Inzicht in resultaat Oordelen over effectiviteit van maatregelen gericht op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Inzicht in resultaat Oordelen over effectiviteit van maatregelen gericht op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten"

Transcriptie

1 Inzicht in resultaat Oordelen over effectiviteit van maatregelen gericht op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten Foto: Erik Borst Berenschot B. Dunning, Bsc drs. P. Krauss ir. M.A.R. van Roost drs. S. Peerenboom TU Delft Faculteit Bestuur, Techniek en Management prof. mr. dr. J.A. de Bruijn dr. M.J.G. van Eeten drs. M.L.P. Groenleer drs. H.G. van der Voort 9 maart

2 37941

3 Inzicht in resultaat Oordelen over effectiviteit van maatregelen gericht op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten Inhoud Pagina Samenvatting 1 1. Inleiding Aanleiding voor het onderzoek Beperkingen van een causale analyse Mogelijkheden van Q-methodologie Selectie van maatregelen, respondenten, regio s en gemeenten, en schooltype Opzet van het onderzoek 9 2. Clusters van meningen over effectiviteit Inleiding Cluster 1: Het traject van de leerling: een doorlopende keuzelijn Cluster 2: Een optimaal systeem: overdrachten en overgangen Cluster 3: Het individu voorop: warm maar duidelijk Cluster 4: De sociale omgeving van de vsv er: laat ze niet los Meningen over maatregelen Inleiding Maatregelen die als effectief worden beoordeeld Maatregelen waarover sterke verschillen van mening bestaan Suggesties van respondenten Conclusie, discussie en reflectie Conclusies Q- analyse Discussie; bevindingen uit interviews Reflecties op het onderzoek

4 Bijlagen: 1. Kenmerken van de regio s en gemeenten 2. Overzicht maatregelen 3. Gesprekspartners 4. Gespreksinstructies 5. Opbrengstgesprekken 6. Opbrengst Q-analyse 7. Meningen over alle maatregelen 37941

5 Samenvatting Aanleiding Dit rapport gaat over het oordeel van professionals over de effectiviteit van maatregelen om voortijdig schoolverlaten terug te dringen. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) heeft met RMC-regio s convenanten afgesloten met als doel gemeenten en scholen te stimuleren om maatregelen te nemen die een bijdrage leveren aan het terugdringen van voortijdig schooluitval. De Directie Voortijdig Schoolverlaten (VSV) wil weten welke (clusters van) maatregelen in de betrokken Regionaal Meld- en Coördinatiepunt (RMC) regio s het beste werken om schooluitval terug te dringen, als aanvulling op bestaand kwantitatief onderzoek. Deze onderzoeksvraag wordt in dit onderzoek beantwoord door gebruik te maken van Q- methodologie. Deze onderzoeksmethode maakt het mogelijk om inzicht te verkrijgen in de (variëteit van) meningen van de direct bij het beleid betrokken professionals over effectiviteit. Effectiviteit is in dit onderzoek gedefinieerd als de mate waarin de maatregel een bijdrage levert aan de afname van het aantal vsv ers. Hoe groter de gerealiseerde afname in vsv ers, des te effectiever de maatregel. Vier beleidstheorieën Het eerste resultaat van dit onderzoek zijn clusters van meningen, ofwel persoonlijke beleidstheorieën van professionals over effectiviteit. Deze clusters van meningen verschaffen ons inzicht in de wijze waarop de verscheidenheid aan betrokken professionals het probleem van voortijdig schoolverlaten benadert en welke maatregelen vanuit dit perspectief effectief gevonden worden. 1. Het traject van de leerling gaat uit van de schoolcarrière van de individuele leerling en is erop gericht om leerlingen op school intensief gedurende deze carrière te begeleiden bij de keuzes die zij moeten maken. Een vsv er is een leerling die verkeerde keuzes heeft gemaakt. Deze beleidstheorie wordt met name aangehangen door respondenten die zich bezighouden met stagebemiddeling en beroepsoriëntatie alsmede het management van scholen. 2. Een optimaal systeem gaat uit van het optimaliseren van het systeem van overdrachten en overgangen tussen organisaties die betrokken zijn bij leerplichtige leerlingen. Omdat deze beleidstheorie zich richt op het systeem en niet op de individuele leerling, heeft een vsv er hier niet een uitgesproken profiel. Deze beleidstheorie wordt met name aangehangen door gemeenteambtenaren (beleidsmakers, leerplichtambtenaren, RMC-functionarissen). In Flevoland wordt deze beleidstheorie meer aangehangen dan in Haaglanden. 3. Het individu voorop gaat ervan uit dat het terugdringen van vsv gediend is met het bieden van een warm pedagogisch-didactisch klimaat en het bieden van duidelijkheid over bijvoorbeeld absentie. De focus ligt hierbij op het leveren van maatwerk aan leerlingen, waarbij onderwijs en zorg parallel lopen. De vsv er is in deze beleidstheorie veelal een zorgleerling. Deze mening wordt met name vertegenwoordigd door respondenten die zich op een of andere manier met preventieve zorg of preventie van verzuim bezighouden

6 4. De sociale omgeving van de vsv er gaat ervan uit dat vsv kan worden teruggedrongen door het bieden van maatwerk in zorg- en hulpverlening aan leerlingen. Het aangrijpingspunt hiervoor is de individuele leerling in zijn verschillende leefomgevingen, zoals school, ouders, familie, vrienden, et cetera. Een belangrijk deel van de oplossingen ligt in de beïnvloedingsmogelijkheden die de leefomgeving biedt, zowel om vsv ers binnen school te houden als ze weer op school te krijgen. Deze beleidstheorie wordt met name aangehangen door respondenten uit zorg- en hulpverlenende instanties. De vier clusters kunnen van elkaar worden onderscheiden op basis van de volgende twee dimensies: het niveau van de ingezette maatregel (individu of collectief) en de aard van de ingezette maatregel (aandacht geven of organisatie op orde krijgen), hetgeen leidt tot de volgende typologie van clusters van meningen over effectiviteit. Niveau van de maatregel Aard van de maatregel Individu Collectief Organisatie Cluster 1: Het traject van de leerling Cluster 2: Een optimaal systeem Aandacht Cluster 3: Het individu voorop Cluster 4: De sociale omgeving van de vsv er Maatregelen in convenanten worden effectief bevonden Vrijwel alle respondenten beschouwen de meeste voorgelegde maatregelen als effectief. Op zichzelf is dit niet verassend: de maatregelen zoals ingezet komen niet voor niets voor op de lijst van best practices en quick wins. Het is wel bemoedigend voor hen die de convenanten hebben getekend: de maatregelen in de convenanten worden door professionals effectief geacht. De vier gevonden beleidstheorieën vertegenwoordigen zelden precies de individuele meningen van de respondenten. Het tweede resultaat van dit onderzoek is dan ook inzicht in de meningen over individuele maatregelen. Dit verrijkt de resultaten van de Q-analyse door bijvoorbeeld inzicht te geven in de condities waaronder maatregelen (al of niet) effectief kunnen zijn. Vsv- problematiek als veelkoppig monster? De vsv-problematiek wordt wel beschouwd als een veelkoppig monster waarbij alles met alles samenhangt. Een dergelijke holistische manier van kijken naar vsv geeft weinig hoop op een beleidsmatige oplossing. Een oplossing zou volgens een dergelijke visie slechts een schot hagel kunnen zijn en derhalve weinig kunnen uitrichten

7 De resultaten uit dit onderzoeken suggereren het tegendeel. Er zijn wel degelijk patronen te vinden in de oordelen van professionals over oorzaken van vsv en de effectiviteit van maatregelen. Deze patronen (de vier beleidstheorieën) vormen een goed uitgangspunt voor verder vsv- beleid

8

9 1. Inleiding 1.1 Aanleiding voor het onderzoek Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) heeft met RMC-regio s convenanten afgesloten met als doel gemeenten en scholen te stimuleren om maatregelen te nemen die een bijdrage leveren aan het terugdringen van voortijdig schooluitval. De Directie Voortijdig Schoolverlaten (VSV) van het ministerie heeft behoefte aan een aanvullende kwalitatieve analyse van de effectiviteit van deze convenanten. Zij wil weten welke (clusters van) maatregelen in de betrokken Regionaal Meld- en Coördinatiepunt (RMC) regio s het beste werken om schooluitval terug te dringen. Omdat het moeilijk gebleken is om een causaal verband te leggen tussen de ingezette maatregelen en de gemeten schooluitval in de RMC-regio s, wordt deze vraag in dit onderzoek beantwoord door gebruik te maken van Q-methodologie. Deze onderzoeksmethode maakt het mogelijk om inzicht te verkrijgen in de (variëteit van) meningen van de direct bij het beleid betrokken professionals over effectiviteit en kan daardoor een waardevolle aanvulling zijn op de reeds bestaande kwantitatieve analyses. 1.2 Beperkingen van een causale analyse Voor het schooljaar zijn met veertien RMC-regio s convenanten gesloten. Daarin zijn afspraken over reductie van het aantal vroegtijdig schoolverlaters vastgelegd. Met welke maatregelen de gemeenten in overleg met scholen vastgelegde doelstelling bereiken, kunnen zij zelf bepalen. De convenanten tussen Rijk en regio s gaan gepaard met een menulijst waarin maatregelen zijn opgenomen die kunnen worden ingezet om uitval terug te dringen. Deze menulijst bestaat uit zogeheten Good Practices & Quick Wins, zoals deze zijn gebleken uit eerder onderzoek. Er wordt veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van vsv-beleid. Uit cijfers blijkt dat het aantal voortijdig schoolverlaters landelijk gezien gemiddeld 10% is afgenomen ten opzichte van het peiljaar Het is echter moeilijk om een causaal verband te leggen tussen de genomen maatregelen enerzijds en het aantal leerlingen dat voortijdig een onderwijsinstelling verlaat anderzijds. Op basis van (kwantitatieve) analyses is bovendien moeilijk aan te geven welke maatregelen nu het beste hebben gewerkt en waarom juist deze maatregelen. Niettemin wil en moet het ministerie verantwoording af kunnen leggen over haar beleid en inzicht kunnen geven in de effectiviteit van de in het kader van de convenanten ingezette maatregelen. De complexiteit van het vsv-probleem maakt het nodig om, naast de bestaande kwantitatieve analyses, een meer kwalitatieve analyse uit te voeren die inzicht biedt in de effectiviteit van de verschillende maatregelen. 1 (11 februari 2009)

10 Het probleem van schooluitval is, zoals reeds in eerder onderzoek aangetoond, niet eenduidig definieerbaar en ook de oorzaken van het probleem zijn velerlei. VSV is, zo wordt ook wel gezegd, een veelkoppig monster. Vandaar dat op verschillende niveaus (nationaal, regionaal, lokaal) uiteenlopende maatregelen zijn geïnitieerd, welke zich richten op verschillende aspecten van het probleem. Deze maatregelen worden in verschillende combinaties ingezet. Voor veel maatregelen zal het effect zich op langere termijn manifesteren. Het aantal actoren betrokken bij de verschillende aspecten van het probleem, is bovendien groot en varieert van scholen en gemeenten, tot jeugdzorg, maatschappelijk werk, politie en justitie, het bedrijfsleven en de leerlingen en hun ouders zelf. Er zijn veel verschillende definities van het probleem in omloop en er wordt verschillend gedacht over de oorzaken van vsv 2. Deze diversiteit, het grote aantal betrokken actoren, het brede scala aan maatregelen dat in verschillende combinaties wordt ingezet en het lange termijn perspectief maken het bijzonder moeilijk om de effectiviteit van de (afzonderlijke) maatregelen objectief te beoordelen. 3 Het is mogelijk dat maatregelen uit de menulijst op regionaal of lokaal niveau worden aangepast, zodat ze aansluiten op de regionale of lokale omstandigheden. Het zou kunnen dat de ingezette maatregelen juist door de regionaal of lokaal gemaakte aanpassingen hun vruchten afwerpen. Dergelijke aanpassingen en de gevolgen daarvan komen niet naar voren uit onderzoek dat zich uitsluitend richt op de relatie tussen de afgesloten convenanten en schooluitval. Veel regio s en gemeenten hebben bovendien zelf al maatregelen ingezet om schooluitval terug te dringen. Het is denkbaar dat (reeds bestaand) regionaal of lokaal beleid interfereert met de afspraken gemaakt in het kader van de convenanten. Ook het effect van interferenties met regionaal of lokaal beleid blijkt niet uit onderzoek dat zich uitsluitend richt op de relatie tussen de afgesloten convenanten en schooluitval. Tot slot zou het kunnen dat betrokkenen leren van de uitvoering van maatregelen in de praktijk en daarop hun gedrag aanpassen, hetgeen gevolgen kan hebben voor de effectiviteit van deze maatregelen. Om de vraag naar de effectiviteit van ingezette maatregelen te kunnen beantwoorden, wordt in dit onderzoek gebruik gemaakt van een kwalitatieve methode die expliciet rekening houdt met bovenstaande problematiek, de zogenaamde Q-methodologie. 2 Denk bijvoorbeeld aan het onderscheid van Eimers tussen opstappers, verhinderden en niet-kunners ; T. Eimers Vroeg is nog niet voortijdig; naar een nieuwe beleidstheorie voortijdig schoolverlaten (2005) 3 Een uitgebreidere probleemanalyse is te vinden in het genoemde rapport van Eimers en: R. in t Veld c.s. Kosten en baten van voortijd schoolverlaten (2006) J. de Jong c.s. Kafkabrigade voortijdig schoolverlaten (2006) WRR. Vertrouwen in de school; Over de uitval van overbelaste jongeren, rap.nr. 83 (2009)

11 1.3 Mogelijkheden van Q-methodologie Q-methodologie, een methode met zowel kwalitatieve als kwantitatieve eigenschappen, is bij uitstek geschikt om de effectiviteit van bepaalde beleidsmaatregelen vast te stellen door gebruik te maken van de meningen van (in dit geval) professionals die bij de uitvoering van deze maatregelen betrokken zijn. Betrokkenen (de respondenten) wordt een set van (meestal circa 50 tot 75) uitspraken voorgelegd, de zogenaamde Q-states. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van 49 Q- states, waarbij elke Q-state een maatregel is. Vervolgens wordt de respondenten gevraagd deze te ordenen op basis van een bepaalde instructie, in dit geval van meest effectief tot minst effectief. Dit proces wordt ook wel Q-sorting genoemd. Op basis van de informatie die per respondent wordt verkregen, de zogenaamde Q-sort, kan vervolgens worden gezocht naar correlaties. De ordeningen van de respondenten worden daartoe geaggregeerd door middel van factoranalyse. Hieruit komen clusters van meningen naar voren (bijvoorbeeld: iemand die maatregelen 13, 18 en 49 effectief vindt, vindt 23 en 17 ineffectief en is indifferent ten opzichte van 3 en 40). Sommige respondenten zijn sterk geassocieerd met een bepaald cluster (defining), wat wil zeggen dat hun ordening in hoge mate overeenkomt met dat cluster. Voor andere respondenten geldt dit in mindere mate; zij kunnen weer sterk geassocieerd zijn met een ander cluster. Tijdens en na afloop van het ordenen worden door de onderzoeker vragen gesteld over de rangschikking, hetgeen respondenten de mogelijkheid biedt hun overwegingen kenbaar te maken. De Q-sort geeft richting aan de onderwerpen die tijdens het interview aan de orde kunnen komen (bijvoorbeeld waarom de respondent een bepaalde maatregel hoog scoorde terwijl hij een andere laag scoorde; of waarom een respondent indifferent was ten opzichte van een bepaalde maatregel). Op basis van de interviews kunnen de clusters van meningen worden geïnterpreteerd. Een belangrijk voordeel van Q-methodologie is dat deze niet uitgaat van vooraf door de onderzoeker (of de respondent) geformuleerde of gecreëerde categorieën. Convergentie van meningen wordt dus niet geforceerd. De clustering is empirisch, waardoor de rijkheid van de verzamelde data behouden blijft. Tegelijkertijd maakt de methode het mogelijk om subjectieve data zoals meningen te aggregeren en te clusteren waardoor meer algemeen geldige uitspraken kunnen worden gedaan over de vermeende effectiviteit van bepaalde maatregelen. Voor Q-methodologie is het niet vereist dat een groot aantal respondenten wordt geïnterviewd. Bij een aantal van circa 40 respondenten kan de methode geldige uitkomsten genereren. De systematische studie van subjectiviteit door middel van Q-methodologie vormt daardoor een waardevolle aanvulling op gebruikelijke kwantitatieve methoden (R-methodologie). Waar deze methoden zijn gebaseerd op de studie van grote getallen, gaat het bij Q-methodologie om de meningen van de betrokken professionals en de mate waarin deze overeenkomen of verschillen

12 1.4 Selectie van maatregelen, respondenten, regio s en gemeenten, en schooltype Teneinde het onderzoek af te bakenen is in overleg met de Directie VSV een viertal keuzes gemaakt. 1. Maatregelen Een eerste keuze heeft betrekking op het type uitspraken. Er is niet voor gekozen om uitspraken over de effectiviteit van ingezette maatregelen te formuleren en de respondenten te vragen of zij het hier eens of oneens mee zijn. In plaats daarvan is er voor gekozen om de maatregelen zelf op kaartjes te plaatsen en de respondenten te vragen naar hun visie op de effectiviteit van deze maatregelen. De geselecteerde maatregelen zijn afkomstig uit de lijsten met maatregelen om uitval te reduceren zoals deze zijn opgenomen in convenanten (zowel als ). 2. Respondenten Een tweede keuze betreft de selectie van respondenten. In het onderzoek zijn uitsluitend de professionals in het onderwijsveld (in het bijzonder de gemeenten, onderwijsinstellingen, zorgverlenende instanties, en stagebemiddelaars) opgenomen. We hebben ervoor gezorgd dat alle schakels uit de VSV-keten vertegenwoordigd in dit onderzoek zijn: beleidsmakers (wethouders, beleidsmedewerkers), personen die risicoleerlingen signaleren (zoals docenten, verzuimcoördinatoren en leerplichtambtenaren), de organisaties die de aard van het probleem kunnen beoordelen (ZAT s, Bureau Jeugdzorg) en de organisaties die interventies doen om de betreffende leerling terug naar het onderwijs te leiden (scholen, RMC, studiecoaches, maatschappelijk werk). Veel organisaties ondernemen activiteiten in meerdere schakels van de keten. De verdeling van het aantal gesprekken over verschillende typen respondenten is te vinden in bijlage 3. Vanwege de hoeveelheid scholen en het feit dat we het onderzoek uitvoerden in zowel het VMBO als het MBO, hebben we er voor gekozen om ongeveer de helft van de gesprekken te voeren met vertegenwoordigers van scholen. Voor de andere helft van de gesprekken was een min of meer gelijke verdeling over verschillende typen functionarissen het uitgangspunt. In praktijk hebben onze gesprekspartners in de regio s ons voorzien van suggesties voor andere gesprekspartners (de sneeuwbalmethode ). Dit verklaart waarom de verdeling van gesprekspartners tussen beide regio s niet helemaal gelijk is. Er is voor gekozen om de maatregelen niet aan scholieren (en eventueel hun ouders) voor te leggen. Het kennisniveau en de uitdrukkingsvaardigheden van scholieren achten we niet hoog genoeg voor een zuivere bijdrage aan de data. Er is ook niet voor gekozen om een aparte Q- analyse onder scholieren uit te voeren. Het nadeel van een dergelijke aanpak is dat de uitkomsten niet direct kunnen worden vergeleken met die van het onderzoek onder de professionals omdat gebruik moet worden gemaakt van andersoortige uitspraken

13 3. Regio s en gemeenten Een volgende keuze betreft de selectie van regio s en gemeenten. Voor de Directie VSV zijn hierbij twee uitgangspunten van belang. Ten eerste dat de onderzoeksresultaten van waarde zijn voor alle RMC-regio s en ten tweede dat inzichtelijk moet worden gemaakt of de regionale/lokale context van invloed is op de oordelen over effectiviteit. Op grond van het eerste uitgangspunt worden regio s geselecteerd die een brede variëteit aan maatregelen kennen; op grond van het tweede uitgangspunt worden regio s geselecteerd die vergelijkbare maatregelen hebben ingezet. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een keuze voor de RMC-regio s Haaglanden en Flevoland. Bij deze keuze is enerzijds rekening gehouden met de representativiteit van het onderzoek, terwijl anderzijds de beschikbare tijd en reikwijdte van het onderzoek bepalend zijn geweest. De regio s Haaglanden en Flevoland zijn vergelijkbaar voor wat betreft de aard en omvang van de vsvproblematiek in het kader waarvan in beide regio s een brede variëteit aan vergelijkbare maatregelen is ingezet. De regio s onderscheiden zich evenwel van elkaar voor wat betreft hun demografische en socio-economische kenmerken. Mocht uit de resultaten van dit onderzoek blijken dat de effectiviteit van de ingezette maatregelen in beide regio s hetzelfde wordt beoordeeld, dan kan hieruit worden afgeleid dat deze kenmerken niet sterk bepalend zijn voor de beoordeling van de effectiviteit. Daarmee neemt de bruikbaarheid van de resultaten voor andere regio s toe. Binnen de regio s is om zowel inhoudelijke (aard en omvang van de vsv-problematiek) als praktische (toegankelijkheid) redenen gekozen voor de gemeenten Den Haag en Zoetermeer, en Almere en Lelystad. Gezien de gewenste doorlooptijd zijn beide regio s tegelijkertijd onderzocht. Meer informatie over de kenmerken van de geselecteerde regio s en gemeenten is te vinden in bijlage Schooltype Een laatste keuze heeft betrekking op het schooltype. Het vsv-beleid richt zich in principe op al het onderwijs aan jongeren van 12 jaar en ouder. De aard van de problematiek en ook het aantal en de soort maatregelen die van toepassing zijn, verschillen echter per schooltype. Omdat de vsvproblematiek het grootst is op VMBO en MBO niveau richt dit onderzoek zich op deze twee schooltypen. De maatregelen die zijn ingezet voor wat betreft het terugdringen van de problematiek op VMBO en MBO niveau in de bovengenoemde regio s en gemeenten zijn in grote lijnen vergelijkbaar, althans op papier. 1.5 Opzet van het onderzoek Het onderzoek is uitgevoerd in een viertal fasen. Fase 1: Opstellen van maatregelen en selectie van respondenten In september 2008 is een set van maatregelen opgesteld. Hierbij is niet alleen gekeken naar maatregelen in de convenanten , maar ook naar maatregelen in de convenanten Dit vanuit de veronderstelling dat de maatregelen in de laatstgenoemde convenanten ook vooral een intensivering van bestaande maatregelen betreffen en niet zozeer het initiëren van geheel nieuwe maatregelen. Niettemin zou het opnemen van maatregelen uit de convenanten

14 kunnen betekenen dat nog niet met alle maatregelen concrete ervaring is opgedaan. De conceptset is ter validatie voorgelegd aan de RMC-coördinatoren. Herziening van de set resulteerde uiteindelijk in een definitieve set van 49 maatregelen die zijn in te delen in verschillende categorieën (zie Tabel 1.1). Deze maatregelen zijn op willekeurig genummerde kaartjes geplaatst. Een compleet overzicht van de maatregelen per categorie is te vinden in bijlage 2. Tabel 1.1: Categorieën maatregelen Overgang VMBO-MBO (logistiek) Overgang VMBO-MBO (onderwijsconcept) Stages en beroepenoriëntatie Opvangklassen en instroommomenten Zorg Advies Teams (ZAT s) Verzuimbeleid Samenwerking leerplicht-rmc Samenwerking onderwijs-gemeente Pro-actieve invulling RMC-taken In de loop van oktober zijn de respondenten geselecteerd. De lijst van respondenten is opgesteld in overleg met de RMC-coördinatoren en is gedurende het veldwerk verder gecompleteerd. Niet alle benaderde instellingen waren bereid om medewerking te verlenen. Vandaar dat het aantal respondenten per categorie tussen de beide regio s enigszins uiteenloopt. Uiteindelijk is er voor gekozen geen respondenten van politie en justitie op te nemen omdat deze verder afstaan van de vsv-problematiek dan andere instellingen. Tabel 1.2 geeft de verdeling van het aantal respondenten over de betrokken instellingen per regio weer. Een volledig overzicht van respondenten is te vinden in bijlage 3. Tabel 1.2: Verdeling van respondenten per betrokken instelling/instantie en regio Gemeente Flevoland Bestuurders 2 2 Beleidsmedewerkers 3 4 RMC/Leerplicht 6 5 Onderwijs (zorgcoördinatoren, management, docenten) Partners VMBO MBO 9 14 ZAT 7 5 Andere partners (stages, werk, inkomen) 10 6 Totaal Haaglanden

