de motorkap omlaag en laat deze onder het eigen gewicht de laatste 8-12 inch (20-30 cm) vallen. N.B.: Zorg dat de motorkap goed dicht is. E Verplaats de vergrendelnok naar links. OVERZICHT MOTORRUIMTE WAARSCHUWING De regelaar van het omvormersysteem bevat diverse onderdelen onder hoogspanning, die ernstig of dodelijk letsel kunnen veroorzaken. De regelaar van het omvormersysteem kan niet worden gerepareerd en mag niet worden aangeraakt, doorgemeten of gemanipuleerd. E87786 N.B.: Probeer geen onderdelen of bedrading van het hoogspanningssysteem te repareren. De hoogspanningsdraden hebben een oranje isolatie, zodat u ze gemakkelijk herkent. 184

189 Onderhoud E A B C D E F G H I Dop koelvloeistofreservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 186). Motorolievuldop. Zie Motorolie controleren (bladzijde 186). Oliepeilstaaf. Zie Oliepeilstaaf (bladzijde 186). Luchtfilterdeksel. Regelaar van omvormersysteem. Dop remvloeistofreservoir. Zie Remvloeistof controleren (bladzijde 191). Stroomverdeelkast. Zie Zekeringen (bladzijde 173). Dop koelvloeistofreservoir omvormersysteem. Dop ruitensproeierreservoir. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 192). 185

190 Onderhoud OLIEPEILSTAAF E A B A MIN MAX MOTOROLIE CONTROLEREN Controleer het peil voor u de motor start en zorg dat het tussen de MIN- en MAX-strepen staat. 1. De auto moet op een vlakke ondergrond staan. 2. Zet de motor af en wacht 10 minuten om de olie in de carterpan te laten lopen. 3. Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze af met een schone, niet pluizende doek. Steek de oliepeilstaaf erin en trek hem eruit om het oliepeil te controleren. Als het oliepeil op de MIN-streep staat, vul dan direct olie bij. Motorolie bijvullen N.B.: Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor. N.B.: Vul niet meer olie bij dan tot aan de MAX-streep. Een oliepeil boven de MAX-streep kan motorschade veroorzaken. B 1. Verwijder de vuldop. 2. Vul motorolie bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Inhouden en specificaties (bladzijde 214). 3. Veeg gemorste olie af. 4. Draai de vuldop er weer op. Blijf draaien tot u een zware weerstand voelt. Beperkt motorgebruik De Low Engine Use-modus houdt de motoroliekwaliteit goed als u de benzinemotor van uw auto weinig gebruikt. Als uw auto bij het starten in de Low Engine Use-modus zit, verschijnt er een bericht op het informatiedisplay. Als uw auto in de Low Engine Use-modus zit, zal hij de benzinemotor zo nodig gebruiken. Als u de EV Now-modus kiest terwijl uw auto in de Low Engine Use-modus zit, wordt deze laatste modus opgeschort zolang u met de auto blijft rijden. Bij de volgende start wordt de Low Engine Use-modus weer hervat. Als u de olie ververst of de olielevensduurbewaking reset, wordt de Low Engine Use-modus opgeschort. MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN WAARSCHUWINGEN Vul geen motorkoelvloeistof bij wanneer de motor heet is. Stoom en hete vloeistoffen die vrijkomen uit een heet koelsysteem kunnen zware brandwonden veroorzaken. U kunt ook verbrand raken als u koelvloeistof morst op hete motoronderdelen. Giet geen motorkoelvloeistof in het reservoir voor sproeivloeistof. Als motorkoelvloeistof op de voorruit wordt gesproeid, kan het moeilijk zijn om door de voorruit te kijken. 186

191 Onderhoud WAARSCHUWINGEN Laat voor minder kans op letsel de motor afkoelen voordat u de koelvloeistofdop losschroeft. Het koelsysteem staat onder druk; stoom en vloeistof kunnen met kracht ontsnappen wanneer de dop enigszins wordt losgedraaid. Het koelvloeistofpeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan. Motorkoelvloeistof en koelvloeistof van regelaar van omvormersysteem Uw auto heeft twee verschillende koelsystemen. De een is bedoeld om de motor te koelen en de ander is bedoeld voor koeling van de regelaar van het omvormersysteem, dat eigen is aan het hybride systeem. De twee systemen werken op vergelijkbare wijze, waarbij het systeem voor het koelen van de regelaar van het omvormersysteem doorgaans op een lagere temperatuur en druk werkt. De motorkoelvloeistof controleren Als de motor koud is, controleert u de concentratie en het niveau van de motorkoelvloeistof op de intervallen zoals vermeld in de informatie over gepland onderhoud. N.B.: Controleer of het peil tussen de markeringen MIN en MAX op het motorkoelvloeistofreservoir staat. N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Het koelvloeistofpeil kan enkele millimeters boven de MAX-markering staan. N.B.: Als het koelvloeistofpeil op of onder de MIN-markering staat of leeg is, voegt u onmiddellijk verdunde koelvloeistof bij. Zie Motorkoelvloeistof bijvullen in dit hoofdstuk. Houd de concentratie koelvloeistof tussen 48% en 50%, wat overeenkomt met een vriespunt tussen -30 F (-34 C) en -34 F (-37 C). N.B.: Voor de beste resultaten dient de concentratie koelvloeistof getest te worden met een refractometer, zoals bijvoorbeeld de Robinair Coolant and Battery Refractometer We raden het gebruik van zuurwegers of teststrips voor koelvloeistof af om de concentratie koelvloeistof te meten. N.B.: Autovloeistoffen zijn onderling niet uitwisselbaar. Gebruik motorkoelvloeistof, antivries of sproeiervloeistof niet oneigenlijk of op een ander punt in de auto dan bedoeld. Koelvloeistof voor het regelen van het omvormersysteem controleren Als de motor koud is, controleert u de concentratie en het niveau van de koelvloeistof voor het regelen van het omvormersysteem op de intervallen zoals vermeld in de informatie over gepland onderhoud. N.B.: Controleer of het peil tussen de markeringen MIN en MAX op het koelvloeistofreservoir voor het regelen van het omvormersysteem staat. N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Het koelvloeistofpeil kan enkele millimeters boven de MAX-markering staan. N.B.: Als het koelvloeistofpeil op of onder de MIN-markering staat of leeg is, voegt u onmiddellijk verdunde koelvloeistof bij. Zie Koelvloeistof voor het regelen van het omvormersysteem bijvullen in dit hoofdstuk. Houd de concentratie koelvloeistof tussen 48% en 50%, wat overeenkomt met een vriespunt tussen -30 F (-34 C) en -34 F (-37 C). 187

192 Onderhoud N.B.: Voor de beste resultaten dient de concentratie koelvloeistof getest te worden met een refractometer, zoals bijvoorbeeld de Robinair Coolant and Battery Refractometer We raden het gebruik van zuurwegers of teststrips voor koelvloeistof af om de concentratie koelvloeistof te meten. N.B.: Autovloeistoffen zijn onderling niet uitwisselbaar. Gebruik motorkoelvloeistof, antivries of sproeiervloeistof niet oneigenlijk of op een ander punt in de auto dan bedoeld. Koelvloeistof bijvullen N.B.: Gebruik geen afsluitkogels, afdichtmiddelen of additieven voor het koelsysteem om schade aan de koel- of verwarmingssystemen te voorkomen. Dergelijke schade wordt niet gedekt door de garantie van uw auto. N.B.: Tijdens regulier bedrijf kan de kleur van de koelvloeistof veranderen van oranje in roze of lichtrood. Zolang de koelvloeistof helder en niet vervuild is, betekent deze kleurverandering niet dat de koelvloeistof slechter is geworden en hoeft de koelvloeistof niet te worden afgetapt, het systeem niet te worden gespoeld en de koelvloeistof niet te worden ververst. N.B.: Het is zeer belangrijk om volgens de Ford-specificatie voorverdunde koelvloeistof te gebruiken, om te voorkomen dat de smalle koelvloeistofdoorgangen verstopt raken. Bij geconcentreerde koelvloeistof en water kunnen de koelvloeistofdoorgangen verstopt raken en kan de garantie nietig worden. Zie Inhouden en specificaties (bladzijde 214). Meng geen verschillende kleuren of types koelvloeistof in uw auto. Zorg dat de juiste koelvloeistof wordt gebruikt. Bij verschillende koelvloeistoffen kan uw koelsysteem beschadigd raken. Gebruik van een onjuist koelmiddel kan de motor, de regelaar van het omvormersysteem, en onderdelen van het koelsysteem beschadigen. Dergelijke schade wordt mogelijk niet gedekt door de garantie. In geval van nood kan een grote hoeveelheid water zonder motorkoelvloeistof worden toegevoegd aan het motorkoelvloeistofsysteem, zodat u een locatie kunt bereiken waar uw auto onderhouden kan worden. In dat geval moet zo snel mogelijk het motorkoelvloeistofsysteem worden afgetapt, chemisch gereinigd met Motorcraft Premium Cooling System Flush en opnieuw worden gevuld met verdunde motorkoelvloeistof. Alleen water (zonder motorkoelvloeistof) kan leiden tot motorschade door corrosie, oververhitting of bevriezing. Gebruik deze methode NOOIT voor het koelsysteem voor het regelen van het omvormersysteem. Het koelsysteem voor het regelen van het omvormersysteem werkt ongeveer op de omgevingstemperatuur en is bij afwezigheid van koelmiddel vatbaar voor bevriezing in elke omgeving met temperaturen onder het vriespunt. 188

193 Onderhoud Gebruik geen alcohol, methanol, zoutoplossing of motorkoelvloeistoffen die gemengd zijn met antivries op basis van alcohol of methanol (koelvloeistof). Alcohol en andere vloeistoffen kunnen motorschade veroorzaken door oververhitting of bevriezing. Voeg geen extra remmers of additieven aan de koelvloeistof toe. Deze kunnen schadelijk zijn en de corrosiebescherming van de motorkoelvloeistof verminderen. Motorkoelvloeistof bijvullen 1. Schroef de dop van het motorkoelvloeistofreservoir langzaam los. Bij het losschroeven van de dop kan er eventuele druk vrijkomen. 2. Gebruik een trechter om het motorkoelvloeistofreservoir met verdunde motorkoelvloeistof bij te vullen. Controleer of het peil tussen de markeringen MIN en MAX op het motorkoelvloeistofreservoir staat. Gebruik verdunde motorkoelvloeistof die voldoet aan de specificaties van Ford. Zie Inhouden en specificaties (bladzijde 214). 3. Sluit de dop van het motorkoelvloeistofreservoir. Telkens als u koelvloeistof toevoegt, controleert u de volgende keren wanneer u met de auto rijdt het koelvloeistofniveau in het motorkoelvloeistofreservoir. Indien nodig vult u genoeg verdunde motorkoelvloeistof bij om het motorkoelvloeistofniveau op het juiste niveau te brengen. 2. Gebruik een trechter om het koelvloeistofreservoir voor het omvormersysteem met verdunde koelvloeistof bij te vullen. Controleer of het peil tussen de markeringen MIN en MAX op het koelvloeistofreservoir voor het regelen van het omvormersysteem staat. Gebruik verdunde koelvloeistof die voldoet aan de specificaties van Ford. Zie Inhouden en specificaties (bladzijde 214). 3. Sluit de dop van het koelvloeistofreservoir voor het omvormersysteem. Telkens als u koelvloeistof toevoegt, controleert u de volgende keren wanneer u met de auto rijdt het koelvloeistofniveau in het koelvloeistofreservoir voor het omvormersysteem. Indien nodig vult u genoeg verdunde koelvloeistof bij om het koelvloeistofniveau voor het omvormersysteem op het juiste niveau te brengen. Gerecyclede motorkoelvloeistof Ford Motor Company raadt het gebruik van gerecyclede motorkoelvloeistof niet aan, omdat er nog geen recycleproces beschikbaar is dat door Ford is goedgekeurd. Gebruikte motorkoelvloeistof moet volgens de geldende voorschriften worden opgeruimd. Volg de regelgeving en normen van uw regio voor het recyclen en weggooien van autovloeistoffen. Koelvloeistof voor het regelen van het omvormersysteem bijvullen 1. Open de dop van het koelvloeistofreservoir voor het omvormersysteem. 189

194 Onderhoud Barre klimaten Als u rijdt in extreem koude klimaten: Mogelijk is het nodig dat een erkende dealer van Ford de concentratie koelvloeistof verhoogt naar meer dan 50%. Een koelvloeistofconcentratie van 60% biedt verbeterde vriespuntbescherming. Bij koelvloeistofconcentraties van meer dan 60% neemt de bescherming tegen oververhitting van de koelvloeistof af en kan de motor beschadigd raken. Als u rijdt in extreem warme klimaten: Mogelijk is het nodig dat een erkende dealer van Ford de concentratie koelvloeistof verlaagt naar 40%. Een koelvloeistofconcentratie van 40% biedt verbeterde bescherming tegen oververhitting. Bij koelvloeistofconcentraties van minder dan 40% neemt de bescherming tegen corrosie en bevriezing van de koelvloeistof af en kan de motor beschadigd raken. Auto's die het hele jaar door in gewone klimaten worden gereden, moeten verdunde koelvloeistof gebruiken die voldoet aan de specificaties van Ford voor een optimaal koelsysteem en optimale motorbescherming. Wat u moet weten over noodkoeling Als het motorkoelvloeistof reservoir leeg is, kan deze functie ervoor zorgen dat tijdelijk met de auto gereden kan worden voordat onderdelen aanzienlijk beschadigd worden. De nood -afstand die u kunt afleggen is afhankelijk van de omgevingstemperatuur, de belading van de wagen en het terrein waarop u rijdt. Hoe noodkoeling werkt Wanneer de motor begint te oververhitten, wijst de motorkoelvloeistoftemperatuurmeter het rode (hete) gebied aan en: Het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur gaat branden. De motorstoringslamp gaat branden. Wanneer de motor een vooraf ingestelde temperatuurgrens bereikt, schakelt de motor automatisch over op afwisselend gebruik van cilinders. Elke uitgeschakelde cilinder fungeert als een luchtpomp en koelt de motor. Wanneer dit gebeurt, is de auto nog steeds in bedrijf. Maar: Het motorvermogen is beperkt. Het airconditioningsysteem is uitgeschakeld. Aanhoudend gebruik van de motor laat de motortemperatuur nog verder stijgen en ervoor zorgen dat de motor volledig wordt uitgeschakeld, waardoor u meer moeite moet doen om te sturen en remmen. Zodra de motortemperatuur is afgekoeld, kan de motor opnieuw worden gestart. Breng uw auto zo gauw mogelijk naar een erkende dealer, om schade aan de motor te beperken. Wanneer de noodmodus geactiveerd is WAARSCHUWINGEN Noodmodus is alleen bedoeld voor gebruik bij noodgevallen. Gebruik uw auto alleen in de noodmodus zo lang als nodig is om uw auto op een veilige locatie neer te zetten en laat de auto onmiddellijk repareren. Terwijl uw auto de noodmodus gebruikt, heeft uw auto 190

195 Onderhoud WAARSCHUWINGEN beperkt vermogen, kan er niet op hoge snelheden worden gereden en kan de auto zonder waarschuwing volledig ophouden te werken, waarbij mogelijk het motorvermogen, de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging uit kunnen vallen. De mogelijkheid van een ongeval met ernstig letsel kan hierdoor toenemen. Verwijder de dop van het koelvloeistofreservoir nooit wanneer de motor loopt of op bedrijfstemperatuur is. N.B.: Wanneer u met de auto rijdt zonder dat het motorprobleem is opgelost, neemt de kans op motorschade toe. Breng uw auto zo gauw mogelijk naar een erkende dealer. U hebt beperkt motorvermogen in de noodmodus, dus rij de auto voorzichtig. De auto kan niet met hoge snelheden rijden en de motor loopt niet soepel. Vergeet niet dat de motor automatisch volledig uitgeschakeld kan worden om motorschade te voorkomen. Het volgende is daarom belangrijk: 1. Zet de auto aan de kant zodra dit op een veilige manier kan en zet de motor uit. 2. Laat de auto naar een erkende dealer brengen. 3. Als dit niet mogelijk is, laat u de motor een korte tijd afkoelen. 4. Controleer het koelvloeistofpeil en vul dit bij als het peil laag is. 5. Start de motor opnieuw en breng uw auto naar een erkende dealer. AUTOMATISCHE CONTROLE VLOEISTOFPEIL TRANSMISSIE Laat indien nodig een erkende dealer bij het juiste onderhoudsinterval de transmissievloeistof controleren en verversen. De automatische transmissie heeft geen peilstok voor transmissievloeistof. Uw transmissie verbruikt geen vloeistof. Een erkende dealer moet de vloeistof controleren: Als de transmissie niet naar behoren werkt. Als u merkt dat er vloeistof lekt. Gebruik geen aanvullende hulpstoffen, behandelingen of reinigingsmiddelen voor transmissievloeistof. Het gebruik van deze materialen kan de werking van de transmissie beïnvloeden en interne onderdelen van de transmissie beschadigen. REMVLOEISTOF CONTROLEREN Vloeistofpeilen tussen de MIN- en MAX-markeringen liggen binnen het normale werkbereik; er hoeft geen vloeistof te worden bijgevuld. Als de vloeistofpeilen buiten het normale werkbereik liggen, kunnen de prestaties van het systeem in gevaar komen; neem onmiddellijk contact op met een erkende dealer. 191

196 Onderhoud STUURBEKRACHTI- GINGSVLOEISTOF CONTROLEREN Uw auto is uitgerust met elektrische stuurbekrachtiging (EPS). Er is geen vloeistofreservoir om te controleren of bij te vullen. RUITENSPROEIERVLOEISTOF CONTROLEREN WAARSCHUWING Wanneer u uw auto gebruikt bij temperaturen onder 40 F (5 C), dient u sproeivloeistof te gebruiken met antivries. Als u bij koud weer geen sproeivloeistof gebruikt met antivriesbescherming, kan dit leiden tot verminderd zicht door de voorruit en neemt het risico op letsel of een ongeval toe. N.B.: De sproeisystemen voor en achter zijn aangesloten op één reservoir. Vul vloeistof toe om het reservoir te villen als het vloeistofniveau laag is. Gebruik alleen sproeivloeistof die voldoet aan de specificaties van Ford. Zie Inhouden en specificaties (bladzijde 214). Regionale of nationale wetten over vluchtige organische stoffen leggen mogelijk beperkingen op voor het gebruik van methanol, een veelgebruikte hulpstof voor antivries in ruitensproeivloeistof. Sproeivloeistoffen met antivriesbestanddelen zonder methanol moeten alleen gebruikt worden als ze bescherming bij koude weersomstandigheden bieden zonder de lak, ruitenwisserbladen of het sproeisysteem te beschadigen. BRANDSTOFFILTER Uw auto is uitgerust met een levenslang brandstoffilter dat in de brandstoftank is geïntegreerd. Regelmatig onderhoud of vervanging is niet nodig. 12 VOLT ACCU VERVANGEN WAARSCHUWINGEN Bij accu's komen explosieve gassen vrij, die tot persoonlijk letsel kunnen leiden. Zorg daarom dat er geen vuur, vonken of verlichting bij de accu in de buurt zijn. Wanneer u in de buurt van een accu werkt, moet u uw gezicht steeds afschermen en uw ogen beschermen. Zorg steeds voor goede ventilatie. Wanneer u een accu in een kunststof behuizing optilt, kan te veel druk op de wanden ervoor zorgen dat het zuur door de ventilatiedoppen stroomt, wat kan leiden tot verwondingen en schade aan de auto of de accu. Hef de accu omhoog met een accudrager of met uw handen op de tegenliggende hoeken. Houd accu's buiten het bereik van kinderen. Accu's bevatten zwavelzuur. Voorkom contact met huid, ogen of kleding. Wanneer u in de buurt van een accu werkt, moet u uw ogen beschermen tegen mogelijke spatten van de zuuroplossing. Wanneer accuzuur op de huid of in de ogen komt, spoel dan onmiddellijk en gedurende minstens 15 minuten met water af en zorg direct voor medische hulp. Zoek direct medische hulp wanneer accuzuur is doorgeslikt. Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu van Motorcraft, waarvoor normaal geen extra water nodig is. 192

197 Onderhoud N.B.: Wanneer u de accu hebt gereinigd of vervangen, moet u de accudeksel of de afscherming weer aanbrengen. Wanneer een accu moet worden vervangen, mag u de accu uitsluitend vervangen door een vervangende accu die wordt aanbevolen door Ford en die overeenkomt met de elektrische vereisten van de auto. N.B.: Neem contact op met een erkende dealer voor toegang tot, testen of vervangen van een laagspanningsaccu. Om te garanderen dat het accubeheersysteem correct werkt, mag u de massa-aansluiting van enig elektrisch apparaat niet direct op de minpool van de laagspanningsaccu aansluiten. Dit kan onnauwkeurige metingen van de accuconditie en mogelijk een verkeerde werking van het systeem veroorzaken. N.B.: Als u elektrische accessoires of componenten toevoegt aan de auto, kan dit een negatieve invloed hebben op de prestaties en de duurzaamheid van de laagspanningsaccu. Het kan ook de prestaties van andere elektrische systemen in de auto beïnvloeden. Voor een langere werking zonder storingen moet u de bovenkant van de accu schoon en droog houden. Als u corrosie op de accu of de polen ziet, verwijder dan de kabels van de polen en reinig deze met een staalborstel. U kunt het zuur neutraliseren met een oplossing van bicarbonaat en water. Uw auto wordt elektronisch bestuurd door een computer. Het vermogen van de laagspanningsaccu behoudt het geheugen van sommige instellingen, bijvoorbeeld de instellingen van de klok en de radiozenders. Deze gegevens worden gewist wanneer de laagspanningsaccu wordt losgekoppeld en weer aangesloten. Ga als volgt te werk om de instellingen te herstellen: 1. Schakel de parkeerrem in. 2. Schakel naar de parkeerstand (P). 3. Schakel alle accessoires uit. 4. Trap het rempedaal in en start uw auto. 5. Zet het klokje gelijk. 6. Reset de inklembeveiliging. Zie Elektrisch bedienbare ruiten (bladzijde 65). 7. Reset de voorkeuzezenders. Zie Audiosysteem (bladzijde 218). Zorg dat u oude batterijen op milieuvriendelijke wijze weggooit. Vraag raad aan uw lokale instantie voor recycling van oude accu's. Indien uw auto langer dan 30 dagen wordt opgeslagen zonder de accu bij te laden, raden we aan dat u de accukabels loskoppelt om ervoor te zorgen dat de laadtoestand van de accu gehandhaafd blijft en de auto weer vlot gestart kan worden. RUITENWISSERBLADEN CONTROLEREN E Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden. Reinig de wisserbladen met ruitensproeiervloeistof of water op een zachte spons of doek. 193

198 Onderhoud RUITENWISSERBLADEN VERVANGEN N.B.: Gebruik de onderhoudsstand in de winter om de ruitenwisserbladen vooraan eenvoudiger te kunnen bereiken om deze vrij te maken van sneeuw en ijs. De ruitenwissers vooraan keren niet terug naar de normale positie van zodra u het contact aanzet. De ruitenwissers vooraan blijven in de bedrijfspositie wanneer u het contact aanzet of de motor start. Zet de ruitenwissers vooraan in een willekeurige stand en schakel de ruitenwissers vooraan uit zodat ze terugkeren naar de uitgangspositie. N.B.: De wisserbladen van de voorruit zijn verschillend qua lengte. Als u ruitenwisserbladen installeert die te kort of te lang zijn, zullen de ruitenwissers mogelijk niet correct werken. Als de auto is uitgerust met automatische ruitenwissers, zal de regensensor mogelijk niet correct werken. N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. Laat ruitenwisserblad en de ruitenwisserarm op de voorruit zakken. De ruitenwisserarmen keren automatisch terug naar de normale stand nadat het contact is ingeschakeld. N.B.: Vervang ruitenwisserbladen minimaal eenmaal per jaar voor optimale prestaties. N.B.: Een slechte wiskwaliteit kan worden verbeterd door de ruitenwisserbladen en de voorruit te reinigen De ruitenwissers vooraan in de onderhoudsstand zetten 1. Zorg dat de buitenkant van de voorruit sneeuw- en ijsvrij is. 2. Schakel het contact in. E Zet het contact uit en trek de ruitenwisserhendel binnen drie seconden naar u toe. Houd de hendel ingedrukt totdat de ruitenwissers in de onderhoudsstand staan. E Laat de hendel los wanneer de ruitenwissers in de onderhoudsstand staan. Ruitenwisserbladen vooraan vervangen 1. Beweeg het ruitenwisserblad en de ruitenwisserarm weg van de ruit. 194

199 Onderhoud 1 5. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. E Druk de vergrendelknoppen samen. 3. Draai en verwijder het ruitenwisserblad. 4. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt te zitten. 2 KOPLAMPEN AFSTELLEN Afstellen van verticale richting De koplampen van uw auto worden in de fabriek correct gericht. Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, dient de uitlijning van uw koplampen door uw erkende dealer te worden gecontroleerd. Het ruitenwisserblad achteraan vervangen 1. Til de ruitenwisserarm op. 3 E A B C D 8 voet (2,4 meter) Middenhoogte van de lamp tot de grond 25 voet (7,6 meter) Horizontale referentielijn E Draai het ruitenwisserblad enigszins los van de ruitenwisserarm. 3. Maak het ruitenwisserblad los van de wisserarm. 4. Verwijder het wisserblad. 1. Parkeer de auto direct voor een muur of scherm op een vlakke ondergrond, op een afstand van ongeveer 25 voet (7,6 meter). N.B.: Om het lichtpatroon dat u wilt afstellen zo duidelijk mogelijk te kunnen zien, kunt u het licht van de ene koplamp blokkeren terwijl u de andere afstelt. 195

200 Onderhoud 2. Meet de hoogte van het midden van de gloeilamp van de koplamp vanaf de grond en markeer op deze hoogte een horizontale referentielijn van 8 voet (2,4 meter) op de verticale muur of het scherm. 3. Zet de dimlichtkoplampen aan om de muur of het scherm te verlichten en open de motorkap. 5. Vind de verticale versteller bij elke koplamp. Met behulp van een kruiskopschroevendraaier richt u de koplamp door de versteller met de klok mee of tegen de klok in te draaien. De horizontale rand van het helderdere licht zou de horizontale referentielijn moeten raken. 6. Sluit de motorkap en schakel de verlichting uit. Afstellen van horizontale richting Horizontale richting is voor deze auto niet nodig en kan niet worden versteld. EEN KOPLAMP VERWIJDEREN 2 E Op de muur of het scherm ziet u een plat gebied van zeer intensief licht, dat te vinden is bovenaan het rechtergedeelte van het lichtpatroon. Als de bovenrand van de zone met zeer intensief licht niet op de horizontale referentielijn zit, moet de koplamp opnieuw worden afgesteld. E E Controleer of de koplampregeling uit staat en open de motorkap. 2. Verwijder de twee schroeven van de koplampunit. 3. Trek de koplampeenheid voorzichtig zo ver mogelijk naar de voorzijde van de auto om deze los te maken van het onderste bevestigingspunt. 4. Trek de buitenzijde van de koplamp voorzichtig omhoog en verwijder hem. 5. Trek de multistekker los. 196

201 Onderhoud GLOEILAMPEN VERVANGEN WAARSCHUWINGEN Schakel de verlichting en het contact uit. Laat de gloeilamp afkoelen voordat u deze verwijderd. 2 N.B.: Breng alleen gloeilampen met de juiste specificaties aan. N.B.: De volgende instructies beschrijven hoe de gloeilampen moeten worden verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in omgekeerde volgorde van verwijderen aan, tenzij anders is voorgeschreven. Koplamp N.B.: Verwijder de kappen om de gloeilampen te kunnen bereiken. A B C E Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. 3 Koplampen, grootlicht 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 196). 2 E A B C Richtingaanwijzer Koplampen, grootlicht Koplampen, dimlicht 4 Richtingaanwijzer 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 196). E Verwijder het afdekplaatje. 3. Trek de multistekker los. 4. Maak de klem los en verwijder de gloeilamp. 197

