GERECHTELIJKE GENEESKUNDE SAMENVATTING LUCAS VAN GIJTENBEEK

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "GERECHTELIJKE GENEESKUNDE SAMENVATTING LUCAS VAN GIJTENBEEK"

Transcriptie

1 GERECHTELIJKE GENEESKUNDE SAMENVATTING LUCAS VAN GIJTENBEEK ACADEMIEJAAR

2 1. Justitie en geneeskunde JUSTITIE De Belgische justitie is ingedeeld in drie niveaus, met name het (1) arrondissementeel niveau (rechtbank van eerste aanleg), (2) hoger niveau (hof van beroep), en (3) hoogste niveau (Hof van Cassatie). Er zijn vijf hoven van beroep waaronder de arrondissementele rechtbanken ressorteren. Men kent 12 gerechtelijke arrondissementen (territoriale bevoegdheidsgebieden waar de rechtbanken hun zetel gevestigd hebben). Per arrondissement zijn er naast de rechtbank van eerste aanleg ook telkens een rechtbank van koophandel, een arbeidsrechtbank, alsmede politierechtbank(en) en vredegerechten. Bij elk hof van beroep zijn er ook (tijdelijke) Hoven van Assisen. De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit drie afdelingen, (1) de strafrechtbank in geval van misdrijf, (2) de burgerlijke rechtbank voor burgerlijke aangelegenheden en (3) de jeugdrechtbank. Er zijn twee van elkaar onafhankelijke instanties met name (1) het parket van de procureur des Konings (staande magistratuur) en (2) de rechters (zetelende magistratuur). Het parket heeft de opdracht misdrijven op te sporen (m.b.v. de politie) en deze aan te klagen voor de rechtbank in de rol van openbaar aanklager. De zetelende rechters oordelen over de schuld- of aansprakelijkheidsvraag, veroordelen of spreken vrij, bepalen desgevallend de straf, etc. Bij de rechtbanken van eerste aanleg zijn er ook meerdere rechters aangeduid als onderzoeksrechter belast met gerechtelijke onderzoeken. De procureur des Konings voert een opsporingsonderzoek telkens wanneer een mogelijk strafbaar feit is gepleegd. De politie zal hierbij overgaan tot onder meer vaststellingen en verhoren waarvan telkens een proces-verbaal wordt opgesteld dat moet worden overgemaakt aan het parket. De zaak kan door de procureur geseponeerd worden, maar in de andere gevallen wordt de verdachte in beschuldiging gesteld en voor de strafrechtbank gebracht. In een aantal gevallen zal de procureur een onderzoeksrechter gelasten met een gerechtelijk onderzoek (de persoon moet binnen de 24 uur dat de procureur hem/haar kan vasthouden voorgeleid worden, daarna beslist de raadkamer (en eventueel de kamer van inbeschuldigingstelling over voorlopige hechtenis)), en dit telkens er vrijheidsbeperkende maatregelen (bv. voorlopige hechtenis) en/of onderzoeksdaden die de private levenssfeer aanbelangen (bv. huiszoeking) noodzakelijk zijn. De ernstigste misdaden zijn dus steeds het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek. De onderzoeksrechter is hierbij volledig onafhankelijk en onpartijdig; hij/zij heeft volledige bevoegdheden om alle nodige onderzoeksdaden, inclusief aanstelling van deskundigen, te vorderen. Het onderzoek wordt hierbij ten voordele (à charge) en ten nadele (à décharge) van de verdachte(n) gevoerd en is gebonden aan het geheim van onderzoek. Bij het afsluiten van een gerechtelijk onderzoek wordt de verdachte door de raadkamer (bij de rechtbank van eerste aanleg) of kamer van inbeschuldigingstelling (bij het hof van beroep) buiten vervolging gesteld of beschuldigd van strafbare feiten en verwezen naar de strafrechtbank. 2

3 FORENSISCHE WETENSCHAPPEN FORENSISCHE GENEESKUNDE In de literatuur kan men verscheidene definities van gerechtelijke geneeskunde terugvinden. Zo schrijft H.F. Roll: Gerechtelijke geneeskunde is de studie van alle problemen die zich bij de rechtspleging kunnen voordoen, en slechts met deskundige hulp van een arts kunnen opgelost worden. De ultieme doelstelling is de medische kennis en kunde ten dienste stellen van de gemeenschap of maatschappij om door het achterhalen van de waarheid via de rechtelijke macht orde en recht na te streven. Criminalistiek splitst zich in het bijzonder toe op het verrichten van sporenonderzoek (verzamelen en onderzoeken van physical evidence). Het omvat vormen van natuurkundig, scheikundig en technisch onderzoek; waaronder forensic engineering, onderzoek van fysische en chemische sporen, identificatie d.m.v. vingerafdrukken, schriftonderzoek, insectenleer, forensische antropologie, forensische botanie, beeldanalyse en dergelijke meer. Ook gedragswetenschappen leveren een grote bijdrage. De belangrijkste taken van de forensische geneeskunde bestaan uit: - het onderzoek naar de doodsoorzaak, mechanisme en aard van overlijden - het onderzoek naar verwondingen en de gevolgen, incl. evaluatie menselijke schade - de identificatie van stoffelijke resten - de beoordeling van medisch handelen - het onderzoek van biologische sporen (van menselijke oorsprong) Het vakgebied omvat de kennis omtrent de relatie tussen geneeskunde en justitie, de thanologie (of doodsleer), de thanato-etiologie (leer der doodsoorzaken) inclusief forensische traumatologie, en de principes van forensisch onderzoek. Binnen de forensische geneeskunde ontwikkelen zich twee belangrijke subdomeinen, de forensische pathologie (post mortem onderzoek) en de forensische kliniek (onderzoek van levenden). UITOEFENING GENEESKUNDE Enkel personen die het wettelijk artsendiploma hebben behaald en een visum van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid hebben verkregen, mogen het artsenberoep uitoefenen. De arts dient tevens te zijn ingeschreven op de lijst van de Orde der artsen, en het daaraan verbonden lidgeld te betalen. Elke arts moet uiteraard zijn beroep uitoefenen conform de wetgeving en overeenkomstig de deontologische regels vervat in de Code van geneeskundige plichtenleer opgesteld door de nationale raad van de Orde der artsen. In het Strafwetboek vindt men meerdere artikelen terug die specifiek van toepassing zijn op artsen en waar de straffen verzwaard worden indien het misdrijf werd gepleegd door en arts. Zowel de Code van geneeskunde plichtenleer als de wet hechten het grootste belang aan het beroepsgeheim. Als een patiënt slachtoffer is van een misdrijf, dan is hij enerzijds gebonden aan het beroepsgeheim, anderzijds kan de arts in bepaalde gevallen beschuldigd van schuldig verzuim wanneer aangifte de enige mogelijkheid was om een persoon in nood te helpen. Als een patiënt dader is van een misdrijf, dan is hij gebonden aan het beroepsgeheim. Een arts mag overigens informatie nooit aan leken (bv. politie) mededelen, maar wel aan een wetsarts. 3

4 Er wordt aangenomen dat er tussen arts en patiënt een stilzwijgende overeenkomst wordt gesloten. De burgerrechtelijke aansprakelijkheid gaat dan over het correct naleven van deze overeenkomst. De arts moet goed medisch handelen, de arts kent een inspannings- of middelenverbintenis i.p.v. een resultaatsverbintenis. De pijlers van deze verbintenis zijn de informatieplicht, de toestemmingsvereiste en de verplichting te handelen volgens de huidige stand van de medische wetenschap. In een aantal gevallen echter zal het gaan om een foutief medisch handelen dat kan worden beschouwd als een onrechtmatigde daad of één van de elementen van een misdrijf (buitencontractuele aansprakelijkheid: art BW. Bij deze vorm van aansprakelijkheid zijn er drie elementen van belang, de fout, de schade en het oorzakelijk verband tussen fout en schade. Indien de medische fout een element uitmaakt van een strafbaar misdrijf, dan geldt de strafrechtelijke aansprakelijkheid. Er zijn buiten slagen en verwondingen, schuldig verzuim nog andere feiten die bij de uitoefening van de geneeskunde strafbaar worden gesteld, zoals bijvoorbeeld schending van het beroepsgeheim, het afleveren van een vals getuigschrift en het onwettig uitoefenen van de geneeskunde. 4

5 2. Thanatologie DOOD & STERVEN Het definiëren van de dood is tot op heden stof tot discussie. Voor de een is de dood een proces, voor de ander een gebeurtenis. Men kan het ook definiëren als irreversible loss of function of the organism as a whole. De dood kan men het best beschouwen als het moment van overlijden, het keerpunt waarop het stervensproces (de stervensfase), wat langdurig of uiterst kort kan zijn, overgaat in een proces van desintegratie (de ontbindingsfase). Met de huidige medische technologie kan men echter het inzetten van dit proces met enkel dagen uitstellen (om bijvoorbeeld transplantatie uit te voeren). Om de begrippen inzake cardiorespiratoire en hersendoodcriteria beter te begrijpen is het noodzakelijk terug te komen op de vitale functies van het menselijk organisme. De levensbron voor een mens is zuurstof. Drie organen (de longen, het hart en de hersenen) vervullen respectievelijk drie vitale functies (de ademhaling, de bloedsomloop en de sturing). Ernstige (onomkeerbare) schade van de hersenstam (met name het bewustzijnscentrum ARAS en het ademhalingscentrum) leidt tot de diepste vorm van coma en ademhalingsstilstand. Het hart kan tot ongeveer twintig minuten het zuurstoftekort verdragen: de persoon in kwestie is eigenlijk hersendood en bijgevolg overleden. Men kan een hersendode patiënt blijven beademen (nog enkele dagen) om transplantatie uit te voeren. Men kan bijgevolg besluiten dat de dood, als tijdstip van overlijden of keerpunt tussen stervens- en desintegratieproces, kan gelijkgeschakeld worden met het ogenblik waarop de hersenstam op onomkeerbare wijze wordt uitgeschakeld, d.w.z. door rechtstreekse beschadiging of door een blijvend zuurstoftekort. In de klassieke omstandigheden van overlijden staat het uitvallen van de bloedsomloop en de ademhalingsfunctie gelijk met de dood, en bijgevolg het uitvallen van de levensfuncties. Deze cardiorespiratoire criteria kunnen niet altijd worden toegepast zoals bij intensief verpleegde patiënten met een kunstmatig in stand gehouden ademhaling en bloedsomloop. Tevens moet men beducht zijn voor schijndood (toestand van diep coma waarbij de levenstekens ogenschijnlijk niet kunnen worden gedetecteerd. Aan de mogelijkheid van schijndood moet met name worden gedacht bij slachtoffers van onderkoeling, vergiftiging, verdrinking, elektrocutie, epilepsie en schedelhersentrauma. In deze situatie zal steeds intensief worden gereanimeerd en het eventueel overlijden wordt vastgesteld aan de hand van de hersendoodcriteria. De hersendoodcriteria dienen voornamelijk te worden toegepast op patiënten in diep coma en die intensief worden verpleegd, bijzonder in het kader van orgaantransplantatie. De transplantatiewet van 13 juni 1986 m.b.t. het wegnemen en transplanteren van organen en weefsels voorziet in de mogelijk tot prelevatie van stilzwijgende toestemming (enkel verboden indien uitdrukkelijk verzet is aangetekend) (art. 10). Bij een niet-natuurlijk overlijden is daarenboven de toestemming van de procureur des Konings vereist (art. 13). De vaststelling van het overlijden dient te gebeuren door drie artsen, met uitsluiting van de artsen die de receptor behandelen of die de wegneming of de transplantatie zullen verrichten, onafhankelijk van elkaar en dit volgens de stand der wetenschap, dat wil zeggen op basis van de hersendoodcriteria. Overigens moet een proces verbaal worden opgesteld (art. 11). 5

6 POSTMORTEM VERANDERINGEN Na het intreden van de somatische dood begint een proces van ontbinding. Na blijvende uitval van de vitale functies blijven individuele cellen nog een tijdje actief (supravitale periode). Deze periode wordt gekenmerkt door het optreden van de vroegtijdige lijkverschijnselen en het blijven bestaan van supravitale fenomenen. Als gevolg van afwezigheid van zuurstof (hierna anoxie genoemd), de uitputting van de energiereserves en de ophoping van stofwisselingsproducten sterven uiteindelijk de cellen: men spreekt dan van de cellulaire dood. Bepaalde types van cellen sterven spoedig af (zoals zenuwcellen), andere (zoals spiercellen) veel later. Het chronologisch verloop van postmortale veranderingen of lijkverschijnselen ligt aan de basis van de methoden om het tijdstip van overlijden te schatten. Allereerst behandelen we de vroegtijdige lijkverschijnselen (zoals lijkvlekken, lijkstijfheid en lijkafkoeling). Daarna gaan we verder met de laattijdige lijkverschijnselen, dus het moment waarop ontbinding plaats vinden. Daar kunnen we denken aan autolyse en rotting. Ten slotte bekijken we bijzondere bewaarvormen. VROEGTIJDIGE LIJKVERSCHIJNSELEN Bij het onherroepelijk stilvallen van de hartpomp stokt de bloedsomloop en zal het bloed onder invloed van de zwaartekracht naar beneden zakken, waar het zich voornamelijk opstapelt in de aders en haarvaten (hierna hypostase genoemd). Aan het lichaamsoppervlak zorgt dit voor een verkleuring van de laagstgelegen lichaamszones; deze worden lijkvlekken of livores mortis genoemd. Inwendige hypostase komt ook voor. Kenmerken van de lijkvlekken kunnen belangrijke aanwijzingen geven omtrent de doodsoorzaak, de houding en positie van het lijk en het tijdstip van overlijden. Op de contactplaatsen, waar het lichaam steunt op een stevige ondergrond, worden de bloedvaten dichtgedrukt en kan er geen hypostase plaatsvinden. Vandaar dat de steunpunten onverkleurd blijven (blanke drukplekken). De lokalisatie is dus belangrijk. Lijkvlekken komen gemiddeld een 45-tal minuten na overlijden tevoorschijn. Ze vloeien samen tot grote verkleurde oppervlaken na een drietal uren en zijn volledig ontwikkeld na een negental uren. Gedurende die tijd tot maximaal een twintigtal uren na overlijden zijn de lijkvlekken volledig wegdrukbaar; d.w.z. bij uitoefenen van lichte druk kan men een kortstondige blanke plek veroorzaken. Zeer kort na het opheffen van de druk zal deze plek terug verkleuren. Aanvankelijk zijn de vlekken ook verplaatsbaar: wanneer men het lijk van een overledene binnen de eerste zes uren omdraait, de vlekken aan de ene zijde volledig verdwijnen en nieuw gevormd worden aan de andere zijde. Tussen zes en twaalf uren na overlijden neemt de verplaatsbaarheid progressief af; na een twaalftal uren zijn ze niet meer verplaatsbaar. De kleur van de lijkvlekken is afhankelijk van de bloedkleurstof (hierna hemoglobine genoemd). Hemoglobine bindt zuurstof voor transport doorheen de bloedbaan. Als hemoglobine gebonden is met zuurstof, heeft het een rode kleur: hoe zuurstofrijker het bloed, hoe roder de kleur. Bij zuurstofarmoede krijgen de lijkvlekken een donkerblauwe kleur. Bij afkoeling of onderkoeling zullen de lijkvlekken vooral aan de rand een eerder felrode verkleuring vertonen. Een volledige kersrode kleur wijst op koolstofmonoxidevergiftiging (CO). Vergiftiging met cyanide (CN) heeft een gelijkaardige baksteenrode verkleuring tot gevolg. Onderhuidse bloedingen onderscheiden zich van lijkvlekken doordat in het geval van een premortale bloeduitstorting de onderhuidse weefsels diffuus doordrenkt zijn met nietwegspoelbaar bloed. 6

7 Onder invloed van zenuwprikkels trekken spiervezels samen zodat de spieren tijdens het leven steeds in min of meerdere mate onder spanning staan. De samentrekking van spieren wordt mogelijk gemaakt doordat de spierfilamenten in elkaar haken en een stevig complex vormen. Het loshaken van deze spierfilamenten, en dus spierontspanning, is een actief proces waarbij de omzetting van ATP in ADP de nodige energie levert. Dit ATP wordt terug aangemaakt uit ADP bij de omzetting van zetmeel in melkzuur. ATP werkt, eenvoudig gezegd, als spierverslapper, en het is beschikbaar zolang er voldoende zetmeel aanwezig is. Bij overlijden valt het zenuwstelsel uit en treedt dus algehele maximale spierverslapping op (de mond valt open, de ogen blijven open, etc.): spiercellen worden niet meer geprikkeld en bevatten nog veel ATP. De verslapping zorgt voor een vredig gezicht en daarnaast voor een houding overeenkomstig met de inweking van de zwaartekracht. Naarmate het zetmeel opgebruikt raakt (en omgezet is in melkzuur) neemt het ATP af. Ten slotte verstijven de spieren: de lijkstijfheid of rigor mortis installeert zich. Deze verstijving blijft net zolang aanhouden tot de ontbinding intreedt, waarbij de structurele desintegratie van het spierweefsel terug voor spierverslapping zorgt. Na een initiële periode van spierverslapping begint gemiddeld een drietal uren na overlijden lijkstijfheid op te komen. Volgens de regel van Nysten begint deze van boven naar onder en van centraal naar perifeer (om in dezelfde volgorde te verdwijnen). De lijkstijfheid bereikt zijn volledige ontwikkeling ongeveer een achttal uren na overlijden met een maximale intensiteit na ongeveer 12 tot 24 uren. Nadien (gewoonlijk vanaf een tweetal dagen) neemt de lijkstijfheid weer geleidelijk af om volledig te verdwijnen na een drietal dagen. De omgevingstemperatuur beïnvloedt de snelheid waarmee de lijkstijfheid optreedt. Bij een hoge temperatuur verlopen de stofwisselingsprocessen sneller en zal bijgevolg de zetmeelreserve en daarmee de spierverslapper ATP sneller uitgeput zijn; de lijkstijfheid treedt vroeger in. Het ontbindingsproces zal zich eveneens sneller instellen. Het omgekeerde doet zich voor bij lage temperaturen: de vertraagde stofwisseling leidt tot trager instellen van de lijkstijfheid en uitstellen van de ontbindingsprocessen met een verlengde periode van lijkstijfheid. Men moet erop letten dat pseudolijkstijfheid kan optreden bij bevroren lijken. In sommige (zeldzame) omstandigheden stelt zich de lijkstijfheid onmiddellijk in bij het overlijden: zogenaamde kadaverspasme. Het schijnt zich vooral voor te doen wanneer het overlijden is voorafgegaan door zeer hevige fysieke en/of emotionele stress. Epilepsie, elektrocutie, hersenbeschadiging en verdrinking zijn toestanden waarbij cataleptische lijkstijfheid kan optreden. Bij drenkelingen die zich heftig verweren kunnen daardoor voorwerpen, zoals gras van de waterkant, vastgeklemd in de hand worden aangetroffen. De stofwisseling in het menselijk organisme gaat gepaard met warmteproductie; met zuurstof als brandstof vinden er veel processen in de cellen plaats. Deze processen produceren warmte via het bloed over het gehele lichaam verspreid. Bij de mens wordt de thermoregulatie gestuurd door de hersenen. Na de dood valt deze sturing weg en zal ook de warmteproductie geleidelijk aan afnemen naarmate de brandstofreserves van de cellen opgebruikt raken en de stofwisseling stilvalt (cellulaire dood). Er treedt lijkafkoeling of algor mortis op. Na overlijden neemt de huidtemperatuur gewoonlijk snel af door warmtestraling aan de omgeving. Gedurende de eerste tot twee uur zal echter de kerntemperatuur van het lichaam vrij constant blijven, vermits de centraal opgeslagen warmte niet meer (vanwege de stilgevallen bloedsomloop) wordt afgevoerd en er nog supravitale stofwisseling is (met warmteproductie): plateaufase. Van zodra echter het temperatuurverschil tussen de lichaamskern en het lichaamsoppervlak voldoende groot is, begint een vaststelbare warmteafgifte ofwel de afkoelingsfase a rato van ongeveer 1 tot 2 graden Celsius per uur. Naarmate de kerntemperatuur van het lichaam de omgevingstemperatuur benadert, zal deze warmteafgifte trager verlopen: de vertragingsfase. De grafiek kent een S-curve. 7

8 Vermits er een zekere wetmatigheid bestaat in de lijkafkoeling is dit een belangrijk middel om het tijdstip van overlijden te bepalen, of beter te schatten. Het afkoelingsproces wordt echter door tal van omstandigheden beïnvloed zodat het inderdaad slechts bij een schatting blijft. Het blijft niettemin een waardevolle methode die samen met de beoordeling van andere lijkverschijnselen een vrij betrouwbaar inschatten van de overlijdensduur mogelijk kan maken. Men dient alleszins rekening te houden met de volgende beïnvloede factoren: Allereerst de temperatuurgradiënt: het verschil tussen lichaams- en omgevingstemperatuur is uiteraard van groot belang; des te groter het verschil, des te sneller de afkoeling. Opwarming kan overigens ook optreden. De oorspronkelijke lichaamstemperatuur kan ook nog zijn verhoogd, bij onder meer koorts. Daarnaast de lichaamsgebonden factoren: het lichaamsgewicht speelt een belangrijke rol; hoe zwaarder, hoe trager de afkoeling. De blootstelling van het uitwisselingsoppervlak is verder groter bij lichamen die in een uitgestrekte houding liggen tegenover deze in opgerolde of foetale houding. Ten slotte de omgevingsfactoren: kleding, lichaamsbedekking en het type ondergrond kunnen een isolerend effect hebben. Bij lijken blootgesteld aan de lucht speelt ook de graad van luchtverplaatsing een rol; bij een sterke luchtcirculatie zal de warmte sneller worden afgevoerd. Ten slotte is water een goede warmtegeleider en derhalve is een snellere afkoeling van een vochtig of ondergedompeld lichaam, en dit uiteraard meer uitgesproken in stromend dan in stilstaand water. Voor de bepaling van het tijdstip van overlijden kan men in het vroeg postmortaal tijdperk (duur van uur) de overlijdensduur schatten aan de hand van de verschillende postmortale verschijnselen, supravitale verschijnselen en biochemische veranderingen. Al deze fenomenen worden echter beïnvloed door tal van factoren zodat men steeds voor ogen moet houden dat het om een schatting gaat. Eenmaal de ontbinding is ingetreden wordt het nog veel moeilijker om met enige accuraatheid het tijdstip van overlijden te bepalen. In de regel maakt men gebruik van de centrale lichaamstemperatuur, te meten acht centimeter diep in het rectum: de rectale temperatuur. Het meest nauwkeurig en wetenschappelijk onderbouwd is de temperatuurmethode van Henssge. Op basis van de rectale temperatuur (RT) en omgevingstemperatuur (OT) leest men nauwkeurig het postmortaal interval (PMI) af. De methode wordt nog verfijnd door het lichaamsgewicht te vermenigvuldigen met een correctiefactor overeenkomstig de omgevingsfactoren. In de methode van Henssge trek je een lijn van de RT naar de OT. Daarna trek je een lijn van het middelpunt in het kompasje door het punt waar de lijn (RT-OT) kruist met de basislijn. Daarna ga je kijken naar het aantal kg en zo kun je de PMI aflezen (met o.a. ± 2,8 of 4,5 u.). Naast lijkvlekken, lijkstijfheid en lijkafkoeling zijn er nog andere vroegtijdige lijkverschijnselen. In de supravitale periode, tussen somatische en cellulaire dood, kunnen aan cellen nog reacties worden ontlokt, de zogenaamde supravitale verschijnselen. De voornaamste hiervan zijn de mechanische prikkelbaarheid van de skeletspieren, de elektrische prikkelbaarheid van de skeletspieren en de postmortale pupil reacties. Daarnaast vindt uitdroging plaats. Uiterlijke tekenen van deze uitdroging zijn onder meer aan de ogen (hoornvlies wordt troebel, bruine/zwarte vlekken op het oogwit en het oogbolvocht (met eventueel vervorming) neemt af), aan de mond (donkerverkleuring van het lippenrood en blootliggende tong), pseudogroei van haren en bruine huidveranderingen. Bij of kort na overlijden kan er uitscheiding van urine, stoelgang en zaadvocht optreden ten gevolge van spierverslapping of het optreden van lijkstijfheid. De bloedstolling vindt ook plaats. Ook zal vochtuitstorting in lichaamsholten plaatsvinden en ten slotte bepaalde biochemische processen (bv. hoeveelheid kalium in oogkamervocht neemt op min of meer constante wijze toe, evenredig met een toenemende overlijdensduur). 8