15 Fase 2: Veldwerk: Q-sorts en interviews Van oktober tot en met december vond het veldonderzoek plaats. In totaal werden 88 interviews gehouden met 93 personen (in enkele gevallen namen 2 personen deel aan een interview) die resulteerden in 83 Q-sorts (in enkele gevallen kon geen Q-sort worden ingevuld). Respondenten werden de 49 kaartjes met maatregelen voorgelegd met de vraag deze te rangschikken op een schaal van minst effectief (-3) tot meest effectief (+3), op basis van een instructie over het maximum neer te leggen aantal kaartjes met maatregelen per score (zie Tabel 1.3). Onder effectief wordt verstaan dat de maatregel volgens de respondenten een bijdrage levert aan de afname van het aantal vsv ers. Hoe groter de gerealiseerde afname van vsv ers, des te effectiever de maatregel. Tabel 1.3: Aantal maatregelen per score -3 Minst effectief Meest effectief Respondenten werden gevraagd de kaartjes zoveel mogelijk op basis van hun ervaring met de maatregelen te rangschikken en hun rangschikking toe te lichten. Als ze geen mening hadden over de voorgelegde maatregel dan werd respondenten verzocht het kaartje met deze maatregel in het midden te leggen. Tijdens (en na afloop) van het rangschikken stelden de onderzoekers hen een aantal vragen over hun rangschikking. Tevens werd een aantal controlevragen gesteld, onder andere over maatregelen die de respondenten misten en over maatregelen waarop in de toekomst zou moeten worden ingezet. De door de onderzoekers gebruikte instructie is te vinden in bijlage 4. Hetzelfde geldt voor een compilatie van de antwoorden op de genoemde twee controlevragen (bijlage 5)

16 De onderzoekers vulden na afloop van het interview de rangschikking in op een invulformulier. Uit de gecompleteerde Q-sorts komt naar voren hoe de respondenten de effectiviteit van een bepaalde maatregel beoordelen. Een voorbeeld van een gecompleteerde (en geanonimiseerde) Q-sort is opgenomen in bijlage 5. Uit de gemaakte interviewverslagen wordt duidelijk waarom de respondenten de kaartjes met maatregelen op een bepaalde manier hebben gerangschikt. Fase 3: Factor analyse en interpretatie Op de Q-sorts is daarna een factoranalyse uitgevoerd (zie bijlage 6). De middels de factoranalyse gegenereerde clusters van meningen over effectiviteit zijn vervolgens door de onderzoekers geïnterpreteerd aan de hand van de interviewverslagen. Tevens is op basis van de interviewverslagen per maatregel uitgezocht wat de variëteit aan meningen is en hoe deze meningen zich verhouden tot de gegenereerde clusters. Fase 4: Rapportage Dit rapport is opgesteld op basis van de uitkomsten van het onderzoek en de feedback van de opdrachtgever op een presentatie naar aanleiding van een voorlopige analyse en interpretatie. 1.6 Leeswijzer In het vervolg van dit rapport worden de bevindingen van het onderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 2 worden vier clusters van meningen onderscheiden. Per cluster wordt, na een korte kenschets van het cluster, ingegaan op maatregelen die als effectief worden beoordeeld en maatregelen die als minder effectief worden beoordeeld. Per cluster wordt aangegeven welk type respondenten bepalend (defining) zijn. Vervolgens worden deze uitkomsten geïnterpreteerd aan de hand van de in het kader van het onderzoek gehouden interviews. In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de (uiteenlopende) meningen zijn inzake de effectiviteit van de 49 maatregelen. De meningen worden zo veel mogelijk verbonden met de clusters zoals onderscheiden in hoofdstuk 2. In de conclusie wordt de vraag die centraal staat in dit onderzoek beantwoord. Allereerst worden verklaringen opgeworpen voor de in hoofdstuk 2 en 3 gepresenteerde resultaten. Tevens wordt ingegaan op de toegevoegde waarde van de gehanteerde onderzoeksmethode, Q methodologie, en de complementariteit van deze methode ten opzichte van een causale analyse. Vervolgens wordt gereflecteerd op de rol van de convenanten bij de beoordeling van de effectiviteit van de ingezette maatregelen. Tot slot wordt een aantal aanbevelingen gedaan voor verder onderzoek

17 2. Clusters van meningen over effectiviteit 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk presenteren we de resultaten van de Q-analyse. De Q-analyse van de rangschikkingen leidt tot een vier-factorenoplossing, dat wil zeggen dat wij onder de geïnterviewde respondenten vier verschillende beleidstheorieën vonden over de effectiviteit van maatregelen. Het gaat om de volgende factoren, of zoals we ze hier noemen om verwarring te voorkomen, clusters van meningen: 4 1. Het traject van de leerling: een doorlopende keuzelijn. 2. Een optimaal systeem: overdrachten en overgangen. 3. Het individu voorop: warm maar duidelijk. 4. De sociale omgeving van de vsv er: laat ze niet los. De beschrijving van de clusters is als volgt opgebouwd. Na een korte kenschets van het cluster worden allereerst de resultaten van de Q-analyse gepresenteerd. Het gaat hierbij om een overzicht van de 10 maatregelen die binnen het cluster het meest effectief worden geacht en de 10 maatregelen die het minst effectief worden geacht. Verder maken we een typering van de respondenten van wie de rangschikking het sterkst geassocieerd is met het cluster (de in hoofdstuk 1 genoemde defining sorts). Vervolgens worden de resultaten van de Q-analyse geïnterpreteerd. Dat gebeurt (mede) op basis van de interviews met de respondenten die het sterkst geassocieerd zijn met het cluster. De interpretatie vertolkt het perspectief van een ideaaltypische respondent wiens opvattingen volledig overeenkomen met het gevonden cluster. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een korte conclusie waarin we ingaan op de relevantie van de geïdentificeerde beleidstheorieën voor verdere beleidsvorming. 2.2 Cluster 1: Het traject van de leerling: een doorlopende keuzelijn Dit cluster vertegenwoordigt meningen die gaan over keuzes van leerlingen gedurende het traject dat (oftewel de schoolcarrière die) zij doorlopen. Leerlingen moeten nogal wat keuzes maken. Hierbij kan worden gedacht aan specialisaties binnen school, vervolgopleidingen, stages en een uiteindelijke werkgever. Verkeerde keuzes kunnen leiden tot demotivatie, wachttijden en uiteindelijk zelfs tot uitval. Vandaar dat maatregelen gericht op het bevorderen van een goede keuze en het bespoedigen van het leertraject van de individuele leerling worden beoordeeld als het meest effectief. 4 De vier factoren verklaren gezamenlijk 37% van de variantie in de rangschikking van de effectiviteit van maatregelen

18 2.2.1 Resultaten van de Q-analyse 5 Over de maatregelen De volgende 10 maatregelen scoren in dit cluster hoog (van meest effectief, 3, naar effectief, 2) in dit cluster: Kennismakingsperiode (4 e jaars VMBO- leerlingen en/of bij start op MBO). 2. Beroeps- en studiekeuze begeleiding op VMBO. 3. Onderwijskundige aansluiting tussen VMBO en MBO. 4. Deskundigheidsbevordering docenten (signaleren zorgsignaal). 5. Tutoring tussen MBO- en VMBO-leerlingen. 6. Deskundigheidsbevordering docenten (training en coaching). 7. Gedurende schoolcarrière: van oriënterende naar verdiepende stages. 8. Actief investeren in samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven. 9. Intensieve stagebegeleiding door de school. 10. Warme overdracht tussen VMBO-MBO. De 10 minst effectief geachte maatregelen zijn (van minst effectief, -3, naar minder effectief, -2): Het doorgeven van een absentieregistratie aan RMC. 2. Lik op stuk spijbelbeleid van de school. 3. Dossieroverdracht tussen leerplicht en RMC Verzuimprotocol met alle betrokken partners. 5. Registratie en monitoring door leerplicht en RMC op orde. 6. Samenwerking in Jongerenloket door CWI/Sociale Dienst/RMC. 7. Voorlichting aan ouders over leerplicht. 8. Het doorgeven van een absentieregistratie aan de leerplichtambtenaar. 9. Investeren in een schoolbrede absentieregistratie. 10. Benaderen leerlingen die niet staan ingeschreven. 5 De meningen van zeven respondenten komen voor 0,5 of meer overeen met de verdeling van de maatregelen in het cluster

19 Maatregelen die te maken hebben met beroepenoriëntatie worden als effectief beoordeeld. Binnen deze categorie mikken de respondenten uit dit cluster vooral op de maatregelen die betrekking hebben op intensieve begeleiding van individuele leerlingen. De effectiviteit van vrijblijvender en meer op het collectief gerichte maatregelen als gastdocenten en stage van een dag, wordt lager beoordeeld, maar niet zo laag als in de andere clusters. Stagemaatregelen die te maken hebben met begeleiding van leerlingen en maatregelen met betrekking tot samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven worden als effectief beoordeeld. Minder effectief, volgens de respondenten in dit cluster, zijn de maatregelen die te maken hebben met het creëren van stageplaatsen. Respondenten uit dit cluster hechten veel waarde aan maatregelen die betrekking hebben op de overgang tussen VMBO en MBO. Deze overgang wordt breed geïnterpreteerd. Intensieve en kwalitatieve overdrachten (zoals de warme overdracht) worden als effectief beoordeeld, in tegenstelling tot de meer administratieve overdrachten (waaronder het doorgeven van een absentieregistratie aan Leerplicht en het benaderen van leerlingen die niet staan ingeschreven). Vrijwel alle maatregelen die te maken hebben met verzuimbeleid en registratie worden als minder effectief beoordeeld. Dit geldt zowel voor verzuimbeleid en -registratie vanuit de school (zoals lik op stuk spijbelbeleid) als voor de maatregelen die door Leerplicht en RMC genomen worden. Het vertrouwen in het betrekken van ouders is gemiddeld. Opvallend is verder dat geen van de maatregelen die te maken hebben met een Zorg Advies Team of extra begeleiding van probleem- of zorgleerlingen in de beide lijsten (meest/minst effectief) voorkomt. In dat opzicht onderscheidt dit cluster zich van cluster 3 waarin er ook aandacht is voor de individuele leerling maar veel meer vanuit de zorgkant. In dit cluster wordt wel waarde gehecht aan het herkennen van zorgsignalen door docenten, maar meer vanuit hun rol als docent. Deskundigheidsbevordering van docenten, zowel waar het signalering van zorgsignalen als training en coaching betreft, scoort hoog. Over de respondenten Met name respondenten die zich bezighouden met stagebemiddeling en beroepsoriëntatie volgen het stramien van dit cluster. Ook het management van scholen (zowel VMBO als MBO) scoort hoog op dit cluster. Gemeentelijke respondenten (beleidsmakers, leerplichtambtenaren, RMC-functionarissen) zijn opvallend ondervertegenwoordigd. De mate waarin partners uit het ZAT zich met dit cluster verenigen, wisselt sterk. De respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster zijn in beide RMC-regio s te vinden en gelijkelijk verdeeld over Haaglanden en Flevoland

20 2.2.2 Interpretatie op basis van de interviews De belangrijkste oorzaak van voortijdig schoolverlaten is het maken van verkeerde keuzes door de leerling. Verkeerde keuzes kunnen verschillende achterliggende oorzaken hebben die zowel betrekking hebben op de (sociale) omgeving van de leerling als op de leerling zelf (zoals psychosociale problemen). Een belangrijk extra probleem is dat leerlingen er vaak pas laat achter komen wat ze willen, terwijl ze in de huidige structuur al in een vroegtijdig stadium worden gedwongen om een keuze te maken. Deze misfit kan er voor zorgen dat leerlingen een opleiding gaan volgen die ze niet leuk vinden en stages lopen bij bedrijven waar ze niet passen. Dit kan vervolgens weer leiden tot motivatieproblemen en daarmee tot studievertraging, slecht verlopende stages (weggestuurd worden) en uiteindelijk uitval. Het aangrijpingspunt voor interventie is de schoolcarrière van de leerling, van VMBO tot aan de eerste betaalde baan. Tijdens deze schoolcarrière worden veel keuzes gemaakt, die maximaal moeten worden gefaciliteerd. De overgang tussen VMBO en MBO moet voor de leerling zo soepel mogelijk verlopen; vooral de overdracht moet zo warm (over wat precies warm is, lopen de meningen uiteen, zie hoofdstuk 3) mogelijk zijn. Er moet sprake zijn van doorlopende leerlijnen. Eigenlijk gaat een warme overdracht niet ver genoeg. Liever worden VMBO en MBO geheel geïntegreerd. De huidige opzet met twee verschillende scholen is een breuk in de keten. Om de leerling te helpen bij het maken van een juiste keuze en om de overgang zo klein mogelijk te maken, is een kennismakingsperiode op het MBO volgens respondenten in dit cluster bijzonder effectief. Dit terwijl respondenten in andere clusters, met name die in cluster 3, deze maatregel als minder effectief beoordelen. Kennismakingsperiode VMBO leerlingen op MBO. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Op het MBO ligt het accent vooral op het verdere keuzeproces, namelijk richting stages en werk. Intensieve begeleiding moet gebeuren vanuit de school, omdat deze het dichtst bij de leerling staat en omdat de leerling behoefte heeft aan continuïteit en eenduidigheid in contact ( Je bent al de vierde persoon van wie ik iets moet ). Met name docenten/stagebegeleiders op school, die weten of een leerling behoefte heeft aan ruimte om eigen keuzes te maken of juist niet, vervullen daarom een centrale rol. Veel stages verlopen nu suboptimaal wegens een gebrek aan begeleiding vanuit de school. Daar waar uitval wordt veroorzaakt door andere oorzaken (bijvoorbeeld psychosociale problemen), gaat het er om de leerling in een zo vroeg mogelijk stadium te helpen. De voorkeur ligt hier bij maatregelen in de preventieve sfeer. Onder preventief wordt door de respondenten in dit cluster verstaan het accent op signalering en directe terugkoppeling op eventuele probleemsituaties. Respondenten vinden dat acties door leerplicht, RMC en ZAT s relatief lang op zich laten wachten. Bovendien geldt dat het eigenlijk al te laat is als een leerling in het ZAT besproken wordt en kan het ZAT vaak maar een beperkt aantal leerlingen helpen

21 Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Inrichting ZAT op school Cluster 4 De sociale omgeving Goede aansluiting ZAT op externe zorg (BJZ, Jeugd GGZ etc.). Kwaliteitseisen aan ZAT (samenstelling, expertise etc.). Verbinding ZAT VMBO en ZAT MBO Repressieve maatregelen, zoals een lik op stuk spijbelbeleid wordt gezien, zijn effectief voor een beperkte categorie leerlingen, maar werken juist averechts bij een groter groep anderen, met name leerlingen met psychosociale problemen: het gebrek aan motivatie zal alleen maar worden vergroot. Respondenten in dit cluster beoordelen daarom een lik op stuk spijbelbeleid als een van de minst effectieve maatregelen, terwijl respondenten in de andere drie clusters (met name in 3) deze maatregel als relatief effectief achten. Maatregelen met betrekking tot registratie van verzuim zijn volgens respondenten in dit cluster niet gericht op de kern van de vsv-problematiek: Dan is de registratie op orde, en dan? Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Lik op stuk spijbelbeleid Cluster 4 De sociale omgeving 2.3 Cluster 2: Een optimaal systeem: overdrachten en overgangen In dit cluster worden maatregelen die betrekking hebben op het bredere systeem (niet alleen de school, maar ook daarbuiten) als effectief beoordeeld. Maatregelen die gericht zijn op het collectief en die te maken hebben met het bewerkstelligen van een optimale organisatie scoren vrijwel zonder uitzondering hoog. Respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster zetten vooral in op overdrachten en overgangen. Daar is zowel de kans op uitval als de potentieel te pakken winst in termen van het reduceren van deze uitval het grootst

22 2.3.1 Resultaten van de Q-analyse 6 Over de maatregelen De volgende 10 maatregelen scoren hoog (van meest effectief, +3, naar effectief, +2) in dit cluster: Warme overdracht tussen VMBO-MBO. 2. Meerdere instroommomenten per jaar op MBO. 3. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om leerlingen binnenboord te houden Beroeps- en studie keuze begeleiding op VMBO. 5. Inrichting ZAT op school. 6. Goede aansluiting ZAT op externe zorg (BJZ, Jeugd GGZ, Opvang). 7. Onderwijskundige aansluiting VMBO MBO. 8. Check op inschrijving VMBO eindexamenleerlingen op MBO. 9. Investeren in een schoolbrede absentieregistratie. 10. Studie- en loopbaanbegeleiding op MBO. De 10 minst effectief geachte maatregelen zijn (van minst effectief, -3, naar minder effectief, -2): Stage van een dag bij een bedrijf/organisatie. 2. Voorlichting leerplicht wetgeving aan leerlingen. 3. Sollicitatietraining (brieven en gesprekken) Gastdocenten. 5. Voorlichting aan ouders over leerplicht. 6. Taalvaardigheidprogramma s aanbieden (op school of met partners). 7. Gedurende schoolcarrière: van oriënterende naar verdiepende stages. 8. Inzetten expertise RMC bij leerplichtige leerlingen. 9. Bedrijfssimulaties en real life omgeving. 10. Persoonlijke aandacht: contactpersoon buiten schooltijd. 6 Dit cluster is het sterkste van de vier clusters voor wat betreft de verklaarde variantie: 12%, in vergelijking met respectievelijk 8, 9 en 8% voor clusters 1, 3 en 4. De Q-sort van dertien respondenten komt voor 0,5 of meer overeen met de verdeling van de maatregelen in het cluster

23 Maatregelen die als effectief worden beoordeeld gaan vooral over het maken van goede afspraken tussen de verschillende betrokken partijen die een (eigen) verantwoordelijkheid hebben bij het terugdringen van vsv. Individuele leerlingen merken hier niet direct iets van. Zo worden maatregelen als de warme overdracht tussen VMBO en MBO, een goede aansluiting van het ZAT op externe zorg, onderwijskundige aansluiting tussen VMBO en MBO (de doorlopende leerlijn ) en de verbinding tussen het ZAT op het VMBO en MBO, als effectief beoordeeld. In dit verband wordt ook het investeren in een schoolbrede absentieregistratie als effectief beoordeeld evenals het op orde zijn van registratie en monitoring door Leerplicht en het RMC, dossiervorming door de school op het gebied van verzuim, het doorgeven van de absentieregistratie aan de leerplichtambtenaar, het doorgeven van de absentieregistratie aan het RMC, en maatregelen gericht op samenwerking tussen ketenpartners, zoals samenwerking in een jongerenloket en middels een verzuimprotocol. Tegelijkertijd worden die maatregelen als effectief beoordeeld die betrekking hebben op het bieden van concrete voorzieningen waar leerlingen wel direct iets van merken. Die voorzieningen zijn evenwel niet specifiek gericht op het individu, maar vooral op het collectief, dat wil zeggen de potentiële vsv er als groep. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het instellen van een opvang- en oriëntatieklas, of het voorzien in meerdere instroommomenten op het MBO. Een kennismakingsperiode van VMBO leerlingen op het MBO wordt, in tegenstelling tot cluster 1, als minder effectief beoordeeld. Beroeps- en studiekeuze begeleiding op het VMBO en studie- en loopbaanbegeleiding op het MBO scoren beide hoog. Opvallend is dat andere maatregelen die hiermee samenhangen, zoals bedrijfssimulaties en real-life omgevingen, gastdocenten en stages vrijwel zonder uitzondering als minder effectief worden ervaren door respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster. Tot de minst effectieve maatregelen behoren de maatregelen die gericht zijn op voorlichting over de leerplichtwetgeving aan leerlingen en hun ouders (van wie de betrokkenheid bij het onderwijs van hun kinderen als minder effectief wordt gezien). Eveneens opvallend is dat, hoewel registratie als basisvoorwaarde wordt gezien, een lik-op-stuk spijbelbeleid relatief laag scoort (hoewel niet zo laag dat de maatregel bij de laagste 10 scoort). Over de respondenten De rangschikking lijkt in belangrijke mate te kunnen worden verklaard aan de hand van het type respondenten dat sterk geassocieerd is met dit cluster. Het gaat vooral om respondenten die de vsv-problematiek bekijken vanaf de zijlijn of, in sommige gevallen, vanaf de top. De respondenten die het sterkst geassocieerd zijn met dit cluster houden zich bezig met beleid en organisatie en niet zozeer met onderwijs (als docent), zorg (als hulpverlener) of stage (als bemiddelaar). Met name gemeenteambtenaren (beleidsmakers, leerplichtambtenaren en RMCfunctionarissen) zijn ruim vertegenwoordigd in dit cluster: 8 van de 13 respondenten die sterk

24 geassocieerd zijn met dit cluster behoren tot deze categorie. Onder de overige 5 bevindt zich 1 respondent die onder de functionele categorie stagebemiddelaars (zoals onderscheiden in hoofdstuk 1 van dit rapport) valt, en 1 respondent die onder de functionele categorie zorgpartners valt. De overige 3 respondenten vervullen een meer administratieve functie in het onderwijs. Een meerderheid (eveneens, maar niet dezelfde, 8 van de 13) van de respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster komt uit Flevoland; van de 8 respondenten die het meest overeenkomen met dit cluster komt er 1 uit Haaglanden Interpretatie op basis van de interviews Effectief zijn die maatregelen die het hele systeem optimaliseren (in plaats van maatregelen die vooral zijn gericht op het individu zoals in cluster 1) door het verbeteren van overdrachten en overgangen. Dit zijn veelal administratieve of organisatorische maatregelen en niet zozeer maatregelen direct gericht op de (individuele) leerling, zoals in cluster 1. Het gaat veel meer om de aansluiting van verschillende onderdelen van het systeem. Docenten op het MBO ontdekken bijvoorbeeld pas laat dat ze te maken hebben met een zorgleerling, terwijl dit vaak al bekend is op het VMBO. De verschillende onderdelen van het systeem moeten vloeiend in elkaar overlopen. De warme overdracht wordt waarschijnlijk daarom als de meest effectieve maatregel beoordeeld. De kennismakingsperiode voor VMBO leerlingen op het MBO betreft een ander soort overgang hierbij staat de individuele leerling centraal en niet het collectief en scoort daarom vermoedelijk lager. De plaats van interventie is het systeem waar de leerling zich doorheen beweegt en de verschillende overgangen en koppelingen tussen onderdelen van dit systeem. Effectief zijn daarom maatregelen gericht op het voorkomen dat leerlingen uit beeld raken, zoals opvang- en oriëntatieklassen op het MBO. Leerlingen lopen dan in ieder geval niet meer op straat rond en houden ritme. Mochten leerlingen toch uit beeld zijn geraakt dan is het zaak om ze weer in het vizier te krijgen en terug te geleiden naar het onderwijs. Respondenten die ervaring hebben met projecten benoemen deze als bewezen effectief in het terugbrengen van zoekgeraakte leerlingen. Als leerlingen eenmaal weer in het vizier zijn, moeten zij wel meteen kunnen instromen. Het voorzien in meerdere instroommomenten per jaar op het MBO is daarom effectief. Meerdere instroommomenten per jaar op MBO. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Ook in cluster 4 worden de meeste van bovengenoemde maatregelen als effectief ervaren. Belangrijk verschil is dat effectiviteit in cluster 4 vooral een kwestie is van aandacht, terwijl het in cluster 2 gaat om organisatie. De vsv er heeft in cluster 2 geen duidelijk profiel. Het lijkt er niet toe te doen met wat voor soort vsv er we te maken hebben een belangrijk verschil met cluster 3, en in mindere mate 4, waar de vsv er vooral een zorg- of probleemleerling is. Hoewel de ene vsv er de andere niet is, kunnen er