202 Onderhoud N.B.: Raak het glas van de gloeilamp niet aan. Koplampen, dimlicht 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 196). 2. Verwijder het afdekplaatje. 3. Verwijder de lamphouder. 4. Verwijder de gloeilamp. Mistlampen vóór E Verwijder het afdekplaatje. 3. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 4. Verwijder de gloeilamp. N.B.: Raak het glas van de gloeilamp niet aan. Stadslicht 1. Verwijder de koplamp. Zie Een koplamp verwijderen (bladzijde 196). E99405 N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan niet uit de lamphouder worden verwijderd. 1. Verwijder de afdekking m.b.v. een geschikt werktuig. 2. Verwijder de bevestigingsschroeven. 3. Verwijder de lamp E

203 Onderhoud E E Trek de multistekker los. 3. Verwijder de vleugelmoer. 4. Verwijder de lamp. 4. Trek de multistekker los. 5. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. Achterlichten B Richtingaanwijzer, achterlicht en remlicht A E Verwijder de lamphouder. 6. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. A. Achterlicht en remlicht B. Richtingaanwijzer E Verwijder het bekledingspaneel. 199

204 Onderhoud Achteruitrijlamp, achterlicht en mistlamp 5 A 2 4 B E E Verwijder het bekledingspaneel Trek de multistekker los. 5. Verwijder de lamphouder. 6. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. A. Achteruitrijlamp B. Achterlicht en mistachterlicht Derde remlicht E Verwijder de vleugelmoer. 3. Verwijder de lamp. E Verwijder de klemmen. 200

205 Onderhoud 6 E Breng een geschikt voorwerp in de openingen aan. 3. Trek de lamp voorzichtig richting de voorzijde van de auto om de veerklemmen los te maken. 5 E Verwijder de lamphouder. 6. Verwijder de gloeilamp. Kentekenplaatverlichting E72789 E Verwijder de lamp. 1. Maak voorzichtig de klemveer los. 2. Verwijder de lamp. 3. Draai de lamp linksom en verwijder deze. Binnenlampen Auto's met LED-lampen N.B.: De LED verlichting kan niet worden gerepareerd, raadpleeg bij defecten uw dealer. 201

206 Onderhoud Bagageruimteverlichting, beenruimteverlichting en achterlicht E E Werk de lamp voorzichtig los. 2. Verwijder de gloeilamp. GLOEILAMPENTABEL Buitenverlichting Lampje Remlicht en achterlicht. Derde remlicht. Bochtlampen. Richtingaanwijzer, voor. Mistlampen, voor. Stadslicht, voor. grootlicht; Dagrijlicht. Kentekenplaatverlichting. Dimlicht koplamp. Richtingaanwijzer, achter. Specificaties P21/5W W16W H1 PY21W H11 W5W H15 LED W5W H7 PY21W Vermogen (watt) 21/ LED

207 Onderhoud Achtermistlicht. Lampje Achteruitrijlampen. Specificaties P21W P21W Vermogen (watt) Richtingaanwijzer. WY5W N.B.: LED-lampen kunnen niet worden gerepareerd. Raadpleeg een erkende dealer als ze defect zijn. 5 Binnenverlichting Lampje Specificaties Vermogen (watt) Interieurlamp. Bagageruimteverlichting Kaartleeslamp W6W 211 Festoon W6W

208 Verzorging van de auto REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO N.B.: Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de was van de voorruit en de ruitenwisserbladen. N.B.: Controleer eerst de geschiktheid van de autowasserette voor uw auto, voordat u van de autowasserette gebruik maakt. N.B.: Sommige carwashes maken gebruik van water onder hoge druk. In dat geval kunnen waterdruppels binnendringen in uw auto, wat bepaalde onderdelen van uw auto kan beschadigen. N.B.: Verwijder de antenne voordat u een automatische wasstraat inrijdt. N.B.: Schakel de aanjager uit om te voorkomen dat deeltjes was zich in het luchtfilter vastzetten. Wij raden aan uw auto met een spons en handwarm water en autoshampoo te wassen. Koplampen reinigen N.B.: Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of oplossingen op alcoholische of chemische basis om de koplampglazen te reinigen. N.B.: Veeg de koplampglazen niet schoon wanneer ze droog zijn. Achterruit reinigen N.B.: Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de binnenzijde van de achterruit te reinigen. Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen. Chromen onderdelen reinigen N.B.: Gebruik geen schuurmiddelen of chemische oplosmiddelen. Gebruik een zeepoplossing. N.B.: Breng geen reinigingsproduct aan op hete oppervlakken en laat geen reinigingsproduct achter op chromen oppervlakken gedurende een periode die de aanbevolen periode overschrijdt. N.B.: Gebruik van heavy-duty reinigers of chemische reinigingsmiddelen kan na verloop van tijd leiden tot beschadiging. Onderhoud van de lak WAARSCHUWINGEN Poets de auto niet in de felle zon. Voorkom dat polish op kunststof oppervlakken komt. Dit laat zich moeilijk verwijderen. Breng geen polish op de voor- en achterruit aan. Dit heeft een lawaaiige werking van de ruitenwissers tot gevolg; bovendien kunnen de ruiten dan niet goed worden drooggeveegd. Wij raden u aan de lak één- of tweemaal per jaar in de was te zetten. REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO N.B.: Mors niet met luchtverfrissers en handzeep op bekledingsoppervlakken van het interieur. Wrijf gemorste vloeistof onmiddellijk weg. Schade wordt mogelijk niet door uw garantie vergoed. 204

209 Verzorging van de auto Veiligheidsgordels N.B.: Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of chemische oplosmiddelen. N.B.: Laat geen vocht het oprolmechanisme van de veiligheidsgordel binnendringen. Reinig de veiligheidsgordels met behulp van interieurreiniger of water en een zachte spons. Laat de veiligheidsgordels aan de lucht drogen en uit de buurt van kunstmatige warmtebronnen. Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen en radioschermen N.B.: Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen, oplosmiddelen op basis van alcohol of chemische oplosmiddelen. Achterruiten N.B.: Gebruik geen schurende materialen voor het reinigen van de binnenzijde van de achterruiten. N.B.: Breng geen stickers of labels aan op de binnenzijde van de achterruiten. KLEINE LAKSCHADE REPAREREN Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Een reeks van producten is beschikbaar bij een erkende dealer. Verwijder vuil zoals uitwerpselen van vogels, bomensap, insectenresten, teervlekken, wegenzout en industriële neerslag alvorens steenslagschade te repareren. Lees de instructies van de fabrikant en volg deze op alvorens de producten te gebruiken. LICHTMETALEN VELGEN REINIGEN N.B.: Breng geen chemisch reinigingsmiddel aan op warme of hete velgranden en wieldeksels. N.B.: Heavy-duty reinigers of chemische reinigingsmiddelen in combinatie met borstelbewegingen voor het verwijderen van remmenstof en vuil kan na verloop van tijd leiden tot slijtage van de blanke lak. N.B.: Gebruik geen reinigingsmiddelen op basis van waterstoffluoride of sterk bijtende reinigingsmiddelen, staalwol, brandstoffen of sterke oplosmiddelen voor huishoudelijk gebruik. N.B.: Rijd enkele minuten met de auto wanneer u deze een langere periode wilt parkeren nadat de wielen zijn gereinigd met een wielenreiniger. Zo wordt de kans op corrosie van de remschijven, remblokken en remvoeringen verminderd. N.B.: Bij gebruik van sommige automatische wasstraten kan de afwerking van de velgranden en wieldeksels beschadigd raken. Lichtmetalen velgen en wieldeksels zijn voorzien van een blanke laklaag. Om de goede staat van de velgen en wieldeksels te behouden wordt het volgende aangeraden: Wekelijks reinigen met behulp van de aanbevolen wielen- en bandenreiniger. Een spons gebruiken om zware afzettingen (vuil en remmenstof) te verwijderen. Grondig afspoelen met een hogedrukspuit nadat de reinigingsprocedure is voltooid. Er wordt aanbevolen Ford-wielenreiniger te gebruiken. Lees en volg de aanwijzingen van de fabrikant. 205

210 Verzorging van de auto Het gebruik van niet aanbevolen reinigingsmiddelen kan leiden tot ernstige en permanente cosmetische beschadiging. 206

211 Velgen en banden ALGEMENE INFORMATIE In de bestuurdersportieropening bevindt zich een tabel met de bandenspanning. Controleer bij koude banden de bandenspanning bij een temperatuur waarin u gaat rijden. N.B.: Controleer de bandenspanningen regelmatig voor een optimaal brandstofverbruik. N.B.: Gebruik alleen goedgekeurde velgenen bandenmaten. Het gebruik van andere maten kan beschadiging van de auto tot gevolg hebben en maakt de typegoedkeuring ongeldig. N.B.: Wanneer u banden met een andere diameter laat monteren dan die van de in de fabriek gemonteerde banden, geeft de snelheidsmeter niet meer de juiste snelheid aan. Breng uw auto naar een erkende dealer en laat het motormanagementsysteem opnieuw programmeren. N.B.: Wanneer u banden met een andere diameter dan de in de fabriek gemonteerde banden wilt aanbrengen, controleer dan bij een erkende dealer of deze geschikt zijn. SET TIJDELIJKE MOBILITEIT Het kan voorkomen dat in de auto geen reservewiel is aangebracht. Daarom beschikt u over een bandenreparatieset waarmee één beschadigde band kan worden gerepareerd. De set zit onder de stoel van de voorpassagier. Zie Overzicht interieur (bladzijde 12). Algemene informatie WAARSCHUWINGEN Afhankelijk van het type en de omvang van de beschadiging kunnen sommige banden slechts gedeeltelijk of soms geheel niet worden gedicht. Een te lage bandenspanning kan het weggedrag van de auto beïnvloeden, waardoor u de macht over het stuur kunt verliezen. Gebruik de set niet wanneer de band al beschadigd is door het rijden met een te lage bandenspanning. Dit zou tot controleverlies over de auto en fataal of dodelijk letsel kunnen leiden. Gebruik de bandenreparatieset niet bij run flat banden. Dit zou tot controleverlies over de auto kunnen leiden. Probeer een beschadigde zijkant van de band niet zelf af te dichten. De band kan klappen, wat tot controleverlies over de auto en fataal of dodelijk letsel kan leiden. Met de set kunnen de meeste gaten in banden met een diameter tot ¼ inch (zes millimeter) worden gedicht. Hiermee kunt u de mobiliteit tijdelijk herstellen. Let op het volgende bij het gebruik van de set: Rijd voorzichtig en vermijd plotselinge stuur- of rijmanoeuvres, vooral wanneer de auto zwaar beladen is of een aanhanger trekt. De set zorgt voor een tijdelijke reparatie, waardoor u uw reis tot de volgende dealer of bandenspecialist kunt voortzetten of een afstand van maximaal 200 km kunt afleggen. Rijd niet harder dan 80 km/u. 207

212 Velgen en banden Houd de set buiten het bereik van kinderen. Gebruik de set bij omgevingstemperaturen van -40 C tot +70 C. De set gebruiken WAARSCHUWINGEN Perslucht kan werken als explosief of voortstuwingsmiddel, wat kan leiden tot ernstig letsel. Laat de set tijdens het gebruik nooit onbeheerd achter. Laat de compressor niet langer dan 10 minuten draaien. Dit zou tot controleverlies over de auto of letsel kunnen leiden. N.B.: Gebruik de set alleen bij de auto die ermee is uitgerust. Parkeer uw wagen zodanig langs de kant van de weg dat u het verkeer niet belemmert en dat u in staat bent de set te gebruiken zonder in gevaar te komen. Trek, zelfs wanneer u op een vlakke ondergrond geparkeerd staat, de handrem aan om te waarborgen dat de auto niet in beweging kan komen. Probeer geen vreemde voorwerpen, zoals spijkers of schroeven, uit de band te verwijderen. Laat de motor draaien wanneer u de set gebruikt, maar niet als de auto zich in een gesloten of slecht geventileerde ruimte bevindt (bijvoorbeeld in een gebouw). Zet in dergelijke gevallen de compressor aan zonder de motor te starten. Vervang de fles met het afdichtmiddel door een nieuwe voordat de houdbaarheidsdatum (zie de bovenzijde van de fles) is bereikt. Informeer andere gebruikers van de auto dat de band tijdelijk is gerepareerd met de set. Stel ze op de hoogte van de speciale rijvoorschriften. Banden op spanning brengen WAARSCHUWINGEN Controleer de bandwang voordat u het afdichtmiddel in de band pompt. Wanneer u scheuren, knobbels of dergelijke ziet, probeer dan niet de band op te pompen. Dit kan tot letsel leiden. Ga niet vlak naast de band staan wanneer de compressor in bedrijf is. Dit kan tot letsel leiden wanneer de band klapt. Sla de bandwang gade. Als barsten, bulten of soortgelijke schade verschijnt, schakelt u de compressor uit en laat u de lucht eruit door middel van het overdrukventiel F. Rijd niet verder met deze band. Dit zou tot controleverlies over de auto kunnen leiden. Het afdichtmiddel bevat natuurlijk latex. Voorkom contact met huid, ogen of kleding. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts. Wanneer de bandenspanning binnen 10 minuten lager wordt dan 1,8 bar (26 psi), kan de band ernstig zijn beschadigd, waardoor een tijdelijke reparatie onmogelijk is. Vervolg in een dergelijk geval uw reis niet met deze band. Dit zou tot controleverlies over de auto kunnen leiden. 208

213 Velgen en banden WAARSCHUWINGEN Wanneer de fles op de houder wordt gedraaid, wordt de afdichting van de fles verbroken. Schroef de fles niet los van de houder, omdat het afdichtmiddel dan wegloopt en ernstig letsel kan ontstaan. A D E F G H I J K Compressorschakelaar Stekker met kabel Drukregelventiel Beschermdop Slang Flessenhouder Label Drukmeter K J I H G E A F Fles afdichtmiddel E B C D 1. Trek label J met de maximumsnelheid van 50 mph (80 km/u) van de behuizing en bevestig het aan het dashboard in het gezichtsveld van de bestuurder. Het label mag niets belangrijks aan het oog onttrekken. 2. Neem slang H en de stekker met kabel E uit de set. 3. Schroef de oranje dop C en de flessendop B los. 4. Schroef de fles afdichtmiddel A rechtsom in de flessenhouder I en schroef goed vast. 5. Draai het ventieldopje van de beschadigde band eraf. 6. Maak beschermdop G los van de slang H en schroef de slang H stevig op het ventiel van de beschadigde band. 7. Zorg dat schakelaar D van de compressor in de stand 0 staat en dat het overdrukventiel F is gesloten. 8. Sluit de stekker E aan op de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. 9. Start de motor. 10. Zet de schakelaar D van de compressor in de stand 1. B Flessendop C Oranje dop 209

214 Velgen en banden 11. Pomp de band niet langer dan 10 minuten op voor een minimale druk van 1,8 bar en een maximum druk van 3,5 bar. Zet de schakelaar D van de compressor in de stand 0 en controleer de huidige bandenspanning met drukmeter K. N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de band wordt gepompt, kan de druk toenemen tot 6 bar (87 psi) maar deze neem na ca. 30 seconden weer af. N.B.: Nadat u de compressor hebt uitgeschakeld, kunt u horen dat lucht uit de beschadigde band ontsnapt. Dit is normaal en kan worden genegeerd op voorwaarde dat de gespecificeerde minimum bandenspanning is bereikt. 12. Verwijder de stekker E uit de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. 13. Schroef de slang H snel los van het ventiel van de band en vervang de beschermdop G. Draai het ventieldopje vast. N.B.: Er kan nog wat restant van de afdichtvloeistof uit slang H druppelen of spuiten terwijl u deze loskoppelt. Dit is normaal. 14. Laat de fles afdichtmiddel A in de flessenhouder I zitten. 15. Zorg ervoor dat de bandenreparatieset, de dop van de fles en de oranje kap veilig worden opgeborgen, maar makkelijk bereikbaar zijn. De set is opnieuw nodig bij het controleren van de bandenspanning. 16. Rijd onmiddellijk weg en rijd ongeveer drie kilometer zodat het afdichtmiddel het lek kan afdichten. WAARSCHUWING Wanneer u heftige trillingen, onbalans in het stuurwiel of lawaai tijdens het rijden waarneemt, minder dan geleidelijk snelheid en breng de auto zo snel mogelijk tot stilstand wanneer dit veilig kan. Controleer de band en de bandenspanning opnieuw. Wanneer de bandenspanning lager is dan 1,3 bar (19 psi) of wanneer er scheuren, knobbels of dergelijke zichtbaar zijn, hervat dan uw reis niet met deze band. Dit zou tot controleverlies over de auto kunnen leiden. Bandenspanning controleren WAARSCHUWING Zorg er voordat u wegrijdt voor dat de band de voorgeschreven bandenspanning heeft. Zie Bandenspanning (bladzijde 212). Controleer voortdurend de bandenspanning tot de band is vervangen. 1. Stop de auto na ongeveer drie kilometer. Controleer en corrigeer zo nodig de spanning van de beschadigde band. 2. Bevestig de set en lees de bandenspanning op drukmeter K. 3. Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi) of hoger is, breng de band dan op de voorgeschreven spanning. Zie Bandenspanning (bladzijde 212). 4. Herhaal de procedure om de band weer op spanning te brengen. 5. Controleer de bandenspanning opnieuw op drukmeter K. Als de bandenspanning te hoog is, laat u de druk van de band af tot de gespecificeerde druk via het overdrukventiel F. 210

215 Velgen en banden 6. Wanneer u de band hebt opgepompt tot de juiste bandenspanning, zet u de schakelaar D van de compressor in de stand 0, verwijdert u de stekker E uit het stopcontact, schroeft u de slang H los, bevestigt u het klephoedje en plaatst u beschermdop G terug. 7. Laat de fles afdichtmiddel A in de flessenhouder I zitten en berg de set veilig op in de oorspronkelijke locatie. 8. Rijd naar de dichtstbijzijnde bandenspecialist om de beschadigde band te vervangen. Vertel, voordat de band van de velg wordt afgenomen, de bandenspecialist dat de band een afdichtmiddel bevat. U moet de fles afdichtmiddel A en de slang H zo snel mogelijk vervangen na gebruik. N.B.: Bedenk dat deze set slechts voor tijdelijke mobiliteit zorgt. Voorschriften aangaande bandreparatie na gebruik van de set kunnen per land verschillen. Raadpleeg een bandenspecialist voor advies. Lege flessen afdichtmiddel mogen samen met het huishoudelijk afval worden afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel naar uw erkende dealer of voer ze af volgens de lokale richtlijnen. VERZORGING VAN BANDEN E70415 Zorg voor een langere levensduur ervoor dat de banden van de voor- en achterwielen gelijkmatig slijten. Wij raden aan dat de voor- en achterwielen met regelmatige intervallen tussen en km te wisselen. WAARSCHUWING Zorg dat bij het parkeren de bandwangen nergens langsaf schuren. Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk met de wielen onder een rechte hoek het trottoir op. Controleer de banden regelmatig op scheuren, vreemde voorwerpen of onregelmatige slijtage van het loopvlak. Ongelijkmatige slijtage kan betekenen dat de wieluitlijning niet meer aan de specificaties voldoet. Controleer iedere twee weken de bandenspanning (inclusief het reservewiel) wanneer de banden koud zijn. ZOMERBANDEN GEBRUIKEN Zomerbanden presteren het beste op natte en droge wegen. Zomerbanden hebben geen modder en sneeuw-aanduiding (M+S of M/S) op de bandwang. Omdat zomerbanden minder grip hebben dan all-season- of winterbanden, raden we het gebruik van zomerbanden af bij temperaturen van ca. 40ºF (5ºC) of lager (afhankelijk van bandenslijtage en omgevingsomstandigheden) of als er sneeuw en ijs op de weg ligt. De slijtage en omstandigheden beïnvloeden de prestaties van een zomerband, zoals bij elke andere band. Als u in deze omstandigheden moet rijden, raden wij modder en sneeuw- (M+S, M/S), all-season- of winterbanden aan. 211

216 Velgen en banden Bewaar uw zomerbanden altijd binnen bij temperaturen boven 20ºF (-7ºC). Bij temperaturen onder 20ºF (-7ºC) verliezen de rubbermengsels van deze banden hun flexibiliteit en kunnen ze scheuren in het loopvlak krijgen. Als de banden bij 20ºF (-7ºC) of kouder zijn opgeslagen, moet u ze minimaal 24 uur in een verwarmde ruimte tot minstens 40ºF (5ºC) opwarmen voor u ze monteert, met de gemonteerde banden gaat rijden of de bandenspanning controleert. Houd de banden uit de buurt van kachels of verwarmingen waarmee de opslagruimte wordt verwarmd. Verwarm de banden niet direct en blaas geen warme lucht tegen de banden. Controleer de banden altijd na de bewaarperiode en voor gebruik. GEBRUIK VAN SNEEUWKETTINGEN WAARSCHUWINGEN Overschrijd 50 km/h niet. Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuwvrij wegdek. Breng uitsluitend sneeuwkettingen op de gespecificeerde banden aan. Zie Gebruik van sneeuwkettingen (bladzijde 212). WAARSCHUWINGEN Wanneer uw auto is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen monteert. Gebruik enkel sneeuwkettingen van 10 mm of kleiner. Monteer alleen sneeuwkettingen op de voorwielen. N.B.: Het antiblokkeersysteem blijft normaal werken. Auto's met stabiliteitsregeling Wanneer de stabiliteitsregeling ingeschakeld is, kan de auto enkele ongebruikelijke rijeigenschappen vertonen. Om deze te reduceren, schakelt u de aandrijfregeling (traction control) uit. Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling (bladzijde 144). BANDENSPANNING Controleer minstens om de twee weken rondom de bandenspanning van de koude banden. Motor Bandenmaat Voor psi (bar) Achter psi (bar) 2.0L ATK ivct 215/55R17 2,5 bar 2,5 bar 212

217 Velgen en banden WIELMOEREN WAARSCHUWING Verwijder bij het aanbrengen van een wiel altijd alle corrosie, vuil of vreemde voorwerpen op het pasvlak van het wiel en het vlak van de wielnaaf, remtrommel of remschijf dat het wiel raakt. De bouten waarmee de schijf aan de naaf bevestigd is, moeten goed vastzitten zodat ze het pasvlak van het wiel niet raken. Als u de wielen niet goed metaal-op-metaal monteert, kunnen de wielmoeren losraken en kan het wiel van de rijdende auto lopen, waardoor u de macht over het stuur verliest. Controleer het centreergat en het pasvlak voor u het wiel monteert. Verwijder zichtbare corrosie en losse vuildeeltjes. Haal de wielmoeren met het voorschreven moment aan binnen 160 km telkens als een wiel is losgeweest (bijv. na banden rouleren, lekke band of wiel verwijderen). Schroefdraad M12 x 1.5 Aanhaalmoment wielmoeren* 135 Nm *Aanhaalmomenten gelden voor schone en roestvrije schroefdraad. Gebruik ter vervanging alleen door Ford aanbevolen bouten en moeren. E A Centreergat 213

218 Inhouden en specificaties AFMETINGEN VOERTUIG Totaallengte MIN Totaallengte MAX Omschrijving Totale breedte inclusief buitenspiegels MIN Totale breedte inclusief buitenspiegels MAX Totale breedte met spiegels ingeklapt MIN Totale breedte met spiegels ingeklapt MAX Wielbasis Spoorbreedte voor MIN Spoorbreedte voor MAX Spoorbreedte achter MIN Spoorbreedte achter MAX mm

219 Inhouden en specificaties VOERTUIGIDENTIFICA- TIEPLAATJE B C D E N.B.: Het ontwerp van het identificatieplaatje kan afwijken van het getoonde plaatje. N.B.: De informatie op het voertuigidentificatieplaatje is afhankelijk van de vereisten per land. F A G H E I A B C D E F G H I Model Uitvoering Motorbenaming Motorvermogen en emissieniveau Voertuigidentificatienummer Maximaal toelaatbaar totaalgewicht Maximaal toelaatbaar treingewicht Maximum voorasbelasting Maximum achterasbelasting Het voertuigidentificatienummer en de maximaal toelaatbare gewichten zijn vermeld op een plaatje aan slotzijde onderin de opening van het passagiersportier. 215

220 Inhouden en specificaties CHASSISNUMMER Het chassisnummer bevindt zich aan de linkerzijde van het dashboard. E E Het chassisnummer is ook vóór de passagiersstoel in de bodemplaat ingeslagen. Inhouden Item Motorkoelsysteem Koelvloeistof regelaar omvormer systeem Motorsmeersysteem Inhoud van de brandstoftank Inhoud 8,3 L 1 L 4,3 L 53 L Specificatie Materialen Onderdeel Motorolie - 0W20 Koelvloeistof Super Plus Premium 4U7J xxxx Koelvloeistof Remvloeistof DOT 4 LV High Performance BU7J-M6C65-xxxx Specificatie WSS-M2C947-A WSS-M97B44-D WSS-M97B44-D2 WSS-M6C65-A2 216

221 Inhouden en specificaties Gebruik olie en vloeistoffen die voldoen aan de bepaalde specificaties en viscositeit. Als u olie en vloeistoffen gebruikt die niet voldoen aan de bepaalde specificaties en viscositeit, kan dit leiden tot: Schade aan onderdelen die niet onder de voertuiggarantie valt. Meer tijd nodig om de motor te starten. Hogere emissies. Verminderd motorvermogen. Lagere brandstofzuinigheid. Verminderde remprestaties. Wij bevelen Castrol motorolie en Ford motorolie aan. E BRANDSTOFVERBRUIKCIJFERS Gewogen gecombineerd Brandstofverbruik CO2 (l/100 km) (g/km) 2,0 46 Energie (Wh/km) 94 Elektrisch bereik (km)

222 Audiosysteem ALGEMENE INFORMATIE Radiofrequenties en factoren voor een goede radio-ontvangst Factoren voor radio-ontvangst Afstand en sterkte Terrein Overbelasting van stations Naarmate u verder van een FM station verwijderd bent, hoe zwakker het signaal wordt en hoe zwakker de ontvangst. Heuvels, bergen, hoge gebouwen, bruggen, tunnels, snelwegviaducten, parkeergarages, dicht op elkaar staande bomen en onweersbuien kunnen de ontvangst verslechteren. Wanneer u dichtbij een radiozendtoren rijdt, kan een sterket signaal een zwakker signaal verdringen en interferentie in het audiosysteem veroorzaken. Cd- en cd-spelerinformatie N.B.: Cd-eenheden spelen alleen commercieel gedrukte audio-cd's van 12 cm af. Vanwege technische incompatibiliteit is het mogelijk dat bepaalde recordable en re-recordable cd's niet correct werken in Ford cd-spelers. N.B.: Plaats geen cd's met zelfgemaakte papieren (zelfklevende) labels in de cd-speler. Het label kan immers loskomen en ervoor zorgen dat de cd vast komt te zitten. Op uw zelfgemaakte cd's moet u een permanente markeerstift gebruiken in plaats van zelfklevende labels. Balpennen kunnen de cd's beschadigen. Neem contact op met een erkende dealer voor meer informatie. N.B.: Gebruik geen onregelmatig gevormde cd's of cd's waarop een krasbeschermende folie is aangebracht. Pak cd's uitsluitend aan de rand beet. Reinig de schijf alleen met een goedgekeurd reinigingsmiddel voor cd's. Veeg de schijf vanaf het midden naar de rand toe. Reinig de cd niet in een ronddraaiende beweging. Stel schijven niet langdurig bloot aan direct zonlicht of warmtebronnen. MP3- en WMA-track en mapstructuur Audiosystemen die afzonderlijke MP3- en WMA-tracks en mapstructuren kunnen herkennen en afspelen, werken als volgt: Er zijn twee verschillende modi voor het afspelen van MP3- en WMA-cd's: MP3- en WMA-trackmodus (systeemstandaard) en MP3- en WMA-mapmodus. Bij de MP3- en WMA-trackmodus worden eventuele mapstructuren op de MP3- en WMA-cd genegeerd. De speler nummert alle MP3- en WMA-nummers op de cd (aangeduid met de bestandsextensie MP3 of WMA) van T001 tot een maximum van T255. Het maximale aantal afspeelbare MP3- en WMA-bestanden kan geringer zijn, afhankelijk van de structuur van de cd en het exacte radiomodel dat gemonteerd is. 218