9 LAATTIJDIGE LIJKVERSCHIJNSELEN Het lichaam desintegreert uiteindelijk op natuurlijk wijze als gevolg van autolyse en bacteriële rotting (putrefactie): proces van lijkontbinding. De zachte weefsels verdwijnen volledig met het achterlaten van het skelet (skelettering). Dit proces kan worden versneld door tussenkomst van aaseters. Uiteindelijk zullen ook botten vergaan, tenzij er fossilisatie (verstening) optreedt. Daarnaast kan in bepaalde omstandigheden het ontbindingsproces worden doorkruist door twee andere specifieke fenomenen, de adipocire (vetharding) en de mummificatie. Lichamen kunnen ook op artificiële wijze worden gereduceerd door crematie. Alleszins wordt de wijze waarop en het tijdsverloop waarmee de ontbinding zich afwikkelt, sterk beïnvloed door tal van omgevingsfactoren. Hiernaast staat een schematische weergave van de laattijdige lijkverschijnselen. Autolyse is het scheikundig proces dat leidt tot zelfafbraak van cellen: een lysosoom staat toe dat verteringsenzymen de membranen verlaten, de cel verteert dan als het ware zichzelf. Men kan bijvoorbeeld een rode verkleuring van de bloedvatwanden door hemolyse (ontbinding van bloed), een verweking van de pancreas en bijnieren en een verzwakking van de wand van bloedvaten, de galblaas en de maag opvatten als autolyse. Putrefactie wordt bewerkstelligd door de ongeremde groei en activiteit van bacteriën met de afgestorven autolytische cellen als voedselsubstraat. Normaal gezien worden tal van bacteriën onder controle gehouden door het afweersysteem, maar nu kunnen de bacteriën hun gang gaan. Rotting uit zich in een doorgedreven liquefactie (verweking en oplossing) van de weefsels gekenmerkt door rottingsvocht (donker, roodachtig vocht: verweekte weefsels vermengd met hemolysevocht) en rottingsgas (omvangrijke productie van slecht ruikende gassen (gemiddeld 3 tot 5 dagen bij kamertemperatuur). Daarnaast wordt het kenmerkt door weefselverkleuring (van groen naar zwart). Dit rottingsproces is verantwoordelijk voor een toenemend en na korte tijd onherkenbaar makend opzwellen van het lijk (vooral buik, schaamdelen en het hoofd) met een hardnekkige stank. Het verschijnen van een groene plek onderaan de buik rechts, boven de rechterlies is vaak het eerste zichtbare teken van het rottingsproces (na 1 tot 2 dagen); deze vlek breidt zich geleidelijk uit over de hele buik. Marbrering treedt gewoonlijk aansluitend op. Door de gasproductie wordt gehemolyseerd bloed vanuit de grote bloedvaten gestuwd naar de oppervlakkige onderhuids gelegen aders wat een typische lijnvormige donkerrode of groenachtige tekening veroorzaakt (na 2 tot 4 dagen). In het voortschrijdende rottingsproces laat de opperhuid (epidermolyse) los, aanvankelijk alleen bij wrijven (na 5 tot 6 dagen) en na enige tijd uitbreidend tot grote flarden (na 8 tot 14 dagen). Hierbij ontstaan rottingsblaren, gevuld met rottingsvocht. Tegelijkertijd komen haren los. Nagels komen later los, samen met de maximale donkerverkleuring en gasopzetting (na 14 tot 20 dagen). Vermits het ontbindingsproces grotendeels afhankelijk is van de inwerking van bacteriën zullen factoren die deze bacteriële activiteit beïnvloeden het rottingsproces kunnen versnellen of vertragen. Bij afwezigheid van een normale bacteriële populatie 9

10 (bijvoorbeeld normaal bij kinderen) kan het ontbindingsproces sterk vertraagd zin zijn of zelfs grotendeels achterwege blijven. De bacteriële werking is optimaal bij een omgevingstemperatuur tussen graden Celsius en neemt betekenisvol af bij een temperatuur lager dan 10 graden Celsius. De ontbinding kan dan ook sterk worden vertraagd door afkoeling. Het ontbindingsproces zal bij verwarming (zowel exogeen als endogeen) aanzienlijk worden versneld. De temperatuur is dus erg belangrijk. Bij een lijk blootgesteld aan de lucht verloopt het ontbindingsproces in de regel het snelst. Volgens de regel van Casper verloopt het proces twee maal trager bij waterlijken en acht maal trager bij begraven lijken, vergeleken met lijken blootgesteld aan de lucht. De omgeving is dus ook belangrijk. Vooral bij kadavers in de vrije natuur komen tal van aaseters een helpende hand toesteken. Dit kunnen zowel insecten als knaagdieren tot kleine huisdieren en grotere roofdieren zijn die soms uitgesproken postmortale verwondingen door zogenaamde diervraat kunnen veroorzaken en de ontbinding betekenisvol kunnen versnellen. Eén van de meest voorkomende vormen van diervraat is deze door vliegenlarven. Een vlieg kan een lijk extreem goed traceren en legt haar eitjes vrijwel direct na aankomst bij het lijk. Ongeveer 12 tot 24 uren later komen larven tevoorschijn die groeien en zich voeden met de rottende weefsels. In de zomer bereiken ze na een zevental dagen het verpoppingsstadium, bij koelere temperaturen pas na een veertiental dagen. Eén tot drie dagen voor de verpopping voeden de larven zich niet meer en kunnen zij meerdere (tot zelfs tientallen) meter afleggen. Uit de poppen komen na een zes- tot negental dagen de eerste vliegen vrij. Een vier- tot vijftal dagen na de geboorte van deze eerste generatie wordt een nieuwe reeks eieren gelegd (één vlieg heeft zowat nakomelingen). De vliegen zijn echter voornamelijk overdag actief en dit hoofdzakelijk bij een omgevingstemperatuur hoger dan 12 graden Celsius. De studie van de lijkenfauna, de forensische entomologie, kan informatie geven onder meer omtrent de aard van het overlijden, de plaats van overlijden en het postmortaal interval. Daarnaast kan het onderzoek resultaten voor toxicologie en DNA opleveren. Naast vliegen kunnen ook andere insecten vrij typische oppervlakkige huidletsels veroorzaken door het wegbijten van kleine stukjes huid. Daarnaast kunnen vogels (plukken loskomende haren weg voor hun nest), vissen, knaagdieren (vooral gemunt op vingers en tenen), carnivoren (gaan aan de haal met botten), bosdieren en huisdieren aan diervraat doen. Het ontbindingsproces van autolyse en putrefactie leidt uiteindelijk tot de afbraak van weke weefsels en organen waarbij haren, nagels, tanden en botten als meest weerstandige componenten het langst bewaard blijven. In de vrije natuur blijft van een kadaver binnen één maand tot één jaar slechts een skelet over. Bij begraving (kist of graf) zijn de zachte weefsels en organen grotendeels verdwenen na een drie- tot achttal jaren. De snelheid van het skeletteringsproces wordt voornamelijk beïnvloed door de omgeving, de grafcondities en de toegankelijkheid voor aaseters en postmortale beschadiging (vanaf nu mutilatie genoemd). Het verloopt sneller bij hoge of lage zuurtegraad en door vocht. Enkele tientallen jaren blijven de beenderen stevig en zwaar, met een eerder glibberig oppervlak. Na 40 tot 50 jaar wordt het botoppervlak droog en broos met afbrokkelende stukjes aan het uiteinde, die zacht en krijtachtig zijn. De mergholte is leeg en het doorzagen blijft geurloos. Op basis van deze kenmerken kan op een zeer grove wijze de skeletligduur worden ingeschat (door bepaalde methoden). Het proces van ontbinding en skelettering kan in bepaalde omstandigheden sterk worden afgeremd of zelfs volledig ontbreken waarbij het kadaver voor (zeer) lange tijd opmerkelijk goed kan bewaard blijven. De twee belangrijkste vormen van bijzondere bewaarvormen zijn de mummificatie en de omzetting in adipocire. 10

11 De mummificatie is het best gekend als natuurlijke bewaringsvorm. De Egyptische mummies zijn de meest tot de verbeelding sprekende historische voorbeelden. Mummificatie betreft een extreme vorm van uitdroging, die het wint op de rotting. Hoe geringer het rottingsproces en hoe sterker de uitdroging, hoe vollediger de mummificatie. Een gemummificeerd lijk wordt gekenmerkt door een harde, lederachtige bruine tot donkere huid, die strak gespannen staat over botuitsteeksels. Het vetweefsel kan in min of meerdere mate omgezet zijn in adipocire (zie verder), maar is meestal vergaan. Het proces van mummificatie wordt bevorderd in een zeer droge en liefst goed (met warme lucht) geventileerde omgeving (bv. grafkelders, zolders). Het proces vraagt meestal meerdere weken tot maanden, zelfs jaren. Mummies kunnen ook diervraat en schimmel (die verantwoordelijk zijn voor witte/groene/zwarte verkleuringen) ondergaan. Mummificatie heeft een aantal belangrijke forensische aspecten, met name dat uitwendige contouren behouden blijven (en in sommige gevallen weleens dermate goed bewaard blijven dat identificatie nog mogelijk is), uitwendige verwondingen derhalve vaak nog kunnen worden vastgesteld en het op een langere overlijdensduur wijst. Ook vochtige (en luchtdichte) omstandigheden kunnen door middel van apidocirevorming of vetverharding leiden tot een bijzondere vorm van lijkenbewaring. Bij adipocirelijken ondergaat het onderhuids en inwendig vetweefsel chemische veranderingen in het kader van zuurstofgebrek, met name een omzetting in lijkenvet dat vooral bestaat uit verzadigde vetzuren. Het chemisch proces zou men kunnen samenvatten als een hydrolytische afbraak (door autolyse) van vetten tot glycerine en onverzadigde vetzuren, wat een vloeibare, olieachtige substantie oplevert. Verdere bacteriële inwerking zet deze onverzadigde vetzuren door hydratie om in gestolde verzadigde vetzuren. Niet alleen het onderhuids vetweefsel, maar ook andere weke weefsels zijn in het proces betrokken, vermits het vloeibare vet doordringt in onder meer de inmiddels verweekte skeletspieren. De onderhuidse weefsels, omgezet in adipocire, vormen eerst een zachte, gele en vettige substantie, met ranzige geur, daarna een witgrijs glibberig en pasteus tot droog kruimelig omhulsels dat door afzetting van mineralen kan verharden tot een grijs, korrelig, broos tot hard pantser. Opvallend is dat vaak ook het rottingsproces wordt afgeremd. De vorming van adipocire wordt in het bijzonder bevorderd bij verblijf in een vochtig en zuurstofarm milieu, zoals bij waterlijken en vochtige graven. Ook van de luchtafgesneden of luchtdicht verpakte lijken tonen voorkeur voor deze bewaringsvorm. Men neemt aan dat het adipocireproces meestal begint na een tot twee maanden en duidelijk te herkennen is vanaf drie tot zes maanden na overlijden. Het volledige proces duurt gemiddeld een tot twee jaar. De forensische betekenis van deze vorm van lijkbewaring ligt in het feit dat de lichaamsvorm goed behouden blijft en vaak open verwondingen, zoals kogelgaten, nog kunne worden herkend. 11

12 3. Onderzoek overlijden PLICHTEN BIJ OVERLIJDEN Onder doodsoorzaak verstaat men de aandoening of de uitwendige gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot het overlijden. Men onderscheidt de onmiddellijke (de ziekte, het letsel of de verwikkeling die het overlijden onmiddellijk voorafgaat) van de oorspronkelijke (de ziekte of het letsel dat aan de basis ligt van de (opeenvolgende) ziekelijke veranderingen die tot het overlijden hebben geleid, of de geweldsvorm die de fatale letsel(s) heeft voortgebracht) doodsoorzaak. Onder mechanisme van overlijden verstaat men de fysiologische veranderingen of biochemische storingen welke worden voortgebracht door de doodsoorzaak. Het is dus het middel waarmee de aandoening of het letsel een dodelijk effect heeft uitgeoefend. De aard van overlijden verklaart de omstandigheden waarin de doodsoorzaak tot stand is gekomen: het wordt bepaald door het al dan niet inwendige (natuurlijke) karakter van de doodsoorzaak. De aard van het overlijden is dan ofwel natuurlijk (met name een ziekte, aandoening of ouderdom) ofwel niet-natuurlijk (het gevolg van een externe oorzaak, denk aan verwonding, vergiftiging, accidenteel of intentioneel toegebracht). Bij een niet-natuurlijk overlijden onderscheiden we de categorieën ongeval, zelfdoding en doding. In een aantal gevallen zal het aanvankelijk niet mogelijk zijn de doodsoorzaak en de aard van het overlijden vast te stellen. Zelfs na nader onderzoek blijven een aantal overlijdens onverklaard. De te treffen schikkingen bij overlijden zijn wettelijk geregeld door het Burgerlijk Wetboek (BW) en de wet op de begraafplaatsen en de lijkbezorging. De aangifte van een overlijden gebeurt door een getuige bij de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van overlijden opmaakt. De wet voorziet echter niet in een straf voor het niet-aangeven van een overlijden, er vermoedelijk van uitgaande dat de aanwezigheid van een lijk spontaan tot aangifte zal leiden (zonder aangifte, geen begraving). Enkel deze ambtenaar van de burgerlijke stand is gemachtigd een toelating tot teraardebestelling te bezorgen na bevestiging van het aangegeven overlijden. De ambtenaar verlaat zich hierbij op het overlijdensattest: het model III C voor de aangifte van overlijden van een persoon van één jaar en ouder of het model III D voor de aangifte van overlijden van een kind jonger dan één jaar of van een doodgeboorte. De ambtenaar burgerlijke stand kan geen toelating geven bij een verdacht of gewelddadig overlijden (het parket wordt dan ingelicht). De arts die het overlijden heeft vastgesteld, wordt door de wet betreffende de openbare statistiek van 4 juli 1962 verplicht het overlijdensattest in de vullen. Model III C betreft een formulier van vier bladzijden, achtereenvolgens respectievelijk stroken C, A, B en D. Stroken A, B en C worden door de vaststellende arts ingevuld, strook D door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Strook C is het anonieme deel dat dient voor de opmaak van de statistiek der doodsoorzaken; de arts vult hierop naar best vermogen de doodsoorza(a)k(en) in evenals de aard van overlijden. De strook dient te worden ondertekend en afgestempeld door de arts, en aansluitend afgescheurd en in de bijgevoegde dicht te kleven omslag opgeborgen. Dit dient om schending van het beroepsgeheim te voorkomen. Op strook A moet de arts de identiteitsgegevens van de overledenen en het tijdstip van overlijden invullen en een aantal vragen beantwoorden, waaronder als belangrijkste: gerechtelijk-geneeskundig bezwaar tegen begrafenis of crematie?. Hierop dient ja te worden geantwoord bij overlijden zeker of vermoedelijk door uitwendige oorzaak (ongeval, zelfdoding, moord of doodslag). Het wordt ten sterkste aanbevolen ja aan te kruisen in alle 12

13 gevallen van niet-natuurlijk en onduidelijk of onverklaard overlijden. In dit laatste geval kan de ambtenaar van de burgerlijke stand geen toestemming tot teraardebestelling verlenen en dient de procureur des Konings (het parket) te worden ingelicht. Op strook B vult de arts ten slotte datum en plaats van overlijden in, evenals het geslacht van de overledenen. Het ingevulde overlijdensattest, met strook C in gesloten opslag, wordt door afgegeven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van overlijden. De ambtenaar vult de burgerlijke gegevens verder aan op strook D. Strook A wordt afgescheurd en moet door de gemeente worden bewaard. Het resterende deel van het formulier met stroken B, C en D wordt overgemaakt aan het Agentschap Zorg en Gezondheid van de Vlaamse Gemeenschap voor de opmaak van de jaarlijkse statistiek van de doodsoorzaken. Zoals eerder geschreven zal de ambtenaar van de burgerlijke stand in bepaalde gevallen het parket verwittigen; die uiteraard ook op andere manieren lucht kunnen krijgen van een verdacht of gewelddadig overlijden. De procureur des Konings kan dat het lichaam in beslag nemen en bij zijn opsporingsonderzoek overgaan tot de vordering van één of twee deskundigen of de aanstelling van één tot twee artsen die het lijk dienen te onderzoeken teneinde de doodsoorzaak vast te stellen. In een aantal gevallen zal de procureur des Konings dus overgaan tot de aanstelling van een wetsarts. Iedere arts kan als deskundige worden aangesteld door de procureur des Konings (er bestaan geen kwaliteitsgaranties). Hij is overigens niet verplicht een wetsarts aan te stellen, en kan zich laten leiden door de politionele bevindingen zonder deskundig onderzoek van het lichaam. Een aanvraag tot crematie, ondertekend door een bevoegde begrafenisondernemer, wordt voorgelegd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand samen met het overlijdensattest én een crematieattest van de behandelende arts of de arts die het overlijden heeft vastgesteld, dat bevestigd dat het om een natuurlijk overlijden gaat. Vooraleer toestemming te geven, dient de ambtenaar een beëdigde crematiearts aan te stellen die, onafhankelijk van de eerste arts, een gewelddadig of verdacht overlijden of overlijden door onduidelijke oorzaak moet uitsluiten en daarvan een verslag voor de ambtenaar van de burgerlijke stand moet opstellen. Indien dat niet uitgesloten kan worden (door een vermoeden), dan moet de ambtenaar de procureur des Konings verwittigen. Alleszins kan een lijkverbranding ten vroegste 24 uur na de aanvraag plaatsvinden. Transplantatie gebeurt ook alleen als er geen sprake is van een niet-natuurlijke dood, of nadat er toestemming van de procureur des Konings is verkregen. ONDERZOEK VAN OVERLIJDEN De Algemene Directe Statistiek verwerkt de gegevens met betrekking tot de doodsoorzaak (afkomstig van strook C) per gemeenschap. Wat opvalt, is dat maar 55% van de personen onder de 45 jaar een natuurlijke dood sterven, terwijl dat percentage 91% is bij de personen boven de 45 jaar. De plaats van het overlijden wordt ook opgenomen in de statistieken. Ruim 47% van de sterfgevallen vindt bijvoorbeeld plaats in een ziekenhuis. Er bestaan ook cijfers over de niet-natuurlijke sterfgevallen: ruim 86% van de sterfgevallen kan men categoriseren onder een ongeval of zelfdoding. Het homicide-ratio in België is 1,76 per inwoners, te vergelijken met het suicide-ratio van 17,3. België staat daarmee op de 15 e plek op de ranklijst met hoogste suicide-ratio (Nederland heeft een ratio van 8,2 bijvoorbeeld). In vergelijking met andere West-Europese landen heeft België een hoog homicide-ratio, maar dat getal is veel kleiner in vergelijking met landen in Afrika of de Amerikaanse landen. 13

14 De perfecte moord is de doding die ongemerkt voorbijgaat omdat zij door gebrekkig of ontstentenis van onderzoek doorgaat als een natuurlijk overlijden, zelfdoding of ongeval. Het feit dat de arts geen meldingsplicht heeft, is een tekortkoming van het Belgische systeem. Dat systeem kent meerdere tekortkomingen, zo mag de arts die de dood vaststelt een relationele band met de overledene hebben, is de arts niet opgeleid om een overlijden te onderzoeken en beschikt hij/zij niet over de nodige ervaring. Artsen kunnen ook druk ondervinden van de politie. De politie zelf kent overigens ook tekortkomingen, zo telt de aard van het overlijden en niet de doodsoorzaak en hebben de meesten onvoldoende kennis van de forensische geneeskunde en zijn ze niet vertrouwd met (forensisch) medisch onderzoek overlijden. Een Duitse studie in 1997 heeft aangetoond dat de aard van het overlijden bij ruim van de autopsies die uitgevoerd zijn, foutief of niet geklasseerd zijn. Het forensisch post mortem onderzoek kent twee belangrijke doelstellingen: - Allereerst de bepaling van de oorzaak van overlijden (statistiek) - Daarnaast de bepaling van de aard van overlijden (men kent een onderschatting van het aantal zelfdodingen en dodingen) Dat gebeurt door middel van een 3-pijler aanpak: - Deskundig forensisch medisch onderzoek (door een forensisch patholoog), bijvoorbeeld een uitwendige schouwing ter plaatse of een autopsie - Politioneel tactisch onderzoek - Wetenschappelijk-technisch (sporen)onderzoek Het forensisch PM onderzoek onderzoekt ongewone sterfgevallen: een overlijden dat niet met zekerheid als natuurlijk kan worden geduid (en waarbij de mogelijkheid van een strafrechtelijk vervolgbaar feit niet kan worden uitgesloten), de niet-natuurlijke en onverklaarde sterfgevallen. Bij een ongewoon sterfgeval mag geen overlijdensattest worden ingevuld en moeten de autoriteiten worden verwittigd die een onderzoek instellen. Voorbeelden daarvan zijn: - (sport-, arbeids-, verkeers-, huis- ) ongevallen: plotse gebeurtenis dat schade veroorzaakt. Men kan daarvoor arbeids-/burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, maar ook strafrechtelijk (art. 418 Sw.) - zelfdodingen: (waar men strafrechtelijk aansprakelijk voor kan zijn, denk maar aan het schuldig verzuim (art. 422bis Sw.) let op voor moord vermomd als zelfdoding en let op voor bijzondere zelfdodingen (bv. gepleegd in onduidelijke omstandigheden) - dodingen: onopzettelijk door gebrek aan voorzorg/voorzichtigheid (art. 401 en 418 Sw.), maar ook doodslag (art. 393 Sw.), moord (art. 394 Sw.), kindermoord (art. 396 Sw.) en vergiftiging (art. 397 Sw.). De statistiek klasseert 1/5 tot 1/4 onjuist - bijzondere situaties: chronische alcoholist (natuurlijk, accidenteel of via doding gestorven), alleenwonende (alles is mogelijk, alcoholisme en Diogenes-syndroom: verwaarlozing, stapelwoede en afzondering) - onverwachte en/of onverklaarde sterfgevallen: o plotse dood (door bijvoorbeeld hart- en bloedvaten problemen (al dan niet erfelijk), stressproblemen, fysieke inspanning, agressie (bij bijvoorbeeld een arrestatie: homicide by heart attack), een zadelembool, hersenbloeding, epilepsie, astma en een gestoord suikergehalte (te laag: hypoglykemie of te hoog: hyperglykemie) o wiegendood of SIDS (Sudden Infant Death Syndrome): plots overlijden van het kind onder de leeftijd van één jaar zonder aantoonbare oorzaak na autopsie (incl. toxicologisch onderzoek) en na het onderzoek van de omstandigheden en 14