25 maatregelen worden ingezet die algemeen toepasbaar zijn en vooral daarom ook effectief kunnen zijn. Het gaat hier om de grote getallen. Vandaar dat extra begeleiding van een individuele leerling op school waarschijnlijk minder effectief is. Het betreft hier geen structurele oplossing; slechts een enkeling heeft er baat bij. Hetzelfde geldt voor persoonlijke aandacht buiten schooltijd: Er zijn grenzen aan wat de school kan doen Veel belangrijker is dat het overkoepelende probleem, uitval, zichtbaar wordt gemaakt door bijvoorbeeld registratie. Absentieregistratie is als een belangrijke (zo niet de belangrijkste) randvoorwaarde voor een optimaal systeem. Immers, als je ze niet kent, kun je ze ook niet helpen. Het zichtbaar maken is eigenlijk al een deel van de oplossing, los van het specifieke probleem van de individuele vsv er. Absentieregistratie maakt actie mogelijk. Op deze manier kan snel, veel gewonnen worden in termen van reductie van het aantal vsv ers. Vsv zal nooit helemaal op te lossen zijn, maar via een sluitende administratie kan wel een flinke slag gemaakt worden. Registratie moet daarom niet afhangen van welwillende docenten, maar ingebed zijn in de organisatie van het systeem. Als de verzuimregistratie en dossiervorming omtrent absentie op orde is, is het ook eenvoudiger om leerlingen over te dragen en bespoedigt dit hun overgang. Cluster 1 en 2 komen dus overeen voor wat betreft het belang dat zij hechten aan overdrachten en overgangen. Ze verschillen echter waar het gaat om het niveau waarop vervolgens maatregelen moeten worden ingezet. Een misverstand dat de respondenten die sterk geassocieerd zijn met cluster 2 graag uit de wereld helpen, is dat handhaving van de leerplicht een vorm van repressie betreft en dat leerplicht alleen aan de achterkant van het probleem actief is. Leerplicht speelt ook een belangrijke rol aan de voorkant, bij preventie. Door vroegtijdig te signaleren dat het dreigt mis te gaan met een leerling en vervolgens adequate actie te ondernemen kan uitval worden voorkomen. Vanuit de stelling dat alle uitval met verzuim begint is het dus zaak om het verzuim in kaart te brengen, inzichtelijk te maken wat de oorzaak van verzuim is, en passende actie (of hulpverlening) te nemen (bieden). Sanctioneren heeft weinig effect op het gedrag van leerlingen. Vandaar dat een lik-op-stuk spijbelbeleid minder effectief is. Dit in tegenstelling tot de andere clusters, vooral cluster 1. Dat geldt ook maar om andere redenen voor het uitschrijven van een proces-verbaal. Het opleggen van sancties duurt in de praktijk vaak lang door vertraging verderop in de keten (Openbaar Ministerie, Bureau HALT). Effectiever dan sanctioneren is bijvoorbeeld het houden van een spreekuur door de leerplichtambtenaar op school voor leerlingen (eventueel met hun ouders) in het geval van verzuim. De ervaringen met een verzuimprotocol met partners (school, leerplicht, RMC, CWI, politie, justitie) zijn wisselend. Respondenten uit Haaglanden beoordelen het protocol in het algemeen als effectief, met de kanttekening dat een snelle opvolging van acties door met name leerplicht en andere schakels verderop in de keten nodig is. Respondenten uit Flevoland daarentegen merken op dat samenwerking in de praktijk toch snel verzandt. Dit geldt vooral voor de samenwerking met het OM. Gemaakte afspraken in het kader van het verzuimprotocol over behandelingstermijnen voor wat betreft het opleggen van sancties worden niet altijd nagekomen: Het OM verzuimt hier zelf. Bij samenwerking wreekt zich de beperkte regierol van de gemeente: de gemeente heeft nu eenmaal geen zeggenschap over het OM of over BJZ. Als samenwerking uiteindelijk niet kan worden afgedwongen, zullen maatregelen in dit kader altijd minder effectief zijn

26 Maatregelen gericht op meer/betere samenwerking tussen ketenpartners worden niet geheel onverwacht in dit cluster als (zeer) effectief ervaren. Volgens sommige respondenten in dit cluster begint het daar zelfs. Dergelijke samenwerking kan veel verwijs- en afstemmingsverlies voorkomen. Net als in cluster 1 (maar in tegenstelling tot in clusters 3 en 4) verwachten respondenten weinig heil van ouderbetrokkenheid bij het onderwijs voor wat betreft de afname van de vsv-problematiek. Los van het feit dat ouderbetrokkenheid moeilijk van de grond te krijgen is, is de invloed van de ouders op de bewuste categorie leerlingen vaak gering. Bijvoorbeeld omdat kinderen zich op die leeftijd (16+) niet meer door hun ouders laten aanspreken. Volgens sommigen vormen ouders juist onderdeel van het probleem. In plaats van hun kinderen naar school te sturen, sponsoren ze hun op de bank liggende kinderen. Het gaat hier om een breder sociaal-maatschappelijk probleem. Ouderbetrokkenheid bij de opleiding van hun kind. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving En net als in cluster 1 scoren studiekeuze- en loopbaanbegeleiding hoog waar het gaat om het begeleiden naar de juiste keuze en het vergemakkelijken van de overgang. Andere maatregelen in het kader van beroepenoriëntatie en stage, zoals de stage van een dag en gastdocenten, scoren laag; ze zijn te vrijblijvend en niet meer dan lapmiddelen. Het aanbod van stages is geen probleem. De problemen die zich voordoen met stages zijn vooral kwalitatief van aard; vaak is er sprake van een mismatch tussen vraag en aanbod. Stagebegeleiding scoort vooral hoog vanwege het begeleidingsaspect, om te voorkomen dat leerlingen kwijt raken tijdens de stageperiode, dus niet per se om onderwijskundig-inhoudelijke redenen. 2.4 Cluster 3: Het individu voorop: warm maar duidelijk Dit cluster kenmerkt zich door het vooropstellen van de individuele leerling vanuit de redenering dat vsv veelal het gevolg is van psychosociale problemen. Vandaar dat maatregelen gerelateerd aan Zorg Advies Teams (ZAT s) op school als zeer effectief worden beoordeeld, evenals aansluiting op de externe zorg. Tegelijkertijd zijn respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster van mening dat zorg gepaard moet gaan met duidelijkheid naar de leerling, met name waar het gaat over verzuim. Dit in de overtuiging dat zowel warmte als duidelijkheid uiteindelijk neerkomen op een vorm van aandacht voor de individuele leerling, hetgeen als effectiever wordt beoordeeld dan het op orde hebben van de organisatie

27 2.4.1 Resultaten van de Q-analyse 7 Over de maatregelen De volgende 10 maatregelen scoren hoog (van meest effectief, +3, naar effectief, +2) in dit cluster: Inrichting ZAT op school. 2. Extra begeleiding zorgleerlingen op school. 3. Goede aansluiting ZAT op externe zorg (BJZ, Jeugd GGZ, Opvang) Lik op stuk spijbelbeleid van de school. 5. Ouderbetrokkenheid bij de opleiding van hun kind. 6. Extra begeleiding probleemleerlingen op school. 7. Kwaliteitseisen aan ZAT (samenstelling, expertise, frequentie, etc.). 8. Opvang van moeilijk te handhaven leerlingen in rebound/time out voorziening. 9. Intensieve stagebegeleiding door de school. 10. Het doorgeven van absentieregistratie aan leerplichtambtenaar. De 10 minst effectief geachte maatregelen zijn (van minst effectief, -3, naar minder effectief, -2): Opvang- en oriëntatieklas op MBO om vsv ers weer naar school te krijgen. 2. Meerdere instroommomenten per jaar op MBO. 3. Inzetten expertise RMC bij leerplichtige leerlingen Kennismakingsperiode (4 e -jaars VMBO leerlingen / bij start op MBO). 5. Warme overdracht legitieme uitval van MBO naar RMC/Jongerenloket. 6. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om leerlingen binnenboord te houden. 7. Stage van een dag bij een bedrijf/organisatie. 8. Het doorgeven van een absentieregistratie aan RMC. 9. Dossieroverdracht tussen leerplicht en RMC. 10. Studie- en loopbaanbegeleiding op MBO. 7 Dit cluster is minder sterk dan het voorgaande cluster voor wat betreft verklaarde variantie: 9%, maar nog altijd sterker, zij het met een miniem verschil, dan clusters 1 en 4. De Q-sort van zes respondenten komt voor 0,5 of meer overeen met de verdeling van de maatregelen in het cluster

28 In dit cluster worden maatregelen die betrekking hebben op de werking van ZAT s (inrichting, kwaliteitseisen, aansluiting op externe en overdracht) als zeer effectief beoordeeld. Ook maatregelen die betrekking hebben op extra begeleiding van zorg- en probleemleerlingen worden effectief geacht. Het gaat hierbij zowel om maatregelen op school, als buiten school (rebound of time-out voorziening). Het cluster is evenwel niet uitsluitend gericht op begeleiding van zorgleerlingen. Een lik-op-stuk spijbelbeleid van de school en het doorgeven van absentieregistratie aan leerplicht worden eveneens effectief geacht. Verder vinden respondenten in dit cluster intensieve stagebegeleiding effectief, in tegenstelling tot beroeps- en studiekeuze begeleiding op het VMBO en studie- en loopbaanbegeleiding op het MBO. De stage van een dag behoort ook in dit cluster tot de minst effectieve maatregelen. Ouderbetrokkenheid scoort in dit cluster relatief hoog (effectief). Iets minder hoog (net buiten de 10 hoogste), maar toch redelijk effectief scoren de beide maatregelen gericht op deskundigheidsbevordering van docenten. Maatregelen gericht op het binnenhouden en binnenkrijgen van (potentiële) vsv ers worden als minder effectief beoordeeld. Het gaat dan met name om de opvang- en oriëntatieklas op het MBO om vsv ers weer naar school te krijgen, het realiseren van meerdere instroommomenten op het MBO en het signaleren en benaderen van leerlingen die nog niet staan ingeschreven. In dit cluster worden maatregelen gericht op overdrachten en overgangen als minder/minst effectief beoordeeld. Alle maatregelen, zonder uitzondering, waarbij het RMC een rol speelt, behoren volgens de respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster tot de categorie minder/minst effectief. Ook de kennismakingsperiode voor VMBO leerlingen op het MBO wordt als minder/minst effectief beoordeeld (dit in tegenstelling tot in cluster 1). Over de respondenten Dit cluster wordt niet gedomineerd door respondenten uit een bepaalde functionele categorie. Opvallend is wel dat de respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster zich wel op een of andere manier met zorg in een vroegtijdig stadium danwel preventie van vsv bezighouden (verzuimcoördinatoren, schoolmaatschappelijk werk). Het VMBO is in dit cluster goed vertegenwoordigd, terwijl respondenten uit het MBO en stagebemiddelaars ontbreken. De verdeling van respondenten uit Haaglanden en Flevoland is vrijwel gelijk Interpretatie op basis van de interviews De effectiviteit van ingezette maatregelen hangt in dit cluster in belangrijke mate af van het individu (en niet zozeer van hoe overgangen en overdrachten zijn georganiseerd, zoals in cluster 1 en 2). Dit betekent dat maatregelen die gericht zijn op het individuele of het persoonlijke hoog scoren. Het gaat vooral om een individuele benadering van de leerling en de persoonlijke betrokkenheid van de docent (of de zorgverlener). Een warm pedagogisch-didactisch klimaat op school staat voorop

29 Het handhaven van de leerplicht lijkt op het eerste gezicht moeilijk te rijmen met de maatregelen die betrekking hebben op de begeleiding en opvang van zorg-, probleem- en moeilijk te handhaven leerlingen. Immers, repressie staat lijnrecht tegenover preventie. Echter, het handhaven van de leerplicht is onderdeel van een meer preventieve aanpak. VSV begint bij verzuim en verzuim moet dus in een vroegtijdig stadium worden aangepakt teneinde vsv te voorkomen; de leerplicht is daarbij een stok achter de deur. Het gaat hier dus niet alleen om een warm pedagogisch-didactisch klimaat, maar ook om duidelijkheid over absentie. Respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster, in tegenstelling tot die in cluster 1, beoordelen een lik-op-stuk spijbelbeleid daarom als effectief. Een lik-op-stuk spijbelbeleid geeft leerlingen het gevoel dat er op hen gelet wordt, en daarmee dat zij (en hun problemen) aandacht krijgen. Kortom, het gaat zowel om streng optreden bij verzuim als zorg bieden en de onderliggende oorzaken van vsv achterhalen en aanpakken. Hoewel een verkeerde keuze of het gebrek aan motivatie belangrijke oorzaken kunnen zijn van vsv, maskeren deze oorzaken de achterliggende oorzaak van vsv: het gebrek aan binding met de leerling. Een leerling moet het gevoel hebben dat als hij verzuimt, hij dan zowel letterlijk als figuurlijk wordt gemist. Anders dan in clusters 1 en 2, is de vsv er in dit cluster meestal zorgleerling (maar niet noodzakelijkerwijs). Onderwijs en zorg lopen parallel aan elkaar. Docenten vervullen een belangrijke rol in signalering. Sterker nog, zonder goede signalering door docenten kun je niks doen. Naarmate docenten beter opletten (of beter weten waar ze op moeten letten) en sneller reageren op verzuim kan uitval worden voorkomen. Met name deskundigheidsbevordering voor wat betreft het signaleren van het zorgsignaal is daarom effectief. Dit betekent zeker niet dat docenten maar allerlei zorgtaken op zich moeten nemen. Integendeel, docenten moeten ook weten waar de grenzen aan hun deskundigheid liggen en wanneer ze leerlingen via het ZAT moeten doorverwijzen naar externe zorgpartners. In dit cluster staat, net als in cluster 1, de school centraal. De school, in casu de docenten, speelt allereerst een belangrijke rol in preventie van vsv door middel van het signaleren van zorgsignalen. Dit is anders dan in cluster 1 waar het bij vsv vooral gaat om verkeerde keuzes en een gebrek aan motivatie en het ZAT daarom als minder effectief wordt beoordeeld. Respondenten in cluster 3, waar vsv vooral psychosociale achtergronden heeft, zien het ZAT echter als integrator van zorgverlening op en rondom de school. Alle ZAT-gerelateerde maatregelen scoren hoog in dit cluster. Het ZAT zorgt voor de aansluiting tussen zorg op school en externe zorg, en het brengt alle zorgdisciplines bij elkaar. Waar het ZAT voor respondenten in cluster 1 weer een vorm van overleg is, is het ZAT voor respondenten in cluster 3 juist een belangrijke vorm van overleg. Vandaar dat de ZAT-gerelateerde maatregelen ook in cluster 2 als effectief worden beoordeeld. Tegelijkertijd erkennen respondenten dat de ZAT-structuur op het MBO nog in ontwikkeling is en er verbeteringen kunnen worden doorgevoerd om de rol van het ZAT als integrator verder te optimaliseren (met name voor wat betreft het type zorgleerlingen dat wordt besproken; dit met het oog op de beperkte tijd die beschikbaar is). Niet alle maatregelen gericht op zorg zijn effectief in termen van het terugdringen van vsv. Het meest effectief zijn maatregelen die aansluiten bij de behoeften van de individuele leerling. Vandaar dat maatregelen gericht op extra begeleiding net zoals in het geval van cluster 4, maar anders

30 dan in cluster 1 en 2 en maatwerkcursussen hoog scoren. Ook zou op basis hiervan kunnen worden verklaard waarom intensieve stagebegeleiding relatief hoog scoort, terwijl andere maatregelen in het kader van stages laag scoren. De nadruk ligt op begeleiding, het persoonlijke contact met de leerling die vaak een zorgleerling is (en niet een leerling die een verkeerde keuze heeft gemaakt of motivatieproblemen heeft zoals in cluster 1). Dat deze begeleiding in dit geval plaatsvindt in het kader van het lopen van een stage door de leerling doet er minder toe. Extra begeleiding zorgleerlingen op school. Extra begeleiding probleemleerlingen op school. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Hetzelfde geldt voor opvangklassen. Deze vinden de respondenten in cluster 3 veel minder effectief dan in de andere drie clusters: deze maatregelen zijn niet op het individu gericht (het betreft een voorziening om probleemleerlingen te parkeren zodat de rest van de klas door kan gaan), ze werken stigmatiserend en zijn derhalve niet motiverend. Persoonlijke begeleiding werkt beter. Bovendien vinden respondenten in cluster 3 dat er grenzen zijn aan wat de school en docenten kunnen doen op het gebied van vsv (althans in de huidige structuur); de zorg voor een leerling ligt ook bij andere partners. Dit in tegenstelling tot cluster 4 waar de school en docenten ook bepaalde zorgtaken krijgen toebedeeld. Opvangklassen scoren waarschijnlijk ook laag omdat deze maatregelen, althans zoals ze zijn gepresenteerd aan de respondenten, vooral het MBO betreffen, terwijl respondenten voor interveniëren in een vroegtijdig stadium opteren (dus VMBO of eerder). Opvang- en oriëntatieklas op MBO om leerlingen binnenboord te houden. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om vsv ers weer naar school te krijgen. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Hetzelfde geldt voor meerdere instroommomenten. Terwijl respondenten in cluster 2 deze maatregel als meest effectief beoordelen, beoordelen respondenten in cluster 3 deze als minst effectief. Waar in cluster 3 meerdere instroommomenten een manier zijn om de overgang te bespoedigen, zijn ze in cluster 2 mosterd na de maaltijd. Immers meerdere instroommomenten zijn (in de huidige structuur) alleen nodig als leerlingen al zijn uitgevallen. Respondenten in cluster 3 vinden meerdere instroommomenten niet nodig. Sterker nog, ze zorgen alleen maar voor onrust in de klas. Ouderbetrokkenheid is effectief. Ouders zijn immers sturend. Als de school de ouders achter zich (of met zich) heeft, is de kans op uitval op lange termijn het kleinst, volgens de sterk met dit cluster

31 geassocieerde respondenten. Dit betekent niet dat het betrekken van ouders eenvoudig is. Ouders zijn vaak (onderdeel van) het probleem waarvoor een oplossing in de vorm van psychosociale zorg nodig is. 2.5 Cluster 4: De sociale omgeving van de vsv er: laat ze niet los Dit cluster van meningen heeft de leefomgeving van de vsv er als aangrijpingspunt voor interventie. De school is een belangrijk onderdeel van deze leefomgeving, maar niet het enige. Ook ouders, vrienden en collega s maken hier onderdeel van uit. Maatregelen die betrekking hebben op aandacht voor de vsv er binnen zijn of haar leefomgeving worden het meest effectief geacht. In die zin gaat het niet alleen om de vsv er zelf (vaak de moeilijkste categorie probleem- en zorgleerlingen), maar is de problematiek breder. Een belangrijk deel van de oplossingen ligt in de beïnvloedingsmogelijkheden die de leefomgeving biedt, zowel om vsv ers binnen school te houden als ze weer op school te krijgen Resultaten van de Q- analyse 8 Over de maatregelen De volgende 10 maatregelen scoren hoog (van meest effectief, +3, naar effectief, +2) in dit cluster: Extra begeleiding probleemleerlingen op school. 2. Extra begeleiding zorgleerlingen op school. 3. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om leerlingen binnenboord te houden. 4. Ouderbetrokkenheid bij de opleiding van hun kind. 5. Persoonlijke aandacht: contactpersoon die ook buiten schooltijd bereikbaar/ aanspreekbaar. 6. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om vsv-ers weer naar school te krijgen. 7. Signaleren en benaderen van jongeren zonder startkwalificatie door RMC. 8. Benaderen leerlingen die niet staan ingeschreven. 9. Opvang van moeilijk te handhaven leerlingen in rebound/ time out voorziening. 10. Maatwerkcursussen (sociale vaardigheden, faalangst, etc.). 8 Dit is een wat zwakker cluster dan de voorgaande drie. Relatief weinig respondenten zijn sterk geassocieerd met dit cluster. Eén respondent scoort boven de 0,6 en vier respondenten boven de 0,5. Wel is er een duidelijk patroon te herkennen in de meningen die dit cluster vertegenwoordigt. De verklaarde variantie is bovendien gelijk aan het derde cluster en slechts iets minder dan het eerste cluster. Om deze redenen hebben we dit cluster opgenomen in de analyse

32 De 10 minst effectief geachte maatregelen zijn (van minst effectief, -3, naar minder effectief, -2) Voorlichting leerplicht wetgeving aan leerlingen. 2. Gastdocenten. 3. Voorlichting aan ouders over leerplicht Overdracht portfolio van VMBO naar MBO. 5. Stage van een dag bij een bedrijf/ organisatie. 6. Sollicitatietraining (brieven en gesprekken.) 7. Dossieroverdracht tussen leerplicht en RMC. 8. Inzetten expertise van het RMC bij leerplichtige leerlingen. 9. Stageplaatsen/ Leerwerktrajecten creëren passend bij vraag op arbeid. 10. Tutoring binnen school (ouderejaars- begeleiden jongerejaarsleerlingen). De top 10 van meest effectieve maatregelen wordt gekenmerkt door persoonlijke en intensieve begeleiding van leerlingen en vsv ers. De groep actoren waarop een beroep wordt gedaan voor deze begeleiding is bijzonder divers: de gemeente is verantwoordelijk voor signalering en benadering van (potentiële) vsv ers, de school zorgt voor intensieve begeleiding, ouders zijn betrokken bij de opleiding en partners spelen een rol in het aanbieden van maatwerkcursussen en rebound/ time-out voorzieningen. Hoewel de school een onverminderd grote rol speelt, beperken de als effectief geachte maatregelen zich niet tot acties op school (de nog schoolgaande leerlingen). Veel nadruk wordt gelegd op leerlingen die niet (meer) naar school gaan, blijkens de hoge score van maatregelen zoals het benaderen van leerlingen die niet staan ingeschreven, het signaleren en benaderen van jongeren zonder startkwalificatie door RMC en de opvang- en oriëntatieklas op MBO om vsv ers weer naar school te krijgen. De top 10 van maatregelen beperkt zich niet tot acties tijdens schooltijd. Maatwerkcursussen en persoonlijke aandacht vinden ook buiten schooltijd plaats. Eveneens hoog scoort ouderbetrokkenheid. Vrijblijvende (voorlichting) en kortdurende maatregelen (gastdocenten, stage van een dag) scoren bijzonder laag. Maatregelen op het gebied van beroepenoriëntatie, stages, de aansluiting tussen VMBO en MBO, verzuimbeleid en de samenwerking tussen gemeente, onderwijs en CWI scoren gemiddeld effectief. Dit geldt ook voor deskundigheidsbevordering van docenten en ZATgerelateerde maatregelen

33 Over de respondenten Respondenten die sterk geassocieerd zijn met dit cluster zijn met name te vinden bij de zorgverlenende instanties; het zijn deze respondenten die vanuit hun werk een individuele benadering en persoonlijke begeleiding van belang achten. Ook enkele respondenten van stagebegeleidende instanties voldoen aan het beeld dat dit cluster oproept. Tussen respondenten uit Flevoland en Haaglanden bestaan weinig verschillen Interpretatie op basis van de interviews Voortijdig schoolverlaten heeft vaak een psychosociale achtergrond. Probleemgedrag, spijbelen en uiteindelijk van school weg blijven, komt voort uit de leefomgeving van de leerling. Ouders, vrienden en collega s kunnen een sterke invloed hebben op leerlingen en mede bepalend zijn voor voortijdig schoolverlaten. Spijbelen gebeurt bijvoorbeeld vaak in groepjes. Het aangrijpingspunt voor interventie is de individuele leerling, zoals ook in cluster 1 en 3, maar dan in zijn of haar verschillende leefomgevingen (school, thuis, vrienden etc.). Al naar gelang de omstandigheden heeft iedere leerling een specifieke zorg- of hulpvraag. Omdat docenten en begeleiders vanuit de school de leerling het beste kennen, dient de school deze zorg in eerste instantie zoveel zelf mogelijk te bieden en, indien nodig, de overgang naar professionele partners te faciliteren. Belangrijk verschil met cluster 3 is dat ZAT-gerelateerde maatregelen in dit cluster niet als bijzonder effectief worden beoordeeld. Niet alle hulp en zorg dienen echter op school te worden geboden. Ten eerste omdat de reikwijdte van de school beperkt is. Beïnvloeding door de omgeving geschiedt immers ook vaak buiten school en schooltijd om. Daarom is een contactpersoon buiten de school om effectief. Bovendien zijn ouders belangrijke partners voor interventie. Via hen kan aansluiting worden gevonden bij de omstandigheden van de leerling. Ten tweede is de deskundigheid van docenten om voor alle typen problemen een oplossing te bieden beperkt. Dit kan niet met enkele cursussen (zoals gesuggereerd met deskundigheidsbevordering) worden verholpen. Daarom moet de zorg voor specifieke gevallen worden overgelaten aan daartoe gespecialiseerde partners. Voor zware gevallen, zoals probleemleerlingen met crimineel en overlastgevend gedrag, kunnen rebound/time outvoorzieningen effectief zijn. Voor specifieke persoonlijke problemen (zoals faalangst en gebrekkige sociale vaardigheden) kunnen maatwerkcursussen (buiten schooltijd) goed werken. Bovengenoemde maatregelen worden deels uitgevoerd door instanties buiten de school. Leerlingen met een apart zorgtraject moeten evenwel connecties houden met de school. Dit kan bijvoorbeeld via een contactpersoon vanuit de school, zoals een decaan of een leraar die een klik met de betreffende leerling heeft. Respondenten in dit cluster, in tegenstelling tot die in cluster 3, zien dus een belangrijke niet-onderwijs gerelateerde rol voor de school weggelegd. Naast de aansluiting op de omgeving van de leerling is ook de intensiteit van zorg van belang; die moet hoog zijn. Maatregelen om leerlingen binnenboord te houden zijn effectief, omdat er vaak geen stimulans of prikkel uitgaat van de omgeving om weer naar school te gaan. Om leerlingen binnenboord te houden is extra begeleiding nodig. In eerste instantie van docenten bijvoorbeeld in speciale opvangklassen. De respondenten in dit cluster beschouwen deze voorziening als effectiever dan de