223 Audiosysteem De MP3- en WMA-map vertegenwoordigt een mapstructuur die bestaat uit één mapniveau. De cd-speler nummert alle MP3- en WMA-nummers op de cd (aangeduid met de bestandsextensie MP3 of WMA) en alle mappen die MP3- en WMA-bestanden bevatten, van F001 (map) T001 (nummer) tot F253 T255. Cd's samenstellen met één mapniveau maakt het navigeren door de cd-bestanden eenvoudiger. Wanneer u uw eigen MP3- en WMA-cd's brandt, is het van belang te begrijpen hoe het systeem de structuren die u aanmaakt, leest. Ook al zijn er verschillende bestanden aanwezig, (bestanden met andere extensies dan MP3 en WMA), uitsluitend bestanden met de extensie MP3 en WMA worden afgespeeld; andere bestanden worden door het systeem genegeerd. Daardoor kunt u dezelfde MP3- en WMA-cd voor verschillende taken op uw werkcomputer, thuiscomputer en het systeem in uw auto gebruiken. In nummermodus wordt de structuur weergegeven en afgespeeld door het systeem alsof het slechts één niveau diep was (alle MP3- en WMA-bestanden worden afgespeeld, ongeacht de map waarin ze zich bevinden). In mapmodus speelt het systeem uitsluitend de MP3- en WMA-bestanden in de actuele map af. AUDIOEENHEID WAARSCHUWING Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af en adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen. Zorg dat u zich bewust bent van alle nationale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparaten tijdens het rijden. N.B.: De cd-opening bevindt zich direct boven het aanraakscherm. N.B.: Via het aanraakscherm worden de meeste audiofuncties geregeld. Zie SYNC 2 (bladzijde 223). 219

224 Audiosysteem E A B C D E F - TUNE +: Druk op deze toets om handmatig door de radiofrequentie te zoeken in de geselecteerde frequentieband (AM, FM of DAB * ). ON/OFF en VOL: Druk op deze toets om het audiosysteem in of uit te schakelen. Draai hieraan om het volume aan te passen. Uitwerpen: Druk op deze toets om een cd uit te werpen. SEEK: Druk op deze toets om naar het volgende of vorige station op de radiofrequentieband of het volgende of vorige nummer op een cd te gaan. SOUND: Druk op deze toets om de geluidsinstellingen voor Bass, Treble, Balance en Fade aan te passen. SOURCE: Druk op deze toets voor toegang tot verschillende audiomodi, zoals AM, FM, CD, USB of DAB *. * Indien aanwezig. DIGITALE RADIO Met het systeem kunt u luisteren naar DAB-radiostations (digitale audiozenders). N.B.: De dekking verschilt naargelang van de regio en beïnvloedt de kwaliteit van de ontvangst. Het wordt nationaal, regionaal en lokaal uitgezonden. De volgende formats worden ondersteund: DAB DAB+ DMB-audio (digitale uitzending van multimedia). Ensembles Ensembles bevatten een groep radiostations. Elk ensemble kan uit verschillende radiostations bestaan. 220

225 Audiosysteem De naam van de radiostation wordt weergegeven onder de naam van het ensemble. N.B.: Wanneer u van het ene ensemble naar het andere gaat, kan het even duren voor het systeem is gesynchroniseerd met het volgende ensemble. Het systeem wordt gedempt tijdens de synchronisatie. Golfband selecteren DAB1, DAB2 en DAB3 werken op dezelfde manier. U kunt tot 6 verschillende voorkeuzestations opslaan op elke frequentieband. 1. Druk de RADIO toets in. 2. Druk op de linker pijltjestoets om de beschikbare golfbanden weer te geven. 3. Selecteer DAB1, DAB2 of DAB3. Radiostation-afstemtoetsen Druk op de RADIO-toets en selecteer DAB1, DAB2 of DAB3. Alle vooraf ingestelde lijsten werken op dezelfde manier en kunnen tot 10 verschillende vooraf ingestelde radiostations bevatten. N.B.: Wanneer u het eerste of laatste radiostation in een ensemble bereikt, gaat u naar het volgende ensemble bij verder afstemmen. Er kan een vertraging zijn tijdens deze verandering en het geluid wordt even gedempt. Automatisch afstemmen 1. Druk op een zoektoets. Het systeem stopt bij het eerste radiostation dat het vindt in de gekozen richting. Radiostationlijst Met deze functie worden alle beschikbare radiostations in een lijst weergegeven. 1. Druk op de doorzoektoets. 2. Druk op het vorige ensemble of volgende ensemble om naar een ander ensemble te gaan. Ga door de lijst en selecteer het station door op het gebied met uw keuze op het aanraakscherm te drukken. 3. Druk OK om uw selectie te bevestigen. N.B.: Op het scherm worden alleen de radiostations in het huidige ensemble weergegeven. Handmatig afstemmen 1. Druk op de toets + TUNE -. Voorkeuzezenders Met deze functie kunt u tot 6 favoriete radiostations uit elk ensemble in elke vooraf ingestelde lijst opslaan. 1. Kies een radiostation. 2. Houd een van de voorkeuzetoetsen ingedrukt. Er verschijnt een bericht wanneer het systeem het station opslaat. Het geluid wordt even gedempt ter bevestiging. Na het opslaan kunt u op elk moment op een vooraf ingestelde toets drukken om een favoriet radiostation te kiezen. N.B.: Radiostations die zijn opgeslagen op de vooraf ingestelde toetsen zijn wellicht niet steeds beschikbaar wanneer u het dekkingsgebied verlaat. Het systeem wordt gedempt wanneer dit gebeurt. Radiotekst U kunt extra informatie weergeven. Bijvoorbeeld de naam van de artiest. Om deze optie in te schakelen, selecteert u Opties > Radio tekst aan. N.B.: Het is mogelijk dat extra informatie niet altijd beschikbaar is. 221

226 Audiosysteem Service Linking Als u het dekkingsgebied van een DAB-radiostation verlaat, schakelt het systeem automatisch over naar het overeenkomstige FM-radiostation. Deze functie kan worden in- en uitgeschakeld met behulp van de informatiedisplay. Zie (bladzijde 78). N.B.: Als een DAB-radiostation geen overeenkomstig FM-radiostation heeft, wordt het geluid gedempt terwijl er wordt geprobeerd om te schakelen. N.B.: Het systeem geeft het FM-symbool weer wanneer de DAB- en FM-radiostations overeenkomen. N.B.: De geluidskwaliteit verandert wanneer uw systeem omschakelt van DAB naar het overeenkomstige FM-station. MEDIAHUB De media-hub bevindt zich in de middenconsole en heeft de volgende kenmerken: C E A B A B C A/V-ingangen SD-kaartgleuf USB-poorten 222

227 SYNC 2 ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWING Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af en adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen. Zorg dat u zich bewust bent van alle nationale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparaten tijdens het rijden. A B H G F E D C E Item A B C D Menu-item Telefoon Navigatie Temperatuurregeling Instellingen Item F G H Home Informatie Entertainment Menu-item * Alleen voor hybride voertuigen. E Informatie over EV * 223

228 SYNC 2 Dit systeem gebruikt de vier hoeken om snel toegang te bieden tot diverse functies en instellingen van het voertuig. Het aanraakscherm biedt eenvoudige interactie met uw mobiele telefoon, multimedia, klimaatregeling en navigatiesysteem. In de hoeken worden alle actieve modi in deze menu's weergegeven, zoals de status van de telefoon of de temperatuur van de klimaatregeling. N.B.: Sommige functies zijn niet beschikbaar tijdens het rijden. N.B.: Uw systeem is uitgerust met een functie waarmee u de audiofuncties kunt openen en bedienen tot 10 minuten nadat u het contact hebt uitgezet (en er geen portier is geopend). TELEFOON Druk hierop om het volgende te selecteren: Telefoon Menu-item Opslaan als snelkeuze Telefoonboek Oproeplijst Berichten Instellingen NAVIGATIE Druk hierop om het volgende te selecteren: Thuis Favorieten Menu-item Vorige bestemmingen Menu-item Point of Interest (POI) Noodgevallen Adres Kruispunt Stadscentrum Breedtegraad/Lengtegraad Route bewerken Route wissen TEMPERATUURREGELING Druk op de overeenkomstige pictogrammen om de volgende opties te regelen: Instellingen bestuurder Gerecirculeerde lucht Automatisch Dubbel Instellingen passagier A/C Ontdooien INSTELLINGEN E Druk hierop om het volgende te selecteren: Klok Display Geluid Menu-item 224

229 SYNC 2 Voertuig Instellingen Help Informatie over EV E THUIS Menu-item Druk hierop voor toegang tot specifieke functies voor uw hybride of plug-in hybride elektrisch voertuig. Druk hierop om naar uw beginscherm te gaan. Afhankelijk E van het optiepakket en de software van uw auto, kunnen uw schermen er anders uitzien dan wat in dit deel wordt beschreven. Uw functies kunnen ook beperkt zijn naargelang van uw regio. Neem contact op met een erkende dealer voor informatie over beschikbaarheid. INFORMATIE E Spraakbediening gebruiken Druk hierop om het volgende te selecteren: Verkeer Meldingen Kalender Applicat. Waar ben ik? ENTERTAINMENT Menu-item Druk hierop om het volgende te selecteren: AM FM DAB CD USB BT audio SD-kaart A/V in * Indien aanwezig. Menu-item * Afhankelijk van het model van uw auto, kunnen deze bedieningselementen aanwezig zijn: Menu-item Stroom Vol: Zoekfunctie Actie en omschrijving De mediafuncties in- of uitschakelen. Het volume van media die wordt afgespeeld regelen. Gebruik deze zoals gewoonlijk in mediamodi. 225

230 SYNC 2 Menu-item Radio instellen Uitwerpen Display Source Geluid Actie en omschrijving Gebruik deze zoals gewoonlijk in mediamodi. Om een cd uit het entertainmentsysteem te werpen. Druk op deze knop om het weergavescherm uit te schakelen. Druk opnieuw of raak het scherm aan om het weergavescherm in te schakelen. Raak de bediening meermaals aan om te wisselen tussen mediamodi. De instellingen aanpassen voor: Bas Treble Middentonen Balans en fader instellen DSP EQ modus Aanpassing volume De bediening op het stuurwiel gebruiken Afhankelijk van het model en optiepakket van uw auto, kunt u de bedieningselementen op uw stuurwiel gebruiken om te communiceren met het aanraaksysteem. VOL: om het audiovolume te regelen. Dempen: om het geluid te dempen. Spraak: druk hierop om de spraakbediening te starten. Druk opnieuw en houd de toets ingedrukt om de spraakbediening te beëindigen. ZOEKEN en TELEFOON AANNEMEN: Druk hierop in radiomodus om te zoeken in de voorkeuzestations of houd deze toets ingedrukt om een ander station te zoeken. Druk hierop in USB- of CD-modus om te zoeken in de stations of houd deze toets ingedrukt om snel te zoeken. Druk hierop in telefoonmodus om een oproep te beantwoorden of te schakelen tussen oproepen. 226

231 SYNC 2 ZOEKEN en TELEFOON WEIGEREN: Druk hierop in radiomodus om te zoeken in de voorkeuzestations of houd deze toets ingedrukt om een ander station te zoeken. Druk hierop in USB- of CD-modus om te zoeken in de stations of houd deze toets ingedrukt om snel te zoeken. Druk hierop in telefoonmodus om een oproep te beëindigen of een inkomende oproep te weigeren. Bron: raak de bediening meermaals aan om te wisselen tussen mediamodi. Geluid: raak de regeling aan om de geluidsinstellingen aan te passen. Zie Instellingen (bladzijde 232). Zie Stuurwiel (bladzijde 53). Het aanraakscherm reinigen Gebruik een schone, zachte doek zoals een doekje dat u gebruikt om brilglazen te reinigen. Als er nog steeds vuil of vingerafdrukken zichtbaar zijn, breng dan een kleine hoeveelheid alcohol aan op de doek. Giet of spuit geen alcohol op het display. Gebruik geen reinigingsmiddel of een soort oplosmiddel om het display te reinigen. Ondersteuning Neem contact op met een erkende dealer voor meer ondersteuning. Ga voor meer informatie naar de regionale website van Ford. Veiligheidsinformatie WAARSCHUWING Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af en adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen. Zorg dat u zich bewust bent van alle nationale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparaten tijdens het rijden. Probeer het systeem niet te wijzigen of repareren. Laat uw auto door een erkende dealer controleren. Bedien geen afspeelapparatuur wanneer de stroomdraden of kabels ervan zijn gebroken, gespleten of beschadigd. Plaats snoeren en kabels uit de weg, zodat ze de werking van pedalen, stoelen, compartimenten of veilig rijden niet hinderen. Laat afspeelapparatuur niet onder extreme omstandigheden in uw auto liggen, want hierdoor kan de apparatuur beschadigd raken. Raadpleeg voor meer informatie de gebruiksaanwijzing van uw apparaat. Voor uw veiligheid zijn sommige functies van SYNC afhankelijk van uw snelheid. U kunt ze alleen gebruiken wanneer uw auto trager dan 8 km/h rijdt. Zorg dat u de gebruikshandleiding van uw apparaat leest voordat u dit in combinatie met SYNC gebruikt. 227

232 SYNC 2 Functies met snelheidsbeperking Sommige functies van dit systeem kunnen te moeilijk te gebruiken zijn wanneer uw auto rijdt. Daarom kunt u ze alleen gebruiken wanneer uw auto stilstaat. Zie de volgende tabel voor meer specifieke voorbeelden. Beperkte functies Systeemfuncties Video's, foto's en afbeeldingen Mededelingen Navigatie Instellingen bewerken terwijl de achteruitrijcamera of actieve parkeerhulp actief is. Video afspelen. Tekstberichten opstellen. Vooraf ingestelde tekstberichten bewerken. Navigatieroute afspelen. Privacy-informatie Wanneer u een mobiele telefoon aansluit op SYNC, maakt het systeem een profiel aan dat aan uw mobiele telefoon gekoppeld is. Het systeem maakt dit profiel aan om uw meer mobiele functies en een efficiëntere bediening te bieden. Dit profiel kan onder andere gegevens bevatten over uw telefoonboek, tekstberichten (gelezen en ongelezen) en de oproepgeschiedenis. De gegevens bevatten de oproepgeschiedenis terwijl uw mobiele telefoon niet op het systeem aangesloten was. Als u verbinding maakt met een mediaspeler creëert en bewaart het systeem een index van ondersteunde mediabestanden. Het systeem slaat ook een kort ontwikkelingslog van ca. 10 minuten op van alle recente systeemactiviteit. Het logprofiel en andere systeemgegevens kunnen gebruikt worden ter verbetering van het systeem en ter ondersteuning van de diagnose in het geval van eventuele storingen. Het profiel van de mobiele telefoon, de index van de mediaspeler en het ontwikkelingslogbestand blijven in het systeem aanwezig tenzij deze worden gewist. Deze zijn alleen algemeen toegankelijk in de auto als u uw mobiele telefoon of mediaspeler verbindt. Als u het systeem of uw auto niet langer wilt gebruiken, dan raden we u aan een Master Reset te voltooien om alle opgeslagen informatie te wissen. Zie Infodisplays (bladzijde 78). Er is speciale uitrusting nodig voor toegang tot systeemgegevens. Er is tevens toegang nodig tot de SYNC-module van de auto. Ford zal geen toegang tot de systeemgegevens verkrijgen voor andere dan de beschreven doeleinden zonder toestemming. Voorbeelden van toegang tot systeemgegevens zijn een rechterlijk bevel of waar nodig op order van wettelijke uitvoerders, andere overheidsinstanties of derden die als wettelijke autoriteit gelden. Andere partijen kunnen onafhankelijk van ons om toegang tot de informatie vragen. Verdere privacygegevens zijn beschikbaar. 228

233 SYNC 2 Modi openen en aanpassen via het informatiedisplay aan de rechterzijde E Het display bevindt zich aan de rechterzijde van uw instrumentenpaneel (A). U kunt de bedieningselementen op uw stuurwiel gebruiken om actieve modi te bekijken en kleine aanpassingen uit te voeren zonder dat u de handen van het stuur afhaalt. Bijvoorbeeld: In Entertainmentmodus kunt u bekijken wat er nu wordt afgespeeld, de audiobron wijzigen, voorkeuzestations selecteren en wat aanpassingen doen. In Telefoonmodus kunt u een inkomende oproep accepteren of weigeren. Als uw auto is voorzien van Navigatie, kunt u de huidige route bekijken of een route activeren. In de modus Zuinig rijgedrag kunt u leren hoe uw voertuig u informatie biedt over uw efficiënt rijgedrag. Druk op OK om het menu te verlaten. E Gebruik OK en de pijltoetsen rechts van uw stuurwiel om door de beschikbare modi te gaan. Het keuzemenu wordt uitgeklapt en er verschijnen diverse opties. Druk op de pijltoetsen omhoog en omlaag om door de modi te gaan. Druk op de pijltoets naar rechts om de modus te openen. 229

234 SYNC 2 Druk op de pijlen naar links of rechts om aanpassingen te doen in de gekozen modus. Druk OK om uw selectie te bevestigen. N.B.: Als uw auto niet is uitgerust met Navigatie, verschijnt Kompas op het display in plaats van Navigatie. Als u op de pijl naar rechts drukt om het Kompasmenu te openen, kunt u de afbeelding van het kompas zien. Het kompas wordt weergegeven in de rijrichting, niet de werkelijke richting (bijvoorbeeld als de auto naar het westen rijdt, wordt het westen in het midden van de afbeelding van het kompas weergegeven; het noorden wordt links van het westen weergegeven hoewel het in werkelijkheid rechts van het westen ligt). Spraakherkenning gebruiken Dit systeem helpt u bij de bediening van veel functies m.b.v. spraakcommando's. Hierdoor kunt u uw handen aan het stuurwiel houden en u aandacht op de weg voor u gevestigd houden. Het systeem geeft feedback aan de hand van akoestische tonen, propmts, vragen en gesproken bevestigingen, afhankelijk van de situatie en het gekozen interactieniveau (spraakinstellingen). Het systeem stelt ook korte vragen (bevestigingsprompts) wanneer uw verzoek niet duidelijk is of wanneer er meerdere reacties op uw verzoek mogelijk zijn. Wanneer u spraakcommando's gebruikt, kunnen er woorden en pictogrammen verschijnen in de statusbalk linksonder met de status van de spraakbediening (zoals Luisteren, Geslaagd, Mislukt, Gepauzeerd of Probeer opnieuw). Spraakcommando's gebruiken HIer zijn een aantal spraakcommando's die u op elk E gewenst moment tijdens spraakbediening kunt zeggen. Druk op de spraaktoets en zeg desgevraagd: Hoofdmenu Spraakcommando Beschikbare commando's Vorige pagina Terug Help Handige tips Zorg dat het interieur van de auto zo stil mogelijk is. Windgeruis van open ruiten en trillingen door het wegdek kunnen het correct herkennen van spraakcommando's door het systeem voorkomen. Wacht na het drukken op het spraakcommandopictogram tot u de toon hoort en een bericht verschijnt, voordat u een spraakcommando zegt. Spraakcommando's die eerder uitgesproken worden, zullen niet geregistreerd worden in het systeem. Spreek natuurlijk, zonder lange pauzes tussen de woorden. U kunt het systeem op elk gewenst moment onderbreken terwijl het spreekt door op het spraakcommandopictogram te drukken. 230

235 SYNC 2 Een lijst met beschikbare spraakcommando's openen Ga als volgt te werk om een lijst met alle beschikbare spraakcommando's te openen. Druk via het aanraakscherm op: Instellingen Help Menu-item Lijst spraakcommando's Druk via de bediening op het stuurwiel op de spraaktoets en zeg desgevraagd een van de volgende opties: Commandolijst Spraakcommando's Radio commandolijst Telefoon commandolijst Spraakinstructies commandolijst Instellingen voor spraakcommando's Hiermee kunt u de mate van interactie met het systeem, help en feedback aanpassen. Het systeem gebruikt standaard interactie waarbij gebruik wordt gemaakt van kandidatenlijsten en bevestigingsprompts, aangezien deze de meeste instructies en feedback bieden. Menu-item Dialoogmodus Bevestiging meldingen Telefoon kandidatenlijsten Media kandidatenlijsten Beginner Gevorderde Actie en omschrijving In deze modus biedt het systeem meer gedetailleerde interactie en richtlijnen. Deze modus heeft minder hoorbare interactie en meer geluidssignalen. Het systeem maakt gebruik van deze korte vragen om uw spraakcommando te bevestigen. Als dit is uitgeschakeld, maakt het systeem gewoon de meest waarschijnlijke keuze voor uw verzoek. Het systeem kan u toch nog af en toe vragen om een spraakcommando te bevestigen. Kandidatenlijsten zijn lijsten met mogelijke resultaten van uw spraakcommando's. Het systeem maakt deze lijsten aan indien er op basis van uw spraakcommando meerdere mogelijkheden zijn 231

236 SYNC 2 Druk op het aanraakscherm op het instellingenpictogram en druk op: Spraakinstellingen Spraaksturing Menu-item Maak uw keuze uit het volgende: Dialoogmodus Bevestiging meldingen Media kandidatenlijsten Telefoon kandidatenlijsten Volume spraaksturing Spraakcommando's gebruiken met de opties op het aanraakscherm Het spraakbedieningssysteem heeft een functie met twee modi, waarbij u kunt wisselen tussen het gebruik van spraakcommando's en keuzes maken op het scherm. Dit is alleen beschikbaar wanneer het systeem een kandidatenlijst weergeeft die werd gegenereerd tijdens een spraakbedieningssessie. Dit kan bijvoorbeeld worden gebruikt wanneer u een adres invoert of een contactpersoon probeert te bellen vanaf een mobiele telefoon die met het systeem is gekoppeld. INSTELLINGEN A B C D E F E

237 SYNC 2 Item A B C D E F Klok Display Geluid Voertuig Instellingen Help Menu-item Klok In dit menu kunt u de klok instellen, instellingen voor E weergave, geluid en de auto openen en aanpassen, en instellingen openen voor specifieke modi of de helpfunctie. Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Klok Menu-item Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Druk op + of - om de tijd in te stellen. Vanaf dit scherm kunt u ook andere aanpassingen doen, zoals de modus 12-uur of 24-uur, gps-synchronisatie van de tijd inschakelen en het system automatisch laten bijwerken bij nieuwe tijdzones. U kunt de weergave van de buitentemperatuur ook in- of uitschakelen. Dit verschijnt bovenaan in het midden van het aanraakscherm, naast de tijd en de datum. N.B.: U kunt de datum niet handmatig instellen. De gps van uw auto doet dat voor u. N.B.: Als de accu is losgekoppeld, moet uw auto een gps-signaal ontvangen om de klok aan te passen. Wanneer uw auto het signaal ontvangt, kan het een paar minuten duren om de juiste tijd weer te geven. Weergeven E U kunt de weergave aanpassen via het aanraakscherm of de spraaktoets op het stuurwiel. 233

238 SYNC 2 Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Menu-item Instellingen Display Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Maak uw keuze uit het volgende: Modus Achtergrond bewerken Automatisch dimmen Autom. dim handm. offset Hiermee kunt u de weergave uitschakelen. Hiermee kunt u ook de helderheid van het scherm instellen of het systeem de helderheid automatisch laten wijzigen op basis van de lichtsterkte buiten. Als u ook het volgende kiest: Automatisch Nacht Via deze functies kunt u de helderheid van uw scherm aanpassen (dimmen). Hiermee kunt u de standaardfoto weergeven of uw eigen foto uploaden. Als dit is ingesteld op Aan kunt u de functie Autom. dim handm. offset gebruiken. Wanneer Autom. dim is ingesteld op Uit, kunt u de helderheid van het scherm aanpassen. Helderheid Om het scherm helderder of minder helder te maken. Hiermee kunt u het dimmen van het scherm aanpassen wanneer de lichtsterkte buiten verandert van overdag naar 's nachts. E Om aanpassingen te doen met de spraaktoets, drukt u op de toets en zegt u desgevraagd: Scherminstellingen Spraakcommando Foto's voor de achtergrond van uw startscherm uploaden N.B.: U kunt foto's niet direct van uw camera uploaden. U moet de foto's openen vanaf uw USB-opslagapparaat of vanaf een SD-kaart. 234

239 SYNC 2 N.B.: Foto's met erg grote afmetingen (zoals 2048 x 1536) zijn wellicht niet compatibel en verschijnen als een leeg (zwart) beeld op het display. In het systeem kunt u 32 foto's uploaden en bekijken. E Voor toegang drukt u op: Om uw foto's te uploaden, selecteert u: Instellingen Mededeling Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Display Achtergrond bewerken Volg de instructies van het systeem om uw foto's te uploaden. Alleen foto's die voldoen aan de volgende voorwaarden worden weergegeven: Compatibele bestandsformaten zijn:.jpg,.gif,.png,.bmp. Elk bestand mag slechts 1,5 MB groot zijn. Aanbevolen afmetingen: 800 x 384. Geluid E Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Menu-item Instellingen Geluid Maak uw keuze uit het volgende: Bas Middentonen Treble Balans en fader instellen DSP-instelling EQ modus Aanpassing volume N.B.: Het is mogelijk dat niet al deze geluidsinstellingen aanwezig zijn in de auto. 235

240 SYNC 2 Voertuig E Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Voertuig Menu-item Maak uw keuze uit het volgende: Sfeerverlichting Instellingen camera Menu-item Valet parking modus inschakelen Laadindicator Sfeerverlichting (indien geplaatst) Wanneer u deze functie inschakelt, verlicht de sfeerverlichting de beenruimtes en bekerhouders in diverse kleuren. Om te openen en aan te passen: Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Voertuig Menu-item Sfeerverlichting Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. U kunt dan de gewenste kleur aanraken. Gebruik de schuifbalk om de intensiteit te verhogen of te verlagen. Druk op de aan/uit-knop om de functie in of uit te schakelen. Instellingen camera E Via dit menu kunt u naar de instellingen voor uw achteruitrijcamera gaan. Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Voertuig Menu-item Instellingen camera Maak uw keuze uit het volgende: Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. 236

241 SYNC 2 Menu-item Verbeterde Park Pilot Vertraging achteruitrijcamera Actie en omschrijving Meer informatie over het systeem van de achteruitrijcamera is te vinden in een ander hoofdstuk. Zie Parkeerhulp (bladzijde 145). Valet parking modus inschakelen Via de valet parking modus kunt u het systeem vergrendelen. De E informatie is pas beschikbaar wanneer het systeem is ontgrendeld met de juiste pincode. N.B.: Als het systeem wordt vergrendeld en u de pincode moet resetten, voer dan 3681 in om het systeem te ontgrendelen. Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Voertuig Menu-item Valet parking modus inschakelen Doorgaan Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Voer dan twee maal een pincode van vier cijfers in, zoals gevraagd. Nadat u op Doorgaan hebt gedrukt, wordt het systeem vergrendeld totdat u de pincode opnieuw invoert. Laadindicator E Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Menu-item Instellingen Voertuig Laadindicator U kunt dan het volgende selecteren: Actie en omschrijving 237

242 SYNC 2 Menu-item Actie en omschrijving Aan Uit Beperkt Gaat branden wanneer iets wordt aangesloten, portieren worden geopend, op de ontgrendeltoets op uw afstandsbediening wordt gedrukt en tijdens het laden. Gaan niet branden. Gaat alleen branden wanneer iets wordt aangesloten, portieren worden geopend of op de ontgrendeltoets op uw afstandsbediening wordt gedrukt. N.B.: De werking van de details op de laadindicator staat in een ander hoofdstuk. Zie Hoogspanningsaccu (bladzijde 129). Instellingen Systeem E Systeeminstellingen, spraakfuncties en instellingen voor telefoon, navigatie en draadloze verbinding openen en aanpassen. Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Menu-item Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Systeem Maak uw keuze uit het volgende: Taal Afstand Temperatuur Volume systeemmeldingen Pieptoon knop touchscreen Toetsenbordlayout Selecteer dit om het aanraakscherm weer te geven in een van de beschikbare taalopties *. Selecteer dit om eenheden weer te geven in kilometer of mijl. Selecteer dit om eenheden weer te geven in Celsius of Fahrenheit. Om het volume van spraakberichten van het systeem aan te passen. Selecteer dit om het systeem te laten piepen om keuzes te bevestigen die via het aanraakscherm worden gemaakt. Om het toetsenbord op het aanraakscherm weer te geven in het formaat QWERTY of ABC. 238