15 de medische voorgeschiedenis. De risicofactoren zijn buikligging, warmte en roken tijdens de zwangerschap. Na het invoeren van preventiemaatregelen is het cijfer wiegendood per 1000 levendgeborenen gedaald. In 15% van de gevallen van wiegendood heeft de dood wel een specifieke oorzaak: (hart)afwijkingen, infecties, maar ook accidentele en homicidale asfyxie. Alarmtekens zijn voorgaande medische hospitalisatie, koorts, stuipen, braken, etc. Een voorgeschiedenis van onverklaarde ALTE ofwel apparent lifethreatening event vraagt zeker om nader onderzoek. Er moet steeds gedacht worden aan smoring en intoxicatie. De Wet van 26 maart 2003 bepaalt dat op ieder kind dat plots en onverklaarbaar is overleden op een leeftijd jonger dan 18 maanden kosteloos een autopsie moet worden uitgevoerd in een daartoe erkend Centrum voor Wiegendood, waarnaar het kind moet worden overgebracht. Bij KB van 27 april 2007 is deze sinds 01/07/07 wet van kracht. Bij forensisch onderzoek worden de omstandigheden van het overlijden bevraagd, net als de plaats van het overlijden. Een uitwendige lijkschouwing ter plaatse vindt (indien mogelijk) plaats en daarna een autopsie. De eindconclusie kan pas na de revisie van het medisch dossier en de uitklaring van de omstandigheden van overlijden getrokken worden. Daarnaast onderzoekt het forensisch post mortem onderzoek elk gerechtelijk-geneeskundig bezwaard overlijden. Bij het onderzoek van het overlijden, begint men met een uitwendige lijkschouwing. Uitwendig onderzoek moet ter plaatse gebeuren, om de omgeving en sporen ook in het onderzoek te betrekken. Het volledig lichamelijk onderzoek gebeurt naakt, voor en achter en ook op de verborgen plaatsen wordt onderzocht. Allereerst moet men zich afvragen of het een lijk is (doodsdiagnose), door de zekere doodstekens (lijkvlekken, lijkstijfheid en ontbinding) vast te stellen. Men moet uiteraard letten op schijndood en niet te snel conclusies trekken omtrent de temperatuur van het lijk. Daarnaast van wie het lijk is (identificatie) en sinds wanneer het een lijk is (tijdstip van overlijden). Men kan de overlijdensduur schatten aan de hand van de verschillende postmortale verschijnselen en biochemische veranderingen. Het meest nauwkeurig en wetenschappelijk onderbouwd is de temperatuurmethode van Henssge, zie thanatologie. Als men niet meer in de vroege postmortale periode (drie dagen) zit, maar in de late postmortale periode, dan moet men kijken naar de groene buikvlek, de uittrekbaarheid van haren en nagels en naar de entomologie. Tenslotte waarom het een lijk is (aard van overlijden: doodsoorzaak, plaats van overlijden (verplaatsing?) en natuurlijke of niet-natuurlijke dood?). Indien op deze vragen geen afdoende antwoord kan worden gegeven en in alle gevallen van doding zou steeds moeten worden overgegaan tot een autopsie. Onder autopsie wordt het inwendig onderzoek van het lichaam verstaan en dat heeft tot doel: (1) een identificatie op te stellen, (2) de gezondheidstoestand te documenteren, (3) alle letsels (en hun aard, oorzaak, vitaliteit en datering) te documenteren, (4) de (onmiddellijke en oorspronkelijke) doodsoorzaak, incl. bijdragende of bevorderende factoren vast te stellen, (5) het mechanisme van overlijden te bepalen (overlevingsduur, handelingsbekwaamheid), (6) het tijdstip van overlijden te bepalen en (7) alle nuttige sporen te verzamelen (toxicologie, DNA, biochemie). 15

16 De autopsie omvat minstens: - een volledig uitwending voor en na reiniging - het openen van alle lichaamsholten (borst, buik en schedel) - het onderzoek van de inhoud van lichaamsholten en holle organen (onder meer bepalen en meten van hoeveelheid vocht in borst en buikholte, urine, maaginhoud) - het onderzoek van alle inwendige organen (oppervlak, op snede, inhoud) - de dissectie van de hals in situ en in bloedledigheid (na verwijderen van de hersenen en borstorganen - de afname van stalen voor toxicologisch (en desgevallend ander) onderzoek (minimaal: bloed, urine, maaginhoud; referentiestaal DNA): routine - de afname van alle nuttige sporen (bv. beetletsels, sperma, haren, vezels) - het histologisch onderzoek (minimaal microscopisch onderzoek van hart, longen, lever, nieren en relevante letsels): verplicht Naargelang de omstandigheden zal de autopsie worden aangevuld met speciale dissecties (neuropathologie, rug en ledematen, gelaatsschedel en postmortem-coronarografie). De principes van het onderzoek van overlijden zijn: (1) niet alles is wat het lijkt, (2) denk aan tussenkomst van derden bij bijvoorbeeld verwondingen, ongewone sterfgevallen, etc., (3) zien en afblijven: vergelijk de plaats van overlijden met de plaats van het delict, (4) vrijwaar het sporenonderzoek (elke tussenkomst kan het sporenonderzoek in gedrag brengen, in het begin zijn alle mogelijke sporen belangrijk en pas na forensisch onderzoek kan worden beslist of verder sporenonderzoek is aangewezen) en (5) wees kritisch! 16

17 4. Identificatie Het is een absolute vereiste om in alle gevallen met een onbekend lichaam (of lichaamsdelen) de nodige middelen in te zetten om te komen tot een identificatie. Dit is nodig om psychologische redenen (dat is essentieel in het rouwproces), administratieve redenen (vaststelling van het overlijden: Model IIIC en overlijdensakte) en juridische en politionele redenen (voor het gerechtelijk onderzoek). Identificatie is een majeure opgave in geval van rampen met meerdere tot talrijke, vaak gemutileerde en/of verkoolde lichamen. Een ramp is een gebeurtenis die de normale hulpcapaciteit overstijgt en derhalve het maatschappelijke functioneren ontregelt en wordt intrinsiek gekenmerkt door bijzondere moeilijkheden zoals moeilijke bereikbaarheid van de scene, onveilige en beschadigde of vernietigde omgeving, verhakkelde en/of verbrande lichamen en/of lichaamsdelen en/of losgekomen/beschadigde persoonlijke voorwerpen/bezittingen verspreid over een aanzienlijke oppervlakte op soms moeilijk toegankelijke plaatsen en chaotische toestanden. Een georganiseerde planmatige aanpak met gestandaardiseerde procedures is ontzettend belangrijk. Hierbij kan men onderscheid maken tussen een gesloten (voorspelbaar aantal en identiteit voorspelbaar, bv. vliegtuigramp) versus open (ongekend aantal onbekende slachtoffers, bv. natuurramp of treinramp) ramp. Interpol kent een Disaster Victim Identification Team om bepaalde procedures te organiseren, om lichamen/lichaamsdelen te lokaliseren, te bergen en over te brengen, om slachtofferlijsten en om te stellen, om ante mortem en post mortem gegevens te verzamelen Daarnaast zal identificatie ook nodig zijn in individuele (zowel criminele als niet-criminele) omstandigheden. Lichamen kunnen om tal van redenen, zowel in criminele (doding) als nietcriminele (andere dan doding) omstandigheden, beschadigd of verminkt raken: postmortale mutilatie. Bij dergelijke lijkvondst is het kwestie van verminking te onderscheiden van premortale letsels. Voorbeelden van niet-criminele postmortem schade, wat overigens 10 keer vaker voorkomt dan criminele postmortem schade, zijn natuurlijke mutilatie (boslijk, bv. diervraat, brandlijk en waterlijk), mechanische schade (treinlijk en waterlijk, bv. scheepsschroef), lijkverberging buiten doding (bv. om financiële motieven, het verbergen van illegale praktijken en emotionele motieven), het dumpen van anatomische preparaten, het opkuisen van graven en grafschennis. Criminele postmortem schade komt in de eerste plaats voor in het kader van dumping om het transport van het lichaam te vergemakkelijken. Verschillende lichaamsdelen worden dan gedeponeerd: defensieve mutilatie (lijkdeling). Daarnaast kan verminking ook voorkomen door hyperagressief gedrag in het kader van seksueel en straffend geweld: agressieve mutilatie. Bij offensieve mutilatie worden postmortale letsels toegebracht wat vooral geassocieerd is aan seksuele perversie, kannibalisme en necromane motieven (fetisjisme, verzamelen van trofeeën en symbolisme). In tegenstelling tot dumping van bijvoorbeeld een drugsdode zal de dader van doding meer aandacht besteden en meer inspanningen leveren om daadwerkelijk het lichaam zo lang mogelijk verborgen te houden met de bedoeling ontdekking van de misdaad tegen te gaan, om sporen te vernietigen, om seksuele motieven, om het verzamelen van trofeeën en/of om identificatie te bemoeilijken. De methoden van criminele dumping zijn afdekken (31,4%), onderdompelen (22,3%), begraven (21%), achterlaten op desolate plaats (14,2%), verbergen (8,2%), verbranden (2,9% en andere bijzondere vormen als lijkdeling (7%), oplossen, invriezen en het voederen aan een dier. 17

18 Het basisprincipe van een proces van identificatie is een vergelijkend onderzoek tussen ante mortem en post mortem gegevens gebaseerd op een zo gedetailleerd mogelijke persoonsbeschrijving. Op basis van de postmortale persoonsbeschrijving kan een eerste reeks van kandidaten uit de lijst van vermisten of potentiële slachtoffers worden geselecteerd waarna dan een meer diepgaande vergelijking kan worden verricht. Indien er voldoende overtuigende punten van overeenkomst zijn, kan overgegaan worden tot identificatie. Dit kan op basis van puur beschrijvende elementen, maar vaak zal men moeten overgaan tot wetenschappelijke methoden. Bij de uiteindelijke bevestiging van de identiteit zal rekening worden gehouden met het aantal punten van overeenkomst (matches) en de zeggingskracht van de afzonderlijke overeenstemmende kenmerken. Het post mortem dossier bevat gedetailleerde gegevens die kunnen vergeleken worden met ante mortem gegevens welke bijvoorbeeld afkomstig zijn van informatie van nabestaande of het medische dossier. Het omvat de volgende gegevens: geslacht, leeftijd, huidskleur, lichaamsbouw, persoonlijke kenmerken (bv. kleur ogen en schoenmaat), persoonsgebonden kenmerken (bv. litteken(s), tatoeage(s), medische bevindingen) en persoonlijke voorwerpen. Voor een leeftijdsbepaling kan men zijn toevlucht moeten nemen tot radiologisch (botleeftijd, linkerhand wordt gebruik) en odontologisch (gebitsleeftijd, bv. het opmerken van slijtage of melktanden) onderzoek die toelaten met een marge van een aantal jaren een leeftijd te schatten. Men doet daar aan RX-onderzoek (röntgenstralen). Voor een geslachtsbepaling kan men kijken naar de geslachtsdelen, maar ook naar de vorm van de bekken en de schedel. Secundaire identificatie gebeurt door de politionele identificatie die op basis van een vergelijking van het post mortem dossier met het ante mortem dossier gebeurt. De vergelijking van de medische gegevens dient te gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de forensisch patholoog. Daarnaast zal ook gebruikgemaakt worden van visuele herkenning van (1) de overledene zelf indien mogelijk en (2) persoonlijke voorwerpen. Hierbij moet men voor ogen houden dat emotioneel getroffen nabestaanden zich kunnen vergissen zowel in positieve als negatieve zin. Men zal pas tot identificatie besluiten bij voldoende overtuigende punten van overeenkomst en/of betrouwbare visuele herkenning. Veelal zal men zijn toevlucht moeten nemen tot één of meerdere van de volgende wetenschappelijke methoden: (primaire identificatie) om de grootst mogelijke zekerheid te bekomen: (1) dactyloscopie (onderzoek naar individu-specifieke vingerafdrukken), (2) odontologisch onderzoek (onderzoek naar gebitskenmerken en vergelijken om de leeftijd te bepalen, onder andere via RX en microscopie) en (3) DNA-onderzoek (tijdrovend en relatief kostelijk onderzoek, maar biedt de grootste mogelijkheden omwille van zijn wetenschappelijk trefzekerheid en de mogelijk het DNA-profiel van het slachtoffer of lichaamsdeel te vergelijken met de DNA-profielen van de directe nabestaanden). Bijzondere hulpmiddelen komen bij de identificatie van pas, denk aan de forensische pathologie (autopsie), de forensische beeldvorming (schedel, botleeftijd), de forensische odontologie: leeftijdsbepaling, de forensische antropologie/osteologie (skelet), computerassisted image processing (gezichtsreconstructie in 3D) en de forensische genetica (leeftijdsbepaling, geografische herkomst en uitwendig zichtbare kenmerken). Er gebeurt ook forensisch onderzoek bij een verdwijning, denk aan necrosearch (prospectie en terreinonderzoek), ontgraving (forensische archeologie en antropologie) en post mortem onderzoek (identificatie, oorzaak en aard van overlijden en PMI). 18

19 5. Criminalistiek Onder forensische wetenschap kunnen we verstaan: de toepassing van alle wetenschappen die kunnen worden aangewend bij het achterhalen van de waarheid. Dit vergt naast de vakkennis ook specifieke forensische kennis en kunde. De forensische wetenschappen vinden hun ultieme multidisciplinaire toepassing in het zogenaamde sporenonderzoek of de criminalistiek. Vanaf de tweede helft van de vorige eeuw komt dankzij de ontdekking van het uitwisselingsprincipe van Locard de eigenlijke criminalistiek echt van de grond. Het hoofddoel van het forensisch onderzoek is om door middel van (wetenschappelijk) sporenonderzoek een unieke gebeurtenis te reconstrueren. De waarheid achterhalen betekent dat men tracht te weten te komen wie, wat, waar, wanneer, waarmee en waarom heeft gedaan. Een opsporingsonderzoek wordt slechts opgestart bij een vermoeden van misdrijf. Wanneer men wordt geconfronteerd met een abnormale gebeurtenis dient men deze te ontleden, vaak door middel van het sporenonderzoek, om in de eerste plaats uit te maken of er al dan niet sprake is van een misdrijf. Een kritische ingesteldheid is noodzakelijk. Alles in vraag stellen is de basisregel van de wetenschapper. Indien men met een misdrijf heeft te maken, zal het van belang zijn voor het verder onderzoek om de aard, en het hiermee samenhangende motief, te bepalen. Het type misdrijf (bv. een roofmoord) kan dan ook duidelijk worden. Ten slotte zal het onderzoek aanwijzingen moeten opleveren inzake mogelijk daderschap en daadinstrument. Zo zal men bij wijze van voorbeeld bij scherpe geweldpleging op zoek moeten gaan naar een scherp wapen en een dader wiens kleding bijvoorbeeld onder het bloed zit en met bijvoorbeeld sportschoenen van een bepaald merk. Na een grondige analyse van alle onderzoekbevindingen kan men tot één of meerdere hypothetische versies van de feiten komen, die desgevallend in realiteit ter plaatse kunnen worden getoetst, onder meer ook aan de hand van versies van de getuigen, de dader, door middel van reconstructie. Veelal zal de onderzoeksrechter in een gerechtelijk onderzoek van een doding overgaan tot dergelijke wedersamenstelling. Soms wordt ook overgegaan tot een zogenaamde technische wedersamenstelling waarin de feiten worden gereconstrueerd op basis van de forensische onderzoeksresultaten. Een zeer belangrijke doelstelling van het forensisch sporenonderzoek is uiteindelijk de bewijsvoering, die echter onderworpen is aan welbepaalde kwaliteitsregels. Een sluitende bewijsvoering wordt verkregen indien men erin slaagt dader, slachtoffer en daadinstrument ontegensprekelijk aan elkaar te verbinden. Daarbij mag men niet vergeten dat deze bewijzen voor de rechtbank moeten worden gebracht en dat daarbij het bewijsstuk (spoor) zonder onderbreking tot de feiten moet kunnen worden teruggebracht, de zogenaamde bewijsketen. Het forensisch sporenonderzoek is gebaseerd op vijf fasen, elk met zijn eigen principes: 1. Het ontstaan van sporen. Locard beschreef: elk contact tussen twee (of meerdere) objecten, een object en een persoon of tussen twee (of meerdere) personen laat steeds sporen na. De afwezigheid van sporen betekent niet noodzakelijk een bewijs van hun niet-bestaan. Ze kunnen er wel zijn of geweest zijn, maar reeds zijn verdwenen, vernietigd of niet herkend. Een aantal reële sporen kunnen manifest voorhanden zijn terwijl andere latent aanwezig zijn en met bepaalde technieken (bv. uv-licht) aan het licht moeten worden gebracht of in het lab. 19

20 2. Het opnemen van sporen. Bij het zoeken naar en het opnemen van sporen geldt als eerste principe het primum nihil nocere. Wil men bruikbare sporen terugvinden, dan moet men er allereerst voor zorgen dat niets wordt toegevoegd, vernietigd of verborgen tijdens het onderzoek. De plaats delict is het heiligdom van de forensische onderzoeker. Enkel daartoe opgeleide personen kunnen de plaats delict onderzoeken op de aanwezigheid van sporen, deze documenteren en ten slotte opnemen voor verdere analyse. De benadering en het onderzoek van de plaats delict moeten op een gestructureerde en georganiseerde wijze verlopen zoals vastgelegd in het zogenaamde crime scene management: (1) plaats-delict: correcte benadering (herkennen en bevriezen), correcte opname (documenteren van sporen en registreren van sporen) en (2) exploitatie van sporen: selectie, onderzoek (identificatie en individualisatie) en interpretatie. 3. De sporenanalyse. De sporen moeten op een wetenschappelijke wijze worden onderzocht: observatie, verzamelen van gegevens, bewerken van de gegevens, interpretatie/hypothese, toetsing van de resultaten en beantwoorden van de vraag. De analyse heeft als einddoel de identificatie en individualisatie van het spoor. Daartoe worden allerhande wetenschappelijke en technische methoden aangewend voor het onderzoeken en bepalen van klasse- en accidentele eigenschappen. Principieel gaat het om vergelijkend onderzoek: de karakteristieken van het spoor (klasse-eigenschappen: identificatie) worden vergeleken met deze van referentiemateriaal/referentiegegevens (accidentele eigenschappen: individualisatie). De grootste bewijskracht kan worden bekomen wanneer men erin slaagt een spoor toe te schrijven aan één welbepaald object of persoon. 4. De interpretatie. Van de expert wordt verwacht dat hij/zij de onderzoeksresultaten interpreteert. De deskundige dient volstrekt neutraal te zijn, alle mogelijkheden te onderzoeken en geen enkele mogelijkheid uit te sluiten als dit op grond van de resultaten niet kan. Bij de interpretatie moet rekening worden gehouden met de volgende twee principes: (1) bij vergelijkend onderzoek zijn twee objecten ononderscheidbaar (matching) wanneer er geen onverklaarbare, forensisch significante verschillen kunnen worden gevonden en (2) twee objecten kunnen ononderscheidbaar zijn, maar geen twee objecten zijn identiek. Er kan nooit absolute zekerheid worden verschaft. De resultaten en hun interpretatie kunnen, naargelang het type onderzoek, zowel kwalitatief ( aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) als kwantitatief (99,73% is quasi-zekerheid) worden uitgedrukt. 5. De presentatie van de onderzoeksresultaten. In ons juridisch stelsel worden de resultaten voor de rechter gebracht in de vorm van een schriftelijk verslag. Het verslag vermeldt nauwgezet de objectieve vaststellingen en de methoden waarmee de resultaten werden bekomen. Bij de interpretatie worden de gegevens aangehaald waarop de deskundige zich baseert om tot welbepaalde conclusies te komen. Indien meerdere interpretaties mogelijk zijn, moeten deze worden beschreven. Stap 1 en 2 vinden plaats bij het plaats delict, stap 3 en 4 in het lab en stap 5 in de rechtbank. Volgens het Wetboek van Strafvordering kan iedere persoon met de nodige kennis en kunde worden aangesteld als deskundige. Tot op heden bestaan er geen bij wet vastgestelde kwaliteitscriteria waaraan iemand moet voldoen om als expert te kunnen optreden. Vandaar dat hiernavolgend de algemene principes inzake kwaliteit van het forensisch onderzoek en de juridische gevolgen naar voren worden gebracht, die zowel voor de private deskundigen als politionele onderzoekers gelden. 20

21 Vooraleer een bepaald gegeven als bewijs kan worden opgenomen, moeten de methoden waarmee de sporen werden onderzocht voldoen aan de kwaliteitsvereisten van het wetenschappelijk onderzoek. De Daubert-criteria worden toegepast: (1) de methode en de daarmee bekomen resultaten moeten reproduceerbaar zijn, (2) de methode en/of toegepaste kennis moet onderworpen geweest zijn aan peer review, (3) de foutenmarge van de methode moet gekend zijn en (4) de methode/kennis moet gebaseerd zijn op een algemeen aanvaarde wetenschappelijke theorie of bestaande algemeen aanvaarde methoden. Een spoor kan slechts als bewijs voor de rechter worden gebracht als de bewijsketen chain of custody niet werd doorbroken. Een spoor volgt immers een lange weg van ontdekking en documentatie, over opname en analyse, tot interpretatie. Er mag in de afgelegde weg (van plaats delict naar lab naar rechtbank) geen enkel hiaat ontstaan zodat deze van stap tot stap kan worden gereconstrueerd. Elk hiaat kan aanleiding zijn om te twijfelen aan de authenticiteit van het bewijs, bv. door sporenverwisseling of als gevolg van onderzoek van een foutief spoor. Ten slotte zal de deskundige voor ogen houden dat ongeacht de bewijskracht de rechter naar zijn innerlijke overtuiging autonoom oordeelt over de schuldvraag. De rechter kan beslissen om een bepaald bewijs ongeldig te verklaren, bv. omwille van een procedurefout of naast zich neer te leggen omdat bv. hij/zij dit als irrelevant beschouwt in het geheel van de gegevens. Het is de rechter die de bewijswaarde beoordeelt. Een gedegen kennis van alle mogelijke types van sporen, hun mogelijkheden en correcte opname-/bewaringstechnieken is noodzakelijk. Men vindt maar wat men weet te kunnen vinden. Sporen kunnen worden ingedeeld: - volgens ontstaanswijze o afdruk- en indruksporen (vingersporen (dactyloscopie), oorsporen, voetsporen, schoeiselsporen, bandensporen, beetsporen, werktuigsporen en ballistische sporen) o overdrachtsporen: vezels (katoen, wol, polyester, acryl en polypropyleen) afhankelijk van type vezel, type contact, intensiteit contact, type ondergrond, kleding boven contactlocatie, beweging/dragen, vezellengte, etc. lak- en verfschilfers, glas(schilfers), afgebroken voorwerpen en de biologische sporen (menselijk en dierlijk) en microsporen) - volgens hun aard o fysieke sporen (materialen) o chemische sporen (drugs, brandversnellers, kruitsporen) o biologische sporen menselijk en dierlijk (bloed, sperma, haren) botanisch (plantenzaden, bladeren, stuifmeel) - volgens hun toepassingsgebied (fenomeen, feit) o microsporen: celmateriaal met DNA, zoals speeksel, zweet, etc.) o ballistische sporen afdruksporen: op huls en projectielen) overdrachtsporen: sporen op wapens, bv. vingerafdrukken, bloed, DNA chemische sporen: schotresidu s o documentanalyse, spraakanalyse, beeldanalyse o digitale sporen (digitale dragers, credit cards, toegangspassen, gsm-verkeer) 21