34 respondenten in cluster 3. Dit heeft er wellicht mee te maken dat het niveau waarop deze maatregel wordt ingezet die van het collectief is terwijl het in cluster 3 vooral draait om interventies op individueel niveau. Een te sterke oriëntatie op preventieve maatregelen kan leiden tot het vergeten van leerlingen die niet staan ingeschreven en leerlingen zonder startkwalificatie. Ze onderscheiden zich daarmee van de respondenten in cluster 3. Vsv is nu eenmaal niet volledig op te lossen. Ook curatieve maatregelen zijn van belang met het oog op het terugdringen van vsv. Het benaderen van deze vsv ers moet bij voorkeur gebeuren door iemand met wie de vsv er een persoonlijke klik heeft. Vrijblijvende en kortdurende maatregelen hebben minder effect, omdat deze niet gericht zijn op de kern van de vsv-problematiek die volgens de respondenten in dit cluster structureel van aard is. Registratie en administratie zijn effectief, maar slechts als hier een vervolg aan wordt gegeven. Stagebegeleiding en -bemiddeling kunnen effectief zijn, omdat deze maatregelen voor sommige leerlingen curatief kunnen werken: een goed doorlopen stage kweekt zelfvertrouwen en motivatie. 2.6 Conclusie In de afgelopen tijd is door verschillende instanties onderzoek gedaan naar de vsv-problematiek en de beleidsmaatregelen gericht op het terugdringen van deze problematiek. De resultaten van de Q- analyse, zoals die in dit hoofdstuk zijn gepresenteerd, geven inzicht in de maatregelen die professionals en bestuurders als effectief beoordelen en laten zien dat er een grote variëteit aan meningen bestaat. In dit hoofdstuk presenteerden wij vier clusters van meningen over effectiviteit. Deze zijn te interpreteren als persoonlijke beleidstheorieën van professionals. De clusters zijn vrij robuust te noemen. Gedurende de analyse hebben we diverse andere clusteringen verkend, zoals een oplossing met drie of met vijf factoren. De resultaten waren echter vergelijkbaar. De op samenwerking gerichte oplossingen, met name clusters 1 en 2, kwamen telkens terug als een redelijk onveranderlijke factoren. Bij de drie-factoroplossing verenigden de clusters 3 en 4 zich, terwijl bij de vijf-factoroplossing clusters 3 en 4 zich verder opsplitsten. De vier clusters kunnen van elkaar worden onderscheiden op basis van de volgende twee dimensies: het niveau van de ingezette maatregel (individu of collectief) en de aard van de ingezette maatregel (aandacht geven of organisatie op orde krijgen), hetgeen leidt tot de volgende typologie van clusters van meningen over effectiviteit

35 Tabel 2.1: Typologie van de clusters van meningen over effectiviteit Niveau van de maatregel Aard van de maatregel Individu Collectief Organisatie Cluster 1: Het traject van de leerling Cluster 2: Een optimaal systeem Aandacht Cluster 3: Het individu voorop Cluster 4: De sociale omgeving van de vsv er Cluster 1 gaat vooral over maatregelen die zijn gericht op het individu en die te maken hebben met het op orde krijgen van de organisatie. Cluster 2 is meer gericht op maatregelen die gericht zijn op het collectief en daarmee op maatregelen die te maken hebben met het op orde krijgen van de organisatie. Cluster 3 belicht maatregelen gericht op het individu en die te maken hebben met het geven van aandacht. Cluster 4 belicht tenslotte ook maatregelen die te maken hebben met aandacht, maar neemt daarbij het collectief achter het individu in beschouwing. Zoals we aangegeven hebben gaat het bij de verschillen tussen de clusters om nuances. Toch denken wij dat het vanuit het perspectief van beleidsvorming nuttig is om de verschillen die wel degelijk blijken te bestaan tussen de verschillende visies te belichten. De vier visies vertegenwoordigen namelijk een verschillende kijk op effectief beleid en kunnen een vruchtbaar vertrekpunt vormen voor verdere beleidsvorming. Met enige regelmaat zullen onderzoekers, adviseurs of opinieleiders maatregelen tegen vsv propageren op basis van hun vermeende effectiviteit. Claims op effectiviteit van vsv-beleid kunnen met deze clusters worden beoordeeld. Zijn de claims gebaseerd op een enkele beleidstheorie? Is daarom minder aandacht voor andere legitieme beleidstheorieën en daarmee potentieel effectieve maatregelen? De vier beleidstheorieën kunnen zo helpen bij het maken en verantwoorden van beleidskeuzes. Ze kunnen daardoor ook richtinggevend zijn bij het opstellen van nieuwe convenanten, waarover in hoofdstuk 4 meer. Alleen beleid waarin maatregelen zijn opgenomen die door alle vier de clusters als effectief worden beoordeeld, zal in de praktijk waarschijnlijk effectief kunnen zijn, al was het alleen maar omdat in te zetten maatregelen gedragen moeten worden door de professionals en bestuurders die verantwoordelijk zijn voor hun uitvoering. Vandaar dat we in hoofdstuk 3 aandacht besteden aan de overeenstemming tussen de clusters. In dit hoofdstuk hebben wij niet expliciet gezocht naar verbanden tussen de vier clusters en variabelen zoals karakteristieken van de respondenten, regiokenmerken en schooltype. Hiervoor is de Q-methodologie niet bedoeld en, vooral ook, niet geschikt. De geselecteerde groep respondenten is niet representatief voor de gehele populatie van professionals en bestuurders. Respondenten werden veelal geselecteerd middels de sneeuwbalmethode en zo kan het zijn dat sommige sub-groepen onder- of oververtegenwoordigd zijn. Voor de Q-methodologie is dat echter

36 niet van het grootste belang: het gaat er niet om dat we een statistisch representatief beeld krijgen, maar een zo compleet mogelijk beeld van de verschillende beleidstheorieën over effectiviteit. Wel kunnen we de overeenkomsten en verschillen tussen de clusters als aanleiding gebruiken om, op basis van de interviews, individuele maatregelen te bespreken. Dit doen we in het volgende hoofdstuk

37 3. Meningen over maatregelen 3.1 Inleiding Uit het vorige hoofdstuk spreekt een grote variëteit aan meningen over de achtergronden van vsv, de aard van de ingezette maatregel en het niveau waarop de maatregelen worden ingezet. Uit deze variëteit zijn vier clusters van meningen onderscheiden. Deze clusters vertegenwoordigen zelden precies de individuele meningen van de respondenten. Om het beeld van meningen over de maatregelen verder te verrijken, worden in dit hoofdstuk, op basis van de interviews, verschillende meningen per maatregel gegeven. Hierbij gaan we allereerst in op de maatregelen die, over de clusters heen, als effectief worden gezien (paragraaf 3.2). Vervolgens hebben we de maatregelen geselecteerd waarover, beredeneerd vanuit de clusters, veel verschil van mening bestaat (paragraaf 3.3). De meningen over de maatregelen die niet in 3.2 en 3.3 zijn besproken zijn beschreven in bijlage 7. Tenslotte maken we een selectie van suggesties die respondenten tijdens de interviews hebben gedaan. We willen benadrukken dat op basis van de Q-analyse geen uitspraken kunnen worden gedaan over de effectiviteit van maatregelen in de vorm van een overall oordeel of ranking. Hiervoor is een ander type onderzoek (de survey) en daarmee een andere selectie van respondenten nodig. 3.2 Maatregelen die als effectief worden beoordeeld Sommige maatregelen worden door veel respondenten effectief geacht. Dit komt ook tot uiting in de resultaten van de Q- analyse. In deze paragraaf bespreken we een aantal maatregelen die door alle defining respondenten, ongeacht voor welk cluster, als effectief worden beoordeeld. Per maatregel geven we aan hoe ze scoren op de vier clusters en wat achtergronden van overeenkomsten en verschillen tussen clusters kunnen zijn. Voor dit laatste putten we uit de interviews. In bijlage 6 staan de scores van alle maatregelen op de verschillende clusters. Warme overdracht (dossier, kennis) tussen VMBO-MBO Warme overdracht wil zeggen dat dossiers nadrukkelijk worden toegelicht (mondeling). Warme overdracht van leerlingen van VMBO naar MBO is nog niet gebruikelijk. Warme overdracht tussen VMBO-MBO. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Een warme overdracht wordt over het algemeen beschouwd als effectief. Het belangrijkste argument voor een warme overdracht is de mogelijkheid om een leerling ook op het MBO vanaf het begin de juiste begeleiding te bieden. Respondenten van het VMBO spreken van kapitaalvernietiging, wanneer alle investeringen in materiaal, (taal)ontwikkelingsprogramma s en zorgcoördinatie teniet worden gedaan door een gebrekkige overdracht

38 De effectiviteit wordt volgens sommigen geconditioneerd door de capaciteit van met name MBO s. Voor grote ROC s kan het gaan om honderden leerlingen. Deze kunnen niet allen warm instromen. De vraag die hier opspeelt is hoeveel leerlingen een warme overdracht behoeven. Gaat het alleen om de allerzwaarste zorgleerlingen en de leerlingen die hiervoor expliciet toestemming hebben gegeven? Een andere belangrijke vraag betreft de temperatuur van de overdracht. Sommige warme overdrachten beperken zich tot formulieren. Deze zijn niet echt warm te noemen, maar vergen minder capaciteit van scholen. Enkele respondenten zijn kritisch over de warme overdracht. Met name vanuit cluster 3 wordt beredeneerd dat leerlingen een frisse start moeten kunnen maken op het MBO, met name als het op dat moment goed gaat met de leerling. De meeste gesprekspartners vinden dat, hoewel een leerling opnieuw moet kunnen beginnen, dit niet zou moeten betekenen dat er op het MBO niets gedaan wordt met het dossier dat op het VMBO over de leerling is opgebouwd. Een docent zou professioneel genoeg moeten zijn om zijn/haar beeld niet te laten bepalen door bepaalde informatie over leerling. Andere twijfels over de effectiviteit betreffen het gebrek aan middelen van de dossierhouder om adequaat in te grijpen. Voorts merkt een enkele respondent op dat het bij warme overdrachten uiteindelijk toch vaak gaat over problemen die deels voorkomen hadden kunnen worden. De aandacht voor de warme overdracht als effectief instrument mag de aandacht voor andere, meer preventieve maatregelen niet afleiden. Tenslotte zijn er gesprekspartners die een warme overdracht niet noodzakelijk achtten: indien nodig kan de school altijd informatie opvragen. Extra begeleiding zorgleerlingen (psychosociale gezondheid) op school De school biedt extra begeleiding voor zorgleerlingen die wegens uiteenlopende problemen moeite hebben om mee te komen op school. Extra begeleiding zorgleerlingen op school. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Het oordeel over de effectiviteit van deze maatregel hangt voor veel respondenten af van de vraag wat het probleem van de zorgleerling is en of de deskundigheid op school aanwezig is om deze problemen het hoofd te bieden. In de clusters 3 en 4 is de vsv er vooral zorgleerling, in cluster 1 een leerling die een verkeerde keuze heeft gemaakt. In cluster 2 heeft de vsv er geen duidelijk profiel. Sommige gesprekspartners (die vaak hoog scoren op clusters 3 en 4) vinden dat een leerling op school moet worden geholpen. Het is voor hen van belang dat de leerling zich prettig en veilig voelt op school. Enkelen van hen verwijzen naar vroegsignalering, het op een zo jong mogelijke leeftijd vaststellen van bepaalde problemen. Scholen zijn te cognitief bezig, aldus een respondent voor wie vsv vooral psychosociale achtergronden heeft. Anderen stellen dat scholen vooral cognitief bezig moeten blijven. De school is volgens hen namelijk niet ingericht op zorgleerlingen. Zij stellen dat de extra begeleiding niet door de school moet worden

39 verzorgd, maar daarbuiten door professionals en in de thuissituatie, al was het alleen maar omdat de begeleiding dan ook niet drukt op het toch al beperkte budget van de school. De begeleiding kan dan ook voortduren indien de leerling van school gaat of naar een andere school overstapt. Bovendien wordt zo voorkomen dat de leerling op school een etiket krijgt. Extra begeleiding probleemleerlingen (crimineel/overlast gevend gedrag) op school Het betreft hier extra begeleiding aan leerlingen die veel overlast veroorzaken met hun gedrag, zowel binnen als buiten de school. Hierbij kan worden gedacht aan vechtpartijen, bedreigingen of diefstal. Extra begeleiding probleemleerlingen op school. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Het oordeel van de effectiviteit van deze maatregel staat of valt bij het geloof in de mogelijkheid deze probleemjongeren in het gareel te houden en weer op school te krijgen. Argumenten voor deze maatregel zijn sterk vertegenwoordigd in de clusters 3 en 4. De extra begeleiding voor probleemjongeren op school vormt volgens deze redenering een belangrijk onderdeel van de zorgstructuur op school. Jongeren die crimineel gedrag vertonen, hebben vaak ook andere problemen. Gesprekspartners die deze maatregel effectief vinden, benaderen deze jongeren vanuit dit perspectief. Je moet ze extra zorg geven, maar tegelijk goed in de tang houden. Een dagbesteding is daarbij van belang. Voor andere respondenten horen probleemleerlingen die crimineel/overlastgevend gedrag vertonen eigenlijk niet op het reguliere onderwijs. Zij vragen teveel aandacht en energie van reguliere docenten en hebben daarnaast een negatieve invloed op medeleerlingen. Scholen zijn niet voldoende ingericht op het begeleiden van de echte probleemjongeren. Zij hebben de benodigde begeleiding niet in huis of kunnen de veiligheid van medewerkers en leerlingen niet garanderen. Door de (overmatige) aandacht voor probleemleerlingen is er minder aandacht voor kind dat gewoon op school zit. Sommige respondenten menen dat het gaat om een kleine groep leerlingen. Om die reden achten zij deze maatregel beperkt effectief

40 Deskundigheidsbevordering docenten (signaleren zorgsignaal) Docenten worden getraind in het opmerken van uiteenlopende zorgsignalen. Denk hierbij aan (digi)pesten, concentratiestoornissen, faalangst, verzuim et cetera. Deze maatregel wordt onderscheiden van de maatregel deskundigheidsbevordering docenten (training en coaching), waarbij een beroep op docenten wordt gedaan een deel van de zorg zelf ter hand te nemen (zie bijlage 7). Deskundigheidsbevordering docenten (signaleren zorgsignaal). Cluster 1: Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Hoewel deskundigheidsbevordering van docenten bij geen van de clusters als hoogste scoort zijn de meeste respondenten het erover eens dat dergelijke maatregelen relatief effectief zijn. Veel gesprekspartners merken op dat het belangrijk is dat docenten zorgsignalen kunnen signaleren, zodat zo snel mogelijk passende hulp kan worden geboden. Juist docenten staan dicht bij de leerling. Belangrijk is dat een docent oog en oor heeft voor de leerling. Dit vergt een bepaalde houding van docenten, alsook pedagogisch-didactische (niet slechts inhoudelijke) kwaliteiten. Om deze redenen wordt deze maatregel als effectief beoordeeld. Opvallend daarbij is de consensus tussen de verschillende clusters. Individuele leertrajecten (cluster 1), inter-organisatorisch verzuimbeleid (cluster 2) en zorgtrajecten (clusters 3 en 4) beginnen immers bij signalering. De respondenten in cluster 1 zijn het meest uitgesproken vanuit de gedachte dat docenten een belangrijke invloed kunnen uitoefenen op het succesvol doorlopen van het traject door een leerling. De maatregel wordt voorwaardelijk genoemd en daarom door niet alle respondenten als meest effectief bestempeld. Docenten moeten ook weten waar ze de opgevangen signalen moeten neerleggen, zoals een zorgcoördinator op school, en er moet wel iets met de signalen gedaan worden. Vandaar ook dat respondenten aangeven dat vooral de deskundigheid van zorgcoördinatoren op het MBO zou moeten worden bevorderd. Volgens respondenten die (potentiële) vsv ers zien als zorgleerlingen (cluster 3 en 4) gaat deskundigheidsbevordering niet ver genoeg. Het gaat volgens hen vooral om persoonlijke betrokkenheid van docenten. Sommige docenten staan ver van leerlingen af. Enkele respondenten zetten vraagtekens bij de noodzaak van de maatregel. Docenten zouden vaak al genoeg deskundigheid in huis hebben. Vooral op het VMBO geldt dat het omgaan met zorgleerlingen inherent is aan het lesgeven. Scholen variëren evenwel in de tijd die wordt geïnvesteerd in cursussen en de opkomst van de docenten tijdens dergelijke cursussen

41 Beroeps- en studiekeuze begeleiding op het VMBO Leerlingen in het VMBO moeten al op relatief jonge leeftijd een keuze maken voor een vervolgopleiding. Beroeps- en studiekeuze begeleiding heeft als doel om leerlingen te ondersteunen om de juiste keuze maken voor een vervolgopleiding in het MBO. Beroeps- en studiekeuze begeleiding op het VMBO. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Gesprekspartners die deze maatregel effectief vinden (met name hoog scorend op cluster 1), geven aan dat een verkeerde studiekeuze een belangrijke oorzaak van schooluitval is: leerlingen komen er na een paar maanden in het eerste jaar van het MBO achter dat de opleiding niet is wat ze ervan verwacht hadden. Vervolgens raken ze verveeld, gedemotiveerd en blijven ze weg. Deze maatregel kan een verkeerde studiekeuze voorkomen. Beredeneerd vanuit cluster 2 verbetert deze maatregel meer in het algemeen de overgang tussen VMBO en MBO. Gesprekspartners die aangeven dat deze maatregel minder effectief is voeren drie verschillende argumenten aan. Allereerst is er de groep die aangeeft dat deze groep leerlingen gewoon nog erg jong is om een keuze te maken die zo bepalend is voor de rest van hun loopbaan. VMBOleerlingen zijn nog volop in ontwikkeling. Kun je van hen verwachten dat ze op hun leeftijd al precies weten wat ze willen? Hoewel beroeps- en studiekeuzebegeleiding effectief kan zijn, moeten leerlingen dus niet in één bepaalde richting worden gedwongen. Ten tweede wordt aangegeven dat er al ruim voldoende aandacht is op het VMBO voor beroepskeuzebegeleiding. Ten derde moet een afweging worden gemaakt in termen van kosten en baten: er wordt veel geld aan begeleiding besteed, hoewel het onduidelijk is of de studiekeuze er daadwerkelijk door wordt beïnvloed. Opvang van moeilijk te handhaven leerlingen in rebound/time out voorzieningen Een rebound/ time-out voorziening biedt leerlingen die op school (tijdelijk) niet te handhaven zijn een niet- vrijblijvend en gefaseerd programma onder schooltijd met het doel zo snel mogelijk de schoolloopbaan binnen het reguliere voortgezet onderwijs te vervolgen, bij voorkeur op de eigen school, of anders op een andere school voor voortgezet onderwijs 9. Opvang van moeilijk te handhaven leerlingen in rebound/time out voorzieningen. Cluster 1: Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving 9 De periode dat een leerling in de voorziening zit, is bij de rebound duidelijker afgebakend dan bij de time-out. Tevens is de uitplaatsende school gedurende het verblijf in de rebound nog steeds betrokken. Bij de time out kunnen scholen zich vaker afzijdig houden

42 Deze maatregel wordt positief op effectiviteit gewaardeerd, met name door respondenten die vsv ers percipiëren als zorgleerlingen (cluster 3 en 4). Zij constateren dat op een dergelijke voorziening maatwerk wordt geleverd en persoonlijke aandacht wordt gegeven. Daarnaast wordt genoemd dat deze voorzieningen een goede schakel zijn tussen regulier en speciaal onderwijs. Voor sommige leerlingen is het voldoende dat ze even weg zijn uit het reguliere onderwijs. Een indicatiestelling voor het speciaal onderwijs is dan niet meer nodig. Veel reacties op deze maatregel betreffen de effecten voor de school: die kunnen zich weer concentreren op hun core business, daar gaat de druk eraf en de rust in de klas kan worden hersteld. Met tijdige opvang in rebound van moeilijk te handhaven leerlingen zou iedereen gebaat zijn. Tegelijkertijd geven sommige gesprekspartners aan dat dergelijke opvangvoorzieningen wel eens al te eenvoudig door scholen worden gebruikt om leerlingen over de schutting te gooien. Aan de andere kant wordt gezegd dat leerlingen na een periode in een time out of reboundvoorziening terugvallen in oude patronen. Deze voorzieningen lijken op korte termijn effectief, maar blijken dit, volgens de betreffende respondenten, op langere termijn niet te zijn. Zij geven aan dat problemen van leerlingen tijdens een time out niet afnemen, dat ze niet terugkeren naar school omdat het contact tussen leerling en school is verbroken (scholen willen vaak helemaal niet dat de leerling weer terugkeert) en dat de time out stigmatiseert. Niet alle respondenten hebben zicht op hoe de voorzieningen werken en of zij effectief zijn. Zij hebben de neiging om te wijzen op de relatief hoge kosten en de kleine groep vsv ers waar de maatregel betrekking op heeft. Daarom achten zij de maatregel beperkt effectief. Maatwerkcursussen Voor leerlingen die specifieke en relatief lichte problemen hebben die hen belemmeren in hun prestaties op school en hun gedrag sterk beïnvloeden, worden maatwerkcursussen georganiseerd. Voorbeelden hiervan zijn sociale vaardigheid- en faalangsttrainingen. Maatwerkcursussen (sociale vaardigheid, faalangst, etc.). Cluster 1: Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Maatwerkcursussen worden vrij algemeen als effectief gezien. Ook tussen de clusters van meningen is er weinig variëteit. Gesprekspartners wijzen op de preventieve werking die deze maatregel kan hebben voor de individuele leerling. Maatwerkcursussen hebben de potentie bepaalde (zij het een kleine) groepen jongeren binnenboord te houden. Genoemd wordt onder meer dat veel leerlingen een aantal basisvaardigheden niet thuis krijgt aangeleerd (denk aan conflictbeheersing). Naarmate jongeren hier eerder en beter in getraind worden, staan zij sterker in hun schoenen en zijn zij beter in staat zichzelf te redden, zowel op school als daarbuiten. Eén respondent gaf het voorbeeld van een meisje dat verzuimde omdat zij faalangst had

43 Door verschillende personen zijn kanttekeningen gemaakt bij de effectiviteit van maatwerkcursussen: er zijn wachtlijsten, de cursussen zijn voor individuele gevallen effectief maar niet voor een grotere groep, de verhouding tussen kosten en baten is niet inzichtelijk. Eén van de gesprekspartners van een ROC gaf aan dat een substantieel deel van de leerlingen in één of ander traject zit, dat dit veel geld kost en dat er geen inzicht is in het effect van de maatregel op langere termijn. Respondenten die maatwerkcursussen minder effectief vinden, hebben vaak een voorkeur voor het verweven van cursussen in het onderwijs, onder meer om het risico van stigmatisering te ondervangen. Goede aansluiting ZAT op externe zorg (BJZ, Jeugd GGZ, Opvang) Zorg Advies Teams (ZAT s) spelen een belangrijke rol in de jeugdketen. Het is daarom van belang dat deze teams aansluiting hebben met zwaardere, meer specialistische zorg. Goede aansluiting ZAT op externe zorg (BJZ, Jeugd GGZ etc.). Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Gesprekspartners geven aan dat deze maatregel een belangrijke voorwaarde is om een ZAT in te richten. Als het gesignaleerde probleem te complex is voor de partners in het ZAT moet snel aanvullende expertise ingeschakeld kunnen worden zodat passende hulp in gang kan worden gezet. Deze schakel is volgens sommige respondenten kwetsbaar. Zij geven aan dat de wachtlijstenproblematiek de effectiviteit van goede aansluiting op externe zorg in de weg staat. Dit gaat ten koste van de snelheid waarmee een leerling geholpen kan worden. Vanuit cluster 1 geredeneerd is die snelheid essentieel. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om leerlingen binnenboord te houden Dit zijn speciale klassen die worden ingericht voor leerlingen die de verkeerde studiekeuze hebben gemaakt en nog op zoek zijn naar een alternatief. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om leerlingen binnenboord te houden. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Uit deze maatregel spreekt een verantwoordelijkheid van scholen om hun leerlingen binnenboord te houden. De maatregel wordt daarom als preventiever gezien dan de maatregel over een opvangen oriëntatieklas op het MBO om leerlingen weer naar school te krijgen (zie bijlage 7). Deze verantwoordelijkheid past vooral bij meningen uit de clusters 2 en 4. Argumenten waarom deze maatregel effectief is, betreffen de binding aan school van leerlingen die dreigen uit te vallen. Dit