243 SYNC 2 Menu-item Applicaties installeren Master reset Actie en omschrijving Om eventuele gedownloade toepassingen te installeren of de huidige softwarelicenties te bekijken. Selecteer dit om terug te keren naar de fabrieksinstellingen. Zo worden alle persoonlijke instellingen en persoonlijke gegevens gewist. * De opties zijn: Engels, Spaans, Frans, Portugees, Duits, Italiaans, Nederlands, Zweeds, Pools, Turks en Russisch. Er zijn slechts vier van deze talen beschikbaar voor spraakinvoer en -uitvoer, afhankelijk van uw locatie. Spraaksturing E Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Menu-item Spraaksturing Maak uw keuze uit het volgende: Dialoogmodus Bevestiging meldingen Media kandidatenlijsten Telefoon kandidatenlijsten Volume spraaksturing Actie en omschrijving Standaard interactiemodus biedt meer gedetailleerde interactie en richtlijnen. Geavanceerde modus heeft minder hoorbare interactie en meer geluidssignalen. Laat het systeem u korte vragen stellen als het uw verzoek niet duidelijk heeft gehoord of begrepen. Opmerking: Zelfs als bevestigingsmeldingen zijn uitgeschakeld, kan het systeem u af en toe vragen om instellingen te bevestigen. Kandidatenlijsten zijn mogelijke resultaten van uw spraakcommando's. Als dit is uitgeschakeld, maakt het systeem gewoon de meest waarschijnlijke keuze voor uw verzoek. Kandidatenlijsten zijn mogelijke resultaten van uw spraakcommando's. Als dit is uitgeschakeld, maakt het systeem gewoon de meest waarschijnlijke keuze voor uw verzoek. Hiermee kan het volume van de spraakberichten van het systeem worden aangepast. 239

244 SYNC 2 Mediaspeler E Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Mediaspeler Menu-item Maak uw keuze uit het volgende: Automatisch afspelen Bluetooth apparaten Informatie databank Gracenote Gracenote -mediamanagement Albumillustratie Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Als deze functie is ingeschakeld, gaat het systeem automatisch naar de mediabron bij de eerste verbinding. Hiermee kunt u muziek beluisteren tijdens het indexeren. Als deze functie is uitgeschakeld, gaat het systeem niet automatisch naar de geplaatste mediabron. Selecteer dit om een apparaat te verbinden, de verbinding te verbreken, toe te voegen of te verwijderen. U kunt een apparaat ook instellen als uw favoriete apparaat, zodat het systeem automatisch verbinding probeert te maken met dat apparaat telkens wanneer het contact wordt aangezet. Hiermee kunt u de versie van de Gracenote Database bekijken. Als deze functie is ingeschakeld, levert de Gracenote Database informatie over metagegevens voor uw muziekbestanden. Dit overschrijft informatie van uw apparaat. Deze functie is standaard uitgeschakeld. Als deze functie is ingeschakeld, levert de Gracenote Database albumhoezen voor uw muziekbestanden. Dit overschrijft eventuele albumhoezen van uw apparaat. Deze functie gaat standaard naar de mediaspeler. Navigatie E

245 SYNC 2 Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Navigatie Menu-item Maak uw keuze uit het volgende: Kaart eigenschappen Route eigenschappen Navigatie eigenschappen Verkeer eigenschappen Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Paden in- en uitschakelen. Uw afspeellijst van boven naar beneden of van benden naar boven laten weergeven door het systeem. Melding POI parkeren in- en uitschakelen. De kortste route, snelste route of meest ecologische route selecteren als uw voorkeursroute. Deze route wordt het eerst weergegeven. Steeds uw voorkeursroute gebruiken. Als dit is ingesteld op ja, berekent het systeem slechts één enkele route. Zo kunt u uw bestemming sneller invoeren. Selecteer een lage, gemiddelde of hoge kostprijs voor de berekende ecologische route. Dit kan een kostprijs voor tijdverlies omvatten. Laat het systeem snelwegen vermijden. Laat het systeem tolwegen vermijden. Laat het systeem ferries of autotreinen vermijden. Laat het systeem tunnels vermijden. Laat het systeem navigatiemeldingen gebruiken. Laat het systeem informatie over de staat/provincie automatisch invullen. Gevarenwaarschuw. Laat het systeem de gevarenlocatie inschakelen in landen waar dit bij wet is toegestaan. Laat het systeem automatisch verkeersproblemen voorkomen. Verkeersberichten in- of uitschakelen. Laat het systeem pictogrammen bij ongevallen weergeven. 241

246 SYNC 2 Menu-item Te vermijden gebieden Actie en omschrijving Laat het systeem pictogrammen bij files weergeven. Laat het systeem afgesloten wegen weergeven. Laat het systeem pictogrammen bij wegwerkzaamheden weergeven. Laat het systeem pictogrammen bij incidenten weergeven. Laat het systeem pictogrammen weergeven bij gebieden waar er moeilijke rijomstandigheden kunnen optreden. Laat het systeem pictogrammen weergeven bij gebieden waar er sneeuw en ijs op de weg aanwezig kunnen zijn. Laat het systeem eventuele pictogrammen bij smog weergeven. Laat het systeem pictogrammen bij weerswaarschuwingen weergeven. Laat het systeem weergeven waar er beperkt zicht kan zijn. Laat het systeem pictogrammen weergeven bij aanbevelingen om uw radio aan te zetten voor verkeersberichten. Voer specifieke gebieden in die u wilt vermijden op geplande navigatieroutes. Telefoon E Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Instellingen Telefoon Menu-item Maak uw keuze uit het volgende: Bluetooth apparaten Bluetooth Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Een apparaat verbinden, verbinding verbreken, toevoegen of verwijderen, en het opslaan als favoriet. Bluetooth in- en uitschakelen. 242

247 SYNC 2 Niet storen Menu-item Emergency Assistance Beltoon van de telefoon Melding tekstbericht Internet gegevensverbinding Telefoonboek beheren Roaming waarschuwing Actie en omschrijving Alle oproepen direct naar uw voic laten gaan en niet laten bellen in de auto. Wanneer deze functie is ingeschakeld, worden meldingen van tekstberichten ook onderdrukt en bellen ze niet in uw auto. De functie Emergency Assistance in- of uitschakelen. Zie Informatie (bladzijde 281). Selecteer het soort melding voor telefoonoproepen - beltoon, pieptoon, tekst-naar-spraak of stil. Selecteer het soort melding voor tekstberichten - signaaltoon, pieptoon, tekst-naar-spraak of stil. Als dit compatibel is met uw telefoon, kunt u uw internetdataverbinding aanpassen. Selecteer dit om uw verbindingsprofiel te maken met het persoonlijke netwerk of uw verbinding uit te schakelen. U kunt ook kiezen om uw instellingen aan te passen of het systeem steeds verbinding te laten maken, nooit verbinding te laten maken bij roaming of te vragen om verbinding te maken. Druk op? voor meer informatie. Toegang tot functies zoals uw telefoonboek automatisch downloaden, uw telefoonboek opnieuw downloaden, contactpersonen toevoegen vanaf uw telefoon en uw telefoonboek verwijderen of uploaden. Laat het systeem u waarschuwen wanneer u in roamingmodus bent. Wi-Fi & Internet Uw systeem heeft een Wi-Fi-functie die een draadloos E netwerk vormt in uw auto, zodat andere apparaten (zoals computers of telefoons) in uw auto met elkaar kunnen communiceren, bestanden kunnen delen of games kunnen spelen. Via deze Wi-Fi-functie heeft iedereen in uw auto ook toegang tot internet als u een mobiele breedbandverbinding via USB in uw auto hebt, uw telefoon persoonlijke netwerken ondersteunt of als u buiten een draadloze hotspot parkeert. Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Menu-item Actie en omschrijving Instellingen Druk op het pictogram voor instellingen. Wi-Fi & Internet Maak uw keuze uit het volgende: 243

248 SYNC 2 Menu-item Wi-Fi-instellingen USB mobiel breedband Wi-Fi-netwerkmodus (cliënt) Actie en omschrijving Om de Wi-Fi-functie in uw auto in en uit te schakelen. Zorg dat u dit inschakelt om verbinding te kunnen maken. Kies een draadloos netwerk Hiermee kunt u een opgeslagen draadloos netwerk gebruiken. U kunt indelen op alfabetische volgorde, prioriteit en signaalsterkte. U kunt ook kiezen om een netwerk te zoeken, verbinding te maken met een netwerk, de verbinding met een netwerk te verbreken, meer informatie te ontvangen, een netwerk voorrang te geven of een netwerk te verwijderen. Gateway-modus (toegangspunt) Hiermee maakt u van SYNC een toegangspunt voor een telefoon of computer wanneer dit is ingeschakeld. Dit vormt het Local Area Network in uw auto om zodat u bijvoorbeeld games kunt spelen, bestanden kunt overdragen en op internet kunt surfen. Druk op? voor meer informatie. Gateway-instellingen (toegangspunt) Hiermee kunt u instellingen bekijken en wijzigen om SYNC te gebruiken als internetgateway. Gateway-apparatenlijst (toegangspunt) Hiermee kunt u recente verbindingen met uw Wi-Fi-systeem bekijken. In plaats van Wi-Fi te gebruiken, kan uw systeem ook een mobiele breedbandverbinding via USB gebruiken voor toegang tot het internet. (U moet uw mobiele breedbandapparaat op uw computer inschakelen voordat u hiermee verbinding maakt met het systeem) Op dit scherm kunt u instellen wat uw typische gebied is voor uw mobiele breedbandverbinding via USB. (Instellingen voor mobiele breedbandverbinding via USB worden wellicht niet weergegeven als het apparaat al is ingeschakeld) U kunt het volgende selecteren: Land Netwerk Telefoonnummer Gebruikersnaam 244

249 SYNC 2 Menu-item Bluetooth-instellingen Voorkeur verbindingen Wachtwoord Actie en omschrijving Toont u de apparaten die op dit moment zijn gekoppeld en geeft u de typische opties voor Bluetooth voor verbinding maken, verbinding verbreken, instellen als favoriet, apparaat toevoegen en verwijderen. Bluetooth is een gedeponeerd handelsmerk van de Bluetooth SIG. Kies uw verbindingsmethoden en wijzig ze indien nodig. U kunt kiezen om de volgorde te wijzigen en het systeem steeds te laten proberen verbinding te maken via een mobiele breedbandverbinding via USB of via Wi-Fi. Het logo Wi-Fi CERTIFIED is een keurmerk voor certificering van de Wi-Fi Alliance. Help E E Selecteer het volgende om aanpassingen te doen via het aanraakscherm: Menu-item Instellingen Help Actie en omschrijving Druk op het pictogram voor instellingen. Maak uw keuze uit het volgende: Systeeminformatie Softwarelicenties weergeven Serienummer systeem aanraakscherm Chassisnummer (VIN) Softwareversie systeem aanraakscherm Versie navigatiesysteem Versie kaartdatabase Sirius satellietradio ESN Informatie over Gracenote -database en bibliotheekversie De licenties bekijken voor alle software en toepassingen die op uw systeem zijn geïnstalleerd. 245

250 SYNC 2 Menu-item Restricties tijdens rijden Emergency Assistance Lijst spraakcommando's Actie en omschrijving Bepaalde functies zijn niet toegankelijk tijdens het rijden. De functie Emergency Assistance in- of uitschakelen. Zie Informatie (bladzijde 281). In noodgeval (ICE) snelkeuze Bewerken Hiermee kunt u maximum twee nummers opslaan als ICE-contactpersonen voor snelle toegang in noodsituaties. De ICE-contactpersonen die u selecteert, verschijnen op het einde van de oproepprocedure voor Emergency Assistance. Selecteer dit voor toegang tot uw telefoonboek en selecteer daarna de gewenste contactpersonen. De nummers verschijnen dan als opties op dit scherm voor de toetsen ICE 1 en ICE 2. Om lijsten met categorieën van spraakcommando's te bekijken. U kunt ook Help openen via spraakcommando's. Het E systeem geeft de beschikbare spraakcommando's voor de huidige modus. Druk op de spraaktoets en zeg desgevraagd: Help Spraakcommando U kunt op elk moment help zeggen voor hulp met commando's, menu's of andere informatie. 246

251 SYNC 2 ENTERTAINMENT A B C D E F G H E Item Actie en omschrijving A B C D E F G AM FM DAB CD USB Raak deze toets aan om naar beneden te gaan voor meer opties, zoals SD-kaart, BT-stereo en A/V In. Deze toetsen veranderen naargelang van de mediamodus waarin u zich bevindt. H Voorkeuzestations in het geheugen en cd-bediening. N.B.: Sommige functies zijn wellicht niet beschikbaar in uw regio. Neem voor meer informatie contact op met een erkende dealer. U kunt deze opties openen via het aanraakscherm of spraakcommando's. AM/FM-radio E Raak het tabblad AM of FM aan om naar de radio te luisteren. 247

252 SYNC 2 Om te wisselen tussen voorkeuzestations in AM en FM, raakt u gewoon het tabblad AM of FM aan. Voorkeuzestations in het geheugen Om een station op te slaan, houdt u één van de gebieden voor voorkeuzestations in het geheugen ingedrukt. Het geluid wordt even gedempt terwijl de radio het station opslaat. Het geluid keert terug wanneer dit voltooid is. TA Wanneer dit actief is, onderbreekt TA de actieve audiobron om binnenkomende verkeersberichten weer te geven. Scan Raak deze toets aan om door de bandbreedte AM of FM te scannen. Het systeem blijft 10 seconden op elk sterk station staan. Het lampje op de toets gaat branden wanneer deze functie is ingeschakeld. Info (alleen DAB) Wanneer op de infotoets wordt gedrukt, toont het systeem het overeenkomstige bloknummer voor het actieve DAB-radiostation. Als u een tweede keer op de infotoets drukt, wordt de naam van het radiostation opnieuw weergegeven. Opties Menu-item Geluidsinstellingen Radiotekst AST Actie en omschrijving Raak deze toets aan om de volgende instellingen aan te passen: Bas Middentonen Treble Balans en fader instellen DSP-instelling EQ modus Aanpassing volume Hiermee kunt u de informatie bekijken die door FM-stations wordt uitgezonden. Via AST (automatisch opslaan) kan het systeem de zes sterkste stations op uw huidige locatie automatisch opslaan. 248

253 SYNC 2 Menu-item Nieuwsbericht Regionaal Alternatieve frequentie Automatische frequentie Actie en omschrijving Als de optie voor nieuwsaankondigingen actief is, onderbreekt het systeem de actieve audiobron om binnenkomende nieuwsberichten weer te geven, als het station waarop op dat moment is afgestemd (of het laatste station als er een ander medium actief is) nieuws ondersteunt. Als de optie Regionaal actief is, blijft het systeem op het regionale subprogramma in plaats van om te schakelen naar een andere frequentie met een betere ontvangst. Als de optie voor alternatieve frequentie actief is, stemt het systeem af op een andere frequentie met een betere ontvangst voor hetzelfde station. Als Service Linking actief is, schakelt het systeem automatisch om van DAB naar FM als DAB niet meer beschikbaar is. N.B.: Het is mogelijk dat niet al deze geluidsinstellingen aanwezig zijn in de auto. Spraakcommando's voor radio Druk op de spraaktoets en zeg desgevraagd: Radio Spraakcommando Dan kunt u een commando zeggen zoals: FM DAB Radio uit help Zeg een frequentie of voorkeuzestation. Zeg een frequentie of voorkeuzestation. E

254 SYNC 2 CD linksonder op het aanraakscherm en selecteert u: E Voor toegang drukt u op de hoek Plaats uw cd en selecteer: CD Menu-item Herhalen Shuffle Scan Meer info Doorzoek. Menu-item Actie en omschrijving Raak deze toets aan om het nummer dat nu wordt afgespeeld of alle nummers op de cd te herhalen of deze functie uit te schakelen als deze reeds is ingeschakeld. Raak deze toets aan om de nummers of volledige albums in willekeurige volgorde af te spelen of deze functie uit te schakelen als deze reeds is ingeschakeld. Raak deze toets aan om een kort voorbeeld van alle beschikbare nummers af te spelen. Raak deze toets aan om informatie over de cd te bekijken. Raak deze toets aan om alle beschikbare nummers op de cd te doorbladeren. Om de geluidsinstellingen af te stellen, selecteert u: Opties Geluidsinstellingen Menu-item Daarna het volgende: Bas Middentonen Treble Balans en fader instellen DSP-instelling EQ modus Aanpassing volume Menu-item N.B.: Het is mogelijk dat niet al deze geluidsinstellingen aanwezig zijn in de auto. Spraakcommando's voor cd Druk tijdens het beluisteren van een cd op de spraaktoets op het E stuurwiel. Zeg desgevraagd een van de volgende commando's. 250

255 SYNC 2 Als u niet naar een cd luistert, druk dan op de spraaktoets en zeg na de toon: CD-speler Spraakcommando Als u naar een cd luistert, kunt u diverse commando's zeggen. Hier zijn enkele voorbeelden van wat u kunt zeggen. Spraakcommando Afspelen Pauze Volgend nummer Vorig nummer help E De SD-kaartgleuf bevindt zich in de middenconsole of achter een klein klepje in het dashboard. Voor toegang en om muziek op uw apparaat af te spelen, drukt u op de hoek linksonder op het aanraakscherm. * Dit is alleen van toepassing op WMA- en MP3-bestanden. SD-kaartgleuf en USB-poort De SD-kaartgleuf en de USB-poort bevinden zich in de media-hub. Zie Mediahub (bladzijde 222). E SD-logo is een handelsmerk van SD-3C, LLC. SD-kaart N.B.: Uw SD-kaartgleuf is veerbelast. Om de SD-kaart te verwijderen, drukt u de kaart in en het systeem zal deze uitwerpen. Probeer de kaart niet naar buiten te trekken om deze te verwijderen; dit kan tot schade leiden. N.B.: Het navigatiesysteem maakt ook gebruik van deze kaartgleuf. Zie Navigatie (bladzijde 288). 251

256 SYNC 2 USB-poort E De USB-poorten bevinden zich in de middenconsole of achter een klein klepje in het dashboard. Voor toegang en om muziek op uw apparaat af te spelen, drukt u op de hoek linksonder op het aanraakscherm. Met deze functie kunt u mediaspelers, geheugenkaarten, flashstations of USB-sticks aansluiten en de apparaten opladen als ze deze functie ondersteunen. Om video op uw ipod of iphone af te spelen, moet u een speciale combinatie van USB/RCA-composietvideokabel hebben (die u bij Apple kunt kopen). Wanneer u de kabel voor uw ipod of iphone aansluit, moet u het andere uiteinde aansluiten op zowel de RCA-aansluiting als de USB-poort. Muziek afspelen vanaf uw apparaat N.B.: Het systeem kan tot nummers indexeren. E Plaats uw apparaat en selecteer: Menu-item USB SD-kaart Herhalen Shuffle Soortg. muz. Meer info Opties Actie en omschrijving Wanneer het systeem uw USB of SD-kaart herkent, kunt u een van de volgende opties selecteren: Met deze functie kunt u het nummer of album dat momenteel wordt afgespeeld, herhalen. Raak deze toets aan om muziek op het geselecteerde album of in de geselecteerde map in willekeurige volgorde af te spelen. Met deze functie kunt u muziek kiezen die lijkt op wat er momenteel wordt afgespeeld. Raak deze toets aan om informatie over de schijf te bekijken, bijvoorbeeld het huidige nummer, naam van de artiest, album en genre. Raak deze toets aan om diverse media-instellingen te bekijken en aan te passen. 252

257 SYNC 2 Geluid Met geluidsinstellingen kunt u de volgende instellingen aanpassen: Menu-item Actie en omschrijving Bas Middentonen Treble Balans en fader instellen DSP-instelling EQ modus Aanpassing volume Instellingen mediaspeler Informatie apparaat Hiermee kunt u meer instellingen selecteren, onder Mediaspeler. Zie Instellingen (bladzijde 232). Geeft informatie over software en firmware weer over het media-apparaat dat momenteel is aangesloten. Update media-index Indexeert uw apparaat wanneer u het voor het eerst aansluit en telkens wanneer de inhoud ervan verandert (bijvoorbeeld nummers toevoegen of verwijderen) om te zorgen dat u de recentste spraakcommando's hebt die beschikbaar zijn voor alle media op het apparaat. N.B.: Het is mogelijk dat niet al deze geluidsinstellingen aanwezig zijn in de auto. Doorzoek. Met deze functie kunt u de inhoud van het apparaat bekijken. U kunt er ook mee zoeken op categorieën, zoals op genre, artiest of album. Als u informatie over het nummer wilt bekijken, bijvoorbeeld titel, artiest, bestand, map, album en genre, raak dan de albumhoes op het scherm aan. U kunt ook het volgende kiezen: Wat is dit? Menu-item Actie en omschrijving Om te horen hoe het systeem de huidige band en nummer uitspreekt. Dit kan nuttig zijn wanneer u spraakcommando's gebruikt om te zorgen dat het systeem uw verzoek correct afspeelt. 253

258 SYNC 2 Video afspelen vanaf uw apparaat Om video op uw apparaat te openen en af te spelen, moet de transmissie van uw auto in de parkeerstand (P) staan en moet het contact in accessoiremodus staan. Zie Motor starten en stoppen (bladzijde 107). Spraakcommando's voor USB en SD-kaart Via het spraaksysteem kunt u uw media bedienen via spraakcommando's. Als u bijvoorbeeld naar muziek op uw USB-apparaat luistert en een ander nummer wilt kiezen, dan drukt u gewoon op de spraaktoets en geeft het systeem u gesproken aanwijzingen. E Druk op de spraaktoets en zeg desgevraagd: Spraakcommando Geheugenkaart USB Dan commando's zoals: Doorzoeken Volgend nummer Pauze Afspelen Soortgelijke muziek Help Zeg de naam van de band, het nummer, het album of de afspeellijst die u wilt beluisteren. Informatie over ondersteunde mediaspelers, formaten en metagegevens SYNC ondersteunt bijna elke digitale mediaspeler, inclusief ipod, Zune, speelt af vanaf apparaatspelers en de meeste USB-apparaten. Ondersteunde audioformaten zijn onder meer MP3, WMA, WAV en AAC. SYNC kan ook uw geïndexeerde media van uw apparaat dat wordt afgespeeld organiseren volgens de labels met metagegevens. Labels met metagegevens, beschrijvende software-identificatoren ingebed in de mediabestanden, bieden informatie over het bestand. Als uw geïndexeerde mediabestanden geen informatie ingebed in deze labels met metagegevens bevatten, kan SYNC de lege labels met metagegevens als onbekend indelen. 254

259 SYNC 2 Om video op uw ipod of iphone af te spelen, moet u een speciale combinatie van USB/RCA-composietvideokabel hebben (die u bij Apple kunt kopen). Wanneer u de kabel voor uw ipod of iphone aansluit, moet u het andere uiteinde aansluiten op zowel de RCA-aansluiting als de USB-poort. Bluetooth Audio Met het systeem kunt u audio streamen via de luidsprekers van uw auto vanaf uw aangesloten mobiele telefoon met Bluetooth. E Voor toegang drukt u op de hoek linksonder op het aanraakscherm en selecteert u: BT audio Menu-item Spraakcommando's voor Bluetooth-audio WAARSCHUWINGEN hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af en adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen. Zorg dat u zich bewust bent van alle nationale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparaten tijdens het rijden. Uit veiligheidsoverwegingen dient u geen draagbare audiospelers aan te sluiten of instellingen hiervan aan te passen tijdens het rijden. Berg de draagbare audiospeler op een veilige plaats op, bijvoorbeeld in de middenconsole of het handschoenenvak, wanneer de auto in beweging is. Harde voorwerpen kunnen projectielen worden bij een botsing of bij bruusk remmen, waardoor er meer kans kan zijn op verwondingen. De audioverlengkabel moet lang genoeg zijn om de draagbare audiospeler tijdens het rijden veilig te bewaren. E Via het spraaksysteem kunt u uw media bedienen via een eenvoudig spraakcommando. Als u bijvoorbeeld een ander nummer wilt beluisteren, drukt u op de spraaktoets en volgt u de gesproken aanwijzingen. A/V-ingang WAARSCHUWINGEN Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw E Met de A/V-ingangen kunt u een extra audio/video-bron aansluiten (bijvoorbeeld een spelconsole of een persoonlijke camcorder) door een RCA-kabel (niet meegeleverd) aan te sluiten op deze ingang. De aansluitingen zijn geel, rood en wit en bevinden zich achter een klein klepje op het dashboard of in uw middenconsole. 255

260 SYNC 2 U kunt de A/V-ingangen ook gebruiken als extra ingangsaansluiting om muziek van uw draagbare muziekspeler af te spelen via de luidsprekers van uw auto. Sluit uw RCA-adapter van 1/8 inch (3,5 mm) aan op de twee A/V-ingangen links (rood en wit). Om de extra ingangsaansluiting te gebruiken, moet u zorgen dat uw draagbare muziekspeler is ontworpen voor gebruik met een hoofdtelefoon en dat de speler volledig is opgeladen. U hebt ook een audioverlengkabel met stereo mannelijke stekker van 1/8 inch (3,5 mm) aan het ene uiteinde en een RCA-aansluiting aan het andere uiteinde nodig. 1. Schakel de motor, de radio en de draagbare audiospeler uit. Schakel de parkeerrem in en zet de versnelling in de parkeerstand (P). 2. Sluit het ene uiteinde van de audioverlengkabel aan op de uitgang voor hoofdtelefoons van uw speler en het andere uiteinde in de adapter in één van de twee A/V-ingangen links (wit of rood) in de middenconsole. 3. Druk op de hoek linksonder op het aanraakscherm. Selecteer een FM-radiostation. 4. Pas het volume desgewenst aan. 5. Schakel de draagbare audiospeler in en pas het volume aan tot ½ van het maximum. 6. Druk op de hoek linksonder op het aanraakscherm en selecteer: Menu-item A/V in Als het goed is hoort u audio van uw draagbare muziekspeler, maar het volume kan erg laag zijn. Pas het geluid op uw draagbare audiospeler aan tot het volume van het FM-station door heen en weer te schakelen tussen de bediening. Om video op uw ipod of iphone af te spelen, moet u een speciale combinatie van USB/RCA-composietvideokabel hebben (die u bij Apple kunt kopen). Wanneer u de kabel voor uw ipod of iphone aansluit, moet u het andere uiteinde aansluiten op zowel de RCA-aansluiting als de USB-poort. Problemen opsporen Sluit de audiostekker niet aan op een lijnniveau-uitgang. De stekker werkt alleen correct bij apparaten met een uitgang voor hoofdtelefoons met volumeregeling. Stel het volume van de draagbare muziekspeler niet hoger dan nodig in om het volume van de FM-radio te evenaren, aangezien dit vervorming veroorzaakt en de geluidskwaliteit beperkt. 256

261 SYNC 2 Als de muziek vervormd klinkt bij lagere luisterniveaus, zet u het volume van de draagbare muziekspeler lager. Als het probleem aanhoudt, moet u de batterijen in de draagbare mediaspeler vervangen of opladen. Bedien de draagbare mediaspeler op dezelfde manier als wanneer u deze speler met een hoofdtelefoon gebruikt; via de extra ingangsaansluiting is het immers niet mogelijk om de aangesloten draagbare mediaspeler te bedienen (bijv. afspelen of pauzeren). TELEFOON A B C D E F E Item A B C D E F Telefoon Opslaan als snelkeuze Tel.-boek Oproepgesch. Berichten Instellingen Menu-item 257