22 Het vergelijkend onderzoek binnen de dactyloscopie is gebaseerd op basispatronen waarmee ze kunnen worden geklasseerd (identificatie) en typica voor individualisatie. Basispatronen zijn (combinaties) van lus, boog en wervel. Typica zijn de lijn, de bifurcatie (splitsende lijnen) en het punt. De vergelijking van aangetroffen vingerafdrukken met de vingerafdrukken in de databank gebeurt nu digitaal met behulp van het AFIS (automated fingerprint identification system). Vingerafdrukken zijn uniek. Er bestaat discussie hoeveel punten van overeenkomst er moeten zijn vooraleer men kan besluiten tot een positieve identificatie (bv. voor België 12). Eventueel achtergebleven (onzichtbare) vezels en haren van de dader worden op het lichaam of de kleding van het slachtoffer eerst bemonsterd door middel van de tapeliftingmethode (1:1 taping): zelfklevende stroken worden over het gehele lichaam gekleefd en nadien verzameld waarbij losse vezels en haren op de kleefstrook zijn opgenomen. Vijanden van de originele sporen zijn de tijd, de omgeving (temperatuur, vocht, licht, natuurelementen: wind/regen/zon), de mens (andere prioriteiten (bv. hulpverlening of het verzekeren van de veiligheid) en het gebrek aan professionalisme (bv. onwetendheid en onvoorzichtigheid) en de techniek. Biologische sporen van menselijke oorsprong nemen in het forensisch sporenonderzoek een belangrijke plaats in, niet in het minst omwille van de grote kans op het verkrijgen van een DNA-profiel van de sporenbron of sporendrager. Het belang wordt duidelijk als men kennis neemt van de bijzonder grote bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek. Met sporen van biologische oorsprong worden die sporen bedoeld die afkomstig zijn van mensen, dieren en planten. Terwijl dierlijke sporen (bv. bloed of haren) bijkomende inlichtingen kunnen leveren, zijn het uiteraard de sporen van menselijke oorsprong die de grootste aandacht verdienen. De meest voor de hand liggende sporen zijn bloed (vlekken, spatten, afdrukken, ), sperma en uitgerukte (met wortel) of uitgevallen (zonder wortel) haren. Daarnaast hebben reeds vaak onzichtbare micro- of contactsporen tot de ontknoping geleid zoals (onzichtbaar) zweet en huidcellen achtergelaten op vingerafdrukken of onder de nagelranden, en speeksel op sigaretten, brieven, etc. Bij het plaatsonderzoek moet men in de eerste plaats de biologische sporen detecteren, wat niet altijd simpel is. Uv-licht kan aspecifiek helpen: het kan allerhande soorten vlekken oplichten. Vervolgens moeten het uitzicht (vorm, grootte ) en de lokalisatie van deze sporen op de plaats delict nauwkeurig worden beschreven en gedocumenteerd. Ten slotte moeten de voorwerpen waarop de sporen voorkomen in beslag worden genomen of stalen ervan genomen voor verdere analyse. De in bewaring genomen sporen worden verder in het lab onderzocht: onderzoek overtuigingsstukken. Vervolgens dienen de sporen correct te worden geïdentificeerd bv. als menselijk bloed of als sperma. Ook in het lab moeten alle maatregelen worden genomen om sporencontaminatie te vermijden. Het ultieme doel is de individualisatie van het biologisch spoor: het toeschrijven aan één welbepaalde persoon. Eenmaal uitgemaakt dat het om menselijk bloed of haren of sperma gaat, kan worden overgegaan tot het DNA-onderzoek. Het bekomen DNA-profiel moet kunnen worden vergeleken met het DNA-profiel van het slachtoffer en de verdachte(n), zogenaamde referentiestalen. Bij de detectie van biologische sporen kunnen oriëntatietesten (snelle, goedkope testen met weinig vals negatieve en veel vals positieve resultaten) en bevestigingstesten (trage, dure testen met weinig vals negatieve en weinig vals positieve testen) gebruikt worden. 22

23 Bij het onderzoek aan het lichaam let men onder andere op spermasporen. Deze zoekt men vaginaal, anaal, oraal en op de huid. Spermavlekken kunnen ook op kleding (bv. slip), bedlinnen en voorwerpen zitten. Het opsporen van sperma kan met een oriëntatietest makkelijk worden gedaan, maar geeft betrouwbaardere resultaten bij bevestigingstesten waar een microscoop aan te pas komt. Het opsporen van speekselsporen gebeurt door een α-amylasetest: amylase degradeert micromoleculen met een blauwe kleurstof. Meer speeksel geeft een blauwere oplossing. Met harensporen kan men een morfologische vergelijking maken tussen menselijk en dierlijk. De vergelijking met lichaamsregio, etniciteit en met referentiestalen wordt door professor Van de Voorde gedisliked. Het nucleair DNA (uitgetrokken haren met wortel) en mitochondriaal DNA (uitgevallen haren zonder wortel) kan ook uit haren worden gehaald. Bloedsporen zijn aftekeningen van bloed op een oppervlak en kunnen voorkomen onder de vorm van passieve sporen, spatten en gewijzigde sporen. Een bloedsporenpatroon is een groep van bloedsporen of een verdeling van bloedsporen waaruit het ontstaansmechanisme kan verklaard worden door de regelmatige of repeterende vorm, de volgorde van de sporen of de verspreiding ervan. Bloedsporen patroon analyse (BPA) is bijgevolg de analyse van de grootte, de vorm, de locatie en de verdeling van bloedsporen met het oog op het bepalen van de fysische gebeurtenissen die ze veroorzaakt hebben. De (donker)rode kleur kan met verloop van tijd en afhankelijk van de bewaar- en omgevingsomstandigheden veranderen naar bruin of groen (door ontbinding). Een aantal oriënterende testen laten toe snel de sporen die in aanmerking komen voor bloed te identificeren. Deze testen zijn gebaseerd op de peroxidase-activiteit van hemoglobine in de rode bloedcellen die bepaalde chemische stoffen van kleur doen veranderen. Een positieve kleurreactie wijst dan op de (mogelijke) aanwezigheid van bloed. Er zal wel een bevestigende test moeten worden uitgevoerd die tevens de menselijke oorsprong bewijst; deze is gebaseerd op het aantonen van de aanwezigheid van menselijke hemoglobine. Naast de grote kans op identificatie van de sporendrager levert het bloedsporenpatroon op een plaats delict heel wat informatie over (het verloop van) de feiten: lezen van de plaats delict. Een bloedspat ontstaat wanneer een bloedbron onderworpen wordt aan een externe kracht. Conventioneel werden bloedspatten ingedeelde in drie categorieën, waarbij de interpretatie louter gebaseerd is op het feit dat een grotere uitwendig uitgeoefende kracht resulteert in kleinere spatten. De grootte van de spatten is bijgevolg omgekeerd evenredig aan de uitgeoefende kracht op de bloedbron. Op basis hiervan worden spatten geclassificeerd als low (> 3 mm: bv. (af)druppen), medium (1 3 mm: bv. stomp of scherp trauma) of high velocity (< 1 mm: bv. schottrauma). De grootte, het aantal en de verdeling van de bloedspatten hangt echter niet enkel af van de uitgeoefende kracht bij het impact, maar ook de hoeveelheid bloed die onderworpen wordt aan de impact, de vorm en textuur van de bloedbron, de vorm en textuur van het gebruikte daadwapen en de vorm en textuur van het oppervlak waarop de spat invalt spelen een rol bij het finale uitzicht van bloedspatten. Bijgevolg worden bloedsporen geclassificeerd volgens een holistische benadering, waarbij ze op basis van hun grootte, vorm, locatie, concentratie en distributie worden ingedeeld als: - Bloedsporen o Passief Afdrukpatroon, druppel(s), stoompatroon en groot volume o Spatten Impact, secundair en projectie o Gewijzigde bloedsporen Gestold, gedroogd, verdund, leemte, opeenvolgend en insecten 23

24 Passieve bloedsporen zijn bloedsporen waarbij in principe enkel de zwaartekracht en luchtweerstand als uitwendig uitgeoefende kracht gelden. Afdrukpatronen worden gecreëerd door het contact van bebloed oppervlak met een niet-bebloed oppervlak zoals bijvoorbeeld een bebloede handpalm op een deurkozijn. Wanneer er bij een afdrukpatroon een beweging heeft plaatsgevonden tussen de beide oppervlakken, spreekt men van een swipe, een veegpatroon met bloed, waarvan een sleepspoor een voorbeeld is. In de categorie van bloeddruppels komen de passieve bloedspatten veelvuldig voor. Ze zijn ontstaan door een onder invloed van de zwaartekracht gevormde vallende bloeddruppel, bv. vanaf een met bloed bevuild daadwapen of uit een bloedende wonde. Een bloedstoompatroon ontstaat door het verplaatsen van een hoeveelheid vloeibaar bloed op een oppervlak onder invloed van de zwaartekracht of door beweging van het oppervlak. Het bloed dat uit een wonde afloopt, zal volgens de zwaartekracht verlopen en het opmerken van verschillende aflooprichtingen kan bijgevolg indicatief zijn voor het verplaatsen of draaien van een object of lichaam. Wanneer een groot volume bloed gelijktijdig invalt op een oppervlak, zoals bij het uitspuwen van bloed, wordt een bloedgolfpatroon (splash) gezien. Er kunnen ook actieve bloedspatten gevormd worden, waarbij er externe krachtinwerking wordt uitgeoefend op de bloedbron en deze spatten dus actief wegvliegen. Deze spatten ontstaan door een impactmechanisme (het (uitwaaierend) bloedsporenpatroon is het resultaat van een directe krachtinwerking van een object op bloed, wat zowel bij stompe en scherpe geweldpleging, als ook bij hoogenergetische werktuigen (bv. cirkelzaag) en schottrauma (denk aan backspatter op het wapen) gezien kan worden), een projectiemechanisme (het bloedsporenpatroon is het resultaat van het onder druk vrijkomen van een hoeveelheid bloed wanneer bloed wordt afgeworpen van een bewegend met bloed besmeurd voorwerp of een bewegende bloedbron in een lineair of parabolisch patroon: cast-off, maar men kent ook de arteriële spurt: wanneer een slagader geraakt wordt, en dit een zeer kenmerkend bloedsporenpatroon geeft), of als secundaire mechanisme (wanneer bloed in bloed valt en er ontstaan kleine satellietspatten rond de primaire bloedspat en op omliggende objecten). Als laatste hoofdcategorie komen de gewijzigde bloedsporen voor. Onder deze categorie vallen bijvoorbeeld de sporen die worden uitgeveegd wanneer ze nog niet volledig opgedroogd zijn. Ook kan bloed verdund voorkomen, door opmenging met andere lichaamsvloeistoffen of door het (pogen tot) wegwassen van het bloed. Wanneer er bijvoorbeeld enige tijd verloopt tussen verschillende gebeurtenissen die bloedsporen hebben gevormd, kan er soms een sequentie bepaald worden in de sporen. In bepaalde mate zal de diameter van een bloedspat dus iets zeggen over de uitgeoefende kracht op de bloedbron en de hoogte waarvan de bloeddruppel is gevallen. Wanneer een zelfde bloeddruppel (zelfde volume) valt, zal zijn diameter toenemen met toenemende hoogte, totdat zijn maximale valversnelling bereikt wordt. Ook wanneer de kracht op de bloedbron toeneemt, zullen de bloedspatten kleiner worden. Er worden echter beter geen grote uitspraken gedaan louter op basis van de grootte van de spatten, zonder wetenschappelijke verificatie in exact dezelfde omstandigheden. De vorm van een bloedspat is afhankelijk van het afgelegde vluchtpas. Sporen die loodrecht invallen op een oppervlak zullen eerder circulair van vorm zijn, sporen die onder een schuine hoek zijn ingevallen op het oppervlak zijn ovaalvormig, tot uitroeptekenvormig bij kleine invalshoeken. De punt van het uitroepteken wijst steeds in de vliegrichting van de spat. 24

25 Op basis van de vorm en het spreidingspatroon van bloedspatten kan in bepaalde gevallen de oorsprongsplaats (plaats van impact) in de drie dimensies worden bepaald. Hierbij kan onder meer uit een impactpatroon worden afgeleid hoeveel impacten er minimaal hebben plaatsgevonden in dat bepaalde gebied. Het bepalen van de oorsprong van bloedspatten bij een impact kan bv. door touwtjes te spannen (stringing) vanaf representatieve bloedspatten, maar meestal wordt een wiskundige berekening gebruikt op basis van driehoeksmeting om de oorsprong te bepalen. Eerst zal er een tweedimensionele convergentieplaats bepaald worden. Hiertoe trekt men bijvoorbeeld vanuit de lengteas van verschillende spatten in het patroon op een muur. Deze lijnen komen samen in de convergentiezone. Nu is er op de muur een zone bepaald die de hoogte aangeeft van waaruit de bloedspatten ontstaan zijn. Om de oorsprongsplaats van de impact te betalen, moet ook de afstand van de muur weg bepaald worden. Hierbij maakt men gebruik van goniometrie om de impacthoeken van de verschillende spatten en de afstanden uit het vlak te berekenen. Er zijn ook computerprogramma s beschikbaar voor het bepalen van de oorsprongsplaats. In de cellen van ons lichaam zit de erfelijke informatie ingesloten in het DNA. Men kent DNA uit de kern (nucleair) of DNA uit de mitochondriën (mitochondriaal). In een geslachtscel (eicel of zaadcel) zitten 23 chromosomen. Na de bevruchting bevat de bevruchte eicel 46 chromosomen: de helft van het nucleair DNA van de vader en de andere helft van de moeder. Afhankelijk van welke zaadcel met de eicel samensmelt, zal het geslacht van het embryo bepaald worden door de aanwezigheid van een X- of een Y-chromosoom in de zaadcel (vrouwen hebben twee X-chromosomen, mannen en X- en een Y-chromosoom). Het DNA verdubbeld verscheidene keren. Dit proces verloopt niet altijd foutloos zodat de kopieën op een aantal plaatsen in het DNA muteren. Wanneer deze mutaties worden doorgegeven aan de volgende generaties, spreekt men van een polymorfisme vanaf het moment dat bij 5% van de individuen in deze populatie de variant voorkomt. Men kan polymorfismen indelen in twee categorieën: SNP s (lage mutatiesnelheid) en STR s (grote mutatiesnelheid). In 1985 werd ontdekt dat onder bepaalde omstandigheden een genetisch profiel (DNA-vingerafdruk of DNA-fingerprint) kon gegenereerd worden voor een individu. Op technisch vlak zijn we geëvolueerd naar de analyse van korte polymorfe STR s op geavanceerde automatische DNA-sequentie-apparatuur voor detectie van de verschillende allelen voor elke STR. Hierbij maakt men gebruik van DNA-amplificatie om een hele reeks van STR s in het geïsoleerde DNA van het biologisch spoor te analyseren. De bekomen DNA-vingerafdruk noemt men een DNA-profiel en is zo uniek dat de kans zeer klein is dat een ander individu dat niet biologisch verwant is, hetzelfde profiel zou hebben (behalve bij eeneiige tweelingen). Een genetisch profiel wordt normaal gesproken met nucleair DNA in alle levende cellen gecreëerd, maar kan ook met mitochondriaal DNA in dode cellen (haren zonder wortel, huidschilfers en oud materiaal) gecreëerd worden. Dit geeft wel minder zekerheid, maar net zoals voor het Y-chromosoom-profiel, bevat het mitochondriaal DNA-profiel voldoende genetische variatie om niet-verwante personen genetisch te onderscheiden van elkaar. DNA-onderzoek gebeurt volgens een chain of custody: (1) ontvangst en registratie overtuigingsstukken, (2) selectie van sporen, (3) DNA-isolatie en kwantificatie, (4) analyse van DNA voor verschillende DNA-merkers, (5) scheiding en identificatie van PCRfragmenten, (6) bepaling van DNA-profiel, (7) vergelijking van DNA-profielen, (8) berekening van voorkomen van het profiel in populatie en (9) rapportering van het resultaat. DNA-fingerprints worden gebruikt voor vergelijkend onderzoek, kunnen vast (bv. vlekken) of vloeibaar (diepgevroren) afgenomen en verzameld worden, maar men moet opletten voor contaminatie en de bewaring (warmte, vocht en licht vermijden). 25

26 Bloed, sperma, speeksel, urine, huidcellen, haren, tanden, beenderen en weefsel (bv. spier) zijn allemaal bronnen van celmateriaal. We onderscheiden macrosporen (zichtbare biologische sporen), bijvoorbeeld sigaretten met speeksel, vlekken (bloed, speeksel, sperma, ), vlekken met geur (urine) en haren, en daarnaast microsporen (vermoeden van aanwezigheid van biologisch materiaal, niet op het eerste ook zichtbaar), bijvoorbeeld speeksel en huid- vingersporen. Meer dan de helft van de onderzochte biologische sporen zijn microsporen. Forensisch sporenonderzoek gebeurt pluridisciplinair. Bij onderzoek naar bijvoorbeeld documenten wordt er gekeken naar het type papier, de vingerafdrukken, het DNA, de papiersnipper, het type inkt, het type printer/schrijfmachine en de schriftanalyse. Deze taken worden niet door één persoon of één team uitgevoerd. Er wordt aan crime management gedaan: datagaring (criminalistiek), data-analyse, databeheer (databanken voor vingerafdrukken, DNA, ballistische sporen, lak- en verfsporen, textielvezels, schoeiselsporen, werktuigsporen, etc.) en data-linking. 26

27 6. Asfyxie De verstikkingsdood of dood door asfyxie is het overlijden ten gevolge van een veralgemeend zuurstoftekort van het organisme door een gebrekkige zuurstofvoorziening. Voor een beter begrip is het nuttig na te gaan op welke wijze het menselijk organisme zich voorziet van zuurstof: de respiratie. De ademhalingsbeweging is het ritmisch in- en uitzetten van de luchtledige borstkas door samentrekken en ontspannen van de ademhalingsspieren. Hierdoor zullen de longen uiteenzetten met aanzuigen van lucht en vervolgens terug worden leeggeduwd. De ademhalingsbewegingen veroorzaken dus een luchtbeweging doorheen de luchtwegen tot in de longen; in de longen wordt uit de ingeademde lucht, die voor zowat 21% bestaat uit zuurstof (O2), vanuit de longblaasjes zuurstof opgenomen in de bloedbaan en uitgewisseld met koolstofdioxide (CO2). Eenmaal de zuurstof in de bloedbaan opgenomen, wordt deze voor een groot deel gebonden aan hemoglobine in de rode bloedcellen. Deze wordt via de bloedstroom in de slagaders doorheen het hele organisme gevoerd. In de organen en weefsels grijpt de omgekeerde uitwisseling plaats, met name geeft het hemoglobine zijn zuurstof af en wordt elke cel bevoorraad. Het donkere zuurstofarme bloed wordt dan in de aders terug naar de longen gebracht. Een stoornis in één van de schakels van dit proces kan bijgevolg tot zuurstoftekort leiden. Het mechanisme van overlijden wordt uiteindelijk bepaald door het aanhoudend zuurstoftekort van de hersenen, het meest zuurstofgevoelige orgaan. De hersenen zonder zuurstof raken bewusteloos na 6-10 seconden. In het verstikkingsproces heeft men 60 tot 80 seconden ademnood, 2 minuten spiertrekkingen, 1 minuut adempauze, 1 tot 4 minuten agonale ademhaling en tot 20 minuten terminale adempauze. Bij verstikkingsdood worden zogenaamde (klassieke) asfyxietekens beschreven. De combinatie van deze verstikkingstekens kan als vrij typisch maar niet als specifiek voor een verstikkingsdood worden beschouwd. Men kent zes asfyxietekens: - petechiën of puntbloedinkjes zijn puntvormige tot 1 mm kleine bloedinkjes die vooral worden aangetroffen op het oogbindvlies aan de binnenzijde van de oogleden, op de gelaatszones met een dunne huid, op de slijmvliezen van de mond, op de sereuze vliezen in de borstholte en in het scalpvlies. Bloedstuwing in de kleine bloedvaten van hoofd en hals zouden aan de basis liggen van deze puntbloedinkjes. Ze komen dan ook vooral voor bij toesnoering van de hals, versmachting en posturale asfyxie - zwelling en cyanose van het aangezicht: door stuwing en vochtopstapeling (oedeem) als gevolg van verminderde veneuze retour kan het gelaat er donker gezwollen uitzien, vooral bij langdurige samendrukking van de hals of de borstkas. De blauwe verkleuring wordt veroorzaakt door zuurstofarm bloed (cyanose) en is een typisch teken van asfyxie. Ook de lijkvlekken kunnen eenzelfde cyanotische kleur aannemen - hypoxische effecten: niet zelden treedt stoelgang- en urineverlies op bij verstikkingsdood. Ook wordt bij mannen uittreden van zaadvocht opgemerkt. Bij een lijkschouwing kan het onderscheid niet worden gemaakt tussen uitscheiding van urine, stoelgang en zaadvocht tijdens het leven of als post mortem fenomeen door spierverslapping met ontspanning van de sluitspieren van blaas en anus of het optreden van lijkstijfheid met samentrekking van de zaadblaasjes - longoedeem en acuut emfyseem: kan samen met heftige ademhalingspogingen aanleiding geven tot witte tot rozige schuimzwam - biochemische veranderingen: door verhoogd adrenalinespiegel, hyperglykemie - histologische veranderingen: microscopisch zichtbare bloedinkjes op organen 27