44 voorkomt dat leerlingen er aan gewend raken thuis te zitten of geld te verdienen met een (bij)baan en vervolgens niet meer op school komen. Een argument waarom deze maatregel (met name door cluster 3- respondenten) als minder effectief wordt beschouwd is het gevaar dat leerlingen juist in een aparte klas gedemotiveerd raken. Dit kan gebeuren door de stigmatiserende werking van aparte klassen, de vermeende neiging van deze categorie leerlingen om ongewenst gedrag van elkaar over te nemen en grote onderlinge niveauverschillen tussen leerlingen. 3.3 Maatregelen waarover sterke verschillen van mening bestaan Over sommige maatregelen bestaan sterke meningsverschillen. In deze paragraaf bespreken we de drie maatregelen waarover, tussen de clusters, de sterkste verschillen bestaan. Ook hier geven we aan wat de achtergronden van die verschillen kunnen zijn. Een totaaloverzicht van scores van maatregelen, gesorteerd op mate van overeenstemming, is opgenomen in bijlage 6. Lik op stuk spijbelbeleid van de school Directe sanctie bij verzuim door de school (zoals nablijven, strafwerk, et cetera) Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Lik op stuk spijbelbeleid Cluster 4 De sociale omgeving De meningen van de gesprekspartners ten aanzien van het lik op stuk spijbelbeleid van de school verschillen sterk. Voorstanders van deze maatregel geven aan dat het niet direct aanpakken van spijbelen leidt tot meer spijbelen, slechter presteren en uiteindelijk tot een verminderde motivatie en een grotere kans op schooluitval. In die zin kan deze maatregel vooral ook preventief werken. Andere respondenten zien lik op stuk spijbelbeleid als een repressieve maatregel. Lik op stuk spijbelbeleid wordt door sommige respondenten (die sterk geassocieerd zijn met cluster 3) gezien als een vorm van persoonlijke aandacht: de school laat direct zien dat spijbelen wordt gesignaleerd en niet wordt getolereerd. Zij wijzen op de preventieve werking van deze maatregel. Andere gesprekspartners (met name sterk geassocieerd met cluster 1) stellen dat sanctioneren leerlingen kan wegjagen, omdat dit kan leiden tot verminderde motivatie. Afschrikken is voor hen het tegenovergestelde van motiveren en begeleiden door de schoolcarrière. Vanuit een systeemblik (cluster 2) wordt opgemerkt dat scholen niet zelf zouden moeten sanctioneren bij verzuim, maar dat zij bij voorkeur in een zo vroeg mogelijk stadium leerplicht moeten inschakelen om actie te ondernemen. Scholen zouden niet over instrumenten beschikken om effectief in te grijpen, anders dan het melden bij leerplicht. Sommige gesprekspartners denken hier anders over. Zo werkt een enkele school met geldboetes in het geval van ongeoorloofd verzuim

45 Kennismakingsperiode (4 e jaars VMBO-leerlingen en/of bij start op MBO) Veel VMBO- leerlingen weten nog niet welke richting ze op willen. Een kennismakingsperiode kan hen helpen. Denk hierbij aan leerlingen uit het 4 e jaar van een VMBO die zich op het MBO kunnen oriënteren. Daarnaast gaat het om een kennismakingsperiode bij de start op MBO, waarna leerlingen eventueel nog van studierichting kunnen veranderen. Naast de studiekeuze speelt ook de kennismaking met de structuur en cultuur van de nieuwe school een belangrijke rol. Kennismakingsperiode VMBO leerlingen op MBO. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Er is op dit moment weinig concrete ervaring met deze maatregel. Een kennismakingsperiode kan de schoolkeuze faciliteren en introduceert ROC s als het ware in de VMBO s. Dit strookt met de meningen uit cluster 1. Een aantal respondenten stelt dat deze maatregel alleen effectief is als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De periode van kennismaking moet bijvoorbeeld lang genoeg zijn, de kennismaking moet een reële afspiegeling vormen van de opleiding en de timing moet goed zijn. De zomer zou bijvoorbeeld een goed moment kunnen zijn, omdat VMBO-leerlingen dan niet in een gat vallen na hun eindexamen. Aan dergelijke voorwaarden wordt volgens deze respondenten niet altijd voldaan. Andere respondenten betwijfelen of de kennismakingsperiode wel een oplossing is voor de problemen die ten grondslag liggen aan vsv. Sommigen bezien de overgang tussen VMBO en MBO meer vanuit een onderwijskundige invalshoek. Uitval wordt volgens hen niet door een verkeerde schoolkeuze veroorzaakt, maar door problemen die ontstaan als gevolg van de veel grotere vrijheid die leerlingen krijgen op het MBO in vergelijking met het VMBO en een kennismakingsperiode heeft hier geen effect op. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om vsv ers weer naar school te krijgen Speciale klassen worden ingericht voor leerlingen die zijn uitgevallen en wachten op een nieuw instroommoment. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om vsv ers weer naar school. Cluster 1 Het traject van de leerling Cluster 2 Een optimaal systeem Cluster 3 Het individu voorop Cluster 4 De sociale omgeving Het meest vernomen argument voor deze maatregel (sterk vertegenwoordigd in cluster 4) is dat deze maatregel vsv ers, al voordat zij weer in het reguliere onderwijs instromen, bindt aan de school. Met name vsv ers met psychosociale problemen moeten een drempel overwinnen. Daarom is het voor hen wenselijk om in een aparte klas aan school te wennen. Belangrijke voorwaarden voor effectiviteit zijn de homogeniteit van de klas en de deskundigheid van de docent. Het gaat hier met name om het vermogen om met leerlingen met psychosociale problematiek om te gaan

46 Veel respondenten (met name sterk geassocieerd met cluster 3) merken op dat ingrijpen nadat leerlingen zijn uitgevallen eigenlijk te laat is. Hoewel op het MBO de grootste uitval plaatsvindt, ligt de oorsprong van de problematiek volgens hen al op het voortgezet onderwijs en eigenlijk zelfs op het primair onderwijs. Op het MBO komt de problematiek tot uiting, bijvoorbeeld als gevolg van de schoolgrootte. Bovendien bestaan er, vanuit cluster 3 beredeneerd, grenzen aan wat docenten en school kunnen doen en moeten zorgpartners (bijvoorbeeld in een ZAT) het begeleiden van zorgleerlingen uitvoeren. Ook de mogelijk stigmatiserende werking van de maatregel kan de effectiviteit ervan negatief beïnvloeden. Tenslotte betwijfelen sommige respondenten of leerlingen via deze opvangklassen in de beschikbare korte tijd de vereiste normen en waarden kunnen aanleren om op school te kunnen functioneren. Hun perceptie is dat de vsv ers hardleers en moeilijk te begeleiden zijn. 3.4 Suggesties van respondenten De Q-analyse heeft geleid tot een viertal beleidstheorieën over de effectiviteit van maatregelen. Ze representeren een groot deel van de gesproken respondenten. De interviews hebben echter ook een aantal interessante suggesties van individuele respondenten opgeleverd. Deze beschrijven we in deze paragraaf. Het is van belang te beseffen dat het om individuele meningen gaat en dat deze niet noodzakelijkerwijs representatief zijn voor alle betrokkenen in de vsv- problematiek. De voorstellen zijn opgesomd in bijlage 5. In deze paragraaf bespreken we een aantal patronen hierin. De roep om samenwerking Er bestaat veel overeenstemming over het belang van een warme overdracht tussen VMBO en MBO. Breder wordt er veel waarde gehecht aan dergelijke overdrachten en samenwerkingen. Veel suggesties gaan hierover. Niet alleen de overdracht tussen VMBO en MBO, maar ook de overdracht tussen het primair onderwijs en het VMBO moet volgens sommige respondenten warmer. Problemen spelen volgens hen vaak al voordat leerlingen op het voortgezet onderwijs komen. Een betere begeleiding vanuit het basisonderwijs bij het maken van een keuze voor de juist school zou het risico op uitval kunnen beperken. Meerdere respondenten hebben een integratie tussen VMBO en MBO als ideaalbeeld. De overstap tussen de scholen wordt zo geminimaliseerd. Minder vergaande voorstellen gaan over het uitwisselen van docenten tussen VMBO en MBO, het aanbieden van een tussenklas of brugklas voor de duur van een jaar en het synchroniseren en koppelen van informatiesystemen van scholen. Meer samenwerking is ook mogelijk tussen scholen en (stageverlenende) bedrijven. Voorstellen gaan bijvoorbeeld over het aanstellen van vaste contactpersonen per stage, één vanuit het bedrijf en één vanuit de school. Andere voorstellen zijn meer programmatisch van aard. Werken en leren zouden volgens sommigen meer moeten worden afgewisseld, zodat docenten en gastdocenten aan reële werksituaties kunnen refereren in hun onderwijs

47 De roep om (verdere) professionalisering Er bestaat relatief veel consensus over het belang van deskundigheidsbevordering van docenten en extra begeleiding van probleem- en zorgleerlingen. Beide typen maatregelen doen een beroep op professionals in het onderwijs en de zorg. Opvallend bij de suggesties is dat deze vaak een oproep betreffen aan andere partijen om te professionaliseren. Een aantal respondenten pleit voor meer aandacht voor professionalisering van VMBO-docenten, omdat er van hen andere vaardigheden worden verwacht dan van bijvoorbeeld Havo/VWOdocenten. Andere respondenten leggen onder het motto professionalisering meer nadruk op planvorming. Zij zien professionalisering op deze wijze als conditie voor samenwerking. Een ZAT kan bijvoorbeeld handelingsplannen per leerling maken, met een einddoel en een vaste periode voordat deze legitiem kan uitvallen. Aan dergelijke plannen kan door meerdere organisaties worden gerefereerd. Tenslotte wordt ook verbetering van de uitvoering van plannen als professionalisering bestempeld. Het gaat hier meer om de opvolging van acties: indicatie, herplaatsing, opvolging van procesverbaal, et cetera. De roep om meer capaciteit Capaciteit is een belangrijke conditie voor zowel samenwerking als professionalisering. De roep om meer capaciteit geldt met name voor intensieve begeleidingstrajecten. Voor dergelijke trajecten is persoonlijk contact van groot belang. Een aantal respondenten merkt echter op dat er te weinig capaciteit is bij scholen om leerlingen te bellen of te schrijven in geval van verzuim. RMC s zouden meer capaciteit moeten hebben om huisbezoeken af te kunnen leggen. MBO s zouden onvoldoende capaciteit hebben om jongeren goed op te vangen en structurele ondersteuning te kunnen bieden. Tijd en geld zijn met enige regelmaat beschikbaar, maar volgens sommige respondenten niet op structurele basis. Zij wensen aandacht voor lange termijninvesteringen. Vanuit de politiek zou een neiging bestaan om op korte termijn resultaten te boeken en daarbij specifieke projecten te steunen. Dit geeft weinig zekerheid voor mensen die op structurele basis de vsv- problematiek wensen te bestrijden. De kleine dingen Veel suggesties waren opvallend praktisch van aard. Onder het motto het zijn de kleine dingen die het m doen stellen zij voor leerlingen en professionals te faciliteren in hun werk. Volgens hen zijn het vaak kleine, praktische barrières die leerlingen ontmoedigen naar school te gaan. Maatregelen zouden tot doel moeten hebben om deze barrières weg te nemen. We noemen een aantal voorbeelden: Het bieden van kinderopvang op school. Het opstellen van sluitende roosters. Het beschikbaar stellen van OV- kaarten aan MBO-leerlingen

48 Het werven van allochtone, jongere hulpverleners die de taal van de jongeren spreken. Het aansluiten bij de communicatiemiddelen die de jongeren hebben, zoals het contact op laten zoeken via msn in plaats van te laten bellen

49 4. Conclusie, discussie en reflectie Dit onderzoek leidt tot verschillende typen bevindingen. In dit hoofdstuk gaan we achtereenvolgens in op de conclusies uit de Q-analyse, de opbrengsten uit de interviews en onze reflecties op het onderzoek. We ronden af met suggesties voor de toekomst. 4.1 Conclusies Q- analyse Vier verschillende beleidstheorieën over de oorzaak en aanpak van vsv Uit de Q-analyse komt duidelijk naar voren dat er verschillende meningen bestaan over de oorzaak van voortijdig schoolverlaten. Waar bijvoorbeeld de ene respondent wijst op verkeerde (studie)keuzes als voornaamste oorzaak, ziet een andere psychosociale problemen. En waar de één een niet-sluitende keten als oorzaak beschouwt, wijst een ander op de invloed van de sociale omgeving (school, thuis, werk, vrienden) van de jongere. Deze verschillende meningen leiden vervolgens tot verschillen van mening over de aanpak van voortijdig schoolverlaten. De meningen zijn geclusterd tot vier beleidstheorieën van professionals. De Q-analyse leidt tot 4 verschillende beleidstheorieën over de oorzaak en aanpak van voortijdig schoolverlaten. 1. Het traject van de leerling gaat uit van de schoolcarrière van de individuele leerling en is erop gericht om leerlingen op school intensief gedurende deze carrière te begeleiden bij de keuzes die zij moeten maken. Een vsv er is een leerling die verkeerde keuzes heeft gemaakt. Deze beleidstheorie wordt met name aangehangen door respondenten die zich bezighouden met stagebemiddeling en beroepsoriëntatie alsmede het management van scholen. 2. Een optimaal systeem gaat uit van het optimaliseren van het systeem van overdrachten en overgangen tussen organisaties die betrokken zijn bij leerplichtige leerlingen. Omdat deze beleidstheorie zich richt op het systeem en niet op de individuele leerling, heeft een vsv er hier niet een uitgesproken profiel. Deze beleidstheorie wordt met name aangehangen door gemeenteambtenaren (beleidsmakers, leerplichtambtenaren, RMC-functionarissen). In Flevoland wordt deze beleidstheorie meer aangehangen dan in Haaglanden. 3. Het individu voorop gaat ervan uit dat het terugdringen van vsv gediend is met het bieden van een warm pedagogisch-didactisch klimaat en het bieden van duidelijkheid over bijvoorbeeld absentie. De focus ligt hierbij op het leveren van maatwerk aan leerlingen, waarbij onderwijs en zorg parallel lopen. De vsv er is in deze beleidstheorie veelal een zorgleerling. Deze mening wordt met name vertegenwoordigd door respondenten die zich op een of andere manier met preventieve zorg of preventie van verzuim bezighouden. 4. De sociale omgeving van de vsv er gaat ervan uit dat vsv kan worden teruggedrongen door het bieden van maatwerk in zorg- en hulpverlening aan leerlingen. Het aangrijpingspunt hiervoor is de individuele leerling in zijn verschillende leefomgevingen, zoals school, ouders, familie, vrienden, et cetera. Een belangrijk deel van de oplossingen ligt in de beïnvloedingsmogelijkheden die de leefomgeving biedt, zowel om vsv ers binnen school te

50 houden als ze weer op school te krijgen. Deze beleidstheorie wordt met name aangehangen door respondenten uit zorg- en hulpverlenende instanties. Grofweg kunnen we de vier beleidstheorieën ordenen op basis van twee dimensies: Het niveau waarop de maatregel zich concentreert: gericht op het individu of op het collectief; en De aard van de maatregel: gericht op persoonlijke aandacht en betrokkenheid of op organisatorische verbeteringen. In de onderstaande tabel zijn de vier beleidstheorieën op deze twee dimensies gepositioneerd. Tabel 4.1: Typen maatregelen passend bij de percepties Niveau van de maatregel Aard van de maatregel Individu Collectief Organisatie Cluster 1: Het traject van de leerling Cluster 2: Een optimaal systeem Aandacht Cluster 3: Het individu voorop Cluster 4: De sociale omgeving van de vsv er Vrijwel geen regionale verschillen in oordelen over effectiviteit Het onderzoek is uitgevoerd onder professionals in de RMC-regio s Haaglanden en Flevoland. Deze regio s zijn vergelijkbaar qua omvang van de vsv-problematiek. Er zijn wel verschillen met betrekking tot demografische en socio-economische kenmerken. Opvallend zijn met name de overeenkomsten tussen de resultaten van de beide regio s. In ieder van de clusters van meningen zijn ongeveer evenveel respondenten uit de regio Haaglanden als uit de regio Flevoland vertegenwoordigd. Dit kan betekenen dat de verschillen in demografische en socioeconomische kenmerken niet sterk bepalend zijn voor het oordeel over de effectiviteit van maatregelen. Dit geeft goede hoop voor de bruikbaarheid van deze resultaten voor andere regio s. Een uitzondering hierop vormt het cluster Een optimaal systeem, waar respondenten uit Flevoland domineren. De oorzaak van dit verschil zou kunnen liggen in de mate van tevredenheid over het huidige systeem in de betreffende regio. Op basis van een Q-analyse kan een dergelijke verklaring echter niet worden onderbouwd. De interviews leveren bovendien geen duidelijk bewijs voor deze interpretatie

51 4.2 Discussie; bevindingen uit interviews Vrijwel alle maatregelen worden effectief geacht Vrijwel alle respondenten beschouwen de meeste voorgelegde maatregelen als effectief. Op zichzelf is dit niet verassend: de maatregelen zoals ingezet komen niet voor niets voor op de lijst van best practices en quick wins. Wel opvallend was dat de meeste respondenten grote moeite hadden om maatregelen onder de categorie minst effectief te rangschikken, terwijl de categorie meest effectief vaak al na het rangschikken van enkele maatregelen gevuld was (respondenten mochten daar ook maar drie maatregelen neerleggen). Gedurende de interviews moesten respondenten daarom moeilijke keuzes maken om maatregelen van meest effectief naar minder effectief te kunnen schuiven. Oordeel over effectiviteit maatregelen hangt af van de functie van de respondent Er lijkt een verband te bestaan tussen de functie van de respondent en de door de respondent aangehangen beleidstheorie. Zo wordt de beleidstheorie Het traject van de leerling (cluster 1) met name aangehangen door stagecoördinatoren. Respondenten met een zorgachtergrond plegen de nadruk te leggen op intensieve begeleiding van zorgleerlingen en zijn derhalve goed in cluster 3 en 4 vertegenwoordigd. Een mogelijke verklaring hiervoor is het beperkte overzicht dat respondenten hebben over de variëteit aan initiatieven om vsv terug te dringen. Vaak is opgemerkt dat deze variëteit hoog is, net als de variëteit aan partijen die bij vsv zijn betrokken. Overigens geldt het adagium where you stand depends on where you sit niet voor alle respondenten. Er bestaan bijvoorbeeld weinig verschillen tussen VMBO-respondenten en MBOrespondenten. Deze zijn nauwelijks scheef verdeeld over de vier clusters. Beleving convenanten De onderzochte regio s hebben convenanten getekend met het Rijk, waarin de aanpak van de vsvproblematiek binnen de regio is omschreven. In 2006/7 zijn de convenanten ondertekend door het Rijk en de gemeente, in 2007/11 kwamen daar de onderwijsinstellingen bij. Geringe bekendheid met convenanten. Tijdens de interviews is opgevallen dat de inhoud van de convenanten bij weinig respondenten bekend is. De convenanten hebben een sterk bestuurlijk/beleidsmatig karakter terwijl de meeste respondenten werkzaam zijn in de uitvoering. Het aantal (formeel) gecommitteerden is beperkt. De convenanten zijn door een beperkt aantal partijen ondertekend en hebben daarmee een smalle basis. Andere betrokken organisaties dan gemeenten, RMC-regio s en schoolbesturen zijn niet bij de ondertekening betrokken. Vanuit de behoefte aan meer regie en de noodzaak van samenwerking is het te overwegen in de toekomst het aantal convenantpartners te verbreden. De gemeente kan middels een convenant ook die andere belangrijke partijen binden aan gemeenschappelijke doelstellingen. De activiteiten van een aantal partners die niet betrokken zijn, zijn immers cruciaal voor het welslagen van een integrale aanpak van de vsv-problematiek. Daar staat dan wel tegenover dat met een groter aantal partijen het afsluiten van het convenant complexer en tijdrovender wordt

52 Op basis van de interviews met respondenten die wel bekend zijn met de convenanten kunnen we geen harde uitspraken over effectiviteit van de convenant-aanpak doen. Wel kunnen we een tweetal functies van de convenanten benoemen die tijdens de interviews naar voren zijn gekomen: Aanjager gevoel van urgentie. Convenanten hebben als aanjager gewerkt om bestaande maatregelen te intensiveren en nieuwe te initiëren. Met andere woorden: de convenanten hebben als middel gefungeerd om urgentie te creëren en middelen beschikbaar te stellen. Innovatie in aanpak vsv. De inhoud van de convenanten is niet vernieuwend. Ze bevatten maatregelen die al bewezen effectief zijn (quick wins en best practices). De convenanten laten wel de nodige ruimte om de maatregelen lokaal en regionaal verder uit te werken en aan te passen aan de lokale situatie. Op deze wijze zijn op lokaal en regionaal niveau nieuwe initiatieven ontstaan. Onbekendheid met regierol gemeenten en RMC s Gemeenten hebben de regierol in het aanpakken van voortijdig schoolverlaten. De partijen met wie de gemeente moet samenwerken zijn onder andere scholen, Bureau Jeugdzorg en het OM. Het RMC heeft een coördinerende taak met betrekking tot melding en registratie van vsv ers en dient een goede samenwerking te bevorderen tussen alle partijen in de regio die te maken hebben met jongeren tot 23 jaar. De contactgemeente van de RMC-regio is de coördinator in een regionaal samenwerkingsverband van onderwijs, jeugdzorg, justitie en arbeid. Met andere woorden: daar ligt formeel de regie. In praktijk blijkt die regierol niet te worden herkend. Volgens sommige respondenten zou de gemeente een sterkere regierol moeten spelen. Alle maatregelen waarin een rol voor het RMC is weggelegd worden als beperkt effectief beschouwd. Dat de RMC-gerelateerde maatregelen als minder effectief (of neutraal) worden beoordeeld kan verklaard worden door de leeftijdscategorie (18 t/m 23 jaar) waarop het RMC zich richt, een categorie die niet direct in beeld is bij respondenten op het VMBO of in de eerste jaren van het MBO, maar ook door het feit dat respondenten het onderscheid tussen Leerplicht en RMC niet goed kunnen maken ( dat doet leerplicht toch ook? ). De lage score geeft, althans zo lijkt het, in veel gevallen dan ook met name onbekendheid ( RMC? Wat is dat? Nog nooit van gehoord.) in plaats van ontevredenheid weer. Het is niet duidelijk of dit komt door de manier waarop RMC s zichzelf profileren of door het feit dat (bijvoorbeeld VMBO-) respondenten nauwelijks met RMC s te maken hebben. Samenwerking is essentieel maar kent vele belemmeringen Effectiviteit van convenanten en een goede invulling van regie door gemeenten veronderstellen samenwerking. Samenwerking is met name van belang omdat de gemeente semi-autonome partijen gericht moet kunnen beïnvloeden zonder (doorslaggevende) hiërarchische bevoegdheden. Een groot deel van de ingezette maatregelen is gericht op het verbeteren van samenwerking tussen verschillende bij de vsv-problematiek betrokken instellingen. Veel respondenten ervaren

53 samenwerking als essentieel voor de effectiviteit van maatregelen. In de praktijk zijn er verschillende belemmeringen voor succesvolle samenwerking rond vsv: Tegengestelde belangen tussen partijen die met elkaar moeten samenwerken. Bijvoorbeeld: De gemeente wil leerlingen terug naar school krijgen (met een uitkering), terwijl het in belang van CWI en Sociale Dienst is om leerling aan werk te helpen (en niet aan een uitkering). En denk aan stageverlenende bedrijven die bij een krappe arbeidsmarkt leerlingen graag voor hun bedrijf willen behouden. Marktprikkels in het onderwijs als belemmering voor samenwerking. Denk aan de volgende overwegingen waar scholen voor staan: Waarom bij schaarste van stageplaatsen de goede contacten met het bedrijfsleven delen met concurrenten (andere scholen)? Waarom zou bij overstap naar andere school de oude school eventuele problemen of zorgen op overdrachtsformulieren uiten. Dat maakt de overstap immers alleen maar moeilijker? Waarom als MBO veel tijd investeren in keuzevoorlichting op het VMBO als het onzeker is dat deze investering rendeert (kiest de leerling wel voor mijn MBO)? Samenwerken vergt capaciteit die niet altijd beschikbaar is. Bijvoorbeeld: als er wachtlijsten zijn in de tweedelijnszorg, dan is het moeilijk om de aansluiting tussen ZAT en deze zorg snel te realiseren, ondanks de effectiviteit van het ZAT. Een ander voorbeeld: Capaciteitstekorten bij het OM kunnen leiden tot gebrekkige uitvoering van verzuimprotocollen. Ofwel: maatregelen leiden impliciet tot investeringskosten elders, die wel gemaakt moeten worden voordat de maatregelen effectief kunnen zijn. 4.3 Reflecties op het onderzoek Toegevoegde waarde: variëteit en ordening Dit onderzoek heeft een aantal belangrijke inzichten over de maatregelen opgeleverd die in een kwantitatief effectonderzoek minder tot uiting zouden zijn gekomen. De Q-methodologie leidt enerzijds (net als de R-methodologie ) tot het inzicht dat er veel variëteit aan visies bestaat over de problemen en de aanpak van vsv. Anderzijds geeft de methodologie ook mogelijkheden ordening te brengen in deze variëteit. Aan de hand van een typologie van interventies (op de dimensies aard en niveau van maatregelen) hebben we vier beleidstheorieën onderscheiden. Deze beleidstheorieën hebben we bovendien op detailniveau kunnen beschrijven: er is inzicht in de achterliggende problematiek, de reden van effectiviteit van maatregelen en belangrijke condities waaronder de maatregelen al of niet effectief zijn. Relevantie voor beleid: een checklist of een afwegingskader De vsv-problematiek wordt wel beschouwd als een veelkoppig monster waarbij alles met alles samenhangt. Een dergelijke holistische manier van kijken naar vsv geeft weinig hoop op een