262 SYNC 2 Handsfree bellen is een van de hoofdfuncties van SYNC. Wanneer u uw mobiele telefoon hebt gekoppeld, kunt u tal van opties openen via het aanraakscherm of spraakcommando's. Ondanks dat het systeem een verscheidenheid aan functies ondersteunt, zijn veel functies afhankelijk van de mobiele telefoon zelf. De meeste mobiele telefoons met de draadloze Bluetooth-technologie ondersteunen de volgende functies: Een inkomend gesprek beantwoorden. Een gesprek beëindigen. Een nummer kiezen. Melding gesprek in wacht. Beller-ID. Overige functies, zoals tekstberichten via Bluetooth en het telefoonboek automatisch downloaden, zijn functies die afhankelijk zijn van een mobiele telefoon. Zie de handleiding van uw mobiele telefoon of ga naar uw lokale Ford website om de compatibiliteit van uw telefoon te controleren. Uw mobiele telefoon voor het eerst koppelen WAARSCHUWING Afleiding tijdens het rijden kan leiden tot verlies van de controle over de auto, aanrijdingen en letsel. We adviseren zeer voorzichtig te werk te gaan bij het gebruik van apparatuur die uw aandacht van de weg kunnen afleiden. Uw hoofdverantwoordelijkheid is de veilige bediening van uw auto. We raden het gebruik van handheld-apparaten tijdens het rijden af en adviseren waar mogelijk het gebruik van spraakgestuurde systemen. Zorg dat u zich bewust bent van alle nationale wetten met betrekking tot het gebruik van elektronische apparaten tijdens het rijden. Het eerste wat u moet doen om de functies van SYNC voor uw telefoon te gebruiken, is uw mobiele telefoon met Bluetooth koppelen met SYNC. Zo kunt u uw mobiele telefoon gebruiken voor handenvrije communicatie. Raak de hoek linksboven op het aanraakscherm aan: Menu-item Telefoon koppelen Zoek SYNC Actie en omschrijving Volg de instructies op het scherm. Zorg dat Bluetooth is ingesteld op Aan en dat uw mobiele telefoon in de juiste modus staat. Raadpleeg indien nodig de handleiding van uw mobiele telefoon. Selecteer SYNC en er verschijnt een PIN-code van zes cijfers op uw apparaat. Als u wordt gevraagd een PIN-code in te voeren op uw apparaat, ondersteunt het apparaat beveiligd eenvoudig koppelen niet. Om te koppelen voert u de PIN-code in die op het aanraakscherm wordt weergegeven. Ga naar de volgende stap. Bevestig indien gevraagd op het scherm van uw mobiele telefoon dat de PIN-code van SYNC overeenkomt met de PIN-code die op uw mobiele telefoon wordt weergegeven. 258

263 SYNC 2 Menu-item Actie en omschrijving In de display wordt aangeduid wanneer de koppeling met succes is voltooid. SYNC kan u meer opties voor uw mobiele telefoon bieden. Raadpleeg de handleiding van uw mobiele telefoon en ga naar de website voor meer informatie over de compatibiliteit van uw mobiele telefoon. Meer mobiele telefoons koppelen Zorg dat Bluetooth is ingesteld op Aan en dat uw mobiele telefoon in de juiste modus staat. Raadpleeg indien nodig de handleiding van het apparaat. Om een volgende mobiele telefoon te koppelen, selecteert u: Menu-item Telefoon Instellingen Bluetooth apparaten Toevoegen Zoek SYNC Actie en omschrijving Volg de instructies op het scherm. Zorg dat Bluetooth is ingesteld op Aan en dat uw mobiele telefoon in de juiste modus staat. Raadpleeg indien nodig de handleiding van uw mobiele telefoon. Selecteer SYNC en er verschijnt een PIN-code van zes cijfers op uw apparaat. Als u wordt gevraagd een PIN-code in te voeren op uw apparaat, ondersteunt het apparaat beveiligd eenvoudig koppelen niet. Om te koppelen voert u de PIN-code in die op het aanraakscherm wordt weergegeven. Ga naar de volgende stap. Bevestig indien gevraagd op het scherm van uw mobiele telefoon dat de PIN-code van SYNC overeenkomt met de PIN-code die op uw mobiele telefoon wordt weergegeven. In de display wordt aangeduid wanneer de koppeling met succes is voltooid. SYNC kan u meer opties voor uw mobiele telefoon bieden. Raadpleeg de handleiding van uw mobiele telefoon en ga naar de website voor meer informatie over de compatibiliteit van uw mobiele telefoon. 259

264 SYNC 2 Bellen E Druk op de spraaktoets en zeg een commando zoals: Naam opbellen Nummer kiezen Spraakcommando U kunt de naam zeggen van een persoon in uw telefoonboek die u wilt bellen of een nummer zeggen dat u wilt kiezen. Bijvoorbeeld "Jenny bellen" of "Kies ". Houd de telefoontoets ingedrukt om de oproep te beëindigen of de telefoonmodus te sluiten. Om de oproep te weigeren, selecteert u: Weigeren Menu-item N.B.: U kunt de oproep ook weigeren door op de telefoontoets op het stuurwiel te drukken. De oproep negeren door niets te doen. SYNC registreert dit dan als een gemiste oproep. Opties telefoonmenu Druk op de hoek linksboven op het aanraakscherm om een keuze te maken uit de volgende opties: Menuitem Actie en omschrijving Gebeld worden Wanneer er een binnenkomende oproep is, klinkt er een geluidssignaal. Als er informatie over de oproep beschikbaar is, verschijnt deze informatie op het display. Om de oproep te accepteren, selecteert u: Aannemen Menu-item N.B.: U kunt de oproep ook accepteren door op de telefoontoets op het stuurwiel te drukken. Telefoon Opslaan als snelkeuze Raak deze toets aan voor toegang tot het numerieke toetsenbord op het scherm om een nummer in te voeren en iemand te bellen. Tijdens een actieve oproep kunt u één van deze opties kiezen: Gesprek mute Wachtstand Handsfree uit Vergadering Beëind. Kies dit om opgeslagen contactpersonen te bellen. 260

265 SYNC 2 Menuitem Tel.-boek Actie en omschrijving Raak deze toets aan om een contactpersoon in uw reeds gedownloade telefoonboek te openen en te bellen. Het systeem zet de contactpersonen in alfabetische categorieën die bovenaan op het scherm staan Om instellingen voor afbeeldingen van contactpersonen in te schakelen, als uw apparaat deze functie ondersteunt, selecteert u: Telefoon Instellingen Telefoonboek beheren Foto's van telefoonboek weergeven Bepaalde smartphones kunnen de overdracht van adressen ondersteunen wanneer deze in de contactgegevens in het telefoonboek staan. Als uw mobiele telefoon deze functie ondersteunt, kunt u deze adressen selecteren en gebruiken als bestemmingen en ze opslaan als favorieten. Opmerking: Deze functie is afhankelijk van uw mobiele telefoon. Als uw mobiele telefoon het downloaden van de oproephistoriek via Bluetooth niet ondersteunt, houdt SYNC alle oproepen bij die met het SYNCsysteem zijn uitgevoerd. Oproepgesch. Menuitem Berichten Instellingen Actie en omschrijving Nadat u uw mobiele telefoon met Bluetooth hebt verbonden met SYNC, hebt u toegang tot alle reeds gekozen, ontvangen of gemiste oproepen. U kunt er ook voor kiezen om deze op te slaan en: Favorieten Tekstberichten Opslaan als snelkeuze Tekstberichten verzenden via het aanraakscherm. Raadpleeg Tekstberichten verder in dit deel. Raak deze toets aan voor toegang tot diverse telefooninstellingen, bijvoorbeeld om Bluetooth in of uit te schakelen, uw telefoonboek te beheren en meer. Raadpleeg Telefooninstellingen verder in dit deel. N.B.: Tekstberichten downloaden en verzenden via Bluetooth zijn functies die afhankelijk zijn van de mobiele telefoon. N.B.: Bepaalde functies voor tekstberichten zijn afhankelijk van de snelheid en zijn niet beschikbaar wanneer uw auto sneller dan 8 km/h rijdt. N.B.: SYNC downloadt geen reeds gelezen tekstberichten van uw mobiele telefoon. U kunt tekstberichten verzenden en ontvangen via Bluetooth, ze luidop lezen en acroniemen in tekstberichten vertalen, bijvoorbeeld LOL. 261

266 SYNC 2 Raak de hoek linksboven op het display aan en selecteer: Telefoon Berichten Menu-item Daarna het volgende: Beluisteren (pictogram van luidspreker) Kiezen Tekst verz. Weergave Wissen Alles wissen Menu-item Een tekstbericht opstellen N.B.: Deze functie is afhankelijk van de snelheid. De functie is niet beschikbaar wanneer uw auto sneller dan 8 km/h rijdt. N.B.: Tekstberichten downloaden en verzenden via Bluetooth zijn functies die afhankelijk zijn van de mobiele telefoon. Om een tekstbericht op te stellen en te verzenden, selecteert u: Menu-item Telefoon Berichten Tekst verz. Bericht bew. Verzenden Actie en omschrijving Voer een mobiel telefoonnummer in of kies een nummer in uw telefoonboek. Hiermee kunt u het vooraf gedefinieerde bericht aanpassen of een eigen bericht maken. Verzendt het bericht zoals het is. U kunt dan een voorbeeld van het bericht bekijken, de ontvanger controleren en de lijst met berichten bijwerken, en het naar een verbonden apparaat verzenden, bijvoorbeeld een USB-apparaat. Opties voor tekstberichten Berichten Ik bel je over een paar minuten terug Ik ben net vertrokken en ben er zo Wil je me even bellen? Ik ben onderweg Berichten Ik ben een paar minuten later Het gaat sneller dan verwacht, dus ik ben er eerder Ik ben buiten Ik bel je zodra ik er ben OK Ja Nee Bedankt 262

267 SYNC 2 Berichten Zit vast in het verkeer Bel me straks even Een tekstbericht ontvangen Haha Berichten Wanneer een nieuw bericht ontvangen wordt, weerklinkt er een geluidssignaal en wordt er op het scherm een pop-up weergegeven met de naam en ID van de beller, als uw mobiele telefoon dat ondersteunt. U kunt het volgende selecteren: Menu-item Weergave Luisteren Kiezen Negeren Actie en omschrijving Om het tekstbericht te bekijken. Om het bericht te laten voorlezen door SYNC. Om de contactpersoon te bellen. Om het scherm af te sluiten. Telefooninstellingen Om het menu met telefooninstellingen te openen, selecteert u: Menu-item Telefoon Instellingen Daarna het volgende: Bluetooth apparaten Bluetooth Niet storen Emergency Assistance Actie en omschrijving Een apparaat verbinden, verbinding verbreken, toevoegen of verwijderen, en het opslaan als favoriet. Om Bluetooth in en uit te schakelen. Als u wilt dat alle oproepen direct naar uw voic gaan en niet bellen in de auto. Wanneer deze functie is ingeschakeld, bellen meldingen van tekstberichten ook niet in de cabine. De functie Emergency Assistance in- of uitschakelen. Zie Informatie (bladzijde 281). 263

268 SYNC 2 Menu-item Beltoon van de telefoon Melding tekstbericht Internet gegevensverbinding Telefoonboek beheren Roaming waarschuwing Actie en omschrijving Selecteer de beltoon die u wilt horen wanneer u een oproep ontvangt. Kies uit verschillende beltonen in het systeem, de beltoon van uw mobiele telefoon die op dit moment is gekoppeld, een pieptoon, tekst-naar-spraak of een stille melding. Kies een melding voor tekstberichten, indien dit wordt ondersteund door uw mobiele telefoon. Kies uit de beschikbare waarschuwingssignalen van het systeem, tekst-naarspraak of een stille melding. Als uw mobiele telefoon compatibel is, gebruikt u dit scherm om uw internetdataverbinding in te stellen. Selecteer dit om uw verbindingsprofiel te maken met het persoonlijke netwerk of uw verbinding uit te schakelen. U kunt ook kiezen om uw instellingen aan te passen of het systeem steeds verbinding te laten maken, nooit verbinding te laten maken bij roaming of te vragen om verbinding te maken. Druk op? voor meer informatie. Voor toegang tot functies zoals uw telefoonboek automatisch downloaden, uw telefoonboek opnieuw downloaden, contactpersonen toevoegen vanaf uw mobiele telefoon en uw telefoonboek verwijderen of uploaden. Om te zorgen dat het systeem u waarschuwt wanneer uw mobiele telefoon in roamingmodus staat. Spraakcommando's telefoon E Druk op de spraaktoets en zeg desgevraagd een van de volgende commando's of een soortgelijk commando: Voic opbellen Bericht beluisteren Spraakcommando Bericht beantwoorden Telefoon koppelen help 264

269 SYNC 2 INFORMATIE ELEKTRISCH VOERTUIG Uw systeem heeft speciale schermen voor elektrische voertuigen, met het E stroomverbruik en oplaadinstellingen. Druk op de toets EV Info om deze schermen te openen. A B E Instellingen Stroom Menu-item Instellingen (alleen Energi) Op dit scherm kunt u de functies voor gemakkelijk opladen instellen. N.B.: U kunt de functies voor gemakkelijk opladen ook instellen via MyFord Mobile via het internet of de toepassing voor smartphones. Voor meer informatie over MyFord Mobile en om uw MyFord Mobile-account in te stellen, gaat u naar 265

270 SYNC 2 Om u een betere laadervaring te bieden, beschikt uw auto over de volgende functies voor gebruiksgemak: Functie Voordelig opladen Nu opladen Binnentemperatuurregeling Vertrektijd Omschrijving Uw auto plant de laadtijdstippen wanneer de elektriciteitstarieven het laagst zijn. Neem contact op met uw elektriciteitsleverancier om te zien welke tarieven beschikbaar zijn. Uw auto begint onmiddellijk op te laden wanneer u de laadstekker aansluit. Leg meer afstand af met elke oplaadbeurt door uw auto op te warmen of af te koelen wanneer deze is aangesloten. Stel de binnentemperatuur in wanneer u uw Vertrektijd instelt; zo kunt u energie bij u thuis (of in het laadstation) gebruiken in plaats van de accu van uw auto. Als u een vertrektijd instelt, kunt u de oplaadplanning en de instellingen voor temperatuurregeling in de auto regelen, zodat uw auto klaar is voor vertrek wanneer u dat bent. Als u een Vertrektijd instelt, kan uw auto uw instellingen voor voordelig opladen gebruiken om uw elektriciteitskosten te beperken, maar toch nog voorrang geven aan een volledige oplaadbeurt voor uw Vertrektijd. Via een kalenderweergave kunt u twee Vertrektijden per dag programmeren voor elke dag van de week. N.B.: Denk eraan dat u uw auto moet aansluiten om gebruik te maken van Mijn vertrektijd. 266

271 SYNC 2 A B E D C A B C D Samenvatting Mijn vertrektijd geeft de volgende Vertrektijd en instelling voor binnentemperatuurregeling weer. Schatting limieten oplaadduur geeft de geschatte minimum- en maximumduur weer om de hoogspanningsaccu helemaal op te laden en de huidige laadstatus van de accu als percentage van de totale capaciteit. Oplaadprofiel en -modus geeft het oplaadprofiel en de oplaadmodus weer voor de huidige locatie van de auto. Oplaadstatus en werkelijke duur geeft de oplaadstatus weer met de starttijd, eindtijd en duur van de oplaadbeurt. 267

272 SYNC 2 Samenvatting Mijn vertrektijd Vertrektijd Temperatuur Skip (overslaan) Bewerken Menu-item Actie en omschrijving Dit is de tijd en de datum van uw volgende ingestelde vertrektijd. Uw auto plant het opladen en de binnentemperatuurregeling automatisch om gereed te zijn op dit moment. Dit is de gekozen instelling voor binnentemperatuurregeling voor deze Vertrektijd. Hiermee annuleert u de binnentemperatuurregeling voor de huidige Vertrektijd. Wanneer u Overslaan aanraakt, worden de Vertrektijd en de Temperatuur in het grijs weergegeven en gaat het lampje op de toets Overslaan branden. Raak de toets opnieuw aan om de binnentemperatuurregeling in te schakelen. Met deze functie kunt u de huidige Vertrektijd negeren zonder dat u de volledige planning hoeft te verwijderen of uit te schakelen (zie Planning vertrektijd verder in dit hoofdstuk). Wanneer de huidige Vertrektijd is verstreken, wordt de functie Overslaan gereset. Hiermee krijgt u toegang tot uw Planning Vertrektijd (zie Planning vertrektijd verder in dit hoofdstuk). Het systeem waarschuwt u ook voor eventuele conflicten door delen van het scherm geel te kleuren. Als uw accu niet helemaal kan worden opgeladen tegen de geplande vertrektijd, markeert het systeem uw volgende vertrektijd en tijd tot opladen voltooid en verschijnt het bericht Lading bij Vertrektijd: minder dan 100%. Dit is normaal, de auto informeert u over de conflictsituatie. Deze melding wordt alleen weergegeven wanneer de versnellingshendel in de stand P staat. N.B.: Het opladen begint van zodra u de auto aansluit. Het systeem beperkt de binnentemperatuurregeling 15 minuten voor uw Vertrektijd. Probeer het volgende om de conflictmelding onmiddellijk te verwijderen of een toekomstig conflict te voorkomen: Stel de huidige Vertrektijd later in. 268

273 SYNC 2 Sluit de auto aan op een laadstation met 230 V hoge stroomsterkte in plaats van de laadkabel met 230 V lage stroomsterkte. Als er wordt opgeladen bij een hogere stroom, wordt de oplaadduur beperkt. Sluit de auto sneller aan. Geschatte limieten oplaadduur Menu-item Actie en omschrijving Accu Dit toont u de huidige lading van de accu, weergegeven als percentage. Een waarde van 100% betekent dat de accu helemaal is opgeladen. Een waarde van 0% betekent dat de accu helemaal leeg is. Tot opgeladen 16 A of HI is de geschatte minimale oplaadduur om de huidige hoogspanningsaccu helemaal op te laden (100%). Dit betekent de kortste tijd die u mag verwachten om de hoogspanningsaccu op te laden onder ideale omstandigheden. Ideale omstandigheden zijn een laatstation van 230 V en minstens 16 A en de hoogspanningsaccu bij gemiddelde temperatuur. 10 A of LO is de geschatte maximale oplaadduur om de huidige hoogspanningsaccu helemaal op te laden (100%). Dit betekent de langste tijd die u mag verwachten om de hoogspanningsaccu op te laden bij normale omstandigheden. Normale omstandigheden zijn een laadkabel van 230 V en 10 A. N.B.: Deze oplaadduur is slechts een schatting. Het is normaal dat uw werkelijke oplaadduur langer is. N.B.: Deze oplaadduur is slechts een schatting. Het is mogelijk dat uw werkelijke oplaadduur langer is. Dit gebeurt wanneer de AC-stuurspanning laag is en kan erop wijzen dat uw elektrische installatie niet aan bepaalde eisen voldoet. Zie Hoogspanningsaccu laden (bladzijde 131). 269

274 SYNC 2 Voordelig oplaadprofiel en -modus Naam voordelig oplaadprofiel Menu-item Naam voordelig oplaadprofiel Bewerken Nu opladen Voordelig opladen Actie en omschrijving Dit is de naam van het Voordelig oplaadprofiel dat op dit moment wordt gedetecteerd. Het systeem detecteert een voordelig oplaadprofiel dat de klant heeft gedefinieerd wanneer de auto zich binnen ongeveer 100 m van de gps-locatie bevindt die voor het profiel is geregistreerd. Als de auto zich dicht bij meer dan één oplaadprofiel bevindt, kiest de auto het dichtstbijzijnde profiel. Wanneer de auto niet bij een gedefinieerd profiel in de buurt is, wordt gebruikgemaakt van het Standaard voordelig oplaadprofiel. Het systeem geeft normaal Standaardprofiel weer wanneer u rijdt, omdat de auto zich meestal tussen gedefinieerde voordelige profielen bevindt. Raak deze toets aan voor toegang tot het scherm met uw profielinstellingen voor Voordelig opladen (zie Voordelige oplaadprofielen verder in dit hoofdstuk). Raak deze toets aan als u wilt dat uw auto onmiddellijk wordt opgeladen wanneer u de auto aansluit op deze profiellocatie. Deze toets gaat branden wanneer Nu opladen de geselecteerde laadmodus is voor het huidige gedetecteerde oplaadprofiel. Raak deze toets aan als u gebruik wilt maken van voordelige elektriciteitstarieven in de daluren. De auto optimaliseert de oplaadplanning, zodat het opladen voltooid is tegen de volgende Vertrektijd. Deze toets gaat branden wanneer Voordelig opladen de geselecteerde laadmodus is voor het huidige gedetecteerde oplaadprofiel. 270

275 SYNC 2 Oplaadstatus en werkelijke duur Dit is de status van het laadsysteem, inclusief de laadstekker, hoogspanningsaccu en lader. Menu-item Vlgnd oplaadmoment Wachten op opladen Bezig met opladen Opgeladen Storing Start Actie en omschrijving Dit betekent dat de auto niet is aangesloten. Informatie over Begin opladen en Opladen voltooid wordt weergegeven voor de huidige voertuiglocatie. Dit betekent dat u de auto hebt aangesloten en dat deze gereed is om te worden opgeladen. In de modus Voordelig opladen start de auto wellicht niet meteen omdat deze is ingesteld om op te laden op tijdstippen met lagere elektriciteitstarieven. Dit betekent dat de hoogspanningsaccu wordt opgeladen. Dit informeert u dat de hoogspanningsaccu volledig is opgeladen en dat deze op dit moment niet is gepland om te worden opgeladen. Dit waarschuwt u dat er een storing aanwezig is, die voorkomt dat de hoogspanningsaccu wordt opgeladen. Controleer de aansluiting van de oplaadstekker, de laadkabel en het laadstation. Dit is de geplande starttijd voor het opladen. Bij inplug. Geplande starttijd voor opladen Wanneer de auto in de modus Nu opladen staat en niet is aangesloten, verschijnt het bericht Bij aansluiten, wat erop wijst dat de auto onmiddellijk begint op te laden wanneer deze wordt aangesloten. Wanneer u de auto aansluit, toont het systeem de werkelijke starttijd van het opladen. Wanneer de auto in de modus Voordelig opladen staat, geeft het systeem de geplande starttijd voor opladen weer (bijvoorbeeld om 8:00 p.m.). Wanneer het opladen begint, blijft het systeem de werkelijke starttijd van het opladen weergeven. 271

276 SYNC 2 Voltooid Menu-item Actie en omschrijving Dit is de geschatte tijd waarop het opladen voltooid zal zijn. Duur nu opladen Geplande tijd tot opladen voltooid Wanneer de auto in de modus Nu opladen staat en niet is aangesloten, geeft het systeem de oplaadduur in aantal uur weer. Wanneer u de auto aansluit, toont de waarde de geschatte tijd om het opladen te voltooien. Wanneer de auto in de modus Voordelig opladen staat, geeft het systeem de geschatte tijd weer waarop het opladen voltooid zal zijn. Het is normaal dat de geschatte tijd tot het opladen voltooid zal zijn, schommelt tijdens het opladen. De auto wordt opgeladen totdat de hoogspanningsaccu volledig is opgeladen. Planning vertrektijd Menu-item Bewerken Aan Uit Vertrektijd 1 Actie en omschrijving Raak deze toets aan om de Planning vertrektijd te bekijken Hiermee schakelt u de planning vertrektijd in. Hiermee schakelt u de planning vertrektijd uit. Hiermee schakelt u ook de functie binnentemperatuurregeling uit. Gebruik deze modus om energie te gebruiken om de binnentemperatuur te regelen wanneer u de auto aangesloten laat en niet van plan bent de auto binnenkort te gebruiken, zoals wanneer u op reis bent. Dit geeft de dag van de week en de tijd van de Vertrektijd weer. De blauw gemarkeerde Vertrektijd is de huidige Vertrektijd, die de auto gebruikt om het opladen en de binnentemperatuurregeling te plannen. U kunt twee Vertrektijden per dag plannen voor elke dag van de week. 272

277 SYNC 2 Menu-item Vertrektijd 2 Vertrektijd --:-- Actie en omschrijving Hiermee kunt u de vertrektijd en binnentemperatuurregeling bewerken. Wijst erop dat u een vertrektijd kunt toevoegen aan deze invoer. N.B.: Als u kiest om Voordelig opladen uit te voeren met de planning uit, plant de auto dat de oplaadbeurt voltooid zal zijn met de laagste kosten binnen 24 uur nadat u de auto hebt aangesloten. N.B.: Als u Vertrektijd 2 instelt vóór Vertrektijd 1, wordt er een pop-upbericht weergegeven met een melding daarvan. U moet terug naar het vorige scherm gaan en de tijden omwisselen, zodat Vertrektijd 1 vóór Vertrektijd 2 plaatsvindt. Vertrektijd en binnentemperatuurregeling Met dit scherm kunt u de Vertrektijd en binnentemperatuurregeling invoeren of aanpassen. Menu-item Tijd (+ en -) Actie en omschrijving Hiermee verandert u de uren en minuten van uw Vertrektijd. De minuten veranderen in stappen van vijf. U kunt de instellingen voor a.m. en p.m. ook aanpassen door deze toetsen aan te raken. Binnentemperatuurregeling HIermee kunt u de instelling voor uw geselecteerde binnentemperatuur voor deze Vertrektijd aanpassen. U kunt kiezen uit vier instellingen: (+ en -) 18,5 C 22 C 29,5 C Uit 273

278 SYNC 2 Menu-item Wissen Actie en omschrijving Als u deze toets aanraakt, worden de Vertrektijd en de binnentemperatuurregeling gewist. Opslaan Als u deze toets aanraakt, worden de instellingen voor Vertrektijd en binnentemperatuurregeling opgeslagen. N.B.: De binnentemperatuurregeling kan op een andere manier worden uitgevoerd, afhankelijk van het feit of u de auto aansluit op een laadkabel met 230 V lage stroomsterkte of een laadstation met 230 V hoge stroomsterkte. De beschikbare stroom voor de temperatuurregeling is beperkt tot de beschikbare stroom van het laadstation. N.B.: Uw auto zal dus niet altijd de ingestelde binnentemperatuur bereiken omwille van omstandigheden tijdens het opladen en de omgevingstemperatuur. Dit is volkomen normaal. N.B.: Als u een Vertrektijd selecteert, maar Uit kiest voor de temperatuurinstelling, plant de auto dat het opladen voltooid is tegen uw Vertrektijd en wordt de binnentemperatuur niet geregeld. N.B.: Zorg dat u uw instellingen opslaat voordat u terug naar het vorige scherm gaat. Als u Opslaan niet aanraakt, zal het systeem de instellingen niet automatisch opslaan. Voordelige oplaadprofielen Bewerken Standaard Menu-item Actie en omschrijving Raak deze toets aan naast de profielnaam op het scherm Instellingen om de voordelige oplaadprofielen te bekijken. Dit geeft de laadmodus en daluren weer voor uw Standaard voordelig oplaadprofiel. Het systeem geeft daluren weer voor weekdagen; de resterende uren van de dag worden beschouwd als piekuren. Het systeem geeft soortgelijke piekuren voor weekends weer. Nu opladen Als u wilt dat uw auto onmiddellijk wordt opgeladen wanneer u de auto aansluit op deze profiellocatie. 274

279 SYNC 2 Menu-item Door klant bepaalde voordelige oplaadprofielen Voordelig opladen Bewerken Actie en omschrijving Als u gebruik wilt maken van elektriciteitstarieven in de daluren. De auto optimaliseert de oplaadplanning, zodat het opladen voltooid is tegen de volgende Vertrektijd. Voor toegang tot het scherm met instellingen voor uw Standaard voordelig oplaadprofiel (zie Standaard voordelig oplaadprofiel verder in dit hoofdstuk). Wanneer u profielnamen creëert, geeft dit deel de namen van de Voordelige oplaadprofielen en de huidige Oplaadmodus voor specifieke locaties weer. U kunt deze profielen instellen en bewerken via de MyFord Mobile-toepassing via het internet of op een smartphone. U kunt maximaal negen unieke oplaadprofielen programmeren. Standaard voordelig oplaadprofiel Menu-item Weekdag Weekend Start Bewerken Opslaan Actie en omschrijving Raak deze toets aan om de oplaadtijden tijdens de daluren in te stellen. Stel de tijden voor Weekdagen en de tijd voor het Weekend in door deze toetsen aan te raken. Raak deze toets aan zodat het systeem uw instellingen onthoudt. Het systeem slaat uw instellingen pas op wanneer u een keuze maakt voor zowel Weekdag als Weekend. Als u de pijltoets aanraakt om terug te gaan naar het vorige scherm zonder uw instellingen op te slaan, slaat het systeem ze niet op en moet u ze nogmaals invoeren. Deze toetsen geven de tijden weer, die u als volgt kunt wijzigen: 275