28 Naargelang de wijze waarop het zuurstoftekort wordt bewerkstelligd kan men de oorzaken van verstikking indelen in twee grote groepen: mechanische en inwendige verstikking. Een aparte categorie betreft verstikking als gevolg van verblijf in een zuurstofarm milieu. Onder mechanische verstikking verstaat men een gebrekkige zuurstofopname als gevolg van een belemmerd ademhalingsproces: - atmosferische verstikking: verschillende situaties kunnen zich voordoen, onder andere: (1) het zich begeven of bevinden op een te grote hoogte (> 5000 m), (2) het betreden van ruimten (meestal betreft het hier arbeidsongevallen) gevuld met zuurstofarme en soms toxische lucht, (3) het opgesloten raken in een te enge, luchtdichte ruimte met na verloop van tijd volledig zuurstofgebruik en (4) fouten/vergissingen bij (inhalatie-)anesthesie (bv. foutief samengesteld gasmengsel) - afsluiting (obstructie) van de luchtwegen: o afsluiten van mond- en neusopening of keelholte smoring: het (uitwendige) afsluiten van neus en mond waardoor geen lucht meer kan worden ingeademd: klassieke verstikkingstekens ontbreken en er worden nauwelijks sporen achtergelaten plastic bag suffocation: het plastic wordt tegen de mond en neus aangezogen met een mechanische obstructie tot gevolg. Bijkomend kan een verlaagd zuurstofgehalte in de plastic zak (bv. door ademhaling) leiden tot verstikking. Ten slotte kan fixatie van de plastic zak middels een ligatuur rond de hals leiden tot (een element van) strangulatie kneveling (prop in de mond): de ademhaling wordt dermate belemmerd, mede doordat de prop zwelt door de ophoping van speeksel als gevolg van het stresseffect, dat men stikt o afsluiten van inwendige luchtwegen voedsel- of braakselaspiratie: in een toestand van sterke bewustzijnsvermindering kan maaginhoud in de luchtwegen terechtkomen; immers, bij terugvloeien van maaginhoud of braken zal door de verlamming van de slikreflex als gevolg van het sterk verminderd bewustzijn deze maaginhoud worden ingeademd verslikken: wanneer voedsel verkeerdelijk terechtkomt in de luchtweg (door foutief slikken), kan dit leiden tot verstikkingsverschijnselen met stevig hoesten, ademnood en blauwe verkleuring. Slechts zelden zal dit onmiddellijk aanleiding geven tot overlijden tenzij groot voedsel niet meer kunnen worden opgehoest en de luchtpijp obstrueren. Dit laatste wordt dan vooral gezien bij kinderen en personen met slikstoornissen. Hetzelfde kan uiteraard ook voordoen met vreemde voorwerpen bolusdood: een vorm van reflexdood bij het zich verslikken, meestal onder invloed van alcohol, in een grote stevige voedselbrok die blijft vastzitten in de achterste keelholte aan de ingang van het strottenhoofd. Dit leidt tot een plotse dood door zogenaamde reflectorische hartstilstand. Een onmiddellijke reactie van de omstaanders met toepassen van het Heimlich-manoeuvre kan levensreddend zijn - verhindering van de ademhalingsbewegingen: o versmachting of dooddrukking (traumatische asfyxie) door inklemming van de borstkas: de terugvloei van bloed uit het hoofd naar het hart wordt verhinderd. De klassieke verstikkingstekens zijn meestal zeer uitgesproken met donkerblauwe tot zwarte zwelling van het gelaat en zeer talrijke puntbloedinkjes. Dergelijke beklemming van de borstkas kan in verscheidene omstandigheden voorkomen zoals: ongevallen en doding 28

29 o (traumatische) (spannings)pneumothorax (klaplong) o overlaying: kleine kinderen die in hetzelfde bed slapen komen accidenteel onder het lichaam van (één van) de ouders terecht o posturale of positionele asfyxie: dood door een ademhalingscompromitterende lichaamshouding. Verstikking door een lagere positie van het bovenlichaam ten opzichte van het onderlichaam is mogelijk doordat onder meer inwendige buikorganen drukken op het middenrif (de belangrijkste ademhalingsspier) en daardoor de ademhaling belemmeren. Bij het forensisch onderzoek moet de vraag gesteld worden hoe iemand in dergelijke positie is terechtkomen en waarom hij/zij zichzelf daar niet heeft kunnen uit bevrijden o burking: een combinatie van versmachting door het plaatsen van een zwaar gewicht op de borstkas en smoring door afsluiting van mond en neus. Deze methode veronderstelt uiteraard een belangrijk over(ge)-wicht van de dader op het slachtoffer o kneveling (restraint asphyxia): bepaalde vormen van kneveling en in bedwang houden (hog-tying (buikligging en handen en voeten strak achter de rug te binden) en hevig verzettende arrestaties) kunnen aanleiding geven tot verstikking en plotse hartdood (het overlijden is vermoedelijk te wijten aan een som: asfyxie + hyperactiviteit + excitatie (cocaïne geïnduceerd geëxciteerd delirium, extreme agressie met gewelddadig/bizar gedrag, lang volgehouden verzet met bovenmenselijke kracht en zonder pijngevoel, 90% man) + stress) - samendrukking of omknelling van de hals: hals is bijzonder kwetsbaar, het herbergt immers enkele levensbelangrijke structuren, met name de ademhalingswegen met het keelskelet (tongbeen, strottenhoofd, stemspleet en luchtpijp), de grote bloedvaten (grote halsader en grote halsslagader) en het carotislichaampje (aan de splitsing van de grote halsslagader in de inwendige en uitwendige halsslagadertak bevindt zich een klein lichaampje dat de bloeddruk in het bloedvat meet), en de wervelkolom met ruggenmerg (risico voor (volledige) verlamming (van ademhalingsspieren). o verhanging: een halsomstrengeling met een snoer waarbij de toesnoerende druk op de hals wordt geproduceerd door het volle of gedeeltelijke lichaamsgewicht Typische (wanneer de knoop van de lus zich achter de oren, bij voorkeur op de middenlijn, aan het achterhoofd bevindt) vs. atypische (wanneer het lusknooppunt zich voor de oren bevindt) verhanging Volledige (vrijhangen zonder steunen op een ondergrond) vs. onvolledige (lichaam steunt (ten dele) op de ondergrond) verhanging Pathologische kenmerken zijn: Snoerspoor (afdruk: profieltekening en breedte, opstijgend verloop, gedeeltelijke omstrengeling en postmortale uitdroging) Speekselspoor (vitaal teken: vaak aan de afhangende mondhoek of de onderlip en neerwaarts verlopend) Asfyxietekens (bij afklemming van halsaders: cyanose van het hoofd met een abrupte overgang aan het snoerspoor met aanwezigheid van petechiën, bij afklemming halsslagaders: nauwelijks of geen stuwingstekens, witte asfyxie) Afhangende lijkvlekken (bij volledige typische verhanging: onderzijde van de borsten, de onderarmen en handen, het onderlichaam en de benen) 29

30 Uitwendige verwondingen (peri- en postmortaal ten gevolge van spiertrekkingen, spontane val van het lichaam en bij de verlossing/berging van het lijk Inwendige letsels (zeldzaam) Het betreft meestal zelfdoding, soms gaat het om een ongeval, zelden om een doding. Bij elke verhanging zal een grondig politioneel en medicolegaal onderzoek zijn. Er zal sprake zijn van bijzondere aandacht indien vitale tekens (zoals het speekselspoor en bloedingen bijvoorbeeld in de weke weefsels/spieren van de hals) afwezig zijn, als het snoerteken afwijkend is, etc. o strangulatie: halsomstrengeling waarbij de kracht op het snoer wordt uitgeoefend door een uitwendige kracht. De verstikkingsfase zal over het algemeen langer duren vanwege de weerstand geboden door het slachtoffer en de ongelijkmatig aangehouden kracht uitgeoefend door de dader Pathologische kenmerken zijn: Snoerteken: kan zich van een snoerspoor onderscheiden door o lokalisatie: bij verhanging hoog in de hals, bij strangulatie op eender welke hoogte van de hals o horizontaal verloop: horizontaal i.p.v. opstijgend o volledige omstrengeling: snoerteken zal circulair omheen de hals verlopen o aanwezigheid van afweerletsels: krabletsels o afwezigheid: kan weinig of niet zichtbaar zijn Asfyxietekens: meeste gevallen petechiën Inwendige letsels: bloedingen in de halsspieren en letsels aan het keelskelet zijn in variabele mate aanwezig; ze komen frequenter voor dan bij verhanging maar minder frequent en minder uitgesproken dan bij wurging o wurging: de hals wordt met één of beide handen krachtig samengedrukt Pathologische kenmerken zijn: Asfyxietekens: duidelijk aanwezig, in het bijzonder petechiën Wurgsporen: vlekkerige rode tot blauwe huidverkleuringen die soms min of meer afgerond zijn overeenkomstig de druk uitgeoefend door de vingertoppen; daarnaast vindt men vaak verspreid over de halsstreek krab- en schaafletsels, zowel afkomstig tijdens het verweer. Ze kunnen volkomen ontbreken bij een weerloos slachtoffer (met een eenmalige halsgreep zonder herpakken of verplaatsen van de wurggreep) Inwendige letsels: (1) verspreide bloeduitstortingen onderhuids, in de zachte weefsels en in de halsspieren, (2) één of meerdere breuken van het keelskelet en (3) bloedvatletsels zoals kleine wandscheurtjes en opstopping met bloedstolsels in de halsslagader(s) Het betreft altijd (poging tot) doding. Het is een trage methoden (vaak talrijke minuten nodig). 30

31 Ten slotte wordt nog even ingegaan op een bijzondere vorm van accidentele asfyxie, met name de auto-erotische asfyxie. Het wordt beschouwd als een afwijkende seksuele handeling waarbij solitaire seksuele activiteit wordt gecombineerd met één of andere methode van gedeeltelijke zelfverstikking tot aan de grens (met vermijden) van bewustzijnsverlies met de bedoeling de erotische gewaarwordingen te versterken. Gebruikte methoden zijn verhanging, zelfstrangulatie, maskers, plastic zakken, vacuümsystemen, en dergelijke meer. De gangbare forensische definitie van een auto-erotische dood betreft een accidenteel overlijden tijdens individuele (solitair) seksuele activiteit als gevolg van het gebruik van een instrument of mechanisme om de seksuele stimulatie te versterken. De term erotische asfyxie is van toepassing indien er sprake is van betrokkenheid van anderen (bv. partner). Onder inwendige verstikking verstaat men een gestoorde uitwisseling van zuurstof door: - ondoelmatig zuurstoftransport o koolstofmonoxidevergiftiging (CO-intoxicatie) CO is een kleurloos, reukloos en niet-irriterend en bij ongeveer 600 graden Celsius ontvlambaar gas dat iets lichter is dan lucht. Het gas ontstaat bij onvolledige verbranding van fossiele brandstoffen, wanneer deze brandstoffen door onvoldoende luchttoevoer onvoldoende geoxideerd worden tot CO in plaats van CO2. De belangrijkste hedendaagse bronnen van koolstofmonoxide zijn roken, ontploffingsmotoren en onvolledige verbrandingsprocessen (gasbranders, smeulend houtskool, brand, etc.). Het belangrijkste effect van koolstofmonoxide op het organisme is het verminderde zuurstoftransport: CO bindt 210 maal gemakkelijk met hemoglobine. Het uiteindelijke gevolg is dat naarmate meer en meer hemoglobine bezet raakt door koolmonoxide, er minder en minder zuurstof doorheen het lichaam wordt getransporteerd. De symptomen zijn afhankelijk van de omgezette carboxyhemoglobine (CO-Hb %). > 10% geeft malaise, > 30% verminderde handelingsbekwaamheid, > 40% bewustzijnsverlies en > 60% dood. Dit wordt bereikt na een vijftal uur in een omgeving waar de lucht 0,1 % CO bevat. Indien de ademhalingsactiviteit hoog is (door inspanning), kan het dodelijk gehalte reeds worden bereikt na 2 tot 3u. Het CO-Hb % wordt bepaald door (1) het CO-gehalte in de lucht, (2) de verblijfsduur in de besmette lucht en (3) de ademhalingsactiviteit. De uitwendige tekens zijn vooral kersrode lijkvlekken (vanaf 30% CO- Hb), in het bijzonder bij nagelbedden, soms blaren (vooral aan steunplaatsen als knieën). De inwendige tekens zijn vooral opvallend rood bloed (vanaf 30% CO-Hb), acute bloedstuwing en bloedinkjes in de hartspier en hersenen. Koolmonoxide veroorzaakt jaarlijks duizenden ongevallen, maar daarnaast wordt af en toe (zelf)doding gepleegd door middel van het inademen van auto-uitwasemingen. - ondoelmatige zuurstofafgifte aan weefsels o cyanidevergiftiging (CN-intoxicatie) Het eigenlijke gif is het gasvormige cyaanwaterstof (HCN) wat ingeademd moet worden via de longen. Vloeibaar wordt het blauwzuur genoemd, maar cyanide komt het meeste voor in de zoutvorm (cyaankali) wat ingeslikt moet worden via de maag. De bronnen daarvan zijn o.a. vruchtenpitten, scheikundige en verdelingsproducten. 31

32 Het cyanide in het bloed schakelt cytochroomoxidase uit wat bijgevolg betekent dat de celademhaling geblokkeerd wordt (geen zuurstofopname meer in de weefsels) en leidt tot inwendige verstikking. Een secundair gevolg is dat de zuurstof in de bloedbaan blijft en dat ook het aderlijke bloed zuurstofrijk blijft hetgeen verantwoordelijk is voor de baksteenrode kleur van bloed, bloedhoudende organen en lijkvlekken. De inademing van cyanidegas is meestal binnen enkele seconden dodelijk. Bij de orale inname zullen de symptomen iets later optreden, dat wil zeggen binnen 15 tot 20 minuten. Het symptomencomplex van een CN-intoxicatie bestaat uit een combinatie van: ademnood, maagdarmklachten en neurologische symptomen. De uitwendige tekens zijn vooral de geur van bittere amandelen en de baksteenrode kleur van de lijkvlekken. De inwendige tekens zijn vooral de baksteenrode kleur van bloed en organen, etsing van het maagslijmvlies en aspecifieke bevindingen (hersenoedeem, etc.) De meeste overlijdens zijn zelfdodingen, accidentele vergiftiging, maar doding is eerder uitzonderlijk. Waterstofcyanide werd wel op grote schaal gebruikt in de gaskamers van Duitse concentratiekampen gedurende de Tweede Wereldoorlog. 32

33 7. Waterlijk-verdrinking Een waterlijk is een lijk dat een tijd in het water heeft gelegen. Uiteraard is niet elk waterlijk verdronken. Verdrinking kent namelijk typische, niet-specifieke verdrinkingstekens die kunnen ontbreken, maar ook kunnen verdwijnen. Een diagnose stellen is dus niet makkelijk. Een waterlijk kent drie doodsoorzaken: eigenlijke verdrinking (dood door onderdompeling, Badetod (dood door andere oorzaak toevallig in water) en dood buiten water. Aan een waterlijk kun je kentekens van verblijf in water opmerken. Men kan huidveranderingen zien: maceratie (rimpeling, wasvrouwenhuid), loslating (handschoenteken, sokteken) en algengroei. Daarnaast kan postmortale mutilatie optreden (door bijvoorbeeld sleepletsels, diervraat of mechanisch geweld (pletten/scheepsschroeven)). Ook ziet men postmortale verschijnselen als lijkvlekken (soms vertraagd ontstaan), lijkafkoeling (sneller, meer nog in stromend tegenover stilstaand), ontbinding (vertraagd, versnelling eenmaal uit water) en adipocire. Eigenlijke verdrinking is het sterven als gevolg van onderdompeling in vloeistof. Mensen zijn er niet op gemaakt om zuurstof uit water te halen, dus stikken (asfyxie vindt plaats). Er treden ook bloedveranderingen op. We verdrinken omdat men allereerst niet kan zwemmen, daarnaast omdat uitputting plaatsvindt. Als men alcohol drinkt, dan stroomt het bloed in kleinere vaatjes, waardoor de grote bloedvaten in de spieren verzwakken, terwijl spieren juist veel bloed/zuurstof nodig hebben. Als men een zware maaltijd eet, gaat een deel van het bloed naar het maagdarmstelsel, en dus weer niet naar de spieren. Ten slotte verdrinken we omdat hypothermie/onderkoeling plaatsvindt: in water koelen we sneller af, water is namelijk een goede geleider van warmte. Spieren kan men niet meer gecoördineerd gebruiken. Maar let op voor schijndood: verdrinking en onderkoeling kan schijndood veroorzaken. Men vindt geen levenstekens meer, maar moet vooral letten op de aan/afwezigheid van de doodstekens. Het verdrinkingsproces kent vijf fasen: 1. Lucht happen: men probeert niet te verdrinken, is in paniek, etc. 2. Adem inhouden: men hoopt nog boven te komen (30 sec. tot 1,5 minuut) 3. Krampachtig ademen: men slikt en ademt water in: overigens geeft slijm in combinatie met lucht schuimzwammen (1 tot 1,5 minuut) 4. Asfyxie: men raakt bewusteloos, spiertrekkingen vinden plaats (circa 1,5 minuut) 5. Agonie: men zit in de preterminale adempauze (Schnappatmung kan nog optreden: mondbewegingen zoals een vis op het droge) (na circa 2, 3 minuten) De kans op succesvolle reanimatie is na fase vijf zeer klein, behalve als men in ijskoud water gelegen heeft. In fase vier is succesvolle reanimatie wel nog mogelijk. Door het heftig ademen vormt schuim zich (fase drie), wat in de luchtwegen terecht komt. De longen zetten zich maximaal uit. Vochtige longen zijn overigens niet meteen tekenen van verdrinking. Faalt het hart, dan kan een longoedeem optreden, vocht zit dan ook in de longen. Bij een zoet waterverdrinking treden er andere bloedveranderingen op dan bij zout water. Osmose vindt plaats: - bij zoet water: het vocht aan de ene kant (longblaasje), verplaatst zich door de wand naar de andere kant (in het bloed), omdat er een hogere concentratie stof aan de rechterkant is. Hypervolemie vindt plaats, het bloed bevat een groter volume en gaat het hart belasten. Hypotone volemie vindt ook plaats, het bloed verdunt. Rode bloedcellen gaan nu bloed opnemen (door osmose) en barsten. Kalium komt vrij en de kaliumconcentratie in het bloed gaat stijgen, wat toxisch voor het hart kan zijn. 33

34 - bij zout water: het vocht aan de ene kant (bloed), verplaatst zich door de wand naar de andere kant (longblaasje), wat resulteert in een longoedeem. Het bloed wordt ingedikt. Reanimatie is wel makkelijker dan bij een zoet waterverdrinking, omdat de verdrinking langer duurt bij zout water. Bij zoet waterverdrinking heeft men relatieve droge longen. Droge verdrinking komt overigens vaker voor dan men alvorens dacht. Contact met koud water kan bijvoorbeeld een plotse hartstilstand veroorzaken (hydrocutie), maar het kan ook een resultaat van een larynxspasme zijn: het strottenhoofd wordt dichtgesnoerd en daarmee de luchtweg. Men kent verschillende verdrinkingstekens, zowel uitwendig (schuimzwam, asfyxietekens) als inwendig (verdrinkingslongen (opgezet, met Paltaufse vlekken), water in maag (door bloedstuwing en een gecontraheerde milt) en hemolyse: bij zoet water gaat het minste wondje al bloeden: verhoogde bloedingsneiging). Bij forensisch onderzoek wordt eerst onderzocht hoe lang het waterlijk al in het water ligt en of er postmortem vs. premortem verwondingen zijn opgetreden. Het is ook belangrijk om te onderzoeken of de dood voor of door water is veroorzaakt. Men kijkt (bij een fris lijk, waar nog geen ontbinding heeft plaatsgevonden) naar de verdrinkingstekens (schuimzwam, verdrinkingslongen), doet een diatomeeëntest en doet een strontiumbepaling (strontium wordt bij zout water in het bloed opgenomen). Een diatomeeëntest is een test die onderzoekt of er kiezelalgen in het bloed zitten. Als men levend verdrinkt, dan worden kiezelalgen opgenomen in de longen (en dus in het bloed). Pompt het hart nog, dan komt het dus ook terecht in de organen. Men kan het beste onderzoeken of kiezelalgen in het lichaam zit, door het beenmerg te onderzoeken. Vind je kiezelalgen terug, dan is men verdronken in het water. De aard van overlijden bij verdrinking is vaak een ongeval. Het kan ook een zelfdoding zijn (vooral bij oudere vrouwen), door verzwaring, door zelfkneveling en door met een auto in het water te rijden. Soms kan het doding zijn (waar er overwicht van de dader is, bijvoorbeeld een kind verdrinken in bad). Een waterlijk vereist dus steeds forensisch onderzoek. Een waterlijk drijft of bevindt zich in het water overigens altijd met de kont naar boven. Zo niet, dan zijn er speciale omstandigheden (vastgebonden, gewicht aan voeten/hoofd/etc., etc.). Een oneigenlijke verdrinking (Badetod) kan ook plaatsvinden. Men verliest zijn bewustzijn in water en gaat dood. Oorzaken van dergelijke incidenten zijn: (1) ziekten (bv. epilepsie of hartziekte), (2) intoxicatie (bv. door alcohol, drugs, geneesmiddelen) en (3) trauma (bv. duikongeval). 34

35 8. Hitte-explosie-elektrocutie-koude 8a) Hitte brandlijk Het menselijk organisme houdt zijn centrale lichaamstemperatuur min of meer constant op 37,2 graden Celsius. Centra van thermoregulatie zijn gelegen in de hypothalamus en de hersenstam. Warmte wordt geproduceerd door de stofwisseling, beweging en bibberen. Warmteafgifte daarentegen is een eerder passief proces (60% straling, 22% door verdamping als zweten en ademen en 18% door geleiding) dat bepaald wordt door het temperatuurverschil met de omgeving Men spreekt van oververhitting als de lichaamstemperatuur hoger dan de 41 graden Celsius is. Dat kan gebeuren door een hitteslag (een levensbedreigende situatie, die optreedt wanneer men te lang in een warm milieu verblijft en het zweetproces belemmerd wordt, wat kan uitmonden in hersenoedemen, acute hartfalen en nierfalen. De centrale thermoregulatiecentra kunnen ontregeld geraken bij bepaalde hersenaandoeningen, bij hersentrauma, en door ongewenste nevenwerkingen van geneesmiddelen en drugs, met een dodelijke verhoging van de lichaamstemperatuur t/m de 42 graden Celsius tot gevolg, de zogenaamde maligne hyperthermie. De pathologie is te vergelijken met die van hitteslag. Men spreekt van verbranding als hitte een rechtstreekse inwerking heeft. Hittebronnen kunnen vuur (vlammen), droge warmte (hete lucht of hete voorwerpen) of vochtige warmte (hete vloeistof of stoom) zijn. De ernst van de verbranding kan men aan (in- en uitwendige) brandwonden zien. De verbrandingsgraad van de wonden wordt door de temperatuur en de contactduur bepaald. De uitgebreidheid (% verbande lichaamsoppervlakte), de leeftijd en de inwendige verbanding (luchtwegen en longen) spelen ook mee bij de ernst van brandwonden. De opperhuid wordt door een eerstegraadsverbranding beschadigd (tot 44 graden Celsius). De lederhuid door een tweedegraadsverbranding (tot 55 graden Celsius): blaarvorming vindt plaats. Het vetweefsel door een derdegraadsverbranding (tot 60 graden Celsius): herstel vindt niet meer plaats, kunsthuid moet worden gebruikt. Bij een vierdegraadsverbranding (tot 400 graden) vindt verkoling plaats. In de slides staat een overzichtelijke grafiek die de contactduur en de ernst van de brandwonden illustreert. Dat geldt ook voor de uitgebreidheid (regel van 9). Ook geldt dat voor de overleving in functie van de uitgebreidheid en de leeftijd. Verkoling is een typische eigenschap voor een klassiek brandlijk. Daarnaast neemt een brandlijk de typische boksershouding aan (komt door spieren). Het lijk kan enigszins kraken door de warmte: heat cracking vindt plaats. Zie het als een soort houtblok. Botten kunnen ook breken door de opwarming (onderscheiden van fracturen tijdens het leven), dat noemt men hittefracturen. Roetafzetting en krimping van het lijk kan overigens ook plaatsvinden, net als een brandhematoom (door de hitte zijn de afvoerkanalen van bloed in het hersenvlies postmortem gesprongen, waardoor een bloeding is ontstaan: daar, omdat er veel CO zit). Men moet goed opletten dat men hitte-schade niet met premortem schade verwisselt. Binnen een uur verkoolt een lichaam (op een temperatuur van graden Celsius). Allereerst verkolen de ledematen en neemt men de boksershouding aan. Daarna verkoolt het gelaat en vindt expositie van de armbeenderen plaats. Uiteindelijk worden grote delen van ledematen en de schedel opgebrand en worden de ingewanden ook aangetast. Als men tijdens de brand overlijdt, wordt het lijk een brandlijk genoemd. Overleeft men de brand, dan heeft men waarschijnlijk (ook inwendige) brandwonden, denk aan ademhalingsen stofwisselingsproblemen. Het is erg belangrijk om na te gaan of het lijk voor of door de 35