54 beleidsmatige oplossing. Een oplossing zou volgens een dergelijke visie slechts een schot hagel kunnen zijn en derhalve weinig kunnen uitrichten. De resultaten uit dit onderzoeken suggereren het tegendeel. Er zijn wel degelijk patronen te vinden in de oordelen van professionals over oorzaken van vsv en de effectiviteit van maatregelen. Deze patronen (de vier beleidstheorieën) vormen een goed uitgangspunt voor verder vsv- beleid. We noemen twee voorbeelden. Allereerst is de suggestie dat vsv-beleid evenwichtig moet zijn. De vier beleidstheorieën kunnen een checklist vormen voor de evaluatie van vsv- beleid, hetzij ex ante, hetzij ex post. Is het beleid te eenzijdig? Met andere woorden: zijn de genomen maatregelen teveel conform een enkele beleidstheorie te verdedigen? Met name voor gemeenten, die immers een regierol vervullen, kan een dergelijke checklist van waarde zijn. De resultaten van dit onderzoek kunnen ook dienen als afwegingskader voor hen die beschikken over middelen (zoals tijd en geld) om vsv terug te dringen. Vaak zullen zij worden geconfronteerd met meerdere claims om hun middelen in te zetten voor maatregelen tegen vsv. Dergelijke claims, soms ondersteund door onderzoek, zullen veelal zijn ingegeven door een achterliggende beleidstheorie. Met dit onderzoek is een dergelijke beleidstheorie te duiden (wellicht als één van de vier) en kan de inzet van middelen beter worden onderbouwd en afgewogen. Pas op de plaats: geen harde resultaten De vier beleidstheorieën zijn uiteraard niet in beton gegoten. Een aantal reflecties op het onderzoek geeft aan dat we behoedzaam moeten omgaan met de resultaten. We hebben respondenten gevraagd de maatregelen los van elkaar te beoordelen. Dit kan problematisch zijn, wanneer de maatregelen in sterke mate met elkaar samenhangen. Sommige maatregelen conditioneren bijvoorbeeld andere maatregelen. Andere maatregelen zijn slechts in combinatie met andere maatregelen effectief. Weer andere maatregelen zijn slechts effectief bij de inzet van veel middelen. Verschillende respondenten wezen erop dat alleen een integrale aanpak effectief kan zijn: vsv-problematiek kan alleen dan worden teruggedrongen als een groot aantal verschillende maatregelen in samenhang wordt ingezet. In samenhang met het bovenstaande: effectiviteit bleek tijdens de interviews een lastig hanteerbaar begrip. Effectiviteit is in dit onderzoek gedefinieerd als de mate waarin de maatregel een bijdrage levert aan de afname van het aantal vsv ers. Hoe groter de afname van het aantal vsv ers, des te effectiever de maatregel. Het bleek echter moeilijk om eenieder te dwingen dezelfde interpretatie van effectiviteit te hanteren. Zij moesten afwegingen maken tussen bijvoorbeeld ervaren effectiviteit versus verwachte effectiviteit, effectiviteit versus efficiëntie of effectiviteit op korte termijn versus effectiviteit op lange termijn. Het zij herhaald dat de resultaten van de Q-analyse zoals deze zijn gepresenteerd niet noodzakelijkerwijs generaliseerbaar zijn (zoals in R analyses) naar de gehele populatie van professionals en bestuurders, heel Nederland, en alle VMBO s en MBO s. Om de prevalentie te bepalen van deze vier clusters van meningen, is statistisch onderzoek nodig op basis van een representatieve steekproef

55 Suggesties voor verder onderzoek Bovenstaande reflecties leiden tot de aanbeveling het onderzoek een vervolg te geven. Hiertoe doen wij de volgende suggesties doen: Verdiepen naar typen maatregelen. De Q-analyse levert toetsbare hypothesen op over individuele maatregelen die als uitgangspunt voor (meer) kwantitatief onderzoek kunnen dienen. Hierbij is te denken aan het onder de loep nemen van maatregelen waarover de meningen sterk uiteenlopen (zoals meerdere instroommomenten). Verdiepen naar typen vsv ers. Het kan interessant zijn om te onderzoeken welke typen maatregelen effectief worden geacht voor bepaalde typen vsv ers. Deze stap wordt interessant als het laaghangend fruit geplukt is en meer ingewikkelde problemen overblijven. Het is bijvoorbeeld de moeite waard om een scherpere afbakening te gebruiken voor het te onderzoeken type vsv ers. Verdere verdieping van de clusters/percepties. Door de kaartjes met maatregelen voor te leggen aan respondenten in andere regio s of hen de op basis van dit onderzoek gegenereerde clusters/percepties voor te leggen. Onderzoeken robuustheid bevindingen. De bevindingen uit dit onderzoek zijn een momentopname. De maatregelen zijn gebaseerd op recent getekende convenanten en veelal nog maar net (of soms nog niet) ingezet. Het is daarom interessant om de Q-analyse over een aantal jaren te herhalen. Op die manier zou kunnen worden onderzocht hoe robuust de factoren zijn en in welke mate tijdsvariabelen van belang zijn

56

57 Bijlage 1 Kenmerken van de regio s en gemeenten 37941

58 37941

59 Kenmerken van de regio s en gemeenten Binnen de RMC-regio s Haaglanden en Flevoland is het onderzoek uitgevoerd in twee gemeenten waarin de vsv-problematiek relatief groot is. In Flevoland zijn dat Almere en Lelystad en in Haaglanden zijn dat Den Haag en Zoetermeer. 1. Geografische, demografische en socio-economische kenmerken De RMC-regio s Flevoland en Haaglanden, en de daarbinnen gekozen steden in het bijzonder, hebben een aantal overeenkomende en een aantal verschillende geografische, demografische en socio-economische kenmerken: Tabel: Overeenkomsten en verschillen tussen enerzijds Almere en Lelystad en anderzijds Den Haag en Zoetermeer Overeenkomsten Percentage jongeren in achterstandswijken 10 Percentage jongeren in gezinnen met een laag inkomen 11 Verschillen Haaglanden ligt in stedelijke regio (Randstad, met Den Haag als onderdeel van G4). Flevoland is meer een agrarische regio. Almere en Lelystad kennen een hogere jeugdwerkeloosheid dan Den Haag en Zoetermeer) 12. Flevoland heeft een relatief jonge bevolkingsopbouw 13. Haaglanden heeft een hoger percentage niet-westerse allochtonen op het VO en MBO Beleidskenmerken We beschrijven hieronder kort de speerpunten per RMC-regio en per geselecteerde gemeente. Dit betreft de speerpunten zoals die blijken uit beschikbare beleidsdocumenten en zijn genoemd in de interviews gehouden met lokale bestuurders en beleidsambtenaren. RMC-regio Flevoland De vsv-convenanten die in zijn afgesloten tussen het ministerie van OCW en de veertien RMC-regio s hadden tot doel het aantal vsv ers aan het einde van het schooljaar met 10% te verminderen. Een daling van 10 % van het aantal voortijdig schoolverlaters kwam voor de RMC-regio Flevoland overeen met 485 voortijdig schoolverlaters. Het convenant van RMC-regio Flevoland is getekend door minister van der Hoeven van het Ministerie van OCW en een vertegenwoordiger van de RMC-contactgemeente Lelystad, maar ook door vertegenwoordigers van twee ROC s uit de regio, namelijk het ROC Flevoland en het ROC Friese Poort. 10 Kinderen in Tel 2008, Verwey-Jonker Instituut 11 Factsheet voortijdig schoolverlaten 2007, ministerie OCW 12 Kinderen in Tel 2008, Verwey-Jonker Instituut 13 Website CBS 14 Factsheet voortijdig schoolverlaten 2007, Ministerie OCW

60 In de RMC-regio Flevoland zet men in het convenant in op: Warme overdracht vanuit de ROC s naar het RMC of jongerenloket in het geval van legitieme (onvermijdelijke) uitval. Open en transparante samenwerking tussen de gemeenten in de RMC-regio Flevoland en de ROC s en regelmatig overleg, monitoring en het bijsturen van ontwikkelingen door gemeenten en ROC s. De Flevolandse gemeenten en ROC s maken afspraken om elkaar, vanuit ieders verantwoordelijkheid en deskundigheid, te versterken en ondersteunen bij het de totstandbrenging van de zorgstructuur op de ROC s en daarbuiten. Het in overleg concretiseren van de rol en bijdrage van het voortgezet onderwijs ten aanzien van vsv. Realiseren van 2 of meerdere instroommomenten per jaar op ROC Flevoland en ROC Friese Poort. Leerlingen die instromen bij beide ROC s buiten de reguliere instroommomenten worden opgevangen in oriëntatie opvangklassen. De beide ROC s ontwikkelen een zorgstructuur, implementeren één doorlopende zorglijn en spannen zich in voor een sluitende aanpak in de keten van zorg. ROC s zetten zich in voor training/scholing van docenten om schooluitval te voorkomen. Partijen maken afspraken over verzuimregistratie en -beleid, melding, dossiervorming en verwijzing. ROC s brengen de RMC-functie binnen de school. Ook de rol van de leerplicht wordt beter bekeken. ROC s zetten zich in om voldoende en kwalitatief goede stageplaatsen te creëren. Daarbij verbeteren en intensiveren ROC s de stagebegeleiding van leerlingen en de voorbereiding van leerlingen op stages. ROC s besteden extra aandacht aan instroom van LWOO leerlingen uit het VMBO en leerlingen die van praktijkonderwijs instromen. Daarbij wordt de overgang van VMBO naar MBO voor de risicoleerlingen intensiever begeleid door het VMBO en het MBO. Gemeenten in de RMC-regio Flevoland gaan bijhouden welke jongeren hun VMBO diploma hebben gehaald, maar zich niet hebben ingeschreven bij vervolgopleiding. De gemeenten nemen contact op met jongeren die wel hun VMBO diploma hebben gehaald, maar niet staan ingeschreven bij een ROC-opleiding. Kenmerkend voor het convenant van de RMC-regio Flevoland is dat de maatregelen in dit convenant geformuleerd zijn op het niveau van een inspanningsverplichting. Er worden concrete acties genoemd en deze zijn gekoppeld aan concrete partijen. De beoogde resultaten worden over het algemeen niet expliciet benoemd

61 Almere De gemeente Almere heeft zichzelf ten doel gesteld het aantal vsv ers in 2010 ten opzichte van 2004 te halveren (van ongeveer 3300 naar circa 1700). Uitgangspunt in Almere is dat de aanpak van vsv inzicht vereist in wat er speelt. Daarom heeft het verbeteren van de verzuimregistratie prioriteit gehad. Er is geïnvesteerd in digitale informatie-uitwisseling tussen scholen en gemeente, alsmede in participatie van leerplichtambtenaren in ZAT s. Om vsv integraal te benaderen is een Taskforce vsv in het leven geroepen. Deze Taskforce heeft speerpunten genoemd voor verbetering, ontwikkelt op basis daarvan activiteiten en begeleidt de implementatie daarvan. 15 Daarnaast is met partners in de regio afgesproken dat jongeren die geen startkwalificatie kunnen behalen (bijvoorbeeld praktijkschoolleerlingen), wel een plek op de arbeidsmarkt moeten kunnen veroveren via een startdiploma. Hiermee kunnen deze leerlingen bij toekomstige werkgevers in Almere laten zien over voldoende doorzettingsvermogen en vakkennis te beschikken. Tabel: Aantal VMBO s, MBO s en Praktijkscholen in Almere Scholen Almere VMBO in scholen-gemeenschappen 9 MBO 2 Praktijkscholen 1 Lelystad Lelystad kiest voor een integrale benadering van vsv. In het grotestedenbeleid, de lokaal educatieve agenda, de aanpak jeugdwerkloosheid en het armoedebeleid is daarom aandacht voor de aanpak van vsv. De focus verschuift van curatief naar preventief. Uitgangspunt is dat vsv een gedeelde verantwoordelijkheid is van gemeenten en onderwijsinstellingen. Lelystad onderscheidt zich door het inzetten van talentmanagers. Die plukken jongeren letterlijk van de straat en begeleiden hen terug naar onderwijs, met betrokkenheid van (zorg)partners als schuldhulpverlening of Bureau Jeugdzorg. 15 Taskforce VSV Almere, Aanbevelingen, 15 mei 2008; Taskforce VSV Almere, Game Over, Play Again, Cijfers en Feiten over Voortijdig Schoolverlaten in Almere, 15 mei

62 Tabel: Aantal VMBO s, MBO s en Praktijkscholen in Lelystad Scholen Lelystad VMBO in scholen-gemeenschappen 4 MBO 2 Praktijkschool 1 RMC-regio Haaglanden Een daling van 10% van het aantal voortijdig schoolverlaters kwam voor de RMC-regio Haaglanden overeen met 636 voortijdig schoolverlaters. Dit aantal moest behaald worden aan het einde van het schooljaar 2006/2007. Het convenant van RMC-regio Haaglanden is ondertekend door minister van der Hoeven van het ministerie van OCW en een vertegenwoordiger van RMC-contactgemeente Den Haag. Het convenant is dus niet ondertekend door scholen. In de RMC-regio Haaglanden heeft men in het convenant gekozen voor het uitvoeren van de volgende maatregelen: Preventieproject overgang vmbo-mbo. Het preventieproject houdt in dat vierdejaars (gediplomeerde) VMBO-leerlingen, daar waar nodig, worden gevolgd en begeleid tijdens de overgangsperiode tussen het voortgezet onderwijs en het MBO. Zij krijgen begeleiding gedurende de zomermaanden door het Casemanagement van het RMC. ZAT s op het ROC. Het ZAT wordt ingezet als instrument om schoolinterne zorg af te stemmen op schoolexterne zorg, zodat de interventies op elkaar aansluiten en erop gericht zijn dat de leerling de schoolloopbaan kan voortzetten en afronden. Het gaat hier om het verstevigen van de ZAT s (preventie en vroegsignalering) ten behoeve van leerlingen met een hulpvraag binnen het ROC. Verzuimbeleid. Inzetten op een sluitende signalering en aanpak van verzuim om zo te voorkomen dat leerlingen definitief afhaken. Dit gebeurt door een persoonlijke benadering van de leerling, intensieve voorlichting op het ROC over het verzuimprotocol Leerplicht en het Meldprotocol Voortijdig Schoolverlaten en vervolgens het direct oppakken van de meldingen door Leerplicht en RMC. Kenmerkend voor het convenant van de regio Haaglanden is dat de maatregelen hierbinnen zijn geformuleerd op het niveau van een resultaat. Er wordt niet geëxpliciteerd wie verantwoordelijk is voor het realiseren van de beoogde resultaten

63 Den Haag De gemeente Den Haag heeft de ambitie om in vijf jaar (van het schooljaar tot het schooljaar ) het totaal aantal voortijdig schoolverlaters dat wordt herplaatst naar een opleiding, cursus of werk, met 50% te laten stijgen. 16 Vanaf 1 augustus 2006 geldt in Den Haag een nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen de gemeente en scholen. 17 De gemeente Den Haag is daarbij verantwoordelijk voor de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten, terwijl de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van vsv volledig bij de schoolbesturen ligt. Den Haag heeft het afgelopen jaar stevig ingezet op handhaving van de leerplichtwet en de RMC-functie (uitbreiding capaciteit met 10fte), vanuit de visie dat alle uitval (vsv) bij verzuim begint. Handhaving is daarbij nadrukkelijk gericht op het voorkomen dat verzuim uitmondt in volledige schooluitval. Om de aansluiting VMBO MBO te verbeteren zijn VMBO s in de regio en de Mondriaan onderwijsgroep (MBO) in mei 2006 een samenwerking aangegaan onder de naam Spirit4you. Doel is de door- en instroom naar het MBO te bevorderen, de uitval in VMBO en MBO te verminderen en de relatie met de arbeidsmarkt te verstevigen. Via een gedeeld administratiesysteem kunnen scholen overzicht houden van de status van inschrijving van VMBO-leerlingen op het MBO. Nieuw is de warme overdracht van VMBO-zorgleerlingen die starten op het MBO. Den Haag kent een Jeugd Interventie Team (JIT), dat jongeren van 12 t/m 23 jaar begeleidt met vragen over/problemen op verschillende leefgebieden. Scholen VMBO vestigingen (besturen) in scholen-gemeenschappen Den Haag 33 scholen (12 besturen) MBO 1 Praktijkscholen 6 scholen (5 besturen) Tabel: Aantal VMBO s, MBO s en Praktijkscholen in Den Haag Zoetermeer Zoetermeer zet in op preventieve activiteiten om vsv te voorkomen, door te investeren in zorg voor leerlingen. Er wordt ingezet op het tijdig signaleren, ondersteunen, doorverwijzen en, waar nodig, het bieden van opvang. 18 De reductie van het aantal vsv ers moet bereikt worden door een Gemeente Den Haag (13 oktober 2005). Lokaal Onderwijs Plan Haagse Klasse(n). 18 Gemeente Zoetermeer (2005). Nota Jeugd & Onderwijsbeleid

64 intensivering van bestaand beleid en in het bijzonder door de uitvoering van het preventieproject Doorstroom VMBO-MBO, het versterken van handhaving en toezicht op verzuim (in het bijzonder in het MBO), en de verbetering van zorgstructuren in het onderwijs (ook het MBO) door ZAT s. Om vsv als gevolg van een verkeerde studiekeuze terug te dringen streeft de gemeente naar een uitbreiding van het aantal studies op MBO-niveau. In Zoetermeer is extra aandacht voor een (preventieve) aanpak van vsv onder Antilliaanse jongeren. Zoetermeer heeft hierover in juni 2005, samen met 21 andere gemeenten, een Bestuurlijk Arrangement Antilliaanse Risicojongeren afgesloten met het rijk. In 2006 starten in dit kader in Zoetermeer drie projecten, namelijk stabiliteit thuis, graag naar school en weer naar school. 19 Tabel: Aantal VMBO s, MBO s en Praktijkscholen in Zoetermeer Scholen Zoetermeer VMBO in scholen-gemeenschappen 3 MBO 1 Praktijkscholen 1 19 Gemeente Zoetermeer (2005). Nota Jeugd & Onderwijsbeleid

65 Bijlage 2 Overzicht maatregelen 37941

66 37941

67 Maatregelenlijst VSV Maatregelen in regio s Haaglanden en Flevoland Categorie Operationele maatregel Toelichting 1. Overgang VMBO-MBO (logistiek) Check op inschrijving VMBO eindexamenleerlingen op MBO in de zomer In de vakantieperiode na het eindexamen zijn jeugdigen even uit beeld. Daarom extra check op inschrijving. 2. Benaderen leerlingen die niet staan ingeschreven In de vakantieperiode na het eindexamen zijn jeugdigen even uit beeld. Daarom extra check op inschrijving. 3. Warme overdracht tussen VMBO-MBO (persoonlijke dossier- en kennisoverdracht) 4. Kennismakingsperiode (4 e jaars VMBO leerlingen en/of bij start op MBO) 5. Verbinding ZAT VMBO en ZAT MBO (informatie- en kennisoverdracht) De meeste dossiers verhuizen digitaal of in een doos van A naar B. Warm wil zeggen dat enkele dossiers eruit worden gelicht en nadrukkelijk worden toegelicht. Veel leerlingen weten niet wat ze willen studeren,in een kennismakingsperiode kunnen ze eventueel nog wisselen van studie. Het blijven volgen van zorgleerlingen die veranderen van school. 6. Overdracht portfolio van VMBO naar MBO Een map van de leerlingen zelf met daarin verslagen/waardering over hun bijbaantje, stage, etc. 7. Overgang VMBO-MBO (onderwijsconcept) Onderwijskundige aansluiting vmbo mbo (inhoud onderwijs moet aansluiten) Wordt in convenanten niet genoemd, desondanks willen we deze maatregel wel toetsen bij de

68 respondenten. 8. Persoonlijke aandacht: contactpersoon voor leerlingen die ook buiten schooltijd bereikbaar / aanspreekbaar is. 9. Tutoring binnen school (ouderejaarsleerlingen begeleiden jongejaars leerlingen) 10. Tutoring tussen MBO en VMBO: leerlingen mbo begeleiden VMBO Beroepenoriëntatie Beroeps- en studie keuze begeleiding op VMBO Studie- en loopbaanbegeleiding op MBO Bedrijfssimulaties en real life omgeving Denk aan: met medeleerlingen een bakkerij runnen 14. Gastdocenten Kennismaking met beroepsbeoefenaars 15. Opvangklassen en instroommomenten Meerdere instroommomenten per jaar op MBO Jongeren moeten anders een jaar op het nieuwe schooljaar 16. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om leerlingen binnenboord te houden 17. Opvang- en oriëntatieklas op MBO om vsv-ers weer naar school te krijgen. 18. Taalvaardigheidprogramma s aanbieden (op school of met partners) Jongeren die de verkeerde studiekeuze hebben gemaakt, zijn geneigd af te haken. Als tijdig wordt geconstateerd dat jongeren geen interesse/enthousiasme/discipline hebben, komen zij in een aparte klas Jongeren die zijn afgehaakt en er een tijdje uit geweest zijn, worden opgevangen in een aparte klas. Voor leerlingen die een taalachterstand hebben en daarom niet goed mee kunnen komen op school. 19. Maatwerkcursussen (sociale vaardigheid, faalangst, etc.) Ook als onderdeel van persoongebonden trajecten

69 20. ZAT Inrichting ZAT op school ZAT = Zorg Advies Team (een groepje mensen met verschillende expertise die samen een risico- of probleemleerlingen bespreken en helpen). 21. Kwaliteitseisen aan ZAT (minimale samenstelling, expertise, frequentie, etc.) 22. Goede aansluiting ZAT op externe zorg (BJZ, Jeugd GGZ, Opvang) 23. Extra begeleiding zorgleerlingen (psycho-sociale gezondheid) op school 24. Extra begeleiding probleemleerlingen (criminineel/ overlast gevend gedrag) op school 25. Opvang van moeilijk te handhaven leerlingen in rebound/time out voorziening 26. Deskundigheidsbevordering docenten (signaleren zorgsignaal) Een ZAT inrichten zegt nog niets over de kwaliteit. Welke hulpverleners nemen deel, hoe vaak zien zij elkaar, hoe leggen ze afspraken vast? Casuïstiek die de professionals in het ZAT te boven gaat moet snel kunnen worden doorverwezen naar meer specialistische (jeugd)zorg. Betrokkenheid hulpverleners uit de zorg op school (GGD, schoolmaatschappelijk werk, Bureau Jeugdzorg) Betrokkenheid van politie/halt/jeugdreclassering Een reboundvoorziening biedt leerlingen die op school (tijdelijk) niet te handhaven zijn een niet vrijblijvend programma (structuur en discipline) onder schooltijd met het doel zo snel mogelijk de schoolloopbaan binnen het reguliere voortgezet onderwijs te vervolgen. Cursus voor docenten om problemen bij hun leerlingen te signaleren (b.v. hoe herken drugsgebruik, etc.) 27. Deskundigheidbevordering docenten (training en coaching) Cursus voor docenten (mentoren) om op een professionele manier risicoleerlingen te ondersteunen. 28. Stages Stageplaatsen en Leerwerktrajecten creëren passend bij vraag op arbeidsmarkt Niet de hele dag op school, maar het vak leren op de werkvloer. 29. Databank met stageplaatsen realiseren met partners (o.a. Koppelen vraag en aanbod

70 scholen, stageloketten, bedrijven, kenniscentra) 30. Stage van een dag bij een bedrijf/organisatie Zeer korte stage als eerste kennismaking met het beroep. 31. Intensieve stagebegeleiding door de school Leerlingen ondersteunen het voorbereiden, zoeken en daadwerkelijk lopen van de stage. 32. Sollicitatietraining (brieven en gesprekken) Voorbereiding op de arbeidsmarkt. 33. Gedurende schoolcarrière: van oriënterende naar verdiepende stages 34. Actief investeren in samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven (met oog op meer stageplaatsen creëren) Helpen bij het kiezen van het de juiste studie en beroep Verzuimbeleid Investeren in een schoolbrede absentieregistratie Noteren alle docenten de absente leerlingen, worden deze registraties op school verzameld? 36. Het doorgeven van een absentieregistratie aan de leerplichtambtenaar Leeftijdsgroep t/m 18 (leerplichtwet) 37. Het doorgeven van een absentieregistratie aan RMC Leeftijdsgroep t/m 23 (RMC-wet) 38. Lik op stuk spijbelbeleid van de school (directie sanctie bij verzuim door de school) 39. Verzuimprotocol met alle betrokken partners (school, leerplicht, RMC, CWI) - Onderling afstemmen van beleid en activiteiten 40. Voorlichting leerplicht wetgeving aan leerlingen Zijn alle leerlingen bekend met de kwalificatieplicht? 41. Dossiervorming leerlingen verzuim door de school Scholen houden een dossier bij hoe vaak een leerling verzuimd. 42. Samenwerking leerplicht- RMC Dossieroverdracht tussen leerplicht en RMC Met oog op doelgroep tot 18 tot 23 jaar