280 SYNC 2 Menu-item Actie en omschrijving Voltooid + en - AM PM Hiermee kunt u de uren van uw begin- en eindtijden veranderen. Hiermee kunt u de tijd van uw beginen eindtijd veranderen. Deze instelling kan in de modus 12-uur worden bekeken. 16 A en 10 A Wissen Deze geven de spanning weer waarvan het standaardprofiel gebruik maakt. Het systeem gebruikt deze selectie om de geschatte oplaadduur te berekenen. Als u deze toets aanraakt, worden de voorkeuren voor Standaard voordelig opladen gewist. Opslaan Als u deze toets aanraakt, worden uw voorkeuren voor Standaard voordelig opladen opgeslagen. N.B.: Zorg dat u uw instellingen opslaat voordat u terug naar het vorige scherm gaat. Als u Opslaan niet aanraakt, zal het systeem uw instellingen niet opslaan. Voeding B C D E F G A N M L K J I H E

281 SYNC 2 A B C D E F G H I J K Stroom van motor naar wielen toont de richting van de stroom tussen de wielen en de elektromotor. Elektromotor stelt de hybride elektromotor voor. Hoe hoger het motorvermogen, des te groter de cirkel rond dit knooppunt zal zijn. Wanneer de auto klaar is voor vertrek, gaat het motorknooppunt branden. Stroom accu naar motor 1 geeft de richting van de stroom tussen de hoogspanningsaccu en de elektromotor weer. Een stroom naar de motor toe wijst erop dat de accu vermogen levert om de auto aan te drijven (de accu wordt ontladen). Een stroom naar de accu toe wijst erop dat de elektromotor stroom levert aan de accu (de accu wordt opgeladen). Aansluiten (alleen Energi) verschijnt wanneer u de auto aansluit op een stopcontact. Wanneer de hoogspanningsaccu vanaf een stopcontact wordt opgeladen, kunt u de stroom van de stekker naar de accu op het scherm zien. Overige 2 omvat alle stroomverbruik van de accessoires met laagspanning, zoals de ventilator voor klimaatregeling, koplampen en stoelverwarming. Hoe hoger het stroomverbruik van deze accessoires, des te groter de cirkel rond het knooppunt zal zijn. Dit knooppunt gaat branden telkens wanneer de auto is ingeschakeld aangezien er steeds een minimum aan energie wordt verbruikt. Klimaat 2,3 omvat het stroomverbruik van de componenten voor klimaatregeling met hoogspanning, zoals de elektrische aircocompressor en de elektrische verwarming (alleen Energi). Hoe hoger het stroomverbruik van deze componenten, des te groter de cirkel rond dit knooppunt zal zijn. Vermogen hoogspanningsaccu stelt uw hoogspanningsaccu voor. Er brandt een cirkel rond het knooppunt wanneer de hoogspanningsaccu vermogen ontvangt van regeneratief remmen, opladen via de motor of extern opladen (wanneer u de auto aansluit). Hoe hoger de stroom naar de hoogspanningsaccu, des te groter de cirkel rond dit knooppunt zal zijn. Brandstof stelt de brandstoftank in de auto voor. Stroom brandstof naar motor toont de stroom van de brandstoftank naar de motor wanneer de motor draait en brandstof verbruikt (soms draait de motor maar verbruikt deze geen brandstof). Wanneer de motor draait, maar geen brandstof verbruikt, is het motorknooppunt actief, maar is het brandstofpad uit. Een voorbeeld hiervan is wanneer u het gaspedaal niet intrapt en de auto tegen een hoge snelheid rijdt. Motor aan omwille van geeft u de reden(en) waarom de benzinemotor draait. Wanneer de benzinemotor is uitgeschakeld, verschijnt deze weergave niet. De redenen voor Motor draait omwille van worden weergegeven door het systeem in een tabel na deze lijst. Stroom van motor naar motor toont de richting van de stroom tussen de motor en de elektromotor. De richting wijst erop dat de motor stroom levert aan het elektrisch hoogspanningssysteem of dat het elektrisch hoogspanningssysteem vermogen levert om de motor te regelen of te starten. 277

282 SYNC 2 L M N Motorvermogen geeft de benzinemotor weer. Dit gaat alleen branden wanneer de benzinemotor is ingeschakeld. Hoe hoger het motorvermogen, des te groter de cirkel rond dit knooppunt zal zijn. Stroom van motor naar wielen toont de richting van de stroom tussen de motor en de wielen. Aandrijfvermogen geeft het vermogen naar de wielen weer. Hoe hoger het wielvermogen, des te groter de cirkel rond dit knooppunt zal zijn. Wanneer de motor is uitgeschakeld, geeft het scherm het aandrijfvermogen in het blauw weer. Wanneer de motor is ingeschakeld, geeft het scherm het aandrijfvermogen in het grijs weer. 1 De stroom van accu naar motor omvat het accuvermogen dat de auto gebruikt voor aandrijving. Dit omvat niet de energie die de auto gebruikt voor accessoires (zoals airconditioning, koplampen en radio). Dit scherm geeft verbruik van accessoires en klimaatregeling apart weer. 2 Accessoires geeft de elektriciteitsvraag van de accessoiresystemen van uw auto aan. Accessoires verbruiken vermogen maar dragen er niet toe bij dat de auto rijdt. De stroom geeft het stroomverbruik van het klimaatregelsysteem en de andere accessoires apart aan. 3 Het klimaatregelsysteem kan bepalen dat er airco nodig is, zelfs wanneer u dit uitschakelt. In dit geval kunt u wat vermogen van de klimaatregeling zien wanneer de airco uit is. Motor aan omwille van Verwarmingsinstelling Hoge snelheid Acceleratie De motor draait omwille van de verwarmingsinstelling. Beperk de verwarmingsinstelling of zet de verwarming uit om terug naar elektrische modus te gaan. De motor draait omdat de rijsnelheid het niveau voor werking van de elektrische modus overschrijdt. Beperk de snelheid om terug naar elektrische modus te gaan. De motor draait wanneer druk wordt uitgeoefend op het gaspedaal of de snelheidsregeling wordt ingeschakeld. Beperk de druk op het gaspedaal of schakel de snelheidsregeling uit om terug naar volledige elektrische modus te gaan. 278

283 SYNC 2 Motor aan omwille van Neutrale versnelling Lage versnelling Accu opladen Olieonderhoud (alleen Energi) Accutemperatuur (alleen Energi) Normale werking De motor draait omdat de auto in de neutrale versnelling staat. Schakel uit de neutrale versnelling om terug naar elektrische modus te gaan. De motor draait omdat de auto in een lage versnelling staat. Schakel uit de lage versnelling om terug naar elektrische modus te gaan. De motor draait om de hoogspanningsaccu op te laden. De auto gaat terug naar elektrische modus wanneer de accu is opgeladen. De motor draait om de kwaliteit van de motorolie te behouden. De auto gaat terug naar elektrische modus wanneer het onderhoud van de motorolie is voltooid. De motor draait omdat de temperatuur van de hoogspanningsaccu te hoog of te laag is. Dit is normaal. De auto gaat automatisch terug naar elektrische modus wanneer dat mogelijk is. De motor draait om de werking van de auto te optimaliseren. De auto gaat terug naar elektrische modus wanneer dat mogelijk is. Status Dit wijst erop welke modus actief is in het voertuigsysteem. 279

284 SYNC 2 Hybride aandrijving HV-accu laadt op Inactief Electrische aandrijving Opladen voltooid Menu-item (alleen Energi) Privacy notice gps-mapping met MyFord Mobile MyFord Mobile kan gebruik maken van gps-mapping wanneer een auto is geregistreerd in een MyFord Mobile-account. Om de auto uit het account te verwijderen, en zo ook de mogelijkheid tot gps-mapping te verwijderen, kan een volledige reset worden uitgevoerd in de auto. Zie Instellingen (bladzijde 232). Actie en omschrijving De elektromotor en de benzinemotor drijven de auto aan. Het hybride systeem slaat vermogen op in de hoogspanningsaccu. De auto staat stil of deelt erg weinig vermogen tussen de onderdelen van het elektrische systeem. De auto rijdt in elektrische modus (het vermogen komt van de elektromotor). In deze modus is de benzinemotor uitgeschakeld. De hoogspanningsaccu is opgeladen via het stopcontact. Voordat u de auto overhandigt aan de nieuwe eigenaar, kunt u ervoor kiezen een volledige reset of fabrieksreset uit te voeren (uitgevoerd via de website van MyFord Mobile). Via elk van deze methoden wordt de auto uit alle MyFord Mobile-accounts verwijderd. Het is raadzaam dat nieuwe eigenaars een volledige reset uitvoeren wanneer ze de auto in ontvangst nemen om de auto te verwijderen uit eventuele bestaande MyFord Mobile-accounts. De nieuwe eigenaar kan een MyFord Mobile-account door naar te gaan en de registratieprocedure te volgen. 280

285 SYNC 2 INFORMATIE A B C D E E Item A B C D E Verkeer Meldingen Kalender SYNC-Applicaties Waar ben ik? Menu-item Als uw auto is uitgerust met Navigatie, druk dan op de toets E Informatie voor toegang tot deze functies. Als uw auto niet is uitgerust met Navigatie, druk dan op de hoek van het aanraakscherm met het groene tabblad. Meldingen Als uw auto is uitgerust met Navigatie, raak dan de toets I E (Informatie) aan voor toegang tot deze functies. Als uw auto niet is uitgerust met Navigatie, raak dan de hoek van het aanraakscherm met het groene tabblad aan. 281

286 SYNC 2 Druk op Meldingen en kies dan een van de volgende services: Menu-item Weergave Wissen Alles wissen Actie en omschrijving Het complete bericht Het bericht Berichten Op dit scherm worden eventuele systeemberichten weergegeven (zoals een storing met de SD-kaart). N.B.: Het systeem waarschuwt u voor eventuele berichten door het informatiepictogram geel te kleuren. Nadat u de berichten hebt gelezen of verwijderd, wordt het pictogram weer wit. Kalender Als uw auto is uitgerust met Navigatie, raak dan de toets I E (Informatie) aan voor toegang tot deze functies. Als uw auto niet is uitgerust met Navigatie, raak dan de hoek van het aanraakscherm met het groene tabblad aan. Druk op Kalender. U kunt de huidige kalender per dag, week of maand bekijken. Emergency Assistance (indien aanwezig) WAARSCHUWINGEN Voor de werking van deze functie moet uw mobiele telefoon over Bluetooth beschikken en compatibel zijn met het systeem. Zorg ervoor dat uw mobiele telefoon zich op een veilige plek in uw auto bevindt. Als dit niet gebeurt, kan dit tot ernstig letsel of beschadiging van de mobiele telefoon leiden, waardoor Emergency Assistance mogelijk niet correct werkt. WAARSCHUWINGEN Het systeem probeert geen noodhulpoproep te doen als de instelling voor Emergency Assistance voorafgaand aan een botsing niet is ingeschakeld. Dit kan leiden tot een vertraagde reactietijd, waardoor het risico op ernstig letsel of overlijden mogelijk groter is. Wacht niet tot Emergency Assistance een noodoproep verricht als u dit zelf kunt doen. Bel direct de noodhulpdiensten om een vertraging in de reactietijd te voorkomen. Als u binnen vijf seconden na de aanrijding geen Emergency Assistance hoort, is het systeem of de gsm mogelijk beschadigd of buiten werking. N.B.: Voordat u deze functie inschakelt, moet u de belangrijke informatie in de kennisgeving over de functie Emergency Assistance en de privacy notice over Emergency Assistance verderop in dit hoofdstuk lezen. N.B.: Wanneer u Emergency Assistance inof uitschakelt, is de instelling van toepassing op alle gekoppelde mobiele telefoons. Als u Emergency Assistance uitschakelt en een eerder gekoppelde telefoon verbinding maakt wanneer u het contact aanzet, wordt er een spraakbericht afgespeeld, een bericht of pictogram weergegeven op het scherm of beide. 282

287 SYNC 2 N.B.: Opmerking: elke mobiele telefoon werkt anders. Emergency Assistance werkt bij de meeste mobiele telefoons, maar sommige mobiele telefoons kunnen problemen ondervinden bij het gebruik van deze functie. Als er een botsing is waarbij een airbag wordt geactiveerd of de brandstofpomp wordt uitgeschakeld, kan het systeem contact opnemen met de noodhulpdiensten (inclusief het callcenter) via een gekoppelde en verbonden mobiele telefoon. De medewerker van de noodhulpdiensten neemt contact op met het desbetreffende politiekorps en brengt communicatie tussen de drie partijen (u, het callcenter en de politie) tot stand. Ten slotte coördineert de lokale politie de reddingsactie. N.B.: Bij een noodgeval kan Emergency Assistance, als hulpmiddel voor communicatie, u helpen contact op te nemen met de specifieke afdelingen voor reddingsacties voor de openbare veiligheid. Emergency Assistance voert de reddingsacties niet uit. De lokale afdeling voor openbare veiligheid voert specifieke reddingsacties uit naargelang van de desbetreffende situatie. Zie Aanvullend veiligheidssysteem (bladzijde 28). In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie met betrekking tot de activering van airbags. Zie Wat te doen bij pech (bladzijde 167). In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie met betrekking tot de uitschakelfunctie van de brandstofpomp. Noodhulpoproep op Aan (On) instellen E Als uw auto is uitgerust met Navigatie, raak dan de toets I (Informatie) aan voor toegang tot deze functies. Als uw auto niet is uitgerust met Navigatie, raak dan de hoek van het aanraakscherm met het groene tabblad aan. Selecteer dan: Applicat. Menu-item Emergency Assistance Aan E Displayopties Als u deze functie inschakelt, verschijnt er een bevestigingsbericht op het display wanneer uw mobiele telefoon verbinding maakt en de auto wordt gestart. Als u deze functie uitschakelt, kunt u in het dialoogvenster een herinnering instellen. Uit met herinnering zorgt voor een herinnering op het display en een gesproken herinnering wanneer uw mobiele telefoon verbinding maakt en de auto wordt gestart. Uit zonder herinnering zorgt alleen voor een herinnering op het display wanneer uw mobiele telefoon verbinding maakt. Voor een correcte werking van Emergency Assistance: Het systeem moet van spanning worden voorzien en correct werken ten tijde van de aanrijding en gedurende de activering en het gebruik van de functie. U moet de functie inschakelen voor een botsing. 283

288 SYNC 2 Er moet een gsm op het systeem aangesloten zijn. In bepaalde landen kan het nodig zijn om een geldige en geregistreerde SIM-kaart met belkrediet te hebben om een noodoproep te plaatsen en uit te voeren. Een aangesloten gsm moet ten tijde van het ongeval een oproep kunnen verrichten. De netwerkdekking, batterijlading en signaalsterkte van de aangesloten gsm moeten voldoende zijn. Uw auto moet over accuspanning beschikken. N.B.: Deze functie werkt alleen in een Europees land of regio waar SYNC Emergency Assistance de lokale hulpdiensten kan bellen. Ga naar uw lokale Ford website voor meer informatie. In het geval van een aanrijding N.B.: Niet bij elke botsing wordt de airbag geactiveerd of de brandstofpomp uitgeschakeld (waardoor Emergency Assistance kan worden ingeschakeld). Als de Emergency Assistance echter geactiveerd wordt, probeert het systeem contact op te nemen met de noodhulpdiensten. Als een verbonden gsm beschadigd wordt of de verbinding met het systeem wordt verbroken, zoekt het en probeert het verbinding te maken met een beschikbare reeds gekoppelde gsm. Het systeem probeert 112 te kiezen. Vóór de oproep: Als u de oproep niet annuleert en SYNC erin slaagt een oproep te maken, wordt een introductiebericht afgespeeld voor de medewerker van de noodhulpdienst. Na dit bericht is er handenvrije communicatie tussen de inzittenden van de auto en de medewerker. Het systeem zorgt voor een kort tijdvenster (ca. 10 seconden) waarin de oproep geannuleerd kan worden. Als u de oproep niet annuleert, probeert het systeem 112 te kiezen. Het systeem speelt een bericht af, zodat u weet wanneer het een noodoproep probeert te maken. U kunt de oproep annuleren door de betreffende toets te selecteren of door op de toets voor het beëindigen van de oproep op het stuurwiel te drukken. Tijdens een oproep: Emergency Assistance maakt gebruik van informatie van de gps van de auto of het gsm-netwerk (indien beschikbaar) om de meest geschikte taal te selecteren. De taal die het systeem gebruikt voor interactie met de inzittenden van de auto kan verschillen van de taal die gebruikt wordt om informatie aan de telefonist(e) van de noodhulpdienst door te geven. Na het introductiebericht wordt de spraaklijn geopend, zodat u handenvrij kunt praten met de medewerker van de noodhulpdienst. Wanneer de lijn geopend wordt, dient u erop voorbereid te zijn om informatie over uw naam, telefoonnummer en locatie te verstrekken. 284

289 SYNC 2 N.B.: Terwijl het systeem informatie geeft aan de medewerker van de noodhulpdienst, speelt het systeem een bericht af, zodat u weet dat er belangrijke informatie wordt verzonden. Daarna wordt u gemeld wanneer de lijn geopend is om de handenvrije communicatie te starten. N.B.: Tijdens een Emergency Assistance-oproep verschijnt een noodprioriteitscherm met de gps-coördinaten van de auto indien beschikbaar. N.B.: Het is mogelijk dat de informatie over de gps-locatie niet beschikbaar is op het moment van de botsing; in dit geval zal Emergency Assistance toch proberen een noodoproep uit te voeren. N.B.: Het is mogelijk dat de noodhulpdiensten de gps-coördinaten niet ontvangen; in dit geval is handenvrije communicatie met een medewerker van de noodhulpdienst beschikbaar. N.B.: De medewerker van de noodhulpdienst kan, onafhankelijk van SYNC Emergency Assistance, ook informatie van het gsm-netwerk, zoals het telefoonnummer, de locatie van de gsm en de gsm-maatschappij, ontvangen. Emergency Assistance werkt mogelijk niet als: Uw mobiele telefoon of hardware voor Emergency Assistance beschadigd is tijdens de botsing. De accu van de auto of het systeem geen spanning heeft. Uw gsm uit de auto werd geworpen tijdens de botsing. Uw gsm niet over een geldige en geregistreerde SIM-kaart en beltegoed beschikt. U zich een Europees land of regio bevindt waar de SYNC Emergency Assistance de oproep niet kan doen. Ga naar uw lokale Ford website voor meer informatie. Belangrijke informatie over de functie Emergency Assistance Noodhulpoproep verricht momenteel geen oproepen naar noodhulpdiensten in de volgende landen: Albanië, Wit-Rusland, Bosnië-Herzegovina, Macedonië, Nederland, Oekraïne, Moldavië en Rusland. Ga naar uw lokale Ford website voor meer informatie. Privacy notice Emergency Assistance Wanneer u Emergency Assistance inschakelt, kan aan de noodhulpdiensten worden meegedeeld dat uw auto betrokken is geweest bij een botsing met activering van een airbag of uitschakeling van de brandstofpomp. Deze functie kan mogelijk informatie over uw locatie of andere informatie over uw voertuig of de aanrijding aan de telefonist(e) doorgeven, zodat de juiste noodhulpdiensten ingeschakeld kunnen worden. Als u deze informatie niet wilt meedelen, schakelt u de functie niet in. 285

290 SYNC 2 Waar ben ik? Selecteer het volgende voor de locatie en informatie over de auto: Informatie Help Selecteer dan: Waar ben ik? Menu-item AIRCONDITIONING Druk op de hoek rechtsonder op het aanraakscherm voor toegang tot de functies voor klimaatregeling. Afhankelijk van het model en optiepakket van uw auto, kan uw scherm voor klimaatregeling er anders uitzien dan het scherm dat hier is afgebeeld. Actie en omschrijving Om de huidige locatie van uw auto te bekijken, als uw auto is uitgerust met navigatie. Als uw auto niet is uitgerust met navigatie, krijgt u deze toets niet te zien. N.B.: U kunt de temperatuureenheden wisselen tussen Fahrenheit en Celsius. Zie Instellingen (bladzijde 232). E

291 SYNC 2 A B C D E F G H I Aan: Raak de schakelaar aan om het systeem uit en in te schakelen. De buitenlucht kan niet in de auto komen wanneer u het systeem uitschakelt. Passagiersinstellingen: Raak + of aan om de temperatuur in te stellen. Ventilatorsnelheid: Raak + of - aan om de ventilatorsnelheid in te stellen. DUAL: Raak dit aan om de temperatuurregeling voor de passagier in te stellen. Luchtrecirculatie: Raak dit aan om de luchtrecirculatie in of uit te schakelen, wat een invloed kan hebben op de benodigde tijd om het interieur af te koelen en te voorkomen dat geuren het interieur bereiken. Luchtrecirculatie wordt ook automatisch ingeschakeld wanneer MAX A/C of MAX ontdooien is geselecteerd en kan handmatig worden ingeschakeld in elke luchtstroommodus behalve ontdooien. Dit kan ook worden uitgeschakeld in alle luchtstroommodi behalve MAX A/C en MAX ontdooien om te zorgen dat de ruiten minder snel beslaan. MAX A/C: Raak dit aan om uw auto af te koelen met luchtrecirculatie. Raak dit nogmaals aan voor normale werking van de airco. MAX A/C verdeelt de lucht door de luchtroosters van het dashboard en kan helpen om te voorkomen dat geuren uw auto binnendringen. MAX A/C is zuiniger en efficiënter dan normale aircomodus. A/C: Raak dit aan om de airconditioning in of uit te schakelen. Gebruik airco met luchtrecirculatie voor betere koelprestaties en meer efficiëntie. Airco wordt automatisch ingeschakeld bij MAX A/C, ontdooien en beenruimte/ontdooien. AUTO: Raak dit aan om de automatische werking in te schakelen en stel daarna de temperatuur in via de temperatuurregeling. Het systeem regelt automatisch de ventilatorsnelheid, verdeling van de luchtstroom, airco aan of uit en het gebruik van buitenlucht of luchtrecirculatie. Handmatige bediening verdeling luchtstroom: Beenruimte en ontdooien: Verdeelt de lucht door de luchtroosters voor ontdooien en ontwaseming van de voorruit, luchtroosters in de vloer en luchtroosters in de vloer bij de achterbank en maakt gebruik van buitenlucht om te zorgen dat de ruiten minder snel beslaan. Dashboard: Verdeelt de lucht via de luchtroosters in het dashboard. Dashboard en vloer: Verdeelt de lucht via de luchtroosters in het dashboard, luchtroosters voor ontwaseming, luchtroosters in de vloer en luchtroosters in de vloer bij de achterbank. Vloer: Verdeelt de lucht via de luchtroosters voor ontwaseming, luchtroosters in de vloer en luchtroosters in de vloer bij de achterbank. Ontdooien: Raak dit aan om een dunne laag ijs of mist van de voorruit te wissen. Raak dit opnieuw aan om terug te keren naar de vorige keuze voor luchtstroom. Als ontdooien is ingeschakeld, maakt dit gebruik van buitenlucht om te zorgen dat de ruiten minder snel beslaan en wordt de lucht 287

292 SYNC 2 J verdeeld via de luchtroosters voor ontdooien en ontwaseming bij de voorruit. MAX ontdooien: Verdeelt buitenlucht door de luchtroosters van de voorruit en schakelt de airconditioning automatisch in. De ventilator staat op de hoogste stand en de temperatuur staat op HI. Wanneer de luchtverdeling in deze stand wordt gezet, kunt u geen luchtrecirculatie selecteren of de aanjagersnelheid en temperatuurregeling handmatig instellen. Bestuurdersinstellingen: Raak + of aan om de temperatuur in te stellen. Spraakcommando's klimaatregeling Druk op de spraaktoets op het stuurwiel. Zeg desgevraagd een E van de volgende commando's of een soortgelijk commando: Verwarming aan Verwarming uit Spraakcommando's Temperatuur instellen U kunt de temperatuur instellen tussen 15,0-30,0 C of F. NAVIGATIE N.B.: De navigatie SD-kaart moet zich in de SD-kaartgleuf bevinden om het navigatiesysteem te kunnen gebruiken. Neem contact op met een erkende dealer indien u een vervangende SD-kaart nodig hebt. Bestemmingsmodus N.B.: De SD-kaartgleuf is veerbelast. Voor het verwijderen van de SD-kaart drukt u de kaart in en laat u deze weer los. Probeer de kaart niet naar buiten te trekken om deze te verwijderen; dit kan tot schade leiden. Uw navigatiesysteem kent twee hoofdfuncties, de reisdoelmodus en de kaartmodus. Om een bestemming in te stellen, drukt u op de groene hoek van uw aanraakscherm en drukt u vervolgens op: Bestem. Kies het volgende: Thuis Menu-item 288

293 SYNC 2 Menu-item Favorieten Vorige bestemmingen Point of Interest (POI) Noodgevallen Adres Kruispunt Stadscentrum Breedtegraad/Lengtegraad Route bewerken Route wissen Om uw bestemming in te voeren, voert u de nodige informatie in de gemarkeerde tekstvelden in (in willekeurige volgorde). Om het adres van een bestemming in te voeren, drukt u op: Menu-item Start Actie en omschrijving Als u op deze toets drukt, verschijnt de locatie van het adres op de kaart. Om een vorige bestemming te kiezen, drukt u op: Menu-item Vorige bestemmingen Actie en omschrijving De laatste 20 bestemmingen die u hebt gekozen verschijnen. 289

294 SYNC 2 Wanneer u uw bestemming hebt gekozen, drukt u op: Menu-item Als bestem. invoeren Te vermijden gebieden Actie en omschrijving Om dit als uw bestemming in te voeren. U kunt kiezen om dit in te stellen als routepunt (zodat het systeem u via dit punt stuurt op weg naar uw huidige bestemming) of op te slaan als favoriet. U kunt dan uw route kiezen uit drie verschillende opties. Snelste Kortste Eco route Gebruikt de snelst mogelijke wegen. Gebruikt de kortste afstand. Gebruikt de meest zuinige route. Er wordt rekening gehouden met uw vooraf ingestelde keuzes bij de berekening van uw route. Zie Uw navigatievoorkeuren instellen verder in dit hoofdstuk voor meer informatie over deze keuzes. Om de navigatie te starten, drukt u op: Menu-item Route starten Actie en omschrijving U kunt de route annuleren of het systeem de route laten afspelen voor u. Tijdens routegeleiding kunt u op het pictogram van een tekstballon drukken die in de hoek rechtsboven op het navigatiescherm verschijnt (groene balk) als u wilt dat het systeem de informatie voor routegeleiding herhaalt. Wanneer het systeem de laatste instructie voor routegeleiding herhaalt, wordt de afstand tot de volgende instructie voor routegeleiding bijgewerkt, aangezien het systeem detecteert wanneer de auto in beweging is. Om de voorkeuren voor route in te stellen, drukt u op: Menu-item Rte. eigensch. Actie en omschrijving In route eigenschappen kunt u voorkeuren instellen, zoals vermijden van snelwegen, tolwegen, veerboten en autotreinen of tunnels. 290

295 SYNC 2 N.B.: Als uw auto op een herkende weg rijdt en u niet op de toets Route starten drukt, gaat het systeem standaard naar de Snelste route en begint de routegeleiding. Michelin reisgids De Michelin reisgids is een service die aanvullende informatie biedt over bepaalde Points of Interest (POI's) zoals restaurants, hotels en toeristische attracties (indien beschikbaar). Als u uw telefoon hebt gekoppeld aan het systeem, kunt u op de telefoontoets drukken om de geselecteerde POI rechtstreeks te bellen. N.B.: Niet alle functies zijn beschikbaar in alle talen en landen. POI-categorieën (Point Of Interest) Tankstation Parkeren Belangrijkste categorieën Voeding, drank en restaurant Auto Belangrijkste categorieën Reizen en transport Winkelen Financieel Entertainment en kunst Noodgevallen Recreatie en sport Gemeenschap Overheid Gezondheid en medicijnen Huishoudelijke diensten Om deze lijsten uit te klappen, drukt u op de + voor het item. Met het systeem kunt u ook alfabetisch of op afstand sorteren. 291