36 brand is gestorven. Men kan (door brand) doodgaan aan de rook (rookvergiftiging), bv bij verstikking door zuurstofgebrek of door koolstofmonoxide en eventueel cyanide of aan de rechtstreekse inwerking van de hitte (eventueel met hitte- of inhalatieshock, hitte-rigor of larynxspasme. Dood door brand kan door een ongeval, zelfdoding en doding (Brandmord). Dood voor de brand kan door doding (gedood waarna brandstichting: Mordbrand), natuurlijke dood (bv. hartinfarct of een hersenbloeding tijdens het roken), ongeval (bv. met een voertuig in brand) en zelfdoding. Verbranding is een chemisch proces dat zich afspeelt tussen de drie componenten van de zogenaamde branddriehoek: brandstof, zuurstof en hitte. Deze drie factoren moeten in evenwicht zijn. Het eigenlijke chemische proces kan vertaald worden als de omzetting van brandstof (waterstof en koolstof) en zuurstof in vuur, dat wil zeggen hitte (vlam = brandend gas) en rook (damp, roet). Een woningbrand kent een klassiek verloop. Bij het ontbranden van een voorwerp in een kamer zal de opgewarmde lucht zich stapelen onder en verspreiden over het plafond. Na een achttal minuten is de hele kamer opgewarmd tot graden Celsius en zal de rest van de inhoud in brand vliegen (flash over). Wanneer de zuurstof uitgeput raakt, zullen de vlammen doven en blijft de kamer ondergedompeld in hete rook. Als op het ogenblik van verse zuurstofaanvoer (bv. openen raam) er nog genoeg hitte en brandbaar materiaal is, zal de brand terug in alle hevigheid opflakkeren met een steekvlam (backdraft). Men kent verschillende brandoorzaken, hittebronnen (kookfornuis, gloeilamp, sigaret, voertuig), elektriciteit (elektrische apparaten, bv. tv) en ontbrandbare producten (bv. brandversnellers). Men kent ook verschillende aard van brand, natuurlijk, accidenteel en brandstichting. Voor brandstichting kent men verschillende motieven (bv. fraude, wraak, vandalisme, psychische stoornis). Bij branden met dodelijke slachtoffers is een grondig onderzoek aangewezen waarbij een nauwe samenwerking tussen branddeskundige, forensisch patholoog en gerechtelijk labo noodzakelijk is. Onderzoek van de brand wordt verricht (plaats delict) door plaatsschouwing waar men steeds op zoek gaat naar de brandhaard (de oorsprongsplaats van de brand) De primaire brandhaard is meestal de (laagstgelegen) plaats waar het langst en hevigst heeft gebrand, en kan herkend worden aan de hand van onder meer clean burning (plaats van de grootste hitte is niet met roet beslagen) en het V-patroon (met de brandhaard aan de punt van de V). Op deze plaats moet men op zoek gaan naar de brandoorzaak. Uit de vuur- of hitteschade van materialen kan ook de plaats van hoogste temperatuur worden afgeleid (bv. aan de hand van smelttemperaturen van metalen en kunststoffen en de grand van verkoling van hout. Verkoling kent een typisch ruitjespatroon. Onderzoek van het brandlijk gebeurt door een autopsie (aandacht aan identificatie, bepalen van eigenlijke doodsoorzaak, volledig onderzoek naar verwondingen en vitale tekens), door toxicologisch onderzoek en door onderzoek naar de aard van het overlijden (gestorven voor of door de brand?). Bij het onderzoek van een brandlijk kan men aan de hand van een aantal verschijnselen achterhalen of het slachtoffer in leven was op het ogenblik van de brand dan wel reeds overleden. Deze vitale tekens zijn: de aanwezigheid van roet tot diep in de luchtwegen en eventueel in slokdarm en/of maag, een verhoogd CO-hemoglobinegehalte in het bloed (meer dan 15%), een verhoogd cyanidegehalte in het bloed, verbranding van de luchtwegen en kraaienpootjes (de van roet uitgespaarde fijne witte huidgroefjes aan de buitenhoeken van beide ogen). 36

37 8b) Explosie Een ontploffing of explosie kan vergeleken worden met een brand maar dan met vrijzetting van gecomprimeerd gas onder zeer hoge druk waarbij potentiële (chemische of mechanische) energie wordt omgezet in (een grote hoeveelheid) kinetische energie. Bij een explosie ontstaat een schok met een plotse positieve drukverhoging gedurende een vijftal milliseconden gevolgd door een onderdruk gedurende een dertigtal milliseconden die zich als een schokgolf (blast wave) rondomrond het schokpunt (epicentrum van explosie) verspreidt en de nabije slachtoffers opslorpt. De schokgolf wordt onmiddellijk gevolgd door een hete luchtstroom (blast wind); bij een explosie komt grote uitstralende hitte (tot 3000 graden Celsius) vrij (flash). De plotse drukopbouw blaast fragmenten (missiles) zoals onderdelen van de bom (bv. bij een spijkerbom) en voorwerpen en personen in de onmiddellijke omgeving weg; de aan hoge snelheid versnelde, rondvliegende fragmenten gedragen zich als ballistische projectielen. Slachtoffers kunnen bij een explosie (1) primaire schokverwondingen door de schokgolf (blast injury), (2) secundaire projectielverwondingen door rondvliegende projectielen (missile injury), tertiair stomp trauma door het aanbotsen tegen obstakels, (4) thermisch trauma en (5) quaternair trauma door instorting (met bedelving, trauma door vallende voorwerpen, plettrauma en/of versmachting) en door secundaire brand oplopen. Bij hoge klasse ontploffingen (energiegolf met een snelheid van tot m/s) staat het schoktrauma op de voorgrond, bij lage klasse (onder de m/s, bv. ontploffingen bij terreurdaden door zogenaamde zelfmoordterroristen) de projectielletsels. Personen op de plaats van een hoge klasse explosie kunnen uit elkaar spatten (volledige disruptie) waarbij lichaamsdelen en fragmenten kunnen worden verspreid in een gebied met een straal tot 200 m: destructief trauma. Dit kan gebeuren bij zelfmoordterroristen die een bom op het lichaam of bij zich dragen. Veelal is de bom niet krachtig genoeg voor een volledige disruptie, maar wel voor belangrijke beschadiging met afrukken van ledematen, openrijten van hoofd en romp, en inwendige laceraties in de organen. Destructie van onderste ledematen komt voor wanneer de terrorist vlak naast de bom stond. Bij destructie van dijen, bekken en buik moet gedacht worden aan een bomgordel of bom op de schoot. Bij voorover over de bom gebogen staan, worden vooral handen, borst en hoofd getroffen. Slachtoffers die zich op korte afstand bevinden, kunnen verwondingen oplopen door botsing met de schokgolf (schoktrauma). Vooral luchthoudende en holle organen zijn hier gevoelig voor. Bij een drukpiek vanaf 35 kpa kunnen trommelvliezen scheuren en tussen de 100 en kpa kan er sprake zijn van schoklong (bloedingen onder longvlies, soms in vorm van afdrukken van de ribben, eventueel luchtblazen aan het longoppervlak en bloederig schuim in de luchtpijp). Typisch zijn ook traumatische amputaties van ledematen. Niet bedekte huidgebieden kunnen grijs-purper verkleurd zijn door incrustatie van vuil: dust tattooing. Vele slachtoffers zijn getroffen door rondvliegende fragmenten die zich ballistisch als projectielen gedragen, de huid doorboren en (soms diep) penetrerende, soms perforerende, wonden veroorzaken (projectielletsels). Op korte afstand worden vaak grote lichaamszones getroffen door talrijke kleine en grotere scherven met een triade van talrijke kleine kneuzingen, schavingen, en kleine tot grote perforaties met binnendringen van scherven. Vaak ziet men een aantal grote perforerende wonden op een achtergrond met strooipatroon van punctiforme letsletjes (peppering). Ook op grotere afstand kunnen slachtoffers dodelijk getroffen worden door één enkel diep penetrerend projectiel waarbij andere letsels ontbreken (flying-missile injury). 37

38 Naast de explosieletsels kunnen slachtoffers getroffen worden door de steekvlam en vooral de plotse hittegolf (flash) en daarbij verzengingen, verschroeiingen en uniform verspreide huidverbrandingen oplopen (flash burns). De met kleding bedekte lichaamsdelen blijven daarbij vaak gespaard. Verbrandingen tot en met verkoling kunnen ook optreden door de eventueel na de explosie ontstane brand. Een volledige autopsie van de overledenen en de lichaamsdelen/fragmenten is aangewezen voor de identificatie van slachtoffers en dader(s), voor het verzamelen van bewijsmateriaal (bv. onderdelen van de bom) en voor het opstellen van een gedetailleerd letselbilan (type verwondingen, spreidingspatroon) en bepalen van de doodsoorzaak. Op de plaats delict kan het epicentrum herkend worden aan de in de bodem geslagen krater omgeven door een verschroeide zone. Hoe groter de krater, des te krachtiger de explosie. Voor het sporenonderzoek is het nuttig om te weten dat in het lichaam van de bommenlegger soms springstof kan worden teruggevonden (door contact met de springstof voor de explosie) en dat springstoffen door de fabrikant kunnen gemarkeerd zijn met microscopisch kleine partikels. 38

39 8c) Elektrocutie Elektrocutie treedt op wanneer elektrische stroom door het lichaam gaat, dus tussen een positieve en een negatieve pool of tussen een elektrische stroombron en de aarde, met de dood tot gevolg. Het grondprincipe wordt uitgedrukt door de wet van Ohm: A = V / waarbij de A staat voor ampère (stroomintensiteit: onder de 15 ma ziet men een geringe schok, 15 tot 45 ma een spierspasme, boven de 45 ma is het potentieel dodelijk, boven de 1 A is het ventrikelfibrillatie en boven de 3 A kent men een onmiddellijke hartstilstand). De V staat voor volt (stroomspanning: kleinspanning onder de 50 V is onschadelijk, laagspanning van 50 tot 1000 V is vanaf de sterkstroom van 220 V potentieel dodelijk en hoogspanning boven de 1000 V is steeds dodelijk met elektrische vonken). De staat voor ohm (stroomweerstand: dunne vochtige huid is 100, dikke vochtige huid is 1.000, dikke droge huid is ). De factoren voor elektrocutie zijn dus de stroomintensiteit (met stroomspanning en stroomweerstand), de contactduur (bv. bij laagspanning is meestal een direct contact gedurende enkele seconden (en alleszins minstens 0,3 seconden) noodzakelijk vooraleer er sprake is van een dodelijk afloop), de stroomweg (tussen ingangspunt (plaats van contact met de stroombron) en de uitgangsplaats (plaats van contact met de aarde of aarding)) en de aard van de stroom (gelijkstroom of wisselstroom (minstens 40 tot 150 Hz is dodelijk). Een noodzakelijke voorwaarde voor elektrocutie is het fenomeen van aarding: zolang het lichaam, in contact met een stroombron, geen contact maakt met de aarde (via geleidende elementen) is er geen elektrische stroom en is er dus geen elektrocutie. Elektrische stroom ten slotte is warm : elektrische stroom verhit de weefsels waarmee het in contact is. Dat is onder meer verantwoordelijk voor het stroomteken (een lokaal elektrothermisch trauma). Het overlijden kan uiteindelijk meestal worden toegeschreven aan een ventrikelfibrillatie (meest voorkomende mechanisme van overlijden), aan ademhalingsverlamming, aan hersenverlamming en aan een elektrothermisch trauma. Daarnaast dient men ook voor ogen te houden dat bij elektrocutie schijndood kan intreden, zodat reanimatie moet worden opgestart. De aard van overlijden kan een ongeval (arbeidsongeval, huisongeval (badkamer!), auto-erotisch of bliksem), zelfdoding of doding zijn. Gevallen van elektrocutie zijn voor de overgrote meerderheid ongevallen. Zelfdoding en doding door elektrocutie zijn zeldzaam, bijvoorbeeld de executies door elektrische stoel. Elektrocutie laat geen sporen na, tenzij het stroomteken (dat niet steeds voorhanden is). Het kan een afdruk van de stroomgeleider nabootsen, en uitzicht en ernst kunnen verschillen naargelang de stroomintensiteit en contactduur. In de grond betreft het een brandwonde die varieert van een discrete witte huidverkleuring met opgeworpen wal over een geümbiliceerde blaar met roze halo tot een diep brandletsel en zelfs een letsel van verkoling. Een bijzondere vorm van elektrocutie is dood door bliksem. Bliksem staat gelijk aan zeer hoge spanningen en stroomintensiteiten. Er treedt bijgevolg een enorm joule-effect op met elektrothermisch trauma. Een bliksem is dermate elektrisch geladen dat een zogenaamd Schritteffekt kan optreden waarbij een blikseminslag op meter afstand, via bodemgeleiding, toch nog een persoon dodelijk kan treffen. Iemand die doodgebliksemd is, kan de volgende tekens vertonen: Liechtenbergse Blitzfiguren (varenachtige rode tekeningen op de huid), ernstige verbrandingen tot en met verkoling, verscheurde kleding en gesmolten en gemagnetiseerde metalen voorwerpen. 39

40 8d) Hypothermie Als de kerntemperatuur van het lichaam daalt tot onder de 35 graden Celsius is er sprake van onderkoeling ofwel hypothermie. In normale omstandigheden is de mens voldoende gewapend tegen afkoeling. Daarnaast wapent men zich met kleding en verwarming van de verblijfsomgeving. Lage omgevingstemperaturen (onder de 10 graden Celsius) kunnen ook in deze contreien leiden tot onderkoeling, zeker zonder verwarmende/beschermende kleding. De afkoeling zal het snelst optreden bij verblijf in koud water en in open lucht met koude wind. Water geleidt warmte maal sneller dan lucht, zodat men in water sneller afkoelt. Bepaalde lichamelijke condities vergroten de kans op hypothermie (bv. kleine kinderen, bejaarden en ziektetoestanden zoals hyperglykemie) Mensen goed voorzien van een onderhuidse vetlaag zijn beter beschermd tegen afkoeling. Een gestoord bewustzijn of bewustzijnsvermindering zorgt ervoor dat mensen onder invloed van alcohol, drugs of geneesmiddelen soms in een oncomfortabele situatie van winterse temperaturen terechtkomen waartegen zijn onvoldoende gewapend zijn en waarop zij niet meer adequaat reageren. Het afkoelingsproces met overeenkomstige symptomen verloopt in een aantal fasen naargelang de lichaamstemperatuur verder daalt. Allereerst de reactiefase (35 tot 32 graden Celsius). Het menselijk organisme tracht de abnormale warmteafgifte te compenseren met bibberen, toeknijpen van de kleine bloedvaten of zogenaamde vasoconstrictie, en veranderingen in de stofwisseling: afscheiding van onder andere adrenaline en glucocorticoïden door de bijnieren stimuleert de stofwisseling met onder meer een verhoogde glycogeenverbranding. Een neveneffect van dit laatste is een aanvankelijke fase van hyperglykemie. Het zuurstofverbruik kan tot het zesvoudige toenemen: hartslag en bloeddruk stijgen om aan de zuurstofvraag te kunnen voldoen. Indien de compensatiemechanismen een verdere afkoeling niet kunnen verhinderen, treedt de uitputtingsfase (32 tot 28 graden Celsius) in, waarna de temperatuurdaling nog sneller verloopt. Deze fase wordt allereerst gekenmerkt door een afname van de metabole processen en hypoglykemie. De zuurstofnood neemt af, het celmetabolisme komt als het ware in slaaptoestand. Daarnaast wordt het gekenmerkt door een verstoring van de bloedsomloop gekenmerkt door hemoconcentratie (onder meer veroorzaakt door overmatige urineproductie reeds optredend bij blootstelling aan omgevingstemperaturen van 15 graden Celsius en door plasma-uitsijpeling in de extracellulaire ruimte) en verstoorde hartfunctie. Ook wordt het gekenmerkt door een daling van hartslag, bloeddruk en ademhaling. Ten slotte wordt het gekenmerkt door bewustzijnsstoornissen, mogelijk met hallucinaties, gevoelloosheid en hyporeflexie. Bij een kerntemperatuur onder de 30 graden Celsius treedt de zogenaamde cold narcosis in met uitval van centrale regulaties. In de paralytische fase (onder de 28 graden Celsius) is het slachtoffer in diepe coma met areflexie (toestand van schijndood). Meestal treden hartritmestoornissen, vooral ventrikelfibrillatie, en ademhalingsstilstand op. De overlevingskansen bij een centrale lichaamstemperatuur van 25 graden Celsius of minder zijn minimaal. Anderzijds dient men voor ogen te houden dat de zuurstofnood van de hersenen in belangrijke mate is gedaald zodat men een ademhalings- en hartstilstand 10 tot 15 minuten kan overleven bij een lichaamstemperatuur van 30 graden Celsius en zelfs 60 tot 90 minuten bij 18 graden Celsius. Dit maakt dat reanimatie met geleidelijke opwarming van de kerntemperatuur steeds aangewezen is. Kans op succes is echter niet gegarandeerd en hibernatie bestaat (nog) niet. Bij hypothermie kent men zowel uitwendige als inwendige afwijkingen. Uitwendige afwijkingen zijn vooral de rode lijkvlekken (bij koude houdt hemoglobine de zuurstof vast), perniones (onscherp begrensde roze tot bruinroze huidverkleuringen, meestal aan de 40

41 strekzijde van de lidmaatgewrichten, op de flanken en aan het aangezicht) en frostbites (vrieswonden onderverdeeld in drie graden: roodheid (graad I), zwelling en blaarvorming (graad II) en necrose (graad III). Inwendige afwijkingen betreffen aspecifieke letsels die bij de autopsie een aanwijzing kunnen zijn voor overlijden door onderkoeling: verspreide, eerder beperkte, bloedinkjes naast verspreide microscopisch kleine haardjes van weefselversterf vooral in de alvleesklier, skeletspieren en hartspier, bloedingen en erosies van het maagslijmvlies, ontsteking van de alvleesklier en longontsteking bij verlengde hypothermie en ten slotte een verhoogd glucosegehalte en aanwezigheid van ketonlichaampjes in de urine. De overgrote gevallen van dood door onderkoeling zijn van accidentele aard (drenkelingen, bergbeklimmers en bij schrijdende toestanden van armoede en/of dronkenschap). Sporadisch dodelijk aflopende gevallen van opzettelijke verwaarlozing (kinderen, bejaarden) zijn bekend. Bij de plaatsschouwing wordt soms het eigenaardige fenomeen gezien van paradoxale ontkleding; blijkbaar gaat de gestoorde hersenfunctie soms gepaard met een paradoxaal warmtegevoel waarbij de onderkoelde persoon, met een vals warmtegevoel, zich nog extra blootstelt aan verdere afkoeling door zich geheel of gedeeltelijk uit te kleden. Dit kan aanleiding zijn tot een zeer bizar beeld van de doodsscène, gekend als het hide-and-die-syndroom: geheel of gedeeltelijk naakt lijk, verborgen (bv. onder tafel of achter een kast) in een chaotische overhoop gehaalde woning. Men neemt aan dat een mentale stoornis (ontstaan door de onderkoeling of reeds vooraf bestaand?), en dit vooral bij bejaarde personen, aanleiding geeft tot het bizarre gedrag van ontkleden, overhoop halen van de leefplaats en zich verbergen waar de koude zich uiteindelijk meester maakt van het slachtoffer. 41

42 9. Forensische traumatologie Een verwonding is een structurele weefselbeschadiging veroorzaakt door een of andere krachtinwerking: door energieoverdracht van buitenuit wordt de weefselstructuur beschadigd. De verwondingen kunnen weefsels of organen op verschillende niveaus treffen. Men spreekt van uitwendige verwondingen wanneer de huid en/of het onderhuidse vetweefsel worden getroffen. Diepe mantelverwondingen betrekken onderhuids gelegen zachte weefsels zoals spieren, pezen, bloedvaten en zenuwen. Ook kunnen botletsels ontstaan. Ten slotte zijn er de inwendige verwondingen wanneer vaste organen (bv. hersenen, longen, lever), holle organen (bv. hart, maagdarmstelsel, blaas) en grote bloedvaten (bv. aorta) worden getroffen. Het ontbreken van uitwendige tekens van geweldpleging (geen zichtbare uitwendige verwondingen) sluit geen diepere of inwendige verwondingen uit. Een uitwendige lijkschouwing laat dus niet (steeds) toe om geweldpleging met zekerheid uit te sluiten. Slechts door middel van een autopsie kunnen inwendige letsels worden vastgesteld. Bij het zien van letsels kan men drie vragen stellen: - Wat is de aard van de verwondingen? o Stomp trauma (kneuzing, schaafwonde, scheurwonde, botbreuk)? o Scherp trauma (snijwonde, steekwonde)? o Halfscherp trauma (hakwonde, jaap, spiesletsel)? o Schottrauma (kogelpatroon, jachtpatroon)? - Wat is de ernst van de verwondingen? o Men kijkt naar de grootte van de energie-overdracht (kracht) E = m x v 2 / 2 De m staat uiteraard voor massa (van het voorwerp) en de v voor snelheid o Men kijkt ook naar de plaats van de energie-overdracht, daarmee de anatomie (kwetsbaarheid), het impact-oppervlakte (energiespreiding) en de aard van het oppervlak (energie-absorptie) o Men kijkt ook naar de duur van de krachtinwerking - Wat zijn de gevolgen van de verwondingen? Vanuit forensisch oogpunt gaat bij een traumatisch overlijden de aandacht uit naar een gedetailleerd uitwendig en inwendig letselbilan de doodsoorzaak, het mechanisme van overlijden, de overlevingsduur en handelingsbekwaamheid. Een snel traumagerelateerd overlijden is meestal het gevolg van een uitval van de vitale functies (falen van zenuwstelsel en/of ademhaling en/of bloedsomloop) door rechtstreekse beschadiging, maar vaak ook door uit en/of inwendig bloedverlies: verbloeding. Verbloeding leidt tot een hypovolemische shock. Andere mogelijke mechanismen zijn vetembolie, luchtembolie en bloedaspiratie. Wanneer er sprake is van enige overlevingsduur stelt de vraag zich naar (de duur van) eventueel behoud van handelingsbekwaamheid. Daartoe moet het slachtoffer bij bewustzijn zijn en in de mogelijkheid om te bewegen. Bij de evaluatie moet rekening gehouden worden met het aantal en de aard van de letsels, de snelheid van het eventuele bloedverlies en grote interindividuele verschillen. Onder het stomp trauma verstaan we de verwondingen veroorzaakt door een stomp inwerkende kracht: impact met (hard) oppervlak of voorwerp, doordat het bewegend lichaam botst met een obstakel of een bewegend voorwerp botst met een (al dan niet in beweging zijnd) lichaam. Het kan dan gaan om slagen/stoten/stampen met handen, vuisten, voeten, elleboog, knie enzovoorts of met een stomp voorwerp, een val of een sprong (uit de hoogte). 42