71 43. Inzetten expertise RMC bij leerplichtige leerlingen RMC hebben vaak expertise over het motiveren en helpen van VSV-ers, kan ook ingezet worden bij een jongere doelgroep. 44. Samenwerking onderwijs - gemeente Warme overdracht van legitieme uitval van MBO naar RMC/Jongerenloket (persoonlijke dossier- en kennisoverdracht) Warm = met persoonlijke toelichting bij een dossieroverdracht. Legitiem: wanneer het echt niet mogelijk is om leerlingen op school te houden, dienen zij in elk geval niet zoek te raken. 45. Samenwerking in Jongerenloket door CWI/SD/RMC CWI: Centrum voor Werk en Inkomen SD: sociale dienst Jongerenloket: werk- en onderwijs gerelateerde hulp voor de leeftijdsgroep 16 (18) tot Pro-actieve invulling RMCtaken Signaleren en benaderen jongeren zonder startkwalificatie door RMC RMC als partner in de leiding 47. Registratie en monitoring door leerplicht en RMC op orde. Bleek enige jaren geleden een groot probleem in het kunnen meten van VSV-getallen. 48. Ouderbetrokkenheid bij de opleiding van hun kind Komt in convenanten vrijwel niet aan bod. Desondanks willen we deze maatregel wel toetsen bij de respondenten. 49. Voorlichting aan ouders over leerplicht

72

73 Bijlage 3 Gesprekspartners 37941

74 37941

75 Gesprekspartners regio Flevoland Gemeente Gemeente Lelystad W. de Jager, wethouder T. Donker, beleidsmedewerker onderwijs I. Wessels, RMC consulent W. Fluri, leerplichtambtenaar L. Rijs, leerplichtambtenaar A. Jonker, RMC coördinator Gemeente Almere M. Visser, wethouder D. Simons, beleidsadviseur onderwijs R. Westerbeek, beleidsadviseur & RMC coördinator M. Dull, leerplichtambtenaar C. Gerritsen, senior RMC consulent VMBO VMBO SG De Rietlanden, Lelystad VMBO SG Echnaton, Almere De Steiger praktijkonderwijs, Lelystad H. ter Bach, rector L. Grasmeijer, teamleider H. ten Cate, directeur A. Buczynski, zorgcoördinator T. Horst, schoolmaatschappelijk werker & stagecoördinator Buitenhout College, Almere J. Verhagen, zorgcoördinator & docent B. Lommen, rector (voorzitter rector overleg VO-scholen Almere)

76 I. Kirsten, decaan & docent J. Henskens, gedragsdeskundige & docent Matchmaker Almere/VMBO Carrousel M. Dillman, projectleider Matchmaker Almere MBO ROC Flevoland, Almere J. Scheepers, leidinggevende Matchpoint E. Bearda & C. Broodbakker, Matchpoint J. Bos, stage- en bedrijfcontact M. Roos, zorgcoördinator & docent M. Magee, studiecoach & docent Work-Out/ROC Flevoland, Lelystad A. Schaap, afdelingsleider M. Baumgart, projectleider risicojongeren B. Zian, studiecoach Partners ZAT GGD Flevoland, Lelystad Bureau Jeugdzorg Flevoland, Lelystad Bureau Jeugdzorg Flevoland, Almere A. van der Worp, jeugdarts C. Spiekerman, deelnemer ZAT B. Jansen, deelnemer ZAT J. Gorter, deelnemer ZAT Maatschappelijke Dienstverlening Flevoland, Lelystad Stichting 3D A. Apperlo, gezinscoach H. Wapenaar, leidinggevende Breakpointoverleg

77 Stichting Leerlingzorg B. Vismans, directeur Stichting Leerlingzorg Almere Andere partners Dagtrainingscentrum, Leger des Heils, Lelystad Flevoland Junior/Flevotalent CWI, Lelystad Jongerenloket DMO, Almere Mind at Work Movation Taskforce VSV, Almere Gemeente Lelystad Oké op School, Almere P. van Weissenbruch & A. Willemsma, leidinggevende & trainer M. Heestermans M. Bramer, medewerker Jeugd C. Steinbuch, medewerker Jongerenloket E. Zeef, directeur T. Boonman, zelfstandig onderzoeker J. Klaver, zelfstandig adviseur M. Brouwer, talentmanager S. Stellaard, projectcoördinator

78 Gesprekspartners regio Haaglanden Gemeente Gemeente Den Haag S. Dekker, wethouder T. van Noort, beleidsmedewerker Onderwijs K. Hermans, RMC coördinator L. Walter, hoofd leerplicht R. Halberstadt, coördinator Leerplicht H. Basart, hoofd VSV Den Haag M. van der Maazen, beleidsmedewerker Gemeente Zoetermeer F. Muijzers, wethouder M. Gringhuis, beleidsmedewerker Onderwijs R. Veenendaal, leerplichtambtenaar A. Wennekes, casemanager RMC Zoetermeer VMBO (Den Haag) De Einder Praktijkonderwijs A. van Loenen, directeur H. Storm, leerkracht Hofstad Heldring W. Amirkhan, directeur B. Lomans, adjunct-directeur A. Spaans, zorgcoördinator Overbosch College A. van Dijkum, zorgcoördinator D. de Jong, decaan

79 C. Beun, coördinator leerplicht Hofstad MAVO VMBO Zuid-West M. van der Sloot, zorgcoördinator H. Zijlstra, zorgcoördinator MBO Mondriaan Onderwijsgroep, Den Haag M. Gambon, directielid Facilitaire dienstverlening P. van der Spek, hoofd studentenzaken facilitaire dienstverlening Mondriaan S. Hopman, coördinator stages opleidingen economie T. Blom, hoofd servicepunt deelnemerszaken S. Waasdorp, decaan Horeca en Facilitaire Dienstverlening R. Lionarons, coördinator beroepspraktijkvorming Horeca en Facilitaire Dienstverlening M. Franssen, Teamleider begeleidingstrajecten ZD T. Jaboer, coördinator Instroom Doorstroom Uitstroom voor de handelsopleiding C. Trommels, coördinator stages handelsopleiding ID College, Zoetermeer E. van de Bree, manager Onderwijs Service Centrum E. Kranenburg, verzuimcoördinator I. van de Wetering, seniordocent studentzaken, vertrouwenspersoon B. Heijink, adviseur Onderwijs Service Centrum E. van Vliet, seniordocent

80 Partners ZAT Bureau Jeugdzorg Haaglanden R., Westmaas, deelnemer ZAT Hofstad K. Thomassen, schoolmaatschappelijk werker Bureau Jeugdzorg Zoetermeer K. van Rotterdam, deelnemer ZAT Stedelijk College Zoetermeer M. Klok, deelnemer ZAT ID College en Stedelijk College Zoetermeer Stichting Jeugdformaat, Rijswijk Jongeren Informatiepunt, Zoetermeer M. de Zwart, schoolmaatschappelijk werker T. Breedveld, medewerker informatie en advies Andere partners Spirit4you, Den Haag SOB(online), Den Haag K. Baarda, programmamanager I. in den Bosch, programmamanager C. Meivogel, coördinator SOB Haaglanden COLO, Zoetermeer JIT(Jeugd Interventieteam), Den Haag H. Karssen, projectleider, aanspreekpunt VSV E. Aben, teamleider JIT Preventief

81 Bijlage 4 Gespreksinstructie 37941

82 37941

83 Instructie Het onderzoek: In de afgelopen jaren is een groot aantal maatregelen geïnitieerd met het oog op het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters (vsv-ers). Uit cijfers blijkt dat het beleid effectief is geweest: het aantal vsv-ers neemt af. Het is echter niet bekend welke maatregelen (of combinaties van maatregelen) het beste hebben gewerkt. Met dit onderzoek beoogt het ministerie van OCW daar meer inzicht in verkrijgen. Dat gebeurt aan de hand van de mening van professionals over de effectiviteit van maatregelen in het vmbo en het mbo. Dit onderzoek wordt gehouden in de RMC-regio s Haaglanden en Flevoland. U bent een van die professionals die wij vragen hun mening te geven over de effectiviteit van de maatregelen in hun regio. Onder de mate van effectiviteit verstaan we de bijdrage van een maatregel aan het terugdringen van het aantal vsv-ers. Dat doen we door middel van Q-methodologie, een kwalitatieve onderzoeksmethode om op een systematische manier inzicht te krijgen in de ervaringen en meningen van de professionals. Hoe gaan we te werk: We leggen u 49 maatregelen voor met de vraag deze te rangschikken op een schaal van minst effectief tot meest effectief. De maatregelen staan op willekeurig genummerde kaartjes. We vragen u eerst om deze maatregelen te rangschikken in verschillende stapels: een stapel voor de maatregelen die het meest effectief vindt, een stapel voor de maatregelen die u minder effectief vindt en een stapel voor maatregelen waar u geen mening over heeft. Voor de duidelijkheid: effectief betekent dat de maatregel volgens u een bijdrage levert aan de afname van het aantal vsv-ers. Hoe groter de gerealiseerde afname in vsv-ers, des te effectiever de maatregel. We vragen u dat zoveel mogelijk te doen op basis van uw ervaring met de maatregelen. Vervolgens vragen we u de kaartjes te scoren op een schaal van minst effectief tot meest effectief. Per categorie kunt u een maximaal aantal kaartjes neerleggen. Daarmee dwingen wij u om te prioriteren en kunnen wij later een vergelijking tussen maatregelen maken

84 Aantal maatregelen Scores (meest effectief) (minst effectief) Terwijl u de kaartjes rangschikt (en na afloop) stellen wij u een aantal vragen over uw prioritering. Dit geeft u de gelegenheid uw beoordeling toe te lichten. Verder bij aanvang van het gesprek: Dit gesprek zal ongeveer een uur in beslag nemen. Vanzelfsprekend gaan wij vertrouwelijk om met de verzamelde gegevens. Indien we in het onderzoek gebruik maken van quotes, dan gebeurt dat anoniem. Heeft u verder nog vragen? Soorten vragen gedurende en na afloop van de Q-sort: [Vuistregel voor de onderzoeker: onderzoeker moet in een later stadium kunnen reproduceren waarom de respondent de kaartjes heeft neergelegd zoals hij/zij dat heeft gedaan.] [Vraag over extremen:] Kunt u toelichten waarom u maatregel X uiterst links [of rechts] plaatst? [Vraag over vermeende inconsistenties:] Kunt u toelichten waarom u maatregel X daar en daar neerlegt terwijl u maatregel Y daar en daar neerlegt? Wat is een verklaring voor deze ogenschijnlijke tegenstelling? [Vraag over verrassende verschuivingen:] Kunt u toelichten waarom u aanvankelijk maatregel X daar en daar had neer gelegd en u later deze maatregel hebt verschoven naar daar en daar? Controlevragen [altijd stellen]: Is er naar aanleiding van uw sortering nog iets dat u graag wilt toelichten omdat het niet ter sprake is gekomen? Zijn er nog maatregelen die niet in de kaartenset zitten, maar die volgens u wel van belang zijn? Zijn er in uw regio specifieke factoren of omstandigheden die volgens u een rol spelen bij het meer of minder effectief zijn van bepaalde maatregelen? Dit onderzoek richt zich vooral op de maatregelen die de afgelopen jaren zijn geïnitieerd. Kunt u aangeven op welke (combinaties van) maatregelen, volgens u, in de komende jaren de nadruk zou moeten liggen? Tot slot: Dank voor uw medewerking!

85 Wij maken een rapport voor de opdrachtgever. Het inisterie van OCW bepaalt wat er met de verspreiding van het rapport gebeurt. Voor vragen of opmerkingen over het onderzoek kunt u altijd contact met ons opnemen. Altijd meenemen naar gesprek: Doosje met 49 kaartjes met maatregelen Schaal met daarop de scores waarbij vermeld het maximale aantal kaartjes per score. A-4 om Q-sort, naam en functie van respondent en datum en plaats van gesprek op in te vullen. Pen en papier

86

87 Bijlage 5 Opbrengst gesprekken: Ingevulde Q-sort. Tips voor de toekomst. Gemiste maatregelen

88 37941

89

Achtergrondinformatie formatiemeter 2014

Achtergrondinformatie formatiemeter 2014 Achtergrondinformatie formatiemeter 2014 Aanleiding De formatierichtlijn leerplichtfunctie dateert uit 2007. Een aantal ontwikkelingen is aanleiding om de formatierichtlijn in 2013 tegen het licht te houden.

Nadere informatie

Landelijke doelstelling

Landelijke doelstelling 1 Landelijke doelstelling Op 9 augustus 2012 is per RMC-regio een convenant ondertekend. Voor RMC Oost Groningen (RMC regio1) is het convenant ondertekend door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en

Nadere informatie

Preventieproject De Overstap 2015 April 2015

Preventieproject De Overstap 2015 April 2015 Preventieproject De Overstap 2015 April 2015 Gemeente Den Haag Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn Afdeling Leerlingzaken Postbus 12 652 2500 DP Den Haag Bezoekadres: Spui 70, Den Haag Projectcoördinatoren

Nadere informatie

Aanval op de uitval. perspectief en actie

Aanval op de uitval. perspectief en actie Aanval op de uitval perspectief en actie Fatma wil fysiotherapeut worden. En dat kan ze ook. Maar ze heeft nog een wel een lange leerloopbaan te gaan. Er kan in die leerloopbaan van alles misgaan waardoor

Nadere informatie

Versterking van LOB in de doorlopende leerlijn vmbo-mbo

Versterking van LOB in de doorlopende leerlijn vmbo-mbo Stimuleringsproject LOB in het mbo Versterking van LOB in de doorlopende leerlijn vmbo-mbo Visie ontwikkelen in regionale inspiratiebijeenkomsten Wat verstaan we eigenlijk onder loopbaanoriëntatie en -begeleiding

Nadere informatie

Vaststellen verzuimprotocol Beroeps en Volwassenen Educatie

Vaststellen verzuimprotocol Beroeps en Volwassenen Educatie Openbaar Onderwerp Vaststellen verzuimprotocol Beroeps en Volwassenen Educatie Programma / Programmanummer Onderwijs / 1073 BW-nummer Portefeuillehouder R. Helmer-Englebert Samenvatting Om schooluitval

Nadere informatie

Protocol. Schoolverzuim 18+ ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten

Protocol. Schoolverzuim 18+ ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten Protocol Schoolverzuim 18+ ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten mei 2014 1. Inleiding Verzuim is vaak een voorbode van voortijdig schooluitval. Door een goede verzuimregistratie, een preventief

Nadere informatie

8 Samenvatting en conclusies

8 Samenvatting en conclusies 8 Samenvatting en conclusies In dit hoofdstuk vatten we aan de hand van de onderzoeksvragen de eerste bevindingen van het onderzoek samen, zoals die in dit jaarrapport 2012 zijn gepresenteerd. De conclusies

Nadere informatie

Wat doe ik, wa ik en wat wil i

Wat doe ik, wa ik en wat wil i DC START Wat doe ik, wa ik en wat wil i VAN EN VOOR HEEL DRENTHE Drenthe College is een regionaal opleidingen centrum, een school voor middelbaar beroepsonderwijs (mbo), volwasseneneducatie, bedrijfsopleidingen

Nadere informatie

Ziekteverzuimbegeleiding De interventie M@ZL (Medische Advisering Ziek gemelde Leerling)

Ziekteverzuimbegeleiding De interventie M@ZL (Medische Advisering Ziek gemelde Leerling) Informatiefolder Ziekteverzuimbegeleiding De interventie M@ZL (Medische Advisering Ziek gemelde Leerling) M@ZL: Medische Advisering van de Ziekgemelde Leerling M@ZL is een manier van signaleren en begeleiden

Nadere informatie

Bijlage 1 Definities en cijfers schoolverzuim

Bijlage 1 Definities en cijfers schoolverzuim Bijlage 1 Definities en cijfers schoolverzuim 1. Definities schoolverzuim In de Leerplichtwet 1969 (hierna: de Leerplichtwet) worden verschillende soorten schoolverzuim onderscheiden: 1) Relatief verzuim.

Nadere informatie

Notitie voortijdig schoolverlaters. Een verkenning naar de redenen voor het voortijdig schoolverlaten

Notitie voortijdig schoolverlaters. Een verkenning naar de redenen voor het voortijdig schoolverlaten Notitie voortijdig schoolverlaters Een verkenning naar de redenen voor het voortijdig schoolverlaten Spirit4you, december 2013 1. Voortijdig schoolverlaters 1.1. Doel van dit document In het convenant

Nadere informatie

RMC Noord-Kennemerland. Presentatie PORA 6 januari 2016

RMC Noord-Kennemerland. Presentatie PORA 6 januari 2016 Presentatie PORA 6 januari 2016 Regionale Meld- en Coördinatiefunctie Voorstellen Doel -functie Wanneer is er sprake van (dreigend) voortijdig schoolverlaten? -een jongere die nog geen 23 is én -niet in

Nadere informatie

Handreiking voor het maken van een regionale analyse 2012-2015 betreffende het voorkomen van voortijdig schoolverlaten

Handreiking voor het maken van een regionale analyse 2012-2015 betreffende het voorkomen van voortijdig schoolverlaten Handreiking voor het maken van een regionale analyse 2012-2015 betreffende het voorkomen van voortijdig schoolverlaten Definitieve versie met voorlopige cijfers over schooljaar 2010-2011 Zonder een scherp

Nadere informatie

RMC Regio: 0... Aantal geleverde namen met gegevens:.

RMC Regio: 0... Aantal geleverde namen met gegevens:. Conceptversie Handreiking Analyse Voortijdig schoolverlaters een jaar later, tussenstand 1 mei 2014 U ontvangt deze handreiking bij uw OCW/DUO-gegevenslevering Namen & Rugnummers voortijdig schoolverlaters

Nadere informatie

CONVENANT VSV 2012-2015 (naam regio)

CONVENANT VSV 2012-2015 (naam regio) CONVENANT VSV 2012-2015 (naam regio) Convenant tussen de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de RMCcontactgemeente van de RMC-regio ( ) en onderstaande onderwijsinstellingen inzake het terugdringen

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Docenten in het hoger onderwijs zijn experts in wát zij doceren, maar niet noodzakelijk in hóe zij dit zouden moeten doen. Dit komt omdat zij vaak weinig tot geen training hebben gehad in het lesgeven.

Nadere informatie

gfedcb Besluitenlijst d.d. d.d.

gfedcb Besluitenlijst d.d. d.d. Nota voor burgemeester en wethouders Onderwerp Eenheid/Cluster/Team RS/SI/MM versterking leerplicht 1- Notagegevens Notanummer 2007.35080 Datum 19-11-2007 Portefeuillehouder Weth. Adema 2- Bestuursorgaan

Nadere informatie

Leerplichtbeleid gemeente Tynaarlo Administratie van scholen en gemeente Leerplicht; verzuimmelding, vrijstelling

Leerplichtbeleid gemeente Tynaarlo Administratie van scholen en gemeente Leerplicht; verzuimmelding, vrijstelling Inleiding Hierbij bieden wij u het jaarverslag Leerplicht 2012-2013 aan, waarin verslag wordt uitgebracht over het uitgevoerde leerplichtbeleid over genoemd schooljaar. Leerplicht is een belangrijk middel

Nadere informatie

De gevonden zonen (m/v)

De gevonden zonen (m/v) De gevonden zonen (m/v) Aandacht voor schoolverlaters die terugkeren naar het onderwijs Barbara van Wijk, Sandra van den Dungen en Erik Fleur ecbo en DUO/INP Woord vooraf De bestrijding van voortijdige

Nadere informatie

Jaarverslag leerplicht Schooljaar 2011-2012

Jaarverslag leerplicht Schooljaar 2011-2012 Jaarverslag leerplicht Schooljaar 2011-2012 Voorwoord 2 Behandelzaken 3 Tabellen & Grafieken 4 Toelichting cijfers jaarverslag 7 Trajectbureau Opleiding & Werk 8 Voorwoord De gemeente Soest wil dat alle

Nadere informatie

Bijlage 1 Definities en cijfers schoolverzuim op grond van de Leerplichtwet 1969

Bijlage 1 Definities en cijfers schoolverzuim op grond van de Leerplichtwet 1969 Bijlage 1 Definities en cijfers schoolverzuim op grond van de Leerplichtwet 1969 1. Definities schoolverzuim In de Leerplichtwet 1969 (hierna: de Leerplichtwet) worden verschillende soorten schoolverzuim

Nadere informatie

Inhoudsopgave verzuimkaart Clusius College mbo

Inhoudsopgave verzuimkaart Clusius College mbo Inhoudsopgave kaart Clusius College mbo VERZUIMKAART... 2 Verzuimregistratie... 2 Leer- en kwalificatieplicht... 2 Taken van de leerplichtambtenaar... 3 Taken van het RMC... 3 Verzuimbeleid van het Clusius

Nadere informatie

Werkt Gedragswerk? Evaluatie project Gedragswerk Juni 2009

Werkt Gedragswerk? Evaluatie project Gedragswerk Juni 2009 Werkt Gedragswerk? Evaluatie project Gedragswerk Juni 29 Evaluatieonderzoek Gedragswerk, juni 29 1 Inleiding Met het Ministerie van OCW is afgesproken dat in het schooljaar 28 29 een evaluatie zou worden

Nadere informatie

M200616. De winstpotentie van personeelsbeleid in het MKB

M200616. De winstpotentie van personeelsbeleid in het MKB M200616 De winstpotentie van personeelsbeleid in het MKB dr. J.M.P. de Kok drs. J.M.J. Telussa Zoetermeer, december 2006 Prestatieverhogend HRM-systeem MKB-bedrijven met een zogeheten 'prestatieverhogend

Nadere informatie

PROTOCOL MELDING EN REGISTRATIE VOORTIJDIG SCHOOLVERLATERS REGIO ZUID-HOLLAND ZUID

PROTOCOL MELDING EN REGISTRATIE VOORTIJDIG SCHOOLVERLATERS REGIO ZUID-HOLLAND ZUID PROTOCOL MELDING EN REGISTRATIE VOORTIJDIG SCHOOLVERLATERS REGIO ZUID-HOLLAND ZUID Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1 Voorwoord 2 Hoofdstuk 1 Inleiding. 3 Hoofdstuk 2 Melding en registratie. 5 Bijlage 1 Stroomschema

Nadere informatie

Model convenant Zorg- en adviesteam in het onderwijs

Model convenant Zorg- en adviesteam in het onderwijs Model convenant Zorg- en adviesteam in het onderwijs CONVENANT Zorg- en adviesteam School/Scholen/SWV xxx Deelnemende organisaties: Deelnemer 1 Deelnemer 2 Deelnemer 3 Deelnemer 4 Deelnemer 5 Deelnemer

Nadere informatie

Agenda voor de Toekomst Aanval op de schooluitval 2015-2018. RMC regio Zuid-en Midden- Kennemerland

Agenda voor de Toekomst Aanval op de schooluitval 2015-2018. RMC regio Zuid-en Midden- Kennemerland Agenda voor de Toekomst Aanval op de schooluitval 2015-2018 RMC regio Zuid-en Midden- Kennemerland Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en VSV per 1 januari 2014 Organisatie Bestuurlijk: Leerplicht,

Nadere informatie

Verzuim leerplichtige en kwalificatieplichtige studenten

Verzuim leerplichtige en kwalificatieplichtige studenten Verzuim leerplichtige en kwalificatieplichtige studenten De Uitvoering Betreft Standaardisatie verzuimprotocol Fase 1: Regelregime toepassen Fase 2: Verzuim 18+ (VSV) Opdrachtgever Scalda, College van

Nadere informatie

Ter attentie van de leden van de Vaste Kamercommissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Ter attentie van de leden van de Vaste Kamercommissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap De Kinderombudsman Visie op het verlengen van de kwalificatieplicht tot 21 jaar 7 september 2015 Ter attentie van de leden van de Vaste Kamercommissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Aanleiding De

Nadere informatie

RMC EN VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN

RMC EN VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN RMC EN VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN Iedere jongere tussen de 12 en 23 jaar die het onderwijs verlaat zonder een startkwalificatie wordt aangemerkt als een Voortijdige Schoolverlater.

Nadere informatie

Factsheets VSV. November 2005

Factsheets VSV. November 2005 Factsheets VSV November 2005 Reikwijdte en beperkingen van de cijfers In deze factsheets zijn de RMC-registraties en de Enquête beroepsbevolking twee belangrijke bronnen. Beide bieden zicht op de vsv-populatie.

Nadere informatie

Convenant Veiligheid in en om de school Veiligheid in en om de school

Convenant Veiligheid in en om de school Veiligheid in en om de school Convenant Veiligheid in en om de school Veiligheid in en om de school Gemeenten Weert, Nederweert en Cranendonck Convenant voor: Voortgezet Onderwijs Voortgezet Speciaal Onderwijs Middelbaar Beroeps Onderwijs

Nadere informatie

Informatiebrochure voor bedrijven en intermediairs. Versie: januari 2012-1 -

Informatiebrochure voor bedrijven en intermediairs. Versie: januari 2012-1 - Informatiebrochure voor bedrijven en intermediairs - 1 - Inhoudsopgave Inleiding Fys Optima, wie zijn we? Werkwijze Diensten en producten in leaflets Diensten en producten, korte omschrijving - 2 - Inleiding

Nadere informatie

De pilot Duaanpak op het Albeda College. Fred Reelick

De pilot Duaanpak op het Albeda College. Fred Reelick De pilot Duaanpak op het Albeda College Fred Reelick De pilot Duoaanpak op het Albeda College Oktober 2010 Fred Reelick 2010 dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid [SoZaWe], Sociaal-wetenschappelijke

Nadere informatie

VSV CIJFERS: Wat is waarheid en hoe maak je onderscheid?