296 SYNC 2 Bereikringen en oplaadpunten (alleen Energi) E Wanneer u in de modus EV Now rijdt, verschijnen er ringen met schaduw op de kaart. De binnenste ring zonder schaduw is een veilig bereik dat u kunt afleggen met alleen elektrisch rijden. De buitenste zone met lichte schaduw zijn gebieden die u misschien kunt bereiken in de modus EV Now. Als uw bestemming in deze zone ligt, kan uw auto in Auto EV-modus werken, waarbij de motor wordt gebruikt indien nodig. De zone met donkere schaduw, buiten de ringen, kunt u waarschijnlijk niet bereiken met alleen de beschikbare elektriciteit van de auto. De ringen vormen een bereik bij benadering. Werkelijke afstanden van routes, weghellingen, rijsnelheid, gebruik van accessoires en andere omstandigheden beïnvloeden hoe ver u kunt rijden met uw auto in EV Now-modus voordat u moet opladen. U kunt de ringen in- of uitschakelen via het menu Instellingen door op het menu te drukken en het volgende te selecteren: Mededeling Navigatie Kaart eigenschappen Actie en omschrijving U kunt POI's voor oplaadpunten inen uitschakelen. Raak de kaart aan, gebruik de toetsen onderaan op het scherm en selecteer het POI-pictogram. De picto- 292

297 SYNC 2 Mededeling Actie en omschrijving grammen verschijnen alleen bij een kaart met een schaal van 8 kilometer (5 mijl) of minder. Uw navigatievoorkeuren instellen E route. Selecteer instellingen waarmee het systeem rekening dient te houden bij het plannen van uw Voor toegang tot de opties voor instellingen, drukt u op Menu-item Instellingen Navigatie Selecteer daarna het volgende: Kaart eigenschappen Menu-item Kaart eigenschappen Selecteer daarna het volgende: Broodkruimels Lay-out afslagenlijst Melding POI parkeren Berichten op tweede niveau, acties en beschrijvingen Geeft de afgelegde route van uw auto weer met witte stippen. U kunt deze functie in- en uitschakelen: Aan Uit Laat het systeem uw wegbeschrijving weergeven Boven-beneden Beneden-boven Wanneer de melding POI parkeren is ingeschakeld, worden de pictogrammen weergegeven op de kaart wanneer u in de buurt van uw bestemming komt. Dit is wellicht niet erg nuttig in dichtbevolkte gebieden en kan de kaart onoverzichtelijk maken wanneer er andere POI's worden weergegeven. De automatische melding POI parkeren instellen. U kunt deze functie inen uitschakelen: Aan Uit 293

298 SYNC 2 Route eigenschappen Menu-item Route eigenschappen Selecteer daarna het volgende: Voorkeursroute Altijd voorkeursroute Eco-tijdverlies Vermijden Berichten op tweede niveau, acties en beschrijvingen De automatische melding POI parkeren instellen. Wanneer de melding POI parkeren is ingeschakeld, worden de pictogrammen weergegeven op de kaart wanneer u in de buurt van uw bestemming komt. Dit is wellicht niet erg nuttig in dichtbevolkte gebieden en kan de kaart onoverzichtelijk maken wanneer er andere POI's worden weergegeven. Om deze functie in of uit te schakelen: Aan De routekeuze omzeilen bij het invoeren van de bestemming. Het systeem berekent slechts één route op basis van uw ingestelde voorkeursroute. Selecteer een lage, gemiddelde of hoge kostprijs voor de berekende Eco-route. Hoe hoger de instelling, hoe langer de tijd zal zijn die voor de route is toegewezen. Via deze functies kunt u kiezen om het systeem snelwegen, tolwegen, veerboten, autotreinen en tunnels te laten vermijden wanneer u uw route plant. Om deze functies in of uit te schakelen: Aan Uit Uit Navigatie eigenschappen Menu-item Navigatie eigenschappen Selecteer daarna het volgende: Gevarenwaarschuw. Berichten op tweede niveau, acties en beschrijvingen Laat het systeem de gevarenlocatie inschakelen in landen waar dit bij wet is toegestaan. 294

299 SYNC 2 Menu-item Navigatiemeldingen Land automatisch invullen Berichten op tweede niveau, acties en beschrijvingen Om het soort spraakberichten te selecteren die het systeem gebruikt. Hiermee vult het systeem de provincie automatisch in op basis van de informatie die reeds is ingevoerd in het systeem. U kunt deze functie in- en uitschakelen: Aan Uit Verkeer eigenschappen Menu-item Verkeer eigenschappen Selecteer daarna het volgende: Vermijd verkeersproblemen Verkeerswaarschuwingsmeld. Instellingen verkeerspictogram Berichten op tweede niveau, acties en beschrijvingen U kunt kiezen hoe u wilt dat het systeem omgaat met verkeersproblemen langs uw route. Automatisch Handmatig Deze functie inschakelen Laat het systeem een alternatieve route berekenen om verkeersincidenten te vermijden die zich op de huidige route voordoen en die daarop van invloed zijn. Het systeem geeft geen verkeersbericht Laat het systeem altijd een verkeersbericht geven voor verkeersongevallen op de geplande route. U kunt kiezen om het bericht te accepteren of te negeren voordat de routeomleiding wordt uitgevoerd. Laat het systeem automatisch verkeersproblemen voorkomen. Verkeersberichten in- of uitschakelen. Laat het systeem pictogrammen bij ongevallen weergeven. Laat het systeem pictogrammen bij files weergeven. Laat het systeem afgesloten wegen weergeven. Laat het systeem pictogrammen bij wegwerkzaamheden weergeven. 295

300 SYNC 2 Menu-item Berichten op tweede niveau, acties en beschrijvingen Laat het systeem pictogrammen bij incidenten weergeven. Laat het systeem pictogrammen weergeven bij gebieden waar er moeilijke rijomstandigheden kunnen optreden. Laat het systeem pictogrammen weergeven bij gebieden waar er sneeuw en ijs op de weg aanwezig kunnen zijn. Laat het systeem eventuele pictogrammen bij smog weergeven. Laat het systeem pictogrammen bij weerswaarschuwingen weergeven. Laat het systeem weergeven waar er beperkt zicht kan zijn. Laat het systeem pictogrammen weergeven bij aanbevelingen om uw radio aan te zetten voor verkeersberichten. Te vermijden gebied Menu-item Te vermijden gebieden Selecteer daarna het volgende: Toevoegen Wissen Berichten op tweede niveau, acties en beschrijvingen Kies gebieden waarvan u wilt dat het systeem ze vermijdt wanneer een route wordt berekend Wanneer u uw keuze maakt, probeert het systeem het gebied/ de gebieden indien mogelijk te vermijden voor alle routes. Om een invoer te programmeren, drukt u op: Om een deel te verwijderen, kiest u het item op het scherm. Het scherm verandert; druk dan op: Kaartmodus Druk op de groene balk rechtsboven op het aanraakscherm om de kaartmodus weer te geven. De kaartmodus toont een geavanceerde weergave, bestaande uit kaarten van steden in 2D en oriëntatiepunten in 3D (indien beschikbaar). Kaarten van steden in 2D tonen gedetailleerde afbeeldingen van gebouwen, zichtbaar gebruik van grond en landschapselementen en gedetailleerde spoorweginfrastructuur voor de belangrijkste steden ter wereld. Deze kaarten bevatten ook bepaalde functies, zoals huizenblokken, gebouwen en spoorwegen. 296

301 SYNC 2 Oriëntatiepunten in 3D verschijnen als duidelijke, zichtbare objecten die typisch herkenbaar zijn en een zekere toeristische waarde hebben. De oriëntatiepunten in 3D verschijnen alleen in de kaartmodus 3D. De dekking varieert en wordt steeds beter bij volgende publicaties van kaarten. Weergave wisselt tussen volledige kaart, stratenlijst en afslagweergave in routegeleiding. Menu geeft een pop-upvenster weer met directe toegang tot navigatie-instellingen, route bekijken/bewerken, routegeleiding dempen en route annuleren. U kunt ook de volgende opties kiezen: Menu-items E Verander de weergave van de kaart door meermaals op de pijltoets in de hoek linksboven op het scherm te drukken. Zo kunt u wisselen tussen drie verschillende kaartmodi: Rijrichting, Noordwaarts en 3D. Rijrichting (2D-kaart) toont altijd de richting waarin wordt E gereden bovenaan op het scherm. Deze weergave is beschikbaar voor kaarten met een schaal tot 5 km. Het systeem onthoudt deze instelling voor kaarten met een grotere schaal, maar toont de kaart alleen in Rijrichting. Als de schaal weer kleiner wordt, herstelt het systeem de weergave in Rijrichting. E Noordwaarts (2D-kaart) toont altijd de noordelijke richting bovenaan op het scherm. Kaartmodus 3D biedt een reliëfweergave van de kaart. U kunt de weergavehoek aanpassen en E de kaart 180 graden draaien door de kaart tweemaal aan te raken en daarna uw vinger langs de schaduwbalk met pijlen onderaan op de kaart te slepen. Weergave Menu Wisselt tussen volledige kaart, stratenlijst en afslagweergave in routegeleiding. Geeft een pop-up weer met directe toegang tot de navigatie-instellingen. Druk op de luidsprekertoets op de kaart om de routegeleiding te E dempen. Wanneer het lampje op de toets gaat branden, is deze functie ingeschakeld. De luidsprekertoets verschijnt alleen op de kaart wanneer de routegeleiding actief is. U kunt op dit pictogram drukken om de kaart weer te centreren E wanneer u weg van de huidige locatie van uw auto op de kaart bent gegaan. Automatisch zoomen Druk op de groene balk voor toegang tot de kaartmodus en selecteer de zoomtoets + of - om het zoomniveau en de Auto-toetsen op het aanraakscherm weer te geven. Wanneer u op Auto drukt, wordt automatisch zoomen ingeschakeld en wordt Auto weergegeven in de hoek linksonder op het scherm in de schaal van 297

302 SYNC 2 de kaart. Het zoomniveau van de kaart wordt dan gesynchroniseerd met de rijsnelheid. Hoe langzamer uw auto rijdt, hoe verder de kaart inzoomt; hoe sneller uw auto rijdt, hoe verder de kaart uitzoomt. Druk nogmaals op de toets + of - om de functie uit te schakelen. In 3D-modus kunt u de kaartweergave draaien door met uw vinger over de schaduwbalk met de pijlen te vegen. Het vak met de geschatte aankomsttijd verschijnt onder de zoomtoetsen wanneer er een route actief is en geeft de afstand en tijd tot uw bestemming weer. Als op deze toets wordt gedrukt, verschijnt er een pop-up met de bestemming (en routepunten indien van toepassing), samen met het aantal kilometer en de tijd tot bestemming. U kunt ook kiezen om de geschatte tijd om uw bestemming te bereiken of uw geschatte aankomsttijd weer te geven. Kaartpictogrammen E Automarkering toont de huidige locatie van uw auto. Deze markering blijft in het midden van de kaartweergave, behalve wanneer u de kaart verschuift. Schuifcursor, hiermee kunt u de kaart verschuiven; het vaste E pictogram staat in het midden van het scherm. De kaartpositie het dichtst bij de cursor staat in een venster bovenaan in het midden van het scherm. Standaard pictogram(men) invoer adresboek geeft de locatie E van een item in uw adresboek op de kaart weer. Dit is het symbool dat standaard wordt weergegeven nadat de invoer is opgeslagen in het Adresboek op een andere manier dan via de kaart. U kunt kiezen uit de 22 beschikbare pictogrammen. U kunt elk pictogram meer dan eens gebruiken. Thuis geeft de plaats op de kaart aan die op dit moment als uw eigen adres is opgeslagen. U kunt E slechts één adres in het Adresboek opslaan als uw thuisadres. U kunt dit pictogram niet veranderen. Pictogrammen POI wijzen op locaties van een bepaalde E POI-categorie die u kiest voor weergave op de kaart. U kunt kiezen om drie POI-categorieën tegelijk weer te geven op de kaart. E Beginpunt duidt het beginpunt van een geplande route aan. Routepunt duidt de locatie van een routepunt op de kaart aan. Het cijfer in de cirkel verschilt voor elk E routepunt en geeft de positie van het routepunt in de routelijst weer. E E Symbool bestemming duidt het eindpunt van een geplande route aan. Punt volgende manoeuvre duidt de locatie van de volgende afslag op de geplande route aan. Symbool geen gps duidt aan dat er onvoldoende gps-satellietsignalen beschikbaar E zijn voor een nauwkeurige positionering van de kaart. Dit pictogram kan worden weergegeven bij normaal gebruik in een gebied met slechte gps-ontvangst. Sneltoetsen In kaartmodus kunt u overal op de kaart tikken om de volgende opties weer te geven: 298

303 SYNC 2 Mededeling Als bestem. invoeren Als tussenp. invoeren Opslaan ond. favorieten POIpictogr. Route wissen Actie en omschrijving Raak deze toets aan om een locatie op de kaart als uw bestemming te kiezen. U kunt de kaart verschuiven door met uw wijsvinger op de kaartweergave te drukken. Wanneer u de gewenste bestemming bereikt, laat u de kaart gewoon los en raakt u deze toets aan. Raak deze toets aan om de huidige locatie als routepunt in te stellen. Raak deze toets aan om de huidige locatie op te slaan in uw favorieten. Raak deze toets aan om pictogrammen te selecteren om weer te geven op de kaart. U kunt maximaal drie pictogrammen kiezen om tegelijk weer te geven op de kaart. U kunt deze functies in- en uitschakelen: Aan Uit Raak deze toets aan om de actieve route te annuleren. Route bekijken/bewerken U kunt deze functies openen wanneer er een route actief is: Route weergeven Mededeling Bestem./tussenp. bewerken Afslagenlijst bewerken Omleiding Route eigenschap. bewerken Verkeer eigenschap. bewerk. Route wissen HERE is de leverancier van de digitale kaarten voor de navigatietoepassing. Als u fouten in de kaartgegevens vindt, kunt u die direct aan HERE melden; ga daarvoor naar HERE evalueert alle gerapporteerde fouten met kaarten en reageert via met het resultaat van hun onderzoek. Updates van navigatiekaarten Er zijn jaarlijkse updates van navigatiekaarten te koop bij uw dealer. Spraakcommando's navigatie E Druk in navigatiemodus op de spraaktoets op het stuurwiel. 299

304 SYNC 2 Na de toon kunt u een van de volgende commando's of een soortgelijk commando zeggen: Bestemming Uitzoomen Inzoomen Waar ben ik? help Spraakcommando De volgende commando's kunnen alleen worden gebruikt wanneer er een navigatieroute actief is: Omleiding Route wissen Route weergeven Volgende afslag Wegbeschrijving weergeven Spraakcommando Adres bestemming snel invoeren Om een bestemming in te stellen via spraakcommando's, kunt u het volgende zeggen: Spraakcommando Adres zoeken Actie en omschrijving Het systeem vraagt u om het volledige adres te zeggen. Het systeem geeft een voorbeeld op het scherm weer. STORINGSDIAGNOSE SYNC Uw SYNC systeem is eenvoudig in gebruik. Indien u echter vragen mocht hebben, raadpleeg dan de onderstaande tabellen. Bezoek de Ford website om de compatibiliteit van uw gsm te controleren. U kunt het adres op een natuurlijke manier zeggen, zoals "Hoofdstraat één twee drie vier, Voorbeeldstad". 300

305 SYNC 2 Probleem Veel achtergrondgeluiden tijdens een telefoongesprek Tijdens een gesprek hoor ik de andere persoon, maar andersom niet. SYNC kan mijn telefoonboek niet downloaden. Het systeem zegt "Telefoonboek gedownload" maar mijn SYNC-telefoonboek is leeg of er ontbreken contactpersonen. Mogelijke oorzaak De audio-instellingen van uw gsm hebben mogelijk invloed op de werking van SYNC. Mogelijke functiestoring van de gsm. Dit is een gsm-afhankelijke functie. Mogelijke functiestoring van de gsm. Beperkte mogelijkheden van uw gsm. Problemen met gsm's Mogelijke oplossing Raadpleeg de handleiding van uw apparaat om het geluid aan te passen. Probeer uw gsm uit te schakelen, te resetten of de accu te verwijderen, en probeer het daarna opnieuw. Zorg dat de microfoon voor SYNC niet is ingesteld op OFF. Controleer de compatibiliteit van uw gsm. Probeer uw gsm uit te schakelen, te resetten of de accu te verwijderen, en probeer het daarna opnieuw. Probeer de contacten in uw telefoonboek over te brengen naar SYNC door de optie voor toevoegen te gebruiken. U moet uw gsm en de functie telefoonboek automatisch downloaden inschakelen op SYNC. Probeer de contacten in uw telefoonboek over te brengen naar SYNC door de optie voor toevoegen te gebruiken. Als de ontbrekende contacten op uw SIMkaart zijn opgeslagen, probeer ze dan naar het geheugen van de gsm te kopiëren. Verwijderen eventuele afbeeldingen of speciale ringtones die aan het ontbrekende contact gekoppeld zijn. U moet uw gsm en de functie telefoonboek automatisch downloaden inschakelen op SYNC. 301

306 SYNC 2 Problemen met gsm's Probleem Ik ondervind problemen bij het verbinden van mijn gsm met SYNC. Het versturen van een SMS werkt niet via SYNC. Mogelijke oorzaak Dit is een gsm-afhankelijke functie. Mogelijke functiestoring van de gsm. Dit is een gsm-afhankelijke functie. Mogelijke functiestoring van de gsm. Mogelijke oplossing Controleer de compatibiliteit van uw gsm. Probeer uw gsm uit te schakelen, te resetten of de accu te verwijderen, en probeer het daarna opnieuw. Probeer uw apparaat uit SYNC te verwijderen, SYNC uit uw apparaat te verwijderen en probeer het opnieuw. Controleer altijd de beveiligingsinstellingen en de instellingen van "auto accept/ prompt" met betrekking tot de SYNC Bluetooth-verbinding van uw gsm. Update de firmware van uw gsm. Schakel de instelling auto-download uit. Controleer de compatibiliteit van uw gsm. Probeer uw gsm uit te schakelen, te resetten of de accu te verwijderen, en probeer het daarna opnieuw. iphone Ga naar de Instellingen van uw mobiele telefoon. Ga naar het Bluetooth-menu. Zorg dat de verbindingsstatus Niet verbonden is. Druk op de blauwe cirkel om het volgende menu te openen. Schakel Meldingen weergeven in. Schakel Contactpersonen synchroniseren in. Uw iphone is nu ingesteld om binnenkomende tekstberichten door te sturen naar SYNC. Herhaal deze stappen voor elke andere auto met Sync waarmee u verbonden bent. 302

307 SYNC 2 Problemen met gsm's Probleem Audio-sms'en werken niet op mijn gsm. Mogelijke oorzaak Dit is een gsm-afhankelijke functie. Dit is een beperking van de gsm. Mogelijke oplossing Uw iphone zal binnenkomende tekstberichten nu alleen doorsturen naar SYNC als deze ontgrendeld is. Tekstberichten beantwoorden via SYNC wordt niet ondersteund door iphone. Tekstberichten van WhatsApp en Facebook Messenger worden niet ondersteund. Uw gsm moet het downloaden van sms'en met behulp van Bluetooth ondersteunen om sms'en te kunnen ontvangen. Ga naar het menu tekstberichten van SYNC om te zien of uw gsm de functie ondersteunt. Druk op de toets PHONE, scrol en selecteer daarna de optie voor tekstberichten en druk vervolgens op OK. Elke gsm is verschillend, raadpleeg daarom de handleiding van uw apparaat voor de specifieke gsm die u koppelt. Er kan kunnen verschillen tussen gsm's bestaan op basis van merk, model, serviceprovider en softwareversie. Problemen met USB en media Probleem Ik ondervind problemen bij het aansluiten van mijn apparaat. Mogelijke oorzaak Mogelijke functiestoring van het apparaat. Mogelijke oplossing Probeer het apparaat uit te schakelen, te resetten of de accu te verwijderen, en probeer het daarna opnieuw. Controleer of u de kabel van de fabrikant gebruikt. Zorg dat u de USB-kabel correct aansluit op het apparaat en de USB-poort van uw auto. Controleer of het apparaat niet beschikt over een automatisch installatieprogramma of actieve beveiligingsinstellingen. 303

308 SYNC 2 Probleem SYNC herkent het apparaat niet wanneer ik het contact van mijn auto inschakel. Bluetooth audio streamt niet. SYNC herkent de muziek op mijn apparaat niet. Wanneer ik mijn iphone of ipod Touch aansluit via USB en Bluetooth Audio tegelijk, hoor ik soms geen geluid. Problemen met USB en media Mogelijke oorzaak Dit is een beperking van het apparaat. Dit is een apparaatafhankelijke functie. Het apparaat is niet aangesloten. Uw muziekbestanden bevatten mogelijk niet de juiste informatie over artiest, titel, album of genre. Het bestand kan corrupt zijn. Het nummer wordt misschien beschermd door auteursrechten, waardoor het niet kan worden afgespeeld. Dit is een beperking van het apparaat. Mogelijke oplossing Zorg dat u het apparaat niet in de auto achterlaat bij zeer hoge of lage temperaturen. Zorg dat u het apparaat aansluit op SYNC en druk op afspelen op uw apparaat. Zorg dat de nummers over alle informatiedetails beschikken. Probeer het beschadigde bestand te vervangen door een nieuwe versie. Bij sommige apparaten moet u de USBinstellingen wijzigen van massa-opslag naar media transfer protocol-klasse (MTPklasse). Selecteer in het afspeelscherm van de iphone of ipod Touch het airplay-pictogram van het audio-apparaat onderaan het scherm van uw iphone of ipod Touch. Selecteer SYNC om naar de iphone of ipod Touch te luisteren via Bluetooth Audio. Selecteer Dock Connector om naar de iphone of ipod Touch te luisteren via USB. 304

309 SYNC 2 Problemen met spraakcommando's Probleem SYNC begrijpt niet wat ik zeg. SYNC begrijpt de naam van een nummer of artiest niet. SYNC begrijpt of belt niet de juiste contactpersoon wanneer ik wil bellen. Mogelijke oorzaak U gebruikt mogelijk onjuiste spraakcommando's. U spreekt mogelijk te snel of op het verkeerde moment. U gebruikt mogelijk onjuiste spraakcommando's. U zegt de naam wellicht niet exact zoals het systeem deze heeft opgeslagen. Het systeem "leest" de naam mogelijk niet op dezelfde manier als u deze zegt. U gebruikt mogelijk onjuiste spraakcommando's. Mogelijke oplossing Controleer de spraakcommando's voor uw gsm en voor uw media aan het begin van de betreffende hoofdstukken. Raadpleeg het audiodisplay tijdens een actieve spraaksessie voor een lijst met spraakcommando's. De microfoon van het systeem bevindt zich in de binnenspiegel of net boven de voorruit in de hemelbekleding. Controleer de spraakcommando's voor uw media aan het begin van het betreffende mediahoofdstuk. Zeg het nummer of de artiest exact zoals het systeem deze heeft opgeslagen. Als u zegt "Speel artiest Prince" speelt het systeem geen muziek van Prince and the Revolution of Prince and the New Power Generation. Zorg dat u altijd de gehele titel noemt, zoals "California remix featuring Jennifer Nettles". Als de titels in hoofdletters staan, moet u ze spellen. Voor LOLA moet u "L-O-L-A" zeggen. Gebruik geen speciale tekens in de titel; het systeem herkent deze niet. Controleer de spraakcommando's voor uw gsm aan het begin van het hoofdstuk gsm. U kunt ook gebruik maken van de gsm en media-optielijst om een lijst met mogelijke opties te verkrijgen als het systeem u niet volledig begrepen heeft. Zie Instellingen (bladzijde 232). 305

310 SYNC 2 Probleem Het SYNC spraakbesturingssysteem heeft problemen met het herkennen van buitenlandse namen die zijn opgeslagen op mijn gsm. Het SYNC spraakbesturingssysteem heeft problemen met het herkennen van buitenlandse nummers, artiesten, Problemen met spraakcommando's Mogelijke oorzaak U zegt de naam wellicht niet exact zoals het systeem deze heeft opgeslagen. De contacten in uw telefoonboek zijn mogelijk erg kort, lijken op elkaar of bevatten speciale tekens. Contactpersonen staan misschien in uw telefoonboek in hoofdletters. U zegt de buitenlandse namen misschien met de momenteel geselecteerde taal voor SYNC. U zegt de buitenlandse namen misschien met de momenteel geselecteerde taal voor SYNC. Mogelijke oplossing Zorg dat u de naam exact zegt zoals het systeem deze heeft opgeslagen. Als de naam van de contactpersoon bijvoorbeeld Joe Wilson is, zegt u "Bel Joe Wilson". Het systeem werkt beter wanneer volledige namen in de lijst worden vermeld, zoals "Joe Wilson" in plaats van alleen "Joe". Gebruik geen speciale tekens, zoals 123 of ICE, want die worden niet door het systeem herkend. Als de contactpersonen in hoofdletters staan, moet u ze spellen. Voor JAKE dient u "Call J-A-K-E" te zeggen. SYNC past de phonetische uitspraakregels van de geselecteerde taal op de contactnamen in de gsm toe. Nuttige tip: U kunt uw contactpersoon handmatig kiezen. Druk op PHONE. Selecteer de optie telefoonboek en daarna de naam van de contactpersoon. Druk op de softkey-optie om de contactnaam te horen. SYNC leest de contactnaam voor, zodat u een idee krijgt van welke uitspraak SYNC verwacht. SYNC past de phonetische uitspraakregels van de geselecteerde taal op de namen in de mediaspeler of USB flashdrive toe. SYNC kan enkele uitzonderingen maken voor zeer populaire artiestennamen (bijvoorbeeld U2), zodat u altijd de Engelse uitspraak voor deze artiesten kunt gebruiken. 306

311 SYNC 2 Probleem albums, genres en namen in de afspeellijst van de mediaspeler of USB flashdrive. Het systeem genereert gesproken aanwijzingen en de uitspraak van sommige woorden is mogelijk niet correct voor mijn taal. Met mijn vorig bedieningssysteem voor Bluetooth kon ik de radio, cd en het klimaatregelsysteem bedienen. Waarom kan ik deze systemen niet met SYNC bedienen? Problemen met spraakcommando's Mogelijke oorzaak SYNC maakt gebruik van tekst-naar-spraak technologie voor gesproken aanwijzingen. SYNC is erop gericht uw mobiele apparatuur en de opgeslagen inhoud ervan te bedienen. Mogelijke oplossing SYNC maakt gebruik van synthetisch gegenereerde spraak in plaats van vooraf opgenomen menselijke spraak. SYNC biedt verschillende nieuwe spraakbesturingsfuncties voor een uitgebreid aantal talen. Een contacnaam direct uit het telefoonboek bellen zonder opname vooraf (bijvoorbeeld bel John Smith ) of een nummer, artiest, album, genre of afspeellijst in uw mediaspeler direct selecteren (bijvoorbeeld"speel artiest Madonna"). SYNC biedt veel meer uitgebreide mogelijkheden dan het vorige systeem, zoals de naam van een contactpersoon rechtstreeks vanuit het telefoonboek kiezen zonder opname vooraf (bijvoorbeeld Kies Jan Jansen ) of een nummer, artiest, album, genre of afspeellijst rechtstreeks vanuit uw mediaspeler kiezen (bijvoorbeeld "speel artiest Madonna"). 307

312 SYNC 2 Probleem De geselecteerde taal voor het instrumentenpaneel en het display voor informatie en entertainment komt niet overeen met de SYNC-taal (telefoon, USB, Bluetooth audio, spraakbesturing en gesproken aanwijzingen). Mogelijke oorzaak SYNC ondersteunt de geselecteerde taal voor het instrumentenpaneel en het display voor informatie en entertainment niet. Algemeen Mogelijke oplossing SYNC ondersteunt slechts vier talen in een afzonderlijke module voor tekstweergave, spraakbesturing en gesproken aanwijzingen. Het land waar u de auto hebt gekocht, bepaalt de vier talen op basis van de meest populaire talen die er worden gesproken. Als de geselecteerde taal niet beschikbaar is, blijft SYNC in de huidige actieve taal. SYNC biedt verschillende nieuwe spraakbesturingsfuncties voor een uitgebreid aantal talen. Een contactnaam direct uit het telefoonboek bellen zonder opname vooraf (bijvoorbeeld bel John Smith ) of een nummer, artiest, album, genre of afspeellijst in uw mediaspeler direct selecteren (bijvoorbeeld"speel artiest Madonna"). SYNC-systeem met aanraakscherm resetten Het systeem heeft een functie om het systeem te resetten, die kan worden uitgevoerd als een SYNC-functie niet meer werkt. Deze reset is bedoeld om de werking te herstellen en wist geen informatie die in het systeem is opgeslagen (zoals gekoppelde apparaten, telefoonboek, oproeplijsten, tekstberichten of gebruikersinstellingen). Om een systeemreset uit te voeren, houdt u de toets Zoeken omhoog (>>) ingedrukt terwijl u de aan/uit-knop van de radio ingedrukt houdt. Na ongeveer 5 seconden wordt het scherm zwart. Wacht 1-2 minuten totdat de systeemreset is voltooid. Daarna kunt u het SYNC-systeem weer gebruiken. 308

313 Bijlagen ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT WAARSCHUWINGEN Uw auto is getest en gecertificeerd volgens de wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (72/245/EEC, UN ECE Regeling 10 of andere geldende lokale vereisten). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving. Laat apparatuur aanbrengen door een erkende dealer. Zendapparatuur via radiofrequentie, bijv. mobiele telefoons en amateurradiozenders, mogen alleen in de auto worden geplaatst als ze voldoen aan de parameters in de onderstaande tabel. Er zijn geen bijzondere voorzieningen of voorwaarden voor het monteren of gebruiken ervan. WAARSCHUWINGEN Monteer geen zender/ontvangers, microfoons, luidsprekers en dergelijke in het ontvouwbereik van de airbags. Bevestig geen antennekabels aan de originele bedrading, brandstofleidingen en remleidingen van de auto. Houd antenne- en voedingskabels op een afstand van minstens 10 cm van elektronische modules en airbags E

FORD FOCUS Instructieboekje

FORD FOCUS Instructieboekje FORD FOCUS Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

FORD FIESTA Instructieboekje

FORD FIESTA Instructieboekje FORD FIESTA Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

FORD MONDEO HYBRID Instructieboekje

FORD MONDEO HYBRID Instructieboekje FORD MONDEO HYBRID Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

FORD B-MAX Instructieboekje

FORD B-MAX Instructieboekje FORD B-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

Veiligheid van kinderen

Veiligheid van kinderen Veiligheid van kinderen KINDERZITJES Voor maximale veiligheid moeten kinderen altijd achterin zitten. Wij raden u aan om kinderen nooit voorin te laten zitten. Als het echter onvermijdelijk is om een kind

Nadere informatie

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen Stoelen VOORSTOELEN De stoel nooit afstellen als het voertuig in beweging is. Als van deze instructies wordt afgeweken, kan dit leiden tot lichamelijk letsel of verlies van controle over het voertuig.