43 Letsels ontstaan (1) direct op de plaats van krachtinwerking of impact en (2) indirect (onrechtstreekse verwondingen op afstand van de plaats van impact) als gevolg van: de voortplanting van de energiegolf in het lichaam met (inwendige) letsels op afstand van de impact plaats, of een plotse snelheidsverandering, het acceleratie-deceleratietrauma. De verwondingen van stompe aard worden onderverdeeld in schaafwonden van de huid, kneuzingen van de huid, onderhuidse zachte weefsels en inwendige organen; scheurwonden van de huid, onderhuidse zachte weefsels en inwendige organen; en botbreuken. De schaafwonde ontstaat door een tangentiële druk of schuivende krachtinwerking op de huid, zoals bij het schuren over een hard oppervlak of het schuiven van een min of meer ruw voorwerp over de huid. Karakteristieke schaafletsels zijn lineaire excoriaties zoals krabletsels en schrammen. Een oppervlakkige schaafwonde beperkt zich tot de opperhuid die over een zekere afstand wordt afgeschraapt. Door beschadiging van de opperhuid kan vocht uit de onderliggende lagen naar buiten sijpelen; na enige tijd vindt postmortale uitdroging plaats. Schaafwonden kunnen ook postmortaal ontstaan en hebben dan een okergeel en/of doorschijnend aspect in tegenstelling tot de roodbruine premortale schaafletsels. Wanneer bij een impact haarvaten van de huid, zachte weefsels of zelfs inwendige organen barsten, ontstaat een kneuzing. Bloeding uit de gesprongen oppervlakkige haarvaatjes in de lederhuid levert een zogenaamde blauwe plek. Indien de bloeding meer uitgesproken is, meestal ook in het onderhuidse vetweefsel, kan men spreken van een onderhuidse bloeduitstorting of ecchymose. Eventueel ontstaat een ware bloedophoping of hematoom, soms voelbaar of zichtbaar als een buil. Kneusletsels zijn in de regel vitale letsels, normalerwijze kan bloed slechts uit de gebarsten bloedvaatjes stromen wanneer het hart nog pompt. De omvang van een kneuzing wordt bepaald door de aangewende kracht en de grootte van het contactoppervlak, de broosheid, rijkdom aan bloedvaten en losmazigheid van het weefsel; en de bloedingsneiging van het individu. Een kneuzing evolueert met de tijd zowel inzake kleur (blauw/paars naar bruin/groen naar geel) en omvang (afzakken). Een aantal types van huidkneuzingen kunnen door hun typische vorm en uitzicht, zogenaamde profielkneuzing, een aanwijzing geven over het gebruikte daadinstrument. Enkele voorbeelden zijn vingertopkneuzingen, knokkelafdrukken, afdrukken van een voetzool en/of hiel, bandenspoorkneuzingen, tramspoorkneuzingen en beetletsels (odontologisch onderzoek en DNA-onderzoek (dubbele wissermethode) kan dan gedaan worden). Wanneer de inwerkende kracht de weefselsterkte overtreft, zal het weefsel inscheuren bij overrekking of pletten. Scheurwonden worden het vaakst aangetroffen aan het hoofd omdat de huid hier gemakkelijk tussen de stompe krachtinwerking en het onderliggend schedelbot wordt geplet. Ook solide buikorganen zijn onderhevig aan scheurwonden bij stomp buiktrauma, vaak zonder enig zichtbaar letsel aan de buikwand. Scheurwonden van de huid dienen van snijwonden te worden onderscheiden op basis van bepaalde kenmerken: gekneusde en/of geschaafde wondzoom, rafelige wondranden en weefselbruggen in de diepte van de wonde. De vorm van de wonde kan tevens informatie verschaffen over de aard van het gebruikte daadvoorwerp en de wijze van krachtinwerking: een langwerpig voorwerp veroorzaakt in de regel een lijnrechte scheurwonde, met een vlak voorwerp is de inscheuring eerder Y- of stervormig en bij een schuine slag kan de wondrand in de richting van de inwerkende kracht ondermijnd zijn, de tegenoverliggende wondrand is dan vaak afgekant en geschaafd; bij een slag op het hoofd van bovenaf zal de onderrand van de scheurwonde ondermijnd zijn, bij een val de bovenrand. Het is van groot forensisch belang dat scheurwonden nauwkeurig worden geïnspecteerd op de aanwezigheid van vreemd materiaal. Men kent ook botbreuken (fractuur), bv. het schedelfractuur (lineaire barst, indeukingsfractuur en spinnenwebfractuur) en het fractuur lang bot (lineaire barst, spiraalbreuk en versplintering) met bepaalde verwikkelingen (zoals embolieën). 43

44 De oorzaak van het overlijden door stomp trauma kan door verbloeding (inwendig) en door een schedelhersentrauma. Vaak is de beoordeling van een schedelhersentrauma, onder meer in verband met de ontstaanswijze van de opgelopen letsels, een boeiende maar moeilijke uitdaging. Verwondingen kunnen zowel het gevolg zijn van direct trauma (slag) als van een indirect trauma (val), door een plotse snelheidsverandering. De ernst van een schedelhersentrauma kan niet worden beoordeeld aan de hand van de aan- of afwezigheid van uitwendig zichtbare hoofdletsels. Men kan twee grote compartimenten onderscheiden, de schedelwand (extracranieel deel) en de schedelholte met de hersenen (intracranieel deel). De letsels aan (de schedelwand van het) hoofd kunnen worden onderscheiden in schaaf-, kneus- en scheurwonden van de hoofdhuid, bloedingen in het onderliggend scalpvlies en botvlies evenals in de slaapspieren. Daarnaast is er ook de schedelfractuur. Men kan ook intracraniële bloedingen krijgen, bv. het extraduraal hematoom (bloeding tussen schedelbot en harde hersenvlies, als gevolg van het openscheuren van een slagader, meestal veroorzaakt door een schedelbreuk op de plaats van impact: direct trauma. Het leidt in ongeveer 1 op de 4 gevallen tot onmiddellijke en blijvende bewusteloosheid. In andere gevallen is er slechts een uiterst kortstondige vermindering van bewustzijn door intracraniële overdruk met nadien hernemen van de activiteiten) en het subduraal hematoom (bloeding in de subdurale ruimte tussen het harde hersenvlies en de hersenen door het afscheuren van brugaders tussen het hersenoppervlak en het harde hersenvlies, veroorzaakt door acceleratie-deceleratie. Deze bloedingen zijn niet noodzakelijk gelokaliseerd op de plaats van de impact, maar wijzen erop dat het hoofd in beweging was: klassiek bij een val. Wanneer de omstandigheden onduidelijk zijn, is het soms nodig na te gaan of het slachtoffer zijn verwondingen heeft opgelopen ten gevolge van een val dan wel als gevolg van geweldpleging door een derde met slagen op het hoofd. Het aantal, de lokalisatie en de kenmerken van de letsels kunnen hulpmiddelen zijn. Een retrospectieve autopsiestudie van slachtoffers van val van de trap of uit staande hoogte en van geweldpleging geeft enkele belangrijke aanwijzingen. Het is reeds langer bekend dat verwondingen ten gevolge van een val uit staande hoogte zich hoofzakelijk lokaliseren op de zogenaamde hoedrandlijn, beter te beschouwen als een zone. Bij slagen op het hoofd bevinden de verwondingen zich meestal boven de hoedrandzone. Niettemin moet steeds rekening worden gehouden met de concrete omstandigheden, zoals de plaatsgesteldheid, waarin het slachtoffer zich bevond. Men kent een beslisboom, zie boven. Vanuit forensisch oogpunt verdienen vooral val uit hoogte en val van de trap bijzondere aandacht. Belangrijk hierbij is de mogelijkheid van tussenkomst van derden na te gaan en onderscheid te maken tussen accidentele val dan wel suïcide sprong. Hiervoor is het nuttig te letten op de omstandigheden (voorbereidende handelingen, context van de feiten), de plaats van de feiten (valhoogte, horizontale valafstand en sporenonderzoek), de correlatie tussen het letselbilan (verwondingen) en de feiten (val) en ten slotte de handelingsbekwaamheid. 44

AUTOPSIE in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven

AUTOPSIE in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven U N I V E R S I T A I R E Z I E K E N H U I Z E N L E U V E N AUTOPSIE in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven Informatie over het onderzoek van het gerecht bij een onverwacht overlijden maart 1999 1 VOORWOORD

Nadere informatie

Obductie. Informatie voor nabestaanden

Obductie. Informatie voor nabestaanden Obductie Informatie voor nabestaanden 2 U heeft deze folder gekregen omdat uw echtgenoot, familielid of dierbare is overleden. De behandelend arts heeft u gevraagd of obductie (ook wel autopsie, lijkschouwing

Nadere informatie

naar sporen Forensisch expert worden

naar sporen Forensisch expert worden Speuren B naar sporen Forensisch expert worden 1. Vaststellen tijdstip van overlijden Deze les ga je je verdiepen in één specifiek forensisch onderzoeksgebied. Je wordt als het ware zelf een beetje forensisch

Nadere informatie

Obductie Informatie voor nabestaanden

Obductie Informatie voor nabestaanden 00 Obductie Informatie voor nabestaanden 1 Inleiding U heeft deze folder gekregen omdat uw echtgenoot, familielid of dierbare is overleden. De behandelend arts heeft u gevraagd of obductie gedaan mag worden.

Nadere informatie

Algemeen. Patiënteninformatie. Obductie. Slingeland Ziekenhuis

Algemeen. Patiënteninformatie. Obductie. Slingeland Ziekenhuis Algemeen Obductie i Patiënteninformatie Slingeland Ziekenhuis Algemeen U heeft deze folder gekregen omdat één van uw naasten is overleden. De behandelend arts heeft u gevraagd of obductie verricht mag

Nadere informatie

Informatie voor. nabestaanden. bij niet natuurlijk overlijden

Informatie voor. nabestaanden. bij niet natuurlijk overlijden Informatie voor nabestaanden bij niet natuurlijk overlijden 1 Deze informatiebrochure is aan u overhandigd omdat een familielid of naaste van u plotseling en/of ten gevolge van een niet natuurlijke oorzaak

Nadere informatie

Obductie. Laboratorium voor pathologie. Wat is een obductie? Waarom obductie?

Obductie. Laboratorium voor pathologie. Wat is een obductie? Waarom obductie? Obductie Laboratorium voor pathologie U krijgt deze informatie, omdat iemand die u lief heeft overleden is. De behandelend arts heeft u gevraagd of obductie verricht mag worden. Deze vraag roept vaak andere

Nadere informatie

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 TITEL I TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Deze wet regelt een

Nadere informatie

PATHOLOGIE. Obductie Informatie voor nabestaanden

PATHOLOGIE. Obductie Informatie voor nabestaanden PATHOLOGIE Obductie Informatie voor nabestaanden Obductie U hebt deze folder gekregen omdat iemand die u dierbaar is, is overleden. De behandelend arts heeft u toestemming gevraagd voor obductie. De omstandigheden

Nadere informatie

Voorlichtingsfolder autopsie (obductie), gericht aan de nabestaanden

Voorlichtingsfolder autopsie (obductie), gericht aan de nabestaanden Voorlichtingsfolder autopsie (obductie), gericht aan de nabestaanden U heeft deze folder gekregen omdat uw echtgenoot, familielid of dierbare is overleden. De behandelend arts heeft u gevraagd of obductie

Nadere informatie

Obductie. Informatie over obductie voor nabestaanden. Obductie

Obductie. Informatie over obductie voor nabestaanden. Obductie Obductie Informatie over obductie voor nabestaanden Obductie Inleiding 3 Wat is een obductie of autopsie? 3 Waarom obductie? 4 Wat gebeurt er bij een obductie? 4 Het bewaren van weefsel en organen 5 Hoe

Nadere informatie

Informatie voor nabestaanden

Informatie voor nabestaanden Algemeen Informatie voor nabestaanden Het overlijden van een familielid of naaste is heel verdrietig. Het moeilijke is, dat u juist in die heel emotionele tijd, kort na het overlijden, al een aantal praktische

Nadere informatie

Neemt u de tijd om deze informatie goed te lezen en spreekt u met de arts het tijdstip af waarop u uitsluitsel geeft over uw beslissing.

Neemt u de tijd om deze informatie goed te lezen en spreekt u met de arts het tijdstip af waarop u uitsluitsel geeft over uw beslissing. Pathologie Patiënteninformatie Autopsie (obductie) U ontvangt deze informatie, omdat uw echtgenoot, familielid of dierbare is overleden. De behandelend arts heeft u gevraagd of een obductie (ook wel autopsie

Nadere informatie

Justitiehuis Dendermonde

Justitiehuis Dendermonde Justitiehuis Dendermonde Dienst Slachtofferonthaal Treinongeval Wetteren op 4 mei 201 Info op 0 november 2016 Wat vooraf ging Als gevolg van het treinongeval werd een gerechtelijk onderzoek geopend bij

Nadere informatie

obductie informatie voor nabestaanden patiënteninformatie

obductie informatie voor nabestaanden patiënteninformatie patiënteninformatie obductie informatie voor nabestaanden U heeft deze folder gekregen omdat uw echtgenoot, familielid of dierbare is overleden. De behandelend arts heeft u gevraagd of obductie verricht

Nadere informatie

Informatie over obductie voor nabestaanden

Informatie over obductie voor nabestaanden Informatie over obductie voor nabestaanden Informatie voor patiënten F0244-3415 juli 2014 Medisch Centrum Haaglanden www.mchaaglanden.nl MCH Antoniushove, Burgemeester Banninglaan 1 Postbus 411, 2260 AK

Nadere informatie

Informatie voor nabestaanden. Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut

Informatie voor nabestaanden. Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut Informatie voor nabestaanden Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut U heeft deze brochure gekregen omdat een familielid of een andere dierbare van u is overleden en in opdracht van

Nadere informatie

Obductie na het overlijden

Obductie na het overlijden Obductie na het overlijden Samenvatting Een obductie is een uitgebreid uit- en inwendig onderzoek na het overlijden van een patiënt. Alle organen worden uit het lichaam genomen en na onderzoek teruggeplaatst,

Nadere informatie

PATIËNTEN INFORMATIE. Informatie over. obductie

PATIËNTEN INFORMATIE. Informatie over. obductie PATIËNTEN INFORMATIE Informatie over obductie Inleiding U heeft deze folder gekregen, omdat één van uw naasten is overleden. Een arts heeft u gevraagd of obductie (onderzoek) verricht mag worden. De omstandigheden

Nadere informatie

Factsheet De aansprakelijkheid van de arts

Factsheet De aansprakelijkheid van de arts Factsheet De aansprakelijkheid van de arts Algemeen Als u vermoedt dat een beroepsbeoefenaar uw rechten heeft geschonden, kunt u hem of de zorginstelling waarbinnen hij werkt aansprakelijk stellen. Volgens

Nadere informatie

Wijziging van de Wet op de lijkbezorging. Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Wijziging van de Wet op de lijkbezorging. Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. 30 696 Wijziging van de Wet op de lijkbezorging Nr. 2 VOORSTEL VAN WET Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of

Nadere informatie

Informatie voor nabestaanden. Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut

Informatie voor nabestaanden. Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut Informatie voor nabestaanden Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut Inhoud Gerechtelijke sectie 4 Beslissing tot sectie 4 Het onderzoek bij een sectie 5 Resultaten van een sectie

Nadere informatie

Informatie voor nabestaanden. Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut

Informatie voor nabestaanden. Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut Informatie voor nabestaanden Gerechtelijke sectie bij het Nederlands Forensisch Instituut Inhoud Gerechtelijke sectie 4 Beslissing tot sectie 4 Het onderzoek bij een sectie 5 Resultaten van een sectie

Nadere informatie

Justitiehuis Dendermonde

Justitiehuis Dendermonde Justitiehuis Dendermonde Dienst Slachtofferonthaal Treinongeval Wetteren op 4 mei 2013 Gevolgen op gerechtelijk vlak Als gevolg van het treinongeval heeft de Procureur des Konings een strafdossier geopend

Nadere informatie

Hoe ontstaat decubitus?

Hoe ontstaat decubitus? DECUBITUS Wat is decubitus? Decubitus is ernstige beschadiging van de huid als gevolg van permanente druk op- en verminderde bloedvoorziening in een bepaald huidgebied. Decubitus is een veel voorkomende

Nadere informatie

samenstelling : federale en lokale parketten & parketten-generaal! het beleid wordt uitgestippeld door een college van procureurs-generaal

samenstelling : federale en lokale parketten & parketten-generaal! het beleid wordt uitgestippeld door een college van procureurs-generaal Leg uit : het openbaar ministerie ( parket ) = hoeder van de openbare orde! 1) opsporen en onderzoeken 2) vervolgen 3) uitvoering van de straf samenstelling : federale en lokale parketten & parketten-generaal!

Nadere informatie

Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten

Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten Bron : Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten (Belgisch Staatsblad,

Nadere informatie

Informatie voor nabestaanden. Dit is een uitgave van NTS-Donorvoorlichting www.donorvoorlichting.nl. Orgaandonatie

Informatie voor nabestaanden. Dit is een uitgave van NTS-Donorvoorlichting www.donorvoorlichting.nl. Orgaandonatie Informatie voor nabestaanden Dit is een uitgave van NTS-Donorvoorlichting www.donorvoorlichting.nl Orgaandonatie Waarom krijgt u deze brochure? Iemand in uw naaste omgeving kan orgaandonor worden na het

Nadere informatie

Obductie. Neem altijd uw verzekeringsgegevens en identiteitsbewijs mee!

Obductie. Neem altijd uw verzekeringsgegevens en identiteitsbewijs mee! Obductie U heeft deze folder gekregen omdat iemand die u liefheeft, is overleden. De behandelend arts heeft u gevraagd of obductie verricht mag worden. Deze vraag roept vaak andere vragen op zoals: Wat

Nadere informatie

Geachte mevrouw Geachte heer

Geachte mevrouw Geachte heer FGEN NANT - PROF. DR. GUY HUBENS CGB - GROENENBORGERLAAN 171 B-2020 ANTWERPEN Prof. dr. Guy Hubens Faculteit Geneeskunde Lab. Experimentele Heelkunde en Anatomie Anatomie en Embryologie Groenenborgerlaan

Nadere informatie

U wordt opgeroepen om te getuigen in een strafzaak. De oproepingsbrief vermeldt waar en wanneer u zich moet aanmelden.

U wordt opgeroepen om te getuigen in een strafzaak. De oproepingsbrief vermeldt waar en wanneer u zich moet aanmelden. U bent getuige Inleiding U wordt opgeroepen om te getuigen in een strafzaak. De oproepingsbrief vermeldt waar en wanneer u zich moet aanmelden. Deze brochure informeert u in grote lijnen over wat van u

Nadere informatie

Rol van de forensisch arts bij een slachtoffer van een schietincident.

Rol van de forensisch arts bij een slachtoffer van een schietincident. Rol van de forensisch arts bij een slachtoffer van een schietincident. GGD-arts versus arts bij de GGD In plaats van GGD-arts wordt ook wel gezegd: de dienstdoende arts van de GGD de piketarts GGD de politie-arts

Nadere informatie

Richtlijn Forensische Geneeskunde Lijkschouw

Richtlijn Forensische Geneeskunde Lijkschouw Richtlijn Forensische Geneeskunde Lijkschouw Inhoudsopgave 1. Onderwerp en reikwijdte 2 2. Doelstelling 2 3. Toepassingsgebied 2 4. Uitgangspunt 2 5. Bevoegdheid 3 6. Werkwijze 3 6.1 Algemeen 6.2 Het vaststellen

Nadere informatie

CHECKLIST ONDERZOEK EN VASTLEGGING LIJKSCHOUW (uitgebreide versie)

CHECKLIST ONDERZOEK EN VASTLEGGING LIJKSCHOUW (uitgebreide versie) CHECKLIST ONDERZOEK EN VASTLEGGING LIJKSCHOUW (uitgebreide versie) N.B. Kleine waarnemingen kunnen uiteindelijk van groot belang zijn. Vermeld afwezigheid van kenmerken evenzeer als de aanwezigheid. De

Nadere informatie

Wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde (B.S Ed. 3)

Wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde (B.S Ed. 3) Wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde (B.S. 13.7.1999 Ed. 3) Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1.- Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Hoofdstuk

Nadere informatie

Hersendonatie aan 100-plus onderzoek

Hersendonatie aan 100-plus onderzoek Hersendonatie aan 100-plus onderzoek Het 100-plus onderzoek van het VUmc Alzheimercentrum stelt zich tot doel te achterhalen hoe het komt dat sommige mensen een hoge leeftijd bereiken en geen last krijgen

Nadere informatie

Toestemming voor obductie bij kinderen. Informatie voor nabestaanden

Toestemming voor obductie bij kinderen. Informatie voor nabestaanden Toestemming voor obductie bij kinderen Informatie voor nabestaanden Universitair Medisch Centrum Groningen Inleiding Een arts heeft met u gesproken om uw overleden zoon of dochter te laten onderzoeken.

Nadere informatie

Bijlage 1. Inbreuken en strafbepalingen waarop een beroep kan gedaan worden op het vlak van eergerelateerd geweld

Bijlage 1. Inbreuken en strafbepalingen waarop een beroep kan gedaan worden op het vlak van eergerelateerd geweld Bijlage 1. Inbreuken en strafbepalingen waarop een beroep kan gedaan worden op het vlak van eergerelateerd geweld Inleidende opmerkingen: - Een fenomeen dat valt onder het begrip eergerelateerd geweld

Nadere informatie

13 JUNI 1986. - Wet betreffende het wegnemen en transplanteren van organen.

13 JUNI 1986. - Wet betreffende het wegnemen en transplanteren van organen. 13 JUNI 1986. - Wet betreffende het wegnemen en transplanteren van organen. BS 14/02/1987 in voege 24/02/1987 Gewijzigd door: WET 17/02/1987 BS 14/04/1987 WET 07/12/2001 BS 31/12/2002 WET 22/12/2003 BS

Nadere informatie

Obductie onderzoek van een overledene

Obductie onderzoek van een overledene Obductie onderzoek van een overledene Stichting Laboratoria voor Pathologische Anatomie en Medische Microbiologie (PAMM) Naar aanleiding van het overlijden van één van uw dierbare naasten heeft de behandelend

Nadere informatie

Orgaan- en weefseldonatie. Soms zou ik willen dat gisteren nooit voorbijging, omdat vandaag zo anders is.

Orgaan- en weefseldonatie. Soms zou ik willen dat gisteren nooit voorbijging, omdat vandaag zo anders is. Orgaan- en weefseldonatie Soms zou ik willen dat gisteren nooit voorbijging, omdat vandaag zo anders is. Inhoudsopgave Orgaan- en weefseldonatie... 1 Inleiding... 3 Wat is hersendood?... 4 Door wie en

Nadere informatie

Refaja Ziekenhuis Stadskanaal. Toestemming voor obductie bij kinderen. Informatie voor nabestaanden

Refaja Ziekenhuis Stadskanaal. Toestemming voor obductie bij kinderen. Informatie voor nabestaanden Toestemming voor obductie bij kinderen Informatie voor nabestaanden TOESTEMMING VOOR OBDUCTIE BIJ KINDEREN INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN INLEIDING Een arts heeft met u gesproken om uw overleden zoon of

Nadere informatie

De Salduzwet: welke rechten hebt u bij een verhoor?