VSV CIJFERS: Wat is waarheid en hoe maak je onderscheid? VSV CIJFERS: Wat is waarheid en hoe maak je onderscheid? Lazlo van Donkelaar DENSA Adviseurs, In samenwerking met : Waar gaan we het over 1. Inleiding hebben? 2. Welke VSV cijfers zijn er en kloppen die

Nadere informatie

Samenwerkingsafspraken Thuiszitters;

Samenwerkingsafspraken Thuiszitters; Samenwerkingsafspraken Thuiszitters; Gemeenten en samenwerkingsverbanden regio Zuidoost Utrecht 1. Thuiszitters Alle kinderen verdienen een plek in het onderwijs. Door goed aan te sluiten bij de ondersteuningsbehoeften

Nadere informatie

Jaarplan Leerplicht. Schooljaar 2013-2014. Gemeente Velsen

Jaarplan Leerplicht. Schooljaar 2013-2014. Gemeente Velsen Jaarplan Leerplicht Schooljaar 2013-2014 Gemeente Velsen 1 2 Inleiding Alle kinderen in Nederland hebben recht op onderwijs. Zo kunnen zij zich voorbereiden op de maatschappij en de arbeidsmarkt. In Nederland

Nadere informatie

Wat is het effect van mentoring?

Wat is het effect van mentoring? Wat is het effect van mentoring? Februari 2016 HET IS AANNEMELIJK DAT MENTORING DE WERKLOOSHEID ONDER MIGRANTENJONGEREN KAN VERMINDEREN De werkloosheid onder jongeren van niet-westerse herkomst is veel

Nadere informatie

Holland y/f*.!** *>*«*> 4

Holland y/f*.!** *>*«*> 4 *«*> 4 fco»* In Holland Rijnland werken samen: Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Lelderdorp, Llsse, Noordwljk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude.

Nadere informatie

BIJLAGE A BEHORENDE BIJ ARTIKEL 10 VAN DE REGELING REGIONALE AANPAK VSV EN PRESTATIESUBSIDIE VOOR HET VOORTGEZET ONDERWIJS

BIJLAGE A BEHORENDE BIJ ARTIKEL 10 VAN DE REGELING REGIONALE AANPAK VSV EN PRESTATIESUBSIDIE VOOR HET VOORTGEZET ONDERWIJS BIJLAGE A BEHORENDE BIJ ARTIKEL 10 VAN DE REGELING REGIONALE AANPAK VSV EN PRESTATIESUBSIDIE VOOR HET VOORTGEZET ONDERWIJS Aanvraagformulier Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie

Nadere informatie

Onderzoek naar RMC+project. L. Doorn-van de Wetering, Msc. E.C. Biemolt-Engels R.F.C. Broeders

Onderzoek naar RMC+project. L. Doorn-van de Wetering, Msc. E.C. Biemolt-Engels R.F.C. Broeders Onderzoek naar RMC+project L. Doorn-van de Wetering, Msc. E.C. Biemolt-Engels R.F.C. Broeders Februari 2016 2 Samenvatting In 2008 is het RMC+/ToekomstTeam ontstaan. Doel van dit project is een samenwerking

Nadere informatie

Richting en resultaat voor de regio

Richting en resultaat voor de regio Richting en resultaat voor de regio visie en beleidsagenda voortijdig schoolverlaten 2010 2014 Zuid Holland Noord vastgesteld op 13 september 2010 door de regiegroep vsv Visie en beleidsagenda vsv 2010

Nadere informatie

Protocol Thuiszitters Versie 26-3-2015; t.d.v. ambtelijk en intern overleg SWV VO Weert Nederweert en Cranendonck. Door; Bram Winantz en Thijs Stroeks

Protocol Thuiszitters Versie 26-3-2015; t.d.v. ambtelijk en intern overleg SWV VO Weert Nederweert en Cranendonck. Door; Bram Winantz en Thijs Stroeks Protocol Thuiszitters Versie 26-3-2015; t.d.v. ambtelijk en intern overleg SWV VO Weert Nederweert en Cranendonck. Door; Bram Winantz en Thijs Stroeks Het samenwerkingsverband VO Weert Nederweert Cranendonck

Nadere informatie

Verzuim- en. meldprotocol. 12-23 jaar in VO en MBO Noorden Midden-Limburg (regio 38)

Verzuim- en. meldprotocol. 12-23 jaar in VO en MBO Noorden Midden-Limburg (regio 38) Verzuim- en meldprotocol 12-23 jaar in VO en MBO Noorden Midden-Limburg (regio 38) Leerlingen/studenten tot 18 jaar zonder startkwalificatie vallen onder de leer- en kwalificatieplicht. Leerlingen/studenten

Nadere informatie

Werken met. ESAR werkt! Werken met ESAR werkt! betere en snellere hulp

Werken met. ESAR werkt! Werken met ESAR werkt! betere en snellere hulp Werken met esar@almere.nl Werken met ESAR werkt! ESAR werkt! betere en snellere hulp Almeerse professionals over hun ervaringen met het Elektronisch Signaleringssysteem Alle Risicojeugd Telefoon 14 036

Nadere informatie

DOORGAANDE ZORGLIJNEN IN DEN HAAG

DOORGAANDE ZORGLIJNEN IN DEN HAAG DOORGAANDE ZORGLIJNEN IN DEN HAAG Eindrapportage Hans Kruijssen, adviseur m.m.v. Rineke Huysmans, ROC Mondriaan juni 2010 Vooraf Met deze eindrapportage aan de stuurgroep Spirit4you rondt de projectleider

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 21 maart 2013 Betreft Voortgang aanpak schoolverzuim

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 21 maart 2013 Betreft Voortgang aanpak schoolverzuim a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Raadsinformatiebrief Nr. :

Raadsinformatiebrief Nr. : Raadsinformatiebrief Nr. : Reg.nr. : 12.0118 B&W verg. : 7-02-2012 Onderwerp:Jaarverslag leerplicht 2010-2011 1) Status In het licht van de actieve informatieplicht informeren wij U over de stand van zaken

Nadere informatie

Iedereen naar school. Informatie voor ouders over leerplicht. gemeente T i e l

Iedereen naar school. Informatie voor ouders over leerplicht. gemeente T i e l Iedereen naar school Informatie voor ouders over leerplicht gemeente T i e l 2 Iedereen naar school Informatie voor ouders over leerplicht Onderwijs is belangrijk om in de maatschappij goed mee te komen.

Nadere informatie

en leerlingenvervoer

en leerlingenvervoer Wat willen we bereiken? Omschrijving/Definitie: Hier wordt onder verstaan: 1. zorgdragen voor vervoer van leerlingen met een beperking; 2. bevorderen onderwijs voor leerlingen met beperkingen; 3. bevorderen

Nadere informatie

Afsprakenkader. Partners in Leren en Werken in. Zorg en Welzijn Zeeland. Vastgesteld in de FluenZ Adviesraad. ViaZorg

Afsprakenkader. Partners in Leren en Werken in. Zorg en Welzijn Zeeland. Vastgesteld in de FluenZ Adviesraad. ViaZorg Afsprakenkader Partners in Leren en Werken in Zorg en Welzijn Zeeland ViaZorg 2014 Vastgesteld in de FluenZ Adviesraad INHOUD Inleiding 1. Hoe kunnen de opleidingen kwalitatief beter en vooral uitdagender?

Nadere informatie

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016 Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016 Tussenmeting 2015 Portret samenwerkingsverband P029 Opdrachtgever: ministerie van OCW Utrecht, oktober

Nadere informatie

Opleiding Verpleegkunde Stage-opdrachten jaar 3

Opleiding Verpleegkunde Stage-opdrachten jaar 3 Opleiding Verpleegkunde Stage-opdrachten jaar 3 Handleiding Voltijd Jaar 3 Studiejaar 2015-2016 Stage-opdrachten Tijdens stage 3 worden 4 stage-opdrachten gemaakt (waarvan opdracht 1 als toets voor de

Nadere informatie

RMC beleidsplan Zuid-Holland Noord 2011-2014 Regionaal Bureau Leerplicht Holland Rijnland

RMC beleidsplan Zuid-Holland Noord 2011-2014 Regionaal Bureau Leerplicht Holland Rijnland RMC beleidsplan Zuid-Holland Noord 2011-2014 Concept Inleiding en wettelijk kader Sinds de oprichting van het Regionaal Bureau Leerplicht (RBL) in De doelgroep van de RMC-functie, zoals benoemd in de wet,

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Dit proefschrift gaat over de invloed van inductieprogramma s op het welbevinden en de professionele ontwikkeling van beginnende docenten, en welke specifieke kenmerken van inductieprogramma s daarvoor

Nadere informatie

Investeren in zorg en de strijd tegen schooluitval

Investeren in zorg en de strijd tegen schooluitval Investeren in zorg en de strijd tegen schooluitval Het kabinet wil het aantal nieuwe schooluitvallers in 2012 halveren. Van 70.000 schooluitvallers in 2002 naar 35.000 schooluitvallers in 2012. Zij heeft

Nadere informatie

Oplegvel. 1. Onderwerp Beleidsplan leerplicht 2013-2014. 2. Rol van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland. Efficiencytaak

Oplegvel. 1. Onderwerp Beleidsplan leerplicht 2013-2014. 2. Rol van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland. Efficiencytaak Oplegvel In Holland Rijnland werken samen: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Rijnwoude, Teylingen,

Nadere informatie

Maatschappelijke Ontwikkeling Ingekomen stuk D17 (PA 4 september 2013) Beleidsontwikkeling. Datum uw brief

Maatschappelijke Ontwikkeling Ingekomen stuk D17 (PA 4 september 2013) Beleidsontwikkeling. Datum uw brief Ingekomen stuk D17 (PA 4 september 2013) Aan de Gemeenteraad van Nijmegen Korte Nieuwstraat 6 6511 PP Nijmegen Telefoon 14024 Telefax (024) 323 59 92 E-mail gemeente@nijmegen.nl Postadres Postbus 9105

Nadere informatie

SAMENWERKINGSVERBAND AMSTELLAND EN DE MEERLANDEN

SAMENWERKINGSVERBAND AMSTELLAND EN DE MEERLANDEN OPZET ACTIEONDERZOEK SCHOOLVERZUIM AANLEIDING Het samenwerkingsverband VO Amstelland en de Meerlanden heeft tot augustus 2013 de tijd om zich voor te bereiden op de uitvoering van de wet op de zorgplicht.

Nadere informatie

SAMENVATTING EVALUATIE PROGRAMMA SCHAKEL!

SAMENVATTING EVALUATIE PROGRAMMA SCHAKEL! SAMENVATTING EVALUATIE PROGRAMMA SCHAKEL! Aanleiding Het Vervangingsfonds voert regelmatig grootschalige projecten of programma s uit om een extra impuls te geven aan de aanpak van het ziekteverzuim in

Nadere informatie

Onderzoek studie uitval HBO studenten Het belang van een goede studiekeuze. oktober 2011

Onderzoek studie uitval HBO studenten Het belang van een goede studiekeuze. oktober 2011 Onderzoek studie uitval HBO studenten Het belang van een goede studiekeuze oktober 2011 Hoog percentage studie uitvallers Uit cijfers van de HBO-raad blijkt dat gemiddeld 15,8% van de HBO studenten afvalt

Nadere informatie

Checklist kwaliteit van het ZAT in het VO

Checklist kwaliteit van het ZAT in het VO Checklist kwaliteit van het ZAT in het VO Nederlands Jeugdinstituut Landelijk steunpunt ZAT ZAT infolijn t (030) 230 65 64 e infozat@nji.nl i www.zat.nl 1. Realisatie van de doelen/prestaties doelen/prestaties

Nadere informatie

Jaarverslag leerplicht gemeente Hoorn Schooljaar 2012/2013. Inhoudsopgave: 1. Samenvatting. 2. Inleiding. 3. Cijfers en resultaten

Jaarverslag leerplicht gemeente Hoorn Schooljaar 2012/2013. Inhoudsopgave: 1. Samenvatting. 2. Inleiding. 3. Cijfers en resultaten 1 Jaarverslag leerplicht gemeente Hoorn Schooljaar 2012/2013 Inhoudsopgave: 1. Samenvatting 2. Inleiding 3. Cijfers en resultaten 4. Trends en Ontwikkelingen 4.1 Transities Jeugd en Passend Onderwijs 4.2

Nadere informatie

Oplegvel Collegebesluit

Oplegvel Collegebesluit Oplegvel Collegebesluit Onderwerp Beleid en verdeling rijksmiddelen Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC)Voortijdig Schoolverlaten, kwalificatieplicht en aanvullend VSV beleid 2013 Portefeuille J.

Nadere informatie

monitor Marokkaanse Nederlanders in Maassluis bijlage(n)

monitor Marokkaanse Nederlanders in Maassluis bijlage(n) Raadsinformatiebrief (openbaar) gemeente Maassluis Aan de leden van de gemeenteraad in Maassluis Postbus 55 3140 AB Maassluis T 010-593 1931 E gemeente@maassluis.nl I www.maassluis.nl ons kenmerk 2010-4748

Nadere informatie

Het college van burgemeester en wethouders geeft in zijn reactie aan de conclusies van de rekenkamer te herkennen.

Het college van burgemeester en wethouders geeft in zijn reactie aan de conclusies van de rekenkamer te herkennen. tekst raadsvoorstel Inleiding Vanaf januari 2015 (met de invoering van de nieuwe jeugdwet) worden de gemeenten verantwoordelijk voor alle ondersteuning, hulp en zorg aan kinderen, jongeren en opvoeders.

Nadere informatie

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014 Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos

Nadere informatie

CONVENANT. Veiligheid op scholen van het Voortgezet en Middelbaar Beroepsonderwijs in LELYSTAD

CONVENANT. Veiligheid op scholen van het Voortgezet en Middelbaar Beroepsonderwijs in LELYSTAD CONVENANT Veiligheid op scholen van het Voortgezet en Middelbaar Beroepsonderwijs in LELYSTAD Partijen komen het volgende overeen: De scholen zijn op grond van de Wet op de Arbeidsomstandigheden verantwoordelijk

Nadere informatie

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016 Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016 Beginmeting 2014 Portret samenwerkingsverband P029 Opdrachtgever: ministerie van OCW Utrecht, september

Nadere informatie

Project: Ontwikkelen van Outcome-indicatoren voor de Zorg Advies Teams, Tilburg Dossiernummer: 50-50405-99 ZonMw, 18-07-2013

Project: Ontwikkelen van Outcome-indicatoren voor de Zorg Advies Teams, Tilburg Dossiernummer: 50-50405-99 ZonMw, 18-07-2013 Project: Ontwikkelen van Outcome-indicatoren voor de Zorg Advies Teams, Tilburg Dossiernummer: 50-50405-99 ZonMw, 18-07-2013 Projectgroep: Gemeente Tilburg: Mw. M. Lennarts, beleidsmedewerker, dhr. W.

Nadere informatie

Beantwoording vragen rondom in- en uitschrijving in het voortgezet onderwijs

Beantwoording vragen rondom in- en uitschrijving in het voortgezet onderwijs Beantwoording vragen rondom in- en uitschrijving in het voortgezet onderwijs Hoofdvraag Is artikel 10, eerste lid, Leerplichtwet 1969 (Lpw 1969), onverenigbaar met artikel 4 en 5 van het Bekostigingsbesluit

Nadere informatie

Zorg- en adviesteam in het onderwijs

Zorg- en adviesteam in het onderwijs standaard Convenant Zorg- en adviesteam in het onderwijs Product van het programma Intensivering Kwaliteit Zorg- en adviesteams NJi Onderwijs & Jeugdzorg / LCOJ mei 2008 Inhoudsopgave Inleiding Convenant

Nadere informatie

Bijlage bij brief Naar een integrale aanpak van schoolverzuim

Bijlage bij brief Naar een integrale aanpak van schoolverzuim Bijlage bij brief Naar een integrale aanpak van schoolverzuim 1. Definities De Leerplichtwet 1969 (hierna: de Leerplichtwet) verplicht ouders hun kinderen vanaf de eerste schooldag van de maand volgende

Nadere informatie

1. Bestuurlijke opdracht

1. Bestuurlijke opdracht PROJECTPLAN LEA KAMER ZORG 1. Bestuurlijke opdracht 1.1. Algemeen De algemene bestuurlijke opdracht luidt: Gebruik de bestaande inventarisatie over signalering en sluitende aanpak, om vorm te geven aan

Nadere informatie

MovingOnUp in vogelvlucht. Context van MovingOnUp. Algemene kenmerken begeleidingslijn

MovingOnUp in vogelvlucht. Context van MovingOnUp. Algemene kenmerken begeleidingslijn Context van MovingOnUp De afgelopen jaren heeft Pro Accretio gewerkt aan de ontwikkeling van de loopbaanbegeleidingslijn MovingOnUp. Deze lijn biedt diverse doelgroepen structuur en onderbouwing bij het

Nadere informatie

Inhoudsopgave: Inleiding. Hoofdstuk 1: Achtergrond van de vragenlijst 1.1 : Het Team Leadership Competence Model

Inhoudsopgave: Inleiding. Hoofdstuk 1: Achtergrond van de vragenlijst 1.1 : Het Team Leadership Competence Model Inhoudsopgave: Inleiding Hoofdstuk 1: Achtergrond van de vragenlijst 1.1 : Het Team Leadership Competence Model Hoofdstuk 2: De Team Leadership Competence Questionnaire 2.1 : Opbouw van de lijst 2.2 :

Nadere informatie

The Effectiveness of Community Schools: Evidence from the Netherlands

The Effectiveness of Community Schools: Evidence from the Netherlands The Effectiveness of Community Schools: Evidence from the Netherlands Proefschrift Marieke Heers (gepromoveerd 3 oktober in Maastricht; promotoren prof.dr. W.N.J. Groot en prof.dr. H. Maassen van den Brink)

Nadere informatie

Voortijdige Schoolverlaters Zoetermeer. Schooljaar 2014-2015

Voortijdige Schoolverlaters Zoetermeer. Schooljaar 2014-2015 Voortijdige Schoolverlaters Zoetermeer Schooljaar 2014-2015 Juridische Aangelegenheden en Bestuursondersteuning / Onderzoek en Statistiek Voortijdige schoolverlaters Zoetermeer Schooljaar 2014-2015 Januari

Nadere informatie

Raadsnota. Aan de gemeenteraad,

Raadsnota. Aan de gemeenteraad, Raadsnota Raadsvergadering d.d.: 29 juni 2009 Agenda nr: 6 Onderwerp: Jaarverslag Leerplicht / Regionaal Meld en Coördinatiepunt (RMC) Maastricht en Mergelland 2007-2008 Aan de gemeenteraad, 1. Doel, Samenvatting

Nadere informatie

voorkomt schooluitval en afstand tot de arbeidsmarkt voorkomt jeugdwerkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid

voorkomt schooluitval en afstand tot de arbeidsmarkt voorkomt jeugdwerkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid voorkomt schooluitval en afstand tot de arbeidsmarkt voorkomt jeugdwerkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid biedt jongeren Entreeopleiding- / Startkwalificatie biedt leerwerk-trajecten, stages en baangaranties;

Nadere informatie

logoocw De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag 13 februari 2007 BVE/I&I/2007/3891

logoocw De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag 13 februari 2007 BVE/I&I/2007/3891 logoocw De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Den Haag Ons kenmerk 13 februari 2007 BVE/I&I/2007/3891 Onderwerp Voortijdig schoolverlaten 1. Inleiding In

Nadere informatie

Eerst de beren dan de honing

Eerst de beren dan de honing 58 secondant #3/4 juli-augustus 2011 Resultaten van Veiligheidshuizen Eerst de beren dan de honing Illustratie: Hans Sprangers De Veiligheidshuizen vormden de afgelopen jaren een bron van onderzoek. Zo

Nadere informatie

Resultaat tevredenheidsonderzoek externe relaties Odion

Resultaat tevredenheidsonderzoek externe relaties Odion Resultaat tevredenheidsonderzoek externe relaties Odion Resultaat externe tevredenheidsmeting Pagina 1 Rinske Rill en Dea Bobeldijk. 21 mei 1 Inhoud Samenvatting... 1. Inleiding... 4 2. Aantallen respondenten...

Nadere informatie

Convenant Veiligheid in rn om de school Gemeente Hengelo

Convenant Veiligheid in rn om de school Gemeente Hengelo Convenant Veiligheid in rn om de school Gemeente Hengelo Hengelo, 21 oktober 2010 1. Doelstelling Dit convenant heeft tot doel om een eenduidig en sluitend stelsel van afspraken te maken ten behoeve van

Nadere informatie

Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015!

Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015! Voorstel voor onderzoekspresentaties Mbo Onderzoeksdag Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015! Indienen van een voorstel kan tot en met 15 mei 2015 via e-mailadres: info@mboonderzoeksdag.nl

Nadere informatie

De toekomst van handelsmissies

De toekomst van handelsmissies De toekomst van handelsmissies 1 Deze rapportage is een uitgave van het lectoraat International Business. Lectoraat International Business School of Business, Media en Recht Windesheim Campus 2-6 Postbus

Nadere informatie

Productcatalogus 2015

Productcatalogus 2015 Productcatalogus 2015 Stichting ToReachIt Simple as A.B.C. Acceptance is the Beginning of Change Inhoudsopgave Inleiding Pag. 1.1 Waarom deze productcatalogus 3. 1.2 Stichting ToReachIt samengevat 3. Producten

Nadere informatie

Passend Perspectief. Samenvatting en conclusies. mei 2007

Passend Perspectief. Samenvatting en conclusies. mei 2007 Passend Perspectief een onderzoek naar de toekomstige ontwikkeling van de zorgexpertise van het regulier voortgezet onderwijs in Voorne-Putten/Rozenburg mei 2007 Samenvatting en conclusies In het najaar

Nadere informatie

RMC-effectrapportage 2008-2009

RMC-effectrapportage 2008-2009 RMC-effectrapportage 2008-2009 Regio 26 Datum 1-dec-09 0. Basisgegevens nummer RMC regio 26 naam RMC regio Zuid Holland Noord contactgegevens Naam RMC coördinator: F. de Lorme van Rossum adres: Postbus

Nadere informatie

PROTOCOL ABSENTIE EN VERZUIM

PROTOCOL ABSENTIE EN VERZUIM Noordpolderkade 167 2516 JE Den Haag Telefoon: (070) 3350628 Fax: (070) 3352470 School voor Praktijkonderwijs info@esloocollege.nl www.esloocollege.nl PROTOCOL ABSENTIE EN VERZUIM INHOUD: 1. WAT DOET DE

Nadere informatie

Bestuurlijke strafbeschikking en bestuurlijke boete overlast. Samenvatting. Drs. Sander Flight Prof. Mr. Dr. Arthur Hartmann Dr. Oberon Nauta RAPPORT

Bestuurlijke strafbeschikking en bestuurlijke boete overlast. Samenvatting. Drs. Sander Flight Prof. Mr. Dr. Arthur Hartmann Dr. Oberon Nauta RAPPORT Bestuurlijke strafbeschikking en bestuurlijke boete overlast Samenvatting Drs. Sander Flight Prof. Mr. Dr. Arthur Hartmann Dr. Oberon Nauta RAPPORT Bestuurlijke strafbeschikking en bestuurlijke boete overlast

Nadere informatie

Jaarverslag Leerlingzaken

Jaarverslag Leerlingzaken Jaarverslag Leerlingzaken 2014 2015 Inhoud Voorwoord > Tabel: Aantal Leerlingen in Utrecht > Visie en uitgangspunten > Tabel: Verzuimcijfers > De Wet > Tabel: Vrijstellingen > Tabel: Controle in het mbo

Nadere informatie

Convenant Ketenaanpak Eergerelateerd Geweld Twente

Convenant Ketenaanpak Eergerelateerd Geweld Twente Convenant Ketenaanpak Eergerelateerd Geweld Twente Samenwerkingsafspraken ten behoeve van de preventieve - en de veiligheidsaanpak van (potentiële) slachtoffers van eergerelateerd geweld in Twente. Vanuit

Nadere informatie

Schoolondersteuningsprofiel

Schoolondersteuningsprofiel Schoolondersteuningsprofiel samenwerkingsverband primair onderwijs Inhoudsopgave Inleiding 3 1. 4 2. Missie en Visie 4 3. ondersteuning 5 4. Wat kan de 6 4.1 Regionale afspraken minimaal te bieden ondersteuning

Nadere informatie

Samenvatting Samenvatting

Samenvatting Samenvatting Samenvatting Jaarlijks doen vele jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking In Nederland een beroep op de hulpverlening. Een aanmerkelijk aantal van hen krijgt deze hulp van een LVG-instituut.

Nadere informatie

Thematische behoeftepeiling. Uitkomsten en conclusies van een brede enquête onder patiëntenorganisaties

Thematische behoeftepeiling. Uitkomsten en conclusies van een brede enquête onder patiëntenorganisaties Thematische behoeftepeiling Uitkomsten en conclusies van een brede enquête onder patiëntenorganisaties Inleiding In de komende jaren ontwikkelt de VSOP toerustende activiteiten voor patiëntenorganisaties

Nadere informatie