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1. Verstelling naar voren/naar achteren. 2. Hoogteverstelling.

Nadere informatie

FORD FOCUS Instructieboekje

FORD FOCUS Instructieboekje FORD FOCUS Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

FORD FIESTA Korte beschrijving

FORD FIESTA Korte beschrijving FORD FIESTA Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

FORD FIESTA Instructieboekje

FORD FIESTA Instructieboekje FORD FIESTA Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties,

Nadere informatie

FORD FOCUS Instructieboekje

FORD FOCUS Instructieboekje FORD FOCUS Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

FordFocus Instructieboekje. Feel the difference

FordFocus Instructieboekje. Feel the difference FordFocus Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

FordKuga Instructieboekje. Feel the difference

FordKuga Instructieboekje. Feel the difference FordKuga Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

FordFocus Instructieboekje. Feel the difference

FordFocus Instructieboekje. Feel the difference FordFocus Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

SCdefault. 900 Montagerichtlijn. Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces 12 799 012 9:88-15 May 03 12 798 998 12 798 998 Jun 02

SCdefault. 900 Montagerichtlijn. Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces 12 799 012 9:88-15 May 03 12 798 998 12 798 998 Jun 02 SCdefault 900 Montagerichtlijn SITdefault Kinderzitje Saab Child Seat MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

FORD C-MAX Korte beschrijving

FORD C-MAX Korte beschrijving FORD C-MAX Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

FordC-MAX Instructieboekje. Feel the difference

FordC-MAX Instructieboekje. Feel the difference FordC-MAX Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

FordMondeo Instructieboekje. Feel the difference

FordMondeo Instructieboekje. Feel the difference FordMondeo Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

Instructieboekje FordMondeo 100% Ford. 100% tevredenheid.

Instructieboekje FordMondeo 100% Ford. 100% tevredenheid. Instructieboekje FordMondeo 100% Ford. 100% tevredenheid. De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het

Nadere informatie

KINDEREN IN DE AUTO: ALTIJD VEILIG VASTGEKLIKT!

KINDEREN IN DE AUTO: ALTIJD VEILIG VASTGEKLIKT! KINDEREN IN DE AUTO: ALTIJD VEILIG VASTGEKLIKT! JE KIND VEILIG VASTKLIKKEN, WAAROM? Bij een ongeval loopt je kind veel minder risico op zware verwondingen als het veilig vastgeklikt zit in een aangepast

Nadere informatie

FORD FUSION Instructieboekje

FORD FUSION Instructieboekje FORD FUSION Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties,

Nadere informatie

http://www.ikbenvoor.be/content.aspx?id=292

http://www.ikbenvoor.be/content.aspx?id=292 1 van 5 8-11-2007 11:17 Burgers Bewegingen Bedrijven Besturen Vervoer van kinderen in de wagen: nieuwe regels! De Belgische wetgeving sinds 1 september 2006 Algemene regel Kinderen (jonger dan 18 jaar)

Nadere informatie

FordMondeo Instructieboekje. Feel the difference

FordMondeo Instructieboekje. Feel the difference FordMondeo Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

FORD C-MAX Instructieboekje

FORD C-MAX Instructieboekje FORD C-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

FORD C-MAX Instructieboekje

FORD C-MAX Instructieboekje FORD C-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

Tegen de rijrichting in. Gebruiksaanwijzing kg 0-12 m

Tegen de rijrichting in. Gebruiksaanwijzing kg 0-12 m Tegen de rijrichting in Gebruiksaanwijzing ECE R44 04 GROEP GEWICHT LEEFTIJD 0+ 0-13 kg 0-12 m 1 Bedankt voor uw keuze voor BeSafe izi Go BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig ontworpen om uw kind

Nadere informatie

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies

Nadere informatie

Veilig vervoer van kinderen in de auto

Veilig vervoer van kinderen in de auto Veilig vervoer van kinderen in de auto Daar kun je mee komen Waarom nieuwe regels? Auto s worden steeds veiliger. Met behulp van kreukelzones, kooiconstructies en airbags beschermen zij de inzittenden.

Nadere informatie

FORD MONDEO Korte beschrijving

FORD MONDEO Korte beschrijving FORD MONDEO Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

FORD MONDEO Instructieboekje

FORD MONDEO Instructieboekje FORD MONDEO Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

VOORWOORD. Dit instructieboekje hoort bij uw auto. Bewaar het daarom altijd in uw auto, ook als u de auto verkoopt.

VOORWOORD. Dit instructieboekje hoort bij uw auto. Bewaar het daarom altijd in uw auto, ook als u de auto verkoopt. VOORWOORD Dit instructieboekje maakt u vertrouwd met de bediening van en het onderhoud aan uw nieuwe auto. Verder vindt u in dit instructieboekje belangrijke informatie over veiligheid. Lees het daarom

Nadere informatie

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference

FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,

Nadere informatie

Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , ,

Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , , Installation instructions, accessories Instructienr. 30756608 Versie 1.2 Ond. nr. 30756607, 30756606, 31316446 Stuurwiel, leer IMG-339612 Volvo Car Corporation Stuurwiel, leer- 30756608 - V1.2 Pagina 1

Nadere informatie

FORD B-MAX Korte beschrijving

FORD B-MAX Korte beschrijving FORD B-MAX Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net

Nadere informatie

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 92% Frontale botsing Frontale botsing 14,4 punten HOOFD

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 92% Frontale botsing Frontale botsing 14,4 punten HOOFD Mazda 6 Mazda 6 Sportbreak 2.2 diesel 5-d core, LHD Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 92% Frontale

Nadere informatie

FORD TRANSIT Korte beschrijving

FORD TRANSIT Korte beschrijving FORD TRANSIT Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

FORD C-MAX Instructieboekje

FORD C-MAX Instructieboekje FORD C-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,

Nadere informatie

click! a b c d g h Gebruiksaanwijzing j k > 25 cm l m Lichaamslengte cm. Max. gewicht 13 kg. UN regulation no. R129 i-size Leeftijd 0-12 m.

click! a b c d g h Gebruiksaanwijzing j k > 25 cm l m Lichaamslengte cm. Max. gewicht 13 kg. UN regulation no. R129 i-size Leeftijd 0-12 m. 1 3 a b c d e f g h click! Gebruiksaanwijzing 4 i j k l m > 25 cm 2 5 Lichaamslengte 40-75 cm. Max. gewicht 13 kg. Leeftijd 0-12 m. UN regulation no. R129 i-size 8 9 Dank u voor uw keuze voor de BeSafe

Nadere informatie

voor- & achterwaarts gericht Gebruiksaanwijzing groep gewicht leeftijd 0+/ kg 6m-4j

voor- & achterwaarts gericht Gebruiksaanwijzing groep gewicht leeftijd 0+/ kg 6m-4j voor- & achterwaarts gericht Gebruiksaanwijzing ECE R44 04 groep gewicht leeftijd 0+/1 0-18 kg 6m-4j 1 Dank u voor uw keuze voor de Besafe izi Combi ISOfix. BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig

Nadere informatie

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 32 van 36 haalbare punten; 89% Frontale botsing Frontale botsing 15,6 punten HOOFD

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 32 van 36 haalbare punten; 89% Frontale botsing Frontale botsing 15,6 punten HOOFD Renault Zoe Renault ZOE, LHD Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 32 van 36 haalbare punten; 89% Frontale botsing Frontale

Nadere informatie

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 90% Frontale botsing Frontale botsing 14,1 punten HOOFD

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 90% Frontale botsing Frontale botsing 14,1 punten HOOFD Mitsubishi Spacestar Mitsubishi Spacestar 1.2, RHD Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 90% Frontale

Nadere informatie

FORD FIESTA Korte beschrijving

FORD FIESTA Korte beschrijving FORD FIEST Korte beschrijving De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties,

Nadere informatie

Verklaring vervoersregeling

Verklaring vervoersregeling Verklaring vervoersregeling Hierbij geef ik toestemming voor mijn kind(eren) om in een auto met de gastouder mee te rijden. Deze neemt te allen tijde de veiligheidsregels in acht. Autogebruik door gastouders

Nadere informatie

Gebruiksaanwijzing. Voor- & achterwaarts gericht. Groep Gewicht 0-18 kg. Leeftijd 6m - 4j

Gebruiksaanwijzing. Voor- & achterwaarts gericht. Groep Gewicht 0-18 kg. Leeftijd 6m - 4j 1 26 27 34 35 16 2 4 3 Gebruiksaanwijzing 5 6 8 9 7 10 11 12 13 14 15 28 29 36 31 17 30 37 Voor- & achterwaarts gericht Groep 0+ - 1 19 20 21 23 Gewicht 0-18 kg 18 22 38 39 Leeftijd 6m - 4j ECE R44 04

Nadere informatie

FORD ECOSPORT Korte beschrijving

FORD ECOSPORT Korte beschrijving FORD ECOSPORT Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids Deze gids is opgesteld om u te helpen bepaalde functies van de auto snel te leren kennen. De gids bevat alleen basisinstructies (korte beschrijvingen)

Nadere informatie

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 34 van 36 haalbare punten; 93% Frontale botsing Frontale botsing 15,9 punten HOOFD

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 34 van 36 haalbare punten; 93% Frontale botsing Frontale botsing 15,9 punten HOOFD Skoda Octavia Skoda Octavia 1.6 ambition, LHD Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 34 van 36 haalbare punten; 93% Frontale

Nadere informatie

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 92% Frontale botsing Frontale botsing 14,3 punten HOOFD

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 92% Frontale botsing Frontale botsing 14,3 punten HOOFD Suzuki SX4 Suzuki SX4 S-Cross 1.6, GL+ LHD Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 33 van 36 haalbare punten; 92% Frontale botsing

Nadere informatie

De gordel en de kinderstoel: kort en bondig

De gordel en de kinderstoel: kort en bondig De gordel en de kinderstoel: kort en bondig Artikel 35 (KB01/12/75) onder de loep. Gordelproject rond de Tieltse schoolpoorten (kleuter- en basisonderwijs) De gordel Algemene regel: Bestuurders en passagiers

Nadere informatie

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM H6716G Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motor-immobilisatiesysteem. Tevens beschikt het voertuig over een aantal extra veiligheidssystemen.

Nadere informatie

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 29 van 36 haalbare punten; 80% Frontale botsing Frontale botsing 12,8 punten HOOFD

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 29 van 36 haalbare punten; 80% Frontale botsing Frontale botsing 12,8 punten HOOFD Dacia Sandero Dacia Sandero 1.2 5-d, LHD Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 29 van 36 haalbare punten; 80% Frontale botsing

Nadere informatie

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 32 van 36 haalbare punten; 89% Frontale botsing Frontale botsing 14,2 punten HOOFD

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 32 van 36 haalbare punten; 89% Frontale botsing Frontale botsing 14,2 punten HOOFD VW Up! * getest: VW Up! 1.0, LHD * ook van toepassing op Seat Mii en Skoda Citigo 2011 Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Bescherming volwassen inzittenden Gescoord

Nadere informatie

FORD TOURNEOCONNECT / TRANSITCONNECT Instructieboekje

FORD TOURNEOCONNECT / TRANSITCONNECT Instructieboekje FORD TOURNEOCONNECT / TRANSITCONNECT Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het

Nadere informatie

Powerpack. gebruikshandleiding

Powerpack. gebruikshandleiding Powerpack gebruikshandleiding 1 INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding De RMA powerpack is een hulpmiddel voor de begeleiding. Het vergemakkelijkt het duwen van een rolstoel gebruiker. De hulpmotor is niet ontworpen

Nadere informatie

Voorwoord. 2002 Mazda Motor Corporation Printed in Japan Mar. 2003(Print3)

Voorwoord. 2002 Mazda Motor Corporation Printed in Japan Mar. 2003(Print3) Voorwoord Hartelijk dank voor het kiezen van een Mazda. Bij het ontwerp en de constructie van automobielen geven wij bij Mazda aan de volledige tevredenheid van de klant de hoogste prioriteit. Wij raden

Nadere informatie

Mercedes-Benz Mobility voor meer vrijheid. Aangepast vervoer nu af fabriek.

Mercedes-Benz Mobility voor meer vrijheid. Aangepast vervoer nu af fabriek. Mercedes-Benz Mobility voor meer vrijheid. Aangepast vervoer nu af fabriek. Geniet van het unieke Mercedes-Benz gevoel. Gemakkelijk en zelfstandig op uw bestemming aankomen. Ook met een handicap is dat

Nadere informatie

lief! autostoeltjes gebruiksaanwijzing Cato (meisjesversie) Casper (jongensversie) geschikt voor kinderen van 9-36 KG

lief! autostoeltjes gebruiksaanwijzing Cato (meisjesversie) Casper (jongensversie) geschikt voor kinderen van 9-36 KG lief! autostoeltjes gebruiksaanwijzing Cato (meisjesversie) Casper (jongensversie) geschikt voor kinderen van 9-36 KG lief! autostoeltjes (Cato/Casper) GESCHIKT VOOR KINDEREN VAN 9-36 KG; Groep I, II en

Nadere informatie

Voordat u gaat rijden. Tijdens het rijden. Onderhoud en verzorging. Trefwoordenlijst INHOUDSOPGAVE

Voordat u gaat rijden. Tijdens het rijden. Onderhoud en verzorging. Trefwoordenlijst INHOUDSOPGAVE Aygo Handleiding INHOUDSOPGAVE 1 Voordat u gaat rijden Het afstellen en bedienen van systemen als de portiervergrendeling, spiegels en stuurkolom. 2 Tijdens het rijden Rijden, stoppen en informatie over

Nadere informatie

FordTourneoConnect FordTransitConnect Instructieboekje. Feel the difference

FordTourneoConnect FordTransitConnect Instructieboekje. Feel the difference FordTourneoConnect FordTransitConnect Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden

Nadere informatie

Renault TRAFIC. Instructieboekje

Renault TRAFIC. Instructieboekje Renault TRAFIC Instructieboekje eenpassievoor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op

Nadere informatie

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling

Nadere informatie

ComfortControl 01 NEIGVERGRENDELING 02 NEIGWEERSTAND 05 RUGLEUNINGHOOGTE 03 ZITDIEPTE 06 RUGLEUNINGHOEK 04 ZITHOOGTE 07 ARMLEUNING HOOGTE

ComfortControl 01 NEIGVERGRENDELING 02 NEIGWEERSTAND 05 RUGLEUNINGHOOGTE 03 ZITDIEPTE 06 RUGLEUNINGHOEK 04 ZITHOOGTE 07 ARMLEUNING HOOGTE Stap 1: Ontgrendel uw stoel. 01 NEIGVERGRENDELING Stap 2: Stel de stoel af op uw lichaam. 02 NEIGWEERSTAND 03 ZITDIEPTE 04 ZITHOOGTE Stap 3: Stel de stoel af op uw manier van werken. 05 RUGLEUNINGHOOGTE

Nadere informatie

Antenneversterker, meerweg "Diversity" Antenneversterker, meerweg "Diversity" V1.0

Antenneversterker, meerweg Diversity Antenneversterker, meerweg Diversity V1.0 Installation instructions, accessories Instructienr. 9172665 Versie 1.0 Ond. nr. Antenneversterker, meerweg "Diversity" M3903263 Volvo Car Corporation Antenneversterker, meerweg "Diversity"- 9172665 -

Nadere informatie

Renault CLIO. Instructieboekje

Renault CLIO. Instructieboekje Renault CLIO Instructieboekje een passie voor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op

Nadere informatie

Instructieboekje FordTourneoConnect FordTransitConnect 100% Ford. 100% tevredenheid.

Instructieboekje FordTourneoConnect FordTransitConnect 100% Ford. 100% tevredenheid. Instructieboekje FordTourneoConnect FordTransitConnect 100% Ford. 100% tevredenheid. De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling

Nadere informatie

Afstandsbediening Telis 16 RTS

Afstandsbediening Telis 16 RTS Afstandsbediening Telis 16 RTS Bedieningshandleiding Telis 16 RTS Pure Art.nr. 1811020 Telis 16 RTS Silver Art.nr. 1811021 Afstandsbediening Telis 16 RTS 16 Kanaals zender met display Telis 16 RTS Pure

Nadere informatie

FORD B-MAX Korte beschrijving

FORD B-MAX Korte beschrijving FORD B-MAX Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies

Nadere informatie

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 34 van 36 haalbare punten; 95% Frontale botsing Frontale botsing 15,5 punten HOOFD

Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 34 van 36 haalbare punten; 95% Frontale botsing Frontale botsing 15,5 punten HOOFD Maserati Ghibli Maserati Ghibli Diesel 3.0 TDS, LHD Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Bescherming volwassen inzittenden Gescoord 34 van 36 haalbare punten; 95% 15,5

Nadere informatie

Configuratie. Swift 5 deurs. Samenvatting. 7 airbags standaard ESP-systeem standaard 5 jaar garantie en assistance Manueel of automaat Laag verbruik

Configuratie. Swift 5 deurs. Samenvatting. 7 airbags standaard ESP-systeem standaard 5 jaar garantie en assistance Manueel of automaat Laag verbruik Swift 5 deurs 7 airbags standaard ESP-systeem standaard 5 jaar garantie en assistance Manueel of automaat Laag verbruik Samenvatting Swift 5 deurs 1.2 benzine 4 A/T (), Tweewielaandrijving, 4 automaat

Nadere informatie

Volkswagen Golf Sportsvan

Volkswagen Golf Sportsvan Volkswagen Golf Sportsvan Volkswagen Golf Sportsvan 1.6 TDI, 5-d comfortline, LHD Volwassen Inzittenden Kinderen in de auto Voetgangers Actieve veiligheid Details van de geteste auto Getest model Carrosserie

Nadere informatie

Sleutels en zenders SLEUTELS EN ZENDERS

Sleutels en zenders SLEUTELS EN ZENDERS Sleutels en zenders Bedieningsorganen en instrumenten SLEUTELS EN ZENDERS H6718G Met het voertuig heeft u twee zenders met integrale sleutels ontvangen waarmee alle sloten van het voertuig kunnen worden

Nadere informatie

900 Montagerichtlijn. SITdefault F930A205

900 Montagerichtlijn. SITdefault F930A205 3456789 900 Montagerichtlijn SITdefault F930A05 3456748946 83 54 5 4 6 0 7 8 3 9 3 F930A390 Versterker Luidspreker hoge tonen (4 st.) 3 Basluidspreker ( st.) 4 Bout (8 st.) 5 Kapje, connector 6 Connector

Nadere informatie

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl info@rhodelta.nl - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914

Nadere informatie

Pagina. Paragraaf. 1.1 Openen. 1.2 Starten. 1.3 Uitschakelen. 1.4 Afsluiten. 2.1 Tanken. 3.1 Openen kap. 3.2 Sluiten kap. 1.

Pagina. Paragraaf. 1.1 Openen. 1.2 Starten. 1.3 Uitschakelen. 1.4 Afsluiten. 2.1 Tanken. 3.1 Openen kap. 3.2 Sluiten kap. 1. Paragraaf 1.1 Openen 1.2 Starten 1.3 Uitschakelen 1.4 Afsluiten 2.1 Tanken 3.1 Openen kap 3.2 Sluiten kap 1.3 Zijruiten verwijderen en plaatsen 1.3 Uitschakelen 5.1 Motorkap openenn 6.1 Kachel bedienenn

Nadere informatie

Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards

Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleidingding Effectief en gebruiksvriendelijk Het in uw voertuig gemonteerde Cobra alarmsysteem biedt een simpele, maar uiterst effectieve en gebruiksvriendelijke

Nadere informatie

INLEIDING VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN SYMBOLEN. De symbolen in deze gebruiksaanwijzing. Symbolen op het apparaat

INLEIDING VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN SYMBOLEN. De symbolen in deze gebruiksaanwijzing. Symbolen op het apparaat INLEIDING Deze gebruiksaanwijzing is bedoeld voor Rapid 100E. Lees ze eerst grondig door alvorens u het apparaat in gebruik neemt. Deze gebruiksaanwijzing bevat de veiligheidsvoorschriften, de voorschriften

Nadere informatie

Sloten en alarmen. Gebruiken van de zender

Sloten en alarmen. Gebruiken van de zender Sloten en alarmen ALARMSYSTEEM* Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motorimmobilisatiesysteem. Teneinde maximale veiligheid en maximaal bedieningsgemak te garanderen

Nadere informatie

2 Inleiding. Inleiding

2 Inleiding. Inleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 32 Opbergen... 53 Instrumenten en bedieningsorganen... 60 Verlichting... 77 Infotainmentsysteem...

Nadere informatie

y Verwarming op brandstof 87

y Verwarming op brandstof 87 Klimat 5 1 y Verwarming op brandstof 87 912-B, 912-D Op. no. 87516 01- Benzine 30618 095-1 Diesel 3730 340-1 20000 excl. automaat Benzine 30618 095-1 Er is een nieuwe generatie verwarming geïntroduceerd

Nadere informatie

ISOFIX Basis. Handleiding

ISOFIX Basis. Handleiding ISOFIX Basis. Handleiding ECE R44/04 ISOFIX Class E Groep 0+ Tot 13kg Taal: Nederlands Compatibel met Doona s kinderzitje, uitsluitend EU-modellen. Belangrijk - Bewaar deze instructies voor toekomstig

Nadere informatie

MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING

MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING TOEPASSING DOCUMENT Dit document beschrijft de belangrijkste kenmerken ten tijde van het drukken van de: MODEL S SOFTWARE-versie: 5,0 Kenmerken van latere software-versies

Nadere informatie

Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding

Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding Cobra Alarm 4627 Gebruikers Handleiding Clifford Electronics Benelux BV Tel.+31 20 40 40 919 info@clifford.nl ISO 9001:2008 Cobra Alarmsysteem: Diefstal is de laatste tijd explosief gestegen. CAN Bus manipulatie

Nadere informatie

Handleiding voor waterbestendige en oplaadbare training halsband

Handleiding voor waterbestendige en oplaadbare training halsband Handleiding voor waterbestendige en oplaadbare training halsband Artikelnummer 13.03.04 Bedankt voor het kiezen van de Petrainer oplaadbare en waterbestendige trainings halsband. Onze missie is de welzijn

Nadere informatie

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard

Nadere informatie

Kinderen. in de auto? Klik ze vast!

Kinderen. in de auto? Klik ze vast! E ditie 2008 Kinderen in de auto? Klik ze vast! Een botsing bij een snelheid van 50 km/u = een val van 10 m hoog, indien een kind niet werd vastgeklikt. verantwoordelijke uitgever: C. Van Den Meersschaut

Nadere informatie

Swift 3 deurs. Samenvatting. Manueel of automaat Laag verbruik Lage CO 2

Swift 3 deurs. Samenvatting. Manueel of automaat Laag verbruik Lage CO 2 Swift 3 deurs Manueel of automaat Laag verbruik Lage CO 2 -uitstoot 5 jaar garantie en assistance Standaard ESP Standaard 7 airbags 0% JKP Samenvatting Swift 3 deurs 1.3 DDiS 5 M/T (), Tweewielaandrijving,

Nadere informatie

AR280P Clockradio handleiding

AR280P Clockradio handleiding AR280P Clockradio handleiding Index 1. Beoogd gebruik 2. Veiligheid o 2.1. Pictogrammen in deze handleiding o 2.2. Algemene veiligheidsvoorschriften 3. Voorbereidingen voor gebruik o 3.1. Uitpakken o 3.2.

Nadere informatie

Veilig mee in de auto

Veilig mee in de auto obs Voorhoute Veilig mee in de auto Praktische oplossingen voor het vervoer van kinderen Praktische oplossingen voor het vervoer van kinderen = + + = + + Veilig mee in de auto Kinderen veiligheid bieden.

Nadere informatie

MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING

MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING MODEL S GEBRUIKERSHANDLEIDING TOEPASSING DOCUMENT Dit document beschrijft de belangrijkste kenmerken ten tijde van het drukken van de: MODEL S SOFTWARE-versie: 5,0 Kenmerken van latere software-versies

Nadere informatie

Installation instructions, accessories. Sneeuwkettingen. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden. Pagina 1 / 15 R

Installation instructions, accessories. Sneeuwkettingen. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden. Pagina 1 / 15 R Installation instructions, accessories Instructienr. 30664147 Versie 1.0 Ond. nr. Sneeuwkettingen R7700468 Volvo Car Corporation Sneeuwkettingen- 30664147 - V1.0 Pagina 1 / 15 Uitrusting A0000162 R7700458

Nadere informatie

Zekeringen ZEKERINGEN

Zekeringen ZEKERINGEN Zekeringen ZEKERINGEN Zekeringen zijn eenvoudige circuit-onderbrekers waardoor elektrische uitrusting wordt beschermd tegen de gevolgen van stroom-stoten. Een doorgebrande zekering blijkt uit het feit

Nadere informatie

Installation instructions, accessories. Dakbox. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden. Instructienr. Versie Ond. nr

Installation instructions, accessories. Dakbox. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden. Instructienr. Versie Ond. nr Instructienr. Versie Ond. nr. 30664082 1.0 Dakbox M8901893 Pagina 1 / 10 Uitrusting A0000162 A0000161 M8901899 Pagina 2 / 10 M8901898 Pagina 3 / 10 M8901892 Pagina 4 / 10 INLEIDING Lees de hele instructie

Nadere informatie

VOORWOORD. Dank u dat u CHEVROLET hebt gekozen.

VOORWOORD. Dank u dat u CHEVROLET hebt gekozen. VOORWOORD Dank u dat u CHEVROLET hebt gekozen. Dit instructieboekje maakt u vertrouwd met de bediening van en het onderhoud aan uw nieuwe auto. Verder vindt u in dit instructieboekje belangrijke informatie

Nadere informatie

AYGO. Instructieboekje

AYGO. Instructieboekje AYGO Instructieboekje Voorwoord Welkom in de steeds groeiende groep van waardebewuste automobilisten die voor Toyota hebben gekozen. Wij zijn trots op de vooruitstrevende techniek en hoge kwaliteit van

Nadere informatie