De Salduzwet: welke rechten hebt u bij een verhoor? De Salduzwet: welke rechten hebt u bij een verhoor? Is er in uw bedrijf al eens een ernstig arbeidsongeval gebeurd? Dan bent u als werkgever, als lid van de hiërarchische lijn, als preventieadviseur, als

Nadere informatie

Toestemming voor obductie. Informatie voor nabestaanden 1

Toestemming voor obductie. Informatie voor nabestaanden 1 Toestemming voor obductie Informatie voor nabestaanden 1 1 Voor de nabestaanden van overleden kinderen bestaat een aparte informatiefolder Universitair Medisch Centrum Groningen Inleiding Een arts heeft

Nadere informatie

Algemeen. Obductie.

Algemeen. Obductie. Algemeen Obductie www.catharinaziekenhuis.nl Patiëntenvoorlichting: patienten.voorlichting@catharinaziekenhuis.nl ALG038 / Obductie / 14-08-2013 2 Obductie Naar aanleiding van het overlijden van één van

Nadere informatie

PROCEDUREREGLEMENT VAN HET VLAAMS DOPINGTRIBUNAAL (Goedgekeurd door de Raad van Bestuur van Vlaams Dopingtribunaal vzw 03.12.09)

PROCEDUREREGLEMENT VAN HET VLAAMS DOPINGTRIBUNAAL (Goedgekeurd door de Raad van Bestuur van Vlaams Dopingtribunaal vzw 03.12.09) Artikel 1. PROCEDUREREGLEMENT VAN HET VLAAMS DOPINGTRIBUNAAL (Goedgekeurd door de Raad van Bestuur van Vlaams Dopingtribunaal vzw 03.12.09) Titel I. De instellingen. Er bestaat een Disciplinaire Commissie

Nadere informatie

Koortsstuipen. Neem altijd uw verzekeringsgegevens en identiteitsbewijs mee!

Koortsstuipen. Neem altijd uw verzekeringsgegevens en identiteitsbewijs mee! Koortsstuipen Jonge kinderen zijn bij koorts gevoelig voor stuipen. Ongeveer 5 procent van de kinderen tussen de drie maanden en zes jaar heeft weleens een koortsstuip. In deze folder leest u over de achtergrond

Nadere informatie

TRIVIANT BLAUW (uitprinten op blauw papier) Stoornissen in het bewustzijn, de ademhaling en de bloedsomloop

TRIVIANT BLAUW (uitprinten op blauw papier) Stoornissen in het bewustzijn, de ademhaling en de bloedsomloop TRIVIANT BLAUW (uitprinten op blauw papier) Stoornissen in het bewustzijn, de ademhaling en de bloedsomloop Welke drie functies zijn van direct levensbelang en hoe noemen we deze functies? Hersenfunctie

Nadere informatie

Richtlijn Forensische Geneeskunde Postmortaal interval

Richtlijn Forensische Geneeskunde Postmortaal interval Richtlijn Forensische Geneeskunde Postmortaal interval Inhoudsopgave 1. Onderwerp 2 2. Doelstelling 2 3. Toepassingsgebied 2 4. Uitgangspunt 2 5. Definities 32 6. Werkwijze 3 7. Bespreking/verslaglegging

Nadere informatie

5 Samenvatting en conclusies

5 Samenvatting en conclusies 5 Samenvatting en conclusies In 2008 werden in Nederland bijna 5,2 miljoen mensen het slachtoffer van criminaliteit (cbs 2008). De meeste van deze slachtoffers kregen te maken met diefstal of vernieling,

Nadere informatie

Aangifteprocedure voor arbeidsongevallen in de publieke sector (wet van 03.07.67)

Aangifteprocedure voor arbeidsongevallen in de publieke sector (wet van 03.07.67) Aangifteprocedure voor arbeidsongevallen in de publieke sector (wet van 03.07.67) 1. Welk ongeval moet aangegeven worden? Elk feit overkomen tijdens de uitoefening van de arbeidsovereenkomst of op de arbeidsweg

Nadere informatie

Orgaan- en weefseldonatie DBD, donor na hersendood. Brochure voor nabestaanden

Orgaan- en weefseldonatie DBD, donor na hersendood. Brochure voor nabestaanden Orgaan- en weefseldonatie DBD, donor na hersendood Brochure voor nabestaanden 2 - Orgaan- en weefseldonatie Voorwoord Donatie van organen en weefsels is voor nabestaanden vaak een ingrijpende gebeurtenis.

Nadere informatie

DNA-onderzoek bij veroordeelden

DNA-onderzoek bij veroordeelden Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.2.3 DNA-onderzoek bij veroordeelden algemene informatie bronnen ministerie van Veiligheid en Justitie: www.rijksoverheid.nl, januari 2011 brochure de wet DNA-onderzoek

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den

Nadere informatie

Vlaamse dagbladpers HET WETTELIJK KADER VAN HET DESKUNDIGENONDERZOEK IN STRAFZAKEN

Vlaamse dagbladpers HET WETTELIJK KADER VAN HET DESKUNDIGENONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vlaamse dagbladpers HET WETTELIJK KADER VAN HET DESKUNDIGENONDERZOEK IN STRAFZAKEN Frank Hutsebaut Leuvens Instituut voor Criminologie (LINC) KULeuven 1. Ter inleiding: enkele algemene noties 2. De bevoegdheid

Nadere informatie

WET van 5 januari 1952, tot regeling van de verantwoordelijkheid van de ministers (G.B no. 3).

WET van 5 januari 1952, tot regeling van de verantwoordelijkheid van de ministers (G.B no. 3). WET van 5 januari 1952, tot regeling van de verantwoordelijkheid van de ministers (G.B. 1952 no. 3). Artikel 1 1 1. De ministers zorgen voor de uitvoering van de Grondwet, de verdragen en andere overeenkomsten

Nadere informatie

1.1 Historiek 3 1.2 Gerechtelijke of forensische geneeskunde 5 1.3 Huidige situatie 6. 2 arts en gerecht 9

1.1 Historiek 3 1.2 Gerechtelijke of forensische geneeskunde 5 1.3 Huidige situatie 6. 2 arts en gerecht 9 Inhoudstafel I JUSTITIE EN GENEESKUNDE 1 Gerechtelijke geneeskunde, vroeger en nu 3 1.1 Historiek 3 1.2 Gerechtelijke of forensische geneeskunde 5 1.3 Huidige situatie 6 2 arts en gerecht 9 2.1 Gerecht

Nadere informatie

Uw rechten en plichten als 18-jarige

Uw rechten en plichten als 18-jarige Uw rechten en plichten als 18-jarige Hoofdstuk 5 Een 18 de verjaardag is vaak een mijlpaal waarop men zelfstandiger en onafhankelijker wordt, maar het is ook het moment van wettelijke meerderjarigheid.

Nadere informatie

Datum 27 maart 2013 Onderwerp Beantwoording Kamervragen Arib (PvdA) over het vaak niet melden van de dood van een minderjarige

Datum 27 maart 2013 Onderwerp Beantwoording Kamervragen Arib (PvdA) over het vaak niet melden van de dood van een minderjarige 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

BIJZONDER REGLEMENT RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG

BIJZONDER REGLEMENT RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG BIJZONDER REGLEMENT RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG 1 Nr. : 75/2014 Rep. : 1855 BESCHIKKING Wij, T. HEEREN, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, bijgestaan door dhr. Y. KIELICH,

Nadere informatie

Als we het hebben over onderkoeling worden twee typen onderscheiden

Als we het hebben over onderkoeling worden twee typen onderscheiden Onderkoeling Inleiding De normale lichaamstemperatuur van de mens is 36,9º Celsius Om zeker te zijn van lichamelijke en geestelijke fitheid moet de temperatuur op dit peil worden gehandhaafd, met een marge

Nadere informatie

Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt Provincie Oost-Vlaanderen

Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt Provincie Oost-Vlaanderen Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt Provincie Oost-Vlaanderen REGLEMENT VAN INWENDIGE ORDE BETREFFENDE DE BIJSTANDSREGELING Art. 1. Het VSOA - Politie, hierna de organisatie genoemd, verdedigt de belangen

Nadere informatie

Chemisch toxicologische eigenschappen van acrylonitril en medische aspecten van een blootstelling

Chemisch toxicologische eigenschappen van acrylonitril en medische aspecten van een blootstelling Chemisch toxicologische eigenschappen van acrylonitril en medische aspecten van een blootstelling Prof. Dr. Benoit Nemery KU Leuven Prof. Dr. Christophe Stove UGent Acrylonitril: chemische eigenschappen

Nadere informatie

Behandeling van wonden en letsels

Behandeling van wonden en letsels Module 4 Behandeling van wonden en letsels Als u deze module gevolgd hebt, weet u: - Wat u moet doen bij mogelijk inwendig bloedverlies - Wat u moet doen bij uitwendig bloedverlies - Wat u moet doen bij

Nadere informatie

JURIDISCHE EN DEONTOLOGISCHE ASPECTEN

JURIDISCHE EN DEONTOLOGISCHE ASPECTEN JURIDISCHE EN DEONTOLOGISCHE ASPECTEN Dr. K. Bronselaer Dienst Urgentiegeneeskunde UZ GASTHUISBERG LEUVEN Inhoud Tuchtrechterlijke aansprakelijkheid Strafrechterlijke bepalingen: beroepsgeheim Uitzonderingen

Nadere informatie

Les 2: Vroeg en laat postmortale verschijnselen

Les 2: Vroeg en laat postmortale verschijnselen gerechtelijke geneeskunde 1 Les 2: Vroeg en laat postmortale verschijnselen De vroeg postmortale verschijnselen Dit, vooral vroeg postmortale verschijnselen, zijn van belang omdat we aan de hand hiervan

Nadere informatie

BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID IN SCHOOLVERBAND. Prof. dr. Aloïs VAN OEVELEN Gewoon hoogleraar Universiteit Antwerpen

BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID IN SCHOOLVERBAND. Prof. dr. Aloïs VAN OEVELEN Gewoon hoogleraar Universiteit Antwerpen BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID IN SCHOOLVERBAND Prof. dr. Aloïs VAN OEVELEN Gewoon hoogleraar Universiteit Antwerpen INHOUD I. De begrippen burgerlijke aansprakelijkheid en strafrechtelijke II. Twee concrete

Nadere informatie

Inhoud. Ten geleide. Avant propos. Woord vooraf. Inhoudsopgave. Hoofdstuk 1: Achtergrond en oriëntatie

Inhoud. Ten geleide. Avant propos. Woord vooraf. Inhoudsopgave. Hoofdstuk 1: Achtergrond en oriëntatie Inhoud Inhoud Ten geleide Avant propos Woord vooraf Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Achtergrond en oriëntatie 1 Intitiele opdracht 1.1 haalbaarheidscriteria 1.2 Definitie van het begrip integrale veiligheidszorg

Nadere informatie

naar sporen Zelf casussen oplossen

naar sporen Zelf casussen oplossen Speuren C naar sporen Zelf casussen oplossen 1. Een dode dokter Mevrouw P. is huisarts. Op zondagavond 11 januari wordt mevr. P. dood aangetroffen in de slaapkamer van haar huis. Ze heeft twee wonden aan

Nadere informatie

Publicatie : Numac :

Publicatie : Numac : pagina 1 van 5 NL einde FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE Publicatie : 2017-01-30 Numac : 2017010289 Rechtbank van eerste aanleg Leuven. - Kabinet van de voorzitter Beschikking tot vaststelling van het

Nadere informatie

Wat is een onmiddellijke inning?... 2. Wat is een minnelijke schikking?... 2

Wat is een onmiddellijke inning?... 2. Wat is een minnelijke schikking?... 2 Inhoudsopgave Wat is een onmiddellijke inning?... 2 Wat is een minnelijke schikking?... 2 Wat is een voorstel tot Verval van de Strafvordering door Betaling van een Geldsom of VSBG?... 2 In welke zaken

Nadere informatie

Het Fenomeen van Raynaud

Het Fenomeen van Raynaud Het Fenomeen van Raynaud Wat is het Fenomeen van Raynaud? Wij spreken van het Fenomeen van Raynaud bij het plotseling optreden van verkleuringen van vingers en/of tenen bij blootstelling aan kou of bij

Nadere informatie

Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik

Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik Gelet op artikel 128, 1, van de Grondwet; Gelet op de bijzondere

Nadere informatie

Obductie. Onderzoek na overlijden

Obductie. Onderzoek na overlijden Obductie Onderzoek na overlijden Inleiding Als iemand overlijdt kunnen artsen niet altijd verklaren wat er precies met hem of haar aan de hand was. Onderzoek van de overledene kan helpen om beter te begrijpen

Nadere informatie

INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN. Dit is een uitgave van de Nederlandse Transplantatie Stichting transplantatiestichting.nl.

INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN. Dit is een uitgave van de Nederlandse Transplantatie Stichting transplantatiestichting.nl. INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN Dit is een uitgave van de Nederlandse Transplantatie Stichting transplantatiestichting.nl Orgaandonatie Waarom krijgt u deze brochure? Iemand in uw naaste omgeving is overleden

Nadere informatie

Gelet op de aanvraag van het Universitair Medisch Centrum Sint-Pieter ontvangen op 28/10/2013;

Gelet op de aanvraag van het Universitair Medisch Centrum Sint-Pieter ontvangen op 28/10/2013; 1/6 Sectoraal comité van het Rijksregister Beraadslaging RR nr 06/2014 van 22 januari 2014 Betreft: aanvraag van tot uitbreiding van beraadslaging RR nr. 21/2009 van 25 maart 2009 waarbij eenmalige machtiging

Nadere informatie

RECHT vaardig? Voorbereiding of naverwerking Opdracht 4

RECHT vaardig? Voorbereiding of naverwerking Opdracht 4 a) Wie zit waar Lees aandachtig onderstaande tekst. Duid nadien op de foto de plaats aan van de verschillende actoren (rood en onderlijnd in tekst) in een rechtbank. Bij een burgerlijke of een strafrechtelijk

Nadere informatie

Deel 1 - Burgerlijk recht BUSINESS class

Deel 1 - Burgerlijk recht BUSINESS class Deel 1 - Burgerlijk recht BUSINESS class III.Rechterlijke macht De rechterlijke macht bestaat uit rechtbanken en gerechtshoven. Zij worden geacht volgende principes te volgen: Het gerecht behandelt iedereen

Nadere informatie

de rol van de forensisch arts

de rol van de forensisch arts de rol van de forensisch arts 16-02-2012 Arts en Strafrecht Peter Paul Bender forensisch arts KNMG Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond bender@farr.nl programma: - de forensisch arts - arts en strafrecht

Nadere informatie

> Orgaan- en weefseldonatie na het vaststellen van de hersendood

> Orgaan- en weefseldonatie na het vaststellen van de hersendood www.azstlucas.be > Orgaan- en weefseldonatie na het vaststellen van de hersendood Informatie voor nabestaanden Voorwoord Wanneer u geconfronteerd wordt met orgaandonatie, wil dat zeggen dat u een familielid,

Nadere informatie

Aansprakelijkheid en bevoegdheid van de vroedvrouw. Bornem 18 oktober 2012 20 oktober 2012. Jan Vande Moortel Lector en advocaat

Aansprakelijkheid en bevoegdheid van de vroedvrouw. Bornem 18 oktober 2012 20 oktober 2012. Jan Vande Moortel Lector en advocaat Aansprakelijkheid en bevoegdheid van de vroedvrouw Bornem 18 oktober 2012 20 oktober 2012 Jan Vande Moortel Lector en advocaat 1. We leven in een rechtsstaat 2. De wet is niet altijd zoals ze zou moeten

Nadere informatie

Bloedtransfusie Informatie voor patiënten

Bloedtransfusie Informatie voor patiënten Bloedtransfusie Informatie voor patiënten Klinisch laboratorium Een bloedtransfusie wordt door uw arts voorgeschreven. Dit gebeurt met uw toestemming, tenzij er sprake is van een acute levensbedreigende

Nadere informatie

Juridische aspecten van verpleegkundige handelingen

Juridische aspecten van verpleegkundige handelingen Juridische aspecten van verpleegkundige handelingen Gent, 1 oktober 2009 Jan Vande Moortel Lector en advocaat AXIOMA S 1. We leven in een rechtsstaat 2. De wet is niet altijd zoals ze zou moeten zijn We

Nadere informatie

Het is in uw eigen belang dat u de folder goed doorleest en de adviezen nauwkeurig opvolgt. Dit om een spoedig herstel te bevorderen.

Het is in uw eigen belang dat u de folder goed doorleest en de adviezen nauwkeurig opvolgt. Dit om een spoedig herstel te bevorderen. D e c u b i t u s Deze folder geeft u informatie over Decubitus, wat u kunt doen om het te voorkomen en hoe het wordt behandeld. Deze folder is bedoeld voor als u geopereerd wordt, of gedurende langere

Nadere informatie

INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN

INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN Een naaste in uw familie- of vriendenkring is in het Ruwaard van Putten Ziekenhuis overleden. In de eerste plaats gaat onze deelneming uit naar u en de overige nabestaanden.

Nadere informatie

Herhalingsles Het lichaam. Ademhaling. Benoem de aangeduide delen op onderstaande tekeningen aan.

Herhalingsles Het lichaam. Ademhaling. Benoem de aangeduide delen op onderstaande tekeningen aan. Herhalingsles Het lichaam Ademhaling Benoem de aangeduide delen op onderstaande tekeningen aan. Als we ademen, stroomt er lucht binnen in ons lichaam. Welke weg legt deze lucht af? Vul het schema aan.

Nadere informatie

Bijkomende informatie voor de registratie van de doodsoorzaak

Bijkomende informatie voor de registratie van de doodsoorzaak Bijkomende informatie voor de registratie van de doodsoorzaak 1. Veld 31: A2_CODE_DIAG_CAUSE_DEATH Veld 31 A2_CODE_DIAG_CAUSE_DEATH behoort tot het bestand STAYHOSP in domein 3 van de administratieve gegevens.

Nadere informatie

U wordt verdacht. Inhoud

U wordt verdacht. Inhoud Inhoud Deze brochure 3 Aanhouding en verhoor 3 Inverzekeringstelling 3 Uw advocaat 4 De reclassering 5 Verlenging van de inverzekeringstelling of niet 5 Beperkingen en rechten 5 Voorgeleiding bij de officier

Nadere informatie

www.kinderrechtswinkel.be juni 2008 Voor kinderen die meer willen weten over de rechtbank, wetten en de rechter Voor kinderen die meer willen weten over de rechtbank, wetten en de rechter Hebben kinderen

Nadere informatie

Bijzondere voorwaarden Gezinsongevallenverzekering

Bijzondere voorwaarden Gezinsongevallenverzekering Versie P1P00 Bijzondere voorwaarden Gezinsongevallenverzekering 1. Begripsomschrijvingen 1.1 Verzekerden zijn indien van toepassing: 1.1.1 de verzekeringnemer; 1.1.2 diens echtgeno(o)t(e) of partner, met

Nadere informatie

Procedurereglement op de Gemeentelijke administratieve sancties

Procedurereglement op de Gemeentelijke administratieve sancties REGLEMENT Procedurereglement op de Gemeentelijke administratieve sancties Hoofdstuk 1: Toepassingsgebied, vaststellingsmodaliteiten en aangewezen ambtenaar Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel

Nadere informatie

INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN

INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN PATIËNTENINFORMATIE SPIJKENISSE Medisch Centrum INFORMATIE VOOR NABESTAANDEN Een naaste in uw familie- of vriendenkring is in het Spijkenisse Medisch Centrum overleden. In de eerste plaats gaat onze deelneming

Nadere informatie

Informatieblad no 1. BEDRIJFSONGEVAL DE SURINAAMSE ONGEVALLEN REGELING (G.B. 1947 No 145) SOR

Informatieblad no 1. BEDRIJFSONGEVAL DE SURINAAMSE ONGEVALLEN REGELING (G.B. 1947 No 145) SOR Informatieblad no 1 BEDRIJFSONGEVAL DE SURINAAMSE ONGEVALLEN REGELING (G.B. 1947 No 145) SOR Contactadressen: ARBEIDSINSPECTIE PARAMARIBO Fred. Derbystraat # 98 Paramaribo Telefoon # 422250/ 471660/ 472279

Nadere informatie

VERSLAG AAN DE KONING

VERSLAG AAN DE KONING 2 APRIL 2003. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de wijze waarop de wilsverklaring inzake euthanasie wordt opgesteld, herbevestigd, herzien of ingetrokken Sire, 1. Context VERSLAG AAN DE KONING

Nadere informatie

Trends binnen de verschillende pijlers van diabeteszorg = prikkels tot gedeelde kwaliteitszorg

Trends binnen de verschillende pijlers van diabeteszorg = prikkels tot gedeelde kwaliteitszorg Trends binnen de verschillende pijlers van diabeteszorg = prikkels tot gedeelde kwaliteitszorg Gent, 8 november 2011 Jan Vande Moortel Advocaat Lector recht en ethiek Wie is verantwoordelijk en waarvoor?

Nadere informatie

Burgerlijke aansprakelijkheid in schoolverband

Burgerlijke aansprakelijkheid in schoolverband Burgerlijke aansprakelijkheid in schoolverband Prof. dr. Alois VAN OEVELEN Gewoon hoogleraar Universiteit Antwerpen 1 BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID EN STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID A. Begrip burgerlijke

Nadere informatie

naar sporen Zelf casussen oplossen

naar sporen Zelf casussen oplossen Speuren C naar sporen Zelf casussen oplossen 2. Een lijk in de duinen Langs de N304, in een berkenbos in Natuurpark de Hoge Veluwe, wordt het lijk van een man gevonden. De forensisch arts verricht enkele

Nadere informatie

15445/1/06 REV 1 wat/hor/mg 1 DG H 2B

15445/1/06 REV 1 wat/hor/mg 1 DG H 2B RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 24 november 2006 (01.12) (OR. en) 15445/1/06 REV 1 COPEN 119 NOTA van: het voorzitterschap aan: de Raad nr. vorig doc.: 15115/06 COPEN 114 nr. Comv.: COM(2005) 91 def.

Nadere informatie

Verkorte inhoudsopgave

Verkorte inhoudsopgave Verkorte inhoudsopgave 1 GEZONDHEIDSSTRAFRECHT, DEFINITIE EN AFBAKENING 1 1.1 Definitie en afbakening 1 1.2 Indeling 1 2 ALGEMENEGEZONDHEIDSRECHTELIJKEREGELINGENEN STRAFRECHT 5 2.1 Inleiding 5 2.2 Geneesmiddelen

Nadere informatie

U bent gedagvaard. >voor de politierechtbank >voor de correctionele rechtbank. Wegwijs in justitie. In de hoofdrol bij justitie.

U bent gedagvaard. >voor de politierechtbank >voor de correctionele rechtbank. Wegwijs in justitie. In de hoofdrol bij justitie. Wegwijs in justitie In de hoofdrol bij justitie De instellingen Meer informatie Justitie in de praktijk Federale Overheidsdienst Justitie U bent gedagvaard >voor de politierechtbank >voor de correctionele

Nadere informatie